Uitgelicht

Drugs en Pandora’s doos

Deze week probeerde D66 de discussie over de legalisering van drugs nieuw leven in te blazen. In de Volkskrant een interview met drugsonderzoeker Jon Caulkins. Volgens Caulkins is het niet eerlijk: “om alleen de nadelen van huidig beleid te vergelijken met de gehoopte voordelen van ander beleid.” Caulkins heeft een punt dat voor een eerlijke afweging alle voor-, en nadelen tegen elkaar moeten worden afgewogen. Maar hoe ‘eerlijk’ is hij zelf?

Bij legalisering van drugs wordt volgens Caulkins een doos van Pandora gesloten, de doos van de drugscriminaliteit en de ellende die hierdoor wordt veroorzaakt. Maar er wordt een andere doos van Pandora geopend: “legaliseren (leidt) tot minder geweld, maar meer verslaafden. … meer mensen kruipen bijvoorbeeld doorgesnoven achter het stuur of slaan hun geliefde in elkaar.” En als legalisering tot meer verslaafden leidt? Dan: “is legalisering na invoering nauwelijks terug te draaien.” Als dat je wel lukt dan is handhaving: “een grotere nachtmerrie (…) dan ooit: de drugsmaffia maakt weer de dienst uit, maar nu met een veel grotere clientèle.” Caulkins zal, als drugsonderzoeker, weten dat zijn tweede doos van Pandora al lang geopend is. Ondanks het illegale karakter ervan worden drugs ook nu gebruikt. Ook nu al treft de politie bij controles ‘doorgesnoven’ mensen achter het stuur aan. 

Volgens Caulkins is: “Sinister aan legalisering (…) dat het leeuwendeel van de consumptiegroei zou komen door probleemgebruikers. …Een pleidooi voor coke-legalisering zou vooral steunen op matige ‘snuifduiven’, maar zij zijn slechts dekmantels voor de veel profijtelijkere probleemgebruikers. Een legale drugsindustrie zou een grote financiële prikkel hebben om mensen verslaafd te maken en te houden.” Dat grote deel van die potentiële probleemgebruikers, is waarschijnlijk ook nu al probleemgebruiker en dus ook nu al de grote afnemer van drugs. 

Dan de prikkel om mensen te laten gebruiken en liefst zoveel mogelijk. Als we kijken naar de tabaksindustrie dan zien we inderdaad een prikkel om mensen verslaafd te houden. Iets waar ook reclame voor alcohol en tabak een flinke steen aan bijdragen. Alleen doet Caulkins het voorkomen alsof die prikkel er nu niet is. Inderdaad is er geen tv-reclame voor bijvoorbeeld cocaïne of xtc. Dat wil niet zeggen dat de illegale industrie mensen niet probeert te prikkelen tot gebruik.

Nu we het toch over prikkelen tot gebruik hebben. De ervaringen met tabak en alcohol laten zien dat de mens ook te sturen is in het niet gebruiken van genotsmiddelen. Te sturen via voorlichting aan de ene, en accijnzen aan de andere kant. Zo herinner ik me als ‘blaag’ van een jaar of tien de verjaardagen van mijn ouders. Sigaretten en sigaren werden op tafel gezet voordat het bezoek kwam. Vervolgens kwamen de ‘ooms en tantes’ met hun kinderen. Wij gingen met die kinderen buiten verstoppertje spelen of blokjesvoetballen. Als we na een uurtje dorst hadden liepen we de kamer in en dan zagen we in het bovenste deel van die kamer een wolk van rook. Een wolk die naarmate het feest vorderde steeds dichter bij de vloer kwam. Tegenwoordig staan er geen rookwaren meer op tafel. Sterker nog, er rookt niemand meer. Met alcohol gaat het ook die kant op. Tegenwoordig slaat zelfs 007 (Daniel Craig) in een reclame van een groot bierconcern zijn martini af voor 0,0 met de woorden ‘ik ben aan het werk’. 

Om in Caulkins ‘dozen van Pandora’ metafoor te blijven. Beide dozen zijn geopend. Legalisering sluit de ‘criminaliteitsdoos’. Als we kijken naar de ‘gebruikersgewelds- en verslavingsrisico’s doos’,  dan biedt legalisering mogelijkheden om juist die doos beheersbaar te krijgen en te houden.

Uitgelicht

Mens en (huis)dier of dier en (huis)mens

Bij ons in huis lopen twee katten rond. Pixel en Byte noemen we ze. Of ze zichzelf zo noemen, weet ik niet. Die katten hebben hun eigen ‘deursleutel’ waardoor ze in en uit kunnen lopen al naar gelang ze willen. Tot afgrijzen van mijn partner komen ze af en toe met een muis of een vogel, of delen ervan, binnen. Iedere morgen als ik opsta, verwelkomen ze mij. Nou ja verwelkomen, het lijkt er meer op dat ze me verwijtend aankijken. Zoiets van: ‘nou schiet eens op en vul mijn etensbak!’ Als ik wil dat er eentje lekker bij mij komt liggen, kijkt die kat me aan met een blik die uitstraalt: ‘wat moet jij dan?’ Nee, ze gaan rustig hun eigen gangetje en ze ‘gedogen’ ons in hun leven.

Ik moest hieraan denken bij het lezen van de ingezonden brief van Yoeri Boesveld in de Volkskrant. Boesveld reageert op een eerder artikel waarin paardensport een onverantwoorde hobby wordt genoemd omdat het gebruik van paarden ethisch niet kan. Boesveld vult aan: “Maar waarom je beperken tot de paardensport? Katten, honden, kippen, varkens, koeien, lama’s, allen worden ze op een of andere manier door de mens gebruikt, wij bepalen volledig hun leven. En geen enkel dier heeft hiervoor gekozen.” Inderdaad hebben Pixel en Byte er niet voor gekozen om bij ons te wonen. Wij hebben hen in ons huis genomen. De eigen ‘deursleutel’ biedt hen wel de mogelijkheid om zelf te kiezen en ze kiezen ervoor om te blijven. Ik weet niet of deze redenering zoals Boesveld betoogt een: “ poging (is)  dit (het hebben van een huisdier) goed te praten door te zeggen hoe goed deze dieren het hebben.”

Na het lezen van de brief van Boesveld stelde ik mezelf de vraag of er niet teveel vanuit de mens wordt geredeneerd? In gedachten ging ik terug naar de eerste keer dat mens en dier samen optrokken. Naar het eerste dier dat de mens vergezelde of was het de eerste mens die een dier vergezelde? Welke van de twee het was, weet ik niet. Ik was er niet bij. Ik vroeg me af of het samenleven niet ten voordele van zowel mens als dier zou kunnen zijn ontstaan? Die eerste kat kon profiteren van de resten voedsel die de mens  verspilde. Of wellicht van de muizen die het aantrok. En de mens profiteerde dan weer van de bescherming tegen muizen. Die eerste hond at van de resten voedsel die de mens verspilde of niet nodig had en die het territorium bewaakte en waarschuwde tegen naderend gevaar. Het rund dat door de mens werd beschermd tegen roofdieren en de mens die profiteerde van de mest en de melk. Wie koos er en wie gebruikte er wie? De mens het dier of het dier de mens?

Even terug naar Pixel en Byte. Ze hebben er, zoals gezegd, niet voor gekozen om bij ons te wonen. Als ik ze nu in hun kattenhangmat zie liggen, een hangmat die aan een radiator hangt, dan kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ze het wel prettig vinden. Die indruk zie ik iedere dag weer bevestigd omdat ze er, ondanks dat ze kunnen gaan en staan waar ze willen, toch voor kiezen om mij ’s morgens verwijtend aan te kijken omdat ik hun eten niet snel genoeg in hun bakje doe. Zijn zij mijn ‘huisdier’ of ben ik hun ‘huismens’?

Uitgelicht

Leren, accepteren, niet beleren

“Al deze veranderingen zijn een kleine stap voor de mensheid maar een reuzestap in de transformatie van jeugdzorgland. Laten we de aanbevelingen van de inspecties serieus nemen en adequate financiering voor de jeugdhulp regelen en geef de gemeenten een kans om te transformeren naar betere jeugdhulp met ‘zo thuis als mogelijk’.” Dit advies geeft lector Residentiële Jeugdzorg Peer van der Helm in een artikel op de site Sociale Vraagstukken. Een advies dat de Ballonnendoorprikker van harte ondersteunt. Toch is er iets in het artikel van Van der Helm dat om een kritische beschouwing vraagt.

Van der Helm ziet twee goede ontwikkelingen: “Als eerste is er, zonder dat iemand dat doorhad, een stille revolutie voltrokken binnen de jeugdzorg. Dat gaat over de dominantie van de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders), ook wel de ‘bijbel van de psychiatrie’ genoemd. Vroeger kreeg je alleen geld met een zogenaamde Diagnose Behandelcombinatie (DBC volgens de DSM).” Die DSM: “verliest steeds meer terrein in gemeenteland.”  Een positieve ontwikkeling: “want dat opent nieuwe mogelijkheden voor adequate behandeling en begeleiding. Er wordt in de plaats daarvan steeds meer gekeken naar een verklarende probleemanalyse.”  De tweede goede ontwikkeling is dat: “gemeenten vaak in staat zijn heel goed maatwerk te leveren in behoorlijk extreme en levensbedreigende casussen die vroeger in de gesloten jeugdzorg terecht zouden zijn gekomen.” Daarom moet er adequate financiering worden geregeld voor gemeenten. 

Van der Helm legt een verband tussen de gemeente en maatwerk: ‘gemeenten kunnen maatwerk leveren.’ En dat klopt. Het kan, maar het is geen een-tweetje dat laten gemeenten ook zien. Dat ‘gemeenten maatwerk leveren’ is een van de vooronderstellingen waarop het landelijk jeugdzorgbeleid is gebaseerd. Maar dat gemeenten dit kunnen, wil niet zeggen dat het Rijk dit niet zou kunnen. Ook een door het Rijk aangestuurde jeugdzorg kan ‘transformeren naar betere jeugdhulp met ‘zo thuis als mogelijk’.’ Dat ‘transformeren’ vraagt om vertrouwen. De verantwoordelijke overheid, welke dat ook is, moet erop vertrouwen dat de hulpverleners dát doen wat nodig is en hen ook de ruimte geven om het vervolgens te doen. Die hulpverleners hebben er immers voor doorgeleerd. Zij zijn de deskundigen. 

Dat wil niet zeggen dat zij geen fouten kunnen maken en er ongelukken kunnen gebeuren. Dat ‘transformeren’ vraagt dan om afstand. Het vraagt dan om leren en accepteren, niet beleren. Leren en accepteren door je te realiseren dat honderd procent succes een mooi streven is maar niet haalbaar. Niet beleren door geen protocollen en procedures in te voeren om de onvermijdelijke ongelukken te voorkomen.

Maar ook als gemeente ‘leren en accepteren’ dat je het niet alleen kunt. Dat je andere gemeenten nodig hebt om bijvoorbeeld die gesloten jeugdzorg waar je niet wilt dat kinderen naar toe gaan maar die soms toch nodig is, te kunnen organiseren. Dat samenwerking vraagt dat je verder kijkt dan je eigen gemeentelijke belang. 

Uitgelicht

Deskundige leerkrachten

‘Heb je ‘de strijdt’ alweer met dt geschreven?’ Die woorden hoor ik geregeld van mijn ‘eindredacteur’. Die leest bijna al mijn Prikkers voordat ze online gaan. Soms niet en dan krijg ik achteraf te horen dat ik toch enkele storende foutjes heb gemaakt. Ik ben blij met die ‘eindredacteur’. Hieraan moest ik denken toen ik in de Volkskrant het lezersdilemma las: “Met enige regelmaat krijgen we briefjes en mailtjes van haar (de juf van groep 4 van de basisschool) met d/t-fouten en verkeerd gebruik van als/dan en die/dat. Het wekt geen vertrouwen. … Moet ik dit bespreken? Met haar? De schoolleiding? Het is nogal wat om haar deskundigheid ter discussie te stellen, natuurlijk.” Natuurlijk moet de leerkracht op die foutjes worden gewezen, denk ik dan. Toch zijn er lezers die er anders over denken.

“Ik zou dat zeker niet doen. Gelukkig begrijpt u dat het bij docent zijn om veel meer gaat dan spelling alleen. Het is toch immers veel belangrijker dat u haar deskundigheid zult zien op het gebied van de sfeer in de klas, de aandacht die het kind van de juf krijgt? Misschien heeft ze geweldige kwaliteiten op dit gebied.” Aan deze lezer zou ik de volgende vraag willen stellen. Uw kind komt thuis met het punt van een proefwerk. U ziet dat de leerkracht een fout heeft gemaakt bij de berekening van dat punt in het nadeel van uw kind. Bespreekt u dit met de leerkracht? Door dit te bespreken kunt u immers gaan twijfelen aan haar deskundigheid. Het is immers veel belangrijker dat u haar deskundigheid ziet op het gebied van ‘sfeer in de klas’. Ik vrees dat u naar school loopt om de leerkracht op de fout te wijzen. De belangrijkste opgave van een basisschool is kinderen goed leren lezen, schrijven en rekenen. Dat is de basis voor hun verdere schoolcarrière en hun leven. Die goede sfeer in groep 4 daar heb je een paar maanden van je leven wat aan.

Een volgende lezer: “Ik zou helemaal niets doen. De leraar van uw kind heeft veel meer taken en verantwoordelijkheden dan alleen foutloos schrijven. En een foutje is zo gemaakt. Zeker na een lange, drukke werkdag. Ik vind het van de zotte als een ouder ‘de juf’ op het matje zou roepen of – erger nog – haar deskundigheid ter discussie zou stellen. … de leraar loodst mijn zoon vol liefde door de basisschool.” Door iemand te wijzen op een fout, roep je die persoon op het matje en stel je de deskundigheid ter discussie? Wat is er mis met iemand erop wijzen dat hij een fout maakt? Zou het niet ook voor leerkrachten gelden dat ze leren van hun fouten en dat leren met vallen en opstaan gaat? 

Wat betreft het ter discussie stellen van de deskundigheid van de leerkracht, zou ik zeggen: welkom in de echte wereld. De wereld waar steevast wordt getwijfeld aan de deskundigheid van de ander. Neem de arts die van de patiënt te horen krijgt dat het toch echt iets anders is omdat Internet dit zegt. Zelf werk ik in een sector, de gemeentelijke overheid, waar het lijkt alsof men er vanuit gaat dat er alleen maar ‘onkundigen werken. We zitten in ‘een ivoren toren’, kunnen ons niet ‘inleven in de burger’ krijgen steeds vaker te horen dat de ‘burger de deskundige’ is. Dit terwijl ze zelf ook gewoon burger zijn.

Weer een andere lezer: “In dit geval zou ik enige terughoudendheid willen voorstellen. In groep 4 worden de beginselen van taal behandeld. De kinderen maken zich letters en de eerste woorden en zinnetjes eigen. Van hen wordt in dit stadium nog geen beheersing of diepere kennis van grammatica verlangd.” Maar beste lezer, deze leerkracht kan volgend jaar zomaar voor groep 8 staan en dan wordt het een heel ander verhaal. Dan is die beheersing en diepere kennis wel belangrijk. Dan is die deskundigheid van de leerkracht wel van belang. Als diezelfde leerkracht immers adviseert dat je kind het beste naar het vmbo kan, dan wordt de deskundigheid van die leerkracht wel ter discussie gesteld en dan zijn ook die sfeer en liefde van ondergeschikt belang.

Nee, ik ben blij met een ‘eindredacteur’ die mij teleurgesteld aankijkt als ik die ’t’ weer achter de strijd heb geplaatst. Die zorgt voor hogere kwaliteit en ik kijk uit naar een compliment als ik geen fout heb gemaakt. En helemaal als ik ‘strijd’ nu eindelijk goed spel. Zou dat voor een leerkracht niet ook kunnen gelden?

Uitgelicht

Kruitdampen in het hoofd

  In mijn vorige Prikker schreef ik over de vergelijking tussen drugs en vuurwerk van Wouter Roorda. Ik concludeerde dat die vergelijking mank ging. Vandaag nogmaals het thema vuurwerk. Dit naar aanleiding van een bijzonder betoog van Sid Lukkassen bij TPO. Volgens Lukkassen kunnen we zonder ‘vuurwerkvrijheid’ niet bestaan. “Vuurwerkvrijheid is existentieel,” schrijft hij. Dat lijkt me bijzonder. De mensheid geeft immers millennia lang goed kunnen bestaan zonder vuurwerk. Overdrijven is een kunst en het lijkt alsof Lukkassen er meester in is. Laten we zijn betoog eens volgen.

Bron: Pixabay

Vuurwerk is existentieel om drie redenen. “Ten eerste, alles wegreguleren wat jongens en mannen leuk en spannend vinden. Ten tweede worden we een norse brompotsamenleving die geen spektakel en risico’s meer aandurft: dit komt neer op het uitdoven van de levensfelheid. Ten derde, we noemen het beestje niet bij de naam – namelijk de specifieke overlastgevende groepen waar het in de kern om draait – maar spreken in termen van een algemeen verbod. Dit is niet alleen laf en een teken van karakterzwakte: het wijst op een regelmanie waarbij de goeden onder de kwaden lijden.” 

Om met dat laatste te beginnen. Lukkassen ziet twee groepen. Aan de ene kant de ‘goede vuurwerk afsteker’ en aan de andere kant de groepen die door middel van vuurwerk overlast bezorgen. Hij lijkt een groep te vergeten en dat zijn mensen die geen vuurwerk afsteken. Dit is geen homogene groep van alleen maar ‘tegenstanders’ van  vuurwerk. Die zullen er zeker ook en misschien zelfs wel veel, bij zitten. Nee, die groep bevat ook mensen die het niets kan schelen of het al dan niet verboden is en mensen die er zelf niets aan vinden maar die anderen het plezier wel gunnen. Dit is de groep die geen vuurwerk koopt, die wel belasting betaalt voor handhaving en het opruimen van de troep en die wellicht een hogere zorgpremie moet betalen om de schade door vuurwerk te vergoeden. Een verbod op vuurwerk treft deze groep niet. Een verbod treft alleen de andere twee groepen. Om dan te concluderen dat bij een verbod de goeden onder de kwaden lijden, is nogal een bewering. Of hoort deze groep niet bij de ‘goeden’?

Volgens Lukkassen is het: “hoe dan ook idioot om ook maar te overwegen ons eigen volksfeest af te schaffen, omdat er groepen zijn die zich kennelijk niet in de hand kunnen houden en we niet in staat blijken hen te bedwingen.” Maar beste meneer Lukkassen, de viering van de jaarswisseling wordt niet afgeschaft. Dat is het feest dat er wordt gevierd, niet ‘het afsteken van vuurwerk’. Een deel van de Nederlanders ‘viert’ dit door vuurwerk af te steken en ander deel viert op een andere manier met bijvoorbeeld een oudjaarsconference, een oliebol en een glaasje champagne. Of door gezellig met familie en/of vrienden bijeen te komen. 

