Uitgelicht

‘De bedoeling van het kapitalisme’

Volgend jaar in maart zijn er weer verkiezingen voor de Tweede Kamer. Alle partijen bereiden zich hierop voor. Bij die voorbereidingen hoort ook het schrijven van een verkiezingsprogramma. De ene partij , zoals de PVV van Wilders in 2017, doet dat met een A-viertje met wat losse kreten, de andere stelt een boekwerk samen. De VVD behoort tot de laatste groep. Het nieuwe verkiezingsprogramma is net geen honderd pagina’s dik. Voor een Ballonnendoorprikker zijn die programma’s een feest. Een feest omdat ze aanknopingspunten bieden om wat spelden in een ballon te prikken.

Bron: WikimediaCommons

Ik hoefde niet veel te lezen om een aanleiding te vinden. Sterker nog, de eerste zin vraagt al om wat spelden. “Het ging weer goed met Nederland.” Met die woorden begint het boekwerk om te vervolgen met: “Na een zware financiële crisis vonden steeds meer mensen een baan, stegen de lonen en daalden de belastingen. Op allerlei internationale lijstjes van waar mensen het meest welvarend, gelukkig, gezond en vrij waren stond Nederland in de top.” Nu meen ik me toch te herinneren dat er in geen tijden meer zoveel is geprotesteerd en gedemonstreerd als in 2019. Het klimaat baarde zorgen en leidde tot protesten om maatregelen te nemen. De voorgestelde maatregelen leidden weer tot protesten en boosheid bij boeren en bouwers. De leraren, de verpleegkundigen en de politieagenten klaagden over de vervallen staat van de publieke zaak. De affaire rond de kinderopvangtoeslag werd in volle omvang duidelijk en leidde tot een onderzoek naar alle uitvoerende diensten. Omdat er ook ‘affaires’ waren bij de Sociale Verzekeringsbank en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Je zou zomaar kunnen beweren dat het juist niet goed ging. Maar deze laat ik voor nu even passeren.

Ik wil het nu hebben over een zin bovenaan op de zevende pagina onder het kopje Hoe blijven we rechtvaardig? Daar is het volgende te lezen: “De overheid zal de rafelranden van het kapitalisme actief bij moeten schaven om ervoor te zorgen dat onze liberale markteconomie werkt zoals het kapitalisme bedoeld is.” Nu zul je je afvragen wat er zo bijzonder is aan deze zin. Wellicht ben je zelfs blij dat de VVD eindelijk erkent dat er geschaafd moet worden aan de, zoals de partij het noemt, ‘rafelranden van het kapitalisme.’ En ja, het doet ook mij deugd dat de VVD dat erkent. Toch is er iets met die zin. De reden waarom er, volgens de VVD geschaafd moet worden is, dat ‘onze liberale markteconomie’ moet werken ‘zoals het kapitalisme bedoeld is’.

Een bijzonder woord, de bedoeling. Theo Maassen besteedt er een paar minuten aan in zijn voorstelling Functioneel naakt. Wat is de bedoeling van iets? Meestal bepaalt degene die iets uitvind de bedoeling ervan. Zo beoogt de Ballonnendoorprikker, en beogen is een ander woord voor bedoelen: “kromme redeneringen en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak te stellen, door te prikken en de lezer aan het denken te zetten.”  Dat een uitvinder een bedoeling heeft met iets, is echter geen garantie dat de uitvinding ook ‘als bedoeld’ wordt gebruikt. Neem John Smith Pemberton. Wie? Zul je zeggen. Zelfs als deze naam je niets zegt, dan nog ken je zijn uitvinding. Pemberton is namelijk de geestelijk vader van coca cola de meest bekende frisdrank van de wereld. Hij vond het drankje echter niet uit als frisdrank. Pemberton was op zoek naar een pijnstiller, een geneesmiddel. Hij was gewond geraakt in de Amerikaanse burgeroorlog en door die wond verslaafd aan morfine. Hij zocht naar een ander middel dan het verslavende morfine en dat werd coca cola. Coca cola is niet het enige product dat anders wordt gebruikt dan de uitvinder het bedoelde. De uitvinders van viagra waren op zoek naar een middel tegen angina pectoris ook wel hartkrampen genoemd.

Terug naar het kapitalisme en de vermeende bedoeling ervan. De uitspraak in het VVD verkiezingsprogramma is bijzonder. Bijzonder omdat het kapitalisme kennelijk een bedoeling heeft. Dat er ooit iemand is geweest die het ‘kapitalisme’ uitvond en erbij zei: ‘en dit is de bedoeling ervan’. Nu kun je zoeken tot je een ons weegt, een ‘uitvinder’ van het kapitalisme zul je niet vinden. Wat je wel vindt, zijn mensen die over kapitalisme schreven. Mensen die de situatie in hun tijd beschreven en die dat wat ze zagen de naam ‘kapitalisme’ gaven. Die mensen schreven over wat wij nu ‘economie’ noemen en wat de Van Dale omschrijft als: “het geheel van de financiële voorzieningen, de handel en industrie van een land.” Ze schreven over iets wat ze zagen, gaven het een naam en kenden er een ‘bedoeling’ aan toe. En nog steeds zijn er mensen die dit doen. Alleen komen de ‘bedoelingen’ die ze eraan geven niet altijd overeen.  Zo ziet de ‘vader van de economie’ Adam Smith, een heel andere bedoeling dan Karl Marx. Hun ‘bedoeling’ is afhankelijk van hun kijk op de samenleving. Of om het anders te zeggen: de bedoeling die zij het kapitalisme geven, is afhankelijk van de bedoeling die zij met hun werk hebben.

Bedoelingen met iets heb je voordat je aan iets begint. Waarschijnlijk bedoelt de VVD dat de ‘liberale markt economie’ moet werken zoals zij vinden dat het ‘kapitalisme het bedoeld heeft’? Bijzonder is dan wel dat de VVD sinds 1977 bijna onafgebroken heeft gewerkt aan ‘kapitalisme zoals het niet was bedoeld’. Sinds dat jaar heeft de VVD, afgezien van een korte periode 1981-1982 en een iets langere periode tussen 2007 en 2010, permanent geregeerd. Trouwens vanaf 1945 tot 1977 zat de VVD meer dan de helft van de tijd in de regering. Heeft de partij al die tijd gewerkt aan iets wat niet de bedoeling was?

Uitgelicht

Goden, profeten, heiligen en mensen

Het zal jullie niet ontgaan zijn dat er een petitie is gehouden om het beledigen van profeten strafbaar te stellen. Die petitie is meer dan 120.000 keer ondertekend en speelde een belangrijke rol in een volledig ontspoort Kamerdebat over de vrijheid van meningsuiting. Dat Kamerdebat ging over van alles, behalve over de inhoud van de petitie. Over de commotie wil ik het niet hebben. Ook niet over het grondwettelijke: “recht verzoekschriften bij het bevoegd gezag in te dienen,” zoals artikel 5 van de Grondwet het omschrijft. Ik wil het over de inhoud hebben.

Psychics, Crystal Ball, Waarzegster, New Age, Rondje
Bron: Pixabay

Het recht om een verzoek in te dienen heeft iedereen, dus ook een oproep aan de overheid om: “het beledigen van de profeet (zelfs alle profeten) strafbaar te stellen.” Dit omdat het, volgens de opstellers en ondertekenaars van de petitie: “een tekort aan fatsoen (is) en leidt ook nog eens tot maatschappelijke spanningen alsook het structureel beledigen van moslims.” Het fatsoen en het beledigen van mensen in het algemeen, laat ik passeren. Het gaat mij puur om het verzoek om het: “beledigen van de profeet (zelfs alle profeten) strafbaar te stellen.”

Een discussie over het strafbaar stellen van beledigen van de profeet moet gaan over de vraag wat we strafbaar stellen als de petitie in een wet wordt vertaald. Wat mag dan niet meer? In dit geval dus het beledigen van ‘de profeet (zelfs alle profeten). Voordat we een antwoord geven op die vraag, moet eerst duidelijk zijn wie of wat een profeet is. Aangezien we in Nederland wonen en leven, is het eerste boek dat we hiervoor moeten raadplegen, het woordenboek. De Van Dale geeft twee betekenissen. Als eerste: “een door God geïnspireerd heilig man.” Nu lopen er veel door welke god dan ook geïnspireerde mensen rond. Het lijkt mij niet dat we alle aanbidders van welke god dan ook niet meer mogen beledigen.

Het kernwoord in deze betekenis is ‘heilig’. Daarom maar weer de Van Dale geraadpleegd. Vier betekenissen. Het wordt er daarmee niet makkelijker op. Dat is niet erg want als de geschiedenis ons iets leert dan is het dat we mensen met ‘simpele oplossingen’ moeten wantrouwen. De eerste betekenis van heilig is: “zonder zonde; rein, volmaakt.” Wie is er zonder zonde? Niemand als ik de twee gereformeerde docenten mag geloven waarover ik in mijn vorige Prikker schreef want iedereen is: “op de één of andere manier van Gods doel afgeweken.” Immers wat gods doel is, wordt door de aanhangers ervan zelden tot nooit eenduidig uitgelegd. Daarom kennen de grote godsdiensten ook zoveel verschillende stromingen.

Wellicht biedt de tweede betekenis van heilig aanknopingspunten: “eerbiedwaardig, verheven.” Nu zijn er zeer veel mensen die op een of andere manier boven anderen uitsteken. Zo steekt Usain Bolt boven iedereen uit omdat hij de snelste mens over honderd meter is. Alleen weten we dat niet zeker, want vroegere hardlopers, liepen niet onder dezelfde omstandigheden en met dezelfde materialen als Bolt. Bovendien konden we het gros van het menselijk bestaan op aarde de tijd niet meten en zeker niet zo nauwkeurig als tegenwoordig. Dus we weten niet zeker dat er niet ergens iemand heeft geleefd die sneller was dan Bolt. Napoleon stak boven alle andere veldheren uit. Tenminste in zijn tijd. Hoe hij het zou hebben gedaan tegen Dzjengis Khan, Caesar of Alexander de Grote zullen we nooit weten. Verheven zijn is daarmee arbitrair. Net zoals trouwens ‘eerbiedwaardig’. Want over wie eerbied waard is, kunnen we enorm van mening verschillen.

De derde betekenis van heilig is “heilig verklaard”.  Met daarbij “rooms-katholiek” en als toelichting: “als paus een uitspraak doen waardoor iemand in het vervolg als heilig wordt vereerd.” Als we deze verklaring volgen dan bepaalt de paus in Rome wie er heilig is en dus wie we niet mogen beledigen. Nu heeft de katholieke kerk een verleden waarin mensen die in iets anders geloofden, werden vervolgd en gedood. Daarmee zou ik het laten bepalen wie mag worden beledigd niet graag bij de paus laten.

Als laatste geeft de Van Dale: “onkreukbaar, onverbreekbaar,” als betekenis van heilig. Onze wereld kent veel rechtschapen en integere mensen, want dat is wat onkreukbaar betekent. Al zullen ook die allemaal wel eens een moment van zwakte hebben en, zoals de beide gereformeerde docenten uit mijn vorige Prikker het schreven, ‘van gods doel afwijken.’

Daarmee zijn de betekenissen van ‘heilig’ uitgeput en zijn we nog geen stap dichter bij het bepalen van wie een profeet is. Niet dichterbij omdat iedereen en niemand profeet kan zijn. Wellicht biedt de tweede betekenis van profeet betere aanknopingspunten: “iemand die de toekomst voorspeld.” Ah, Nostradamus en Karl Marx zijn profeten. De een voorspelt met zijn kwatrijnen, als je zijn aanhangers moet geloven, de toekomst. De andere ‘ontdekte’ de wetmatigheid in de geschiedenis die ons zal leiden naar een paradijs op aarde. Maar hoe zit het dan met economen en andere sociale wetenschappers die met hun modellen de toekomst voorspellen? En nog een stapje verder: de ‘glazenbollen voorspellers’ op kermissen en in de nachtelijke tv-uren?

Ook met de tweede betekenis van ‘profeet’ komen we niet verder. Die betekenis maakt het er ook niet makkelijker op om te bepalen welke profeten dan tegen belediging moeten worden beschermd door een wet. Als het niet lukt in het algemene, dan maar het bijzondere? De indieners van de petitie hebben één profeet in het bijzonder op het oog, ze spreken immers niet voor niets van ‘de profeet’. Nu is het vreemd om alleen die profeet te vrijwaren van beledigingen en niet profeten van andere religies. Dus iedere religie mag één profeet aandragen? Dat wordt dan een heel lange lijst. Want wie bepaalt wat een religie is en wie mag vervolgens bepalen wie die ene profeet is die namens die religie op de lijst moet? Bovendien word je te pas en te onpas toegeroepen dat je in jezelf moet geloven. Ik zal mezelf er dan ook maar meteen voor aanmelden. Als ‘diep gelovige in mezelf’, zie ik mezelf als een ‘belangrijk profeet’ voor mezelf. Nee, mezelf aanmelden lijkt mij geen goed idee. Ik ga mezelf niet ‘heilig’ verklaren.

In het verlengde daarvan wordt het onmogelijk om een wet aan te nemen die ‘profeten’ beschermt tegen belediging. Immers over tot de ‘profeten’ gerekend moeten worden, kun je hele (vooral heilige, al kan ik dat woord slecht plaatsen in dit kader) oorlogen voeren. Ik weet niet of we daarbij gebaat zijn. Ik vraag me trouwens af waarom fervente aanhangers van welk ‘almachtig opperwezen’ met bijbehorende profeten dan ook, bescherming zoeken bij de wetgever? Als dat opperwezen werkelijk almachtig is, zou dat dan niet voor de eigen belangen kunnen opkomen? Zou dat opperwezen bescherming nodig hebben van de aardse wetgevers en van aardse ‘rechtvaardigheidsridders’ die in naam van dat ‘opperwezen’ straffen? Sterker nog, als er werkelijk zo’n ‘almachtig opperwezen is’ zou dat dan niet ook de ‘beledigers’ die niet geloven aan een touwtje hebben? Zouden de ‘beledigende niet gelovigen’ geen middel kunnen van het almachtige opperwezen? Een middel om de kracht en het geloof van de gelovigen te testen. Om te testen of ze de barmhartige uitgangspunten van het geloof ook toepassen op ongelovigen?

Uitgelicht

God en vrijheid

 Ja. Dat is het korte en simpele antwoord op de vraag die G. van Veldhuizen en A. Heemskerk aan het eind van hun artikel in Trouw stellen. De auteurs zijn docenten in het voortgezet onderwijs en werken op een school met een reformatorische grondslag. De vraag waarop ja het antwoord is, luidt: “Als wij God en Zijn Waarheid maar mogen houden.” Jullie mogen ‘God en zijn Waarheid’ houden. Net zoals iedere andere persoon het recht op een eigen god met bijbehorende waarheid, of alleen een eigen waarheid mag hebben en houden. Ik vraag me af of de beide auteurs vinden dat mensen ook zonder god hun waarheid mogen hebben. Het lijkt erop alsof zij god boven de wet plaatsen. En vervolgens de wet vanuit hun god uitleggen.

God, De Heer, Oorlog, Harmonie, Verschijning
Bron: Pixabay

Ze schrijven: “Godsdienst is God dienen. Hem op de eerste plaats zetten.” Tot zo ver niets bijzonders. Iemand zonder god hoeft god niet op de eerste plaats te zetten. Dat wordt het als ze hun betoog vervolgen en van het individuele naar het algemene gaan: “Het spreken over ‘vrijheid van godsdienst’ kan alleen binnen die context.” Beweren de beide auteurs dat spreken over godsdienstvrijheid alleen kan door god te dienen en hem op de eerste plaats te zetten? Betekent dit dat iemand die geen god aanhangt geen godsdienstvrijheid heeft? Dat is wel een heel bijzondere uitleg van godsdienstvrijheid.

Nu is het eigen aan gelovigen dat ze de wet van hun god het allerbelangrijkste vinden: die moeten ze volgen. In een land waar iedereen dezelfde god aanhangt en dat ‘aanhangen’ ook op eenzelfde manier doet, kan ‘godswet’ ook de ‘landswet’ zijn. Dat wordt alleen heel erg lastig in een land als Nederland waar mensen wonen die verschillende goden aanhangen en een heel grote groep zelfs geen god aanhangt. Trouwens niet alleen worden er verschillen goden aangehangen. Ook de aanhangers van eenzelfde god, hangen die op verschillende manieren aan. Als in zo’n land ieder de regels van zijn eigen god volgt, dan wordt het een puinhoop.

Onze grondwet bepaalt in artikel 6 in het eerste lid de godsdienstvrijheid: “Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” En in tegenstelling tot de dienst aan god, bepaalt dit artikel de context van de godsdienstvrijheid. Het artikel bepaalt dat iedereen zijn eigen god mag dienen maar dan wel binnen de door de overheid gestelde wetten. God, en vooral zijn aanhangers in dit land, hebben zich aan de wet te houden. Of zoals het in de toelichting op dit artikel staat: Het artikel staat toe dat de wetgever bepaalde ontoelaatbare gedragingen, ook indien die een uiting zijn van godsdienstig of levensbeschouwelijk belijden, strafbaar stelt.” Wat ontoelaatbare gedragingen zijn, bepaalt de wetgever, niet god of zijn vertegenwoordigers op deze aardkloot. Haat zaaiende en tot geweld oproepende dominees, pastoors, rabbijnen en imams kunnen worden aangepakt en kunnen zich niet verschuilen achter hun god.

“Als wij vrijheid van godsdienst hebben, mogen individuele ouders kiezen voor een school waar hun overtuiging vrij uitgedragen wordt. Nederland is geen dictatuur van de meerderheid.” Zo vervolgen ze hun betoog. Inderdaad is Nederland geen dictatuur van de meerderheid. Trouwens ook niet van de minderheid. En ja, ouders mogen zelf een school voor hun kind kiezen waar hun overtuigingen uitgedragen worden. Ik laat hier bewust één woord weg dat de beide auteurs wel gebruiken, namelijk het woord ‘vrij’. Overtuigingen mogen, zo zagen we hierboven, worden uitgedragen binnen de grenzen van de wet. Die wet begrenst het ‘vrij uitdragen’ van geloofsovertuigingen.

En dan komen we bij de aanleiding voor hun artikel: “Onze scholen zijn in het nieuws gekomen omdat homoseksualiteit daar afgewezen zou worden. Daar wordt veel omheen gedraaid, maar laten we maar even duidelijk zijn: dat klopt en dat wist iedereen allang.” Volgens de beide auteurs is dit geen discriminatie: “Wij wijzen namelijk nooit één enkele groep af, wij wijzen steeds weer zowel onszelf als ook alle anderen af, omdat we allemaal op de één of andere manier van Gods doel afgeweken zijn.” En daarom zien ze: “geen andere mogelijkheid dan om homoseksualiteit af te wijzen op grond van de Bijbel, maar op grond van datzelfde Woord wijzen we evenzogoed een kerkgang af die alleen maar vanuit gewoonte is, omdat die dan geen liefdedienst is.” Een bijzonder redenering: we discrimineren niet als we homo’s afwijzen omdat we iedereen afwijzen inclusief onszelf. Alsof er niet een verschil is tussen iets wat een keuze is, kerkgang uit gewoonte, en iets wat geen keuze is, homoseksualiteit. Dat de gereformeerde god homoseksualiteit afwijst en dat de beide auteurs dat ook doen, staat hen vrij. Dat zijn hun persoonlijke opvattingen. En een dominee mag dat zelfs vanaf de kansel prediken.

Dit afwijzen wordt echter een probleem als het op scholen wordt onderwezen in andere dan de godsdienstlessen. Het wordt dus een probleem als schoolbesturen dit afwijzen. Het staat scholen niet vrij te onderwijzen wat zij willen. En artikel 23 van de grondwet dan, dat regelt toch de vrijheid van onderwijs? Hoor ik al mensen roepen. Dat artikel wordt inderdaad gekoppeld aan de ‘vrijheid van onderwijs’. Dat is echter iets anders dan de ‘vrijheid om te onderwijzen wat je wilt’. Die vrijheid is er niet. Het eerste lid van dit artikel luidt niet voor niets: “Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.” In het tweede lid wordt die ‘zorg’ nader toegelicht: “Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.” Deze zorg betreft alle scholen. Openbare scholen moeten hierbij ‘ieders godsdienst of levensovertuiging eerbiedigen’ en bijzondere scholen, zoals de gereformeerde school van de beide auteurs, moeten voldoen aan ‘eisen van deugdelijkheid’. En die eisen worden door de wetgever bepaald. Als de wetgever bepaalt dat mensen afwijzen op basis van seksuele geaardheid niet mag, dan mogen scholen dat ook niet. Dan moeten zelfs de beide auteurs die homoseksualiteit afwijzen, onderwijzen dat het afwijzen van iemand op basis van zijn geaardheid niet mag.

Uitgelicht

Identiteit en de opdracht van het onderwijs

NEE. Nee? Ja, nee! Nee, atheïsme hoeft dan niet de voorgeschreven identiteit te worden van alle scholen. Dat is het korte antwoord op de vraag die hulpbisschop Rob Mutsaers in een artikel in de Volkskrant stelt. In mijn vorige Prikker schreef ik ook over dit artikel en concentreerde ik mij op de vrijheid van meningsuiting die voor iedereen geldt, maar niet voor een minister. In het artikel echter nog een bijzondere passage: “Verlos het onderwijs van religie’, aldus Bert Wagendorp. Moet dan het atheïsme dwingend de voorgeschreven identiteit van alle scholen worden? Hoe neutraal is dat?”  Met het antwoord op deze vraag begon ik.

File:Kinderen krijgen onderwijs in de school van het koninklijk Deens ballet, Bestanddeelnr 252-9215.jpg
Bron: WikimediaCommons

Bijzonder om de hulpbisschop het pleidooi voor het behoud van het bijzonder onderwijs te zien onderbouwen met een beroep op het begrip ‘identiteit’. Bijzonder omdat hij in zijn artikel, naar mijn mening terecht, betoogt dat identiteitspolitiek de dood in de pot is. Dit omdat mensen tegen elkaar worden opgezet. Zouden op ‘identiteit’ gebaseerde scholen daar dan niet een bijdrage aan leveren? Nu is ‘identiteit’ een bijzonder begrip. Ik schreef er eind vorig jaar een uitgebreide Prikker over. Het kwam er in het kort op neer dat ‘identiteit’ een verhaal is om mensen te binden. Maar dat wat mensen bindt, sluit anderen uit. En het wordt een probleem als mensen die verhalen zwaar en serieus nemen. In die Prikker citeerde ik Kwame Anthony Appiah omdat ik zijn opvatting over identiteit bijzonder waardevol vind: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” En daarmee kom ik weer terug bij de vraag van Mutsaers en mijn antwoord. Nee, atheïsme moet niet de ‘dwingend voorgeschreven identiteit’ van alle scholen worden. Wat dan wel? Misschien wel niets, is mijn antwoord. Misschien is het wel aan te bevelen om scholen in het geheel geen ‘identiteit’ te laten hebben?

Geen katholieke, protestantse, joodse, islamitische scholen. Nee allemaal openbare scholen. En nee, op die openbare scholen wordt niet ‘het atheïsme gepredikt’. Op die scholen krijgen onze kinderen wereldoriëntatie waarbij ze kennis maken met alle manieren waarop mensen naar de wereld kunnen kijken. Al die manieren worden op eenzelfde manier gebracht en wel zo dat ze de leerling uitnodigen om zelf na te denken. Om kritische vragen te stellen en de wereld om hen heen ter discussie te stellen. Scholen waar ze leren de kinderlijke nieuwsgierigheid te koesteren zodat ze steeds die ‘waarom-vraag’ blijven stellen waar je als ouder soms moe van wordt.

Sterker nog, en dan kom ik bij een interview van Samira Bouchibti in de Volkskrant, wereldoriëntatie moet het enige doel van het onderwijs zijn. Bouchibti: “Leerlingen moeten zich leren uiten … We moeten ze sociaal weerbaar maken, leren discussiëren. Hoe kom je met elkaar in gesprek? Hoe laat je iemand uitpraten? Hoe zeg je op een respectvolle manier dat je het niet eens bent met de ander?” Zij brengt dit in praktijk in de gastlessen die ze op scholen verzorgt. Terecht concludeert Bouchibti: “Scholen zouden veel meer tijd aan burgerschap moeten besteden. Met twee uurtjes maatschappijleer per week red je het niet. Burgerschap moet een thema worden dat verweven zit in het hele onderwijs, niet alleen in geschiedenis en maatschappijleer. Tijdens Nederlands kun je een boek pakken over de vrijheid van meningsuiting. De wiskundeleraar kan er een Arabische wiskundige bij pakken, zodat leerlingen niet denken dat alle Arabieren terroristen zijn.”

Zouden we niet nog een stap verder moeten gaan dan ‘burgerschap’ tot een thema maken? Moet ‘Burgerschap’ of zoals ik het hierboven noemde, wereldoriëntatie, niet hét doel of met andere woorden de maatschappelijke opdracht van in ieder geval het primair en voortgezet onderwijs worden? Niet zoals nu op de site van de PO-raad is te lezen: “Van scholen wordt meer en meer verwacht dat zij niet alleen maar lesgeven en leerlingen voorbereiden op de arbeidsmarkt, maar ook aandacht besteden aan bijvoorbeeld sociale problemen en gezondheidsissues.”  ‘Voorbereiden op de arbeidsmarkt’ suggereert dat arbeid de belangrijkste bezigheid van een mens is. Daar werd vroeger heel anders over gedacht. Neem de oude Grieken, voor hen begon het leven pas echt als je niet hoefde te werken. Ook de katholieken van bisschop Mutsaers dachten er anders over, je bent immers op aarde om god te dienen en daardoor in de hemel te komen.

‘Voorbereiden op de arbeidsmarkt’ klinkt een beetje hetzelfde als de ‘oude afspraak’ die Karl Marx zag tussen de kapitalist en de pastoor: ‘hou jij ze dom, dan hou ik ze arm.” Iets wat ook de filosofe Martha Nussbaum constateert in haar pamflet Not for Profit  waar zij de ‘armoede van het onderwijs’ aan de kaak stelt. Volgens haar is het onderwijs gericht op het verkeerde doel: “Hongerig naar winst, verwaarlozen landen en hun onderwijssystemen vaardigheden die nodig zijn om de democratie levend te houden. Als die trend doorzet, produceren landen van over de hele wereld generaties van bruikbare machines in plaats van complete burgers die zelf kunnen denken, tradities bekritiseren en die het belang inzien van andermans lijden en prestaties. De toekomst van de democratie staat op het spel (eigen vertaling). Nussbaum schreef dit pamflet in 2010. Als we de ontwikkelingen in democratische landen bekijken, zie de Verenigde Staten, dan lijkt die toekomst waar Nussbaum zich zorgen over maakt nu voor de deur te staan. Trouwens niet alleen in de Verenigde Staten, ook in Nederland wordt het normale bijzonder gemaakt waardoor het bijzondere wordt genormaliseerd zoals ik in een recente Prikker schreef.

‘Van scholen wordt verwacht dat de natuurlijke nieuwsgierigheid van kinderen stimuleren en hen begeleiden bij hun ontwikkeling naar nieuwsgierige, (zelf)kritische volwassenen.’ Zou dat niet de maatschappelijke opdracht van het onderwijs moeten zijn? Zou onze democratie en in het verlengde ervan onze samenleving daar niet bij gebaat zijn? Zou de ‘arbeidsmarkt’ trouwens niet ook beter van worden van nieuwsgierige kritische medewerkers? Want is nieuwsgierigheid niet de belangrijkste motor achter innovatie en ontwikkeling?

Daarom scholen zonder ‘identiteit’. Scholen zonder identiteit omdat die het risico vergroten dat, om Appiah te parafraseren, mensen zich vastbijten in één verhaal wat het risico om onnodige polarisatie tussen groepen vergroot.

Uitgelicht

De persoon, de minister en de opvattingen

“Waarom geldt voor Slob en de zijnen niet de vrijheid van meningsuiting?” Die vraag stelt hulpbisschop Rob Mutsaerts in een artikel in de Volkskrant. Dit naar aanleiding van Slobs later schielijk ingetrokken uitlating dat christelijke scholen ouders een verklaring mogen laten tekenen waarin ze homoseksualiteit afwijzen. In het artikel redeneert Mutsaers op bijzondere wijze.

Bron: WikimediaCommons

De hulpbisschop houdt een tirade tegen identiteitspolitiek. Identiteitspolitiek is, zo citeert hij Wikipedia: “het bedrijven van politiek vanuit de sociale identiteit van een bepaalde groep en de door deze groep gedeelde ervaring van maatschappelijk onrecht.” En dat is, zo beweert hij, de dood in de pot: “Identiteitspolitiek wordt bedreven op grond van huidskleur, seksuele oriëntatie, afkomst en geslacht. Er valt niks te kiezen. Het wordt je kwalijk genomen als je er een gesprek over wil aangaan. Ja, de mate van schuld is hooguit onderwerp van gesprek, maar tegenspraak wordt niet geduld. Een discussie wordt bij voorbaat de nek omgedraaid: terstond wordt de discriminatiekaart getrokken. Je mag er gewoon niet genuanceerd over denken.” Nu kan ik mij daar goed in vinden. Of het nu de op het giftige intersectionele denken gebaseerde identiteitspolitiek van BIJ1 is, of de op ‘eng nationalisme’ gebaseerde variant van de PVV en het FvD of welke andere variant dan ook. Ze zetten om Mutsaers woorden te gebruiken: “mensen alleen maar tegenover elkaar.” Want van welke kant ook, aanhangers van identiteitspolitiek houden: “er eenzelfde soort redenering op na: een verbeten strijd die eist dat iedereen zich aan hun opvatting onderwerpt.” Tot zover kan ik hem goed volgen. En ook in zijn conclusie dat: “Het gezamenlijk verdedigen van de grondwet van onze democratische rechtsstaat,” de enige toekomst bestendige optie is.

Dan maakt hij de sprong naar minister Slob. Mutsears: “ Van minister Arie Slob wordt geëist dat hij zich conformeert aan de heersende seculiere opvatting. Hij mag zich niet beroepen op de Bijbel.” De identiteitspolitiek is daaraan debet, zo betoogt hij. En daarmee komen we bij de vraag of voor Slob en de zijnen de vrijheid van meningsuiting niet geldt.

Het antwoord op die vraag is: JA, Slob en de zijnen mogen, net als ieder ander mens, een eigen mening hebben en die mag best zijn dat christelijke scholen zo’n verklaring mogen vragen. Slob en de zijnen mogen dat. Waar zit dan het probleem? Het probleem is dat dit niet geldt voor de minister van onderwijs. Een minister, en niet alleen die van onderwijs, heeft geen eigen mening. Zij spreken en handelen namens de overheid. Bij dat spreken en handelen moeten ze zich aan de wet houden. De verklaring die Slob eerst geen probleem vond, staat op gespannen voet, en is waarschijnlijk strijdig met de wet. De wet verbiedt immers discriminatie en zo’n verklaring heeft discriminatoire kanten. “Wat christenen overigens prima kunnen onderscheiden is de persoon en zijn opvattingen,” schrijft hij iets verderop in zijn betoog. Trouwens bijzonder knap dat hij meent dat alle christenen dit kunnen. Hij zelf lijkt geen onderscheid te kunnen maken tussen de persoon Slob en de minister Slob. Als privé persoon en zelfs als politicus mag Slob dat vinden en ook uiten. Hij is echter ook minister en de minister mag dat niet. Slob werd er als minister om gevraagd en dan moet hij het ministeriele antwoord geven. Als hij dat niet kan of wil, moet hij aftreden. Zo werkt de op onze grondwet gebaseerde democratische rechtsstaat.

Uitgelicht

Het bijzondere normaal

Het zal niemand ontgaan zijn dat er in de Verenigde Staten presidentsverkiezingen zijn gehouden. Het zal ook niemand zijn ontgaan dat de ene kandidaat, Joe Biden, volgens de regels van het spel gewonnen heeft. Het zal ook niemand zijn ontgaan dat de andere kandidaat, zittend president Donald Trump, zijn nederlaag niet lijkt te erkennen. Het zal ook niemand zijn ontgaan dat die verkiezingen mensen verleiden tot zeer bijzondere redeneringen. Bijzondere maar ook gevaarlijke. Neem Robert Raupach bij Opiniez.

Schrijfmachine, Papier, Bericht, Woord, Verkiezingen
Bron: Pixabay

Raupach: “Gevierd voormalig burgemeester van New York, Rudy Giuliani, werd zaterdag tijdens een persconferentie geconfronteerd met het feit dat de grote Amerikaanse medianetworks Biden al snel als winnaar hadden aangewezen. Terecht wees hij de aanwezige reporters erop dat niet de nieuwsmedia een winnaar uitroepen, maar officiële instanties dat behoren te doen.” Hij heeft gelijk, officiële instanties moeten de winnaar aanwijzen en niet nieuwsmedia. Dus een redelijke opmerking. Alleen lijkt hij hier te suggereren dat er iets bijzonders gebeurd terwijl het niet afwijkt van andere verkiezingen. Neem de verkiezingen van 2016. De nieuwsmedia riepen Trump uit tot winnaar en twee dagen later zat de president-elect al in overleg met de toenmalige president Obama. Op dat moment hadden de officiële instanties Trump nog niet tot winnaar uitgeroepen. Dat gebeurt in de Verenigde Staten altijd geruime tijd na de verkiezingen. Pas dan komen de kiesmannen in de verschillende staten bijeen en bepalen wie in die staat heeft gewonnen en pas dan wordt de uitslag officieel. De manier waarop Giuliani en in zijn verlengde Raupach het presenteren, lijkt het normale iets bijzonders waardoor het bijzondere normaal lijkt.

Rapauch gaat verder: “Biden leidt momenteel met 14.767 stemmen in Arizona, 20.540 in Wisconsin, 36.186 in Nevada en 11.413 stemmen in het nog niet gecallde Georgia. Deze 82.885 stemmen vertegenwoordigen maar 0,06% van de in totaal meer dan 137 miljoen uitgebrachte stemmen. Mag zo’n flinterdunne marge een zo belangrijke verkiezing beslissen?” Of de aantallen nu nog hetzelfde zijn, weet ik niet maar ik geloof meteen dat ze klopten toen Raupach zijn artikel schreef. Waar, maar niet de hele waarheid. Als je dan toch resultaten in staten bij elkaar optelt, dan moet je ze ook van alle staten optellen en niet slechts van die paar waar het spannend is. Tel je ze allemaal dan heeft Biden op het moment dat ik dit schrijf ruim vijf miljoen meer stemmen op zijn naam dan Trump. Dat is niet echt een ‘smalle marge’. Als je deze verkiezingen dan toch, zoals Raupach doet: “een referendum over Trump,” noemt, dan is de uitslag duidelijk. En zelfs al is het verschil in totaal 0,06% van de stemmen of nog minder, dan nog is dat voldoende om iemand als winnaar uit te roepen. Sterker nog. In de Verenigde Staten worden winnaars uitgeroepen die minder stemmen hebben dan de verliezer. Trump weet daar alles van. In 2016 stemden er bijna drie miljoen mensen minder op hem dan op verliezer Hilary Clinton en toch won hij eerlijk volgens de regels van het Amerikaanse spel. Ook hier presenteert Raupach het normale als iets bijzonders waardoor het bijzondere normaal lijkt.

Raupach vervolgt: “Hertelling in enkele staten en verder onderzoek naar mogelijke fraude of onregelmatigheden zijn op z’n plaats en zijn een logische stap van het Trump-kamp. Je zomaar neerleggen na zo’n 5,5 jaar vechten (voorverkiezingen en campagne meegerekend) zit niet alleen niet in de aard van het beestje, dat simpelweg ook niet tegen zijn verlies kan, maar zou ook bij de zeer loyale achterban tot onvrede leiden.”Inderdaad zal het best een logische stap zijn in het kamp Trump en het kan best zijn dat neerleggen bij verlies tot onvrede bij de zeer loyale achterban leidt. Je neerleggen bij een eerlijke nederlaag is echter ook een van de kenmerken van een democratie. En ja, ook mogelijke fraude moet worden onderzocht. Het is niet Biden die moet aantonen dat hij eerlijk heeft gewonnen, maar Trump die moet aantonen dat er gefraudeerd is. Ook hier wordt het bijzondere gepresenteerd als normaal waardoor het normale bijzonder lijkt te worden.

“Het journalistentrucje om in elk nieuwsbulletin de bijzin te vermelden: “Er zijn geen bewijzen voor fraude” gaat in de hoofden van het weinig kritische grote publiek zitten en wordt op die manier vanzelf een waarheid.” Zo gaat Raupach verder. Maar beste meneer Raupach, als er geen bewijzen zijn, zijn er geen bewijzen. En wat betreft die ‘hoofden’. Wie begon er ook al weer ver voor de verkiezingen te roepen dat hij alleen kon verliezen als er gefraudeerd werd? Wie begon er met het verdacht maken van poststemmen en procedures hieromtrent? Zou het niet kunnen dat dit in de hoofden is gaan zitten van een flink deel van het weinig kritische iets kleinere publiek van fervente Trumpaanhangers? En weer wordt iets normaals als bijzonder gepresenteerd waardoor het bijzondere normaal lijkt.

Waarin deze verkiezingen echt afwijken van eerdere is dat de verliezende kandidaat zijn nederlaag niet erkent. Vier jaar geleden erkende Hilary Clinton na een dag haar nederlaag terwijl ze meer stemmen haalde dan haar tegenstander. Trump weigert dit en vecht de uitslag, het proces, de stembiljetten en alles eromheen aan. Sterker nog, hij wist al weken zo niet maanden tevoren dat er ‘fraude was gepleegd’. Dat is zijn goed recht, maar maakt het nog niet ‘normaal’.

Het normale bijzonder laten lijken en het bijzondere normaal is een gevaarlijke ontwikkeling.

Uitgelicht

Trump, Adam Smith en Alejandro Valverde

“Een jong kind heeft geen zelfbeheersing. Welke emoties het ook heeft, vrees, verdriet of boosheid, altijd tracht het door zo hard mogelijk te schreeuwen de aandacht van zijn kindermeisje of ouders te trekken.”  Toen ik deze zin gisteren las, moest ik denken aan de eerste toespraak van Trump na de verkiezingen van afgelopen dinsdag de derde november. Ik zag een bang, boos, verdrietig of combinaties van deze drie, persoon die om aandacht vroeg. Alleen was het geen kind maar een man van vierenzeventig die al vier jaar president is van het machtigste land van de wereld. Een man die door velen wordt gezien als een krachtige persoonlijkheid en leider. Zou Smith dat ook zo zien?

