Uitgelicht

De moderne staat

In deel drie van de serie waarin ik het boek De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama als leidraad gebruik[1], staat, zoals in het vorige deel aangekondigd, de moderne staat centraal. Als je het woord modern gebruikt, dan ontstaat al snel het beeld dat het nieuw is. En inderdaad veel moderne staten zijn in het recente verleden ontstaan. De moderne staat is volgens Fukuyama al meer dan 2.200 jaar oud. En nee, het is geen westerse maar een Chinese uitvinding.

Saladin – Store norske leksikon
Saladin. Bron: https://snl.no/Saladin

In het China van de eerste eeuw voor onze jaartelling ontstonden verschillende patrimoniale staten. Staten waarin krijgsheren en hun verhouding tot de heersende vorst een belangrijke rol speelden. Krijgsheren die fungeerden als de pater familias van hun huis en gebied en daarbij hoorden alle ondergeschikte boeren en slaven. Als er gevochten moest worden, dan mobiliseerde de krijgsheer zijn soldaten en boeren. Die trokken als groep met de krijgsheer als bevelhebber ten strijde. Qin, een van die staten, ging een stapje verder: “Qin democratiseerde het leger door voorbij te gaan aan de krijgsheren en de massa’s boeren direct onder de wapenen te brengen; het begon met grootschalige landhervorming door patrimoniale landeigenaren te onteigenen en het land direct aan de boerenfamilies te geven; en het stimuleerde de sociale mobiliteit door de macht en het prestige van de erfelijke aristocratie te ondermijnen.” Hierbij moet je je niet laten ‘verleiden’ door het woord democratisering, want het had niets met democratie te maken: “het enige doel van Qin was de macht van de staat Qin vergroten en een meedogenloze dictatuur te creëren.[2]Dit gaf Qin een voordeel boven de andere staten. Aan de ene kant zorgde dit ervoor dat het leger als een eenheid kon opereren en aan de andere kant dat het door bewezen bekwame officieren werd geleid. Daarmee hebben we het kenmerk van een moderne staat, namelijk dat functies niet worden verdeeld op grond van verwantschap maar verdienste. Qin voerde dit door in alle facetten van de overheid met als doel: “het traditionele, op verwantschap gebaseerde systeem van gezag en grondbezit te ondermijnen en dat te vervangen door een veel onpersoonlijker vorm van bewind waarin de staat centraal stond.[3]  Uiteindelijk verenigde Qin de andere Chinese staten onder zich en daarmee was de eerste dynastie een feit: de Qin.

In het leven is niets zeker, behalve dan dat het eindigt met de dood. Ook in het leven van politieke verbanden, en een moderne staat is een politiek verband, is niets zeker dus ook niet het behoud van een moderne staat. De macht van Qin stond of viel met de kracht en visie van de leider, die meedogenloze dictator. En zoals iedere monarchie weet, heb je sterke en krachtige koningen, maar ook zwakke. De sterken houden tegenkrachten eronder, de zwakken geven eraan toe. Die tegenkrachten bestaan steevast uit machtige personen die hun macht, rijkdom en positie over willen dragen aan hun kinderen. Als dat gebeurt dan vervalt de moderne staat in een patrimoniale. Dit lot trof ook de Qin-dynastie.

Voor Qin was voor wat betreft het leger het slagveld de plaats waar de selectie op basis van kwaliteiten plaatsvond. Voor andere ambten werd uiteindelijk het ambtenarenexamen in het leven geroepen. De besten kregen de posten maar dan wel ver verwijderd van hun geboortegrond en dus hun familie. Dit om te voorkomen dat ze hun familie zouden bevoorrechten. De geschiedenis kent ook andere manieren om macht los te trekken van verwantschap. Neem de Mamelukken, slaafsoldaten. Een islamiet mocht een geloofsgenoot niet in slavernij brengen. De Ajjoebiden-dynastie vond daar wat op: kinderen en jonge mannen uit niet-islamitische grensgebieden vangen. Die werden vervolgens soldaat en moslim. Dat laatste was geen probleem omdat ze toen ze slaaf werden, geen moslim waren. De in het westen beroemdste Mameluk was Salah Al-Din die Jerusalem heroverde op de kruisvaarders. Belangrijker dan die overwinning was echter:  “toen ze in 1260 het leger van de Mongolen versloegen in de slag bij Ain Jalut.[4]” De Mamelukken namen de macht over van de Ajjoebiden en vestigden het Mamelukse rijk dat vanaf het midden van de dertiende tot het begin van de zestiende eeuw heerste over Egypte en Syrië. Uiteindelijk werden de Mamelukken verslagen door de Ottomanen. Die maakten trouwens ook gebruik van kindsoldaten, de Janitsaren. De positie van zowel Mameluk als Janitsaar was niet erfelijk. Hun kinderen waren immers wel moslim en mochten daarom niet in slavernij worden gebracht.

Welk systeem er ook wordt ontwikkeld, altijd steken patrimoniale trekken weer de kop op. Mensen die macht en positie verwerven en hun kinderen daarmee willen bevoordelen. Zoals Fukuyama het schrijft: “De feitelijke verdeling van de rijkdom zal veel meer een weerspiegeling zijn van toevallige beginomstandigheden of de toegang tot politieke macht van de landeigenaar dan van productiviteit of noeste arbeid.” Een heerser kan dan twee dingen doen: “de kant van de boeren kiezen en de staatsmacht gebruiken om landhervormingen en egalitaire landrechten te propageren en zo de aristocratie te beknotten. … Of de heersers kunnen de kant van de aristocratie kiezen en de staatsmacht gebruiken om de greep van de plaatselijke oligarchen over de boeren te versterken.” En vertaald naar het heden: ‘Zelfs in de huidige mobiele, kapitalistische ondernemerseconomie vergeten starre verdedigers van eigendomsrechten dikwijls dat uit de bestaande verdeling van de rijkdom niet altijd de superieure deugd van de rijken blijkt en dat markten niet altijd efficiënt zijn.[5] En in de huidige mobile kapitalistische ondernemerseconomie kan de overheid de staatsmacht gebruiken om de kant van de werknemer en consument te kiezen en hen via wetgeving te beschermen door de multinationals aan banden te leggen. Of kiezen voor de multinationals waardoor die de werknemer en consument verder kunnen uitbuiten.


[1] Deel 1: https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/21/de-oorsprong-van-onze-politiek-tribalisme/

Deel 2: https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/25/de-patrimoniale-staat/

[2] Francis Fukuyama,De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 135

[3] Idem, pagina 144

[4] Idem, pagina 239

[5] Idem, pagina 171

Uitgelicht

Jeugdzorg, wijn, zakken en druiven

In de Volkskrant een column van huisarts Danka Stuijver. Stuijver laat aan de hand van een voorbeeld zien: “hoe makkelijk het mis kan gaan in deze leeftijdsfase.” Waar het fout is gegaan, daar geeft ze ook een antwoord op: “Sinds de verschuiving van het Rijk naar de gemeenten in 2015 bestaan er in de jeugdzorg, jeugdbescherming en jeugd-GGZ grote problemen. Verhalen van overbelast personeel, bezuinigingen, bureaucratie, wachtlijsten en wantoestanden zijn alom bekend.” Zo, dat weten we dan ook weer. Maar klopt het wel?

Wijngaarden Foto's - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Laten we eens ruim tien jaar teruggaan in de tijd, naar 2010. Vijf jaar vóór de decentralisatie waarnaar Stuijver verwijst. Dat prachtige jaar waarin ‘we’ bijna wereldkampioen werden. Bijna want na een prachtige pass van de op dat moment in topvorm zijnde Wesley Snijder stoof Robben op het Spaanse doel af. Helaas voor ‘ons’ zat ‘de teen van Casillias’ er nog tussen. Dat was ook het jaar dat de Tweede Kamerwerkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg verslag uitbracht. De werkgroep erkent en herkent de knelpunten die er momenteel zijn, vijf jaar na de invoering van de Wet op de jeugdzorg. Problemen als van het kastje naar de muur verwezen worden, lange wachttijden, teveel hulpverleners die werken binnen één gezin, te weinig tijd voor daadwerkelijke zorg aan het kind, nog te weinig bewezen effectieve behandelmethoden die worden toegepast, grote regel- en verantwoordingsdruk.” En: “De problemen in de jeugdzorg worden veroorzaakt door de steeds geringere acceptatie van risico’s en afwijkend gedrag door samenleving en ouders, door de hieruit voortvloeiende stijging van het beroep op jeugdzorg, door hardnekkige problematiek van Multi probleemgezinnen, door de verantwoordingsdruk en indekcultuur in de jeugdzorg en door de versnipperde financiering en organisatie van de jeugdzorg.” De ‘toestanden’ die deze commissie beschrijft, lijkt verdacht veel op de ‘wantoestanden’ van Stuijver.

Laten we nog eens wat verder teruggaan in de tijd, naar 2005. Toen werd de voorganger van de huidige Jeugdwet 2015 aangenomen, de Wet op de jeugdzorg. Een wet die er lang over deed om uiteindelijk wet te worden, want het wetsvoorstel werd in 2001 ingediend. Die wet was nodig, zo is te lezen in de memorie van toelichting omdat de toen geldende wet, de Wet op de jeugdhulpverlening van 1989, onvoldoende: “mogelijkheden voor een eenduidige aansturing en financiering,” bood. “Ter bevordering van de samenhang op uitvoeringsniveau geeft de Wet op de jeugdhulpverlening regels omtrent de samenwerking tussen uitvoerders van voorzieningen,” aldus de memorie van toelichting. Toen mankeerde er dus ook al wat aan de samenwerking. De wet moest invulling geven aan vier doelstellingen: “het versterken van de voorliggende voorzieningen, de totstandkoming van één centrale herkenbare, bekende, laagdrempelige toegang tot de jeugdzorg, zijnde het bureau jeugdzorg, de totstandkoming van een passend en samenhangend zorgaanbod en het versterken van de positie van de cliënt.” Het was aan de provincies om het Bureau Jeugdzorg vorm te geven. De ‘toestanden’ waaraan de Wet op de jeugdzorg een einde moest maken, waren dezelfde die de Kamerwerkgroep in 2010 beschreef en de ‘wantoestanden’ van Stuijver.

Nu waren de provincies al langer verantwoordelijk voor een deel van de jeugdzorg. Namelijk sinds in 1989 de al eerder genoemde Wet op de jeugdhulpverlening in werking trad. Die wet moest een einde maken aan de sterk verzuilde en verkokerde jeugdhulpverlening. Die ‘sterke verzuiling en verkokering’ werd in de jaren zeventig geconstateerd. En een Gemengde Interdepartementale Werkgroep Jeugdwelzijnswerk adviseerde in 1976 om de jeugdhulp ‘regionaal en in samenhang’ te organiseren. Dit advies werd niet meteen door de regering overgenomen. Twee nieuwe werkgroepen moesten verder onderzoek doen. Die werkgroepen namen er hun tijd voor en in 1984 publiceerden zij hun bevindingen. En wat adviseerden de werkgroepen: hulp moet zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm[1]. Drie keer ‘zo’ maar eigenlijk vijf, want ook zo tijdig mogelijk en zo goedkoop mogelijk. Dit leidde uiteindelijk tot die Wet op de jeugdhulpverlening van 1989.

En daarmee is de cirkel rond. De ‘5 keer zo’ van 1984 werden dertig jaar later verwerkt in de volgende uitgangspunten voor het inrichten van de jeugdhulp. Normaliseren: problemen met opvoeden en opgroeien horen erbij en daarbij hulp en ondersteuning vragen en krijgen is normaal. Je helpt elkaar en als je er samen niet uitkomt, dan komt iemand je helpen met specifieke kennis en vaardigheden. Dichtbij: hulp moet dichtbij zijn. Ont-bureaucratiseren: een hulpverlener is er om hulp te verlenen en niet om lijstjes in te vullen. Alleen dat wat voor zijn werk nodig is, wordt bijgehouden. Eigenkracht: vertrouw en versterk de kracht van kind en opvoeder. En als laatste vertrouwen in de professional. En zo’n vijf jaar later constateert Stuijver in feite dat er niets is veranderd.

Het maakt het onwaarschijnlijk dat Stuijvers wantoestanden een gevolg zijn van de nieuwe wet die in 2015 de gemeenten verantwoordelijk maakte. Dan moet de oorzaak elders liggen. Laten we voor een mogelijke verklaring eens teruggaan naar die ‘verkokering en verzuiling’ van de jaren zeventig. Wat is er dan sindsdien veranderd? De verzuiling zit nog steeds in de huidige wet. In artikel 2.3: “Het college houdt bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening met: de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.” En in artikel 2.4 derde lid: het college draagt er zorg voor dat bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en van de jeugdreclassering redelijkerwijs rekening wordt gehouden met: behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.” Hier staat dat gemeenten die ‘verzuiling’ die in de jaren zeventig al als probleem werd gezien, moeten handhaven.

Bij iedere nieuwe wet komt er een nieuwe ‘koker’ bij. De verf in de kantoren van de Bureaus Jeugdzorg was bij wijze van spreken nog niet droog of minister Rouvoet begon zijn Centrum voor Jeugd en Gezin over de gemeenten uit te strooien. Veel van de instellingen die toen die ‘verzuilde en verkokerde’ zorg vormgaven, bestaan nog steeds. Ze zijn van naam veranderd en vaak gefuseerd, maar ze bestaan nog steeds. Neem de Mutsaersstichting in Venlo alwaar men ze ook wel ‘de Muts ’noemt. Een van oorsprong katholieke instelling uit 1930. Ze heeft alle ‘wetten’ overleefd. En zij is niet de enige. Het oude bleef bestaan er werd iets nieuws aan toegevoegd en vervolgens hoopte men dat de wereld ineens zou veranderen. Zo moesten de gemeenten in 2013 een Transitiearrangement Jeugd afsluiten met de toenmalige aanbieders van jeugdhulp. Dit met als doel om continuïteit van zorg voor jeugdigen en van de zorginfrastructuur bij de decentralisatie naar de gemeenten te garanderen voor een periode van drie jaar. Naast de continuïteit van zorg voor de jeugdige werd zo ook de ‘continuïteit van omzet en bedrijfsvoering’ voor de instellingen geregeld.

En daarmee werd de ‘oude wijn’ overgegoten in alweer nieuwe zakken.’  Alweer omdat dezelfde ‘oude wijn’ al vaker in een nieuwe zak is gegoten. Zou die ‘oude wijn’ die in de jaren zeventig al wrang smaakte, beter gaan smaken door hem eens per tien, vijftien jaar in ‘nieuwe zakken’ te gieten? Als we werkelijke beter ‘jeugdzorgwijn’ willen, zouden we dan niet beter druiven kunnen gaan plukken om nieuwe wijn te maken?


[1] https://www.canonsociaalwerk.eu/nl_jz/details_verwant.php?cps=2&verwant=251

Uitgelicht

Exclusief inclusief

Dit jaar komt de film The Tragedy of Macbeth van regisseur Joel Cohn uit. Dat schrijf ik nu wel, maar hoe zeker is zoiets tegenwoordig? Maar daar gaat het me niet om. De elfde eeuwse Schotse lord wordt gespeeld door Denzel Washington. Als liefhebber van films waarin Washington speelt, kijk ik er al naar uit. Alleen vraag ik me af of dit wel door de beugel kan.

Bron: WikimediaCommons

Ik twijfel door een artikel van Janice Deul in de Volkskrant. Deul noemt zichzelf: “activist, journalist  en curator en maakt zich sterk voor een inclusief klimaat in  mode, media, kunst en cultuur.” Zij breekt een lans voor talent van kleur want dat: “dient gezien, gehoord en gekoesterd te worden. Breng ook hun werk uit, huur ook hen in en stel daar een passende vergoeding tegenover.” Niets mis mee. Alle talent of beter nog iedere mens, van welke kleur dan ook, moeten we koesteren. Alleen door de manier waarop ze die lans breekt, twijfel ik of Washington wel de juiste persoon is om de elfde eeuwse schotse Lord Macbeth te spelen. Wat is er aan de hand?

Op 20 januari 2021 werd Jo Biden ingehuldigd als de zesenveertigste president van de Verenigde Staten. Een ceremonie die werd opgeluisterd door optredens van Garth Brooks. Lady Gaga deed een muzikale duid in het zakje en zo waren er nog veel meer. Het meest bijzondere vond ik echter de 22-jarige Amanda Gorman. Gorman droeg haar gedicht The Hill we Climb op een overweldigende manier voor. Nu heeft uitgeverij Meulenhoff de vertaalrechten van Gormans werk verworven. De uitgever heeft Marieke Lucas Rijneveld hiervoor gevraagd. En dat laatste is tegen het zere been van Deul.

“Een onbegrijpelijke keuze, in mijn optiek en die van vele anderen die via de sociale media uiting gaven aan hun pijn, frustratie, woede en teleurstelling. Harvard-alumna Gorman, opgevoed door een alleenstaande moeder en wegens spraakproblemen gelabeld als ‘special needs’-kind, omschrijft zichzelf als ‘skinnyBlack girl’. En haar werk en leven zijn gekleurd door haar ervaringen en identiteit als zwarte vrouw. Is het dan – op z’n zachtst gezegd – niet een gemiste kans om Marieke Lucas Rijneveld in te huren voor deze job? Hen is wit, non-binair, heeft geen ervaring op dit gebied, maar is volgens Meulenhoff toch de ‘gedroomde vertaler’?” Zo schrijft Deul. Volgens Deul zou de boodschap veel krachtiger zijn als een vrouwelijke dichter van kleur de klus zou klaren. Het lijkt mij niet de bedoeling van een vertaler om de boodschap die moet worden vertaald, krachtiger te maken. De bedoeling van een vertaling is om de boodschap over te brengen zoals ze is bedoeld. Dit terzijde want daar gaat het me niet om.

Waar het me wel om gaat is de manier van redeneren die Deul gebruikt. Omdat Gorman een jonge, vrouwelijke dichter is met een donkere huidskleur, moet haar gedicht worden vertaald door een jonge vrouwelijke dichter met een donkere huidskleur. Anderen kunnen zich, zo begrijp ik Deuls betoog, onvoldoende inleven in de bedoeling en de boodschap. En nu twijfel ik of Washington, een Amerikaanse acteur met een donkere huidskleur zich wel voldoende kan inleven in een Schotse lord uit de Elfde eeuw. En een stapje verder, kan Macbeth nog wel worden gespeeld? Want is er überhaupt iemand die zich kan inleven in iemand uit de elfde eeuw? En de redenering van Deul doorzettend, kunnen er nog wel films worden gemaakt en romans worden geschreven die zich in het verleden afspelen? En oh jeetje, ook mijn geliefde sciencefictiongenre is onmogelijk. Want wie kan zich nu inleven in een Klingon of Ferengi uit de drieëntwintigste eeuw?

Beste mevrouw Deul, ik begrijp dat u zich inzet voor een inclusieve samenleving. Een samenleving waar iedereen erbij hoort. Bij het streven naar dat doel vindt u mij aan uw zijde. Alleen denk ik niet dat u dat met uw pleidooi voor exclusiviteit gaat bereiken. Uw inclusief is bijzonder exclusief.

t.

Uitgelicht

De patrimoniale staat

Vandaag deel twee in een serie over De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama. In het eerste deel maakten we kennis met het tribalisme; de vereniging van groepen mensen in een groter geheel door te verwijzen naar een ‘gemeenschappelijke voorouder’. Vandaag gaan we een stap verder in de ontwikkeling van politieke verbanden. We bekijken de, zoals Fukuyama het noemt, patrimoniale staat.

Poetin De President Van Rusland - Gratis afbeelding op Pixabay
Bron: Pixabay

In het eerste deel zagen we met Fukuyama dat tribalisme een concurrentievoordeel bood boven het leven in stammen. Dit voordeel kwam met een nadeel en iedere ondernemer die zijn bedrijf groot ziet groeien zal dat herkennen. Boven de leider van de groep kwam nu een leider van de stam en soms zaten er nog wat laagjes tussen. Er ontstond iets van een hiërarchie. En als er een ‘boven’ ontstaat, heb je vanzelf ook een ‘onder’: de samenleving werd ongelijker. Een patrimoniale staat trekt dit nog een stuk verder door. Een patrimoniale staat ontstond als de leider van een stam het gedaan wist te krijgen dat zijn positie werd doorgegeven aan zijn nazaten, als het leiderschap erfelijk werd. De hiërarchie in de samenleving nam verder toe, was gebaseerd op de relatie met de sterke man en nam vaste vormen aan: eens een edelman, eeuwig een edelman. Die relatie kon een familierelatie zijn of een relatie gebaseerd op verdienste. Een heel oud type staat dat tegenwoordig nog steeds voorkomt. Het Rusland van Poetin en het Turkije onder Erdogan kun je betitelen als een patrimoniale staat. Maar ook het presidentschap van Trump vertoont patrimoniale trekken.  

Hoe dat kon gebeuren, is niet bekend. Wel zijn er theorieën maar die zijn opgesteld door mensen die ‘er niet bij’ waren. Mensen zoals die van Thomas Hobbes en het sociale contract: de leider bood veiligheid en krijg daarvoor het ‘erfelijke oppergezag’. Nu moeten we ons goed bedenken dat Hobbes die theorie ontwierp in een tijd van oorlogen en onrust. Een tijd dus dat het ontbrak aan veiligheid. Een variant hierop is het ‘samen werken aan grootschalige irrigatieprojecten’. Hiervoor was een leider nodig. Bijzonder is dan wel dat de ‘grootschalige anti-irrigatie maatregelen’ in onze contreien tot de eerste vormen van ‘democratie’ hebben geleid, namelijk de waterschappen. Weer anderen denken dat de toenemende bevolkingsdichtheid de oorzaak is, of door geweld: de ene stam onderwerpt de andere. Ook het ‘charisma’ van een leider wordt genoemd als oorzaak voor het ontstaan van een patrimoniale staat[1]. Waarschijnlijk bevatten alle verklarende theorieën een deel van de verklaring.

“Vanwege dat succes gingen andere groepen dit kopiëren en zo ontstonden overal, met  uitzondering  van de meest afgelegen gebieden, tribale samenlevingen.” Zo schreef ik in het vorige deel. Met patrimoniale staten lag dat nog net iets anders. Die ontstonden op nog minder plaatsen en voor het waarom, bieden de theorieën goede aanknopingspunten. Om de stap naar een patrimoniale staat te kunnen zetten moet een gebied goed bevolkt zijn: “in een goeps- of stammensamenleving met een geringe bevolkingsdichtheid kan men conflicten matigen door domweg afstand van elkaar te nemen, waarbij segmenten zich afsplitsen als ze merken dat ze niet met elkaar over weg kunnen.” Dan is een machtige heer die de vrede bewaart niet nodig. De bevolking moet tegen het maximum aanzitten van wat het gebied kan onderhouden, immers: “Gebrek aan land of het niet hebben van toegang tot bepaalde belangrijke publieke hulpbronnen zullen veel eerder tot conflicten leiden, waarvan de beheersing meer gecentraliseerde vormen van politiek gezag vereist.[2]Ook moet het gebied worden begrensd door natuurlijke barrières zoals bergen, een rivier of een woestijn die het bijzonder lastig maken om bij een conflict het gebied te verlaten.

Als we kijken in welke gebieden patrimoniale staten zijn ontstaan, dan voldoen ze aan deze criteria: China langs de Yangtze en de Gele Rivier, Egypte in  die smalle strook langs de Nijl en in het tweestromenland van de Eufraat en de Tigris en veel later in de tijd in West Europa. Voor nu laat ik het hierbij maar dit komt later in deze reeks nog terug. In het volgende deel bekijken we aan de hand van Fukuyama de volgende stap in de ontwikkeling van ‘onze politiek’. Dan bekijken we het ontstaan en de kenmerken van moderne staten.


[1]  Francis Fukuyama,De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 103-113

[2] Idem, pagina 106

Uitgelicht

De oorsprong van onze politiek: tribalisme

Mijn kinderen en vrouw worden er gek van. Waarvan? Van het antwoord op de vraag: ‘waarmee kunnen we je blij maken voor je verjaardag of met sinterklaas.’ Het is altijd hetzelfde antwoord: ‘een boek’. Nu houden ze zich er niet aan want ik krijg ook ander zaken. Dus toen de vraag weer kwam voor de afgelopen sinterklaas, had ik een lijstje met boeken klaar. Op die lijst De oorsprong van onze politiek deel 1 en 2 van Francis Fukuyama.

Eigen foto

De afgelopen tijd heb ik me gegooid op de twee delen. Dat is een hele kluif want bij elkaar zijn het zo’n 1.100 bladzijden. Fukuyama neemt je mee door de geschiedenis en over de wereld en beschrijft de overeenkomsten en verschillen tussen de verschillende bestuursvormen en politieke instellingen en probeert die te verklaren. En alhoewel hij een voorkeur heeft voor de liberale democratie, bevat het boek geen ‘routekaart’ ernaar toe. In de komende Prikkers neem ik jullie mee in Fukuyama’s denken en hoe het kan helpen om zaken in het heden te verklaren. Vandaag behandel ik het tribalisme. ‘Tribalisme’ is een manier om grotere groepen mensen te binden.

Zoals ik al eerder schreef, zijn wij, de homo sapiens, het meest succesvolle dier geworden door onze taal. Die zorgde ervoor dat we in grotere groepen konden leven: “Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in de biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie heel snel.[1] De ‘gift van de taal’ ontstond zo’n 70.000 jaar geleden en maakte het mogelijk dat onze voorouders zich over de hele wereld konden verspreiden. Volgens Yuval Noah Harari bestond de meeste informatie die werd overgedragen echter uit ‘roddel’: “Het is veel belangrijker voor ze om te weten wie er binnen hun stam een hekel heeft aan wie, wie het met wie doet , wie eerlijk is en wie juist niet. De hoeveelheid informatie die er verworven en opgeslagen moet worden om de o zo veranderlijke relaties tussen enkele tientallen individuen bij te houden, is verbijsterend. (In een groep van vijftig individuen is sprake van 1225 één-op-één-relaties en talloos veel meer complexe sociale combinaties.) Alle mensapen vertonen een sterke belangstelling voor dit soort sociale informatie, maar ze kunnen niet echt effectief roddelen.[2] Door de ‘roddel’ kon de groep echter veel groter worden tot wel 150 individuen. Niet meer dan een klein dorp, maar toch. Een groep die veelal bestond uit familie en door taal kon die familie nu wat groter worden. Dat wij nog steeds een heel sterke neiging hebben om op te komen voor en terug te vallen op familie is niet vreemd. Dat is de manier waarop we zo’n 200.000 jaar hebben geleefd en overleefd. Als alle andere vormen van gezag en verbinding wegvallen, dan is dit waarop de mens terugvalt.

Een volgende stap die de mens zette was die van groep of familie naar stam: de tribale samenleving. Hierin ‘verenigen’ zich de groepen en families  door te verwijzen naar een gezamenlijke voorvader en iemand uit de hele groep te ‘benoemen’ tot opvolger van die voorvader. Tribale samenlevingen kwamen overal in de wereld op. Dat duidt erop dat het stamverband flinke voordelen bood boven  het groepsverband alleen. Fukuyama over dat voordeel: “Tribale samenlevingen hebben een veel grotere militaire macht dan samenlevingen op groepsniveau omdat ze op stel en sprong honderden of duizenden verwanten kunnen mobiliseren.[3]  De ‘uitvinder’ van het tribalisme had een ‘concurrentievoordeel’ op de groepssamenlevingen. Een voordeel dat goed van pas komt in een tijd dat je rijkdom alleen maar kon groeien ten kosten van anderen. Vanwege dat succes gingen andere groepen dit kopiëren en zo ontstonden overal, met uitzondering  van de meest afgelegen gebieden, tribale samenlevingen. De nadruk werd daarmee gelegd op ‘verwantschap’. Die gezamenlijke voorvader hoefde niet werkelijk te hebben bestaan. Dat de groepen tot ‘dezelfde stam’ behoorden, betekent niet dat ze niet onderling ruzie konden hebben. Het betekent wel dat ze elkaar steunen als de stam wordt bedreigd door buitenstaanders. In ons deel van de wereld leidde dit uiteindelijk tot het feodalisme en het uiteindelijke erfelijk worden van het leiderschap, in andere delen van de wereld niet.

Het feodalisme is gelukkig geschiedenis, het tribalisme echter nog niet. In verschillende gebieden op de wereld is tribalisme nog steeds dominant ondanks dat wij in het westen denken in staten en de wereld ook uit staten bestaat. Staten die lid zijn van de Verenigde Naties. Veel landen, zoals Afghanistan, maar ook verschillende Afrikaanse landen, zijn echter geen natie, het zijn stammen die binnen een tijdens de koloniale periode getrokken grens wonen. En als je vanuit die stammen kijkt, kan het zomaar gebeuren dat de stam in verschillende ‘naties’ woont. Trouwens ook in verschillende ‘moderne democratieën’ zie je nog steeds tribalisme in de vorm van cliëntelisme: het bevoordelen van je eigen groep. Maar daar kom ik in een later deel in deze reeks op terug.


[1] Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier, Hoe we mensen werden, Pagina 214

[2] Yuval Noah Harar, Spaiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid pagina 32

[3] Francis Fukuyama,De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 81

Uitgelicht

Zoete koek met een zure bijsmaak

‘Omdat het zo is!’ Hoeveel ouders hebben dat antwoord gegeven als hun kind maar bleef vragen ‘waarom’. Soms omdat ze werkelijk niet weten waarom en soms wellicht ook uit frustratie omdat ze het ‘gezeur’ moe waren. Dit antwoord of de variant ‘omdat ik het zeg!’ Daar moest ik aan denken bij het lezen van het interview van Ewout Klei met D66-Europarlementariër Samira Rafaela voor de site dekanttekening.nl.

Afbeeldingsresultaat voor zoete koek
Bron: Pixabay

Twijfel en nieuwsgierigheid staan aan de basis van kennis. Niet iets zomaar aannemen maar twijfelen en het bevragen. Bevragen als een klein kind en je niet laten afschepen met ‘omdat het zo is’ of ‘omdat de kerk het zegt’. Nee, juist dan is twijfel vereist en moet je doorvragen. En nieuwsgierigheid naar het onbekende door zelf op onderzoek uit te gaan en de kennis die je hierbij opdoet weer te betwijfelen en te bevragen. Onderzoeken omdat je nieuwsgierig bent en twijfelt aan zaken en dat steeds maar weer herhalen, dat is de wetenschappelijke houding. Wetenschap is niet het zeker weten maar het reduceren van onzekerheid zo is mij altijd geleerd.

Tenminste dat dacht ik totdat ik het antwoord van Rafaela las. “Die vraag wordt mij vaker gesteld. Die twijfel vind ik niet de goede houding.” Dit antwoord geeft Rafaela op de vraag die Ewout Klei haar stelt: “U beticht de Nederlandse overheid van ‘institutioneel racisme’. Waar baseert u uw oordeel op? Het rapport-Donner en het rapport-Van Dam, die deze kwestie onder de loep namen, reppen hier met geen woord over.” Ze vervolgt haar antwoord met de woorden: “Je moet institutioneel racisme niet stelselmatig ontkennen, want dan kom je niet tot de kern van het probleem.” Ik mag niet twijfelen, ik moet voor zoete koek aannemen wat mij wordt gezegd. De Nederlandse overheid is institutioneel racistisch. Dit mag niet worden betwijfeld of bevraagd want door dit te bevragen en te betwijfelen kom je niet tot te kern.

 “Goed onderwijs is de basis voor een vrije, gelukkige samenleving waarin iedereen tot zijn recht kan komen.”  Zo begint het eerste hoofdstuk van het verkiezingsprogramma van D66. En als dat de basis is dan moet je er ook mee beginnen. “Een goede opleiding geeft je de vrijheid om je dromen na te jagen en je talenten ten volle te benutten, de vrijheid om je eigen plek te vinden in de maatschappij. Maar ook de vrijheid om de toekomst aan te kunnen, met alles wat er op je afkomt in een wereld die steeds sneller verandert. Goed onderwijs en onderzoek zijn de sleutel voor een sterke, duurzame en wendbare economie die vandaag en morgen welvaart levert.” Zo vervolgt het hoofdstuk. Deze woorden zouden zo een reden kunnen zijn om op deze partij te stemmen.

Alleen kan ik die woorden niet rijmen met de uitspraken van partijlid en Europees volksvertegenwoordiger Rafaela. Zij betoogt namelijk dat onderzoek niet nodig is. Of dat alleen in het geval ‘vermeend institutioneel racisme’ is, weet ik niet. En dat doet er eigenlijk ook niet toe. Want zelfs al moet ik alleen dit ene geval voor zoete koek slikken, dan nog geeft dat de woorden in het verkiezingsprogramma een nare en vooral zure bijsmaak.

Uitgelicht

Vertegenwoordigd of afgespiegeld?

Het blijft lastig. Wat? Nou het verschil tussen vertegenwoordiging en afspiegeling. “Direct na de verkiezingen van 2017 maakten 54 vrouwen deel uit van de Tweede Kamer (36 procent). Ruim een derde van de volksvertegenwoordiging representeerde ruim de helft van het volk,” schrijven onderzoeker Rozemarijn van Dijk en hoogleraar politiek gedrag Joop van Holsteyn in een artikel in de Volkskrant. En daarmee blijkt maar weer dat zelfs hoogleraren het verschil tussen de twee begrippen niet kennen. Wat is er aan de hand?

File:Narcissus verliefd op zijn eigen spiegelbeeld Metamorfosen van Ovidius (serietitel), RP-P-OB-16.005.jpg
De op zijn eigen spiegelbeeld verliefde Narcissus. Bron: Rijksmuseum via WikimediaCommons

In hun artikel kaarten de beide auteurs aan dat de Tweede Kamer veel minder vrouwen dan mannen bevat en dat zal na de komende verkiezingen, niet zo veel veranderen. Natuurlijk kun je daar als kiezer iets in veranderen door op een vrouw te stemmen. Alleen: “Niet door met z’n allen op de hoogst geplaatste vrouw van de lijst te stemmen, maar door te stemmen op een vrouw die gezien de stand van de peilingen (net) niet in de Kamer komt.” Een goed advies want die hoogste vrouw op de lijst heeft toch al grote kans om in de Kamer te komen en door op een vrouw ‘op de wip’ te stemmen, vergroot je de kans dat die vrouw in de Kamer komt. Bovendien: “De kiezer kan daarmee tevens aan partijen laten zien dat ze de volgende keer een diversere, inclusieve lijst dienen op te stellen.”  Niets mis met dit betoog om meer vrouwen in de Kamer te willen en de tip om er ook voor te zorgen. Ik stem al jaren op een vrouw, dus aan mij zal het niet liggen.

Toch gaan de beide auteurs de fout in. Want al zaten er na de verkiezingen van 2017 maar 54 vrouwen (36 procent) in de Kamer, toch werden alle vrouwen vertegenwoordigd. Ze werden vertegenwoordigd door die 54 vrouwen én de 96 mannen in de Kamer. Niet alleen die ene kandidaat waarop ik stem, vertegenwoordigt mij. Ook als de kandidaat waarop ik stem, niet wordt verkozen, dan nog word ik vertegenwoordigd. Ik word vertegenwoordigd door alle 150 Kamerleden. Wie het ook zijn. Namens mij en alle andere Nederlanders controleren ze de regering, besluiten ze over wetten die ons allemaal binden en bepalen ze waaraan het belastinggeld wordt besteed.

Wie die volksvertegenwoordigers ook zijn, als ze volgens de regels van het spel zijn verkozen, dan vertegenwoordigen ze alle Nederlanders. Dan moeten ze namens ons en in ons gezamenlijke belang en na erover met elkaar in gesprek te zijn gegaan, het beste besluit nemen. Een gesprek dat vooral gaat over wat het ‘beste’ is en daarover kun je flink van mening verschillen. In dat gesprek, tenminste zo is het bedoeld, doen argumenten ertoe en niet de persoon die ze inbrengt.

Met dat ‘er niet toe doen wie de persoon is’, kom ik bij de wens dat de Kamer de bevolking afspiegelt. Die wens is van een heel andere orde. Afspiegeling is geen vereiste voor de Volksvertegenwoordiging. Het is een wens of verlangen en Van Dijk en Holsteyn hebben dat verlangen en spreken het ook uit. Zij zijn niet de enige die verlangen naar afspiegeling, die vinden dat eenieder zich moet ‘herkennen’ in een Volksvertegenwoordiger. Dat wordt echter een heel lastige kwestie. Behalve enkele eeneiige twee- en meerlingen, zullen er weinig mensen zijn die zich in een andere persoon ‘afgespiegeld’ zien. En zelfs bij die een- en meerlingen zal de afspiegeling niet volledig zijn. Alle bijna 17,5 miljoen inwoners van Nederland kunnen zich nooit afgespiegeld zien in slechts 150 Kamerleden. Als we het rechtlijnig en rekenkundig bekijken, dan moeten zich zo’n 115.000 mensen gespiegeld zien in één kamerlid. Dat wordt een lastig verhaal.

Laat ik mezelf eens als voorbeeld nemen. Een heteroseksuele blanke man midden vijftig. Daarvan zijn er meer, ook in de Kamer. Maar hoeveel daarvan zijn historicus? Vervolgens fan en seizoenkaarthouder van VVV en fervent vierder van Vastelaovend? Ik denk dat de spoeling dan al heel dun’ en waarschijnlijk is beperkt tot ondergetekende. Zeker als we het hebben van een blog waar een paar keer per week ‘ballonnen worden doorgeprikt’, eraan toevoegen en mijn liefde voor een band als Dead Kennedys, dan zijn we nog niet eens aanbeland bij het terrein van de Kamer, de maatschappijvisie en politieke voorkeuren. Ik word dus niet ‘afgespiegeld’.  

En nu draai ik het om. Er is iemand met precies mijn maatschappijvisie en politieke voorkeuren. Die persoon heeft alleen geen blog waar ‘ballonnen worden doorgeprikt’ en heeft niets met punk laat staan Dead Kennedys. Die persoon heeft een hekel aan Vastelaovend en heeft niets met voetbal en zeker niet met VVV. Die persoon is ook geen heteroseksuele blanke man van midden vijftig. Zijn al deze zaken behalve maatschappijvisie en politieke voorkeuren van belang voor een Kamerlid?

Word je liever vertegenwoordigd of afgespiegeld?

Uitgelicht

Prins, koning en kletsmajoor

“Carnaval. Dagenlang gezuip beneden de rivieren door vreemd uitgedoste hossende types. Steden waar het bestuur tijdelijk wordt vervangen door ongekozen ‘Prinsen’ met uitzinnige hoofddeksels. Bovendien vorig jaar oorzaak van de ongekende uitbraak van het coronavirus; volle IC’s en vele doden.” Aldus Bas Paternotte in een korte bijdrage bij TPO. Constateer ik daar het ‘noordelijk dedain’ naar een ‘zuidelijk feest’?

Maar eerst even iets anders. Suggereert Paternotte hier dat corona is veroorzaakt door Vastelaovend? Inderdaad volgde de eerste grote uitbraak van corona op de Vastelaovend. En ja, inderdaad zijn de omstandigheden tijdens Vastelaovend gunstig voor de verspreiding van virussen, dat is niets nieuws want de feestelijkheden worden meestal gevolgd door een griepgolf. Daarmee is het feest nog steeds niet de veroorzaker van de griepgolf of in dit geval de coronagolf. Het eerste Nederlandse geval betrof een inwoner van Loon op Zand die op verschillende plekken, in zijn geval carnaval, had gevierd. Zijn ziekte werd echter niet veroorzaakt door zijn ‘carnaval vieren’ maar door een virus. Een in Italië opgelopen virus in een gebied dat kort daarna nog door enkele bussen Groninger studenten werd bezocht.

Dan de eerste twee zinnen. ‘Dagen lang zuipen door vreemd uitgedoste hossende types’. Waar hebben we dat meer gezien? Zien we dat niet ook als het Nederlands elftal moet voetballen? Maar vooral als het Nederlands voetbalelftal naar een Europees of wereldkampioenschap gaat? En daar waar de Vastelaovend  eindigt met maximaal één kater, eindigt dat voetbalfeest bijna altijd met een dubbele. Maar daar niet alleen. Ieder jaar stromen de Hollandse binnensteden weer vol met zuipende, kotsende en hossende mensen om ‘koningsdag’ te vieren. Een feest waarbij ‘oud Hollandse spelletjes’ worden gedaan, zoals het zo ver weg mogelijk slingeren van een wc-pot. En nu we toch bij koningsdag zijn.

Inderdaad wordt op symbolische wijze gedurende drie dagen de macht overgedragen aan die ‘prins’. Verder dan symboliek gaat het niet, anders werd het feest nu wellicht veel grootser gevierd dan nu het geval is. Maar nu we het toch over symboliek hebben. Is Nederland niet een gebied waar het bestuur permanent is uitbesteed aan een ongekozen ‘koning’ met een uitzinnige mantel en scepter? En daar waar die ‘prins’ vooral zijn eigen feestje betaalt, wordt het ‘feest van die koning’ en trouwens ook dat van zijn vrouw, kinderen, broers, ouders en zelfs ooms en tantes door anderen betaald. Die prins is na een paar dagen weer weg. Het ‘feest ‘van die koning en zijn familie duurt al meer dan twee eeuwen. Als je het zo bekijkt dan zijn die paar dagen Vastelaovend, om bij de drank te blijven, klein bier.

Paternotte reageert op een bericht van PvdA-lijstrekker Ploumen: “als er één feest is dat mensen samenbrengt, – arm en rijk, jong en oud – dan is het wel Carnaval. Als in Carnavalsverenigingen eendrachtig in de loodsen wordt gewerkt aan de praalwagens.’  Ploumen raakt met haar bericht precies de kern van de Vastelaovend: mensen van allerlei pluimage bijeen brengen. Het verbroedert mensen, al is het maar voor een korte tijd. In plaats van daar met dedain over te spreken, zou je je ook kunnen afvragen hoe het tot die verbroedering komt en wat je daarvan kunt leren zodat het langer duurt. En als ‘Hollander’ hoe een dergelijke verbroedering ook boven de rivieren kan worden bereikt.

