Uitgelicht

‘Madammen met ‘nen bontjas’

            “Het kwaad wordt beloond, zou mijn grootmoeder zaliger – een boerin – hebben gezegd.”  Woorden waarmee August Hans den Boef het compenseren van nertsenfokkers beschrijft in een artikel bij Joop. Deze fokkers ontvangen compensatie voor de schade die zij lijden door het doden van de nertsen in hun stallen. Die dieren worden nu vroegtijdig gedood om de verspreiding van het corona-virus te voorkomen waardoor de pels niets of veel minder opbrengt dan normaal het geval zou zijn geweest. Die: “financiële compensatie voor vergaste nertsen is belonen van ongewenst gedrag,” vindt Den Boef en zo luidt de titel boven zijn artikel.

            Nu hoeven nertsenfokkers ook niet op mijn sympathie te rekenen. Om een bekend lied van Urbanus aan te halen: “Nee, ik hou niet van madammen met ‘nen bontjas. Madammen met een bontjas zijn gemeen. ‘K Moet niets hebben van madammen met ‘nen bontjas. Tegen madammen met ‘nen bontjas zeg ik neen.” Gebrek aan sympathie wil echter niet automatisch zeggen dat de fokkers de schade die hen door anderen wordt opgelegd dan ook maar zelf moeten ophoesten. “Bouwden de fokkers dus af? Neen, velen meenden nog even een paar jaar te kunnen scoren. Met de zegen van de boerenpartijen, CDA, ChristenUnie en SGP en de ondernemerspartij VVD. Dat scoren viel tegen. De weerstand bleef groeien – ook internationaal – en de pelsprijzen daalden. … Want een fokker die elf jaar de tijd heeft om zijn bedrijf af te bouwen, maar dat weigert, tegen allerlei maatschappelijke en economische ontwikkelingen in, neemt welbewust een… hoe heet dat ook weer? Een ondernemersrisico!” Inderdaad is de nertsenfokkerij sinds 15 januari 2013 verboden. Dat roept meteen de vraag op waarom er dan nog nertsenfokkers zijn?

Het antwoord daarop is heel Nederlands. Omdat ‘we’ met zijn allen in 2013 te beroerd waren om het meteen goed te regelen en de fokkers schadeloos te stellen, is er een overgangstermijn opgenomen voor bestaande fokkerijen. Die krijgen tot en met 31 december 2023 de gelegenheid om hun investering terug te verdienen. Het ligt dus net iets anders dan Den Boef beweert. Het was een ‘welbewuste keuze’ van de samenleving om de nertsenfokkers nog ‘een paar jaar te laten scoren’. Dat was nodig om ze hun eigen sanering te laten verdienen zodat het zonder schadevergoeding kon. Dat plaatst een schadevergoeding nu in een ander daglicht.

            Daar komt bij dat Nederland wel meer ‘kwaad beloont’ om Den Boefs grootmoeder aan te halen. Bedrijven die miljarden winst maken en belastingen ontwijken, zoals booking.com, maar niet reserveren voor tegenvallers, kunnen eten uit de staatsruif.

Uitgelicht

Toonpolitie

“‘White silence is violence’ scanderen wit en zwart op dit moment tijdens de protesten in Amerika. En ik ben het met ze eens. De structurele oppressie van onze identiteit en onze mensheid kan enkel gebeuren omdat het gros van onze medelanders zich stilhoudt en zich vaak opwerpt als verdedigers van het systeem door te fungeren als toonpolitie tegen hen die zich uitspreken tegen structurele discriminatie.” De op één na laatste alinea van een artikel van Karim Bettache bij Joop waarop ik straks terug kom. Eerst even het betoog van Bettache.

Bron: WikipediaCommons

Bij het lezen van zijn artikel ontstaat een beeld van Nederland als een in en in racistisch land dat andere culturen onderdrukt: “Je gaat de onderdrukking pas zien wanneer je de ogen daadwerkelijk opent, daar ons cultureel systeem bijzonder effectief is om de eigen onderdrukking in de geesten van ons allen te indoctrineren.” En iets verder op: “Bijna twee miljoen mensen in Nederland leven in een dergelijke identiteit en hebben elke dag te maken met een cultuur die vijandig staat ten opzichte van hun menszijn, hun ‘ik’. En ik bedoel dan niet de bewuste vijandigheid van een rechtsextremistische politicus of een neonazi, maar de heimelijke, geniepige vijandigheid die als een altijd aanwezige auto-immuun ziekte langzaam de integriteit van je lichaam van binnenuit aanvreet.” En: “we hebben er in Nederland een handje van naar anderen te wijzen waar het racisme betreft maar, op een paar vreselijke landen na, is er bijna geen ander land in het Westen waar zo ongegeneerd minderwaardig gesproken wordt over etnische minderheden in de publieke ruimte, gevolgd door een pijnlijke stilte van de witte meerderheid.” En de oorzaak hiervan:  “Zo’n vierhonderd jaar geleden hebben onze voorouders besloten de hele buiten-Europese wereld leeg te roven, te misbruiken en hun mensheid tot irrelevant te verklaren om daar vervolgens een heel systeem van waardige versus onwaardige mensen op te stoelen.”  

Over het historische gehalte van deze laatste passage schreef ik al eerder een Prikker met als titel Europese ‘Risk opdracht’. Nu naar de passage waarmee ik begon. Met zo’n beschrijving van Nederland vraag je je af waarom mensen überhaupt naar Nederland zouden willen vluchten, zoals er zovelen doen. Waarom zou je je immers blootstellen aan ‘indoctrinatie van je geest met de eigen onderdrukking’? Waarom je blootstellen aan een cultuur die ‘vijandig staat ten opzichte van hun mens zijn? Of zou er iets niet kloppen aan Bettache’s beschrijving van ‘het culturele systeem’ in Nederland?

Dat in Nederland niet alles ‘perfect’ is en soms zelfs verre van dat, staat buiten kijf. Dat het voor mensen met een minder lange geschiedenis in dit land, lastiger is om een plek te verwerven, staat ook buiten kijf. Betacche: “Op het VWO behoorden mijn resultaten tot de top, toch werd mijn kunnen altijd in twijfel getrokken door de leraren.” Wellicht tot verbazing van de heer Bettache, maar tot nog niet zolang geleden werden de schoolprestaties van arbeiderskinderen steevast in twijfel getrokken: ‘de mavo of lts lijkt mij passend voor uw kind’ kreeg menigeen van hen te horen aan het einde van de lagere school, zoals de basisschool toen heette. Dit terwijl een kind van de notaris met eenzelfde cijferlijst een vwo-advies kreeg. Arbeiderskinderen waren toen de ‘nieuwkomers’. En zo ervaren alle ‘nieuwkomers’ problemen met het zich, om de term van premier Rutte te gebruiken, invechten in de samenleving.

Dat Nederlanders, net als trouwens iedere andere menselijke bewoner van deze planeet, oordelen over anderen staat buiten kijf. Maar dat dit een gevolg is van het door Bettache beschreven ‘cultureel systeem’?  Zou het niet veeleer een nu hinderlijk gevolg zijn van onze geschiedenis als mens? Zou dat oordelen niet een hele lange geschiedenis hebben? Was het millennia lang niet onontbeerlijk voor het overleven van onze voorvaderen? Het was voor de jager- verzamelaars nodig om gevaar te detecteren: ‘is deze persoon of groep een gevaar voor mij en mijn groep?’ Dat moest heel snel gebeuren omdat treuzelen je dood kon betekenen. En bij dat snel beoordelen keken we, en dat doen we nu nog steeds, onbewust naar overeenkomsten maar vooral naar verschillen. Hoe meer verschillen, hoe meer gevaar. Millennia lang zo denken heeft gezorgd voor keuzes op basis van ‘vooroordelen’. Heel menselijk gedrag dat ons al die tijd heeft laten overleven maar dat in ons huidig tijdsgewricht, waarin er in een land als Nederland mensen wonen, leven en willen werken afkomstig uit alle landen en delen van de wereld, hindert en tot ongewenste gevolgen leidt. Dan moeten ze samen toch iets en dan wordt dat oude ‘overlevingsgedrag’ hinderlijk. Dat leidt ertoe dat: “wanneer je witte ruimtes binnenstapt zoals bepaalde cafés en restaurants en je de blikken op je rug voelt branden,” om een voorbeeld dat Bettache noemt, aan te halen. Een gevoel dat ook ik heb wel eens heb als ik ‘ruimtes’ binnenstap waarin ik weinig van mezelf herken.

Dan moeten we, zoals Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman het in zijn boek Ons feilbare denken noemt, van systeem 1 naar systeem 2 denken. “Systeem 1 werkt automatisch en snel, met weinig of geen inspanning en geen gevoel van controle.” Het systeem dat het overgrote deel van het werk voor ons mensen doet. Zonder deze manier van denken zouden we niets gedaan krijgen. Het systeem dat gevaar detecteert en dat onbewust onze houding jegens anderen bepaalt: vriend of vijand! Als we ons realiseren dat we volgens dit patroon mensen beoordelen dan kunnen we het veranderen en voor dat veranderen, hebben we systeem 2 nodig. “Systeem 2 omvat bewuste aandacht voor de mentale inspanningen die worden verricht, waaronder ingewikkelde berekeningen. De werking van systeem 2 wordt vaak gekoppeld aan de subjectieve ervaring van handelingsvermogen, keuze en concentratie.”  Systeem 2 kost tijd en moeite en dat is wat er nodig is om die eerste, onbewuste indruk over iemand op basis van systeem 1, ter discussie te stellen.  

Dit ‘jager- verzamelaargedrag’ om het zo te noemen wordt tegenwoordig door sommigen ook ‘institutioneel racisme’ genoemd. Ik vraag me af of die benaming helpt bij het aanpakken van dit gedrag. Door die naam eraan te geven, krijgt degene die het gedrag vertoont het gevoel van racisme te worden beschuldigd en daarin zal hij of zij zich niet herkennen. En dat gaat weer belemmeren in het voeren van het gesprek over de gevolgen van dat gedrag. Het wordt dan een gesprek met als thema ‘ik ben geen racist’ terwijl het eigenlijk moet gaan over de ongewenste gevolgen van dit ‘jager- verzamelaargedrag’.

Als dit mij de kwalificatie ‘toonpolitie’ en daarmee verdediger van ‘het systeem’ oplevert, het zij zo. Maar op de toon en vooral de inhoud van Bettache’s betoog is, zoals ik hierboven schreef, nogal wat aan te merken. Die toon en inhoud richten de aandacht op het verkeerde en dat is jammer.

Uitgelicht

Rekenen en betalen

Ik reken zelf nog geregeld de prijzen van producten terug naar oude guldens. Vooral de prijs van ‘un lekker pilske oet de tap’ is daarbij favoriet omdat ik me de prijs van mijn eerste nog goed kan herinneren. Het glas kosten mij één hele gulden. Voor de jeugd van tegenwoordig, dat is € 0,45. Wat het nu, in corona-tijden is, weet ik nog niet maar tijdens de Venlose vastelaovend kostte het € 2,60. Een stijging van 577%. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de inhoud van het toen gebruikelijke ‘kleintje’ 0,16 cl was en het tegenwoordige ‘fluitje’ 0,25 cl bevat. Dat maakt de werkelijke prijsstijging een stuk geringer, zo’n 370%.  Alleen heb ik niets aan die wetenschap als ik de barman moet betalen. Ik moest hieraan denken na het lezen van een opiniestuk van André ten Dam in Elsevier.

Bron: Wikimedia Commons

Ten Dam pleit voor een ‘intelligente euro’. Hoe die eruit ziet omschrijft hij, aan het einde van zijn lange tirade tegen alles wat er nu niet goed gaat, als volgt: “Met een beetje creativiteit draaien we het ‘terug naar nationale munten’-scenario gewoon om. Dan worden ‘betaalmiddelen’ (de nationale munten/rekeneenheden) uitsluitend nationale ‘rekeneenheden’, en wordt, vice versa, de euro zowel overal het enige ‘betaalmiddel’ als de overkoepelende Europese ‘anker-rekeneenheid’. Dan krijgen we dus geen 19 nationale valuta’s en 19 nationale rekeneenheden met 1 overkoepelende Europese anker-rekeneenheid. Nee, dan krijgen we 19 nationale rekeneenheden met slechts 1 valuta annex overkoepelende Europese anker-rekeneenheid. En dat is dus véél eenvoudiger!” Om het simpel te zeggen, in Nederland rekenen we in guldens en betalen we in euro’s. De Italiaan rekent in lires en betaalt in euro’s. En hoeveel guldens of lires er in een euro gaan, kan per dag verschillen. Hij noemt dit The Matheo Solution. Helaas legt hij niet uit hoe dat zou moeten werken, daarom een poging.

Even terug naar 1998 voordat de euro werd ingevoerd. Toen hadden we in Nederland de gulden, in Duitsland de mark, in Italië de lire enzovoorts. Die zijn per 1 januari 1999 opgegaan in de euro. Op dat moment werden deze munten aan elkaar vastgeklonken. Dat gebeurde door voor iedere deelnemende munt te bepalen hoeveel van die nationale munten er in een euro gingen. Dat gebeurde op basis van de toenmalige wisselkoersen. Zo werd bepaald dat er 2,20371 gulden in één euro pasten en 1936,27 Italiaanse lires. Op dat moment gingen er zo’n 880 lires in een gulden. Daarmee werden de toenmalige economische verhoudingen in de munt ‘vereeuwigd’. Wat er niet veranderde, was dat de economische verhoudingen schommelen. Dat het ene gebied zich sterker ontwikkelt dan het andere.

Laten we het eens proberen aan de hand van een voorbeeld. Als we het heden vanuit de vroegere situatie zouden bekijken dan zou de gulden nu flink, bijvoorbeeld 60% in waarde zijn gestegen ten opzichte van de lire. In mijn voorbeeld bereiken we dit door de gulden op hetzelfde niveau te laten, dus er gaan nog steeds 2,20371 guldens in een euro. De lire is aangepast. Dat betekent dat er nu ruim 1.400 lires in een gulden zouden gaan. Als we nog in guldens en lires betaalden, dan was een vakantie naar Italië nu erg goedkoop. Dat is nu niet meer het geval en in Ten Dams intelligente oplossing ook niet.

Een Nederlandse fabrikant van espressomachines heeft een zó goed product dat een Italiaanse barista interesse in het ding heeft. Hij rekent er 2.203 guldens voor. Het apparaat kost dus, om het makkelijk te maken, het mooie ronde bedrag van € 1.000. De Italiaanse barista rekent, zoals Ten Dam voorstelt, in de rekeneenheid lire en ziet dat er 1,4 miljoen in die € 1.000 gaan. Een Italiaanse fabrikant heeft ook een puik apparaat en heeft in zijn rekeneenheid lires berekent dat er 1,8 miljoen in de prijs van het apparaat gaan en dat het dus € 1.285 kost. Dat is duurder dus besluit de barista om voor de Nederlandse fabrikant te kiezen en rekent de € 1.000 af. Wat voegt hierin dat rekenen in die ‘lokale’ rekeneenheid toe? Net zoals ‘ut pilske’ maakt het niet uit waarin ik reken al is dat de ‘gold pressed latinum’ van de Ferengi uit Star Trek: The Next Generation. Wat er toe doet is de munt waarmee ik werkelijk moet betalen.

Wat verandert een dergelijke tussenstap aan de realiteit? Die stap is niet nodig om de prijzen van de producten te vergelijken. Die tussenstap is voor de Italiaanse fabrikant ook niet nodig om te zien dat zijn product te duur is. Als hij wil concurreren kan hij de prijs verlagen. Dat kan als hij zijn productiekosten verlaagt. Dat kan door de salarissen te verlagen of door de productie zo te automatiseren dat hij met minder personeel uitkomt. Hij kan er echter ook voor kiezen om de kwaliteit van zijn product te vergroten. Dan is het misschien wel duurder maar heeft het iets extra’s. Als laatste kan hij via marketing zijn product ‘verbeteren’ door er een ‘gevoel’ aan te verbinden dat je als barista dát apparaat moet hebben. Net zoals Apple zijn computers jaren geleden verkocht met de slogan ‘think different’.

Wat hij niet kan is de euro devalueren zodat zijn product goedkoper wordt dan dat van zijn Nederlandse concurrent. Die euro is immers dezelfde als waarmee de Nederlander betaalt. Dus hoe dit, zoals Ten Dam schrijft, hetzelfde resultaat bereikt: “als bij het ‘terug naar nationale munten’-scenario, maar dan dus véél eenvoudiger en zónder alle nadelen, complicaties en obstakels ervan,” is mij een raadsel. Het basisprobleem, dat de euro voor Nederland eigenlijk in prijs moet stijgen en voor de Italiaan in prijs moet dalen, wordt er niet door opgelost. De eurozone is niet de enige munteenheid die met dit probleem te kampen heeft. Laten we wel wezen, dat probleem is inherent aan iedere moderne nationale munt. De gulden was bijvoorbeeld te sterk voor Zuid-Limburg en de noordelijke provincies en te zwak voor andere delen van het land. Italië kampte met hetzelfde probleem tussen het noorden en het zuiden van het land. De huidige dollar is waarschijnlijk te zwak voor Californië en te sterk voor veel van de fly-over staten. De Indiase roepie is waarschijnlijk te zwak voor Mumbai en te sterk voor de Punjab. Waarin deze voorbeelden verschillen van de euro is dat al deze landen een manier hebben om de gevolgen van dit probleem op te vangen. Die oplossing is vrij eenvoudig en heet herverdeling via belastingen. Die mogelijkheid kent de eurozone niet. Een Europese vennootschapsbelasting die de winsten van de Nederlandse en Duitse bedrijven afroomt en het geld investeert in de versterking van de economische structuur van de zwakkere delen, zou dit gat kunnen vullen.

Maar misschien ligt dat aan mij en ontbeer ik de benodigde herseninhoud om de ‘intelligentie’ van Ten Dams oplossing te zien.

Uitgelicht

Geschiedenis maar dan anders

Het is niet dat ik iets tegen OneWorld heb. Het is gewoon toeval dat ik drie dagen achter elkaar iets op de site lees waarbij ik grote vraagtekens zet. In een artikel met als titel Mens ken je plek staat speciësisme centraal. Na intersectionaliteit en validisme alweer een bijzondere term. Speciësisme is de, zoals auteur Emma L. Meelker het omschrijft: “overtuiging dat dierenlevens minder waard zijn dan die van mensen.  Voor haar artikel spreekt Meelker met onder andere Emma-Lee Amponsah. Die heeft een bijzondere kijk op de geschiedenis.

Columbus ontdekt de ‘nieuwe wereld’. Of ontdekt de nieuwe wereld Columbus? Bron: WikimediaCommons

Volgens Amponsah is het: “belangrijk (…) om te begrijpen dat het onderscheid tussen menselijkheid en dierlijkheid in dezelfde periode is ontstaan als het onderscheid tussen witte mensen en mensen van kleur. Het verlichtingsdenken en de bijbehorende rassenleer zijn direct verbonden aan het idee dat mensen buiten de natuur staan, dat mensen bovenaan de piramide van het natuurlijke leven staan, of er zelfs volledig buiten staan. Maar ook dat sommige mensen minder mens zijn dan anderen. Op basis van deze ideeën over menselijkheid en dierlijkheid is onze sociale orde ingedeeld, is kolonialisme vergoelijkt en slavernij aanvaard. Dat het ooit mogelijk was om zoveel mensen als slaven te verhandelen, is omdat zwarte Afrikanen buiten de menselijke wereld werden geplaatst door allerlei wetenschappers die het normaal vonden dat de natuur in bezit genomen en verhandeld kon worden. Op die manier kun je speciësisme niet lostrekken van racisme en kolonialisme.” Amponsah: “Het vreemde is dat witte mensen nu ook nog eens doen alsof zij aan kop gaan in de anti-speciësismebeweging. Alsof begaan zijn met dierenleed en zorgen voor de natuur een ding is voor witte mensen. De geschiedenis toont anders aan.” Laten we dit eens wat nader bekijken.

Het onderscheid tussen mens en dier is dus iets wat is ‘verzonnen’ door de blanke mens. Iemand met een groene huidskleur zou immers een ander onderscheid maken. Die zou de wereld verdelen in ‘groene mensen’ en ‘niet groene mensen’. Die blanke mens heeft dat verzonnen ergens in de zeventiende of achttiende eeuw, want dat was de periode van de Verlichting. Alhoewel het misschien ook aan het einde van de negentiende eeuw zou kunnen zijn, want dat is de periode dat de rassenleer ontstond. Nu heeft de verhouding tussen mens en dier een heel lange geschiedenis. Onze voorvaderen hebben eeuwen, wat zeg ik, millennia lang geleefd als jager- verzamelaars. Het lijkt mij dat daarvoor een onderscheid tussen de eigen soort en andere soorten van groot belang is. Zo’n tienduizend jaar geleden zetten onze voorvaderen hierin een volgende stap. Groepjes vestigden zich op een vaste plek en begonnen met het domesticeren van planten en dieren.  Of, en dat is een andere manier om ernaar te kijken, die planten en dieren begonnen de mens te ‘domesticeren’. Vanuit evolutionair perspectief bekeken zijn die gedomesticeerde planten en dieren immers de meest succesvolle. Als we, en dat doet Amponsah, redeneren vanuit het menselijk perspectief, dan is ook hiervoor onderscheid maken tussen mens en dier van belang. Dat maakt het onwaarschijnlijk dat de blanke mens in de achttiende eeuw de eerste was die onderscheid maakte tussen mens en dier.

Dat ‘verzinsel’  tijdens die Verlichting heeft ook slavernij vergoelijkt en het ‘normaal’ gemaakt dat mensen als slaven werden verhandeld. De zwarte Afrikaan was immers buiten de ‘menselijke wereld’ geplaatst. Excusez? Wordt hier de geschiedenis van de slavernij niet ernstig geweld aangedaan? Geweld aangedaan door deze te beperken tot de gruwelijke trans-Atlantische slavenhandel? Slavernij is echter veel ouder en trof niet alleen zwarte Afrikanen. Sterker nog. Slavernij is van alle tijden en ook van alle kleuren mensen.

Een zeer bijzondere kijk op de geschiedenis. Een kijk waarbij het doel, alle ellende in de schoenen schuiven van de blanke man, centraal staat. Een doel waaraan alles ondergeschikt wordt gemaakt. Bij deze manier van denken moet ik denken aan een passage uit het boek Het Kristalpaleis van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk: ”Men is intussen zo vrij om te stellen dat de Europeanen in oktober 1492 door Caribische inboorlingen ontdekt werden. Voor de bedroefde ontdekkers bleek het voortaan raadzaam om gegevens te verzamelen ter bestudering van hun bezoekers; deze archieven hoeven alleen nog geëvalueerd te worden.”

Uitgelicht

‘Life’s not fair …

Gisteren schreef ik over de ‘intersectionele blik’ die OneWorld in al haar artikelen wil hebben. Dit naar aanleiding van een bijsluiter bij een artikel waarin de auteur, Amanda Govers, werd verweten dat die blik in haar artikel ontbrak. Ik moest aan die bijsluiter denken toen ik bij OneWorld een artikel las van Tamar Doorduin.

Bron: Public Domain Pictures

Bij het opheffen van de tegen de verspreiding van het coronavirus genomen maatregelen pleit Doorduin voor containment. Bij contaiment wordt: “éérst (…) ingezet op het zoveel mogelijk indammen van het virus en pas daarná op het versoepelen van maatregelen. Vlamt het virus toch weer ergens op, dan wordt het brandje zo snel mogelijk geblust door middel van bron- en contactonderzoek en een striktere vorm van quarantaine dan in Nederland nu gangbaar is.” Dit duurt langer: “Maar het is wel de eerlijkste strategie.”… Het doel van containment is immers om tot een situatie te komen waarin het voor iederéén veilig is om het huis te verlaten en mee te doen – dus ook voor mensen uit de risicogroepen.” Immers: “rampen vergroten de ongelijkheid niet, dat doen mensen. Het komt niet door het virus zélf dat zieke en gehandicapte mensen nog verder worden buitengesloten, maar door de politieke keuzes die het kabinet maakt.” Doorduin ziet het gebeuren dat de nu stikte maatregelen langzaam worden versoepeld: “Oudere, zieke en gehandicapte mensen moeten voor onbepaalde tijd thuis blijven.” Terwijl de ‘gezonde Nederlander’ al weer de straat en het terras op mag. Daardoor: “líjkt (het) misschien alsof het kabinet op deze manier rekening houdt met mensen die meer risico lopen: er wordt immers gesproken over het ‘beschermen van de kwetsbaren’. In de praktijk blijkt die bescherming neer te komen op opsluiting en uitsluiting.” Dit is niet eerlijk naar mensen die meer risico’s lopen, containment is dat, volgens haar wel. Het klinkt inderdaad eerlijk en democratisch om te wachten tot er een situatie is waarin het voor iedereen veilig is om het huis te verlaten. En vooral lijkt het artikel geschreven met een ‘intersectionele blik’. Doorduin maakt zich immers druk om mensen voor wie het virus extra gevaarlijk is.

Nu heb ik, als het over eerlijk gaat, de neiging om Scar uit The Lion King te citeren. Scar zit te mokken in een grot omdat Simba is geboren en die heeft hem verstoten van de positie als eerste gegadigde om koning Mufasa op te volgen. Tijdens dat mokken vangt hij een muis die hij wil verorberen en dan spreekt hij de woorden: “Life’s not fair you see. For I will never be king and you will never see the light of another day.” Een pijnlijke waarheid maar wel een waarheid als een koe. Trouwens ook een waarheid die van toepassing is op het opheffen van de beperkende maatregelen. Welke manier van ‘opheffen’ er ook wordt gekozen.

Inderdaad is het ‘not fair’ dat er: “een tweedeling ontstaa(t). In de meerderheid zijn de jonge, gezonde mensen voor wie de samenleving langzaam maar zeker weer opengaat. Oudere, zieke en gehandicapte mensen moeten voor onbepaalde tijd thuis blijven.” Maar maakt dat het alternatief van Doorduin, allemaal thuis totdat het voor iedereen veilig is, wel tot ‘fair’? Hoe ‘fair’ is zo’n ‘one size fits all’ oplossing? Hoe ‘fair’ is het voor ouders en kinderen om op drie hoog in een flatje opgesloten te zitten met drie kinderen? Hoe ‘fair’ is het om als kind opgesloten te zitten in een huis waar je ouders of verzorgers je fysiek of emotioneel mishandelen? Hoe ‘fair’ is het überhaupt om kinderen op te sluiten in een huis? Hoe ‘fair’ is het dat langer ‘opsluiten’ tot meer werkloosheid en verlies van inkomen leidt wat weer tot gezondheidsschade en sterfte kan leiden? Ook Doorduins oplossing vergroot ongelijkheid.

Welke oplossing er ook wordt gekozen, er zullen altijd mensen de dupe zijn. Er zullen altijd mensen zijn waarvoor de gekozen oplossing niet ‘fair’ is. Helaas komen deze ’intersecties’ in het artikel niet aan de orde en dat roept de vraag op hoe het zit met de ‘intersectionele blik’ van dit artikel maar ook van OneWorld.

Uitgelicht

‘Intersectionele blik’

Onze lezers wezen ons erop dat een intersectionele blik in dit stuk ontbreekt.”  De eerste zin in een ‘noot van de redactie’ bij een artikel van Amanda Govers op de site OneWorld. Govers, zelf veganist, pleit in haar artikel voor een meer plantaardig dieet. Zij ziet: “verontrustende dieetadviezen voorbijkomen. In de strijd tegen het virus leggen sommige diëtisten sterk de nadruk op het eten van dierlijke producten.” In haar pleidooi ontbreekt dus de ‘intersectionele blik’.  

Bron: WikimediaCommons

Intersectionaliteit, ik schreef er al eerder over, is: “a theoretical framework for understanding how aspects of one’s social and political identities (gender, race, class, sexuality, ability, height etc.) might combine to create unique modes of discrimination.” Zo is te lezen op Wikipedia. Dus om discriminatie van iemand of een groep goed te kunnen beoordelen, moet je kijken naar verschillende aspecten van iemands identiteit. Iemands identiteit wordt zo bepaald door de persoon eerst in stukken te hakken in verschillende aspecten en hem vervolgens vanuit een beoordeling van die aspecten weer op te bouwen. Nu vraag ik mij af wat een ‘intersectionele blik’ is op het dieetadvies dat Govers geeft.

Op zoek naar een antwoord, stuitte ik op een vlog van Govers waarin zij haar verbazing over deze passage uit. Oneworld beschuldigt haar van validisme. Validisme staat niet in de digitale Van Dale en op Wikipedia is te lezen dat het een term is die wordt: “gebruikt voor de discriminatie, marginalisering en stigmatisering van mensen met een functiebeperking op grond van hun lichamelijke en/of verstandelijke gesteldheid.” Govers, om het cru te zeggen, discrimineert mensen omdat, zo betoogt Oneworld: “een (volledig) plantaardig eetpatroon niet voor iedereen is weggelegd (om welke reden dan ook), voor het feit dat je geen volledige controle kunt hebben over je eigen gezondheid en voor het feit dat dik-zijn en gezondheid niet onlosmakelijk verbonden zijn.”  Of dat zo is en of hoe goed veganisme is, daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om de ‘intersectionele blik’

Laten we de intersectionele blik’ eens tot in haar uiterste consequenties doordenken’. Een van de aspecten waar, volgens het intersectionalisme naar moet worden gekeken is een functiebeperking. In ieder artikel moet worden gekeken door de bril van mensen met een functiebeperking.  Nu zijn er nogal wat functies die beperkt kunnen zijn. Bovendien kunnen ze ook op verschillende manieren beperkt zijn. Zo is een laag IQ een beperking en kan een hoog IQ dat ook zijn. Maar beperking van een functie is niet het enige ‘aspect’ waarnaar moet worden gekeken. We hebben ook nog sekse, gender, huidskleur. En die huidskleur heb je in heel veel verschillende tinten. Maar ook daar houdt het niet op. Want er is ook nog religie of het ontbreken daarvan, nationaliteit en cultuur. En natuurlijk zijn we er met nationaliteit en cultuur ook nog niet. Een Fries is immers ‘heel anders’ dan een Limburger en de Friese cultuur is heel anders dan de Limburgse. En nu we het over de Limburgse cultuur hebben, is die in Venlo niet ook anders dan in Maastricht en Heerlen? En ook wat religie betreft zijn de oorlogen tussen verschillende sektes van eenzelfde geloof het meest dodelijk gebleken. Neem sjiieten en de soennieten en in onze contreien de katholieken en protestanten.

Als we doorgaan met het zoeken naar kruispunten (intersecties) van aspecten komen we uiteindelijk bij het individu uit. Govers stuk over een  plantaardig dieet en het veganisme voldoet dan pas aan de intersectionele blik als iedere individuele potentiële lezer op de persoonlijke maat toegesneden, wordt aangesproken. Dat lijkt met erg lastig schrijven.

Uitgelicht

‘Samen voor ons Eigen’

In mijn laatste Prikkers greep ik twee keer terug naar types die figureerden in de tv-programma’s van Kees van Kooten en Wim de Bie. En geloof het of niet bij het lezen van een berichtje bij Joop kwamen de twee meest populaire types in mij op. Het artikel handelt over het enthousiasme van Baudets rechterhand Freek Jansen voor het economische beleid van de nazi’s. Maar er komt ook iets anders aan de orde: “Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan identiteitsfraude. Hij stuurde valse mails uit naam van Commissaris van de Koning Jacques Tichelaar. Dat deed hij toen hij griffiemedewerker was in Westland. Tichelaar deed aangifte.” En hoe reageer je daarop als partij: “Het hoofdbestuur van FvD spreekt van een ‘uit de hand gelopen grap’.” Ik dacht meteen aan de Tegenpartij. 

Bron: Flickr

In een reactie op het artikel schreef ik: “Is het hele Forum voor Democratie niet gewoon een uit de hand gelopen grap van een stel corpsballen? Een soort corpsballenversie van de Tegenpartij van Jacobse en van Es. Dan is het wachten alleen nog op de laatste uitzending. Een extra nieuwsbericht van een onbeholpen poging tot een staatsgreep en beelden van een brancard met daarop een lijk onder een laken. In de jaren tachtig was dat lijk te herkennen aan de laarzen. Die droeg Van Es altijd.” 

De Tegenpartij was een fictieve partij van Jacobse (Koot) en Van Es (Bie). Twee proleten en sjacheraars die probeerden te overleven via semilegale activiteiten. Bekend voorbeeld  hiervan is het tuinonderhoud. Waarbij een dametje wordt afgezet omdat haar tuin vol staat met ‘scheurgras’. Iets waartegen ‘neutronenkorrels’ helpen. Waarbij de ene, Jacobse, ook nog eens misbruik maakte van de dommigheid van de andere, Van Es. De satirisch bedoelde Tegenpartij werd zo populair dat ze een zetel of tien zouden halen als ze echt aan verkiezingen mee zouden doen. Daarom eindigde de reeks met de poging tot ‘staatsgreep’.

“Goedenavond dames en heren. Mogen wij even tien minuutjes van uw kotsbare tijd roven? Fijn zo.” Met die woorden maakte de partij zich bekend bij het grote publiek. Even later gevolgd door: “De tegenpartij is een partij voor alle Nederlanders die niet meer tegen Nederland kenne.” Iets verder de analyse: “Nederland is ooit groot geweest door de vrije jongens. Grote en kleine zelfstandige ondernemers die nooit te beroerd waren om achtenveertig uur per dag hun handen te laten wapperen. Welnu kijkers. In dit Nederland zien wij dat deze vrije jonge met uitroeing en sterving bedreigd wordt. Deze vrije jongen is een gevangene van het systeem geworden. Een pario.”

En zie daar, precies de analyse van het Forum voor Democratie: Nederland was ooit groot geweest door de “bourgeois society, bourgeois traditions, the bourgeois way of life of ordinary people.” Maar deze bourgeois tradities zijn verloren gegaan en daarmee zijn de echte Nederlanders een gevangene van een eurofiele ‘particratie’. Hij is een ‘pario’ in eigen land. Forum voor Democratie is een partij voor alle Nederlanders die niet meer tegen het huidige Nederland kunnen.

Jacobse en Van Es zagen de politiek als een mogelijkheid om er beter van te worden. In hun communicatie-uitingen lieten ze dat duidelijk merken: ‘Geen gezeik, iedereen rijk’ maar dan toch vooral zijzelf. Daarom ‘Samen voor ons eigen’. Het Forum voor Democratie voert een verbeten strijd tegen de elite, het partijkartel. Nou ja strijd tegen dé elite. Wat de partij eigenlijk wil is de plaats van die elite innemen. Ze zijn niet tegen dé elite, ze zijn tegen deze elite. Dat werd weer eens duidelijk in de uitzending van Tegenlicht van 24 mei 2020. Via de zomer- en winteracademie van de partij moeten jeugdige enthousiastelingen worden klaargestoomd in, het woord waarvan ik kriebels krijg, ‘gedachtegoed’ van de partij. Die enthousiastelingen moeten vervolgens een plek in de elite krijgen en zo ‘de elite’ langzaam overnemen. Ze gaan ‘Samen voor hun eigen’ en willen daarbij ‘geen gezeik’ en iedereen rijk en zelf toch nog wel als de ‘nieuwe elite’ wat rijker .

Uitgelicht

Koos en Robbie

“Jongeren zijn als kreeften in een pan met steeds heter water; de meesten merkten niet dat ze langzaam werden gekookt. Studenten werd telkens iets afgepakt: ze mochten minder lang studeren, geen tweede master, hun gratis OV werd gehalveerd, de kamerhuren en het collegegeld schoten omhoog en tenslotte werden de beurzen afgepakt.” Een zin van uit een column van Aleid Truijens in de Volkskrant. Een mooie metafoor: studenten als kreeften die langzaam gekookt worden zonder dat ze het in de gaten hebben. Toch is er iets met deze metafoor.