Eigen foto

Deze zin schreef de Schotse moraalwetenschapper en vader van de economische wetenschappen Adam Smith in zijn andere belangrijke maar veel minder bekende werk in 1759. Dit boek is recentelijk voor het eerst in het Nederlands vertaald met als titel De Theorie over morele gevoelens. In dit boek gaat Smith op zoek naar het ontstaan en functioneren van de moraal. Moraal is, om het heel kort samen te vatten, het evenwicht tussen de behoefte aan sympathie en de angst voor afkeuring of onbegrip. Kinderen hebben nog geen besef van moraal, ze kennen het evenwicht nog niet. Dat leren ze terwijl tijdens het opgroeien. “Zolang het kind onder de hoede is van deze partijdige beschermers, is boosheid de eerste en wellicht ook enige gemoedsaandoening die het geleerd wordt te beteugelen,” zo vervolgt Smith de zin waarmee ik opende. Hoe het kind dat leert, zo was het tenminste in het midden van de Achttiende eeuw: “Die zijn vaak omwille van hun gemak genoodzaakt om het met luidruchtige dreigementen vrees aan te jagen en zodoende tot bedaren te brengen en de gemoedsaandoening die het kind bij wijze van spreken aanzet tot de aanval, wordt nu in toom gehouden door de gemoedsaandoening die het kind leert om zich te bekommeren om de eigen veiligheid.” Een moderne opvoedkundige zal daar anders over denken en betogen dat ‘vrees aanjagen’ niet de beste strategie is in de opvoeding van een kind. Dat een kind moet leren om boosheid, maar ook vrees en verdriet te beteugelen, staat buiten kijf. Mensen die om niets in woede of om een klein sneetje in hun duim in huilen uitbarsten zijn niet de meest prettige mensen om mee in gezelschap te verkeren en blinken niet uit in stabiliteit.

Smith vergelijkt vervolgens hoe zwakke en krachtige persoonlijkheden met tegenslag omgaan. Iemand met een zwakke persoonlijkheid geeft zich: “eerder over aan zuchten, tranen en geweeklaag, en tracht als een kind dat nog niet naar school gaat een bepaalde harmonie tot stand te brengen tussen zijn eigen verdriet en het medelijden van de bezoeker – niet door zijn verdriet te matigen, maar door opdringerig te appelleren aan dat medelijden.” Een sterke persoonlijkheid daarentegen: “tracht zoveel als het kan zijn aandacht te richten op het beeld dat zijn omgeving vermoedelijk heeft van zijn situatie. Tegelijkertijd voelt hij de achting en goedkeuring die men natuurlijkerwijs voor hem koestert wanneer hij aldus zijn kalmte bewaart, en hoewel de last van deze of gene recente en grote calamiteit nog steeds op hem rust, lijkt hij voor zichzelf niet méér te voelen dan de mensen om hem heen werkelijk voor hem voelen.” Als we met Smiths bril naar Trump kijken, zien we dan iemand die zijn kalmte bewaart en niet méér voor zichzelf voelt dan voor anderen? Of zien we iemand waarbij de emoties de overhand hebben en die opdringerig appelleert aan ‘medelijden’?

Smith: “In een bestendige situatie, waarin geen verandering te verwachten valt, keert vroeg of laat de geest van ieder mens terug naar zijn natuurlijke en gebruikelijke toestand van kalmte.” Een ingrijpende gebeurtenis slaat ieder mens even uit het veld ongeacht de kracht van de persoonlijkheid. Alleen een zwakke persoonlijkheid doet er veel langer over om het evenwicht weer te vinden. Dus Trump zal weer een keer bij zinnen komen? Dat zou kunnen, maar er is iets wat zorgen baart. Iets verderop schrijft Smith namelijk nog iets interessants: “De grote bron van de ellende en de ontreddering van het menselijk leven lijkt te ontspringen uit de overschatting van het verschil tussen de ene bestendige situatie en de andere. Hebzucht overschat het verschil tussen armoede en rijkdom; ambitie dat tussen het privéleven en een openbaar ambt; eerzucht dat tussen onbekendheid en wijdverbreid aanzien. Iemand die onder invloed is van deze buitensporige gemoedsaandoeningen voelt zich niet alleen ellendig in zijn gegeven omstandigheden, maar is vaak ook geneigd de vrede van de maatschappij te verstoren om te bereiken wat hij zo dwaselijk bewondert.” Zou Trump aan deze ‘buitensporige gemoedsaandoening lijden? Zijn acties en uitspraken na de verkiezingen, wijzen die kant op. Sterker nog, niet alleen de acties na de verkiezingen. Als iets zijn presidentschap kenmerkt, dan is het precies dat ‘verstoren van de vrede van de maatschappij’.

Afbraak zonder opbouw. Wat zou het dan zijn wat Trump ‘zo dwaselijk bewondert’ en dus wil bereiken dat al die afbraak waard is? Het enige wat ik hier kan bedenken is zijn zelfbeeld als ‘onoverwinnelijke winnaar’. En dan moet ik denken aan de wielrenner Alejandro Valverde Belmonte. Inmiddels veertig fiets hij op de dag dat ik dit schrijf nog de laatste etappe van de Vuelta. Valverde heeft als bijnaam ‘El Imbatido’, in goed Nederlands ‘De Onverslagene’. Valverde heeft veel gewonnen maar onverslagen is hij zeker niet. In de meeste koersen waar hij aan de start stond, won hij niet. Sterker nog, ‘veelwinnaar’ Valverde heeft dit jaar nog niets gewonnen. Als Valverde, net als Trump, was gaan geloven in zijn onoverwinnelijkheid, dan had hij al lang niet meer gefietst en niet zoveel gewonnen als hij heeft gewonnen. Het lijkt erop dat Trump denkt dat een sterke man niet kan verliezen, verliezen is iets voor de zwakken en hij ziet zich als een sterke man. De Theorie over morele gevoelens lezend denk ik dat Smith daar anders over zou denken.  

Uitgelicht

Tirannie van de meerder- of minderheid?

“Ik heb niet eerder een grondrecht zo misbruikt zien worden om de eigen machtspositie te demonstreren.” Dit schrijft Jaswina Elahi bij De Kanttekening. Welk grondrecht wordt volgens Elahi misbruikt? Het recht op de vrije meningsuiting. Elahi: “Want het systematisch kwetsen en beledigen van groepen mensen in de samenleving is geen vrijheid van meningsuiting, maar een kwaadaardige behoefte van de machtigste partij om te kwetsen.” Hierdoor zijn we: “in een vicieuze cirkel terecht gekomen van provocatie en terreur, waarin het Westen terreur bestrijdt met satirische vernederingen onder het mom van vrijheid van meningsuiting.” Resultaat hiervan: “Verstand is ver te zoeken, nu de tirannie van de meerderheid is omgeslagen in een Europese hysterie.” We leven, als we Elahi mogen geloven, in een ‘tirannie van de meerderheid’ die een minderheid, de moslims, bestrijdt met ‘satirische vernedering’. Een bijzondere redenering.

File:Spotprent op de onwillige rol van John Bull in de Belgische Revolutie, 1832 The Dutch War (titel op object), RP-P-1982-277.jpg
Spotprent uit de 19e eeuw. Bron: WikimediaCommons

Dat mensen, religies en politieke stromingen het slachtoffer kunnen zijn van satire, is onomstotelijk waar. Je hoeft de afleveringen van Saturday Night Live, John Oliver en Lubach op Zondag om er een paar te noemen, maar op na te kijken om te ontdekken dat satire een middel is om een boodschap over de bühne te brengen. Satire: “hekelende voorstelling, spottend geschrift,” aldus de Van Dale en Wikipedia vult aan: “een kunstvorm waarbij vaak op humoristische wijze maatschappijkritiek of kritiek op personen wordt gegeven. De kritiek kan geleverd worden via parodie, ironie, sarcasme, pastiche en karikatuur.” Waarbij, zo vervolgt Wikipedia: “Niet alle satire (….) uitsluitend humoristisch (is) bedoeld. Sommige satires zijn zo agressief en scherp dat ze vooral willen provoceren of tot actie aanzetten. Hierom zijn door de geschiedenis heen veel satirici vervolgd door de overheid.” Dus ja, het kan gebeuren dat een satiricus mensen of groep beledigd. En zelfs als dit niet de bedoeling is van de satiricus dan nog kan het dit effect hebben.

Dus Elahi heeft een punt? Ja, ze heeft een punt dat satire beledigend kan zijn voor iemand of een groep. En ja, het kan ook zijn dat een satiricus of een groep satirici dat structureel doet en zo dus een groep structureel beledigt. Elahi gaat echter nog een stap verder met haar bewering. Zij betoogt dat de ‘meerderheid’ satire gebruikt om een bepaalde groep structureel te kwetsen en zelfs te vernederen. Zij komt tot deze conclusie omdat protesten tegen die belediging door die minderheid structureel worden beantwoord met een beroep op de vrijheid van meningsuiting. Hieruit concludeert zij dat die meerderheid het vernederen van die minderheid goedkeurt.

Maar zou die ‘meerderheid’ niet op eenzelfde manier in elkaar zitten als de manier waarop Elahi de ‘minderheid’ beschrijft: “Sommige moslims zijn van mening dat wanneer je de profeet beledigt zij ‘gerechtigd’ zijn om alles te doen om deze beledigingen te laten stoppen. In het uiterste geval leidt dit tot terreur, zoals we in Frankrijk zagen. Maar tegenover het extremisme van de dader staat een veel grotere groep moslims die zich van al het geweld distantieert en zich ook waardig opstelt onder het systematisch kwetsen en beledigen door de satire. Deze groep hoor je en zie je echter niet of nauwelijks in de media.”

Dat een overgrote meerderheid van de inwoners van Nederland vindt dat satire onder de vrijheid van meningsuiting valt en dus moet kunnen, wil niet zeggen dat die overgrote meerderheid die betreffende satire ook goedkeurt en een minderheid wil ‘vernederen’. Dat zijn twee verschillende zaken. Dat er een ‘tirannie is van de meerderheid’ die een ‘minderheid structureel vernedert’ daar geloof ik niets van. Die ‘tirannieke meerderheid’ die Elahi ziet, is waarschijnlijk een kleine minderheid en zij projecteert de opvatting van die minderheid op de grote groep mensen die dergelijke satire niet goedkeurt maar er wel pal voor staat dat die satire mogelijk is. Als er al ‘tirannie’ is, dan is het ‘tirannie’ van kleine minderheden die zich in een ‘vicieuze cirkel’ gevangen houden en de hysterie bij elkaar tot grote hoogten doen stijgen en zo de meerderheid ‘tiranniseren’. 

Uitgelicht

De toeslagenaffaire en de Walkman

Deze week startte de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties met haar verhoren. De Tweede Kamer heeft deze commissie in het leven geroepen. Die commissie moet op zoek naar de oorzaken van de problemen bij uitvoeringsorganisaties. Verschillende van die uitvoeringsorganisaties kampen met problemen bij de uitvoering van hun taken. Problemen die voor veel ophef zorgden maar vooral ellende voor mensen die een beroep op deze organisaties deden. Zo kampt de Belastingdienst met wat de ‘toeslagenaffaire’ is komen te heten. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft al jaren problemen rond de persoonsgebonden budgetten en ook het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen heeft problemen met het uitvoeren van haar taak. Zou de commissie de oorzaken vinden?

Bron: WikimediaCommons

Laten we de opdracht van de commissie eens bestuderen. Die opdracht is verwoord in een brief van het Presidium aan de Tweede Kamer. In die brief wordt het drieledige doel van het onderzoek geformuleerd. Als eerste: “Inzicht krijgen in de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties («rode draden» oorzaken en problemen).” Als tweede: “Inzicht krijgen in de wijze waarop de Tweede Kamer geïnformeerd wordt over de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties (informatiepositie Kamer).” En als derde en laatste: “Inzicht krijgen in de wijze waarop de Tweede Kamer haar controlerende taak uitvoert bij problemen bij uitvoeringsorganisaties (controlerende taak / rol Kamer).” De antwoorden op die vragen moeten ervoor zorgen dat: “De uitvoerbaarheid van beleid in het parlementaire proces (beter) gewaarborgd wordt en «de menselijke maat» niet uit het oog verloren wordt.” In een artikel bij Joop vat Fons Burger deze opdracht kort samen met de woorden: “Wat gaat er mis tussen het beleid en de balie?” Een redelijk accurate samenvatting want daarop spitsen de vragen zich toe zeker als we de deelvragen bekijken.

Bij de eerste vraag worden drie deelvragen gesteld waarbij vooral de eerste deelvraag bijzonder is: “Welke problemen zijn zichtbaar geworden afgelopen vijf jaar?”  Daarmee wordt het tijdbestek dat wordt onderzocht beperkt tot de laatste vijf jaar. Wat als de problemen al ruim voor die tijd zijn veroorzaakt? Iets wat niet is uit te sluiten.

Het onderzoek wordt echter niet alleen in tijd beperkt, ook de scope van het onderzoek. In de toelichting bij de vraag worden mogelijke oorzaken van de problemen geformuleerd: “De organisatiecultuur (onder andere goed werkgeverschap) en personeel; Governance en sturingsrelaties; Uitvoeringsproblemen (waardoor er geen passende dienstverlening aan de burger geleverd kan worden); Het niet aanwezig zijn of niet optimaal werken van een interne signaalfunctie / checks & balances; ICT en digitalisering.” De ‘plek’ waar het fout gaat wordt daarmee beperkt tot de uitvoerende organisatie en wellicht een klein beetje, via de ‘Governance’ bij de regering.

Bij de tweede onderzoeksvraag worden twee deelvragen geformuleerd. Als eerste: “Hoe wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties (informatiepositie Kamer).” Bij deze vraag ligt de verantwoordelijk minister onder het vergrootglas: informeert hij de Kamer tijdig en juist? De tweede deelvraag luidt: “Hoe voert de Tweede Kamer haar controlerende taak uit bij problemen bij uitvoeringsorganisaties (controlerende taak / rol Kamer)?” Een interessante vraag, maar wat als het probleem niet aan de achterkant ligt, maar aan de voorkant, bij de wetgevende en beleidmakende kant van de Kamer? Gelukkig is er nog de derde onderzoeksvraag. Daar komt dit aspect aan de orde. Namelijk bij de eerste deelvraag: “Wat betekent hetgeen de onderzoeksvragen 1 en 2 hebben opgeleverd voor de verschillende rollen, taken en verantwoordelijkheden van de drie genoemde partijen? Welke rol spelen uitvoeringstoetsen hierbij (wat verwacht de Kamer en op basis van welke indicatoren)?”

We hoeven ons dus geen zorgen te maken. De commissie vindt de oorzaken van de problemen bij de uitvoeringsorganisaties. Nou, dat gaat mij iets te snel. Het onderzoek focust vooral op de uitvoeringsorganisaties. Dat is waarschijnlijk ook waarom Burger tot zijn korte samenvatting komt. Dat lijkt logisch omdat het fout gaat in de uitvoering. Toch is dat veel te beperkt. De uitvoeringsorganisatie is slechts de uitvoerder van een opdracht. Zij geeft de opdracht niet. Dat doet een minister. Wat als de minister een onduidelijke of verkeerde opdracht geeft? Bij een verkeerde opdracht ligt de verantwoordelijkheid voor de fout bij de opdrachtgever. Als een winkelier zoutarme koekjes besteld terwijl de markt vraagt om koekjes met zout, moet hij zich niet gaan beklagen bij de fabrikant als bijna niemand de geleverde koekjes koopt. Bij een onduidelijke opdracht is het de taak van de uitvoerende organisatie om verduidelijking te vragen bij de opdrachtgever, dus bij de minister. Die verduidelijking moet uiteindelijk leiden tot een duidelijke opdracht. Duidelijk wil niet zeggen dat het ook de juiste opdracht is. Voor de juistheid is de opdrachtgever verantwoordelijk. Een onderzoek naar de oorzaken moet op zijn minst ook een hoofdvraag bevatten die zich specifiek richt op de opdrachtgever, de minister(s).

Daarmee zijn we er nog niet. Die opdrachtgever heeft ook een ‘opdrachtgever’ en dat is de Tweede Kamer. De Kamer bepaalt wat er moet gebeuren. Dat doet zij via de wetten die zij aanneemt. Zo heeft de Kamer in de Wet kinderopvang bepaalt dat de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag moet uitbetalen en aan wie. Maar ook dat de Sociale Verzekeringsbank de persoonsgebonden budgetten moet afhandelen. Persoonsgebonden budgetten voor een vijftal wetten met verschillende opdrachtgevers. In een goed onderzoek vraagt die rol veel meer dan de deelvraag bij de derde vraag. Zeker omdat die deelvraag moet worden beantwoord met de uitkomsten van de eerste twee vragen. Vragen die alleen handelen over de uitvoering en de informatievoorziening over de uitvoering. Als de oorzaken of als er oorzaken liggen “tussen het beleid en de balie,” om deze woorden van Burger te gebruiken, dan zal dit onderzoek ze opsporen. Of oorzaken in het proces om te komen tot beleid worden gevonden? Ik waag het te betwijfelen.

Wat ik ernstig betwijfel is of het onderzoek echt tot de kern komt. En daarmee kom ik bij mijn vorige Prikker die handelde over manieren waarop ‘de koek’ wordt verdeeld en de twee rollen van de overheid hierin: als eerste het voorkomen van ‘roof en uitbuiting’ door de markt te reguleren en als tweede: “het organiseren en legitimeren van ‘wederkerige sociale verplichtingen’ die het ‘samen’ in de samenleving versterken.” Over die sociale verbanden concludeerde ik: “ Als je die inricht op basis van een soort ‘handelstransactie’ hoeft het niet te verbazen dat die sociale (ver)banden zwak zijn.” En laat de overheid nu heel veel van haar dienstverlening hebben ingericht op basis van ‘handelstransacties’. Van je persoonsgebonden budget of je kinderopvangtoeslag ‘koop’ je zorg en opvang in.

Door dit inrichten op basis van handelstransacties versterken twee zaken elkaar. Die twee zaken zijn zwakke sociale verbanden en wantrouwen. Een handelstransactie creëert geen of slechts een zwakke sociale band. Er ontstaat geen ‘WIJ’ en het ontbreken van die ‘WIJ’ betekent dat ‘IKKEN’ vooral aan zichzelf denken. En omdat de andere ‘IKKEN’ dat ook doen, moeten de “IKKEN’ op hun hoede zijn: wantrouwen. Wantrouwen dat wordt versterkt omdat er ‘IKKEN’ zijn die misbruik maken van de situatie. Binnen het ‘handelstransactie frame’ is voorkomen van fraude de enige manier om wantrouwen te bestrijden en iets van een ‘WIJ’ te behouden. Iedere ontdekte fraude zorgt voor verlies aan ‘WIJ’. Om fraude te voorkomen worden regels zo gemaakt dat de te voorkomen uitzondering de regel gaat bepalen en gaat de ‘menselijke maat’ verloren.  

Dat inrichten op basis van ‘handelstransacties’ is een uitvloeisel van het steeds individualistischer worden van onze samenleving. Een trend die eind jaren vijftig van de vorige eeuw inzette en die vanaf de jaren tachtig, met het neoliberalisme van Thatcher en Reagan, dominant werd. Een trend waarvan de Walkman, wat mij betreft, het symbool is. Een apparaat waarmee je je op straat van de buitenwereld afsluit en je je eigen wereld creëert. Niet toevallig werd het apparaat in 1979 door Sony op de markt gebracht en begon het aan de ‘verovering’ van de wereld. Net als bij het individualisme werd het apparaat veel eerder ‘geboren’. Een jaar of zestien eerder vond Philips een soortgelijk apparaat uit, maar zoals wel vaker was Philips goed in uitvinden maar niet in vermarkten. Inmiddels is het apparaat vervangen, eerst door iPod-achtige apparaten en nu door het mobieltje. Ik waag het ernstig te betwijfelen of de commissie op basis van de geformuleerde opdracht tot een dergelijke conclusie komt. Maar… ik laat me graag verrassen.

Uitgelicht

Markt, overheid en/of samenleving deel II

‘’Markt’ en ‘overheid’ vormen geen driehoek met of staan niet tegenover ‘samenleving’, het zijn instrumenten die wij, de samenleving, kunnen gebruiken om verdelingsvragen te beantwoorden.” Met die zin eindigde mijn vorige Prikker. In deze Prikker ga ik wat dieper in op manieren om te verdelen. Of als je het van de andere kant bekijkt, manieren om dat te verwerven wat je nodig hebt om te kunnen leven.

Eigen foto

Alles wat een mens nodig heeft om te kunnen (over)leven, moet hij op een of andere manier verwerven. In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten onderscheiden Hans Achterhuis en Nico de Koning zes verschillende vormen van verwerving. Als eerste dat wat een mens zelf produceert, de zaken die iemand maakt, verzamelt of bij elkaar jaagt. Daarover kan die persoon vrijelijk beschikken. Deze vorm is tegenwoordig een zeldzaamheid.

Een tweede vorm van verwerving is de huishouding. De gemeenschappelijke huishouding is gedurende eeuwen de meest belangrijke vorm van samenleven en dus verwerven geweest. Alles wat het huishouden produceerde, verzamelde of bij elkaar joeg, konden de leden ervan gebruiken. Hierin staat de groep centraal, niet het individu. Verlangens waren daarmee bijna altijd verlangens van het huishouden.

Toedeling is de derde vorm van verwerving die de beide auteurs onderscheiden. Het groter worden van de sociale verbanden, een bundeling van stammen of huishoudens, maakten aanvullende manier van verwerven nodig. Een manier passend bij de hiërarchische samenlevingsvorm. De hoogst geplaatste deelt toe aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping.

Met het nog groter worden van hun wereld kwamen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kon leiden tot geweld en oorlog. De vierde manier van verwerving is een vreedzame manier om een relatie met andere sociale verbanden aan te gaan en dat is de schenking of gift. Een gift is nooit vrijblijvend. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen, de relatie wordt verzwaard zonder dat de een zich aan de ander onderwerpt. Het huwelijk was in vroeger tijden een bijzondere vorm van ‘schenken’.

Dan de vijfde manier van verwerven: de handel of met een ander woord, de markt. Of het nu de ouderwetse ruilhandel betreft of het tegenwoordige kopen van een pak koffie bij de Appie, beiden leiden niet tot een verplichting of een verzwaring van de relatie. Als koper hoef je je niet te onderwerpen aan de verkoper, omgekeerd trouwens ook niet en de koop van dat ene pak verplicht jou niet om ook die bloemkool bij de Appie te kopen.

De laatste vorm van verwerving die de beide auteurs geven is roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van verwerven voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen. Tot deze vorm van verwerving horen ook slavenhandel, dwangarbeid en kolonisatie. En als we een parallel naar het heden trekken, dan behoort bijvoorbeeld ook het verkopen van risicovolle financiële producten zoals woekerhypotheken aan mensen die deze niet begrijpen, tot roof.

Zes vormen van verwerving waarbij, vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt. Bij de eerste, de individuele productie is er geen andere en bij het andere uiterste, de roof, doet de ander er niet toe. De markt is tegenwoordig de dominantste vorm van verwerving en dit heeft volgens de beide auteurs ook gevolgen voor de andere vormen van verwerving: “De motivatie van de marktsfeer ten opzichte van de andere praktijken van behoeftevoorziening heeft ook een zekere vermenging teweeg gebracht van de mechanismen die in elke kring heersen.” Een huishouden waarbij de leden naast een gezamenlijke ook een eigen bankrekening hebben, is hier een voorbeeld van.

En dat verandert ook de markt: “Markten hebben namelijk een aantal van de cruciale kenmerken van de verdrongen ordeningskringen in zich opgenomen.”  Zo is de individuele productie die vroeger was gericht op de eigen behoeften nu bijna volledig gericht op behoeften van anderen in ruil voor geld waarvoor de arbeider dan in zijn eigen behoeften kan voorzien. Daar komt bij dat arbeid steeds meer een intrinsieke waarde heeft voor de arbeider: arbeid moet voldoening schenken en bijdragen aan de ontplooiing van het individu. Bedrijven zijn tegenwoordig meer dan plaatsen waar wordt geproduceerd. Onderlinge relaties, gezelligheid en de bedrijfscultuur zijn belangrijk geworden, dit waren de kenmerken van het huishouden. Ook zien Achterhuis en Koning de grens tussen economische en sociale belangen vager worden. Het wordt van bedrijven niet meer geaccepteerd dat alles om winstmaximalisatie draait. Ook zien zij dat er op de markt meer wordt geschonken dan we denken. Zij zien dat de markt toch elementen van verplichting en verzwaring krijgt.

Waar is dan die ‘overheid’, dat tweede instrument om verdelingsvraagstukken te beantwoorden? Of beter gezegd, waar zou die overheid zich dan mee bezig moeten houden? Volgens de auteurs is handel en dus de markt tegenwoordig dominant. In onze verbonden globale wereld is dat een logische keuze. Logisch omdat de markt volgens de auteurs: “… de laatste dam tegen roof (is), het is de maximaal haalbare vorm van exterioriteit zonder dat men ten prooi valt aan vormen van geweld,” vormt. Zo’n schaal van samenwerking vormgeven met alleen giften of toedeling, is lastig omdat de afstand tot elkaar zo groot is. Probleem is dat handel en dus de markt, op roof na, de verwervingsvorm is die het minste sociale (ver)banden tussen mensen creëert. En laat die sociale (ver)banden nu cruciaal zijn voor een samenleving. In zijn boek The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time beschrijft Karl Polanyi het belang van sociale (ver)banden in een samenleving. Volgens Polanyi is het onderhouden van sociale banden cruciaal voor een samenleving: “First, because by disregarding the accepted code of honor, or generosity, the indiviual cuts himself off from the community and becomes an outcast; second, because in the long run, all social obligations are reciprocal, and their fulfillment serves also the individual’s give-and-take interest best.”  Met alleen de markt wordt het ‘samen’ in samenleving minder en zonder ‘samen’ is een samenleving los zand omdat het ontbreekt aan ‘wederkerige sociale verplichtingen’. En daar komt de overheid op twee manieren om de hoek kijken.

De eerste manier raakt aan de traditionele rol van de overheid als beschermer van de openbare orde en veiligheid. Zoals Achterhuis en De Koning betogen rest na de markt alleen nog roof als manier van verwerving. De overheid heeft een rol om te voorkomen dat de vrije markt uitdraait op roof. De overheid reguleert de markt. Maar dan kunnen we toch niet meer spreken van een vrije markt? Nee, niet als je de vrije markt ziet als een plek waar eenieder absoluut vrij is om naar goeddunken te handelen. Maar om de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang uit zijn boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme te citeren: “De vrije markt bestaat niet. Elke markt kent wel regels en grenzen die de keuzevrijheid beperken. Een markt lijkt alleen maar vrij doordat we de beperkingen die eraan ten grondslag liggen zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Zo zijn kinderarbeid en slavernij voor ons zo wezensvreemd dat we het als normaal beschouwen dat het er niet meer is. Eeuwen lang was het echter zeer normaal dat het er wel was. Maar ook op het gebied van arbeidstijden en -omstandigheden, het milieu en productveiligheid beperkt de overheid de vrijheid op de markt. Dat doet zij om te voorkomen dat er via de markt ‘geroofd’ wordt.

De tweede manier betreft het organiseren en legitimeren van ‘wederkerige sociale verplichtingen’ die het ‘samen’ in de samenleving versterken. Verplichtingen zoals het betalen van belastingen. Dat maakt belasting ontwijking en -ontduiking zo schadelijk. Het ondergraaft het ‘samen’. Dat maakt de uitspraak”: “I don’t wanna pay taxes. Before I came here I was a private developer, I was a business people. Like every private person unless they are stupid , they go through the law and that’s what it is,” van president Trump in het eerste presidentiële debat zo schadelijk. Het is precies die houding, dat gedrag dat het ‘samen’ ondermijnt. Maar ook sociale verplichtingen zoals uitkeringen die voorkomen dat mensen van de honger omkomen. Uitkeringen die hen beschermen als ze meer of minder tijdelijk niet in het eigen onderhoud kunnen voorzien. Voorzieningen zoals een basisverzekering die de ziektekosten vergoeden.

Op welke manier de overheid dat doet, maakt nogal wat uit voor het ‘samen’, voor die sociale (ver)banden. Als je die inricht op basis van een soort ‘handelstransactie’ hoeft het niet te verbazen dat die sociale (ver)banden zwak zijn. Dan hoeven redeneringen als die van Trump niet te verbazen en dan hoeft gedrag zoals vertoond door Booking.com waarover ik aan het begin van de coronacrisis schreef, niet te verbazen. Dan krijg je precies de verbazing van de boekhouder waar Tim Fransen in een artikel in de Volkskrant over spreekt. Fransens boekhouder gaf hem te kennen dat hij in aanmerking kwam voor vierduizend euro ondersteuning als tegemoetkoming in de schade door corona. Fransen gaf aan dat hij daar geen gebruik van wilde maken omdat hij voldoende reserves had en schrijft vervolgens: “‘Maar’, stamelde mijn boekhouder, ‘je hebt er toch recht op…?’” Fransens gedrag wijst op een sterke sociale binding: hij wil alleen een beroep doen op het ‘samen’ als de nood er is. Hij ziet de tijdelijke ondersteuning niet als een recht, maar als een laatste resort als hij het zelf niet meer kan trekken. Het maakt uit of je een bijstandsuitkering ziet als een ‘toedeling’ zoals nu het geval is, of als een ‘gift’. Beide vormen verzwaren de relatie. Bij een toedeling plaatst degene die toedeelt zich echter boven de ontvanger, hij brengt hiërarchie aan. Bij een gift wordt de relatie verzwaard zonder dat er sprake is van hiërarchie. Hiërarchie past slecht bij onze huidige liberale samenleving omdat het mensen verdeeld. Dit lag in vroeger eeuwen anders. Een overheid die nu het ‘samen’ wil vormgeven, moet dat in het achterhoofd houden bij alles wat zij doet.

Uitgelicht

Markt, overheid en/of samenleving

 “Daarmee laten de partijen zich vangen door het achterhaalde concept van de vorige eeuw: markt versus overheid. Terwijl ‘méér samenleving’ het echte antwoord biedt.” Aldus Richard de Mos en Bert Blase van de politieke partij Code Oranje in een artikel bij Joop. Meer samenleving, dat is hun antwoord, niet ‘meer overheid’ tegenover ‘de markt’. Een bijzonder betoog. Zo pleiten ze voor: “het organiseren van burgertoppen en burgerjury’s.” Naar aanleiding van een oproep een ‘klimaatburgerberaad’ te houden, heb ik recentelijk drie Prikker gewijd aan het ‘burgerberaad’, de democratie en het belang voor de democratie van, naar de woorden van Pierre Rosanvallon, de tegendemocratie dus dat ga ik nu niet meer doen. Nee, bijzonder om een andere reden.

File:Seacon Stadion - De Koel.jpg
Bron: WikimediaCommons

De auteurs schetsen een soort driehoek met in de punten de markt, de overheid en de samenleving. Punten die met elkaar concurreren. Volgens de auteurs moet de punt ‘samenleving’ worden versterkt: “Voorbij de hokjesgeest van links en rechts Omdat de samenleving dit wil én het voor het zeggen heeft.” Nu vraag ik me af hoe de auteurs weten wat ‘de samenleving wil’. De samenleving is net zo diffuus als het begrip volk. De samenleving is overal en nergens. Het is: “het geheel van de met elkaar verkerende mensen,” aldus de Van Dale. En mensen verkeren op zeer veel verschillende manieren met elkaar. Zo verkeer ik, in coronatijden helaas onmogelijk, geregeld met andere aanhangers van VVV in stadion De Koel, maar ook met mijn softbalvrienden van De Mustangs. Voor mijn werk verkeer ik als zzp-ende beleidsadviseur in wisselend gezelschap. Ik verkeer in Venlo, Limburg, Nederland, de Europese Unie en de wereld. Dit even terzijde.

Terug naar de driehoek van de auteurs waarvan de punt ‘samenleving’ moet worden versterkt via de ‘burgertoppen’ die: “eigenaar van concrete vraagstukken,” moeten worden gemaakt. Hier begint het bijzondere. De inwoners moeten eigenaar worden van concrete vraagstukken. Maar beste auteurs, de inwoners van dit land zijn al eigenaar van alle maatschappelijke vraagstukken. Vraagstukken zoals de klimaatverandering, de zorg, de aanpak van het coronavirus zijn ‘onze’ vraagstukken. Vraagstukken die we op twee manieren kunnen aanpakken: samen of als individu en daarmee zijn we aanbeland bij de twee andere hoekpunten van de driehoek: de overheid en de markt.

Laat ik met de overheid beginnen. De overheid is van ons, de inwoners van dit land. Ze is niet van zichzelf, van de koning of wie dan ook. Ja, in vroeger tijden was dat anders, toen was de overheid slechts van een klein deel van ons en zelfs van slechts één persoon. Nu is de overheid van ons. Het is ons, om het zo te zeggen, instrument om vraagstukken samen aan te pakken. Vraagstukken die we samen willen of moeten aanpakken. Een van de eerste ‘vraagstukken’ die, in het gebied dat nu Nederland heet, samen werd aangepakt, was de bescherming tegen het water. Via de overheid kunnen we ervoor zorgen dat: “het prijsmechanisme ten gunste gaat werken voor onze maatschappelijke doelen, in plaats van haaks erop,” iets wat de beide auteurs graag willen. Immers alleen de overheid kan wetten vaststellen en belasting heffen.  

Dan de markt, is die niet ook van ‘ons’ de inwoners van dit land? Is de markt niet het middel waarmee we vraagstukken aanpakken die we niet samen willen oppakken? Niet samen omdat we de eigen keuze bij dit vraagstuk belangrijk vinden. Zo belangrijk dat we niet willen dat anderen die keuze mede voor ons maken.

Creëren de auteurs hier tegenstellingen die er niet zijn? ‘Markt’ en ‘overheid’ vormen geen driehoek met of staan niet tegenover ‘samenleving’, het zijn instrumenten die wij, de samenleving, kunnen gebruiken om verdelingsvragen te beantwoorden.

Uitgelicht

Kerkgebouw en godsdienstvrijheid

 Op de site van de NOS las ik het bericht dat er in verschillende kerken in het land meer dan dertig mensen aanwezig waren. Soms wel meer dan 200. “Wij willen ons aan Gods woord houden om de onderlinge bijeenkomsten niet na te laten,” aldus een bestuurder van een kerk en vervolgt:“ Wij hebben zo’n grote kerk. Met tweehonderd man erin heb je bijna een verrekijker nodig om elkaar te zien.” Kerken beroepen zich hierbij op de vrijheid van godsdienst. Hierbij krijgen ze bijval van onze regering. Dat de overheid zich niet mag bemoeien met jouw godsbeleving, staat buiten kijf. Een niveau hoger mag de overheid zich niet bemoeien met de leer van een godsdienst en met de benoeming of aanwijzing van voorgangers. Of dit zich ook uitstrekt tot hoeveel mensen er in een kerkgebouw mogen, waag ik ernstig te betwijfelen.

File:Kerk - Venlo - 20241198 - RCE.jpg - Wikimedia Commons
Joriskerk Venlo. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed via WikimediaCommons

Ik ben geen rechtsgeleerde en ook geen specialist Grondwet. Dus wellicht kan een specialist op dit gebied, mij aanvullen, corrigeren of verklaren dat ik grote onzin verkondig. De maatregel om maar dertig man in een gesloten ruimte toe te laten ter bestrijding van het coronavirus, bemoeit zich niet met de inhoud van de godsdienst. Ze bemoeit zich alleen met het gebruik van het gebouw. En laat dat nu iets zijn waar een overheid zich al mee bemoeit. Tot medio 2010 moest iedereen die een gebouw wil (gaan) gebruiken waarin mensen komen, een gebruiksvergunning hebben. In die vergunning werd geregeld hoe het gebouw gebruikt mocht worden, wat er wel en niet mocht en hoeveel mensen erin mochten. Nu is deze vergunning onderdeel geworden van een omgevingsvergunning. Ook kerken ontkomen hier niet aan. Hoeveel mensen mogen erin en hoe zit het met vluchtroutes? Voor de bouw van een nieuwe kerk of moskee moet je ook een omgevingsvergunning aanvragen.

Als VVV-gelovige zou ik de kerkbestuurder na kunnen zeggen dat ‘wij onderlinge bijeenkomsten niet willen nalaten om de voetbalgoden te eren’. Waarna een voetbalhater Karl Marx kan parafraseren maar de geest van diens uitspraak wel in ere houdend kan zeggen: voetbal is opium voor het volk. Mijn voetbalclubje VVV heeft voor haar activiteiten ook zo’n vergunning om haar wedstrijden te kunnen spelen in stadion De Koel. In die vergunning staan vast ook hoeveel bezoekers en maximaal in het stadion mogen. Alleen heeft de club er nu niets aan omdat gebruik, zoals in die vergunning is opgenomen, nu niet mag. Er mag wel gevoetbald worden, maar ik en met mij alle andere fans mogen er niet bij zijn. Het ‘gebruik’ van De Koel is tijdelijk niet mogelijk zoals het in die vergunning is opgenomen. Zo kan ook het ‘gebruik’ van een kerk tijdelijk worden aangepast. Er wordt een dienst gehouden waarbij nog dertig mensen mogen zijn. De vrijheid van godsdienst wordt hierdoor niet aangetast. Het enige wat wordt beperkt is het gebruik van het gebouw.

Dit handhaven hoeft geen probleem te zijn. Daarvoor hoeft de kerk niet te worden betreden. Daarvoor hoeft alleen maar te worden gecontroleerd hoeveel mensen er naar binnen of naar buiten gaan. Zijn dat er meer dan dertig, dan wordt de uitbater van het gebouw, het kerkbestuur, beboet. Dit is geen boete op het uitoefen van een religie maar op het overtreden van de regels voor gebruik van het gebouw. Bij herhaaldelijke overtreding, kan het gebouw voor bezoekers worden gesloten. Let wel voor bezoekers, de pastoor of dominee kan er nog steeds een dienst in verzorgen. Een dienst die via een livestream kan worden uitgezonden.

Uitgelicht

Democratie en tegendemocratie

Democratie is, zoals we in de vorige Prikker hebben gezien, een complexe en lastige manier van besturen en ordenen. In die vorige Prikker besprak ik vijf spanningen die, volgens Pierre Rosanvallon, inherent zijn aan een democratie. Hoe kunnen we hiermee omgaan? Ook in deze Prikker staat het werk van Rosanvallon centraal en dan vooral de Spinozelezing uit 2012.