Daarmee past Paternotte in een nieuwe Nederlandse ‘traditie’: je als een kletsmajoor publiekelijk uitspreken over zaken waar je geen verstand van hebt’.

Uitgelicht

To greek or not to greek

Spek met eieren. Dat zou ik in een normaal jaar eten op het moment dat deze Prikker wordt gepubliceerd. Spek met eieren als goede bodem voor een dagje Vastelaovend in Venlo. Door corona is dit jaar alles anders. Dat alles anders is, wil echter niet zeggen dat ook echt alles anders is dan op een normale zondag met Vastelaovend.

Eigen foto

De Jocusvlag met ballonnen hangt gewoon aan de gevel. Uit de boxen schalt ‘ozze Venlose vasteloavesmeziek’. Liedjes als ‘Vastelaovend in Venlo’ en‘Veur altied eine Venlonaer’ en het prachtige‘As de sterre dao baove Straole’ met het prachtige couplet: “Beej edere baum, beej edere brum. Dao huërste ein hoëge en liëge stum. De liëge is hae, de hoëge is het. Ik zeg ut maar det geej det  wet.” En het de lente aankondigende Lekker Zunke met het geweldige openende couplet: “Nog efkes en dan zit alweer de linte in de lôch. Dan ligge de jônge flotse weer te piëpe in den bôch. Dan plôkke weej weer veldboeketjes. En de Maedjes laupe lôchtig in eur zomerkledjes. Nog efkes en dan zien we weer zoë wiëd. Dan zien we weer ôs wintertiëne kwiët.”. En ja, zelfs al moet ik thuis blijven de spek met eieren smaken toch goed. Net zoals ‘kerboët met eppelkes’ en ‘boeremoos met wors’ de komende dagen.

Wat er vandaag helaas niet inzit, is een bezoek aan Motown alwaar normaal op deze dag Minsekinder zou spelen. De reünie met mensen die ik voor het grootste deel één keer per jaar zie, namelijk met ‘vastelaoveszondaag’. Een reünie die vooral bestaat op het zo hard mogelijk meezingen van de liedjes die de band ten gehore brengt en tussendoor even de stembanden smeren. Wat we dus ook niet kunnen, is samen even degenen herdenken die er niet meer bij kunnen zijn. Dat gedenken concentreert zich rond de legendarische voormalige ‘hofzenger van Jocus’, Sjraar Peetjes. Peetjes was door Minsekinder een beetje uit de vergetelheid gehaald door hem enkele liedjes op de voor hem bekende staccatowijze te laten zingen in hun set.

Nee, dat zit er vandaag allemaal niet in. Maar dat wil niet zeggen dat er niets gebeurt. De hele programmering van Omroep Venlo ademt Vastelaovend. Zo zijn de makers van het in Venlo legendarische programma Café Chantant na een jaar of tien weer bijeen gekomen en zo gebeurt er veel meer.

Veel meer vooral kleine initiatieven die op een of andere manier aandacht besteden aan ‘ozze Venlose Vastelaovend’. Een van die bijzondere initiatieven, wil ik jullie, mijn lezers, niet onthouden. Een filmpje van ‘Vastelaovesgezelschap De Greek’. Voor iedereen die het dialect niet machtig is, ‘enne greek’ is geen Griek en het handelt dus niet over de Giorgos Giakoumakis, de veel scorende Griekse spits van VVV. Nee ‘enne greek’ is een zeur, een zanikerd. En daarmee kom ik bij de kern: to ‘greek’ or not to ‘greek’, that’s the question!

Uitgelicht

Historische context

Zoals ieder medium, besteedt ook de Volkskrant aandacht aan de komende Kamerverkiezingen. Dat gebeurt onder andere door het interviewen van de lijsttrekkers van de verschillende partijen. Bij zo’n interview neemt de krant ook vijf punten uit het verkiezingsprogramma op. Zo ook bij het interview met PvdA-lijsttrekker Lilian Ploumen. Daar lees ik: “Cultureel erfgoed, zoals standbeelden, wordt voorzien van de goede historische context.” Een bijzonder punt.

Nolensplein
Het beeld van MGR Nolens te venlo. Bron: eigen foto

Laat ik een voorbeeld nemen. Als ik vanuit mijn woning naar Bakkerij Rutten, de beste bakker van de wereld, op de Parade in Venlo loop, dan passeer ik een standbeeld van Monseigneur Willem Hubert Nolens. Een standbeeld dat staat op het ook naar hem genoemde Nolensplein. Een plein dat in de volksmond ook wel het Gaasplein wordt genoemd, omdat er vroeger een gasfabriek lag. Nolens leefde van 1860 tot 1931 en zat van 1896 tot aan zijn dood in de Tweede Kamer. Hij was priester en rechtsgeleerde en van 1910 tot aan zijn dood politiek leider van de Rooms Katholieke Staats Partij. Een partij die hij in 1904 mee had opgericht. Nolens werd in 1923, nog tijdens zijn actieve carrière, benoemd tot Minister van Staat. Allemaal feiten die we bij het beeld en het plein kunnen vermelden, maar is dat de ‘goede historische context’?

Of horen de acht Heilige Oorlogen tegen de islam, met een eufemisme ook wel kruistochten genoemd, waartoe het ‘hoogste gezag’ van die kerk opriep, ook tot die context? Die begonnen in 1095 met een anti-islamitisch betoog van Paus Urbanus II waar Wilders nog een puntje aan kan zuigen: “De islamieten hebben altaren besmeurd met bloed dat ze in doopvonten lieten vloeien. Ze hebben christenen besneden en hen gegeseld en gemarteld, voordat ze hen doodden.” Dat behoort immers allemaal tot de geschiedenis van de kerk van Rome en in die kerk was Nolens priester en voor een partij van die religie zat hij jarenlang in de Tweede Kamer.

Dan mogen we ook de ‘binnen Europese kruistochten’ niet vergeten. De strijd tegen joden en vermeende ketters waarvan die tegen de Katharen de bekendste is. De Katharen werden eerst ‘gedemoniseerd’ maar dan in de letterlijke zin van het woord. Tenminste volgens vooraanstaande geestelijken zoals de abt Bernardus van Clairveaux. Anderen zoals de abdis Hildegard van Bingen riepen op de Katharen te verwijderen uit de kerk. En dat betekende vroeger wat anders dan nu. Tegenwoordig kun je als je uit de kerk bent verwijderd heel goed leven. Vroeger betekende dat echter iets heel anders. ‘Uit de kerk verwijderen’ betekende je dood. En wat dichter bij onze eigen tijd. Behoort bij die context ook het misbruiken van kinderen?  

Nu heeft de kerk niet alleen maar ellende gebracht. Wij zijn het gewend dat er regels en wetten zijn waaraan iedereen zich houdt. Bij die iedereen hoort ook de overheid. Dat een heerser en nu een overheid zich aan de wet houdt, is niet vanzelfsprekend. Een blik naar het Oosten, naar Rusland en China, en we zien landen waar respectievelijk de president en de communistische partij boven de wet staan. Als we het betoog van Francis Fukuyama in zijn boek De oorsprong van onze politiek mogen geloven, dan danken we onze rechtstaat aan de katholieke kerk. De Investituurstrijd in de elfde eeuw speelde hierin, zo betoogt Fukuyama, een belangrijke rol. Een strijd tussen de paus en de Keizer van het Heilig Roomse rijk. Een strijd die ging over het recht om bisschoppen te benoemen die ook wereldlijke macht uitoefenden omdat ze in een gebied zowel het kerkelijk als het wereldlijk gezag bezaten. Een strijd die uiteindelijk door de paus werd gewonnen na de ‘gang naar Canossa’ van Hendrik IV. Daar in Canossa werd aan de geëxcommuniceerde Hendrik IV vergiffenis geschonken waardoor hij zijn wereldlijke heerschappij behield. Het benoemen van bisschoppen door koning of keizer behoorde echter tot het verleden. Volgens Fukuyama legde deze erkenning van Hendrik IV, dat hij in zijn rijk niet alle macht had, de basis voor een rechtstaat waar zelf de heerser zich aan de wet moet houden.

Terug naar de ‘goede historische context’ bij het beeld van Nolens. Wat is in dit voorbeeld de ‘Goede historische context’ en wie bepaalt dit? Dat kunnen omvangrijke ‘bijsluiters’ bij ieder beeld worden. Het komt er met enige overdrijving op neer dat ieder beeld vergezeld dient te gaan van een bibliotheek. Maar belangrijker, ‘goede historische context’ suggereert dat ons denken met betrekking tot het verleden superieur is aan dat van vroeger. Het denken van vroeger is immers minder goed omdat we nu de ‘goede historische context’ moeten bijvoegen. Een dergelijke manier van denken betekent dat automatisch ook dat we de ‘goede historische context’ van vandaag ook over tien of twintig jaar nog de ‘goede historische context’ vinden? Of denken we werkelijk dat wij nu de ‘goede historische context’, in pacht hebben?

Uitgelicht

Battle- en cruiseship corona

“We zouden plotseling een land van bevrijde tachtigjarigen hebben, terwijl jonge mensen, die sowieso al geen ernstige schade van covid ondervinden, in lockdown zouden blijven. Theepartijtjes zouden weer worden gehouden, cruiseschepen weer zeilen, terwijl fitte en gezonde 25-jarigen nog eens zes maanden te maken krijgen met thuisblijven.” Een citaat van Ross Clark in een artikel van Iñaki Oñorbe Genovesi in de Volkskrant. Een artikel waarin de vraag centraal staat: “Moeten mensen die gevaccineerd zijn meer vrijheden krijgen, terwijl anderen nog niet eens een oproep hebben gehad voor een coronaprik?” Inderdaad cru als de gezonde jeugdigen die nu binnen moeten blijven ter bescherming van de risico lopende oudere nog steeds binnen moeten blijven terwijl die oudere vrolijk op stap kan.

File:USS Missouri (BB-63) arrives in Pearl Harbor.jpg
De USS Missouri arriveert in 1998 in Pearl Harbor om ‘dienst’ te gaan doen als museum. Bron: Wikipedia

Toen ik dit las, moest ik aan de film Battleship denken. Voor degenen die de film niet kennen: buitenaardse wezen proberen de Aarde te veroveren en dat mislukt natuurlijk door de heldhaftige inzet van de hoofdrolspelers. Ik moest aan deze film denken omdat het slagschip Missouri dat als Tweede Wereldoorlog museum in de haven van Hawaii fungeert, een belangrijke rol speelt. Dat schip vuurt de belangrijkste granaat af. Hierbij vervullen veteranen uit de Tweede Wereldoorlog een belangrijke rol. Zij hadden ervoor gezorgd dat het schip nog steeds volledig functioneerde en hielpen de hoofdrolspelers om het schip die belangrijke granaat te laten afvuren.

Ik moest hieraan denken omdat die gevaccineerde oudjes dan wel meteen ook het personeel voor die cruise zullen moeten leveren. En ja, ook het personeel van het theehuis. Want waar moet je als ‘oudje’ heen als alle medewerkers van musea, theaters, voetbalstadions, winkels et cetera nog gewoon binnen moeten blijven. Het lijkt me weinig aantrekkelijk om de gesloten deur van het Limburgs Museum te bezoeken. Zonder de werkende jongeren lijkt mij dat er weinig te doen is voor die ‘bevrijde oudjes’ behalve dan met elkaar af te spreken en daarbij is een vaccin een plus: “Na bijna een jaar sinds het eerste geval van coronavirus in Argentinië, meldden datingapplicaties als Tinder, Bumble en OkCupid een aanzienlijke toename in het aantal keren dat gebruikers de woorden ‘vaccin’ en ‘gevaccineerd’ in hun profielbeschrijvingen vermelden. Het enige wat er “verder zou kunnen veranderen is dat de ‘vroege uurtjes voor kwetsbare oudjes’ in de supermarkt tot het verleden behoren. Nu is mijn ervaring van de afgelopen tijd dat veel ‘oudjes’ toch al buiten die uurtjes de supermarkt bezoeken.

Voorlopig zijn nog lang niet alle ‘kwetsbare oudjes’ gevaccineerd. Totdat het zover is, lijkt het me dat je de gevaccineerde mensen wel meer vrijheid kunt geven, alleen zijn er, afgezien van een bijzondere mogelijkheid, nog steeds geen mogelijkheden om die te benutten omdat het ‘cruiseschip niet kan varen’ wegens gebrek aan personeel. Die ene mogelijkheid is de avondklok. Die zou voor gevaccineerde mensen niet meer hoeven te gelden. Alleen zou dat weer voor handhavingsproblemen kunnen zorgen en dat is een reden om het niet te doen. Er is echter een belangrijkere reden. Als ‘gezonde jongeren’ binnen moeten blijven om ‘kwetsbare oudjes’ te beschermen dan is het niet meer dan wederkerig dat gevaccineerde ‘kwetsbare oudjes’ solidair blijven met de jongeren en pas gaan cruisen (per schip of Tinder) als ook die ‘gezonde jongeren’ dat weer kunnen. Solidariteit werkt alleen als het wederkerig is.

Of, en nu draai ik de zaak om, als de ‘gezonde jeugdigen’ binnen moeten blijven om de ‘kwetsbare oudjes’ te beschermen, dan kan toch alles weer open als die ‘kwetsbare oudjes’ via een vaccin zijn beschermd? Dan vervalt toch de reden waarom die ‘gezonde jeugdigen’ binnen moeten blijven? Nu ben ik geen virusdeskundige en het kan zijn dat er goede redenen zijn om dat juist niet te doen.

Uitgelicht

De boterham en het beleg

“Hoe helpen we werkgevers en overheid van hun flexverslaving af?” Die vraag stelt Tuur Elzinga, vicevoorzitter en kandidaat voor het voorzitterschap van vakbond FNV zich bij Joop. Als ‘flexwerker’ trok dit artikel mijn aandacht. Gelukkig biedt hij zich aan als: “flextherapeut om onze samenleving voor werkenden een stuk zekerder maken.” Laten we eens naar zijn therapie kijken.

File:Demonstranten met muziekinstrumenten en spandoek Geen afbraak sociale zekerheid, Bestanddeelnr 932-7800.jpg
Bron: nationaal archief

“Als het maar even kan, alle risico’s afwentelen op de zwakkere partij. De gedetacheerde, de zelfstandige, de uitzend- of oproepkracht. Dan hoef je geen pensioenpremie of sociale lasten af te dragen en het bedrijf draagt geen risico van ziekte of gebrek aan werk. Dat is de kern van flexverslaving.” Zie hier de symptomen van de ‘flexverslaving’ aldus Elzinga. En: “De overheid heeft dit volop gestimuleerd, via wetgeving. Ze heeft er ook volop van geprofiteerd. En doet dat nog.” Dat laatste biedt aanknopingspunten voor de therapeut: “Flex is immers gevolg van jaren bewust beleid in de politiek. En bewust beleid kan dit ook weer terugdraaien. Daarom wil ik met de FNV de komende vier jaar de boer op met een één-miljoen-vaste-banen-plan.” Therapeut Elzinga heeft drie medicijnen in zijn koffertje. Als eerste: “Door nieuwe banen zoveel mogelijk aan te bieden als vast werk. De overheid moet hierbij om te beginnen het goede voorbeeld geven.” Zijn tweede medicijn: “Door bestaande onzekere contracten om te zetten in vast werk.” Op het derde medicijn kom ik straks terug. Tot nu toe klinkt het logisch. Als flex een probleem is, dan werken we alleen nog maar met vaste banen.

Is flex wel het probleem? Als ZZP’er zie ik twee problemen. Als eerste onzekerheid en als tweede machtsverschil. Onzekerheid is een probleem voor de flexwerker: heb ik morgen nog een klus? Want, geen klus is geen inkomen en zonder dat inkomen geen eten om het heel cru en plat te maken. Als tweede is de onderhandelingspositie van de meeste flexwerkers niet al te sterk. De opdrachtgever kan kiezen uit meerdere flexwerkers, de meeste flexwerkers hebben niet altijd de keuze uit meerdere opdrachten. De twee problemen versterken elkaar. Immers hoe langer je als flexwerker zonder klus zit, hoe dringender je de klus nodig hebt. Vast werk zou dit kunnen oplossen: je hoeft je geen zorgen meer te maken om je inkomen.

Alhoewel geen zorgen? Als er weinig werk is dan zal die werkgever mensen ontslaan. Gebeurt dat niet dan gaat de werkgever failliet en verliezen alle werknemers hun werk. Vast werk geeft daarmee ook geen zekerheid. Daarom pleit Elzinga, en dat is zijn laatste medicijn, ervoor om: “door wetgeving de werkenden met onzeker werk meer bescherming geven. Dus voor alle werkenden dezelfde wettelijke zekerheid bij ontslag, werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid en pensioenbescherming.” Zo wordt er ook in geval van ontslag zekerheid geboden.

Maar als zekerheid voor iedereen dan toch het doel is, waarom zijn dan de eerste twee ‘medicijnen’ nodig? Dan is alleen dat derde medicijn toch voldoende? Als we dat als uitgangspunt nemen, dan is er ook een andere manier om die zekerheid te bieden. Dan is een onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen wellicht een veel interessantere oplossing. Interessanter om verschillende redenen.

Een onvoorwaardelijk basisinkomen lost het onzekerheidsprobleem van een flexwerker op. Nee, niet het hebben van een volgende klus, maar het inkomen en dus een ‘boterham. De flexer zal nog steeds een volgende klus moeten zoeken om zijn boterham te ‘beleggen’. Dat hij die ‘boterham’ al heeft verandert wel zijn onderhandelingspositie in zijn zoektocht naar een klus en dus dat ‘beleg’. Dit geeft meer macht om klussen te weigeren en die macht verzwakt de positie van de opdrachtgever.

Als tweede is het interessanter omdat een onvoorwaardelijk basisinkomen eenvoudiger uit te voeren is dan specifieke wetgeving die Elzinga voorstaat. Daar is geen toezichts- en controle systeem voor nodig. Dan kan de omvang van het UWV en de diverse gemeentelijke sociale diensten fors worden ingekrompen.

Sterker nog, die gemeentelijke sociale diensten zijn dan overbodig. Er hoeft niet gecontroleerd te worden of er drie keer is gesolliciteerd en ook de ‘tandenborstelcontrole’ is overbodig. En daarmee raak ik een derde reden waarom een onvoorwaardelijk basisinkomen interessant is. Het ‘ontmenselijkende’ karakter van de manier waarop nu invulling wordt gegeven aan de sociale zekerheid vervalt. Mensen worden weer gewoon als mensen gezien. Niet als ‘minderwaardigen’ omdat ze nog moet ‘(re)integreren’. Dit zal bij velen heel veel stress en dus ziektekosten en vooral levensjaren schelen.

Als laatste, maar er zijn nog wel meer redenen te bedenken, komt deze oplossing ook tegemoet aan de wens voor flexibiliteit van werkgevers en ook de overheid, want daar flex ik voornamelijk. ‘Vast werk’ en ‘banen voor het leven’ zijn iets van vroeger. Als we nu kinderen moeten opleiden voor banen en werk dat nog niet bestaat, hoe ‘zeker en vast’ is dan een vaste baan? Als baanonzekerheid het nieuwe normaal is, is het dan niet slimmer om ‘zekerheid’ op een andere manier te bieden dan via een onzekere vaste baan? Jammer dat een kandidaat-voorzitter van de FNV in het verleden blijft hangen.

Uitgelicht

Het middel en de vermeende kwaal

Zoals altijd voor verkiezingen grasduin ik door de verschillende verkiezingsprogramma’s. Een tijd geleden schreef ik al over de ‘bedoeling van het kapitalisme’ volgens de VVD. En ook over het PVV programma waarin de partij zich vol achter artikel 23 van de Grondwet schaart en één zin later datzelfde artikel aan haar laars lapt. Nu las ik iets heel bijzonders in het programma van het Forum voor Democratie.

Bron: WikimediaCommons

Ik citeer: “Ook zien we een probleem met de selectieprocedure van onze rechters. Officieel worden rechters benoemd door de regering (uitvoerende macht), maar in de praktijk wordt vrijwel altijd de aanbeveling gevolgd vanuit de rechterlijke macht zelf. Hierdoor houdt een ideologisch bolwerk zichzelf in stand. Via een parlementaire ondervragingscommissie willen wij de grip van de politiek op benoeming van (hogere) rechters, zoals leden van de Hoge Raad of van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, versterken.” In het kort staat hier dat Baudet de rechters partijdig vindt en hij wil die partijdigheid bestrijden door ze in het parlement te ondervragen alvorens ze worden benoemd. Zo wil hij dat bolwerk met de voor hem ‘verkeerde ideologie’ aanpakken. Zou dit werken?

Voordat ik aan die vraag toekom, eerst een vraag aan Baudet. Is er een probleem? Is de rechterlijke macht een ‘ideologisch bolwerk’ met een bepaalde voorkeur? Dat de stemverdeling onder rechters anders is dan onder de rest van Nederland is bekend. Net zoals die ook anders is onder leraren, zorgpersoneel en ambtenaren. En trouwens net zoals die ook anders is onder topmanagers van grote bedrijven. Daar hoeven we niet van op te kijken, dat is vooral een gevolg van beroepskeuzes van mensen. Een ‘oververtegenwoordiging’ van stemmers op een bepaalde partij, wil echter nog niet zeggen dat er sprake is van een ‘ideologisch bolwerk’ en dat de ‘ideologie van de rechter’ een rol speelt bij het uitspreken van vonnissen, is nog flink wat stappen verder.

Dan Baudets oplossing. Laten we eens ‘over de grens’ kijken want er zijn al landen die zo’n systeem kennen. Bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Daar nomineert de president rechters die ter goedkeuring aan de senaat moeten worden voorgedragen. Zou dat er minder politiek aan toe gaan? Even terug naar 13 februari 2016. Toen stierf opperrechter Antonin Scalia. President Obama nomineerde een nieuwe kandidaat maar de door zijn politieke tegenstanders de Republikeinen gedomineerde senaat, weigerde de voordracht ook maar te bespreken. De reden, in november 2016 waren er verkiezingen en als de Republikeinen zouden winnen, dan zou hun president een rechter mogen voordragen en die zou meer in hun straatje passen. Als reden voerden ze echter aan dat Obama het zou moeten overlaten aan zijn opvolger omdat hij nog maar zo kort aan de macht zou zijn. Obama zou niet over zijn politieke graf moeten willen regeren. We springen even vier jaar verder in de tijd. Op 18 september vorig jaar overleed opperrecht Ruth Bader Ginsberg. Iets minder dan twee maanden voor de presidentsverkiezingen. President Trump nomineert Amy Barretts en iets meer dan een maand later en een kleine twee weken voor de verkiezingen bevestigd de door de Republikeinen gedomineerde Senaat die nominatie. Geen enkel woord van ‘over het politieke graf regeren’ van Trump. Dit zijn maar twee voorbeelden van de gevolgen van politieke benoemingen van rechters, want dat is waar Baudet voor pleit.

Nu even weg van de voorbeelden. Zou het benoemen van rechters door een politiek orgaan, een orgaan waar ideologie een belangrijke rol speelt, leiden tot ideologievrije rechters? Nu is dat onmogelijk, iedereen mens heeft wel iets met ideologie al is het maar in de vorm van godsdienst. Zou het leiden tot een ideologisch gemêleerde rechterlijke macht? Of zou het vooral leiden tot een beschadiging van mensen voor ‘politiek gewin’? Als er in zo’n parlementaire ondervragingscommissie iets zal gebeuren, is het dan niet dat er door tegenstanders van de benoeming van een rechter wordt gehamerd op de ‘politieke vooringenomenheid’ van die rechter? Daarop en op de foutjes, zoals een rode kaart in een voetbalwedstrijd wegens het uitvallen tegen een scheidsrechter, van die beoogde rechter in zijn  verleden?

Zou dit ervoor zorgen dat: “de beste persoon voor de beste positie,” op basis van: “talent en kunde,” wordt gekozen? Want dat wil Baudet zo is ook in het programma te lezen. Ik vrees dat de beste personen zo’n procedure aan zich voorbij laten gaan. Nee, als Baudet werkelijk vindt dat het rechters corps qua politieke voorkeur een afspiegeling moet zijn van politieke voorkeuren van de bevolking, dan kan hij beter doen wat ik Tim Engelbart adviseerde toen die zich twee jaar gelden beklaagde over het ‘links zijn’ van het onderwijs: “Sluit u aan bij die ‘linkse gekkies’ die voor een habbekrats en veel gezeik van u als ouder uw kinderen wat bij proberen te brengen. Immers de ‘linkse dominantie’ van het lerarencorps kan alleen worden doorbroken door een flinke instroom van ‘rechtse rakkers’ zoals u.” Want het middel dat Baudet voorstelt, zou wel eens erger kunnen zijn dan de vermeende kwaal.

Uitgelicht

Koeienvlaai en fraudebestrijding

“Vorige week meldde de Rekenkamer dat landelijke overheidsinstanties nog steeds te weinig doen om vooroordelen te voorkomen bij het gebruik van algoritmes. Deze week onthullen de NOS en de regionale omroepen dat vijfentwintig gemeenten het gebruik van voorspellende algoritmes óók al toestaan, om fraude en criminaliteit op te sporen. Het biedt weinig hoop op het verdwijnen van afkomst uit hun risicoprofielen, omdat institutioneel racisme altijd in meer of mindere mate werd geaccepteerd in Nederland.” Aldus Margriet Oostveen in een column in de Volkskrant. Een bijzonder passage.

Weiland met twee koeien bij een sloot met eenden - PICRYL Public Domain  Image
Bron: Picryl

Een algoritme is niets meer en niets minder dan een set van stappen die je achterelkaar zet om een doel te bereiken: aardappelen schillen, ze even onder de kraan afspoelen, vervolgen in een kookpot doen, de pot met water vullen totdat ze onder water staan, een schepje zout erbij, op een brandend fornuispitje zetten, als het water kookt klein zetten en vervolgens er geregeld even met een vork in prikken en als de vork soepel in de aardappel verdwijnt, dan zijn ze klaar, water afschudden en eten maar. Een algoritme om aardappels te koken.

Wat Oostveens passage bijzonder maakt is dat een algoritme in deze zin van het woord per definitie een vooroordeel is. Bij het maken van een algoritme om fraudeurs op te sporen, wordt gekeken naar reeds bekende fraudeurs en dan vooral naar overeenkomsten tussen die fraudeurs. Als heel veel of zelfs iedere fraudeur een konijn heeft, dan is het hebben van een konijn iets dat je in het mandje van de ‘mogelijke fraudeurs’ doet belanden. En zo wordt er gekeken naar veel meer eigenschappen. Heb je veel van die eigenschappen, dan kom je op een lijstje dat voor ‘verscherpt toezicht’ in aanmerking komt.

Bij deze manier van werken wordt een loopje genomen met de logica. Neem weer dat konijn. Ook al betekent het hebben van een konijn niet dat je fraudeert, sterker al zouden alle fraudeurs een konijn hebben, dan betekent dat nog niet dat iedere konijnenbezitter een fraudeur of zelfs een potentiële fraudeur is. Met slechts één eigenschap waarop je selecteert is de kans dat je een loopje neemt met de werkelijkheid groot. Dat probeert men te ondervangen door veel kenmerken die veel criminelen gemeen hebben te combineren: konijnen, Volkswagen Golf, Gucci tas et cetera. Maar ook al voldoe je aan al die zaken, dan nog wil dat niet zeggen dat je een fraudeur bent.

Een dergelijke manier van werken is inherent discriminatoir. Dat is precies de bedoeling van zo’n algoritme. Dat is de bedoeling omdat het logischerwijs dan misschien niet zo is dat iemand die alle kenmerken gemeen heeft met een fraudeur, een fraudeur is, het maakt de kans dat zo iemand een fraudeur is wel veel groter. Als je vervolgens beperkte middelen voor fraude-opsporing hebben en toch zoveel mogelijk fraude moet opsporen, dan is dit een efficiënte manier. Dan kan het gebeuren dat men, zoals in Oostveens column is te lezen, bij het opsporen van zakkenrollers en winkeldieven in het designer outlet in Roermond kijkt: “naar de kleur van de auto, de nummerplaat en het aantal inzittenden. Het project was opgetuigd om Roma te vangen, terwijl uit een analyse bleek dat 70 procent van de zakkenrollers en winkeldieven van Nederlandse afkomst was. Want ondanks dat 70% van de zakkenroller van Nederlandse afkomst is, is die dertig procent die afwijkt makkelijker te vinden. In het designer-outlet vallen de zakkenrollers van Nederlandse komaf niet op, zij lijken op een zeer groot deel van de bezoekers. Die andere dertig procent van de zakkenrollers valt veel meer op omdat ze afwijken van het zeer grote deel van de bezoekers. Focus je op die 70% dan moet je veel meer moeite doen om tot resultaat te komen dan focussen op die dertig procent. En daarmee kom ik dichter bij het punt dat ik wil maken.

Het is een efficiënte manier, maar wel een manier met heel schadelijke ‘bijwerkingen’. Als eerste omdat er sprake is van een ‘zelfversterkende feedback-loop’. Al zoekend naar fraudeurs onder konijnenhouders, zul je fraudeurs vinden. Die vondsten versterken de zogenaamde relatie tussen fraude en konijnen. En omdat je je kostbare tijd maar één keer kunt besteden en die besteedt aan konijnenhouders, blijven alle frauderende hondenbezitters buiten beeld. Omdat je je concentreert op die 30% niet Nederlandse zakkenroller en winkeldieven zal die 30% procent in de statistieken groter worden dan de dertig procent waardoor het systeem zich er nog meer op gaat richten. Als tweede is het schadelijk omdat het leidt tot vooroordelen. In mijn voorbeeld zal iedereen met een konijn argwanend worden benaderd en bekeken en in Roermond stigmatiseer je Roma als winkeldieven en zakkenrollers.

Niet discrimineren bij het opsporen van fraude is ook mogelijk. In het geval van de kinderopvangtoeslag zou dat kunnen door briefjes te maken met naam en BSN van iedere aanvrager, deze in een doos te doen en er dan willekeurig het aantal uit te halen dat je in een bepaalde periode kunt controleren. Of je laat een koe bepalen door een wei op te delen in bijvoorbeeld honderd vakken en ieder vak correspondeert met een doos dossiers. Vervolgens wacht je waar de koe haar vlaai deponeert en de doos die met dat vak correspondeert, wordt gecontroleerd. Nadeel van deze vorm van fraude-opsporen is dat kans op het pakken van fraudeurs kleiner wordt.  

Als we niet willen dat er wordt gediscrimineerd bij het aanpakken van fraude of criminaliteit, dan moeten we algoritmes afschaffen en ‘de koe’ vragen en accepteren dat we veel minder fraude opsporen.

Uitgelicht

Robinhood is geen Robin Hood

Ik weet niet of jullie het al hebben meegekregen. Ik denk van wel omdat het al aandacht kreeg in het NOS journaal en de Volkskrant besteedde er in een tweetal artikelen flink aandacht aan. Ik heb het over enkele hedgefondsen die een koekje van eigen deeg kregen.

File:Statue of Robin Hood in Sherwood Forest (9464).jpg
Bron: WikimediaCommons

Die hedgefondsen hadden erop gegokt dat de koers van de aandelen van onder andere een spelletjeswinkel zouden dalen, dat noemen ze shortselling. Je ‘leent’ nu aandelen van iemand en je belooft ze over een bepaalde periode terug te geven. Vervolgens verkoop je die geleende aandelen en als de koers van dat aandeel op het moment dat je ze terug moet geven werkelijk is gedaald, dan koop je ze goedkoper in, geeft ze terug en steek je de winst in je zak. Als dat zou gebeuren, dan zouden deze hedgefondsen flink geld verdienen. Dat liep echter anders. Een groepje kleine beleggers kreeg hier lucht van en riep andere kleine beleggers op om aandelen van het bedrijf te kopen. Die deden dat waardoor de koers van het aandeel in de hoogte schoot. Gevolg, de hedgefondsen moesten de aandelen duurder kopen dan ze hadden verkocht en leden verlies en fors: “Een van deze hedgefondsen, Melvin Capital, maakte bekend inmiddels 4,5 miljard dollar aan verliezen te hebben geleden.”

Ik heb geen medelijden met deze hedgefondsen en hierin ben ik niet de enige: “De actie van de kleine beleggers kan op veel sympathie rekenen omdat hedgefondsen worden gezien als de aasgieren van de financiële markten die een slaatje slaan uit de ellende van bedrijven (of landen).” Ja, ook landen want deze fondsen speculeren ook geregeld op bijvoorbeeld een daling van de koers van een munt. Het bekendste voorbeeld hiervan is de val van het Britse pond in de jaren negentig van de vorige eeuw als gevolg van speculatie op een koersdaling. George Soros werd hierdoor wereldberoemd en schatrijk.

Toch wordt er ook anders over gedacht, zo lees ik in de Volkskrant: “BinckBank maakte vrijdag bekend aankooptransacties van deze activistische beleggers te hebben geblokkeerd. Binck volgde daarmee het voorbeeld van effectenbemiddelaars in de VS zoals Robinhood. Woordvoerder Ronald Veerman zegt dat de bank klanten tegen zichzelf in bescherming wil nemen. Niet alleen is het zeer riskant, ook lopen de beleggers de kans van manipulatie te worden beschuldigd.” Pardon! Een heel bijzondere redenering. Of eigenlijk twee van hetzelfde soort.

Als eerste het ‘in bescherming nemen’. Waarom moet die kleine belegger worden beschermd? Beleggen doe je toch voor eigen winst en risico, daar heeft een bank niets mee te maken? Behalve dan dat ze het geld van de koper naar de verkoper moet over maken. Een bank blokkeert toch ook niet mijn betaling van die goede fles wijn bij de slijter om mij tegen mezelf in bescherming te nemen.

Maar er is nog iets bijzonders aan deze redenering. Laten we eens aannemen dat het zo was gelopen als de Hedgefondsen hadden gepland, wie hat dan het gelag moeten betalen? Dat waren de aandeelhouders van die spelletjeswinkel en daarbij zouden kleine beleggers kunnen zitten. De waarde van hun aandelenbezit was dan immers fors in waarde gedaald. Hadden de banken dan niet ook de transacties van de hedgefondsen moeten blokkeren om die beleggers in bescherming te nemen?

Maar het gaat verder. Wie had vervolgens al die flink in waarde gedaalde aandelen gekocht? Waarschijnlijk die hedgefondsen. Dan hadden ze voor een appel en een ei het bedrijf in bezit gekregen en hadden het vervolgens ‘gereorganiseerd’. Wat er op neer komt dat ze het in stukken scheuren en de onderdelen met winst verkopen. Nu mogen Robinhood en Binckbank mij uitleggen wie zij, behalve deze hedgefondsen, beschermen door de transacties van die kleine belegger te blokkeren?

Dan een mogelijke beschuldiging van ‘manipulatie’. Veel gekker moet het niet worden. Is speculeren, want zowel het handelen van de hedgefondsen als het handelen van de Redditclub heeft in de basis niets met beleggen te maken, niet het proberen de koers te beïnvloeden en manipuleren is een ander woord voor beïnvloeden? Moeten de hedgefondsen dan ook niet in bescherming worden genomen omdat ze ‘de kans lopen van manipulatie te worden beschuldigd?

Wie beschermen ‘Robinhood’ en Binckbank hier? Twee keer een soortgelijke redenering waarbij een bank het doet voorkomen alsof ze de ‘kleine ‘belegger’ beschermt. Als de banken dan toch de ‘kleine luiden’ willen beschermen, kunnen ze dan niet veel beter de transacties van hedgefondsen verbieden en het geld dat ze in deze fondsen hebben gestoken, terugtrekken? Nee, Binckbank en Robinhood zijn geen Robin Hood.

Uitgelicht

‘Kennisleer van onwetendheid’

Begrippen als ‘witte onschuld’‘witte superioriteit’ en ‘witte fragiliteit’ kende ik al. Ik schreef er al eerder over. Er is, in dit verband, ook een ‘kennisleer van onwetendheid’ zo lees ik in een artikel van Sheher Khan. Khan is duo raadslid en hoofd van het fractiebureau van DENK in Amsterdam. Die kennisleer van onwetendheid kende ik nog niet. Khan verwijt in een artikel bij Joop dat CDA-kamerlid Pieter Omtzigt voor een nieuw sociaal contract: “in feite een voortzetting van het raciaal contract, ” pleit. Dit omdat Omtzigt, zo betoogt Khan, nalaat om: “institutioneel racisme te benoemen.” Een bijzonder betoog.

File:Rechtvaardigheid troont boven portret van Justinianus op sokkel met titel geflankeerd door Matigheid en Voorzichtigheid Titelpagina voor Corpus juris civilis, Amsterdam 1663 Corpus juris civilis (titel op object), RP-P-1886-A-10397.jpg
Rechtvaardigheid troont boven een portret van Justinianus op een sokkel met als titel geflankeerd door Matigheid en Voorzichtigheid. Een prent van Cornelis van Dalen. Bron: Rijksmuseum

Bijzonder als eerste omdat ik de combinatie van de woorden ‘kennisleer’ en ‘onwetendheid’ een bijzondere vind. Kennisleer, ook wel epistemologie genoemd, is een heel oud begrip uit de filosofie. De kennisleer onderzoekt de aard, oorsprong, voorwaarden en de reikwijdte van kennis en het weten. Binnen de kennisleer staan drie vragen centraal: Wat is kennis? Wat kan ik weten? En hoe kan ik kennis vergaren? Onwetendheid is de afwezigheid van alle of bepaalde kennis. De combinatie van die twee begrippen komt mij als heel vreemd voor. Dat even terzijde.

Volgens Khan staat Omtzigt met die ‘voortzetting van het raciale contract’ in een lange traditie van geleerden zoals Thomas Hobbes, Jean-Jacques Rousseau, John Locke en Immanuel Kant die: “Verlichtingsidealen zoals individuele vrijheid en rechtvaardigheid,” beperkten tot Europeanen. “Zelfs de meest vooraanstaande filosofen, zoals John Rawls, raken gehypnotiseerd door de kennisleer van onwetendheid. Rawls bracht de discussie over het sociaal contract weer tot leven in de 20e eeuw met zijn theorie van rechtvaardigheid. Hij stelde dat een rechtvaardige samenleving ingericht is op het verheffen van de meest achtergestelde groepen maar verzuimde om ,in een carrière van 50 jaar, ook maar één passage te wijden aan raciale rechtvaardigheid.” Aldus Khan. Maar heeft hij een punt?

Khan verwijst naar Rawls’ belangrijkste werk Een theorie van rechtvaardigheid. In dat boek zoekt Rawls naar de meest rechtvaardige manier om een samenleving vorm te geven. Centraal in dit denken stond de absolute vrije mens die vrijheden inleverde in ruil voor vrede en veiligheid. Dit inleveren van vrijheid gebeurde op vrijwillige basis. Rawls was de eerste denker die inzichtelijk probeerde te maken hoe dat in zijn werk zou moeten gaan en wat dan een redelijke en vooral rechtvaardige uitkomst van die ‘contractonderhandelingen’ zou zijn. Rechtvaardig voor mensen in alle mogelijke posities in de samenleving maar ook tussen de opvolgende generaties. De ‘contractpartijen’ bij die onderhandelingen, waren volgens Rawls onwetend van hun rol en positie in de samenleving en in de tijd en waren ook niet op de hoogte van hun eventuele geloofsovertuiging of voorkeuren. Zij handelden vanachter ‘de sluier van onwetendheid’ zoals Rawls hem noemde. Rawls ging uit van rationele personen en rationeel handelen waarbij twee beginselen of uitgangspunten van rechtvaardigheid door alle partijen waren aanvaard: “1. Elke persoon dient gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen. 2. Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze: (a) het meest ten goede komen aan de minst bevoordeelden, in overeenstemming met het rechtvaardige spaarbeginsel, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder voorwaarden van billijke gelijke kansen.[1]  Ik kan hier geen raciale ongelijkheid in ontdekken. Rawls spreekt over ‘elke persoon’ en ‘allen’. Hij zoekt naar rechtvaardigheid voor iedereen ongeacht kleur, geslacht, gender en welke categorieën dan ook.

Dat: “in de ogen van Hobbes en Rousseau (…) de wilde of barbaar altijd een niet-Europeaan” was en: “Locke profiteerde financieel van de slavernij en Kant pleitte voor een hiërarchische categorisering van de mensheid op grond van ras,” zegt niets over Rawls en Omtzigt. Khan projecteert de opvattingen van historische figuren op Omtzigt en, de inmiddels ook historische figuur, Rawls alleen omdat ze dezelfde huidskleur hebben. Als ik Khans betoog goed interpreteer, dan bedoelt hij met ‘kennisleer van onwetendheid’ dat als je als blanke over de mensheid schrijft zonder er expliciet bij te zeggen dat je met mensheid alle kleuren bedoelt, dat je dan alleen maar blanken bedoelt. Dat is, voor iemand die raciale rechtvaardigheid zo belangrijk vindt, een sterk naar racisme riekende manier van denken.

Nu is Khan niet de enige die het woord ‘iedereen’ of ‘allen’ graag wil aanvullen door onderdelen van die ‘iedereen’ of ‘allen’ expliciet te benoemen. Menig politieke partij wil de Grondwet aanpassen en dan vooral artikel 1: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”  In dat artikel moeten de rechten van allerlei groepen expliciet worden belegd en benoemd. Ook de Ballonnendoorprikker wil dit artikel graag aanpassen, maar dan op een andere manier. Niet door er allerlei groepen die niet gediscrimineerd mogen worden aan toe te voegen. Nee, door het te versimpelen waardoor het veel duidelijker en krachtiger wordt:  ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.’ Hooguit aangevuld met: ´Discriminatie is niet toegestaan’, maar dat is eigenlijk al niet meer nodig. Gelijke behandeling begint in de wet. Ongelijkheid begint met het noemen van groepen in dit artikel.