Bron: WikimediaCommons

Is het vreemd dat de meeste jongeren niet merken dat ze ‘langzaam gekookt’ worden? Volgens mij is dat niet vreemd. De kreeft in die ketel wordt langzaam gekookt. De student in de ketel is steeds een andere. Iedere student zit tussen de vier en de zes jaar in de ketel. In die periode verandert er soms iets en soms ook niets. Laat ik even teruggaan naar mijn studententijd. Toen was de tweefasestructuur net ingevoerd. Die maakte een einde aan de ‘eeuwige student’. Een dorps- en voornaamgenoot van mij die een jaar of vijf ouder is, studeerde ook geschiedenis toen ik begon met mijn studie. Toen ik vijfeneenhalf jaar later afstudeerde, had ik hem ingehaald. Hij was van voor de tweefasestructuur en kon ‘eeuwig studeren.’ De tweefasestructuur maakte daaraan een einde. De studie werd gesplitst in een vierjarige doctoraalstudie waar je zes jaar over mocht doen. Daarna kon je in in vier jaar promoveren. Dit systeem is in 2002 vervangen door het huidige systeem. Zo veranderde ook de studiebeurs af en toe. 

Om in de metafoor te blijven. Het kookwater van de kreeft wordt soms verhit waarna het gedurende langere tijd op eenzelfde temperatuur blijft. En in tegenstelling tot de kreeft, blijven de jongeren niet in de ketel. Ze zitten er een tijdje in en dan stappen ze eruit omdat ze ouder worden. Sommige jongeren hebben mazzel, de temperatuur van het water wordt niet verder verhoogd. Anderen merken dat het water plotseling wat heter wordt omdat er iets verandert. Bijzonder daarbij is wel dat verzet tegen veranderingen van alle tijden is. Tegen de invoering van de OV studentenkaart, die nu bijna heilig is, werd voor de invoering heftig geprotesteerd. De in 1986 ingevoerde basisbeurs kon op evenveel tegenstand rekenen als de recente afschaffing ervan. En, laten we elkaar geen rad voor ogen draaien. Degenen die het vuur soms wat hoger draaien, hebben ooit ook in die ketel gezeten. 

De mooi bedoelde metafoor gaat mank. ‘Jongeren’ zijn geen vaste groep. Je behoort er een tijdje toe en dan word je een wat oudere jongere en vervolgens Koos Koets of Robbie Kerkhof. De bekende oudere jongere van Koot en Bie.

Uitgelicht

Doodlopende weg

De Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BOA) staat de laatste tijd flink in het nieuws. Van hen wordt verwacht dat ze de nogal onduidelijke corona-regels in de openbare ruimte handhaven. Daarbij worden ze weleens agressief en met geweld benaderd en daarom pleiten ze voor betere ‘bewapening’. Volgens Ozair Hamid bij De Dagelijkse Standaard is het een ‘multi-cultureel probleem’: “aan de veronderstelling dat elke cultuur gelijkwaardig is – en daarmee dat er geen moreel inferieure cultuur bestaat.” Of dat zo is, daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om de volgende passage: “Er is immers een duidelijke correlatie tussen afkomst en gedrag, maar het blijven individuen binnen een collectief die de misdaden plegen.” 

Bron: Wikipedia

Hamid baseert zich hierbij op een rapport van het CBS: “met daarin de gegevens van allochtonen in de strafrechtketen. De gegevens spreken helaas voor zich: de kans dat een Marokkaanse Nederlander wordt vervolgd door het OM is 5,5x zo groot ten opzichte van een vervolging van een autochtoon door het OM.” Vandaar die correlatie. Een correlatie is, volgens de Vandale een: “wederzijdse relatie, onderlinge afhankelijkheid.” Een statisticus, en dat is het CBS, zal aanvullen dat er een statistische samenhang is tussen de twee zaken maar dat dit niet hoeft te betekenen dat er sprake is van causaliteit, een: “oorzakelijk verband.”

Voordat ik verder ga met Hamids correlatie even een voorbeeld ter verduidelijking van causaliteit en correlatie. We zitten weer in de warme periode van het jaar. In die periode zien we dat de consumptie van ijsjes toeneemt. Tegelijkertijd zul je ook zien dat het aantal doden door verdrinking stijgt, in een normaal jaar tenminste. Of dit in dit corona-jaar ook zo is, weten we pas aan het eind van het jaar. Er is een correlatie tussen de consumptie van ijsjes en dood door verdrinking. ‘Verbied het eten van ijsjes, dan verdrinken er minder mensen’ is dan een eerste snelle reactie. Helaas zal dat geen effect hebben omdat er geen causaal verband is tussen de consumptie van ijsjes en de sterfte door verdrinking. IJs eten en zwemmen zijn gewoon twee activiteiten die je doet als het warm is en met het verbieden van ijsjes gaan we niet minder zwemmen. Het wordt er niet kouder door.

Hamid zegt het goed, er is sprake van correlatie maar in zijn betoog gaat hij uit van causaliteit. Hamid: “Te constateren valt wel dat gedrag inherent is aan cultuur.” Het criminele gedrag van Marokkanen is ‘cultureel bepaald: “De Arabische cultuur, die overheerst in deze kringen, is verre van Westers. Van huis uit wordt geweld niet geschuwd, en wordt de minderwaardige positie van vrouwen, homo’s e.d. vaak in praktijk gebracht door middel van de rolverdeling in het huishouden.” Die cultuur is, als we Hamid mogen geloven, inferieur en omdat ‘we’ dat niet inzien, ontstaan de problemen.

Nu is het CBS een goede gegevensbron. Je kunt er bijvoorbeeld ook vinden dat mensen met, zoals ze dat daar zeggen, een niet-westerse achtergrond een drie keer zo grote kans hebben op werkloosheid. Dat hun huishoudinkomen 28% lager is dan dat van Nederlanders. Ook kun je er vinden dat uitkeringsgerechtigden en mensen zonder inkomen goed zijn voor bijna 40% van alle ingeschreven rechtbankstrafzaken. Dat mensen onder de 25 jaar goed zijn voor 35% van dat aantal zaken. Ook kun je er vinden dat in die leeftijdscategorie het percentage mensen met een bijvoorbeeld Marokkaanse of Turkse migratieachtergrond veel hoger is dan hun aandeel in de totale bevolking. Als je verder zoekt, vind je ook dat het schooladvies dat kinderen van deze groep aan het einde van de basisschool krijgen, lager is. Dat ze oververtegenwoordigd zijn in de lagere vmbo-niveaus en ondervertegenwoordigd op vooral het vwo-niveau. 

Als je verder zoekt dan kun je vast ook vinden dat ze meer in achterstandswijken wonen, dat mensen uit achterstandswijken oververtegenwoordigd zijn in strafrechtszaken. Allemaal cijfers waartussen je correlaties kunt leggen. Vervolgens kun je je de vraag stellen wat is de oorzaak en wat het gevolg? Is die hogere werkloosheid een gevolg van het niet-westers zijn en vervolgens van de ‘… cultuur’ die inferieur is? Dat het wel goed komt als we die ‘… cultuur’ maar ‘uit de mensen slaan’ en hen verplichten om de ‘Nederlandse cultuur’ aan te nemen? Al vraag ik me dan af wat die Nederlandse cultuur is. Ik vrees dat dit een letterlijk en figuurlijk doodlopende weg is.

Uitgelicht

Sigaar uit eigen doos

  “Wij kunnen geen instrumenten of maatregelen accepteren die leiden tot het opbouwen van gezamenlijke schulden of een wezenlijke verhoging van de EU-begroting.” Dit, zo is in de Volkskrant te lezen, schrijven de ‘vrekkige vier’ landen van de Europese Unie. Nederland is een van deze vier, de andere drie zijn Denemarken, Oostenrijk en Zweden. De vier landen hebben een eigen plan ontwikkeld waarmee de Europese Unie de economische ellende als gevolg van corona moet overwinnen.

Bron: Wikipedia

Wat houdt dat plan in? (D)e vier (willen) de nieuwe Europese meerjarenbegroting vooral aan economisch herstel besteden. Dat zou ten koste gaan van de subsidies voor boeren en armere regio’s.” De vier willen namelijk niet dat de Europese begroting wordt verhoogd. Daarnaast moet er: “een tijdelijk (maximaal 2 jaar) herstelfonds,” komen dat: “is gebaseerd op leningen (tegen lage rente, lange looptijd) aan de getroffen landen.” Deze: “leningen worden ingezet voor economische vernieuwing en een steviger zorgsector. De lenende landen moeten zich vastpinnen op hervormingen en een gezond begrotingsbeleid. Ook mogen ze de rechtsstaat niet ondermijnen.” Laten we het plan eens doorlopen.

Dat de rechtsstaat niet mag worden ondermijnd lijkt mij evident. Alhoewel? De afgelopen tien weken is er flink geknibbeld aan de rechtsstaat. Vrijheden van inwoners zijn dramatisch ingeperkt. Pleidooien voor technieken die ons doen en laten volgen, kunnen op bijval rekenen. Als dit onderdelen van de nieuwe rechtsstaat worden, pleit ik voor ondermijning van die rechtsstaat.

De landen moeten zich vastpinnen op hervormingen en een gezond begrotingsbeleid. Tijdens de ‘Griekse crisis’ van enkele jaren geleden, werd hier ook om geroepen. Sterker nog, het land kreeg het opgelegd. De publieke sector werd in de uitverkoop gedaan en delen, zoals de gezondheidszorg, die niet werd verkocht, werden uitgeknepen. Gelukkig moet die gezondheidszorg nu buiten schot blijven. Sterker nog, die moet steviger worden. Een advies dat ook Nederland zich ter harte kan nemen. Alleen is dat niet gratis. Met het geld van een tijdelijke lening kun je een ziekenhuis bouwen. De exploitatie zal toch met belastinggeld moeten worden opgebracht. 

Vreemd wordt het bij het inzetten voor economische vernieuwing. Niet het aandringen op die vernieuwingen is vreemd. Vreemd is dat een deel van het herstel betaald moet worden door het afbouwen van subsidies aan de armere regio’s. Deze subsidies zijn juist bedoeld om de economische activiteit in die armere regio’s te stimuleren. Dus om bijvoorbeeld het welvarende Noord-Italië er bovenop te helpen, moet het arme zuidelijke deel van het land bloeden? 

Met dat ‘schuiven’ van geld van ‘landbouw en arm’ naar corona herstel kom ik bij het punt waarmee de vier het bijvoeglijk naamwoord ‘vrekkig’ eer aan doen. De inkomsten van, en dus de bijdragen van de landen aan de Unie veranderen niet. Wat er wel verandert, zijn de doelen waaraan het wordt uitgegeven. Die doelen liggen met name in de andere Europese landen. De ‘vrekkige vier’ ontvingen in 2018 samen zo’n 5% van de totale EU uitgaven. Dat is minder dan Italië (6,6%), Spanje (7,8%), Duitsland (7,6%) of koploper Polen (10,4%). De ‘last’ van de herverdeling wordt vooral door anderen gedragen. En als het ‘tijdelijke herstelfonds’ op z’n Europees wordt gevuld, dan zal ieder land naar grootte van van het bruto binnenlands product een bedrag in het fonds stoppen. Het Nederlands aandeel hierin is gering en het storten van dat bedrag in het fonds kost niets. Sterker nog, het levert geld op. Nederland kan haar deel tegen 0% lenen en de landen die aanspraak maken op het geld moeten rente betalen. De Italianen en Spanjaarden zullen dubbel rente moeten betalen. Eerst om het bedrag te lenen dat ze in het fonds moeten storten en vervolgens moeten ze rente betalen op de leningen die vanuit het fonds worden gefinancierd. Het plan van de ‘vrekkige vier’ lijkt verdacht veel op de welbekende sigaar uit eigen doos. 

Uitgelicht

‘Met dille tussen de billen …’

Binnenkort moeten we, als we met het openbaar vervoer willen reizen, gebruik maken van mondkapjes. Een effectief middel om de verspreiding van het corona-virus te voorkomen zegt de ene groep. ‘Het helpt niet’ zegt de andere groep en gaat verder: ‘het vergroot de schijnveiligheid’. Beide kampen beroepen zich op wetenschappelijk onderzoek. Reizend met het openbaar vervoer moet je er binnenkort dus echt een op. Alleen liefst niet van de betere, die moeten we ‘bewaren’ voor de zorg. We moeten immers niet met z’n allen gaan ‘concurreren met minister Van Rijn’. Na iedere reis moet je het kapje wassen. Lukt dat niet, dan moet je een tweede meenemen voor de reis naar huis. Dat lijkt me lastig te controleren.

Bron: wikipedia

Al sinds half maart horen we dat we anderhalve meter afstand van elkaar moeten houden. Nu denken de Fransen daar anders over. Daar is die anderhalve meter maar één meter. De Britten echter maken er twee van. Maurice de Hond, sinds de virusuitbraak naast opiniepeiler en ex-voetbalscheidsrechter ook viroloog, wil er van af en vindt het een: “wurgslang van anderhalve meter,” zo is te lezen bij De Dagelijkse Standaard. Volgens hem gaat het virus door de lucht en daarom is het niet nodig om afstand te houden.

Moeten we nu wel of niet chloroquine of hydroxychloroquine slikken? Een bekend viroloog woonachtig in een wit huis in Washington zweert erbij. Hij slikt het zelf. Maar of het werkt? “Zo blijkt uit een onderzoek onder 368 coronapatiënten in Amerikaanse veteranenziekenhuizen dat patiënten die met hydroxychloroquine werden behandeld relatief vaker overleden dan patiënten die alleen reguliere zorg kregen; 28 om 11 procent. In Brazilië liet een onderzoek grotere sterfte door chloroquine zien.” Zo is in het AD te lezen. Het kan in ieder geval ernstige bijwerkingen hebben. Inspuiting met een desinfectiemiddel zou volgens deze ‘’viroloog’ ook effectief zijn.

Al dit doet mij terugverlangen naar een bekende persoon uit de jaren negentig van de vorige eeuw. Naar het kruidenvrouwtje Berendien uut Wisp dat regelmatig optrad in Keek op de Week. In een legendarische uitzending over de werking van dille. Dille geeft je energie en houdt je wakker aldus Berendien. Het is ‘tegen de moe en de lusteloosheid.” In de uitzending wordt ze geconfronteerd met de mening van twee andere ‘kruidenvrouwtjes’. Als eerste de even bekende Klazien uut Zalk. Volgens Klazien wekt dille juist slaap op. Volgens een derde ‘kruidenvrouwtje, Rosalien uut Dost is dille een afrodisiacum. Ter onderbouwing haalt ze een, volgens haar, oud gezegde aan: “Met Dille tussen de billen zou zelfs Metusalem weer willen.”

Op de vraag van Bie waar die verschillende opvattingen over de werking van dille vandaan komen, geeft Berendien het simpele antwoord. “Ut zijn beunhaz’n. Ze zijn jaloers op mijn succes bij Keek op de Week.”

Uitgelicht

‘BOETE VOOR TE SNEL RIJDEN. BETAAL € 15’

“Het lijkt erop dat de gigantische opmars van de VVD is gestagneerd. De partij van Mark Rutte stond vorige week op 32 zetels en daar is deze week geen verschil in te zien: Geen krimp, maar ook geen groei.” Dit las in bij De dagelijkse Standaard. Als je iets verder kijkt in het tabelletje van de peiling uitgevoerd door Maurice de Hond dan zie je dat de VVD nu 33 kamerzetels heeft. Die ‘gigantische groei’ vertaalt zich in een zetel minder dan de partij nu werkelijk heeft. Dat zal het euforische gevoel dat door de woorden ‘gigantische opmars’ bij menig VVD-er opkwam, flink temperen. Zo zie je maar weer dat de manier waarop je iets zegt van belang is voor het beeld dat ontstaat. En daarmee kom ik bij een woord dat deze week vaak viel: ‘ontslagboete’.

In de nieuwe ondersteuningsregeling om bedrijven door de crisis te helpen, is geen plek meer voor de ‘ontslagboete’. Dat heeft minister Koolmees verklaart, zo lees ik bij nos.nl: “Als bedrijven die steun krijgen niemand mogen ontslaan dan gaan zij alsnog failliet, en dan raken we van de regen in de drup.” Dat is te begrijpen. Een bedrijf moet zich kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden en daarbij kan het zijn dat er mensen moeten worden ontslagen. In de nu geldende regeling lag dat anders: “Bedrijven die via de regeling Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) tot 90 procent van de salarissom vergoed kunnen krijgen, moeten nu nog een boete betalen als zij toch personeel ontslaan.” De NOW is een subsidie van de loonkosten.

Een boete, is aldus Van Dale, een: “wegens een overtreding opgelegde geldstraf.” Een mooi voorbeeld is het bekende ‘kanskaartje’ in het Monopoly-spel: ‘BOETE VOOR TE SNEL RIJDEN. BETAAL €15’. Als we dit toepassen op die NOW, dan zou dat kunnen luiden: ‘ontsla een werknemer er betaal 100.’ Nu heb ik de hele NOW regeling erop nagelezen en kom het woord ‘boete’ er niet in tegen. De regeling bevat geen boeteclausule bij ontslag. Wel omvat de regeling (artikel 13 lid b) een verplichting die luidt: “de werkgever doet na 17 maart 2020 geen verzoek om toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, gedurende het tijdvak waarover subsidie is verleend.” 

Ontslag van een medewerker leidt niet tot een boete voor de werkgever. Die kan werknemers gewoon, via de gebruikelijke procedure ontslaan. Daarvoor hoeft hij geen enkele ‘boete’ te betalen. Maar, als de werkgever gebruik wil maken van de NOW, dan moet hij aan de voorwaarden voldoen. Een van de voorwaarden is dat er niemand mag worden ontslagen. Maak je gebruik van die regeling en ontsla je wel iemand, dan krijg je de subsidie niet. Iets niet krijgen is heel iets anders dan een boete betalen.

Uitgelicht

Historische vergelijkingen en Cruijff

‘Besteed toch geen aandacht aan die man.’ Dat is het eerste wat mijn partner en ‘eindredacteur’ zal roepen al ze leest dat deze Prikker een gevolg is van een schrijfsel van Jan Roos bij De Dagelijkse Standaard. Weer zal ik haar antwoorden dat het mij niet om de persoon Roos gaat, maar om zijn uitspraken. Volgens Roos is: “Het narratief van de (Marokkanen als) nieuwe Joden (…) niet alleen geschiedkundig smakeloos en onjuist, het doet voornamelijk af aan de waarde van de lessen die we zouden moeten leren van Jodenhaat en de holocaust.”  

“Er is geen systematische institutionele Marokkanenhaat, er is geen georganiseerd geweld tegen Marokkanen, er worden geen Marokkaanse bedrijven gesloopt, er worden geen Marokkanen vermoord vanwege Marokkanenhaat, de overheid discrimineert Marokkanen niet, er zijn geen concentratiekampen voor Marokkanen, er zijn geen plekken waar Marokkanen niet mogen komen, er wordt niet gejaagd op Marokkanen, er zijn geen anti-Marokkanenwetten, er worden geen Marokkanen op transport gezet en bovenal is er geen plan tot uitroeiing van Marokkanen.” En Roos heeft daar een punt. Er is inderdaad geen systematische institutionele Marokkanen haat. Er is ook geen georganiseerd geweld tegen Marokkanen. Marokkaanse bedrijven worden niet gesloopt. Of er geen Marokkanen worden vermoord vanwege Marokkanen haat, is niet helemaal uit te sluiten. Inderdaad maakt de overheid zich niet schuldig aan discriminatie van Marokkanen. Tenminste, niet alleen Marokkanen zoals uit de ‘toeslagenaffaire’ bij de Belastingdienst bleek. Concentratiekampen voor Marokkanen zijn er ook niet. Er zijn ook geen plekken waar Marokkanen niet mogen komen, Marokkanenwetten zijn er niet, er worden geen Marokkanen op transport gezet en er is geen plan tot uitroeing van Marokkanen. Maar heeft Roos daarmee gelijk en dus een punt?

Laten we wel wezen. Tot de Wansseeconferentie van 1942 was er ook geen plan tot uitroeing van Joden. Tot eind jaren dertig van de vorig eeuw waren er ook geen concentratiekampen voor joden. Tot 15 september 1935 waren er ook geen ‘jodenwetten’. Tot de machtsovername door Hitler in 1933 maakte de Duitse overheid zich ook niet schuldig aan discriminatie van joden. Ja, er werden wel joden vermoord door mensen die joden haten en de geschiedenis kent voorbeelden van het verdrijven van joden. Alleen gebeurde dat niet op een ‘systematische institutionele’ manier. Die kwam er pas na Hitlers machtsovername.

Wel was er voor die tijd een retoriek die joden wegzette als zondebok. Zondebok voor de moord op Christus. Die moord zat met name christenen dwars en zorgde door de eeuwen heen voor geweld en haat tegen joden. In de jaren van het opkomende nationalisme vanaf de tweede helft van de Negentiende eeuw ontstond er een nieuwe dynamiek in het aanwijzen van de joden als zondebok. De nationalist zette vraagtekens bij het vaderlandslievende karakter van joden. Kon een jood wel een echte …. zijn? Net zoals er in die tijd in Nederland vraagtekens werden gezet bij het vaderlandslievende karakter van katholieken. In 1897 leidde die retoriek tot een heuse complottheorie. Een theorie waarbij joodse leiders een plan zouden hebben gesmeed om de christelijke maatschappij omver te werpen. De zogenaamde Protocollen van de wijzen van Sion. Een document dat waarschijnlijk uit de koker kwam van de Ochrana, de geheime dienst van Tsaristisch Rusland. Dit document werd daarna gebruikt als onderlegger om joden van alles de schuld te geven. 

Roos heeft een punt dat ‘Marokkanenhaat’ of ‘islamietenhaat’ niet tot industriële uitroeing van Marokkanen of joden heeft geleid. Dat is echter niet de vergelijking die Grunberg maakte. Grunberg vergelijkt de huidige retoriek tegen Marokkanen en in het verlengde daarvan islamieten, met de begin twintigste eeuwse retoriek tegen joden. Die historische vergelijking is wel te maken. Roos verwijt komt er op neer dat een talentvolle voetballer van veertien niet vergeleken mag worden met gearriveerde ster Johan Cruijff op z’n 30ste. Dat is appels met peren vergelijken. Het vergelijken van  dat talent met de veertienjarige Cruijff is echter een heel ander verhaal.

Uitgelicht

‘Solidariteit en wederkerigheid’

Overal ter wereld proberen regeringen de ‘economie’ van hun land te redden. De Nederlandse regering heeft er, net als de regeringen van vele andere landen, voor gekozen om bedrijven te redden. De Ballonnendoorprikker zou, zoals hij betoogde in De ezel en de steen, een andere insteek hebben gekozen. De eerste regeling die hiervoor werd opgesteld, loopt bijna op z’n einde en er wordt nagedacht over een nieuwe. Vanuit allerlei hoeken krijgt de regering nu adviezen over wat er wel en niet in de regeling moet. Een van die ‘adviseurs’ is Jacco Vonhof, de voorzitter van MKB-Nederland. Vonhof pleit in een gesprek met de Volkskrant voor ‘solidariteit en wederkerigheid’. Volgens Vonhof past een loonoffer hierin.

Vonhof: “een deel van de kosten van de 100 procent doorbetaling aan de werknemer belandt bij de werkgever en dat kunnen veel ondernemers niet nog maanden volhouden.” Op de vraag of daar ook een (loon)offer van de werknemer bij past antwoordt hij: “In onze ogen wel.” Vonhofs MKB-Nederland heeft één doel: “Nederland uit de crisis helpen. Dat is belangrijk voor werkgevers, werknemers en het kabinet.” Daarvoor is solidariteit belangrijk en: “Als je met mensen praat over solidariteit weten ze heel goed dat anderen solidair met hen moeten zijn, maar dat solidariteit wederkerigheid inhoudt, dat vergeten de meesten al snel.” Een offer van de werknemers is, zo betoogt Vonhof, een manier om die wederkerigheid in te vullen. Dat klinkt logisch. We schikken allemaal wat in en dan komen we er samen uit. Of niet?

Laten we eens meegaan in de redenering van Vonhof. De werknemer levert bijvoorbeeld tijdelijk 10% van zijn salaris in. In plaats van 100 krijgt de werknemer maar 90. Nu heeft deze werknemer bijvoorbeeld 97 nodig om al zijn kosten te betalen. De overige 3 reserveert hij voor onvoorziene uitgaven zoals een kapotte wasmachine. Die 90 is te weinig om alle kosten te betalen. De reservering kan als buffer worden ingezet en zo kan de werknemer het wellicht even een maand of twee drie uitzingen. Behalve natuurlijk als die wasmachine net is vervangen. Na die twee of drie maanden loopt het voor de werknemer spaak. Dan duikt de werknemer in de schulden. Dan kan hij zijn rekeningen niet meer betalen. Hoe lossen we dat op?

Gelukkig is Vonhof en zijn club MKB-Nederland van de solidariteit en  wederkerigheid. Dat biedt mogelijkheden. Vonhof en zijn achterban zijn dan vast bereid om de solidariteit van de werknemer ‘wederkerig’ tegemoet te treden. Tegemoet te treden door de prijzen van hun producten, het brood de groenten, de knipbeurt, het kopje koffie op het anderhalve-meter-terras en zeker ook de bij premier Rutte populaire nagelstudio met bijvoorbeeld diezelfde 10% te verlagen. Dit om te voorkomen dat de werknemer ‘failliet’ gaat.

Maar wacht eens even? “We verhogen de prijzen met drie euro per behandeling. Dat lijkt ons schappelijk,” aldus een kapper in de Volkskrant van 7 mei. Schappelijk omdat: “Normaal gesproken knippen we een klant per halfuur, dat wordt nu een klant per uur. We nemen de tijd om de salon te desinfecteren en gaan terug van drie kappers in de salon naar twee.” In hetzelfde artikel figureert ook een Amsterdamse kroegbaas met twintig kroegen: “Met dertig procent bezetting, zou je voor een biertje meer dan tien euro moeten rekenen. Maar daar zit natuurlijk niemand op te wachten.” Hij sluit prijsverhogingen echter niet uit. Hoe wederkerig is dan de MKB’er die Vonhof vertegenwoordigt? Aan de ene kant moet het personeel een salarisoffer brengen om solidair te zijn met de werkgever en aan de andere kant moet hij de prijsverhoging betalen? 

We zijn er echter nog niet. Theaters en reisbureaus verwachten dat die werknemer geen geld terug vraagt voor afgelaste voorstellingen en geboekte reizen. Dan gaat het die werknemer wel erg smal. Daar komt nog bij dat al die miljarden waarmee het kabinet strooit ooit door iemand betaald moeten worden. Miljarden naar bedrijven zoals booking.com die er een sport van maken om zo min mogelijk belasting te betalen. Want die bedrijven steun weigeren of er aan strikte voorwaarden aan verbinden daar heeft: “Het kabinet (…) naar gekeken, maar de uitvoering blijkt te lastig,” zo is bij nos.nl te lezen. Het blijft bij een: “moreel appèl (…) op bedrijven die belasting ontwijken om geen steun aan te vragen.” Hoeveel vertrouwen moeten we hebben in de moraliteit van bedrijven die belastingen ontwijken? Ook die miljarden zal de ‘werknemer’ via de belastingen moeten betalen. ’Ja maar,’ zo zal Vonhof zeggen, ‘dat zijn niet de bedrijven die ik vertegenwoordig. Het MKB zal ook die kosten via de belasting mee moeten betalen’. En dat zou best wel kunnen kloppen. Alleen zal die extra belasting weer worden doorvertaald in de prijs van de ‘knipbeurt’ voor de werknemer. 

Zo wordt solidariteit en wederkerigheid wel erg eenzijdig ingevuld.

Uitgelicht

‘Until Death do us part’

“U hoort dat goed, wij dienen actief te eisen dat we als volwaardig Nederlander beschouwd worden en dat derhalve etnische registratie wordt afgeschaft.” Dit betoogt Karim Bettache bij Joop. Hierbij sluit ik mij van harte aan. Iedereen die voor de wet gezien een Nederlander is, is een Nederlander. Geen Nederlander met … afkomst, allochtoon, autochtoon of streepjes Nederlander. Nee, gewoon Nederlander. Het staat iedereen vervolgens erin om zichzelf te betitelen als een … Nederlander, Nederlander met … voorouders , gekleurde, witte of blanke Nederlander, Zeeuwse Nederlander of Venlose Nederlander. Dat is aan de persoon zelf, niet aan een ander en zeker niet aan de wetgever. 

Bettache strijdt tegen ‘systemisch racisme’ en in die strijd adviseert hij: “Gekleurde en multi-etnische Nederlanders (maar ook onze witte broeders en zussen) doen er goed aan financieel en sociaal niet meer bij te dragen aan de eigen onderdrukking.” Wat hij hiermee bedoelt? (G)een abonnementen meer op mainstream kranten/gidsen of andere media die weigeren diversiteit toe te laten boven het glazen plafond en daarnaast in hun berichtgeving een generaliserende (witte) kijk communiceren naar u en andere Nederlanders.” En ook niet meer stemmen op: “linkse partijen die enkel mooie praatjes verkopen maar qua beleid niets voor u doen. … Beter is het om op een pluriforme partij als Bij1 te stemmen.” 

Nu las ik bij dekantekening.nl iets bijzonders. In een artikel bespreekt Ewout Klei het al dan niet ‘wit’ zijn van de Nederlandse corona-aanpak. In het artikel staat de vraag centraal: “Worden Afro-Nederlanders harder getroffen door het coronavirus dan witte Nederlanders?” Vanuit het buitenland, en dan vooral Groot Brittannië en de Verenigde staten blijkt dat gekleurde mensen vaker sterven aan corona. Een voorbeeld: “In de stad Chicago is 30 procent van de bevolking Afro-Amerikaans, maar 70 procent van de coronadoden is zwart.” Voor Nederland kan die vraag niet worden beantwoord: “Nederland houdt niet bij wat de etniciteit van coronapatiënten en -doden is.” En dan komt het bijzondere: “BIJ1, de partij van Sylvana Simons, is om deze reden voor het registreren van etniciteit van coronaslachtoffers.” Dat is volgens woordvoerder Quinsy Gario wel nodig: “Deze gegevens zijn noodzakelijk voor het opstellen van een gemeenschappelijk plan van aanpak. Nu worden gemeenschappen buitengesloten van het plan dat is opgesteld omdat er geen gegevens zijn over de schade dat het virus bij hen aanricht. Als je de mogelijkheid om de schade te bepalen bemoeilijkt voor een bepaalde groep ben je bezig met ongelijkwaardige behandeling. En dat is in strijd met artikel 1 van onze grondwet.” 

Zou het werkelijk zo zijn dat ‘gemeenschappen worden buitengesloten omdat er geen gegevens zijn over de schade die het virus bij hen aanricht’? Ik waag het te betwijfelen. Het ‘plan’ is erop gericht de besmetting met het virus zo te controleren dat onze gezondheidszorg niet overbelast raakt. Belangrijk daarin is het voorkomen van besmetting. En als iemand toch besmet raakt, dan wordt die persoon zo goed mogelijk geholpen op basis van de beschikbare kennis. Dat het virus vooral schadelijk is voor mensen aan de onderkant van het loongebouw, is ondertussen al bekend. Dat is ook de oorzaak van de overmatige sterfte van gekleurde mensen in de VS en Groot Brittannië. Dit zal voor Nederland niet veel anders zijn. Een onvoorwaardelijk basisinkomen zou wel eens een middel kunnen zijn om dit, ongeacht de huidskleur, te bestrijden. Dit even terzijde. 

Bij1 wil de etniciteit van corona-doden registreren. Een registratie waar Bettache, met recht en reden, voor de levenden van af wil. Bij leven één bij sterven gescheiden: ‘Until death do us part’.  Wellicht toch even overwegen of Bij1 dan wel de juiste keuze is? 

Uitgelicht

‘Ellende-ladder’

Identiteit, ik schreef er eind vorig jaar een Prikker over met als titel Hans, en de vraag ‘Wie ben ik’?.  In die Prikker sloot ik me aan bij een uitspraak van Kwame Anthony Appiah: “Ik vind dat je identiteit licht moet dragen….” Omdat: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, (…) hoogst twijfelachtig” is. De afgelopen tijd waren we getuige van prachtige voorbeelden van die twijfelachtigheid. Voorbeelden geleverd door Henk Krol en de Kamerleden van Denk. Over die voorbeelden wil ik het niet hebben. Wel over redeneringen en hun gevolgen.

Correspondent Identiteit Valentijn de Hingh vraagt zich in een artikel bij De Correspondent af: “Hoe los je racisme, seksisme en homofobie op? Allemaal tegelijk.” Daarvoor onderzoekt hij ‘Identiteitspolitiek. “Identiteitspolitiek wil zorgen voor meer gelijkheid voor groepen die op basis van bijvoorbeeld ras, etniciteit, seksuele gerichtheid, sekse of genderidentiteit in een maatschappelijke minderheidspositie zitten, en die daardoor in hun dagelijks leven te maken krijgen met allerlei vormen van onrecht en onderdrukking.” In dit artikel komt hoofddocent Literaire en Culturele Analyse Murat Aydemir aan het woord. Volgens Aydemir is: “identiteitspolitiek oorspronkelijk wél bedoeld als brede systeemkritiek.”  Volgens Aydemir hebben we de term te danken aan: “het Combahee River Collective (CRC), een groep Afro-Amerikaanse lesbische feministen uit Boston.” Deze groep legde een relatie tussen ras, gender en klasse. Hun kritiek: “Het feminisme was in die tijd vooral een project van witte vrouwen, waardoor racisme vrijwel onbesproken bleef. De burgerrechtenbeweging had weinig aandacht voor seksisme en homofobie, terwijl de arbeidersbeweging voorbijging aan de manier waarop al deze vormen van onrecht invloed hadden op de economische positie van zwarte vrouwen.” Daaruit concludeerden ze: “If black women were free, it would mean that everyone else would have to be free since our freedom would necessitate the destruction of all the systems of oppression.” Dus: “Door solidair te zijn met zichzelf als zwarte vrouwen, waren de leden van het CRC dus in feite solidair met een heleboel: met vrouwen, personen van kleur, LHBTQIA’ers én mensen in een economische minderheidspositie – hun identiteit verbond ze aan al deze politieke belangen tegelijkertijd.” De Hingh concludeert hieruit: “Goede identiteitspolitiek richt zijn pijlen dus niet op één vorm van onrecht, maar op alle vormen tegelijkertijd. En gaat dus wel degelijk over breed gedragen maatschappelijke verandering.” Laten we deze hele redenering eens wat beter bestuderen.

Wat het CRC zegt is dat je, als je de wereld wilt verbeteren, moet beginnen met het verbeteren van de positie van de Afro-Amerikaanse lesbische feministen. Die worden immers het meest achtergesteld. Als zij het beter krijgen, krijgt iedereen het beter. Immers om hun positie te verbeteren moet je alle ‘systemen’ en ‘belemmerende’ factoren opruimen. De grote denker over rechtvaardigheid John Rawls zou zich hierin kunnen vinden. Zijn uitgangspunt is immers dat iedere maatregel de positie van hen die het slechtst af zijn, het meeste moet verbeteren. 

Een probleem. De hele redenering staat of valt met de ‘ellende-ladder’. De wat? De ‘ellende-ladder’, een woord dat me net te binnen schoot. De Afro-Amerikaanse lesbische feministen van het CRC vinden dat hun ellende het grootst is, dat zij bovenaan staan op de ‘ellende-ladder’. Zij combineren huidskleur, geslacht en klasse en constateren dat zij overal in het nadeel zijn. Zij bedienden zich van ‘intersectioneel denken’ avant la lettre. Denken dat de mens in stukjes hakt: gender, ras, geaardheid, religie, handicap en nog veel meer. Ik schreef er al eerder over naar aanleiding van een artikel van Seada Nourhussen. Of hun positie werkelijk de meest ellendige is, is maar helemaal de vraag. Hoe bepaal je welke groep in de meest ellendige situatie verkeert? Maar ook wie bepaalt dat? In het CRC-denken is dat van belang. Is er immers een groep die nog hoger op de ellende-ladder staat, bijvoorbeeld de zwarte lesbische moslima, dan moet daar de ‘wereldverbetering’ mee beginnen. Het wordt zo belangrijk om de bovenste positie op de ‘ellende-ladder’ in te nemen. En dat is precies wat er gebeurt. Iedere groep ziet zijn positie al meest ellendige.