“Het lijkt mij sterk dat een burgerberaad de vijf door Rosanvallon benoemde punten oplost.” Met die woorden eindigde ik mijn vorige Prikker. Dit naar aanleiding van een pleidooi van Jelmer Mommers en Eva Rovers in de Volkskrant voor het in het leven roepen van een  burgerberaad over de klimaatmaatregelen en mijn twijfel of het door hen voorgestelde burgerberaad een verrijking is van onze democratie. Die vijf spanningen zijn de twee verschillende kwaliteiten (nabijheid en geschiktheid) van een volksvertegenwoordiger. Als tweede de twee verschillende definities van het begrip ‘volk’. Als derde de asymmetrie tussen de twee functies (aan de ene kant het legitimeren van bestuurders en aan de andere kant het beschermen van de bestuurden) van de democratie. Als vierde dat we democratie plaats en tijd gebonden moeten zien en als laatste is een democratie meer dan een politiek stelsel, het is ook een burgeractiviteit.

Eigen foto

Deze vijf punten maken, zo betoogt Rosanvallon dat: “de democratie (…) structureel problematisch en derhalve structureel onvoltooid is.” Waarschijnlijk is dit ook wat de Britse staatsman Winston Churchill bedoelde toen hij zei dat: “Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.” Om met dat structureel problematische en onvoltooide om te kunnen gaan wordt er vooral gezocht naar ‘vereenvoudiging’ of zoals Rosanvallon het schrijft naar: “Pathologiën (die) kunnen begrepen worden als reducerende vormen van de complexiteit, van polarisatie of het vergeten van de structurele spanningen van haar verschillende figuren.” Rosanvallon ziet hierbij aan de ene kant versimpelingen: “van de vertegenwoordiging, berustend op een zogenaamde versimpeling van de relatie macht/samenleving.” Versimpelingen die: “het handelen van de macht de adequate uitdrukking van de algemene wil maken … die het kamp dat als winnaar uit de stembus tevoorschijn komt gelijkstellen aan de stem van het volk; waan voorstellingen van één volk.” Deze versimpelingen kunnen in milde en extreme vorm (“Alleenheerschappij, populisme, totalitarisme”) voorkomen. Aan de andere kant ziet hij versimpelingen zoals: “De reductie van de democratie tot verkiezingen, de reductie tot haar liberale dimensie of de reductie tot haar institutionele definitie.”

Het is menselijk om een complex en zeer moeilijk te omvatten probleem te versimpelen en terug te brengen tot behapbare brokken. Het terugbrengen van democratie tot ‘verkiezing’ of ‘referendum’ maakt het eenvoudig. Net zoals een beperking van ‘het volk’ tot de winnaar van de verkiezingen een versimpeling is. Zeker als die winnaar, zoals in Nederland de afgelopen decennia het geval is, nooit meer dan dertig procent van de stemmen kreeg. En sterker, de winnaar (grootste partij) ook wel tot de verliezers (minder zetels dan na de vorige verkiezingen) kan behoren. ‘Versimpeling’ is volgens Rosanvallon niet de manier. Volgens hem moet we: “De democratie compliceren om haar te voltooien.”

“Als het volk in de democratie structureel nergens te vinden is, hoe dan de structurele crisis van de vertegenwoordiging te boven te komen die eruit voortvloeit en onze gevoelens van in de steek gelaten zijn aanwakkert, die de ontgoocheling en het wantrouwen tegenover de instituties voeden?” Deze vraag stelt hij zich op het eerste gebied dat hij verder wil compliceren, het gebied van dat belangrijke begrip dat op meerdere manieren gedefinieerd wordt. Hij ziet vijf dimensies van het volk. Als eerste het ‘rekenkundige volk’, dat bezit : “een beslissende, zowel sociale als procedurele consistentie.” Immers: “We kunnen eindeloos discussiëren over de definitie van het algemeen belang, over wat de beste politiek is om op dit of dat gebied te voeren, maar het feit dat 51 meer is dan 49 maakt een einde aan alle discussies.” “Maar het volk manifesteert zich ook als een historische constructie,” en daarmee zijn we bij de tweede dimensie van het volk. De principes van deze dimensie zijn vooral vastgelegd in de grondwet: “Dit volk/principe laten leven betekent dus een juridisch volk laten leven, en niet slechts een electoraal of rekenkundig volk. Vandaar de rechtvaardiging van de superioriteit van de constitutionele orde boven de orde van de kortstondige meerderheid.” Als we in onze huidige wereld om ons heen kijken dan zien we dat op verschillende plekken wordt getornd aan de superioriteit van de constitutionele orde. De extreme politisering van de benoeming van rechters in de Verenigde Staten en de politisering van de rechtspraak in Polen zijn hiervan voorbeelden. Een derde dimensie van het begrip ‘volk’ is: “de figuur van de verwachtingen, ontgoochelingen, betwistingen of beproevingen van het gemeenschappelijke leven, dat op een gegeven moment over een stuk uit het collectieve leven vertelt of het tot uitdrukking brengt.” Dit volk bestaat volgens, Rosanvallon: “ofwel via instituties die handelen leiden – bijvoorbeeld syndicaten -, ofwel via zijn directie manifestatie in de revolutionaire momenten die verlengd worden door het verhaal dat ze vergezelt.” De vierde dimensie: “is het volk bestaande uit ‘willekeurige individuen’.” Dit volk drukt zich uit: “via peilingen of van het toeval afhangende uitingen, waarderingsmechanismes van de een of ander.” De laatste dimensie is: “het volk zowel als belofte als herinnering, het volk als bouwer van een toekomstige geschiedenis en als erfgenaam van een traditie.” Dit volk wordt vertegenwoordig door: “de kunst, de literatuur, de sociale wetenschappen, de onderzoeken en allerlei getuigenissen.” Daarmee is de vraag waarmee deze alinea begon nog niet beantwoord. Dat antwoord begint met het accepteren van de complexheid: “We moeten het volk dus begrijpen als een structureel onbepaald object, maar een waarvan de bepaling benaderd kan worden door vergroting van de erkenning van zijn verschillende vormen.” Accepteren want: “in deze vermeerdering ontstaat het leven, en niet simpelweg in het zoeken naar een enkel principe dat alle mogelijkheden ervan uitputtend zou bevatten. ‘Het volk’ spreekt zich op zeer veel verschillende manier uit. Zeer veel verschillende manieren, met veel verschillende stemmen en veel verschillende inhouden. Daar moet ruimte voor zijn, dat moeten we koesteren en niet versimpelen.  

Een tweede vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op het gebied van de soevereiniteit. Hij wil: “van de idee van directe volkssoevereiniteit over (…) stappen op de idee van een complexe soevereiniteit. De complexe soevereiniteit bestaat in het gelijktijdig vormgeven van de verschillende manieren waarop ze uitgeoefend wordt, namelijk de benoeming of de keuze, de beslissing, de controle en het toezicht, de evaluatie en het oordeel.” Op dit punt komt hij met het begrip ‘tegendemocratie’. ‘Tegendemocratie’ dat hij in de inleiding van zijn boek La contre-démocratie als volgt omschrijft: “Deze tegendemocratie is niet het tegendeel van de democratie; zij is eerder de vorm van de democratie die de andere als een steunboog versterkt, de democratie van de in het sociale lichaam verstrooide indirecte machten, de permanente democratie van het wantrouwen tegenover de wisselende democratie van de electorale legitimering. Deze democratie vormt op die manier één geheel met de wettige democratische instituties.” De media, onderzoekcollectieven, wetenschappers, vakbonden, actiegroepen enzovoorts die elk vanuit hun belang en interesse controleren, toezicht houden en evalueren. Die naar de rechter stappen om iets af te dwingen zoals Urgenda. Die aandacht vragen voor groot en klein recht en onrecht. De luizen in de pels van bestuurders en politici maken deel uit van deze voor de democratie onmisbare tegendemocratie. Tegendemocratie als: “institutionalisering van het begrip ‘wantrouwen’. Die complexheid moeten we koesteren, niet versimpelen. Zij houden ons scherp zorgen ervoor dat het volk in al zijn verschillende dimensies uit de vorige alinea, zich kan uitspreken.

Een derde vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op de scheiding der machten. Die is nog steeds gebaseerd op de Montesquieu en zijn drie te onderscheiden machten: de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht. Volgens Rosanvallon is die driedeling niet meer steekhoudend voor onze huidige tijd. Rosanvallon: “In alle moderne samenlevingen wordt het begrip ‘macht’ voortaan steeds in het enkelvoud opgevat. Er is overal maar een werkelijke sturende macht: de uitvoerende macht. Aan deze komen alle initiatieven en wezenlijke beslissingen toe.” Als we naar de Nederlandse praktijk kijken, dan zien we dit ook. We hebben een wetgevende macht, de Tweede Kamer, maar hoeveel initiatieven van wet komen er vanuit die kamer en halen de eindstreep? De overgrote meerderheid van alle wetten en voorstellen daartoe worden opgesteld door de regering, de uitvoerende macht. Zelfs de begroting, een belangrijk ‘machtsinstrument’ van het parlement, wordt opgesteld door de regering waarna het parlement nog wat in de marge kan schuiven. De uitvoerende macht bindt de wetgevend al bij de kabinetsformatie omdat de coalitiepartijen zich binden aan een regeerakkoord en daarmee alle wezenlijke discussie beslechten waarna de kamer het kan ‘afstempelen’. Volgens Rosanvallon bestaat ook de derde, de rechterlijke, macht: “als zodanig allang niet meer… Omdat zijn rol voortaan uitsluitend de contentieuze jurisdictie is.”  Rosanvallon concludeert: “De term ‘scheiding der machten’ volgens de oude driedeling is dus niet meer gegrond.” Toch is het: “noodzakelijker dan ooit om in te gaan tegen de voortdurende neiging van de (uitvoerende)macht in het algemeen om zich zonder tegenwicht uit te oefenen en zich op te werpen als enige legitieme macht.” Het complexe evenwicht van drie machten is versimpeld tot een dominante (uitvoerende) macht. Dit moet, zo betoogt hij, weer complexer en dat kan op verschillende manieren. Als eerste: “moeten we de uitdrukkingsvormen van de algemene wil vermeerderen. De huidige politieke macht ontleent haar legitimiteit aan verkiezingen. Daarbij worden twee verschillende dimensies vermengt: ‘een rechtvaardigheidsprincipe en een beslissingstechniek.” Een beslissingstechnische uitspraak (51 -49) valt niet automatisch samen: “met het idee van een legitimering die naar een grotere maatschappelijke consensus verwijst.” Voor dit laatste zijn andere instituties nodig. Instituties: “die vereenzelvigd worden met de principes van onpartijdigheid (de onafhankelijke autoriteit, het recht) en reflexiviteit (de constitutionele gerechtshoven die het volk/principe in de tijdsduur uitdrukken). Als democratisch geldt dan een stelsel dat die drie samenwerkende en complementaire uitdrukkingsvormen van de algemene wil in zich verenigd.”  Hierbij spelen handelen (regering) en controle (oppositie) een onderscheidende rol waarbij met name de positie van ‘controle’ versterkt moet worden. Compliceren betekent niet verzwakken maar: “voortdurend dwingen uitleg te geven, rekenschap af te leggen, te evalueren en te controleren. Compliceren betekent ook afscheid nemen van de idee van simpele en directe democratie. De belangen van de macht en de samenleving zijn op de volgende manier met elkaar verbonden: om sterk te zijn zal een macht voortaan democratischer moeten zijn.”

Een vierde vlak waarop we de complexiteit moeten aanvaarden betreft wat Rosanvallon noemt de ‘verschillende figuren van de democratie’: “Want er zijn vier complementaire definities van democratie: zij is een burgeractiviteit, een politiek stelsel, een samenlevingsvorm en een politieke kwaliteit. Als burgeractiviteit impliceert zij het openbare debat en: “Ze vereist ook de organisatie van onafhankelijkheid van de macht, publiek, toezicht, kritiek, de uitdrukking van burgers in al haar vormen.” Als politiek stelsel is zij: “een verzameling van procedures en instituties.” Ook is zij de manier waarop het gemeenschappelijke wordt ingericht, de democratie als samenlevingsvorm. Als politieke kwaliteit definieert zij de handelswijzen en het gedrag.

‘De democratie compliceren om haar te voltooien, dat is wat Rosanvallon wil. Als we haar al ooit kunnen voltooien want, zoals hij betoogt (zie de vorige Prikker) is één van de zaken die democratie complex maken dat we haar moeten zien in ‘tijd’ en ‘ruimte’ en de tijd schrijdt voort en de democratische ruimte kan veranderen. En daarmee hebben we Rosanvallons laatste complicering van de democratie te pakken.

Nu terug naar het burgerberaad, de aanleiding voor deze en de twee voorgaande Prikkers. Met het ‘burgerberaad’ willen de initiatiefnemers komen tot ‘gedragen voorstellen’ en zo de ‘kloof’ tussen mensen dichten. Ik hoop in deze en de twee eraan voorafgaande Prikkers te hebben aangetoond dat we blij moeten zijn met die kloof. Die kloof is namelijk een wezenlijk kenmerk van onze en iedere democratie. Die kloof laat namelijk zien dat we de vrijheid en de mogelijkheden hebben om van elkaar te verschillen. Om anders over zaken te denken. Om het niet eens te zijn met besluiten en daar tegen te blijven ageren. Ageren om de ‘macht’ scherp te houden, om uitleg te vragen. Ageren door te evalueren en te onderzoeken. Ik, de Ballonnendoorprikker, benader iedere poging om die kloof te dichten met wantrouwen. Wantrouwen omdat het dichten van die kloof eerder tot minder dan tot meer democratie leidt. Omdat de kans groot is dat het uitloopt op: “all those other forms that have been tried from time to time,” waar Churchill over sprak.

Uitgelicht

Democratie

In mijn vorige Prikker vroeg ik me af of burgerberaden, zoals Jelmer Mommers en Eva Rovers in de Volkskrant voorstellen, een verrijking zijn voor onze democratie. Met betrekking tot het klimaatbeleid constateren zij dat: “de transitie (…) nog geen gedeeld project van alle Nederlanders (is). Lang niet iedereen voelt zich vertegenwoordigd door de ruim honderd partijen en organisaties die in juni 2019 het Klimaatakkoord sloten. Dus ontbreekt het vaak aan draagvlak, met name waar maatregelen mensen direct in hun straat en in hun woning treffen. Veel mensen voelen zich niet gehoord. Nu is er heel veel aan te merken op de manier waarop het klimaatakkoord tot stand is gekomen.

Verkiezingen: Nieuwe clowns in hetzelfde circus!" | Flickr
Bron: Flickr

Zoals ik in die vorige Prikker al betoogde, hebben we al ‘volksberaden’ die precies dat kunnen wat het door de beide auteurs beoogde burgerberaad kan én zelfs meer: ze kunnen ook nog besluiten. Die beraden zijn de door ons gekozen volksvertegenwoordigingen. Laten we eens wat dieper naar die gekozen volksberaden kijken. Die volksvertegenwoordigingen zijn namelijk niet uit de lucht komen vallen, die zijn langzaam gegroeid naar wat ze nu zijn. Staten Generaal, dat is nu de naam van de Eerste- en Tweede kamer samen. In de zestiende eeuw was het een gezamenlijk vergadering van de vertegenwoordigers van de zeventien provinciën. Die vertegenwoordigers waren geen ‘gewone mensen’. Het waren edelen uit de verschillende provinciën. Zij zagen zich als vertegenwoordigers en belangenbehartigers van het volk. De belangen van dat volk moesten immers behartigd worden bij de vorst. De belangen van dat volk leken erg veel op de belangen van de adel. Adel waarin rijke kooplui zich inkochten via huwelijken. De overgrote meerderheid van het volk had niets te zeggen en in te brengen.

In 1814 werden de Staten Generaal de volksvertegenwoordiging in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden en vanaf 1815 bestond die volksvertegenwoordiging uit twee kamers. Nu moeten we ook hier het begrip ‘volk’ niet al te breed zien. Tot 1848 werden de leden van de Eerste Kamer door de koning benoemd en de leden van de Tweede Kamer gekozen door de Provinciale Staten waarvan de leden weer uit de ‘edelen en notabelen’ bestonden. In het geheel niet ‘volks’ dus. Vanaf 1848 worden de leden van de Eerste Kamer door Provinciale Staten gekozen en de leden van de Tweede Kamer rechtstreeks door het volk. Nou ja het volk, alleen als je voldoende belasting betaalde, behoorde je tot het volk en mocht je stemmen. Pas sinds 1917 kennen we algemeen kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar en vanaf 1919 ook voor vrouwen. In deze strijd voor meer democratie wijkt Nederland niet zo veel af van andere Europese landen. De eerste keer dat het gehele volk mocht stemmen was in 1923. Pas vanaf dat moment zouden we kunnen spreken van een ‘burgerberaad’. En ook daar zijn kanttekeningen bij te plaatsen.

In de inleiding van zijn boek La contre-démocratie schets de Fransman Pierre Rosanvallon het dubbele van democratie: “Historisch heeft de democratie zich namelijk altijd doen kennen als zowel een belofte als een probleem. De belofte van een stelsel dat afgestemd is op de behoeften van de samenleving die gebaseerd is op de verwerkelijking van de dubbele imperatief van gelijkheid en autonomie. En het probleem van een realiteit die deze nobele idealen verre van ingelost heeft.” Dit heeft er volgens Rosanvallon toe geleid dat: “Het democratisch project (…) zelfs daar waar het was geproclameerd steeds onvoltooid (is) gebleven, of het nu ruw geperverteerd, subtiel versmald of als vanzelf tegengewerkt is. In zekere zin hebben we, in de sterkste betekenis van het woord, nooit volledig ‘democratische’ regimes gekend.” Het stukje parlementaire geschiedenis in de vorige alinea geeft een mooie opsomming van die versmallingen en tegenwerkingen. In zijn pamflet Tegen verkiezingen geeft David Van Reybrouck een bijzondere tegenwerking. Volgens Van Reybrouck is het instrument ‘verkiezingen’ in de basis bedoeld als een ‘tegenwerking’. Volgens Van Reybrouck, en nu vat ik het heel kort samen, zijn verkiezingen bedoeld als een poging van de aristocraten om de macht te behouden. En als je kijkt naar het gros van de parlementariërs in verleden en heden, dan zie je dat de bovenkant van de samenleving er structureel is oververtegenwoordigd. Nu is dat geen bewijs van Van Reybroucks gelijk, wel laat het zien dat mensen met meer macht het makkelijker hebben in een democratie.

In 2012 gaf de al genoemde Rosanvallon de Spinozalezing. In die lezing constateert hij ‘democratische onbepaaldheid’ een begrip dat hij als volgt definieert: “het subject van de democratie, haar doel en procedures (gaan samen) met spanningen ambiguïteiten, paradoxen, aporieën, asymmetrie en overlappingen die de definitie en het begrip ervan  problematisch maken en derhalve ook een bron zijn van de vele vormen van ontgoocheling.”  Rosanvallon onderscheidt er vijf die ik hieronder behandel.

Als eerste zijn er structurele spanningen. Die openbaren zich bij de keuze van de volksvertegenwoordigers. In een volksvertegenwoordiger zoeken we twee kwaliteiten. Als eerste ‘nabijheid’ kan ik me herkennen in de volksvertegenwoordiger of zoals Rosanvallon het beschrijft: “de vertegenwoordiger als valoriserende stand-in, getrouwe uitdrukking en stem van de vertegenwoordigde.” De partij GeenPeil zette tijdens de verkiezingen van 2017 extreem in op ‘nabijheid’. De partij beloofde alle stemmingen via digitale peiling aan het volk voor te leggen en in de Kamer vervolgens te stemmen naar de uitkomst van de peiling. De tweede kwaliteit die we zoeken in een volksvertegenwoordiger is ‘geschiktheid’: “de vertegenwoordiger als vertrouwensman, geïnformeerde afgevaardigde,” aldus Rosanvallon. Twee kwaliteiten die: “elkaar vaak uitsluiten en moeilijk in één vertegenwoordiger te verenigen zijn.”  En, zo vervolgt hij: “Bovendien verwijzen ze vaak naar de waardering van twee verschillende politieke momenten: dat van de verkiezingscampagne en dat van de regeringsdaad.” Als nabijheid het belangrijkste is, dan is loting de beste manier om een volksvertegenwoordiging te kiezen. Zo willen de beide auteurs ook het door hen voorgestelde burgerberaad vormgeven. Zoeken we ‘geschiktheid’ dan zijn verkiezingen beter. Probleem is echter dat we allebei zoeken. Daar komt een ander probleem bij en dat is dat een vertegenwoordiging nooit een afspiegeling van het gehele volk kan zijn. Het ‘burgerberaad’ van de auteurs zal ook tegen de problematiek van ‘nabijheid’ en ‘geschiktheid’ aanlopen. Want vindt iedereen dat de mensen in het beraad hen ‘nabij’ zijn? En zelfs als die nabijheid er is, dan is de kans reëel dat de ideeën waarmee het burgerberaad komt door een flink deel niet ‘geschikt’ wordt gevonden. Een gedragen oplossing is niet per definitie de meest geschikte oplossing.

De tweede ambiguïteit vloeit, volgens Rosanvallon: “voort uit het niet overlappen van twee constitutieve definities van hetzelfde object.” Dat object is ‘het volk’. “Het volk is zowel het korps van burgers, dat naar een idee van eenheid, een vorm van totaliteit verwijst, als een sociale vorm, die diversiteit, pluraliteit en zelfs verdeeldheid impliceert.” Tegenwoordig spelen politici als Wilders en Baudet met die ambiguïteit. Spelen door te spreken over ‘het volk’ als die eenheid terwijl ze slechts een klein deel van de diversiteit van de ‘sociale vorm’ bedoelen. Het volk in de sociale vorm spreekt nooit met één stem en bij onze besluitvorming moet een meerderheid worden gevonden door zoveel onderdelen van de ‘sociale vorm’ achter een voorstel te verzamelen dat er een meerderheid ontstaat. Deze ambiguïteit zal ook in het klimaat ‘burgerberaad’ van de auteurs sluipen. Zoals de auteurs terecht constateren: “bijna iedereen hecht belang aan een gezonde, fijne leefomgeving.” Wat ‘gezond en fijn’ is daar beginnen mensen te verschillen en vooral als het maatregelen betreft om daar te komen, dan verschillen mensen net zo van mening als: “over wat de beste voetbalclub is, wie The Voice moet winnen, en wie de verkiezingen.”

Als derde constateert Roasanvallon ‘functionele asymmetrieën: “Als we in aanmerking nemen dat de democratie het dubbele doel heeft de bestuurders te legitimeren en de bestuurden te beschermen, dan moeten we wel vaststellen dat die twee functies elkaar niet kunnen dekken. De legitimering berust op het vormen van een vertrouwensband tussen bestuurders en bestuurden, terwijl de bescherming van de bestuurden juist uitnodigt tot het organiseren van het wantrouwen” De coronapandemie brengt deze asymmetrie duidelijk naar voren. Maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, roepen veel verzet en wantrouwen op en de legitimiteit van de maatregelen wordt ter discussie gesteld.

Als vierde moeten we democratie zien in haar tijd en ruimte. Volgens Rosanvallon: “is er een duidelijk verschil tussen een democratie op het moment van haar constitutie en een permanente democratie.” Wat democratisch is en welke instituties er nodig zijn verschilt in de tijd. Rosanvallon geeft een voorbeeld: “Op het moment van de Franse Revolutie leek het ondenkbaar om vertegenwoordigers te kiezen voor de duur van meer dan een jaar; bovendien werd er elke week een nieuwe voorzitter van het parlement gekozen!” Naast ‘tijd’ kan ook ‘ruimte’ variëren. Met ‘ruimte’ bedoelt hij dat wat de kern is van de democratie. Rosanvallon: “lange tijd heeft men gedacht dat het gezin de werkelijke school van de democratie was, omdat men in het gezin er het duidelijkst vorm aan geeft. Anderen zeiden dat het lokale niveau de school van de democratie is, omdat de vanzelfsprekendheid van de gemeenschap zich niet hoeft uit te drukken door middel van de oprichting van een institutie. De groep bestaat er direct als gemeenschap.” De recente decentralisatie van verantwoordelijkheden naar gemeenten werd onderbouwd met argumenten in deze lijn. Sinds het midden van de negentiende eeuw is de natie echter dé, om Rosanvallons woord te gebruiken, school van de democratie. Tegenwoordig ondervindt die school concurrentie van een nieuwe supranationale, namelijk de Europese Unie maar ook van het lokale. Bij het aanpakken van de klimaatproblematiek speelt ‘ruimte’ een belangrijke rol. Klimaat trekt zich immers niets aan van door de mens verzonnen ‘fictionele feitelijkheden’ als landsgrenzen.

Als laatste kent democratie, zoals Rosanvallon het noemt: “pluraliteit van vormen en domeinen.” Wat moeten we hieronder verstaan? “De democratie is natuurlijk een politiek stelsel. Maar ze omschrijft ook vormen van burgeractiviteit, die verder reiken dan alleen deelname aan verkiezingen: debat, het woord nemen, informatie, participatie, betrokkenheid. Ze is ten slotte een samenlevingsvorm die gebaseerd is op het project een wereld van gelijken op te bouwen.” Een wereld van gelijken waarbij iedereen betrokken is, iedereen het woord kan nemen, zich kan informeren. Daarvoor is geen apart ‘burgerberaad’ nodig.

Een andere aanpak, zoals het door de auteurs voorgestelde burgerberaad leidt wellicht tot andere resultaten, maar of het er ook voor zorgt dat iedereen zich gehoord voelt? Of het resultaat op draagvlak bij iedereen kan rekenen? Of er niet aan de legitimiteit van de oplossingen zal worden getwijfeld? Of er niet aan de ‘ruimtelijkheid’ zal worden getwijfeld? Het lijkt mij sterk dat een burgerberaad de vijf door Rosanvallon benoemde punten oplost.

Uitgelicht

Burgerberaad

“Een nationaal burgerberaad geeft gewone mensen echte verantwoordelijkheid. Het is geen referendum en ook geen veredelde inspraakavond. Het komt niet in plaats van lokale burgerparticipatie, maar als aanvulling daarop. Het maakt de ‘Haagse tekentafels’ niet overbodig, maar vult die aan en vergroot de kans op een succesvolle transitie.” Jelmer Mommers en Eva Rovers willen zo’n burgerberaad in het leven roepen en dat moet zich buigen over het klimaat, zo betogen ze in een artikel bij de Volkskrant. Inderdaad een belangrijk onderwerp dat alle aandacht van iedereen vraagt. Toch knaagt er iets en dat is niet het enthousiasme van de beide auteurs.

File:Plenaire zaal Tweede Kamer - panorama.jpg - Wikimedia Commons
Bron: Husky via WikimediaCommons

De auteurs willen het burgerberaad via loting samenstellen en: “Het kabinet geeft burgers een mandaat om voorstellen te doen die verdere CO2-reductie realiseren. Het kabinet belooft de aanbevelingen van de burgers serieus te nemen en aan de Kamer voor te leggen. Het parlement kan aanbevelingen afwijzen, maar moet dan duidelijk uitleggen waarom.” Ik vraag me af waarom iemand of een groep mensen een ‘mandaat van het kabinet’ nodig heeft om voorstellen te doen. Volgens mij staat het iedereen vrij om iets voor te stellen en moeten alle voorstellen serieus worden genomen en moet worden uitgelegd waarom ze worden aangenomen of afgewezen. Lopen we, door dit voor dit burgerberaad expliciet van het kabinet te vragen, niet het risico dat andere voorstellen niet serieus of zelfs helemaal niet behandeld worden?

Bij haar werk wordt de burgerberaad: “begeleid door een onafhankelijke partij. De deelnemers krijgen informatie van experts en belanghebbenden en nodigen zelf sprekers uit om meer kennis te verzamelen.” Nu kun je je afvragen wie er in een kwestie ‘onafhankelijk’ is. In het geval van de auteurs, wie heeft er geen belang bij het onderwerp klimaatverandering? Voor wie verandert er niets als het klimaat verandert en voor wie verandert er niets als men maatregelen voorstelt om klimaatverandering tegen te gaan? Is niet iedereen belanghebbende? En over experts kun je veel zeggen, maar niet dat ze allemaal hetzelfde vinden. Als de huidige coronacrisis iets laat zien, dan is het dat kennis tijdelijk is en door nieuwe informatie kan veranderen en dat er veel informatie is die door experts verschillend wordt beoordeeld. Toch is dit niet de belangrijkste punt waarom het knaagt. Dat punt ligt op een ander vlak

In mijn  werk hoor ik geregeld soortgelijke oproepen. Gemeenten die gaan voor burgerparticipatie of daarvoor het nog ‘newspeakere’ ‘overheidsbetrokkenheid’ gebruiken of zelfs ‘emancipatie’. Als we kijken naar onze staatsinrichting dan is deze in de basis georganiseerd als een burgerberaad. Wij kiezen iedere vier jaar nieuwe Kamer-, Staten en raadsleden en Kamerleden soms zelfs nog vaker. We kiezen dan mensen die ons vertegenwoordigen. Die vertegenwoordigers zijn in de basis ‘gewone mensen’. ‘Gewone mensen’ die van ons: “een mandaat (hebben) om voorstellen te doen.” En in tegenstelling tot het door de auteurs beoogde ‘burgerberaad’, hebben deze ‘gewone mensen’ het mandaat om namens ons te besluiten. Waarom thematische ‘burgerberaden’ toevoegen naast de al bestaande territoriale ‘burgerberaden’. ‘Territoriale burgerberaden’ die namens ons het mandaat hebben om voorstellen te doen én te besluiten over die voorstellen. Die experts kunnen uitnodigen en horen. Die themawerkgroepen en commissies in het leven kunnen roepen om zaken namens hen uit te zoeken?

Volgens de auteurs is: “Het nationale burgerberaad (…) geen vervanging van de parlementaire democratie, maar een verrijking ervan,” ‘Verrijken’ klinkt positief. Toch vraag ik me af of het een verrijking is.

Uitgelicht

Tomorrow is only a day away

Tijdens een wandeling met mijn dochter zag ik een spreuk op een bedrijf. “Let’s shape tomorrow today” stond er. Een bijzondere spreuk. Als het verhaal van de film The Day After Tommorow maar geen werkelijkheid wordt. Dan boetseer je vandaag een fantastisch morgen dat overmorgen vergaat. Dan liever de Bond film Tomorrow never dies. Immers Tomorrow you’re always a day away zoals het personage Annie in de gelijknamige film zingt. En omdat ‘tomorrow’ altijd ‘a day away’ is, klopt het inderdaad dat ‘tomorrow never dies’. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat die ramp van ‘the day after tomorrow’ niet ook om de hoek kan liggen. Ik neem aan dat het bedrijf met tomorrow niet de dag van morgen bedoelt, maar het gebruikt als aanduiding voor de toekomst. Wat wil het bedrijf hiermee zeggen?

Eigen foto

Dat tomorrow today wordt gevormd is een enorme open deur. Nu zijn dergelijke marketing spreuken meestal open deuren. Wie kan zich “Let’s make things better’ nog herinneren? Vandaag werken aan de toekomst dat doet toch iedereen. Ik heb nog nooit iemand aan het verleden zien werken. Nu klinkt dat wellicht vreemd uit de mond van een historicus. Toch is het niet zo vreemd. Historici bestuderen het verleden en dat doen ze niet om een nieuw verleden te bouwen of vorm te geven maar om de kennis van het verleden in de toekomst te vergroten. Ze bestuderen het verleden om erachter te komen hoe het ‘is geweest’ om Leopold von Ranke aan te halen. Om het denken en handelen van onze voorvaderen te her-denken zoals de geschiedfilosoof R.G. Collingwood het noemde. Her-denken is daarbij iets anders dan herdenken. Herdenken is gedenken, her-denken is je proberen te verplaatsen in die voorvaderen en proberen te denken wat zij dachten. Daarom is alle geschiedenis volgens Collingwood, geschiedenis van het denken. Beschrijven ‘hoe het geweest is’ en her-denken veranderen het verleden niet, ze veranderen alleen onze kijk op het verleden.

Toch lijken er tegenwoordig mensen en groepen die vandaag het verleden opnieuw willen vormgeven voor morgen. Zo zijn er mensen, zoals de leider van het Forum voor democratie Baudet, die ‘voorwaarts naar het verleden’ willen. Voor Baudet ligt de toekomst ergens tussen de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw. Terug naar de: “bourgeois society, bourgeois traditions, the bourgeois way of life of ordinary people.” Ze zingen de Beatles na: “Yesterday, all my troubles seemed so far away. Now it looks as though they’re here to stay. Oh, I believe in yesterday.” Dat de ‘ordinary people’ in die tijd geen bourgeois manier van leven’ hadden, lijkt Baudet te vergeten. Voor het gros van de ‘ordinary people’ was het leven in die tijd kort, hard en bruut en hun levensomstandigheden waren verre van ideaal.

Aan de andere kant van het spectrum vind je groepen die iets anders met het verleden willen. Die willen de geschiedenis niet her-denken maar her-schrijven en liever nog her-beleven. Niet her-beleven niet in de vorm van re-enactment, het strikt naspelen of uitbeelden ervan op een manier die de goedkering van Ranke zou dragen en die zou kunnen bijdragen aan Collingwoods her-denken. Nee, her-beleven door het verleden en vooral de actoren uit vroeger tijden hun tijd te laten her-denken met de opvattingen van nu. Dit om die voorvaderen ervan te doordringen dat ze toch echt fout bezig waren en niet zomaar fout, nee goed fout. Zij zeggen: ‘Let’s shape tomorrow today by remaking yesterday’. Zij weigeren het historisch perspectief te zien.               

Bij het vormgeven van ‘tomorrow’ moeten we het ‘today’ doen met twee dingen. Aan de ene kant onze kijk op ‘tomorrow’, de toekomst en bij die kijk op de toekomst moeten we het verleden niet als voorbeeld nemen, zo betoogt Popper met goede argumenten in zijn De open samenleving en haar vijanden. Aan de andere kant onze ervaringen van ‘yesterday’, ons verleden. Maar daar hebben we alleen wat aan als we bij het her-denken uitgaan van hoe het werkelijk is geweest. Hiervan zijn op onverwachte plekken voorbeelden te vinden. Neem bijvoorbeeld de muziek. Daarbij moeten we ons niet laten leiden door de waan van ‘today’. De band The Pogues geeft in enkele van hun liedjes goede voorbeelden. Neem hun songs Navigator en The band Played Walzing Mathilda.

Uitgelicht

Waarheid en feiten

Правда of ‘Waarheid’ zo heette de partijkrant van de communistische partij van de Sovjet Unie. Ten tijde van de Sovjet Unie was het de belangrijkste krant van het land. En, zoals de naam suggereert, was dat wat erin stond de ‘waarheid’. Tenminste, voor de inwoners van het grote Sovjetrijk. Trouwens ook partijkrant van de CPN, de Communistische Partij Nederland droeg die naam en publiceerde de ‘waarheid’, tenminste voor de aanhangers van die partij. Andere kranten publiceerden andere ‘waarheden’ en daarin verschilde Nederland van de Sovjet Unie. Dat land kende ook andere kranten zoals Известия, Izvestia wat ‘berichten’ of ‘mededelingen’ betekent, maar die kranten publiceerden in de Sovjettijd dezelfde waarheid als de Правда.

Bron: WikimediaCommons

Ik begin hierover omdat ik bij ThePostOnline een column las van het filosofisch ingestelde SP-kamerlid Ronald van Raak. “Je leert het op elke filosofiecursus, je leest het in elk filosofenblad: dé waarheid bestaat niet. Dat is gemakkelijk gezegd, maar wat betekent dat eigenlijk? Is dan niets, of juist alles waar? Of moet je gewoon zélf bepalen wat waar is en wat niet?” Zo begint Van Raak en legt vervolgens de link met de coronacrisis: “Denk aan de ‘bekende Nederlanders’ die de informatie over Corona niet willen accepteren en liever vasthouden aan hun eigen ‘viruswaarheid’. Niet zozeer gebaseerd op de gegevens van artsen of de argumenten van onderzoekers, maar vooral ingegeven door hun eigen wil en hun eigen gevoelens”. Denken dat, zo betoogt Van Raak, in navolging van de Duitse filosoof Nietsche, berust: “in de absurditeit van het leven,” en ons maakt tot: “Goden van het eigen gelijk.”  Een god van het eigen gelijk omdat Nietsche de filosoof was die God dood verklaarde waardoor de mens zijn eigen god werd. Dat lijkt Van Raak een erg kwetsbare positie: “ Want wat als jij toch geen gelijk blijkt te hebben, als dat wat jij vindt en voelt tóch niet waar blijkt te zijn? Wat blijft er dan nog over? Niet veel anders dan een vallen en een dolen door een oneindig niets.”

Zoals ik al eerder schreef heeft de mens verhalen nodig. Verhalen die mensen in groepen verbinden en dan ook meteen van andere mensen onderscheiden. God is zo’n verhaal voor mensen die niet voldoende hebben aan het antwoord dat paleontoloog John de Vos recentelijk gaf: “Er is een raar molecuul, het dna, dat afhankelijk van de omstandigheden een bepaalde vorm krijgt. De voortzetting daarvan is de zin. De rest is amusement.” Zo was of is ook het communisme zo’n verhaal. Wel een verhaal dat op een belangrijk punt verschilt van de ‘goddelijke komedie’. Zo wordt de communistische hemel op Aarde gesitueerd maar dan wel in de toekomst en dus net buiten bereik van de levende mens. 

Wat de ‘communistische’, de ‘goddelijke’ en de ‘viruswaanzinige’ waarheid gemeen hebben, is dat feiten er een ondergeschikte geringe rol in spelen. Een filosofiecursus leert je wellicht dat dé waarheid niet bestaat. Als het goed is leert diezelfde cursus je wel het verschil tussen theorieën en opvattingen of meningen aan de ene kant en feiten aan de andere kant. Want, om een bekend spreekwoord te verhaspelen: al is je waarheid nog zo snel, de feiten achterhalen haar wel.