[1] John Rawls, Een Theorie van rechtvaardigheid pagina 321

Uitgelicht

Meehuilers

‘Ik luister naar je, maar ik doe niet wat je zegt’ en ‘ik begrijp je, maar ik heb er geen begrip voor’. Deze twee zinnen vormen in de kern de korte samenvatting van de gebeurtenissen van de afgelopen twee weken en eigenlijk van de afgelopen twintig jaar. Waarom? Dat leg ik hieronder uit.

Free Images : zoo, fauna, howl, marsupial, wildlife photography,  carnivores, european wolf, pack animal, canis lupus, wolf howling, dog like  mammal, wolfdog 6000x4000 - - 581606 - Free stock photos - PxHere
Bron: PxHere

Neem de vele mensen die op de PVV stemmen. In begrijp dat ze zich zorgen maken over hun heden en toekomst, maar ik heb geen begrip voor hun partijkeuze. Een partij die in haar verkiezingsprogramma betoogt dat: “Het onderwijs (…) ruime aandacht (moet geven) aan de verworven westerse vrijheden,” en die vervolgens niet van toepassing verklaart op grote groepen mensen, verdient geen steun. Een partij die pleit voor het “Behoud van artikel 23, de vrijheid van bijzonder onderwijs,” en dan doodleuk vervolgt met de ontkrachting ervan door te pleiten voor het: “Stoppen met islamitisch onderwijs, omdat dat onze vrijheid en onze waarden bedreigt.”  Ik begrijp de zorgen van PVV-stemmers, ik heb geen begrip voor hun keuze. Ik luister naar ze maar doe niet wat ze zeggen

Neem stemmers op het Forum voor Democratie. Ook hun zorgen voor wat betreft hun heden en toekomst begrijp ik. Ik heb geen begrip voor hun partijkeuze. Een partij die het heil, zoals ik al eerder schreef, in het verleden zoekt. Mensen die op een partij stemmen die de bourgeoissamenleving van de achttiende eeuw verheerlijkt zonder dat ze zich realiseren wat dat betekent. Mensen die, net zoals trouwens de PVV stemmers, een verleden verheerlijken dat nooit heeft bestaan. Ik begrijp hun zorgen, maar heb geen begrip voor hun keuze. Ik luister naar ze, maar doe niet wat ze zeggen.

Neem de mensen die op BIJ1 stemmen. Ik begrijp hun zorgen over het heden en de toekomst. Zorgen over achterstanden van groepen in de samenleving en dan vooral groepen met nog geen generaties lange geschiedenis in dit deel van de wereld. Ik heb geen begrip voor hun partijkeuze. Een partij die het dubieuze intersectionele denken hoog in het vaandel heeft staan. Een partij die de wereld beziet door de ‘wit privilege en witte onschuld’ bril van Gloria Wekker en waar iets al snel ‘culturele toe-eigening’ is. Een partij die het verleden wil herschrijven zodat het past in hun kijk op de het heden en de toekomst. Nogmaals ik begrijp hun zorgen over achterstanden, ik heb er geen begrip voor dat ze er zulke dubieuze denkbeelden op na houden. Ik luister naar ze, maar doe niet wat ze zeggen.

Ik begrijp ook mensen die zich afvragen of de coronapandemie niet beter kan worden aangepakt. Ik begrijp het want er zijn vele zaken die beter kunnen, maar ik heb geen begrip voor mensen die vervolgens andere zwart gaan maken en bedreigen. En al helemaal niet voor mensen die vervolgens gaan beweren dat er een ‘door politici aangestuurd pedofielennetwerk’ is, dat er ‘chips’ via vaccins worden ingebracht en nog meer van dat soort onzin. Ik begrijp de zorgen maar heb geen begrip voor de onzin die wordt gedebiteerd. Ik luister ernaar, maar ik doe niet wat zij zeggen

Als ik verder kijk dan mijn eigen neus lang is, dan zie ik dat er ook andere keuzes worden gemaakt. Dan zie ik dat andere partijen naast het begrijpen ook begrip tonen door ideeën, redeneringen en retoriek van de PVV, FvD en BIJ1 over te nemen. Anderen die niet alleen luisteren maar er ook daden aan toevoegen. Die in plaats van een goed gesprek te voeren, mee gaan huilen met wolven. Dan zie ik partijen die begrip tonen voor mensen die ‘onzintheorieën’ verkondigen door hen te voeden, met als meest positieve, halve waarheden en vaak zelfs met hele leugens. Mee gaan huilen omdat een goed gesprek er wel eens toe zou kunnen leiden dat ze aan macht en invloed verliezen. Verliezen omdat de belangen van de mensen die gehoord willen worden wel eens op een heel ander vlak kunnen liggen dan de ‘meehuilers’ denken.

Uitgelicht

Nieuw tijdperk of toch oud?

“Haar woorden luidden op verbindende wijze een nieuw tijdperk van een land in. Daar waren ze voor bedoeld en geschreven.” De ‘haar’ waar Shantie Singh het in haar artikel op de site dekanttekening.nl over heeft, is de Amerikaanse dichter Amanda Gorman en de woorden betreffen het gedicht dat ze voordroeg tijdens de inauguratie van Biden als de zesenveertigste president van de Verenigde Staten. Begon er werkelijk een nieuw tijdperk op de twintigste januari 2021 om een uur of zes Nederlandse tijd? Wat zijn dan de kernmerken van dat nieuwe tijdperk? Als er een nieuw tijdperk begint, sluit er ook een oud af. En om ‘nieuw’ te zijn, moeten de kenmerken van dat nieuwe tijdperk verschillen van die van het oude. Wat waren de kenmerken van het oude tijdperk?

File:Sultan Osman II Cülus.jpg
De kroning van Osman II tot sultan. Bron: WikimediaCommons

Interessante vragen. Maar ze zijn alleen interessant als er op die twintigste januari 2021 werkelijk een nieuw tijdperk aanbrak. Ja, in de Verenigde Staten werd een nieuwe president ingezworen. Alleen gebeurt dat zo ongeveer iedere acht jaar en soms, zoals dit keer, zelfs eerder. Begint er met iedere nieuwe Amerikaanse president een nieuw tijdperk? Dat zou betekenen dat we sinds 1776 aan het zesenveertigste tijdperk toe zijn. Dat lijkt mij wel erg gortig. Waarom zou het ‘inzweren van een Amerikaanse president’ een markeringspunt van tijdperken zijn?

Voor een historicus zijn ‘tijdperken’ geen onbekenden. Tegenwoordig wordt het verleden ingedeeld in tien tijdvakken. In mijn tijd als geschiedenisstudent waren dat er minder: Oudheid, Middeleeuwen, Nieuwe – en Nieuwste geschiedenis. Dat was de indeling. De Oudheid eindigde met het afzetten van Romulus Augustulus, de laatste West-Romeinse keizer op 4 september 476. Een zeer precieze datum. Alleen was de werkelijkheid wat minder precies. Het verval van het ooit machtige Romeinse Rijk zette al veel eerder in en de wereld van na die val kondigde zich al meer dan twee eeuwen eerder aan. Germaanse en andere stammen begonnen te knibbelen aan de Romeins macht. Een maaltijd begint met de eerste hap, niet met de laatste. Als we die metafoor op de scheiding tussen Oudheid en Middeleeuwen toepassen, dan kun je met recht en rede betogen dat de Middeleeuwen begonnen met de eerste Germaanse hap in het Romeinse Rijk. Een derde-eeuwse Romein zou bij die eerste hap aan de grenzen van het Rijk niet meteen spreken van een ‘nieuw tijdperk’. Er werd wel vaker ‘geknabbeld’ maar dat werd later wel weer hersteld. Voor de Germaan Odoakar stelde het afzetten van die laatste keizer niet zoveel meer voor. De macht van de keizer reikte niet veel verder dan de poorten van zijn paleis. Tenminste sinds de Visigotische leider Alarik I in 410 Rome plunderde, stelde het westelijk deel van het Romeinse Rijk al niet meer zoveel voor.

Dat geldt niet voor het Oost Romeinse Rijk. Dat bleef tot de verovering van Byzantium dat toen al Constantinopel heette op 29 mei 1453 door sultan Mehmet II van de Ottomanen, een rol spelen. Waarbij die rol naar het einde toe steeds kleiner werd. Daarmee kun je zeggen dat op dat moment er weer nieuw tijdperk begon, namelijk dat van het Ottomaanse rijk. Alleen zou een Ottomaan zeggen dat hun tijdperk meer dan 150 jaar eerder in 1280 begon. Toen Osman I aan de macht kwam in een prinsdom in het oosten van Anatolië. Alleen wist men toen nog niet dat een nazaat waarvan deze Osman de naamgever was, Constantinopel zou innemen.

Wat het einde van het Oostelijke en het Westelijke Romeinse Rijk gemeen hebben, is dat beiden hun werkelijke oorzaak kenden in de uitgestrekte Aziatische vlakten. In de vierde eeuw zorgden de Hunnen, een Centraal Aziatisch nomadisch ruitervolk, ervoor dat vele andere volkeren voor hen op de vlucht gingen en naar het westen trokken. Een gebeurtenis die we nu de Grote Volksverhuizing noemen. Daar stootten ze op het steeds zwakker wordende Romeinse Rijk en dat leidde uiteindelijk tot het afzetten van Romulus Augustulus. In de dertiende eeuw waren het de Mongolen onder leiding van Dzjengis Khan die voor een migratie van Turkse nomaden zorgden die zich in Anatolië vestigden en daar op het Oost Romeinse Rijk stootten.

Of er op twintig januari 2021 zo rond zes in de avond Nederlandse tijd een nieuw tijdperk aanbrak, daar kunnen wij nu niet over oordelen. Dat is iets voor toekomstige historici en die kunnen er, net zoals ik hierboven deed, op verschillende manieren naar kijken.

Uitgelicht

Urk en Trump

“Losgeslagen tuig, onacceptabel. Dit is idioot gedrag dat hoort te stoppen,” aldus premier Rutte. “Waarom wordt het leger niet ingezet? Maak de PVV de grootste partij in 2021 en ik zet al het criminele tuig ons land uit, inclusief hun familie.” De reactie van PVV-leider en enigst lid Geert Wilders. “Snijden in subsidies en uitkeringen die worden verstrekt aan huishoudens waar deze herrieschoppers toe behoren is wellicht een mogelijkheid. Als de ouders geen normen en waarden kunnen overbrengen aan hun kinderen, moeten we hen misschien met de harde hand herinneren aan de normen en waarden die gelden in onze samenleving,” betoogt het Haagse CDA-gemeenteraadslid Kavish Partiman. Nee, deze uitspraken zijn niet gedaan na de vernieling van een GGD-teststraat op Urk. Het waren de reacties van politici op de rellen in Den Haag en Utrecht afgelopen­­ zomer. Dat verbaast.

Bron: Nederlands Instituut voor Militaire Historie/Wikimedia Commons.

Het verbaast omdat het in al deze gevallen om jongeren gaat die regels overtreden, zaken vernielen en in brand steken en het gevecht met de politie aangaan. Identiek gedrag dus dan zou je ook een identieke reactie verwachten. Dan zou je verwachten dat de premier deze Urker jongeren losgeslagen tuig zou noemen die idioot gedrag vertonen. Dan zou Wilders moeten pleiten voor het inzetten van het leger op Urk of wellicht het sturen van een kanonneerboot naar de haven. Dan zou ergens een CDA-er moeten roepen dat er in uitkeringen en (visserij)subsidies moet worden gesneden omdat de ouders geen normen en waarden aan hun kinderen kunnen overbrengen. Nee, niets van dit alles, alleen een grote stilte. Nu kan het eraan liggen dat de tijd sinds de rellen te kort is om te reageren. Het vreemde is echter dat bij de ‘zomerrellen’ de reacties bijna real time werden gegeven.

Zou het dan aan de aanleiding voor de rellen kunnen liggen? Op Urk is de avondklok ditmaal de aanleiding. Ditmaal, want van een avondklok was tijdens de eerdere rellen van bijvoorbeeld november en december vorig jaar nog geen sprake. Als we het dan wat breder zien, dan zouden het de coronamaatregelen kunnen zijn? De aanleiding voor de ‘zomerrellen’ was vooral verveling.

Ik vrees echter dat dit niet de reden is van het uitblijven van dergelijke reacties. Ik vrees dat het meer te maken heeft met de achtergrond van de rellende jongeren. Als mijn vrees gegrond is, dan zou dat wel heel erg schadelijk zijn. Dan is er namelijk spraken van discriminatie. Dan wordt de ene groep rellende jongeren milder behandeld dan de andere puur en alleen vanwege hun achtergrond. Van de PVV kunnen we dat verwachten. Die partij wil immers iedereen met de achtergrond van de ‘zomerrellers’ liefst het land uit. Dat wordt lastig bij die Urker jeugd omdat die precies de achtergrond heeft van Wilders ideale land.

De ongelijkheid in reactie van de VVD en het CDA toont een overeenkomst met de reactie van vele Republikeinen in de VS op de Black Lives Matter protesten aan de ene kant en de bestorming van het Capitool aan de andere kant. De eersten worden hard veroordeeld en de tweede worden met mildheid bekeken. En, nu ik toch vergelijk met de VS, is er nog een bijzondere overeenkomst. In de VS was er iemand die uitnodigde tot de bestorming van het Capitool, een president die ‘mee zou marcheren’ maar dat vooral deed voor zijn tv-scherm in het Witte Huis. Op Urk waren er partijen die de burgemeester opriepen om de avondklok niet te handhaven, zo is te lezen bij De Stentor Hart voor Urk (coalitie, red.) en PVV (oppositie, red.) hebben in de vorm van schriftelijke vragen eigenlijk de burgemeester opgeroepen om de avondklok te negeren (via Twitterberichten van PVV Urk-politici is een boodschap van die strekking inderdaad terug te vinden, de partij zegt daarin alles te doen zodat de avondklok niet gehandhaafd wordt op Urk.). Niet handhaven die avondklok, was hun verzoek aan de burgemeester.”

Nu is voorstellen om naar het Capitool te lopen niet meteen het ‘bevel’ geven tot de bestorming ervan. En ook het verzoeken om regels te negeren is geen ‘bevel’ om zaken te vernielen. Het zijn echter wel voorbeelden van politici die oproepen om de wet te negeren. Trump negeerde een verkiezingsuitslag, die volgens de regels van het spel tot stand zijn gekomen. De Urker raadsleden negeerden een, volgens de regels van het spel tot stand gekomen, besluit. Als politici binnen onze democratie oproepen om de regels te negeren, dan is dat reden voor grote bezorgdheid. Net zoals het optreden van de VVD en het CDA reden is tot grote zorg.

­­

Uitgelicht

De oren spitsen

‘Tussen de regels door lezen’, een uitdrukking waarmee wordt bedoeld het zoeken naar de diepere betekenis van een tekst. Ik moest aan die uitdrukking denken na het lezen van een artikel van Michael van der Galien bij De Dagelijkse Standaard. Aan die uitdrukking en aan de ‘luistervariant’ ervan: ‘de oren spitsen’.

Wat is er aan de hand? In een interview met Eva Jinek geeft Viroloog Marion Koopmans aan dat we er rekening mee moeten houden dat we vaker getroffen worden door een infectiecrisis zoals de huidige coronapandemie. Want dat er een nieuwe infectiecrisis komt: “daar is wel consensus over. Dat staat ook al een tijdlang in het tienjarenplan van de Wereldgezondheidsorganisatie. Dus daar stond: bereid je voor in de komende tien jaar, er gaat een grote infectiecrisis komen.’ Nou, dit was jaar één,” aldus Koopmans. We moeten ons dus voorbereiden en daarvoor is Koopmans nu in Wuhan om te achterhalen hoe het huidige coronavirus op de mens is overgesprongen. Daarom en om te onderzoeken welke virussen in de toekomst eenzelfde ontwikkeling zouden kunnen gaan doormaken. Dit laatste is van belang omdat je je er dan op kunt voorbereiden. Wellicht kun je dan al een basis voor een vaccin hebben liggen. Dat lijkt mij heel nuttig.          

Van der Galien blijkt in dat korte ruim twee minuten durende gesprek, iets heel anders te horen. “Er zijn vast virussen bij dieren en ja, die kunnen vast ook overslaan op mensen. Maar dit is gekte: om ons zo bang te maken en ons mentaal voor te bereiden op tien jaar van vreselijke angst, epidemieën, en jawel, vaccins. En het is allemaal niet eens logisch. Tien jaar lang hebben we er last van, maar na elf jaar zijn de virussen op.” Daarom is het: “ helemaal niet de bedoeling dat we ooit nog uit deze coronacrisis komen. De boven-ons-gestelden én virologen vinden deze manier van leven veel te prettig. Zij kunnen immers doen en laten wat ze willen, terwijl wij de hele dag braaf binnen zitten. Er is nog nooit zoveel ‘rust’ geweest in de samenleving.” Verzuchtend vraagt Van der Galien zich af: “Wie heeft Marion Koopmans eigenlijk benoemd tot vaderlands viro-dictator voor het leven?”

Infectieziektes zijn zo ongeveer eigen aan de mens. Ieder jaar breekt er wel een vorm van griep uit. En soms een heel erge vorm die een pandemie veroorzaakt. Voorbeelden hiervan zijn de Spaanse griep van 1918 met zo’n 50 miljoen doden, de Aziatische griep van 1957-1958 met tussen de 1 en 4 miljoen doden, de Hongkonggriep van 1968-1969, de Russische griep van 1977, de ‘vogelgriep’ H5N1 die in 1997 opdook en nog steeds rondwaard, de Mexicaanse griep in 2009 en nu dus corona. Dus dat de WHO rekening houdt met en waarschuwt voor een infectiecrisis de komende tien jaar, is niet zo vreemd. En dat we nu in zo’n crisis zitten, wil niet zeggen dat we er dan weer tien jaar vanaf zijn. Zoals iedere ‘gokker’ weet is de kans op het gooien van een zes met één dobbelsteen bij iedere worp een zesde. Die kans verandert niet door de omstandigheid dat je de vorige worp zes gooide. Het wil trouwens ook niet zeggen, zoals Van der Galien suggereert, dat we nu tien jaar last hebben van epidemieën en dat die in het elfde jaar spontaan verdwijnen.

Hoe ik ook luister en lees, ik hoor in Koopmans woorden hele andere zaken dan Van der Galien. Zou het kunnen dat Van der Galien last heeft van een conformation bias? Dat hij als het woord ‘viroloog’ hoort al in de stress schiet en allerlei dingen erbij fabuleert waardoor hij weer wordt bevestigd in zijn opvatting dat ieder viroloog hoopt: “dat er nog veel meer pandemieën aankomen. En zo niet, nou ja, dan (doen) ze in ieder geval (hun) best ons nog lekker bang te maken en te houden”?

“De enige beleidsaanpassing die er moet komen is dat we niet schrikken nu! moeten investeren in de zorg zodat áls er weer een griepvirus 2.0 komt als corona, dat we dat dan prima kunnen opvangen,” zo eindigt Van der Galien zijn tirade tegen virologen in het algemeen en Koopmans in het bijzonder. Nee, geen ‘hoop op’ nieuwe virussen bij Koopmans, maar op ervaringen uit het verleden gebaseerde aan zekerheid grenzende vrees dat ze gaan komen en dat we ons daar maar het beste op kunnen voorbereiden. Laat dat nu net, zoals ik haar woorden hoor, de reden zijn dat Koopmans in Wuhan is, om haar deel van die investering in de zorg te doen als corona 2.0 komt. Misschien zou Van der Galien ook tot die conclusie komen als hij zijn oren spitst en niet ‘tussen de zinnen door probeert te luisteren’?

Uitgelicht

Lekenwetenschap

Bij Joop zag ik een link naar een satirische bijdrage van Marcel van Roosmalen aan het radioprogramma De Nieuws BV. Van Roosmalen staat bekend om zijn zwartgallige humor waarbij hij iets tot in het extreme uitvergroot. In dit geval is Diederik Gommers onderwerp van spot. Gommers is volgens Van Roosmalen overal te zien en te horen en heeft overal een ‘genuanceerde mening’ over en schets altijd het zwartste scenario waarmee hij ieder feestje vergalt. ‘Kan Diederik Gommers niet uit?’ Zo vraagt Van Roosmalen zich af, Nu gaat het mij niet om Van Roosmalens satire. Het gaat mij om een reactie eronder.

Bron: WikimediaCommons

“Diederik Gommers, Marion Koopmans, Ab Osterhaus, Ernst Kuipers enz. hebben juist het ontzettend grote gevaar van Covid-19 zeer duidelijk doorgegeven aan alle 17.5 miljoen Nederlanders, namelijk met hun vaak briljante mediaoptredens, tijdens de laatste maanden. Ze hebben juist goede antwoorden gegeven in vergelijking met *het is maar een griepje* gekkies zoals Willem Engel, Wybren van Haga, Thierry Baudet enz.. Mag ik ze allemaal bedanken?”  Aldus een bijdrage van iemand die zich GabrielMokummer noemt. Tot zover niets bijzonders. Het wordt bijzonder als ene ‘Joost mag ’t weten’ reageert: “Die wappies baseren zich ook op (veelal dezelfde) bronnen maar trekken andere conclusies. De TV experts hebben het regelmatig mis terwijl de wappies achteraf vaak gelijk krijgen. TV kijkend Nederland heeft het geheugen van een goudvis en neemt alle leugens en inconsistenties voor lief. Veranderde inzichten…”

Het zal best zijn dat ‘die wappies’ andere conclusies trekken uit dezelfde bronnen en dat de experts het ook wel eens mis hebben. Iets dergelijks hoor en lees je vaker met de suggestie om de opvattingen en ideeën van ‘die wappies’ serieus te nemen en het beleid erop aan te passen. Dat wetenschappers en deskundigen het soms mis hebben is inherent aan de wetenschap. Dat ‘wappies’ en leken het achteraf soms goed hebben, is ook niet vreemd. Een wiskundige zal 99 van de 100 wiskundesommen goed maken. Een leek in de wiskunde zal er ook af en toe een goed maken. Ik zou daaruit niet concluderen dat de wetenschappers ook maar wat aan modderen. Zeker als je je realiseert dat het aantal leken het aantal deskundigen verre overtreft, dan is de kans groot dat er ergens een ‘wappie’ of leek iets beweert wat later waar blijkt te zijn. Probleem is alleen dat je bij een pandemie niet de tijd hebt om te af te wachten wie het ‘achteraf’ juist heeft. Om het wiskunde voorbeeld weer aan te halen. Die ene wiskundige maakt 99 sommen goed. 10.000 leken maken samen ook 99 opgaven goed. Als je beleid moet maken, is het lastig uit te gaan van die 10.000 leken, want welke leek maakt welke opgave goed en hoe groot is de kans dat die leek de volgende opgave ook goed maakt? Dan zou ik liever uitgaan van die wiskundige want dan is de kans vele malen groter dat de volgende som ook juist wordt beantwoord.

Dit is precies de reden waarom ‘wisdom of the crowd’ geen goede basis is om beleid op te baseren. Ook niet als degenen waarvoor het beleid is bedoeld hoog opgeleid zijn. Want inderdaad weet de ‘crowd’ waarschijnlijk alles. Bij dat alles zit echter ook veel ballast en verkeerde zaken en er is geen garantie dat de oplossing die uit de ‘Crowd’ komt werkelijk ‘wisdom’ is. De kans op een oplossing die van ‘wisdom’ getuigt, is veel groter als je de deskundigen op het gebied erbij betrekt.

Uitgelicht

Grondwetgevende vergadering

 “En als ze dan toch bezig zijn, kunnen ze meteen ook eens kijken of ze het systeem niet zo kunnen veranderen dat het polarisatie straft in plaats van beloond.” Met die woorden eindigde een vorige Prikker. In die Prikker gaf ik een historische context bij de huidige situatie van de tot op het bot verdeelde en gepolariseerde Verenigde Staten en een politiek systeem dat dit niet lijkt te kunnen keren. Sterker nog, dat eronder lijkt te bezwijken. Na het schrijven van die Prikker vroeg ik me af hoe de situatie in Nederland is.

Grondwet Foto's - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Als we kijken naar onze politieke instellingen, dan zijn die meer dan 170 jaar oud. Ze zijn nog steeds gebaseerd op de Grondwet opgesteld in 1848. De laatste ingrijpende wijziging die de positie van de koning ceremonieel maakte. Op die Grondwet is ons politieke bestel gebouwd. Een bestel met een gekozen volksvertegenwoordiging de Staten Generaal die bestaat uit twee kamers. De Eerste Kamer wordt getrapt gekozen door de leden van de provinciale staten en de Tweede Kamer waarvan de leden rechtstreeks worden gekozen door de bevolking. De Volksvertegenwoordiging heeft de wetgevende macht en controleert de uitvoerende macht, de regering. De regering wordt in Nederland niet gekozen. Die wordt samengesteld door partijen die in de Tweede Kamer een meerderheid hebben en zich op de inhoud kunnen vinden. Als laatste kent ook Nederland een onafhankelijke rechterlijke macht waarvan de leden voor het leven worden benoemd door de regering. ‘Voor het leven’ wil zeggen totdat ze hun pensioengerechtigde leeftijd bereiken.

In het Nederlandse bestel is een belangrijke rol weggelegd voor een fenomeen zonder Grondwettelijke basis, namelijk de politieke partij. Politieke partijen vervullen een centrale rol. Zij selecteren potentiële Kamerleden, stellen programma’s op en leveren bestuurders. Iedereen kan een politieke partij oprichten hiervoor zijn geen regels. Wel zijn er vereisten waaraan een partij moet voldoen voordat ze aan verkiezingen mee kan doen. Nederland kent, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, een meerpartijenstelsel. Het is nog nooit voorgekomen dat één partij een zetelmeerderheid behaalde in een van de beide Kamers. Direct gevolg hiervan is dat de regering altijd bestaat uit een coalitie van tenminste twee en vaak meer partijen. Dit omdat een regering moet steunen op een meerderheid van zetels in de Tweede Kamer.

Ondanks de meerdere partijen leverden verkiezingen tot zo’n 30 jaar geleden een redelijk stabiel beeld op. Drie partijen, de VVD, het CDA en de PvdA domineerden het politieke speelveld. Die partijen (en hun voorgangers) behaalden tot de jaren tachtig zo om en nabij 80% van de zetels. Bepaalden in wisselende samenstelling maar met altijd het CDA of een van de voorgangers erbij. Het overgrote deel van de bevolking herkende zich in een van de partijen en bleef de partij naar keuze zo ongeveer het hele leven lang trouw.

Dit veranderde in het midden van de jaren negentig toen de kiezer ‘op drift raakte’. Daar waar de grootste partij historisch op steevast tussen de 45 en 50 zetels  kon rekenen, werd in 1994 de PvdA de grootste met 37 zetels. Dit na een verlies van 12 zetels. Sindsdien is er geen partij meer geweest met 45 zetels of meer. Iedere verkiezing sinds 1994 kwamen er nieuwe partijen bij die samen een steeds groter deel van de zetels wonnen. En nu, twee maanden voor de verkiezingen, heeft het overgrote deel van de kiesgerechtigden geen idee op welke partij te stemmen. De Volkskrant formuleerde het als volgt: “Het aantal twijfelaars blijkt, zo’n drie maanden voor we het stemhokje in mogen, even groot als bij de vorige Tweede Kamerverkiezingen. Van de circa 13 miljoen stemgerechtigden zijn er bijna 10 miljoen nog niet geland.” En gestemd wordt er in toenemende mate op een persoon en niet op het programma van een partij.

Dat is niet het enige wat er is veranderd. Het aantal mensen dat lid is van een partij was in de jaren vijftig van de vorige eeuw ongeveer 10% van de bevolking. Het daalde in de jaren zestig naar zo’n 4% en vanaf die tijd naar zo’n 2% nu. Dit betekent dat er steeds minder mensen beschikbaar zijn voor een functie als volksvertegenwoordiger bij een waterschap, gemeente, provincie en Staten Generaal.

Kamerlid zijn is tegenwoordig iets van korte duur. “In de eerste elf jaar na de oorlog lag de ervaring rond de veertien jaar (zie de grafiek). In 1956 breidde de Kamer uit naar 150 volksvertegenwoordigers. Met deze nieuwe instroom daalde de gemiddelde ervaring tot 11 jaar, een anciënniteit die tot de verkiezingen van 1986 (Lubbers II) redelijk stabiel bleef. Onder de paarse kabinetten van Kok zette de vernieuwing door, tot de verkiezing van 2002, de tijd van de moord op Pim Fortuyn.” Aldus een artikel uit Trouw van een jaar of acht geleden. Na de laatste verkiezingen stroomde de kamer vol met nieuwelingen: “Er zijn 71 leden die geen zitting hadden in de afgetreden Kamer. Van hen hebben er 58 geen enkele (Haagse) parlementaire ervaring. De gemiddelde Kamerervaring is 3,9 jaar.”  Dat er steeds weer nieuwe Kamerleden binnenstromen is een gevolg van het ‘zweven’ en steeds elders en vooral bij steeds nieuwe partijen ‘landen’ van kiezers. Dit wordt nog versterkt door Kamerleden die gedurende de rit afhaken omdat ze een ‘nieuwe uitdaging’ hebben gevonden. Een uitdaging in het openbaar bestuur maar ook in het bedrijfsleven.

In de Verenigde Staten zien we een zeer sterke polarisering van de samenleving met aan de ene kant een groep die het verleden verheerlijkt en: “zich beroepen op het verleden ‘toen America nog Great’ maar vooral White, Anglo-Saxon en Protestant was,” en aan de andere kant de extreme ‘identity politics’ zoals ik in mijn vorige Prikker schreef. Die eerste groep heeft de Republikeinse partij in haar macht en de tweede dreigt de Democratische partij te verscheuren. Deze polarisering zien we ook in Nederland. Veel van die nieuwe partijen die steeds meer zetels wonnen, bevinden zich in de uitersten van het politieke spectrum. Forum voor Democratie en de PVV beroepen zich op het verleden. Een tijd van ‘oer-Hollandse gezellig’ zoals de PVV het in haar verkiezingsprogramma formuleert of naar die goede oude tijd van de bourgeoisie die FvD-leider Baudet idealiseert en daar moeten we naar terug. Aan de andere kant van het spectrum zien we partijen zoals BIJ1 en DENK. Partijen en hun aanhangers zoals Gloria Wekker die de geschiedenis willen aanpassen en herschrijven aan hun doelen in het heden. Partijen en hun vertegenwoordigers die achter iedere boom een racist of fascist zien en spreken van ‘witte onschuld en privilege’, je beschuldigen van ‘culturele toe-eigening’ en de werkelijkheid bekijken door een ‘kruispuntentheorie-mal’. De Nederlandse situatie is, mede door het gemak waarmee je een nieuwe partij kunt beginnen, nog niet zover gepolariseerd als in de Verenigde Staten. Die nieuwe uitersten zorgen er echter wel voor dat de traditionele partijen zich naar die uitersten toe bewegen en dat het politieke landschap nog verder fragmenteert. Beide ontwikkelingen verminderen de regeerbaarheid van ons land. Net als in de Verenigde Staten loopt Nederland het risico dat de polarisering ons politieke systeem lamlegt. Als dit risico optreedt, dan is er een aanzienlijke kans dat het vertrouwen van de bevolking in ons democratische systeem als sneeuw voor de zon verdwijnt. Dat vertrouwen heeft de afgelopen tijd toch al een knauw gekregen als gevolg van de toeslagenaffaire.

Om terug te komen om de vraag waarmee ik begon en dan niet gericht op ‘ze’ in de Verenigde Staten maar op ‘ons’ in Nederland: als we dan toch bezig zijn, kunnen we het systeem dan niet zo veranderen dat het polarisatie straft? ‘Maar we zijn toch niet bezig om het systeem te veranderen,’ zul je misschien zeggen. Dan zou ik zeggen: wakker worden! Want in Den Haag is men al volop bezig. Zo stuurde het kabinet, zoals ik recentelijk schreef, een brief naar de Kamer met haar ideeën voor de verandering van ons systeem. Ideeën waarbij het kabinet uit het rapport Lage drempels hoge dijken  van de staatscommissie parlementair stelsel, in de volksmond de ‘commissie Remkes’, putte.  Ook willen alle partijen onze Grondwet wel op een of meer punten aanpassen. Zijn we ook bezig om de kiezer hierin mee te nemen? Wat welke partij hierbij wil zal het gros van de kiezers niet weten. Het zijn namelijk niet de thema’s waarmee je als partij ‘volk’ trekt, dus krijgen ze geen aandacht in de verkiezingscampagne. In de coalitieonderhandelingen na de verkiezingen zal er vervolgens in de ‘koehandel’ wellicht iets uitkomen dat vervolgens op route wordt gezet als een wijziging van de Grondwet.

We zijn dus bezig, maar zijn we bezig met het systeem zo aan te passen dat het polarisatie straft? De commissie Remkes ziet wel iets in een verbod op partijen die met democratische middelen de democratie willen afschaffen. Ook stelt de commissie voor om de rol en positie van politieke partijen in een wet vast te leggen door de bestaande Wet financiering politieke partijen uit te breiden. Een interessante optie waarbij je meteen de kanttekening kunt plaatsen dat iets verbieden niet betekent dat het er niet is. In Binnenlandsbestuur pleit Geerten Boogaard om nu alvast af te wijken van de bestaande procedures en op 17 maart ook meteen een nieuwe Eerste Kamer te kiezen. Sinds de verkiezing van die Eerste Kamer is er zoveel veranderd dat het heel lastig zal worden een kabinet te vinden dat zowel in de Tweede als in de Eerste Kamer op een meerderheid kan rekenen. Door nu beide Kamers te kiezen wordt dat probleem omzeild. De Commissie Remkes wil dit oplossen door iedere drie jaar de helft van de leden van de Eerste Kamer te kiezen. Een leuk idee, alleen laat de casus Verenigde Staten zien dat er dan permanent campagne wordt gevoerd en het is de vraag of dat de bestuurbaarheid van een land ten goede komt.

En als we dan toch in de ideeën fase zitten. Wellicht is het een idee om premierverkiezingen te houden. Verkiezingen waarbij die kandidaat die meer dan 50% van de stemmen behaalt, wint. Dat kan betekenen dat er twee rondes nodig zijn waarbij de kandidaten met de meeste stemmen in de eerste ronde het in de tweede ronde tegen elkaar opnemen. Tegenover de gekozen premier, die de regering vormt en voor de volle periode van vier jaar regeert, plaatsen we een gelote volksvertegenwoordiging die bestaat uit een oneven aantal leden, bijvoorbeeld 301 met een zittingstermijn van zes jaar waarbij ieder jaar een zesde deel wordt vervangen door nieuwe. Kamerleden die niet hoeven te werken aan hun ‘herverkiezing’ maar die zich volledig op het werk als Kamerlid kunnen concentreren. Kamerleden zonder partij- en fractiedruk omdat er geen partijen en dus fracties zijn. Kamerleden die worden ondersteund door een stevig ambtelijk apparaat dat niet adviseert maar verheldert, doordenkt, doorrekent en spiegelt. Een volksvertegenwoordiging die net als de huidige Kamers de wetgevende macht heeft, de regering controleert en het budgetrecht heeft. Ook voor gemeente, en provincies hanteren we eenzelfde werkwijze: gekozen bestuurders en gelote vertegenwoordigers. Ook een idee en zo zijn er waarschijnlijk nog veel meer.

We zijn dus bezig, maar zijn we op de goede manier bezig? Moeten we als inwoners van dit land niet met elkaar in gesprek en zo samen nadenken over en vervolgens werken aan een nieuwe Grondwet en een erop gebouwd politiek bestuurlijk systeem dat ons klaarmaakt voor de uitdagingen van de toekomst? Samen nadenken niet binnen het huidige systeem, zoals we nu doen door het over te laten aan de koehandel van politieke partijen bij de formatie. Partijen en hun vertegenwoordigers die belangen hebben bij het huidige systeem. Nee, nadenken en werken buiten die kaders door bijvoorbeeld een grondwetgevende vergadering bijeen te roepen. Een grondwetgevende vergadering bestaande uit bijvoorbeeld 1.500 willekeurige inwoners van ons land die met deze opgave aan de slag gaan. Een groep burgers aangewezen via loting. Een groep die de opdracht krijgt om met en namens ons die nieuwe grondwet en het erbij horende politiek, bestuurlijke systeem uit te werken. En daarbij alle ideeën tegen het licht houdt en daarbij wordt ondersteund door een stevig apparaat dat verheldert, doordenkt en spiegelt. Het resultaat van hun werk kan vervolgens per referendum aan ons worden voorgelegd. En als twee derde van ons voor is, dan is de nieuwe grondwet vastgesteld en kunnen we het bijbehorende politiek, bestuurlijke systeem gaan inrichten.

Uitgelicht

Dag India,

Ik las je brief in de Volkskrant. Als veertienjarige moet je een keuze maken waarvan jezelf zegt dat het een van de belangrijkste beslissingen is die je in je leven moet maken.  Je moet een richting kiezen op de middelbare school en je vraagt je af of je kiest voor wat je leuk vindt of voor baanzekerheid? Je brief deed me terugdenken aan mijn middelbare schooltijd begin jaren tachtig van de vorige eeuw. Ik kan je niet helpen bij het maken van die keuze, dat moet je zelf doen. Wel kan ik je proberen gerust te stellen.

Beroepen Foto's - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Als eerste, misschien schrik je daarvan en vind je het niet erg geruststellend, geen enkele keuze geeft je baanzekerheid. Als je het nieuws volgt dan hoor je dat steeds meer mensen, ook specialisten in het ziekenhuis, een ‘flexcontract’ hebben. Wat ik je uit eigen ervaring kan zeggen is dat je persoonlijkheid veel belangrijker is bij het vinden van een baan, dan je opleiding. Als je weet dat je ‘Einstein’ achterna wil, dan is het slim om natuur- en wiskunde te kiezen. Maar als een werkgever moet kiezen tussen twee gelijkwaardige ‘Einsteins’, dan zal de keuze vallen op de ‘Einstein’ met de prettigste persoonlijkheid.

Als tweede is een keuze voor een vakkenpakket geen keuze voor de richting waarin je je leven stuurt. Het leven bestaat uit veel meer dan nu leren en later werken. Je geluk in het leven hangt veel meer af van de manier waarop je in het leven staat en hoe je met andere mensen omgaat. Van je persoonlijkheid en volgens mij zit het daarmee wel goed. Nu zal je denken, hoe kan die man dat weten? Het eerlijke antwoord is dat die man dat niet kan weten. Maar wat die man ziet is dat je met vragen zit en die ook aan anderen durft te stellen. Mijn ervaring is dat mensen die vragen stellen prettige mensen zijn. Ze staan open voor anderen en oordelen niet zo snel. Dat maakt hen tot prettige mensen om mee te leven en te werken. Daarmee heb je een streepje voor.

Als je niet weet wat je wilt worden, kies dan een richting waarmee je nog alle kanten op kunt. Kiezen voor natuur en techniek sluit de kunstzinnige kant niet uit. Bij een omgekeerde keuze, kun je een carrière als ‘Einstein’ wel vergeten. Alhoewel, ik weet niet of je Brian May kent? May is de gitarist van de zeer succesvolle band Queen. In 2007, hij was toen 60 jaar, studeerde hij af in de astrofysica. En hij is niet de enige. Als je nu een keuze maakt om ‘iets’ te worden, wil dat niet zeggen dat je nooit meer ‘iets anders’ kunt worden. Dit advies gaf ik ook aan mijn dochter, zij moest die keuze vier jaar geleden maken en wist nog niet wat ze wilde worden.

Ik hoop dat je hier wat mee kunt.

Uitgelicht

Civil war part two?

Wat een bijzondere eerste week van een nieuw jaar. Nee, dan doel ik niet op Kristopher Da Graca de Zweedse verdediger die mijn clubje VVV komt versterken. Nee, ik doel op de bestorming van het Capitool in Washington door boze aanhangers van, en aangemoedigd door, de bijna ex-president Trump. Een eindpunt van een opmerkelijk presidentschap maar ook een beginpunt of misschien wel een voortzetting van iets? Maar waarvan?

200+ Free Civil War & Gettysburg Photos - Pixabay
Bron: Pixabay

Ik moest denken aan een passage uit het boek De oorsprong van de politiek van de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama. Inderdaad de man die begin jaren negentig van de vorige eeuw de geschiedenis dood verklaarde. Fukuyama: “Politieke instellingen ontwikkelen zich, vaak langzaam en pijnlijk, wanneer samenlevingen zich proberen te organiseren om het hoofd te bieden aan hun omgeving. Maar politiek verval vindt juist plaats wanneer systemen er niet in slagen zich aan te passen aan de omstandigheden.[1] De passage geeft precies twee mogelijke antwoorden op de vraag waar dit een beginpunt van is. Het is of het beginpunt van een aanpassing van de instellingen aan de omgeving of van het verval.

De Amerikaanse politieke instellingen zijn van 1776 en dus bijna tweehonderdvijftig jaar oud. Wil je een goede beschrijving van hoe ze bedoeld zijn en hoe ze kunnen werken? Dan raad ik je een aan om Over de democratie in Amerika van Alexis de Tocqueville te lezen. De Tocqueville beschrijft het Amerika van de jaren dertig van de negentiende eeuw, een periode dat het land en de democratische bestuursvorm nog relatief nieuw waren. De Tocqueville lezend moest ik denken aan de ‘participatiesamenleving’ zoals die in de troonrede van 2013 werd geïntroduceerd: “Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.”