“Maar uiteindelijk is het wel zaak dat identiteitspolitiek in de toekomst aanstuurt op een allesomvattende, radicale omwenteling van het systeem, zoals het Combahee River Collective het voor ogen had,” concludeert De Hingh. De energie gaat echter op aan de wedstrijd ‘ladder klimmen’ en niet aan het bereiken van een ‘breed gedragen verandering’. Misschien zou het helpen als  ‘identiteit’ een veel minder belangrijke positie zou innemen. Als we onze ‘identiteit’, om Appiah na te spreken, wat lichter dragen en wat meer zoeken naar gezamenlijkheid, naar overeenkomsten. We zijn allemaal mensen die met respect en gelijkwaardig behandeld willen worden. Zou dat niet een goed beginpunt zijn?

Uitgelicht

‘350 jaar illegale bezetting’

“De Nederlandse staat geeft geen gehoor aan de Indonesische slachtoffers van de 350 jaar durende illegale bezetting door Nederland.” Woorden van Jeffry Pondaag, voorzitter van de Stichting Comité Nederlandse Ereschulden. Pondaag spreekt deze woorden uit in een artikel van Fitria Jelvyta bij dekkanttekening.nl. Een artikel gewijd aan het geleden leed dat Nederland, volgens het artikel, onder ogen moet zien. Pondaag heeft ook een idee hoe dat kan: “Het is zaak dat Nederland een podium biedt aan de Indonesische slachtoffers in de vertelling van de geschiedenis.”  Dat er evenwichtige aandacht moet zijn voor alle aspecten van het verleden en dat dit nu nog niet altijd het geval is, staat buiten kijf. 

Batavia zo rond 1870. Bron: Wikipedia

Toch wringt er iets aan het betoog van Pondaag en dat begint met de zin waarmee ik deze Prikker opende. Een dergelijke zin wringt behoorlijk met ‘evenwicht’. 350 jaar is een lange tijd. We komen dan uit in het jaar 1670. Als we de staatkundige kaart van die tijd bekijken dan zien we dat die er heel anders uitzag dan tegenwoordig. We zullen Nederland er niet op vinden. Duitsland en Italië trouwens ook niet. We treffen er een landje aan dat de Zeven Verenigde Provinciën heet. Dat landje omvat een flink deel van het huidige Nederland. Een groot deel ook niet. Als ik de gemeente Venlo, waar ik woon bekijk, dan lag het huidige grondgebied in drie verschillende landen. Venlo lag in een gebied waar geregeld legers voorbij trokken om elkaar te bestrijden. Dat landje kende geen ‘centraal bestuur’. Elk van die zeven provinciën dopten hun eigen boontjes en soms deden ze wat samen. Kijken we naar de staatkundige kaart van het huidige Indonesië dan zien we een baaierd aan rijkjes en rijken. Een land Indonesië is er niet op te vinden. Dat er nu wel een land van die naam is te vinden is, en dat klinkt cru, juist het resultaat van het kolonialisme. Dat maakte van de Eilanden van Smaragd een staatkundige eenheid. 

Dan het woord illegaal, “in strijd met de wet”  zoals de Vandale het omschrijft. Welke wet? Internationale wetgeving is iets van de laatste eeuw. Ja, ook al in de zeventiende eeuw werd er over internationaal recht gedacht en geschreven bijvoorbeeld door Hugo de Groot. Relaties tussen Rijken en staten werden geregeld via verdragen. Verdragen die konden worden opgezegd en geschonden en die oorlogen en bezettingen niet konden verhinderen. Pas met de komst van de Volkerenbond in 1919 ontstond er iets wat op internationale wetgeving leek. Al was die poging geen lang leven beschoren. Met de oprichting van de Verenigde Naties werd een nieuwe, betere poging gewaagd. 

Pondaag: “Waar haalt Nederland het recht vandaan om een land dat 18.000 kilometer hiervandaan ligt te beschouwen als zijn eigendom? Als ze zeggen dat kolonialisme toen vanzelfsprekend was, hoe zit het dan met de mensen die in Indonesië woonden? Hebben zij dan geen stem? Zijn zij dan geen mensen?” Natuurlijk leefden er ook toen mensen op de eilanden in de Oost. En, nee, die mensen hadden daarin geen stem. Net zoals de inwoners van de Zeven Verenigde Provinciën niets is gevraagd. Die hadden daarin ook geen stem. Zij kregen pas in de twintigste eeuw een stem. De mannen mochten voor het eerst allemaal stemmen in 1917 en de vrouwen in 1919. Het bezetten gebeurde toen omdat het kon en gebruikelijk was. Dzjengis Khan vroeg zich vier eeuwen eerder ook niet af of hij wel het ‘recht’ had om 8.000 kilometer verderop gebieden te bezetten en mensen te vermoorden. En nu is het nog steeds mogelijk. Immers wie geeft de Verenigde Staten het ‘recht’ om Irak binnen te vallen? 

Pondaags zin waarmee ik begon gaat verder. Na illegale komt het woord bezetting. Als de ‘VOC-methode’ door iets niet werd gekenmerkt, dan is dat wel bezetting van het gebied dat nu Indonesië heet. De VOC stichtte op strategische plekken langs de zeeroute naar en in de Oost forten. Forten waar de schepen veilig konden aanleggen om vers water en voedsel in te slaan. Forten waarmee de handel in belangrijke producten gemonopoliseerd kon worden. Er werden geen gebieden bezet waarvan het bestuur werd overgenomen. Wel kon het gebeuren dat een vorst die de belangen van de Compagnie schaadde werd aangepakt. Voor een bezetting ontbrak het de Compagnie aan mankracht en middelen en Nederland in de negentiende eeuw trouwens ook. Of zoals Kossmann het in  het standaardwerk De Lage Landen 1780/1980 deel I omschrijft: “Al was het Nederlandse bestuur er in de loop van de negentiende eeuw toe overgegaan zijn rechten op de meeste eilanden, zoals Borneo, Sumatra, Celebes en Bali ook door middel van militaire expedities te bevestigen, van een werkelijke occupatie van deze gebieden was geen sprake.” Dat bevestigen gebeurde niet om de ‘inlanders’ eronder te krijgen. Dat gebeurde om de Engelsen en Fransen buiten de deur te houden. De lokale heersers konden gewoon hun gang gaan zolang ze maar niet dwars lagen. Lagen ze dwars, zoals Atjeh, dan werd hen de oorlog verklaard.

Al dit doet er niets aan af dat er verschrikkelijke dingen zijn gebeurd. In de jaren ’45-’49 maar ook in het al genoemde Atjeh en op andere momenten zoals het optreden van Jan Pieterszoon Coen. Zaken die verteld moeten worden en waarbij zeker ook het verhaal van de slachtoffers een prominente plek moet krijgen. Dat mag echter geen aanleiding zijn om het verleden geweld aan te doen door het in een 21ste eeuws frame te plaatsen.

Uitgelicht

Over vrijheid en vrije markten

“Dat daarbij de economie en de vrije samenleving gebukt gaan onder een knoet die bepaalt wat goede en wat foute ondernemers zijn,” en dat: “nemen de cabaretiers, de schrijvers en de rest van de ondertekenaars op de koop toe.” De laatste zinnen van een column van Roderick Veelo bij RTL Z. Een ‘staatsknoet’ die bepaalt wat de goede en foute ondernemers zijn. Dat klinkt ‘communistisch’. Een politbureau dat bepaalt wat goed en fout is. Dat moeten we niet willen. Toch?

Veelo reageert op de oproep van een grote groep mensen in de Volkskrant Een oproep om alleen bedrijven te steunen als ze aan drie eisen voldoen. Ze moeten: “de afgelopen tien jaar (sinds de vorige crisis) in binnen- en buitenland hun aandeel hebben bijgedragen als het gaat om het betalen van belastingen.” Als tweede moeten de bedrijven blijk geven van: “sociale rechtvaardigheid, richten zich op langetermijnduurzame economische groei en begrijpen dat ze daarvoor de belangen van alle stakeholders moeten dienen.” Als laatste: “De producten en diensten van het bedrijf dragen in toenemende mate bij aan een veilige en duurzame toekomst.” Heel sympathieke eisen alleen, zo betoogt Veelo, moeten we dat niet willen. Dat beperkt onze economie en vrije samenleving. Die, en dus de vrije markt, moet bepalen wat goed en fout is. 

Bij uitspraken zoals die van Veelo moet ik altijd denken aan het boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme van de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang. Een boek waarin Chang de economische wetenschap voor een leek begrijpbaar beschrijft. Want economie is, zo schrijft Chang: “…voor 95 procent gezond verstand dat ingewikkeld gemaakt is, en zelfs voor de resterende 5 procent geldt dat de essentie van de redenering , zo niet alle technische details, in eenvoudige termen kan worden uitgelegd.” En vervolgens voegt Chang de daad bij het woord en legt aan de hand van 23 populaire opvattingen uit hoe het zit. Zo ook de vrije markt.

Dat is het eerste ‘ding’ dat Chang behandelt in een hoofdstuk met als titel De vrije markt bestaat niet. En met die titel wordt al een heel ander licht geworpen op de brief van de groep en Veelo’s reactie. Chang: “De vrije markt bestaat niet. Elke markt kent wel regels en grenzen die de keuzevrijheid beperken. Een markt lijkt alleen maar vrij doordat we de beperkingen die eraan ten grondslag liggen zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Zo is slavernij verboden. Dat vinden we nu niet meer dan logisch. Eeuwenlang lag dat echter anders en was slavernij een onderdeel van het leven. Hetzelfde geldt voor kinderarbeid. Ook dat was heel gewoon totdat de overheid er paal en perk aan stelde. De wetgeving rond arbeidstijden en arbeidsomstandigheden, ook die beperkt de ‘economie en de vrije samenleving’. Net zoals wetgeving rond ruimtelijke ordening en milieu. Net zoals de wetgeving ter bescherming van de consument en het contractrecht.

Allemaal beperkingen van de ‘economie en vrije samenleving’ die we, om met Chang te spreken: “zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Als dat op deze punten kan, waarom dan niet ook op andere punten, zoals de drie ‘eisen’ van de ‘Volkskrant-groep’? 

De ‘vrije samenleving’ beperken, gebeurt niet alleen op het economische vlak. Op vele terreinen wordt onze vrijheid beperkt. Zo beperken de verkeersregels onze vrijheid. Iets wat recentelijk door de VVD groot werd uitgevent toen de maximum snelheid werd verlaagd van 130 naar 100. Nee onze ‘vrije samenleving’ kent veel wettelijke beperkingen om haar leefbaar te houden. Die beperkingen zijn nodig om te voorkomen dat mijn vrijheid jou ellende wordt of andersom. Of zoals John Stuart Mill het in zijn boek Over vrijheid formuleerde: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.” Zonder die ‘knoet’ die bepaalt wat goed en fout is’, zou het leven ‘eenzaam, arm, onaangenaam, bruut en kort’ zijn om Thomas Hobbes aan te halen.

Uitgelicht

Economisch belang(eloos)

Het positieve aan het ‘binnenblijven’ is dat er leuke initiatieven ontstaan. Zo is er een ‘rondleider’ van het Rijksmuseum, die het museum in deze corona-tijd naar je toe brengt. Hij richt zich hierbij vooral op kinderen van de basisschool en dan vooral de basisschool die zijn dochter bezoekt. Een van mijn favorieten is zijn uitleg over Zeven werken van barmhartigheid. Misschien komt dat wel omdat het een goede spiegel is voor bedrijven als boeking.com. En met het redden van bedrijven en kunst kom ik bij een brief van Kunstenaarsvereniging Arti et Amici bij Joop.

“Het is een plicht ervoor zorg te dragen dat niet alleen de grote culturele instellingen deze crisis overleven maar juist ook de individuele kunstenaar die onze planeet met zijn creativiteit, ons aller menselijk kapitaal, leefbaar maakt.” De afsluitende woorden in de brief. De vereniging pleit voor meer steun voor de kunstsector in het algemeen en de kunstenaars in het bijzonder. Want, zo stellen zij: “Ook kunstenaars zijn onmisbaar voor economisch herstel.” Toch wringt er iets bij mij.

De kunstenaars zijn niet de enigen die pleiten voor een ‘aparte’ regeling om door de crisis te komen. Vele andere sectoren gingen hen al voor en vonden een gewillig oor bij de regering. Zoals ik in een eerdere Prikker al betoogde, zou ik liever zien dat de overheid zich richt op het redden van mensen in plaats van bedrijven. Immers om de kunst te redden, moet je de kunstenaar in leven houden. Dat redden kan heel goed via een basisinkomen. Maar daar gaat hij mij in deze Prikker niet om. 

Het gaat mij om de link die alle sectoren leggen naar de ‘economie’, en het ‘economisch herstel’. Kunstenaars moeten, net als de KLM, de kalvermesters, de bloementelers, de cafébazen enzovoorts worden gered omdat ze ‘onmisbaar zijn’ voor de economie en het economisch herstel. Kunst wordt vertaald in ‘banen’ en ‘toeristen’ en die worden vervolgens uitgedrukt in percentages van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Hoe hoger het percentage, hoe belangrijker het is. De ‘economie’ is zo de maat der dingen.    

Hiermee zeggen we eigenlijk dat we ‘werken om te leven’. Nu is werk, en dan vooral betaald werk, de afgelopen decennia heilig verklaard. Werk is, of beter gezegd wordt gezien, als de hoogste vorm van maatschappelijke participatie en de beste manier om in te burgeren. Zonder werk neem je niet deel aan de samenleving. Werk zorgt voor structuur in het leven van mensen. En zo kan ik doorgaan met het benoemen van eigenschappen die we verbinden aan het hebben van werk. We stemmen het onderwijs erop af, bereiden kinderen voor op hun plek op de arbeidsmarkt, dus op werk. Volwassenen moeten een leven lang leren om hun ‘employability’ te vergroten.

Door al deze zaken exclusief te verbinden aan betaald werk, lijkt werk onmisbaar te worden voor het goede leven van een mens. Inderdaad werk zorgt voor structuur, kan sociale contacten opleveren, kan je eigenwaarde een boost geven, kan bijdragen aan het veroveren van je plek in de samenleving. Dat kan allemaal. Participeren, inburgeren, deelnemen aan de samenleving, structuur hebben in je leven, het kan allemaal óók zonder werk.

Wat als we het omdraaien? Wat als we gaan werken om te leven? Als we die vraag vertalen naar de crisis van nu en het ‘redden’ van bedrijven: wat dragen die sectoren bij aan het leven? Zou het kunnen dat we dan heel andere keuzes zouden maken? Wat dragen de KLM, booking.com en kunst bij aan het leven? Zouden we dan nog steeds zoveel geld uittrekken om ‘onze blauwe trots’ in de lucht te houden? Wellicht blijkt dan dat wat economisch belangeloos is wel eens van het grootste belang te zijn. Misschien sluiten die keuzes wel aan bij die zeven werken van barmhartigheid?

PS. Fedor bedankt voor je ‘thuismuseum’. Het brengt mij een lach en die vind ik van groot belang!

Pijlstaart tv: het thuismuseum

Uitgelicht

De ander verwijten wat jezelf nalaat

Het is sport om een schuldige ergens voor te zoeken. Zo pokeren de Verenigde Staten en China nu over de vraag wie er schuldig is aan het coronavirus. Een vraag die heel eenvoudig is te beantwoorden: het virus. Dat veroorzaakt immers ziekte en sterfte bij mensen. Een virus dat waarschijnlijk van een dier op een mens is overgesprongen en die mens heeft, zonder opzet, anderen ermee besmet. Dat antwoord voldoet in dit pokerspel niet. Nee, er moet ‘iets’ of liever ‘iemand’ zijn die de schuld kan krijgen. Voor de Amerikaanse president Trump is dat de Chinese regering. En dat iets, is een laboratorium. Dit terwijl een groep van wetenschappers in maart al concludeerden dat: “It is improbable that SARS-CoV-2 emerged through laboratory manipulation of a related SARS-CoV-like coronavirus.”  

“Horrifying. US intel confirms the Chinese Communist Party knew at the highest levels the #CoronavirusOutbreak would turn into a global pandemic, so much so that they secretly changed their policies to stockpile medical equipment & hide imports/exports.” Aldus een tweet van republikeins senator Ted Cruz. Gevolgd door: “This should be a wake up call for anyone who still defends China. The Chinese Communist Party engaged in a global coverup endangering millions & they have blood on their hands.” Nieuws dat ook de Nederlandse site De Dagelijkse Standaard met veel aplomb brengt. Zie je wel die Chinezen wisten al in januari dat het virus zeer besmettelijk was en ‘hamsterden spullen’, zo zeggen de Amerikanen.

Als we de bekende informatie kort op een rij zetten, dan maakt de Chinese arts Li Wenliang op 30 december 2019 melding van patiënten met een op SARS lijkend virus. Hiervoor wordt hij vier dagen later op het matje geroepen door de ‘autoriteiten’ zo is te lezen op de site van de NOS. Dat is achteraf natuurlijk niet zo handig van die autoriteiten. Echter, niet veel later op, 31 december 2020, maakt, zo is te lezen op de site van de WHO, de Wuhan Municipal Health Commission, melding van een cluster van gevallen van longontstekingen met een onbekende oorzaak. Als we terugrekenen dan moeten die mensen zo half december in aanraking zijn gekomen met het virus. Patiënt één zou dan wellicht een maandje eerder moeten zijn besmet. Op 10 januari 2020 vaardigde de WHO een pakket richtlijnen uit met daarin advies over hoe zieken op te sporen en te testen en over hoe zorgmedewerkers te beschermen. Op 12 januari 2020 is de genetische sequentie van het virus bekend. Ondertussen loopt het aantal patiënten in China snel op en een dag later is het eerste geval buiten China er. De rest is wel bekend. 

Dan is het niet zo vreemd dat de Chinezen: “changed their policies to stockpile medical equipment & hide imports/exports.” Dat de “CoronavirusOutbreak would turn into a global pandemic,” was in China bekend. Die pandemie was in januari in China al een feit. Omdat China het eerst werd getroffen, moest het ook als eerste maatregelen nemen. Andere landen hadden daarvoor meer tijd. Belangrijkste maatregelen die men kon nemen: de ziekenhuiscapaciteit vergroten inclusief ic-bedden met alles erop en eraan dus ook verpleegkundigen en artsen, testmateriaal inkopen, een voorraad medicijnen aanleggen of maken en een flinke voorraad beschermende kleding inclusief het ‘kledingstuk van het jaar’ het, mondkapje. Het ene land ging daarmee wat voortvarender aan de slag dan het andere. Wie herinnert zich nog de beelden met bulldozers en kranen in China die helpen een noodhospitaal uit de grond te stampen? Als je zoiets doet, dan verzamel je natuurlijk ook spullen om het te vullen. Dan verzamel je beademingsapparaten, medicijnen en beschermende materialen. Zoals we het nu kunnen overzien, hebben de Verenigde Staten onder leiding van Trump daar flink wat steken laten vallen. Nogal bijzonder om de ander te verwijten dat die heeft gedaan wat je zelf hebt nagelaten.

Uitgelicht

Von Schlieffen en corona

Op de site Opiniez wordt veel geschreven over het verlaten van de Europese Unie, het afschaffen van de euro en weer een ‘sterk en onafhankelijk’ land worden. In deze bijzondere herdenkingstijd moest ik bij het lezen van een artikel van Jan Gajentaan bij Opiniez denken aan de Eerste Wereldoorlog. Ik moest denken aan het Schlieffenplan. 

Het plan is genoemd naar de Duitse generaal Alfred von Schlieffen die leefde van 1833 tot 1913. Het was de tijd van de Frans-Duitse rivaliteit. Rivaliteit die een enorme boost had gekregen na de door de Duitsers gewonnen Frans-Duitse oorlog van 1871. Een oorlog die een belangrijke rol speelde in de Duitse eenwording, maar dat is een ander verhaal. Sinds die oorlog van 1871 wilde Frankrijk revanche en vreesde Duitsland voor die revanche. Voor het Duitse Keizerrijk werd de situatie nijpend toen de Fransen in de jaren negentig van de negentiende eeuw een alliantie met het Tsaristische Rusland afsloten. In geval van een oorlog zat Duitsland nu ingesloten tussen Frankrijk en Rusland en zou het op twee fronten een oorlog moeten voeren. Om die dreiging het hoofd te bieden, bedacht Von Schlieffen een plan.

Hij ging ervan uit dat zij niet sterk genoeg waren om op twee fronten tegelijk te strijden. Daarom moest er een plan worden bedacht om dat te voorkomen. Aan de basis van dit plan lag de veronderstelling dat het Russische rijk tenminste zes weken nodig zou hebben om haar leger te mobiliseren en in stelling te brengen. Die zes weken moesten worden gebruikt om Frankrijk te verslaan. Dat kon, zo berekende Von Schlieffen, als de Duitse troepen door het neutrale België zouden trekken. Hierbij hoopten de Duitsers dat de Belgen hen ‘vrije doortocht’ zouden geven. In dat geval zouden de Engelsen zich er niet mee bemoeien. De Engelsen stonden immers garant voor de neutraliteit van België en bij een vrije doortocht werd die niet geschonden. Die tocht door België was nodig om de Franse troepenmacht ‘langszij’ te passeren, in te sluiten en zo vrije doortocht te hebben naar Parijs. De Fransen zouden hun troepen immers concentreren langs de grens tussen de beide landen tussen Belfort en Sedan. Om de Fransen in die illusie te laten zou in dat gebied een schijnaanval worden uitgevoerd. 

Voor die hele operatie inclusief intocht in Parijs stonden zo’n vier weken. Dan restten nog twee weken om het hele leger vanuit Frankrijk te verplaatsten naar de Oostgrens om de dan gemobiliseerde Russen af te stoppen. Via de het spoorwegennet moest dat kunnen. Om dit alles te bereiken werd bijna tot ‘op de minuut’ uitgewerkt hoever welk deel van het leger moest zijn.

Helaas voor de Duitsers liep het in werkelijkheid anders dan op papier. De Belgen gaven geen vrije doortocht en verzetten zich hevig. Daardoor restte de Engelsen niets anders dan deel te nemen aan de oorlog. Bovendien bleken de Russen al veel eerder in staat tot een aanval en moest een deel van het leger al eerder van West naar Oost. Uiteindelijk duurde de oorlog meer dan vier jaar en stierven miljoenen soldaten in de loopgraven. 

Terug naar Gajentaan waarmee ik begon. In zijn artikel stelt hij ons Denemarken ten voorbeeld. Dat land is lid van de EU en kan op drie punten afwijken: de euro, daar hoeft het niet aan mee te doen, aan defensie- en justitie-initiatieven en voor wat betreft de open grenzen binnen de Unie evenmin. Daar gaat het mij nu even niet om. Het gaat mij om de volgende passage: “Ook bij de corona-crisis was dat merkbaar. Waar in Nederland het woord grenscontrole voor iemand als Rutte vloeken in de kerk is, sloot Denemarken op 14 maart de grenzen. En omdat het land ruim een week eerder dan Nederland in lockdown ging en de scholen sloot, lopen ze nu twee weken op ons voor bij het verlaten van de lockdown.” En dan gaat het mij niet om de vraag naar de relatie tussen het sluiten van de grenzen en de strijd tegen corona. Sluiten behalve natuurlijk voor landgenoten in het buitenland, voor de in- en export van goederen en voor mensen die in dat buitenland werken waardoor alleen de vakantieganger thuis moet blijven. Het gaat mij om die twee weken die ze op ons voorlopen bij het verlaten van de lockdown.   

Hoe weet Gajentaan of Denemarken ‘twee weken voorloopt’? Heeft Gajentaan net als Von Schlieffen een plan waarin precies staat welke maatregel op welk moment genomen moet worden? Dat suggereren deze woorden wel. Dat China en Wuhan nu weer ‘open’ zijn, geeft geen enkele garantie dat het virus er niet meer kan oplaaien. Dat Denemarken nu ‘twee weken’ voorligt kon over zes maanden wel eens tot een ‘achterstand’ leiden. Het virus is nog steeds onder ons op deze wereld, in dit land en ook onder de Denen. We hebben nog steeds geen vaccin noch een geneesmiddel. Pas als er een vaccin is en dat voor iedereen beschikbaar is, kunnen we deze pandemie achter ons laten. Tot die tijd zijn uitspraken over ‘voor’ en achter’ evenveel waard als het Plan van Von Schlieffen.

Uitgelicht

Klus gezocht

Ik ben nog steeds op zoek naar een opdrachtgever waarmee ik de volgende salarisafspraak kan maken voor een klus van dertig dagen. Voor de eerste dag een salaris van € 0,01 en dat verdubbelt iedere dag. Wellicht helpt deze Prikker bij het vinden van die opdrachtgever. Al denk ik dat die er na het lezen van deze Prikker anders over denkt. 

Ik moest hier weer aan denken na het lezen van het Commentaar van Sander van Walsum in de Volkskrant. Van Walsum: “Maar inmiddels kan ook worden vastgesteld dat de afbouw van preventieve maatregelen geen lineair proces is, maar een processie van Echternach: drie stappen vooruit, twee stappen achteruit.”  Zo wordt er de laatste dagen weer een stijging van het aantal ziekenhuisopnamen gemeld in Duitsland maar ook in Brabant. Dit terwijl de druk op de regering om de teugels te laten vieren, toeneemt. Die druk heeft er al toe geleid dat de basisscholen weer opengaan en dat kinderen weer mogen sporten.

“Om te kunnen voorzien in de toenemende behoefte aan meer bewegingsvrijheid heeft de Nederlandse overheid de testcapaciteit voor de vaststelling van corona al drastisch uitgebreid,” schrijft Van Walsum. Wat echt zou helpen: “handhaving of uitbreiding van de ic-capaciteit. Met het oog daarop zouden reservisten in de zorg moeten worden gerekruteerd, of zou bestaand zorgpersoneel moeten worden om- of bijgeschoold.” Dat lijkt een goed advies. De curve moest immers worden afgevlakt om de zorg niet te overbelasten en daarbij waren het aantal ic-bedden de beperkende factor. Meer bedden betekent dat er op een hoger niveau afgevlakt kan worden. Dan zou het kabinet zich, zo betoogt Van Walsum, meer rust in de besluitvorming kunnen veroorloven. Leveren meer ic-bedden werkelijk rust?

Meer ic-bedden betekent dat er meer corona-patiënten in een ic-bed kunnen. Op een ic-bed kom je als je er erg slecht aan toe bent, maar er nog wel hoop is dat je de ziekte overleeft. Als we er vanuit gaan dat onze zorg is gebouwd als een piramide met de ic-bedden als top. Dat de top en de basis in evenwicht zijn. Een evenwicht waarbij zelfs is gerekend met enige overcapaciteit. Dan leidt meer ic-bedden tot een veel grotere top die alleen in tijden van nood, zoals nu, gebruikt kan worden. In ‘normale tijden’ staan er dan, net zoals nu in Duitsland, veel ic-bedden onbenut. Wat gebeurt er dan in tijden van crisis, bijvoorbeeld een opleving van de corona-pandemie? 

Er is dan meer ic-capaciteit. De rest van het ziekenhuis ligt dan nog steeds vol met corona-patiënten. Meer corona-patiënten op de ic betekent immers dat er ook meer patiënten in de rest van het ziekenhuis liggen. Net zoals de afgelopen anderhalve maand het geval was, is dan de hele rest van de piramide nodig en ligt alle andere zorg stil. 

Als we even een week of vier, vijf terugkijken in de tijd. De periode dat het erom spande of er snel genoeg ic-bedden konden worden gecreëerd en het uiteindelijk net lukte om er voldoende beschikbaar te hebben. Op dat moment stierven er zo’n 180 mensen per dag. Tenminste volgens de RIVM cijfers. Volgens de berekeningen van het Centraal Bureau voor Statistiek waren dat er ongeveer het dubbele, dus zo’n 360. De ‘rust’ die een verdubbeling oplevert, betekent dat er wekelijks het dubbele aantal mensen sterven, dus ruimt 700 per dag.

Hoe ‘rustig’ zou een kabinet kunnen besluiten met een dubbelde ic-capaciteit? Rust die per dag het dubbel aantal mensen het leven kost. Die de complete Nederlandse zorginfrastructuur lam legt en die roofbouw pleegt op de medewerkers in de zorg. Het enige probleem wat met bijvoorbeeld een verdubbeling van de ic-capaciteit wordt opgelost is het keuzedilemma tussen twee patiënten voor één ic-bed. Alhoewel opgelost, het duurt langer voordat we dat punt bereiken.

Als er geen maatregelen worden genomen dan verspreidt het corona-virus zich exponentieel. Omdat niet iedereen even ziek wordt en het zelfs kan zijn dat je al mensen kunt besmetten voordat je ook maar ziekteverschijnselen hebt, zijn er op het moment van de eerste geconstateerde besmette persoon, waarschijnlijk al meer personen besmet. We zagen bijvoorbeeld een verdubbeling van het aantal besmettingen, ziekenhuisopnamen en doden in ongeveer drie dagen. Dit betekent dat er drie weken na de eerste besmette persoon 32 mensen besmet zijn. Na zes weken zijn dat er al 1.024 en na twaalf weken zo’n 67.000.000. En daarmee kom ik terug bij mijn zoektocht naar een opdrachtgever waarmee ik deze Prikker begon. Die zes weken komen overeen met 28 dagen. Mijn salaris op die 28ste dag bedraagt dan € 671.088,64. Het salaris op de laatste van de dertig werkdagen is dus vier keer zoveel en wel € 2.684.354,56. En mijn totale beloning voor die dertig dagen het dubbele van dit bedrag minus 1 cent. 

We moeten dus verspreiding van het virus voorkomen. Dat kan door de mensen waarmee een besmette persoon in aanraking is gekomen in beeld te brengen, te testen op de ziekte en ze te adviseren (of verplichten) om gedurende een week of twee in quarantaine te verblijven. Die ‘drastische uitbreiding van de testcapaciteit’ is daarom belangrijk. Voor verdubbeling van de ic-bedden: “zouden reservisten in de zorg moeten worden gerekruteerd, of zou bestaand zorgpersoneel moeten worden om- of bijgeschoold,” aldus van Walsum. Het lijkt mij slimmer om te werven en om- of bij te scholen in dit ‘opsporingswerk’. Dan zijn die extra bedden niet nodig, voorkomen we dat de zorg-piramide overbelast raakt en als belangrijkste, worden er minder mensen ziek en sterven er minder aan de gevolgen van het virus. En, maar dat is van minder belang, kan het kabinet zich meer rust veroorloven in de besluitvorming.

Uitgelicht

App en/of enkelband

“Wanneer in een stad de pest uitbrak, moesten volgens een reglement uit het einde van de zeventiende eeuw de volgende maatregelen worden getroffen. Allereerst een rigoreuze parcellering: de stad en haar ‘ommeland’ worden afgegrendeld, het is verboden de stad te verlaten op straffe van de dood, en alle zwerfdieren worden afgemaakt. De stad wordt opgedeeld in verschillende wijken die elk onder gezag van een intendant worden geplaatst. Iedere straat komt onder toezicht te staan van een syndicus die met de dood wordt gestraft als hij straat verlaat. Iedereen krijgt het bevel zich op een vastgestelde dag in zijn huis op te sluiten en het is verboden het te verlaten op straffe van de dood. De syndicus komt eigenhandig de deur van iedere woning van buitenaf vergrendelen; hij overhandigt de sleutel aan de wijkintendant, die hem bewaart tot de opheffing van de quarantaine.” 

Zo begint het hoofdstuk Panoptisme van het boek Discipline, Toezicht en Straf. De geboorte van de gevangenis van de Franse filosoof Michel Foucault. Foucault haalt dit uit een reglement uit de zeventiende eeuw. We zijn nu een kleine vier eeuwen verder en de manier waarop het coronavirus wordt bestreden, lijkt hier niet veel van af te wijken. Opsluiten in huis, contact vermijden en straffen bij overtreding. Geen doodstraf, tenminste niet in dit deel van de wereld. In andere streken, zoals de Filippijnen, ligt dat anders. Ik moest aan dit boek denken toen ik bij De Correspondent een artikel  van Dimitri Tokmetzis en Morgan Meaker las over de inzet van surveillancetechnologie om: “verspreiding van het virus te onderdrukken maar toch lockdowns te versoepelen”. De beide auteurs volgen: “het scala aan bewakingstechnologieën dat wereldwijd wordt ingezet.” En door dat woord ‘bewakingstechnologieën’ moest ik aan Foucault denken. 

Foucault beschrijft de geschiedenis van het omgaan met misdadigers. Het boek begint met het beschrijven van de ten uitvoerlegging van de straf van Damiens. Damiens pleegde een mislukte aanslag op de Franse koning Lodewijk XV. Damiens wordt op een kar naar de plek gereden waar zijn straf, een openbare schuldbelijdenis, wordt voltrokken. “Daarna, “op genoemde kar, en op een schavot dat op de Place de Grèves opgericht, zal met tangen het vlees van zijn borst, zijn armen, dijen en kuiten worden gerukt; zijn rechterhand, met daarin het mes waarmee hij de vadermoord heeft begaan, zal met brandende zwavel worden verschroeid, de plekken die met de tangen zijn bewerkt, zullen met gesmolten lood, kokende olie, gloeiende spiegelhars en een mengsel van gesmolten zwavel en was worden overgoten; zijn lichaam zal vervolgens door vier paarden uiteen getrokken worden en in stukken gereten worden, zijn romp en leden door vuur verteerd en zijn as in de wind verstrooid.” Nu bleek dat vierendelen lastig vanwege het ontbreken van de juiste paarden. Daarom werden het zes paarden en dan nog ging het allemaal maar moeizaam.

Deze brute manier van straffen voor het oog van ‘het volk’, riep in de tweede helft van de Achttiende eeuw steeds meer weerstand en protest op: “de straffen moeten gematigd worden en in verhouding staan tot de delicten, de doodstraf mag slechts worden opgelegd aan schuldig bevonden  moordenaars, en de mensonwaardige lijfstraffen moeten worden afgeschaft,” aldus een samenvatting van een lijst met grieven in 1787 en 1788 ingediend bij de Franse Staten Generaal. Als alternatief kwam dwangarbeid op en in de loop van de negentiende eeuw ontstonden de gevangenissen zoals we ze nu nog steeds kennen. Een correctioneel instituut gericht op het verbeteren van de misdadiger zodat die na het uitzitten van zijn straf niet meer in de fout gaat. Hen moet discipline worden bijgebracht. Discipline ontstaat niet via het vertoon van macht, maar via observatie en kleine interventies.

De Brit Jeremy Bentham over wie ik al vaker schreef maar dan als ‘uitvinder’ van het utilitarisme, speelde hierin een belangrijke rol. Bentham ontwierp het Panopticum. Een gebouw met een centrale hal met daar rond ringen van cellen over verschillende verdiepingen gestapeld. Een cel heeft twee ramen: één naar buiten en één op de centrale hal gericht. Vanuit die centrale hal kan een persoon alles overzien zonder dat de persoon zelf gezien wordt. Bentham voorzag toepassing als gevangenis, school, ziekenhuis maar ook als bedrijfsgebouw. Koepelgevangenissen zijn volgens dit principe gebouwd. De camerabewaking van de openbare ruimte en de enkelband om thuis je straf uit te zitten, zijn eigentijdse varianten hiervan. 

‘Disciplinering’ van gevangenen kwam niet uit de lucht vallen. De opkomende industrie en het leger vroeg ook om disciplinering van mensen. Disciplinering was en is een belangrijk doel van ons onderwijs. En die disciplinering is bijzonder succesvol geweest. De manier waarop de ‘corona-maatregelen’ worden nageleefd, laten dit zien. De apps waarover nu wordt gesproken zijn een volgende stap in deze disciplinering. Als ze een verplichting worden, zijn die apps niet te vergelijken met de enkelband. Trouwens ook al ze niet worden verplicht, maar het niet hebben ervan je beperkt in je beweging?