(V)uurwerk verbroedert alle lagen en klassen van de samenleving. In mijn jeugd was het vuurwerk een van de weinige momenten waarop de allochtone en autochtone jeugd samen optrok.” Om even terug te gaan naar mijn jeugd. In de jaren zeventig van de vorige eeuw was ‘sintermerte’ een belangrijke gebeurtenis in mijn geboortedorp Velden. Na het verstrijken van de zomervakantie, die leek vroeger ‘eeuwig’ te duren, begonnen we met het verzamelen van dode takken uit de bossen die op een hoop werden gegooid. Na verloop van tijd kwamen daar pallets bij aangeleverd door een transportbedrijf van een van de ouders. En, nu helemaal niet meer voor te stellen, autobanden. Wij waren niet de enigen. Bij iedere boerderij en in iedere buurt, bouwde de jeugd een hoop. Een hoop die dan op de 10e november werd opgestookt. Die hoop verbroederde iedereen die eraan meebouwde en zorgde voor rivaliteit tussen de verschillende groepen. ‘Onze’ hoop moet het grootste worden, het laatste worden aangestookt en liefst ook het langste branden. Sommigen gingen de strijd ‘oneerlijk’ aan door spullen bij een andere hoop weg te halen. En soms werd een rivaliserende hoop zelfs een dag eerder al in brand gezet. Dat is nu verleden tijd. De jeugd in het dorp kent de traditie niet meer. Maar ik dwaal af. Vuurwerk afsteken, en ook andere van dergelijke activiteiten, zoals sintermerte, kunnen inderdaad verbroederen. Ze ‘verbroederen’ vooral binnen eigen groepen en wakkeren rivaliteit aan met hen die daar niet bijhoren. Net zoals sport, muziek en cultuur verbroederen maar ook kunnen aanzetten tot rivaliteit. Trouwens ook criminaliteit verbroedert. Dat iets ‘verbroedert’ is geen reden om het ‘heilig’ te verklaren.

Lukkassen: “Je moet natuurlijk veilig omgaan met vuurwerk en bijvoorbeeld een vuurwerkbril dragen. Maar sluipenderwijs en in de greep van angst voor risico’s zijn we alles aan het verbieden. Totdat er niets leuks overblijft.” Is angst werkelijk een van de redenen om voor een vuurwerkverbod te pleiten? Dat iemand zijn oog kwijtraakt of een halve hand vanwege verkeerd gebruik van vuurwerk, is voor een enkeling een reden om voor een vuurwerkverbod te pleiten. De schade aan het oog, de hand, de auto of het huis van een ander is echter een veel belangrijkere reden. De schade en overlast die de groep die zelf niets met vuurwerk heeft, is het argument voor een verbod. Een, zoals ik gisteren ook al aangaf, heel liberaal argument om rechten van mensen in te perken. Al lijken de huidige ‘liberalen’ daar heel anders over te denken.  

Lukkassen haalt VVD-voorman Dijkhoff aan: “Fatsoenlijke vuurwerkliefhebbers ergeren zich ook kapot aan het tuig dat oud & nieuw elk jaar weer verpest, maar dreigen met een totaalverbod zelf gestraft te worden. Terwijl ze niets verkeerd doen. Zij vragen zich af waarom politici hun brave in Nederland gekochte sierpotten willen verbieden, terwijl net over de grens veel zwaarder spul gewoon in de winkels ligt.” Tja, die grens waarachter grotere ellende te koop is. Nu wil het geval dat de regels voor vuurwerk in onze buurlanden niet zoveel afwijken van de Nederlandse. Ook daar mag een particulier alleen f1 en f2 vuurwerk kopen en is het aan de verkoper om de leeftijd te controleren. Wat verder over de grens, via het Web, is veel meer te verkrijgen en is het toezicht afwezig of beperkt.

Vanwege dat ‘buitenland’ is een totaalverbod zinloos, zo betoogt Lukkassen en haalt CDA-kamerlid Chris van Dam aan: “Dat is niet te handhaven.” Het lijkt mij dat een totaalverbod makkelijker is te handhaven dan de huidige situatie. Nu hebben we legaal en illegaal vuurwerk. Ook zijn er tijden waarop het mag en tijden waarop niet. En, hoe toon je aan dat de ‘knal’ afkomstig was van illegaal vuurwerk? Bij een totaalverbod is immers iedere ‘knal’ of ‘pijl’ strafbaar. Dat lijkt mij stukken eenvoudiger te handhaven. 

Bron: PXhere

Nog bonter wordt het als Lukkassen VVD-burgemeester Antoinette Laan-Geselschap aanhaalt: “Dat er problemen zijn, ligt niet aan het vuurwerk, maar aan het gedrag van mensen. Een landelijk verbod is een te draconische maatregel. Het gedrag van een aantal klojo’s moet niet de maatstaf worden.” Woorden die zo afkomstig zouden kunnen zijn van Wayne LaPierre, de voormalig voorzitter van de Amerikaanse National Rifle Association: ‘geweren doden geen mensen, mensen doden mensen.’ Waarom dan niet meteen een pleidooi om alles toe te staan? Dat iemand wellicht een tankgranaat naar het Binnenhof schiet maakt toch nog niet dat de goedwillende ik niet meer in mijn M1 Abrams tank mag rijden! 

“Het is een reflex geworden om bij alles wat er misgaat de staat ter verantwoording te roepen en te pleiten voor een verbod. Dit is een zieke ontwikkeling die aantoont dat de sociale cohesie wegvalt en we er niet meer samen uitkomen: mensen ontwikkelen een afwachtende en staatsaanhankelijke basishouding.” Een wel heel bijzondere manier van redeneren. De overheid is juist het medium dat maakt dat we er samen uitkomen. De overheid is namelijk van de samenleving en is aan zet als de vrijheid van de een tegen de schade van de ander moet worden afgewogen. En de vrijheid van Lukkassen om rotjes af te steken, moet worden afgewogen tegen de overlast en de beperking van de keuze vrijheid van de tegenstander van vuurwerk. Want ja, het afsteken van vuurwerk kan de vrijheid van anderen beperken. Als mensen niet meer de straat op durven omdat ze als de dood zijn voor vuurwerk, dan beperkt Lukkassens recht om een rotje af te steken, de vrijheid van een ander. De overheid is er om juist dan de zaken tegen elkaar af te wegen.

Lukkassen vervolgt zijn betoog: “Ook de gedachte dat het volk zomaar bij kruit kan is voor de elite een beangstigende gedachte, zeker nu ze merken dat hun beleid steeds minder populair is. Mede hierom willen sommige bestuurders ervan af. Juist dit is een reden – voor wie wil dat het volk uiteindelijk de baas is in een land en niet een technocratische regentenklasse – om vóór vuurwerk te zijn.” En daar is ze weer; de tegenstelling tussen volk en elite. Alleen lijkt het alsof ‘het volk’ alleen maar bestaat uit ‘afstekers van vuurwerk’. Tegenstanders van vuurwerk behoren bij de ’elite’. Als we trouwens wat beter lezen, pleit Lukkassen dan voor het inzetten van ‘kruit’ om ‘minder populair beleid’ omver te ‘knallen’? Want zegt hij niet dat de toegang tot vuurwerk moet blijven om het volk de mogelijkheid te geven om het beleid van de ‘elite’ tegen te kunnen gaan?

Lukkassen sluit af met een advies: “als je huisdieren last hebben van vuurwerk, neem ze dan mee naar een vuurwerkvrije camping, of breng ze naar een opvang speciaal hiervoor. Ook dit is weer business voor kleine ondernemers.” Dus om u uw pleziertje te gunnen, moeten anderen extra kosten maken? En dat is volgens u niet erg want dat is ‘business voor kleine ondernemers’. Even terug naar de vrijheid van de een en de overlast voor de ander. Beste meneer Lukkassen, bent u bereid om de kosten voor die camping of die dierenopvang voor die mensen te betalen? U zult het toch vast niet erg vinden om de extra kosten die de dierenbezitters moeten maken, te vergoeden? Het is immers ‘business voor kleine ondernemers’? En dan nog vraagt u iets bijzonders van deze mensen. U vraagt hen namelijk om hun viering van het feest van de jaarwisseling aan te passen aan uw ‘vuurwerkplezier.’

Zou Lukkassen last hebben van kruitdampen in het hoofd?

Uitgelicht

De tang en het varken

Vuurwerk en het al dan niet geheel of gedeeltelijk verbieden ervan houdt de gemoederen flink bezig. De eerste twee weken van het nieuwe jaar ging er geen dag voorbij zonder dat het ‘vuurwerk’ ter sprake kwam. Volgens Wouter Roorda is de ellende met vuurwerk een uitwas van een dieper liggend probleem. “Niet alleen rond Oud en Nieuw wordt ongewenst gedrag niet gecorrigeerd, maar het hele jaar door.” Of dat het werkelijke probleem is, daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om een vergelijking die hij in zijn artikel bij Opiniez maakt tussen vuurwerk en (soft)drugs en een uithaal naar ‘politiek links’. Want dat wenst: “het gebruik van drugs te gedogen (en voor alle criminele activiteiten daaromheen de andere kant op te kijken) en vuurwerk te verbieden.” Zo die kan ‘links’ in haar zak steken. Of …?

Bron: Wikipedia

Eerst de redenering van  Roorda: “Net als met illegaal vuurwerk is de werking hiervan (van (soft)drugs) steeds sterker geworden, zodat het verschil tussen de gedoogde softdrugs en de verboden harddrugs steeds vager is geworden. Ook op de afzetkanalen van verdovende middelen hebben de autoriteiten nooit grip kunnen krijgen. Maar voor de doorsnee drugsgebruiker is het begrip bij met name linkse politici een stuk groter, al was het maar omdat de mening in die kringen wijdverbreid is dat je aan een verslaving weinig kunt doen.”

Eerst de draai om de ‘linkse oren’. De door Roorda veronderstelde (daarover later meer) inconsequentie, of  hypocrisie zoals hij het zelf noemt, in het denken van ‘linkse politici’ met betrekking tot vuurwerk en drugs. Zijn het alleen de ‘linkse politici’ die hypocriet zijn? In het politieke spectrum aan de rechterkant lopen veel politici en partijen rond die tegen een vuurwerkverbod zijn en voor het verbieden van drugsgebruik. Sterker nog. Van deze politici pleit er, op een wellicht verdwaalde eenling na, geen enkele voor een algeheel verbod op alcohol en tabak. Dit terwijl dat toch de verslavende middelen zijn die de gebruiker het meeste schade toebrengen. 

Nu het deel ‘veronderstelling’, in hypocrisie. Drugs richten zich op de gebruiker, die heeft er ‘plezier’ van. Iemand die niet gebruikt ondervindt schade nog overlast van het pilletje xtc dat een ander persoon gebruikt. Behalve natuurlijk als die persoon onder invloed een auto-ongeluk veroorzaakt. Dat is,  juist om dat te voorkomen, dan ook bij wet verboden. De afsteker van een Thunderstrike heeft zelf plezier van het afsteken. De knal die het veroorzaakt kan en wordt door een ander als (geluids)overlast ervaren. De vuurpijl die ik afschiet, kan brand veroorzaken in jou huis. Als je die Thunderstrike naar de politie of in de brievenbus van de buren gooit, dan kan dat tot flinke schade leiden. Dat krijg je met een zakje met vijf gram Rode Libanon niet voor elkaar. Gebruik van vuurwerk veroorzaakt directe overlast of schade. Drugsgebruik alleen indirect.

Wellicht dat dit de vermeende hypocrisie van Roorda verklaart waarom ‘linkse politici’ drugs anders willen behandelen dan vuurwerk. Nu is het ‘schade aan de ander’ beginsel niet iets wat  typisch links is. Het is in de basis typisch liberaal. Omdat Frank Kalshoven dat vorige week al in de Volkskrant heeft uitgelegd, ga ik daar hier niet verder op in en verwijs er slechts naar. 

Als je ver zoekt vind je altijd wel iets overeenkomstig tussen twee zaken. Zo bevatten een tang en een varken allebei ijzer. Daarnaast maken ze allebei deel uit van een spreekwoord dat uitdrukt dat iets onzin is. Vuurwerk en (soft)drugs zijn verschillende grootheden. Niet zo verschillend als de tang en het varken maar toch. De vergelijking gaat mank.

Uitgelicht

Tijd voor andere verhalen

‘Reageer niet op die man. Hij is de aandacht niet waard.’ Dat advies krijg ik steevast als ik weer eens reageer op iets wat Jan Roos schrijft. Roos de man die ‘bekend’ werd als ‘etterbal met de roze microfoon’ van Powned. En die definitief doorbrak als ‘Peppi’ in zijn strijd tegen het associatieverdrag met de Oekraïne. Of was het ‘Kokki’? Toch reageer ik steeds als Roos iets schrijft wat daartoe aanleiding geeft. Zo ook deze keer weer. “Links is ook erg pro-Palestijnen, maar weten van de ontstaansgeschiedenis van dit verzonnen volk en hun verzonnen land niets af.” Aldus Roos bij De Dagelijkse Standaard.

Aurora Borealis. Bron: WikipediaCommons

Ik reageer hierop niet omdat wat Roos hier beweert onzin is. Ik weet niet of links erg ‘pro Palestijnen is’ en of het niets afweet van de geschiedenis van de Palestijnen en hun land. Daar gaat het mij ook niet om. Het gaat mij om ‘verzonnen volk en verzonnen land’. Niet dat Roos hier iets schrijft wat aperte apekool is. Waarom dan toch in de pen geklommen? Omdat Roos de Palestijnen afzet tegen andere landen en volken en het doet voorkomen of die landen en hun volken niet zijn ‘verzonnen’. En dat is wel aperte apekool. Alle landen, alle volken en ook alle religies zijn verzonnen. Het ene wat eerder dan het andere, maar verzonnen zijn ze allemaal.

Nederland? In eerste aanleg verzonnen tijdens het Weens congres in 1814 en daarna, in 1831, nog wat gedecimeerd. Ik schreef er al eerder over. Het ‘volk’ bestond niet, dat is verzonnen. Gecreëerd door selectief in het verleden te winkelen en daaruit die gebeurtenissen te pakken waarop je ‘trots’ kunt zijn. Israel? In 1948 ontstaan. De Joodse claim op dat gebied als het hen ‘beloofde land’? Een verhaal gelardeerd met her en der een historische gebeurtenis die er een ‘logisch geheel’ van moeten maken. Een verhaal om een groep mensen te binden. Religie? Verhalen die een deel van de mensen nodig hebben om te kunnen omgaan met het zelf-bewustzijn. Met dat je realiseert dat het leven, ook het jouwe, eindig is. Maar ook als verhalen dat groepen mensen met elkaar verbindt. Verhalen die maken dat mensen zeggen: ‘wij horen bij elkaar’. Iets wat wordt beaamd door anderen die er niet bijhoren.

Verhalen in welke vorm (volk, land, religie) dan ook, spelen een belangrijke rol in het leven van de mens. Verhalen die mensen binden en ze deel uit laten maken van een groter geheel. De andere kant van de medaille is dat dezelfde verhalen ook mensen uitsluiten. Die horen niet bij dat grotere geheel.

Bij verhalen moet ik denken aan 21 Lessen voor de 21ste eeuw. Een boek van Yuval Noah Harari. In hoofdstuk 20 bespreekt hij de plek die verhalen innemen in het leven van de mensen. Dat hoofdstuk heeft als titel Het leven is geen verhaal.  Aan het einde van dat hoofdstuk (pagina 374) schrijft Harari: “Pas op als politici in mythische bewoordingen gaan spreken. Dat kan namelijk een poging zijn om het echte leed te gaan verhullen en rechtvaardigen door het te verpakken in moeilijke, onbegrijpelijke termen. Wees vooral op je hoede voor de volgende vier woorden: opoffering, eeuwigheid, zuiverheid en verlossing. Als je een van die woorden hoort, sla dan meteen alarm. En als je toevallig in een land woont waarvan de leider regelmatig dingen zegt als: ‘Hun offer zal de zuiverheid van onze eeuwige natie waarborgen en ons naar de verlossing leiden’, besef dan dat je een groot probleem hebt.”

De laatste jaren spreken steeds meer politici in mythische bewoordingen. Horen we de woorden ’opoffering, eeuwigheid, zuiverheid en verlossing’ en hun synoniemen steeds vaker. Neem de ‘VOC mentaliteit’ van Balkenende, de ‘boreale toespraak’ van Baudet in Nederland. Een Amerikaanse president die ‘America’ weer ‘Great’ wil maken en zichzelf in superlatieven veren in zijn reet steekt. Alles wat hij doet is ‘greatest ever’ en wat anderen doen is ‘worst ever’. Een manier van denken die ook aanwezig is bij Khamenei, Poetin, Erdogan en Xi Jinping. Harari adviseert: “Als je een beetje bij je verstand wilt blijven, moet je altijd proberen zulke lulkoek te vertalen naar de werkelijkheid: een soldaat die het uitschreeuwt van pijn, een vrouw die geslagen en aangerand wordt, een kind dat beeft van angst.”  

Tijd voor andere verhalen!

Uitgelicht

Terroristen, Soleimani en Trump

Afgelopen maandag keek ik weer eens naar De Wereld Draait Door. De dood van de Iraanse generaal Soleimani werd uitgebreid besproken. In dat gesprek viel mij iets op. Iets wat in alle berichtgeving over deze zaak opvalt. Wat mij opviel? De onevenwichtigheid in woordgebruik waarmee er wordt gesproken.

Bron: cosmoschronicle.com

Een voorbeeld. Generaal Soleimani wordt met alle gemak ‘in en in slecht’ neer gezet. Hij is een ‘terrorist’ en het ‘meesterbrein’ achter veel terroristische aanslagen. Als we kijken wat er is gebeurd dan zien we een daad van terreur uitgevoerd in opdracht van de president van de Verenigde Staten. Terreur is volgens de Van Dale: “georganiseerd politiek geweld.” Een vorm van terrorisme dus. Dat is, volgens dezelfde Van Dale: “het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van terreur.” Er wordt een generaal van het Iraanse leger vermoord of geliquideerd want een andere benaming is er niet voor het doden van iemand zonder dat er een rechter aan te pas is gekomen. Een moord die is bedoeld om een regering en/of een bevolking onder druk te zetten. In dit geval zelfs twee regeringen, die van Iran en Irak. En misschien zelfs drie bevolkingen, naast het Iraanse en Iraakse ook het Amerikaanse. Met andere woorden: georganiseerd politiek geweld. Ik hoor niemand die de Amerikaanse actie bestempelt als terrorisme. Als er met medeweten en medewerking van Irak was geprobeerd om Soleimani te arresteren om hem voor de rechter te brengen en hij was gedood omdat hij zich hier gewelddadig tegen verzet had, dan was het een ander verhaal.

Sterker nog, in een ander televisieprogramma, het nieuwe programma Op1 horen we de Nederlandse minister van defensie Bijleveld verklaren dat ze ‘er begrip voor heeft dat de liquidatie is gebeurd.’ Een Nederlandse minister die begrip heeft voor terreur, voor een terroristische daad geïnitieerd door de Amerikaanse president! Dit terwijl de Nederlandse regering, zo is in artikel 90 van de Nederlandse Grondwet vastgelegd, de ontwikkeling van de  internationale rechtsorde  moet bevorderen. Als ‘begrip hebben’ voor een liquidatie door een land (de Verenigde Staten)van een regeringsfunctionaris van een ander land (Iran) op het grondgebied van een derde land (Irak) zonder medeweten en goedkeuring van dat derde land de ‘ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert’, wat is die ‘internationale rechtsorde’ dan anders dan het recht van de sterkste? Als de Nederlandse regering de grondwet serieus neemt dan zou ze de Amerikaanse president aanspreken op het schenden van de international rechtsorde. Dan zou ze schande spreken van deze terreur daad. Jammer, want hierdoor komt onze rechtstaat en democratie in een verkeerd daglicht te staan en verzwakken we onze kracht. 