Een van de pijlers van het systemen is dat zo ongeveer iedere uitvoerende publieke functionaris op ieder niveau wordt gekozen. Van de sheriff van een gat met vijftienhonderd inwoners tot de president. Een andere pijler is dat er altijd een ander gekozen instituut is dat die gekozen functionaris controleert en dat de regels bepaalt. Op federaal niveau zijn dat er zelfs twee: het Huis van Afgevaardigden en de Senaat die samen het congres vormen. En een derde pijler is een rechterlijke macht. Drie machten die elkaar in evenwicht moeten houden. Dat evenwicht moet ervoor zorgen dat er geen ‘gekke dingen’ gebeuren. Dat systeem heeft al die tijd redelijk goed gewerkt. Ondanks dat de twee dominante politieke partijen om de verschillende posities vochten, was er bij alle betrokkenen de bereidheid om samen te werken. Die samenwerking werd niet bemoeilijkt door ideologische scherpslijperij. Beide partijen ontbeerden een scherp ideologisch profiel en dat maakt samenwerking makkelijk. Die samenwerking is nodig omdat er, om het cru te zeggen, bijna permanent verkiezingen zijn. Iedere twee jaar wordt een deel van het Huis en de Senaat opnieuw verkozen waardoor het kan dat er in de beide onderdelen van het Congres verschillende meerderheden zijn. Om wetten te maken, moeten die samenwerken en een president die werk wil maken van zijn agenda, moet daartussen laveren.

De laatste veertig jaar begint het echter in haar voegen te kraken. Of om het met Fukuyama’s woorden te zeggen: ‘de omstandigheden waarbinnen het systeem functioneert, veranderen’. Die laatste veertig jaar worden gekenmerkt door toenemende ideologische scherpslijperij, verkettering en demonisering van de andere partij. De voor het Amerikaanse systeem zo broodnodige samenwerking tussen de partijen wordt hierdoor zeer lastig en het land wordt zo steeds lastiger te besturen. In zijn autobiografie A Promised Land schets voormalig president Obama die moeilijkheid en zelfs de onmogelijkheid om iemand van ‘de andere partij’ mee te krijgen voor een wet, zelfs was die ‘iemand’ daar eerder een voorstander van.

Die huidige scherpslijperij zorgt ervoor dat aan beide zijden de uitersten in het politieke spectrum steeds meer invloed krijgen. Uitersten zoals aan Republikeinse zijde eerst de steng christelijke ‘moral majority’ waarvan verschillende leiders het met de moraal niet zo streng namen, dat even terzijde, en nu de Tea Party. Groepen die zich beroepen op het verleden ‘toen America nog Great’ maar vooral White, Anglo-Saxon  en Protestant was. Aan Democratische zijde zien we een toenemende invloed van de ‘identity politics’ die zich beroepen op een toekomst wanneer “We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness,” zoals opgenomen in de Declaration of Independence, werkelijkheid is geworden, alle onrecht uit het verleden ongedaan is gemaakt en ‘hersteld’, wat we ons daar ook bij voor moeten stellen, en er het liefst nog een enorme ‘schadevergoeding’ is betaald. De posities die ten grondslag lagen aan de Burgeroorlog zijn weer terug.

Laat dat nu de vorige periode zijn dat scherpslijperij zijn die het land aan de rand van de afgrond bracht. Trouwens, niet alleen de posities, ook de symbolen zoals de vlag van de geconfedereerden. Net als toen zien we nu twee ‘kampen’ met hun eigen waarheid die elkaars ‘taal’ niet spreken en anders tegen de wereld aankijken. De ‘bubbels’ waar we het nu over hebben, bestonden toe ook al. Bubbels zijn geen ‘uitvindingen’ of gevolg van de sociale media. Die zijn een gevolg van menselijk gedrag om te zoeken naar zaken die het eigen gelijk bevestigen of om het met een dure term te zeggen conformation bias. Het enige wat de sociale media en de eronder liggende algoritmes doen, is de zaak versnellen. Je hoeft geen moeite meer te doen door bijvoorbeeld naar de bibliotheek te gaan om je eigen gelijk bevestigd te zien. Die bevestiging komt vanzelf, gevraagd en ongevraagd, naar je toe. En daar waar je in de bieb misschien nog op ‘ander gelijk’ stuit dat je van je stuk breng, de cognitieve dissonantie om de dure term ervoor te gebruiken, kijkt dat algoritme wel uit om je dat ‘andere gelijk’ te sturen. Dat vergroot immers de kans dat je afhaakt en afhaken kost die sociale media geld.

Die vorige periode van polarisatie, van scherpslijperij, liep dus uit op een burgeroorlog waarbij de ene partij won en de andere verloor. Slavernij werd afgeschaft. Door de overwinning van de Noordelijken, leek het systeem weer bij de omstandigheden te passen. De partij die het systeem aanhing, won immers de oorlog en kon haar systeem voorzetten. Wat er daarna gebeurde was dat de verliezende kant er een verhaal van maakte dat ze voor de ‘goede zaak’ vochten. De goede maar verloren zaak, de ‘lost cause’. Slavernij verdween bij hen buiten beeld. De oorlog ging volgens hen over de vrijheid van de staten tegen de federale overheid. En door gebrek aan interesse bij de ‘noordelijken’ voor wat betreft de interpretatie van de burgeroorlog en vooral een gebrek aan belangstelling voor de wederopbouw van de voormalige geconfedereerde staten, werd die ‘lost cause’ het dominante verhaal. Dat verhaal van de ‘lost cause’ en het gebrek aan belangstelling maakte dat wettelijke positie maar vooral de behandeling van voormalig slaven de facto slechter werd dan ze voor de afschaffing van de slavernij was. Hierdoor bleef het spreekwoordelijke mes in het varken zitten voor wat betreft de gelijke behandeling van mensen. Sterker nog, het werd nog even rondgedraaid.

Aan die wetten en behandeling kwam pas in de jaren zestig van de vorige eeuw een einde. Het leidde echter nog niet tot een werkelijk gelijke behandeling. De strijd voor werkelijk gelijke behandeling is nog steeds gaande. Ook in de jaren zestig polariseerden de verhoudingen en veranderden de omstandigheden waarbinnen het systeem functioneerde. Ze veranderden echter niet zo dat het systeem onder spanning kwam te staan. Daar waar in de aanloop naar de burgeroorlog de spanningen langs partijlijnen liepen, de Republikeinen voor afschaffing van de slavernij en de Democraten tegen, was de situatie in de jaren zestig van de twintigste eeuw duidelijk anders. De spanning ‘Noord- Zuid’ zat in beide partijen waardoor een oplossing mogelijk was. Winst en verlies van de oplossing werden immers over de beide partijen verdeeld.

De huidige scherpslijperij is in de basis nog steeds de oude ‘Noord-Zuid’ tegenstelling die ten grondslag lag aan de Burgeroorlog. Wat het zorgelijk maakt, is dat de polarisatie nu weer langs partijlijnen loopt en dat maakt ‘ontspanning’ zeer lastig. Opmerkelijk hierbij is dat de twee partijen van positie zijn gewisseld. In ieder geval staan de Amerikaanse omstandigheden en de politieke instellingen op dit moment op gespannen voet met elkaar. Het is de vraag of ‘langzame aanpassing van het politieke systeem’ het tij nog kan keren. Het alternatief, het politieke verval van de Verenigde Staten in de vorm van het uiteenvallen van het land of een nieuwe burgeroorlog is ook geen aantrekkelijk alternatief

Meest aantrekkelijke optie is de-escalatie. Alleen wordt dat een heel lastige klus. Bijgeven wordt immers al snel gezien als capitulatie, als een nederlaag. Als die deling nu een gevolg was van keuzes van Trump als president, dan lag het makkelijker. Dan kon Trump als schuldige worden aangewezen. Dat is echter niet het geval. Het is eerder zo dat het presidentschap van Trump een gevolg  is van juist die verdeling. Deze optie vraagt om leiders. Leiders die hun eigen ideeën, gevoelens en belangen ondergeschikt laten zijn aan die van het land. Leiders die zich geen zorgen maken om hun politieke toekomst. En als ze dan toch bezig zijn, kunnen ze meteen ook eens kijken of ze het systeem niet zo kunnen veranderen dat het polarisatie straft in plaats van beloond.


[1] Pagina 21

Uitgelicht

Stelletje lafbekken!

‘Is er een notaris op de zaal?’ Dat was het eerste wat bij mij opkwam toen ik op de site van de NOS het volgende las: “Wat het kabinet betreft wordt de keuze op basis van leeftijd overgeslagen en wordt in zo’n geval gekozen voor het uiterste selectiecriterium dat de artsen hebben aangedragen: loten.” Een notaris is immers noodzakelijk om te garanderen dat een loting eerlijk verloopt. Dat betekent dan ook dat er weer een ‘cruciaal beroep’ bij is gekomen. De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie zal dan ook wel meteen een pleidooi beginnen om haar leden vooraan op de vaccinatielijst te krijgen. Nu lieg ik een beetje. Dat van die notaris was niet het eerste wat bij mij opkwam. Dat wat iets negatiever. Dat was: ‘stelletje lafbekken!’

dice, dices, dice game, gambling, game, play, luck, bad luck, fortune, chance, good luck, misfortune, numbers, dots, games, indoor games and sports, recreation, sports, black and white, style
Bron: pxhere

Wie? Nou, VVD-minister Van Ark en haar collega’s in het kabinet. Te laf om een keuze te maken. Te laf om te leiden en daarom blijven ze maar lijden onder de coronacrisis. Over die twee woorden, leiden en lijden, en het opereren van onze politieke vertegenwoordigers, schreef ik al eens eerder een Prikker. Van Ark: “Als een oudere patiënt op medische gronden even veel herstelkansen heeft als een jongere patiënt, mag volgens het kabinet hem of haar geen aanspraak op levensreddende zorg worden ontzegd.”  Als er voldoende plek is dan is dat natuurlijk geen probleem. Is er onvoldoende plek, dan moet er worden gekozen. “Dat er daarbij naar de leeftijd, maar vooral naar de levenskansen en -kwaliteit wordt gekeken, is niet meer dan reëel. Dat is geen drama, dat is verstandig,” zo schreef ik in maart 2020 al.

Dit omdat in tijden van schaarste de schaarse middelen zo goed mogelijk moeten worden ingezet. Daarbij heb ik liever, dat klinkt hard en zakelijk, dat die schaarste wordt besteed aan mensen met de grootste kans om het langst te kunnen leven. Dan wordt de prijs van die kosten per gewonnen levensjaar lager. Dat is de afweging die moet worden gemaakt. Een afweging die onze gekozen vertegenwoordigers moeten maken en onze regering moet daarin voorop gaan. Wij hebben hen aangenomen om de schaarse middelen die er beschikbaar zijn zo effectief en efficiënt mogelijk in te zetten tegen zo laag mogelijke kosten. Daarbij past in het geval dat alle andere zaken gelijk zijn, kiezen voor iemand die statistisch gezien nog de meeste levensjaren voor zich heeft.

Kiezen voor leeftijd is hard, maar minder hard dan loten. Want ja, bij kiezen voor leeftijd haalt een 62-jarige het van een 63-jarige en dat is cru en moeilijk te verteren voor de achterblijvers van de 63-jarige. Dit kan ook bij loten gebeuren en dan voelt het in dit geval wellicht minder hard. Bij loten kan echter een kind van zeven het pleit verliezen van een 87-jarige die daarna nog anderhalf jaar leeft. Dat is enorm cru voor de nabestaanden van het kind. Het zusje van zes moet daar haar hele verdere leven mee leven. De ouders van het kind wellicht ook nog een jaar of vijftig. Zelfs die 87-jarige moet nog anderhalf jaar leven met de gedachte dat dat leven te danken is aan de dood van dat zevenjarige kind. De nabestaanden van die 87-jarige moeten de rest van hun leven door met de wetenschap dat die zevenjarige het leven liet zodat zij nog anderhalf jaar van hun geliefde konden genieten.

Loten is geen keuze durven te maken. Het is weglopen van de keuze en het ‘lot’ laten bepalen. Loten is laf. Vandaar: stelletje lafbekken! Gelukkig kunnen we in maart laten weten wat we van die lafheid vinden.

Uitgelicht

Hulpverlener, medeplichtige of toerist

Sinds ik in 2014 voor het eerst het Griekse eiland Lesbos bezocht voor een vakantie, heb ik een zwak voor het eiland en haar bewoners. Dat zwak is een gevolg van de afwisselende schoonheid van het eiland maar vooral van de vriendelijkheid van de mensen. Iedere keer als er iets over Lesbos op televisie is of in kranten of sites wordt geschreven, dan lees ik dat met grote belangstelling. Dus toen ik op de site Oneworld een artikel zag over het eiland, moest ik het lezen. Ik werd extra getriggerd omdat de auteur, Vonne Hemels, zeer kritisch was over de non-gouvernementele organisaties (NGO). Die staan, zo betoogt hemels, de verandering op het eiland in de weg.

Kasteel Mithyllini. Eigen foto

Hemels is vooral begaan met de vluchtelingen op het eiland. Hemels: “Ik weet het niet, maar ik weet wél dat de situatie voor vluchtelingen op Lesbos de afgelopen jaren alleen maar erger is geworden, ondanks de vele miljarden aan humanitaire hulp.” De NGO’s spelen hierin, zo betoogt Hemels, een negatieve rol Ze hebben: “het concept van solidariteit op Lesbos veranderd in een handelsartikel dat goed verkoopt op de markt van internationale humanitaire business.” Gelukkig ziet Hemels een alternatief: medeplichtig worden. “Medeplichtigheid (…) betekent aanvaarden dat de wetten en regels oneerlijk zijn. Het betekent oprecht luisteren naar degenen die systematisch onderdrukt worden, en bereid zijn om risico’s te nemen. Het betekent géén carrière maken van het lijden van vluchtelingen. Medeplichtigheid is vriendschap, en de eindeloze strijd tegen grenzen en voor de vrijheid van iedereen.” Hemels sluit af met de woorden: “Ik nodig je ook van harte uit om Lesbos eens te komen bezoeken. Maar dan wel als medeplichtige, en niet als humanitaire hulpverlener.”

Over de dubbele rol van de NGO’s hoeven we niet verbaasd te zijn. Als je een doel wilt bereiken en daarvoor richt je een organisatie op, dan heb je ineens al twee doelen, namelijk het oorspronkelijke doel en het doel om de organisatie draaiende te houden. Als de oprichter van de organisatie een ‘bekende Nederlander’ is zoals Johnny de Mol met zijn Movement on the Ground, dan heb je zomaar nog meer doelen. Neem je vervolgens mensen aan om het werk te doen, dan groeit het aantal doelen exponentieel. Een term die ik sinds het uitbreken van de corona-pandemie als bekend veronderstel.

Dat de NGO’s een bijdrage leveren aan het in stand houden van hardvochtig migratiebeleid, daarin kan ik Hemels een heel eind volgen. Na mijn laatste bezoek aan het eiland schreef ik ook al over: “Vrijwilligers die even twee of drie weken hun eigen ego komen strelen en wat ‘sokken’ uitdelen aan vluchtelingen die pas aankomen.” Vrijwilligers die, als ze weer thuis zijn, vertellen over: “hun ‘nuttige’ werk en de ellende op Lesbos.” Waardoor ze weer een steentje bijdragen aan de ellende op het eiland. Niet de ellende van de vluchtelingen, maar de ellende van de eilandbewoners. Want al die ‘ellendeverhalen’ maken dat er steeds minder vakantiegangers het eiland bezoeken en dat raakt de eilandbewoners hard.

Terug naar Hemels’ betoog: “Sinds de rechtse partij Nea Dimokratia in Griekenland aan de macht is worden anti-migratiewetten in rap tempo ingevoerd, ondanks veelvuldig kritiek van mensenrechtenorganisaties.” Zo schrijft ze terecht. Het eiland bezoeken als ‘humanitair hulpverlener’ voor aan maand, gaat daar inderdaad niets aan veranderen. Eilandbewoners kunnen die ‘hulpverleners’ wel schieten. Ik vrees echter dat het eiland bezoeken als ‘medeplichtige’ dat ook niet gaat verhelpen.

Ja, de vele vluchtelingen op het eiland zijn een probleem. Geen Grieks probleem, maar een Europees en dus ook een Nederlands probleem. Een Europees probleem waar we Lesbos en enkele ander Griekse en Italiaans eilanden mee hebben opgezadeld. Een probleem dat een gevolg is van de in politiek Nederland door velen bejubelde ‘Turkije deal’ Van Europees vluchtelingenbeleid dat alle ellende afwentelt op ‘landen in de regio’. Beleid dat je kunt betitelen als rationele irrationaliteit zoals ik al eens betoogde. Maar helaas ziet, op de inwoners van Lesbos en die andere eilanden na, niemand het zo. Ze zien het niet zo omdat het buiten hun blikveld gebeurt. Het loopt het land en haar inwoners over de schoenen. Eerst moesten ze de broekriem aanhalen om de Euro, maar vooral de West-Europese banken te redden en vervolgens werd het land overspoeld door mensen die naar Duitsland, Nederland, Zweden of Frankrijk wilde en op weg daar naartoe vast kwamen te zitten in Griekenland en vooral op enkele eilanden waaronder Lesbos. Het enige wat de overige landen van de Europese Unie deden, was beschuldigend naar de Grieken wijzen, terwijl ze hun deel van de afspraken zelden nakwamen. Dat is de belangrijkste reden dat Nea Dimokratia nu regeert en anti-migratiewetten invoert. Het eerdere meer progressieve alternatief, de regering Tsipras, werd door de rest van de Europese Unie door de mangel gehaald en zo liet de rest van Europa de Grieken in de steek. Daarop hebben de Grieken voor het conservatieve alternatief gekozen en daarvan zijn de vluchtelingen de dupe. Trouwens niet alleen de vluchtelingen, ook de bewoners van eilanden als Lesbos.

Als ‘medeplichtige’ naar Lesbos gaan zal daar niets aan veranderen. Het enige wat je ermee bereikt is dat je wordt opgepakt en het land uitgezet of misschien zelfs gevangen wordt gezet. Dat is dan weer iets waarmee je in Nederland kunt pronken en verwijzen naar de ellende van de vluchteling op het eiland terwijl het niemand op Lesbos helpt. Niet gestrande vluchtelingen en migranten, want wat hebben die aan een ‘tijdelijke medeplichtige’ die, door zijn juiste paspoort, gewoon weer terug kan reizen naar een land waar zij naar toe zouden willen. Maar ook niet de bewoners van het eiland omdat die ‘medeplichtige’ hen alleen maar negatieve publiciteit oplevert en belastingcenten kost.

Wat wel kan helpen, is in maart bij de Kamerverkiezingen stemmen op een partij die een ander vluchtelingen en migratiebeleid wil. Een partij die ziet dat wij hier een verantwoordelijkheid hebben. Een verantwoordelijkheid die verder gaat dan het ‘benutten van ontwikkelingsgeld’ om vluchtelingen in de regio op te vangen. Verder dan het uitruilen van de ene groep in ellende tegen de andere. Een verantwoordelijkheid om ook in Nederland ruimhartig plek te bieden aan vluchtelingen. Een partij die echt vorm wil geven aan migratiebeleid dat mensen, anders dat de ‘hoogopgeleide it-specialist’, van elders de gelegenheid geeft om hier legaal te werken. Een partij die zich realiseert dat afschuiven van het vluchtelingen probleem op het eerste land van aankomst, volgens het Dublinprotocol, niet de manier is waarop we in de Europese Unie met elkaar moeten omgaan. Het zou zomaar kunnen gebeuren dat in de toekomst Nederland dat land is. Sinds een paar dagen ligt Nederland immers ook op aan de grens van de Europese Unie. Dat is de beste hulp die we de vluchteling en migrant kunnen geven omdat we dan eindelijk het probleem van de vluchteling en migrant centraal stellen en niet het vluchtelingen- en migrantenprobleem.

En als je dan toch echt iets in het buitenland wilt doen, zo adviseerde ik al in de Prikker na mijn laatste bezoek die ik hierboven al aanhaalde: “ga vooral op vakantie naar Lesbos.” Het doet niets voor je CV en ego, maar des te meer voor de bewoners van het eiland. Want als het goed gaat met de bewoners zal dan de aanwezigheid van de vluchtelingen niet als een probleem worden gezien?

Uitgelicht

‘Drunk with a lamppost’ Baudet

“There are three kinds of lies: lies, damned lies and statisics.”  Een uitspraak die wordt toegedicht aan de Britse premier Benjamin Disraeli en Mark Twain maar wie  de uitspraak precies muntte, is niet bekend. Wat ermee wordt bedoeld wel, namelijk dat je met statistieken alles kunt onderbouwen. Hieraan moest ik denken toen ik een schrijfsel van Forum voor Democratieleider Thierry Baudet en zijn extreemrechtse hand Freek Jansen bij De Dagelijkse Standaard las. Of om het nog wat beeldender uit te drukken ik moest denken aan een uitspraak over statistiek van de Britse staatsman Winston Churchill: “I only believe in statistics that I doctered myself.”

Bron: WikimediaCommons

Volgens Baudet en Jansen moeten we: “stoppen ons te laten leiden door onterechte angst voor corona, het is tijd om de maatregelen op te heffen en Nederland weer vrij te laten.”Nu meen ik me van het begin van de ‘coronaperiode’ te herinneren dat er één Kamerlid was dat vond dat er veel te slap werd ingegrepen. Het moest allemaal veel sneller en harder omdat er groot gevaar aankwam. Voortschrijdend inzicht heeft Baudet echter doen inzien dat er eigenlijk niets aan de hand is: “Regering en mainstream media zaaien paniek zonder gegronde reden. Hoewel de door hen gehanteerde cijfers strikt genomen kloppen worden ze niet in perspectief geplaatst, waardoor ze een misleidend beeld schetsen. Hun angstberichten zijn dus puur fake news. Dat ‘perspectief’ brengen Baudet en Jansen vervolgens maar aan. Ja, er sterven meer mensen, maar: “Het totale – absolute – aantal mensen dat in Nederland overlijdt neemt al jaren toe.” Dit komt omdat de bevolking groeit en we ouder worden. Als je daarmee rekent, dan stierven er het afgelopen jaar wel meer mensen: “Maar relatief gezien – als percentage van de bevolking, gecorrigeerd voor vergrijzing – niet.” Bovendien was de jaarlijkse griep in 2019 heel mild, waardoor er: “bijna 14.000 mensen niet (stierven) aan de griep die in andere, ‘normale’ griepjaren wél aan de griep zouden zijn gestorven.” Als je daar, zo betogen de auteurs, rekening mee houdt, dan was er dit jaar niet echt sprake van oversterfte. Daaruit concluderen ze dat we ons over corona geen zorgen hoeven te maken. 

Of het rekenwerk van Baudet en zijn extreemrechtse hand kant of wal raakt, laat ik aan anderen. Maar zelfs als het klopt betekent dat dan automatisch dat we ons over corona geen zorgen hoeven te maken en het tijd is: “om de maatregelen op te heffen en Nederland weer vrij te laten,” zoals de beide heren betogen? Want wat ik zie en hoor is dat ziekenhuizen en vooral de IC-afdelingen vol lopen met patiënten die toch echt ziek zijn en zorg nodig hebben. Ik zie dat reguliere planbare zorg wordt uitgesteld, dat artsen en verpleegkundigen hun benen onder de kont uitrennen om iedereen zorg te verlenen en soms omvallen met een burn-out of nog erger een post traumatische stress-stoornis. Ik zie dat enkele verpleeghuizen al hulp van het leger hebben gekregen omdat ze anders hun zorg niet meer kunnen verlenen. Wat ik ook zie is dat het virus zich makkelijk kan verspreiden als we met grote groepen bij elkaar komen en dat het zich juist minder verspreid als we dat niet doen.

Nu kun je van alles vinden van de maatregelen, de manier en het tijdstip waarop ze zijn genomen. Dat het allemaal eerder en strenger moest, zoals Baudet begin 2020 betoogde, of dat er helemaal geen maatregelen nodig zijn zoals hij nu doet. Ook kun je goochelen met cijfers en daar een waarheid aan ophangen. Alleen als die waarheid losstaat van de feiten in de vorige alinea, welk vertrouwen moeten we daar dan in hebben. Baudet zal, zoals de eerdere uitspraak van Churchill, alle vertrouwen hebben in ‘statistics that he doctered himself’. Op mij komt hij toch veeleer over als de hoofdpersoon uit een andere uitspraak van Churchill over statistiek: “Statistics are like a drunk with a lamppost: used more for support than illumination.”  

Rest mij om jullie, mijn lezers het allerbeste toe te wensen in 2021. Voor mij bestaat een belangrijk deel van die goede wensen eruit om mensen als Baudet te ontmaskeren voor dat wat ze zijn, een “drunk with a lamppost’.

Uitgelicht

‘De paus van de overheid’

In maart mogen we weer naar de stembus om de leden voor de Tweede Kamer te kiezen. Ik moet zeggen dat ik het steeds moeilijker en lastiger vind om een keuze te maken. Moeilijk niet omdat er steeds meer partijen zijn, omdat Kamerleden zich afscheiden en een (eigen) nieuwe partij beginnen en ze het allemaal beter denken te weten. Nee, al die malloten en de partijen die ze hebben opgericht komen zeker niet voor mijn stem in aanmerking. Nee, het wordt me steeds moeilijker gemaakt door het gebrek aan besef bij Kamerleden van hun rol, positie, invloed en vooral hun verantwoordelijkheid.

Bestand:Lid van de Tweede Kamer voor de VVD dhr. Edzo Toxopeus  interrumpeert de fractiev, Bestanddeelnr 919-6733.jpg - Wikipedia
Bron: Wikipedia

“De gemeente Wijdemeren gaat nog eens kijken naar de zaak van een vrouw met een bijstandsuitkering, die ruim 7000 euro moet terugbetalen. Ze ontving boodschappen van haar moeder en had dat aan de gemeente door moeten geven, oordeelde de rechter,” zo lees ik bij de NOS. Gevolgd door Tweede Kamerleden die zoals Lilian Marijnissen zich twitterend afvragen: Hoe een overheid een monsterlijke machine kan worden die mensen kapot maakt omdat niet het vertrouwen voorop staat maar het wantrouwen.”  Of zoals enig PVV-lid Wilders: “dat de overheid “dus helemaal niets” heeft geleerd van de toeslagenaffaire.” En zij zijn niet de enige. Ik word er heel erg moe van. Ze hebben gelijk en toch word ik er heel erg moe van of beter gezegd teleurgesteld of nog beter gezegd boos.

Ze hebben gelijk. Dat wantrouwen voorop staat en dat dit de overheid tot een ‘monsterlijke machine’ maakt die mensen kapot kan maken, daarover schreef ik al eerder. Nee, ik word moe, teleurgesteld en boos van de manier waarop zij zich met hun woorden buiten de overheid plaatsen. De overheid, dat zijn anderen. Dat zijn ‘hardvochtige ambtenaren’ en rechters die de vastgestelde regels toepassen. Met hun manier van praten, plaatsen zij zich buiten de overheid. Terwijl zij er integraal onderdeel van zijn. Sterker nog, zij zijn lid van het belangrijkste onderdeel van onze overheid. Zij zijn lid van de Tweede Kamer. Een Kamer die namens en voor ons besluit. Een Kamer die namens ons wetten vaststelt waaraan we ons allemaal moeten houden. ‘Ja maar ik of wij hebben tegen die wet gestemd’, zal menig politicus roepen. Tegen een wet stemmen, weerhoudt hen er echter niet van om te pleiten voor een ‘harde aanpak’ bij geconstateerde fraude. Neem bijvoorbeeld het debat over bijstandsfraude door Turkse Nederlanders van 6 februari 2019. De handelingen doorlezend kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat de ene partij fraude nog steviger wil aanpakken dan de andere.

Even wat citaten. “Ik kan me nog de debatten met mevrouw Klijnsma hierover herinneren. Die uitzonderingen moeten een keer stoppen, want er zit altijd aan het eind van het verhaal nog een ambtenaar in de gemeente die allerlei uitzonderingsbepalingen mag toepassen waardoor alsnog half geïmporteerd Nederland een uitkering krijgt.”  Aldus PVV’er De Graaf. Nu kan het dat hij alleen voor strengheid pleit ten opzichte van ‘geïmporteerd Nederland’. Op dit taalgebruik werd hij aangesproken, niet op zijn pleidooi om ambtenaren de ruimte om uitzonderingen te maken, af te nemen.

Iets verder in het debat is VVD’er Nijkerk-De Haan aan het woord: “Zoals wij eerder al hebben ingebracht, betekent dit wat ons betreft dat gemeenten en de Sociale Verzekeringsbank uitkeringen bij geconstateerde fraude niet alleen stopzetten, maar ook moeten terugvorderen. Tijdens de begrotingsbehandeling van vorig jaar november hebben mijn collega Wiersma en collega Peters van het CDA precies hierover een motie ingediend, een motie die de staatssecretaris vraagt om twee zaken op te pakken: bevorderen dat gemeenten actief invulling gaan geven aan hun verplichting om bij aangetoonde fraude een boete op te leggen en de onterecht ontvangen uitkeringsbedragen terug te vorderen.” En daarmee kennen we meteen ook de positie van het CDA. Vanwege de aanleiding voor het debat, de bijstandsfraude door Turkse Nederlanders vult Öztürk namens DENK iets verder aan: “Ook richting de woordvoerder van de VVD, mevrouw Nijkerken-de Haan, zeg ik: alle fraudeurs moeten wij aanpakken met z’n allen; dan zijn we unaniem.”

“ GroenLinks is niet naïef: waar nodig moet streng gehandhaafd worden. Er wordt namelijk in deze situatie publiek geld uitgegeven aan mensen die het niet nodig hebben. Overtreders moeten we bestraffen, want anders gaat het ook ten koste van het draagvlak voor sociale zekerheid. Wel pleiten we voor slim handhaven; dat heb ik al in meerdere debatten gedaan. Een slimme handhavingsstrategie, gekenmerkt door persoonlijke aandacht, leidt namelijk tot betere resultaten. Daar is ook veel onderzoek naar gedaan. Daarom willen wij dat er slim wordt gehandhaafd waar dat kan maar zeker ook streng waar dat nodig is.” Aldus de bijdrage van GroenLinks Kamerlid Renkema. Streng maar wel via een persoonlijke aanpak. Het CDA vult nog aan: “De meeste mensen vinden dat vertrouwen goed is, maar controleren beter. Zij vinden dat mensen zichzelf en elkaar de kans niet moeten geven de fout in te gaan. Misschien is dat geen idealistisch wereldbeeld, maar het is wel zo nuchter.” SP’er Van Dijk: “Dit is niet de eerste keer dat wij over bijstandsfraude debatteren. Het kwam al voorbij in maart 2011. Inmiddels zijn we acht jaar verder. Je zou dus verwachten dat er meters gemaakt zijn. Maar daar lijkt het niet op. En dat terwijl het helder is: fraude is ontoelaatbaar, die moet je opsporen en aanpakken, ongeacht de afkomst. …  Fraude moet je aanpakken zonder aanziens des persoons.”

Waarom zijn jullie dan boos? Wat is de boodschap die jullie, Kamerleden, hier afgeven? Ik kan tot geen andere conclusie komen dan: pak fraude zonder uitzondering heel streng aan! Als dit de opdracht is waarmee jullie een minister het bos in sturen en jullie kennen, al hebben jullie er misschien niet mee ingestemd, de betreffende wet, waarom dan zo boos en verbaasd? Maar wat erger is dan jullie boosheid, en dat is de oorzaak van mijn boosheid, is dat jullie duiken voor jullie medeplichtigheid. Of sterker nog, want medeplichtigheid is eigenlijk nog wat zwak uitgedrukt, waarom nemen jullie niet jullie verantwoordelijkheid hiervoor? Nee, als een schijnheilige van buiten naar binnen roeptoeteren en schande spreken, terwijl jullie de ‘paus van de overheid’ zijn.

Uitgelicht

Horen, zien en niet zwijgen

Je niet herkennen in hoe mensen over je praten, dat overkomt iedereen wel eens, dacht ik, toen ik een artikel van Josta van Bockxmeer bij De Correspondent las. Daarom schreef ik haar: “Dat mensen in termen en woorden over mij schrijven waarin ik me niet herken, overkomt mij als blanke man van middelbare leeftijd zeer vaak.” Van Bockxmeer antwoordde: “De ervaring niet erkend te worden, is altijd pijnlijk, wie je ook bent. Een reactie daarop die ik zelf behulpzaam vind, is deze: probeer je te realiseren dat er mensen zijn die deze ervaring nog veel vaker hebben, zoals mensen van kleur, transgenders of homoseksuelen. Op die manier kan het een motivatie worden naar hen te luisteren. Ik hoop dat je hier iets mee kunt.” Een bijzonder advies.

Bron: pxfuel

Eerst even de aanleiding. Van Bockxmeer schrijft vooral over de woningmarkt in Nederland. Zo ook nu. “Want hoewel ik overtuigd ben van de goede bedoelingen van corporatiemedewerkers, is er iets waar ik me al aan stoor sinds ik over de sociale huursector schrijf. Doorgaans hebben ze het over hun huurders als mensen die medelijden verdienen,”  aldus Van Bockxmeer. Nu huurt ze zelf ook via een corporatie en vervolgt ze: “Ik huur zelf van een woningcorporatie en herken mijzelf (en veel mensen om mij heen) totaal niet in dit beeld. Sterker nog: ik denk dat het schade aanricht.”

Terug naar het advies dat Van Bockxmeer mij gaf. ‘Realiseer je dat er mensen zijn die die ervaring vaker hebben en luister naar hen.’ Aldus mijn vertaling van haar advies. Ja, er zijn mensen die, dit vaker treft. Alhoewel, hoe bepaal je dat? Is er één meetlat waaraan je kunt afmeten wie er het slechtst aan toe is? Heb je die ervaring vaker of minder vaak als het je materieel goed gaat of tellen immateriële zaken ook? En wat telt dan het zwaarst? Hoe zit het met je eigen instelling? Ervaren twee mensen in precies dezelfde omstandigheden als Van Bockxmeer het gebeurde precies hetzelfde?

Behalve die ene meetlat is er meer. Zou het helpen als je je, om het zo te noemen, naar beneden gaat vergelijken? Wat helpt het mij in mijn situatie als ik me realiseer dat er anderen zijn die vaker ‘verkeerd’ worden benaderd? Verbetert dat mijn situatie? Maakt dat, om Van Bockxmeers voorbeeld aan te halen, dat de corporatie mij anders, niet als persoon die medelijden verdient, gaat benaderen? En omgekeerd, schiet degene die het nog slechter heeft er iets mee op als ik me realiseer dat die persoon het nog slechter heeft? Als we het advies van Van Bockxmeer ter harte nemen, dan mag alleen die persoon die dit het vaakste gebeurt, zich uitspreken en rest mag slechts in stilte luisteren naar wat die persoon te zeggen heeft.

Dit lijkt op het intersectionalistische denken. Het denken dat ervan uitgaat dat maatschappelijke ongelijkheid zich langs verschillende assen zoals seksualiteit, gender, huidskleur, religie en zo zijn er nog veel meer, voordoet. Volgens de aanhangers van deze theorie moet het bestrijden van achterstanden beginnen bij degenen die op al deze gebieden het meeste op achterstand staat. Als je die helpt dan help je iedereen met een achterstand. Alleen wie is dat? De kans is dan groot dat allen die zich op een of andere manier achtergesteld voelen, de strijd met elkaar aangaan om aan te tonen dat zij bovenaan staan op de ‘ellende-ladder’, zoals ik het in een eerdere Prikker noemde.

Terug naar het advies van Van Bockxmeer. Zoals gezegd zal in dit geval de corporatie haar taal niet aanpassen als zij niet te horen krijgt dat mensen, zoals Van Bockxmeer, zich niet herkennen in de manier waarop er over hen wordt gedacht en gesproken. Dat die manier schade toebrengt aan mensen en aan de relatie tussen de corporatie en haar huurders. Dat kan alleen als huurders die, zoals Van Bockxmeer, dit gevoel hebben dat gevoel uiten. Als zij zich uitspreken. Net zoals ik aan iedereen die mij generaliseert omdat in een blanke man van middelbare leeftijd ben. Zouden ‘corporaties’, andere organisaties en wij als individuele inwoners van dit land, niet beter nadenken, als ze te horen krijgen dat ze generaliseren? Zou het voor juist de mensen die ‘die ervaring vaker hebben’ niet helpen als iedereen die ‘die ervaring heeft’ zich uitspreekt in plaats van het uitspreken aan degenen met de grootste achterstand te laten? Als zij die het horen of zien, niet zwijgen.

Uitgelicht

If you can’t stand the heat

In de Volkskrant las ik een artikel van Joris Roelofs over ‘cancel culture’. Aanleiding voor het artikel was een documentaire van Medialogica die handelde over de ophef rond BredaPhoto in september van dit jaar. Aan die commotie besteedde ik al eerder aandacht. Commotie over het kunstwerk van Erik Kessels Destroy my Face dat fel protest opleverde van een groep die zich wearenotaplayground noemt. Een protest dat wereldwijde aandacht trok. De documentairemakers reconstrueren de ophef en stellen zich de vraag of er sprake is van cancelcultuur en/of zelfreinigend vermogen in de kunstwereld. De twee initiators van wearenotaplayground, Mechteld Jungerius en Rachel Morón, reageren op Instagram weer op de documentaire waarin ze zelf deelnemen. Zij houden er, zo blijkt uit hun bijdrage op Instagram, een bijzondere definitie van in dialoog gaan op na.

Keuken, Koken, Vlam, Voedsel, Ali, Menselijke
Bron: Pixabay

Na iets meer dan negentien minuten in hun bijdrage halen de initiators aan dat kunstenaar Kessels zich erover beklaagde dat er geen dialoog was. Waarop een van de initiators zegt: “Just look at our Instagram account. Look at what has happend. The only reason that you’re in the documentary is that the dialogue has been held. The whole entire time. Just because you don’t want to aknowledge that social media is a form of dialogue doesn’t mean that there is no dialogue.” Een wel heel bijzonder redenering.

Een dialoog is een gesprek tussen verschillende mensen waarin gedachten worden uitgewisseld en waarbij de deelnemers tot nieuwe inzichten komen die ze zonder dat gesprek niet zouden hebben gekregen. Nu is er een kant, kunstenaar Kessels, die aangeeft dat de initiators van de actie niet met hem in gesprek zijn gegaan. De documentaire laat zien dat dit ook niet is gebeurd. Hoe kan je met iemand een dialoog voeren zonder dat die persoon deelneemt aan het gesprek? Instagram mag dan volgens de beide initiators, een manier zijn om een dialoog te voeren. Om die dialoog te kunnen voeren moet de ander daar dan wel aan deelnemen.

Trouwens bij het ‘dialogiserend karakter’ van de sociale media kun je grote vraagtekens plaatsen. Ik heb zelden een gesprek via sociale media gezien waarin partijen nieuwe inzichten opdeden van een andere deelnemer. Gesprekken op sociale media gaan over het algemeen twee kanten op. Als alleen de eigen bubbel deelneemt, dan is het een zelfbevlekking met het eigen gelijk. Nemen er mensen uit verschillende bubbels deel dan is het enige wat je met een zeer grote mate van zekerheid kunt zeggen dat hoe langer een online gesprek duurt, hoe groter de kans is dat Hitler en de Nazi’s ten tonele verschijnen. Inderdaad de wet van Godwin. Als de documentaire iets laat zien, dan is het dat het ook in deze casus het geval was. De tijdlijnen van Kessels, BredaPhoto en het skatepark stroomden vol met gescheld en verwensingen. En zelfs de initiators gaven aan dat ook zij de nodige verwijten te slikken hebben gekregen. Dat zijn niet echt de kenmerken van een dialoog.

Een dialoog wordt erdoor gekenmerkt dat de deelnemers een open en vragende houding hebben. Ze willen nieuwe kennis op doen. Als de reconstructie iets laat zien dan is het dat Kessels gelijk heeft en het tot op heden nooit tot een gesprek is gekomen tussen de initiators aan de ene en BredaPhoto, Kessels en Skatepark aan de andere kant. Ook niet in deze documentaire. De eerste ‘communicatie’ vond plaats via een ‘open brief’ met beschuldigingen en eisen. Niet bepaald de voor een dialoog benodigde open en vragende houding.  Vervolgens nodigde BredaPhoto de initiators uit om gedurende het festival met Kessels en de organisatoren in gesprek te gaan. Een gesprek dat als onderdeel van het festival zou worden opgenomen. Dit werd geweigerd. De initiators wilden wel praten maar niet met Kessels omdat het hen niet om het kunstwerk ging, maar om de ‘structuur’ en niet publiek. Een wat vreemde redenering. Vreemd omdat ze in hun open brief Kessels aardig wat verwijten. En vooral zeer vreemd omdat ze zelf starten met een publieke actie, namelijk een open brief. Ze wilden wel in gesprek maar dan op hun voorwaarden, want, en nu zeg ik het in mijn eigen woorden maar eigenlijk in die van Calimero: ‘zij zijn groot en wij zijn klein en dat is niet eerlijk’. Zij zijn klein omdat ze net van de kunstacademie komen en Kessels een gearriveerd kunstenaar is en BredaPhoto een toonaangevend festival.

Op Instagram hebben ze het over ‘verantwoordelijkheid nemen’, beste initiators van wearenotaplayground, als je met een actie die voor de hele wereld is te zien ergens aandacht voor vraagt, betekent verantwoordelijkheid nemen dat je vervolgens ook in de openbaarheid met de ander in gesprek gaat. Dan is je verschuilen achter je jong en onbekend zijn een zwaktebod. Mijn advies grow up! En anders: If you can’t stand the heat stay out of the kitchen.

Uitgelicht

Geen Bromsnorren maar Saartjes

Vroeger in mijn jeugd, kende Nederland twee televisiezenders. Ze heetten Nederland 1 en Nederland 2, erg makkelijk en duidelijk. Twee zenders die meestal pas zo rond zeven uur ’s avonds begonnen met uitzenden. Dan begon de Fabeltjeskrant en vijf minuten later zat de kinderprogrammering er al op. Dan kon je naar bed. Alleen op woensdag- en later ook op zaterdagmiddag, was er voor kinderen wat meer op de televisie. Dan was er anderhalf of twee uur, dat weet ik niet meer precies, meer tv voor kinderen. Dan konden we naar Stuif es in kijken en Bassie en Adriaan. Toen ik wat ouder werd en niet meer na de Fabeltjeskrant naar bed moest, mocht ik ook naar Swiebertje kijken. Bij het lezen van een interview met korpschef Henk van Essen in de Volkskrant moest ik hieraan denken.