Uitgelicht

Een moderne Herodotus

Lezen is een van mijn hobby’s. Af en toe een roman maar het liefst werk van filosofen, economen, sociologen en historici. De boeken die ik lees komen geregeld voor in de Prikkers die ik schrijf. Op dit moment ben ik een heel eind gevorderd in Historiën geschreven door Herodotus. Het boek is geschreven in de vijfde eeuw voor de start van onze jaartelling en beschrijft de gewelddadige conflicten tussen Grieken en niet Grieken een eeuw eerder. De Romein Cicero noemde Herodotus de vader van de geschiedschrijving. Tijdens het lezen van het boek moet ik vaak denken aan de huidige fantasten en complotdenkers. 

Herodotus schrijft op basis van wat hij ziet tijdens zijn reizen maar vooral wat hij hoort in de verhalen van de mensen die hij bevraagt. Daarbij belicht hij het gebeurde vanuit de verschillende betrokkenen. Spreken die zich tegen dan zoekt hij naar een voor hem best passende verklaring. Naast de genoemde conflicten en de personen die daarbij een rol speelden, geeft het boek ook een beschrijving van de levenswijzen en gebruiken van de verschillende volkeren. De beschrijving van die levenswijzen en gebruiken waarvan je je afvraagt welk deel ervan waar zou kunnen zijn geweest. Een voorbeeld: “Wanneer een Namasoniër voor de eerste maal een huwelijk sluit, is het de gewoonte dat de bruid de eerste nacht alle gasten langs gaat om gemeenschap met ze te hebben. Iedere man die dan gemeenschap met haar heeft, geeft haar een of ander geschenk, dat hij van huis heeft meegenomen.” Maar in een tijd waarin gebeurtenissen vooral in de vorm van verhalen worden verteld, is fantasie niet ver weg om wat gaten in te vullen of zaken aan te dikken. Iedereen die wel eens het spel heeft gespeeld waarbij een verhaal één op één moet worden doorverteld in een groep, weet dat het verhaal na een paar keer doorvertellen heel anders is.

Een oude Griek of Pers zou het niet opvallen maar Herodotus lardeert zijn boek met wonderen, orakels en mythologische verhalen. Die gebruikt hij ter verklaring van wat er is gebeurd. Zij geven de gebeurtenissen een magische dimensie. Ook hier een voorbeeld ter verduidelijking. “Toen Grinnos, de koning van Thera, haar (het orakel van Delfi) over een andere kwestie raadpleegde gaf de Pythia hem als orakel dat hij een stad in Libye moest stichten.” Nu vond Grinnos zich te oud en hij wist de klus bij ene Battos in de schoenen te schuiven. Alleen vergaten ze het toen ze weer thuis waren. Dit ‘vergeten’ had drastische gevolgen: “Gedurende zeven jaar vanaf dat tijdstip viel er geen regen op Thera en daardoor verdorden in die tijd alle bomen op het eiland, op één na.” Omdat de Theranen wilden weten waarom hen dit overkwam, gingen ze weer naar Delfi en de Pythia herinnerde hen aan de eerdere uitspraak.

Daarmee kom ik bij het heden. Het covid-19 virus dat wordt ‘veroorzaakt’ door 5G straling. Pizzagate tijdens de vorige Amerikaanse verkiezingen. President Trump die als een ‘orakel’ staat te verkondigen dat het ‘inspuiten van ontsmettingsmiddelen’ en na wat kritiek vertelt dat het ‘sarcastisch’ bedoeld was. Baudet die terug wil naar de ‘gewone man’ van de Achttiende eeuw en die ‘gewone man’ situeert in de bourgeoisie. Het ‘kartel’ van Baudet en zijn sympathisant Sid Lukkassen. Een moderne Herodotus zou er een boek mee kunnen vullen. 

Uitgelicht

De bomen en het bos

Gisteren besprak ik minister Hoekstra’s nieuwe dominotheorie. In dezelfde persconferentie deed ook Hoekstra’s collega minister Van Nieuwenhuizen een duit in het zakje. De KLM: “een van de grootste werkgevers is en onze blauwe trots. Maar dat doen we zeker ook omdat een gezonde KLM een onmisbare schakel is voor ons economisch herstel.” De dominosteen wordt nog wat belangrijker gemaakt door ook voor mij te bepalen dat de KLM ‘onze blauwe trots’ is. Daar gaat het mij nu echter niet om. Het gaat mij om de voorwaarden aan die steun.

Als voorwaarde voor steun aan de KLM noemde Hoekstra, geen dividenduitkering, geen bonussen en geen winstdeling en ook lagere salarissen voor ‘de sterkste schouders’ binnen het bedrijf. Dit zolang het bedrijf overheidssteun nodig heeft.Van Nieuwenhuizen formuleerde twee voorwaarden: het terugbrengen van het aantal nachtvluchten en het terugbrengen van de koolstofdioxide uitstoot.

Maar wacht eens even. Heeft de overheid geen andere middelen dan financiële steun om salarissen en bonussen binnen de perken te houden? Belachelijk hoge salarissen, zoals de 10 miljoen van Frenkie de Jong waarover ik laatst schreef, kunnen ook via de de inkomstenbelasting worden aangepakt. Een manier die ook effectief is als bedrijven geen staatssteun ontvangen. Een manier die trouwens ook werkt om bonussen aan banden te leggen. In plaats van een verbod op dividend en winstuitkering voor één bedrijf, kan Hoekstra beter inzetten op een algemene verhoging van de dividend- en vennootschapsbelasting. De KLM zal dit jaar het komend jaar en waarschijnlijk ook in 2022 toch geen winst maken. Andere bedrijven, die nu profiteren van de situatie daarentegen wel. Bedrijven zoals onder andere bol.com. 

Heeft de overheid geen andere middelen dan financiële steun om het aantal nachtvluchten en de uitstoot van broeikasgas te beperken? Ik geloof meteen dat de KLM ’s nachts van en naar Schiphol vliegt. Het is echter niet de KLM die het recht hierop vergeeft. Jaarlijks zijn er van en naar Schiphol zo’n 20.000 vluchten tussen 23.00 en 6.00 uur en zo’n 12.000 tussen 6.00 en 7.00 uur. De meesten worden gebruikt voor vracht- en vakantievluchten. Als Van Nieuwenhuizen de KLM dwingt om rechten op nachtvluchten in te leveren zonder dat het totaal aantal wordt verlaagd, zullen andere maatschappijen in dat gat springen. Als Van Nieuwenhuizen werkelijk minder nachtvluchten wil, dan heeft zij andere middelen om dit af te dwingen. Dan kan zij de Tweede Kamer voorstellen om de Wet luchtvaart zo aan te passen dat er ’s nachts minder gevlogen kan worden. 

Als laatste de milieumaatregelen en dan vooral het beperken van de uitstoot van koolstofdioxide. Een goed streven waar alleen een verdwaalde ontkenner van de gevolgen van de opwarming van de Aarde en de rol die koolstofdioxide daarin speelt, tegen zal zijn. De luchtvaart valt niet onder het Klimaatakkoord van Parijs en de financiële steun aan de KLM is een mogelijkheid om hier wat aan te doen. Top dus. Nou… .  Door deze voorwaarde aan de financiële steun te hangen, ontstaat bij mij het beeld dat de KLM wordt gesubsidieerd bij het nemen van dergelijke maatregelen. Dat beeld wordt versterkt omdat Van Nieuwenhuizen vergeet erbij te vermelden dat zij een jaar geleden trots de Tweede Kamer informeerde over het klimaatbeleid voor de luchtvaart. Onderdeel van dat beleid is een Ontwerpakkoord  Duurzame luchtvaart. Een akkoord dat zij met de Nederlandse luchtvaartsector heeft afgesloten en een van de partijen die het akkoord mee heeft vastgesteld is de KLM. Een akkoord met als doelstelling een 50% reductie van koolstofdioxide in 2050 ten opzichte van 2005. Niet zo ambitieus als het Klimaatakkoord van Parijs maar toch.

Is dit ‘voorbeeld KLM’ niet een voorbeeld van wat er mis is met politiek en bestuurlijk Nederland? Trouwens niet alleen in Nederland. Er wordt gemanaged op incidenten. Incident oplossen en op naar het volgende incident. Oplossingen die het volgende incident al in zich dragen. Een ‘bankencrisis’ waarbij banken door deregulering ‘too big to fail’ zijn, niet gebruiken om ze kleiner en minder belangrijk te maken. Nee, gewoon op de oude voet verder gaan. Een schuldencrisis (de eurocrisis) bestrijden door schulden aan te gaan. Het ‘vluchtelingen probleem’ oplossen zonder aandacht te besteden aan het ‘probleem van de vluchteling’. Oplossen door een oplossing voor te stellen die al praktijk is: opvang in de regio. Een schrijnend gebrek aan aandacht voor de lange termijn aangevuld met een schrijnend gebrek aan kennis van en vertrouwen in de rol van de overheid en de politiek? Een focus op bomen waardoor het bos niet meer wordt gezien.

Uitgelicht

Domino D-Day

Je kan het eigenlijk zien als een eerste dominosteen aan het begin van een lange rij. Als KLM omvalt dan heeft dat niet alleen gevolgen voor het bedrijf en het personeel, maar voor alle steentje die er ook daarna nog komen. Voor Schiphol, voor de laders en lossers voor de hoofdkantoren die we in Nederland hebben, voor distributiecentra, voor toerisme en congressen en allerlei soorten handel. Allemaal sectoren die baat hebben bij de goede verbindingen die we in Nederland hebben.” Wellicht dat veel mensen na deze uitspraak van minister Hoekstra moesten denken aan het tv-programma Domino D-Day. Een programma waarbij in een grote hal allerlei kleurrijke blokjes op een rij werden gezet. Dit met als doel om ze, op de uitzenddag van het programma, met een tik tegen één blokje, allemaal om te laten vallen. Al omvallend kwamen er vervolgens mooie afbeeldingen te voorschijn. Bijvoorbeeld in de vorm van een schilderij. Het doel van het programma was om het ‘wereldrecord’ te verbeteren. Ik dacht aan iets anders. 

Ik dacht aan de ‘dominotheorie’ die de Amerikaans president Dwight D. Eisenhower in 1954 formuleerde. In die tijd streed het ‘westen’ tegen het ‘communisme’. In Europa was die strijd koud. In Indo-China en vooral in Vietnam ‘heet’. Daar werd werkelijk oorlog gevoerd. Een oorlog waarbij de Vietnamezen streden tegen de koloniale overheersing door de Fransen. Omdat een deel van die naar onafhankelijkheid strevende Vietnamezen zich ‘communist’ noemden en steun zochten bij de Sovjet Unie en het recentelijk communistisch geworden China, bekeek Eisenhower (en hij niet alleen) deze onafhankelijkheidsoorlog met het frame van de strijd tegen het communisme. En, zo luidde de theorie, Vietnam is de eerste ‘dominosteen’ in een rij. Als die valt en communistisch wordt dan valt heel Zuidoost-Azië toe aan het communisme. 

In haar boek De Mars der Dwaasheid vat historica Barbara Tuchman het kernachtig samen: “Het HUK-banditisme in de Filippijnen, Ho TSji-minhs oorlog in Indo-China, een communistische opstand in Malakka, de communistische revolutie in China en de aanval in Korea maakten allemaal deel uit van één aanvalsplan, waaraan vijfendertig jaar is gewerkt en dat tenslotte wordt uitgevoerd via wapengeweld en oproer. Overal in Azië. Dit op één hoop gooien van de afzonderlijke landen van Oost-Azië alsof ze geen eigen karakter, geen eigen geschiedenis, geen per land verschillende omstandigheden kenden, was de denkwijze die- of dat nu kwam doordat men slecht op de hoogte was en van alles naar een beetje wist of doordat men bewust een onjuiste voorstelling van zaken gaf – de dominotheorie deed ontstaan en tot een dogma liet uitgroeien.” De theorie versimpelde de werkelijkheid en stopte het in een voor iedereen te bevatten frame: het was een strijd van ‘goed’ (het Westen) tegen ‘kwaad’ (het communisme).

Dat frame maakte dat, zoals Tuchman het schrijft, de Amerikanen verwachtten dat: “ Omdat oosterlingen er in westerse ogen allemaal hetzelfde uitzagen, … dat zij met de gelijkvormigheid van dominostenen zouden handelen.” Eisenhowers dominotheorie bleek de plank behoorlijk mis te slaan. Zijn verwisseling van een strijd om onafhankelijkheid met ‘communisme’ kostte tussen de anderhalf en 4 miljoen mensen het leven, waaronder bijna 60.000 Amerikaanse soldaten. De Amerikaanse belastingbetaler moest de bijna 500 miljard aan kosten ophoesten. Kosten die ongeveer 10 keer zo hoog waren als men vooraf berekende. Vietnam werd onafhankelijk en communistisch en de andere ‘stenen’ zoals Indonesië, de Filippijnen en Thailand vielen niet. Een dure theorie.

‘Maar beste Ballonnendoorprikker’, zo zul je vragen, ‘wat heeft dat nu met de redding van de KLM te maken?’ Net als Eisenhower kijkt Hoekstra door een sterk vereenvoudigend KLM-frame naar de werkelijkheid. Als de KLM omvalt, zo redeneert Hoekstra, dan begint de ellende. Laten we die ellende eens bekijken. Inderdaad heeft het gevolgen voor het bedrijf en het personeel. Het bedrijf bestaat dan niet meer en de personeelsleden moeten op zoek naar een nieuwe baan. Net zoals een deel van de ‘laders en lossers’. Dat is vervelend voor hen, maar is dat een reden om het bedrijf te redden? Mijn buurmannen hebben ook eigen bedrijven met personeel. Eentje in de horeca en de andere in de evenementen sector. Ook hun omzet is genivelleerd door de corona-maatregelen. Als ze het niet redden, is het ook einde bedrijf en moet ook hun personeel op zoek naar ander werk. 

Dan Schiphol. Geen KLM betekent direct minder vluchten op Schiphol. Hoeveel minder? Nou ongeveer de helft minder. Nou ja direct, direct nadat de beperkende maatregelen zijn opgeheven. Nu vliegt er sowieso niet veel op Schiphol. Dat is spijtig voor de luchthaven. Een deel van de capaciteit wordt dan niet benut. Lelystad zal dan niet open hoeven. Dat zal op de korte termijn leiden tot ontslagen. Wat de gevolgen voor de langere termijn zijn, is niet duidelijk. Maar als de luchthaven werkelijk zo goed is, dan zullen een of meer van de ongeveer 80 andere ‘vliegeniers’ die op Schiphol vliegen in het gat springen dat door het faillissement van de KLM valt. Wellicht springen voormalig medewerkers van de KLM wel in het gat en starten ze een nieuw ‘vliegbedrijf’. 

Wat is de relatie tussen de KLM en het hoofdkantoor van een bedrijf? Wat verandert er voor hen? Hun kantoor staat nog steeds op dezelfde plaats. Zou een bedrijf haar hoofdkantoor alleen maar in Nederland vestigen vanwege de KLM? Als ze moeten vliegen, kunnen ze nog steeds naar Schiphol. De luchthaven ligt er nog steeds en er vliegen nog steeds vliegtuigen naar diverse bestemmingen. Alleen niet meer met de KLM. Wel met een van die tachtig andere maatschappijen. Ook de toeristen en congresbezoekers kunnen ons land nog steeds per vliegtuig bezoeken. Een van die tachtig andere ‘vliegeniers’ en eventuele nieuwe zullen hen best naar Nederland willen vervoeren.

Eisenhower en de Amerikanen konden zich niet voorstellen dat de Vietnamezen alleen maar ‘baas in eigen huis’ wilden zijn. Hoekstra lijkt zich niet te kunnen voorstellen dat je ook met een andere maatschappij van en naar een congres of de Wallen in Amsterdam kunt vliegen. Daarom wordt er nu tussen de 2 en 4 miljard in de KLM gepompt. Mocht dat niet genoeg zijn, dan doen we nog meer, zo liet hij al doorschemeren. Een dure theorie?

Uitgelicht

Pinautomaten

“Een grote sprong richting een Federale Staat van Europa zou tot opstand leiden in de noordelijke landen, omdat we dan de pinautomaat voor de rest van Europa worden, en in de zuidelijke landen omdat ze niet aan de daarbij horende strenge eisen aan hun staatsuitgaven en werkethos zullen willen voldoen.” Dit is, volgens Theo Wolters bij Opiniez een van de drie kwaden zoals hij ze noemt voor de “opdoemende volgende eurocrisis.” De andere twee zijn ‘voortmodderen’ en de ‘muntunie ontvlechten’. Gelukkig is er volgens Wolters ook een vierde mogelijkheid: “De beste oplossing is niet het ontvlechten van de euro-muntunie (alle landen terug naar een eigen munt), maar het flexibiliseren ervan (de euro behouden maar devalueren en revalueren per land weer mogelijk maken). Hierdoor wordt het weer mogelijk om per land de juiste waarde van de euro te bepalen.” Een bijzondere oplossing. 

Even terug naar 1998 voordat de euro werd ingevoerd. Toen hadden we in Nederland de gulden, in Duitsland de mark , in Italië de lire enzovoorts. Die zijn per 1 januari 1999 opgegaan in de euro. Op dat moment werden deze munten aan elkaar vastgeklonken. Dat gebeurde door voor iedere deelnemende munt te bepalen hoeveel van die nationale munten er in een euro gingen. Dat gebeurde op basis van de toenmalige wisselkoersen. Zo werd bepaald dat er 2,20371 gulden in één euro pasten en 1936,27 Italiaanse lires. Daarmee werden de toenmalige economische verhoudingen in de munt ‘vereeuwigd’. Wat er niet veranderde, was dat de economische verhoudingen schommelen. Dat het ene gebied zich sterker ontwikkelt dan het andere. Tussen landen met verschillende munten worden die schommelingen opgevangen door de munt te de- of revalueren waardoor het speelveld weer gelijk werd getrokken. 

Dit laatste kan sinds 1 januari 1999 niet meer en dat zorgt nu voor problemen. Want zoals Wolters terecht schrijft: “Onze exporterende bedrijven worden slapende rijk met producten die door de te goedkope euro al gauw 30% te goedkoop zijn.” En als je het vanuit Italië bekijkt dan is die euro waarschijnlijk al gauw 30% te duur waardoor het land niets kan maken wat kan concurreren met de noordelijke landen. Wolters’ voorstel komt erop neer dat we moeten doen alsof die oude munten er nog zijn en moeten bepalen hoeveel van die oude munten er met de huidige economische verhoudingen in de euro passen. Dan zouden er nu bijvoorbeeld nog maar anderhalve gulden in de euro passen en ongeveer 2600 lires. Dat zou de verhoudingen weer rechttrekken.

Dat klinkt mooi alleen krijg ik maar niet bedacht welk voordeel dit heeft. Die oude munten bestaan niet meer dus wat schiet een Italiaan ermee op dat er meer niet meer bestaande lires in zijn euro gaan? Hij krijgt zijn salaris in euros en alles wat hij betaalt moet hij in euro’s betalen. Zijn espresso van € 1,50 wordt er niet goedkoper door. Die zal niet ineens maar €1 kosten. De Nederlandse machine die de Italiaanse industrieel koopt, zal ook niet ineens  60% duurder worden waardoor de Italiaanse producent ineens goedkoper is. Dat kan alleen als de salarissen van de Italianen met 30% dalen en de Nederlandse met 30% stijgen. Dat zal allebei niet gebeuren. Blijven de drie ‘kwaden’ over. “Voortmodderen kan niet meer, de toch al wanhopige toestand in Italië is onhoudbaar geworden door de Corona-crisis,” zo schrijft Wolters en daar heeft hij een punt. Dus blijven er nog twee opties over.

Als eerste het ontvlechten van de euro. Dan worden de ‘oude munten’ opnieuw ingevoerd en kan het oude de- en revaluatie-mechanisme zijn werk doen. Wolters: “Nadeel is dat de zwakke landen in een zeer ingrijpende crisis terecht dreigen te komen.” Niet alleen die zwakke landen, ook de ‘sterke’. De export vanuit de ‘sterke’ naar de ‘zwakke’ landen zal fors afnemen.  Het ‘slapend rijk worden’ zit er dan niet meer in voor de noordelijke landen. Trouwens niet alleen de export naar de zuidelijke landen. Ook de export naar de rest van de wereld zal een fikse dreun krijgen omdat de de nieuwe Nederlandse gulden in waarde zal stijgen ten opzichte van de dollar, het pond en de Chinese yuan. Minder export betekent minder werkgelegenheid en meer werkloosheid. Die kant van de medaille vergeet Wolters te schetsen.

Dan de optie waarmee ik begon: de sprong naar een federaal Europa. Het noorden wordt dan, als we Wolters mogen geloven, de ‘pinautomaat’ voor het zuiden. Daar kunnen we tegenover zetten dat ‘onze exporterende bedrijven’ nog steeds ‘slapend rijk’ worden. Dat ‘slapend rijk worden’ plaatst die ‘pinautomaat’ in een heel ander daglicht: het noorden ‘pint’ in het zuiden. En met die ‘pinautomaten’ metafoor komen we waar we moeten zijn. Volgens Wolters is: “Een muntunie tussen landen met verschillende groei (…) rampzalig voor alle betrokken landen: de producten uit landen met hoge groei (Nederland) worden steeds goedkoper ten opzichte van die met lage groei (Italië) en zo concurreren we al twintig jaar Zuid-Europa steeds verder kapot.”  Dit plaats dan weer het ‘zuiniger’ moeten zij en ‘harder moeten werken’ van het zuiden in een ander perspectief. Als de wereld na de kredietcrisis iets laat zien dan is dat je nog zo hard kunt werken en zuinig zijn, tegen die ongelijkheid kun je niet op besparen en werken. Dit plaatst de ‘kwade’ federale oplossing in een ander perspectief. Wellicht is die optie toch niet zo ‘kwaad’? Misschien zelfs wel ‘goed’.

Dat een muntunie tussen staten met verschillende groei niet rampzalig hoeft te zijn laten de Verenigde Staten zien. Een federatie bestaande uit 52 staten die allemaal verschillend zijn. Toch betalen ze allemaal met dezelfde dollar. Of het nu het economisch zeer sterke Californië is of het economisch zwakkere Tennessee. Trouwens ook India kent deelstaten met verschillende economische ontwikkeling en toch eenzelfde munt. Wat maakt dat het daar wel werkt? Het antwoord op deze vraag zou wel eens heel eenvoudig kunnen zijn: herverdeling via belastingen. Via een Europese belasting op bedrijfswinsten,- waarvoor ik in een recentelijke Prikker pleitte, romen we geld af te van de ‘slapend rijk’ wordende noordelijke exporteurs. Dat geld wordt geïnvesteerd in het versterken van de economische structuur van het ‘zwakke’ zuiden. Dat kan dan laten zien dat het niet ‘lui en verspillend’ is. 

Uitgelicht

Mens natuur(lijk) dier

“Door de bevolkingsgroei dringen mensen steeds verder door in leefgebieden van dieren.” Een uitspraak van viroloog Wim van der Poel in een interview in de Volkskrant. Een bijzondere zin. Bijzonder omdat deze zin de aarde verdeelt in twee werelden: aan de ene kant hebben we de leefwereld van de dieren, de ‘natuur’. Aan de andere kant de leefwereld van de mens, de ‘mensenwereld’. Dat zijn twee verschillende werelden die ‘toevallig’ eenzelfde planeet bewonen. En omdat ‘de mens’ zich steeds meer in ‘de natuur’ begeeft, kunnen nare ziektes van mens op dier worden overgedragen. Dat wordt zoönose genoemd. Zou het omgekeerde ‘mensonose’ ook kunnen? In deze wat langere Prikker bestudeer ik die ‘twee werelden’.

Als een van die twee ‘werelden’ al buitenaards zou zijn en we nemen de ondertitel van het boek Oorsprong. Hoe de aarde de mens heeft gevormd  van Lewis Dartnell als leidraad, dan is de natuur ‘buitenaards’. De Aarde vormde dan immers de mens. Het vreemde is dan wel dat de huidige en nu enige mens op deze aardbol, de Homo sapiens de ‘wijze, verstandige’ mens, volgens Duitse paleontoloog Madeleine Böhme, pas zo’n 300.000 jaar op deze aardbol rondloopt. De ‘natuur’ is al veel ouder. Bovendien: “was hij bij lange na niet de enige mensensoort. Hij deelde de wereld van Eurazië en Afrika volgens de huidige stand van de wetenschap met zeven andere mensensoorten” aldus Böhme in haar boek Hoe we mensen werden. Andere soorten zoals de Neanderthaler en de Denisovamens.

Dat leven, alle leven, een buitenaardse oorsprong heeft, kan kloppen. Want, zoals Lewis Dartnell schrijft, zonder water was het leven zoals we dat op aarde kennen, onmogelijk. En dat water: “is dus na de geboorte van de aarde op onze planeet terecht gekomen. Dat gebeurde door een bombardement van met ijs bedekte kometen en asteroïden uit de koudere, verder gelegen delen van het zonnestelsel, als een sneeuwballenregen uit de ruimte.”  Want: “toen uit een wervelende om de protonen draaiende schijf van stof en gas de aarde werd gevormd, was het er juist erg droog. De aarde stond zo dicht bij de zon dat de samenklontering van rotsachtig materiaal waaruit zij is ontstaan sowieso maar weinig water kan hebben bevat, en bij dat ontstaan werd het zo heet dat al het water en alle vluchtige stoffen moeten zijn verdampt.” Leven zonder water kan niet en het water heeft een buitenaardse oorsprong. 

Böhme gaat in haar boek op zoek naar de voorouders van ons, de Homo sapiens. En die: “speurtocht naar onze wortels leidt daarom ver terug in de ontwikkelingsgeschiedenis van de Hominoidae,” de mensachtigen. Een groep waartoe op dit moment naast de mens ook de gibbon, de orang-oetan, de gorilla, de bonobo en de chimpansee behoren. Die laatsten plaatsen we graag in ‘de natuur’ maar daarmee hebben we tussen de 95 en bijna 99% van ons DNA gemeen. De mens deelt echter nog veel meer met de natuur. Die Hominoidae zijn weer afstammelingen van de eerste ‘primaten’, zoogdieren die zo’n 56 miljoen jaar geleden ontstonden. Nee, de mens maakt onderdeel uit van de natuur. Een bijzonder onderdeel omdat hij die natuur deels naar zijn hand leerde zetten. Böhme vertelt, net als Dartnell, de geschiedenis van de mens als onderdeel van de natuur.

Een geschiedenis waarin drie zaken centraal staan: herseninhoud, rechtop, en dus op twee benen, lopen en communicatie. Drie zaken die elkaar versterken. Laat ik beginnen met herseninhoud. Van alle energie die een mens op een dag verbruikt gaat een kwart naar zijn hersenen. Dit terwijl die, als je niet bovenmatig dik bent, maar 2% van het lichaamsgewicht uitmaken. Hoe hebben die hersenen zich kunnen ontwikkelen?

“Als pure rauwkosteters zouden onze menselijke voorouders zulke uiterst productieve hersenen die in de loop van de evolutie zijn uitgegroeid tot een volume van 1300 kubieke centimeter, met meer dan 80 miljard zenuwcellen, niet eens hebben kunnen voeden. Als onze voorouders alleen maar van rauw vlees en rauwe planten hadden geleefd, waren onze hersenen nooit ontstaan.” Hoe hebben die hersenen zich kunnen ontwikkelen? Die hersenen hebben zo kunnen groeien omdat onze voorouders vuur leerden gebruiken waarmee ze kookten. Want door groenten te koken verliest het zetmeel in de planten: “zijn kristalstructuur en wordt het bijna volledig verteerbaar.” Door vlees te bakken komen de erin opgeslagen voedingsstoffen vrij. Toen onze verre voorgangers vuur leerden te gebruiken, creëerden zij de kans om meer energie te halen uit eenzelfde hoeveelheid voedsel. Dat schiep de randvoorwaarde voor het laten groeien van onze hersenen.

Op het punt van de herseninhoud legde de Homo sapiens het echter af tegen de Neanderthaler. Trouwens ook op het punt van lichaamskracht. Toch heeft dat de Neanderthaler niet gered. Dat heeft met de andere twee aspecten te maken. En daarmee kom ik bij het lopen. “Om hulp te vragen voor de op handen zijnde slag tegen de Perzen bij Marathon stuurde veldheer Miltiades hem (Pheidippides) in 490 v. Chr. van Athene naar Sparta. Volgens de overlevering legde Pheidippides de 246 kilometer lange afstand in nog geen twee dagen af – een bijna ongelooflijke prestatie. Waarom werd er geen bode te paard gestuurd?” vraagt Böhme zich af. Het antwoord geeft ze er meteen achteraan: “omdat geen enkel paard tot die prestatie in staat zou zijn geweest.” Böhme geeft dit voorbeeld om een van de sterke punten van de mens te laten zien: zijn uithoudingsvermogen zonder oververhit te geraken. Dit stelde ons Homo sapiens in staat om op veel snellere, grotere en sterkere dieren te jagen. Jagen door ze, net als wolven, op te jagen en uit te putten totdat ze niet meer verder kunnen. Omdat mens en wolf die eigenschap deelden, was de wolf waarschijnlijk ook het eerste dier dat de mens domesticeerde. 

De Homo sapiens was in dat lopen nog beter dan die andere zeven mensensoorten en dus ook dan de Neanderthaler. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat de sapiens als enigen zijn overgebleven. Dat en het derde aspect, de communicatie. Böhme: “Door de samenwerking van spraak en bewustzijn ontwikkelde zich nog een ander aspect van de menswording, die Homo sapiens definitief boven het dierenrijk uittilde: de mogelijkheid tot culturele evolutie. Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in een biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie uiterst snel.”  Dit vermogen had zonder die grote herseninhoud nooit ontwikkeld kunnen worden want : “Om duidelijk gearticuleerde, goed van elkaar te onderscheiden klanken te kunnen vormen is een fijn gereguleerd samenspel van middenrif, tong, tanden, gehemelte, neus, strottenhoofd, stembanden, lippen en meer dan honderd spieren nodig.”  En daarvoor heb je een flinke herseninhoud nodig. Die inhoud werd mogelijk gemaakt door gebruik van vuur.

Een culturele evolutie met volgens Dartnell de Aarde als belangrijkste vormgever. Een culturele evolutie, tenminste als je het bekijkt op een mensenleven. Als je het op evolutionaire schaal bekijkt, dan was het een revolutie. Een revolutie die het de Homo Sapiens mogelijk maakt om zich snel aan te passen aan veranderende omstandigheden. In eerste instantie door zich als jager-verzamelaars over een steeds groter gebied te verspreiden en door zich de planten en dierenwereld van die nieuwe gebieden eigen te maken. Die tocht begon zo’n 60.000 jaar geleden toen de Homo sapiens hun woongebied begonnen uit te breiden. Waarschijnlijk omdat het in het oorspronkelijke ‘thuis’ te druk werd. In die tijd, de laatste ijstijd, was het op Aarde een stuk kouder dan nu. De zeespiegel stond fors lager dan nu en de nu ondiepe zeeën stonden voor een groot deel droog. De Britse eilanden waren verbonden met Europa, net zoals Siberië en Alaska en de Indonesische eilanden met Azië. Om in Australië te komen hoefde je maar een klein stukje zee over te steken. Als eerste vestigden onze voorouders zich in gebieden waar het qua klimaat en landschap te vergelijken was met Oost Afrika, zoals het Zuiden van Azië en Australië. Zo’n 25.000 jaar geleden bereikten ze Alaska en 11.000 jaar geleden uiteindelijk het zuidelijkste deel van Zuid-Amerika. Inmiddels was de ijstijd voorbij. Op de evolutionaire schaal is dit heel snel en bewust, maar zoals Dartnell schrijft: “Het was eerder een soort verstrooiing. Kleine groepjes jagers-verzamelaars bestreken een groot gebied (de bevolkingsdichtheid was erg laag), en met de seizoenen en met de jaren schoven ze geleidelijk op. Als het klimaat ter plaatse veranderde zochten ze het verderop om kou en droogte te ontlopen en warmer en natter leefgebied te vinden waar meer voedsel was. Elke generatie trok daarbij weer een stukje verder. De gemiddelde snelheid waarmee de eerste mens van het Arabische schiereiland langs de zuidkust van Eurazië naar China zijn getrokken, lag op ongeveer een halve kilometer per jaar.”

In tweede instantie pasten onze voorvaderen de natuur in hun voordeel aan. Die wolf die werd gedomesticeerd omdat het beest goed van pas kwam bij de drijfjacht, was de eerste in een lange rij die binnenkort hopelijk ook een vaccin tegen COVID-19 bevat. Een rij die zich niet alleen tot de dieren beperkt. Nee, een enorm belangrijke stap in die evolutie was het ‘domesticeren’ van planten, dat wat we nu de landbouw noemen. Onze voorvaderen kregen in de gaten dat de zaden van verschillende grassoorten erg voedzaam waren. Door zaden te malen nam het lichaam ze beter op. Door ze te mengen met wat water en ze vervolgens te verhitten kon je er brood van maken. Zo’n 10.000 jaar geleden ontdekten onze voorouders dat een stuk vruchtbaar land: “Zelfs met primitieve landbouwtechnieken (…) tien keer meer voedsel (kan) opleveren dan als het wordt gebruikt voor jagen of verzamelen,” Ze gingen zich permanent vestigen. “Maar,” aldus Dartnell: “landbouw is ook een valkuil. Als een samenleving eenmaal op landbouw is overgestapt en de bevolking is gegroeid, is het onmogelijk om terug te keren naar een eenvoudigere levensstijl: de bevolking is te talrijk en volledig afhankelijk van landbouw om genoeg voedsel voor iedereen te kunnen  produceren.”  

Vanaf de eerste landbouwers tot nu ging het snel en ontstonden er steden. Zo’n 5000 jaar geleden begon de mens met metaalbewerking: de bronstijd was aangebroken en 2000 jaar later gevolgd door ijzer en nu? Dartnell: “Het zal je verbazen dat alleen al in een smartphone ruim zestig verschillende metalen zijn verwerkt.” Of zoals hij het ook beschrijft: “ tussen het moment waarop de eerste homininen stenen werktuigen begonnen te hakken en het moment waarop Homo sapiens koper begon te smelten, verstreken drie miljoen jaar; tussen de ijzertijd en de eerste ruimtereizen maar drie millennia.”

Die grotere hersenen en het communicatieve vermogen heeft de mens veel gebracht. Het is op dit moment de meest dominante diersoort. Ze hebben ervoor gezorgd dat de mens de natuur voor een deel naar zijn handen kan zetten. Ze hebben ervoor gezorgd dat de mens bewustzijn en zelfbewustzijn heeft. Zelfbewustzijn dat het de mens mogelijk maakt om, zoals ik in een eerdere Prikker schreef, ‘imaginaire constructen’ te verzinnen. Constructen zoals bedrijven en landen met grenzen die voor de mens betekenis hebben maar voor een vlieg onbekend zijn. Een van die ‘constructen’ is het zichzelf niet zien als dier en als ‘apart van de natuur’.

Uitgelicht

De ezel en de steen

Deze week, zo las ik in de Volkskrant, klopte booking.com bij de Nederlandse overheid aan voor steun. Steun om de banen van de medewerkers te beschermen. Die lopen gevaar omdat de site draait op reizen en wat daarvoor nodig is. En reizen zit er nu even niet in. Het bedrijf is niet het eerste of enige dat voor steun bij de overheid aanklopt. Het bedrijf wil gebruikmaken van de regeling waarbij de overheid 90% van de lonen betaald. Gelukkig heeft het bedrijf nog even 4 miljard kunnen lenen want: “Als we die 4 miljard niet hadden, zou het er slecht uitzien, o mijn God.” Aldus de CEO Glenn Fogel. Ik moest denken aan een ezel en een steen. Laten we deze casus eens wat uitdiepen en vervolgens de vraag stellen of de overheid heeft geleerd van de bankencrisis van 2008.