Er is meer onevenwichtigheid.  Die Soleimani was geen heilig boontje. Hij zal best verantwoordelijk zijn voor de nodige doden in Iran en erbuiten. Dat zijn de huidige Amerikaanse president en zijn voorgangers ook. Zo startte zijn voorganger Bush op onrechtmatige gronden en met leugens als onderbouwing een oorlog tegen Irak. Een oorlog met zeer veel doden tot gevolg. Een oorlog die aan de basis ligt van de huidige chaos in Irak. Als dat maakt dat Soleimani ‘terrorist’ mag worden genoemd, hoe moeten we Trump en zijn voorgangers dan bestempelen?

Ja, Iran probeert zijn invloed in de omringende landen te vergroten en er bevriende mensen aan de macht te krijgen. Hierin speelde Soleimani een belangrijke rol. Als we de huidige berichten mogen geloven dan was hij het meesterbrein eracht. Hij zou zelfs achter de oprichting van Hezbollah en Hamas zitten. Dat lijkt me wel erg veel eer voor de man. Dat Iran zich‘bemoeit’ met de ‘binnenlandse aangelegenheden’ in andere landen staat buiten kijf. Bijvoorbeeld Libanon, Syrië, Irak en Jemen. Maar waarin verschilt het land daarin van Rusland, de Verenigde Staten, Saoedi -Arabië, Turkije en zelfs Nederland? Je ‘bemoeien’ met andere landen en daar je ‘invloed’ vergroten is het streven van de buitenlandse politiek van alle landen. En bij dat streven worden ook wel eens groepen in een land gesteund die op minder goede voet staan met de regering van dat land.  Zo heeft Orban van Hongarije warme banden met Wilders. Waarom zou Iran geen buitenlandse politiek bedrijven en de Verenigde Staten en alle andere landen wel?

Uitgelicht

Geestelijke schraalheid

“Tot de bevrijding die de babyboomers organiseerden, behoorde ook de secularisering – het proces van ontkerkelijking. Eenmaal verlost van de knellende geloofszekerheden, kon de babyboomer zijn zelfontplooiing ter hand nemen. Daarmee kon echter niet het vacuüm worden opgevuld dat de kerken hebben nagelaten. De babyboomers en hun nazaten leven in geestelijke schraalheid te midden van materiële weelde.” Een alinea uit het Commentaar van Sander van Walsum in de Volkskrant. Dat Commentaar behandelt de kloof tussen de de ‘jongeren van nu’ en de ‘babyboom-generatie’. Nee, ik ga hier niet meer schrijven over ‘geleuter over generaties’, dat heb ik al twee keer gedaan. Het gaat mij om de bovenstaande passage. 

Bron: Public Domain Pictures

Beweert Van Walsum dat het leven geestelijk schraal is zonder ‘geloofszekerheden’? Omgekeerd zou dat betekenen dat een geestelijk rijk leven alleen maar mogelijk is met ‘knellende geloofszekerheden.’ Ik kan me niet voorstellen dat iets wat knelt prettig voelt. Knellende schoenen lopen niet prettig. Maar ook als we het woord ‘knellende’ weglaten, vraag ik me af of ‘geloofszekerheden’ een voorwaarde voor een geestelijk rijk leven zijn.  

We leven inderdaad in een tijd van materiële weelde. Sterker nog, het ‘materiële’ wordt  veel te belangrijk gevonden. Als die ‘geloofszekerheden’ nodig zijn om mensen te ‘verankeren’ waarom zien we dan zo weinig aanhangers van die zekerheden die een leven kiezen waarbij ze het materiële zoveel mogelijk laten voor wat het is. Die zoeken naar een andere invulling van hun leven. Een invulling die bij hun ‘geloofszekerheden ‘past. 

Als die ‘geloofszekerheden’ een basisvoorwaarde voor geestelijke rijkdom zijn, waarom kramen hun aanhangers dan vaak zo’n armoedige zaken uit? In haar eindejaarsconference besteedde Claudia de Breij aandacht aan de ‘Nashville verklaring’ en aan SGP leider Van der Staaij. Dit om maar een voorbeeld uit een religie te noemen. “WIJ BEVESTIGEN dat het zondig is om homoseksuele onreinheid of transgenderisme goed te keuren. Wie deze wel goedkeurt wijkt fundamenteel af van de standvastigheid die van christenen verwacht mag worden en van het getuigenis waartoe zij geroepen zijn. WIJ ONTKENNEN dat de goedkeuring van homoseksuele onreinheid of transgenderisme een moreel neutrale zaak is, waarover getrouwe christenen onderling van mening mogen verschillen.” Aldus artikel 10 van de verklaring. Als die verklaring en het handelen van Van der Staaij voorbeelden van ‘geestelijke rijkdom’ zijn, dan voelt die ‘rijkdom’ wel heel armoedig.

Aan de andere kant zijn er mensen die zonder ‘geloofszekerheden’ leven en wel het materiële zoveel mogelijk laten voor wat het is.  Aan die andere kant zijn er ook zeer veel mensen die bevestigen dat homoseksualiteit en transgenderisme een moreel neutrale zaak is. Die hebben daar geen ‘geloofszekerheden’ voor nodig. Het enige wat zij daarvoor nodig hebben, is hun gezonde verstand en hun gevoel van menselijkheid. Geestelijke rijkdom is niet afhankelijk van geloofszekerheden.

Uitgelicht

‘Feestzaal Nederland’

Volgens Constanteyn Roelofs gaat het slecht met de traditie. Bij Elsevier schrijft hij: “Over de nationale mythes hoeven we het niet eens te hebben: een systeembombardement van postmoderne ideologen heeft verklaard dat alles wat waarde, structuur en zingeving geeft racistisch, koloniaal, imperialistisch en seksistisch is.” In zijn artikel maakt Roelofs zich zorgen over die tradities maar vooral over het conservatisme. Conservatisme is: “het behouden, doorgeven en versterken van deze elementen.” Gevolg hiervan: “Nederlanders zijn eenzamer dan ooit, in toenemende mate ongeletterd en hoewel de bevolking hoger is opgeleid dan ooit leest niemand meer een boek.” En dat conservatisme hangt in de touwen. Dit terwijl het conservatieve verhaal nodig is: “het liberalisme vertelt maar het halve verhaal, namelijk dat van vrijheid en economie, maar niet van de zaken die een natie bindt.”

Jocushaan. Bron Wikipedia

Nu is er net een nieuw jaar begonnen. De dagen lengen weer en we kunnen verlangend uitkijken naar wat er komen gaat. In de Volkskrant schrijft Iñaki Oñorbe Genovesi over de stortvloed aan themadagen die het jaar 2020 ons te bieden heeft. Zo er een Internationale Herdenkingsdag van de Slachtoffers van Slavernij en de trans-Atlantische Slavenhandel. Goed dat we hier aandacht aan besteden al vraag ik me wel af waarom de trans-Atlantische slavenhandel apart wordt genoemd? Dan lijkt het alsof er slaven en slaven waren. Ik zou liever aandacht besteden aan hedendaagse slavernij. Want, ondanks dat slavernij in de hele wereld is afgeschaft, zijn er nog zo’n 21 miljoen slaven. Tenminste, dat las ik in het boek Het kwaad van Julia Shaw. Daarin las ik ook dat een slaaf tegenwoordig zo’n $ 90 kost en zijn eigenaar gemiddeld  $ 36.000 oplevert. Dan hebben we meteen ook de reden waarom slavernij nog bestaat. Naast nuttige zaken om aandacht aan te besteden zijn er ook volkomen nutteloze zaken die met een dag worden ‘gevierd’. Neem Wereld Nutelladag (5 februari) of de dag van de komkommer (1 juli). 

Bij verlangend vooruit kijken denk ik echter meer aan Vastelaovend en het Venlose Zomerparkfeest. Gebeurtenissen die een jaar kleur en vooral vaste ankerpunten geven. Je verheugt je erop. Nadeel van dat ‘verlangen’ is dat de tijd er sneller door lijkt te gaan. Twee gebeurtenissen die mij en met mij vele andere mensen ‘waarde, structuur en zingeving’ bieden. Het Zomerparkfeest sinds 1977. De Vastelaovend wordt al heel lang gevierd. Als we ‘osse Venlose Jocus’ mogen geloven werd het al 1349 gevierd. Het is dus al eeuwen oud.

Geen ‘nationale myhen’ want de feesten worden niet in het gehele land gevierd. Bovendien zou ‘nationale mythe’ geen juiste benaming zijn voor Vastelaovend omdat de ‘mythe’ ruim aan de ‘natie’ vooraf ging. Nu is dat laatste niet uitzonderlijk. Veel tradities die binnen een natie worden gevierd, zijn ouder dan de natie. Naties zijn trouwens niet de enigen die deze ‘techniek’ gebruiken. Het christendom is groot geworden door deze ‘culturele toe-eigening’ avant la lettre. Zo is de kerstboom die we nu weer het huis uit kieperen, overgenomen van de Germanen en Romeinen. “De groene boom kondigde ook de nieuwe lente aan, een tijd van bloei. Daarom zetten de Germanen tijdens de midwinternacht, de kortste dag van het jaar, een groene boom neer. Vaak in het midden van het dorp. Deze werd dan versierd met appeltjes en andere attributen, die het begin van een nieuw seizoen aanduidden.” Zo is te lezen op de site Historiek. Of neem de naamdagen van katholieke heiligen die ‘toevallig’ samenvielen met een ‘heidens feest’. Dat maakte het accepteren van het geloof wat makkelijker.

Als er iets bijzonder is aan ‘tradities’ dan zijn het wel de ontwikkelingen die ze door maken. Een traditie die zich niet aanpast, is gedoemd te verdwijnen. Neem de Vastelaovend. Die is in de basis nog steeds hetzelfde maar als er niets aan was veranderd, toegevoegd dan was uitgekomen wat in het liedje 2011 uit 1998 werd bezongen: “2011 – Ik bin de nieje prins, ik bin de ganse raod. D’n optoch bin ik ouk, en staon ik langs de straot, dan speul ik muzikant en bin ik mien publiek. Ik lach en böëk as kloon, det mak mich gans allein uniek. 2011, Vastelaovend bin ik zelf.” Het lied werd geschreven in een tijd dat de traditie werd ‘bedreigd’. De schrijver vreesde dat hij in 2011 de enige was die nog Vastelaovend viert.- Daarvan is nu geen sprake meer, de traditie heeft zich vernieuwd zonder het oude te verwerpen. Nieuwe activiteiten waarvan het lijkt alsof ze al ‘eeuwen’ worden gevierd, hebben hun plek gekregen. De muziek vernieuwde zich naar de smaak van de jeugd zonder oude helden als de vorig jaar overleden Sjraar Peetjens te vergeten. We zullen hem zondag 23 februari 2020 missen. Dan verzamelen we ons weer bij Motown om te luisteren naar, maar vooral mee te zingen (of wat daarvoor door moet gaan) met Minsekinder. 

En ja, alle verwijten: “racistisch, koloniaal, imperialistisch en seksistisch” worden ook over deze traditie uitgestort. Die begrijpen echter de kern van de Vasteloavend niet. Twee jaar geleden liep er een hele reeks ‘prinsessen’ mee in de optocht. Zij vonden het tijd worden voor een ‘prinses’ als leider van de de Venlose Vasteloavend. Dan kun je twee dingen doen. Je proberen ‘in te vechten’ om de woorden van premier Rutte aan te halen. Dan zou het kunnen dat je op weerstand stuit. De tweede optie is veel eenvoudiger. Niets weerhoudt hen ervan om een ‘prinses’ uit te roepen en zo de traditie uit te breiden en te vernieuwen. De deelname van de groep prinsessen zou hier een eerste stap in kunnen zijn. Het ‘nieuwe’ en het ‘oude’ zullen zich dan tot elkaar moeten verhouden en dat zal de traditie verrijken.

Het Zomerparkfeest laat zien dat “de xtc-festivals van de D66-liberalen van nu,” uit kunnen groeien tot veel meer dan dat. Het is een evenement van verbroedering en ‘samen’. De hele zaak draait op vrijwilligers en laat zien wat je door samen te werken kunt bereiken. Begonnen als een klein feestje in de Heutszstraat. Ja ook in Venlo is een straat vernoemd naar Heutsz. Het feest verhuisde al snel naar het Julianapark alwaar wat ‘obscure’ bandjes ‘herrie’ maakten op een oplegger. De woorden ‘obscuur’ en ‘herrie’ werden gebezigd door het overgrote deel van de ‘Venlonaere’. Die moesten in de beginjaren niets hebben van dat feest voor ‘hanenkammen’ en ‘losgeslagen’ jeugdigen. Inmiddels is het niet meer weg te denken en zal het park vanaf 13 augustus 2020 weer vier dagen volstromen en zal ‘jong en oud’ genieten van muziek, dans, theater, literatuur, film en natuurlijk een hapje en een drankje. Maar vooral genieten van elkaar omdat we elkaar weer zullen ontmoeten. Ik verheug me al op de zondag onder die grote boom aan die tafel met vrienden. In die veertig jaar heeft het Zomerparkfeest zich ontwikkeld tot een ‘traditie’ die Venlo (ver)bindt. Van een ‘xtc-festival van D66-liberalen’ naar iets van en voor iedereen.

Zomerparkfeest 2016. Eigen foto

Tradities beginnen ergens en ontwikkelen zich of ze worden vergeten. Ze behouden dat wat goed wordt gevonden, hun kern, want die vervult een behoefte. Ze passen hun ‘uiterlijk vertoon’ aan aan de tijd. Doen ze dat niet dan verworden ze tot een anachronisme. Dan verdwijnen ze en worden ze vervangen door iets nieuws wat de achterliggende behoefte vervult. Met tradities die verdwijnen hoeven we geen medelijden te hebben. Nu zijn het Zomerparkfeest en ook Vastelaovend tradities die mensen binden, maar niet alle mensen. Lang niet alle ‘Venlonaere’ hebben iets met deze ‘tradities’. 

Terug naar Roelofs. Hij mist ‘zaken die de natie binden’. Hij lijkt het ‘bindmiddel’ van een natie in het verleden en in ‘gedeelde tradities’ te zoeken. In een gezamenlijke geschiedenis en het ‘samen’ dezelfde feestjes op steeds dezelfde manier vieren. Nu zijn naties van zeer recente datum. De meeste zijn nog geen tweehonderd jaar oud. Als je hun verhalen hoort, lijken ze echter al eeuwen oud. Alles wat er ooit op het grondgebied is gebeurd, zeker als dat groots is of positief, wordt al snel tot de ‘geschiedenis’ van de natie gerekend. Zo maakt het ‘VOC-gebeuren’ een belangrijk deel uit van de geschiedenis van Nederland. Dit terwijl de VOC al was opgeheven voordat Nederland als huidige natie ontstond. Die verhalen en erbij horende ‘rituelen’ zijn bedoeld om mensen te binden en liefst nog ‘trots’ te laten zijn op de natie. En ja, die verhalen staan onder druk. Tegenover die positieve verhalen worden negatieve verhalen verteld. Heutsz, van die straat waar het eerste Zomerparkfeest werd gehouden, werd van held een volkerenmoordenaar. Iets soortgelijks als Coen overkwam. Een ‘natie’ baseren op dergelijke verhalen, maakt haar kwetsbaar en ‘uitsluitend’ en is dat niet wat er nu gebeurt? Door te hameren op de ‘leidende joods-christelijke’ cultuur worden mensen buiten gesloten. Mensen die hier al lang wonen, deel uitmaken van de samenleving en ook niet meer weg willen. Bovendien wordt daarbij vergeten dat de grootste vervolgers van de joden christelijke wortels hadden.

Een paar Prikkers geleden schreef ik over identiteit. Ik haalde daar de filosoof Kwame Anthony Appiah aan. Appiah adviseerde landen om een ‘productieve identiteit’ te formuleren. Een identiteit die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.” Een ‘nationaal bindend verhaal’ dat niet is gebaseerd op ‘duizend jaar geschiedenis’ en ‘tradities’ maar op waarden. Appiah noemde er een: “Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.” Een waarde die rechtstreeks uit onze Grondwet (artikel 6) komt. En laat er daarin nog een paar meer staan. In Nederland is iedereen gelijk (artikel 1), komt iedereen in aanmerking voor een publieke functie (artikel 3), heb je stemrecht om volksvertegenwoordigers te kiezen (artikel 4)), mag iedereen vrij zijn mening uiten (artikel 7), mag je je eigen ‘clubje’ beginnen (artikel 8) en kijken we naar elkaar om (artkel 20). Zouden dit niet betere aanknopingspunten zijn om een ‘natie te binden’? Betere aanknopingspunten dan een geïdealiseerd en geromantiseerd verleden en een feestje als ‘koningsdag’, een feestje zonder verdere inhoudt. Zijn deze waarden niet eigenlijk de kern van de ‘traditie Nederland’? Onder deze waarden kan iedereen zijn ‘naaldboom’ het huis in slepen om iets te vieren. Kerstmis, chanoeka, het suikerfeest en de Venlose Vastelaovend, het kan allemaal in ‘ons land’. Net zoals het ook kan dat je je tot geen van die ‘feesten’ verhoudt. Nederland als een ‘feestzaal’, die iedereen de ruimte biedt om ‘zijn eigen feestje’ te vieren.  Maar wel verwacht dat iedereen zijn eigen ‘slingers’ ophangt.

Uitgelicht

Historische bijziendheid

Het einde van een jaar is voor veel ‘meningenmensen’ een moment om terug of vooruit te blikken. Nu eindigt er een decennium en is die verleiding nog groter. Eigenlijk loopt er geen decennium af, dat gebeurt pas aan het einde van 2020. We begonnen immers te tellen bij het jaar één en dan eindigt een decennium met een jaar met een nul aan het einde. Dit even terzijde. Bij Elsevier maakt columnist Afshin Ellian ook van de gelegenheid gebruik. Hij blikt terug op de eerste twee decennia van deze eeuw. Een terugblik met een bijzondere kijk op de geschiedenis. 

Bron: Wikipedia

“Het eerste decennium van deze eeuw verliep gewelddadig. Het terroristische geweld werd naar het westen gebracht.” Inderdaad was het eerste decennium niet vrij van geweld. Als we de geschiedenis van de mensheid bekijken, dan was er waarschijnlijk nog geen enkel decennium dat geweldloos verliep. Of het eerste decennium van de 21ste eeuw gewelddadiger was dan andere, daar valt het nodige over te zeggen. Daar kom ik later op terug. Nu eerst de tweede zin, het terroristische geweld dat naar het Westen werd gebracht. Bijzonder omdat terrorisme, zoals ik een Prikker van bijna een jaar geleden al schreef, de naam ontleent aan een periode uit Franse revolutie. Een periode met de naam la Terreur. In die Prikker beschreef ik de bijzondere omkering van het begrip terreur en terrorisme.  Van de staat als dader naar de staat als slachtoffer.