File:TV-serie Swiebertje, (nr. 5) v.l.n.r. Swiebertje (Joop Doderer), Bromsnor (Lou …, Bestanddeelnr 927-1025.jpg
Bron: WikimediaCommons

Of eigenlijk niet aan de hoofdpersoon de zwerver Swiebertje waarnaar de serie was vernoemd, maar aan een van de bijrollen: Bromsnor. Van Essen wil 3.500 extra politiemensen erbij vooral om ze in te zetten als wijkagent in de basisteams want: “Onze basisteams zijn de ogen en oren van de wijk. Als dat hapert, krijg je de situatie dat jonge jongens snel en ongezien heel grote criminelen kunnen worden.” Bromsnor was de ‘veldwachter’, een soort wijkagent maar dan voor landelijk gebied. Bromsnor had het heel druk met het ‘veilig houden’ van zijn gebied en zwerver Swiebertje vormde, ondanks dat hij de goedheid zelve was, een bedreiging voor die ‘veiligheid’. Tenminste zo dacht Bromsnor erover. Gelukkig liep het altijd goed af. Bij die goede afloop speelde Saartje, de huishoudster van de burgemeester Robert van Troetelaar tot Stoethaspel, een belangrijke rol.

Terug naar Van Essen die de 3.500 mensen extra nodig heeft voor de lokale verankering, want: “Lokale verankering is de ruggengraat van de politie, maar die wordt uitgehold.” Iets wat ook Sjo Smeets en Marcel van Zethoven in een artikel in Trouw betogen. Zij betogen dat de wijkagenten: “de voeling met de buurt kwijt (raken), evenals hun informatiepositie. Het vertrek van de politie uit de wijk draagt bij aan een voedingsbodem voor de ontwikkeling van ondermijnende criminaliteit en overlastsituaties in de meest ruime zin van het woord.”  Gevolg hiervan: “Door de afwezigheid van enige vorm van ­georganiseerde wijkaanpak hebben we de afgelopen jaren een exponentiële groei van incidenten meegemaakt op het gebied van jeugdoverlast, vernieling en leefbaarheid. Deze zijn direct zichtbaar. Maar ook op het eerste oog ‘onzichtbare’ thema’s als ondermijning, mensenhandel, eenzaamheid en personen met verward gedrag (100.000 meldingen jaarlijks).”  Met de komst van wijkagenten lossen we dat op? De wijkagent als een soort duizenddingendoekje? De wijkagent lost de eenzaamheid op? De wijkagent zorgt voor minder verwarde mensen op straat? Voor minder jeugdoverlast?

Even wat perspectief met betrekking tot die ‘exponentiele groei’ van allerlei vormen van ellende. ’Jonge jongens die ongezien crimineel worden’ zijn er steeds minder zo is te lezen in een recentelijk verschenen artikel in het Tijdschrift voor Criminologie, eigenlijk al sinds het einde van de vorige eeuw. Dan het vandalisme. Cijfers van het CBS laten zien dat ook het vandalisme al jaren daalt, net als bijna alle vormen van traditionele criminaliteit. Traditioneel omdat ‘cybercrime’ toeneemt. En ja, het aantal meldingen van mensen met verward gedrag neemt toe. Geen wonder omdat er de afgelopen tien jaar beleid is gevoerd om mensen met psychische en andere problemen veel minder op te nemen in een instelling, maar zoveel mogelijk in de ’eigen omgeving’ te laten wonen. Van ‘exponentiele groei’ is geen sprake.

Zoals gezegd waren er in mijn jeugd twee televisiezenders nu zijn er ik weet niet hoeveel die allemaal gevuld moeten worden. In mijn jeugd had je het NOS-journaal van acht uur, dat was ‘het Nieuws’. Daarnaast had je, in mijn geval ‘Het Dagblad voor Noord-Limburg’ of zoals mijn vader hem noemde ‘de Venlose krant’ want de krant bracht naast het (inter)nationale nieuws ook het lokale nieuws. Lokale nieuws zoals een inbraak, een auto-ongeluk of de politieke ruzie in Venlo en de omringende dorpen. Nu is  die inbraak, dat ongeluk en die ruzie voer voor Hart van Nederland, RTL in het land, de regionale en lokale omroep. En zo zie je die enkele inbraak in je eigen omgeving, maar ook de inbraken in andere plaatsen. Inbraken in plaatsen waar je vroeger nooit iets over las want in Venlo las je het Haarlems dagblad niet. Nu zie je bij wijze van spreken iedere inbraak in Nederland op tv en als het niet op tv is, dan is het wel op een van de vele ‘sociale media’. En niet alleen die in Nederland maar van over de gehele wereld. Als er iets is exponentieel is gegroeid, dan is het steeds meer media-aandacht voor steeds kleinere gebeurtenissen. Nu is elke jeugdige die afglijdt in de criminaliteit en elke vernieling er een te veel. Ook is het van belang dat we elkaar zo min mogelijk en liefst geen overlast bezorgen. Dit om de wereld en in het bijzonder dit land leefbaar te houden voor elkaar. Zouden meer wijkagenten daar de oplossing voor zijn of zijn er andere oplossingen mogelijk?  

Even terug naar Swiebertje. Zoals gezegd, zorgde Saartje, de huishoudster van de burgemeester, ervoor dat uiteindelijk alles op z’n pootjes terecht kwam, niet ‘Bromsnor’. Dat deed ze door onder het genot van een kopje door de burgemeester betaalde koffie ieders gemoederen tot bedaren te brengen en zo een beetje begrip bij te brengen voor de positie van de ander. Saartje had, om termen van Smeets en Van Zethoven te gebruiken, ‘voeling met de buurt’ en had een ‘cruciale informatiepositie’. Ze wist meer van Swiebertje dan Bromsnor en omgekeerd, maar gaf beiden wel de informatie die ze nodig hadden om het ‘goede’ te doen. Laten we dit eens vertalen naar de huidige tijd. Wie speelt er dan welke rol? De rol van Bromsnor is duidelijk, dat is de politie. De rol van burgemeester Van Troetelaar tot Stoethaspel is ook duidelijk, dat is de burgemeester. Swiebertje dat zijn wij, de inwoners van een stad of dorp. Vervullen dan opbouwwerkers en jongerenwerkers niet de rol van Saartje?

Zouden we dan niet veeleer meer Saartjes moeten aanstellen in plaats van Bromsnorren?

Uitgelicht

Onverschillig en ondoordacht

“Onverschilligheid en ondoordachtheid vormen een grotere bedreiging dan mensen met kwade bedoelingen.” Een conclusie van Susan Neiman in haar boek Het kwaad in het moderne denken. Na bestudering van wat er de afgelopen eeuwen over het kwaad is geschreven met de Holocaust als belangrijkste gebeurtenis, komt Neiman tot deze conclusie. Het kwaad niet zozeer als vooropgezette bedoeling, maar als een gevolg van onverschilligheid en ondoordachtheid. Ik moest hieraan denken toen ik de conclusies las in het eindrapport van de parlementaire commissie die onderzoek heeft gedaan naar de toeslagenaffaire.

Bron: WikimediaCommons

Het rapport beschrijft wat er precies is gebeurd en hoe de betrokken personen hebben gehandeld of juist nalieten te handelen. Ik moest aan deze passage denken vanwege het woord onverschillig: “Zich om niets bekommerend” en “om het even,” aldus de Van Dale. Dat is wat er uit het relaas naar voren komt. De overheid heeft als belangrijkste taak om haar burgers te beschermen. Te beschermen tegen bedreigingen van buiten, tegen vreemde overheersing. Maar ook beschermen tegen bedreigingen van binnen. Tegen misdaden en misdrijven. Al het andere, of het nu het aanleggen van wegen of het ‘stimuleren’ van de economie is, is daaraan ondergeschikt. Nu blijkt die overheid die haar inwoners moet beschermen, een deel van haar onderdanen niet te hebben beschermd maar te hebben bedreigd. Bedreigd niet als een ‘vooropgezet plan met kwade bedoeling’, maar precies door onverschilligheid. Onverschilligheid omdat signalen dat er iets gigantisch mis ging niet werden opgepakt. Onverschilligheid omdat er niet werd geluisterd naar de gedupeerden en zo kunnen we nog wel even doorgaan. Maar daar wil ik het nu niet over hebben.

Het gaat mij om dat andere woord in het citaat van Neiman. De commissie concludeert dat alle betrokkenen, ambtenaren, ministers, Kamerleden en rechters op hun eigen manier steken hebben laten vallen en dus hebben bijgedragen aan de ellende waarin een groep burgers is gestort.  Ze toonden zich allemaal op een of andere manier onverschillig, maar waren ze ook ondoordacht: “zonder te hebben nagedacht”?  Dat is op het eerste gezicht niet zeggen. Er is bewust gekozen om de kinderopvang als een markt te organiseren. Een markt waarop aanbieders om de gunsten van ouders met een telg waarvoor zij opvang nodig hebben, moeten concurreren. Er is ook bewust voor gekozen om het peuterspeelzaalwerk te ‘harmoniseren’, zoals men dat in beleidstermen noemt, met de kinderopvang. Dit betekende niets anders dan dat het voorheen semipublieke peuterspeelzaalwerk aan de tucht van dezelfde markt werd blootgesteld. Bijzonder aan deze markt is dat die voornamelijk met publiek geld wordt gefinancierd. Afgezien van een inkomensafhankelijke ouderbijdrage. Dit betekent dat je als ouder een smak geld krijgt van de overheid en daarmee moet je de rekening van de kinderopvang betalen. Of je kiest er als ouder voor om die toeslag rechtstreeks aan de kinderopvangorganisatie te laten betalen. Maar dan nog krijg jij die smak geld.

Er is ook bewust gekozen voor de Belastingdienst als uitvoerder van deze regeling. Dit omdat deze dienst al beschikt over de benodigde inkomensgegevens. Probleem is alleen dat de dienst beschikt over gegevens uit het verleden. Belastingen betaal je achteraf. Een toeslag wordt in het nu uitgekeerd voor een uitgave in de toekomst. En zoals menigeen dit jaar weer ervaart, kan het inkomen van nu afwijken van het inkomen uit het verleden.

Ook is er bewust gekozen om geen hardheidsclausule op te nemen  in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. De wet waarmee de uitvoering van allerlei inkomensafhankelijke regelingen werd ‘gestroomlijnd’ om er maar weer eens een beleidsterm in te gooien. Doel van deze wet is, zo is in de Memorie van Toelichting te lezen: “meer transparantie voor de burger, vermindering van uitvoeringskosten en een meer effectieve aanpak van de armoedeval.” Voor iedereen die het niet weet, een hardheidsclausule maakt het mogelijk om de wet of onderdelen ervan niet toe te passen als ze leiden tot onredelijke en onbillijke gevolgen voor de betrokken burger.

Het gehele systeem is goed doordacht.  Dus er is geen sprake van ondoordachtheid? Dat zou ik niet meteen concluderen. Want er is inderdaad goed nagedacht, maar dan wel vanuit een bepaald frame en binnen dat frame is het geheel logisch. En daarmee kom ik uit bij de woorden in mijn Prikker De toeslagenaffaire en de Walkman. Die handelde ook over de toeslagenaffaire en dan vooral over de opdracht van de commissie die onderzoek doet naar de uitvoeringsorganisaties. Daarin schreef ik dat de overheid haar dienst vooral organiseert als een handelstransactie. Ik citeer mezelf: “Een handelstransactie creëert geen of slechts een zwakke sociale band. Er ontstaat geen ‘WIJ’ en het ontbreken van die ‘WIJ’ betekent dat ‘IKKEN’ vooral aan zichzelf denken. En omdat de andere ‘IKKEN’ dat ook doen, moeten de “IKKEN’ op hun hoede zijn: wantrouwen. Wantrouwen dat wordt versterkt omdat er ‘IKKEN’ zijn die misbruik maken van de situatie. Binnen het ‘handelstransactie frame’ is voorkomen van fraude de enige manier om wantrouwen te bestrijden en iets van een ‘WIJ’ te behouden. Iedere ontdekte fraude zorgt voor verlies aan ‘WIJ’. Om fraude te voorkomen worden regels zo gemaakt dat de te voorkomen uitzondering de regel gaat bepalen en gaat de ‘menselijke maat’ verloren.”  

Binnen het frame markt en handelstransactie is het doordacht. Buiten dat frame waren er andere oplossingen mogelijk. Immers waarom een dienst die voor het overgrote deel met overheidsgeld wordt betaald, vormgeven als transacties en dus als markt? Als je dan toch transparantie voor de burger, vermindering van de uitvoeringskosten en een effectievere aanpak van de armoede val wilt, waarom maak je er dan geen overheidsdienst van? Waarom geen gratis kinderopvang door de overheid georganiseerd? Dat is heel transparant voor de burger, het minimaliseert de uitvoeringskosten omdat de toeslag overbodig is en er is in het geheel geen sprake meer van een armoede val. Bovendien vergroot dit de mogelijkheid om peuters die om welke reden dan ook een achterstand hebben goed te begeleiden en zo die achterstand weg te werken en in ieder geval te verkleinen. En ook dat met minder uitvoeringskosten want ook het systeem van voorschoolse educatie kent flinke uitvoeringskosten.

Overheidsdiensten vormgeven als handelstransactie duidt op het neoliberaal, utopisch denken waar ik mijn afgelopen drie Prikkers over schreef. En zoals ik in Utopia en Dystopia schreef, is utopisch denken gevaarlijk. Die Prikker sloot ik af met de woorden: “Aldus werkend aan een ideologische utopie is de kans groot dat we in een dystopie belanden. Het eindrapport lezend, zijn de betrokken burgers in Dystopia beland. Een Dystopia waar Thatchers uitspraak: “There’s no such thing as society,” werkelijkheid is geworden.

Uitgelicht

Trickle down economics

Voor geld geldt de zwaartekracht niet. Iets degelijks schreef ik in mijn vorige Prikker. Deze opmerking raakt een van de aannames van het neoliberale denken en in die vorige Prikker heb ik beloofd om op de aannames van het neoliberalisme terug te komen. De opmerking raakt de aanname van de ‘trickle down economics’, de aanname dat een belastingverlaging voor de hoogste inkomens leidt tot meer welvaart voor iedereen, ook voor de laagste inkomens.

Hoe zou dit moeten werken volgens de neoliberalen? Het komt er in het kort op neer dat je de rijken meer geld geeft. Dat doe je niet door ze geld te geven, maar door de belastingen te verlagen zodat hun netto inkomen stijgt. De rijken gaan dit geld vervolgens uitgeven, ze gaan consumeren. Ze kopen auto’s, broeken, gaan uit eten et cetera. Die auto’s en broeken moeten worden gemaakt en daarvoor zijn meer arbeiders nodig. Om al dat eten te koken en op te dienen zijn er meer koks en obers nodig. Die extra arbeiders, koks en obers hebben werk en zo meer inkomen. Dat inkomen ‘betalen’ de rijken van die belastingverlaging. Hier komt die aanname in het kort op neer. Om het in economen (en bakkers) termen te zeggen. Die extra uitgaven van de rijken zorgen ervoor dat de economie groeit. Als we de economie als een taart zien, dan wordt de taart groter. De rijke neemt een flink deel van die nieuwe taart maar omdat hij dat geld uitgeeft aan auto’s, broeken en uit eten vindt de arme sloeber een baantje. Door dit baantje krijgt hij meer inkomen en wordt ook zijn stukje van de taart groter.

Tot zover de theorie. Wat zien we de afgelopen veertig jaar in de praktijk gebeuren? Als eerste natuurlijk de verlaging van de belastingtarieven. Logisch, tenminste met de neoliberale bril, omdat het ‘down trickelen’ daarmee begint. Als tweede zien we ook de economie groeien. Dus dat deel van de theorie lijkt ook te kloppen. Toch kunnen we daar een hele grote kanttekening bij plaatsen. Als de aanname klopt, dan zou ‘trickle down’ tot een grotere economische groei moeten leiden dan in de periode ervoor. En daar loopt toch iets spaak. In zijn boek Capital in de Twenty First Century  geeft Thomas Piketty op pagina 94 een overzicht van de economische groei in de Wereld sinds het begin van de jaartelling. Heel interessant voor mensen die denken dat we zonder economische groei niet kunnen leven. Als dat zo zou zijn, dan was de mensheid allang uitgestorven want tot 1700 groeide de economie niet tot nauwelijks. Economische groei is iets van de laatste drie eeuwen. Het overzicht laat nog meer zien. Namelijk dat de economische groei, behalve in Azië, sinds 1980 bijna is gehalveerd ten opzichte van de periode ervoor.

Ook zien we enkele andere zaken. Zo zien we dat het gemiddelde  gezinsinkomen gecorrigeerd voor inflatie sinds eind jaren zeventig in de Verenigde Staten niet, en in Europa en Nederland niet tot nauwelijks is gestegen. De koopkracht is gelijk gebleven terwijl de economie fors is gegroeid. Dus of er veel welvaart naar beneden is ‘getrickled’? Nu moeten we hier nog iets bij opmerken. In de jaren zeventig was in Nederland de man in het gros van de gezinnen de kostwinner en de enige die inkomen binnenbracht. Dat is nu heel anders. Dat betekent dat we voor dat nauwelijks gestegen besteedbaar inkomen met z’n allen veel meer uren moeten werken. Dit zien we nog in ergere mate in de Verenigde Staten waar mensen tweede en derde baantjes moeten nemen om dat gelijke besteedbare inkomen te behouden. Wat we ook zien (lees het reeds genoemde boek van Piketty) is dat de verdeling van het vermogen steeds schever wordt. Een kleine groep (de 1% en daarbinnen weer de 0,1%) bezit een steeds groter deel van het totale vermogen en het aandeel van de onderste 90% wordt steeds kleiner.

Wat we ook zien is dat de rente op geld nihil en bij sommige banken zelfs negatief is. Geen of negatieve rente, betekent dat er heel veel geld is. Zoveel dat het niets kost als je het wilt lenen en voor sommigen, zoals de Nederlandse overheid, levert lenen zelfs geld op. Alleen is al dat geld slecht verdeeld. De vermogens zijn immers steeds schever verdeeld. Waarom lenen die armen dan niet als lenen toch bijna niets kost? Nu ‘lenen’ veel mensen al en vooral door op krediet te kopen: ‘koop nu betaal later’. Door dat lenen komt een groeiende groep in de problemen want ook lenen is in het nadeel van de armen. Hoe meer je leent, hoe lager de rente. En veel lenen kan alleen met veel inkomen. Bij ‘kopen op krediet’ was het wettelijke maximale rentetarief tot voor kort 14%. Dat is recentelijk tijdelijk verlaagd naar 10% als maatregel ‘om mensen de coronaperiode door te helpen’. Geld is daarmee goedkoop als je er veel, en heel duur als je er heel weinig van hebt en het wilt lenen.

Allemaal tekenen dat het geld niet ‘down trickled. Sterker nog het lijkt mijn uitspraak dat de zwaartekracht niet voor geld geldt, te bevestigen. Of zoals de reeds genoemde Chang het in zijn 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme schrijft (ding 13): “… de opvatting dat als de rijken een groter stuk van de koek krijgen, (dat dan) de koek groter wordt , klopt in de praktijk niet. Het tweede deel van het betoog. De opvatting dat de extra rijkdom die aan de top wordt gecreëerd, doordruppelt naar de armen, klopt ook niet. Er druppelt wel wat door, maar als we het aan de markt overlaten is het effect doorgaans mager.”

De praktijk laat zien dat er niet veel ‘down trickled’. Het is eerder andersom, geld en vermogen werken als een magneet en trekt het geld van onder naar boven. Trekt het naar boven door de hogere rentes voor kleinere leningen en bij ‘kopen op krediet’, zaken waar de armlastigen meer gebruik van maken en waarvan de topvermogens aan verdienen. Verdienen omdat het hun bedrijven zijn of omdat ze er een aandeel in hebben. Het trekt geld naar boven omdat vermogenden, zie het voorbeeld van prins Bernhard junior, ‘investeren’ in vastgoed, in woonhuizen die ze vervolgens verhuren aan de minder gefortuneerden. Die mindergefortuneerden kunnen die huizen niet kopen omdat de vermogenden er meer voor betalen in de wetenschap dat ze dat meerdere gewoon verwerken in de huur die ze vervolgens vragen.

De aanname achter ‘Trickle down’ is niet meer dan dat, een aanname en dan ook nog een foute, zo laat de werkelijkheid zien. Iets wat recentelijk ook werd geconstateerd door Engelse onderzoekers, zo is in de Volkskrant te lezen. Het ‘trickle down’ verhaal lijkt daarmee een fabeltje. Een fabeltje om een maatregel waar enkelen voordeel van hebben, recht te praten door er ‘voordelen voor allen’ aan te verbinden. Nu zal je zeggen dat het achteraf goed de koe in de kont kijken is. Dat geld ‘samenklontert in grote hopen’ was echter ook vooraf te voorspellen. Nou ja voorspellen? Te bewijzen. Te bewijzen door naar het verleden te kijken. Dan was te zien dat geld zich ophoopt precies zoals Marx in Het Kapitaal beschrijft. Dan was te zien dat de rijken rijker worden en de armen vooral armer en talrijker. Dan was ook te zien dat de enige periode dat de armen rijker werden, de periode na de Tweede Wereldoorlog was zoals Piketty laat zien. Precies de periode met de hoogste belastingtarieven.

Nu maar weer eens blijkt dat geld ‘magnetisch’ is en als vanzelf bijeen klontert, kunnen we dat ‘magnetisme’ dan niet op een positieve manier inzetten? Natuurlijk kan dat. Dat kan door geld niet aan de bovenkant ‘in het systeem te gieten’, maar aan de onderkant. In tegenstelling tot de topinkomens, zullen de mensen aan de onderkant het extra geld wel consumeren en zo dus zorgen voor economische groei en banen voor zichzelf en anderen. Door bijvoorbeeld een basisinkomen of liever basisgift, zoals ik het in een eerdere Prikker betoogde. Een basisgift en progressief belastingstelsel met een ‘ouderwets’ toptarief. Een tarief dat juist de bovenkant afroomt om de onderkant te spekken. Op deze manier weten we zeker dat de mensen aan de onderkant er beter van worden.

Uitgelicht

Utopia en Dystopia

“Het wordt hoog tijd dat we de wereld gaan veranderen. Daarbij helpt het niet om een nieuwe ‘complot God’ in het leven te roepen en de strijd aan te gaan met die God of in andere woorden ‘de elite’. Dat is als een Don Quichot strijden tegen windmolens, tegen een imaginair construct. Die verandering begint ermee dat we ons realiseren dat het dominante denken ideologisch getint is.” Schreef ik in mijn vorige Prikker. De wereld veranderen door je te realiseren dat er buiten de ideologische bril waarmee je kijkt een hele wereld ligt. En de extreem dominante bril waarmee nu en de afgelopen dertig jaar naar de wereld wordt gekeken is een neoliberale. Hoe kon het dat we onszelf indoctrineerden met die neoliberale bril?

Utopia, De Aarde, Dromen, Teken
bron: Pixabay

Een goede vraag. Goed omdat het antwoord laat zien hoe een bepaalde manier van denken dominant kan worden. Als je weet hoe dat kan gebeuren, dan geeft dat aanknopingspunten om dergelijke processen te herkennen en herkennen is een eerste stap in het voorkomen dat je er slachtoffer van wordt. Net zoals bij een religie schetsten de aanhangers of ‘priesters’ van een ideologie een ideaalplaatje, een utopie. Als je hen ‘volgt’ en handelt naar hun geboden dan ontstaat als vanzelf die ideale wereld. Dan ontstaat de hemel of het ‘arbeidersparadijs’ op aarde. Alleen op dat punt ‘op aarde’ verschillen de aanhangers van een ideologie van een religie. Voor de aanhangers van een religie ligt het ideaal in het leven na de dood. Voor joden, christenen en moslims in het paradijs en voor boeddhisten in het gereïncarneerde volgende leven of het leven daarna. Aanhangers van een ideologie situeren hun ideaal in de toekomst. Alleen blijft dat paradijs altijd net buiten bereik. De oorzaak van dat ‘buiten bereik’ blijven wordt altijd veroorzaakt door het ‘niet goed naleven van de voorschriften’.  Zo betoogden de priesters van het neoliberalisme dat de hypotheekcrisis, die overging in een banken-, economische- en een valutacrisis dat dit gebeurde omdat overheden zich teveel bemoeiden met de markten: die waren niet vrij genoeg.

De, om het zo te noemen,  ‘profeet’ van het neoliberalisme is de Oostenrijkse econoom, Friedrich A. Hayek. Hayek zag de vrije markt als een perfect functionerende machine die hij als volgt omschreef: “Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een ( …) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maanden onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.”  In zijn boek Wat als de markt faalt noemt John Cassidy het ‘Hayeks telecommunicatiesysteem’. Hayeks belangrijkste werk Road to Serfdom uit 1944 is een strijd tegen collectivistisch denken en voor de vrije markt. Hayek gebruikt de Sovjet Unie en Hitler-Duitsland om aan te tonen dat collectivisme tot slavernij leidt maar schreef het boek om de politiek in Groot Brittannië te beïnvloeden omdat ook dit land al ver op weg was richting collectivisme.

Tot Hayeks frustratie werd hij in zijn tijd, de jaren dertig tot en met midden jaren zeventig van de vorige eeuw, overvleugeld door het denken van Keynes. Hayek was een wat obscure denker aan de zijlijn van de wetenschappelijk wereld. Hij werd qua invloed en populariteit overvleugeld door tijdgenoot John Maynard Keynes. Keynes was de gevierde econoom die ‘het medicijn’ had gevonden voor het overwinnen van de crisis in de jaren dertig en de mede-architect van de naoorlogse wereld. Al die lof voor Keynes was enigszins overdreven omdat de Tweede Wereldoorlog en de erop volgende wederopbouw een heel belangrijke rol speelde in het ‘oplossen van die crisis’. Keynes pleitte voor overheidsingrijpen in de economie, voor beteugeling en regulering van de markt. Hayek zag dat anders, maar door de economische successen in de eerste dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog kreeg hij geen poot aan de grond. Die successen werden toegeschreven aan het keynesiaanse economische beleid. In 1950 verruilde hij zijn plek aan de London School of Economics voor de betrekking aan de Universiteit van Chicago.

Een tweede belangrijke persoon in de verspreiding van het neoliberale denken is Ayn Rand. Rand werd geboren in 1905, in wat nu weer Sint Petersburg heet, als Anna Rosenbaum. Het gezin Rosenbaum vluchtte in 1917 voor de revolutie naar de Verenigde Staten. Rand staat aan de basis van het objectivisme, een stroming die, zoals Wikipedia het goed omschrijft: “de mens (ziet) als een heroïsch wezen, met zijn eigen geluk als zijn hoogste ethische doel, productieve prestatie als zijn nobelste activiteit en de rede als zijn enige leidraad.”  De naam die Rand haar denken gaf, het objectivisme, is daar een mooi voorbeeld van. Dit denken is natuurlijk net zo subjectief als alle andere denkrichtingen.  Precies het tegengestelde van het collectivistische denken waarvoor ze uit Rusland vluchtte. Daar hebben we waarschijnlijk ook meteen haar belangrijkste drijfveer gevonden. Zoals ik in mijn vorige Prikker al vertelde, wordt er gebruik gemaakt van verhullende taal. Rand werd dan ook een belangrijke figuur in de anticommunistische strijd in de Verenigde Staten en die woede hevig in de na-oorlogse jaren. Bij het verkopen van een ideologie kan een goed verhaal wonderen doen en daar zorgde Rand voor. Voor wie er een beeld bij wil hebben, lees haar roman Atlas Shrugged. Met goede argumenten betoogt Hans Achterhuis dat dit boek de utopie van het neoliberalisme is. In een prachtig verhaal wordt die ideale wereld afgezet tegen een instortende buitenwereld. In die ideale wereld heerst absolute vrijheid en wordt alles via vrije transacties geregeld. Een invloedrijk boek omdat het na de bijbel en wellicht Mao’s rode boekje, het meest verkochte boek in de wereld is. Waarbij de vergelijking met Mao mank gaat omdat daarbij geen sprake is van vrije keuze.

Daar waar Hayek wat aan de zijlijn van de het leven stond, stond Rand er midden in. Rond Rand verkeerde een groep van bijna idolate bewonderaars. Daarbij enkele personen die een zeer belangrijke rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van het neoliberale denken en de neoliberale beleidsontwikkeling. Zo behoorde de nobelprijs winnende econoom en neoliberaal Milton Friedman tot haar kringen. Friedman was, zo ongeveer vanaf zijn studietijd in de jaren dertig verbonden aan de universiteit van Chicago en was een van de ‘Chicago Boys’. Via Friedman beïnvloedde het denken van Hayek de groep rond Rand en werd zijn werk bekend. In Chicago verzamelde Friedman gelijkgestemden om zich heen en die gelijkgestemden wisten steeds invloedrijkere plekken in de Amerikaanse samenleving te bereiken. Een andere protegé van Rand was Alan Greenspan, van 1987 tot en met 2006 voorzitter van het Amerikaanse systeem van centrale banken de Federal Reserve System en daarmee in die periode op economisch gebied zo ongeveer de machtigste man van de wereld. Op hoe hij die macht gebruikte, kom ik in een volgende Prikker terug waarin ik inga op de aannames waarop het neoliberale denken is gebaseerd.

Een eerste kans om de economische zijlijn te verlaten kregen de ‘Chicago boys’ in 1973 in Chili. Toen werd de in 1970 gekozen president Allende via een militaire staatsgreep afgezet. Allende werd zeer tegen de zin van de Amerikaanse president Nixon gekozen. Dit ondanks Amerikaanse steun voor de tegenstander van Allende en zelfs pogingen om na de verkiezingen te voorkomen dat Allende zou worden beëdigd tot president. In die staatsgreep speelde de Amerikaanse CIA een belangrijke rol. Na de coup werden Friedman en zijn ‘Chicago boys’ gevraagd om de Chileense economie weer aan de praat te krijgen. Chili werd een militaire dictatuur met extreem liberaal (neoliberaal) beleid. Het eerste neoliberale experiment leek succesvol. De economie herstelde zich zeer snel en dat schreef Friedman op zijn conto en noemde dit ‘het wonder van Chili’. Maar zoals Geertje Dekkers schrijft: “De groei bleek deels een bubble en toen het tij begin jaren tachtig tegenzat, kwam het land in grote problemen. De Chileense crisis van 1982 vertoonde opmerkelijke overeenkomsten met de mondiale van 2008. Ook toen al moesten banken die te veel risico’s hadden genomen door de overheid worden gestut. Dat betekent het einde van het extreme neoliberalisme in Chili.” Alleen stond Chili toen niet meer in de belangstelling van de wereld, Dus die crisis en de oorzaken ervan, gingen bijna ongemerkt aan ons voorbij.

Friedman zag in de problemen in Chili geen aanleiding om zijn denken te veranderen. En waarom zou hij ook, niemand keek meer naar Chili en tussen 1973 en 1982 had zijn neoliberale denken enorm aan populariteit gewonnen. ‘Les Trente Glorieuses’ zoals de Franse de periode van economische voorspoed tussen 1945 en 1973 noemden, waren piepend en krakend tot stilstand gekomen. Keynes bleek toch niet de perpetuum-mobile -pil voor eeuwige economische voorspoed te hebben ontwikkeld en de zaak was vastgelopen in wat economen ‘stagflatie’ noemen. Een samentrekking van stagnatie die zich kenmerkt door stagnerende economische groei, hoge inflatie en hoge werkloosheid. Groot Brittannië was het eerste land dat hieraan ten prooi viel. Het Keynesiaanse denken, het economische denken van Keynes en zijn navolgers, leek hier geen oplossing voor te hebben. Friedman had die wel: het neoliberalisme.

Met het succes in Chili in zijn achterzak kreeg hij in de jaren zeventig steeds meer invloed en met de verkiezing in 1979 van Margaret Thatcher tot premier van Groot Brittannië had hij een flinke voet tussen de deur in het westen. Thatcher schoeide haar economische beleid op neoliberale leest en bond de strijd aan met hetzelfde collectivisme waarvoor Hayek in zijn Road to Serfdom waarschuwde. De vakbonden waren de belangrijkste collectieve macht en hadden een zeer grote en misschien wel een te grote invloed op de politiek in bedrijven en het land. Die invloed had ertoe geleid dat zeer veel bedrijfstakken genationaliseerd waren. Dat hieraan iets moest gebeuren was duidelijk en de neoliberalen boden een oplossing: privatiseren. Maar daarvoor moest eerst de macht van de collectieven en dus vooral de vakbonden worden gebroken. Thatcher toonde zich een goede leerling van Hayek en deed precies dat wat Hayek adviseerde en ging de strijd aan met de machtige vakbonden. Bonden die ervoor hadden gezorgd dat de staat eigenaar was van vele bedrijfstakken, onder andere de kolenmijnen.  Dat lukte na een lange strijd uiteindelijk in 1985 toen de macht van de sterkste vakbond, de National Union of Miners van Arthur Scargill werd gebroken. Voor wie een goed beeld wil hebben van die strijd, kijk de film Billy Elliot. Thatcher gaf trouwens de beste samenvatting van het neoliberale denken toen ze de woorden: “there’s no such thing as society’” uitsprak. Na het breken van de vakbonden kon ze beginnen met de grote privatiseringsoperatie. Spoorwegen, spoorbedrijven, busbedrijven, de post, energiebedrijven, het telefoonverkeer, alles werd geprivatiseerd door Thatcher en haar opvolgers. Het enige wat men in Groot Brittannië tot nu toe niet geprivatiseerd kreeg, is de National Heath Service, de publieke ziekenhuizen. Of die opvolgers nu tot haar Conservatives of tot Labour behoorden, de neoliberale aanpak bleef gehandhaafd. Net als de PvdA in Nederland onder Wim Kok, schudde Labour onder Tony Blair haar sociaaldemocratische veren af en hulde zich in nieuwe die hij ook ‘the Third Way’ noemde maar het was gewoon een setje ‘neoliberale veren’.

Met Thatcher kregen de neoliberalen een voet tussen de deur in de westerse democratische landen en konden ze, als goede ‘Jehova’s getuigen’ hun ‘wachttoren’ naar binnen schuiven. De deur werd volledig ingetrapt met de verkiezing van Ronald Reagan tot president van de Verenigde Staten in november 1980. Dat betekende dat de grootste economie en supermacht van de wereld de neoliberale weg op ging. Nu waren er in de Verenigde Staten minder collectieven te breken en minder zaken te privatiseren. Daarom richtte Reagan zijn pijlen op twee andere ‘collectieven’. Als eerste een binnenlands ‘collectief’ dat we overheid noemen. In zijn inaugurale rede maakte hij dat meteen duidelijk met de woorden: “government is not the solution to our problem, government is the problem.” Het tweede ‘collectief’ was de andere supermacht, de Sovjet Unie. Om het eerste collectief, de eigen overheid, aan te pakken werden de belastingen, vooral voor de topinkomens, fors verlaagd. Hierdoor had de overheid minder geld om alle taken uit te voeren. Om het tweede collectief aan te pakken, werd er flink geïnvesteerd in het leger en de ontwikkeling van nieuwe wapens. Nieuwe wapens zoals een ruimteschild om vijandelijke raketten uit de lucht te halen voordat ze de VS zouden bereiken: het Strategic Defence Initiative in de volksmond ook wel Star Wars genoemd.

Minder inkomsten en meer uitgaven, dat moest knellen en dat deed het. Daarom werd er in eigen land bezuinigd op de toch al vrij karige sociale voorzieningen maar vooral werd er geld geleend waardoor de overheidsschuld opliep en de mensen  aan de onderkant van de sociale ladder in de problemen kwamen. Volgens het neoliberale denken zou dat allemaal een tijdelijk probleem zijn omdat de lagere belasting tot meer economische activiteit zou leiden en die groeiende economie zou ondanks de lagere belasting tarieven toch meer overheidsinkomsten opleveren. Ook de achteruitgang aan de onderkant van de samenleving zou van tijdelijke aard zijn. De bovenkant zou het geld dat ze via die belastingverlaging overhielden immers uitgeven en dat zou leiden tot banen waarvan de onderkant zou profiteren, trickle down economics noemden ze dit. Alleen laat de geschiedenis zien, lees Piketty’s Kapitaal in de eenentwintigste Eeuw, dat geld het enige is waarvoor de zwaartekracht niet geldt. Als je er niets aan doet dan stroomt geld naar geld of om het termen van mijn moeder te zeggen: ‘d’n duuvel schiet altied op de groetste haup.’ Maar het gaat me nu niet over de ‘mankementen’ in het neoliberale denken, daar kom ik, zoals gezegd in een volgende Prikker op terug. Het gaat mij nu om de manier waarop het neoliberalisme dominant werd en wat we daarvan kunnen leren.

Bij dat dominant worden is er nog een gebeurtenis die we moeten noemen en dat is de val van de Berlijnse muur en de erop volgende instorting van de Sovjet Unie. De neoliberalen zagen het als een overwinning van hun denken en als het einde van de geschiedenis van de ideologische strijd omdat nu de hele wereld zou toegroeien naar de neutrale ideologievrije liberale vrijemarkt samenleving.  Dit was de strekking van het boek van Francis Fukuyama uit 1992 The End of History and the Last Man. Bij het ‘opbouwen’ van de ingestorte Oost-Europese en de Russische economie werd weer een beroep gedaan op het neoliberale denken dat inmiddels ook het beleid van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank bepaalde. Beide instituten speelden een rol in die wederopbouw. Die wederopbouw bestond eruit dat alle bedrijven werden geprivatiseerd. Geprivatiseerd door de burgers vouchers te geven die ze konden inruilen voor aandelen in bedrijven. Omdat voor het overgrote deel van de Russen de volgende maaltijd een probleem was, ‘verkochten’ ze hun vouchers aan het slimmere deel van de oude bureaucraten. Die kregen zo de bedrijven en grondstoffen voor een habbekrats in hun bezit en werden de oligarchen.

Tot zover in grote stappen de manier waarop het neoliberalisme de dominante ideologie werd. Zo dominant zelfs dat velen het niet meer als een ideologie herkenden. Terug naar de vraag die ik stelde in de eerste alinea hoe ging dat indoctrineren in zijn werk? In mijn vorige Prikker schreef ik dat het niet: “helpt (…)  om een nieuwe ‘complot God’ in het leven te roepen en de strijd aan te gaan met die God of in andere woorden ‘de elite’. Dat is als een Don Quichot strijden tegen windmolens, tegen een imaginair construct.” Als we iets kunnen leren van de neoliberale opgang, dan is het dat je beter molenaar kunt worden als je molens wilt ‘bevechten’. Dat is wat Hayek en Friedman deden in Chicago. Ze begonnen een ‘molenaarsopleiding’ en begeleidden hun ‘leerlingen’ naar interessante molens. Via de ‘molenaarsopleiding’ konden ze hun denken verspreiden en werken aan de verdere wetenschappelijke onderbouwing. Door hun netwerk te gebruiken en de leerlingen te helpen aan interessante plekken, kon de boodschap worden verspreid naar mensen op plekken die zicht hebben op macht. Als tweede, of eigenlijke eerste iets is dat je die ‘molenaars’ met een goed en positief verhaal op pad stuurt. Rand zorgde voor dat verhaal en in dat verhaal stond individuele vrijheid centraal en zeg nu zelf, wie is er tegen vrijheid? Als derde helpt het in de verkoop van je verhaal als je woorden gebruikt die op neutraliteit duiden. Woorden als ‘normaal’, ’zakelijk’, ‘praktisch’ en ‘realistisch’. Dergelijke woorden zetten je ‘tegenstrever’ op een achterstand.

“Filosofen hebben altijd geprobeerd de wereld te interpreteren, het wordt de hoogste tijd dat ze nu eens de wereld gaan veranderen,” zo hield Karl Marx zijn collega filosofen voor. De neoliberalen namen deze suggestie ter harte en ze gingen aan de slag met het veranderen van de wereld maar wel in een heel andere richting dan Marx voor ogen stond. Hierbij benutten ze hun sociaalwetenschappelijke positie als platform voor maatschappelijke actie. Maatschappelijke actie die door de wetenschappelijke pretentie een zweem van ‘waarheid’ of beter gezegd ‘zekerheid’ suggereert die juist niet eigen is aan de wetenschap. Sociaalwetenschappelijke kennis is per definitie onzeker. Onzeker omdat die kennis de houding en het gedrag van het studieobject, de mens, beïnvloedt. Onzeker omdat een wetenschappelijke theorie een hypothese is die, om met Karl Popper te spreken, om falsificatie vraagt en niet om bevestiging. Kenmerk van ideologisch gedreven wetenschappers is echter dat zij naar bevestiging van hun eigen gelijk zoeken.

Wellicht gaat er nu een belletje van herkenning rinkelen. In het huidige krachtenveld in Nederland zijn in ieder geval twee van dergelijk actiegedreven wetenschappelijke clusters te ontdekken. Als eerste een cluster rond Paul Cliteur en Afshin Ellian aan de rechtenfaculteit van de universiteit van Leiden. Een cluster dat een conservatief, nationalistische agenda nastreeft. Als tweede het ‘intersectionele cluster’ op en rond de Universiteit van Amsterdam waaraan ik deze zomer een Prikker weidde. Een cluster van gelijkgezinden dat anderen opleidt in hun ideologie. Een ideologie die met een ronkend verhaal wordt verkocht en bij dat verkopen speelt het gebruik van woorden een belangrijke rol. Opleidt om de wereld naar hun ideologie of blauwdruk vorm te geven. Aldus werkend aan een ideologische utopie is de kans groot dat we in een dystopie belanden.