Eerst even deze casus. Het bedrijf is een van de paradepaardjes van de ‘tech-bedrijven’. En net als de meeste van die bedrijven verkoopt het bedrijf geen product. Het heeft geen vliegtuigen, hotels of auto’s die het kan verhuren. Het is eigenlijk niets anders dan een in een nieuw jasje gegoten ‘reisbureau’. Voor de jeugdigen onder mijn lezers, als je vroeger alles rond je vakantie wilde regelen, dan ging je naar een reisbureau. Daar besprak je met de medewerker je wensen: zon of toch actief? Spanje, Griekenland of …? Op basis daarvan pakte de medewerker enkele gidsen uit de kast en liet je wat foto’s zien van mogelijke vakantieadressen. Daaruit maakte je een keuze en dan ging de medewerker van het reisbureau alles regelen. Van alles wat er werd geregeld kreeg je een rekening van het reisbureau. In die rekening zaten de kosten van het reisbureau verwerkt. Dat kon op grofweg twee manieren. Aan de ene kant als een opslag voor de gemaakte kosten. Aan de andere kant omdat het bureau minder betaalde voor campingplaats dan jij aan het bureau moest betalen. 

Tegenwoordig doe je dat zoeken zelf, achter je computer. Heb je gevonden wat je wilt, dan ga je boeken. En dat kan via booking.com. Het bedrijf wordt betaald door campings, hoteleigenaren et cetera. Die betalen een commissie van tussen de 10% en 30% aan het bedrijf. Hoe meer commissie je betaalt, hoe hoger je ‘hotel’ in de zoeklijst komt. Die vrolijke meid, want ja het waren meestal jonge vrouwen, is vervangen door een IT-nerd uit India en de schaal is de wereld geworden. En die nerd kan meer reizen per seconde verkopen dan die meid. Simpel omdat die nerd het eigenlijke werk aan jou, de reiziger, heeft uitbesteed. Hij ‘verzint’ alleen een algoritme dat dit mogelijk maakt. Dit bedrijfsmodel, het uitbesteden van het werk aan de gebruiker, komt trouwens zeer veel voor onder die hippe en vernieuwende ‘tech-bedrijven’. 

  Een zeer succesvol bedrijfsmodel omdat het bedrijf in 2019 zo’n € 4,6 miljard winst maakte. En als je bedenkt dat het bedrijf 5.500 medewerkers heeft, die gemiddeld € 47.000 verdienen, dan zou het bedrijf die salarissen makkelijk nog enkele jaren zelf moeten kunnen betalen. In totaal ontvangen de medewerkers namelijk een kleine € 260 miljoen aan salaris. Die winst van vorig jaar is daarmee voldoende om bij geen inkomsten nog 18 jaar alle salarissen te betalen. Ook van die pas geleende 4 miljard kunnen die salarissen aardig wat jaren worden betaald. Dus waarom staatssteun? 

Waar is dat geld gebleven? Dat geld is verdwenen in de zakken van de aandeelhouders. Sinds 2018, dat zijn dus twee jaar, heeft het bedrijf voor een totaal bedrag van € 12,9 miljard aan eigen aandelen teruggekocht. Dit opkopen zorgt er daarnaast voor dat de overgebleven aandelen in waarde stijgen waardoor het vermogen van de aandeelhouders nog verder toeneemt. Wat dit opkopen bijzonder maakt, is dat het bedrijf ook nog een schuld heeft van € 7 miljard. Je zou zeggen dat het geld voor die aandelenopkoop beter gebruikt had kunnen worden om die schuld af te lossen. Die schuld is nu dus ‘gelukkig’ nog vergroot met 4 miljard. Nu is booking.com niet het enige bedrijf dat eigen aandelen terugkoopt. Ook onder andere Shell doet dit voor miljarden. Ook is het niet het enige bedrijf dat vol wordt gehangen met ‘leningen’, dat zien we ook bij bijvoorbeeld de HEMA. Bedrijven vol met schulden hangen en eigen aandelen opkopen zijn twee manieren om de belastingbetaler te ‘tillen’. De belastingbetaler wordt ook nog op een andere manier benadeeld. Het bedrijf heeft tussen 2010 en 2018 ook nog eens € 1,8 miljard aan belasting niet betaald door gebruik te maken van de ‘innovatiebox’. Bovendien werd de fiscussen van andere Europese landen via allerlei constructies nog eens voor € 715 miljoen ‘benadeeld’. En nu het even tegenzit, klopt deze ‘geldcreatie- en belastingontduikingsmachine’ voor steun aan bij de overheid, de belastingbetaler en dus bij mij. Als zelfstandige zonder personeel gebruik ik mijn ‘winst’ als reserve voor slechte tijden en pensioenvoorziening. Als ik dat kan, waarom kan booking.com dat dan niet?

Waarom zou ik als belastingbetaler hieraan mee moeten betalen? Alleen is die vraag al door de Nederlandse overheid beantwoord. Onder het mom van het ‘behoud van werkgelegenheid’ is er een regeling bedacht die NEE niet lijkt te kennen als antwoord. Die regeling roept herinneringen op aan de redding van de banken in 2008 op kosten van de belastingbetaler. Toen werd alles op alles gezet om de banken te redden. Dit heeft de belastingbetaler flink geld gekost en de aandeelhouders en investeringsmaatschappijen flink geld opgeleverd. Toen had de overheid zich moeten houden bij het redden van de mensen (garantie op een rekening tot € 100.000 en het redden van het betalingsverkeer door dit te nationaliseren. Daardoor zouden banken zijn omgevallen en hadden de aandeelhouders en investeringsmaatschappijen de klappen gekregen die ze verdienden. Zij hadden dan betaald voor de risico’s die ze namen. De baten van die risico’s waren daarmee privé, de lasten publiek. Diezelfde banken en investeringsmaatschappijen werden tijdens de euro-crisis nogmaals gered. Dit keer vooral ten kosten van de Zuid-Europese belastingbetaler.

Is nu niet precies dezelfde fout gemaakt? Is de overheid niet bedrijven gaan redden onder het mom van ‘werkgelegenheid’? Dat begon al met de KLM en daarna was er geen houden meer aan en moeten alle bedrijven worden gered. Ook Booking.com dat overduidelijk lak heeft aan haar maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het ontduikt en ontwijkt belastingen en laat de winsten vloeien in de zakken van de aandeelhouders. Iets waaraan veel ‘techbedrijven’ en trouwens ook Shell andere zich schuldig maken. Op deze manier vloeit het geld, net als tijdens de bankencrisis, van arm naar rijk. Om de vraag ‘dus waarom staatssteun’ te beantwoorden: omdat het kan en een mogelijkheid is om nog meer geld in de zakken van de aandeelhouders te laten vloeien.

Moet de overheid zich niet alleen richten op het ‘redden’ van mensen? Zorgen dat iedereen voldoende heeft om te kunnen leven? Dat kan via een basisinkomen. Een basisinkomen mede gefinancierd uit een progressieve belasting op vermogens. Ook de directeur, de kleine zelfstandige ondernemer met of zonder personeel krijgt dat basisinkomen. Dat er vervolgens bedrijven als Booking.com en KLM omvallen, is jammer maar helaas. Het zijn toch maar, om een begrip uit een recente Prikker aan te halen, imaginaire constructen. Er zijn vast wel weer nieuwe te verzinnen. Voor die zelfstandige ondernemers is wel een randvoorwaarde dat ze na faillissement ook van alle schulden af zijn. Daardoor wordt het voor een kroegbaas mogelijk om nu failliet te gaan en straks een snelle nieuwe start te maken. 

Het antwoord op de centrale vraag in deze Prikker of de overheid heeft geleerd van de bankencrisis is NEE. En helaas kost dat mij als belastingbetaler een flinke duit. En jammer genoeg levert dat mensen als Fogel en zijn aandeelhouders een nog veel flinkere duit op. 

Uitgelicht

‘De nobele wilde’

Ik geloof sowieso niet dat radicale ideeën voor ‘een nieuwe wereld na corona’ uit de westerse wereld gaan komen, omdat wij ons geen andere identiteit kunnen voorstellen dan die van consument. Wij hebben nog teveel belang bij de status quo.” Dit schrijft Seada Nourhussen in een artikel bij OneWorld. Hoe het wel moet, weet ze ook: “Als we eens onze mond houden en voor oplossingen eindelijk ook gaan luisteren naar oorspronkelijke bewoners van ecologische epicentra zoals de Amazone, die niet van maar mét de natuur leven. Als we onze leiders dwingen om rechtvaardige keuzes te maken voor iedereen. En als we durven breken met het denken in natiestaten en landsgrenzen.” Nu sta ik altijd open voor oplossingen en ideeën van anderen. Waar ze ook wonen. Toch is er iets aan het opvoeren van de ‘oorspronkelijke bewoners’ en het om het in overdrijvende vorm te zeggen, hun ‘bijna-heiligverklaring’. Of eigenlijk de spiegel ervan: het alles wat ‘niet deugd’ een ‘Westerse uitvinding’ noemen.

In een ander artikel van Darko Lagunas bij OneWorld, worden ook oorspronkelijk bewoners opgevoerd. In dat artikel wordt Ariruma Kowii hoogleraar cultuurstudies en oorspronkelijke volkeren aangehaald: “Duurzaamheid is verbonden aan eeuwenoude roofzuchtige verlangens die de natuur zien als willoos, als iets wat maximaal benut moet worden. Dit ontwikkelingsdenken is sinds de kolonisatie van Noord- en Zuid-Amerika geïntroduceerd en sindsdien niet veranderd.” Zo daar kunnen we het meedoen. 

Luisteren naar de stemmen van de ‘oorspronkelijke bewoners’. De om het zo te zeggen ‘nobele wilde’. De ‘nobele wilde’ die we hebben te danken aan de Engelse dichter John Dryden in zijn The Conquest of Grenada en die meestal in verband wordt gebracht met de Fransman Jean Jacques Rousseau. Rousseau zag deze ‘wilde’ als een verre voorouder die eigenlijk het ideale leven leidde. Een leven zoals het altijd had moeten blijven. Een staat van leven die voor Rousseau de ‘jeugd’ van de mensheid vertegenwoordigde. De ‘oorspronkelijke bewoners’ staan, als wij Nourhussen en Lagunas mogen geloven, nog dicht bij die jeugd. Nog dicht bij dat ideale leven in balans met de natuur. Een balans die dus werd verstoord met de komst van Columbus, Pizarro en al die andere ‘conquistadores’. Die brachten het imperiale denken en zagen de natuur als een middel dat ten dienste staat van de mens. Alle ‘ellende’ komt van de West-Europeanen om het zo maar eens te zeggen.

Nu is niet te ontkennen dat de komst van die ‘conquistadores’ catastrofale gevolgen had voor de toenmalige bewoners van wat we nu de beide Amerika’s noemen. Die komst leidde door het geweld en vooral door  de besmettelijke ziektes die ze meenamen, tot een slagveld onder de Azteken , de Maya’s en de Inca’s. De drie grote rijken die de conquistadores in het Midden- en Zuid-Amerikaanse tegen kwamen. De toen machtige rijken met grote steden.

Machtige rijken met soms grote steden. Minder bekend voor de gemiddelde leek zijn waarschijnlijk de Olmeken. De voorgangers van de Maya’s. Een beschaving die zo’n 3500 jaar geleden opkwam in het zuiden van het huidige Mexico en daarmee een voorganger is van de stedelijke Maya-cultuur. In zijn boek Vrede en Oorlog schrijft Jonathan Holslag het volgende over de Olmeken (pagina 74-75): “De Olmeken ging het goed, niet alleen omdat ze manieren bedachten om de natuur te bedwingen – door middel van een uitgebreide infrastructuur voor irrigatie – maar ook omdat ze leerden te leven met de grillen van de natuur en hun landbouw aanpasten aan de specifieke omstandigheden. Sommige boeren verbouwden voedsel op kleine graslanden op rivieroevers. Anderen bewerkten land dat ze hadden ontgonnen door een stuk bos plat te branden, en vertrokken zodra de dunne laag vruchtbare grond was uitgeput. Landbouw werd gecombineerd met het verzamelen van voedsel: fruit en vlees uit het bos, vis en schaaldieren uit de rivieren en de zee. Gedomesticeerde honden waren een extra bron van eiwitten. Toen het eerste millennium aanbrak, waren de productiemethoden voor bonen, aardappelen en maïs inmiddels geperfectioneerd, zodat de bevolking gestaag groeide. Mensen begonnen zich te specialiseren in ambachten, en er ontstond een bloeiende handel.” Eigenlijk precies hetzelfde als in die tijd in China, het Midden-Oosten en India gebeurde en later in wat nu West-Europa is.

Machtige rijken ontstaan niet ‘vanzelf’. Die ontstaan meestal als de ene stam of het ene volk, het andere verovert en aan zich onderwerpt. Op die manier groeiden het Romeinse rijk en het Chinese keizerrijk ten tijden van de Olmeken. Maar ook in latere tijden ontstonden nieuwe rijken. Neem de Inca’s die vanuit hun oorspronkelijke woongebied, de omgeving van Cuzco in het huidige Peru, een rijk opbouwden van zo’n 4.000 kilometer langs de Grote Oceaan. Een rijk met steden, bijzondere bouwwerken zoals de Machu Picchu en geplaveide wegen. De Maya’s kenden een stedelijke cultuur die was gebaseerd op intensieve landbouw. Want ja, ook in de Amerika’s konden steden alleen opkomen als er een surplus aan voedsel werd geproduceerd. Dus na de opkomst van de landbouw. Van alleen jagen en verzamelen kon je immers geen leger op pad sturen, laat staan wegen aanleggen en tempels bouwen. 

Machtige rijken ontstaan via imperialisme en kolonialisme. Imperialisme en kolonialisme zijn geen ‘Europese’ uitvinding. Dat het met de slachtoffers van dat imperialisme en kolonialisme minder goed af kan lopen is ook niet ‘typisch’ Europees.’ Dat er door de besmettelijke ziektes die de ‘Europeanen’ meebrachten extra veel slachtoffers vielen in de Amerika’s, kun je Pizarro en Cortez niet verwijten. Dat deze ziekten in de Amerika’s onbekend waren en dus voor zeer veel slachtoffers zorgden was hen niet bekend.

Ook het gebruiken en naar de hand zetten van de natuur voor menselijke doeleinden is geen ‘Europese’ uitvinding. Dat plaatst de bewering dat het (maximaal) benutten van de natuur “ontwikkelingsdenken is (dat) sinds de kolonisatie van Noord- en Zuid-Amerika geïntroduceerd,” werd in een heel ander, veel genuanceerder daglicht. Die “eeuwenoude roofzuchtige verlangens,” zijn dus niet specifiek ‘Europees’.

Uitgelicht

Test, testen, getest

“Bondsvoorzitter Gabriele Gravina zei bij Sky Sport Italia dat waarschijnlijk eind april de medische controles kunnen beginnen waarbij alle spelers worden getest op het coronavirus. Pas als die zijn afgerond kan er weer worden getraind.” Zo lees ik op nos.nl. Testen, als iedereen is getest en niet besmet, dan weer trainen en daarna weer voetballen. Dat klinkt logisch. Is het ook logisch?

Er zijn twee soorten tests mogelijk. Als eerste een test waarmee wordt bepaald of iemand corona heeft. Bij een tweede soort test wordt er bloed afgenomen en wordt onderzocht of het bloed antistoffen bevat die erop duiden dat de persoon besmet is geweest met een corona-virus. De Italiaanse bondsvoorzitter zegt er niet bij aan welke test hij de voetballers wil onderwerpen. Maar laten we ze eens tegen het licht houden en kijken wat een uitkomst zegt. Ik begin met de laatste test.

Als deze test wordt bedoeld, dan wordt van iedere speler (en ik neem ook aan de trainers- en begeleidende staf) bloed afgenomen. Dat bloed wordt onderzocht op antistoffen. Die test heeft twee mogelijke uitkomsten. Worden er antistoffen gevonden dan is persoon besmet geweest door het corona-virus. Dan is het mogelijk dat die persoon in het vervolg resistent is tegen het virus. Hij wordt er niet meer ziek door. Die residentie kan levenslang zijn, maar ook voor een kortere periode. Hoe dit met het huidige corona-virus zit, is nog niet bekend. Worden er geen antistoffen aangetroffen, dan is de persoon nog niet getroffen door het virus. In beide gevallen kan er gewoon gevoetbald worden. Alleen loopt de persoon in het geval er geen antistoffen worden aangetroffen, de kans dat hij het virus oploopt als hij in aanraking komt met een besmet persoon.

Dan de eerste test, die bepaalt of iemand op dat moment corona heeft. Ook die geeft twee uitkomsten: je hebt het of niet. Als je het hebt, dan moet je eerst uitzieken en kun je pas daarna weer aan voetballen denken. Een bloedtest hoeft dan niet meer omdat je, als je bent genezen, zeker weet dat je antistoffen aantreft. Heb je het niet, dan kun je voetballen. Alleen weet je dan nog niet of je het wellicht al hebt gehad. Om dat te bepalen moet de bloedtest worden gedaan. Laat die zien dat je het nog niet hebt gehad, dan kun je voetballen. Alleen is dat een momentopname. Stel de betreffende voetballer loopt na de test de supermarkt in en treft daar een besmet iemand en raakt daardoor besmet zonder dat hij het weet. Dan kan het zomaar gebeuren dat hij vervolgens medespelers en als er weer wedstrijden worden gespeeld ook tegenstanders besmet. 

Met welke uitkomst mag je trainen en vervolgens spelen? De enige uitkomst waarbij je redelijk safe weer kunt spelen, is als je door het virus bent getroffen en het hebt overwonnen. Tenminste, als je er vervolgens langdurige resistentie tegen hebt opgebouwd. Heb je het nog niet gehad dan blijf je, totdat er een vaccin is, het risico lopen het virus op te lopen en vervolgens te verspreiden. Dan is een test niets meer en niets minder dan een momentopname. Dan is  redelijk veilig trainen en spelen alleen mogelijk als iedere speler die nog niet is getroffen door corona dagelijks wordt getest. 

Uitgelicht

Corona en de Wilde Weldoeners

Ook in deze corona-tijd zijn ze er weer. De filantropische miljardairs die geld geven voor de zoektocht naar een geneesmiddel, een vaccin of voor medische hulpmiddelen voor ziekenhuizen. Neem Melissa en Bill Gates die via hun foundation $100 miljoen geven. “The organization will immediately direct $20 million to groups including the US Centers for Disease Control and Prevention and the World Health Organization, which last week declared the coronavirus outbreak a global public health emergency.” En zo ontvangen verschillende landen verspreid over de wereld geld. Menigeen zal denken ‘wat goed van die Gatesjes’. Laten we dat eens wat nader bekijken. Dat nader bekijken doe ik aan de hand van het boek Doing Good Better. A Radical New Way to Make a Difference van William Macaskill. Sommige lezers zal het deels bekend voorkomen en dat kan. Ik schreef al eerder over Macaskills boek. Dit is een lang artikel maar de moeite van het lezen waard. Al zal iedere schrijver dat over zijn werk zeggen.

Macaskill geeft een leidraad voor een altruïstisch leven. Een leven waarbij je zoveel mogelijk probeert andere mensen te helpen. Zoveel mogelijk voor andere mensen te doen. Hij biedt een interessante manier om naar hulp te kijken. Een manier die hij aan de hand van voorbeelden toelicht. Centraal in het boek staan de vragen, hoe kan ik zoveel mogelijk effect bereiken voor het geld wat ik inzet? En hoe kan ik mijn leven en carrière zo inrichten dat die het meeste effect hebben?

In de eerste helft van het boek gaat hij in op de vraag hoe je het meeste effect voor je geld krijgt. Deze vraag valt uiteen in vijf deelvragen. Als eerste hoeveel mensen profiteren ervan en hoe groot is het profijt? Bij het beantwoorden ervan staat het begrip QALY centraal: Quality-Adjusted Life-Year. Mijn goede daad kan ervoor zorgen dat iemand langer leeft, maar het kan ook dat de kwaliteit van zijn leven verbetert. Deze maatstaf combineert beiden. Stel er is een persoon die, als we niets doen, 60 jaar leeft met een tevredenheid van 70%. En nu kan ik iets voor hem betekenen en dat kan op twee manieren. Als mijn actie ervoor zorgt dat iemand 10 jaar langer leeft, ook met 70% tevredenheid, dan voegt mijn daad 7 QALY’s toe (10 jaar x 70%). Als mijn actie ervoor zorgt dat de kwaliteit van leven van 70% naar 90% gaat in de 60 jaar dat hij leeft, dan voegt die daad 12 QALY’s toe (60 jaar x 20%). Ik zou dan voor het laatste moeten kiezen, omdat mijn daad dan het meeste resultaat oplevert.

De tweede deelvraag luidt: is dit het meest effectieve wat ik kan doen? Er zijn vele manieren om te helpen. Macaskill pleit ervoor om die manier te kiezen die het meeste QALY’s per geïnvesteerde euro oplevert. Als ik €10.000 te besteden heb en ik kan daarvoor 2.000 malarianetten distribueren die per 1.000 netten één persoon het leven redden en die persoon leeft gemiddeld 30 jaar langer met 80% tevredenheid, dan voegt die actie 2.000 : 1000 = 2 en vervolgens 2 x 30 x 80% = 48 QALY’s toe. Dat is €10.000 : 48 = €208 per QALY. Als ik voor dat bedrag één AIDS patiënt van medicijnen kan voorzien waardoor de kwaliteit van dat leven gedurende de 40 jaar die hij nog leeft toeneemt met 25%, dan voegt die actie 40 x 25% = 10 QALY’s toe. Dat is €10.000 : 10= €1.000 per QALY. Ik zou dus netten moeten kopen.

Als derde de vraag of het terrein of werkveld wordt verwaarloosd. Even doorbordurend op de netten. Stel dat er zoveel geld is voor netten, dat ieder bed in malariagebied kan worden ‘behangen’ met twee netten? We zagen dat de netten veel meer QALY per euro opleveren, maar als er voldoende geld is voor netten, wat voegt mijn bijdrage dan nog toe?

Als vierde de vraag wat er zou gebeuren als we niets doen op het gekozen terrein? Macaskill geeft hier het voorbeeld van een TV-programma waarbij jonge crimineeltjes een tour door een echte gevangenis krijgen.  Het Amerikaanse programma heet Scared Straight en was in Nederland ook te zien via FOX te zien. Een tour waarbij de grote criminelen hen toeschreeuwen wat ze allemaal met hen gaan doen als ze ook in het gevang komen. Dit met als doel de crimineeltjes op het rechte pad te brengen. Omdat er altijd wel een kind is dat afziet van verdere criminele activiteit en vertelt welke indruk het op hem heeft gemaakt, lijkt dit een zeer goede en succesvolle methode. Onderzoek toont echter aan dat het programma recidive niet voorkomt en alleen mooie tv oplevert. Sterker nog, de recidive kans wordt zelfs wat groter na zo’n gevangenisbezoek. Soms levert niets doen dezelfde resultaten op als wel iets doen en dan is niets doen te prefereren. Het is immers goedkoper.

Dan de vraag hoe je je leven en carrière zo in kunt richten dat je maximaal goed doet? Wat word je? Dokter, wetenschapper, leerkracht in Afrika of toch politicus? Hoe kun je het meeste goed doen? Als arts in Afrika kun je natuurlijk veel levens redden en dat lijkt een goede keus. Maar is dat wel zo? Stel ik ga en daardoor kan een andere arts niet gaan? Voeg ik dan die waarde toe? Ja, als ik veel beter ben dan alle andere, maar wat als dat niet het geval is? Wat als die andere arts veel beter zou zijn? Vraag je af: hoe goed ben ik? Kan ik het verschil maken? Ook bij het kiezen van een filantropische carrière adviseert Macaskill je, dezelfde vragen te beantwoorden als bij het kiezen van een goed doel.

Maar er is meer. Als je net van school komt, zal je impact veel minder groot zijn dan later in je carrière. Macaskill adviseert jongeren om dát werk te kiezen dat hun vaardigheden en/of hun netwerk fors vergroot. Want dat netwerk en die vaardigheden komen later in je carrière goed van pas en vergroten je impact bij het goed doen. Ook als je die ervaring op doet op een terrein dat ver af staat van het goede doel dat je voor ogen hebt.

Het boek lezend, is het advies dat voor de meeste mensen het meest passend is: zoek werk waar je zoveel mogelijk verdient, omdat je dan zoveel mogelijke kunt geven aan dat effectieve en efficiënte doel. Kies alleen voor een ander pad als je exceptionele kwaliteiten bezit en je in de gelegenheid bent die op de juiste plek in te zetten.

Maximaal rendement uit je geld halen en in dit geval zo maximaal mogelijk goed doen voor je geld is een voorbeeld van utilitarisme. Utilitarisme, het maximeren van nut (welzijn) stelt, om Michail J. Sandel (Rechtvaardigheid. Wat is de juiste keuze? pagina 42 te citeren: “… dat de morele kwaliteit van een handeling uitsluitend afhangt van de gevolgen van dat handelen. Juist handelen is datgene doen waar, alles bij elkaar genomen, de beste situatie uit voortkomt.” Het utilitarisme gaat ervan uit dat een mens streeft naar zoveel mogelijk genot en zo min mogelijk pijn. Geluk is datgene wat tot genot leidt en pijn vermijdt. En als we dat voor een samenleving willen bepalen dan moeten we de individuele gelukssommen optellen. De intentie waarmee je handelt doet er niet toe, het resultaat wel. Als door mijn handelen, bijvoorbeeld het stelen van een zak appels, het totale geluk toeneemt, dan is dat stelen rechtvaardig. Een verdeling is, volgens het utilitarisme, rechtvaardig als die zorgt voor het grootste totale geluk.

Maar wat is geluk? Hoe meet je geluk, genot of pijn? Dit is het grote probleem van het utilitarisme. Met andere woorden, hoe meet je hoeveel geluk een kopje koffie brengt? En brengt een kopje koffie iedere keer evenveel geluk? Soms weet je van te voren wat de gevolgen ervan zijn, vaak ook niet. Ook het meten van pijn is problematisch. Hoeveel pijn iets veroorzaakt kan per persoon verschillen. Neem migraine. Als samenleving moeten we kiezen tussen een middel waarbij de patiënt minder aanvallen heeft maar wel zwaardere en langere en een ander middel waarbij die patiënt meer maar wel lichtere en kortere aanvallen krijgt. Welk middel wordt gekozen? Zou dat niet per patiënt verschillen?

Macaskill lost dit probleem op door te kiezen voor de QALY. Een oplossing die er op papier goed en gedegen uitziet. Kies zoveel mogelijk QALY’s per euro, zo luidt zijn advies. Maar is die QALY wel zo eenduidig? Voor jou als filantroop wellicht wel, je maximaliseert immers je QALY’s. Maar hoe zit het met de ontvanger van je hulp? Als jij als filantroop kiest voor ‘minder maar zwaardere aanvallen’ omdat de gemiddelde migrainepatiënt dat als het prettigst beoordeelt, wat doe je dan de patiënt aan die dit juist het meest ellendige vindt? Meest ellendig maar wel iets beter dan geen medicijnen. Hij heeft geen keus want die heb jij voor hem gemaakt. Hoe zou jij het vinden als een ander zo’n keuze voor jou maakt? Als je er geen weet van hebt dat er een andere mogelijkheid was, dan zul je blij zijn. Maar als je het wel weet, hoe zou je je dan voelen? QALY’s zijn gemiddelden en gemiddelden ontstaan juist door een samenspel van extremen.

Er is meer. Macaskill (pagina 46): “Suppose, hypothetically, we found that providing one guide dog (at the cost of $50,000) would give a 10% increase in reported well being for one persons life over nine years (the working life of the dog). That would be 0.9 WALY (Wellbeing-Adjusted Life-Year of een QALY maar dan eentje die welzijn meet/FK). And suppose that providing 5,000 books (at the cost of $50,000) provided a 0.001% increase in quality of life of 500 people for forty years. That would be 2 WALY’s. If we knew this, then we’d know that $50,000 on schoolbooks provided a greater benefit than spending $ 50,000 on one guide dog.” Rekenkundig is hier, afgezien van de vraag hoe je de percentages bepaalt, geen speld tussen te krijgen. Nu even naar het individu. De geleidehond zou tot een flinke verbetering van het leven van een persoon leiden. Het zou dat leven redelijk radicaal verbeteren. Zou hetzelfde opgaan voor een van die 500 mensen die tien boeken kreeg? Eenduizendste procent is niet veel. Het zou het leven van die persoon niet drastisch beïnvloeden en geldt hetzelfde niet ook voor de 499 andere personen? En denk nog eens terug aan de 60 jarige met 70% tevredenheid. De ene persoon zou kiezen voor 10  jaren erbij van 70%, een ander voor zestig jaar maar dan van 90%. Wat is hier de goede keuze?

Er is nog meer. En dat betreft het carrière-advies. Macaskill pleit vooral voor ‘earn to give’. Probeer zoveel mogelijk te verdienen, want dan kun je zoveel mogelijk geven op die effectieve en efficiënte manier (pagina 202): “Earning to give enables you to start having a significant positive impact via the most cost-effective organisations right from the beginning of your career.” Hij adviseert om een baan te kiezen waar je zoveel mogelijk verdient, bijvoorbeeld in de financiële sector of in de consultancy. Maar zit hier niet ook een andere kant aan? Welke schade richt je door het werk wat je doet aan? Stel je kunt het meeste geld verdienen bij een Private Equity fonds dat veel geld verdient in de wapenindustrie? Of bij een investeringsmaatschappij die vooral investeert in teerzand olie en andere milieuvervuilende activiteiten? Of je gaat als duur betaalde wetenschapper medicijnen ontwerpen die je werkgever, een grote farmaceut, vervolgens patenteert en duur verkoopt? Of bij een van de tech-bedrijven, bijvoorbeeld Facebook, zo’n bedrijf dat haar ‘klanten’ gebruikt om ze uit te melken? Zou dat geen schade opleveren die je eerst moet compenseren? Begint je liefdadigheidscampagne dan al niet met een schuld?

Macaskills voorstel lijkt gebaseerd op de Giving Pledge van enkele miljardairs onder aanvoering van Bill Gates. Op pagina 206 verwijst hij hier ook naar. Deze miljardairs hebben beloofd om de helft van hun vermogen aan liefdadigheid te besteden en proberen andere rijken ook zover te krijgen.

Maar moeten die niet ook eerst beginnen met compenseren? Want hoe komen die nieuwe miljardairs als Zuckerberg, Bezos, Gates, wijlen Jobs en vele anderen aan hun geld? Dat komt van doodnormale mensen. Mensen, die in het geval van Facebook, hun ziel en zaligheid (informatie) gratis beschikbaar stellen. Een model dat onder andere ook Google hanteert. En waar de eenvoudige gebruiker alles gratis moet doen. Vragen bedrijven als Microsoft van Gates en Apple van Jobs, niet flink geld voor hun producten en buiten ze zo hun bijna monopoliepositie maximaal uit? Goed werkende programma’s worden plotseling niet meer ondersteund, omdat er een ‘verbeterde’ nieuwe versie is. Een versie waarvoor weer flink betaald moet worden. Versies die er vervolgens voor zorgen dat het apparaat niet meer goed draait en dus ook vervangen moet worden. Hoe goed behandelt Bezos zijn medewerkers?

Bron: Flickr

Nog op een andere manier beginnen deze miljardairs, maar ook de gevers van Macaskill, met een achterstand. Want misbruiken zij de belastingen niet voor hun filantropische uitstraling? Misbruiken door hun vermogen aan ‘liefdadigheid’ te schenken door het in een eigen stichting of bedrijf te zetten, en zo te onttrekken aan belastingbetaling. En wie moet daardoor meer belasting betalen? Juist, de rest die mag meebetalen aan de goedgeefsheid van de filantropen.

Bijzonder cru wordt het als Macaskill spreekt over de Sweatshops. De fabrieken waar mensen onder erbarmelijke omstandigheden veel uren werken voor weinig geld. Macaskill (pagina 160): “In developing countries, sweatshop jobs are good jobs. The alternative are typically worse, such as back-breaking, low paid labour, scavenging, or unemployment. The New York Times columnist Nicholas D. Kristof illustrated this well when he presented an interview with Pim Srey Rath, a Cambodian woman who scavenges plastic from dumps in order to sell it as recycling. ‘I’d love a job in a factory,’ she said. ‘At least that work is in the shade. Here is where it’s hot.” Inderdaad zijn er slechtere plekken om te werken, maar dat doet niets af aan de erbarmelijke omstandigheden in die sweatshops. Zeker niet als het in onze macht ligt om die te verbeteren. Want zou goede liefdadigheid niet kunnen beginnen bij wat minder t-shirt voor je geld? Zou dat geen betere vorm van liefdadigheid zijn dan deze mensen eerst ziek te laten worden bij het maken van onze t-shirts en ze vervolgens via liefdadigheid medicijnen te geven tegen die ziekte? Zou het niet beter zijn een eerlijke prijs voor het t-shirt te betalen, waardoor zij voldoende geld hebben om zelf hun leven vorm te geven?

Macaskills benadering past heel goed bij de moderne manier van denken. Hij wil de grote en kleine filantroop handvatten bieden om zoveel mogelijk wel te doen voor hun geld. Hij redeneert hierbij wel heel erg vanuit de gever zelf, terwijl de wereld er voor de ontvanger heel anders uitziet. Dit is hem te vergeven omdat hij wel belangrijke punten maakt. Zo wordt er veel geld verspild aan zaken waarvan het nog maar de vraag is of ze enig effect hebben. Sommigen zouden zelfs wel eens een negatief effect kunnen hebben. Ook de Nederlandse heibel om de salarissen van managers stelt hij terecht in een ander daglicht. Dure managers die succesvolle programma’s organiseren konden hun geld wel eens meer dan waard zijn. Terwijl ‘vrijwillige’ managers van slechte programma’s wel eens heel duur konden zijn.

Waar hij echt uit de bocht vliegt, is bij zijn carrière-adviezen en dan vooral zijn advies om dan maar een baan te zoeken waar je heel veel kunt verdienen. Hij heeft hier in het geheel geen oog voor de schade die je kunt aanrichten in je jacht naar een zo hoog mogelijk inkomen.

Al met al biedt Macaskill een interessante manier om naar liefdadigheid te kijken. De vijf deelvragen die hij stelt als hij zoekt naar het antwoord hoe je het meeste waar voor je geld krijgt, zijn goede en terechte vragen. Alleen zou je bij het beantwoorden ervan verder moeten kijken dan de utilitaristische QALY-neus lang is. Het is één manier om te kijken, niet de enige. De keuze voor goede liefdadigheid ligt waarschijnlijk in de combinatie. Maar zou de beste keuze niet kunnen zijn, om zaken te doen met bedrijven die hun personeel goed behandelen en goed betalen? Betekent dat voor ons als consument niet het betalen van een eerlijke en rechtvaardige prijs voor producten? Is dat niet de manier om mensen in de ontwikkelingslanden zelf te laten kiezen hoe ze zich willen helpen? Dan kunnen ze zelf bepalen of ze een malarianet kopen, ontwormingspillen of schoolboeken. en dan kan hun overheid via de belastingen een goede onderwijs en gezondheidszorg opzetten.

Hoe goed is nu de daad van de Gatesjes en de andere filantropen? Ik begon dit artikel met twee organisaties waaraan de Gatesjes geld geven. Twee overheidsinstanties de US Centers for Disease Control and Prevention  en de  World Health Organization. Twee organisaties waarvoor de Amerikaanse regering de afgelopen jaren minder geld beschikbaar stelde. Twee organisaties die worden betaald met belastinggeld. De WHO met belastinggeld van over de hele wereld. Als die filantropen hun medewerkers en onderaannemers fatsoenlijk hadden betaald, als ze een normale prijs voor hun producten hadden gevraagd, als ze gewoon belasting hadden betaald, dan was hun filantropie onnodig geweest. Dan hoefden ze niet als ‘brandweer’ op te treden bij de ‘brand’ die ze met hun gedrag hebben veroorzaakt zoals Anand Giridharadas het bij Tegenlicht beschreef.

Maar ja, met belasting betalen  kun je geen mooie sier maken. Met filantropie wel. En met belasting betalen bepaal je niet zelf wat er met je geld gebeurt. Dat klopt, met belasting betalen bepalen we samen wat er met het geld gebeurt. En daarmee is niets mis.