Sindsdien heeft terreur en terrorisme Europa en het Westen nooit verlaten. Zo vreest men dat het terroristische geweld  in Noord-Ierland na de Brexit weer hervat kan worden. Dat de tijden van The Troubles weer terugkeren.  In Spanje ligt het terrorisme van de ETA nog vers in het geheugen. Net als de RAF in Duitsland de Rode Brigades in Italië. Vanuit het Westen vond het terrorisme zijn weg naar de rest van de wereld. Al zal er ook in de rest van de wereld, net als in het Westen, wel terrorisme avant la Lettre zijn geweest. In eerste instantie vooral als verzet tegen de koloniale overheersing door het Westen. De strijders voor onafhankelijkheid kregen het stempel ‘terrorist’ opgeplakt. De neiging om iedereen die tegen het leiderschap van een land is ‘terrorist’ te noemen, bestaat nog steeds. Onder andere Erdogan, Poetin en Xi Jinping maken er nog graag gebruik van. 

Nee ‘terroristisch geweld’ werd niet naar het Westen gebracht. Wat er wel gebeurde is dat door fundamentalistische islamitische stromingen geïnspireerde ‘fanatici’ als een soort moderne ‘Zeloten’ geweld gingen gebruiken in hun strijd tegen ‘ongelovigen’ en om een islamitisch Kalifaat te stichtingen. Voor degenen die nog nooit van Zeloten hebben gehoord. Zeloot betekent ‘ijveraar’ en zo noemde zich een groep joden die geen ander gezag dan het goddelijke erkenden. De Zeloten verzetten zich met alle middelen tegen de Romeinse overheersing. Wat dat betreft staan de islamitische fanatici in een lange traditie.

Ellian vervolgt: “De aanslagen van 9/11 en wat daarop volgde, leidde tot twee grote oorlogen: Afghanistan en Irak. In beide landen is het niet gelukt om vrede en veiligheid te brengen.” Deze woorden suggereren dat de invallen in de beide landen tot doel hadden om vrede en veiligheid te brengen. Als dit de bedoeling was, dan zou je kunnen concluderen dat het gebruikte middel, de oorlog, de situatie zelfs flink heeft verslechterd. Nee, die oorlogen hadden geheel andere doelen. Doelen die heel weinig te maken hadden met vrede en veiligheid voor de Afghanen en Irakezen. In Afghanistan draaide het om Bin Laden. Die moest en zou koste wat het kost worden gepakt. De aanslagen van 11 september moesten worden vergolden en de Taliban liepen daarbij ‘in de weg’. Over wat er daarna zou moeten gebeuren, werd helemaal niet nagedacht. Dat gebeurde ook niet in het geval Irak. Daar moest Saddam weg. De jonge Bush wilde afmaken wat zijn vader had laten liggen. Omdat er geen aanleiding voor was, werd die gecreëerd. Hiervoor werd een verhaal ondersteund met vage beelden gefabuleerd dat wereld en vooral de Amerikaans bevolking moet overtuigen. Nee, nadenken over ‘na de oorlog’ gebeurde niet. De Amerikaanse troepen zouden immers makkelijk zegevieren en daarna zou als vanzelf een ‘liberale democratie’ uitbreken. Tenminste volgens het absurde neoconservatieve geloof van de regering Bush.

Bron: WikimediaCommons

Ellian gaat verder: “Wat niemand in het eerste decennium van deze eeuw voor mogelijk hield, dreigt nu werkelijkheid te worden: de rechtstreekse onderhandelingen tussen de politieke islam (Taliban) en het Westen. Wellicht komt er binnenkort nog een sharia-regime bij, wanneer Afghanistan met de instemming van het Westen aan terreurbeweging Taliban wordt overgedragen.” Nu waren de Taliban al eens aan de macht. Namelijk voordat de Amerikanen binnenvielen. Al vanaf 1996 regeerden ze in Afghanistan op een klein gebied in het Noorden van het land na. De Taliban maakten een einde aan de oorlogen die woedde tussen verschillende stammen die sinds het vertrek van Sovjets in 1989. Het streng islamitische karakter van de Taliban was ook toen al wijd en zijd bekend. Nee, de machtsovername door de Taliban in 1996 was hooguit goed voor een klein berichtje op pagina zes van die krant. Het Westen, de Verenigde Staten voorop, stemde niet expliciet in maar deed er ook niets aan om te voorkomen dat de Taliban aan de macht kwamen. Zelfs niet toen ze in maart 2001 de twee grote in steen uitgehouwen Boeddhabeelden van Bamyan vernietigden. De Verenigde Staten hadden na het vertrek van de Sovjets haar belangstelling voor het land verloren. Nee, het Westen had het  land allang ‘overgelaten aan terreurbeweging Taliban’. Wellicht was het in 2001 verstandiger geweest om te onderhandelen over de uitlevering van Bin Laden. Toen, in dat onderhandelingsproces, had het ‘Westen’ misschien nog iets voor de Afghanen kunnen betekenen. Nu staan de Taliban sterk in de onderhandelingen omdat het Westen niet de tijd, het geld en de wil heeft om er iets van te maken. Er wordt onderhandeld om van ‘het probleem’ af te komen.

Iets verderop in zijn betoog schrijft Ellian: “Het tweede decennium werd een bloedbad: de opkomst en bloei van Islamitische Staat (IS), de reorganisatie van Al-Qa’ida en aanverwante groepen liet ook een spoor van dood en verderf achter op straten van Europa: Parijs, Nice, Berlijn, Londen enzovoort. Wat een bloedbad, wat een slachting!” En daarmee kom ik terug op de ‘gewelddadigheid’ van decennia. Inderdaad dood en verderf in Europese steden. Als we het tweede decennium van vorige, de twintigste, eeuw nemen, dan zien we pas echt een bloedbad. Dat was het decennium van de zinloze slachtingen van de Eerste Wereldoorlog. Een oorlog waarvan al met Kerst in 1914 duidelijk was dat geen van de partijen hem op het slagveld zou kunnen winnen. Dat weerhield de betrokken landen echter niet om er nog drie jaar en miljoenen doden aan vast te plakken waardoor het aantal doden op zo’n 17 miljoen uitkwam. Qua bloedbad waren er echter nog ergere decennia in diezelfde eeuw. Neem het vierde decennium, de jaren dertig van de vorige eeuw. Het decennium van de tweede Japans-Chinese oorlog met tussen de 20 en 30 miljoen doden. Die vallen weer in het niet bij de 75 miljoen doden die een decennium later, tijdens de Tweede Wereldoorlog, vielen. Daarna werd het wat vreedzamer, maar toch nog steeds minstens zo bloedig als het nu aflopende decennium. Bij de oorlogen in de twintigste eeuw vallen oorlogen in Afghanistan en Irak in het niet.

De slag bij Borodino. Bron: Wikipedia

De twintigste eeuw stond daarin trouwens niet alleen. In de negentiende eeuw was het niet veel minder wreed en bloedig. Neem bijvoorbeeld het tweede decennium van die eeuw. Napoleon trok toen moest zijn Grande Armée door Europa en probeer Rusland te verslaan. In die eeuw vielen in China ook zo’n 12 miljoen slachtoffers in de Dungan Opstand en nog eens 20 miljoen in de Taiping Rebellie. In de jaren zestig van die eeuw werd de Amerikaanse burgeroorlog uitgevochten en in die gehele eeuw werden de Noord-Amerikaanse indianenvolken bijna uitgeroeid. Hierbij moeten we ons realiseren dat er in die tijd veel minder mensen op de aarde rondliepen.

Zo kunnen we doorgaan en verder de geschiedenis van de mensheid induiken. Dan kunnen we constateren dat die geschiedenis gewelddadig en bloederig was en dat de laatste twee decennia waarschijnlijk tot de minst bloederige en gewelddadige behoren. Maar ja, aangezien wij nu leven, lijkt alles wat er nu gebeurt altijd net iets groter, en belangrijker dan wat er vroeger is gebeurd. Wat dat betreft lijkt Ellian en met hem de gemiddelde mens op de Amerikaanse president Trump. Die plakt ook voor alle woorden als ‘greatest’ en ‘best’. De mens lijdt aan ‘historische bijziendheid’.

Uitgelicht

‘Ut is auk noejt good of ut deug neejt

“In 2019 vierden we honderd jaar vrouwenkiesrecht in Nederland. In 1919 werd namelijk het woord ‘mannelijk’ uit de Kieswet geschrapt. Door dat ene woordje te verwijderen, gold de Kieswet voortaan ook voor vrouwen.” Zo begint het artikel van Devika Partiman en Rachel Rumai Diaz bij OneWorld. “Maar de viering is geen inclusieve. De veranderde Kieswet gold namelijk niet voor álle vrouwen” Zo vervolgen de auteurs hun artikel. Een bijzonder artikel. Bijzonder omdat de auteurs concluderen dat de viering ‘niet inclusief’ is.  Mijn moeder zou verzuchtend hebben gezegd: ‘Ut is auk noejt good of ut deug neejt.’

Bron: Wikipedia

Eerst even een aanvulling op de strijd om het kiesrecht. Inderdaad mochten vrouwen in Nederland in 1922 door het schrappen van het woord ‘mannelijk’ voor het eerst stemmen voor de Tweede Kamer. Het woord ‘mannelijk’ stond pas sinds 1887 in de wet. Dit nadat een poging van Aletta Jacobs om zich op de Amsterdamse kieslijst te laten plaatsen door de Hoge Raad werd afgewezen. Jacobs voldeed aan alle vereisten van de Kieswet. Die vereisten bestonden uit het betalen van een bepaald bedrag aan belastingen. Door die ‘belastingeis’ was het ook voor veel mannen niet mogelijk om te stemmen. Ter verduidelijking werd in 1887 het woord ‘mannelijk’ toegevoegd. Het algemeen kiesrecht voor mannen is slechts twee jaar ouder dan dat voor vrouwen. Dat werd namelijk pas in 1917 ingevoerd. Tegelijkertijd werd de leeftijdsgrens voor het kiesrecht verhoogd van 23 jaar naar 25 jaar. In 1946 werd die leeftijd weer verlaagd naar 23 jaar, in 1965 naar 21 en in 1972 naar de huidige 18 jaar. Voor geïnteresseerden in de ontwikkeling van het kiesrecht in Nederland, op de site parlement.com staat die goed beschreven. 

“De feministische golf die had geleid tot het kiesrecht, spoelde namelijk niet aan in de overzeese gebieden die destijds nog in bezit waren van het Koninkrijk: Suriname, Nederlands-Indië en de Nederlandse Antillen.” Zo schrijven de auteurs terecht. In de toenmalige koloniën liep het allemaal anders. Daar moeten vrouwen nog jaren strijden voor kiesrecht. “De viering van honderd jaar vrouwenkiesrecht in 2019 draagt hier opnieuw niet positief aan bij, omdat het de verhalen van deze vrouwen wederom uitsluit,” zo schrijven de auteurs. “Op zoek naar verhalen over de vrouwen die in de voormalige koloniën vochten voor het vrouwenkiesrecht, zijn we afhankelijk van de huidige geschiedschrijving, en die is beperkt. Dit gebrek aan kennis zorgt ook voor een gebrek aan rolmodellen; niet omdat ze er niet zijn, maar omdat we hun historische waarde niet erkennen.” Het lijkt mij erg lastig om de waarde van iets te erkennen wat je niet kent. Met hun artikel dragen de auteurs bij aan het kennen zodat de lezer de waarde kan erkennen. Laten de auteurs niet juist zien dat herdenken wel positief bijdraagt? Zouden ze dit artikel ook zonder die herdenking hebben geschreven?

Echt bijzonder wordt het in de laatste zinnen van het artikel: “Pas als we deze geschiedenis accepteren als onderdeel van ons erfgoed, kunnen we de uitwassen van het classicisme, racisme en seksisme achter de ongelijke politieke vertegenwoordiging aanpakken. En pas dán kunnen we werkelijk juichen om honderd jaar inclusief vrouwenkiesrecht.”  Ongelijke politieke vertegenwoordiging die, zo is erboven te lezen, een gevolg is van een: “dominante groep die nog altijd overheerst.” Die zorgt voor een gemankeerde politieke cultuur: “die allesbehalve een weerspiegeling is van onze samenleving.” Gevolg hiervan is: “Dat er ook anno 2019 nog weinig vrouwen politiek actief zijn, de meeste politici een universitair diploma hebben, overwegend wit en hetero zijn, en uit rijkere milieus komen. … De cultuur is nog steeds niet gericht op vrouwen, en al helemaal niet op vrouwen van kleur of mensen uit armere milieus (of mensen met een beperking, mensen uit de lhbti+-gemeenschap).” 

Beste auteurs, als de politiek een weerspiegeling moet zijn van de samenleving dan moeten we allemaal in de politiek. Dan is het spiegelbeeld immers pas gelijk aan de werkelijkheid. De enige getrouwe afspiegeling van mij dat ben ik immers zelf. In een representatieve democratie is die afspiegeling onmogelijk. De volksvertegenwoordiging is ook niet bedoeld om ons af te spiegelen. Ze is bedoeld om ons te vertegenwoordigen en namens ons besluiten te nemen.

Maar wat belangrijker is, moeten we werkelijk wachten met het aanpakken van uitwassen van racisme en seksisme totdat de geschiedenis van vrouwen, mensen van kleur, mensen met een beperking, armen of lhbti+ wordt geaccepteerd? Classicisme laat ik maar even buiten beschouwing, want ik geloof niet dat er werkelijk mensen zijn die terug willen naar de klassieke periode? Naar het Rome van keizer Augustus of het Athene van Pericles. Ik neem aan dat jullie hier klasse bedoelen. Waarom is het van belang om alle te onderscheiden groepen in een samenleving als groep te erkennen en dan vooral hun rol als ‘slachtoffer’ van een ‘meerderheid’. Een meerderheid die er ook niet zelf heeft gekozen voor de situatie waarin ze ter wereld kwam? Hoe reëel is het om mensen de daden van hun verre voorvaderen aan te rekenen? Wanneer hebben we trouwens alle groepen gehoord, erkend en gewaardeerd? Moeten ook de geschiedenis van Trekkies, de aanhangers van de serie Start Trek worden meegenomen? En hoe verhoudt zie zich tot de aanhangers van Star Wars? Zouden we dan niet verder moeten totdat ieders geschiedenis en de individuele verklaring ervan bij alle anderen bekend en erkend is? Het individuele niveau is immers het kleinste te onderscheiden deel van een samenleving. Even afziend van mensen met een dissociatieve persoonlijkheidsstoornis.

Natuurlijk is het goed om het verleden te bestuderen vanuit diverse perspectieven. Als historicus kan ik dat alleen maar toejuichen. ‘acceptatie van al deze geschiedenissen als onderdeel van ons erfgoed’ is niet nodig om nu te pleiten voor een belastingverhoging voor rijken om te herverdelen naar de armen. Ook niet om nu maatregelen te nemen om racisme te bestrijden en discriminatie te voorkomen. 

Uitgelicht

Brecht, Maslow en een (basis)gift

“De vraag is hoe we de kwetsbare flexibele werknemers en zzp’ers zo goed mogelijk kunnen beschermen tegen onderbetaling, uitbuiting, ongunstige arbeidsomstandigheden en bestaansonzekerheid. En of we de ver doorgevoerde flexibele arbeidsmarkt wel in stand willen houden.” Die vraag stellen Marc Kuipers (Inspecteur Generaal van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en Justine Ruitenberg (afdelingshoofd bij de afdeling Programmering, signalering en onderzoek bij de Inspectie SZW) op de site Sociale Vraagstukken. Gelukkig geven ze ook het antwoord: “Het kabinet neemt met de invoering van de Wet Arbeidsmarkt in Balans op 1 januari 2020 een stap richting beteugeling van de flexibiliteit.” Zou dit werkelijk de vraag oplossen? Of zouden we hét antwoord in een heel andere richting moeten zoeken?

Bron: Pixabay

Ik stel die vraag omdat dit de zoveelste wet is die deze vraag probeert te beantwoorden en tot nu toe bleek geen van de voorgangers hét antwoord. Hoe de nieuwe wet wel hét antwoord wil zijn? “De wet is er onder meer op gericht om de afdracht van sociale premies hoger te maken voor flexibele arbeidscontracten dan voor vaste werknemers. Hiermee wordt een basis gelegd om flexibel werk te ontmoedigen. Dat sluit uiteindelijk ook aan bij de wensen van flexibele werknemers die immers best een vast contract, en dus meer zekerheid, willen.” Maar daarmee zijn we er volgens de auteurs nog niet: “Hiernaast is harmonisering van de Europese arbeidswetgeving nodig om verschillende escaperoutes te voorkomen. En een volgende stap is dat sociale partners, kennisinstituten, beleidsmakers en toezichthouders zich buigen over de vraag: moet arbeid wel in zoveel verschillende contractvormen mogelijk zijn?”  Het lijkt mij, dat ook deze wet dus nog niet hét antwoord is.

In hun artikel schetsen de beide auteurs het probleem: “De Nederlandse economie draait goed. De werkloosheid zit op of onder full employment niveau. Maar de lonen stijgen minder dan verwacht en het aantal flexibele arbeidsrelaties en zzp’ers is de laatste decennia sterk gegroeid. Dat is contra-intuïtief. Je zou verwachten dat werkgevers in tijden van krapte werknemers aan zich willen binden met extra loon en gunstige arbeidscontracten.” Volgens de auteurs zijn er mechanismen die: “de relatief lage lonen, de flexibele arbeidsrelatie en oneerlijk werk,” in stand houden. 

Zo houdt prijsconcurrentie de lonen laag en de arbeidsrelatie onzeker: “De vele juridische arbeidsvormen in Nederland, zoals payrolling, oproepcontracten, nul-urencontracten en uitzendwerk, maken besparingen op het loon mogelijk.”  Iets wat nog wordt versterkt door het verschijnsel ‘schijnzelfstandigheid.

Dan zijn er mazen in de wet die het mogelijk maken om de geldende CAO’s te ontwijken: “Het komt voor dat nieuwe bv’s worden opgezet in een andere CAO om duurdere CAO’s te vermijden. Ook is het voor uitzendbureaus die met veel arbeidsmigranten werken, aantrekkelijk om een buitenlandse vestiging te openen, zodat bijvoorbeeld Bulgaren en Roemenen in Nederland kunnen werken tegen de lagere sociale premies van hun eigen land.”

Een derde mechanisme is het ontstaan van de platformeconomie: “hier gebruikt men constructies – de relatie wordt beschreven als ad hoc of niet structureel – om vaste contracten te omzeilen. Medewerkers werken vaak als zzp’er en hebben geen goed geregelde arbeidsvoorwaarden.”

Als laatste zijn er arbeidsmigranten: “die bereid zijn hetzelfde werk onder slechtere omstandigheden en voor minder geld uit te voeren.” 