Uitgelicht

Godcomplot en complot God

“De beste van alle mogelijke werelden is geen wereld waarin we zouden kunnen leven, want het begrip menselijke vrijheid veronderstelt beperkingen. Vrij handelen betekent handelen zonder voldoende kennis of macht, dat wil zeggen zonder alwetendheid of almacht.” Een passage uit het eerste hoofdstuk van het boek Het kwaad in het moderne denken van Susan Neiman. Het hoofdstuk eindigt met Karl Marx. Marx is niet geïnteresseerd in verklaringen van de wereld: “Filosofen hebben altijd geprobeerd de wereld te interpreteren, het wordt de hoogste tijd dat ze nu eens de wereld gaan veranderen.”  Aan deze passage moest ik denken na het zien van COVID-19. The System.

Glasses, Lens, Frame, Pink Glasses, Eye, Vision
Bron: Pixabay

Eerst het betoog van Neiman. Het moderne denken waar Neiman over schrijft is het denken uit de periode van de zeventiende-eeuw tot het midden van de twintigste eeuw. Zij bespreekt de deconfiture van God en zijn vervanging door de mens, of om het positief de framen, de opkomst van de mens aan de hand van verschillende filosofen die de wereld wilden verklaren aan de hand van de rol en positie van God. En daarmee komen we bij de maakbare wereld. Marx leefde in de negentiende eeuw, van 1818 tot 1883. De eeuw waarin de mens begon met het ‘veranderen van de wereld’. De negentiende eeuw was de eeuw van de industriële revolutie in Europa en het noordelijke deel van de Verenigde Staten. De mens kon steeds meer verklaren en kreeg steeds meer handvatten om de natuur te ‘temmen en naar zijn hand te zetten’. De wereld werd of leek steeds maakbaarder voor de mens. De mens had God hierdoor steeds minder nodig. Gevolg van die devaluatie van God en de revaluatie van de mens is wel dat de mens ‘ellende’ steeds minder op God kon afschuiven.

De mens kreeg zo, zo betoogt Neiman, een steeds grotere verantwoordelijkheid voor het kwaad in deze wereld. Voor de moderne tijd was er maar één soort kwaad: alle kwaad was een straf van God of de uitvoering van de wil van God. God kende het grote plan en of het nu een aardbeving of een oorlog betrof, God had er een plan mee. Erg handig zo’n ‘imaginair construct’ dat alles verklaart. Zonder God moet er een andere oorzaak voor het kwaad zijn en als zijn plaatsvervanger moest dat wel de mens worden. Met de vrijheid, om het citaat waarmee ik begon aan te halen, komt immers ook verantwoordelijkheid. Nu kun je dat bij misdaden, moorden, oorlog en alle andere zaken waar de mens handelend optreedt goed volhouden. Bij een aardbeving of een orkaan wordt dat anders. De moderne denkers splitsten het kwaad daarom in tweeën. Aan de ene kant het morele kwaad waar de menselijke hand duidelijk een rol speelt. En aan de andere kant het natuurlijke kwaad van bijvoorbeeld de aardbevingen en orkanen. Alhoewel de mens tegenwoordig, via de door uitstoot van kooldioxide veroorzaakte opwarming van de aarde, ook al een hand heeft in die laatste.

En toen werd de wereld getroffen door een coronavirus dat we COVID-19 hebben genoemd. Een virus is in de basis een natuurlijk iets. Virussen zijn al veel ouder dan de mensheid. In de basis een natuurlijk fenomeen want tegenwoordig heeft de mens de kennis en techniek om ze zelf in elkaar te fabriceren. Beide lijnen zie je dan ook terug in de zoektocht naar de oorsprong van dit virus. De verklarende natuurlijke lijn is het overspringen van het virus van een dier op de mens al dan niet via een markt voor levende en dode dieren in China. Menigeen geeft de mens, wellicht terecht, ook een rol in deze natuurlijke lijn. Die markt en iets breder, de manier waarop we ons voedsel produceren, vergroot de kans op dat overspringen. De ‘menselijke verklaring’ ziet de oorsprong, afhankelijk van wie er aan het woord is, in een Chinees of Amerikaans laboratorium. Het virus zou door ‘onvoorzichtigheid of weer anderen suggereren opzet’, uit dat Chinees laboratorium zijn ‘ontsnapt. De andere variant heeft het over een ‘geheime Amerikaanse operatie’ als bron voor de verspreiding van het virus.

Maar, hier gaat het me niet om. Het gaat mij om COVID-19. The System die mij aan de passage uit Neimans boek deed denken. COVID 19. The System is een bijna anderhalf uur durende als documentaire bedoelde film, waarin de zoektocht naar antwoorden van de Nederlandse ondernemer Nico Sloot wordt gevolgd. Sloot liep met vragen die iedereen zal herkennen. Ik in ieder geval wel want ik liep en loop er ook mee. Vragen zoals, hoe gevaarlijk is dit virus? Hoe ziet onze toekomst eruit? Staan de huidige maatregelen wel in verhouding met de risico’s van het virus? En wat voor impact heeft dit op onze maatschappij? Sloot gaat samen met anderen op zoek naar antwoorden. En gedurende die zoektocht komt er een andere vraag bij hem op: gaat dit wel om onze volksgezondheid? En de vraag stellen is hem beantwoorden. Nee, dit gaat niet om onze volksgezondheid.

Sloot heeft gelijk, de hele aanpak van de coronacrisis draait niet om de volksgezondheid. Die draait om het voorkomen van een zorginfarct. Het voorkomen dat ons zorgsysteem compleet vastdraait omdat alle cruciale onderdelen ervan, zoals de IC’s vol liggen met corona patiënten. Het virus is, zo laat het zich nu aanzien, zwaarder dan een reguliere griep, iets dodelijker en heeft voor een deel van de patiënten grotere vervolgschade dan een reguliere griep. Net als bij een gewone griep kan de menselijke afweer het in de basis aan, behalve als er sprake is van onderliggende problematiek zoals bijvoorbeeld hart- en longproblemen en diabetes.

Omdat het Nederlandse zorgsysteem de laatste dertig jaar in toenemende mate, om het in managementtermen te zeggen ‘lean and mean’ is ingericht, hebben we nu een probleem. Alle overcapaciteit is uit onze zorg gehaald omdat overcapaciteit geld kost en op geld moest worden bespaard. Overcapaciteit in ziekenhuizen, IC’s, ziekenauto’s en ook in personeel is verdwenen. Dat is goed en goedkoop in normale tijden, het blijkt echter zeer duur in tijden van crisis. Nee, niet dat de kosten van de zorg dan zoveel hoger uitvallen. Dat niet. Sterker nog, die vallen lager uit omdat allerlei andere zorg wordt uitgesteld en soms komt van uitstel afstel omdat de patiënt al wachtende is overleden. Nee, kosten als gevolg van maatregelen om te voorkomen dat het zorgsysteem overbelast raakt. Maatregelen zoals het sluiten van de horeca, het verbieden van sport en evenementen, en in het begin van bijna alle winkels. Alle geld dat er sindsdien is bespaard op de zorg, of beter gezegd bespaard op de groei van de zorg want de zorgkosten tonen een immer stijgende lijn, wordt nu in één klap teniet gedaan. Sterker nog, waarschijnlijk kosten de maatregelen een veelvoud van wat ‘lean and mean’ heeft opgeleverd. Directe kosten zoals alle maatregelen om de economie nu te stutten maar ook indirecte kosten zoals krimp van de economie en verloren levensjaren of levensgeluk.

Volgens Sloot gaat het echter om iets anders. Het gaat om geld voor de ‘rijken en machtigen’ in het algemeen en dit geval in het bijzonder om de financiële belangen van de farmaceutische industrie. Zo ongeveer de meest winstgevende, legale industrietak in de wereld. Die winstgevendheid is niets nieuws en dat daar iets aan moet veranderen ook niet. Daar schreef ik al eerder over, meest recent nog aan het begin van de coronaperiode. Sloot leidt dit af uit de massale inzet van alle landen op een ‘vaccin’ en het buiten beeld raken van mogelijk andere oplossingen. Maar ook uit het gegeven dat Feike Sijbesma de crisisinkoper was terwijl zijn broer directeur is bij een grote farmaceut.

Deze constatering wordt vervolgens onderbouwd met allerlei reeds lang bekende gegevens en gedachten. Gegevens als het ontbreken van kennis van zaken over in dit geval het medische in de politiek en bij de ministeries, aldus een van de door Sloot geïnterviewden. Het ontbreekt aan voldoende kennis om tegenspel te bieden. En daar konden ze wel eens een punt hebben. Kennis van zaken wordt schromelijk ondergewaardeerd in de ambtenarij. Kennis werd en wordt de afgelopen jaren ‘uitbesteed’ aan de markt en kennisinstituten worden in toenemende mate gepolitiseerd. Neem de casus rond het Wetenschappelijk Onderzoeks en Documentatiecentrum die Nieuwsuur blootlegde.

Gegevens zoals het feit dat geld het enige is waarvoor de zwaartekracht niet geldt, zoals ik in Resetknop schreef. Of met andere woorden, zonder tegenmaatregelen zorgt het kapitalisme ervoor dat de rijken steeds rijker en schaarser worden en de armen steeds armer en talrijker. Niets nieuws, het was dezelfde Karl Marx die de samenleving wilde veranderen, die deze wetmatigheid in 1867 voor het eerst aantoonde in zijn boek Het Kapitaal. Voor degenen die het liever van een nog levend iemand horen, lees Thomas Piketty’s boek Kapitaal in de Eenentwintigste Eeuw en als je ook alvast wat oplossingsrichtingen wil, dan is zijn Kapitaal en Ideologie aan te bevelen. Of een gegeven dat wij ‘de bevolking’ alles moeten betalen. Een waarheid als een koe, er is immers niemand anders dan de mens om zaken te betalen, dieren kennen geen geld. Wij mensen betalen alles en dat doe we of als consument waarbij de producent al zijn kosten inclusief alle belastingen die hij moet betalen en een winstopslag verwerkt in de prijs van het product of als belastingbetaler. Andere smaken zijn er niet. Wel zijn er manieren om die kosten eerlijker over de mensen te verdelen. Eerlijker zodat de stevigste schouders werkelijk de zwaarste lasten dragen.

Ook klopt het dat de grootste bedrijven machtiger zijn dan regeringen van landen. Dat er sprake is van een Globalisation Paradox zoals Dani Rodrik het noemt in zijn gelijknamige boek, is evident maar daarmee nog niet algeheel bekend. Die macht zorgt ervoor dat landen tegen elkaar worden uitgespeeld. Dit is te verhelpen door als landen samen te werken. Alleen is samenwerken tussen landen tegenwoordig aardig besmet en erg lastig. Als iedereen zijn eigen land ‘first’ zet, dan wordt het niets. En mogelijk moeten we zelfs af van ons huidige geldsysteem en naar iets nieuws, zoals een van de geïnterviewden het omschreef. Een systeem waarin geld van middel het doel is geworden. Het was een middel om de waarde van iets te berekenen en vooral om ruilen te vergemakkelijken. Het lijkt nu het doel van alle activiteiten. Dit systeem werd, willen de makers ons duidelijk maken, zo’n driehonderd jaar geleden opgezet door de vorsten en machtigen van een land om hun onderdanen ‘uit te kleden.

Ik moet zeggen COVID-19. The System zit knap in elkaar. Op een rustige wijze wordt Sloots zoektocht gereconstrueerd. Aan het woord komen mensen die goed analyseren waar de schoen op bepaalde punten wringt. Toch is er iets dat mijn haren doet rijzen bij het bekijken van de film. Dat zijn niet de bovengenoemde constateringen en gedachten. Dat is het beeld dat eruit naar voren komt. Een beeld waarbij er ergens iemand aan de knoppen zit te draaien om zoveel mogelijk geld uit de zakken van de ‘gewone mens’ te kloppen. Die ‘iemand’ heeft hierbij zo ongeveer alle politici en bestuurders van de wereld als een marionet aan de touwtjes zodat die zijn wil uitvoeren. Wie het is wordt niet duidelijk, die persoon laat zich niet zien, net zoals God niet te zien was. Een soort nieuwe God of een nieuw complot want was en is God niet ook gewoon een complot? Een nieuwe God waarvan Sloot het werk bloot legt door de wereld als een hedendaagse filosoof te interpreteren. Van Godcomplot naar een Complot God.

Maar net zoals het oude Godcomplot, een ‘imaginair construct’ is, is ook die nieuwe complot God een imaginair construct. Een imaginair construct in de vorm van een manier van denken over de samenleving die begin jaren vijftig van de vorige eeuw ontstond en die met Reagan en Thatcher dominant werd. Een manier van denken waarmee we onszelf langzaam hebben geïndoctrineerd. Net zoals we onszelf vroeger hebben geïndoctrineerd met de rol van God in de wereld. Een manier van denken die gedrag met zich meebrengt dat tot gevolg heeft dat iedereen voor zijn eigen belang gaat rennen. Alleen blijkt in de praktijk dat gedachte ‘eigen belang’ maar voor een kleine groep ook het werkelijke eigen belang te zijn. En als die kleine groep goed nadenkt, dan is dat eigen belang eigenlijk ook niet in hun eigen belang. Wat voorbeelden om dit uit te leggen. Het gros van de mensen in de VS die tegen Obamacare waren en zijn, waren en zijn juist de mensen die er het meeste profijt bij hebben. En voor Nederland: het gros van de mensen heeft belang bij het verhogen van het toptarief van de belastingen, toch stemmen ze op partijen die dat tarief liefst nog willen verlagen. En zelfs voor degenen in het hoogste tarief is het handhaven en verhogen van dat tarief eigenlijk belangrijker dan het verlagen ervan. Dit omdat het verhogen de kans op sociale rust en een prettige samenleving vergroot. In tijden van onrust lopen de rijken en machtigen immers kans hun rijkdom, macht en zelfs hun hoofd te verliezen.

Dit denken heeft een sterk utopisch karakter maar weet dat verdacht goed te verhullen door gebruik van termen als ‘zakelijk’, ‘normaal’, ‘gewoon’ en ‘realistisch’. Gevolg van dergelijk taalgebruik is dat iemand die het anders ziet, al snel als irreëel en abnormaal wordt gezien. In zijn boek De Utopie van de Vrije Markt gaat Hans Achterhuis op zoek naar dit utopisch kapitalisme dat ook wel bekend staat als het neoliberalisme. Het neoliberalisme stelt het eigenbelang van het individu centraal. Dat is het uitgangspunt van haar denken. Het gaat ervanuit dat dit eigenbelang het beste bereikt wordt op een volledig vrije markt. Neoliberalen definiëren vrijheid vooral economisch. De vrije markt vormt voor hen een voorwaarde voor individuele vrijheid. Door het vreedzame karakter van de vrije markt leidt het op wereldschaal, denken de neoliberalen, tot een wereld zonder conflicten. Dat is de bril waarmee de neoliberalen naar de wereld kijken.

Velen, Sloot lijkt daar een voorbeeld van, zijn zich er niet eens bewust van dat ze met deze neoliberale bril kijken. Dit omdat deze ideologie op een sluipende wijze bij ons binnengekomen is en, zoals gezegd, gebruik maakt van verhullend taalgebruik. In de beginperiode (jaren ‘80 van de vorige eeuw) was het een reactie op te starre maatschappelijke verhoudingen waarin het individu van ondergeschikt belang was. Deze positieve invloed op de maatschappelijke verhoudingen en de aandacht voor het individu kende ook een economische component: het individu als consument. Het vallen van de Berlijnse muur en daarmee het wegvallen van het communisme als “reëel” alternatief voor het kapitalisme, zorgde voor een flinke storm in de neoliberale rug. Vanaf het midden van de jaren ’90 is dit echter doorgeslagen maar waren de gevolgen hiervan nog niet direct zichtbaar. Na de crisis van 2008 mogen de gevolgen voor iedereen duidelijk zijn maar dat wil niet zeggen dat de oorzaken worden herkend. In plaats van te veel neoliberale marktwerking zijn er nog steeds grote groepen die menen dat de crisis juist een gevolg is van te weinig markt en teveel overheid. Het zicht van deze groepen wordt nog steeds belemmerd door de ideologische neoliberale bril.

Achterhuis geeft een sprekend voorbeeld van dat velen niet beseffen dat ze een neoliberale bril dragen als hij een discussie in De Volkskrant beschrijft tussen twee vooraanstaande liberalen. Een discussie naar aanleiding van het opzeggen van het lidmaatschap van de VVD door de Groningse filosoof en historicus Ankersmit. Ankersmit besloot hiertoe omdat de VVD met haar neoliberale politiek de klassieke liberale waarden zou verkwanselen. Daarop reageerde voormalig VVD-leider Bolkestein dat hij geen verschil zag tussen het klassieke liberalisme en het neoliberalisme. Waarop Ankersmit repliceerde dat het klassieke liberalisme een scherp onderscheid maakte tussen publiek en privaat, tussen staat en markt en dat het neoliberalisme alleen maar private belangen ziet. Het liberalisme ziet, volgens Ankersmit, de staat als de uitdrukking van de politieke wil en combineert het economische met politieke vrijheid. Ankersmit ziet dat het neoliberalisme het geloof aanhangt van de intrinsieke harmonie van alle (private) eigenbelangen op de vrije markt.

Bolkestein is niet de enige. Zijn navolger als leider van de VVD en huidige premier Rutte. Hij noemde in zijn H.J. Schoo lezing een visie een olifant die het zicht op de werkelijkheid belemmert. Hij verwart daarmee zijn neoliberale bril met de werkelijkheid. Een ander treffend voorbeeld van niet zien dat een vrije markt niet bestaat en dus het geloof in wat Achterhuis een utopie noemt, leverde de auteur Arnon Grunberg in een van zijn Voetnoten in De Volkskrant. Hij nam het op voor de taxidienst UberPop. Grunberg gaf aan dat hij vaak en graag gebruik maakt van deze dienst. Hij noemde de strijd tegen deze dienst een strijd tegen economische innovatie. Grunberg schreef hierbij het volgende: “Het geloof dat de zwakkeren erop vooruitgaan als de overheid de markt komt verstoren, is een goed voorbeeld van magisch denken.”

Het is dit denken dat het handelen van de hedendaagse mensheid bepaalt. Het is dit denken dat de farmaceuten winstgedreven maakt. Het is dit denken dat aan de basis ligt van ‘lean and mean’, het is dit denken dat de oorzaak is van de ‘braindrain’ bij de overheid. Die was immers een sta-in-de-weg of om wijlen president Reagan te citeren: “government is not the solution to our problem, government is the problem.” Waarna het werk van ambtenaren al snel als karikatuur werd weergegeven en de overheid werd afgebroken waardoor nu de benodigde kennis ontbreekt. Het is dit denken dat ervoor zorgde dat de belastingtarieven fors daalden. Zo daalde in de Verenigde Staten het toptarief voor de inkomstenbelasting van meer dan 90% naar de huidige 40,8% en in Nederland van 72% naar nog geen 50%. Het is dit denken dat grote bedrijven de mogelijkheid gaf om geen belastingen te betalen. Het is dit denken dat in Nederland al sinds het aantreden van het eerste kabinet Lubbers in 1982 dominant is. Het is dit denken dat toenmalig PvdA-leider Kok deed besluiten de ‘ideologische veren’ af te schudden waarbij hij en zijn partij zich niet realiseerden dat ze zichzelf een mooi setje neoliberale veren aanmaten.

“Filosofen hebben altijd geprobeerd de wereld te interpreteren, het wordt de hoogste tijd dat ze nu eens de wereld gaan veranderen,” zo schreef Marx en hij heeft ook nu gelijk. Het wordt hoog tijd dat we de wereld gaan veranderen. Daarbij helpt het niet om een nieuwe ‘complot God’ in het leven te roepen en de strijd aan te gaan met die God of in andere woorden ‘de elite’. Dat is als een Don Quichot strijden tegen windmolens, tegen een imaginair construct. Die verandering begint ermee dat we ons realiseren dat het dominante denken ideologisch getint is. Net zoals al het denken een zweem van ideologie heeft en dat hoeft geen probleem te zijn als maar geen van de denkrichtingen dominant is want dan gaat het fout. Dat laat het communistische experiment in de Sovjet Unie zien, dat laat het christelijke experiment zien dat uitdraaide op godsdienstoorlogen, dat laat het islamitisch experiment in het Midden-Oosten zien en dat laat ook het neoliberale experiment zien waarin wij ons sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben gestort.

Uitgelicht

Too far and not far enough

“It is going too far!” Die woorden sprak Gabriel Sterling in een toespraak. Sterling is een verkiezingsfunctionaris namens de Republikeinse partij in de Amerikaanse staat Georgia. Sterling sprak zich duidelijk geëmotioneerd uit over het bedreigen van functionarissen en hun familie die een rol spelen in het Amerikaanse verkiezingsproces. Trouwens niet alleen van functionarissen. Sterling maakt gewag van bedreigingen aan het adres van een medewerker van een leverancier van stemmachines. Hij spreekt hierbij vooral de top van de republikeinse partij en in het bijzonder president Trump aan omdat die zich niet expliciet uitspreken tegen de bedreigingen. In tegendeel, hun zwijgen en soms zelf openlijke minachting ziet Sterling als een aanmoediging of goedkeuring van dat gedrag.

Ei, Hamer, Bedreigen, Geweld, Angst, Intimideren, Hit
Bron: Pixabay

“Een systeem dat van normen en gebruiken aan elkaar hangt, is makkelijk te breken door mensen die zich sowieso nooit aan afspraken houden.” Die woorden uit een interview met de Russische Masha Gessen herhaalt Olaf Tempelman in een artikel in de Volkskrant met de kwetsbaarheid van de rechtsstaat als onderwerp. Een artikel waarin de ‘casus Verenigde Staten’ uitgebreid wordt beschreven en een enkele keer aangevuld met een Nederlands voorbeeld. Het artikel laat zien wat er gebeurt als het bijzondere normaal wordt gemaakt en het normale bijzonder. Want dat is wat er gebeurt als mensen die zich niet aan de afspraken houden door een democratisch systeem banjeren. Nee, die houden, zoals Trump, een toespraak van drie kwartier waarin ze een ‘grafiek’ tonen en beweren dat ‘alles normaal’ was in het eerste deel toen hij op winst stond en abnormaal in het tweede toen hij begon te verliezen. Alsof het omgekeerde niet ook kan of het meest waarschijnlijke, dat de hele lijn normaal is. Vijfenveertig minuten leugens en complottheorieën die kant nog wal raken. Adam Smith zou meteen van zijn geloof afvallen dat: “De meest notoire leugenaar (…)(tenminste) twintig keer de zuivere waarheid (spreekt) tegen de ene keer dat hij in alle ernst en opzettelijk liegt, en zoals bij de voorzichtigste mensen de neiging te geloven meestal de overhand heeft op twijfel en wantrouwen, zo zegeviert bij mensen die zich het minst aantrekken van de waarheid in de meeste gevallen de natuurlijke neiging om de waarheid te spreken over de neiging om anderen te bedriegen, of de waarheid in enig opzicht te veranderen of te verhullen.” Smith schreef dit in zijn standaardwerk over moraal De theorie over morele gevoelens. Hij zou, als hij nu leefde, niet alleen twijfelen aan deze passage maar aan het grootste deel van de gedachten die hij in het boek verwoordt.

Een democratische rechtsstaat is kwetsbaar voor mensen die het spel niet volgens de ‘normen en gebruiken’ spelen. Die vergeten dat in een democratische rechtsstaat de meerderheid besluit en daarbij rekening houdt met de wensen, gevoelens en standpunten van de minderheid. Dit omdat iedereen wel eens bij de minderheid hoort. Iets wat Sterling zich heel goed lijkt te realiseren. Hij behoort nu bij de minderheid en volgens de ‘normen en gebruiken’ van het spel behoor je je verlies te erkennen, de winnaar te feliciteren en mee te werken aan een overdracht van de macht aan de winnaar. Helaas lijkt hij bij de minderheid van de minderheid te behoren die er zo over denkt.

De verdediging van de ‘normen en gebruiken’ van onze democratische rechtsstaat gaat ons allemaal aan. De grootste vijand van dit, om het zo te noemen ‘porselein’ in onze ‘democratisch rechtsstatelijke kast’ is niet de ‘banjerende olifant’. Die ‘olifant’ neemt slechts de ruimte in die hem wordt geboden. De ruimte die de ‘olifant’ krijgt, bepalen wij. Die bepalen wij, de inwoners van dit land, door de lijnen die wij trekken in het verdedigen van onze ‘kast met porselein’. De belangrijkste lijn is hierin dat mensen niet tegen elkaar worden opgezet. Door mensen die, om een passage uit het artikel van Tempelman aan te halen: “tegenstanders en institutionele hindermachten (…) af (…) schilderen als vijanden van ‘het volk’, en zichzelf neer (..) zetten als de enige waarachtige behartigers van de belangen van ‘het volk,”  Een ‘vijand van het volk’ kun je immers anders behandelen. Die wordt zo ‘ontmenselijkt’.

In die ‘wij’ spelen de mensen die we als onze vertegenwoordigers hebben gekozen, een belangrijke rol. Zij moeten staan voor die ‘normen en gebruiken’ en een ieder die zich hier niet aan houdt, ook al zit die in de Kamer, buiten de orde plaatsen. Daarmee worden geen zaken gedaan, geen coalities en verbonden mee gesmeed. Naar hen wordt niet geluisterd ook al winnen ze bij een verkiezing twintig zetels. Bij dat beschermen spelen ook wij, de ‘gewone burgers’ een belangrijke rol. Een belangrijke door onszelf aan te spreken op ‘ondemocratisch denken en handelen’. Een belangrijke rol door de mensen die een belangrijke rol vervullen binnen die democratische rechtsstaat met hand en tand te verdedigen. Mensen zoals politieagenten, brandweerlieden, advocaten, ambulancemedewerkers, zorgpersoneel, journalisten en politici. Mensen die op de politici na, maar daar kom ik zo o­­p terug, om Sterling aan te halen, ‘took a job’. Onmisbare ‘jobs’ in onze huidige samenleving. Zij verdienen bescherming van ons allemaal. Mensen die fouten kunnen maken, immers waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt. Fouten die, indie­n nodig, volgens de regels van het spel moeten worden bestraft. Die fouten zijn echter geen reden om hen te bedreigen en lastig te vallen. Bedreigingen aan hun adres bedreigen onze democratische rechtsstaat. Daar moet iedereen die onze democratische rechtsstaat een warm hart toedraagt zich tegen verzetten en bij dat verzetten horen onze vertegenwoordigers in de frontlinie te staan.

Met dat uitvoeren van de besluiten, kom ik bij de politici. Zij namen geen ‘job’, maar accepteerden de verantwoordelijkheid die wij hen gaven Wij hebben hen gekozen om namens ons te besluiten. Bijvoorbeeld besluiten dat we in binnenruimten een mondkapje op moeten zetten al kun je twijfelen aan het nut. En over nut en noodzaak ervan mag het debat worden gevoerd, maar dan wel zonder onze vertegenwoordigers te bedreigen.

De verantwoordelijkheid die wij hen geven, vraagt echter ook om verantwoordelijk gedrag. Nu werd deze week bekend dat leden van het Outbreak Management Team worden bedreigd. Zij zijn de zoveelste in de rij die worden bedreigd omdat ze hun werk doen in onze democratische rechtsstaat. Hun taak is namelijk om onze bestuurders vanuit hun expertise te adviseren over hoe te handelen in de coronapandemie. Adviseren, niet besluiten. Besluiten dat doen de verantwoordelijke ministers en die worden daarbij gecontroleerd door de door ons gekozen Kamerleden. De manier waarop premier Rutte in de bres sprong voor de leden van dit team, laat zeer te wensen over. Ja, het is ‘onacceptabel’ en ook ‘verschrikkelijk’ zoals premier Rutte het noemde. En ja: “Deze mensen doen goed en belangrijk werk, en doen dat naar eer een geweten. Het kan dat mensen het oneens zijn met de adviezen, maar intimidatie en bedreigingen zullen we nooit accepteren.”  Geen woord verkeerd, maar toch onvoldoende. Want er werd iets niet gezegd en dat wat niet werd gezegd, is veel belangrijker dan dat wat wel werd gezegd. Wat er niet werd gezegd is een boodschap waaruit leiderschap en verantwoordelijkheid blijkt. Wat er niet werd gezegd is iets zoals: ‘Bedreigers, als jullie iemand de schuld willen geven en willen bedreigen, dan moeten jullie bij mij en mijn ministers zijn. Wij zijn het namelijk die besluiten welke maatregelen er worden genomen. Dat is ons verantwoordelijkheid, niet die van het OMT.’

Helaas zei onze premier dit niet en daarmee bevestigt hij hetgeen Kustaw Bessems in zijn column in de Volkskrant schrijft: “Rutte zorgt altijd dat er minstens één persoon zit tussen hemzelf en een probleem.De enige lijn in zijn handelen: zijn plaats veiligstellen in de politieke geschiedenis, waarmee hij is geobsedeerd.”  De bedreigers gaan, om Sterling aan te halen ‘too far’. Onze premier gaat helaas ‘not far enough’ en toont een schromelijk gebrek aan leiderschap.

Uitgelicht

‘Schokgolven van de actualiteit’

“Als het aan het kabinet ligt, kiezen we straks om de drie jaar de helft van de senatoren in de Eerste Kamer. De senaat is dan iedere zes jaar helemaal ververst en is zo beter bestand tegen de schokgolven van de politieke actualiteit,” zo is te lezen in het commentaar bij Trouw. Nieuwsgierig naar het probleem waarvoor dit een oplossing is, dook ik in de brief die het kabinet hierover naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Ik werd er niet vrolijk van.

Bijeenkomsten,_kernenergie,_energiebeleid,_Bestanddeelnr_932-5355.jpg (3633×2425)
De Brede maatschappelijke discussie kernenergie. Foto Nationaal Archief via WikimediaCommons

Het begon goed: “Het kabinet deelt de visie van de staatscommissie dat een waardevolle rol voor de senaat is weggelegd in met name het beschermen van de democratische rechtsstaat en de daaraan ten grondslag liggende waarden. De Eerste Kamer is kortom een institutie die past in het stelsel van checks and balances dat één van de fundamenten is van de Nederlandse staatsinrichting.”  Helaas komt, volgens het kabinet: “De potentiële meerwaarde van de Eerste Kamer voor het stelsel als geheel (…) onvoldoende uit de verf.” Om daar wat aan te doen meent het kabinet: “dat het in dit licht beter is om terug te keren naar het systeem van vóór 1983. De langere zittingsperiode van de Eerste Kamerleden, hun indirecte verkiezing en de vertraagde doorwerking van wijzigingen in de politieke krachtsverhoudingen in de Eerste Kamer passen beter bij de rol en positie van de Eerste Kamer als chambre de réflexion. Het kan dan ook niet meer voorkomen dat de Eerste Kamer (in zijn geheel) over een recenter politiek mandaat van de kiezer beschikt dan de Tweede Kamer.” Dus door eens per drie jaar de helft van de Eerste Kamer te kiezen, wordt de ‘reflectieve positie’ van de Eerste Kamer versterkt en is ze, om Trouw aan te halen, ‘beter bestand tegen de schokgolven van de politieke actualiteit’.

Het kabinet wijkt hier af van het advies van de ‘commissie Remkes’, Deze commissie had als opdracht: “de regering te adviseren over de toekomstbestendigheid van het parlementair stelsel.” In 2018 bracht zij haar advies uit met het rapport Lage drempels hoge dijken. Democratie en rechtsstaat in balans. De commissie erkent ook de reflectieve waarde van de Eerste Kamer. Die reflectie-functie is, zo schrijft de commissie, gebaat bij distantie: “ het (is) belangrijk dat ook de senatoren van coalitiepartijen niet gebonden zijn (of worden) aan het regeerakkoord. Ook zou het goed zijn als de Eerste Kamer zo veel mogelijk voorkomt dat zij al vooraf betrokken raakt bij wetgevingsprocessen. Dergelijke betrokkenheid vooraf bemoeilijkt een enigszins afstandelijke heroverweging van het uiteindelijke wetsvoorstel. Daarom moet de Eerste Kamer ook terughoudendheid betrachten met actuele beleidsdebatten met de regering.” Dit komt in gevaar als: “De politieke samenstelling van de Kamers verschilt,” want zo wordt het: “steeds moeilijker om regeringscoalities te vormen die een meerderheid hebben (en houden) in beide Kamers. De staatscommissie onderkent de problematische kanten van deze ontwikkeling.”  De commissie ziet hierin geen reden om de manier waarop de leden van de Eerste Kamer worden gekozen te veranderen. Wel adviseert zij om de Eerste Kamer het recht te geven wetsvoorstellen gewijzigd terug te zenden naar de Tweede Kamer. Nu kan de Eerste Kamer alleen instemmen of afwijzen. Een advies dat het kabinet in haar brief overneemt. Waarom word ik hier niet vrolijk van? Mijn ‘niet vrolijk zijn’ kent een inhoudelijke kant maar ook een procedurele.

Ik begin met de inhoudelijke kant, de positie van de Eerste Kamer in ons bestel. Als de reflectieve waarde van de Eerste Kamer zo belangrijk is. Als het van belang is dat de Eerste Kamer niet in de, zoals Trouw het noemt, de “schokgolven van de actualiteit’ wordt gezogen. Zou het recht om wetsvoorstellen gewijzigd terug te zenden dan daarbij helpen? Als er iets is dat de Eerste Kamer in die ‘schokgolven’ laat komen, dan is het wel dit voorstel. Want wordt de Eerste Kamer daarmee niet juist in ‘actuele beleidsdebatten’ met de regering gezogen? In ons bestel initieert de regering immers de overgrote meerderheid van alle voorstellen van wet. Ja, het is de Tweede Kamer die over die teruggezonden gewijzigde wet, moet stemmen. Alleen kan de Tweede Kamer het voorstel vervolgens ook weer wijzigen en zo ontstaat er een debat tussen de kamers. Worden die ‘schokgolven’ zo niet al snel een ‘orkaan van actualiteit’?

Kan het in twee keer door Provinciale Staten laten kiezen van de Kamer daarbij helpen? Eens in de drie jaar de helft kiezen, kan er nog steeds voor zorgen dat de politieke samenstelling van beide kamers verschilt. Ook voorkomt het niet dat er momenten zijn dat de volledige samenstelling van de Eerste Kamer wordt gekozen door leden van Provinciale Staten die zijn verkozen tijdens dezelfde verkiezingen. Toch grijpt het kabinet terug op de manier waarop we vóór 1983 de Eerste Kamer kozen omdat het dan: “niet meer (kan) voorkomen dat de Eerste Kamer (in zijn geheel) over een recenter politiek mandaat van de kiezer beschikt dan de Tweede Kamer.”  Als reflectie het belangrijke kenmerk is, als het van belang is dat de leden van de Eerste Kamer niet gebonden zijn aan een regeerakkoord en als de Eerste Kamer ‘gedepolitiseerd’ moet worden, waarbij we politiek waarschijnlijk als partijpolitiek en dus smal moeten zien omdat in de basis alle menselijke activiteit politiek is, waarom dan niet gezocht naar een manier leden van die Kamer te vinden? Waarom de leden niet aanwijzen via loting?

De commissie Remkens rept daar kort over en serveert die mogelijkheid af: “In theorie kan via een loting een betere afspiegeling van de bevolking worden gerealiseerd dan via verkiezingen. Daar zou dan wel een veel grotere senaat voor nodig zijn. Bovendien is het de vraag hoe voorkomen moet worden dat via zelfselectie toch weer een niet-representatieve groep ontstaat. Sommige burgers staan nu eenmaal meer te popelen om Kamerlid te worden dan andere. Dit effect uitschakelen door alle ingelote burgers te dwingen lid te worden van het parlement is niet acceptabel omdat dit een onaanvaardbare inbreuk is op de vrijheid van burgers. Het is ook geen oplossing om te blijven loten tot er een representatieve groep is ontstaan, want dan zou van tevoren al bekend moeten zijn hoe een volledig representatieve groep eruit zou zien.”  Een analyse met een kern van waarheid. Zo’n analyse kun je echter ook ophangen met betrekking tot verkiezingen. Immers als er bij loting voor ‘echte representatie’ meer leden nodig zijn, dan kun de vraag stellen hoe afspiegelend of representatief 75 gekozen leden zijn. Daar gaat het mij nu even niet om. De vraag die de commissie niet stelt, is of het voor de reflectiefunctie nodig is dat de Eerste Kamer ‘representatief’ is. Daarvoor is het van belang om de reflectieve functie goed te definiëren. In mijn ogen richt die reflectie zich op drie aspecten. Als eerste op de doelmatigheid van een wetsvoorstel. Hierbij moet de vraag worden beantwoord of het wetsvoorstel in voldoende mate het doel dat ermee wordt beoogd, bereikt. Als tweede de rechtmatigheid. Hier moet de vraag worden beantwoord of de beperkingen die het wetsvoorstel oplegt, passen binnen het Nederlandse rechtsbestel. Hierbij moet, wat mij betreft, ook de nu ontbrekende toetsing aan de Grondwet worden meegenomen. Als laatste moet een wetsvoorstel worden getoetst op de uitvoerbaarheid ervan. Met andere woorden het toetsen van de kwaliteit van het wetsvoorstel en niet het nut of de noodzaak ervan. Dat is het domein van de Tweede Kamer.

Als de Eerste Kamer een dergelijke functie heeft, hoe noodzakelijk is dan de representativiteit ervan? Een dergelijke invulling wordt niet geraakt door de ‘schokgolven van de actualiteit’? Afkeuring van een wetsvoorstel zegt immers niets over de doelstelling noch over nut en noodzaak van het wetsvoorstel. Met een dergelijke functie zou de Eerste Kamer best geloot kunnen worden en uit niet meer dan de huidige vijfenzeventig leden kunnen bestaan. Zeker als zij bij haar werk kan rekenen op een gedegen ambtelijke ondersteuning en de plicht om ten minste bij drie verschillende onafhankelijke instanties advies op te vragen. Instanties zoals de Raad van Staten.  

Dan het procedurele deel van mijn ‘niet vrolijk’ zijn. Die spitst zich toe op twee zaken die in elkaars verlengde liggen. Dat begon al met het instellen van de ‘commissie Remkes’. De beide Kamers vroegen de minister-president een dergelijke commissie in te stellen via een brief aan de minister-president. Dat is gebeurd en de commissie leverde haar rapport op aan het kabinet, dat was immers de opdrachtgever. Het kabinet stuurde vervolgens het rapport met een brief met haar ideeën en voorstellen over de vormgeving van onze democratische vertegenwoordiging naar de Tweede Kamer. Zou het niet meer aan de Kamer zelf zijn om hierover na te denken? Had de Kamer dit niet zelf moeten onderzoeken? En dan kom ik bij het tweede procedurele punt. Zou de volksvertegenwoordiging hier niet zelf een soort brede maatschappelijke discussie over moeten voeren? Een brede discussie met het Nederlandse volk? Want is het uiteindelijk niet aan het volk om te bepalen hoe het zich wil laten vertegenwoordigen? Een brede maatschappelijke discussie die uiteindelijk zou kunnen leiden tot een grondwetgevende vergadering. Een vergadering met als doel en mandaat om onze Grondwet en de inrichting van ons vertegenwoordigende stelsel opnieuw vorm te geven op basis van de uitkomsten van die brede maatschappelijke discussie? Het resultaat van dit werk kan vervolgens weer per referendum aan het totale volk worden voorgelegd.

Uitgelicht

Homerun

In The loudest Voice de serie over het leven van Roger Ailes de oprichter van Fox News, sprak een van zijn medewerkers over een homerun. De rol van Ailes wordt gespeeld door ‘gladiator’ Russell Crowe. Al zul je qua fysiek weinig gelijkenis zien tussen Crowe als generaal Maximus Decimus Meridius en Crowe als Ailes. Een homerun, de sensatie voor iedere slagman of -vrouw in het honk- en softbal.

Honkbal, Derde Honk, Spelen Op Derde, Duiken In Derde
Bron: pixabay

Uw ballonnendoorprikker wacht als softbalrecreant bij de Venlose Mustangs nog altijd op die sensatie. In mijn geval betekent dat ‘wachten tot ik een ons weeg’, zoals mijn moeder het zou zeggen. Ondanks alle pogingen van mijn teamgenoot Eric om mijn slagtechniek te verbeteren, zal dat er niet inzitten. Als ik de bal goed raak dan gaat hij best ver, maar nooit zo ver dat ik hem over ‘de hekken’ sla. En omdat mijn verre ballen meestal een flinke boog kennen, zijn ze in het buitenveld makkelijk te vangen. Dat weet ik dan weer vanuit mijn ervaring in het buitenveld. In tegenstelling tot sommige anderen, probeer ik het dan ook maar niet meer en probeer ik de bal strak te slaan in een gat tussen het binnen- en het buitenveld. Dat is meestal voldoende om het eerste honk te halen en dat is het begin tot een punt. De medewerker van Ailes had het echter niet over een homerun bij het honkbal. Hij gebruikte homerun als metafoor.

Voordat ik begin aan die andere homerun eerst even iets over Ailes. Ailes richtte midden jaren negentig met steun van de Australische mediatycoon Rupert Murdoch, Fox News op. Nu doet het woord News vermoeden dat het om een nieuwszender gaat, maar dat is niet wat Ailes voorstond. Ailes richtte een propagandakanaal op voor een rechts conservatieve boodschap. De serie laat zien dat hierbij de journalistiek en de feiten hooguit bijzaak zijn. Hooguit want vaak waren ze zelfs volledig afwezig. En in zo’n laatste geval komt de metafoor homerun ter sprake.

Ailes zag Obama als een ramp voor de Verenigde Staten en begon een oorlog tegen Obama en zijn regering. In die strijd richtte Ailes zijn aandacht op een door de regering gesubsidieerde instelling die voor hem een doorn in het oog was. Hoe verwijder je die ‘doorn’? Dan start je een lobby en probeer je de regering er met argumenten van te overtuigen dat de wereld erbij gebaat zou zijn als die ‘doorn’ wordt verwijderd. In dit geval dat de regering de subsidie stopzet.