Uitgelicht

Kapitaalvlucht

Enige tijd geleden vroeg ik mij in een Prikker af waarom het proces ‘effectenverkeer’ op de lijst met cruciale processen stond. Ik moest hieraan denken toen ik in Elsevier las dat ‘corona’ tot een kapitaalvlucht heeft geleid uit ‘opkomende economieën’ en ‘economieën’ die nog niet eens aan het ‘opkomen’ zijn. In het artikel van Marijn Jongsma, legt Rob Drijkoningen, werkzaam voor een Amerikaanse vermogensbeheerder, uit waarom: “Beleggers prefereren liquiditeit en hebben ineens een kortere beleggingshorizon. Het hemd is nader dan de rok. Ze kiezen voor landen die ze beter begrijpen.” Het gevolg:  “De zwakste landen betalen op hun dollarleningen nu gemiddeld 10 procentpunt meer rente dan de Verenigde Staten zelf.” Dat is slecht nieuws. 

Hoe werkt dat? Beleggers kiezen voor ‘liquiditeit’, voor geld, maar niet voor al het geld. Ze kiezen vooral voor sterke munten Amerikaanse dollars en in mindere mate euros, yens en ponden. Die stijgen daardoor in waarde. Ze stoten hun beleggingen in obligaties (staatsleningen) in andere dan deze munten af. Keerzijde daarvan is dat de munten van die ‘opkomende economieën’ in waarde dalen: “De Mexicaanse peso, de Braziliaanse real en de Zuid-Afrikaanse rand verloren sinds begin dit jaar meer dan 20 procent van hun waarde. De Nigeriaanse naira, de Indonesische roepie, de Colombiaanse peso en de Russische roebel verloren meer dan 15 procent.” Voordeel voor die landen is dat de producten die ze maken zo goedkoper worden. Alleen hebben ze daar nu niets aan omdat de handel ook lijdt onder corona. Nadeel is dat het lenen van geld duurder wordt en om de gevolgen van corona te bestrijden moeten ze nu lenen. 

Een voorbeeld. Stel Brazilië moet ter waarde van $ 1 miljard dollar lenen en dat waren tot voor kort 10 miljard real. Dan moet het land nu 12 miljard real aan obligaties uitzetten om op de wereldmarkt dezelfde hoeveelheid product te kunnen kopen. Wat betaalt het land dan? Stel de rente was 5%. Dan betaalde Brazilië eerst 500 miljoen real aan rente, 5% van 10 miljard. Als die 10 procentpunt stijgt dan is de rente nu 5,5%. Door de gedaalde munt en gestegen rente moet het land nu 660 miljoen real (5,5% van 12 miljard) rente betalen: bijna 30% meer. Die eenmalige lening om corona te bestrijden betekent dus dat het land gedurende de looptijd van de lening, jaarlijks 660 miljoen real meer aan rente moet betalen. Geld dat via belastingen moet worden opgehaald en dat niet kan worden besteed aan gezondheidszorg of onderwijs. 

Aangezien het belastingsysteem in Brazilië in feite regressief is, hoe rijker je bent hoe minder je procentueel gezien betaalt, betekent dit dat met name de armen het gelag betalen. Betalen in de vorm van extra belastinggeld of in de vorm van bezuinigingen op onderwijs, sociale- en medische voorzieningen. De rijke Brazilianen, als die hun kapitaal niet ook laten ‘vluchten in dollars’, zullen erop vooruit gaan. Zij zullen die obligaties kopen, want buitenlands kapitaal is er niet meer. Zij krijgen er 660 miljoen real per jaar bij en betalen via de belastingen maar marginaal mee. 

Als dit gebeurt en toch al kwetsbare landen zo nog kwetsbaarder worden, moet ‘effectenverkeer’ dan wel een cruciaal proces zijn? Zou ‘kapitaal’ dat nu in milliseconden van de ene naar de andere kant van de wereld flitst, niet veel meer aan banden moeten worden gelegd. Zeker in tijden van crisis? Aan banden omdat het ‘flitsen’ de positie van de zwakkeren verder verzwakt en die van de sterken verder versterkt? Zou het niet juist cruciaal zijn om dit proces meteen aan banden te leggen en het in tijden van crisis stil te leggen?

‘Maar dan beperk je het recht van de belegger om zijn eigendom, de obligaties, te verkopen en dan kan het dus zijn dat die belegger geld verliest,’ kun je tegenwerpen. Nee, het recht van de eigenaar om zijn obligaties te verkopen+ wordt niet aangetast. De eigenaar kan ze nog steeds verkopen, alleen nu even niet. En ja, dat kan betekenen dat ze, als er weer mag worden gehandeld, minder waard zijn en hij geld verliest. Maar daar hoeven we geen medelijden mee te hebben, verliezen is immers een van de risico’s van beleggen. Via dat verlies betaalt de belegger dan mee aan de kosten van het bestrijden van de crisis. Kosten die nu alleen bij de belastingbetaler worden gelegd.

Uitgelicht

Resetknop

In mijn laatste Prikkers heb ik het vaak over het ‘na-coronese tijdperk’. Wat zou er anders moeten en hoe? Ik ben hierin niet de enige. In de Volkskrant besteedt Paul Onkenhout aandacht aan de voetbalwereld. Voor lezers die niets met voetbal hebben, in deze Prikker gebruik ik het voetbal, en dan vooral het professionele voetbal als metafoor voor de samenleving. Dit omdat de sport in het algemeen, en het professionele voetbal in het bijzonder, sterk leunt op het ‘winners takes it all’ denken. Denken dat ook de rest van de samenleving in haar greep heeft. Onkenhout stelt in zijn column een interessante vraag: “Wanneer precies transformeerde het voetbal van een volkssport in een commercieel circus en naar welke periode zouden we terug moeten keren?” 

Een heel interessante vraag, behalve dan het stukje, terug gaan naar … . Teruggaan naar het verleden is geen goed idee. Het verleden moeten we bestuderen om te bekijken waarom men toen koos waarvoor men koos. In deze Prikker ga ik op zoek naar een antwoord op het eerste deel van die vraag. Met dat antwoord kijk ik vervolgens naar de bredere samenleving.

Onkenhouts antwoord: “Ik ben er zelf wel zo’n beetje uit. Het voetbal is verziekt, aan de top. Ik weet ook precies wanneer het dieptepunt is bereikt. Dat was op 2 december 2010, de dag dat de FIFA het wereldkampioenschap in 2022 toewees aan een klein land in de woestijn, Qatar, zonder voetbaltraditie en zonder stadions; een land met een gemiddelde zomertemperatuur van een graad of 45 en een omvangrijk arsenaal rechteloze dwangarbeiders.” Ik kan Onkenhouts redenering volgen. Alleen zou ik dat niet willen zien als het begin van die transformatie, maar als het voorlopige dieptepunt. 

Laten we eens wat verder teruggaan in de tijd en dat doen aan de hand van de huidige ‘heilige graal’ de Champions League, het ‘bal der kampioenen’. En daar begint het al te wringen. Hoezo kampioenen als er bijvoorbeeld vier Engelse, Duitse, Italiaanse en Spaanse clubs deelnemen? En zo komen we in 1997, het jaar dat er voor het eerst niet-kampioenen mochten deelnemen. Uiteindelijk komen we bij de start van de Champions League in 1992. Het jaar dat het commerciële belangrijker werd dan het sportieve. Na twee ouderwetse knock-out ronden werden er poules gevormd. Hierdoor nam het aantal wedstrijden toe en dus de tv- en reclame-inkomsten. 

Ietsjes eerder, in 1990, werd er voor het eerst meer dan € 10 miljoen voor een speler betaald. Voor dat bedrag ging Roberto Baggio, de speler waar de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco lyrisch over schrijft, van Fiorentina naar Juventus. Maar waarin verschilt het, behalve dat, van € 8 miljoen waarvoor Gullit in 1987 PSV verruilde voor AC Milan. AC Milan dat was toen in handen van mediamagnaat, multimiljardair en later premier Silvio Berlusconi. Een voetbalclub als ‘speeltje’ van een miljonair. Als je het mij vraagt ligt het antwoord op het eerste deel van Onkenhouts vraag ergens in de jaren tachtig. Vanaf dat moment deed de echte commercie haar intrede in de voetbalwereld en stegen de salarissen en transfersommen aan de top exponentieel en fors sneller dan het bruto binnenlands product (bbp). Het bbp van Europa groeide tussen 1980 en nu met bijna 2% per jaar. Als we de transfersom van Baggio in 1990 tot en met 2020 indexeren met 2%, dan levert dat een bedrag van net geen € 20 miljoen op. Voor dat bedrag koop je tegenwoordig een modale rechtsback. Het hoogste transferbedrag op dit moment is 11 keer zo hoog. Paris Saint Germain, eigendom van een sheik uit Qatar, betaalde € 222 miljoen om de Braziliaan Neymar over te nemen van Barcelona. De groei van de transfersommen vertoont meer gelijkenis met de vermogensstijging van de rijkste 0,1%.

En daarmee is de link tussen voetbal en de samenleving gelegd. De ontwikkelingen in het voetbal zijn een spiegel van de samenleving. Een ontwikkeling die eind jaren zeventig begon met de verkiezing van Margaret Thatcher tot premier van de Britten en begin jaren tachtig met de verkiezing van Ronald Reagan tot president van Amerika. Voor beiden was de overheid een onderdeel van het probleem en wel het onderdeel dat de oplossing in de weg stond. Die overheid moest indammen ten faveure van bedrijven die elkaar beconcurreren op een vrije markt. Daarop werden staatsbedrijven geprivatiseerd en vooral belastingen verlaagd. En dan vooral voor de hoogste inkomens. Bij het aantreden van Reagan in 1981 bedroeg het laagste tarief in de VS 13,825%, het hoogste 69,125%. Hoog, maar lager dan op de piek in 1952 toen het toptarief 92% bedroeg. Bij zijn afscheid in 1988 was het laagste tarief gestegen naar 15%, en het hoogste gedaald naar 28%. Een geweldig voordeel voor de rijkste Amerikanen waarvan de rekening bij de armen en middeninkomens werd gelegd. De rest van de wereld volgde dit Amerikaanse voorbeeld en verlaagde de hoogste belastingtarieven. Zo is dit in Nederland van 72% gegaan naar 48,5% nu. Niet zo extreem als in de VS, maar toch. 

Dit werd onderbouwd met de bijzondere economische theorie van de ‘trickle down economics’. Die theorie gaat ervan uit dat de armen alleen maar rijker kunnen worden door de rijken nog rijker te maken. De rijken scheppen banen via hun investeringen en zorgen er zo voor dat de totaal te verdelen koek groter wordt. Natuurlijk krijgen zij hier zelf een flink deel van maar via die extra banen krijgen ook de armen een deel van de grotere koek. Het geldt sijpelt van boven (rijk) naar beneden (arm). Alleen hebben de afgelopen jaren geleerd dat de zwaartekracht niet van toepassing is op geld. Het ‘sijpelt’ als er niets aan wordt gedaan niet naar beneden, maar naar boven. De rijken worden steeds rijker, de armen niet noemenswaardig rijker en vaak zelfs armer. Door deze maatregelen krijgen rijken meer geld beschikbaar en enkelen van hen kochten voetbalclubs. Die clubs moesten natuurlijk wel ‘winnen’ en dus werden spelers gekocht en die spelers kregen steeds meer betaald. Zo is ook in de Volkskrant te lezen dat het in corona-tijden ook voor topsporters sappelen is. Zo mist Frenkie de Jong nu al gauw € 2 tot 3 miljoen van zijn salaris van € 10 miljoen. Van dat gemis kan de hele club Eerstedivisieclub Telstar een heel jaar draaien. Dit om het even in perspectief te zetten voordat je medelijden met De Jong krijgt.

Toen in 1989 de Berlijnse muur viel en twee jaar later de Sovjet Unie instortte, leek het alsof Reagan en Thatcher het bij het rechte eind hadden. De Westerse vrije markt had definitief ‘gewonnen’ van de communisten en socialisten. Er leek geen alternatief meer voor de vrije markt. Of het toeval is weet ik niet, maar in 1992 startte de Champions League en verstevigde de commercie de greep op het voetbal. Een greep die zich in de jaren erna verstevigde en die uiteindelijk in december 2010 leidde tot de keuze voor Rusland als organisator voor het wereldkampioenschap in 2018 en Qatar in 2022. 2010 dat was ten tijden van de economische crisis als gevolg van de slechte leningen. Een crisis waarbij de Westerse banken en kredietinstellingen met flinke staatssteun overeind werden gehouden zonder dat er iets veranderde aan de manier van werken en belonen bij die banken. Om het cru te zeggen, aapten de Westerse banken en kredietinstellingen de Russische oligarchen en de sjeiks uit het Midden-Oosten na. Die eersten hadden sinds 1995 laten zien hoe je je verrijkt ten kosten van de gewone man en de staat. De laatsten, de sjeiks, pasten dat trucje al veel langer toe door zich de olieopbrengsten toe te eigenen.

In zijn column citeert Onkenhout Louis van Gaal: “ Maar: uiteindelijk is de marktwerking in de voetbalwereld niet afhankelijk van corona. De rijken blijven de rijken. En de armen blijven arm, ook straks.” Waarop Onkenhout even later verzuchtend eindigt met: “Er is geen resetknop. De marktwerking, weet je wel.” Als het allemaal begon met het geloof in ‘trickle down economics’ en verlaging van de inkomstenbelasting, zou dat dan geen resetknop kunnen zijn? Als we op Europees niveau kunnen komen tot een zelfde systeem van sterk progressieve inkomstenbelastingen, een systeem met een tarief van bijvoorbeeld 85% voor inkomen boven de € 150.000, zouden er dan nog steeds van die exorbitante bedragen aan transfers en salaris worden betaald? Dan zou Frenkie, een geweldige voetballer trouwens, netto net iets meer dan anderhalf miljoen overhouden. Een bedrag waar je iemand meer dan honderd jaar bijstand van kunt betalen. De Spaanse overheid kreeg dan fors meer belastinggeld binnen om de gevolgen van corona aan te pakken. Maar vooral ook om de onderwijzers, het verplegend personeel en de politie-agenten fatsoenlijk te belonen voor hun werk.

Uitgelicht

Imaginair construct gezocht

“Nu al drukt deze pandemie haar stempel op onze economie: de beurzen staan zwaar in de min, winkels en horecagelegenheden moeten noodgedwongen hun deuren sluiten en zelfstandigen komen zonder opdrachten te zitten. Het is duidelijk dat de economische gevolgen langdurig zullen zijn.” Dat is de inleiding van Jesse Frederik voor een serie artikelen te vinden bij De Correspondent waar: “de belangrijkste inzichten over deze economische gevolgen van het coronavirus” worden beschreven. Een verzameling met als titel: Wat deze pandemie de economie kost. Laten we, in het kader van het nadenken over de ‘na-coronese periode’, deze laatste zin eens wat uitdiepen.

De pandemie ‘kost’ de economie iets. Maar wat is ‘de economie’? ‘Economie’ heeft, aldus Van Dale, drie betekenissen. Als eerste “zuinigheid”. Als tweede: “de wetenschap die het menselijk streven naar welvaart tot voorwerp heeft.” En als laatste: “het geheel van de financiële voorzieningen, de handel en industrie van een land.” Frederik heeft de derde betekenis voor ogen. Een betekenis die we te danken hebben aan de oude Grieken. Het is een samentrekking van de woorden ‘oikos’ en ‘nomos’ samen te vertalen als huishoudkunde. Voor de oude Grieken was dit het besturen van hun huishouden. Dat huishouden is niet te vergelijken met een huidig gezinshuishouden. Het bestond uit een pater familias met zijn vrouw, broers, ongehuwde zussen en al hun kinderen en kleinkinderen. Dit nog aangevuld met slaven voor in huis en op het land. ‘Huishouden’ is een metafoor voor een ‘staat of land’, een:  “beeldspraak die berust op een vergelijking”, zoals de Van Dale het omschrijft om het vervolgens met een voorbeeld te verduidelijken: “het schip van de woestijn is een metafoor voor kameel”.

Het gebruik van imaginaire beelden en die zien als een werkelijkheid, is een van de unieke eigenschappen van de mens. Die eigenschap maakt de mens, zo betoogt de Israëlische historicus Yuval Noah Harari, uiterst succesvol. Het grootste deel van ons leven speelt zich af in imaginaire constructies die ons binden, of scheiden. Neem eigenaarschap van een stukje grond. Ergens op een stukje papier staat dat iemand een stuk grond bezit. Dat heeft voor ons waarde. Dat zorgt ervoor dat anderen er niet over lopen. Een konijn laat zich er echter niet door hinderen. De Fransman Jean Jacques Rousseau heeft dit in 1754 treffend beschreven: “De ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij: dat was hij die als eerste een stuk grond omheinde, zich verstoutte te zeggen ‘Dit is van mij’, en onnozelaars trof die hem geloofden.” Landen, gemeenten, provincies maar ook bedrijven, verenigingen, geld en religies zijn net zo’n imaginaire constructen. Ze bestaan omdat wij vinden dat ze bestaan.

En nu we het toch over beeldspraak en metaforen hebben en daarmee terug naar het onderwerp, ook Frederik maakt gebruik van een metafoor. Hij lijkt de economie te zien als een ‘persoon’. Een persoon die kosten maakt, die schade oploopt, die kan afvallen (krimpen) maar ook kan aankomen (groeien). Een persoon die kosten kan maken en ook baten kan hebben. Alleen kun je de persoon ‘economie’, in tegenstelling tot een echte persoon niet beetpakken. Je kunt er ook geen ‘anderhalve meter afstand’ van houden. Om die imaginaire persoon ‘economie’ maken zeer veel mensen zich flinke zorgen. Met die persoon gaat het nu slecht. Zij lijdt aan corona en daardoor maakt zij kosten. Kun je haar ‘pijn’ al voelen?

Maar wat als we die imaginaire constructie ‘economie’ laten voor wat ze is? Wat zien we dan? Dan zien we dat de corona-pandemie mensen iets kost. De pandemie kost mensenlevens, ze kost mensen hun gezondheid, ze kost sommigen hun levenswerk en anderen verliezen hun baan. Als we vervolgens kijken wat een mens echt nodig heeft en wat ‘luxe’ is, is er dan, behalve het leed van de zieken en het verdriet van de nabestaanden van overledenen, een probleem? Er is voldoende te eten en te drinken voor iedereen. Er zijn voldoende ‘daken’ om iedereen onderdak te bieden. Even goed verdelen en links en rechts wat herverdelen en we kunnen verder. Ja, wellicht verliezen we een beetje luxe omdat we niet op vakantie kunnen. Maar is dat werkelijk een probleem? Onze voorvaderen hebben eeuwen overleefd zonder ‘vakantie’. Het enige wat er nog ontbreekt is een nieuw bindend  ‘imaginair construct’.

Uitgelicht

IJzer smeden

“Verdere verdieping vraagt om een democratisch debat, omdat het gaat over enorme overdracht van soevereiniteit naar Europees niveau. En dat democratisch debat kan in crisistijd niet goed gevoerd worden.” Dit schrijven SP-Tweede Kamerlid Renske Leijten en SP-senator Bastiaan van Apeldoorn  op de site Joop. Ze schrijven dit naar aanleiding van de discussie over ‘Eurobonds’. Een vreemde uitspraak.

De auteurs: “Georganiseerde solidariteit is in Nederland, maar ook in Europa en de wereld het antwoord op deze crisis. Regeringen en parlementen dragen nu overal de verantwoordelijkheid om te doen wat nu nodig is. Internationale georganiseerde solidariteit biedt ook hier een uitweg. Daarom moet de Nederlandse regering nu snel eerlijke afspraken maken met alle andere lidstaten van de Europese Unie om de zwaarst getroffen landen onmiddellijk de steun te geven die zij nu nodig hebben.” Dat ik schulden aangaan niet de weg vindt, heb ik in een eerdere Prikker al betoogd. Dus daarin kan ik de beide SP-ers volgen. Geen ‘Europese schulden’ maar dat hoeft geen probleem te zijn want: “ Er zijn vele manieren om financieel getroffen landen te steunen,” zo schrijven de auteurs. Hoe die vele manieren eruit zien, blijft een raadsel. Ze noemen er geen. Daardoor blijft hun betoog in de lucht hangen. Dat is jammer, maar daar gaat het mij nu niet om. 

Het gaat mij om de opmerking dat er nu geen goed democratisch debat gevoerd kan worden. Inderdaad is onze samenleving voor een deel ‘stilgelegd’ omdat we elkaar niet niet meer lijfelijk kunnen ontmoeten. Als dit in het oude Athene zou zijn gebeurd, dan was het democratische debat inderdaad niet mogelijk. De Atheners hadden nog geen krant, radio en TV laat staan Internet. Het democratische debat werd immers gevoerd op het plein in de stad. Waarom zou er nu in Nederland geen goed democratisch debat gevoerd kunnen worden? 

Zoals ze terecht schrijven legt: “Deze crisis (…) overal ter wereld vele mankementen in de organisatie van onze maatschappijen en economieën bloot.” Laten we het daar nu over hebben en niet zoals ze betogen dat we: “afspreken dat hetgeen we nu zien, straks niet vergeten maar zullen gebruiken om duurzame maatschappelijke verbeteringen te bewerkstelligen, om zodoende een komende crisis beter het hoofd te kunnen bieden.” Zoals een bekend Nederlands spreekwoord luidt, moet je het ijzer smeden als het heet is. Het is nu heet en er moet nu dus gesmeed worden. Als we het nu laten lopen, wordt het weer ‘koud’, gaat de druk eraf en schieten we weer in een modus van alledag. 

Laten we juist wel nu het debat voeren want ook zonder dat debat wordt er ijzer gesmeed dat de ‘na-coronese periode’ mee vorm geeft. Besluiten die nu worden genomen en zaken die nu in gang worden gezet, zijn straks lastig weer terug te draaien. Als de ‘apps’ waarover nu wordt gesproken, worden ingevoerd, dan is de kans groot dat ze blijven ook al is er geen crisis meer. Dus nu ook het debat over Europa, de Euro, al dan niet Eurobonds of een Europese belasting op bedrijfswinsten. Laten we nu het ijzer heet is, alle mogelijke oplossingen bestuderen en bespreken op hun voor- en nadelen en dan een keuze maken. 

Zo werd het debat over de wereld na de Tweede Wereldoorlog al tijdens die oorlog vormgegeven. Al in augustus 1941, toen de VS nog niet eens in oorlog waren, stelde het samen met de Britten het Atlantisch handvest vast. De belangrijke conferentie in Bretton Woods over de financiële wereld na de oorlog werd al in 1944 met een akkoord bezegeld.

Beste SP-ers, jullie en je collega’s voeren al enkele weken debatten over mondkapjes en beademingsapparatuur. In die debatten willen jullie ‘harde toezeggingen’ over het aantal IC plekken. Alsof de minister en zijn ambtenaren niet alles binnen hun mogelijkheden doen om die zaken te regelen. Mogelijkheden die beperkt zijn omdat de hele wereld op mondkapjes en beademingsapparatuur jaagt. Laat dat maar aan de ministers en de uitvoerders over. Ga alsjeblieft NU aan de slag met smeden. Als jullie dat niet doen, dan zijn jullie geen knip voor de neus waard.

Uitgelicht

Terug naar een basisinkomen

“In de afgelopen weken klonk de roep om een basisinkomen luider dan ooit. En terecht: de wereldwijde coronacrisis vraagt om radicale maatregelen. Zelfs de Amerikaanse overheid deelt geld uit. Zeven jaar geleden schreef ik voor het eerst voor De Correspondent over een bijna vergeten idee dat nu overal weerklank vindt: gratis geld voor iedereen.” De aanheft boven een opnieuw gepubliceerd oud artikel van Rutger Bregman bij De Correspondent. Onder het artikel opnieuw een levendige discussie over nut, noodzaak en herkomst van het idee ‘basisinkomen’. Bregman noemt de neoliberale goeroes Friedrich Hayek en Milton Friedman als aanhangers van het idee en gaat zelfs terug tot Thomas More’s Utopia. Even wat historisch perspectief.

In dit deel van de wereld, en misschien ook in andere maar daar weet ik het niet van, was een ‘basisinkomen’ eeuwenlang de normaalste zaak van de wereld. Nee, niet zoals Bregman het beschrijft een beurs met munten, maar het gezamenlijk gebruik van grond, een vijver, een bos, een weide. In goed Nederlands noemden ze dat de meent. Het woord gemeente is ervan afgeleid. De meent was een stuk grond, bos, vijver, rivier, dat de inwoners van het dorp konden gebruiken om de opbrengst van hun eigen kleine stukje grond aan te vullen. Het was meestal niet de beste of makkelijkst te bewerken grond. Aanvullen door er een konijn of vis te vangen, door hout te sprokkelen of bramen te plukken. De bewoners van een dorp hadden het gebruiksrecht, de grond was in eigendom van de landheer. Die landheer was niet bij machte om die rechten aan te tasten. Dit was een onderdeel van het feodale systeem.

In goed Engels noemen ze de meent commons. En wellicht gaat er nu bij een enkeling een belletje rinkelen: er was toch iets met Tragedy of the Commons? Een enkeling zal het begrip kennen van het pamflet In ons belang van Albert Jan Kruiter en Eelke Blok uit 2011. De munter ervan is echter de Amerikaanse ecoloog Garrett Hardin. Hardin schreef in 1968 een artikel met als titel The Tragedy of the Commons.

Hardin gebruikt hier het voorbeeld van een stuk weidegrond dat door de plaatselijke herders wordt gedeeld. De weide heeft een beperkte omvang en er kunnen dus slechts een beperkt aantal schapen op grazen. Overbegrazing zorgt ervoor dat de hele weide onbruikbaar wordt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Eén schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever één schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn één schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is overbeweiding onvermijdelijk. Herder A en met hem de andere herders zitten vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt.

Vervang de herders en de weide door zee en vissers, of schone lucht en olie- en kolencentrales of een extra kind erbij in een gezin en je hebt de moderne versies van The Tragedy of the Commons. Veel vrijemarkteconomen en vooral vrijemarktideologen betogen dat een dergelijke tragedie alleen te voorkomen is via privé eigendom en dus privatisering van het gemeenschappelijk bezit. Deze economen en ideologen hebben de afgelopen dertig jaar de wind flink in de zeilen gehad. Dit met als gevolg een grote privatiseringsgolf: openbaar vervoer, energie, telecom, water, gezondheidszorg enzovoort. Je zou hieruit kunnen concluderen dat omdat vroeger het ‘basisinkomen’ niet werkte vanwege het egoïsme van de boeren, ook nu het basisinkomen gedoemd is te falen. 

Er is echter iets met deze ‘tragedie’. Dit is namelijk niet hoe het in werkelijkheid is gegaan. Gemene of gemeenschappelijke gronden speelden gedurende lange tijd een belangrijke rol in het leven en overleven van onze voorouders. Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de “gebruiksgerechtigden”. Bijvoorbeeld de inwoners van een dorp of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruik maken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of een andere functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het  gebruik van de gemene gronden zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot.

Iedere herder maakt, volgens Hardin, de enige rationele keuze vanuit de individuele positie. Maar bekijk je het vanuit het totaal dan handelen ze allemaal irrationeel. Ze verwoesten zo immers de weide die hen voedt. Hardin veronderstelt dat de gebruikers van de gemene gronden deelnamen aan het economisch verkeer van vraag en aanbod en dat ze allemaal streefden naar meer inkomen. Dit op een manier die vergelijkbaar is met de tijd waarin Hardin zijn artikel schreef. Hij kijkt met zijn bril (zijn en de huidige kijk op de wereld) naar het verleden en dat is meestal niet de bril die men in het verleden droeg. Voor veel van onze voorouders was de wereld niet veel groter dan de streek waarin zij woonden. In die streek probeerden zij te overleven en dat deden zij voor het overgrote deel door in hun eigen behoeften te voorzien. Zij produceerden niet voor de markt en waren niet bezig met inkomen vergaren, laat staan rijk worden. Overleven lukte hen onder andere door het gebruik van de gemene gronden. Het gebruik van de gemene gronden was goed gereguleerd in het gewoonterecht. Dit voorkwam, zo daar al aanleiding toe was, misbruik en vooral overgebruik van deze gronden. Geld speelde maar een zeer marginale rol. Dit heeft eeuwenlang goed gefunctioneerd. 

Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet wilden veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren (en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren). De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele ‘enclosure acts’. Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten zij graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg. Op het eerste oog een positief iets.

Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. 

Bijzonder schril voorbeeld hiervan is An Gorta Mór. De Ierse hongersnood van 1845-1849. De arme Ieren leefden in die tijd op aardappelen die ze zelf verbouwden. Dat ging jarenlang goed waardoor de bevolking was gegroeid. in 1845 begon het fout te gaan. Een beruchte aardappelziekte deed haar intrede: Phytophthora infestans. Dat er bijna geen aardappelen meer waren, wilde niet zeggen dat er niets te eten was in Ierland. Er was nog voldoende, alleen was dat in handen van Engelse landeigenaren die de beschikbare  producten, onder andere boter en vlees, verkochten op de wereldmarkt omdat ze daar een ‘betere prijs’ konden krijgen. De arme Ieren hadden het nakijken. Niets te eten en ook geen opbrengst om de pacht voor dat kleine stukje grond aan die Engelse landheer te betalen. Die landheer maakte het vervolgens nog erger door de pachters hun land en huis af te nemen. Dit alles zorgde ervoor dat de bevolking terugliep van 8 miljoen naar 3,5 miljoen. Een flink deel door sterfte en het grootste deel omdat ze emigreerden naar de Verenigde Staten.

De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud omdat hen de toegang tot de gemene gronden werd ontzegd. Die kant wordt door Karl Polanyi in zijn boek The Great Transformation treffend omschreven: “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.” Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en vergemakkelijkten zo de industriële revolutie.

Ik heb hier voornamelijk de Engelse situatie beschreven, die is het best gedocumenteerd. In andere landen op eerdere of latere tijdstippen gebeurde iets soortgelijks. Sterker nog, dit is een ontwikkeling die tot op de dag van vandaag doorgaat in bijvoorbeeld Afrikaanse landen. Waar grote bedrijven die op fabrieksmatige wijze agrarische producten voor de wereldmarkt willen produceren, grote gebieden opkopen van de overheid en zo de kleine lokale boeren verdringen die deze grond vaak al generaties lang in gebruik hadden. Die rest dan niets anders dan naar de steden te trekken en daar proberen te overleven. Ook dit leidt tot een stijging van de productie en een toename van armoede en vaak ook honger. Want ook hier wordt met name voor de wereldmarkt geproduceerd en verkocht aan de best betalende en dat is meestal een buitenlandse partij. De laatste jaren wordt dit nog versterkt door het opkopen van gronden en bossen ter compensatie van koolstofdioxide uitstoot. Naomi Klein geeft een goede beschrijving van deze ontwikkeling in haar boek No Time. Zo zijn we via een kort uitstapje in de geschiedenis alweer in het heden beland.  

Dus ja, de markt en hebzucht maakten een einde aan de eerdere vormen van een ‘basisinkomen’. Niet de ‘hebzucht’ van de kleine boeren, maar de hebzucht van de landheren, de ‘rijken’. En daarmee zijn we aanbeland bij Bregmans pleidooi voor een basisinkomen en waarom het een hele strijd wordt om het ingevoerd te krijgen, als het al lukt. De vroegere rijken en machtigen eigenden zich het vroegere ‘basisinkomen’ toe en de huidige rijken en machtigen zullen een nieuw basisinkomen moeten betalen. Betalen op twee manieren. Als eerste door meer belasting te betalen en als tweede omdat ze hun goedkope arbeidskrachten verliezen. Verliezen niet omdat mensen met een basisinkomen te lui zijn om te werken. Nee verliezen omdat ze, zoals Bregman in dit artikel laat zien, eigen keuzes maken hoe ze hun leven willen invullen. Keuzes die wel eens een andere kunnen zijn dan in het magazijn bij Amazon, Bol.com of het aspergeveld. Of misschien juist wel daar, maar dan op een gelijkwaardige voet. Een basisinkomen vraagt, om Polyani te parafraseren ‘a revolution of the poor against the rich.’

Uitgelicht

‘Grootste Europeaan ooit’

In een interview met de Volkskrant geeft minister Hoekstra aan wat hij wil: “We willen solidair en verstandig zijn.” Daar kan niemand tegen zijn. Hoekstra legt uit wat hij verkeerd vindt aan Eurobonds: “Met eurobonds ga je toe naar een schuldenunie en dat vinden wij niet verstandig. Euro-obligaties, waarbij alle eurolanden garant staan voor elkaars staatsschulden, passen niet bij een unie waarin de lidstaten allemaal over hun eigen begroting gaan. Eurolanden beslissen zelf hoeveel schulden ze maken en waar ze hun geld aan uitgeven. Dat ze die budgettaire vrijheid hebben is terecht, want elke regering in Europa legt verantwoording af aan haar eigen, nationale parlement.” Een bijzondere redenering: een schuldenunie is niet oké, een schuldenland wel? Toch ben ik het voor een belangrijk deel met hem eens dat schulden maken niet oké is. Niet voor de Unie en ook niet voor een land.

“De eurozone verkeert in een fundamenteel andere situatie dan de Verenigde Staten. Europa heeft geen centrale overheid. En wij zijn ook geen voorstander van zo’n centraal Europees gezag.” Met die zinnen vervolgt Hoekstra zijn  betoog tegen de Eurobonds. Heel bijzonder om te horen dat de Unie geen gezag heeft, terwijl de afgelopen jaren zo ongeveer alle ellende vanuit de ‘moloch Brussel’ kwam. Dat even terzijde. Nog niet zo lang geleden, bijna een jaar, pleitte Hoekstra voor de EU als machtsblok dat zich op het gebied van buitenlands politiek en defensie veel meer als eenheid moet opstellen. Een week of twee geleden pleitte hij voor: “een flinke pot geld …om toekomstige pandemieën het hoofd te bieden.” En wie moet die pot creëren? De Europese Unie! Voor iemand die geen ‘voorstander is van ‘centraal Europees gezag’ pleit hij wel vaak voor ‘centraal Europees gezag’. ‘Centraal Europees gezag’ dat er op verschillende terreinen trouwens al is. Het enige waaraan het dat ‘centraal Europese gezag’ mankeert, is slagkracht en democratische controle. En nog iets, namelijk middelen om dat gezag kracht bij te zetten.

Met het schrijven van Prikkers verdien ik, tot mijn verdriet, geen droog brood. Toch doe ik het omdat het mij energie geeft en het houdt mijn gedachten scherp. Om toch ‘droog brood’ en liefst iets meer te kunnen eten, werk ik als beleidsadviseur, veelal voor gemeenten. Daar gaat het mij nu even niet om. Maar dat werk leerde me wel dat Nederlandse gemeenten, dat klinkt misschien vreemd, iets gemeen hebben met de Europese Unie.  Gemeenten kunnen net als de EU niet voorzien in al hun eigen inkomsten.

Het gros van het geld, ongeveer tweederde waarop gemeenten draaien komt van de rijksoverheid. Een deel als algemene uitkering en een kleiner deel als doeluitkering. Het deel algemene uitkering mogen gemeenten vrij aanwenden. Een doeluitkering moet worden besteed aan het doel waarvoor het geld wordt gegeven. De gemeente is daarmee afhankelijk van de Rijksoverheid. Dit maakt haar kwetsbaar en dat blijkt. Sinds de gemeente verantwoordelijk is voor de jeugdzorg en de zorg voor ouderen, kampt een toenemend aantal gemeenten met tekort aan geld. Aan de ene kant hebben ze de plicht om die zorg te bieden. Aan de andere kant hebben ze geen mogelijkheid om die stijgende kosten te dekken via belastinginkomsten. Het eigen belastinggebied, de onroerende zaakbelasting, honden-, pecario- en toeristenbelasting is te gering. Bovendien begrenst de rijksoverheid de mogelijke stijging van de onroerende zaakbelasting, de belangrijkste van de gemeentelijke belastingen. De totale uitgaven van alle gemeenten bedragen zo’n 60 miljard per jaar. Dit is ongeveer 8% van het Nederlandse bruto binnenlands product (bbp).