De oplossing die door de beide auteurs, en getuige de nieuwe wet ook door onze regering en het grootste deel van onze volksvertegenwoordigers wordt aangehangen, is het ontmoedigen van flexibele – en het proberen te stimuleren van vaste arbeidscontracten. Zeker omdat uit onderzoek blijkt dat: “tachtig à negentig procent van de flexibele werknemers een vast contract uiteindelijk (heel) belangrijk.” En als dat belangrijk wordt gevonden  dan moeten we daar wat aan doen. Daar kan ik me in vinden. 

Een eerste stap is dan de analyse van het probleem. Mensen vinden, zo blijkt dus uit onderzoek, een vast contract belangrijk. Nu moet ik bij zo’n gegeven altijd denken aan een uitspraak die wordt toegeschreven aan Henry Ford maar die hij waarschijnlijk nooit heeft gedaan: ‘If I had asked people what they wanted, they would have said faster horses’. Die zin drukt precies mijn gedachten bij dergelijke onderzoeksresultaten uit. Inderdaad zou niemand in het midden van de negentiende eeuw ‘een auto’ hebben geantwoord op de vraag wat er nodig was om sneller van A naar B te komen. Een auto bestond nog niet en was, wellicht op Jules Verne en een enkele uitzondering na, niet voorstelbaar. Mensen denken immers vooral binnen voor hen bekende en voorstelbare kaders. Als je het gros van de mensen met een flex-contract vraagt naar hun arbeidswensen voor de toekomst, dan zullen die antwoorden: doe mij maar een vast contract. Dus logisch dat de beide auteurs denken: we moeten werken aan vaste contracten. 

Maar toch. Stel ze de vraag waarom wil je dat vaste contract? Dan zullen ze antwoorden dat hen dit zekerheid geeft. Zekerheid van waaruit ze aan hun toekomst kunnen werken: ‘huisje boompje, beestje.’ Een ‘vast contract biedt die zekerheid. Of toch niet? Vaste contracten worden geregeld door werkgevers beëindigd. Faillissement, economische omstandigheden, onwerkbare arbeidsverhoudingen, niet functioneren, het kan allemaal leiden tot ontslag. Die nieuwe Wet arbeidsmarkt in balans moet werkgevers verleiden tot het bieden van een vast contract. Maar hoe ‘zeker’ is dat vaste werk? Dat verleiden gaat immers gepaard met het versoepelen van het ontslagrecht. Trouwens ook van de zijde van de werknemer worden de vaste contracten opgezegd. Een ‘nieuwe uitdaging’ of een ‘verbetering in de arbeidsvoorwaarden’ en weg is de vaste medewerker. En, zoals alle eerdere wetten al duidelijk maakten, is de werkelijkheid hardnekkiger dan de ‘theoretische beschouwingen’ die aan de wet ten grondslag liggen.

Bron: Wikipedia

Zekerheid geeft een mens de ruimte. Ruimte om zich te ontwikkelen. Ruimte om risico’s te nemen en zich met het onzekere bezig te houden. Dat bedoelde de Duitse schrijver Bertolt Brecht met de de beroemde woorden: “Erst kommt dass Fressen, dann kommt die Moral,” in het toneelstuk Dreigroschenoper. Dat is ook de theorie achter de piramide van Maslow. Veiligheid en zekerheid vormen in het denken van Maslow de tweede soort behoeften voor een mens. Dit nadat aan de lichamelijke behoefte, (eten, drinken, slaap, kleding, onderdak) is voldaan. Pas daarna komt de mens toe aan zijn sociale behoeften (vriendschap, familie, seksuele intimiteit). En als de geschiedenis iets heeft uitgewezen dan is het dat de mens leert en zich ontwikkelt door risico’s te nemen. Een ‘wiel’ vind je pas uit als je er de tijd, maar vooral de (geestelijke) ruimte voor hebt. Wat als de overheid zich richt op het bieden van een basiszekerheid? Een basisinkomen?

Het idee van een basisinkomen is niet nieuw. Het is geen ‘uitvinding’ van Rutger Bregman die het in 2016 met zijn boek Gratis geld voor iedereen weer onder de aandacht bracht. Die eer komt hem toe. Met een beetje fantasie kun je het zelfs een zeer oud idee noemen. Je zou de gemene gronden een soort proto-basisinkomen kunnen noemen. Deze gronden (het kon ook een bos, rivier of meer zijn) konden alle inwoners van het dorp of het gebied gebruiken om de opbrengst van hun eigen stukje grond wat verder aan te vullen. Gebruik dat aan voorwaarden was verbonden. Voorwaarden die voorkwamen dat de grond uitgeput raakte of dat een enkeling zich het grootste deel toe-eigende. 

Een veel genoemd bezwaar tegen een basisinkomen is dat het mensen zou tegenhouden om te werken en het zou onbetaalbaar zijn. Een basisinkomen is een manier om te herverdelen en je kunt alleen dat herverdelen wat er is. De kunst bij het herverdelen is ervoor te zorgen dat het basisinkomen voldoende is om een set van basisgoederen te verwerven, het is niet bedoeld voor verlangens of luxe maar voor behoeften. Betaalbaarheid is een keuze: als we het als samenleving willen, dan kan het. Alleen kan dat betekenen dat een deel van de samenleving meer moet gaan bijdragen.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn er enkele bijzondere experimenten met een basisinkomen uitgevoerd in de Verenigde Staten en Canada. Deze experimenten hebben veel gegevens opgeleverd die indertijd niet zijn geëvalueerd. De reden hiervoor is dat er eind jaren zeventig een andere politiek-economische (neoliberale) wind ging waaien. Deze experimenten pasten daar niet in en zijn beëindigd zonder evaluatie. Gelukkig zijn de gegevens wel bewaard gebleven. De afgelopen jaren zijn deze gegevens wel bestudeerd. Evelyn L. Forget heeft een set uit het Canadese dorp Dauphin doorgenomen om te kijken welke effecten een basisinkomen heeft op de gezondheid van mensen. Haar artikel sluit af met de volgende zin: “These results would seem to suggest that a Guaranteed Annual Income, implemented broadly in society, may improve health and social outcomes at the community level.” Het experiment zorgde voor minder ziektekosten door ongelukken en verwondingen maar wat vooral opviel was dat er minder psychische problematiek was. Ook bleek uit het onderzoek van de gegevens uit Canada dat er sprake was van een kleine vermindering van de deelname aan het arbeidsproces. Dit kwam vooral op het conto van vrouwen en jongeren. Nadere bestudering van de cijfers leerde dat zij die tijd niet zaten te verlummelen. Vrouwen spendeerden die tijd aan de opvoeding van hun kinderen. Jongeren bleken langer door te leren en dus beter beslagen de arbeidsmarkt op te gaan. Ze investeerden in zichzelf en daar hebben ze ook na het beëindigen van het experiment nog van geprofiteerd. Het weerhoudt mensen dus niet om te gaan werken. Omdat hun ‘Fressen’ zeker is, ontwikkelen ze zich. Ze bevredigen, om Maslow te gebruiken, hoger in de piramide gelegen behoeften.

Bron: Wikipedia

De Franse antropoloog Marcel Mauss bestudeerde begin vorige eeuw, zoals het toen en ook nu nog vaak worden genoemd, ‘primitieve culturen’. Hij zag dat in die culturen de gift een belangrijke plek innam in het overleven van de groep (lees zijn boek Over de gift). Mauss zag dat de gift geen individuele handeling was, maar een maatschappelijke verplichting waaraan een individu zich niet kon onttrekken zonder uitgestoten te worden. Bij een giftrelatie ontstond een schuldbalans tussen gever en nemer. Iemand kreeg iets van de gemeenschap en dat gaf de zekerheid erbij te horen en dat erbij horen kwam met de morele plicht. De gift versterkte de onderlinge betrokkenheid binnen de groep. Nu kan de onderlinge betrokkenheid in onze samenleving ook wel een impuls gebruiken. Geen basisinkomen maar een basisgift?

Uitgelicht

Hans, en de vraag 'Wie ben ik?'

In mijn laatste Prikker schreef ik over ‘misgenderen’. Dit naar aanleiding van een klein artikeltje op de site OneWorld. Zelfs na die Prikker liet één zin in het artikel me niet los. De zin: “Je wilt iemand, die zelf nog niet voor hun identiteit uitkomt, niet outen.” Als ik die zin en de context waarin de zin wordt gebruikt goed begrijp, dan is identiteit gelijk aan je eigen genderkeuze. ‘Identiteit’ een woord dat tegenwoordig zeer veel wordt gebruikt: de ‘Nederlandse identiteit’,  de ‘moslim identiteit’ en hier dus de ‘gender identiteit’. Eenzelfde woord dat wordt gebruikt in zoveel verschillende contexten, dat moet wel tot verwarring leiden. Wat is ‘identiteit’ en waarom maken we ons er druk om? 

Bron Pixabay

Voor het beantwoorden van de eerste vraag begin ik, waar ik vaker begin, de Van Dale. Die geeft twee betekenissen: gelijkheid: je identiteit bewijzen bewijzen dat je de persoon bent voor wie je je uitgeeft’ en als tweede: ‘eigen karakter’. De eerste verklaring heeft te maken met je paspoort: is iemand de persoon die hij zegt dat hij is. Over het gebruik van het woord in deze betekenis gaat het hier niet. Als we het over de ‘… identiteit’ hebben, dan hebben we het over de tweede betekenis: karakter. Maar wat is karakter? De Van Dale geeft vier betekenissen. De eerste, figuur of letterteken’, valt af dan resteren er nog drie. Als eerste ‘iemands eigenschappen, aard, inborst’. Als tweede ‘goede eigenschappen’. De laatste ‘het eigenaardige, typische’. Van Dale gebruikt de betekenis vooral gericht op individuen. Hoe komen we van het individu naar een groep?

Dan maar even Wikipedia geraadpleegd. “ Identiteit is de eenheid van wezen, volkomen overeenstemming en gelijkheid. Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, is het zelfbeeld of zelfconcept.” Daarmee zijn we terug bij mijn laatste Prikker. De trans persoon die niet met het juiste voornaamwoord wordt aangesproken. Het zelfbeeld van die trans persoon stemt niet overeen met het door de ander opgemerkte beeld. Met zijn imago of image, om die reclameterm te gebruiken, de: “indruk die de buitenwereld heeft van iemand of iets.” Die kunnen verschillen. Wikipedia gaat verder: “Er zijn verschillende soorten van het begrip identiteit te onderscheiden, zoals persoonlijke, genetische, sociale, culturele en nationale identiteit.” En daarmee komen we van het individu bij de groep: de culturele en nationale identiteit.

We komen er, maar het wordt er niet duidelijker op. “Een culturele identiteit ontstaat als een samenleving kiest voor een groepsverbondenheid die deze zelf definieert op grond van gemeenschappelijke waarden en normen en op grond van een gemeenschappelijk verleden. Culturele identiteit is een toeschrijvingsproces dat wortelt in een historisch continuïteitsbesef.” Zoals het hier is geformuleerd lijkt het alsof er sprake is van een bewuste keuzeproces waarbij men kiest welke normen en waarden er wel bij horen en welke niet. Een soort ‘vergadering’ van alle leden van de samenleving die gaan stemmen wat wel en niet tot die ‘culturele identiteit’ behoort. Maar wat als ik dan een minderheidsstandpunt vertegenwoordig? Hoor ik dan niet meer bij die culturele identiteit?

Als een culturele identiteit ontstaat door een keuze van een samenleving, waarin verschilt die culturele identiteit dan van de nationale identiteit. Een nationale identiteit is: “de collectieve identificatie met de natiestaat. De nationale identiteit is onderdeel van de sociale identiteit.” De sociale identiteit: “is het bewustzijn van een persoon tot een bepaalde groep te behoren en door anderen als zodanig behandeld te worden. Die groep heeft een gewenst zelfbeeld en wordt door anderen als uniek onderscheiden. Het zelfbeeld hoeft niet overeen te komen met het beeld dat buitenstaanders van een groep hebben, dat vaak gekenmerkt wordt door stereotypes.” Tot zover gaat het nog wel, maar dan: “De sociale identiteit is opgebouwd uit de identiteit van groepen waartoe iemand kan behoren, zoals de nationale, culturele, geslachts-, politieke of stedelijke identiteit.” Alle mogelijke andere identiteiten bepalen de sociale identiteit van een persoon. Daarbij de aantekening dat ‘identiteit’, zoals de Van Dale aangeeft, een zelfbeeld is. Dat zelfbeeld hoeft niet overeen te stemmen met het beeld dat anderen hebben van de persoon, cultuur of natie.

Identiteit lijkt daarmee, zoals de Vlaamse psycholoog Paul Verhaeghe op bladzijde 14 van zijn boek Identiteit schrijft: “het verschuivende beeldscherm van de buitenwereld, die steevast als spiegel voor die identiteit fungeert.” Dus de vraag hoe het ‘ik’ zich verhoudt tot de ‘buitenwereld’. Daarmee kan identiteit niet los worden gezien van imago. De trans persoon die ‘anders’   wordt waargenomen dan gewild, kijkt in Verhaeghes beeldscherm en moet daar iets mee. Een steen door dat beeldscherm werpen is dan een weinig succesvolle strategie. Identiteit is, volgens Verhaeghe op pagina 15, niet statisch: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, is hoogst twijfelachtig.” Zou een onveranderlijke nationale of culturele identiteit dan niet even twijfelachtig zijn?

Een paar bladzijden verder, op pagina 19, schrijft Verhaeghe iets waarmee we de stap maken naar het waarom ‘we’ ons zo druk maken om de ‘identiteit’. Verhaeghe ziet “twee fundamentele gerichtheden die vermoedelijk typerend zijn voor al wat leeft: we willen deel uitmaken van grotere gehelen en tegelijk streven we naar onafhankelijkheid.” Voor het bij een groep horen hebben we de ‘culturele’ en ‘nationale’ identiteit’, die we onderdeel laten uitmaken van onze individuele ‘sociale identiteit’. Onze individuele identiteit maakt echter ook deel uit van die sociale identiteit en door die individuele identiteit: “kan men zich onderscheiden binnen een groep”, om Wikipedia aan te halen. 

Maarten Luther. Bron: WikimediaCommons

Zou die grote belangstelling voor ‘identiteit’ te maken hebben met wat er in het ‘verschuivende beeldscherm’ te zien is? Dat beeldscherm laat ons steeds meer van de buitenwereld (dichtbij en veraf) zien. Steeds meer ‘beelden’ waartoe je je als individu moet verhouden. Maar ook omgekeerd, steeds meer ‘buitenwereld’ die jou via een beeldscherm ziet en zich ook weer tot jou moet verhouden. En op collectief, cultureel- of nationaal niveau, gebeurt precies hetzelfde. Francis Fukuyama lijkt ook in die richting te denken in zijn recente boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek. Volgens Fukuyama staat Maarten Luther aan het begin van het begrip identiteit of zoals hij het zelf schrijft op pagina 48: “Luther is dus verantwoordelijk voor het (in identiteitskwesties centrale) idee dat het innerlijke zelf diep is en vele lagen heeft die alleen door persoonlijke introspectie aan het licht gebracht kunnen worden.”  Luther was, zo betoogt hij, de eerste die het innerlijke en uiterlijke scheidde en de nadruk legde op het innerlijke. De keus die de (innerlijke) mens had en die zijn identiteit bepaalde: had slechts één dimensie,” zo betoogt Fukuyama, en dat was: “de aanvaarding van Gods genade. Er waren maar twee keuzemogelijkheden: je was vrij om al dan niet voor God te kiezen.” 

Dat het onderscheid tussen het innerlijke en het uiterlijke in Europa ontstond was volgens Fukuyama geen toeval (pagina 55): “ De Europese samenleving maakte een reeks ingrijpende economische en sociale veranderingen door, die leidden tot de materiële omstandigheden waardoor zulke ideeën zich konden verbreiden.” Welke veranderingen dat waren beschrijft hij op pagina 57: “Toen markten groeiden als gevolg van technologische veranderingen, ontstonden er nieuwe beroepen en kwamen er andere sociale klassen op. Steden werden machtiger en onafhankelijker en ze dienden als toevluchtsoorden voor boeren die aan de tirannie van hun heer probeerden te ontkomen.” Die veranderingen betekenden dat : “de mensen opeens meer keuzen en kansen hadden in hun leven. In de oude samenleving bepaalden hun beperkte sociale keuzemogelijkheden wie zij voor zichzelf waren; nu de bestaande grenzen werden doorbroken werd de vraag ‘Wie ben ik?’ opeens relevanter, evenals het gevoel dat er een enorme kloof bestond tussen de innerlijke mens en de uitwendige realiteit. Ideeën vormden de materiële wereld, en de materiële wereld creëerde omstandigheden voor de verspreiding van bepaalde ideeën.” 

Om het wat duidelijker te maken, een voorbeeld (Fukuyama pagina 89). “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.” Fukuyama vervolgt met een beschrijving van de ‘nieuwe wereld’ van Hans die naar het, in de negentiende eeuw snel industrialiserende, Ruhrgebied verhuisde. In die nieuwe wereld is alles anders. Hans komt mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk.” Hans ziet in zijn ‘beeldscherm’ een hem onbekende wereld. Een onbekende wereld die bij hem de vraag oproept: hoe verhoud ik me tot die wereld? Wie ben ik en welke rol speel ik in deze nieuwe wereld? Die vraag stelden zich vele mensen in Europa.

Het tijdperk van ‘Hans’ werd gekenmerkt door grote sociale en maatschappelijke verandering. De samenleving veranderde van een agrarische naar een industriële. Nieuwe ‘banen’, andere maatschappelijke verhoudingen, nieuwe onzekerheden en het wegvallen van bestaande zekerheden. Iets wat ook voor het huidige tijdsgewricht lijkt op te gaan. Voor velen is niet duidelijk of het werk dat ze nu doen er over vijf jaar nog is. Een robot kan het zomaar overnemen of er ontstaat ineens een ander alternatief voor je werk en dan ben je net zo overbodig als de ‘hoefsmid’. De vraag op wie je kunt terug kunt vallen bij pech is ook weer actueel. Die was vanaf de jaren vijftig beantwoord: op sociale regelingen. Alleen zijn die sinds de jaren tachtig flink ingekrompen en van karakter veranderd. Net als Hans zien we mensen uit andere streken met een andere taal en gebruiken. En net als Hans zien we nu politici, zelfs van over de hele wereld, die ons allemaal voor zich proberen te winnen maar waarvan we ons afvragen of ze werkelijk met ons lot zijn begaan. 

Uiteindelijk kreeg Hans een antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’ Fukuyama haakt bij dat antwoord aan bij de negentiende-eeuwse socioloog Ferdinand Tönnies die de ontwikkelingen omschreef als een overgang van ‘Gemeinschaft’ naar ‘Gesellschaft’. Fukuyama (pagina 91): “De psychologische ontregeling als gevolg van de overgang van Gemeinschaft naar Gesellschaft vormde de grondslag voor een nationalistische ideologie, die gebaseerd was op een intense heimwee naar het denkbeeldige verleden van een sterke gemeenschap, waarin verdeeldheid en verwarring van een pluralistische moderne samenleving niet bestonden.” Het antwoord dat Hans kreeg luidde daarmee (pagina 92): “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.” Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts.   