Uitgelicht

Open vizier

Het tweejaarlijkse fotofestival BredaPhoto is dit jaar het middelpunt van een rel. Een van de bijdragen, het kunstwerk Destroy my Face van Erik Kessels, is na een actie van online activisten die zichzelf We Are Not a Playground  noemen, verwijderd. “De opstellers van de Engelstalige brief wilden anoniem blijven, omdat ze, zo verklaarden ze later, hun professionele leven niet in gevaar wilden brengen,” zo is te lezen in een artikel van Anna van Leeuwen in de Volkskrant. Een bijzondere wens.

File:Hide and seek game.jpg
Foto: Fatma Hasham (WikimediaCommons)

Wat is er aan de hand? Kessels werk bestond uit: “grote foto’s (…) van door algoritmen samengestelde gezichten van vrouwen (en een enkele man) die veel plastische chirurgie hadden ondergaan. Doordat erover geskatet zou worden, zouden de portretten beschadigd raken.” Dit was tegen het zere been van de actievoerders. De oproep van de actiegroep werd ondertekend door 2.444 personen. Een van de ondertekenaars, Alina Lupu hierover: “Het is een slap excuus om te zeggen dat die foto’s zijn samengesteld door algoritmen. Algoritmen discrimineren. En juist vrouwen ervaren de druk om er op een bepaalde manier uit te zien, en die druk komt vooral van mannen.” De actie van de groep heeft tot verontwaardiging in de ‘kunstwereld’ geleid. Kunstenares Tinkebell (Katinka Simonse) over de actie: “Ze denken dat ze de waarheid in pacht hebben, echt choquerend. Een kunstwerk weg willen halen is zwak. Dan zeg je: dit mag geen deel uitmaken van de kunstcommunity.” In die reactie kan de Ballonnendoorprikker zich vinden, maar daar gaat het nu niet om.

Het gaat mij erom dat de ‘opstellers anoniem willen blijven omdat ze hun professionele leven niet in gevaar willen brengen’. Een bijzondere redenering. De opstellers willen anoniem blijven om hun eigen carrière niet te schaden, maar hebben er geen moeite mee om de carrière van een ander, in dit geval Kessels, te schaden. Ik ben niet van de bijbel maar hierbij moet ik toch denken aan het gebod ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet’. Ook hebben ze er geen moeite mee om zich achter de 2.444 ondertekenaars te verschuilen. Ik vraag me trouwens af wie er een openbrief ondertekent terwijl de auteur of auteurs ervan er hun naam niet aan durven te verbinden. Of zouden de opstellers zich tussen de ondertekenaars verschuilen?

Beste actievoerders van We Are Not a Playground,  als jullie een punt willen maken, je wilt verzetten tegen iets of iemand, ga je gang. Maar …, maak jullie namen bekend zodat Kessels en anderen weten met wie ze in gesprek kunnen gaan. Aan wie ze om een toelichting kunnen vragen. Of beter nog, ga eerst het gesprek aan met degene waarmee je van mening verschilt voordat je aan actie begint. Stop met, om het bij het spelen te houden, ‘verstoppertje spelen’ en strijd met open vizier. Als je werkelijk meent dat je voor de goede zaak strijdt, dan hoef je je toch geen zorgen te maken over je latere ‘professionele leven’?

Uitgelicht

Sympathy is what we need my friend

Recentelijk kwam, na ruim tweehonderdvijftig jaar, eindelijk de Nederlandse vertaling van The Theory of Moral Sentiment van Adam Smith uit. In het Nederlands vertaald als De theorie over morele gevoelens. Dat het iets na het midden van de achttiende eeuw uitkwam, wil niet zeggen dat het niet actueel kan zijn. En inderdaad, al redelijk in het begin (afdeling 1 hoofdstuk 4) kwam de actualiteit binnen en moest ik denken aan, om die moderne termen er maar eens in te gooien, echokamers en filterbubbels.

Eigen foto

Op de site Filosofie geeft Natascha Rietdijk een goede definitie van het begrip echokamer: “een situatie waarin jij je eigen mening steeds herhaald en bevestigd hoort. Dat echo-effect zorgt ervoor dat je nog overtuigder raakt van je eigen standpunt, waardoor ideeën snel kunnen radicaliseren” In de echokamer wordt het eigen gelijk en de eigen overtuigingen een dogma en straalt men, zoals Rietdijk schrijft: “een extreem scepticisme over de argumenten van buitenstaanders,” uit. Die echokamer wordt nog versterkt door het fenomeen filterbubbel, algoritmes van de zoekmachine die zich aanpassen aan jouw voorkeuren. Als jij en ik eenzelfde zoekwoord intypen dan krijgen we andere resultaten voorgeschoteld. Resultaten die zijn gebaseerd op onze eerdere zoekopdrachten en surfgedrag.  

Terug naar Smith. De eerste afdeling van zijn boek handelt over, om de titel aan te halen: “Het gevoel voor het moreel aangepaste”. Het centrale begrip is sympathie. Om de voetnoot van de vertaler aan te halen: “Smith gebruikt het woord ‘sympathie’ veelal in de betekenis die de etymologie van het woord suggereert: het is afgeleid van het Griekse werkwoord συμ-πάθεια dat letterlijk ‘mede-lijden’, ‘mede-ondergaan’ betekent.”  Volgens Smith is sympathie een kwestie van afstemming tussen de lijder en de mede-lijder. Afstemming die moet leiden tot harmonie. Smith: “Om deze harmonie te creëren leert de natuur de toeschouwers de omstandigheden van de directbetrokkenen tot de hunnen te maken, zoals ze de laatste leert zich in zeker mate in te leven in de toeschouwers. Zoals zij zich voortdurend verplaatsen in zijn situatie en aldus emoties vormen die lijken op wat hij voelt, zo verplaatst hij zich voortdurend in hun situatie en krijgt zodoende een idee van de mate van koelheid waarmee, zoals hij beseft, ze zijn lot bezien.” En dan komt het bijzondere in het betoog van Smith. Volgens Smith is het voor de gemoedsrust van de lijder beter om dit ‘afstemmen’ te doen met onbekenden. Sympathie die we bij vreemden constateren leidt, zo betoogt Smith, tot de grootste mate van gemoedsrust want: “wanneer we überhaupt meester over onszelf zijn, zal de aanwezigheid van een kennis ons werkelijk kalmeren, meer dan de aanwezigheid van een vriend, en de aanwezigheid van een gezelschap van vreemden weer meer dan die van een kennis.”  Sympathie van onbekenden zorgt, volgens Smith, voor meer gemoedsrust: “ten overstaan van hen dwingen we ons tot nog meer kalmte, en proberen steeds ons gevoel te verlagen tot het niveau waarvan we mogen verwachten dat het gezelschap waarin we verkeren zich ernaar kan voegen.”

Ik moest denken aan ‘echokamers’. Daar kom je gelijkgestemden tegen. Gelijkgestemden waarmee je je gevoel veel minder hoeft te verlagen en je dus veel makkelijker hoog in je emotie blijft zitten. Daarvan zien we vele voorbeelden. We zien ‘kamers’ die ons land als door en door racistisch zien en ook ‘kamers’ waar men in iedereen die van elders komt een vijand ziet. Echokamers die worden versterkt door filterbubbels. Zo is er ook een ‘kamer’ die het coronavirus ontkent. In die bubbel gebruikt de overheid het ‘spookvirus’ om onze vrijheden af te nemen. Die ‘kamer’ deed deze week van zich spreken via #ikdoenietmeer mee. Een hoog emotionele actie.

De nasleep van die actie liet een mooie bevestiging zien van het denken van Smith: de uitzending van Jinek met ‘influencer’ Famke Louise. Eerst gaat Jinek met veel emotie het gesprek met Famke Louise aan.  Ze wast haar min of meer de oren, maar tot een echt gesprek komt het niet. Een schoolvoorbeeld van twee personen die hoog in hun eigen waarheid zitten en zich niet in elkaars positie probeerden in te leven. Ze probeerden niet mee-te-lijden.

Gelukkig zat ook ic-specialist Diederik Gommers aan tafel. Gommers ‘verlaagde zijn gevoel’ en ging op een kalme manier opzoek naar contact met Famke Louise. Gommers verplaatste zich in haar situatie en dat maakte dat Famke Louise hetzelfde deed. Ze kwamen, om Smith aan te halen, op: “het niveau waarvan we mogen verwachten dat het specifieke gezelschap waarin we verkeren zich ernaar kan voegen.” Een niveau waarnaar het gros van de Nederlandse samenleving zich kan voegen. Een niveau waarbij we met elkaar mee-lijden. Een prachtig voorbeeld van Smiths theorie dat sympathie voor onbekenden voor meer gemoedsrust zorgt. Helaas zijn  dergelijke voorbeelden tegenwoordig zeer schaars.   

Uitgelicht

Prestatiebeloning

“Wat als je de slechtst presterende 10 procent medewerkers in een organisatie zou vervangen door de beste 10 procent? In het bedrijfsleven levert het 4 tot 5 procent meer productie op.” Hiermee opent een interview van Wouter Boonstra met hoogleraar internationale economie Harry Garretsen in Binnenlandsbestuur. Hoe kun je tien procent van je slechtste medewerkers vervangen door tien procent van je beste medewerkers, die beste medewerkers heb je toch al in huis? Nu zal Garretsen het zo niet bedoelen. Het gaat mij om een andere passage in het interview. Ik lees er: “dat de helft van de werknemers in de publieke sector met liefde een deel van de salarisstijging opgeeft voor een prestatie-afhankelijke bonus. Onder de jongeren tot 45 jaar was het percentage voorstanders van een bonus zelfs 60 procent.” Zou die helft en de zestig procent van de jongeren tot 45 zich realiseren wat ze willen? Bij een prestatiebeloning word je beloond naar wat je presteert.

gras, fabriek, veld-, prairie, bloem, eten, gewas, biologie, landbouw, groenten, prei, allium, bebouwbaar, bloeiende plant, triticale, prei kas, allium ampeloprasum, gras familie, landplant, phragmites, prei veld, prei groeien, allium porrum, breedband prei, winter prei, Welsch ui, wicked prei, spaans ui, Asch prei, ui vlees, Ackerl auchs
Bron: pxhere.com

Mijn eerste schreden op de arbeidsmarkt zette ik als elfjarige in de ‘grote vakantie’ op een akker waar prei moest worden gepoot. Het salaris was een typisch voorbeeld van ‘prestatiebeloning’. Het werd bepaald door de hoeveelheid rijen die je pootte. En voor mij leek er geen einde aan zo’n rij te komen dus dat salaris viel wat tegen in vergelijking met wat oudere kinderen met meer ervaring in het poten van prei. In die tijd werd het salaris van veel van dergelijk seizoenswerk bepaald aan de hand van je prestatie: zoveel cent per kilo aardbeien of asperges. Na enkele jaren was ik erg bedreven in dergelijke werk. Alleen waren de tuinders toen overgestapt op een salaris per uur.

Prestatiebeloning is bedoeld als een prikkel waardoor de werknemer harder gaat werken. Bij het preipoten was het heel eenvoudig: poot je de meeste rijen dan verdien je het meeste. De tuinder weet vooraf precies hoeveel geld hij kwijt is aan het poten van de prei. Namelijk het aantal rijen maal de prijs per rij. De poters weten vooraf niet wat ze verdienen. Hun verdienste hangt namelijk af van de prestatie van hun collega’s. Om het cru te zeggen profiteren de snelsten van de langzaamste. De snelsten kunnen immers meer doen omdat de langzaamste minder doen. Als de tuinder zijn prei sneller in de grond zou willen hebben, dan zou hij bijvoorbeeld de langzaamste helft van de poters kunnen vervangen door poters die even snel zijn als zijn snelste helft. Zijn kosten zouden gelijk blijven, de prei zou eerder in de grond staan en … de poters zouden per persoon minder verdienen. De snelheid van de gemiddelde poter neemt immers toe waardoor er per ‘poter’ minder rijen gedaan kunnen worden.

De publieke sector is geen tuinderij waar prei moet worden gepoot. Voor die vijftig en zestig procent van de voorstanders van prestatiebeloning is het goed om toch eens wat beter naar die akker met prei te kijken. Als we bijvoorbeeld kijken naar de gemeentelijke begroting dan zien we dat daar een bedrag in is opgenomen voor het salaris van de ambtenaren. Zoveel geld is er per jaar beschikbaar voor salaris. Dat bedrag is gefixeerd. Het is de te vergelijken met de akker van de preiteler, die heeft een vast oppervlak. Hoe dat bedrag voor salarissen in de gemeentelijke begroting wordt verdeeld, staat nu vooraf vast. Ambtenaren zijn op een bepaald salarisniveau ingeschaald. Ze weten van tevoren wat ze krijgen. Stel we gaan de kant van de prestatiebeloning op en een deel van het ambtenarensalaris wordt ‘prestatieafhankelijk’. Dan wordt hetzelfde bedrag op een andere manier verdeeld over de ambtenaren. Zouden die vijftig en zestig procent hier allemaal van profiteren?

Laat ik eens een voorbeeld uitwerken. Een bedrijf of gemeente heeft 200 medewerkers die nu allemaal 100 verdienen. Dit betekent dat er 20.000 aan salaris beschikbaar is. Stel we gaan nu een vijfde verdelen op basis van prestatie. Dan is er 16.000 als basissalaris beschikbaar, dus 80 per persoon en zit er 4.000 in de ‘prestatie-pot’. Presteren doe je als je meer dan gemiddeld produceert. Dit betekent dat je alleen als je tot de beste 50% behoort, in aanmerking komt voor een prestatiebonus. Verdeel je die ‘prestatie-pot’ recht evenredig over de 100 meer dan gemiddeld presterende medewerker, dan ontvangen die ieder 40 extra en hebben ze een inkomen van 120. Dan ga je ervan uit dat de best presterende vijftig allemaal evenveel presteren. Maar hoe ‘prestatie belonend’ is het als je iemand die net iets meer dan gemiddeld presteert evenveel bonus toekent als de allerbest presterende? Om ook daar de prestatie leidend te laten zijn, maken we een staffeling. We verdelen die bovengemiddeld presterende 50% in vier even grote groepen van 25 personen. Het best presterende kwart van die 50% krijgt 40% van de ‘prestatie-pot, dus 1.600, het tweede kwart 30% en dus 1.200, het derde kwart 20% of te wel 800 en het laatste kwart 10% en dus 400. Alhoewel ook weer niet helemaal ‘prestatie-belonend’, verdelen we de delen van de pot recht evenredig over de groepen. Wat zien we dan? Dan zien we dat de slechts presterende 100 medewerkers per persoon 80 verdienen. De 25 (12,5%) net boven gemiddelde scorende medewerkers verdienen 80 plus een bonus van 16 (400 gedeeld door 25). De volgende 25 verdienen 80 plus een bonus van 32 (800 gedeeld door 25). De op een na best presteerden 25 verdienen 80 plus een bonus van 48. De best presterende 25 medewerkers verdienen 80 plus een bonus van 64.

Anders dan de tuinder die zijn akker sneller gepoot wilde hebben, vervangt dit bedrijf of gemeente, niet die minst presterende medewerkers. Tenminste niet bewust, maar dat wil niet zeggen dat onbewust niet hetzelfde gebeurt. Van de ene kant zullen de minst presterende medewerkers wellicht ander werk zoeken omdat hun beloning vermindert. Ze krijgen nu immers nog maar 80 terwijl het eerst 100 was. Aangelokt door de bonus, zal hun plek worden ingevuld door ambitieuze lieden die verwachten tot de best presterende medewerkers te horen. Als dat zo is, dan stijgt de gemiddelde productie en dus de norm waaraan je moet voldoen om voor een bonus in aanmerking te komen.

In dit voorbeeld gaat meer dan 60% van de medewerkers achteruit in salaris. Dat betekent dat ook een deel van de voorstanders van prestatiebeloning het met minder zal moeten doen dan ze nu krijgen. De productiviteit van het bedrijf of de gemeente stijgt en dat is positief. Snellere ‘poters’ zorgden ervoor dat de prei van de tuinder sneller was gepoot en de poters eerder naar huis konden tegen dezelfde arbeidskosten voor de tuinder. Anders dan de akker van de tuinder, is het werk bij een gemeente oneindig. Via de prestatiebeloning gebeurt immers meer voor hetzelfde geld, de ‘gemeentelijke poters’ gaan niet eerder naar huis, ze doen meer in dezelfde tijd. Dat is positief voor het bedrijf of gemeente, maar is het ook goed voor de werknemers? Ze moeten steeds harder werken voor hetzelfde of minder geld. Harder en meestal ook langer. Een tweede, vooral voor de minder productieve medewerkers interessante, manier om je ‘prestatiebonus’ te halen, is door meer tijd aan het werk besteden. Door langer te gaan werken. Zouden de vijftig en zestig procent voorstanders van prestatiebeloning zich dit allemaal realiseren? Ik waag het te betwijfelen.

Uitgelicht

Probleem van de vluchteling

Het kan niemand zijn ontgaan dat het vluchtelingenkamp Moria op Lesbos door branden grotendeels is verwoest. Toch heeft die brand relatief weinig commotie en verontwaardiging veroorzaakt. In het programma De Vooravond geeft jurist en auteur Roxane van Iperen een goede verklaring voor dit gebrek. Volgens haar is het een gevolg van een proces van ontmenselijking van de vluchtelingen. Een interessante verklaring waarbij ik moest denken aan het boek  Het kwaad. De psychologie van onze duistere kant van Julia Shaw. Eerst het proces van ontmenselijking van Van Iperen.

Eigen foto

Een proces dat begon met het afschuiven van het probleem naar ‘de regio’, waar de vluchteling moet worden opgevangen. Een regio waartoe Nederland nooit hoort. Zelfs niet als het wel het geval is, zoals in het geval van de Venezolaanse vluchtelingen die naar de Antillen vluchten. Dan moeten de grenzen dicht. Vervolgens worden vluchtelingen ‘gelukzoekers’, niet op zoek naar veiligheid maar uit op ‘onze welvaart’. Die Gelukzoekers die samen een ‘tsunami’ vormen die ons ‘overspoeld’. Vervolgens worden het terroristen, verkrachters enzovoort. Zo wordt een maatschappelijk ‘probleem’ vakkundig buiten ons geplaatst. En toen moest ik aan Shaw denken. In haar zoektocht naar, en verklaring van het kwaad kan zij niet om nazi-Duitsland heen. Shaw haakt aan bij de levensgeschiedenis van Martin Niemöller. Niemöller begon als aanhanger van Hitler, maar toen hij zag hoe funest de nazipolitiek uitpakte verzette hij zich en belandde uiteindelijk in concentratiekampen. Niemöller is de dichter van een van de bekendste protestgedichten:

Eerst kwamen ze voor de socialisten en ik zei niets. 
Omdat ik geen socialist was.
Toen kwamen ze voor de vakbondsleden en ik zei niets.
Omdat ik geen lid was.
Toen kwamen ze voor de Joden en ik zei niets.
Omdat ik geen Jood was.
Toen kwamen ze voor mij, en er was niemand over
om voor mij iets te zeggen.

Nazipolitiek die ook begon met het ontmenselijken van anderen en hen te benoemen als Untermenschen.  Tegenstanders die vervolgens één voor één werden uitgeschakeld op een manier die Niemöller in zijn gedicht beschrijft. Shaw over deze uitspraak: “Voor mij maakt hij duidelijk hoe gevaarlijk het is de problemen van de maatschappij als de problemen van iemand anders te zien. Het gaat over de medeplichtigheid die het gevolg is van niets doen. En we vragen ons af waarom we zo vaak niets doen als anderen om ons heen lijden.”

Het Nederlandse beleid rond vluchtelingen maakt een maatschappelijk probleem, een probleem van de wereldgemeenschap, tot een probleem van anderen: die moet zijn eigen ellende oplossen en ‘ons’ er niet mee lastig vallen. Of die ander nu een Syriër is die een veilig heenkomen zoekt voor de burgeroorlog in zijn land of een land als Griekenland dat ‘toevallig’ in de regio ligt en dus de ellende maar moet oplossen. Dus daarom doen ‘we’ (de Nederlandse regering) zo vaak niets. Ook nu weer. Ja, er wordt naarstig overlegd door de regeringspartijen om tot een ‘oplossing’ te komen. Een ‘oplossing’ die niets oplost behalve dat ze de ‘vrede’ in de coalitie handhaaft.

Een debat dat draait om het ‘vluchtelingenprobleem’, de eventuele problemen die vluchtelingen hier kunnen veroorzaken. En om die problemen te voorkomen, wordt de deur dicht gehouden. Een oplossing die tot situaties leidt zoals op Lesbos, enkele andere Griekse eilanden maar ook in Italië. Een oplossing die ervoor zorgt dat de kosten van een tocht naar Europa zeer hoog worden. Een paar duizend euro voor een ‘boottocht’ naar Lesbos terwijl je voor nog geen € 150 van Turkije naar Amsterdam kunt vliegen. Een oplossing die ervoor zorgt dat mensen in gammele bootjes proberen in Europa te komen. Een oplossing die geen oplossing is.

Waarom vlucht iemand? Een hek om Syrië zetten, maakt het binnen dat hek niet veiliger. Een ‘gesloten deur’ voor economische vluchtelingen, maakt niet dat de economische situatie in het land van vertrek verbetert. Die oplossing is alleen te vinden als we in plaats van het ‘vluchtelingenprobleem’ het ‘probleem van de vluchtelingen’ centraal stellen. Als de veiligheid ‘binnen het hek’ wordt verbeterd, als de economische situatie in het land van vertrek verbetert, pas dan wordt er gewerkt aan het probleem van de vluchteling. Als we dat doen zal het huidige ‘vluchtelingenprobleem’ voor het grootste deel verdwijnen.

Shaw vraagt zich af hoe ‘Hitler’ mogelijk werd. Daarbij onderscheidt zij verschillende soorten medeplichtigen. Als eerste de ‘omstanders: “degenen die niet in de ideologie geloofden en niet betrokken waren bij de nazipartij, maar die getuigen waren of wisten van de wreedheden en niet optraden.” Als tweede de groep die: “in de retoriek geloofden, die geloofden dat ze de wereld door middel van een etnische ‘schoonmaak’ hielpen verbeteren en wier overtuigingen en optreden bij elkaar pasten.” Als laatsten: “degenen die niet in de nazi-ideologie geloofden, maar die het gevoel hadden zat ze geen andere keus hadden dan zich bij de nazipartij aan te sluiten of die geloofden dat een lidmaatschap hun persoonlijke voordelen opleveren.” De Ballonnendoorprikker wil niet behoren tot de medeplichtigen. Daarom laat hij zijn stem horen. Of beter, laat hij zijn toetsenbord spreken.

Uitgelicht

Dictatuur van de minderheid

Bij de Kanttekening stuurt Kiza Magendane een ‘liefdesbrief’ aan de voorstanders van zwarte piet. Hij houdt ze, vanuit zijn ervaring als vluchteling, voor dat er leven is na het verlies van iets dierbaars. En mochten de voorstanders van zwarte piet het nodig hebben: “Als de coronacrisis is afgelopen, kunnen jullie bij mij een gratis knuffel ophalen,” aldus Magendane. Nu gaat het mij niet om die knuffel en ook niet om  zwarte piet. Het gaat mij om de zin: “Als de minderheid regelmatig hiertegen bezwaar aantekent, dan is het aan de meerderheid om zich aan te passen. Het gaat om een kwestie van beschaving.” Inderdaad is rekening houden met elkaar een kwestie of teken van beschaving. Maar is het daarbij altijd aan ‘de meerderheid’ om zich aan te passen?

Alexis de Toqueville. Bron: WikimediaCommons

Nu kan ik Magendane in het geval ‘zwarte piet’ volgen. Bezwaar tegen het uiterlijk van ‘piet’ en het gevoel dat dit mensen geeft, is aanleiding voor een goed gesprek. Een gesprek dat ertoe leidt dat ‘piet’ wordt aangepast. Dat wordt lastig als ‘piet’, zoals dat door sommigen gebeurt, tot het fundament van de Nederlandse samenleving wordt gemaakt. Dat fundament draagt dan immers het geheel. Zo zijn er meer kwesties waar een minderheid tegemoet kan worden gekomen door een aanpassing. Dit omdat ze niet tot de fundamentele waarden van onze samenleving behoren.

Er zijn echter ook zaken waar de meerderheid voet bij stuk moet houden en het de minderheid is die zich aan moet passen. Bij zaken die wel raken aan de fundamentele waarden van onze samenleving lijkt het mij niet verstandig dat de meerderheid zich aanpast aan bezwaren van een minderheid. Zo lijkt het mij niet dat we onze wetgeving moeten aanpassen aan wensen van religieuze fanaten die de wet van hun god boven de Nederlandse wet willen plaatsen. Het lijkt mij niet dat we toe moeten geven aan minderheden die vrouwen ondergeschikt vinden aan de man. Die mensen die houden van iemand van hetzelfde geslacht als minder zien of nog erger.

In een democratische samenleving worden besluiten genomen op basis van een meerderheid van stemmen. Dit zou, daar waarschuwde Alexis de Toqueville in de negentiende eeuw al voor, kunnen leiden tot een dictatuur van de meerderheid. Daarom wordt de eerste zin van deze alinea vaak aangevuld met ‘en houdt daarbij rekening met de belangen van de minderheid’. ‘Rekening houden met’ is echter niet synoniem aan ‘zich aanpassen’. Niet ieder bezwaar, ook niet als het geregeld door een minderheid wordt geuit, hoeft te leiden tot een meerderheid die zich aanpast. Als een meerderheid zich steeds zou moeten aanpassen aan bezwaren van een minderheid, is er dan niet sprake van een ‘dictatuur van de minderheid’?

Uitgelicht

Handen en voeten, armen en benen

“Anders dan een chimpansee of gorilla kunnen wij met ons uiterst beweeglijke polsgewricht een voorwerp ook zo vasthouden dat het onze onderarm verlengt. Op die manier is de kracht van een klap veel groter. Bovendien zijn tegenstanders of gevaarlijke dieren zo op afstand te houden en kunnen we door gebruik te maken van de volledige hefboomkracht botten verbrijzelen.” Aan die passage uit het boek Hoe we mensen werden van Madeleine Böhme, Rudiger Braun en Florian Breier moest ik om twee redenen aan denken.

Honkbal speler vector ontwerp - Download Free Vectors, Vector Bestanden,  Ontwerpen Templates
Bron: Vecteezy.com

In mijn vrije tijd ben ik coach van het pupillen honkbalteam van de Mustangs in Venlo. Een leuke bezigheid omdat je probeert jongens en meisjes van tien tot twaalf jaar de kneepjes van het honkbal te leren. Honkbal lijkt eenvoudig: je slaat met de knuppel de bal weg en rent. En sta je in het veld dan vang je de bal en gooi je die naar waar die naar toe moet. Maar waar moet die naar toe? Dat moet je bepalen voordat je de bal krijgt. Als je pas gaat denken als je de bal krijgt, dan ben je te laat. Het gros van mijn team speelt nu bijna een half jaar en dat is vrij kort. Als coach is het bijzonder leuk en bevredigend om te zien dat de kinderen leren van de trainingen. Dat ze de goede keuzes maken ook al mislukt het vaak nog omdat het gooien en vangen toch moeilijker is dan gedacht. Maar vooral het enthousiasme van de kinderen is aanstekelijk. De blijdschap en lach op hun gezicht als het lukt.

De tweede reden waarom ik hieraan moest denken is een video op Youtube van de Britse tienjarige Nandi Bushell. Of eigenlijk een serie video’s. Nandi speelt de drums en doet dat op een zeer hoog niveau. Daarom daagde ze Dave Grohl, de drummer van Nirvana en voorman van de Foo Fighters uit tot een ‘drumbattle’. Grohl accepteerde en kon het niet laten om Nandi weer terug uit te dagen. Wat mij naast het onmiskenbare talent van Nandi nog meer opvalt, is haar aanstekelijke enthousiasme. Enthousiasme dat ik herken bij mijn pupillen.

Het polsgewricht is zowel bij honkbal als bij drummen van cruciaal belang. Daardoor kan een honkballer de knuppel als hefboom gebruiken. Dat ‘verlengen van onze onderarmen’ zorgt er mede voor dat de gemiddelde kracht die de honkbalknuppel op de bal uitoefent, is te vergelijken met 1.800 kilogram en de totale kracht gedurende de hele slag met zo’n 3.700 kilogram. Mede, omdat een goede slagman met zijn hele lijf slaat. Zonder die hefboom blijft er van dat slaan met je hele lichaam niets over. Maar ook bij het vangen en vooral het gooien van de bal, vervullen de polsgewrichten een belangrijke rol. Drummen zou zonder dat beweeglijke polsgewricht onmogelijk zijn. Bij het drummen niet zozeer vanwege de grotere kracht die ermee kan worden uitgeoefend, maar veeleer vanwege de beweeglijkheid en souplesse van het gewricht. Die maken het mogelijk om in een veel hoger tempo te drummen dan een chimpansee zou kunnen.

Die soepele polsgewrichten en onze handen, zijn volgens Böhme en haar mede auteurs een van de voorwaarden voor het succes van de menselijke soort. Ze maken een fijne motoriek mogelijk die voor alle andere diersoorten op deze planeet onhaalbaar is. Die handen konden zich echter pas zo ontwikkelen nadat we op twee benen gingen lopen.

Hoeveel dieren lopen er permanent op twee benen? Naast de mens, een paar vogels zoals de struisvogel, de emoe en de kip, valt mij alleen de kangoeroe in. Al lijkt het voortbewegen van de kangoeroe niet echt op lopen. Het dier springt waarbij het zich afzet met de twee achterpoten en daar ook weer op land. Lopen op twee benen is zeldzaam. Toch zijn wij Homo Sapiens niet de eerste mensensoort die op twee benen liepen. Die eer komt de Australopithecus afarensis toe. Een mensensoort dat zo’n 3,2 miljoen jaar geleden op de aardbol rondliep. Nou ja, aardbol, ergens in wat we nu Ethiopië noemen. Dat weten we door Lucy, de eerste Australopithecus afarensis die werd gevonden. De journalist en cabaretier Tom Phillips (hij studeerde archeologie, antropologie en geschiedenis) beschrijft het in zijn boek De Mens. Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups als volgt: “Lang, lang geleden, toen de zon op een dag opging boven de weidse rivierdalen en vlakten van Ethiopië, hing een jonge mensaap wat rond in een boom. Wat ze die dag precies dacht of deed zullen we wel nooit weten. Waarschijnlijk zat ze te bedenken hoe ze iets te eten kon vinden, of een partner, of misschien tuurde ze nieuwsgierig naar de boom ernaast om te kijken of dat een betere boom was. Ze wist hoe dan ook niet dat de gebeurtenissen van die dag haar het beroemdste lid van haar soort zou maken, en zelfs als je haar dat op een of andere manier kon vertellen, dan nog zou het concept ‘roem’ haar niets zeggen. Ze wist ook niet dat ze in Ethiopië zat, want dit alles gebeurde miljoenen jaren voordat iemand op het lumineuze idee kwam om lijnen op een kaart te tekenen en de aldus ontstane vormen namen te geven waar we oorlog om konden voeren.” Wat die jonge mensaap zo bijzonder maakte, was dat zij en haar soortgenoten iets andere heupen en benen hadden dan andere mensapen. Dit maakte het voor hen mogelijk om te lopen. Waarom werd deze Lucy zo beroemd? Phillips vervolgt: “Toen viel ze uit de boom en was op slag dood.”  Dat maakt haar niet speciaal. Het volgende wel: “Pak ‘m beet 3,2 miljoen jaar later zou een andere groep mensapen – deels inmiddels in bezit van een doctorstitel – haar gefossiliseerde botten opgraven. Omdat het in de jaren zestig gebeurde en ze op dat moment luisterden naar een populair liedje van een tamelijk stonede groep Liverpoolers, besloten ze haar Lucy te noemen. Ze was een gloednieuw soort – de soort die we nu Australopithecus afarensis noemen  – en ze werd ingehaald als de ‘missing link’ tussen mensen en apen.”

Lucy en haar soortgenoten bewogen zich op twee benen voort, maar daar was ook alles mee gezegd. Tenminste, als we haar lopen vergelijken met ons huidige lopen. Er waren nog een paar miljoen jaar evolutie nodig om die heupen, benen en de rest van het lichaam zo ‘aan te passen’ voor we ons ‘hemerodromen’ konden noemen. Een woord dat Böhme en haar co-auteurs gebruiken: Hemerodromen of ‘daglopers’ heetten in het klassieke Griekenland de ijlbodes die in enkele uren grote afstanden konden afleggen om belangrijke berichten over te brengen. De beroemdste ijlbode was Pheidippides. Om hulp te vragen voor de op handen zijnde slag tegen de Perzen bij Marathon stuurde veldheer Miltiades hem in 490 v. Chr. van Athene naar Sparta. Volgens de overlevering legde Pheidippides de 246 kilometer lange afstand in nog geen twee dagen af – een bijna ongelofelijke prestatie. Waarom werd er geen paard gestuurd?” Een interessante vraag, een paard rent veel sneller. Gelukkig geven ze ook het antwoord op deze vraag. De mens is de meest efficiënte duurloper op deze aardbol. Pheidippides liep 246 kilometer in twee dagen door bergachtig terrein. Dat wij veel langer kunnen rennen dan welk dier dan ook hebben we aan ons vermogen tot zweten te danken: “Ook veel andere zoogdieren kunnen zweten, maar in vergelijking met mensen hebben ze maar weinig zweetklieren en vaak bovendien een isolerende vacht. Daarom moeten ze met hun tong uit de bek hijgen, overtollige warmte via hun vergrote oren afgeven, door de modder rollen of een bad nemen om hun lichaam effectief af te koelen. Lange afstanden achtereen rennen is voor dieren daarom vaak levensbedreigend, en precies van die situatie maakt de mens al miljoenen jaren gebruik tijdens de drijfjacht. Zolang wij voldoende drinken om het verlies aan vocht en mineralen als gevolg van transpiratie aan te vullen, kunnen we zelfs bij grote warmte urenlang blijven rennen.”  En laat die benen nu ook belangrijk zijn bij zowel honkbal als drummen.

Uitgelicht

’n Man, ’n vrouw

“Een harde boodschap voor mensen zonder kinderen.” De conclusie van interviewer Fokke Obbema in een gesprek in de Volkskrant met paleontoloog John de Vos. Die conclusie volgt op: “klopt,” het antwoord dat De Vos geeft op de vraag: “Leiden mensen die zich niet voortplanten dan geen zinvol leven.” Volgens De Vos is de enige zin van het leven de voorplanting: “Er is een raar molecuul, het dna, dat afhankelijk van de omstandigheden een bepaalde vorm krijgt. De voortzetting daarvan is de zin. De rest is amusement.” Een heel ander antwoord dan de schoolcatechismus gaf.

Nu was de vraag die in die schoolcatechismus werd gesteld iets specifieker. Die vroeg niet naar de zin van het leven in het algemeen, maar naar de zin van het menselijk leven. Op de eerste vraag ‘waartoe zijn wij op aarde’ volgde het antwoord ‘Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn.’ En omdat de tijd hier kort is en in het hiernamaals lang, was het geluk hier ondergeschikt aan het geluk in het hiernamaals. Zeker omdat het niet goed dienen van god je een plek in de hel of het vagevuur kon bezorgen en dat scheen geen pretje te zijn. Voor wie daar meer over wil weten, de Goddelijk komedie van de dertiende-eeuwse Florentijnse dichter Dante Alighieri beschrijft de reis die je na je dood maakt. De islam kent een soortgelijk geloof in een hiernamaals en je plek daar wordt bepaald door wat je tijdens je leven op Aarde doet.

Ook de oude Romeinen geloofden in een hiernamaals, het Elysium, de plek waar de gelukzaligen vertoefden. Maar daar waar de christenen daarvoor naar boven, naar de hemel, keken, bevond het Elysium zich in de onderwereld. En net als de christelijke hemel, werd je toegang tot het Elysium bepaald door je daden in het aardse leven. Generaal Maximus gespeeld door Russel Crowe refereert daar in de film Gladiator aan in zijn toespraak tot zijn ruiters voor de ‘laatste slag’ met de Germanen: “Three weeks from now, I’ll be harvesting my crops. Imagine where you will be, it will be so. Hold the line! Stay with me. If you find yourself alone riding in green fields with the sun on your face, do not be troubled for you are in Elysium. And you’re already dead.”

Dan zijn er nog mensen die geloven dat de ziel van ieder leven, wat dat ook moge zijn, steeds weer een nieuwe ‘vleselijke gedaante’ aanneemt. Vandaar de naam hiervoor reïncarnatie. Wat die ziel in dat vleselijke omhulsel doet, bepaalt de vleselijke vorm in een volgende cyclus. Die vorm kan hoger of lager zijn dan de vorige. Als de ziel het almaar goed blijft doen, wordt hij of zij bevrijd van het aardse leven en wordt dit ingeruild voor een eeuwig leven met god. Als we dit vergelijken met de christelijke hemel en hel, dan kun je zeggen dat leven op Aarde een hel is waaraan je als ziel kunt ontsnappen door goed te leven.

Nadenken over de zin van leven in het algemeen en het eigen in het bijzonder, is een typisch menselijke activiteit. Het is iets wat we gratis meegeleverd hebben gekregen met de evolutionaire ontwikkeling van onze hersenen. Zoals ik in een recente Prikker schreef, kunnen wij ons zaken voorstellen die er niet zijn. Wij kunnen ons een reis naar Mars verbeelden. Wij zijn meesters in het verzinnen van ficties die voor ons zo feitelijk en reëel zijn als een boom of een steen. Dat voorstellingsvermogen is een uniek menselijke kwaliteit. Dit voordeel komt echter wel met een nadeel. Dat nadeel is dat wij ons ook de vraag kunnen stellen wat er na onze dood komt? Een vraag die bij velen onzekerheid oproept. Die onzekerheid kan dan weer worden weggenomen door dat ‘unieke voordeel’. Dat verbeeld zich dan een hemel, Elysium of reïncarnatie. Een fictie die voor de aanhangers ervan weer net zo feitelijk is als een boom.

En dat brengt mij bij Rowwen Hèze. Een van hun eerste liedjes ging precies over de zin van het leven. In het lied ’n man, ’n vrouw komen ze tot dezelfde conclusie als De Vos: het draait om de voortplanting en de rest is amusement. Ze verpakken het wel wat beter:

’n Man ‘n vrouw en unne groete pot beer,
’n akordeon en ’n bitje pleseer,
‘n Man ‘n vrouw en une groete pot beer,
dat is al wat er is, leg ow dor maar beej neer,
oohh leg ow dor maar beej neer.