Voor de Europese Unie geldt eigenlijk hetzelfde. Ruim tweederde is afkomstig uit de afdrachten van de landen. De ‘contributie’ om het zo maar te zeggen. Deze bedraagt zo ongeveer 1% van het bbp. Daarnaast zijn er de ‘traditioneel eigen middelen’, dat zijn invoerrechten. Deze worden, vanwege het steeds maar verlagen van deze rechten, steeds minder. Als laatste dragen landen een deel van de BTW af aan de Unie. De totale begroting van de Europese Unie bedraagt zo’n 160 miljard. Een fors bedrag maar het is net iets meer dan 1% van het Europees bbp. Voor het grootste deel van dat geld, de ‘contributie’ is de Unie afhankelijk van de landen en dat gaat de laatste jaren niet van harte. Het is al snel te veel.

Historische ervaring, zo leert mij Kapitaal en Ideologie van Thomas Piketty, laten zien dat defensie, grensbewaking en buitenlandse politiek gemiddeld anderhalf tot twee procent van het bbp kosten. Als je een ‘machtsblok’ wilt zijn, is er meer nodig laat Piketty zien. Die twee procent waren voor China, India en andere gekoloniseerde staten niet voldoende om ‘het Westen’ buiten de deur te houden. Volgens Piketty was de Westerse dominantie niet zozeer het gevolg van onze wapens en technisch vernuft. Die hebben zeker wel geholpen. Nee, ze was veeleer een gevolg van financieel vernuft. Vernuft dat eruit bestond om, vanaf ongeveer het jaar 1500 meer dan die twee procent ‘belasting’ bij de bevolking op te halen. Dat meerdere werd gestoken in legers. Legers die binnen Europa elkaar bevochten en die in toenemende mate werden gebruikt om de wereld te domineren en zo rijkdom van elders naar Europa te laten stromen. Rijkdom in de vorm van goud en zilver en later in de vorm van grondstoffen voor de productie van goederen. Goederen die vervolgens in de koloniën werden afgezet. Goederen waarvan de productie in de koloniën werd gesaboteerd en verboden.

Een overheid is zo sterk als haar zeggenschap over haar inkomsten. De Europese Unie staat er op dat gebied net zo slecht voor als de Nederlandse gemeenten. Ze moet ‘bedelen’ om geld. Mijn vorige, als bewerking van Dickens’ A Christmas Carol vormgegeven, Prikker sloot ik af met de zin: “Zou Wopke ‘de beste Europeaan ooit’ worden?” Wellicht dat het Hoekstra lukt om ‘beste Europeaan’ te worden, als hij zijn pleidooi voor Europa als machtsblok kracht bijzet. Kracht bijzet door te pleiten voor een sterk democratisch gecontroleerd centraal Europees gezag. Een gezag met duidelijke bevoegdheden, waarvan Hoekstra er in het verleden een paar heeft genoemd, en een stevig eigen belastinggebied. 

Wat zou dan dat eigen belastinggebied moeten zijn? Ook daarvoor biedt Piketty aanknopingspunten: de belasting op bedrijfswinsten, de vennootschapsbelasting. Een terrein waarop Europese landen met elkaar concurreren en waar vooral de grote multinationals van profiteren. Profiteren omdat ze landen tegen elkaar uitspelen en, zoals Shell volgens Trouw, afspraken maken, zogenaamde rulings, met overheden waardoor ze nog minder betalen. Door deze belasting naar Europees niveau te centraliseren, wordt dit een stuk lastiger en vervalt in ieder geval de concurrentie tussen de landen van de Unie.

Van de revenuen van deze belasting moet de Europese Unie vervolgens alle taken vervullen die haar zijn toebedeeld, defensie, buitenlandse politiek, grensbewaking, versterken van de economische structuur en ook optreden in geval van crisis. De contributie kan dan vervallen, net als de uitgaven van de landen op de terreinen waar de Unie verantwoordelijk voor wordt. Als dat defensie is, dan vervallen de Nederlandse defensie-uitgaven. Net zoals de Nederlandse douane dan een onderdeel wordt van de Europese. Als het Hoekstra lukt om dit te bereiken dan komt hij in aanmerking voor de titel ‘beste Europeaan ooit’.

Uitgelicht

‘A Corona Carol’

Op een avond zit Wopke thuis na te genieten van een overleg met Europese ministers van Financiën. Hij heeft vooral die Zuidelijke collega’s goed op hun nummer gezet. Die willen profiteren van ‘corona’ en ‘feesten’ op ‘zijn’ kosten. Nou over zijn lijk. Plotseling wordt er op de deur geklopt. Hij opent de deur en staat oog in oog met Hendrikus Colijn, minister van Financiën van 1923 tot 1926 en minister-president van 1933 tot 1939. In zijn tijd de minister die strenge bezuinigingen doorvoerde. Iets waar ook de kabinetten onder zijn leiding om bekend stonden. Aan zijn been een ketting met een zware bol die hem belet eeuwige rust te vinden. Aan die ketting de uitspraken waarmee hij de ernst van situaties probeerde te bagatelliseren. Uitspraken zoals: “Wacht nu maar rustig af en laat uw vakantie – voor zover u die in een of andere vorm genieten kunt – vooral niet in de war sturen door een nieuwe zenuwachtigheid.”  Een uitspraak uit het crisisjaar 1935. Maar ook de bekende uitspraak: “Ik verzoek den luisteraars dan ook om, wanneer zij straks hun legersteden opzoeken, even rustig te gaan slapen als zij dat ook andere nachten doen. Er is voorhands geen enkele reden om ongerust te zijn.” Gedaan nadat Hitler tegen de afspraken in zijn troepen het Rijnland liet bezetten. Colijn waarschuwt Wopke dat hem hetzelfde kan overkomen vanwege zijn krasse uitspraken en onderschatting van de ernst van de situatie.  ‘En oh ja Wopke’, zo zegt Colijn: “er komen nog drie andere geesten.”

Zo net na middernacht schrikt Wopke zich een hoedje. De geest van het Verleden staat ineens in zijn slaapkamer en neemt hem mee terug naar het einde van de Tweede Wereldoorlog. De Geest laat hem zien hoe mensen zoals Robert Schuman en Jean Monet werkten aan de oprichting van iets nieuws: Europese samenwerking. Daarbij vonden ze een partner in de Duitse christendemocraat Konrad Adenauer. Iets nieuws om dat ze met hun voeten in de puinhopen van het enge nationalisme stonden. De Geest regelt een gesprek tussen Wopke en de drie. Tijdens dat gesprek verhelderen de drie welk een ellende er komt van eng vasthouden aan het ‘landsbelang’ en het ‘eigen gelijk’.

Zo rond een uur of twee meldt de Geest van het Heden zich. Die Geest voerde Wopke naar de uitpuilende ziekenhuizen in Italië en Spanje en liet hem zien dat corona die landen een enorme klap toebracht. Vervolgens voerde de Geest Wopke mee naar de verblijven van vluchtelingen in Italië en de Griekse eilanden. Wopke kreeg de ellende van de vluchtelingen te zien en de wanhoop van de bewoners van die Griekse eilanden. Zo kon hij zich een goed beeld vormen van het ‘succes’ van de vluchtelingen deals. En nu ze toch in Griekenland waren, kreeg hij de gevolgen te zien van de Euro-crisis. De werkloosheid onder de Grieken die, om de woorden van Wopkes voorganger te gebruiken, ‘hun geld aan drank en vrouwen uitgeven om vervolgens bij mij bijstand te vragen.’ Als laatste kreeg Wopke een inkijkje in de wereld van financiële markten, de bankiers en beleggers. Die sloegen zich op de benen van het lachen. Toen Wopke hen vroeg waarom ze lachten, vertelde ze hem dat ze wel erg makkelijk geld konden verdienen. ‘Hoe dan?’, vroeg Wopke. ‘Ach stommeling’, zei een van hen. ‘Wij kunnen onbeperkt risico’s nemen. Als het fout gaat, laten jullie de belastingbetaler ervoor opdraaien. Dat is pas win-win. Zeker omdat wij geen belasting betalen dankzij belastingparadijs Nederland.’ 

Om vieren komt de Geest van de Toekomst op bezoek. ‘Kom Wopke, dan laat ik je zien hoe je toekomst eruit ziet.’ De Geest nam Wopke mee naar de Rotterdamse Haven. Wopke schrok: een troosteloze bedoeling. Roestende havenkranen, lege containerhavens. ‘Wat is er gebeurd?’, vroeg Wopke. ‘Straks’, zei de Geest. Eerst even nog wat plaatsen bezoeken. Via de overwoekerde gebouwen van ‘Brainport Eindhoven’, het bijna Middeleeuws aandoende Venlo, kwamen ze uiteindelijk op de Zuidas. Een grote watervlakte, net als trouwens de rest van Amsterdam. ‘Zo nu zal ik je zeggen wat er is gebeurd’, zei de Geest en hij begon zijn verhaal. In het kort kwam dit erop neer dat de Europese Gemeenschap door het vrekkige gedrag van Wopke definitief in een neerwaardse spiraal was gekomen. In 2022, zo vertelde de Geest, was de Unie uit elkaar gevallen en hadden alle landen hun grenzen weer potdicht gemaakt. ‘Maar onze handelsgeest maakt ons toch onkwetsbaar?’, vroeg Wopke. ‘Dat dacht je maar’, zei de Geest. ‘Alle internationale handel van Duitsland gaat via Hamburg. Italië, Griekenland en Spanje zijn een soort kolonie van China en leveren grondstoffen voor de Chinezen. Vervolgens krijgen ze die als product terug.’ Zo vertelde de Geest. En toen de armoede echt had toegeslagen, sloeg ook het noodlot toe. Tijdens een zware storm brak de Hondsbosse Zeewering en liep een groot gedeelte van Nederland onder. Op de vlucht voor het wassende water, liepen de Hollanders zich ‘dood’ op de Duitse en Belgische grens. Vluchtelingen waren niet welkom. Die moesten maar in ‘de regio’ worden opgevangen. Daarmee werden de hoger gelegen gebieden van Nederland bedoeld. Die zaten echter ook niet te wachten op de ‘Hollanders’ omdat ze zelf het hoofd maar net boven water konden houden. Daarop brak een burgeroorlog uit die het land terugwierp naar iets wat vergelijkbaar is met de Middeleeuwen.

Iedereen van mijn leeftijd en wellicht ook veel jongeren, zal de film wel eens hebben gezien. Scrooge de verfilming van Dickens’ A Christmas Caroll. Het verhaal van de oude vrek Ebenezer Scrooge die geen kerst viert en iedereen om zich heen het vel over de oren trekt zonder te kijken naar de situatie waarin iemand verkeert. Kerstnacht krijgt Scrooge ‘bezoek’. Eerst komt de geest van zijn overleden zakenpartner Marley. Marley zit vastgeketend aan zijn slechte daden uit het verleden en waarschuwt Scrooge dat hem hetzelfde zal overkomen als hij zijn leven niet betert. Marleys geest kondigt nog drie andere geesten aan die hem die nacht zullen komen bezoeken. Als eerste komt de Geest van de Voorbije Kerst bij hem op bezoek. Die laat hem zijn verleden zien en welke invloed zijn daden of het nalaten ervan hadden op de mensen in zijn omgeving. Dan komt de Geest van de Huidige Kerst. Die laat hem zien hoe mensen om hem heen het feest vieren. Of eigenlijk, hoe ze er in al hun ellende het beste van proberen te maken. Als laatste de Geest van de Toekomstige Kerst. Die laat hem zien hoe mensen ‘feestvieren’ na zijn overlijden en dus hoe hij herinnerd wordt. Al die geesten bewerken Scrooge zodanig dat hij als een heel ander mens wakker wordt. Uiteindelijk wordt hij de ‘beste inwoner die de stad ooit heeft gekend’.

Zou Wopke ‘de beste Europeaan ooit’ worden?

Uitgelicht

‘Corona-heffing’

“Schuld haalt energie van de toekomst naar het heden. Daar staat tegenover, dat door te sparen energie uit het verleden kan worden vergaard en naar de toekomst kan worden gestuurd.” Dit schrijft Tomáš Sedláček op pagina 109-110 van zijn boek De economie van goed en kwaad. Hij ziet schulden aangaan als een vorm van tijdreizen. Ik moest hieraan denken toen in de Volkskrant een klein interview las met de directeur van de Nederlandsche Bank Klaas Knot. Knot zegt daarin: “Ik stel dat op iedere vergadering aan de orde. Maar duidelijk is dat de regels van het Verdrag van Maastricht permanente monetaire financiering van eurolanden verbiedt.” Het ‘dat’ is de afwikkeling van het opkopen van schulden door de Europese Centrale bank (ECB).

Om welke bedragen gaat het dan? “De ECB heeft tot nu toe voor 2,6 biljoen (2600 miljard) obligaties in het eurosysteem opgekocht. Dat loopt dit jaar door nieuwe opkoopprogramma’s op tot 3,6 biljoen op een totale schuld van 10 biljoen euro.” De totale schulden van de Eurolanden bedragen dus zo’n 10 biljoen en daarvan heeft de ECB er nu al 2,6 biljoen opgekocht. En dan niet alleen van de ‘zwakke Zuid-Europese Eurolanden’. Nee: “Van de Nederlandse staatsschuld van 400 miljard is al eenderde in handen van de ECB.” Er gaan dagen in mijn leven, tot nu toe alle, voorbij dat ik een dergelijk bedrag niet tot mijn beschikking had. We hebben in het verleden daarmee flink toekomstige energie tot ons genomen. Die moet ooit worden afgelost en daarover betalen we rente. In Kapitaal en Ideologie onderzoekt Thomas Piketty ongelijkheid in het verleden en in verschillende samenlevingen. In dit boek beschrijft Piketty verschillende manieren waarop er in het verleden met schulden werd omgegaan. Misschien biedt dit aanknopingspunten voor het beantwoorden van Knots vraag. Daarom hieronder de opties. 

Een eerste variant is afbetalen. Dan betalen onze nakomelingen Sedláčeks ‘energierekening’. Om die rekening te kunnen betalen moet een land een overschot hebben op de begroting en dat overschot moet worden besteed aan het betalen van de rente op, en het aflossen van de schuld. Een goed voorbeeld van wat het aflossen van een schuld voor een land kan betekenen, is Haïti. Dat land werd in 1804 onafhankelijk van Frankrijk. Dit na de enige succesvolle slavenopstand in de geschiedenis. Nou ja succesvol. Dat succes kwam tegen een enorm hoge prijs. Haïti was begin 19e eeuw de grootste en belangrijkste producent van suiker. Na de onafhankelijkheid verplaatste de suikerproductie zich naar andere eilanden, zoals Cuba, waar slavernij nog ‘normaal’ was. Pas in 1825 erkende kolonisator Frankrijk de onafhankelijkheid en gaf het aan bereid te zijn af te zien van een invasie van het land. Die bereidheid kostte Haïti 150 miljoen goudfranken als vergoeding aan de voormalige slavenhouders. Haïti heeft er tot 1950 over gedaan om die schuld af te betalen en behoort nu tot de armste landen van de wereld.

Aflossen is ook de manier waarop Nederland met de staatsschuld omgaat. Alhoewel aflossen. Als we naar de ontwikkeling van de Nederlandse staatsschuld kijken, dan valt op dat die bijna permanent groeit. Alleen de afgelopen drie jaar is er wat afgelost. Nederland lost niet af, het leent om oude leningen af te lossen en legt de ‘energierekening’ bij de komende generaties. 

De geschiedenis leert dat er ook andere manieren zijn. De meest drastische manier waarop een heerser in vroeger eeuwen zijn schulden kon voldoen, was het uitschakelen van de schuldeiser. Je dood de schuldeiser en zijn familie en er is niemand meer die de schulden komt innen. Een zeer drastische manier met als nadeel dat er niemand meer iets aan je zal lenen. De gedoden kunnen het niet meer en de levenden met een flink vermogen, kijken wel uit om je nog wat te lenen. Trouwens niet alleen vroeger. Het Irak van Saddam Hoessein gebruikte deze variant toen het in augustus van 1990 Koeweit binnenviel. Koeweit was, naast Saoedi-Arabië, een van de belangrijke financiers van Irak toen dat land Iran binnenviel. Koeweit was (en is) als de dood voor het Iran van de ayatollahs dus de Iraakse inval in Iran kon op sympathie rekenen. Het Iraakse verzoek om in ieder geval een deel van die schulden kwijt te schelden, kon op minder sympathie rekenen. Daarop probeerde Irak een schuldeiser uit te schakelen.

Een tweede manier die vroegere machthebbers gebruikten was het ge- en sommigen zullen zeggen misbruik maken van hun muntrecht. Door de hoeveelheid goud of zilver in een munt te verminderen, slonk de schuld. De duizend gouden florijnen die de koning je schuldig was, bevatten ineens minder goud waardoor de koning goedkoper uit was. 

In onze moderne tijd waarin geld geen goud meer bevat maar leeft van vertrouwen, noemen we dit inflatie. Direct na de Tweede Wereldoorlog gebruikte Frankrijk deze manier om de door de oorlog fors gegroeide schuldenlast te laten slinken. Tussen 1945 en 1948 was de inflatie 50% waardoor die schuld als sneeuw voor de zon verdween. Reken maar mee. Na één jaar is de schuld van 100 nog steeds 100 maar je kunt voor die honderd maar voor 50 spullen kopen. Weer een jaar later nog maar 25 en via 12,5 uiteindelijk 6,25. Deze manier kent als nadeel dat je voor het loon wat je verdient, steeds minder kunt kopen. Tenzij natuurlijk de lonen, in het Franse voorbeeld ieder jaar met 50%, stijgen. Dan blijft de koopkracht behouden. De schade wordt op deze manier verplaatst naar degenen die je het geld hebben geleend. Zij krijgen Sedláčeks ‘energierekening’ gepresenteerd. Dat waren in het Franse geval, vooral de zeer vermogende lieden. Daarbij is het goed om te weten dat vermogen voor de twee oorlogen extreem ongelijk was verdeeld. De rijkste 10% bezat in de Europese landen tussen de 85 en 95% van al het vermogen. De rijkste 1% zo rond de 60%. Die konden daarmee wel wat lijden.

Een andere manier om van de schulden af te komen, werd door de Sovjet Unie toegepast. Die verklaarden een nieuwe staat te zijn en niet de rechtmatige opvolger van het Tsarenrijk. Dit betekende dat alle schuldeisers, en dat waren ook veel van die vermogende westerlingen, naar hun centen konden fluiten. Dat ‘fluiten’ deden ze niet zonder slag of stoot. Daarbij werd de ‘kanonneerboot diplomatie’ toegepast. Die ‘diplomatie’ was al verschillende keren met succes toegepast, bijvoorbeeld in China. Als de Chinese keizer leningen niet wilde betalen, dan stuurden alle Westerse landen samen oorlogsschepen en troepen om de keizer weer in het gareel te krijgen. Die leningen waren de Chinezen trouwens opgelegd ter bekostiging van bijvoorbeeld de ‘Opiumoorlog’ die zij van de Engelsen verloren. En ook de kosten van die ‘kanonneerboot diplomatie’ werden weer bij het slachtoffer gelegd. De Verenigde Staten, de Fransen en Engelsen stuurden troepen naar de nieuwe Sovjet Unie. Troepen die aan de kant van de ‘witten’, de aanhangers van de tsaar, streden tegen de ‘roden’, de Sovjets. Deze keer echter tevergeefs, de ‘roden’ wonnen de strijd en de schuldeisers konden fluiten naar hun geld en hun bezittingen in de nieuwe Sovjet Unie. Een mildere variant hiervan is nationalisatie van land en bedrijven. Ook die bieden een mogelijkheid omvat schulden af te komen.

Even terzijde. ’Kanonneerboot diplomatie’ wordt tegenwoordig trouwens nog steeds toegepast. De reactie op de hierboven aangehaalde Iraakse inval in Koeweit zou je in dit licht kunnen zien. Net zoals het zenden van schepen naar de Perzische golf om Iran in het ‘gareel’ te krijgen. De meest voorkomende variant van moderne ‘kanonneerboot diplomatie’ zijn de economische sancties.

Een redelijk recente manier om schulden af te betalen is extra progressieve belastingheffing op vermogen. Deze manier werd voor het eerst na de Eerste Wereldoorlog toegepast. Piketty (pagina 475): “ Al meteen na de Eerste Wereldoorlog, tussen 1919 en 1923, waren in verschillende Europese landen, Italië, Tsjechoslowakije, Oostenrijk en Hongarije onder andere, speciale heffingen op privékapitaal uitgeprobeerd met percentages tot 50% voor de hoogste vermogens. Een van de ingrijpendste maatregelen, die ook het meeste opleverde, lijkt de speciale Japanse heffing van 1946-1947 te zijn geweest met percentages tot 90% voor de grootste effectenportefeuilles. De nationale solidariteitsbelasting waar in 1945 in Frankrijk toe werd besloten valt ook in die categorie, als was de opbrengst bedoeld voor de algemene begroting en niet specifiek om de schuld te verminderen.”  

Als we naar de verschillende manier om met schulden om te gaan kijken, dan is aflossen natuurlijk de meest nette. Alhoewel netste manier? Als je kijkt naar wie dan het gros van de rekening betaalt, dan zijn het vooral de zwakkere schouders die de lasten dragen. Het voorbeeld ‘Haïti’ laat zien dat de rijke Franse slavenhouders volledig werden ‘gecompenseerd’ voor hun geleden schade. Dit terwijl de voormalige slaven de rekening moesten betalen. Dit komt in grote lijnen overeen met de manier waarop we nu met ‘schulden’ omgaan. Neem de recente ‘Eurocrisis’. Wie werden er gered en wie betaalde de rekening? Waren het niet de grote financiële instellingen die werden gered ten koste van bijvoorbeeld de ‘gewone Griek’? Die laatste verloor een groot deel of al zijn inkomen terwijl de ‘Europese kredieten’ de banken redden. Degenen met de grootste vermogens, die 1% en zeker de 0,1% hadden hun schaapjes al naar het veilige ‘droge’ gebracht. Hun belangen werden goed vertegenwoordigd door de banken en de financiële markten.

Het mooie aan een virus zoals het huidige corona is dat het niet discrimineert naar inkomen. Het houdt geen rekening met je vermogen. Dat wil niet zeggen dat vermogende er niet beter voor kunnen staan. Quarantaine in een villa is wat anders dan in een flatje. Zeker als je in die villa je eigen IC kan inrichten. Bij het bestrijden van dit virus, moet iedereen een bijdrage leveren. De arts en verpleegkundige doen dit in het ziekenhuis. Ik door zoveel mogelijk thuis te blijven en door een stuk inkomen in te leveren. Zo moet iedereen zijn deel bijdragen. 

Zou dat niet ook bij het betalen van de rekening moeten gebeuren? En als we dan toch bezig zijn, zullen we daar dan de rekening van de vorige crises niet ook maar in meenemen? Het ‘doden’ van de schuldeisers gaat mij daarbij te ver. Het ‘nationaliseren’ van zaken, zoals patenten (op geneesmiddelen) waarvoor in Keuze na corona  pleit, is meer iets om komende crises te bestrijden. Daar hebben we nu niets meer aan. Inflatie kan helpen om de schuld draaglijker te maken. Dit is zeker aantrekkelijk maar dit moet wel worden gecombineerd met een stijging van de inkomens. Anders betalen de rijken met geld en de armen met hun leven. 

Blijft over de heffing op kapitaal, een ‘Europese corona-heffing’ op vermogen waarmee we de staatsschulden voor het grootste deel afbetalen. Een interessante optie. De vermogende 10 en 1% betaalt de rekening aan zichzelf. De overige 90% draagt de gevolgen van de economische dip. Gevolgen zoals bijvoorbeeld baanverlies.

Uitgelicht

Keuzes na corona: ‘effecten’

Op de site van de overheid is de lijst met cruciale beroepen of vitale processen te vinden. Die lijst van cruciale beroepen maakt nederig. Het zijn precies die beroepen die er bekaaid af komen voor wat betreft beloning. Leraren, verpleegkundigen en vuilophalers bevolken niet de bovenkant van het loonhuis. De lijst met cruciale processen bevat zaken als drinkwater, stroom-, olie- en gasvoorziening maar ook moderne zaken zoals internettoegang. Bij alle processen op de lijst kan ik mij een beeld vormen van het belang voor ons dagelijkse leven.  

Zonder drinkwater hebben we een groot probleem. We kunnen immers maar een paar dagen zonder eten. De lijst laat zien dat een ramp waarbij de elektriciteit langdurig uitvalt ons leven helemaal stillegt. Voor wie daar meer moeite mee heeft, lees het boek De Tweede Slaap van Robert Harris. Bij allemaal? Nee, niet bij allemaal. Van één proces op de lijst zie ik het belang voor onze samenleving niet in. Zeker niet in tijden van crisis. Dat proces is het effectenverkeer.

In zijn uitzending van zondag 22 maart besteedde Zondag met Lubach aandacht aan een klein fragment van het ‘effectenverkeer’. Aan de ‘flitshandel’. ‘Flitshandelaren’ maken via snelle computerprogramma’s en verbindingen gebruik van tijdsverschillen in de aanpassingen van prijzen. Van minieme tijdsverschillen tussen de aanpassing van de prijs van een aandeel op de ene en de andere beurs. Is de beurs in Amsterdam bijvoorbeeld ietsjes ( bijvoorbeeld een milliseconde) later met het verlagen van de prijs dan de beurs in Parijs, dan kan je in Parijs heel snel kopen en tegen de nog hogere prijs in Amsterdam verkopen. Hoeveel doden zouden er vallen als dit niet meer mogelijk zou zijn? Hoeveel minder zouden we te eten of te drinken hebben als dit niet meer kon? Diezelfde vragen kun je ook stellen bij de ‘gewone’ aandelenhandel. Hoe ‘cruciaal’ is die nu werkelijk? Zou Phillips die broodnodig beademingsapparaten niet meer kunnen maken als er niet meer kan worden gehandeld in het aandeel Phillips? 

Even een stukje geschiedenis van het aandeel. Die geschiedenis begint niet met de Vereenigde Oost-Indische Compagnie, de VOC. Die werd in 1602 opgericht en was een naamloze vennootschap met vrij verhandelbare aandelen. De VOC kreeg het monopolie op de handel met, zoals dat later ging heten, de Oost. Omdat die handel zeer risicovol en kostbaar was, niet te betalen voor een individu, werd de VOC opgericht als bedrijf waarin mensen geld konden inbrengen en naar rato van de inbreng deelden in de winst. Nee, die begint twee jaar eerder in Londen waar om dezelfde reden en min of meer op dezelfde manier de East India Company werd opgericht. 

De constructie om een flinke investering te bekostigen door mensen een aandeel te geven in het bedrijf werd steeds populairder. Je nam een aandeel in een bedrijf omdat je verwachtte dat het je goed rendement opbracht. En, mocht je even krap zitten, dan kon je het aandeel altijd weer verkopen. Aandelenhandel was in de basis vrij saai en gericht op de lange termijn. Het werd, vooral in de Verenigde Staten, minder saai in de jaren twintig van de vorige eeuw. De termijn waarop men handelde werd korter. Speculeren, het kopen en verkopen van aandelen met als streven om op korte termijn winst te maken als gevolg van een stijging van de prijs van het aandeel, werd populairder. Dit leidde tot een flinke zeepbel die uiteindelijk in 1929 knapte. 

Na de Tweede Wereldoorlog werd de beurs weer saaier. Bovendien werden vooral in Europa de raden van bestuur van bedrijven meer en meer bevolkt door andere belanghebbenden zoals de werknemers, maar ook vertegenwoordigers namens de overheid. Beursnieuws was iets voor het financieel dagblad en de financiële pagina van de Telegraaf. In de rest van de media werd er nauwelijks tot niet bericht over de gang van zaken op de beurs. 

Dit veranderde in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Economie, geld, aandelen, de beurs en de banken kregen een steeds belangrijker positie. Symptomatisch hiervoor is de berichtgeving over de beurzen. In de jaren tachtig van de twintigste eeuw besteedden het NOS-journaal en de actualiteitenrubrieken alleen aandacht aan de gang van zaken op de aandelenbeurzen als daar iets heel bijzonders gebeurde. Sinds Black Monday (19 oktober 1987) neemt het beursnieuws eens steeds prominentere plaats in en tegenwoordig is de met RTL Z zelfs een zender die permanent aandacht besteedt aan de gang van zaken op de diverse beurzen. De beurs is er niet meer voor beleggers, maar voor speculanten en, zoals Lubach liet zien, ‘flitshandelaren’. Speculanten in milliseconden. Dat daarmee goed geld is te verdienen, zowel bij stijgende als bij dalende koersen, bleek ook uit de uitzending.

Nu weer terug naar de vragen. Hoeveel doden zouden er vallen als dit niet meer mogelijk zou zijn? Hoeveel minder zouden we te eten of te drinken hebben als dit niet meer kon? Ik denk dat er door het stilleggen van deze handel geen enkele dode valt. Ook zal het niet leiden tot voedselschaarste of gebrek aan drinkwater. Wat maakt dit dan tot een cruciaal proces dat toch echt moet doorgaan? Dat moet dan liggen in wat het oplevert. Maar wat levert het op behalve de winsten voor de ‘flitshandelaren’? Wat levert het op behalve berichten over kelderende beurskoersen en bijgevolg zorgen en wellicht paniek over de economie en de baan? Ik kan niets bedenken. Wellicht dat een van jullie, mijn lezers, het weten. 

Wat kunnen we hieruit meenemen voor de ‘na-coronese wereld’? Daarvoor terug naar een uitzending van Tegenlicht die ook op die zondag werd uitgezonden. In die uitzending gaven virologen aan wat er nodig is om ons ‘virusbestendig’ te maken. Daarvoor is meer geld nodig voor onderzoek en mensen die dit onderzoek kunnen verrichten. Een van de geïnterviewden gaf aan dat gebruik van algoritmes daarbij kon helpen. Laat mensen die dat goed kunnen nu in dienst zijn bij die ‘flitshandelaren’. Daar gebruiken ze hun kennis om geld te schrapen. Die betalen hen daar grof geld voor. Volgens Lubach lag bij een van die bedrijven het gemiddelde salaris op een half miljoen per medewerker. 

Daarmee zijn we bij een punt aanbeland dat ik in de vorige Prikker over het ‘na-coronese tijdperk’ ook maakte, namelijk dat: “een vrije markt niet automatisch het algemeen belang dient.” Het algemene belang, de ‘virusbestendigheid’, legt het qua salaris flink af tegen de ‘flitshandel’. ‘Dan moet het algemeen belang maar meer betalen!’ Zou een neoliberaal kunnen roepen. Een terecht punt. Als we ‘virusbestendigheid’ belangrijk vinden, dan moeten we ervoor betalen. Nu zal de neoliberaal wat minder blij worden want dat ‘meer’ gaan we betalen van het afromen van winsten van de ‘flitshandel’ en de salarissen van de ‘flitshandelaren’. Dat kan door alle inkomen boven een bepaalde bedrag, bijvoorbeeld  € 150.000, te gaan belasten met een tarief van 80%.  Bij een gemiddeld ‘flitshandelsalaris’ van een half miljoen, levert dat ruim € 110.000 extra inkomstenbelasting op.  Het algemeen belang is immers in het belang van iedereen en daaraan moet iedereen naar vermogen bijdragen.

Uitgelicht

Keuzes na corona: wat vooraf moet gaan

Dat kan door het systeem van patenten af te schaffen. Patenten belemmeren de technologische ontwikkelingen.” Dit schreef ik in mijn vorige Prikker. Een Prikker waarin ik een begin maakte met het zoeken naar meerdere wegen die we in kunnen slaan na de corona-crisis. Toen ik die Prikker na de publicaties ervan nog eens las, kwam ik tot de conclusie dat ik iets ben vergeten. Ik ben met een specifiek onderwerp aan de slag gegaan terwijl we het eerst over algemene uitgangspunten of ontwerp criteria, voor het ‘na-coronese tijdperk’ moeten hebben. Daarom nu een stap terug.

Die stap terug begint met het kijken naar wat er nu ‘fout’ gaat. Vervolgens moeten we naar alternatieve wegen zoeken. Wegen die we vervolgens kritisch moeten bekijken op hun voor- en nadelen. Daarbij kan het bestuderen van het verleden ons helpen. En dan niet alleen ons eigen verleden maar ook van andere gebieden in de wereld. Laten we eens beginnen met de eerste vraag: waar gaat het nu fout? En dan niet fout in de zin van hoe dit virus de mens kon besmetten. Dat kan altijd gebeuren. Dat kunnen we nooit voorkomen. Nee, fouten in onze economische en maatschappelijke ordening.

Het algemeen belang, zo luidt de theorie van de neoliberalen, is een optelling van alle individuele belangen. En dat algemeen belang wordt gewaarborgd op de vrije markt. Die markt zorgt voor het optimale evenwicht tussen vraag en aanbod. Werkt dat ook in crisistijden? Een crisis maakt zaken expliciet die in een normale toestand impliciet blijven. In een normale toestand spelen ze een rol, maar valt het minder op. 

Laten we eens naar een voorbeeld kijken : de mondkapjes. Op sommige plekken zijn ze nodig op andere plekken nog niet. Maar omdat men op die plekken ziet wat er gebeurt, willen ze zich voorbereiden door een voorraad aan te leggen. In normale omstandigheden weten de gebruikers wat ze nodig hebben. Er is voor een paar dagen voorraad en die wordt steeds aangevuld. Een veel grotere voorraad aanleggen en in stand houden, kan maar dat kost geld en dat is in normale tijden zonde. Nu is er veel meer nodig. Meer dan er waar dan ook op voorraad ligt. En, zoals de economen ons leren, als iets schaars is dan stijgt de prijs. Gevolg daarvan is, als er niet wordt ingegrepen, dat degenen die het meeste kunnen betalen, de spullen krijgen. Dit terwijl dit niet noodzakelijkerwijs degenen zijn die ze het hardst nodig hebben. Zo viel ook te lezen dat steenrijke Russen beademingsapparatuur kopen voor het geval dat… . En met zo’n apparaat ben je er niet. Je hebt ook verpleegkundigen en doktoren nodig. Die gaan dan aan de slag voor één persoon, terwijl ze er in dezelfde tijd veel meer mensen kunnen behandelen. Het lijkt mij trouwens sterk dat het alleen Russische rijken zijn die zoiets doen.

Dit maakt expliciet dat een vrije markt niet automatisch het algemeen belang dient. Als we kijken naar de ‘normaal toestand’ van voor corona, dan zijn er voldoende voorbeelden te benoemen dat de markt en het algemeen belang niet hetzelfde zijn. Een voorbeeld van vorig jaar. Novartis de producent van lutetium octreotaat, een medicijn tegen kanker, verzesvoudigde de prijs van het medicijn. Binnen de regels van het spel op de markt, kon dit. Het wrange hieraan is dat het middel is ontwikkeld door het Erasmus Medisch Centrum, een voor een zeer groot deel met gemeenschapsgeld gefinancierd ziekenhuis. Het Erasmus is een universitair medisch ziekenhuis en die hebben, naast het verlenen van zorg, nog een andere publieke functie, namelijk  het ontwikkelen van: “kennis over medisch-specialistische zorg en vertalen deze naar concrete toepassingen. Deze rol brengt hoge kosten met zich mee, die niet passen binnen de gangbare marktwerking. Om voldoende aanbod en kwaliteit te waarborgen, legt de overheid deze ‘kennistaak’ bij de umc’s. Hiervoor geldt een aparte financiering.” De ontwikkeling van dat medicijn is betaald door de Nederlandse belastingbetaler die het vervolgens als premiebetaler nogmaals mag betalen maar dan tegen een tarief dat het zesvoudige is van de originele prijs. 