Viering 14e juli Parijs. Bron: WikimediaCommons

In een recent interview door  de Volkskrant met de filosoof Kwame Anthony Appiah een interessante passage: “Identiteit is vaak gebaseerd op leugens, schrijft Appiah. Maar: we hebben die leugens nodig. Elke groep heeft behoefte aan een gezamenlijk verhaal om de leden te binden.” Daar heeft Appiah een punt. Neem het antwoord dat Hans kreeg, hoe ‘waar’ zou dat zijn? Iedereen met een beetje kennis van het verleden, weet dat een gesprek tussen een negentiende-eeuwse Duitser uit Beieren en zijn ‘landgenoot’ uit Keulen of Hamburg onmogelijk zou zijn. Hun ‘Duits’ was zeer verschillend. Net zoals een Fransman uit Parijs zijn landgenoot uit Bretagne niet zou begrijpen en ‘unne Venlonaer’ zijn Friese landgenoot niet. Hoezo gemeenschappelijke taal en cultuur?

Het antwoord dat Hans kreeg wordt door politici als Wilders en Baudet nog steeds gegeven: ‘je bent een trotse Nederlander met een oude cultuur en geschiedenis enzovoorts’. Het bijzondere hierbij is dat Baudet terug lijkt te verlangen naar de periode waarin Hans in onzekerheid verkeerde. Alleen lopen er tegenwoordig veel Nederlanders rond die zich hierin niet herkennen. Je kunt je bovendien afvragen of een antwoord uit het verleden past bij de uitdagingen van het heden. Of, om een citaat van Verhaeghe dat ik hierboven al gebruikte te herhalen: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, is hoogst twijfelachtig.” Appiah bevestigt dit en geeft een waardevol advies: “Ik vind dat je identiteit licht moet dragen….” 

Een licht gedragen identiteit, is dat niet wat de tijdgenoten van Hans ook deden? Zij zochten naar een overkoepeld iets en dat werd gevonden in de Duitse, Franse enzovoorts taalfamilie. Al begrepen de verschillende ‘familieleden’ elkaar in eerste instantie niet. Bij die ‘taalfamilie’ werden vervolgens andere ‘leugens’ gevoegd en ziedaar de Duitse, Franse, Nederlandse, Italiaanse enzovoorts identiteit. ‘Leugens’ zoals een gedeelde christelijke beschaving waarbij twee eeuwen godsdienstoorlogen voor het gemak wat worden gebagatelliseerd. Maar ook leugens als ‘belangrijke’ historische gebeurtenissen, bijvoorbeeld ‘1600 slag bij Nieuwpoort’, die achteraf worden gezien als ijkpunten van die ‘nationale identiteit’. Achteraf omdat, zoals ik vorig jaar rond deze tijd schreef, het leven vooruit wordt geleefd en achteruit verklaard. Dat antwoord was passend in een tijd waarin de economie vooral nog regionaal opereerde. Door het steeds internationaler worden van die economie werd die lichte identiteit echter steeds zwaarder. Bedoeld om mensen te binden, werd die ‘nationale identiteit’ een middel om je af te zetten tegen andere ‘nationale identiteiten’.

Appiah: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” Maak collectieve identiteiten niet ‘uitsluitend’ maar ‘zoals Appiah het noemt, ‘productief’: “Als je een nationale identiteit bouwt die doet alsof iedereen al duizend jaar in Nederland woont, sluit je mensen uit die niet ergens anders naartoe zullen gaan. Maar het is perfectly fair om bijvoorbeeld te zeggen: Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.’” Een identiteit die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.”

Een lichte identiteit op het niveau van een samenleving, maar ook op persoonlijk niveau. Het citaat van Appiah over licht dragen van je identiteit gaat verder: “ …maar sommige van die bewegingen zijn zwaar. Ze trekken mensen in een identiteit waar ze helemaal geen zin in hebben. Ik heb er geen bezwaar tegen als mensen in een homo-enclave in de stad willen wonen, maar zelf wil ik dat niet. Ik voel me aangetrokken tot mannen, maar de laatste dertig jaar slechts tot één man, Henry. Henry is een groot feit in mijn leven, niet mijn homoseksualiteit. Laten we mensen niet in categorieën persen.” 

Ik begon met het verwijzen naar de vorige Prikker en de zin: “Je wilt iemand, die zelf nog niet voor hun identiteit uitkomt, niet outen.” Ik hoop dat de trans persoon zich veel meer voelt dan trans persoon.


Uitgelicht

‘Hij zij mevreer tegen mij’

‘Misgenderen’. Ik had er nog nooit van gehoord. Nu komt dat wel vaker voor. Ik wist ook niet dat ik ‘cis’ was en toch schijn ik het te zijn. Je wordt, zo lees ik bij OneWorld ‘gemisgenderd’: “als je aangesproken wordt met het verkeerde persoonlijk voornaamwoord.” Dat overkomt mij ook weleens omdat ik, anders dan veel van mijn sexe- en leeftijdsgenoten, nog een flinke bos haren heb, dan word ik weleens als ‘mevrouw’ aangesproken. Als die persoon zich bewust wordt van het feit dat hij, om dat voor mij nieuwe woord te gebruiken, ‘misgendert’ dan zorgt dat voor ongemak bij die persoon. Tot zover geen probleem. Een nieuw woord geleerd. Maar … .

Bron: Wikipedia

Het wordt een probleem als ik lees: “Dit kan bij trans personen veel pijn en trauma veroorzaken ‘omdat mensen weigeren je te zien zoals jij gezien wilt worden’.” Het wordt nog een groter probleem als ik een zin verder lees dat: “Anderen corrigeren als ze de mist in gaan is volgens Nudwanje ook belangrijk omdat het hun de kans geeft om te groeien, te leren en respectvollere mensen te worden.”  Het wordt nog vreemder als je bij dat corrigeren: “altijd (moet) letten op je eigen veiligheid en die van anderen. Is een trans vriend die gemisgenderd wordt in deze groep bijvoorbeeld al ‘uit de kast’, of nog niet? Een belangrijke regel daarbij is: ‘Je wilt iemand, die zelf nog niet voor hun identiteit uitkomt, niet outen.’” Dit gaat wel erg ver.

Laten we er eens naar kijken met het klassieke ‘zender-ontvanger communicatiemodel’ in het achterhoofd. De boodschap begint bij een ‘zender’ die iets wil overbrengen. In dit geval de trans persoon. Die wil zijn ‘genderkeuze’ overbrengen. Of soms ook niet, want als die nog ‘in de kast’ zit, ligt het weer anders. De boodschap van de zender kan bij de ontvanger anders aankomen dan bedoeld. Dan is er sprake van ruis. Ruis kan worden veroorzaakt door de zender, omdat de zender geen heldere boodschap formuleert of niet goed codeert? Het kan aan de ontvanger liggen, die mist signalen van de boodschap of begrijpt de boodschap niet. Zeker als de ‘trans persoon’ nog ‘in de kast zit’ zou het zomaar eens kunnen zijn dat die persoon de boodschap niet duidelijk codeert. Maar ook als de persoon ‘uit de kast’ is, kunnen er misverstanden ontstaan. Hoe kan de ontvanger weten dat er sprake is van een ‘kast’ en of die persoon er al dan niet ‘in zit’ en vervolgens van welke ‘kast’? Weigert’ de persoon die mij met ‘mevrouw’ aanspreekt mij te zien zoals ik gezien wil worden?

Laten we als voorbeeld een ober in een restaurant nemen. Die ziet een persoon met nog een andere persoon binnen komen en schat in: man en vrouw. Wat hij niet weet en niet kan zien is dat de man zich vrouw voelt. De ober spreekt hen aan met dag mevrouw en dag meneer. De ober ziet een van beiden niet zoals die persoon zelf gezien wil worden. Ter verduidelijking. Enkele jaren geleden won Oostenrijk het Eurovisie songfestival. Namens dat land nam Conchita Wurst deel. Conchita stond met een volle baard op het podium. Baarden zijn een signaal voor mannelijkheid. Wurst droeg een jurk. Die jurk zond ‘vrouw’ uit. Stel zo’n persoon loopt je restaurant binnen en als ober wil je de gast beleefd en respectvol welkom heten, wat zeg je dan? Stel je zegt ‘meneer’ en het is een ‘mevrouw’ wie veroorzaakt dan de ruis in de communicatie? Je kunt het proberen op te lossen door te vragen ‘moet ik u meneer of mevrouw noemen’? Maar als het ‘verkeerd’ aanspreken al wordt gezien als iemand ‘weigeren te zien zoals die gezien wil worden’, geldt dat dan niet ook voor het stellen van die vraag? Natuurlijk kun je het proberen met ‘goede middag ‘Mevreer’. 

Dat het voor een trans persoon lastig is of kan zijn, dat kan ik heel goed beredeneren. Maar om de pijn die je voelt, een eventuele trauma dat je oploopt te verwijten aan iemand die je per ongeluk verkeerd aanspreekt en deze persoon vervolgens niet respectvol te noemen dat gaat mij echter veel te ver.

Uitgelicht

NEXIT? De verkeerde strijd.

Het is genoeg. Nederland moet uit de EU. En daarom gaan wij een denktank opzetten om dit proces van uittreding te versnellen. We gaan de zaak promoten van een vrij en onafhankelijk Nederland. Wij maken samen met u een vuist tegen de macht van Brussel. Wij hebben uw ideeën en uw inzet hard nodig. U hoort snel van ons.” De laatste woorden van het visiedocument van de ‘Nexit-denktank’ van Rutger van den Noort. In een schrijven bij Opiniez geeft hij aan waarom die ‘danktank’ nodig is: Natuurlijk zijn er een hele hoop nadelen aan een Nexit en deze zijn voldoende bekend. Toch is er geen goed beeld van de Nederlandse toekomst zonder EU. Welke randvoorwaarden zijn er nodig voor een soeverein land dat op een goede manier handel kan drijven met zijn buurlanden?” Ik moest denken aan het boek The Globalization Paradox van Dani Rodrik. Op het waarom kom ik later terug. Eerst het visiedocument.

Bron: Flickr

“Jarenlang onderdeel uitmaken van de Europese Unie heeft Nederland lui gemaakt,” lezen we in de eerste alinea. Een stelling die niet wordt onderbouwd. Geen al te sterk begin voor een visiedocument.

Die zin wordt gevolgd door: “Door de EURO is het makkelijk om te betalen als je op reis bent, maar de kracht van de eurozone is laag. Uitwassen in Brussel en Straatsburg leiden tot voortdurende frustratie. De waardeoverdrachten vanuit Nederland naar Zuid/Oost-Europa maken ons arm.” Eerst die makkelijke euro. Die valt bij een Nexit weg en dan wordt het lastiger op reis. Dan moet de Nederlander zijn gulden, want ik neem aan dat Van den Noort die dan terug wil, inwisselen voor de valuta van het land waarnaar wordt gereisd. Als midvijftiger weet ik maar al te goed wat dat betekent. Nee, ik begin niet over de volle beurs met veel vreemde munten want we leven immers in het digitale tijdperk. Nou ja, niet overal, zelfs niet in Europa. Wat het wel betekent: extra kosten voor het wisselen, steeds prijzen moeten omrekenen: ‘hoeveel guldens gaan er in een pond, euro of dollar? 

Dan het tweede deel, het populaire verhaal dat het ‘Noorden’ wordt uitgemolken door het ‘Zuiden’. Wat wordt vergeten is dat tegenover die ‘waardeoverdrachten’ een positieve Nederlandse handelsbalans staat naar die landen. Die landen gebruiken dat geld om onze producten te kopen en ons zo aan het werk te houden. Hoe zou dat na een Nexit zijn? Dan moet er een wisselkoers worden vastgesteld tussen die nieuwe gulden en de euro. Wat die koers ook wordt, het kost Nederland ergens export. Of export naar Duitsland, het land waarmee we het meeste handel voeren. Of export naar die Zuid Europese landen. De ‘waardeoverdrachten’ vallen weg, maar ook het handelsoverschot en dus banen van mensen die de betreffende producten maken.

Over naar de tweede alinea: “Nederland staat bekend om zijn handel. Met onze handelsgeest, een belangrijke haven en een strategische agrarische ligging zijn we goed voorgesorteerd om internationaal zaken te doen. Veel van onze handel gaat naar andere EU landen, maar de toekomst van de handel ligt vooral in Noord Amerika, Azië (Belt & Road) en Afrika. Honderden jaren doen we al zaken wereldwijd en met of zonder de EU zullen we zaken blijven doen. We zijn een handelsnatie!”  De ligging van Nederland, in een rivierendelta, zal niet veranderen bij het verlaten van de Europese Unie. De Rotterdamse haven zal blijven liggen waar ze nu ligt. Maar zal die haven net zo belangrijk blijven? Van den Noort noemt in zijn opsomming van de toekomst van de handel ‘Belt & Road’. Laat dat Chinese initiatief nu net bedoeld zijn om de goederen via verschillende routes te laten stromen. Een vorm van Chinees kolonialisme’, divide et impera’ om een Latijnse spreuk te gebruiken. De Spaanse havenstad Algeciras, op dit moment de vijfde haven van Europa, zou een Nexit kunnen aangrijpen om haar positie op de Afrikaanse markt te versterken. Ook Antwerpen en Hamburg, respectievelijk de tweede en derde Europese havens, zouden flink van een Nexit profiteren. Een Nexit betekent immers één extra grens en dus een extra barrière voor Rotterdam.

Bij een ‘agrarische ligging’ kan ik me niet zoveel voorstellen. Maar als Van den Noort bedoelt dat de agrarische sector het makkelijker krijgt op de wereldmarkt, dan is daar nog wel wat over te zeggen. Het afzetgebied voor agrarische producten uit Nederland bevindt zich vooral in de Europese Unie. 72% van alle agrarische handel gaat naar tien landen waarvan er zeven (ik tel de Britten al niet meer mee) in de Europese Unie liggen. Een kwart gaat naar Duitsland gevolgd door onze zuiderburen met 11%, de Britten met 10% en de Fransen met 9%. Zouden grenzen de export makkelijker maken? Oh maar wacht eens, iets verderop lees ik dat het wel mee zal vallen want ‘we’ worden: “een Nederland met slimme technologisch georganiseerde grenscontroles, hoogwaardige handel met nieuwe handelspartners, maar bovenal een open houding naar andere Europese landen.” Even terzijde, hoe open is je houding als je de deur voor de ander sluit? Want dat is wat er gebeurt bij een Nexit. De techniek gaat dus oplossen wat we nu, omdat we deel uitmaken van de Europese Unie, al hebben opgelost. Als die ‘slimme techniek’ er is, waarom wordt die nu dan niet ingezet voor de bewaking van de grenzen? Hoe kan het dat Nederland dan wordt ‘overspoeld’ met drugs? Drugs die via onze havens het land binnenstromen en vervolgens ook het land weer verlaten.

Algeciras. Bron: Wikipedia

Hoe komt de boer en vooral de tuinder aan zijn arbeidskrachten? Die komen nu veelal uit andere, met name Oost Europese landen. “In de agrarische sector is, door de vele seizoensarbeid, de afhankelijkheid van werknemers uit Oost-Europa het grootst. Van de MOE-landers in Nederland werkt 26,4% in de land- en tuinbouw, gevolgd door de uitzendbranche met 20,8% (waar het ook vaak om agrarische werkplekken gaat),” zo is te lezen in een artikel op de site boerenbusiness. Een artikel waarin wordt gesproken over een tekort aan arbeidsmigranten omdat: “Door de sterke economische groei in Oost-Europa (…) minder Oost-Europeanen werk (zoeken) in West-Europa. Daarnaast gaan de hier reeds gevestigde arbeidsmigranten er sneller voor kiezen om terug te keren.” De agrarische sector staat hierin niet alleen. In de vele ‘logistieke blokkendozen’ die Nederland en vooral Venlo en omgeving telt, werken veel arbeidsmigranten. Die ‘dozen’ staan hier vanwege een goede ligging ten opzichte van het, Duitse en Europese achterland. Goed want zonder belemmeringen ontsloten via weg, rail en water. Wie gaat er na een Nexit werken? Maar wacht eens? Zou dat probleem in de logistiek zich niet vanzelf oplossen? Een Nexit zorgt immers voor belemmeringen, een grens. Dan zou onbelemmerd vervoer via Antwerpen en Hamburg wel eens aantrekkelijker kunnen zijn.

In de derde alinea van het visiedocument lezen we het volgende: “Lang is er hoop geweest dat de EU hervormbaar zou zijn. Dat met genoeg tegenkracht de megalomane projecten zoals de Green Deal kunnen worden afgezwakt. Dat het gebrek aan slagkracht rondom de bewaking van de buitengrenzen van de EU wel zou worden opgelost. Maar deze wens tot hervorming, tot rationalisatie van het Europees beleid blijkt ijdele hoop. De Brusselse bureaucratie wil maar één kant op: verdere integratie en verdere eenwording.”  Bijzonder. Aan de ene kant (green deal) wordt de Europese Unie verweten dat ze alleen maar verder wil integreren en meer macht naar zich toe wil trekken. Iets wat schijnbaar niet afgeremd kan worden. Aan de andere kant (bewaken van de buitengrenzen) dat ze te weinig centraliseert of in de termen van het document, ‘te weinig slagkracht ontwikkelt’. Daar is er blijkbaar toch ‘iets’ wat de zaak kan afremmen. 

Als we even afzien van deze ‘kronkel’, hoe zou dat zijn in een Nederland na de Nexit? Zou Nederland dan voldoende ‘slagkracht’ hebben om de eigen grenzen te bewaken? In de huidige situatie met slechts een deel van de grenzen die er bewaakt moeten worden, zee- en luchthavens, blijken de grenzen, zie het hiervoor genoemde voorbeeld van de drugs, voor goederen al een redelijk lek mandje. Uit mijn eigen jeugdervaringen, weet ik dat het vóór ‘Schengen’ ook al niet lukte om de grenzen voor mensen potdicht te houden. Als jeugdigen ondervonden we weinig problemen bij het illegaal de grens over te steken om in Walbeck te gaan zwemmen. En als dat wel lukt door, net als Trump en Israel, een soort muur te bouwen, dan weet ik niet of we daar in Venlo heel gelukkig van worden. Dat betekent namelijk dat wij zelf ook ingesloten zitten. Eventjes naar de Krickenbecker Seen wandelen en een kopje koffie drinken in het ouderwetse kroegje in Leuth of een wedstrijd van in de Bundesliga Borussia Mönchengladbach bezoeken, wordt dan onmogelijk.

Ietsjes verderop is te lezen:“Wij willen geen machtsconcentratie in een centraal geleide, ondemocratisch bestuurde EU. Wij willen weer onze eigen baas zijn.”  Het is tegenwoordig populair om je af te zetten tegen de Europese Unie en die overal de schuld van te geven. Iets wat in dit visiedocument ook gebeurt. In dat afzetten doen woorden als ‘centraal geleid, ondemocratisch en machtsconcentratie’ het bijzonder goed.  Net als: “Steeds verder sluit het net van Europese regelgeving zich rondom de nationale besluitvorming. 70% van de wetgeving in Nederland heeft een Europese component. Ons eigen parlement staat buitenspel en onze eigen regering tekent bij het kruisje. We kiezen een Europees parlement dat in de praktijk weinig te vertellen heeft en niet kan opboksen tegen ongekozen Brusselse bestuurders.” Hoe is het in de praktijk?