Uitgelicht

Eenoog of vijftien pakken koekjes

“Je hoeft voorlopig geen koekjes meer mee te nemen. Er liggen nog vijftien pakken in de kast.” Dit krijg ik soms te horen. Nee, niet altijd over koekjes, het onderwerp kan variëren. Ik krijg dat te horen omdat ik in ons huishouden meestal de wekelijkse boodschappen doe. Hiervoor maak ik nooit lijstjes, ik neem iedere week ongeveer hetzelfde mee. Alleen bijzondere zaken staan op een lijstje. Nou ja lijstje, een foto van ons memobord waarop we die zaken, zoals afwasmiddel of koffie, schrijven. Ik moest hieraan denken toen ik de kop van een advertentie las die in de Volkskrant voorbij kwam: ‘Kinderen zullen niet eens weten dat Internet of Things bestaat’. Met een op het internet aangesloten voorraadkast, zou dat nooit gebeuren.

Eigen foto

‘Internet of Things’ met hoofdletters geschreven om het nog belangrijker te maken. Wikipedia geeft de volgende omschrijving: “Het internet der dingen (Engels: Internet of Things (IoT)) refereert aan de situatie dat door mensen bediende computers (desktops, laptops, tablets, smartphones) in de minderheid zullen zijn op het internet. De meerderheid van de internetgebruikers zal in deze visie bestaan uit semi-intelligente apparaten, zogenaamde embedded systems. Alledaagse voorwerpen worden hierdoor een entiteit op het internet, die kunnen communiceren met personen en met andere objecten, en die op grond hiervan autonome beslissingen kunnen nemen.”  De promotors van het Internet of Things laten het woord semi voor intelligent weg en verengelsen het tot ‘smart’. Een ‘smart’ voorraad- en koelkast die samen het boodschappenlijstje maken en het naar mij zenden, dat zou handig zijn. Of nog een stap verder. Die het lijstje naar de supermarkt, slager en bakker stuurt die de boodschappen dan thuis komen bezorgen. Of niet?

Dat ‘thuisbezorgen’ zou me tijd schelen. Tijd waarin ik een Prikker kan schrijven. Nu is tijd vinden om een Prikker te schrijven niet zo’n probleem. Als het idee er is, volgt de tijd vanzelf. Bij dat thuisbezorgen zou ik het contact en de gesprekken met winkelmedewerkers missen. De leuke gesprekken met de medewerkers bij Scharrelslagerij Hamans of met de medewerkers van Bakkerij Rutten. En ook de gesprekjes met de andere klanten. Gesprekjes die ervoor zorgen dat ik ‘weet wat er binnen de ‘stam’ leeft’ om een citaat van Yuval Noah Harari dat ik in een recente Prikker gebruikte, te parafraseren. Gesprekjes die trouwens ook soms stof leveren om over te schrijven. Als ik de plus van de tijdwinst afzet tegen deze sociale winst, dan kies ik voor de sociale winst. Wat dat betreft ben ik het met ‘oma Muriel’ uit de serie Years and Years eens, waarover ik in de vorige Prikker schreef, dat ‘wij verantwoordelijk zijn voor de wereld die we bouwen.’

Dan het lijstje maar naar mezelf sturen zodat alles er is en er geen ‘vijftien pakken koekjes’ meer in de kast liggen? Dat zou enige meerwaarde kunnen hebben. Al vraag ik me wel af of die ‘vijftien pakken koekjes’ opwegen tegen een apparaat dat gegevens over ons huishouden verzamelt en waarvan ik niet weet met wie die gegevens allemaal gedeeld worden. Ik weet niet of ik erop zit te wachten dat de fabrikant van de koelkast en de maker van de erin verwerkte hard- en software te weten komt welke zaken ik eet en drink en deze vervolgens doorverkopen aan anderen. Nee, dan liever eens per maand een boodschap dat er nog ‘vijftien ….’ liggen en dat ik die voorlopig niet meer mee hoef te nemen.

Zo zit ik ook niet te wachten op andere ‘smart’ apparaten die mij ‘adviseren’ en ondertussen mijn leven volgen en delen met bedrijven en overheden. Een ‘smart’ wc-pot die je grote en kleine boodschap analyseert en je in een vroegtijdig stadium meldt dat je iets mankeert, klinkt geweldig en kan levens redden. Toch zie ik ervan af omdat ik niet weet wie die gegevens nog meer krijgt. En al wist ik het, dan weet ik nog niet of ik alles wil weten. Ik weet niet of ik nog rustig op het toilet zou zitten als er een kans is dat je kleine of grote boodschap wordt gevolgd door een minder prettige boodschap. Nee, een ‘smart home’, ja ook de woorden achter ‘smart’ worden bij voorkeur verengelst, waarin allerlei apparaten verbonden zijn met internet en ik van afstand kan inloggen op het beveiligingssysteem, de temperatuur kan regelen en alvast de wasmachine kan aanzetten, is niets voor mij. Of sterker nog, een huis dat dit allemaal al zelf doet, is aan mij niet besteed. Liever een slim mens in een dom huis dan een dom mens in een slim huis.

Nu zijn het niet alleen dingen en huizen die ‘smart’ moeten worden. Ook hele steden willen ‘smart cities’ worden. Weer verengelst al kan ik me voorstellen dat het Nederlands hier, zeker als het wordt afgekort, verkeerde beelden oproept. ‘Smart cities’ die technologie gebruiken om het verkeer goed te laten doorstromen, aan ‘crowd control’ doen, de afvalinzameling verbeteren om zomaar een paar voorbeelden te noemen. Om, het in beleidstermen te formuleren ‘de stad en de dienstverlening duurzamer en efficiënter’ in te richten. De technologie die hiervoor wordt gebruikt is dezelfde die in China wordt gebruikt: camera’s, data, locatiegegevens van mobiele telefoons. De Chinese versie wordt vaak aangeduid met de Orwell term Big Brother. Nu laat de corona-pandemie zien dat efficiënt in crisistijd niet even efficiënt is. Als burger van Nederland en inwoner van Venlo zit ik niet te wachten op ‘smart Venlo’, veel liever zie ik dat ‘smarte’ Venlonaren hun ding doen.

Nu word je op school bij het vak economie geleerd dat vraag van de consument aanbod creëert. Als we dit op het Internet of Things toepassen: welke consument heeft om dit aanbod gevraagd? Wie heeft er om het ‘Internet of Things’ gevraagd? Als die er niet zijn, waarom wordt het ‘aanbod’ dan toch uitgerold? Misschien ben ik de enige die niet om dat ‘Internet of Things’ vraagt. Al lijkt me dat sterk. Om terug te grijpen op de kop van de advertentie, het is geen pré dat ‘onze kinderen niet zullen weten dat het bestaat’. En het zijn niet alleen ‘onze kinderen’ die het niet zullen weten, het gros van ‘ons’ weet ook niet dat het bestaat en wat het inhoudt en betekent.

‘In het land der blinden is eenoog koning’ aldus een bekend spreekwoord. Al die ‘smart’ zaken, dat hele ‘Internet of Things’ maakt enkelen (de bedrijven en op andere plekken de overheid) eenoog. Eenoog omdat ze ook niet weten hoe het werkelijk uit gaat pakken. Wij, de eenvoudige inwoner/consument zijn de ‘blinden’ omdat we helemaal niet weten hoe het werkt en wie er wat mee kan. Dat is precies wat de advertentietekst zegt. Kiezend tussen ‘eenoog’ en ‘vijftien pakken koekjes’, kies ik voor het laatste. Het laatste en een flinke investering in kennis om te voorkomen dat het ‘huis’ slimmer wordt dan haar ‘bewoners’.

Uitgelicht

Woke? Wake up!

“Waar de millennial zich kenmerkt door een behoefte aan authenticiteit en duurzaamheid, gaat de nieuwe generatie jongeren, aangeduid als Generatie Z en geboren na 1995, namelijk nog een stap verder: ze zijn woke. Dit vertaalt zich als: alert op racisme, sociale ongelijkheid en onrecht. ‘GenZ’ is in toenemende mate op zoek naar bedrijven waar zij haar woke mentaliteit terugvindt. Ze komt in actie door keuzes te maken met haar portemonnee. Activisme 2.0.” Dit schrijft Nadine Ridder in een artikel bij OneWorld. Daarom is het activisme van Bol.com om zwarte piet uit het assortiment te gooien, volgens Ridder ‘niet heldhaftig’ maar gewoon een soort ‘reclame’ omdat dit het goed doet bij een jonge progressieve doelgroep. Juist ja, de ‘woke GenZ’. Het eerste wat er bij mij opkwam was een diepe zucht …… .

Stay Woke | A word cloud featuring "#Stay Woke". This is li… | Flickr
Bron: Word Cloud by www.epictop10.com

Als tweede dacht ik aan de laatste aflevering van de serie Years and Years die ik het afgelopen weekend bekeek. Een serie die qua lengte geen uitdaging is voor een notoire binge watcher. Zes afleveringen van bij elkaar net geen zes uur. Die kun je makkelijk in een avond bekijken. Een dystopische maar toch vrolijke serie die zich afspeelt in post-Brexit Engeland tussen nu en 2030. Zeer de moeite van het kijken waard omdat het een mogelijke, niet zo fraaie nabije toekomst schetst. Een toekomst die niet ver is gezocht maar die voortborduurt op zaken die we in het nu kunnen herkennen en ze net één stapje verder doorvoert. Dat doorvoeren levert geen fraaie samenleving op.

Eerst terug naar het artikel van Ridder. Volgens Ridder is die nieuwe generatie dus: “alert op racisme, sociale ongelijkheid en onrecht.” Nu loop ik geregeld door mijn woonplaats Venlo en sinds een aantal jaren kent onze stad een Primark. De winkel ligt op een zeer prominente plek in de stad. De huurprijs van panden op zo’n plek is vaak niet mals. In de winkel wordt kleding verkocht tegen zo’n lage prijzen dat je er wel heel veel moet verkopen om de huur van het pand terug te verdienen en de salarissen van het personeel van kan betalen. Laat staan het betalen van een eerlijk salaris aan de makers ervan. Nu wordt er ook heel veel gekocht. Met name jeugdigen lopen er de deur plat. Jeugdigen, ja precies die ‘Woke GenZ’. En dat is niet de enige winkel die ‘wel vaart’ bij ‘GenZ’. Ook de Amazons, Bol.commen, Zalando’s et cetera van deze wereld worden driftig bezocht.

Als die ‘GenZ’ werkelijk ‘woke’ is en ‘alert op racisme, sociale ongelijkheid en onrecht’, dan vraag ik me af waarom ik ze bij de Primark zie binnenlopen. Waarom er zoveel online wordt geshopt? Waarom er bij Zalando tien setjes worden besteld om er vervolgens negen terug te sturen. Nu zijn zij niet de enigen die daar kopen, ook mensen van ‘andere generaties’ lopen daar naar binnen. Net zoals er ook mensen van ‘andere generaties’ alert zijn op racisme, ongelijkheid en onrecht. Zou ‘GenZ’ zich op dit punt werkelijk onderscheiden van ‘andere generaties’? Of is dit, zoals ik al eens eerder schreef, gewoon geleuter over generaties?

Voor wat betreft het ‘woke’ deel, moest ik aan die laatste aflevering van Years and Years denken. Dit vanwege een ‘toespraak’ van oma Muriel. Alle kleinkinderen en achterkleinkinderen zijn op bezoek, zoals vaker in de serie en ze zitten samen aan de tafel. Oma Muriel vraagt aan de ‘huiscomputer ‘senior’ hoeveel dagen er zijn verstreken sinds de millenniumwisseling en dan geeft ze haar kinderen en zichzelf de schuld van de ellende waarin de Britten zich bevinden. Dan zegt ze, af en toe onderbroken door een van haar kleinkinderen: “The banks, the government, the resession, America, mrs. Rourke (de Engelse premier), every single thing that has gone wrong is your fault. … Because we are, every single one of us. We can sit here all day blaming other people, we blame the economy. We blame Europe, the opposition, the weather. And than we blame the vast sweeping tides of history you know. Like the’re out of our control at whistle helpless and little and small.  But it is still our fault You now why?”  En vervolgens analyseert ze waar het fout is gegaan: “It’s the one pound t-shirt, a t-shirt for one pound. The t-shirt we can’t resist it. Every single one of us we see a t-shirt that costs one pound and we think: oh that’s an bargain. I love that and we buy it. Not for best friend but nice little t-shirt for the winter to go underneath that’ll do. And the shopkeeper gets five miserable pence for that t-shirt. And some peasant in a field gets paid 0,01 pence and we think thats fine. All of us. We hand over our quid and we buy into that system for life. I saw it all going wrong when it began in the supermarkets. When they replaced all the women on the till with those automated check outs. … Twenty years ago they first popped up, did you walk out? Did you write letters of complain? Did you shop elswhere? No, you huffed and you puffed and you put up wit it. And now all those women are gone and we let it happen. … And I think we like them, those checkouts. We want them. Because it means that we can stroll through, pick up our shopping and we don’t have to look that woman in the eye. The woman who’s paid less than us. She’s gone. We got rid of her. Sacked! Well Done! So yes: it’s our fault this is the world we built!”

Hoe ‘woke’ ben je als je je druk maakt om ‘zwarte piet’ en vervolgens bij de Primark of via Bol.com en Amazon koopt? Bedrijven die niet bekend staan om hun riante beloning van, en goede omgang met hun personeel?

Uitgelicht

Fictionele feitelijkheid

“Via het proces van uitstoting lukt het vooral onze soort zich te verspreiden over grote delen van de aarde, slimmer als homo sapiens werd.” Zo schrijft Mechtild Rietveld in een column met als titel Discriminatie op de site Binnenlandsbestuur. Dit: “proces van uitstoting,” is eigen aan primaten, en de homo sapiens is een primaat, zo zegt zij primatoloog Marc van Roosmalen na. Discriminerend gedrag dat soortgenoten uitstoot: “vanwege een iets afwijkend uiterlijk.” Die uitgestotenen beginnen vervolgens een eigen groep op een andere plek. Resultaat van dit gedrag: “Wij zijn zo een plaag voor de aarde aan het worden, of we nu zwart, bruin, geel of wit zijn. Steeds meer komen we elkaar in de weg te zitten. Moord en doodslag! Tot op de dag van vandaag slaan wij elkaar groepsgewijs nog steeds de koppen in.” Zou het werkelijk?

Gratis Afbeeldingen : wildlife, dierentuin, zoogdier, dichtbij ...
Bron: Pixhere

Ik ken het boek van Van Roosmalen niet en het proces van uitstoting dat Rietveld van hem heeft overgenomen, kan en wil ik niet ter discussie stellen. Kan ik niet omdat ik geen primatoloog ben en wil ik niet omdat het mij daar niet om gaat. Waar het mij om gaat is dat Rietveld beweert dat dit ‘proces van uitstoting’ ervoor heeft gezorgd dat de homo sapiens zich over de wereld hebben verspreid en nu een plaag voor de aarde vormen. De homo sapiens waren niet de enige ‘mensensoort’ die zich over de aarde verspreidde. Onze soort loopt al zo’n 300.000 jaar op deze aardbol rond en heeft de aarde zo’n 275.000 jaar gedeeld met verschillende andere mensensoorten. Sterker nog, een van die soorten, de neanderthaler, belemmerde onze voorvaderen zo’n 100.000 jaar gelden de doortocht vanuit Afrika, via wat wij nu het Midden-Oosten noemen, naar de rest van de wereld.

Niet de enige mensensoort en zeker ook niet de enige ‘primatensoort’? Nu niet en vroeger ook niet. Als dat ‘proces van uitstoting’ werkelijk de oorzaak is van de ‘mensenplaag’ op deze aarde, waarom leven er dan geen gorilla’s in Zuid-Amerika of in Noord-Europa? Daar moet nog een andere verklaring voor zijn dan het ‘proces van uitstoting’. 

In hun boek Hoe we mensen werden komen de Duitsers Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier met een andere verklaring. Een verklaring: “Omdat we dankzij ons verstand in staat zijn ons fictieve situaties in te beelden; in onze geest werelden, plaatsen en situaties te scheppen en daar emotionele en spirituele energie aan te verbinden. De voorstelling van wat aan gene zijde ligt, is misschien wel de voornaamste cognitieve motor van onze evolutie.” Dus niet ‘verstoting’ maar ‘aantrekking’ als drijfveer om iets te ondernemen. Om een van hun voorbeelden te parafraseren: ‘waarom willen we naar Mars?’ Niet omdat er hier een groep is die wordt ‘uitgestoten’, maar omdat we ons er een voorstelling van kunnen maken. En zoals Einstein zei: “Logic will get you from A to B. Imagination will take you everywhere.”

Nu is ‘aantrekking’ of anders geformuleerd ‘verbeelding’ alleen niet voldoende. Want met alleen verbeelding was het onze voorvaderen zo’n 70.000 jaar geleden niet gelukt om wel voorbij de neanderthalers in het Midden-Oosten te komen. Daarvoor was meer nodig. Als eerste groepsgrootte. Ik weet niet veel van primaten, maar wat ik wel weet is dat ze in groepen leven. Groepen die, zoals Yuval Noah Harari in zijn boek Sapiens schrijft: “Onder natuurlijke omstandigheden bestaat een typische troep chimpansees uit zo’n twintig tot vijftig individuen.” Bij hoge uitzondering is een groep wel eens groter. Grotere groepen raken uit balans. De homo sapiens is de enige soort die in veel grotere groepen kan opereren. De andere mensensoorten konden dat niet en wij, de sapiens, konden dat eerst ook niet. Dat kan verklaren waarom onze eerste ‘ontsnapping’ uit Afrika mislukte. In een directe confrontatie, maar ook in de jacht op wild, legt een sapiens het af tegen de fysiek veel sterkere neanderthaler.

Ergens tussen die eerste mislukte poging en de tweede geslaagde poging 70.000 jaar gelden, moet er wat zijn veranderd. En omdat het niet op fysiek gebied was en ook niet op het gebied van werktuigen en het gebruik van vuur, want daarin verschilden de neanderthaler en de sapiens niet, moet het iets anders zijn geweest. Maar wat?

Volgens Harari heeft dat te maken met taal. Door die taal konden onze voorvaderen elkaar laten: “weten waar leeuwen en bizons uithangen.”’ Belangrijker echter dan deze praktische informatie uitwisseling is, volgens Harari, de sociale functie van taal, de ‘roddelfunctie’: “Het is veel belangrijker voor ze om te weten wie er binnen hun stam een hekel heeft aan wie, wie het met wie doet, wie eerlijk is en wie juist niet. De hoeveelheid informatie die er verworven en opgeslagen moet worden om de o zo veranderlijke relaties tussen enkele tientallen individuen bij te houden, is verbijsterend. (In een groep van vijftig individuen is sprake van 1225 één-op-één-relaties en talloos veel meer complexe sociale combinaties.) Alle mensapen vertonen een sterke belangstelling voor dit soort sociale informatie, maar ze kunnen niet echt effectief roddelen.” Hierdoor kon een groep, zo betoogt Harari, groeien tot wel 150 individuen. En dan is het drie sapiens tegen één neanderthaler. Bovendien drie sapiens die sneller en makkelijker kunnen communiceren, ook tijdens de jacht.

En als we kijken waarover wij, de gemiddelde mens in de eenentwintigste eeuw, het meeste spreken dan is dat roddelend over anderen. Henk van der Meijden is er groot mee geworden en was jarenlang de ‘koning’ van het ‘prominentenroddelcircuit’. Een positie die nu is overgenomen door Albert Verlinden of loop ik wat dat betreft al weer achter. Op basis van roddel, maar dan vooral door jezelf te promoten, kun je een van de grootste bedrijven ter wereld bouwen, zo laat Mark Zuckerberg met Facebook zien. Hoe ons talig vermogen dat zo’n 70.000 jaar geleden ontstond, is niet bekend. Het biedt ons wel gigantische mogelijkheden.

“In 1988 speelde het Nederlands elftal de finale van het Europees Kampioenschap voetbal tegen de Sovjet-Unie. Nederland won door doelpunten van Gullit en dat prachtige schot van Marco van Basten. Op dat moment was er niemand die zich een wereld zonder Sovjet-Unie kon voorstellen. Een jaar later viel de Berlijnse muur en nog twee jaar later bezweek de Sovjet-Unie. Trouwens in 1914 en zelfs in 1917 kon niemand zich een wereld met Sovjet-Unie voorstellen.” Dit schreef ik in een van mijn laatste Prikkers van 2018. Roddelen vergrootte grofweg de groep van 50 naar maximaal 150 individuen. In de slag om voedsel en veiligheid is dit een bijzonder grote stap. De passage over Van Basten raakt, in mijn ogen, de cruciale stap in het succes van ons homo sapiens. Nee, dat is niet het veroveren van het Europees kampioenschap door het Nederlands elftal.

Bijzonder aan deze passage is dat zij een aantal voor ons als mens zeer reële zaken bevat die alleen voor ons mensen reëel zijn en dus bestaan. Voor ons is Nederland een reëel en werkelijk bestaand iets, net zoals de Sovjet Unie dat vanaf 1917 tot 1991 was. Nederland is voor ons zeer reëel. Net als Denemarken, Spanje en Finland. Als we ernaar toe gaan dan verandert er iets. In die landen spreken ze een andere taal en hebben ze vaak net wat andere gewoonten en soms moet je je paspoort laten zien anders kom je het land niet in. We kunnen ze op de kaart aanwijzen. Maar zoals Frits Bom in de jaren negentig met zijn programma De vakantieman liet zien, kan niet iedereen dat. Maar zelfs al kan iemand ze niet aanwijzen op de kaart, toch zijn die landen voor ons zeer reëel. Als je het elk ander dier op Aarde zou kunnen vragen, dan zou het je verdwaasd aankijken: ‘Frankrijk? Wat is dat?’ Of zoals het Klein Orkest zong: “Alleen de vogels vliegen van Oost- naar West-Berlijn. Worden niet teruggefloten ook niet neergeschoten. Over de muur, over het ijzeren gordijn. Omdat ze soms in het westen soms ook in het oosten willen zijn.” Landen zijn spinsels in onze menselijke fantasie maar wel spinsels die voor mensen zeer serieus en reëel zijn. Zo reëel dat het willen gaan van Oost- naar West-Berlijn je dood kon beteken. Daarmee komen we op de grootste kracht van de mens en dat is zijn vermogen om verhalen te verzinnen die voor de verzinner en voor zijn soortgenoten net zo reëel zijn als een boom of een rivier. Of zoals Harari het beschrijft: “Sinds de cognitieve revolutie leven sapiens aldus in een dubbele realiteit. Aan de ene kant heb je de objectieve realiteit van rivieren, bomen en leeuwen en aan de andere kant de imaginaire realiteit van goden, naties en corporaties.”  

Verhalen bedoeld om individuen te binden. Ook Böhme en haar medeauteurs komen tot een soortgelijke conclusie: “Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in de biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie heel snel.” Verhalen waardoor grote culturen ontstaan en mensen in grote groepen aan hetzelfde kunnen werken zonder elkaar persoonlijk te kennen. Zo creëren wij onze eigen fictionele feitelijkheid.

Maar zoals bijna alles, om de grote helaas te vroeg overleden ‘filosoof’ Johan Cruijff te verhaspelen: ‘ieder voordeel hep z’n nadeel.’ Verhalen die ‘binden’, scheiden ook. De verhalen zijn bedoeld om een groep te binden, maar door het binden van die groep, scheiden ze die groep ook meteen van anderen. En zoals Böhme c.s. het schrijven: “Binnen onze relevante, vertrouwde groepen concurreren wij om sympathie, strijden we om erkenning en reputatie, naar buiten toe sluiten we ons af. Dat is een erfenis uit ons grijze verleden, toen de concurrentie om voedsel, seksuele partners en andere bestaansbronnen nog veel belangrijker was om te overleven dan tegenwoordig.” En daarmee zijn we bij de reden achter ons succes als diersoort maar ook de reden waarom we ‘elkaar groepsgewijs de koppen in slaan’.

Dat nadeel is, zoals Böhme c.s. schrijven: “de schaduwzijde van een nog niet volledig ontwikkelde sociale competentie.” Gelukkig heeft dat nadeel ook een voordeel: “door ons vermogen tot zelfreflectie en de mogelijkheid om met elkaar te praten beschikken we in principe over de middelen om kloven te dichten.”

Uitgelicht

Permanent ad hoc beleid

Dit jaar heeft de Ballonnendoorprikker de vakantie aan zich voorbij laten gaan. Voor de Ballonnendoorprikker is vakantie geen vakantie als je een mondkapje op moet. Als je tevoren een plekje in een museum moet reserveren. Als je nog maar moet afwachten of je naar je vakantieadres toe kunt en er ook weer vandaan. Nee, dit jaar geen vakantie. Behalve dan natuurlijk naar mijn ‘favoriete vakantiebestemming’ mijn hangmat onder de notenboom in onze tuin. Een artikel in de Volkskrant herinnerde me echter aan mijn tweede favoriete vakantiebestemming. Het Griekse eiland Lesbos.

Lesbos, Aquaduct, Moria, Waterpijp, Romeinen, Boog
Oud Romeins aquaduct bij Moria. Bron: Pixabay

“Hoeveel liter pis moet er per dag langs het kapotte koepeltentje van de 16-jarige Fatima Ali Beik druppen voordat haar inhumane situatie inhumaan genoeg is en landen als Nederland wel bereid zijn haar over te vliegen? Hoelang moeten de vriendinnen van Marie France Ndayenge nog met een luier slapen voordat hun situatie voldoende mensonterend is? En hoeveel traangas moet de oproerpolitie nog inzetten tegen zowel protesterende migranten als protesterende Grieken voordat dit onacceptabele leven echt onacceptabel is? Voordat Europa een andere oplossing vindt voor het vluchtelingenprobleem dan kamp Moria op Lesbos?” Deze vragen stelt Visser en restauranthouder Nikos Katsouris in een artikel van Jarl van der Ploeg. Nikos, of eigenlijk zijn vrouw Katarina, runt haar restaurant op een idyllische plek in een haventje aan de baai van Gera. Als je er bent, ga er eten en vergeet ook niet even langs te gaan bij de buurman. Een uitstekende banketbakker.

Het artikel maakt duidelijk dat het eiland grote problemen heeft. Het is het slachtoffer van het Europese vluchtelingen beleid. Beleid dat er op is gericht vluchtelingen in de regio op te vangen. Nu is dat een open deur van jewelste omdat tussen de tachtig en negentig procent van alle vluchtelingen in de regio worden opgevangen. Het gros van de Syrische vluchtelingen zit in Turkije en Libanon. In dat laatste land is er op iedere drie Libanezen één Syriër en dan moeten we niet vergeten dat een aanzienlijk deel van de Libanezen bestaat uit gevluchte Palestijnen. Tussen de drie en vier miljoen Syriërs hebben hun heil gezocht in Turkije. En zo is het met iedere groep vluchtelingen. Het gros blijft dicht in de buurt van hun oorspronkelijke woonplek.

Alleen is dat niet wat de ‘beleidsmakers’, zoals VVD’er Azmani ermee bedoelen. Het zal hun een zorg zijn waar mensen naartoe vluchten, als het maar niet naar ‘hier’ is. Want toen Nederland in 2016 ineens in een ‘regio met Venezuela bleek te liggen, pleitte Azmani’s partijgenoot Han ten Broeke  voor ‘preventieve maatregelen’. Dat was ook de insteek van de Turkije-deal. Want als ze naar ‘hier’ komen, dan ‘ontwricht dat onze samenleving’ zoals Azmani in maart 2015 betoogde.  Libanon laat zien dat dit kan gebeuren. Maar niet alleen Libanon, ook Lesbos. Een eiland met net geen honderdduizend inwoners dat meer dan veertigduizend vluchtelingen opvangt. Dat zijn er zestienduizend meer dan Nederland met haar ruim zeventienmiljoen inwoners. En de Nederlandse regering, bij monde van minister Broekers-Knol, ‘wil geen ad hoc oplossingen’ en weigert daarom vijfhonderd minderjarigen op te nemen. In Van der Ploegs artikel vraagt de voorzitster van de dorpsraad van Moria op Lesbos, het dorp waar het opvangkamp voor de vluchtelingen ligt, zich af: “Wat bedoelt ze met ad hoc?” Een interessante vraag.

Interessanter is echter wat minister Broekers-Knol dan een structurele oplossing vindt. De situatie op Lesbos bestaat al ruim vijf jaar en er is nog geen begin van een structurele oplossing. Tot nu toe zoeken onze bestuurders en politici de oplossing voor het probleem elders, namelijk ‘in de regio’, een regio waar Europa om een of andere reden nooit bij hoort. Europa is een regio op zich. Vluchtelingen moeten zich melden in kampen in de regio en daar hun asielaanvraag indienen. Daar moeten de ‘economische’ van de ‘echte’ vluchtelingen worden gescheiden. En die laatsten moeten worden teruggestuurd. Die moeten naar ‘ontschepingsplatforms’.

Het vluchtelingen- en migratiebeleid van Nederland en de Europese Unie kent twee structurele zaken. Als eerste het met geld, betaald vanuit ontwikkelingsbudget, exporteren van het probleem naar andere landen en als tweede de structurele ellende in kampen als het kamp Moria op Lesbos. En dat zijn dan nog plekken waar geregeld een journalist op bezoek komt. De kampen ‘verderop’ in de regio worden al niet meer bezocht. Welke ‘structurele oplossing’ staat Broekers-Knol, onze regering voor? Wat gaan zij doen om ervoor te zorgen dat we volgend jaar niet weer zo’n bericht over Lesbos lezen als dit jaar, vorig jaar, en alle jaren sinds 2015?  Wat gaan ze eraan doen om een einde te maken aan het huidige desastreuze ‘permanente ad hoc vluchtelingenbeleid’?

Uitgelicht

Plato en het kabinet

De afgelopen decennia hebben we een keur aan politieke avonturiers voorbij zien komen. Vaak kwamen ze op de slippen van een gevestigde partij de Kamer of het kabinet binnen, soms op eigen kracht. Meestal halen ze het niet. Aan een van die avonturiers moest ik denken toen ik in de Volkskrant las dat minister Schouten een voorgenomen maatregel met betrekking tot het veevoer weer introk. Ik moest eraan denken omdat dit de ‘zoveelste’ maatregel in korte tijd is die wordt aangekondigd en vervolgens weer ‘verwaait’ in de storm van de publieke opinie. Minister de Jonge ging haar zeer recent nog voor met een aangekondigde ‘verplichte quarantaine. Ik moest denken aan Jan Dijkgraaf de lijsttrekker van GeenPeil. Een partij die in 2017 zonder succes aan de verkiezingen deelnam. En ik moest denken aan Plato.

File:Plato. Etching by D. Cunego, 1783, after R. Mengs after Raph ...
Bron: https://wellcomecollection.org/works?query=plato

Eerst Dijkgraaf. Dijkgraaf werkte als journalist voor diverse media en is nu actief als columnist bij The Post Online alwaar hij ‘briefjes’ schrijft aan iemand die er in zijn ogen weer een puinhoop van maakt. In 2016 besloot hij dat hij ook wel de politiek in wilde en werd lijsttrekker van de partij GeenPeil. Het bijzondere van de partij GeenPeil was dat zij geen plannen, ideeën, visies of wat dan ook had. Nee, de partij zou haar stem in de Kamer laten afhangen van een snelle poll op haar site. Als de meerderheid van de deelnemers aan de poll ‘voor’ een voorstel zou zijn, dan zouden de fractieleden van GeenPeil ook ‘voor’ stemmen. Dijkgraaf en Geenpeil brachten daarmee het zijn van Kamerlid terug tot ‘Ja-knikker of Nee-schudder’. Maar dan wel een duurbetaalde want een Kamerlid vangt momenteel minimaal € 116.000 per jaar. Dit exclusief de vergoedingen voor reis-, verblijf- en beroepskosten.

Ik moest aan Dijkgraaf en GeenPeil denken omdat de handelswijze van het kabinet verdacht veel lijkt op de werkwijze van Dijkgraafs GeenPeil. Een werkwijze die erop neerkomt dat er een maatregel wordt aangekondigd en vervolgens wordt er gekeken hoe die in de samenleving valt. Is er veel verzet, dan gaat het niet door. Dan wordt de maatregel schielijk ingetrokken zoals Schouten en De Jonge recentelijk deden. Een kabinet dat het beleid afhankelijk maakt van de hardst schreeuwende. Dit zagen we ook afgelopen maart rond de sluiting van de scholen vanwege COVID-19. Onder druk van bezorgde docenten en ouders werden de scholen gesloten terwijl er volgens deskundigen geen aanleiding voor was. Bedrijven piepen en meteen wordt er iets geregeld waarbij de hardste schreeuwers (bijvoorbeeld de KLM) het eerste worden geholpen. Schreeuw hard en je krijgt je zin.

Ik moest vervolgens aan Plato denken. Aan zijn boek De ideale staat waarover ik al eerder schreef naar aanleiding van zijn omschrijving van de ‘ideale politicus’. Even vooraf Plato was geen aanhanger van de democratie. Nee, hij was voorstander van een aristocratie, wat voor hem betekende een regering van de besten. Plato: “Wanneer een democratische samenleving met zijn dorst naar vrijheid in handen valt van minderwaardige politieke slijters en zich bedrinkt aan drank met een onverantwoord hoog vrijheidspercentage, zal men de regering aanvallen als die niet de uiterste soepelheid toont en de bevolking een enorme vrijheid laat, en haar beschuldigen van een vuige reactionaire mentaliteit. … Mensen die met de regeringspolitiek instemmen verwijt men slaafse houding en men scheldt ze uit voor onbenullige meelopers. Zowel in het maatschappelijk als in het persoonlijk leven is dan het streven gericht op een nivellering, waarbij niet meer duidelijk is wie leiding geeft en wie leiding krijgt, en men bewondert leiders die zich als ondergeschikten gedragen.” Zo schreef Plato bijna vijfentwintighonderd jaar geleden. Deze passage kwam in mij op. Want vertoont ze niet enige gelijkenis met de Nederlandse politiek van nu?

Uitgelicht

De geschiedenis van ‘de Oost’

Volgens Paroollezer Jeroom Remmers zou de gemeente Amsterdam ieder jaar een deel van haar inkomsten uit de toeristenbelasting moeten overmaken naar Indonesië. “Zo zou Amsterdam na honderden jaren ook weer eindelijk iets teruggeven aan de arme bevolking van Indonesië.” Nu mag de gemeente Amsterdam met haar geld doen wat ze wil en als een meerderheid van de Amsterdamse gemeenteraad het idee van Remmers steunt, dan staat niets de overdracht van geld in de weg. Toch knelt er iets.

Bestand:KaartSoembaIndonesie.jpg
Bron: Wikipedia

Uitspraken als die van Remmers hoor je vaker. Ze doen mij altijd terugdenken aan mijn colleges filosofie van de geschiedenis. Van die colleges zijn mij drie namen in het bijzonder bijgebleven. Als eerste Karl Popper, over wie ik al vaker schreef. Popper verzette zich tegen het historicisme. Een tweede naam is R.G. Collingwood. Volgens Collingwood is alle geschiedenis, geschiedenis van het denken. Want om erachter te komen ‘hoe het is geweest’ moet een historicus proberen te ‘her- denken’ wat de mensen dachten ten tijde van de gebeurtenis. Daarvoor moet je je huidige kennis, normen, waarden en opvattingen opzij zetten. Bij het vellen van een oordeel over Columbus of Marx, moeten we de genocide op de oorspronkelijke bewoners van de Amerika’s vergeten. Bij het beoordelen van Marx, moeten we Stalin en Mao buiten beschouwing laten. We moeten hun denken en handelen ‘her-denken’ in hun tijd, niet in de onze. De laatste naam die me is bijgebleven is die van de Duitser Leopold von Ranke, de ‘vader’ van de moderne geschiedenis. Volgens Ranke moeten we de geschiedenis bestuderen om te weten te komen ‘hoe het eigenlijk geweest is.’ We moeten het feitelijk houden. “Zo’n 300 jaar hebben Nederlanders het land bezet en Amsterdammers hebben daarvan het meest geprofiteerd,” schrijft Remmers en daar knelt het. Het knelt met twee van de drie: met Ranke en met Collingwood.

Eerste Ranke. Toen de drie handelsschepen Mauritius, Hollandia en de Amsterdam in 1595 samen met het kleine jacht Duyfken vanaf Texel naar Azië vertrokken, bestond het land ‘Indonesië’ niet, Nederland trouwens ook nog niet. De republiek Indonesië bestaat in haar huidige vorm pas sinds 1950. Toen Soekarno de Verenigde Staten van Indonesië ophief en de andere zes republieken bij zijn ‘republiek Indonesia’ voegde. Nederland ontstond pas na de acceptatie in 1839 van de Belgische opstand van 1830. Die opstand maakte een einde aan het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden dat in 1814 tijdens het congres van Wenen werd ‘opgericht’. Hoe kun je uit een nog niet bestaand land vertrekken om een nog niet bestaand land te bezetten?

Het knelt met Collingwood. De schepen vertrokken niet om gebieden te bezetten maar om handel te drijven. Een paar jaar later, in 1602, werd de Vereenigde Oostindische Compagnie opgericht en zij kreeg van de Republiek der Zeven verenigde Provinciën het Nederlandse monopolie op de handel met ‘de Oost’. Dat wil niet zeggen dat ze het monopolie hadden op de handel met ‘de Oost’. Nee, er waren, om in scheepvaarttermen te blijven, veel kapers op de kust, onder andere Franse, Engelse en Portugese handelaren die met steun van hun respectievelijke overheid hetzelfde wilden bereiken. De VOC was een eeuw lang echter de meest succesvolle. Dat succes bestond uit een reeks forten op strategische punten en een sterke vloot. Bezet werd er, afgezien van die forten en hun directe omgeving, niet zoveel. Daarvoor ontbrak de mankracht maar vooral het geld. Het bezetten van grote gebieden is een kostbare aangelegenheid en waarom zou je dat geld eraan besteden als je vloot de concurrenten buiten de deur kon houden en heersers in de gebieden in de Oost in het gareel kon houden waardoor ze de VOC een monopolie op de handel met hun gebied gaven. Handel waar die inlandse vorsten stevig aan verdienden en die hun machtspositie ten opzichte van hun concurrenten konden versterken.