Nu zullen jullie begrijpen waarom ik in mijn vorige Prikker tot de conclusie kwam dat we van de patenten, zeker op geneesmiddelen, af moeten. Maar dat is een praktische maatregel. Bezien we het van een abstracter niveau dan kun je constateren dat het algemeen belang, in ieder geval met betrekking tot de zorg, niet optimaal wordt bediend via de markt. Iets wat in ‘normale’ tijden al tot onwenselijke situaties leidt maar waarmee we nog kunnen leven, is in tijden van crisis niet houdbaar. Alleen moeten we ons de vraag stellen of we er in ‘normale tijden’ mee moeten willen leven? Of we ermee willen leven dat er bovenmatige winst gemaakt wordt. Bovenmatige winst zoals in het geval Novartis en lutetium octreotaat. Novartis staat hierin niet alleen en de farmaceuten als sector ook niet. Dergelijk gedrag zien we ook in andere sectoren. Hierbij hoeven we alleen maar te denken aan Facebook en Google. Alleen is het in de medische sector bijzonder cru dat er overmatig grove winsten worden gemaakt over de ruggen van zieken. Je kiest immers niet voor ‘ziekte’, het overkomt je. Daarin verschilt het van Facebook. 

Als je ergens niet voor kiest, moet dit dan via de markt, die gaat immers uit van keuzevrijheid, worden georganiseerd? Een interessante vraag en zo zijn er wel meer interessante vragen te stellen. Op het medische terrein maar ook op andere terreinen. Zou een belangrijk uitgangspunt voor de ‘na-coronese periode’ niet moeten zijn dat de markt uit het publieke domein moet?

Uitgelicht

Keuzes na corona

‘Never waste a good crisis’. Een uitspraak die wordt toegekend aan Winston Churchill maar of hij deze of een soortgelijke uitspraak werkelijk heeft gedaan, daar woeden flinke discussies over. Ook wordt er in tijden van crisis vaak verwezen naar het Chinese teken voor crisis, dat zou bestaan uit twee delen. Een deel ‘gevaar’ en het tweede deel ‘kans’. Een, naar het schijnt want ik ben geen kenner van het Chinees, opvatting die berust op een verkeerde interpretatie. Dat een crisis kansen biedt, staat buiten kijf. Kansen om je ten koste van anderen te verrijken door de prijs van bijvoorbeeld mondkapjes fors te verhogen. Maar ook kansen om zaken die onaantastbaar lijken, te veranderen. In een recente Prikker citeerde ik Piketty die ervoor pleitte om belangrijke gebeurtenissen in het verleden te zien als momenten waarop het verschillende kanten op kon gaan. Ik sloot die Prikker af met de woorden: “Een goed idee om Piketty’s advies ter harte te nemen en actief te zoeken naar die meerdere wegen.” Laat ik eens een begin maken met dat actief zoeken.

Op dit moment zoeken onderzoekers met man, macht en waarschijnlijk ook muis naar een geneesmiddel en een vaccin tegen ‘corona’ of beter gezegd covid-19. Om dat te bespoedigen delen ze direct alle informatie die ze verzamelen en alle ideeën die ze hebben. Door zo samen te werken borduren ze voort op elkaars werk, ideeën en hypotheses. Dat voortborduren vergroot de kans dat het medicijn of het vaccin worden gevonden. 

Als we kijken naar de technologische ontwikkeling van de mens, dan is dat niets nieuws. Ooit vond een mens of mensachtige uit dat je met scherpe stenen kon snijden. Daarop borduurde een andere voort door er een steel aan te bevestigen en de bijl was geboren. Weer een ander bevestigde een kleinere variant van zo’n scherpe steen op een lange stok en de speer was geboren. Via het wiel, het bewerken van brons en ijzer en de molen vond James Watt de stoommachine uit. Dat laatste is wat de ‘volksmond’ ons wil doen geloven. Watt borduurde voort op een eerdere versie van Thomas Newcomen. Rudolf Diesel borduurde voort en vond de verbrandingsmotor uit. Zo kunnen we doorgaan en komen we ook bij ons huidige ‘onmisbare’ mobieltje. Zonder die ‘snijdende steen’ van de onbekende uitvinder, was dat mobieltje er wellicht nooit geweest. Al die stapjes hebben ons gebracht waar we nu staan. 

De uitvinder van de ‘snijdende steen’ had, samen met zijn clan, tijdelijk een voordeel op de andere clans die nog niet wisten welke steensoort ze moesten gebruiken. Zo was het steeds met nieuwe uitvindingen. De uitvinders van het bronzen zwaard stonden even bovenaan. Totdat anderen ook over bronzen zwaarden beschikten. Die hadden vervolgens allemaal het nakijken toen iemand het ijzeren zwaard uitvond. In de periode dat je de ‘enige’ bent die bepaalde kennis heeft, heb je een voordeel op alle anderen. Tegenwoordig kun je dat voordeel in patenten laten vastleggen. Dat patent geeft jou het exclusieve recht tot het maken of verkopen van het product. Zolang het patent loopt, geniet jij als patenthouder dat voordeel en kun je eraan verdienen. Dat verdienen wordt gerechtvaardigd met het argument dat dit de beloning is voor de uitvinder zijn investering en zijn harde werk. Zonder die bescherming zou een ander het na kunnen maken en produceren zonder de flinke investeringen die het jou heeft gekost. Op wereldschaal verwijten de Verenigde Staten, bij monde van president Trump, dat China dit doet. China kopieert en produceert en dat gaat ten koste van de ‘uitvindende Amerikanen’. Dat lijkt logisch maar is het wel zo logisch?

Zoals ik hierboven al schreef, werken wetenschapper nu met man en macht aan een vaccin en een medicijn. Hierboven schreef ik ook nog ‘met muis’ waarbij ‘muis’ staat voor eventuele dieren waarop kansrijke stoffen worden getest. Dat doen zij door kennis te delen. Uiteindelijk is er één de gelukkige uitvinder van het vaccin. Die zal de boeken in gaan als de nieuwe Alexander Fleming, de uitvinder van de penicilline. De Nobelprijs voor de geneeskunde zal zijn of haar deel zijn. Het bedrijf waarvoor de persoon werkt, zal zich kunnen verheugen op flinke omzet en winst. Werkt de persoon voor een universiteit, dan zal er vast een bedrijf klaar staan met een lonkende zak geld in ruil voor de kennis en vooral het patent. Het voorbeeld werd deze week al gegeven toen bekend werd dat de Amerikaanse president Trump probeerde de exclusieve rechten op een mogelijk vaccin tegen het virus van een Duits bedrijf te kopen. Het cashen kan beginnen. ‘The winner takes it all’, zoals ABBA, niet mijn soort muziek maar dat zullen mijn vaste lezers vast al wel weten, al zong. En dat past precies bij onze meritocratische samenleving. Een samenleving waar iedereen wordt beoordeeld op zijn verdienste.

Maar borduurt de ‘winner’ niet voort op de uitvindingen van zijn voorgangers? Zij of hij voegt iets toe aan het werk van vele voorgangers. En niet alleen aan het werk van de ‘winnaars’ onder die voorgangers. Ook al die wetenschappers en onderzoekers die, naar straks zal blijken, het ‘dode spoor’ op weg naar het vaccin onderzoeken. Ook die leveren een flinke bijdrage. Wat het ‘winnende spoor’ is, weet vooraf immers niemand. De investeringen in een ‘dood spoor’ zijn net zo hoog en misschien nog wel hoger dan in het ‘winnende spoor’. Alleen levert het aan het einde van de rit geen rendement op . ‘The loser’s standing small. Beside the victory. That’s her destiny.’  Zo vervolgt ABBA. Biedt covid-19 niet een uitgelezen kans om die ‘destiny’ eens te herzien? 

Dat kan door het systeem van patenten af te schaffen. Patenten belemmeren de technologische ontwikkelingen. Hoe? Laten we weer even dat vaccin nemen dat de winnaar ontwikkelt. Wellicht is dat door een uitvinding van een dood spoor te gebruiken wel veel efficiënter, sneller en goedkoper te produceren. Het patent van de ‘winnaar’ voorkomt dat de ‘verliezer’ verder kan experimenten met de vinding van de winnaar. Dat ‘recht’ komt alleen de winnaar toe. De ‘verliezer’ kan er alleen mee verder werken als er een flink bedrag aan de winnaar wordt betaald. Zonder patent kan iedereen met de nieuwe vinding aan de slag.

‘Maar wie betaalt dan al dat onderzoek naar nieuwe medicijnen’? Een goede vraag. Wie betaalt het nu? Nu wordt het betaald door de uiteindelijke gebruikers van het product maar vooral via de verzekeringspremie en de belastingen die wij betalen. En een flink deel van die premie en belastingcenten vloeit in de vorm van ‘winst’ in de zakken van de farmaceutische bedrijven. In mijn ‘nieuwe wereld’ zijn wij het die nog steeds dat onderzoek betalen. Dat doen we via onze belastingen en een kleine opslag op het medicijn of vaccin. Die opslag verdwijnt in een onderzoeksfonds net als een deel van de door ons betaalde premie. Uit dat onderzoeksfonds bekostigen we al het medische onderzoek. Daaruit betalen we de winnaar en de verliezers allemaal hetzelfde.

Wellicht vraag je je nu af: ‘En die farmaceutische industrie dan?’ Die worden gewoon ‘pillendraaiers’ en voor dat ‘pillen draaien’ krijgen ze een vergoeding die hun kosten dekt en hen een kleine winst bezorgt. Hoe we dat doen? Dat doen we door de diverse ‘pillendraaiers’ te vragen een offerte op te stellen voor de productie van het medicijn of vaccin. De opdracht gunnen we vervolgens aan de goedkoopste ‘draaier’ en we betalen hem de prijs die de op een na laagste ‘draaier’ offreerde. 

Uitgelicht

Punt maken of paniekzaaien?

“Dit wordt een drama, mensen.” De laatste zin in een artikel bij De Dagelijkse Standaard van Michael van der Galien. Wat een drama wordt? De manier waarop, volgens Van der Galien in de medische wereld om wordt gegaan met corona-patiënten. Heeft Van der Galien een punt of zaait hij paniek?

Bron: https://pt.wikipedia.org

Wat is er aan de hand? In de Volkskrant een artikel waarin wordt vermeld dat driekwart van de mensen die aan corona zijn gestorven nooit op de Intensive Care hebben gelegen. “Dat komt deels doordat verpleeghuisartsen of huisartsen in samenspraak met betreffende patiënt en familie besluiten om de zieke gelet op leeftijd of toestand niet ‘in te sturen’ naar de ic.” Aldus Diederik Gommers de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care. Gommers: “Als de patiënt heel oud is, een slecht hart heeft en de afgelopen maanden al drie operaties heeft ondergaan, dan kan de arts soms in samenspraak met de familie besluiten dat het niet zinvol is om hem op de intensive care te gaan behandelen.”  

Dat is tegen het zere been van Van der Galien: “Soms? Soms? Je hebt het over driekwart van de sterfgevallen meneer Gommers. Dat is niet soms, dat is telkens weer! Oudere patiënten (met andere klachten) worden nu dus al opgegeven.” Nu worden er iedere dag mensen opgegeven. Dat is treurig voor de betreffende persoon en de naasten, het is echter onvermijdelijk. Sterven is namelijk de enige zekerheid die het leven biedt. Gelukkig zijn het in overgrote meerderheid ouderen die worden opgegeven. 

Omdat ‘corona’ nu hot is en het enige onderwerp waarover nog wordt geschreven en gesproken, komt dit in het nieuws. Het zijn echter niet alleen corona-patiënten. Als diezelfde oudere een gewone longontsteking zou hebben, dan zou er eenzelfde keuze gemaakt kunnen worden. Hetzelfde kan opgaan voor kankerpatiënten of patiënten met een onherstelbare herseninfarct. Als IC-opname niets toevoegt aan de zorg voor een patiënt, sterker nog als die opname een of twee dagen lijden toevoegt, waarom zou je iemand dan op de IC leggen? 

Er worden iedere dag zo’n keuzes gemaakt. Als er één ambulance beschikbaar is en er zijn twee vragen, dan wordt er ook gekozen. Een keuze die nadelig uitvalt voor één van de twee. Als de ene een oude man van 85 is en de ander een baby, dan is de kans groot dat de 85-jarige de dupe is. Het zijn trouwens niet alleen ouderen die dit kan raken. Nu, in een tijd van een gezondheidscrisis met maar beperkte middelen, wordt het maken van keuzes nog belangrijker. Dat er daarbij naar de leeftijd, maar vooral naar de levenskansen en -kwaliteit wordt gekeken, is niet meer dan reëel. Dat is geen drama, dat is verstandig. Van der Galien zaait paniek.

Uitgelicht

‘Koopt Nederlandsche waar…’

“Een fundamentele discussie is geboden over hoe Nederland verder wil als de Corona-epidemie voorbij is” Dit schrijft Johannes Vervloed aan het einde van een artikel bij Opiniez. Dit artikel haalde ik in mijn vorige Prikker ook al aan. Vervloed vraagt zich af: “hoe we onze samenleving kunnen beschermen tegen deze en een volgende pandemie.” Waaraan hij dan denkt: “We zouden meer zelfvoorzienend moeten worden waar het essentiële producten en diensten betreft.” Zoals ik mijn Prikker van gisteren eindigde, is het een: “goed idee om (…) actief te zoeken naar die meerdere wegen.” Dus hulde aan Vervloed. Toch knelt er iets.

Nadat hij zich afvraagt hoe we ons kunnen beschermen tegen een volgende pandemie, stelt hij de volgende vragen: “Moet Nederland niet weer baas in eigen huis worden en de grenzen kunnen sluiten als dat nodig is? En is het wel verstandig volledig afhankelijk te blijven van globale productieketens? Zijn sommige producten en diensten zo vitaal dat deze in ieder geval als back-up in eigen land geproduceerd en geleverd moeten kunnen worden?”  Deze vragen knellen. Hoe open zijn deze vragen? Laten we ze eens doorlopen.

Baas in eigen huis. “Als doordringt dat we in tijden van een crisis als de huidige van de EU geen antwoord hoeven te verwachten en de lidstaten op zichzelf worden teruggeworpen, verdient nationaal beleid een herwaardering.” Laat nu de gezondheidszorg juist een terrein zijn waar de landen van de Europese Unie volledig ‘baas’ zijn in het ‘eigen huis’. Dat maakt het niet meer dan logisch dat er geen EU antwoord komt. De EU heeft geen rol en dat maakt het cru om haar te verwijten dat zij geen ‘antwoord’ geeft. Behalve als je vindt dat de EU moet worden afgebroken. En dat is wat Vervloed vindt: “Wat mij betreft beperkt de EU zich tot de interne markt en de douane-unie, nodig voor een handelsland als Nederland.”

Dan die afhankelijkheid. Vervloed: “Sommige producten en diensten zijn zo vitaal dat je je niet volledig van buitenlandse toevoer afhankelijk moet willen maken. Voedselvoorziening is cruciaal voor ieder land.”  Vervloed trekt daaruit de volgende conclusie: “De Nederlandse boer zal dan ook weer in ere moeten worden hersteld en gepraat over halvering van de veestapel en verkoop van landbouwbedrijven moet ophouden.” Wacht eens. Die Nederlandse boeren en tuinders produceren vooral voor de buitenlandse markt. Nederland is een van de grootste exporteurs van landbouwproducten. Die boeren en tuinders varen wel bij de gratie van het buitenland. Voor eigen Nederlands gebruik kan die veestapel best worden gehalveerd. Kan best een fors deel van de tuinbouwbedrijven worden gesaneerd. Ook hier gebruikt Vervloed ‘corona’ op een zeer bijzondere manier om zijn eigen opvattingen kracht bij te zetten. 

Nog meer afhankelijkheid. “De eigen maakindustrie zal weer meer aandacht en ruimte moeten krijgen. We mogen het sprookje van Nederland als pure diensteneconomie die de meeste levensbehoeften uit het buitenland invoert niet meer blijven vertellen. We moeten onze eigen staal-, chemische en andere basisindustrie koesteren en voor lief nemen dat de CO2-uitstoot dan maar weer oploopt.” Wat Vervloed er niet bij vertelt, is dat de producten van die Nederlandse staal- en chemische industrie dan flink duurder worden. Of, en dan betalen we als inwoner de prijs op een andere manier, dat die fabrieken stevig gesubsidieerd moeten worden. ‘Koopt Nederlandsche waar, dan helpen we elkaar’, zo lijkt Vervloed te betogen.

Met de CO2- uitstoot komen bij de werkelijke vijand; “Wat de energievoorziening betreft houden we kerncentrale Borsele voor de zekerheid maar langer open.” Nu produceren alle elektriciteitscentrales in Nederland bij elkaar, volgens wikipedia, ruim 20.500 Mega Watt. Dit is zonder de zonnepanelen en windmolens. Daarvan neemt de kerncentrale in Borsele er 435 voor rekening. Dat is zo’n 2%. Ook hier lijkt Vervloed ‘corona’ te gebruiken voor andere doeleinden. Die doeleinden worden in de zin erna duidelijk: “Megalomane en geldverslindende klimaat- en energieplannen zoals de Green Deal van EU-commissaris Timmermans moeten in de la verdwijnen.” 

Vervloed beziet, om het citaat uit het boek Kapitalisme en Ideologie van Thomas Piketty dat in die vorige Prikker centraal stond te gebruiken, de corona-crisis deterministisch. Determinisme is een leer die stelt dat dingen niet willekeurig gebeuren. Ze gebeuren met een reden. Die reden kan in het verleden of in de toekomst liggen. Bij Vervloed ligt die reden in het verleden. Hij wil terug naar, ja naar welke periode eigenlijk? In ieder geval een periode zonder de EU. Want die lijkt voor Vervloed, net als voor president Trump, de schuldig te zijn aan ‘corona’.

Een fundamentele discussie voeren over de periode na ‘corona’ is belangrijk. Belangrijk omdat we nu ervaren hoe de samenleving (op wereldschaal) wordt ontwricht en ervaren welke nadelen onze economische en politieke organisaties kennen in de aanpak van een grenzenloos virus. Maar dan wel een open fundamentele discussie op basis van grondige analyse waarbij de conclusies pas aan het eind komen en niet al aan het begin zoals bij Vervloed.

Uitgelicht

Piketty en de corona-pandemie

Ik ben begonnen met het lezen van Kapitalisme en Ideologie. Het nieuwe, stevig uitgevallen boek van de Franse econoom Thomas Piketty. Ik heb het boek nog (lang) niet uit dus verwacht hier geen beschouwing op het boek. Wat ik wel alvast wil verklappen is dat het helemaal niet gaat over ‘corona’. Toch moest ik tijdens het lezen denken aan de corona-pandemie.

Of eigenlijk aan de reacties van mensen erop. Van het niet schudden van handen, thuiswerken, geen voetbal tot het hamsteren van WC-papier. ‘Deskundigen’ die pleiten voor drastische maatregelen. Andere, zoals Ira Helsloot, pleiten juist voor ‘voorzichtigheid’ om de economie te ontzien: “Wat dat betreft is de economische prijs die we nu wereldwijd betalen om een groep kwetsbare ouderen te beschermen tegen vroegtijdig overlijden door het coronavirus buitensporig hoog.”  Politici, zoals Wilders, die zich normaal niets gelegen laten liggen aan wat andere landen in Europa doen, leveren nu kritiek omdat ‘Nederland veel minder’ doet. Trump heeft in de Verenigde Staten de noodtoestand uitgeroepen. Heel bijzonder is het commentaar van Raoul du Pré in de Volkskrant: “Ronduit zorgwekkend is het totale gebrek aan Europese coördinatie dat deze week zo duidelijk aan het licht kwam.” Een soort gelijke reactie is ook te lezen in een artikel van Johannes Vervloed bij Opiniez: “Als doordringt dat we in tijden van een crisis als de huidige van de EU geen antwoord hoeven te verwachten en de lidstaten op zichzelf worden teruggeworpen, verdient nationaal beleid een herwaardering. Waarom geld stoppen in EU-beleid dat niet werkt?” Hoezo zorgwekkend? Hoezo niet werken? De Europese Unie heeft geen rol op het terrein van de gezondheidszorg. Dat is iets van de landen zelf en dan moet je niet raar opkijken als ze het allemaal op hun eigen manier doen.

Er zijn ook al mensen die ‘voorbij’ de corona-crisis kijken. Bij Joop ziet Han van der Horst ‘corona’ als de ‘zwanenzang’ van het kapitalisme zoals we het nu kennen: “Het kapitalisme faalt. De markt is geen garantie maar een gevaar voor de bestaanszekerheid van u en ik. Althans als we door gaan te blijven geloven in de dogma’s die ons dertig jaar geleden door Margaret Thatcher en Ronald Reagan zijn aangereikt, geïnspireerd als zij waren door hun heksenmeester Milton Friedman en zijn Chicago School of Economics.” Voor de toekomst zoekt Van der Horst, niet vreemd voor een historicus, inspiratie in het verleden. Bij de oorlogseconomie van de Tweede Wereldoorlog: “De werking van de markt en de uitgangspunten van het kapitalisme werden als het ware opgeschort.” Maar ook het naoorlogse Nederland waar: “Drees jaarlijks de loonruimte (bepaalde) en de overheid was verreweg de belangrijkste projectontwikkelaar.” 

Bij De Correspondent pleit Marc Chavannes tegen het neoliberalisme en voor deskundigheid bij de overheid. “Zoals premier Mark Rutte donderdag zei, moet nu met vijftig procent kennis honderd procent van de beslissingen worden genomen. Onvolmaakte maatregelen zijn beter dan geen. Dat kan alleen als ministers kunnen leunen op inhoudelijk deskundige ambtenaren.” En daaraan ontbreekt het. Waarom dat ontbreekt? “De neoliberale opvatting over wat de overheid is blijkt een doodlopende weg.” Vervolgens somt hij een reeks van debacles op van Fyra en fipronil tot de Groningse aardbevingen en de toeslagen crisis. “Deze crisis gaat over kennis, samenwerking, doortastend openbaar bestuur. En staat dus haaks op alles waar het demagogisch populisme het van moet hebben. Sorry jongens, even belangrijker dingen te doen.” Zo sluit Chavannes af.

Allebei geven ze een plausibele analyse van hoe het zo kon gebeuren. Een verhaal dat er ‘logisch’ toe leidt dat een gebeurtenis zoals de komst van het corona-virus, tot de huidige situatie moest leiden en dat die huidige situatie nu echt tot fundamentele veranderingen leidt. Dat gebeurde niet tijdens en na de economische crisis die in 2008 begon met de val van Lehman Brothers. Daarmee kom ik bij Piketty waarmee ik deze Prikker begon. Piketty pleit (pagina 141), in een heel andere context, ervoor om te kijken naar de: “eigen dynamiek van gebeurtenissen.” Om gebeurtenissen in het verleden: “niet deterministisch te bezien, maar juist te interpreteren als een beslissend moment waarop verschillende ideeën ingang konden vinden en meerdere wegen ingeslagen hadden kunnen worden.” 

Van der Horst en Chavannes zien, of hopen, dat de corona-pandemie zo’n gebeurtenis is. Of ze gelijk krijgen dat het virus zo’n gebeurtenis is, weten we pas over enkele jaren. Of het tot een ander soort economie leidt en/of tot het afscheid nemen van het demagogisch populisme, een ‘Robert Harris scenario’ waarover ik een tijdje geleden schreef of een heel ander scenario? Het kan allemaal. Het kan ook dat we gewoon op de oude voet verder gaan. Een goed idee om Piketty’s advies ter harte te nemen en actief te zoeken naar die meerdere wegen.

Uitgelicht

Sophie, volg je hart!

Je brief in de Volkskrant deed mij terugdenken aan mijn jeugd. Dat was ver voordat jij werd geboren, de eerste helft van de jaren tachtig. Midden jaren tachtig zat Nederland in economisch slechte tijden. Het was de tijd van Koos Werkeloos van Harry Jekkers en zijn Klein Orkest. Dus flinke werkloosheid en slechte vooruitzichten. Ik stond al een stapje verder. Ik moest kiezen wat ik ging studeren: economie met betere arbeidsvooruitzichten of toch mijn favoriete vak geschiedenis.

Ik weet nog dat we voor ons schoolonderzoek Nederlands een opstel moesten schrijven. Ik heb mijn opstel toen aan de studiekeuze gewijd. Twee klasgenoten waarvan er eentje voor geschiedenis koos en de ander voor economie. Tijdens een reünie een jaar of twintig later kwamen ze elkaar weer tegen en raakten in gesprek over die twintig jaar. Ze hadden het allebei moeilijk gehad maar uiteindelijk toch iets gevonden. 

Zelf koos ik ervoor om mijn hart te volgen en geschiedenis te gaan studeren. Ik heb er tot op de dag van vandaag nooit spijt van gehad. En net als de twee uit mijn opstel, was het ook voor mij moeilijk om iets te vinden wat bij mij past. Ik werk nu al meer dan twintig jaar als beleidsadviseur voor de overheid. Ik kan me voorstellen dat je nu denkt: maar dat heeft niets met geschiedenis te maken. Inderdaad heeft het inhoudelijk niet met geschiedenis te maken.

Alhoewel niet. Als je kunt aangeven dat bijvoorbeeld het instrument ‘Work First’ is te vergelijken met de spin- en rasphuizen van enkele eeuwen eerder, dan bied je perspectief. Bij beiden staat werken voor je geld (of eten) centraal. Goede kennis van de geschiedenis helpt je om de huidige waan van de dag te relativeren en in perspectief te plaatsen. Van de brede algemene kennis die je via een studie geschiedenis opdoet, heb je een leven lang profijt ook al is het niet je dagelijkse werk. 

Alhoewel niet. Op een andere manier heeft mijn werk juist alles te maken met de studie geschiedenis. Als historicus leer je op basis van een vraag- of probleemstelling onderzoek te doen, informatie te verzamelen. Informatie die je vervolgens ordent en op een logische wijze op schrift presenteert. Dat zijn precies die vaardigheden die je ook als  beleidsadviseur nodig hebt. Trouwens, niet alleen als beleidsadviseur. Als je wilt, loop eens een paar dagen of een weekje met mij mee.

Er zijn nog meer redenen om je hart te volgen en niet met je hoofd, en met het oog op de toekomstige portemonnee, voor bijvoorbeeld bedrijfskunde te kiezen. In mijn werk kom ik mensen tegen met qua studie zeer veel verschillende achtergronden. Voor de meeste werkgevers is de precieze studie die je hebt gevolg niet van belang. Voor werkgevers is het opleidingsniveau van belang. Dan kun je maar beter iets studeren waar je echt plezier in hebt. Belangrijker, hoe saai zou een wereld zijn met alleen maar economen, bedrijfskundigen, juristen en andere ‘goed betalende’ beroepen?  

Mijn advies: volg je hart en zoek daarna werk en een werkomgeving waar je je prettig voelt en wordt gewaardeerd. Dat zoeken naar die werkomgeving kan jaren duren. Voordat ik mijn plek vond, heb ik in de tuinbouw gewerkt, voor een boekhandel en een veiling in groenten en fruit. Door al die ervaringen heb ik geleerd waar ik blij van word en waarvan zeker niet. En als je toch een link met economie wilt, ook de studie geschiedenis biedt mogelijkheden om iets met economie te doen.

Uitgelicht

Opvoeden tot feminist?

“Hoe voed je je kinderen op tot feminist? (En drie andere belangrijke vragen voor feministen),” de kop boven een artikel bij De Correspondent. Een artikel, eigenlijk zijn het er vier in een. Vier correspondenten beantwoorden die vraag. Een interessante vraag. Laten we de antwoorden eens op een rij zetten.

De eerste, Nesrine Malik, schrijft: “Vrouwen zijn zwak omdat hun behoeften – of die nu professioneel, biologisch of moederlijk zijn – geen prioriteit krijgen. Echte empowerment gaat over het voorzien in die behoeften, en vrouwen de middelen en rechten te geven om vrij te kunnen zijn.”  En dat gaat met pijn gepaard: “Empowerment zoals we die vandaag de dag kennen gaat over het verdoven van deze pijn. Terwijl we haar juist wakker moeten maken.” Als ik het goed begrijp moet ik mijn kinderen pijn leren voelen en die pijn aanwakkeren. Ik neem niet aan dat zij hiermee fysiek geweld bedoelt. Als ik ze tenminste tot feminist wil opvoeden. Maar wie wil kinderen met pijn opvoeden?

De tweede Irene Caselli wil inzetten op de heel vroege kindertijd: “de vroege kindertijd kan een nieuw terrein voor actie worden. Als we feministische kinderen hebben die uitgroeien tot feministische volwassenen, dan hebben we straks misschien minder moeders en vaders die in een traditionele genderspecifieke rol terechtkomen.” Hierbij vervullen de moeders een belangrijke rol: “Voor zover het mogelijk is de houding van een adolescent terug te voeren op een familiale bron, blijkt uit een studie dat moeders de primaire bron zijn van seksistische houdingen van hun kinderen.” Dat wordt wel lastig omdat vaders en moeders bij de geboorte van hun kroost: “meer dan op enig ander moment in hun leven – de neiging (hebben) om in geslachtsgebonden rollen te vervallen.” Jammer voor mij. Mijn kinderen hebben de vroege kindertijd al jaren achter zich gelaten.

Valentijn De Hingh stelt dat eerst een antwoord moet worden gegeven op de vraag: “wie we precies bedoelen met het woord ‘vrouw.’ Vinden we bijvoorbeeld dat transgender personen ook vrouwen kunnen zijn? En zo ja, vechten feministen dan ook voor hen?” Wat het antwoord ook is, allemaal hebben ze baat bij de: “vernietiging van het patriarchale systeem.” Maar als daardoor een nieuw uitsluitend systeem ontstaat: “Als we de gelijkwaardigheid van vrouwen bewerkstelligen door trans personen te vernederen en uit te sluiten,” aldus De Hingh: “wat betekent die gelijkwaardigheid dan nog?” Een terechte vraag. Alleen ben ik er nog niet uit hoe dit handen en voeten te geven in de opvoeding van kinderen. 

OluTimehin Adegbeye adviseert om af te stappen van het ‘gelijkheidsfeminisme’. Adegbeye: “gelijkheid is een goed doel als je simpelweg wil veranderen wie er allemaal misbruik mag maken van macht, of de planeet en haar bewoners mag uitbuiten. En dat doel is vrij simpel te behalen: leer alle mensen om zich te gedragen als sociopaten.”  Wat er wel moet gebeuren, is dat het feminisme: “haar ogen (opent) voor wat het patriarchaat en verwante onderdrukkingssystemen veroorzaken. Denk aan de onderdrukking van lichamelijke integriteit van alle sekses en seksuele geaardheden, armoede, alle vormen van geweld, racisme, arbeidsuitbuiting, niet-duurzame economieën.”  De aandacht moet verlegd worden: “van de vraag hoe vrouwen macht kunnen vergaren naar hoe we macht kunnen transformeren ten gunste van iedereen.”

Interessante bespiegelingen, maar ik zie niet hoe deze vier adviezen mensen helpen bij de opvoeding van hun kinderen. Laat staan bij het opvoeden van kinderen tot feminist. Daarbij, en die vraag riep de titel van het artikel al bij me op, vraag ik me af waarom we kinderen moeten opvoeden tot feminist? Net zoals ik me afvraag waarom we kinderen zouden moeten opvoeden tot socialist, nationalist, christen, jood, moslim of hindoe? Of het goed gelukt is moeten anderen maar beoordelen, maar ik probeer mijn kinderen op te voeden tot mens met respect voor andere mensen. Tot kritische en vragende mensen die niets voor zoete koek slikken. Tot mensen met de mogelijkheid om zelf te kiezen wat ze willen en hoe ze hun leven willen vormgeven.

Uitgelicht

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand…

“Zo zijn er uiteindelijk drie eisen waaraan het proces moet voldoen. Het moet de waarheid zó overtuigend schetsen, dat elke ontkenning door de daders een lachwekkende zelfvernedering wordt. Het moet hoog genoeg reiken voor een kans op gerechtigheid, en het moet ons de weg wijzen naar een veiliger luchtruim.” Woorden van Sander van Luik in de Volkskrant. Van Luik verloor zijn broer een van de bijna 300 mensen die het leven verloren door het neerschieten van vlucht MH17. Ik hoop voor Van Luik dat het proces aan die drie eisen gaat voldoen. Maar ik vrees dat in ieder geval het eerste punt op een teleurstelling uitdraait. 

Waarom? Hierbij baseer ik me op het boek Falend licht. Hoe het Westen de Koude Oorlog won maar de vrede verloor. Een boek geschreven door de Bulgaarse filosoof Ivan Krastev en de Amerikaanse rechtsgeleerde Stephen Holmes. Een zeer interessant boek waarin de auteurs proberen te begrijpen hoe het komt dat de anti-liberalen de wind in de zeilen lijken te hebben. Anti-liberalen zoals Kaczyński en Orbán, maar ook Poetin en Trump. Dit terwijl na het vallen van de Berlijnse muur in 1989 zo ongeveer iedereen dacht dat de liberale democratie voor goed had ‘gewonnen’. In ieder geval wilden alle landen uit het voormalige Oostblok liefst zo snel mogelijk ‘normaal’  worden. En met normaal werd bedoeld zoals het Westen. Dus spiegelden ze zich aan het Westen.

Maar ‘normaal’ worden bleek niet zo makkelijk als men dacht. Het beeld waaraan men zich spiegelde bleek anders te zijn dan men dacht. Bovendien veranderde het steeds. Daarbij hielp het niet dat het ‘Westen’, in de gevallen Polen en Hongarije, de West-Europese landen en de Europese Unie en in het geval Rusland de Verenigde Staten, zich opstelde als ‘strenge ouders’ die steeds maar weer kwam vertellen dat het kind toch echt nog wat miste om echt ‘volwassen’ te zijn. Dit terwijl die ‘strenge ouders’ er blijk van gaven het ook niet zo nauw te nemen met die eigen belangrijke regels en vooral waarden.

Omdat ‘worden zoals het Westen’ niet lukte, om serieus te worden genomen, kozen deze leiders langzaam maar zeker een andere lijn. Niet meer ‘worden’ maar ‘doen’ zoals het Westen. Door dat ‘doen’, het spiegelen van het weinig liberale gedrag van het Westen, laten ze de al dan niet vermeende hypocrisie van het Westen zien. De Krim annexeren is dan het spiegelen van het Westerse handelen rond Kosovo. En het inmengen in de Amerikaanse verkiezingen is het spiegelbeeld van de manier waarop de VS onder Clinton, Jeltsin en zijn kliek aan de macht hielden.

Liegen en ontkennen van feiten past, volgens de auteurs in dit patroon van spiegelen. Volgens de beide auteurs liegt Poetin (net als andere anti-liberale leiders) om drie redenen. Als eerste omdat hij niet bang is om als leugenaar te worden uitgemaakt. Niemand kan hem iets maken. Hij is ‘onschendbaar op een manier waaraan Trump in de vorige verkiezingscampagne over hemzelf refereerde: “I could stand in the middle of 5th Avenue and shoot somebody and I wouldn’t lose voters.” De tweede, cynische reden die de auteurs noemen: “Het doet eerder denken aan het gedrag dat je wel ziet bij geharde misdadigers die, wanneer ze eenmaal in de gevangenis zitten, vol trots tonen dat ze geen enkel respect hebben voor de regels en normen van de beschaafde wereld en wier aanzien in de onderwereld groter wordt naarmate ze vaker weigeren ook maar een beetje samen te werken met het gevangenispersoneel.” De derde en laatste reden waarom Poetin liegt en ontkent wat niet te ontkennen is, raakt het spiegelgedrag. “Het doel (van het liegen) was niet zozeer om strategisch voordeel te verkrijgen, als wel om een wijziging aan te brengen in de mentale gesteldheid en het zelfbeeld van de aartsvijand, dat wil zeggen: om de Amerikanen op een pijnlijke manier te herinneren aan wat ze zo gemakkelijk waren vergeten.” 

Dat maakt de kans dat Poetin een ontkenning van een rechterlijke uitspraak in de MH17 zaak ziet als een ‘lachwekkende zelfvernedering’ en dus de kans dat aan de eerste van de drie eisen van Van Luik wordt voldaan, zeer klein. Van Luik leeft en gelooft, net als ik, in de kracht van de liberale, democratische rechtstaat. Alleen heeft die liberale, democratische rechtstaat zich de afgelopen dertig jaar, om het nog mild te zeggen, niet al te best gedragen. Daar hebben de anti-liberalen een punt.