Als de Europese Unie al ‘centraal geleid’ wordt, dan wordt het ‘politbureau’, om die oude Sovjet term maar eens te gebruiken, toch echt gevormd door de Europese Raad, de vergadering van de regeringsleiders. Die zitten aan de knoppen en bepalen wat er gebeurt. Namens Nederland zit premier Rutte daar ieder kwartaal aan tafel en bepaalt mee welke kant het op gaat. Er gebeurt niets zonder instemming van de Europese Raad. De regeringsleiders in de Raad willen de macht die ze hebben natuurlijk niet kwijt. Net zoals de parlementen van de landen ook geen machtig Europees parlement boven, of naast zich willen. Dan zouden ze een soort ‘provinciale staten’ worden. Zou dat de reden kunnen zijn dat het niet wil vlotten met dat democratische gehalte van de Europese Unie? Is de belangrijkste makke van de Europese Unie niet juist een gebrek aan macht en centrale leiding? Neem die grensbewaking als voorbeeld. Als de landen van de Unie werkelijk zouden kiezen voor slagkracht bij het bewaken van die buitengrens, dan zouden ze hun huidige douanecapaciteiten bundelen en onderbrengen in Frontex. Dan zou die organisatie uitgroeien tot de enige Europese douanedienst. Dat dit niet gebeurt, laat zien dat er niet ‘centraal’ wordt geleid. Alle macht die Brussel’ heeft, is macht die haar door de landen is gegeven. Gegeven door de regeringen en parlementen van de deelnemende landen. Door landen die ‘eigen baas’ zijn. Als ‘we’ iets van ‘Brussel’ moeten, dan is dat omdat ‘we’ daar zelf voor hebben gekozen. Het beperkte democratische gehalte van de Unie is een gevolg van besluiten in ‘Den Haag’, ‘Berlijn’, ‘Parijs’ en ook ’Brussel’, maar dan als hoofdstad van België. Een visiedocument dat de werkelijkheid wat geweld aandoet. Dat geeft te denken.

De passage hierboven wordt afgesloten met de zin: “Hoewel we op veel thema’s verschillen van de grote landen, wordt er veelal bij meerderheid besloten.” Hierboven hebben we gezien dat besluiten worden genomen in de Europese Raad. En, zo is te lezen op de site van de Europese Unie: “Besluiten worden gewoonlijk genomen bij consensus, maar soms ook bij unanimiteit of gekwalificeerde meerderheid. Alleen de staatshoofden en regeringsleiders kunnen stemmen.” Gewoonlijk dus bij consensus en dat: “wil zeggen dat een voorstel alleen aangenomen kan worden wanneer alle lidstaten het eens zijn. Er wordt niet gestemd, maar overlegd tot iedereen het met het voorstel eens is.” Alleen als in een verdrag is geregeld dat een besluit op een andere manier moet worden genomen, wordt hiervan afgeweken. Dan wordt er bij ‘unanimiteit’, of zoals het ook wordt genoemd, eenparigheid van stemmen besloten. Dit houdt in dat: “een voorstel alleen kan worden aangenomen als alle EU-landen, in het kader van de Raad bijeen, het eens zijn.” Of via een ‘gekwalificeerde meerderheid’. Dit betekent dat: “55% van de EU-landen (…) voor (is) – d.w.z. 16  van de 28” het voorstel steunen en die landen: “minstens 65% van de EU-bevolking vertegenwoordigen.”  Een ‘versterkt gekwalificeerde meerderheid’ kan ook. Dan moet 72% van de landen vóór stemmen en die landen moeten minstens 65% van de bevolking vertegenwoordigen. Een visiedocument dat de werkelijkheid nog wat meer geweld aandoet. Dat geeft nog meer te denken. 

Europees Parlement Brussel. Bron: WikimediaCommons

(W)e zijn ook niet bang om samenwerkingsverbanden die niet werken te ontmantelen. En misschien worden we wel de founding father van de nieuwe EU.” Iedereen die zijn huis wel eens heeft verbouwd weet dat het veel moeilijker is en veel meer tijd kost om iets op te bouwen. Afbreken is makkelijk. Pak de sloophamer en binnen een paar uur is ‘dat muurtje’ weg. Een nieuwe muur optrekken, stuken en texen is een ander verhaal. Natuurlijk kan de huidige Europese samenwerking beter en vooral democratischer. En dan kom ik bij Dani Rodrik en het echte probleem. Het echte probleem is er een van schaalverschillen. Volgens Rodrik zijn markten (economie) en overheden complementair. Overheden, zo schrijft hij op pagina 19: “are necessary to establish peace and security, protect property rights enforce contract, and manage the macroeconomy. It is also because they are needed to reserve the legitemacy of markets by protecting people from risks and insecurities markets bring with them.” Overheden moeten de markt in toom houden. Alleen is er de afgelopen decennia iets veranderd. De markt is steeds meer en sneller geglobaliseerd. Ze heeft een andere schaal gekregen dan de overheid. De markt is de wereld geworden en dat betekent dat marktpartijen (bedrijven) die plek in de wereld zoeken waar ze het meeste winst kunnen behalen of het meeste van hun winst kunnen behouden. De markt overheerst de overheid. Rodrik noemt dit ‘the golden straijacket’, de gouden dwangbuis. Op pagina 201 beschrijft hij die wereld als volgt: “governments persue policies that they believe will earn them market confidence and attract trade and capital inflows: light money, small government, low taxes, flexibel labor markets, deregulations, privatization, and openness all arround.” Dit lijkt verdacht veel op onze huidige samenleving. 

In ons huidige tijdsgewricht is de markt te dominant. De markt heeft de overheden, om het plat te zeggen, in de achterzak. De ‘dividendbelasting’ is een goed voorbeeld hoe bedrijven proberen landen tegen elkaar uit te spelen. De winnaars bij dit uitspelen zijn die multinationale bedrijven. De landen en hun inwoners verliezen. De enige manier om macht van de markt te beteugelen en te voorkomen dat we tegen de Belgen en Duitsers worden uitgespeeld, is door de Europese overheid te versterken. Versterken van de overheid kan in onze contreien alleen door het versterken van de democratie. Sterke democratische Europese instellingen van en voor de inwoners. Kunnen we onze energie niet beter hierin steken dan samen met ‘Don Quichot’ Van den Noort en zijn rammelende visie te vechten tegen windmolens?

Uitgelicht

Gewelddadige Westen

“Er zijn mensen die claimen dat de westerse levensvorm het allerbeste is wat er is. Maar om dat te doen gelden, hebben ze geweld nodig. De geschiedenis van het Westen is een lange geschiedenis van geweld tegen alles wat zich niet aan die orde van het Westen conformeerde. Indigenous people zijn uitgeroeid, omdat ze niet wilden leven zoals in het Westen.” Woorden van de socioloog Willem Schinkels bij De Correspondent. Nu behoor ik niet tot die mensen. Dat de geschiedenis van het Westen doordrenkt is van geweld, zal ik niet ontkennen. Dus ook niet dat er ‘indigenous people’ zijn uitgeroeid. Toch is er iets met de uitspraak van Schinkels.

Bron: Flickr

De uitspraak wekt de suggestie dat het Westen daarin uniek is. Dat het Westen ‘patent’ heeft op geweld en het uitmoorden van diegenen die zich niet conformeren aan die orde. Laten we dat eens wat nader bekijken. Typ de meest gruwelijke oorlogen in en je komt bij de Top 10 Meest Gruwelijke Oorlogen. Dat moet dan een Westers lijstje worden. De eerste plek wijst al in die richting. Daar staat natuurlijk de Tweede Wereldoorlog op één met ruim 75 miljoen slachtoffers. Op twee een eerste aanwijzing dat geweld niet specifiek Westers is. Namelijk de Mongoolse invasie van China, India, het Midden-Oosten en Europa. Tussen de 30 en 40 miljoen doden. Daarbij moeten we ons realiseren dat de Aarde toen door zo’n 370 miljoen mensen op werd bewoond terwijl dat er in 1939 ruim anderhalf miljard waren. Op drie de Chinees Japanse oorlog die net aan de Tweede Wereldoorlog voorafging. Tussen de 20 en 30 miljoen doden. Met een ander dan een Westers perspectief, zou je deze oorlog bij de Tweede Wereldoorlog kunnen tellen. Op vier een rebellie in China midden negentiende eeuw. Op vijf de Eerste Wereldoorlog met 17 miljoen doden. Op 6, 7, 8, 9  Chinese oorlogen en opstanden. De lijst wordt afgesloten met op 10 de Chinese burgeroorlog. Geweld is niet iets specifiek Westers. 

Tot die conclusie komt Jonathan Holslag in zijn boek Vrede en Oorlog ook. “Een van de conclusies van dit boek is dat oorlog universeel is. Steeds weer hebben mogendheden beloofd dat hun opkomst de wereld ten goede zou komen, dat ze zouden afzien van agressie en dat ze stonden voor een rechtvaardige nieuwe orde. Steeds weer liep die belofte echter uit op een teleurstelling – ongeacht wanneer of waar die werd gedaan. Het Westen is daarbij niet agressiever te werk gegaan dan China, India of Afrika.”  Het Westen is alleen de laatste ‘mogendheid’ in een lange lijn en een ‘mogendheid’ die het op wereldschaal deed. Alhoewel de Mongolen in hun tijd met beperktere middelen ook al en heel eind kwamen.  

Volgens Holslag zijn vrede en oorlog een gevolg van het in elkaar grijpen van verschillende maar wel met elkaar samenhangende lagen. Hij onderscheidt er vijf. Als eerste macht. Macht heeft: “twee aspecten: de input, of kwaliteiten, en de output, of effectieve invloed. Die effectieve invloed kan zowel zacht als hard zijn, alles van subtiele aansporing tot gewelddadige onderwerping – waarbij diplomatie eenvoudigweg de kunst van het bemiddelen tussen binnenlandse belangen van eigen land en die van andere is.”  De tweede laag die Holslag onderscheidt is: “ de geschiedenis van de politieke organisatie. Gemeenschappen namen allerlei verschillende vormen aan: die van stad, stadstaat, natiestaat, multinationale unie of imperium, uiteenlopend van indirect handelsimperium tot direct territoriaal imperium. Ze werden ingericht als monarchie of republiek, dictatuur of democratie et cetera. En ze co-existeerden met andere invloedrijke actoren zoals religieuze groeperingen, internationale corporaties en zelfs piraten.” De derde laag betreft de geschiedenis: “de interactie tussen politieke entiteiten. Door de eeuwen heen zijn er keer op keer mensen opgestaan die verkondigden dat de aard van de internationale betrekkingen ten goede zou veranderen; de rivaliteit zou blijven bestaan, maar minder gewelddadig worden.”  De vierde laag: “de geschiedenis van de relatie tussen de mens en de planeet, met andere woorden: het belang van de natuur en veranderingen in het milieu. … Gedurende een groot deel van de geschiedenis was het een van de voornaamste taken van een monarch om bij de goden te pleiten voor gunstige weersomstandigheden. Klimaatverandering, voedselschaarste en volksverhuizingen die daardoor in gang werden gezet hebben zeker als sinds Egypte voor het eerst door de farao’s werd geregeerd sociale onrust en oorlog teweeggebracht.” Als laatste en vijfde: “het denken over de aard van de wereldpolitiek dat in de loop van de geschiedenis is veranderd. … Voor mensen die de internationale politiek bestuderen betekent dat: de voortdurende strijd tussen gemeenschappen en het ontbreken van duurzame kracht die kan bemiddelen in hun disputen of ze kan oplossen.”

Nee. geweld en moorden is niet iets typisch Westers. Net zoals ook het doden van mensen en groepen die ‘niet meewillen’ in de nieuwe orde niet typisch Westers is. Ook dat is eigen aan iedere mogendheid en kolonisator. Dat hebben diverse ‘indigenous people’ in het verleden aan den lijve ondervonden.

Uitgelicht

Lessons Learned? Not!

“We hadden geen idee wat we aan het doen waren.’ ‘Elk gegeven werd zo aangepast zodat we een zo gunstig mogelijk beeld konden schetsen.’ ‘We hebben duidelijk gefaald.’” Dit schijnen de conclusies te zijn van de evaluatie die de Amerikaanse legertop heeft gehouden over de oorlog in Afghanistan. Ten minste, dat valt te lezen in de Volkskrant. Lessons Learned schijnt de titel van het rapport te zijn. De hoofdlijnen uit het rapport, zo lees ik in de Volkskrant: “ Een gebrek aan strategie (na het verslaan van Al-Qaida), een gebrek aan begrip, een corruptie-bevorderende hoeveelheid geld en, allesoverkoepelend, een totaal gebrek aan eerlijkheid. Generaals, diplomaten en presidenten spraken allemaal in veel te rooskleurige termen over de oorlog, zozeer zelfs dat sommige geïnterviewden van ‘moedwillige misleiding’ spreken.”  Schokkend? Ja. Verrassend? Eigenlijk niet.

Bron: WikimediaCommons

Het machtigste en militair sterkste land van de wereld zou toch geen moeite moeten hebben met Afghanistan? Nu zijn de Amerikanen niet de eersten die zijn vastgelopen in het onherbergzame stammengebied. Als we een kleine 180 jaar terug gaan in de tijd, naar 1838, dan zien we dat het toen machtige Britse rijk een poging doet om het gebied onder haar controle te krijgen. De Britten vallen binnen om er een voor hen vriendelijker gezind staatshoofd aan de macht te krijgen. Dat leek even te lukken maar in 1841 brak over het gehele land de pleuris (opstanden) uit en een jaar later trokken de Britten zich terug. In 1878 waagden ze een tweede poging met min of meer hetzelfde verloop. De Britten zetten het hoofd van het land af en even is het rustig. In 1880 verlieten ze, na een forse nederlaag met de staart tussen de benen het land. Een volgende wereldmacht die zich op de taaiheid van de Afghanen verkeek, was de Sovjet Unie. Eind 1979 vielen de Sovjets Afghanistan binnen. Of, zoals ze het zelf zouden zeggen: schoten ze de bevriende communistische heerser te hulp nadat die erom had gevraagd. In 1989 verlieten ook zij met de staart tussen de benen het land.

In de negentiende eeuw was het Britse rijk het machtigste land van de wereld en eind jaren tachtig was de Sovjet Unie, op de Verenigde Staten na, het machtigste land. Beide machtige landen verslikten zich in de taaie Afghanen met hun sterke tribale inslag. ‘Eigenlijk niet’ dus omdat dit allemaal bekend is. Afghanistan staat bekend als het ‘kerkhof van wereldrijken’. Als de Verenigde Staten de geschiedenis hadden bestudeerd dan had dat hen misschien op andere gedachten gebracht. Als ze hun geschiedenislessen hadden geleerd, dan hadden ze kunnen weten dat ze zich in een wespennest gingen begeven.

Nu is er een connectie tussen de Amerikaanse poging om het land ‘verder te helpen’ van de afgelopen achttien jaar en de eerdere Sovjet inval. In deel drie van mijn vierluik met als titel Wat was en IS van begin dit jaar besteedde ik daar al aandacht aan. De Amerikanen steunden alle groepen die zich tegen de Sovjets verzetten. Dit met als adagium: de vijand van mijn vijand is mijn vriend. Een van die ‘vrienden’ was Osama Bin Laden. Na de terugtrekking van de Sovjets verloren de VS hun interesse in Afghanistan en lieten hun ‘vrienden’ vallen. Een deel van die vrienden onder leiding van Bin Laden beschouwden vervolgens de wereld als haar strijdtoneel voor de ‘ware islam’. Dit met de aanslagen van 11 september 2001 als gevolg. De aanslagen die leidden tot de Amerikaanse inval.

Afghanistan is niet de eerste keer dat de Verenigde Staten erop vertrouwden dat hun militaire macht ‘alles’ zou oplossen. “Als een dorp vijf of zes keer gewapenderhand wordt ingenomen, sneuvelen er een hoop burgers. Hun hele patroon van leven zal veranderen (…) Hoe langer de oorlog duurt, hoe meer we het doel vernietigen waar we voor vechten.”  Woorden van de Amerikaanse generaal James Gavin in 1968. Ik neem ze over uit het boek Vietnam een tragedie 1945-1975 van Max Hastings (pagina 774). Net voor dit citaat is de volgende passage te lezen: “De beslissingen van opeenvolgende Amerikaanse regeringen om het conflict te laten escaleren, zijn vooral achteraf verbijsterend, omdat de sleutelfiguren de onbekwaamheid erkenden van het regime in Saigon, dat ze slechts in stand hielden als de voor hen noodzakelijke Vietnamese façade van een Amerikaans bouwwerk.” En iets onder het eerste citaat: “De Amerikaanse beleidsmakers (…) hadden in de eerste plaats al geen oog voor de economische en culturele impact van een omvangrijk buitenlands leger op een Aziatische boerenmaatschappij. Een Vietnamese secretaresse in dienst van USAID verdiende meer dan een ARVN-kolonel (het Zuid-Vietnamese leger). Bulldozers en containers, antennes en pantservoertuigen, wachttorens, zandzakken en rollen prikkeldraad brachten al schade toe aan de omgeving nog voordat de kanonnen vuurden, de helicopters de lucht doorkliefden, de rijzige Amerikaanse soldaten de liefde kochten van de zoveel kleinere Vietnamese vrouwen. (…) De voetafdruk die zij (de communistische strijders van de Vietcong en het Noord-Vietnamese leger) achterlieten was licht in vergelijking met die van de Amerikanen, wier stappen vergeleken konden worden – en dat door ontwikkelde Vietnamezen ook werden – met die van een reus uit een of andere sciencefictionfilm die door het landschap dendert, de rust verstoort en alles op zijn pad wat kwetsbaar is gedachteloos vernietigt.”  De beschrijvingen van het rapport Lessons Learned in de Volkskrant lijken sprekend op de beschrijving die Hastings geeft van de manier waarop de Amerikanen in Vietnam opereerden en de bijna ‘moedwillige misleiding’ waarmee ze die oorlog aan de wereld en hun landgenoten in het bijzonder, verkochten.

Bron Pixabay

De historica Barbara Tuchman noemt ,in haar boek De mars der dwaasheid, de Vietnamoorlog als een voorbeeld van dwaasheid. Tuchman geeft drie criteria waaraan het handelen moet voldoen om voor haar dwaas genoemd te mogen worden. Als eerste moet de gevoerde politiek destijds ook als averechts zijn onderkend en niet pas achteraf. Het tweede criterium is dat er geschikte alternatieve gedragslijnen beschikbaar moesten zijn. Het laatste criterium is dat het de politiek van een groep moet zijn geweest die langer heeft geduurd dan een politieke levensduur en niet van een individuele heerser. Voldoet de Amerikaanse aanpak in Afghanistan niet ook aan deze criteria? 

“Lessons Learned” luidt zoals gezegd de titel van het Afghanistan-evaluatie. Het enige wat mij te binnen schiet is: NOT!


Uitgelicht

Bezopen nuchterheid

“De coalitie van FvD, SGP en PVV moet daarom de nieuwe coalitie van nuchter Nederland gaan worden.” Een van de laatste zinnen uit een betoog van student politicologie en SGP raadslid in Oldenbroek Tom de Nooijer bij Opiniez. Waarom het tijd is voor die coalitie? Omdat het “tijd (is) voor een nieuw politiek thuis van het redelijke midden.” Wat kenmerkt die coalitie en dus ‘nuchterheid’ en ‘redelijkheid’? Zou dat wat voor mij zijn?