Het echt ‘bezetten’ van de eilanden, en daarmee komen we weer bij Ranke,  werd pas een thema vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw. Nou ja echt bezetten? “Al was de Nederlandse overheid er in de loop van de negentiende eeuw toe overgegaan om zijn rechten op de meeste eilanden zoals Borneo, Celebes, Sumatra en Bali, ook door middel van militaire expedities te bevestigen, van een werkelijke occupatie van deze gebieden was geen sprake,” zo schrijft historicus Kossmann in zijn De Lage Landen 1780/1980. Twee eeuwen Nederland en België. Deel I 1780-1914. Werkelijk bezetten bleek, zo maakten de perikelen in Ajeh duidelijk, heel kostbaar en weinig succesrijk. In het grootste deel van de archipel zag men de eerste Nederlander pas eind negentiende eeuw. Op sommige eilanden pas in het begin van de twintigste eeuw en dan zien we nog maar even af van het ‘Nederlandse’ deel van Nieuw Guinea, waarvan de Nederlanders om het cru te formuleren zo ongeveer alleen de kustlijn kenden.  

Veel succesvoller in het bereiken en beïnvloeden van de bewoners van de eilanden waren de missionarissen. Het bijzondere is dat met het succes van die missionarissen ook het zaad voor de dekolonisatie en het ontstaan van het land Indonesië werd gelegd. Met die missionarissen kwam ook het onderwijs en met het onderwijs de westerse ideeën zoals socialisme, communisme en nationalisme. Ideeën waarmee men de Europeaan met zijn eigen woorden kon bestrijden. Om terug te komen op de uitspraak van Remmers. De ondernemende activiteiten van de zestiende en zeventiende eeuwse Amsterdammer stonden aan de wieg van het land Indonesië. Maar als de ‘Amsterdammers’ het niet hadden gedaan, dan hadden de Engelsen of Portugezen het wel gedaan.

Uitgelicht

Vreedzaam en veilig in Baudets Nederland

Soms lees je iets en dan denk je in deze ‘hittegolftijd: zou die een zonnesteek hebben opgelopen? “Ons Nederland was ooit zo veilig en vreedzaam. Het doet me pijn om te zien dat er in Nederland nu buurten zijn die onveilig zijn, buurten waar het tuig de politie zelfs kan wegjagen. En het had allemaal niet gehoeven; het is volledig zinloos.” Woorden van Thierry Baudet in een interview op de site De Dagelijkse Standaard. Dat vreedzame en veilige land is nu verleden tijd en dat is, aldus Baudet de schuld van: “allochtone jongeren die al drie of vier generaties in Nederland wonen, maar op geen enkele manier onderdeel van de Nederlandse samenleving willen zijn.”

Jantjes vegen de Dam schoon. Bron: Wikimedia

De eerste wedstrijd in het betaald voetbal die ik ooit bezocht was die tussen Fc VVV (zo heette VVV in de jaren zeventig en tachtig) en Fc Utrecht. Het was denk ik in 1978 of 1979. Vreedzaam was het in ieder geval niet. De fans uit Utrecht stonden bekend om hun gewelddadigheid en gingen flink te keer. Ik heb nog nooit zoveel ME gezien als toen. Nu was supportersgeweld in die tijd heel normaal en niet alleen in die tijd. Zo was er in 1997 de slag van Beverwijk tussen supporters van Ajax en Feijenoord. En ook menig kampioenschapsfeest werd ontsierd door geweld.

Een paar jaar later, begin jaren tachtig, begon ik met uitgaan. In mijn geboortedorp kende het jaar op dat gebied twee hoogtepunten: de Gekke maondaag en de kermis. Beide hoogtepunten werden door heethoofden uit andere dorpen aangegrepen om te komen vechten. En ja, daar waren ook Molukkers bij, maar het waren toch vooral ‘boerenkinkels’. En onder mijn dorpsgenoten waren er ook wel die van een knokpartijtje hielden, dus daar kwam het dan ook geregeld van. Dezelfde ‘heethoofdige’ dorpsgenoten trokken tijdens kermissen ook naar die andere dorpen met soortgelijke intenties. Aan mij was dit niet besteed. Wel werd ik geconfronteerd met de gevolgen ervan. De uitbater van mijn stamcafé De Bascule, wilde de rotzooi niet in zijn kroeg en daarom stonden er twee hele brede mannen in de deur.

Ook herinner ik me de berichtgeving over de jaarwisselingen. Steevast ging het over rellende en vechtende mensen. De stad Den Haag kwam altijd in de berichten voor. Daar liep het altijd uit de hand, maar niet alleen daar. Ook ‘boerengaten’ waarvan ik niet wist dat ze bestonden, kwamen in het nieuws vanwege ‘ongeregeldheden’. Of de ‘krakersrellen’ waarbij flink geweld werd gebruikt. En wie herinnert zich nog de kroning van Beatrix tot koningin?

De al wat ouderen onder ons, of degenen met iets meer kennis van de geschiedenis, weten vast nog wel van de hippies die ‘sit-ins’ hielden en op de Dam sliepen. Nadat het eerst oogluikend was toegestaan, verbood de Amsterdamse burgemeester het. Dit leidde tot heftige rellen. Daarop namen zo’n tachtig ‘Jantjes’, de populaire naam voor marinepersoneel, het recht in eigen handen en sloegen met knuppels en koppelriemen in op de ‘hippies’. En dit was niet de eerste keer dat de ‘Jantjes’ op deze manier van zich lieten horen. In 1967 veegden ze een groep Nozems uit het Amsterdamse Centraal Station. Of weer een jaar eerder, de rellen tijdens het huwelijk van Beatrix met Claus en de rellen bij het Telegraafgebouw in Amsterdam. Het optreden van de Stones in het Scheveningse Kurhaus. Of tien jaar eerder de bestorming van het gebouw van de Communistische Partij. En als we nog wat verder terug kijken, komen we onder andere het Jordaan-, het Aardappel- en het Palingoproer tegen. En wat te denken van Troelstra’s revolutiepoging in 1918? Diverse arbeidersoproeren en -twisten in de negentiende eeuw en zo kunnen we wel doorgaan tot de Bataafse Opstand tegen de Romeinen in de jaren 69 en 70.

Ik vraag me af hoe ver we moeten teruggaan voordat we ooit aankomen in dat ‘vreedzame en veilige’ land van Baudet. Hat land dat ruw is verstoord door die: “allochtone jongeren die al drie of vier generaties in Nederland wonen, maar op geen enkele manier onderdeel van de Nederlandse samenleving willen zijn.”

Uitgelicht

Politici en Platotest

Een van mijn favoriete bezigheden is lezen. Zeker als ik dat kan doen in of op mijn favoriete ‘vakantiebestemming’. Die bestemming is mijn hangmat geplaatst onder de notenboom in onze tuin. Jullie begrijpen dat ik dus geregeld ‘op vakantie’ ga met een boek. Deze keer met De ideale staat van de oud-Griekse filosoof Plato. Bij anderen heb ik al veel gelezen over het boek en toen ik het recentelijk zak liggen bij Koops, mijn favoriete boekhandel, heb ik het aangeschaft. Bij het lezen van het eerste deel van het hoofdstuk De kennis van de ideale politicus kon ik een vergelijking met onze huidige tijd niet naar de achtergrond drukken.

Eigen foto

Eerst over het boek. De titel De ideale staat doet al vermoeden dat Plato er zijn ‘ideale staat’ in schets. Dit doet hij omdat hij zoekt naar een beschrijving van het begrip rechtvaardigheid. En nee, in die ‘ideale staat’ zou ik niet willen leven. Plato’s ideale staat kent drie groepen: het volk, de soldaten en de bestuurders. Die worden in eerste instantie allemaal gekozen op hun geschiktheid voor het werk dat ze moeten doen. Daarna is hun status min of meer overerfbaar. Overerfbaar omdat de staat een soort ‘fokprogramma’ opzet om die groepen, vooral de bestuurders en soldaten kwalitatief nog te verbeteren. Min of meer omdat kinderen met duidelijke kwaliteiten naar een hogere klasse kunnen en kinderen uit hogere klassen die de benodigde kwaliteiten missen, gedegradeerd kunnen worden. Kinderen worden niet door de ouders opgevoed maar door de staat en dat opvoedprogramma kent een zeer conservatieve inslag. Wel heel modern, Plato maakt geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. Aan het hoofd van die staat treffen we de filosoof-koning aan. Voor een belangrijk deel schetst Plato de situatie in de Atheense concurrent Sparta. Sparta kende een dergelijke indeling alleen werden de bestuurders niet op basis van kwaliteit geselecteerd en de twee koningen die aan het hoofd stonden, waren geen filosofen. Zoals gezegd zou ik er niet willen wonen omdat ieder individu in die staat ondergeschikt is aan het geheel, de gemeenschap.

Terug naar die ‘ideale politicus’ en de vergelijking met het heden. Volgens Plato wordt de ideale politicus gekenmerkt door de volgende eigenschappen. Eigenschappen die, aldus Plato logisch uit elkaar volgen. Als eerste heeft de ideale politicus een ‘wetenschappelijke houding’. En niet in één deel ervan maar in de complete wetenschap. Daarmee bedoelt hij dat ze geïnteresseerd moeten zijn in het ‘onveranderlijke’ van zaken. Niet vreemd omdat Plato een conservatief avant la lettre was. Plato zag overal om zich heen de zaken minder worden. Om dat tegen te gaan wilde hij het liefst terug naar ‘the good old days’, naar het verleden. En: “om wetten en normen te handhaven en om toezicht te houden op het gedrag van de bevolking,” moesten zij: “dat inzicht wel bezitten en bovendien in ervaring niet voor anderen onderdoen en in het algemeen geen enkele kwaliteit missen.” Die wetenschappelijke interesse moest uitgaan: “naar het totaal der dingen en dat ze daarvan zelfs het kleinste, onbeduidendste onderdeel niet bewust laten schieten.” Vervolgens moesten ze beschikken over: “een grote waarheidsliefde (…) en nooit bereid bewust een onwaarheid te aanvaarden.

Zo’n politicus was  “een sober mens (…) aan wie elk materialisme vreemd is.”  Hij was zeker niet laf en kleingeestig, want “Er is namelijk niets wat het streven om de totale samenhang te begrijpen zozeer in de weg staat dan bekrompenheid.” Natuurlijk moest ook op intelligentie worden gelet immers: “als iemand niet in staat is de dingen die hij leert te onthouden maar een en al vergeetachtigheid is, moet hij wel volledig van kennis zijn gespeend”. Als laatste is voor een ideale politicus een: “harmonische geest vereist (…) met innerlijke beschaving een aangeboren gevoel voor stijl, die tot begrip voor het onveranderlijke in de dingen leidt.”

Al lezend liet ik een aantal huidige politici de revue passeren. De presidenten Trump, Poetin en Erdogan maar ook Nederlanders zoals premier Rutte, Hugo de Jonge, Thierry Baudet en Wilders. Plato zou hen, zo schat ik in, zonder lang na te denken op het stapeltje ‘volk’ deponeren. Merkel zou wellicht wel door de ‘Platotest’ komen. Zoals gezegd zou ik niet willen leven in Plato’s ideale staat. Zijn ‘schets van de ideale politicus’ bevat toch zaken voor een politicus in een democratie, een regeringsvorm waar Plato geen hoge pet van op had.

Uitgelicht

Busvoetbal en de BB

Voetballen met een plastic bus waarin wasmiddel had gezeten. Dat was een van de favoriete pauzebestedingen gedurende mijn lagere schooltijd. Voor de jongeren onder ons, de lagere school was wat nu de groepen 3 tot en met 8 van de basisschool zijn. De eerste twee groepen noemde men toen de kleuterschool. Voetballen met bussen dus omdat een bal verboden was. Verboden en duur. Waarom begin ik hierover? Niet, tenminste niet alleen, omdat ik ouder word en met weemoed terugdenk aan de tijd dat ik mijn hele leven nog voor me had. Nee, ik begin hierover vanwege de goals van ons ‘veld’.

File:Oefening BB Bescherming Bevolking te Arnhem, massale voedseluitdeling, Bestanddeelnr 907-3388.jpg
Bron: Nationaal archief via WikipediaCommons

Die goals waren twee dikke stalen deuren. Twee stalen deuren in een prachtige, in de jaren vijftig, gebouwde school. Een school met twee verdiepingen. Vier klassen beneden en vier boven. De hoogste groepen boven, dus ‘echt’ de bovenbouw. Hoge klassen met grote ramen in stalen kozijnen. Klassen gebouwd rond een grote aula. In mijn geheugen waren die deuren wel vijfentwintig centimeter dik, maar hoe betrouwbaar is dat? Die stalen deuren gaven toegang tot de kelder onder de school. En niet zomaar een kelder, maar een ‘atoombunker’ zo werd er gezegd. Er waren echter pauzes dat we niet konden voetballen, dan stonden de deuren open en liepen er ‘mannen’ rond. ‘Mannen’ die waren van de ‘BB’. Ze sleepten spullen naar buiten of naar binnen en deden verder allerlei geheimzinnige zaken. Wij mochten dan niet ‘busvoetballen’ en eigenlijk ook niet bij de deuren in de buurt zijn. Dat weerhield enkelen van ons er echter niet van om ‘stiekem’ even binnen te kijken hoe het er uitzag. Daar zagen we bedden en voorraden van allerlei zaken bedoeld om die ‘kernbom’ te overleven.

Onze goals waren dus de deuren van een schuilkelder en die schuilkelder was het domein van de BB, de Bescherming Bevolking. “De B.B. is een naoorlogse organisatie opgericht door de overheid in 1952. De organisatie was onderdeel van de civiele verdediging en had als taak om de bevolking te beschermen tegen de onmiddellijke gevolgen van oorlogsgeweld gedurende de periode die nu bekend staat als de Koude Oorlog. Aan die taak is later uitbreiding gegeven door de B.B. ook in te gaan zetten bij rampen in vredestijd. De organisatie was verantwoordelijk voor het blussen van branden, redden van mensen en het ondersteunen van de bevolking ten tijde van oorlogsdreiging of de gevolgen van oorlogshandelingen.” Aldus de website van het Museum Bescherming Bevolking. Een in de kern overheidsdienst die vooral draaide op vrijwilligers. Nou ja vrijwilligers.  Veel vrijwilligers waren net zo ‘vrijwillig’ als de dienstplichtige soldaten. Het waren namelijk ‘buitengewoon dienstplichtigen’. Jongeren die wel goed waren gekeurd voor de dienstplicht maar die niet werden opgeroepen voor de werkelijke militaire dienst. Zo werd voorkomen dat het leger en de BB in tijden van crisis met elkaar concurreren over ‘personeel’.

Achter die goals van ons ‘busvoetbalveld’ ging een hele wereld verscholen. Een wereld gericht op het beschermen van de bevolking bij ‘oorlogs- en vredesrampen. Een wereld waar in de hoogtij dagen 165.000 mensen aan deelnamen. Aan die wereld moest ik denken toen ik in de Volkskrant de constatering van Marjolein van de Water las: “Het valt me vooral op hoe weinig slagkracht de GGD heeft. … Ik krijg een mailtje van de GGD met daarin pdf-documenten voor mij en mijn omgeving. …  ‘Laat je bij symptomen direct testen’, staat erin. Om vervolgens minstens drie dagen te moeten wachten tot het contactonderzoek begint, denk ik er achteraan. Het beleid komt me steeds vreemder voor. Waarom duurt alles zo lang?”

Ik moest eraan denken omdat het mij helemaal niet vreemd voorkomt dat het lang duurt. Niet vreemd om drie redenen. Als eerste de manier waarop de zaak is georganiseerd. Onze ‘rampenstructuur’ is gebouwd op vier poten: politie, brandweer, geneeskunde en gemeente. Vier poten met eigenlijk maar twee verantwoordelijken. De politie werkt in politie regio’s en valt onder het ministerie van Justitie en Veiligheid. De andere drie zijn een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Alleen voor twee van de drie, het geneeskundige en brandweerdeel, moeten die gemeenten verplicht samenwerken. Het brandweerdeel is georganiseerd in opgelegde veiligheidsregio’s. En die veiligheidsregio’s komen niet overeen met de politieregio’s. Van die laatsten zijn er tien, van die veiligheidsregio’s vijfentwintig. In het geneeskundige deel speelt de GGD een belangrijke rol en daarvan zijn er nog meer. Ook de GGD is in de meeste gevallen een samenwerkingsverband tussen verschillende gemeenten. Dit zorgt voor flinke bestuurlijke drukte. In crisistijd bieden de onderliggende wetten een mogelijkheid de ‘voorzitter van de veiligheidsregio’ te benoemen tot ‘enige bij uitsluiting bevoegd’ om aan bepaalde zaken toepassing te geven. Zaken die in normale omstandigheden tot de bevoegdheid van de burgemeester behoren. Die voorzitter wordt daarmee eigenlijk de ‘burgemeester’ van de hele regio. Alleen is er geen ‘gemeenteraad’ van de hele regio.

Als tweede is onze ‘beschermingsinfrastructuur’ niet gebouwd op een langdurige crisis. En zeker geen crisis met een virus als oorzaak. Het gezondheidsdeel, de zogenaamde Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen, wordt namelijk gevuld met mensen uit de reguliere zorgorganisaties en dan in eerste instantie door medewerkers van de GGD. Dat werkt prima bij ongelukken en rampen zoals een de vuurwerkramp, het ontsporen van een trein of neerstorten van een vliegtuig. Dan wordt het reguliere werk even stop gezet en richt alle aandacht zich op die ramp. Na de ramp wordt er even alles op alles gezet om de ontstane achterstand in het reguliere werk in te halen. Regulier werk als inenten van kinderen op bepaalde leeftijden en het volgen van de ontwikkeling van kinderen op de verschillende momenten, het werk van de consultatiebureaus en de schoolartsen. Bij een langdurige crisis zoals de huidige, gaat zich dat wreken. Wat we nu ook zien is dat de capaciteit onvoldoende is om tot het gewenste niveau op te schalen. Daarom is het ook niet verwonderlijk dat, zoals in de Volkskrant is te lezen:  “Het geploeter bij de GGD’s (…) de grootste zorg van de Kamer” is. Omdat, zoals Kamerlid Marijnissen het in de krant verwoordt: “Hun bron- en contactonderzoek is het ‘fundament’ onder de Nederlandse corona-aanpak en dat staat nu op losse schroeven.” En dat is, volgens haar VVD-collega Hayke Veldman: “Onbegrijpelijk en onverantwoord. Dit had gewoon geregeld moeten zijn.” 

Stevige woorden en daarmee komen we bij de derde reden waarom ‘alles zo lang duurt’. Die reden heeft te maken met geld. De GGD in Nederland is, zoals al gezegd, niet één grote organisatie. Bijna alle GGD’en in Nederland zijn samenwerkingsverbanden van meerdere gemeenten. Bijna allemaal, alleen Amsterdam heeft een eigen GGD. Die samenwerkingsverbanden zijn gebouwd op de Wet gemeenschappelijke regelingen. In die ‘regeling’ brengen de deelnemende gemeenten taken onder en voor de uitvoering van die taken stellen zij geld beschikbaar. Budget voor die consultatiebureaus, schoolartsen en andere taken. Het budget en daarmee ook het personeel van de GGD, is afgestemd op die taken. En zoals bekend mag zijn, zitten de meeste gemeenten niet erg goed in de slappe was dus er is ieder jaar weer discussie of het niet met een ‘onsje minder’ kan en of de indexering vanwege de gestegen lonen en prijzen echt wel nodig is.

Om het ‘gewoon te regelen zijn twee dingen nodig. Als eerste geld en als tweede snel inzetbaar personeel. Over geld wordt altijd gesteggeld en snel inzetbaar personeel is niet beschikbaar. Dat moet ‘tijdelijk worden ingehuurd’ waarbij moet worden geconcurreerd op de arbeidsmarkt. En daarmee kom ik weer bij het ‘busvoetbal’ of beter gezegd: de BB. Zou een nieuwe BB niet een oplossing kunnen zijn voor het personeelsprobleem in tijden van langdurige crisis? Een ‘buitengewone maatschappelijke dienstplicht’ voor onze jongeren waarbij de jeugdigen worden opgeroepen in tijden van crisis en af en toe voor een oefening. Dit gewoon naast werk of studie. Zou dat een idee zijn?

Uitgelicht

La Guerre du Feu

(A)ls je echt oog hebt voor de ernst van de ene onrechtvaardigheid, dan moet je toch begrijpen dat je de andere onrechtvaardigheid niet moet bagatelliseren?” Die vraag stelt Floris Schleicher bij Joop in een artikel. Hij reageert op antiracisme activisten die naar zijn mening: “het leed van dieren uit de bio-industrie miskennen.” Schleicher: “Dieren worden op grote schaal opgesloten, verminkt, een martelend dieet opgedrongen, geforceerd geïnsemineerd, van hun familie gescheiden en vergast.” Daarop is maar een conclusie mogelijk volgens Schleicher: “Als je antiracist en feminist bent, zou je automatisch ook veganist moeten zijn. De processen van uitsluiting van vrouwen en niet witte-mensen berusten namelijk op dezelfde onderliggende structuren als die van dieren.”

neanderthals prehistoric mountains free photo
Bron: needpix.com

Als ik de redenering van Schleicher omkeer, dan kun ik geen antiracist zijn als je vlees eet of op leren schoenen loopt. Dat kan niet omdat uitsluiting van dieren en mensen op een zelfde onderliggende structuur berust. Nu eet ik zelf op z’n tijd graag een stukje vlees. Dus kan ik wel ophouden me in te zetten voor een rechtvaardige samenleving zoals ik het omschrijf. Een bijzondere redenering.

Dat het leven voor een dier in de bio-industrie geen pretje is, staat buiten kijf. Dit moet veranderen. Maar betekent dit dan ook meteen dat de mens geen vlees meer mag eten? Nu is de huidige mens, de Homo Sapiens, van nature een omnivoor. De manier waarop we zijn gebouwd maakt dat duidelijk. We hebben kiezen om voedsel te malen zoals ook herbivoren ze hebben. Maar we hebben ook redelijk scherpe hoektanden van een carnivoor. Voor een planteneter hebben we een vrij kort en beperkt darmstelsel. Maar ook voor het eten van rauw vlees is dat darmstelsel niet ideaal. Ons bijzondere gestel is een resultaat van een paar miljoen jaar evolutie.  

Het belangrijkste moment uit die evolutie, is het temmen van het vuur. Wie kent de film La Guerre du Feu nog een Frans-Canadese film uit 1981 in het Engels vertaald als ‘Quest for fire’. In de film heeft een stam cro-magnon mensen een kleine vlam die ze altijd brandend moeten houden. Dooft de vlam, dan hebben ze geen vuur meer omdat ze niet weten hoe ze vuur moeten maken. Als het vuur toch dooft, moeten ze eropuit om vuur bij een andere stam te stelen. De film speelt zich zo’n 80.000 geleden af, zo tegen het einde van het middenpaleolithicum (3000.000 tot 35.000 jaar geleden). Een periode dat meerdere mensensoorten de aarde bewoonden.

Op het belangrijkste punt gaat de film echter mank. Een ‘Guerre du Feu’ zullen de drie in de film figurerende mensensoorten niet hebben gevoerd. De kunst om vuur te maken, hadden de mensensoorten in die tijd al lang onder de knie. En met dat onder de knie krijgen van het vuur maken, zijn we aanbeland bij wellicht de belangrijkste innovaties uit de geschiedenis van de mensheid. “Een internationaal gezelschap van onderzoekers ontdekte achter in de grot – ongeveer dertig meter van de ingang en twee meter onder de bodem – talrijke overblijfselen van verschroeide botten en plantenresten, direct naast vuistbijlen en andere vroeg-menselijke werktuigen die van de vertegenwoordigers van de Homo eregaster afkomstig zouden kunnen zijn. Uit de ligging van de vondsten en de structuur van de achtergebleven asresten konden de archeologen aflezen dat het vuur in de grot niet door een bosbrand was veroorzaakt, maar aangestoken werd. Uit de dikte van de aslaag bleek bovendien dat er steeds opnieuw op dezelfde plek vuur werd gemaakt.” Een passage uit Hoe wij mensen werden van Madelaine Böhme, Rúdiger Braun en Florian Beier. Nu leefde de Homo eregaster in het vroege Pleistoceen, tussen de 1,9 en 1,4 miljoen jaar geleden. Dus die stammen uit La Guerre du Feu hebben nooit ‘gezocht’ noch ‘gevochten’ om vuur. Ze konden het zelf maken, die innovatie hadden ze te danken aan die Homo eregaster.

Zonder dat vuur waren wij er, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, niet geweest. Het temmen van vuur was cruciaal voor de ontwikkeling van de mens. Cruciaal omdat beheersing van het vuur de mens bescherming bood in de nacht. Vuur houdt immers dieren op afstand. Maar belangrijker omdat vuur ervoor zorgde dat onze verre voorouders het vuur leerden te gebruiken om te koken. Böhme c.s.: “Gegaard voedsel is (…) beter en sneller te verteren en heeft meer voedingswaarde. Daardoor valt er meer energie te halen uit een portie eten. Uit zetmeel houdende  voedingsmiddelen als granen en aardappelen komt door koken dertig tot vijftig procent meer energie ter beschikking en uit eieren meer dan veertig procent extra bruikbaar eiwit.”

Resultaat hiervan: “De verkleining van de gebitselementen, de aanwijzingen voor een verbeterde beschikbaarheid van energie, de aanwijzingen voor een korter spijsverteringskanaal en het vermogen om nieuwe milieus te exploiteren ondersteunen de gedacht dat het bereiden van voedsel beslissend was voor de evolutie van Homo erectus. En, als we iets verder vooruit kijken, ook voor het ontstaan van het grote hersenvolume van de moderne mens. De grote, complexe menselijke hersenen hebben zoveel energie nodig dat het lichaam daarvoor meer dan twintig procent van de dagelijkse energiebehoefte en zestig procent van de in het bloed opgeloste glucose gebruikt, ook al maken de hersenen maar ongeveer twee procent van ons lichaamsgewicht uit. Een dergelijk luxueus orgaan kan een organisme zich alleen veroorloven als het constant voldoende brandstof tot zijn beschikking heeft.”

Zonder koken en vuur, geen groot hersenapparaat: “Tot dat resultaat kwamen Braziliaanse onderzoeksters nadat ze het eetgedrag van moderne mensapen en de energiebehoefte van de hersenen van deze dieren nauwkeurig hadden bestudeerd. Een volwassen gorilla die zich hoofdzakelijk voedt met bladeren, bloemen en vruchten, zou dagelijks meer dan twee uur langer moeten eten om een in verhouding even grote hersenmassa als de onze te verzorgen. Omdat gorilla’s sowieso al bijna acht uur lang eten en voedsel verteren is dat vrijwel onmogelijk. De dagen zijn daarvoor eenvoudig niet lang genoeg.”

Terug naar Schleichers betoog, die zich, zo vat ik het samen, inzet voor een rechtvaardige wereld. Een wereld waarin ieder wezen de mogelijkheid heeft zich te ontwikkelen naar zijn natuurlijke mogelijkheden. Hoort daar voor de mens dan niet ook de keuzemogelijkheid bij om vlees te eten? Maar dan wel vlees van dieren die ook naar hun mogelijkheden hebben kunnen leven. Waarbij een van de mogelijkheden van het leven van ieder dier is, dat het als voedsel ten prooi valt aan een ander dier.

Uitgelicht

Het waren de Duitsers! Of toch niet?

Gib mir mein fahrrad zurück.’ Mensen van mijn generatie zullen woorden van deze strekking herkennen. In onze hoofden hadden de ‘Moffen’ in de oorlog alle fietsen gejat. Nu blijkt dat, zo lees ik in een artikel op de site van Omroep Gelderland, wel mee te vallen want: “Want uit cijfers blijkt dat slechts 1 op de 30 opa’s zijn fiets kwijt zou zijn geraakt.” Dat ‘roepen’ om vooral ‘opa’s fiets’ verminderde flink na de ‘slag om Hamburg’. Die slag vond plaats op dinsdag 21 juni 1988 in wat toen nog het Volksparkstadion heette. De halve finale van de Europese kampioenschappen van 1988 tussen Nederland en West Duitsland. Nee, deze Prikker gaat niet over voetbal, maar over slavernij. De link volgt later.

File:Duitser trekken na de capitulatie uit het Gooi weg Rijdend op of lopend naast h, Bestanddeelnr 900-2893.jpg
Bron: WikimediaCommons

Niet over voetbal dus, maar toch even. Het Nederlands elftal won uiteindelijk met 2-1 van de ‘aardsvijand’. ‘We’ waren veel beter maar kregen de bal er niet in. En toen de 54ste minuut liet de über-Duitser Völler zich in het strafschopgebied vallen. Strafschop en de nog Duitser dan Duitse Matthäus benutte dit buitenkansje. Het leek erop alsof we alweer het schip in zouden gaan. Tot onze held Van Basten in de 73ste minuut ‘onderuit werd geschoffeld’ door de Duitse killer Kohler. Koeman benutte de strafschop. En toen kwam het geniale moment: steekpass van Wouters, Van Basten was Kohler te snel af en gleed de bal achter de Duitse keeper Immel. En om even te rijmen: waren we ‘im Himmel’.

Zo, tot zover het voetbal. Behalve dan dat ‘we’ vier dagen later de finale wonnen tegen de inmiddels niet meer bestaande Sovjet Unie. Slavernij en vooral de omgang met het Nederlandse slavernijverleden houdt de gemoederen flink bezig. Daarbij valt de aandacht voor de bestrijding van hedendaagse vormen van slavernij behoorlijk in het niet. Wie heeft er ‘schuld’ en hoe moeten we daarmee omgaan? Moeten er ‘herstelbetalingen’ komen? Maar wie moet dan aan wie betalen? Die hele discussie spitst zich toe op de ‘trans-Atlantische slavernij’. Maar als er toch excuses moeten komen en iets betaald moet worden aan slachtoffers, dan moeten we dat goed uitzoeken. Bij Joop schreef Han van der Horst al op een ietwat satirische manier over de moeilijkheden die zich hierbij voor kunnen doen.

Nu is slavernij, in tegenstelling tot wat velen tegenwoordig lijken te denken, al zeer oud. Hoe oud weten we niet precies. En als we iemand ‘aansprakelijk’ moeten stellen, dan moeten we wel de juiste hebben. Daarom even de etymologische geschiedenis van het woord slaaf. “Het woord slaaf is afgeleid van de benaming van een volk afkomstig van de Balkan, de Slaven,” zo schrijft Stieneke Ritzema op de site geschiedenisbeleven.nl. Ze vervolgt: “Dat de volken op de Balkan Slavische volken genoemd worden, gaat terug op hun eigen taal. Het Oudkerkslavische woord slovo betekent woord of spraak. Wie Slavisch is, is dus lid van de Slavische taalgemeenschap, oftewel van het Slavische volk.” De Slaven, een volk dat: “Oorspronkelijk afkomstig (is) uit de gebieden rond de Pripjat-moerassen (Zuidelijk Wit-Rusland/Noord-Oostelijk Oekraine), waaierden deze volkeren tijdens de grote volksverhuizingen in de overgang van oudheid naar vroege middeleeuwen (5e eeuw) uit over Europa,” zo is te lezen op Geschiedenis-online. Tot de Slavische bevolking horen de Oost-Slaven (de (Wit-)Russen en de Oekraïners), de West-Slaven (Polen, Tsjechen, Roethenen en Sorben) en de Zuid-Slaven (Bulgaren, Macedoniërs, Kroaten, Serven en Bosniërs).

Dus als zij aan de basis staan van het woord, moeten we hen dan maar aansprakelijk stellen? Dat zou wel erg pijnlijk zijn. De Slaven werden namelijk tot slaaf gemaakt. Dat de Slaven de naamgevers zijn van ons woord voor slaaf laat in ieder geval zien dat slaven ook een blanke huid konden hebben. Ze werden tot slaaf gemaakt door … de Duitsers. Na de dood van Karel de Grote viel zijn rijk uiteen in drie delen. Ieder van zijn drie zonen kreeg een deel. Lodewijk (de Duitser) kreeg het oostelijke deel. Hij en zijn opvolgers zochten de uitbreiding van het rijk, net als meer dan duizend jaar later, vooral in het oosten. In het westen zaten immers zijn broers en hun nakomelingen. Zij vielen het gebied van de Slaven binnen. En bij dat binnenvallen deden ze wat iedere ‘overvaller’ deed, de mensen die in het gebied wonen vangen en hen dwingen om onbetaald werk te verrichten. De naam van het overvallen volk, werd zo ook de naam voor een persoon die gedwongen onbetaald werk moest verrichten. Zo komen we wij aan het woord slaaf. Dus net als aan ‘opa’s fiets’ zijn de Duitsers ook schuldig aan slavernij?

Ook dat gaat te ver. De Duitsers deden wat iedereen in die tijd deed. Dat zij mede aan de basis liggen van het woord slaaf, wil niet zeggen dat zij de slavernij uitvonden. De oude Grieken kenden immers ook slaven. Hun woord voor slaaf was δούλος, doulos. Net zoals de oude Romeinen er een woord voor hadden, namelijk servus. Zo kende iedere taal een woord voor slaaf. Daarmee komen we dus niet verder. Alhoewel niet verder? Als iedere taal een woord voor ‘slaaf’ heeft, zou dat niet kunnen dat slavernij overal voorkwam? Dat iedereen het risico liep om ‘tot slaaf gemaakt’ te worden? Als dat zo is, wie is dan dader en wie slachtoffer?

Uitgelicht

Institutioneel racisme! Of toch niet?

“Ik zat in de afrondende fase van mijn opleiding en zou aan het werk zijn als verloskundige in dezelfde praktijk in de periode dat zij zou gaan bevallen. Haar eis om mijn ontslag kwam voort uit haar voorwaarde om niemand in haar buurt te willen die een hijab draagt.” Dit schrijft Pia Sophia in een artikel op de site Dipsaus. En liet dat volgen door: “Mijn opdrachtgever kwam niet voor me op en vertelde mij dat ik moest leren leven met het feit dat “discriminatie nou eenmaal voorkomt.”” Dit is, aldus Sophia, een van de voorbeelden van institutioneel racisme.  Een bijzondere casus waarbij ik alweer moest denken aan Hannah Arendt.

Beschuit, Muisjes, Geboorte, Kraamweek, Jongetje
Bron: Pixabay

In de bundel Verantwoordelijkheid en oordeel zijn toespraken en colleges van Arendt gebundeld die handelen over juist die twee woorden. Aan één van die artikelen moest ik denken bij het lezen de passage uit Sophia’s artikel. In de bundel een essay uit 1959 met als titel Overpeinzingen bij Little Rock. Even voor degenen die het niet weten. In 1957 moest een middelbare school in  Little Rock, de hoofdstad van de Amerikaanse staat Arkansas, negen zwarte leerlingen toelaten. Dit omdat de Hoge Raad had geoordeeld dat de school deze negen leerlingen niet mocht weigeren. Een uitspraak van de hoogste rechter, en dat is de Hoge Raad in de Verenigde Staten, moet gestand worden gedaan. Dat was echter tegen het zere been van gouverneur Faubus van de staat, die stuurde de Nationale Garde om dit te verhinderen. Daarop kon president Eisenhower niets anders dan ingrijpen. Hij stuurde de 101e luchtlandigsdivisie en gaf hen de opdracht de negen kinderen te beschermen en ervoor te zorgen dat ze de school konden bezoeken. Dit gebeuren was voor Arendt aanleiding tot haar overpeinzingen.

In haar overpeinzingen onderscheidt Arendt drie werelden of sferen: de privé sfeer, de sociale sfeer en de politieke sfeer. Binnen die drie werelden bekijkt ze de rol van gelijkheid. Over de privé sfeer zegt ze het volgende: “… -het gebied van het privé leven – wordt noch door gelijkheid noch onderscheid maken beheerst, maar door exclusiviteit. Hier kiezen we de mensen met wie we ons leven willen doorbrengen, namelijk persoonlijke vrienden en mensen van wie we houden; en onze keuze wordt niet bepaald door overeenkomst of kwaliteit die door een groep mensen worden gedeeld – ze wordt zelfs niet bepaald door welke objectieve maatstaven en regels dan ook – maar richt zich, onverklaarbaar en onfeilbaar, op één persoon in zijn of haar uniciteit, zijn anders zijn dan alle andere mensen die we kennen.” Als ik Arendt goed begrijp dan kan er in de privé sfeer geen sprake zijn van discriminatie. Een duidelijk en begrijpelijk betoog. In de privé sfeer zoekt een ieder zijn eigen passende begeleiding.

Dan het andere uiterste, de politieke sfeer. In de politieke sfeer is, zo betoogt Arendt, gelijkheid absoluut. Het is “haar innerlijke principe.” In het politieke domein: “daar zijn we allemaal gelijk.” Die gelijkheid wordt: “in de eerste plaats geconcretiseerd in het stemrecht; volgens dat recht staan het oordeel en de mening van de hoogst geplaatste burger op één lijn met het oordeel van de persoon die nauwelijks kan lezen en schrijven.” Integraal onderdeel van die gelijkheid is: “Passief kiesrecht of het recht voor een ambt te worden gekozen.” Ook dit is een duidelijk en begrijpelijk betoog.

Als laatste het sociale sfeer, de samenleving. Dit is het domein dat we instappen als we ons huis verlaten. De samenleving: “is dat merkwaardige, wat hybridische gebied tussen het politieke en het persoonlijke waarin sinds het begin van de moderne tijd de meeste mensen het grootste deel van hun leven hebben doorgebracht.” En wat gelijkheid is voor de politieke sfeer, is discriminatie voor de samenleving, zo betoogt Arendt. Discriminatie niet in haar betekenis van achterstellen, maar in haar betekenis van onderscheid maken. Naar die sfeer worden we gedreven: “door (de) noodzaak in ons onderhoud te voorzien, ertoe aangetrokken door het verlangen onze talenten te ontplooien of ertoe aangelokt door het genoegen van gezelschap.” Daarbij kiezen we ons gezelschap, daarbij worden we, zoals Arendt het schrijft: “onderworpen aan het aloude adagium ‘soort zoekt soort’, dat het gehele domein van de samenleving in zijn oneindige variëteit van groeperingen en sociale verbanden beheerst.” Je gaat op voetbal en wel bij die club omdat de mensen daar het beste bij je passen. Je gaat naar een concert van band x omdat die muziek bij je past. De spiegel daarvan is dat een vereniging je mag weigeren. Zo zul je bij de naaktzwemclub worden geweigerd als je per se een boerkini aan wilt. Net zoals je wordt geweigerd als je in je nakie bij de boerkinie zwemclub wilt. Zo mag, zoals enkele jaren geleden in Noord-Ierland, een bakker weigeren een taart met daarop de slogan ‘steun het homohuwelijk’ te bakken voor een huwelijk van twee mannen. Net zoals de bakker ook geen taart hoeft te bakken voor iemand die ‘eigen volk eerst’ erop wil. Dit weigeren gaat volgens Arendt niet op voor: “diensten die, of ze nu particulier of publiek eigendom zijn, in feite openbaar zijn, diensten die iedereen nodig heeft om zijn zaken te behartigen en zijn leven te leiden. Al behoren deze diensten niet strikt tot het politieke domein, ze bevinden zich wél in het publieke domein waar alle mensen gelijk zijn”. Daar waar de bakker mag weigeren een taart met spreuk te bakken, mag het busbedrijf niet weigeren iemand te vervoeren. Ook deze redenering kent een te begrijpen logica.