Ailes deed het op een andere manier. Hij verklaarde de oorlog aan Obama en startte de strijd met het verspreiden van lasterlijke bericht over de organisatie die kant nog wal raakten. Geheel naar de uitspraak van de oud Griekse schrijver Aischylos: “In een oorlog sneuvelt de waarheid als eerste.” Die berichten werden opgepikt door conservatieve activisten op het internet. Die zorgden voor zoveel beroering en aandacht, dat serieuze media er aandacht aan gingen besteden. Dit leidde er vervolgens toe dat de regering onder druk van al die media de subsidie aan de organisatie stopte. Een ‘homerun’ volgens de medewerker. Door de inspanningen van Ailes en de zijnen werd het eerste honk bereikt. De internetactivisten zorgden ervoor dat het tweede honk werd bereikt waarna de serieuze media ervoor zorgden dat het derde honk werd bereikt. Toen de regering de subsidie stopte werd de thuisplaat bereikt: de ‘doorn in het oog’ was verwijderd.

Nu is Ailes niet de eerste die de kracht van de leugen gebruikte. De communicator van het ‘Dritte Reich’, Joseph Goebbels wist op dit gebied ook van wanten en ging nog een stapje verder dan Aischylos: ‘Wanneer je een grote leugen vertelt en deze vaak genoeg herhaalt, dan zullen de mensen hem uiteindelijk geloven.’ Ailes blijkt een goed leerling. Een leerling die middelen zoals de ‘online fabeltjesfuik’ zoals, Arjen Lubach het noem, ter beschikking heeft waar Goebbels alleen maar van kon dromen. 

De manier waarop Ailes opereert lijkt verdacht veel op de manier waarop de president Trump het Amerikaanse verkiezingsproces verdacht probeert te maken. Hij staat ‘aan slag’ en slaat een leugen ‘fraude met poststemmen’ het veld in. De leugen wordt opgepikt door zijn volgers op internet en door het Fox News van de inmiddels overleden Ailes. Vervolgens wordt de verdachtmaking voorgezet middels allerlei rechtszaken waarmee het ‘derde honk’ wordt bereikt waarna, zo was en is zijn bedoeling, zijn republikeinse vrienden in cruciale staten de verkiezingen ‘ongeldig’ verklaren en zelf de kiesmannen aanwijzen. Nu is dit niet vreemd omdat, als we de serie mogen geloven, Ailes achter Trumps kandidatuur voor het presidentschap en de slogan Make America Great Again zit.

Een bijzondere metafoor waaraan ik moest denken bij het lezen van een artikel in de Volkskrant met als titel Hoe de aandacht voor kindermisbruik verknoopt raakte met complottheorieën. Een artikel waarin enkele ‘influencers’ aan het woord komen: “Er is iets gaande. Ik denk niet dat het gaat om vrijheid of gezondheid. Het gaat om controle.” Woorden die wijzen op een ‘complot’ van de ‘elite’ die ‘het gewone volk’ eronder wil houden. Het wordt nog erger, want ze hebben ‘ontdekt’ dat er ook nog iets is met kindermisbruik waarbij de ‘politieke elite kinderen seksueel zou misbruiken in satanische rituelen’. Je zou denken dat vier jaar nadat er een Amerikaan met een wapen in de hand een pizzarestaurant in Washington DC kinderen uit de kelders wilden bevrijden terwijl het pand geen kelder had, deze hoax verleden tijd zou zijn. Niets is echter minder waar. De hoax verspreidt zich via het internet over de wereld. En nu besteedt een serieuze krant als de Volkskrant ook nog bijna een complete pagina aan mensen die in dergelijke complotten geloven. Complotten die het wantrouwen in de overheid aantasten. De serieuze media besteden aandacht aan de ‘leugenloper’. En de homerun ligt binnen handbereik omdat, zo is in het artikel te lezen: “half oktober een motie van de SP, GroenLinks en PvdA om onderzoek te doen naar ‘de aard en omvang van georganiseerd sadistisch misbruik van kinderen’, door de gehele Tweede Kamer aangenomen.” De weg naar de thuisplaat is ingezet en alleen de catcher kan een homerun voorkomen. En iedere honk- en softballer weet dat de catcher de laatste verdediger is. Wordt de bal gemist, valt de bal, wordt de loper te laat getikt of komt de bal te laat, dan is het punt binnen.

Dat de Kamer een motie met die strekking aanneemt, is te begrijpen. Immers als je tegenstemt laad je de verdenking op je dat het ‘sadistisch misbruik van kinderen’ je niet aan het hart gaat of zelfs erger. Het probleem ligt ervoor, de motie had nooit ingediend moeten worden. Dat wil niet zeggen dat politie en justitie geen onderzoek moeten doen naar kindermisbruik. In tegendeel, daarvoor zijn zij mede op aarde. Maar daar moeten we het ook bij laten. Dergelijke moties bevestigen de wanen van mensen. De Kamer, tenminste het gros van haar leden, zal deze motie steunen in de verwachting dat het onderzoek het verhaal van ‘politieke satanisch kindermisbruikende elite’ zal ontkrachten. Alleen is de schade al aangericht. De motie bevestigt de ‘complotdenkers’ in hun denken en de uitkomst van het onderzoek zal dat ook doen. Het onderzoek zal niets opleveren maar, zo zullen de complotdenkers redeneren, wat wil je, als ‘de slager zijn eigen vlees keurt’? Immers, aldus de wijsheid van Goebbels, als de leugen maar genoeg wordt herhaald, dan wordt ze vanzelf waar.

Nu zijn journalisten sinds Pim Fortuyn bang dat ze iets missen wat leeft onder het volk en komt ‘het gewone volk’ geregeld aan het woord in kranten en tv-programma’s. ‘Wanen en complotten’ onder ‘het volk’ kunnen we echter missen als kiespijn. Het verschil tussen een prettige open samenleving en barbarij is dat in de eerste, waarheden zijn gebaseerd op feiten. In de tweede, doen feiten er niet toe en is waarheid relatief. Journalisten vervullen een belangrijke rol in de ‘bewaking’ van die prettige open samenleving. Om in honkbal termen te spreken, ze vervullen de cruciale positie van korte stop. Een alerte speler met als belangrijke taak om de bal snel te verwerken, naar de juiste plek te werpen en indien nodig het tweede of derde honk over te nemen om de loper uit te maken. Zouden journalisten zoals Emma Curvers en Hessel van Piekartz niet beter na moeten denken en tot tien moeten tellen alvorens aandacht te besteden aan de wanen van deze ‘influencers’?

Zouden ze niet beter de werkelijke problemen waarmee ‘het volk’ worstelt onder de aandacht kunnen brengen en die met mogelijke oplossingen van het tweede naar het derde honk begeleiden? Problemen zoals betaalbare huisvesting door een pleidooi te houden voor het ‘nationaliseren van woningcorporaties’ en vervolgens flink te investeren in betaalbare huurwoningen. Problemen zoals de inkomensonzekerheid door bijvoorbeeld het idee van een basisinkomen of liever nog een basisgift te onderzoeken op voor- en nadelen. Met andere woorden in plaats van in de waan van de dag mee te gaan in de wanen van een klein deel van het volk, aandacht besteden aan de werkelijke noden van ‘het volk’? Of om in honkbaltermen af te sluiten: door zelf een (positieve) homerun te slaan in plaats van mee te gaan in een negatieve van mensen als Ailes?

Uitgelicht

‘De bedoeling van het kapitalisme’

Volgend jaar in maart zijn er weer verkiezingen voor de Tweede Kamer. Alle partijen bereiden zich hierop voor. Bij die voorbereidingen hoort ook het schrijven van een verkiezingsprogramma. De ene partij , zoals de PVV van Wilders in 2017, doet dat met een A-viertje met wat losse kreten, de andere stelt een boekwerk samen. De VVD behoort tot de laatste groep. Het nieuwe verkiezingsprogramma is net geen honderd pagina’s dik. Voor een Ballonnendoorprikker zijn die programma’s een feest. Een feest omdat ze aanknopingspunten bieden om wat spelden in een ballon te prikken.

Bron: WikimediaCommons

Ik hoefde niet veel te lezen om een aanleiding te vinden. Sterker nog, de eerste zin vraagt al om wat spelden. “Het ging weer goed met Nederland.” Met die woorden begint het boekwerk om te vervolgen met: “Na een zware financiële crisis vonden steeds meer mensen een baan, stegen de lonen en daalden de belastingen. Op allerlei internationale lijstjes van waar mensen het meest welvarend, gelukkig, gezond en vrij waren stond Nederland in de top.” Nu meen ik me toch te herinneren dat er in geen tijden meer zoveel is geprotesteerd en gedemonstreerd als in 2019. Het klimaat baarde zorgen en leidde tot protesten om maatregelen te nemen. De voorgestelde maatregelen leidden weer tot protesten en boosheid bij boeren en bouwers. De leraren, de verpleegkundigen en de politieagenten klaagden over de vervallen staat van de publieke zaak. De affaire rond de kinderopvangtoeslag werd in volle omvang duidelijk en leidde tot een onderzoek naar alle uitvoerende diensten. Omdat er ook ‘affaires’ waren bij de Sociale Verzekeringsbank en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Je zou zomaar kunnen beweren dat het juist niet goed ging. Maar deze laat ik voor nu even passeren.

Ik wil het nu hebben over een zin bovenaan op de zevende pagina onder het kopje Hoe blijven we rechtvaardig? Daar is het volgende te lezen: “De overheid zal de rafelranden van het kapitalisme actief bij moeten schaven om ervoor te zorgen dat onze liberale markteconomie werkt zoals het kapitalisme bedoeld is.” Nu zul je je afvragen wat er zo bijzonder is aan deze zin. Wellicht ben je zelfs blij dat de VVD eindelijk erkent dat er geschaafd moet worden aan de, zoals de partij het noemt, ‘rafelranden van het kapitalisme.’ En ja, het doet ook mij deugd dat de VVD dat erkent. Toch is er iets met die zin. De reden waarom er, volgens de VVD geschaafd moet worden is, dat ‘onze liberale markteconomie’ moet werken ‘zoals het kapitalisme bedoeld is’.

Een bijzonder woord, de bedoeling. Theo Maassen besteedt er een paar minuten aan in zijn voorstelling Functioneel naakt. Wat is de bedoeling van iets? Meestal bepaalt degene die iets uitvind de bedoeling ervan. Zo beoogt de Ballonnendoorprikker, en beogen is een ander woord voor bedoelen: “kromme redeneringen en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak te stellen, door te prikken en de lezer aan het denken te zetten.”  Dat een uitvinder een bedoeling heeft met iets, is echter geen garantie dat de uitvinding ook ‘als bedoeld’ wordt gebruikt. Neem John Smith Pemberton. Wie? Zul je zeggen. Zelfs als deze naam je niets zegt, dan nog ken je zijn uitvinding. Pemberton is namelijk de geestelijk vader van coca cola de meest bekende frisdrank van de wereld. Hij vond het drankje echter niet uit als frisdrank. Pemberton was op zoek naar een pijnstiller, een geneesmiddel. Hij was gewond geraakt in de Amerikaanse burgeroorlog en door die wond verslaafd aan morfine. Hij zocht naar een ander middel dan het verslavende morfine en dat werd coca cola. Coca cola is niet het enige product dat anders wordt gebruikt dan de uitvinder het bedoelde. De uitvinders van viagra waren op zoek naar een middel tegen angina pectoris ook wel hartkrampen genoemd.

Terug naar het kapitalisme en de vermeende bedoeling ervan. De uitspraak in het VVD verkiezingsprogramma is bijzonder. Bijzonder omdat het kapitalisme kennelijk een bedoeling heeft. Dat er ooit iemand is geweest die het ‘kapitalisme’ uitvond en erbij zei: ‘en dit is de bedoeling ervan’. Nu kun je zoeken tot je een ons weegt, een ‘uitvinder’ van het kapitalisme zul je niet vinden. Wat je wel vindt, zijn mensen die over kapitalisme schreven. Mensen die de situatie in hun tijd beschreven en die dat wat ze zagen de naam ‘kapitalisme’ gaven. Die mensen schreven over wat wij nu ‘economie’ noemen en wat de Van Dale omschrijft als: “het geheel van de financiële voorzieningen, de handel en industrie van een land.” Ze schreven over iets wat ze zagen, gaven het een naam en kenden er een ‘bedoeling’ aan toe. En nog steeds zijn er mensen die dit doen. Alleen komen de ‘bedoelingen’ die ze eraan geven niet altijd overeen.  Zo ziet de ‘vader van de economie’ Adam Smith, een heel andere bedoeling dan Karl Marx. Hun ‘bedoeling’ is afhankelijk van hun kijk op de samenleving. Of om het anders te zeggen: de bedoeling die zij het kapitalisme geven, is afhankelijk van de bedoeling die zij met hun werk hebben.

Bedoelingen met iets heb je voordat je aan iets begint. Waarschijnlijk bedoelt de VVD dat de ‘liberale markt economie’ moet werken zoals zij vinden dat het ‘kapitalisme het bedoeld heeft’? Bijzonder is dan wel dat de VVD sinds 1977 bijna onafgebroken heeft gewerkt aan ‘kapitalisme zoals het niet was bedoeld’. Sinds dat jaar heeft de VVD, afgezien van een korte periode 1981-1982 en een iets langere periode tussen 2007 en 2010, permanent geregeerd. Trouwens vanaf 1945 tot 1977 zat de VVD meer dan de helft van de tijd in de regering. Heeft de partij al die tijd gewerkt aan iets wat niet de bedoeling was?

Uitgelicht

Goden, profeten, heiligen en mensen

Het zal jullie niet ontgaan zijn dat er een petitie is gehouden om het beledigen van profeten strafbaar te stellen. Die petitie is meer dan 120.000 keer ondertekend en speelde een belangrijke rol in een volledig ontspoort Kamerdebat over de vrijheid van meningsuiting. Dat Kamerdebat ging over van alles, behalve over de inhoud van de petitie. Over de commotie wil ik het niet hebben. Ook niet over het grondwettelijke: “recht verzoekschriften bij het bevoegd gezag in te dienen,” zoals artikel 5 van de Grondwet het omschrijft. Ik wil het over de inhoud hebben.

Psychics, Crystal Ball, Waarzegster, New Age, Rondje
Bron: Pixabay

Het recht om een verzoek in te dienen heeft iedereen, dus ook een oproep aan de overheid om: “het beledigen van de profeet (zelfs alle profeten) strafbaar te stellen.” Dit omdat het, volgens de opstellers en ondertekenaars van de petitie: “een tekort aan fatsoen (is) en leidt ook nog eens tot maatschappelijke spanningen alsook het structureel beledigen van moslims.” Het fatsoen en het beledigen van mensen in het algemeen, laat ik passeren. Het gaat mij puur om het verzoek om het: “beledigen van de profeet (zelfs alle profeten) strafbaar te stellen.”

Een discussie over het strafbaar stellen van beledigen van de profeet moet gaan over de vraag wat we strafbaar stellen als de petitie in een wet wordt vertaald. Wat mag dan niet meer? In dit geval dus het beledigen van ‘de profeet (zelfs alle profeten). Voordat we een antwoord geven op die vraag, moet eerst duidelijk zijn wie of wat een profeet is. Aangezien we in Nederland wonen en leven, is het eerste boek dat we hiervoor moeten raadplegen, het woordenboek. De Van Dale geeft twee betekenissen. Als eerste: “een door God geïnspireerd heilig man.” Nu lopen er veel door welke god dan ook geïnspireerde mensen rond. Het lijkt mij niet dat we alle aanbidders van welke god dan ook niet meer mogen beledigen.

Het kernwoord in deze betekenis is ‘heilig’. Daarom maar weer de Van Dale geraadpleegd. Vier betekenissen. Het wordt er daarmee niet makkelijker op. Dat is niet erg want als de geschiedenis ons iets leert dan is het dat we mensen met ‘simpele oplossingen’ moeten wantrouwen. De eerste betekenis van heilig is: “zonder zonde; rein, volmaakt.” Wie is er zonder zonde? Niemand als ik de twee gereformeerde docenten mag geloven waarover ik in mijn vorige Prikker schreef want iedereen is: “op de één of andere manier van Gods doel afgeweken.” Immers wat gods doel is, wordt door de aanhangers ervan zelden tot nooit eenduidig uitgelegd. Daarom kennen de grote godsdiensten ook zoveel verschillende stromingen.

Wellicht biedt de tweede betekenis van heilig aanknopingspunten: “eerbiedwaardig, verheven.” Nu zijn er zeer veel mensen die op een of andere manier boven anderen uitsteken. Zo steekt Usain Bolt boven iedereen uit omdat hij de snelste mens over honderd meter is. Alleen weten we dat niet zeker, want vroegere hardlopers, liepen niet onder dezelfde omstandigheden en met dezelfde materialen als Bolt. Bovendien konden we het gros van het menselijk bestaan op aarde de tijd niet meten en zeker niet zo nauwkeurig als tegenwoordig. Dus we weten niet zeker dat er niet ergens iemand heeft geleefd die sneller was dan Bolt. Napoleon stak boven alle andere veldheren uit. Tenminste in zijn tijd. Hoe hij het zou hebben gedaan tegen Dzjengis Khan, Caesar of Alexander de Grote zullen we nooit weten. Verheven zijn is daarmee arbitrair. Net zoals trouwens ‘eerbiedwaardig’. Want over wie eerbied waard is, kunnen we enorm van mening verschillen.

De derde betekenis van heilig is “heilig verklaard”.  Met daarbij “rooms-katholiek” en als toelichting: “als paus een uitspraak doen waardoor iemand in het vervolg als heilig wordt vereerd.” Als we deze verklaring volgen dan bepaalt de paus in Rome wie er heilig is en dus wie we niet mogen beledigen. Nu heeft de katholieke kerk een verleden waarin mensen die in iets anders geloofden, werden vervolgd en gedood. Daarmee zou ik het laten bepalen wie mag worden beledigd niet graag bij de paus laten.

Als laatste geeft de Van Dale: “onkreukbaar, onverbreekbaar,” als betekenis van heilig. Onze wereld kent veel rechtschapen en integere mensen, want dat is wat onkreukbaar betekent. Al zullen ook die allemaal wel eens een moment van zwakte hebben en, zoals de beide gereformeerde docenten uit mijn vorige Prikker het schreven, ‘van gods doel afwijken.’

Daarmee zijn de betekenissen van ‘heilig’ uitgeput en zijn we nog geen stap dichter bij het bepalen van wie een profeet is. Niet dichterbij omdat iedereen en niemand profeet kan zijn. Wellicht biedt de tweede betekenis van profeet betere aanknopingspunten: “iemand die de toekomst voorspeld.” Ah, Nostradamus en Karl Marx zijn profeten. De een voorspelt met zijn kwatrijnen, als je zijn aanhangers moet geloven, de toekomst. De andere ‘ontdekte’ de wetmatigheid in de geschiedenis die ons zal leiden naar een paradijs op aarde. Maar hoe zit het dan met economen en andere sociale wetenschappers die met hun modellen de toekomst voorspellen? En nog een stapje verder: de ‘glazenbollen voorspellers’ op kermissen en in de nachtelijke tv-uren?

Ook met de tweede betekenis van ‘profeet’ komen we niet verder. Die betekenis maakt het er ook niet makkelijker op om te bepalen welke profeten dan tegen belediging moeten worden beschermd door een wet. Als het niet lukt in het algemene, dan maar het bijzondere? De indieners van de petitie hebben één profeet in het bijzonder op het oog, ze spreken immers niet voor niets van ‘de profeet’. Nu is het vreemd om alleen die profeet te vrijwaren van beledigingen en niet profeten van andere religies. Dus iedere religie mag één profeet aandragen? Dat wordt dan een heel lange lijst. Want wie bepaalt wat een religie is en wie mag vervolgens bepalen wie die ene profeet is die namens die religie op de lijst moet? Bovendien word je te pas en te onpas toegeroepen dat je in jezelf moet geloven. Ik zal mezelf er dan ook maar meteen voor aanmelden. Als ‘diep gelovige in mezelf’, zie ik mezelf als een ‘belangrijk profeet’ voor mezelf. Nee, mezelf aanmelden lijkt mij geen goed idee. Ik ga mezelf niet ‘heilig’ verklaren.

In het verlengde daarvan wordt het onmogelijk om een wet aan te nemen die ‘profeten’ beschermt tegen belediging. Immers over tot de ‘profeten’ gerekend moeten worden, kun je hele (vooral heilige, al kan ik dat woord slecht plaatsen in dit kader) oorlogen voeren. Ik weet niet of we daarbij gebaat zijn. Ik vraag me trouwens af waarom fervente aanhangers van welk ‘almachtig opperwezen’ met bijbehorende profeten dan ook, bescherming zoeken bij de wetgever? Als dat opperwezen werkelijk almachtig is, zou dat dan niet voor de eigen belangen kunnen opkomen? Zou dat opperwezen bescherming nodig hebben van de aardse wetgevers en van aardse ‘rechtvaardigheidsridders’ die in naam van dat ‘opperwezen’ straffen? Sterker nog, als er werkelijk zo’n ‘almachtig opperwezen is’ zou dat dan niet ook de ‘beledigers’ die niet geloven aan een touwtje hebben? Zouden de ‘beledigende niet gelovigen’ geen middel kunnen van het almachtige opperwezen? Een middel om de kracht en het geloof van de gelovigen te testen. Om te testen of ze de barmhartige uitgangspunten van het geloof ook toepassen op ongelovigen?

Uitgelicht

God en vrijheid

 Ja. Dat is het korte en simpele antwoord op de vraag die G. van Veldhuizen en A. Heemskerk aan het eind van hun artikel in Trouw stellen. De auteurs zijn docenten in het voortgezet onderwijs en werken op een school met een reformatorische grondslag. De vraag waarop ja het antwoord is, luidt: “Als wij God en Zijn Waarheid maar mogen houden.” Jullie mogen ‘God en zijn Waarheid’ houden. Net zoals iedere andere persoon het recht op een eigen god met bijbehorende waarheid, of alleen een eigen waarheid mag hebben en houden. Ik vraag me af of de beide auteurs vinden dat mensen ook zonder god hun waarheid mogen hebben. Het lijkt erop alsof zij god boven de wet plaatsen. En vervolgens de wet vanuit hun god uitleggen.

God, De Heer, Oorlog, Harmonie, Verschijning
Bron: Pixabay

Ze schrijven: “Godsdienst is God dienen. Hem op de eerste plaats zetten.” Tot zo ver niets bijzonders. Iemand zonder god hoeft god niet op de eerste plaats te zetten. Dat wordt het als ze hun betoog vervolgen en van het individuele naar het algemene gaan: “Het spreken over ‘vrijheid van godsdienst’ kan alleen binnen die context.” Beweren de beide auteurs dat spreken over godsdienstvrijheid alleen kan door god te dienen en hem op de eerste plaats te zetten? Betekent dit dat iemand die geen god aanhangt geen godsdienstvrijheid heeft? Dat is wel een heel bijzondere uitleg van godsdienstvrijheid.

Nu is het eigen aan gelovigen dat ze de wet van hun god het allerbelangrijkste vinden: die moeten ze volgen. In een land waar iedereen dezelfde god aanhangt en dat ‘aanhangen’ ook op eenzelfde manier doet, kan ‘godswet’ ook de ‘landswet’ zijn. Dat wordt alleen heel erg lastig in een land als Nederland waar mensen wonen die verschillende goden aanhangen en een heel grote groep zelfs geen god aanhangt. Trouwens niet alleen worden er verschillen goden aangehangen. Ook de aanhangers van eenzelfde god, hangen die op verschillende manieren aan. Als in zo’n land ieder de regels van zijn eigen god volgt, dan wordt het een puinhoop.

Onze grondwet bepaalt in artikel 6 in het eerste lid de godsdienstvrijheid: “Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” En in tegenstelling tot de dienst aan god, bepaalt dit artikel de context van de godsdienstvrijheid. Het artikel bepaalt dat iedereen zijn eigen god mag dienen maar dan wel binnen de door de overheid gestelde wetten. God, en vooral zijn aanhangers in dit land, hebben zich aan de wet te houden. Of zoals het in de toelichting op dit artikel staat: Het artikel staat toe dat de wetgever bepaalde ontoelaatbare gedragingen, ook indien die een uiting zijn van godsdienstig of levensbeschouwelijk belijden, strafbaar stelt.” Wat ontoelaatbare gedragingen zijn, bepaalt de wetgever, niet god of zijn vertegenwoordigers op deze aardkloot. Haat zaaiende en tot geweld oproepende dominees, pastoors, rabbijnen en imams kunnen worden aangepakt en kunnen zich niet verschuilen achter hun god.

“Als wij vrijheid van godsdienst hebben, mogen individuele ouders kiezen voor een school waar hun overtuiging vrij uitgedragen wordt. Nederland is geen dictatuur van de meerderheid.” Zo vervolgen ze hun betoog. Inderdaad is Nederland geen dictatuur van de meerderheid. Trouwens ook niet van de minderheid. En ja, ouders mogen zelf een school voor hun kind kiezen waar hun overtuigingen uitgedragen worden. Ik laat hier bewust één woord weg dat de beide auteurs wel gebruiken, namelijk het woord ‘vrij’. Overtuigingen mogen, zo zagen we hierboven, worden uitgedragen binnen de grenzen van de wet. Die wet begrenst het ‘vrij uitdragen’ van geloofsovertuigingen.

En dan komen we bij de aanleiding voor hun artikel: “Onze scholen zijn in het nieuws gekomen omdat homoseksualiteit daar afgewezen zou worden. Daar wordt veel omheen gedraaid, maar laten we maar even duidelijk zijn: dat klopt en dat wist iedereen allang.” Volgens de beide auteurs is dit geen discriminatie: “Wij wijzen namelijk nooit één enkele groep af, wij wijzen steeds weer zowel onszelf als ook alle anderen af, omdat we allemaal op de één of andere manier van Gods doel afgeweken zijn.” En daarom zien ze: “geen andere mogelijkheid dan om homoseksualiteit af te wijzen op grond van de Bijbel, maar op grond van datzelfde Woord wijzen we evenzogoed een kerkgang af die alleen maar vanuit gewoonte is, omdat die dan geen liefdedienst is.” Een bijzonder redenering: we discrimineren niet als we homo’s afwijzen omdat we iedereen afwijzen inclusief onszelf. Alsof er niet een verschil is tussen iets wat een keuze is, kerkgang uit gewoonte, en iets wat geen keuze is, homoseksualiteit. Dat de gereformeerde god homoseksualiteit afwijst en dat de beide auteurs dat ook doen, staat hen vrij. Dat zijn hun persoonlijke opvattingen. En een dominee mag dat zelfs vanaf de kansel prediken.

Dit afwijzen wordt echter een probleem als het op scholen wordt onderwezen in andere dan de godsdienstlessen. Het wordt dus een probleem als schoolbesturen dit afwijzen. Het staat scholen niet vrij te onderwijzen wat zij willen. En artikel 23 van de grondwet dan, dat regelt toch de vrijheid van onderwijs? Hoor ik al mensen roepen. Dat artikel wordt inderdaad gekoppeld aan de ‘vrijheid van onderwijs’. Dat is echter iets anders dan de ‘vrijheid om te onderwijzen wat je wilt’. Die vrijheid is er niet. Het eerste lid van dit artikel luidt niet voor niets: “Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.” In het tweede lid wordt die ‘zorg’ nader toegelicht: “Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.” Deze zorg betreft alle scholen. Openbare scholen moeten hierbij ‘ieders godsdienst of levensovertuiging eerbiedigen’ en bijzondere scholen, zoals de gereformeerde school van de beide auteurs, moeten voldoen aan ‘eisen van deugdelijkheid’. En die eisen worden door de wetgever bepaald. Als de wetgever bepaalt dat mensen afwijzen op basis van seksuele geaardheid niet mag, dan mogen scholen dat ook niet. Dan moeten zelfs de beide auteurs die homoseksualiteit afwijzen, onderwijzen dat het afwijzen van iemand op basis van zijn geaardheid niet mag.

Uitgelicht

Identiteit en de opdracht van het onderwijs

NEE. Nee? Ja, nee! Nee, atheïsme hoeft dan niet de voorgeschreven identiteit te worden van alle scholen. Dat is het korte antwoord op de vraag die hulpbisschop Rob Mutsaers in een artikel in de Volkskrant stelt. In mijn vorige Prikker schreef ik ook over dit artikel en concentreerde ik mij op de vrijheid van meningsuiting die voor iedereen geldt, maar niet voor een minister. In het artikel echter nog een bijzondere passage: “Verlos het onderwijs van religie’, aldus Bert Wagendorp. Moet dan het atheïsme dwingend de voorgeschreven identiteit van alle scholen worden? Hoe neutraal is dat?”  Met het antwoord op deze vraag begon ik.

File:Kinderen krijgen onderwijs in de school van het koninklijk Deens ballet, Bestanddeelnr 252-9215.jpg
Bron: WikimediaCommons

Bijzonder om de hulpbisschop het pleidooi voor het behoud van het bijzonder onderwijs te zien onderbouwen met een beroep op het begrip ‘identiteit’. Bijzonder omdat hij in zijn artikel, naar mijn mening terecht, betoogt dat identiteitspolitiek de dood in de pot is. Dit omdat mensen tegen elkaar worden opgezet. Zouden op ‘identiteit’ gebaseerde scholen daar dan niet een bijdrage aan leveren? Nu is ‘identiteit’ een bijzonder begrip. Ik schreef er eind vorig jaar een uitgebreide Prikker over. Het kwam er in het kort op neer dat ‘identiteit’ een verhaal is om mensen te binden. Maar dat wat mensen bindt, sluit anderen uit. En het wordt een probleem als mensen die verhalen zwaar en serieus nemen. In die Prikker citeerde ik Kwame Anthony Appiah omdat ik zijn opvatting over identiteit bijzonder waardevol vind: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” En daarmee kom ik weer terug bij de vraag van Mutsaers en mijn antwoord. Nee, atheïsme moet niet de ‘dwingend voorgeschreven identiteit’ van alle scholen worden. Wat dan wel? Misschien wel niets, is mijn antwoord. Misschien is het wel aan te bevelen om scholen in het geheel geen ‘identiteit’ te laten hebben?

Geen katholieke, protestantse, joodse, islamitische scholen. Nee allemaal openbare scholen. En nee, op die openbare scholen wordt niet ‘het atheïsme gepredikt’. Op die scholen krijgen onze kinderen wereldoriëntatie waarbij ze kennis maken met alle manieren waarop mensen naar de wereld kunnen kijken. Al die manieren worden op eenzelfde manier gebracht en wel zo dat ze de leerling uitnodigen om zelf na te denken. Om kritische vragen te stellen en de wereld om hen heen ter discussie te stellen. Scholen waar ze leren de kinderlijke nieuwsgierigheid te koesteren zodat ze steeds die ‘waarom-vraag’ blijven stellen waar je als ouder soms moe van wordt.

Sterker nog, en dan kom ik bij een interview van Samira Bouchibti in de Volkskrant, wereldoriëntatie moet het enige doel van het onderwijs zijn. Bouchibti: “Leerlingen moeten zich leren uiten … We moeten ze sociaal weerbaar maken, leren discussiëren. Hoe kom je met elkaar in gesprek? Hoe laat je iemand uitpraten? Hoe zeg je op een respectvolle manier dat je het niet eens bent met de ander?” Zij brengt dit in praktijk in de gastlessen die ze op scholen verzorgt. Terecht concludeert Bouchibti: “Scholen zouden veel meer tijd aan burgerschap moeten besteden. Met twee uurtjes maatschappijleer per week red je het niet. Burgerschap moet een thema worden dat verweven zit in het hele onderwijs, niet alleen in geschiedenis en maatschappijleer. Tijdens Nederlands kun je een boek pakken over de vrijheid van meningsuiting. De wiskundeleraar kan er een Arabische wiskundige bij pakken, zodat leerlingen niet denken dat alle Arabieren terroristen zijn.”

Zouden we niet nog een stap verder moeten gaan dan ‘burgerschap’ tot een thema maken? Moet ‘Burgerschap’ of zoals ik het hierboven noemde, wereldoriëntatie, niet hét doel of met andere woorden de maatschappelijke opdracht van in ieder geval het primair en voortgezet onderwijs worden? Niet zoals nu op de site van de PO-raad is te lezen: “Van scholen wordt meer en meer verwacht dat zij niet alleen maar lesgeven en leerlingen voorbereiden op de arbeidsmarkt, maar ook aandacht besteden aan bijvoorbeeld sociale problemen en gezondheidsissues.”  ‘Voorbereiden op de arbeidsmarkt’ suggereert dat arbeid de belangrijkste bezigheid van een mens is. Daar werd vroeger heel anders over gedacht. Neem de oude Grieken, voor hen begon het leven pas echt als je niet hoefde te werken. Ook de katholieken van bisschop Mutsaers dachten er anders over, je bent immers op aarde om god te dienen en daardoor in de hemel te komen.

‘Voorbereiden op de arbeidsmarkt’ klinkt een beetje hetzelfde als de ‘oude afspraak’ die Karl Marx zag tussen de kapitalist en de pastoor: ‘hou jij ze dom, dan hou ik ze arm.” Iets wat ook de filosofe Martha Nussbaum constateert in haar pamflet Not for Profit  waar zij de ‘armoede van het onderwijs’ aan de kaak stelt. Volgens haar is het onderwijs gericht op het verkeerde doel: “Hongerig naar winst, verwaarlozen landen en hun onderwijssystemen vaardigheden die nodig zijn om de democratie levend te houden. Als die trend doorzet, produceren landen van over de hele wereld generaties van bruikbare machines in plaats van complete burgers die zelf kunnen denken, tradities bekritiseren en die het belang inzien van andermans lijden en prestaties. De toekomst van de democratie staat op het spel (eigen vertaling). Nussbaum schreef dit pamflet in 2010. Als we de ontwikkelingen in democratische landen bekijken, zie de Verenigde Staten, dan lijkt die toekomst waar Nussbaum zich zorgen over maakt nu voor de deur te staan. Trouwens niet alleen in de Verenigde Staten, ook in Nederland wordt het normale bijzonder gemaakt waardoor het bijzondere wordt genormaliseerd zoals ik in een recente Prikker schreef.

‘Van scholen wordt verwacht dat de natuurlijke nieuwsgierigheid van kinderen stimuleren en hen begeleiden bij hun ontwikkeling naar nieuwsgierige, (zelf)kritische volwassenen.’ Zou dat niet de maatschappelijke opdracht van het onderwijs moeten zijn? Zou onze democratie en in het verlengde ervan onze samenleving daar niet bij gebaat zijn? Zou de ‘arbeidsmarkt’ trouwens niet ook beter van worden van nieuwsgierige kritische medewerkers? Want is nieuwsgierigheid niet de belangrijkste motor achter innovatie en ontwikkeling?

Daarom scholen zonder ‘identiteit’. Scholen zonder identiteit omdat die het risico vergroten dat, om Appiah te parafraseren, mensen zich vastbijten in één verhaal wat het risico om onnodige polarisatie tussen groepen vergroot.

Uitgelicht

De persoon, de minister en de opvattingen

“Waarom geldt voor Slob en de zijnen niet de vrijheid van meningsuiting?” Die vraag stelt hulpbisschop Rob Mutsaerts in een artikel in de Volkskrant. Dit naar aanleiding van Slobs later schielijk ingetrokken uitlating dat christelijke scholen ouders een verklaring mogen laten tekenen waarin ze homoseksualiteit afwijzen. In het artikel redeneert Mutsaers op bijzondere wijze.

Bron: WikimediaCommons

De hulpbisschop houdt een tirade tegen identiteitspolitiek. Identiteitspolitiek is, zo citeert hij Wikipedia: “het bedrijven van politiek vanuit de sociale identiteit van een bepaalde groep en de door deze groep gedeelde ervaring van maatschappelijk onrecht.” En dat is, zo beweert hij, de dood in de pot: “Identiteitspolitiek wordt bedreven op grond van huidskleur, seksuele oriëntatie, afkomst en geslacht. Er valt niks te kiezen. Het wordt je kwalijk genomen als je er een gesprek over wil aangaan. Ja, de mate van schuld is hooguit onderwerp van gesprek, maar tegenspraak wordt niet geduld. Een discussie wordt bij voorbaat de nek omgedraaid: terstond wordt de discriminatiekaart getrokken. Je mag er gewoon niet genuanceerd over denken.” Nu kan ik mij daar goed in vinden. Of het nu de op het giftige intersectionele denken gebaseerde identiteitspolitiek van BIJ1 is, of de op ‘eng nationalisme’ gebaseerde variant van de PVV en het FvD of welke andere variant dan ook. Ze zetten om Mutsaers woorden te gebruiken: “mensen alleen maar tegenover elkaar.” Want van welke kant ook, aanhangers van identiteitspolitiek houden: “er eenzelfde soort redenering op na: een verbeten strijd die eist dat iedereen zich aan hun opvatting onderwerpt.” Tot zover kan ik hem goed volgen. En ook in zijn conclusie dat: “Het gezamenlijk verdedigen van de grondwet van onze democratische rechtsstaat,” de enige toekomst bestendige optie is.

Dan maakt hij de sprong naar minister Slob. Mutsears: “ Van minister Arie Slob wordt geëist dat hij zich conformeert aan de heersende seculiere opvatting. Hij mag zich niet beroepen op de Bijbel.” De identiteitspolitiek is daaraan debet, zo betoogt hij. En daarmee komen we bij de vraag of voor Slob en de zijnen de vrijheid van meningsuiting niet geldt.

Het antwoord op die vraag is: JA, Slob en de zijnen mogen, net als ieder ander mens, een eigen mening hebben en die mag best zijn dat christelijke scholen zo’n verklaring mogen vragen. Slob en de zijnen mogen dat. Waar zit dan het probleem? Het probleem is dat dit niet geldt voor de minister van onderwijs. Een minister, en niet alleen die van onderwijs, heeft geen eigen mening. Zij spreken en handelen namens de overheid. Bij dat spreken en handelen moeten ze zich aan de wet houden. De verklaring die Slob eerst geen probleem vond, staat op gespannen voet, en is waarschijnlijk strijdig met de wet. De wet verbiedt immers discriminatie en zo’n verklaring heeft discriminatoire kanten. “Wat christenen overigens prima kunnen onderscheiden is de persoon en zijn opvattingen,” schrijft hij iets verderop in zijn betoog. Trouwens bijzonder knap dat hij meent dat alle christenen dit kunnen. Hij zelf lijkt geen onderscheid te kunnen maken tussen de persoon Slob en de minister Slob. Als privé persoon en zelfs als politicus mag Slob dat vinden en ook uiten. Hij is echter ook minister en de minister mag dat niet. Slob werd er als minister om gevraagd en dan moet hij het ministeriele antwoord geven. Als hij dat niet kan of wil, moet hij aftreden. Zo werkt de op onze grondwet gebaseerde democratische rechtsstaat.

Uitgelicht

Het bijzondere normaal

Het zal niemand ontgaan zijn dat er in de Verenigde Staten presidentsverkiezingen zijn gehouden. Het zal ook niemand zijn ontgaan dat de ene kandidaat, Joe Biden, volgens de regels van het spel gewonnen heeft. Het zal ook niemand zijn ontgaan dat de andere kandidaat, zittend president Donald Trump, zijn nederlaag niet lijkt te erkennen. Het zal ook niemand zijn ontgaan dat die verkiezingen mensen verleiden tot zeer bijzondere redeneringen. Bijzondere maar ook gevaarlijke. Neem Robert Raupach bij Opiniez.

Schrijfmachine, Papier, Bericht, Woord, Verkiezingen
Bron: Pixabay

Raupach: “Gevierd voormalig burgemeester van New York, Rudy Giuliani, werd zaterdag tijdens een persconferentie geconfronteerd met het feit dat de grote Amerikaanse medianetworks Biden al snel als winnaar hadden aangewezen. Terecht wees hij de aanwezige reporters erop dat niet de nieuwsmedia een winnaar uitroepen, maar officiële instanties dat behoren te doen.” Hij heeft gelijk, officiële instanties moeten de winnaar aanwijzen en niet nieuwsmedia. Dus een redelijke opmerking. Alleen lijkt hij hier te suggereren dat er iets bijzonders gebeurd terwijl het niet afwijkt van andere verkiezingen. Neem de verkiezingen van 2016. De nieuwsmedia riepen Trump uit tot winnaar en twee dagen later zat de president-elect al in overleg met de toenmalige president Obama. Op dat moment hadden de officiële instanties Trump nog niet tot winnaar uitgeroepen. Dat gebeurt in de Verenigde Staten altijd geruime tijd na de verkiezingen. Pas dan komen de kiesmannen in de verschillende staten bijeen en bepalen wie in die staat heeft gewonnen en pas dan wordt de uitslag officieel. De manier waarop Giuliani en in zijn verlengde Raupach het presenteren, lijkt het normale iets bijzonders waardoor het bijzondere normaal lijkt.

Rapauch gaat verder: “Biden leidt momenteel met 14.767 stemmen in Arizona, 20.540 in Wisconsin, 36.186 in Nevada en 11.413 stemmen in het nog niet gecallde Georgia. Deze 82.885 stemmen vertegenwoordigen maar 0,06% van de in totaal meer dan 137 miljoen uitgebrachte stemmen. Mag zo’n flinterdunne marge een zo belangrijke verkiezing beslissen?” Of de aantallen nu nog hetzelfde zijn, weet ik niet maar ik geloof meteen dat ze klopten toen Raupach zijn artikel schreef. Waar, maar niet de hele waarheid. Als je dan toch resultaten in staten bij elkaar optelt, dan moet je ze ook van alle staten optellen en niet slechts van die paar waar het spannend is. Tel je ze allemaal dan heeft Biden op het moment dat ik dit schrijf ruim vijf miljoen meer stemmen op zijn naam dan Trump. Dat is niet echt een ‘smalle marge’. Als je deze verkiezingen dan toch, zoals Raupach doet: “een referendum over Trump,” noemt, dan is de uitslag duidelijk. En zelfs al is het verschil in totaal 0,06% van de stemmen of nog minder, dan nog is dat voldoende om iemand als winnaar uit te roepen. Sterker nog. In de Verenigde Staten worden winnaars uitgeroepen die minder stemmen hebben dan de verliezer. Trump weet daar alles van. In 2016 stemden er bijna drie miljoen mensen minder op hem dan op verliezer Hilary Clinton en toch won hij eerlijk volgens de regels van het Amerikaanse spel. Ook hier presenteert Raupach het normale als iets bijzonders waardoor het bijzondere normaal lijkt.