Als we met Arendts bril naar Sophia’s voorbeeld kijken, hoe zou Arendt dit voorbeeld beoordelen? Dan staat de zwangere vrouw in haar recht om Sophia te weigeren als verloskundige. De verloskundige betreedt immers de privé sfeer van de betreffende vrouw. Dat zij een publieke functie vervult doet daar niets aan af. Het is aan de patiënt om de arts te kiezen en dus ook aan de zwanger vrouw om een verloskundige te kiezen. Haar motieven, of die nu racistisch, godsdienstig of persoonlijk van aard zijn doen hierbij niet ter zaken. Sterker nog, de zwangere vrouw hoeft haar motieven niet eens te geven. ‘Jou niet’ is al voldoende. Dubieus is het verzoek van de zwangere vrouw om Sophia te ontslaan om zo te voorkomen dat Sophia toch bij de geboorte van het kind van de vrouw is. Een zwangere vrouw gaat niet over het personeelsbeleid van een verloskundigenpraktijk.

Dan de werkgever die haar, aldus Sophia, onvoldoende steunde en haar vertelde dat ze maar moest ‘leren leven met het feit dat discriminatie nou eenmaal voorkomt.’ Als ik het artikel goed begrijp, heeft de werkgever haar niet ontslagen en heeft Sophia de betreffende mevrouw niet geholpen bij de bevalling, maar heeft de werkgever daar een andere medewerker naartoe gestuurd. Ook de werkgever heeft niets verkeerd gedaan. Hij heeft de wens van de zwangere mevrouw gerespecteerd. Wat hij wat handiger had kunnen doen, is dit met Sophia bespreken. Daarbij had Arendts betoog hem zeker kunnen helpen.

Uitgelicht

De korte toekomst van de Marshalleilanden

“Tegenwoordig wordt vrijwel algemeen aanvaard dat we auto’s moeten produceren om banen te behouden en niet om ervoor te zorgen dat mensen zich kunnen verplaatsen.” Aldus Hannah Arendt in de toespraak Wrange vruchten. Nu is dat ‘tegenwoordig’ van Arendt, 1975, alweer 45 jaar geleden. Ik moest aan deze passage denken toen ik de documentaire The final years of Majuro bekeek. Een documentaire over de recente geschiedenis, maar vooral over de nabije toekomst van de Marshalleilanden. Ik moest aan deze passage denken omdat Arendt in deze toespraak enkele nu ook nog zeer actuele zaken aan de orde stelt. Actuele zaken met betrekking tot economische theorieën en het handelen van onze politieke leiders. Handelen waarbij, en daar doelt Arendt op, het onduidelijk is wat doel en wat middel is.

File:Operation Crossroads Baker Edit.jpg
Atoomproef op Bikini. Bron: United States Departement of Defence (WikimediaCommons)

Arendt hield haar toespraak ter gelegenheid van het tweehonderdste verjaardag van de Republiek van de Verenigde Staten en, aldus Arendt: “ik ben bang dat we daarvoor geen minder geschikt moment hadden kunnen kiezen.” Wat dat moment zo ongeschikt maakte: “De Crises van de Verenigde Staten, van deze regeringsvorm en van haar grondwettelijke vrijheden, hebben we al tientallen jaren lang kunnen opmerken. Sinds Joe McCarty heeft ontketend wat tegenwoordig op ons de indruk van een mini-crisis maakt.” De McCarty periode werd snel vergeten: “maar het gevolg ervan was de vernietiging van een betrouwbaar en toegewijd ambtenarenapparaat.”  Daarna volgden de oorlog in Vietnam, de Pentagon-papers en het Watergate schandaal. Bovendien lag de Amerikaanse economie behoorlijk op haar gat. Daarom was het moment van de viering van de tweehonderdste verjaardag zo weinig geschikt. Nu kon Arendt niet weten dat de bodem nog niet was bereikt. De ayatollahs waren nog niet aan de macht in Iran. De VS waren Grenada nog niet binnengevallen. Het Iran-Contra schandaal was nog niet eens in de maak, laat staan de hetze tegen Saddam Hoessein en alle ellende die daaruit voortkwam. De Twin-Towers stonden nog fier overeind. En Trump, die was nog lang geen president. Hij moest zijn eerste stappen op de vastgoedmarkt nog zetten. Maar ik dwaal af: doel en middel.

De documentaire laat zien hoe de atollen van de Marshalleilanden in de Koude oorlog zijn gebruikt als frontlinie. Frontlinie omdat op één van atollen van de eilandengroep meer dan zestig atoombommen tot ontploffing werden gebracht. Het eiland Bikini. Ja, de naamgever van … . En nu staan de eilanden in de frontlinie tegen de klimaatverandering. Als de gemiddelde temperatuur op Aarde met meer dan anderhalve graad stijgt, dan verdrinken de eilanden. De documentaire laat zien wat de klimaatverandering nu al voor de eilanden en haar bewoners betekent en de strijd van de eilandbewoners tegen hun gedoemde lot.

Nu weer terug naar Arendts toespraak. “Inefficiëntie [is verheven tot] nationale doelstelling,” en laat dit volgen door: “en wat in dit speciale geval een boemerangeffect heeft gehad is de koortsachtige en helaas zeer succesvolle politiek van het ‘oplossen’ van zeer reële problemen met behulp van slimme trucs, die slechts succesvol genoeg zijn om de problemen tijdelijk te laten verdwijnen.” Door het corona-virus gaat het niet goed met de economie. Nu lijkt het mij vreemd dat het met een imaginair construct, een van die spinsels in het verzinnen waarvan onze hersenen uitblinken, slecht kan gaan. Ik zou zeggen dat het slecht met mensen gaat. Dat even terzijde. Alhoewel terzijde? Als je onze politici hoort, dan maken zij zich ‘zorgen om de economie’. Die raakt in een ‘crisis’ maar welke vorm een U, V of W-crisis, dat weten ze nog niet. Wat ze wel weten, is dat de economie ondersteund moet worden. Er moet beleid worden ontwikkeld dat ervoor zorgt de economie weer gaat ‘draaien’. Bedrijven zoals de KLM, Booking.com en veel andere moeten worden ondersteund. Want: de werkgelegenheid moet worden behouden. Of hetgeen die bedrijven produceren werkelijk nuttig is, doet niet ter zaken, als ze maar produceren. Want alleen als ze produceren, behouden we banen. Als we een crisis verder teruggaan dan komen we uit bij de kredietcrisis. Ook ten tijden van die crisis moest de economie worden gered. Toen in de persoon van de banken. Die waren zo belangrijk voor de economie dat ze ‘too big to fail’ waren.                

De economie als doel, dat is wat we uit de monden van onze politieke leiders horen. Arendt: “De functie van Madison Avenue (een straat waaraan van oudsher veel reclamebureaus gevestigd zijn) is helpen bij de distributie van de koopwaar, en het oog van de reclamemaker is steeds minder gericht op de behoeften van de consumenten en steeds meer op de behoefte van de koopwaar om in steeds grotere hoeveelheden te worden geconsumeerd.” Met andere woorden, op de markt draait het niet meer om de behoefte bevrediging van de consument, maar om die consument nieuwe producten aan te smeren waaraan, in de basis, geen behoefte is.

Gevolg hiervan? Arendt: “Als overvloed en meer dan overvloed de oorspronkelijke doelstellingen waren van de droom van Marx over een klasseloze maatschappij, waarin het natuurlijke overschot aan menselijke arbeid – dat wil zeggen het feit dat arbeid wordt verricht op basis van menselijke behoeften altijd tot een grotere productie leidt dan nodig is voor het individuele levensonderhoud van de arbeider en zijn gezin -, dan leven we nu in de verwerkelijking van de socialistische en communistische droom, afgezien van het feit dat die droom de wildste fantasieën  van zijn maker heeft overtroffen door de vooruitgang van de technologie, waarvan automatisering voorlopig het laatste stadium is, de prachtige droom is veranderd in iets wat op een nachtmerrie lijkt.” 

Een nachtmerrie die draait op de productie en consumptie van veelal nutteloze producten waarmee we niet kunnen stoppen omdat anders het hele bouwwerk (de economie) instort. Een nachtmerrie voor onszelf omdat we onze leefomgeving ermee verzieken. Een nachtmerrie die leidt tot grote ongelijkheid waarmee we onze samenleving verzieken op een manier die Karl Marx goed heeft beschreven in zijn  boek Het kapitaal. Een nachtmerrie vol wrange vruchten voor binnenkort landloze inwoners van de Marshalleilanden. Een nachtmerrie waarbij het middel doel is geworden en het doel verloren is gegaan.

Uitgelicht

De vos, de lama en het racismegesprek

Volgens Vera Mulder van De Correspondent is het gesprek over racisme te simpel: “Frustratie, gevaar, perceptie, onwetendheid, intentie, emotie; allemaal inherent aan het gesprek rond racisme, maar vind er maar eens je weg doorheen. Ze compliceren praten over racisme en dat zorgt er ironisch genoeg voor dat het gesprek zélf vaak oppervlakkig blijft, versimpeld wordt zodat het makkelijk is om kanten te kiezen, dingen te vinden.” Daarom heeft zij met een collega een leeslijst gemaakt om dat gesprek beter te kunnen voeren. Ik denk dat er iets anders aan de hand is.

astronomie, achtergrond, sterrenbeeld, kosmos, donker, mist, sterrenstelsels, oneindigheid, lange blootstelling, Melkweg, humeur
Zoek de vos en de lama. Bron: https://www.pikist.com/free-photo-srqzb/nl

Dat ik nu deze tekst typ en dat u, mijn lezer, deze nu leest, dat doet u bewust. Dat is een bijzondere eigenschap van onze hersenen. Hersenen die Tom Phillips in zijn boek De mens. Een kleine geschiedenis van onze grootste fuck-ups beschrijft als: “… een uiterst opzienbarende machine. We kunnen patronen zien in onze omgeving en daaruit alles opmaken over de wereld en hoe die werkt. We kunnen ons een complex beeld vormen dat meer inhoudt dan wat we met eigen ogen kunnen zien. Vervolgens kunnen we op basis van dat mentale beeld allerlei gedachtesprongen maken en ons veranderingen in de wereld voorstellen die onze situatie kunnen verbeteren. We kunnen die ideeën bespreken met onze medemensen, zodat anderen er verbeteringen aan kunnen toevoegen die we zelf nog niet hadden bedacht zodat kennis en uitvindingen een gemeenschappelijk project worden dat we van generatie op generatie kunnen doorgeven. Vervolgens kunnen we anderen overhalen om samen te werken aan een plan dat voorheen alleen in ons hoofd bestond, en daarmee kunnen we doorbraken bereiken die niemand in zijn eentje zou kunnen maken.”

Van het gros van het werk van onze hersenen zijn we ons echter niet bewust. Tijdens dit typen en voor u het lezen, doen onze hersenen nog veel meer. Ze zorgen ervoor dat onze darmen doorwerken, dat het hart blijft pompen, dat we blijven ademen, dat de lever haar werk doet enzovoorts. Dat gebeurt allemaal op de ‘automatische piloot’. Sterker nog, het gros van dat werk kunnen we zelfs niet ‘bewust’ aansturen. Het immuunsysteem reageert op binnendringende virussen zonder dat ik weet dat ze zijn binnengedrongen. Pas als ik ziek wordt, ben ik me ervan bewust dat er iets is ‘binnengedrongen’. Mijn hersenen wisten dat echter al veel langer. Die waren al veel eerder bezig met het organiseren van mijn ‘verzet’.

Dat is echter niet het enige wat onze hersenen onbewust doen. Sterker nog, de overgrote meerderheid van alle beslissingen die we als mens nemen, gebeuren op de automatische piloot. Die automatische piloot zorgt ervoor dat we iets gedaan krijgen. Als we die niet hadden en alles moesten over- en doordenken alvorens we zouden handelen, dan waren we allang uitgestorven. Dan was het ons nooit gelukt om al die roofdieren die het op ons hadden gemunt te weerstaan. Gegrom betekende ‘wegwezen’ en niet eerst overleggen of het een beer, leeuw, tijger of lynx was en vervolgens, afhankelijk van de conclusie die we trokken, besluiten wat te doen.

In onze moderne samenleving levert dat echter de nodige problemen op. Die ‘automatische piloot’ bepaalt ook onze eerste indruk die we van medemensen hebben. En die indruk kan ons behoorlijk misleiden. Onze hersenen bepalen die eerste indruk namelijk op het ‘vriend -vijand-’ of ‘veilig-onveiligschema’. Dit gebeurt onbewust op basis van de overeenkomsten en verschillen tussen jou en degene die je ontmoet. Hoe meer overeenkomsten, hoe meer kans op ‘vriend’ of ‘veilig’ en omgekeerd.

In zijn boek Ons feilbare denken noemt Daniel Kahneman die automatische piloot ‘systeem 1’ en dit zet hij af tegen ‘systeem 2’. “Systeem 1 werkt automatisch en snel, met weinig of geen inspanning en gevoel van controle. Systeem 2 omvat bewuste aandacht voor de mentale inspanningen die worden verricht waaronder ingewikkelde berekeningen. De werking van systeem 2 wordt vaak gekoppeld aan subjectieve ervaring van handelingsvermogen, keuze en concentratie.” Systeem 2 vraagt aandacht, je moet je concentreren en focussen. Van dergelijke activiteiten kunnen onze hersenen er maar één tegelijk uitvoeren. Dit in tegenstelling tot systeem 1, dat draait om multitasken. Die eerste indruk wordt gevormd met systeem 1 en die indruk toetsen of het werkelijk zo is, moet met systeem 2 en dat kost tijd en moeite en dan gaat het nog wel eens fout.

Onze ‘grijze massa’ is namelijk geen perfect functionerende machine. En eigenlijk is het zelfs niet één machine, het zijn er meerdere. Meerdere hersenendelen, in totaal 21, die ons samen maken tot wat we zijn. Onze hersenen zijn, in de woorden van Phillips:  “… niet het resultaat van een afgewogen ontwerpproces dat als doel had de best mogelijke denkmachine te creëren, maar eerder bestaan (ze) uit een los-vaste verzameling lapmiddelen, broddelwerk en afstekertjes die onze verre voorzaten twee procent beter maakten in het vinden van voedsel of drie procent beter in het communiceren van dingen als: ‘O shit, pas op, een leeuw.’” Nee, verre van dat zelfs. Ja, onze hersenen zijn goed in het zien van patronen. Maar, aldus Phillips: “Het probleem daarmee is dat onze hersenen daar zo op zijn gebrand dat ze overal patronen gaan zien, zelfs waar ze helemaal niet zijn.” Dat kan heel onschuldig: “… als je alleen maar ’s nachts naar de sterren wijst en iets roept als: ‘O, kijk, dat is een vos die achter een lama aanzit.’” Het wordt problematisch aldus Phillips: “Zodra het imaginaire patroon dat je ziet (…) iets wordt als: ‘De meeste misdrijven worden gepleegd door een bepaalde etnische groep’. Als dus het bekende spreekwoord over de hamer en de spijkers haar intrede doet.

Het gesprek over racisme lijkt een gesprek tussen aan de ene kant ‘activisten’ die overal ‘(institutioneel) racisme en racisten’ zien en aan de andere kant mensen die wellicht ‘vossen achter lama’s’ zien rennen maar geen achterstand en zeker geen racisme. En zoals meestal, ligt de waarheid ergens in het midden. Alleen loop je in dat midden grote kans om als spijker te worden gezien door de beide zijden. Ik denk dat het gesprek over racisme daarom geen diepgang krijgt en we niet tot oplossingen komt.

Uitgelicht

Witwasprogramma

“‘Ik zie geen kleur.’ Zeven jaar geleden zei ik zelf nog vol overtuiging als het over racisme ging. Nu, zeven jaar later, schaam ik me als ik het teruglees. En schaam ik me plaatsvervangend als ik het iemand hoor zeggen.” Zo begint een artikel van Rob Wijnberg bij De Correspondent. In het artikel legt Wijnberg uit wat hij heeft geleerd van het: “luisteren naar wat mensen die er daadwerkelijk ervaring mee hebben erover zeggen.” Nu gaat het mij niet om Wijnbergs verandering van gedachten, maar om een reactie van OluTimehin Adegbeye. Zij schrijft voor de Amerikaanse versie The Correspondent. Ik moest een paar keer slikken toen ik las wat ze schreef.

WORD LEADERS ARE BRAINWASHING ALL MANKIND" | Um... WORLD LE ...
Bron: Flickr

Adegbeye in haar reactie: “And because of the way racism functions, white people are socialised to dismiss, disbelieve or discredit the ideas and words of black people or people of colour.” Daar wordt nogal wat beweerd: ‘door de manier waarop racisme werkt, zijn blanken gesocialiseerd om ideeën en woorden van mensen met een andere huidskleur ter zijde te schuiven, niet te geloven en in diskrediet te brengen.’ Blanken worden dus gehersenspoeld door racisme? En het wordt niet geformuleerd als een vraag, nee het wordt geponeerd als een feit.

Zoals menigeen terecht beweert, moet je over racisme niet debatteren, je moet het bestrijden. Wat we echter wel moeten bestrijden zijn de bijzondere theorieën die de, om ze zo maar te noemen, activisten hanteren. Wat hebben we al voorbij zien komen? In mijn vorige Prikker besteedde ik aandacht aan de bijzondere redenering dat racisme door zwarte mensen tegen blanken niet bestreden hoeft te worden. Al meer dan eens heb ik het bijzondere ‘culturele archief’ van Gloria Wekker besproken. Recentelijk nog in een Prikker met die naam. Of het gemak waarmee achterstanden van mensen worden verklaard door ‘racisme’ te roepen. Ook de sociale theorie van de ‘intersectionaliteit’ heb ik al meer dan eens van kritische kanttekeningen voorzien. Helaas wordt kritiek op hun theorie door de aanhangers ervan meestal geïnterpreteerd als een bevestiging van hun gelijk. Een bevestiging die een inhoudelijke reactie op de kritiek niet meer nodig maakt. En ook het gebruik om ‘op de man’ te spelen door niet op de kritiek in te gaan maar de degene die de kritiek levert te diskwalificeren.

Agdebeye gaat nog een stapje verder. Ze beweert dat blanken worden gehersenspoeld om mensen met een andere huidskleur in diskrediet te brengen en aan de kant te schuiven. Wie heeft dan dat, om het zo te zeggen, ‘witwasprogramma’ bedacht waarmee de blanken worden gehersenspoeld? En, wanneer is dat bedacht en ingevoerd? Nee, ik vrees dat deze theorie gewoon in het rijtje met de ‘5G en corona’, ‘pizzagate’ en de ‘flat earthers’ past. En wat bijzonder is, niemand van haar mede-correspondenten bevraagt haar hierover en stelt wat zij zegt ter discussie.

En wat het echt bijzonder maakt. Agdebeye maakt deze opmerking in een gesprek over racisme. Grenst haar opmerking niet aan racisme? Worden blanken hier niet gestigmatiseerd?

Uitgelicht

Racisme bestrijden door het te tolereren?

Schiet mij maar lek. Ik begrijp het niet meer’. Dat dacht ik toen ik een artikel van de Keniaans-Nigeriaanse schrijfster Valerie Ntinu bij OneWorld las. Dat dacht ik bij het lezen van de zin: “Desondanks weiger ik de uitingen van scepsis en twijfel van een achterdochtig zwart publiek, dat hoogstwaarschijnlijk door witte suprematie is benadeeld, te bekritiseren.”  Ntinu heeft een blanke vriend en krijgt van zwarte mensen hierover vaak te horen: “Hoe kon je?” Of: “Hij zal je leven verwoesten.”

circular reasoning works because
Bron: https://freesvg.org/circular-reasoning-works-because

Racisme en discriminatie staan vol in de aandacht en je kunt geen scheet meer laten of de kleur (of bij een scheet liever de geur) ervan wordt besproken. In de gesprekken, discussie en debatten erover moet vooral het licht gekleurde (blanke) deel van de bevolking het ontgelden. Zij houden een ‘institutioneel racistisch’ systeem in stand dat is gebaseerd op een ‘cultureel archief’ dat iedereen met racisme indoctrineert. Dit om het ietwat overdreven maar scherp te stellen. Bij dit vertoog heb ik in verschillende Prikkers al de nodige kanttekeningen geplaatst. Dat heb ik ook op diverse sites in discussies gedaan. Omdat mijn kanttekeningen niet in het vertoog van velen die zich ‘activist’ noemen passen, krijg je het nodige naar je hoofd geslingerd. Van cirkelredeneringen zoals: ‘door je ontkenning van je ‘witte privilege laat je zien dat je dat privilege hebt, want door het te ontkennen heb je het’ tot verwijten van ‘xenofobie’.

Blanke mensen die Ntinu en haar vriend verkeerd behandelen, krijgen een veeg uit de pan. Immers: “De schaamteloze staarders en ongevraagde commentators zijn meestal oudere witte stellen, achterdochtige winkelbedienden of baldadige dronkaards. Ik weet nog goed hoe een witte man in een Berlijnse metro ‘ebola’ tegen me schreeuwde en tegen mijn vriend, toen hij zich erin mengde, zei: “Waarom verdedig je haar? Ben je een jood?” Wij reageren met onverschilligheid, rollende ogen of, in dit geval, mijn middelvinger vergezeld door een aantal krachtige woorden van zowel mijn vriend als mijzelf.” Of de manager in de brillenwinkel waar u het over heeft: “Terwijl we door de winkel liepen, merkte ik dat de manager ons zonder iets te zeggen volgde. Als zwart persoon groei je op met dergelijke verhalen, die soms worden gebracht als een soort inwijdingsritueel, waar je desondanks nooit echt op voorbereid bent wanneer het je uiteindelijk zelf overkomt. Ik gaf mijn partner de opdracht een paar stappen bij me vandaan te zetten om te beoordelen wie ze precies volgde, hem of mij. Toen hij wegliep, bleef ze bij mij in de buurt, wat voor mij genoeg aanleiding was om haar te confronteren. Hierop beweerde ze heel zelfverzekerd dat ze dit deed omdat ze niet wilde dat haar winkel werd beroofd. We beschuldigden haar ervan onwetend, dwaas en racistisch te zijn. Zulke mensen zijn, net als de meeste witte racisten, onnadenkend en slecht geïnformeerd. Ze bewijzen dat een gevoel van onzekerheid vaak samengaat met een witte-superioriteitscomplex.” Terecht dat Ntinu daar wat van zegt en zich hierover uitspreekt. Al zou ik dat niet op een beschuldigende manier doen, maar op een vragende manier. Behalve dan die baldadige dronkaards, die zou ik negeren.

Maar vanwaar dat begrip voor zwarten die een blanke vriend racistisch benaderen? Als racisme moet worden bestreden, en dat moet het, dan moet alle racisme worden bestreden. Dus ook racisme door zwarte mensen jegens blanken. Het argument dat het: “een achterdochtig zwart publiek, dat hoogstwaarschijnlijk door witte suprematie (…) benadeeld (is),” mag geen reden om dergelijk racisme te tolereren. Immers, als het echt zo is als de theorie van ‘witte suprematie, onschuld’ et cetera beweert, dan zijn ook die ‘blanke racisten’ slachtoffer van die theorie. Waar komt de idee vandaan dat door het bestrijden van zwart racisme: “het trauma dat zwarte mensen in Nederland, Europa en Afrika door toedoen van witte elites en instellingen ervaren, zou bagatelliseren of zelfs ontkennen?” Dus om het trauma dat zwarte mensen ervaren te erkennen, moeten we racisme tolereren? Om de uitspraak gedaan door een Amerikaanse officier tijdens de Vietnamoorlog over het vernietigen van het dorp om het te redden, te parafraseren: ‘om racisme te bestrijden moeten we racisme tolereren.’

Uitgelicht

Fantasierijke fictie en de feiten

“2,7 miljard om #AOW op 65 jaar te houden was veel te duur en niet houdbaar, maar 21 miljard #Belastinggeld gratis naar Zuid #Europa overmaken, zodat de #Fransen, #Italianen en #Spanjaarden rond hun 60ste met  #Pensioen kunnen kan wel, volgens de #VVD.” Dit bericht kwam in mijn LinkedIn tijdlijn voorbij. Duidelijk van iemand die niet blij was met het akkoord dat de regeringsleiders over de begroting en het ‘corona-noodfonds’ hebben gesloten. Maken we werkelijk 21 miljard over naar Zuid -Europa?

Vergrootglas, Feiten, Onderzoeken, Onderzoek
Bron: Pixabay

Nu kun veel vinden van de het begrotingsakkoord, zo lijkt het mij interessant om de mogelijkheden voor een Europese belasting op bedrijfswinsten geheven door de EU te onderzoeken. Dit omdat iedere overheid haar eigen belastinggebied moet hebben waarmee zij in haar inkomsten voorziet. Nu is de EU daarvoor van de landen afhankelijk. Maar daar gaat het mij nu niet om. Het gaat mij om die 21 miljard en volgens een reactie op het bericht zelfs om 30 miljard.

Waar alle regeringsleiders het over eens waren is dat er een noodfonds komt van € 750 miljard. Dat lijkt veel, maar even voor het perspectief. Het binnenlands product van alle EU landen samen is ongeveer € 15.000 miljard. Dan bedraagt het fonds zo’n 5 procent van het jaarlijkse Europese bbp. Het fonds kent echter een looptijd van drie jaar en bij een evenredige verdeling over die drie jaar is er per jaar een bedrag ter grootte van 1,67% van het Europese bbp beschikbaar.

Alle landen kunnen aanspraak maken op het fonds, ook Nederland. Alleen is, zo is op europa.nu te lezen: “De verdeling van alle subsidies en leningen (…) opgehangen aan een aantal criteria zoals de werkloosheidscijfers in de jaren voor de crisis, de verwachte daling van het BNP en het gemiddelde inkomen per inwoner. Zo krijgen hard getroffen lidstaten en lidstaten die het economisch moeilijker hebben het meeste geld, en welvarende landen juist minder.”  

Om een beroep te kunnen doen op het fonds, moet een aanvraag worden ingediend: “Een lidstaat die gebruik wil maken van geld uit het Herstelfonds moet een plan inleveren bij de Commissie. De Commissie beoordeelt de plannen en legt haar bevindingen voor aan de lidstaten. Voorwaarde voor een positief oordeel is dat plannen moeten bijdragen aan de klimaatdoelen en de digitale transitie. … Uitbetaling van de gelden hangen niet alleen af van de plannen, maar ook van wat er van terecht is gekomen.” Een deel van het fonds € 390 miljard komt beschikbaar als subsidie. Als de resultaten worden bereikt, dan hoeft het bedrag niet terug te worden betaald. Als het via een lening, het andere deel van het fonds, gebeurt, dan moet die wel worden terugbetaald. Dit terugbetalen moet uiterlijk in 2058 gebeuren.

Waar het geld vandaan komt?. “Het Herstelfonds zal worden gefinancierd door de Europese Commissie zelf. De Commissie mag geld ophalen op de kapitaalmarkten. De Europese begroting, gefinancierd door de lidstaten, is het onderpand.” Om die leningen die daarvoor worden afgesloten te kunnen betalen krijgt de Europese Unie een eigen belastinggebied: “In 2021 komt er een belasting op plastic afval, in 2023 volgen er een belasting op digitale activiteiten, inkomsten uit het – mogelijk verder uitgebreide – emissiehandelssysteem én nog verder uit te werken plannen.” Mocht de Europese Unie uiteindelijk die leningen niet terug kunnen betalen, dan staan de landen van de Europese Unie daarvoor garant. Pas dan komt Nederland in beeld en dan gaat het geld niet naar Zuid-Europa en zelfs niet naar de Europese Unie maar naar de financiers van die leningen, de banken en (institutionele) beleggers. Dan komt niet alleen Nederland in beeld, maar dan komen alle landen van de Unie in beeld. Die staan namelijk allemaal garant. Voor hoeveel wordt berekend door het aandeel van het bbp van het betreffende land in het totale Europese bbp. Het Nederlandse bbp is ongeveer € 800 miljard of te wel zo’n 5,33% van het Europese bbp. Dit betekent dat Nederland garant staat voor zo’n 5,33% van het fonds en dat is zo’n € 40 miljard. Dat bedrag is Nederland kwijt als alles fout loopt. Dat is veel. Alleen niet zoveel als dat Italië dan verliest. Het Italiaanse bbp is ongeveer twee keer zo hoog, de Italianen moeten in dat geval dus zo’n € 80 miljard ophoesten en Duitsland zo’n € 160 miljard.

Er gaan dus geen Nederlandse miljarden naar Zuid-Europa zodat men daar vroeg met pensioen kan. Het LinkedIn-bericht is daarmee een ‘fantasierijke fictie’ die het heel goed zal doen aan de borreltafel. Feitelijk klopt er niets van.

Uitgelicht

Schuld en verantwoordelijkheid

“Er bestaat zoiets als verantwoordelijkheid voor dingen die je niet hebt gedaan: je kunt ervoor aansprakelijk worden gesteld. Maar er bestaat niet zoiets als schuldig zijn aan of je schuldig voelen over dingen die zijn gebeurd zonder dat je daar zelf actief aan hebt deelgenomen. Dit is een belangrijk punt, waard om luid en duidelijk te worden gesteld op een tijdstip waarop zoveel weldenkende progressieve blanken bekennen dat ze zich schuldig voelen ten aanzien van de problemen van zwarten.” Een zeer actuele uitspraak. Toch zijn dit de eerste zinnen van een lezing die de filosofe Hannah Arendt op 27 december 1968 gaf op een conferentie van de American Philosophical Society. Een lezing met als titel Collectieve verantwoordelijkheid. Een ook nu, nu er flink wordt gedebatteerd over racisme, slavernij en kolonialisme, een zeer actuele lezing.

De bundel waarin de toespraak Collectieve verantwoordelijkheid is opgenomen. Eigen foto

Arendt maakt onderscheid tussen schuld en verantwoordelijkheid. Schuldig ben je alleen voor daden die jezelf hebt begaan. Schuld “zondert (…) je altijd af; zij is strikt persoonlijk.” Als iedereen schuldig is dan is er niemand schuldig, zo betoogt Arendt: “We zijn allemaal schuldig,” zo was, aldus Arendt, de eerste reactie van de Duitsers op hetgeen het nazi-regime de joden had aangedaan. Die uitspraak, zo betoogt zij: “die op het eerste gehoor zo aanlokkelijk klonk,” heeft: “in feite alleen maar gediend om mensen die werkelijk schuldig waren in aanzienlijke mate van blaam te zuiveren. Waar iedereen schuldig is treft niemand blaam.”  

Je kunt wel verantwoordelijk zijn voor daden die je niet hebt begaan. Er is dan sprake van collectieve verantwoordelijkheid. Van collectieve verantwoordelijkheid is sprake als er aan twee voorwaarden is voldaan: “ik moet verantwoordelijk worden gehouden voor iets wat ik niet heb gedaan en de reden van mijn verantwoordelijkheid moet mijn lidmaatschap zijn van een groep (een collectief) dat door geen enkel vrijwillig ingrijpen van mezelf tenietgedaan kan worden, dat wil zeggen een lidmaatschap dat in niets lijkt op een zakelijk partnerschap dat ik naar believen kan beëindigen.” Om duidelijk te maken wat collectieve verantwoordelijkheid niet is, geeft Arendt een voorbeeld van duizend geoefende zwemmers op een strand die een verdrinkende man niet te hulp schieten. Die duizend zijn niet collectief verantwoordelijk omdat er geen sprake is van een groep waarvan zij lid zijn. Toch kunnen zij schuldig zijn aan het verdrinken. Daarover kan een rechter in een rechtszaak beslissen, maar dan moet die schuld per individu worden aangetoond.

Collectieve verantwoordelijkheid is daarmee, zo betoogt Arendt, altijd politiek van aard: “of het zich nu voordoet in de oudere vorm, waarbij een gemeenschap de verantwoordelijkheid op zich neemt voor wat een van haar leden gedaan heeft, of in vormen waarin een gemeenschap verantwoordelijk wordt gehouden voor wat in haar naam is gedaan.” Deze laatste vorm kennen we als de politieke verantwoordelijkheid van een minister of de hele regering voor daden van eerdere ministers en regeringen.

Wat zien we, als we met de ogen van Arendt naar de huidige discussie kijken? Als eerste is er niemand in het huidige Nederland schuldig aan de trans-Atlantische slavenhandel. Dat wil niet zeggen dat er niemand schuldig is aan slavernij. Ook tegenwoordig kennen we immers nog slavernij en mensenhandel en als we die nog kennen, dan maken er zich ook mensen aan schuldig.

Wat we ook zien is dat activisten rond Sylvana Simons en Gloria Wekker spreken van schuld. Door te spreken over ‘wit privilege’ en ‘witte onschuld’ leggen zij een collectieve schuld neer bij blanken. Zij wijzen iedereen met een blanke huidskleur als schuldig aan racisme aan. Als Arendt het bij het rechte eind heeft, dan helpen ze daar de echte racisten mee. Die kunnen zo schuilen in de groep ‘blanken’. En die groep voelt zich, voor het overgrote deel terecht, niet aangesproken. Zij maken zich niet ‘schuldig’ aan racisme en zijn niet geïndoctrineerd met een ‘cultureel archief van witte superioriteit’. Daarom verzetten zij zich terecht tegen deze beschuldiging en in dat verzet kunnen de echte racisten veilig schuilen. En daarmee lijkt Arendt gelijk te krijgen.

Wat als er niet over schuld, maar over verantwoordelijkheid zou worden gesproken? En nee, niet over verantwoordelijkheid voor het ‘racistische kolonialisme dat de oorzaak zou zijn van het huidige racisme’, maar over verantwoordelijkheid voor een samenleving waarin iedereen als persoon van gelijke waarde wordt behandeld. Zou dat tot een echt gesprek leiden? Een gesprek dat ons allemaal verder helpt?

Uitgelicht

The chances of anything coming from Mars

The chances of anything coming from Mars. Are a million to one, he said. The chances of anything coming from Mars, Are a million to one, but still, they come.” Aldus Jeff Wayne in zijn lied The Eve Of War. Ik moest denken aan dit nummer toen ik op NOS.nl las dat NASA en ESA een missie naar Mars sturen om: “voor het eerst Marsgrond (te) verzamelen om terug te sturen naar de aarde.” Niet helemaal zoals Wayne zingt, want toen namen de Martianen het initiatief, nu ‘wij’ Aardlingen. Maar toch ‘the chances of antything coming from Mars’ worden groter. Of ze groter worden dan ‘a million to one’ weet ik niet want er kan, zo lees ik, veel misgaan. Ook moest ik denken aan het boek De Mens van Tom Phillips.

Bron: WikimediaCommons

Een boek met als bijzondere ondertitel: Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups. Phillips over zijn intentie met het boek: “Dit is een boek over mensen en ons opmerkelijke vermogen om van alles en nog wat te verkloten. Over de reden dat er voor elke prestatie waar we als soort trots op mogen zijn (kunst, wetenschap, cafés) altijd iets anders is waarbij je alleen maar vol verbijstering en wanhoop je hoofd kunt schudden (oorlog, vervuiling, de trieste cafés op vliegvelden).” In het boek een mooie verzameling van dergelijke ‘fuck-ups’ zoals het meenemen van dieren en planten naar andere continenten. Dieren zoals in 1859 konijnen naar Australië alwaar ze geen natuurlijke vijanden hebben. En ja, aldus Phillips: “Het punt met konijnen is dat ze fokken als … Juist ja.”  Met als gevolg: “In de jaren twintig van de vorige eeuw, op het hoogtepunt van de konijnenplaag, werd de Australische konijnenpopulatie geschat op tien miljard. Dat is zo’n tweeduizend konijnen per vierkante kilometer.”         

Phillips besteedt ook aandacht aan een jongen van twaalf op het Russische schiereiland Jamal die in 2016 stierf aan miltvuur. “In dat gebied was al vijfenzeventig jaar geen miltvuur voorgekomen,” en nu dus wel. Wat was er gebeurd? (D)e uitbraak vond plaats tijdens een zomerse hittegolf waarin de temperaturen vijfentwintig graden hoger uitvielen dan normaal. De hittegolf smolt de permafrost die Siberië overdekt, waardoor ijslagen ontdooiden en bloot kwamen te liggen die decennia eerder waren bevroren, met daarin diepgevroren karkassen van rendieren die in 1941 waren bevroren tijdens de laatste miltvuuruitbraak.” En dat was precies wat vijf jaar eerder twee wetenschappers hadden voorspeld: “als de aarde nog meer zou opwarmen: dat (dan) de permafrost stukje bij beetje zou verdwijnen en dat allang verdwenen historische ziekten dan hun weg naar de wereld zouden vinden.”

“De missie is een noodzakelijke stap om ervaring op te doen om ooit mensen op Mars te laten landen … (en) (u)iteindelijk hopen wetenschappers met de bodemmonsters beter te begrijpen hoe de omstandigheden waren op Mars miljarden jaren geleden, toen de planeet nog een dichtere atmosfeer had en er water stroomde.” Allemaal erg interessant maar laten we hopen dat het staaltje van menselijk technische vernuft dat spullen naar Mars stuurt en ze weer terughaalt, geen allang verdwenen historische Martiaanse ziektekiemen meebrengt. Dat we deze ‘missie’ niet aan het rijtje ‘fuck-ups’ moeten toevoegen. Wil je meer van die ‘fuck-ups’ weten, lees het boek van Phillips. Het is leuk geschreven en bevat de nodige humor.

Uitgelicht

Raadselachtige wetenschap

De universiteiten van Rotterdam, Delft en Leiden hebben het ‘Centre Governance of Migration and Diversity’ opgericht, zo lees ik bij De Kanttekening. Op die site een interview met Peter Scholten, professor Migratie- en Diversiteitsbeleid aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en de ‘chef’ van dit nieuwe kenniscentrum. “We bundelen de expertise van drie universiteiten, om zo sterker te kunnen zijn in het analyseren van migratie- en diversiteitsvraagstukken.” Zo zegt Scholten. “Wij willen als centrum bijdragen aan de kwaliteit van het maatschappelijke debat. Er zijn heel veel opinies en meningen over migratie en die zijn ook belangrijk, maar er mag meer kennis in dat debat komen. Wat werkt wel en wat niet?” Dat klinkt goed. Toch roept het interview wat bijzondere vragen bij mij op.

Bron: http://studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=240990

Zo zegt Scholten: “De aard van migratie is ook veranderd. Vroeger kwam een migrant hier aan en vestigde zich hier. Nu wordt meer gesproken over ‘mobiliteit’. Mensen migreren soms vaker en verblijven vaker tijdelijk ergens.” Ik vraag me af of de hedendaagse ‘migratie’ werkelijk zoveel anders is dan in het verleden. Is die ‘mobiliteit’, het vaker verkassen en je op een andere plek vestigen werkelijk iets nieuws? Als ik me de paar afleveringen van het programma Verborgen Verleden die ik heb gezien, in herinnering roep, dan valt het op dat de ‘voorvaderen van bekende Nederlanders’ geregeld verkasten naar een andere plek en zelfs binnen een generatie. Neem Bijvoorbeeld Karl Marx, geboren in Trier en vervolgens via Keulen, Parijs en Brussel uiteindelijk in Londen gestorven. Of de Fransman René Descartes, geboren in Frankrijk, gestorven in Stockholm, maar een groot deel van zijn leven woonachtig in de Republiek der Zeven Provinciën. En zo zijn er veel meer. Maar niet alleen ‘bekende’ personen. Ook veel ‘werkvolk’ trok van plek naar plek op zoek naar werk. Zweden naar diezelfde Republiek als zeelieden. Zwitsers en Duitsers als soldaten in de leger van de Republiek. De vele trekarbeiders die met de seizoenen naar andere werk migreerden. Dat lijkt verdacht veel op de huidige vormen van migratie.

Echt ‘flabbergasted’ om er eens een Engelse term in te gooien, ben ik echter van de antwoorden op twee vragen. Laat ik met de eerste beginnen: “ Wat is er in het verleden fout gegaan?” Daarop antwoordt Scholten: “Dit gaat al eeuwen fout. Wat daar ook fout aan is, is dat we er geen adequate reactie op hebben. Nu komt dat bewustzijn. Dat is positief, het heeft de aandacht, en nu doorpakken. Geen woorden maar daden. Wij als wetenschappers hebben nu de verantwoordelijkheid om bij te dragen dat dit momentum wordt gegrepen en wordt vertaald naar concrete acties. Wat kun je nou precies doen? Ik denk dat veel mensen, ambtenaren, zich afvragen wat er concreet moet veranderen.” Huh? Nu weet ik nog niet wat er fout is gegaan en nu nog steeds fout gaat en waar we iets aan moeten doen. Als er al iets is ‘fout gegaan’ want dat lijkt Scholten voetstoots aan te nemen.

Een kenniscentrum dat iets gaat onderzoeken maar niet weet wat en alleen constateert dat er geen ‘adequate reactie’ is op dat ‘wat’ dat ze niet kennen. Dit terwijl Scholten eerder vermeldt dat: “Institutioneel racisme (…) nu erg onder een vergrootglas (ligt). Een uniek moment van maatschappelijke bewustwording, maar dat is er helaas al generaties lang.” Dan zou je toch verwachten dat er een antwoord volgt dat aangeeft hoe dat racisme generaties lang ‘institutioneel’ is geworden. En dat het kenniscentrum daar nog dieper in duikt. Nu is ‘institutioneel racisme’ een zo vaag begrip dat alles eronder kan vallen. En als alles eronder kan vallen, is er natuurlijk ook altijd sprake van institutioneel racisme.

Het wordt alleen maar vager na de tweede vraag: “Wat moet er concreet veranderen volgens u?”  Wat is volgens Scholten dan wel een adequate reactie: “Als ik het concreet maak, dan is er de neiging om het te versimpelen. Maar iedereen, ook bedrijven en de overheid, moet kritisch kijken naar welk beeld ze willen uitstralen als ze iemand aannemen, welk taalgebruik daarbij hoort. Maar als ik nu zeg wat er concreet veranderd moet worden, dan suggereer ik misschien dat er een soort quick fix is en die is er niet. Er is wel wat aan te doen, maar dat moeten structurele aanpassingen zijn, waar een lange adem voor nodig is en wat een hoge mate van betrokkenheid vergt. De politiek moet hier ook echt wat mee gaan doen. Het staat nu wel op de politieke agenda, maar het moet zich gaan vertalen van woorden naar daden.”

Wat het centrum wel al weet: “Ons centrum steunt Black Lives Matter. De recente protesten, zowel in Europa als in de Verenigde Staten, bieden een gelegenheid om na te denken over de wijdverspreide gevolgen en bijzondere uitingen van racisme. … Wij willen onze verantwoordelijkheid nemen om ervoor te zorgen dat we ons ethisch, gezamenlijk en inclusief inzetten voor ons wetenschappelijk werk, om het herstel van het institutioneel racisme te erkennen en te heroriënteren.”  

Een bijzonder kenniscentrum. Bijzonder omdat het zich baseert op twee aannames. Als eerste dat de ‘aard van migratie nu anders is dan vroeger’, als tweede dat er al eeuwen ‘iets fout gaat’. Bijzonder omdat het uitgaat van een begrip, institutioneel racisme’, dat zo alomvattend en dus vaag is dat alles eronder kan vallen. En als laatste bijzonder omdat het op voorhand al een actiegroep steunt. Een wetenschappelijk raadsel met grote kans op raadselachtige wetenschap?

Uitgelicht

Activistisch ontmenselijkt

“Gespreksleider Ou-Oumar maant de directeur om ook na deze avond in gesprek blijven met de kritische medewerkers. ‘Ben je bereid naar hen te luisteren, en niet in twijfel te trekken wat ze zeggen?’, vraagt ze Wertheimer. ‘En accepteer je dat het niet meer aan jou is, maar aan hen en hun gevoelens?’ Na een aarzeling stemt Wertheimer in. Een lauw applaus stijgt op uit de zaal.” Een wel heel bijzonder passage uit een artikel van Ashwant Nandram in de Volkskrant. Het artikel bespreek de problemen bij wat tot voor kort, als ik het artikel moet geloven ‘de vooruitstrevende en inclusieve club’ van Nederland was: De School.

person, holding, signage, protest, protest action, group of people ...
Bron: Piqsels

Eerst even in het kort wat het probleem is. De School bestaat uit: “een nachtclub, maar heeft het ook een café, restaurant, expositieruimte en sportschool,” en is het werk van twee ondernemers: Ernst Mertens en Jochem Wetheimer. De club heeft: “geen aparte mannen- of vrouwen-wc’s, iedereen gebruikt dezelfde genderneutrale ruimte. De club voert een exclusief deurbeleid. Te grote groepen bezoekers worden geweigerd; wie niet weet welke dj er die avond draait, maakt kans weer rechtsomkeert te moeten maken. Eenmaal binnen wordt de telefooncamera afgeplakt, zodat bezoekers vrijuit en soms met weinig kleren aan de dansvloer op kunnen, zonder het gevaar een dag later met foto op internet te staan.” Dan breekt corona uit en staat alles stil. Tot er na het pinksterweekend weer meer kan. Om de bezoekers erop attent te maken dat de zaak op 1 juni weer open gaat, wordt er voor het pinksterweekend een bericht gemaakt dat de eenendertigste mei automatisch wordt geplaatst op Instagram.

Tot zover niets bijzonders. Al zijn er mensen die daar anders over denken. De eenendertigste mei was namelijk de dag voor de Black Lives matter demonstratie in Amsterdam. Jullie weten wel die demonstratie waar meer mensen bleken te komen en waardoor burgemeester Halsema problemen kreeg. De mensen die er anders over denken, vinden dat De School zich had: “moeten uitspreken tegen racisme.” De directie biedt hiervoor haar excuses aan. Iets waarvan je je kunt afvragen of dat nodig is. Maar dat is niet genoeg: “Activistische bezoekers roepen De School ter verantwoording: de nachtclub laat zich voorstaan op een inclusief imago, maar in de programmering zijn te weinig gekleurde dj’s te zien. Ook wordt de organisatie ‘te wit’ bevonden.” Een van de activisten legt uit: “Bij De School voelt het als een vertrouwensbreuk. Juist omdat de club zich zo lang liet voorstaan op de inclusiviteit, waren de verwachtingen hooggespannen en was de teleurstelling groot. Veel van ons zagen De School als vrijhaven en plotseling dondert dat beeld in elkaar. Het wordt duidelijk: die inclusieve organisatie is ook maar een illusie.” Een kunstenares, Emma Levie, beëindigt haar expositie met als onderbouwing: “Ik had kritischer moeten zijn op De School: ze hebben twee witte heteromannen als eigenaar en nul gekleurde medewerkers op kantoor. De club (heeft) de afgelopen periode onvoldoende steun gegeven aan zwarte mensen.” Dit leidt uiteindelijk tot een bijeenkomst met die activistische bezoekers, personeelsleden en het management van de club. Waar de directeur de vragen waarmee ik deze Prikker begon, krijgt voorgelegd.

Toch bijzonder om twee mensen die een initiatief beginnen, hun huidskleur te verwijten. Want dat is wat er gebeurt. Als dit een argument is om een club als ‘niet inclusief’ te bestempelen, dan kan kun je ook The Black Archives verwijten dat ze ‘niet inclusief genoeg’ zijn.  Dit even terzijde. Maar wel bewust deze organisatie genoemd omdat die; “niet langer (wil) worden geassocieerd met de nachtclub. De School zou niet adequaat genoeg hebben gereageerd op de Black Lives Matter-beweging. The Black Archives wil geen geld van een inzamelingsactie die wordt gebruikt om ‘het imago van een problematische organisatie wit te wassen’.

Terug naar de vragen die directeur Wetheimer krijg voorgelegd. “Ben je bereid naar hen te luisteren, en niet in twijfel te trekken wat ze zeggen?” Een bijzondere vraag. Op het eerste deel van de vraag, zal ieder weldenkend mens met JA antwoorden. Natuurlijk ben ik bereid naar iedereen te luisteren. Dat wil echter niet zeggen dat ik iets doe of moet doen met wat iedereen zegt. En daarmee kom ik bij het tweede deel van de vraag. Instemmen met dat tweede deel betekent dat je iemands inbreng niet mag bevragen, niet kritisch mag beschouwen en dus eigenlijk gewoon als ‘waarheid’ moet accepteren. Met die eis of voorwaarde zou ik nooit en te nimmer instemmen.

Dan de tweede vraag: “accepteer je dat het niet meer aan jou is, maar aan hen en hun gevoelens?” Zouden de ‘activisten’ door hebben waar ze mee bezig zijn? Zouden ze zich realiseren dat ze een heel gevaarlijk pad bewandelen? Nee, niet zo zeer omdat de kans groot is dat de tot voor kort ‘fantastische’ en door: “de queer-gemeenschap (…) geroemd als ‘safe space’: een plek waar niemand wordt gediscrimineerd,” club de deuren sluit en ze dus op zoek moeten naar een andere plek. Alleen wie wil hen nog binnen hebben als dit het gevolg is? Nee, veel meer omdat met die vraag de ander, in dit geval de directeur en oprichter van De School, als mens terzijde wordt geschoven. Die doet er als mens niet meer toe. Zijn werk, wat hij zegt, wat hij doet en hoe hij zich voelt doet allemaal niet meer ter zake. Het is ‘aan hen en hun gevoelens’. Zouden de ‘activisten’ in het algemeen en Ou-Oumar in het bijzonder, door hebben waar ze mee bezig zijn? Namelijk met het ‘ontmenselijken’ van mensen? Als de geschiedenis iets leert, dan is het dat dit een zeer gevaarlijk pad is om te bewandelen.

Uitgelicht

Zoekt en gij zult vinden!

“Waarom neemt het aantal jongeren dat jeugdhulp ontvangt zo enorm toe?” Die vraag stelt hoogleraar gezondheidseconomie Wim Groot in een blog op de site zorgvisie.nl. Volgens Groot moeten de gemeenten hiervoor en dus ook voor de stijgende kosten jeugdhulp, toch echt naar zichzelf kijken: “Een belangrijke reden daarvoor is het ‘open armen’-beleid van de gemeenten.”  Moeten de gemeente werkelijk naar zichzelf kijken?

beest, dier, kameleon
Bron: Pexels.com

Om zijn betoog kracht bij te zetten gaat Groot verder: “ Google op ‘opvoedvragen’ en je komt vrijwel direct op sites met als kop ‘Opvoedvragen? Kijk hier voor online advies’ en ‘Opvoed Adviespunt voor al uw opvoedvragen’. De eerste is de site van het centrum voor Jeugd en Gezin van de gemeente Maastricht, het tweede is dat van de gemeente Rijswijk. De gemeente Heemskerk heeft als titel voor haar site: ‘Met al uw opvoedvragen naar het Centrum voor Jeugd en Gezin’. Dit zijn maar een paar voorbeelden; andere gemeenten hebben vergelijkbare wervende teksten.” Met dat ‘Centrum voor Jeugd en Gezin’ dat bij het zoeken naar voren komt, komen we bij een ander inzicht. Een van de belangrijke punten van het kabinet Balkenende IV was opgroeien en opvoeden. Dat was zo belangrijk, vooral voor coalitiepartij ChristenUnie, dat er zelfs een minister van Jeugd en Gezin kwam. Dat werd André Rouvoet, de toenmalige leider van de ChristenUnie.

“Een brede aanpak van zorg voor en bescherming van kinderen en jeugd wordt in een project vormgegeven. De gedachte daarachter is: de kokers voorbij, rekening houdend met de aanbevelingen van de Operatie ‘Jong’. Er komen Centra voor Jeugd en Gezin, waarin jeugdzorg en opvoedondersteuning en andere organisaties elkaar vinden en de handen ineen slaan.” Zo schreven ze in hun Coalitieakkoord op pagina 10. Daarop werd een bestuursakkoord gesloten met de gemeenten, want die moesten het gaan uitvoeren. In een van de hulpmiddelen, de Wegwijzer Centrum Jeugd en Gezin wordt aangegeven wat de bedoeling is: “Het CJG moet voor álle kinderen en gezinnen ondersteuning en hulp bieden bij het opvoeden en opgroeien. Dat betekent dat zij er met al hun vragen over opgroeien gemakkelijk terecht moeten kunnen: dicht bij huis en laagdrempelig.” Waarom? Ook daarop geeft het document antwoord:  “Op die manier wordt voorkomen dat de problemen zwaarder en complexer worden en daardoor moeilijker aan te pakken. Met het CJG kunt u dus winst pakken!” Die ‘open armen’ zijn expliciet onderdeel van de beleidskeuzes van de toenmalige regering.

Sterker nog, die ‘open armen’ kregen een expliciete plek in de Memorie van toelichting bij de Jeugdwet 2015. Daarin wordt onder andere als doel van de wet geformuleerd: “eerder de juiste hulp op maat te bieden om het beroep op dure gespecialiseerde hulp te verminderen.” Want: “Door deze manier van organiseren en interveniëren kan het beroep op specialistische en gedwongen hulp worden verminderd. In deze opzet ligt een prikkel besloten voor de gemeente om extra te investeren in preventie, vroeghulp en hulp tot zelfhulp.” 

Bijzonder om dit ‘open-armen’-beleid zoals Groot het noemt, de gemeenten te verwijten. De gemeenten voeren de opdracht uit die de wetgever hen heeft gegeven. Waar de wetgever geen rekening mee heeft gehouden is dat die keuze tot meer jeugdhulp zou leiden. Sterker nog, de wetgever kortte op het budget: ‘vroeger signaleren’ zou immers tot eerder ingrijpen leiden. En eerder ingrijpen zou, zo luidde de redenering, goedkoper zijn.

Nu kent het Nederlands het spreekwoord ‘Zoekt en gij zult vinden!’ Vroeg signaleren betekent dat je meer gaat zoeken. Als je gaat zoeken, aldus het spreekwoord, ga je vinden. Dan vind je zaken die eerst geen probleem opleverden. Dan kan het best zijn dat het aantal jongeren dat hulp krijgt, sinds 2015 met 18,5% is gestegen zoals Groot betoogt. Wat zeker niet altijd niet één op één loopt, is dat iets vroeger ontdekken uiteindelijk tot goedkopere zorg leidt. Een voorbeeld. Het eerder ontdekken bij een kind van een stoornis in het autistische spectrum, zal leiden tot het eerder inzetten van hulp en ondersteuning. Eerdere inzet leidt niet per definitie tot in totaal kortere duur van de inzet. Noch noodzakelijkerwijs tot minder zware zorg of ondersteuning. Een heel cru voorbeeld. Het ontdekken van een dodelijke vorm van kanker op een moment dat de situatie al hopeloos is, levert minder kosten op dan dat deze vroegtijdig wordt ontdekt. Bij vroegtijdige ontdekking is de kans groot dat al het mogelijke wordt geprobeerd om het tij te keren dan wel de resterende tijd van leven te verlengen. Een operatie, chemotherapie, bestraling. Al dit gebeurt niet meer als de situatie hopeloos is bij ontdekking.

Uitgelicht

De weg naar de hel …

Bij Joop verscheen een schrijven van de zichzelf ‘activist’ noemende Kunta Rincho met als titel Wit privilege is je niet hoeven bezighouden met racisme. Rincho verhaalt in zijn schrijven van hetgeen hem gebeurde nadat een fragment van 34 seconden uit zijn deelname aan Het Grote Racisme Gesprek viraal ging en hij werd overspoeld met negatieve reacties. Dat is vervelend, zeker als je daarop allerlei bagger over je heen krijgt. Daar gaat het mij nu even niet om. Het gaat mij om een bijdrage van een lezer onder het schrijven. Iemand die zich Ikzelf noemt schrijft: “En juist omdat de focus verlegd wordt naar ‘hoe’ de strijd gaat, in plaats van ‘waarover’ de strijd gaat, maak ik deze opmerkingen.” Een bijzondere redenering.

Hel, Demonen, Duivel, Kwaad, Fantasie, Monster
Bron: Pixabay

Eerst even de aanleiding voor die opmerking. Rincho begon zijn schrijven met de zin: “De universele strijd tegen racisme is geen strijd tegen witte mensen maar tegen het systeem van witte suprematie dat gebouwd is op de eeuwenlange onderdrukking van zwarte en andere mensen van kleur.” Een bijzondere passage omdat dit het mantra is van vele ‘activisten’. Richo is er daar één van. Centraal in hun redenering staat het ‘universele blanke racisme’. Het westers kolonialisme en de trans-Atlantische slavernij is volgens deze activisten een gevolg van dat ‘universele blanke racisme’. Dit racisme maakt het westerse kolonialisme en de trans-Atlantische slavernij ‘uniek’. Een soortgelijke formulering schreef ik in een reactie onder Rincho’s artikel. In de activistische redenering is dat ‘westers exceptionalisme’ cruciaal, want dat veroorzaakt de achterstand die mensen van kleur nu ondervinden. Die achterstand vindt haar oorzaak in racisme.

Maar: “Als nu blijkt dat de westerse motieven niet verschilden van die van de Romeinen, de Maya’s, de Mongolen en alle eerdere wereldrijken, dan staat dat ‘blanke racisme’ op drijfzand. Volgens mij wordt daarom een verwijzing naar de Afrikaanse betrokkenheid, de Arabische slavernij et cetera door de activisten snel weggewuifd,” zo vervolgde ik mijn bijdrage. En: “Als dat ‘blank racisme’ namelijk wegvalt, dan valt de stok weg waarmee er wordt geslagen. Zonder die stok moet er worden gezocht naar andere verklaringen voor ‘minder kleur aan de top’ of ‘hogere werkloosheid onder kleur’. Verklaringen die veel logischer zijn, maar waarmee het lastig ‘slaan’ is.”  Zo schreef ik in mijn reactie.

Daarop reageerde Ikzelf: “waarom dan altijd de strijd doodslaan, als u niets heeft tegen het strijden? Waarom dan altijd zijweggetjes zoeken om het vooral niet over de kern te hoeven hebben? Waarom de kern afwijzen, omdat u het met een detail niet eens bent?” Dit gevolgd door een minder fraaie zin waarin ik het verwijt krijg een ‘voorvechter van wit Nederland’ te zijn. Hij verwijt mij dat ik: “de focus (verleg) naar ‘hoe’ de strijd gaat, in plaats van ‘waarover’ de strijd gaat.” En daarmee zijn we bij die bijzondere redenering.

Bijzonder omdat die redenering suggereert dat alleen het doel van de strijd ertoe doet. Als het doel ‘goed’ is dan zijn alle middelen gerechtvaardigd en geoorloofd. Nu is er een bekend Nederlands spreekwoord over de goede intenties, namelijk dat de weg naar de hel ermee is geplaveid. De geschiedenis laat zien dat dit ook zo is. De nazi’s, de communisten onder Stalin en Mao, allemaal werkten ze aan het ‘goede’ toen ze hun terreur over de wereld uitstortten. Tenminste, hun idee van het goede. Net zoals de aanhangers van IS en Al Qaida je zullen zeggen dat ze aan de ‘goede kant van de geschiedenis’ staan. Wat ‘goed’ is, kan immers verschillen.

Afgezien van de verschillende gedachten over wat ‘goed’ is. Hoe ‘goed’ is jou ‘goed’ als je middelen gebruikt die niet door de beugel kunnen? Dan is een uitspraak als “it became necessary to destroy the village in order to save it,” bekend uit de Vietnamoorlog, niet ver weg. In dit geval middelen gebruiken die inhouden dat je feiten die je niet te pas komen, negeert of ter zijde schuift. Omdat, zoals Elma Drayer het in haar column in de Volkskrant schrijft: “Wat wij, suffe sukkels, aanzien voor feiten zijn slechts ‘constructen’ of ‘narratieven’, in stand gehouden door de ­boven ons gestelden teneinde hun machtsposities te beschermen. Dus moeten de feiten ‘gedeconstrueerd’, liever nog ‘gedekolonialiseerd’.” Ook Drayer valt het: “soms niet licht om de logica van de huidige generatie antiracismeactivisten en hun sympathisanten te volgen.” Omdat in, zoals Drayer het schrijft: “het postmoderne gedachtengoed … iets als de waarheid (niet) bestaat, iets als objectiviteit evenmin en feiten zijn ­betwistbaar.” Dan zijn: “feiten per definitie verdacht (en) winnen ervaringen aan gewicht.” Dit ‘postmoderne gedachtegoed’ degradeert wetenschap tot ‘ook maar een mening’ en dan dus vooral een mening van ‘de boven ons gestelden’. Een manier van denken waarmee, volgens Drayer: “Universiteiten (…) al heel lang mee geïnfecteerd,” zijn. Als ik de Prikker over de brief die 80 docenten op de Universiteit van Amsterdam ondertekenden waarin ze aangaven te hebben ‘gefaald’, in herinnering roep, dan zou Drayer voor wat betreft die universiteit wel eens gelijk kunnen hebben.

Uitgelicht

Corona-cijfers en letters

Bij het lezen van de titel van deze Prikker zal menigeen van middelbare leeftijd en ouder denken aan het televisieprogramma Cijfers en Letters. Een quiz uit het pre-commerciële televisietijdperk. Ik moest aan dit programma denken toen ik in de ‘papieren’ Volkskrant een kaartje zag met de coronacijfers voor Goes en Rotterdam. Al zoekend in de digitale versie, kwam ik iets soortgelijks tegen voor heel Nederland. Een kaartje waarbij elke gemeente een ‘kleur’ krijgt. Hoe hoger het aantal positief geteste personen per 100.000 de afgelopen twee weken, hoe donkerder de gemeente kleur.  Zo moet het kaartje inzicht geven in de ontwikkeling van de corona-epidemie. Biedt zo’n kaartje dat inzicht?

Bron: Beeld en geluid via Wikipedia

Even het voorbeeld uit de ‘papieren’ Volkskrant. In Goes zijn er 57,8 positief geteste personen per 100.000 inwoners. In Rotterdam 24,7. Daarmee lijkt Corona in Goes harder toe te slaan. Kijken we naar de werkelijke aantallen, dan kent Goes 22 positief geteste personen, Rotterdam 161. Dan ziet het er heel anders uit. Dus geen 57,8 positief geteste personen in Goes maar slechts 22. Dit omdat Goes geen 100.000 inwoners heeft, maar slechts 38.080. Rotterdam heeft 651.376 inwoners. Wat zegt een getal per 100.000 inwoners over de ernst van de epidemie?

Hoe kleiner het aantal inwoners van een gemeente, hoe groter de impact van één positief geteste persoon op het getal. Neem de Gelderse gemeente Rozendaal. Een gemeente die vooral bekend is van de ‘verkiezingsuitslagenavond’ omdat ze dan steevast met Vlieland strijdt om als eerste de uitslag te presenteren. Dat die strijd tussen die twee gemeenten gaat komt omdat beiden een gering aantal inwoners hebben. Rozendaal heeft er zo’n 1.705. Eén positief geteste persoon betekent voor deze gemeente dat ze veel donkerder gaat kleuren dan Goes en Rotterdam. Dat ene geval levert voor de gemeente een cijfer op van 58,7. Op basis van dit kleurenkaartje zou je constateren dat de ziekte heel hard toeslaat in de gemeente Rozendaal.

Nu zou het zomaar kunnen dat die ene persoon deel uitmaakt van een besmettingscluster waarvan er 30 in de aangrenzende gemeente Arnhem wonen en 12 in Velp (gemeente Rheden). Als dit de enige positief geteste personen zijn in deze gemeenten, dan is het cijfer 27,5 voor Rheden en 18,6 voor Arnhem. Als je puur op de kleur en het getal afgaat, zou je veel energie richten op Rozendaal. Dat heeft immers het hoogste cijfer. Dus alle tv-camera’s naar Rozendaal, die gemeente is het hardste getroffen! Allemaal naar … dat ene slachtoffer.

Met wat letters en uitleg erbij, kijk je heel anders naar de cijfers.

Uitgelicht

De geschiedenis van onze kleren

Bij OneWorld fulmineert Melissa Watt tegen de huidige modewereld, want daarin is: “racisme dagelijkse kost. Het is een extreem witgekalkte industrie die altijd de voorkeur heeft gegeven aan witte ontwerpers, witte modeshows en witte CEO’s. Maar die voorkeur reikt niet tot de kledingproductie, waarin miljoenen mensen van kleur in slechte omstandigheden werken om onze kleding in elkaar te zetten.” Dat is nogal wat. Zeker omdat: “De mode-industrie zoals we die kennen, is gebaseerd op kolonialisme en slavernij. Vanaf de zestiende eeuw vielen Europese landen Azië, Afrika en Zuid-Amerika binnen op zoek naar producten en goedkope arbeidskrachten.”  Die passage verdient toch enige nuance.

Bron: Wikipedia

Maar eerst even over het compleet ‘wit’ zijn van de top en het ‘gekleurd’ zijn van de onderkant van de kledingindustrie. Bij De Correspondent verhaalt Emy Demkes over uitbuiting van kledingarbeiders in Engeland. Arbeiders die werken voor het: “onder tieners zeer populaire Britse merk Boohoo.” Nu zullen ook in die Britse fabrieken mensen van kleur werken. Maar bijzonder in deze zaak is dat Boohoo eigendom is van: “de 55-jarige miljardair Mahmud Kamani.” Dat nuanceert de ‘extreem witgekalkte industrie’ toch enigszins. Dat even terzijde.

Dan terug naar het ‘kolonialisme en slavernij’ waarop de kledingindustrie is gebaseerd. Deze uitspraak verdient de nodige nuance. Die Europese landen, of beter gezegd handelaren, die Azië, Afrika en Amerika binnenvielen op zoek naar producten en goedkope arbeidskrachten deden daar precies hetzelfde als wat ze in Europa ook deden, namelijk de zaak afstruinen naar iets om te verhandelen. Als we het huidige Nederland en België bezien, dan ontstond daar vanaf de elfde eeuw de ‘lakenindustrie’ met wol als basisproduct. Nu moeten we ons bij het begrip industrie iets anders voorstellen dan een fabriek. Het waren in eerste instantie gewoon de keuterboertjes die het wol van hun schapen schoren, spinden en tot lakens weefden. Dit werk werd later in ‘stukken gehakt’ en door verschillende werklui verricht: de boer schoor, de wol ging naar een spinner, vervolgens naar een verver, wever en als laatste naar de handelaar die de zaak verkocht. Die arbeidsdeling zorgde ervoor dat de productie steeg en de prijzen daalden en de werklui langzaam werden uitgeknepen. Vanaf de zestiende eeuw nam de concurrentie verder toe omdat ook de Fransen en Engelsen zich op de ‘lakenproductie’ toelegden. Meer concurrentie betekende dat de werklui nog verder werden uitgeknepen. Voor zijde en katoen was men in Europa in die tijd afhankelijk van de handel via de zijderoutes die Peter Frankonpan in zijn boek De Zijderoutes uitgebreid beschrijft.

Dat werd anders nadat die “Europese landen” de andere kant van de Atlantische oceaan bereikten en daar katoen aantroffen. Met name de Engelsen transporteerden vanaf het einde van de zeventiende eeuw het ruwe product naar Engeland en verwerkten het daar tot kleding. In het zuiden van wat nu de Verenigde Staten zijn, werd het op steeds grotere schaal geteeld op plantages en dat gebeurde door vanuit Afrika gehaalde slaven. En in tegenstelling tot hetgeen Watt beweert, werd de slavernij in de Verenigde Staten niet in 1808 afgeschaft maar kwam er pas in 1865 met het einde van de Amerikaanse burgeroorlog een einde aan. Wel werd al eerder, in 1807, het importeren van slaven in de Verenigde Staten verboden. In Engeland werd het ruwe product verwerkt tot stof en kleding die vervolgens in het hele Britse rijk werden verkocht. Dat verwerken gebeurde vanaf het midden van de 18e eeuw (de Eerste Industriële Revolutie) steeds meer machinaal en in steeds grotere fabrieken. Fabrieken waar de arbeiders tot een maximum werden uitgeperst zoals Karl Marx in Het Kapitaal goed heeft beschreven.

Als we dit als de basis van de mode-industrie zien, en dat is wat Watt beweert, dan kunnen we constateren dat kolonialisme en slavernij een belangrijke rol speelden in de geschiedenis van deze industrie. Maar daarmee zijn we er nog niet. De werkelijke basis van de mode-industrie was en is, dat laat onder andere het voorbeeld van Boohoo zien, de uitbuiting van iedereen die erin werkzaam is.

Uitgelicht

‘Wij’ en ‘onze’ geschiedenis

                “Op de Vlaamse feestdag herdenken we de bolsjewieken van de middeleeuwen.” De sprekende titel boven een interview met de historicus Jan Dumolyn op de Belgische site MO. Voor degenen die niet weten welke Vlaamse feestdag er wordt bedoeld en wat er wordt herdacht: op de 11e juli herdenkt Vlaanderen de Gulden Sporenslag. In het populaire discours van nationalistische Vlamingen de strijd van de Vlamingen tegen de Fransen. In het interview legt Dumolyn uit dat het in werkelijkheid toch een stukje anders ligt. Het was veeleer een ‘sociale revolutie’. Een voorbeeld van: “Het universele streven naar emancipatie, naar een waardig bestaan.” Een streven dat, zo zegt Dumolyn terecht, ook bij Black Lives Matter een belangrijke rol speelt. Een streven dat door de hele geschiedenis een belangrijke rol speelt achter oorlogen en opstanden en dat draait om macht en de verdeling ervan. En… ook met vergelijkbare ontwikkelingen die eraan vooraf gaan.

Bestand:Nicaise de Keyser02.jpg
De slag der Gulden Sporen door Nicaise De Keyses. Bron: Wikipedia

                Waar ging het 700 jaar geleden in Vlaanderen om? Dumolyn: “1302 maakt deel uit van een tweede golf opstanden waarbij de volksklassen in de steden gebruik maakten van tegenstellingen binnen de elites om meer macht te verwerven in het bestuur van de steden.” Dit combineerde zich met: “een typisch feodaal conflict, tussen de koning van Frankrijk en de Graaf van Vlaanderen. Die laatste weigerde zich te onderwerpen aan de koning. Vergis u niet: die graaf van Vlaanderen, Gwijde van Dampierre, sprak geen woord Nederlands.” Uiteindelijk ‘vonden’ de graaf van Vlaanderen en de ‘volksklassen in de steden’ elkaar en dat leidde uiteindelijk tot een verpletterende nederlaag voor de Franse koninklijke troepen. Heel adellijk Europa was hierdoor in rep en roer: “Ze verafschuwden de gemeentenaren als terroristen. Die waren de Islamitische Staat, of misschien met een betere metafoor, de bolsjewieken van die tijd.” Het bondgenootschap tussen de graaf en de ‘volksklassen’ hield niet lang stand. Dat laat onverlet dat de ‘volksklassen’, en laat je niet verleiden door het woord want het waren met name ambachtslieden, in de steden mee gingen besturen. Maar wel met grote gevolgen: Het had grote internationale uitstraling. In dat Vlaanderen krijg je dus 200 tot 250 jaar ambachtsbestuur, maar eigenlijk ook in andere steden van het huidige België, wat historici nu de Zuidelijke Nederlanden noemen, zoals Luik en Mechelen, en ook in sommige steden van het huidige Nederland. Dat heeft een heel ander soort sociale constellatie geschapen, met een meer stedelijke cultuur, waar de adel en de Kerk minder alles in handen hebben.” Precies die zaken waar ook de Republiek later om bekend stond.

                Wat zien we als we kijken naar de ontwikkelingen die eraan vooraf gingen? “De kloof tussen arm en rijk in de steden was sterk gegroeid. Enerzijds was er een toename van kapitaalvorming door investeringen in de textielhandel. Anderzijds daalden de lonen, door de constante immigratie. De lonen konden de prijsstijgingen niet volgen.” Dit was mogelijk omdat: “De productieve landbouw (een) snelle verstedelijking toe(liet).”  Hierdoor woonde een steeds groter deel van de bevolking in de steden. “In de dertiende eeuw ontwikkelde zich een stedelijk proletariaat door de sterke instroom van arbeidskrachten. Dat bestond uit arme ambachtslieden, ongeschoolde arbeidskrachten, bedelaars, ook veel alleenstaande vrouwen. Die werkende klasse woonde dikwijls ook in aparte wijken, toen al.” De steden verwierven: “een zekere autonomie tegenover de adel, bisschoppen en abten.” Binnen de steden lag de macht in handen van een kleine groep patriciërs, de stedelijke elite, terwijl die ‘volksklassen’, en dan vooral de ambachtslieden, buitenspel stonden.

                Als we dit vergelijken met de situatie nu, wat zien we dan? Dan zien we een groeiende kloof tussen arm en rijk. We zien dat lonen niet stijgen en dat het ‘kapitaal’ een steeds groter deel van de koek neemt. Dan zien we een constante migratiestroom naar de steden. Dan zien we in toenemende mate een ruimtelijke en vervolgens ook emotionele scheiding tussen de verschillende bevolkingsgroepen (aparte wijken, segregatie op scholen et cetera). Dan zien we dat een groot deel van de bevolking aangeeft dat ze ‘niet gehoord’ worden, dat ze niet meetellen en niets te zeggen hebben. Een groot deel dat mensen van alle kleuren omvat. Dan zien we een golf van ‘verzet’, net als 700 jaar geleden.

                En eigenlijk zien we dat geregeld in de geschiedenis. Neem de periode dat de slavernij werd afgeschaft, het midden van de negentiende eeuw. De periode waarin, als we Gloria Wekker in haar boek Witte onschuld mogen geloven, een: “raciale grammatica ingeplant is, een diepe structuur van ongelijkheid in gedachten en gevoelens, gebaseerd op ras, en dat vanuit dit diepe reservoir het culturele archief – onder meer een gevoel over het zelf – gevormd en gefabriceerd werd.” Inderdaad was het een periode van ‘een diepe structuur van ongelijkheid’ want de ongelijkheid in inkomen en vermogen bereikte grote hoogten. Alleen was die structuur niet gebaseerd op ras want, zoals ik in I’ve got the power al schreef, stond het gros van de blanke bevolking aan de verkeerde (de arme en machteloze) kant van die ‘ongelijkheid. Hun levensomstandigheden waren nauwelijks beter dan die van de slaven in de Amerika’s. Het was ook een periode van migratie. Migratie van het platteland naar de stad en ook van Europa naar vooral het nieuwe land: de Verenigde Staten. Rijk en arm leken op totaal andere planeten te leven. Ook had een groot deel van de bevolking niets te zeggen en was er sociale onrust.

                Het probleem nu is niet ‘het westen’ zo betoogt Dumolyn: “Het Westen is altijd de slechterik, en de niet-witte mensen zijn altijd de slachtoffers. Alsof andere culturen en beschavingen niet plunderden, veroverden en mensen tot slaaf maakten.” Nee het probleem is: “het imperialistische en kapitalistische systeem.” Want: “Dat heeft in zijn meedogenloze accumulatie de mensen hier in de fabrieken gestoken en de mensen van het Zuiden op een gruwelijke manier onderworpen en tot slaaf gemaakt. En dat gebeurde op een veel grotere schaal en op een veel intensievere manier dan tot dan toe in de slavernij het geval was geweest.” Dit kan, zo betoogt Dumolyn, niet worden bestreden met ideologie, en dat is wat er nu aan het gebeuren is met: “ingewikkelde theorieën over wit privilege.” Dat moet met wetenschap, met kennis van de geschiedenis. En ja, zo betoogt Dumolyn: Er is te weinig aandacht voor de koloniale geschiedenis in het onderwijs, dat klopt. Maar er is ook veel te weinig aandacht voor de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Wat heb jij geleerd over de negentiende-eeuwse socialisten. … We moeten komen tot een verhaal dat de “eigen” geschiedenis juister voorstelt, met de positieve en negatieve kanten, gebaseerd op de feiten.”  

                Hij stelt: “Een pragmatische strategie,” voor: “waarbij we de eigen geschiedenis, waarden, identiteit tussen aanhalingstekens, cultuur, positiever invullen, naast de noodzakelijke kritiek op de eigen geschiedenis.” Een interessant betoog dat aansluit bij veel van wat jullie ook van de Ballonnendoorprikker te lezen krijgen. Jammer alleen dat dergelijke geluiden in Nederland veel te weinig tot geen plek krijgen in het publieke discours. In dat discours is veel te veel aandacht voor symbolische zaken.