Raupach vervolgt: “Hertelling in enkele staten en verder onderzoek naar mogelijke fraude of onregelmatigheden zijn op z’n plaats en zijn een logische stap van het Trump-kamp. Je zomaar neerleggen na zo’n 5,5 jaar vechten (voorverkiezingen en campagne meegerekend) zit niet alleen niet in de aard van het beestje, dat simpelweg ook niet tegen zijn verlies kan, maar zou ook bij de zeer loyale achterban tot onvrede leiden.”Inderdaad zal het best een logische stap zijn in het kamp Trump en het kan best zijn dat neerleggen bij verlies tot onvrede bij de zeer loyale achterban leidt. Je neerleggen bij een eerlijke nederlaag is echter ook een van de kenmerken van een democratie. En ja, ook mogelijke fraude moet worden onderzocht. Het is niet Biden die moet aantonen dat hij eerlijk heeft gewonnen, maar Trump die moet aantonen dat er gefraudeerd is. Ook hier wordt het bijzondere gepresenteerd als normaal waardoor het normale bijzonder lijkt te worden.

“Het journalistentrucje om in elk nieuwsbulletin de bijzin te vermelden: “Er zijn geen bewijzen voor fraude” gaat in de hoofden van het weinig kritische grote publiek zitten en wordt op die manier vanzelf een waarheid.” Zo gaat Raupach verder. Maar beste meneer Raupach, als er geen bewijzen zijn, zijn er geen bewijzen. En wat betreft die ‘hoofden’. Wie begon er ook al weer ver voor de verkiezingen te roepen dat hij alleen kon verliezen als er gefraudeerd werd? Wie begon er met het verdacht maken van poststemmen en procedures hieromtrent? Zou het niet kunnen dat dit in de hoofden is gaan zitten van een flink deel van het weinig kritische iets kleinere publiek van fervente Trumpaanhangers? En weer wordt iets normaals als bijzonder gepresenteerd waardoor het bijzondere normaal lijkt.

Waarin deze verkiezingen echt afwijken van eerdere is dat de verliezende kandidaat zijn nederlaag niet erkent. Vier jaar geleden erkende Hilary Clinton na een dag haar nederlaag terwijl ze meer stemmen haalde dan haar tegenstander. Trump weigert dit en vecht de uitslag, het proces, de stembiljetten en alles eromheen aan. Sterker nog, hij wist al weken zo niet maanden tevoren dat er ‘fraude was gepleegd’. Dat is zijn goed recht, maar maakt het nog niet ‘normaal’.

Het normale bijzonder laten lijken en het bijzondere normaal is een gevaarlijke ontwikkeling.

Uitgelicht

Trump, Adam Smith en Alejandro Valverde

“Een jong kind heeft geen zelfbeheersing. Welke emoties het ook heeft, vrees, verdriet of boosheid, altijd tracht het door zo hard mogelijk te schreeuwen de aandacht van zijn kindermeisje of ouders te trekken.”  Toen ik deze zin gisteren las, moest ik denken aan de eerste toespraak van Trump na de verkiezingen van afgelopen dinsdag de derde november. Ik zag een bang, boos, verdrietig of combinaties van deze drie, persoon die om aandacht vroeg. Alleen was het geen kind maar een man van vierenzeventig die al vier jaar president is van het machtigste land van de wereld. Een man die door velen wordt gezien als een krachtige persoonlijkheid en leider. Zou Smith dat ook zo zien?

Eigen foto

Deze zin schreef de Schotse moraalwetenschapper en vader van de economische wetenschappen Adam Smith in zijn andere belangrijke maar veel minder bekende werk in 1759. Dit boek is recentelijk voor het eerst in het Nederlands vertaald met als titel De Theorie over morele gevoelens. In dit boek gaat Smith op zoek naar het ontstaan en functioneren van de moraal. Moraal is, om het heel kort samen te vatten, het evenwicht tussen de behoefte aan sympathie en de angst voor afkeuring of onbegrip. Kinderen hebben nog geen besef van moraal, ze kennen het evenwicht nog niet. Dat leren ze terwijl tijdens het opgroeien. “Zolang het kind onder de hoede is van deze partijdige beschermers, is boosheid de eerste en wellicht ook enige gemoedsaandoening die het geleerd wordt te beteugelen,” zo vervolgt Smith de zin waarmee ik opende. Hoe het kind dat leert, zo was het tenminste in het midden van de Achttiende eeuw: “Die zijn vaak omwille van hun gemak genoodzaakt om het met luidruchtige dreigementen vrees aan te jagen en zodoende tot bedaren te brengen en de gemoedsaandoening die het kind bij wijze van spreken aanzet tot de aanval, wordt nu in toom gehouden door de gemoedsaandoening die het kind leert om zich te bekommeren om de eigen veiligheid.” Een moderne opvoedkundige zal daar anders over denken en betogen dat ‘vrees aanjagen’ niet de beste strategie is in de opvoeding van een kind. Dat een kind moet leren om boosheid, maar ook vrees en verdriet te beteugelen, staat buiten kijf. Mensen die om niets in woede of om een klein sneetje in hun duim in huilen uitbarsten zijn niet de meest prettige mensen om mee in gezelschap te verkeren en blinken niet uit in stabiliteit.

Smith vergelijkt vervolgens hoe zwakke en krachtige persoonlijkheden met tegenslag omgaan. Iemand met een zwakke persoonlijkheid geeft zich: “eerder over aan zuchten, tranen en geweeklaag, en tracht als een kind dat nog niet naar school gaat een bepaalde harmonie tot stand te brengen tussen zijn eigen verdriet en het medelijden van de bezoeker – niet door zijn verdriet te matigen, maar door opdringerig te appelleren aan dat medelijden.” Een sterke persoonlijkheid daarentegen: “tracht zoveel als het kan zijn aandacht te richten op het beeld dat zijn omgeving vermoedelijk heeft van zijn situatie. Tegelijkertijd voelt hij de achting en goedkeuring die men natuurlijkerwijs voor hem koestert wanneer hij aldus zijn kalmte bewaart, en hoewel de last van deze of gene recente en grote calamiteit nog steeds op hem rust, lijkt hij voor zichzelf niet méér te voelen dan de mensen om hem heen werkelijk voor hem voelen.” Als we met Smiths bril naar Trump kijken, zien we dan iemand die zijn kalmte bewaart en niet méér voor zichzelf voelt dan voor anderen? Of zien we iemand waarbij de emoties de overhand hebben en die opdringerig appelleert aan ‘medelijden’?

Smith: “In een bestendige situatie, waarin geen verandering te verwachten valt, keert vroeg of laat de geest van ieder mens terug naar zijn natuurlijke en gebruikelijke toestand van kalmte.” Een ingrijpende gebeurtenis slaat ieder mens even uit het veld ongeacht de kracht van de persoonlijkheid. Alleen een zwakke persoonlijkheid doet er veel langer over om het evenwicht weer te vinden. Dus Trump zal weer een keer bij zinnen komen? Dat zou kunnen, maar er is iets wat zorgen baart. Iets verderop schrijft Smith namelijk nog iets interessants: “De grote bron van de ellende en de ontreddering van het menselijk leven lijkt te ontspringen uit de overschatting van het verschil tussen de ene bestendige situatie en de andere. Hebzucht overschat het verschil tussen armoede en rijkdom; ambitie dat tussen het privéleven en een openbaar ambt; eerzucht dat tussen onbekendheid en wijdverbreid aanzien. Iemand die onder invloed is van deze buitensporige gemoedsaandoeningen voelt zich niet alleen ellendig in zijn gegeven omstandigheden, maar is vaak ook geneigd de vrede van de maatschappij te verstoren om te bereiken wat hij zo dwaselijk bewondert.” Zou Trump aan deze ‘buitensporige gemoedsaandoening lijden? Zijn acties en uitspraken na de verkiezingen, wijzen die kant op. Sterker nog, niet alleen de acties na de verkiezingen. Als iets zijn presidentschap kenmerkt, dan is het precies dat ‘verstoren van de vrede van de maatschappij’.

Afbraak zonder opbouw. Wat zou het dan zijn wat Trump ‘zo dwaselijk bewondert’ en dus wil bereiken dat al die afbraak waard is? Het enige wat ik hier kan bedenken is zijn zelfbeeld als ‘onoverwinnelijke winnaar’. En dan moet ik denken aan de wielrenner Alejandro Valverde Belmonte. Inmiddels veertig fiets hij op de dag dat ik dit schrijf nog de laatste etappe van de Vuelta. Valverde heeft als bijnaam ‘El Imbatido’, in goed Nederlands ‘De Onverslagene’. Valverde heeft veel gewonnen maar onverslagen is hij zeker niet. In de meeste koersen waar hij aan de start stond, won hij niet. Sterker nog, ‘veelwinnaar’ Valverde heeft dit jaar nog niets gewonnen. Als Valverde, net als Trump, was gaan geloven in zijn onoverwinnelijkheid, dan had hij al lang niet meer gefietst en niet zoveel gewonnen als hij heeft gewonnen. Het lijkt erop dat Trump denkt dat een sterke man niet kan verliezen, verliezen is iets voor de zwakken en hij ziet zich als een sterke man. De Theorie over morele gevoelens lezend denk ik dat Smith daar anders over zou denken.  

Uitgelicht

Tirannie van de meerder- of minderheid?

“Ik heb niet eerder een grondrecht zo misbruikt zien worden om de eigen machtspositie te demonstreren.” Dit schrijft Jaswina Elahi bij De Kanttekening. Welk grondrecht wordt volgens Elahi misbruikt? Het recht op de vrije meningsuiting. Elahi: “Want het systematisch kwetsen en beledigen van groepen mensen in de samenleving is geen vrijheid van meningsuiting, maar een kwaadaardige behoefte van de machtigste partij om te kwetsen.” Hierdoor zijn we: “in een vicieuze cirkel terecht gekomen van provocatie en terreur, waarin het Westen terreur bestrijdt met satirische vernederingen onder het mom van vrijheid van meningsuiting.” Resultaat hiervan: “Verstand is ver te zoeken, nu de tirannie van de meerderheid is omgeslagen in een Europese hysterie.” We leven, als we Elahi mogen geloven, in een ‘tirannie van de meerderheid’ die een minderheid, de moslims, bestrijdt met ‘satirische vernedering’. Een bijzondere redenering.

File:Spotprent op de onwillige rol van John Bull in de Belgische Revolutie, 1832 The Dutch War (titel op object), RP-P-1982-277.jpg
Spotprent uit de 19e eeuw. Bron: WikimediaCommons

Dat mensen, religies en politieke stromingen het slachtoffer kunnen zijn van satire, is onomstotelijk waar. Je hoeft de afleveringen van Saturday Night Live, John Oliver en Lubach op Zondag om er een paar te noemen, maar op na te kijken om te ontdekken dat satire een middel is om een boodschap over de bühne te brengen. Satire: “hekelende voorstelling, spottend geschrift,” aldus de Van Dale en Wikipedia vult aan: “een kunstvorm waarbij vaak op humoristische wijze maatschappijkritiek of kritiek op personen wordt gegeven. De kritiek kan geleverd worden via parodie, ironie, sarcasme, pastiche en karikatuur.” Waarbij, zo vervolgt Wikipedia: “Niet alle satire (….) uitsluitend humoristisch (is) bedoeld. Sommige satires zijn zo agressief en scherp dat ze vooral willen provoceren of tot actie aanzetten. Hierom zijn door de geschiedenis heen veel satirici vervolgd door de overheid.” Dus ja, het kan gebeuren dat een satiricus mensen of groep beledigd. En zelfs als dit niet de bedoeling is van de satiricus dan nog kan het dit effect hebben.

Dus Elahi heeft een punt? Ja, ze heeft een punt dat satire beledigend kan zijn voor iemand of een groep. En ja, het kan ook zijn dat een satiricus of een groep satirici dat structureel doet en zo dus een groep structureel beledigt. Elahi gaat echter nog een stap verder met haar bewering. Zij betoogt dat de ‘meerderheid’ satire gebruikt om een bepaalde groep structureel te kwetsen en zelfs te vernederen. Zij komt tot deze conclusie omdat protesten tegen die belediging door die minderheid structureel worden beantwoord met een beroep op de vrijheid van meningsuiting. Hieruit concludeert zij dat die meerderheid het vernederen van die minderheid goedkeurt.

Maar zou die ‘meerderheid’ niet op eenzelfde manier in elkaar zitten als de manier waarop Elahi de ‘minderheid’ beschrijft: “Sommige moslims zijn van mening dat wanneer je de profeet beledigt zij ‘gerechtigd’ zijn om alles te doen om deze beledigingen te laten stoppen. In het uiterste geval leidt dit tot terreur, zoals we in Frankrijk zagen. Maar tegenover het extremisme van de dader staat een veel grotere groep moslims die zich van al het geweld distantieert en zich ook waardig opstelt onder het systematisch kwetsen en beledigen door de satire. Deze groep hoor je en zie je echter niet of nauwelijks in de media.”

Dat een overgrote meerderheid van de inwoners van Nederland vindt dat satire onder de vrijheid van meningsuiting valt en dus moet kunnen, wil niet zeggen dat die overgrote meerderheid die betreffende satire ook goedkeurt en een minderheid wil ‘vernederen’. Dat zijn twee verschillende zaken. Dat er een ‘tirannie is van de meerderheid’ die een ‘minderheid structureel vernedert’ daar geloof ik niets van. Die ‘tirannieke meerderheid’ die Elahi ziet, is waarschijnlijk een kleine minderheid en zij projecteert de opvatting van die minderheid op de grote groep mensen die dergelijke satire niet goedkeurt maar er wel pal voor staat dat die satire mogelijk is. Als er al ‘tirannie’ is, dan is het ‘tirannie’ van kleine minderheden die zich in een ‘vicieuze cirkel’ gevangen houden en de hysterie bij elkaar tot grote hoogten doen stijgen en zo de meerderheid ‘tiranniseren’. 

Uitgelicht

De toeslagenaffaire en de Walkman

Deze week startte de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties met haar verhoren. De Tweede Kamer heeft deze commissie in het leven geroepen. Die commissie moet op zoek naar de oorzaken van de problemen bij uitvoeringsorganisaties. Verschillende van die uitvoeringsorganisaties kampen met problemen bij de uitvoering van hun taken. Problemen die voor veel ophef zorgden maar vooral ellende voor mensen die een beroep op deze organisaties deden. Zo kampt de Belastingdienst met wat de ‘toeslagenaffaire’ is komen te heten. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft al jaren problemen rond de persoonsgebonden budgetten en ook het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen heeft problemen met het uitvoeren van haar taak. Zou de commissie de oorzaken vinden?

Bron: WikimediaCommons

Laten we de opdracht van de commissie eens bestuderen. Die opdracht is verwoord in een brief van het Presidium aan de Tweede Kamer. In die brief wordt het drieledige doel van het onderzoek geformuleerd. Als eerste: “Inzicht krijgen in de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties («rode draden» oorzaken en problemen).” Als tweede: “Inzicht krijgen in de wijze waarop de Tweede Kamer geïnformeerd wordt over de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties (informatiepositie Kamer).” En als derde en laatste: “Inzicht krijgen in de wijze waarop de Tweede Kamer haar controlerende taak uitvoert bij problemen bij uitvoeringsorganisaties (controlerende taak / rol Kamer).” De antwoorden op die vragen moeten ervoor zorgen dat: “De uitvoerbaarheid van beleid in het parlementaire proces (beter) gewaarborgd wordt en «de menselijke maat» niet uit het oog verloren wordt.” In een artikel bij Joop vat Fons Burger deze opdracht kort samen met de woorden: “Wat gaat er mis tussen het beleid en de balie?” Een redelijk accurate samenvatting want daarop spitsen de vragen zich toe zeker als we de deelvragen bekijken.

Bij de eerste vraag worden drie deelvragen gesteld waarbij vooral de eerste deelvraag bijzonder is: “Welke problemen zijn zichtbaar geworden afgelopen vijf jaar?”  Daarmee wordt het tijdbestek dat wordt onderzocht beperkt tot de laatste vijf jaar. Wat als de problemen al ruim voor die tijd zijn veroorzaakt? Iets wat niet is uit te sluiten.

Het onderzoek wordt echter niet alleen in tijd beperkt, ook de scope van het onderzoek. In de toelichting bij de vraag worden mogelijke oorzaken van de problemen geformuleerd: “De organisatiecultuur (onder andere goed werkgeverschap) en personeel; Governance en sturingsrelaties; Uitvoeringsproblemen (waardoor er geen passende dienstverlening aan de burger geleverd kan worden); Het niet aanwezig zijn of niet optimaal werken van een interne signaalfunctie / checks & balances; ICT en digitalisering.” De ‘plek’ waar het fout gaat wordt daarmee beperkt tot de uitvoerende organisatie en wellicht een klein beetje, via de ‘Governance’ bij de regering.

Bij de tweede onderzoeksvraag worden twee deelvragen geformuleerd. Als eerste: “Hoe wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties (informatiepositie Kamer).” Bij deze vraag ligt de verantwoordelijk minister onder het vergrootglas: informeert hij de Kamer tijdig en juist? De tweede deelvraag luidt: “Hoe voert de Tweede Kamer haar controlerende taak uit bij problemen bij uitvoeringsorganisaties (controlerende taak / rol Kamer)?” Een interessante vraag, maar wat als het probleem niet aan de achterkant ligt, maar aan de voorkant, bij de wetgevende en beleidmakende kant van de Kamer? Gelukkig is er nog de derde onderzoeksvraag. Daar komt dit aspect aan de orde. Namelijk bij de eerste deelvraag: “Wat betekent hetgeen de onderzoeksvragen 1 en 2 hebben opgeleverd voor de verschillende rollen, taken en verantwoordelijkheden van de drie genoemde partijen? Welke rol spelen uitvoeringstoetsen hierbij (wat verwacht de Kamer en op basis van welke indicatoren)?”

We hoeven ons dus geen zorgen te maken. De commissie vindt de oorzaken van de problemen bij de uitvoeringsorganisaties. Nou, dat gaat mij iets te snel. Het onderzoek focust vooral op de uitvoeringsorganisaties. Dat is waarschijnlijk ook waarom Burger tot zijn korte samenvatting komt. Dat lijkt logisch omdat het fout gaat in de uitvoering. Toch is dat veel te beperkt. De uitvoeringsorganisatie is slechts de uitvoerder van een opdracht. Zij geeft de opdracht niet. Dat doet een minister. Wat als de minister een onduidelijke of verkeerde opdracht geeft? Bij een verkeerde opdracht ligt de verantwoordelijkheid voor de fout bij de opdrachtgever. Als een winkelier zoutarme koekjes besteld terwijl de markt vraagt om koekjes met zout, moet hij zich niet gaan beklagen bij de fabrikant als bijna niemand de geleverde koekjes koopt. Bij een onduidelijke opdracht is het de taak van de uitvoerende organisatie om verduidelijking te vragen bij de opdrachtgever, dus bij de minister. Die verduidelijking moet uiteindelijk leiden tot een duidelijke opdracht. Duidelijk wil niet zeggen dat het ook de juiste opdracht is. Voor de juistheid is de opdrachtgever verantwoordelijk. Een onderzoek naar de oorzaken moet op zijn minst ook een hoofdvraag bevatten die zich specifiek richt op de opdrachtgever, de minister(s).

Daarmee zijn we er nog niet. Die opdrachtgever heeft ook een ‘opdrachtgever’ en dat is de Tweede Kamer. De Kamer bepaalt wat er moet gebeuren. Dat doet zij via de wetten die zij aanneemt. Zo heeft de Kamer in de Wet kinderopvang bepaalt dat de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag moet uitbetalen en aan wie. Maar ook dat de Sociale Verzekeringsbank de persoonsgebonden budgetten moet afhandelen. Persoonsgebonden budgetten voor een vijftal wetten met verschillende opdrachtgevers. In een goed onderzoek vraagt die rol veel meer dan de deelvraag bij de derde vraag. Zeker omdat die deelvraag moet worden beantwoord met de uitkomsten van de eerste twee vragen. Vragen die alleen handelen over de uitvoering en de informatievoorziening over de uitvoering. Als de oorzaken of als er oorzaken liggen “tussen het beleid en de balie,” om deze woorden van Burger te gebruiken, dan zal dit onderzoek ze opsporen. Of oorzaken in het proces om te komen tot beleid worden gevonden? Ik waag het te betwijfelen.

Wat ik ernstig betwijfel is of het onderzoek echt tot de kern komt. En daarmee kom ik bij mijn vorige Prikker die handelde over manieren waarop ‘de koek’ wordt verdeeld en de twee rollen van de overheid hierin: als eerste het voorkomen van ‘roof en uitbuiting’ door de markt te reguleren en als tweede: “het organiseren en legitimeren van ‘wederkerige sociale verplichtingen’ die het ‘samen’ in de samenleving versterken.” Over die sociale verbanden concludeerde ik: “ Als je die inricht op basis van een soort ‘handelstransactie’ hoeft het niet te verbazen dat die sociale (ver)banden zwak zijn.” En laat de overheid nu heel veel van haar dienstverlening hebben ingericht op basis van ‘handelstransacties’. Van je persoonsgebonden budget of je kinderopvangtoeslag ‘koop’ je zorg en opvang in.

Door dit inrichten op basis van handelstransacties versterken twee zaken elkaar. Die twee zaken zijn zwakke sociale verbanden en wantrouwen. Een handelstransactie creëert geen of slechts een zwakke sociale band. Er ontstaat geen ‘WIJ’ en het ontbreken van die ‘WIJ’ betekent dat ‘IKKEN’ vooral aan zichzelf denken. En omdat de andere ‘IKKEN’ dat ook doen, moeten de “IKKEN’ op hun hoede zijn: wantrouwen. Wantrouwen dat wordt versterkt omdat er ‘IKKEN’ zijn die misbruik maken van de situatie. Binnen het ‘handelstransactie frame’ is voorkomen van fraude de enige manier om wantrouwen te bestrijden en iets van een ‘WIJ’ te behouden. Iedere ontdekte fraude zorgt voor verlies aan ‘WIJ’. Om fraude te voorkomen worden regels zo gemaakt dat de te voorkomen uitzondering de regel gaat bepalen en gaat de ‘menselijke maat’ verloren.  

Dat inrichten op basis van ‘handelstransacties’ is een uitvloeisel van het steeds individualistischer worden van onze samenleving. Een trend die eind jaren vijftig van de vorige eeuw inzette en die vanaf de jaren tachtig, met het neoliberalisme van Thatcher en Reagan, dominant werd. Een trend waarvan de Walkman, wat mij betreft, het symbool is. Een apparaat waarmee je je op straat van de buitenwereld afsluit en je je eigen wereld creëert. Niet toevallig werd het apparaat in 1979 door Sony op de markt gebracht en begon het aan de ‘verovering’ van de wereld. Net als bij het individualisme werd het apparaat veel eerder ‘geboren’. Een jaar of zestien eerder vond Philips een soortgelijk apparaat uit, maar zoals wel vaker was Philips goed in uitvinden maar niet in vermarkten. Inmiddels is het apparaat vervangen, eerst door iPod-achtige apparaten en nu door het mobieltje. Ik waag het ernstig te betwijfelen of de commissie op basis van de geformuleerde opdracht tot een dergelijke conclusie komt. Maar… ik laat me graag verrassen.

Uitgelicht

Markt, overheid en/of samenleving deel II

‘’Markt’ en ‘overheid’ vormen geen driehoek met of staan niet tegenover ‘samenleving’, het zijn instrumenten die wij, de samenleving, kunnen gebruiken om verdelingsvragen te beantwoorden.” Met die zin eindigde mijn vorige Prikker. In deze Prikker ga ik wat dieper in op manieren om te verdelen. Of als je het van de andere kant bekijkt, manieren om dat te verwerven wat je nodig hebt om te kunnen leven.

Eigen foto

Alles wat een mens nodig heeft om te kunnen (over)leven, moet hij op een of andere manier verwerven. In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten onderscheiden Hans Achterhuis en Nico de Koning zes verschillende vormen van verwerving. Als eerste dat wat een mens zelf produceert, de zaken die iemand maakt, verzamelt of bij elkaar jaagt. Daarover kan die persoon vrijelijk beschikken. Deze vorm is tegenwoordig een zeldzaamheid.

Een tweede vorm van verwerving is de huishouding. De gemeenschappelijke huishouding is gedurende eeuwen de meest belangrijke vorm van samenleven en dus verwerven geweest. Alles wat het huishouden produceerde, verzamelde of bij elkaar joeg, konden de leden ervan gebruiken. Hierin staat de groep centraal, niet het individu. Verlangens waren daarmee bijna altijd verlangens van het huishouden.

Toedeling is de derde vorm van verwerving die de beide auteurs onderscheiden. Het groter worden van de sociale verbanden, een bundeling van stammen of huishoudens, maakten aanvullende manier van verwerven nodig. Een manier passend bij de hiërarchische samenlevingsvorm. De hoogst geplaatste deelt toe aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping.

Met het nog groter worden van hun wereld kwamen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kon leiden tot geweld en oorlog. De vierde manier van verwerving is een vreedzame manier om een relatie met andere sociale verbanden aan te gaan en dat is de schenking of gift. Een gift is nooit vrijblijvend. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen, de relatie wordt verzwaard zonder dat de een zich aan de ander onderwerpt. Het huwelijk was in vroeger tijden een bijzondere vorm van ‘schenken’.

Dan de vijfde manier van verwerven: de handel of met een ander woord, de markt. Of het nu de ouderwetse ruilhandel betreft of het tegenwoordige kopen van een pak koffie bij de Appie, beiden leiden niet tot een verplichting of een verzwaring van de relatie. Als koper hoef je je niet te onderwerpen aan de verkoper, omgekeerd trouwens ook niet en de koop van dat ene pak verplicht jou niet om ook die bloemkool bij de Appie te kopen.

De laatste vorm van verwerving die de beide auteurs geven is roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van verwerven voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen. Tot deze vorm van verwerving horen ook slavenhandel, dwangarbeid en kolonisatie. En als we een parallel naar het heden trekken, dan behoort bijvoorbeeld ook het verkopen van risicovolle financiële producten zoals woekerhypotheken aan mensen die deze niet begrijpen, tot roof.

Zes vormen van verwerving waarbij, vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt. Bij de eerste, de individuele productie is er geen andere en bij het andere uiterste, de roof, doet de ander er niet toe. De markt is tegenwoordig de dominantste vorm van verwerving en dit heeft volgens de beide auteurs ook gevolgen voor de andere vormen van verwerving: “De motivatie van de marktsfeer ten opzichte van de andere praktijken van behoeftevoorziening heeft ook een zekere vermenging teweeg gebracht van de mechanismen die in elke kring heersen.” Een huishouden waarbij de leden naast een gezamenlijke ook een eigen bankrekening hebben, is hier een voorbeeld van.

En dat verandert ook de markt: “Markten hebben namelijk een aantal van de cruciale kenmerken van de verdrongen ordeningskringen in zich opgenomen.”  Zo is de individuele productie die vroeger was gericht op de eigen behoeften nu bijna volledig gericht op behoeften van anderen in ruil voor geld waarvoor de arbeider dan in zijn eigen behoeften kan voorzien. Daar komt bij dat arbeid steeds meer een intrinsieke waarde heeft voor de arbeider: arbeid moet voldoening schenken en bijdragen aan de ontplooiing van het individu. Bedrijven zijn tegenwoordig meer dan plaatsen waar wordt geproduceerd. Onderlinge relaties, gezelligheid en de bedrijfscultuur zijn belangrijk geworden, dit waren de kenmerken van het huishouden. Ook zien Achterhuis en Koning de grens tussen economische en sociale belangen vager worden. Het wordt van bedrijven niet meer geaccepteerd dat alles om winstmaximalisatie draait. Ook zien zij dat er op de markt meer wordt geschonken dan we denken. Zij zien dat de markt toch elementen van verplichting en verzwaring krijgt.

Waar is dan die ‘overheid’, dat tweede instrument om verdelingsvraagstukken te beantwoorden? Of beter gezegd, waar zou die overheid zich dan mee bezig moeten houden? Volgens de auteurs is handel en dus de markt tegenwoordig dominant. In onze verbonden globale wereld is dat een logische keuze. Logisch omdat de markt volgens de auteurs: “… de laatste dam tegen roof (is), het is de maximaal haalbare vorm van exterioriteit zonder dat men ten prooi valt aan vormen van geweld,” vormt. Zo’n schaal van samenwerking vormgeven met alleen giften of toedeling, is lastig omdat de afstand tot elkaar zo groot is. Probleem is dat handel en dus de markt, op roof na, de verwervingsvorm is die het minste sociale (ver)banden tussen mensen creëert. En laat die sociale (ver)banden nu cruciaal zijn voor een samenleving. In zijn boek The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time beschrijft Karl Polanyi het belang van sociale (ver)banden in een samenleving. Volgens Polanyi is het onderhouden van sociale banden cruciaal voor een samenleving: “First, because by disregarding the accepted code of honor, or generosity, the indiviual cuts himself off from the community and becomes an outcast; second, because in the long run, all social obligations are reciprocal, and their fulfillment serves also the individual’s give-and-take interest best.”  Met alleen de markt wordt het ‘samen’ in samenleving minder en zonder ‘samen’ is een samenleving los zand omdat het ontbreekt aan ‘wederkerige sociale verplichtingen’. En daar komt de overheid op twee manieren om de hoek kijken.

De eerste manier raakt aan de traditionele rol van de overheid als beschermer van de openbare orde en veiligheid. Zoals Achterhuis en De Koning betogen rest na de markt alleen nog roof als manier van verwerving. De overheid heeft een rol om te voorkomen dat de vrije markt uitdraait op roof. De overheid reguleert de markt. Maar dan kunnen we toch niet meer spreken van een vrije markt? Nee, niet als je de vrije markt ziet als een plek waar eenieder absoluut vrij is om naar goeddunken te handelen. Maar om de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang uit zijn boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme te citeren: “De vrije markt bestaat niet. Elke markt kent wel regels en grenzen die de keuzevrijheid beperken. Een markt lijkt alleen maar vrij doordat we de beperkingen die eraan ten grondslag liggen zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Zo zijn kinderarbeid en slavernij voor ons zo wezensvreemd dat we het als normaal beschouwen dat het er niet meer is. Eeuwen lang was het echter zeer normaal dat het er wel was. Maar ook op het gebied van arbeidstijden en -omstandigheden, het milieu en productveiligheid beperkt de overheid de vrijheid op de markt. Dat doet zij om te voorkomen dat er via de markt ‘geroofd’ wordt.

De tweede manier betreft het organiseren en legitimeren van ‘wederkerige sociale verplichtingen’ die het ‘samen’ in de samenleving versterken. Verplichtingen zoals het betalen van belastingen. Dat maakt belasting ontwijking en -ontduiking zo schadelijk. Het ondergraaft het ‘samen’. Dat maakt de uitspraak”: “I don’t wanna pay taxes. Before I came here I was a private developer, I was a business people. Like every private person unless they are stupid , they go through the law and that’s what it is,” van president Trump in het eerste presidentiële debat zo schadelijk. Het is precies die houding, dat gedrag dat het ‘samen’ ondermijnt. Maar ook sociale verplichtingen zoals uitkeringen die voorkomen dat mensen van de honger omkomen. Uitkeringen die hen beschermen als ze meer of minder tijdelijk niet in het eigen onderhoud kunnen voorzien. Voorzieningen zoals een basisverzekering die de ziektekosten vergoeden.

Op welke manier de overheid dat doet, maakt nogal wat uit voor het ‘samen’, voor die sociale (ver)banden. Als je die inricht op basis van een soort ‘handelstransactie’ hoeft het niet te verbazen dat die sociale (ver)banden zwak zijn. Dan hoeven redeneringen als die van Trump niet te verbazen en dan hoeft gedrag zoals vertoond door Booking.com waarover ik aan het begin van de coronacrisis schreef, niet te verbazen. Dan krijg je precies de verbazing van de boekhouder waar Tim Fransen in een artikel in de Volkskrant over spreekt. Fransens boekhouder gaf hem te kennen dat hij in aanmerking kwam voor vierduizend euro ondersteuning als tegemoetkoming in de schade door corona. Fransen gaf aan dat hij daar geen gebruik van wilde maken omdat hij voldoende reserves had en schrijft vervolgens: “‘Maar’, stamelde mijn boekhouder, ‘je hebt er toch recht op…?’” Fransens gedrag wijst op een sterke sociale binding: hij wil alleen een beroep doen op het ‘samen’ als de nood er is. Hij ziet de tijdelijke ondersteuning niet als een recht, maar als een laatste resort als hij het zelf niet meer kan trekken. Het maakt uit of je een bijstandsuitkering ziet als een ‘toedeling’ zoals nu het geval is, of als een ‘gift’. Beide vormen verzwaren de relatie. Bij een toedeling plaatst degene die toedeelt zich echter boven de ontvanger, hij brengt hiërarchie aan. Bij een gift wordt de relatie verzwaard zonder dat er sprake is van hiërarchie. Hiërarchie past slecht bij onze huidige liberale samenleving omdat het mensen verdeeld. Dit lag in vroeger eeuwen anders. Een overheid die nu het ‘samen’ wil vormgeven, moet dat in het achterhoofd houden bij alles wat zij doet.

Uitgelicht

Markt, overheid en/of samenleving

 “Daarmee laten de partijen zich vangen door het achterhaalde concept van de vorige eeuw: markt versus overheid. Terwijl ‘méér samenleving’ het echte antwoord biedt.” Aldus Richard de Mos en Bert Blase van de politieke partij Code Oranje in een artikel bij Joop. Meer samenleving, dat is hun antwoord, niet ‘meer overheid’ tegenover ‘de markt’. Een bijzonder betoog. Zo pleiten ze voor: “het organiseren van burgertoppen en burgerjury’s.” Naar aanleiding van een oproep een ‘klimaatburgerberaad’ te houden, heb ik recentelijk drie Prikker gewijd aan het ‘burgerberaad’, de democratie en het belang voor de democratie van, naar de woorden van Pierre Rosanvallon, de tegendemocratie dus dat ga ik nu niet meer doen. Nee, bijzonder om een andere reden.

File:Seacon Stadion - De Koel.jpg
Bron: WikimediaCommons

De auteurs schetsen een soort driehoek met in de punten de markt, de overheid en de samenleving. Punten die met elkaar concurreren. Volgens de auteurs moet de punt ‘samenleving’ worden versterkt: “Voorbij de hokjesgeest van links en rechts Omdat de samenleving dit wil én het voor het zeggen heeft.” Nu vraag ik me af hoe de auteurs weten wat ‘de samenleving wil’. De samenleving is net zo diffuus als het begrip volk. De samenleving is overal en nergens. Het is: “het geheel van de met elkaar verkerende mensen,” aldus de Van Dale. En mensen verkeren op zeer veel verschillende manieren met elkaar. Zo verkeer ik, in coronatijden helaas onmogelijk, geregeld met andere aanhangers van VVV in stadion De Koel, maar ook met mijn softbalvrienden van De Mustangs. Voor mijn werk verkeer ik als zzp-ende beleidsadviseur in wisselend gezelschap. Ik verkeer in Venlo, Limburg, Nederland, de Europese Unie en de wereld. Dit even terzijde.

Terug naar de driehoek van de auteurs waarvan de punt ‘samenleving’ moet worden versterkt via de ‘burgertoppen’ die: “eigenaar van concrete vraagstukken,” moeten worden gemaakt. Hier begint het bijzondere. De inwoners moeten eigenaar worden van concrete vraagstukken. Maar beste auteurs, de inwoners van dit land zijn al eigenaar van alle maatschappelijke vraagstukken. Vraagstukken zoals de klimaatverandering, de zorg, de aanpak van het coronavirus zijn ‘onze’ vraagstukken. Vraagstukken die we op twee manieren kunnen aanpakken: samen of als individu en daarmee zijn we aanbeland bij de twee andere hoekpunten van de driehoek: de overheid en de markt.

Laat ik met de overheid beginnen. De overheid is van ons, de inwoners van dit land. Ze is niet van zichzelf, van de koning of wie dan ook. Ja, in vroeger tijden was dat anders, toen was de overheid slechts van een klein deel van ons en zelfs van slechts één persoon. Nu is de overheid van ons. Het is ons, om het zo te zeggen, instrument om vraagstukken samen aan te pakken. Vraagstukken die we samen willen of moeten aanpakken. Een van de eerste ‘vraagstukken’ die, in het gebied dat nu Nederland heet, samen werd aangepakt, was de bescherming tegen het water. Via de overheid kunnen we ervoor zorgen dat: “het prijsmechanisme ten gunste gaat werken voor onze maatschappelijke doelen, in plaats van haaks erop,” iets wat de beide auteurs graag willen. Immers alleen de overheid kan wetten vaststellen en belasting heffen.  

Dan de markt, is die niet ook van ‘ons’ de inwoners van dit land? Is de markt niet het middel waarmee we vraagstukken aanpakken die we niet samen willen oppakken? Niet samen omdat we de eigen keuze bij dit vraagstuk belangrijk vinden. Zo belangrijk dat we niet willen dat anderen die keuze mede voor ons maken.

Creëren de auteurs hier tegenstellingen die er niet zijn? ‘Markt’ en ‘overheid’ vormen geen driehoek met of staan niet tegenover ‘samenleving’, het zijn instrumenten die wij, de samenleving, kunnen gebruiken om verdelingsvragen te beantwoorden.

Uitgelicht

Kerkgebouw en godsdienstvrijheid

 Op de site van de NOS las ik het bericht dat er in verschillende kerken in het land meer dan dertig mensen aanwezig waren. Soms wel meer dan 200. “Wij willen ons aan Gods woord houden om de onderlinge bijeenkomsten niet na te laten,” aldus een bestuurder van een kerk en vervolgt:“ Wij hebben zo’n grote kerk. Met tweehonderd man erin heb je bijna een verrekijker nodig om elkaar te zien.” Kerken beroepen zich hierbij op de vrijheid van godsdienst. Hierbij krijgen ze bijval van onze regering. Dat de overheid zich niet mag bemoeien met jouw godsbeleving, staat buiten kijf. Een niveau hoger mag de overheid zich niet bemoeien met de leer van een godsdienst en met de benoeming of aanwijzing van voorgangers. Of dit zich ook uitstrekt tot hoeveel mensen er in een kerkgebouw mogen, waag ik ernstig te betwijfelen.

File:Kerk - Venlo - 20241198 - RCE.jpg - Wikimedia Commons
Joriskerk Venlo. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed via WikimediaCommons

Ik ben geen rechtsgeleerde en ook geen specialist Grondwet. Dus wellicht kan een specialist op dit gebied, mij aanvullen, corrigeren of verklaren dat ik grote onzin verkondig. De maatregel om maar dertig man in een gesloten ruimte toe te laten ter bestrijding van het coronavirus, bemoeit zich niet met de inhoud van de godsdienst. Ze bemoeit zich alleen met het gebruik van het gebouw. En laat dat nu iets zijn waar een overheid zich al mee bemoeit. Tot medio 2010 moest iedereen die een gebouw wil (gaan) gebruiken waarin mensen komen, een gebruiksvergunning hebben. In die vergunning werd geregeld hoe het gebouw gebruikt mocht worden, wat er wel en niet mocht en hoeveel mensen erin mochten. Nu is deze vergunning onderdeel geworden van een omgevingsvergunning. Ook kerken ontkomen hier niet aan. Hoeveel mensen mogen erin en hoe zit het met vluchtroutes? Voor de bouw van een nieuwe kerk of moskee moet je ook een omgevingsvergunning aanvragen.

Als VVV-gelovige zou ik de kerkbestuurder na kunnen zeggen dat ‘wij onderlinge bijeenkomsten niet willen nalaten om de voetbalgoden te eren’. Waarna een voetbalhater Karl Marx kan parafraseren maar de geest van diens uitspraak wel in ere houdend kan zeggen: voetbal is opium voor het volk. Mijn voetbalclubje VVV heeft voor haar activiteiten ook zo’n vergunning om haar wedstrijden te kunnen spelen in stadion De Koel. In die vergunning staan vast ook hoeveel bezoekers en maximaal in het stadion mogen. Alleen heeft de club er nu niets aan omdat gebruik, zoals in die vergunning is opgenomen, nu niet mag. Er mag wel gevoetbald worden, maar ik en met mij alle andere fans mogen er niet bij zijn. Het ‘gebruik’ van De Koel is tijdelijk niet mogelijk zoals het in die vergunning is opgenomen. Zo kan ook het ‘gebruik’ van een kerk tijdelijk worden aangepast. Er wordt een dienst gehouden waarbij nog dertig mensen mogen zijn. De vrijheid van godsdienst wordt hierdoor niet aangetast. Het enige wat wordt beperkt is het gebruik van het gebouw.

Dit handhaven hoeft geen probleem te zijn. Daarvoor hoeft de kerk niet te worden betreden. Daarvoor hoeft alleen maar te worden gecontroleerd hoeveel mensen er naar binnen of naar buiten gaan. Zijn dat er meer dan dertig, dan wordt de uitbater van het gebouw, het kerkbestuur, beboet. Dit is geen boete op het uitoefen van een religie maar op het overtreden van de regels voor gebruik van het gebouw. Bij herhaaldelijke overtreding, kan het gebouw voor bezoekers worden gesloten. Let wel voor bezoekers, de pastoor of dominee kan er nog steeds een dienst in verzorgen. Een dienst die via een livestream kan worden uitgezonden.