Makgadikgadizoutvlaktes in Botswane. Bron: WikimediaCommons

Ik drink af en toe een glas bier. Zo ook gisteren tijdens de wedstrijd van VVV-Venlo tegen Emmen. Zou dat een belemmering zijn? Dronken was ik zeker niet, maar helemaal nuchter? Aan het einde was ik trouwens dronken van geluk en met mij vele anderen in het stadion omdat VVV won. Die betekenis van het woord ‘nuchter’ zal De Nooijer niet bedoelen. Ook niet de eerste betekenis in de Vandale, “zonder nog te hebben gegeten”. Hij zal eerder verwijzen naar de derde omschrijving: “verstandig en kalm, koel-zakelijk.” Laten we zijn betoog eens ontleden. Wellicht dat we dan kunnen ontdekken wanneer je tot de ’dronken’ en dus onverstandige, hysterische en warm-emotionele coalitie behoort. Die coalitie kan zich op verschillende plekken in het politieke spectrum bevinden. Die kan zowel aan de rechterkant als aan de linkerkant huizen. Maar ook in het midden. En als er een ‘redelijk midden’ is dan zou er ook zo maar een ‘onredelijk midden’ kunnen zijn. Net zoals er een ‘redelijk’ rechts en links kunnen zijn, zelfs in de meest extreme variant. Eens kijken of zijn analyse duidelijk biedt.

‘Nuchter’ is: “Centrum-rechts, vaak wonend in de provincie en vanuit calvinistische overblijfselen een tikkeltje gematigd en conservatief.” Aha, links is dronken en woont vaker in een stad en bijna het hele Zuiden van het land valt al af vanwege het katholieke verleden. De ‘calvinistische overblijfselen’ zijn daar immers als de wel bekende speld in een hooiberg. Wel vreemd dan dat de PVV zo goed scoort in het Zuiden. Oké, misschien is daar een andere verklaring voor.

“Vaak worden onderwerpen genoemd als de achterblijvende koopkracht of het irrationele klimaatbeleid van Nederland,” aldus De Nooijer als het gaat over zaken die de stemkeuze bepalen. Maar dat is niet alles: “opvallend is dat de zorgen steeds vaker gaan over culturele, waarschijnlijk zelfs existentiële, thema’s, die betrekking hebben op de lange termijn van ons land (of Avondland, zo u wilt). Hierbij staan immigratie en de alsmaar toenemende macht van de Europese Unie centraal. Uitzoomend, vallen al deze onderwerpen grofweg onder te brengen onder twee grote zorgen, namelijk zorgen over de identiteit en de soevereiniteit van Nederland.” Het redelijke en nuchtere moet dus ergens in deze thema’s verstopt zitten.

Als eerste neemt De Nooijer immigratie onder de loep. Hij analyseert aan de hand van het stemmen over het Marakeshpact. “Enige tegenstanders: FvD, SGP, PVV en 50+” Oké, redelijk en nuchter is dus tegen dit pact zijn omdat het pact vol staat met: “bizarre teksten die zelfs GroenLinks nog niet zou opschrijven in hun verkiezingsprogramma.” GroenLinks is, volgens De Nooijer, dus ‘bezopen’ en ‘onredelijk’. En daarbij draait het allemaal om: “artikel 13, waarin staat dat immigratie ‘in essentie voor iedereen iets goeds is, zolang het maar goed verloopt’.” De vraag is wat er zo bizar is aan deze tekst? Is immigratie slecht? Zonder immigratie zouden er in Nederland geen mensen zijn. In het grootste deel van de wereld trouwens niet. De homo sapiens vindt, naar de laatste wetenschappelijke inzichten, zijn oorsprong: “ongeveer op de plek waar nu de Makgadikgadizoutvlaktes liggen.” En emigreerde zo’n 130.000 jaar geleden van daaruit. Dus om te beweren dat migratie slecht is, gaat wel erg ver. Nu zal De Nooijer dat als rechtgeaard staatkundig gereformeerde waarschijnlijk anders zien en verklaren dat de Aarde nog niet zo oud is. 

Of zou het tegenwoordig anders zijn? Was immigratie ooit goed en is het nu slecht? Als dat het geval is, dan moeten de grenzen dicht. Maar dan ook twee kanten op. Dus ook geen Nederlander meer die naar ‘Silicon Valley’ gaat om daar zijn ‘geluk’ te beproeven. Als immigratie slecht is, is emigratie dat immers ook. Dat is de keerzijde van de medaille. Immers en dat moet De Nooijer bekend voorkomen: ’Wat gij niet wilt dat u geschiedt …” 

Wellicht valt De Nooijer over de passage ‘in essentie voor iedereen’ en vindt hij dat immigratie voor sommige mensen niet goed is. Of het goed is voor de immigrant, kan alleen die immigrant bepalen. Misschien is het slecht voor mensen op de plek waar naartoe wordt geïmmigreerd? Dat zou kunnen, daarom ook ‘zolang het maar goed verloopt’. Zolang het maar gereguleerd gebeurd en dat is nu niet het geval. Wat er waarom redelijke en nuchter is, maakt De Nooijer niet echt duidelijk.

Dan het tweede onderwerp, het klimaat. “Enige tegenstanders: FvD, SGP, PVV (en PvdD, die vonden het niet ver genoeg gaan).” De redelijke en nuchtere positie is dus tegen deze wet zijn en niet omdat die niet ver genoeg gaat. Waarom? Omdat: “ De klimaatwet (…) hét politieke besluit (was) waarin definitief duidelijk werd wie zich wel en niet schaarde achter de groene gekte. In deze wet staat dat er in 2030 49% CO2-reductie moet zijn, en 95% in 2050. Koste wat het kost. De heiligheid van deze getallen is zo groot, dat ze kennelijk zelfs per wet moesten worden vastgelegd.”  Waarin zit die gekte en wat is dan ‘nuchter’? Als we Baudet mogen geloven is de klimaatverandering positief. De wereld wordt groener omdat planten het goed doen op kooldioxide. Ook is het volgens Baudet, maar de vraag of de huidige opwarming wel een gevolg is van menselijke activiteit. Hoe redelijk en nuchter die positie is, dat is de vraag. 

Feit is dat de concentratie kooldioxide in de de atmosfeer toeneemt en dat die toename steeds sneller gaat. Een toename die vooral een gevolg is van menselijke activiteiten en dan vooral het verbranden van kolen, olie en gas. Ook een feit is dat de gemiddelde temperatuur op aarde stijgt. Ze is de afgelopen 130 jaar met ongeveer 1,0 ° graad Celsius gestegen. Kooldioxide houdt warmte vast in de atmosfeer en werkt daarmee temperatuur verhogend. Ook dat is een feit. Zonder broeikasgassen in de atmosfeer zouden wij hier niet kunnen leven. Dan zou de gemiddelde temperatuur op Aarde ver onder het vriespunt liggen. Iets wat in de geschiedenis van de Aarde ook al is voorgekomen. Dat menselijke activiteit van invloed is op de gemiddelde temperatuur, is daarmee zeer waarschijnlijk. Dat verandering van dat menselijk gedrag dus ook invloed zal hebben, is zeer aannemelijk. Of de klimaatwet daarmee ‘groene gekte’ is en de ‘heiligheid van getallen’ te groot is, is zeer de vraag. Wat is daarmee ‘redelijk’ en nuchter’? 

Wat we ‘redelijk’ en nuchter’ kunnen constateren, en daarmee combineren we de eerste twee onderwerpen, is dat klimaatverandering tot migratie leidt. De plek waar nu de Makgadikgadizoutvlaktes liggen, zag er vroeger heel anders uit. Als het toen ook al zoutvlaktes waren, dan waren er waarschijnlijk geen homo sapiens geweest. Zoutvlaktes zijn immers slechte plekken om te wonen. Ooit vormden die zoutvlaktes: “een enorm meer, dat door plaattektoniek langzaam veranderde in moerasgebied.” En moerasgebieden zijn ideale gebieden voor levende wezens. Alleen veranderde dat, de meren droogden op. Waarschijnlijk als gevolg van een draaiing van de aardas waardoor het klimaat veranderde. Dat was de eerste keer dat de mens migreerde vanwege klimaatverandering. De eerste maar zeker niet de laatste. Zo droeg ‘klimaatverandering’ ook bij aan de val van het Romeinse Rijk. Die Hunnen gingen niet voor hun lol op trektocht naar Europa. Nee, diep in de Aziatische steppen veranderde het klimaat waardoor het leefgebied van de daar wonende mensen verslechterde. Zij trokken weg en veroorzaakten wat wij nu de ‘grote volksverhuizing’ noemen. De Nooijer zal ook hiervoor, als staatkundig gereformeerde, weer andere verklaringen hebben. Eentje waarin god een hoofdrol speelt.   

Als derde en laatste ijkpunt van ‘redelijkheid’ en ‘nuchterheid’ neemt De Nooijer de Europese Unie. En dan vooral een initiatiefwet waaraan SGP-fractievoorzitter  Kees van der Staaij maar liefst dertien jaar had gewerkt. “Een initiatiefwet die ervoor zorgt dat, wanneer er nieuwe bevoegdheden naar de EU gaan, er een tweederde meerderheid moet zijn in plaats van de helft plus een. Een gezonde drempel, om niet zomaar alle soevereiniteit over te dragen aan de EU. Zou je denken.” Hoe gezond een drempel van tweederde meerderheid is, laat onze Grondwet zien. Die kan alleen worden gewijzigd indien er in eerste instantie met gewone meerderheid over is besloten en na verkiezingen met tweederde meerderheid. Dit maakt majeure grondwetswijzigingen zeer zeldzaam en meestal gaat het maar over een klein detail. De laatste keer dat de Grondwet grondig werd herzien, was in 1983. En om die in perspectief te plaatsen, de discussie erover begon al in 1950. Dat is dus iets van zeer lange adem. Als we vervolgens bekijken wat ‘grondig’ inhield, dan valt dat ‘grondig’ wel mee. De echte ‘grondige’ voorstellen, werden afgewezen.  Voorstellen zoals de invoering van een beperkt districtenstelsel, de verkiezing van de formateur, rechtstreekse verkiezing van de Eerste Kamer, een andere benoeming van burgemeesters en Commissarissen van de Koning. Zaken waarover nu nog steeds wordt gepalaverd. 

Besluiten over het overdragen van bevoegdheden naar de Europese Samenwerking met een tweederde meerderheid betekent dat er niets wordt overgedragen. Tweederde meerderheid betekent dat alles bij het oude blijft. Als je vindt dat nu alles perfect is, is dat een begrijpelijke keuze. Alleen kunnen omstandigheden veranderen waardoor er iets anders nodig is. Als verandering noodzakelijk is, is het maar zeer de vraag of de keuze voor een tweederde meerderheid nog steeds ‘nuchter’ en ‘redelijk’ is. Besluiten met tweederde meerderheid komt in de buurt van dictatuur van de minderheid.

De Nooijer studeert politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Een studie die, zo is op de site van de Universiteit te lezen: “gaat over de wijze waarop gemeenschappen omgaan met conflicten, hoe zij besluiten nemen en hoe zij hun doelen realiseren.” De Nooijer heeft er in ieder geval geleerd zijn verhaal in woorden met een positieve klank te verpakken. Wie kan er nu bezwaar hebben tegen ‘redelijkheid’ en in het verlengde ervan ‘realisme’? En als jij de ‘redelijkheid’ of het ‘realisme’ claimt, is de ander al snel  een ‘onredelijk idealist’ of ‘irreëel’. Op de ‘redelijkheid’ van de opvattingen van De Nooijer valt nogal wat af te dingen. Dat “politiek thuis van het redelijke midden” voor‘nuchtere’ Nederland kon weleens behoorlijk bezopen en onredelijk kunnen uitpakken. Bezopen nuchterheid?

Uitgelicht

De bus van Frans Timmermans

“Timmermans ziet in die zin vooral een rol weggelegd voor burgemeesters. Die zouden meer de samenwerking met elkaar kunnen opzoeken om de Green Deal te laten slagen.”  Zo is te lezen in een artikel bij binnenlandsbestuur.nl. “Bijvoorbeeld in inkoop. Een regio koopt misschien 100 of 200 schone bussen in. Als je dat met meerdere regio’s samen doet, levert dat misschien een bestelling van 5000-6000 bussen op en dat geeft volgens hem een hele andere propositie bij de inkoop. ‘Jullie kunnen dat gezamenlijk organiseren’.” Eurocommissaris Frans Timmermans deed deze uitspraken op een bijeenkomst van het Comité van de Regio’s. Timmermans; “We moeten de juiste beslissingen op het juiste bestuursniveau nemen.” Dus aan de slag burgemeesters!

Bron: Flickr

Dat regio’s samen ‘meer bussen’ kunnen inkopen en dat dit hun een andere positie geeft, is logisch. En, als ze daar allemaal ‘klimaatneutrale’ bussen van maken, dan wordt het interessanter voor een ‘bussenbouwer’ om zo’n bus te ontwerpen. Als grote koper kun je meer afdwingen bij de ‘verkoper’. Even een stapje verder denken. Om die ‘bussenbouwer’ te stimuleren om ‘klimaatneutrale’ bussen te bouwen, moeten regio’s en steden gezamenlijk inkopen. Nu ken ik de overheids- en vooral de gemeentelijke wereld redelijk goed. Samenwerken tussen gemeenten kost zeer veel tijd omdat iedereen wil meepraten en eigen zaken wil inbrengen. Gemeentelijke samenwerking is, zoals ik in een eerdere Prikker schreef: “zo dicht mogelijk langs elkaar heen lopen.” Dat worden kostbare trajecten waarbij inkoopadviseurs en juristen hun vingers zullen aflikken.

Waarom trouwens alleen ‘meerdere regio’s samen’ en niet een heel land samen? Dan heb je een nog grotere macht om de ‘bussenbouwer’ in de goede richting te stimuleren. En nu we dan toch op dat nationale niveau zijn aangeland, waarom geen nationale wettelijke eisen waaraan een bus moet voldoen? Dat dwingt de ‘bussenbouwer’ ook die goede richting in zonder dat regio’s en gemeenten ze samen moeten inkopen. 

Trouwens, beste meneer Timmermans, is de Europese Unie niet het ‘juiste bestuursniveau’ om de ‘juiste beslissing’ te nemen over ‘klimaatneutrale bussen’? Eén Europese wettelijke eis voor ‘klimaatneutrale bussen’. Dan is dat meteen voor de hele Europese Unie geregeld. Zou dat niet sneller gaan dan gemeenten en regio’s op te roepen om samen te werken? 

Uitgelicht

The problem and Government

Over welk beestje heeft hij het? Die vraag schoot mij te binnen na het lezen van de column van Frank Kalshoven in de Volkskrant. Kalshoven concludeert met betrekking tot de wachtlijsten in de publieke sector: “Aan dit fundamentele probleem van publieke sectoren (prijsaanpassingen kunnen niet; capaciteitsaanpassingen duren lang) kunnen we niets veranderen. Het is de aard van het beestje. Katten vangen vogels; publieke sectoren zijn log. Het is zoals het is.” 

Bron: Flickr

De publieke sector is anders dan het bedrijfsleven. “Bij bedrijven heet een wachtrij een ‘orderboek’ en hoe voller het orderboek, des te blijer de baas,” zo betoogt Kalshoven terecht. “Als er plots een klant op de stoep staat met haast, dan mag hij voordringen, mits de haast gepaard gaat met een hoge betaalbereidheid.” Bij de overheid ligt dit anders: “prijsflexibiliteit is al snel strijdig met andere maatschappelijke waarden, zoals gelijke toegang tot de rechtspraak.” Meer uitvoerders om de wachtlijsten op te lossen dan? “Maar het geld dat nodig is voor capaciteitsuitbreiding in publieke sectoren komt uit Den Haag. En voordat die euro’s uit de schatkist terecht zijn gekomen op een Amsterdams politiebureau, een Midden-Nederlandse rechtbank, of de Jeugdzorg in Breda, zijn we minstens een jaar verder.” Ook hier heeft Kalshoven het gelijk aan zijn zijde. Maar toch.

Wachtlijsten bij publieke diensten zijn niet onoverkomelijk. Ze zijn een gevolg van keuzes. Dat bijvoorbeeld het onderwijs met een flinke uitstroom van leerkrachten te maken zou krijgen, is al meer dan twee decennia bekend. Daar had op ingespeeld kunnen worden door zowel de schoolbesturen als de overheid. Helaas is dat niet gebeurd en nu zitten we met de gebakken peren en ontbreekt het aan bevoegde docenten.

Gesloten politiebureaus en te weinig rechters? Ook een gevolg van keuzes. Ook hier weer de keuze om de ogen te sluiten voor een naderende uitstroom van mensen vanwege pensioen. Of de keuze om bij de rechtbanken te werken met budgetten die niet toereikend zijn voor het werk.

Wachtlijsten in de jeugdzorg? Ook een gevolg van gemaakte keuzes. Niet op basis van de inhoud maar op basis van aannames en ideologie wordt de jeugdzorg steeds opnieuw ingericht. In die ideologisch prachtige wereld kan de jeugd met minder hulp en de jeugdzorg met minder geld toe. De markt maakt immer alles beter en goedkoper. Alleen blijkt de werkelijke wereld weerbarstiger.

Wachtlijsten in de publieke sector zijn niet ‘onoverkomelijk’ en de ‘publieke sector’ kan ook snel en wendbaar zijn. Dat is allemaal afhankelijk van keuzes. Dat het ‘beestje’ nu een bepaalde ‘aard’ heeft, en we te maken hebben met wachtlijsten en een logge overheid, is een gevolg van keuzes. Vooral de keuze om de ogen te sluiten en te vertrouwen op een ideologie. Kijkend naar een rode draad achter al deze keuzes, moet ik aan wijlen Ronald Reagan denken. In zijn inaugurale rede op 20 januari 1981 sprak hij de woorden: “In this present crisis, government is not the solution to our problems; government is the problem.” Voor zijn volgers, en dat zijn er ook in Nederland zeer veel, was het voor wat betreft de overheid ‘hoe kleiner hoe beter’. Werken voor de overheid werd en wordt nog steeds lager beoordeeld dan werken voor het bedrijfsleven. Daarmee is de uitspraak een self fulfilling prophecy geworden. De overheid werd door deze ideologie zo uitgekleed dat ze nu het probleem is. Inderdaad is het, om Kalshoven aan te halen, zoals het is. Dat wil niet zeggen dat er niets aan gedaan kan worden. Het ‘beestje’ kan ook een andere ‘aard’ aanleren.

Uitgelicht

‘Cultureel systeem’

Afgelopen zondag zat ik weer op de tribune bij mijn clubje VVV-Venlo. Dat ‘Venlo’ erachter is trouwens dubbel omdat de eerste V voor Venlose staat, dat even terzijde. Gelukkig speelde Opoku mee. Dat biedt altijd voer voor een gesprek met een van mijn medesupporters. Die zeurt steevast dat Opoku er niets van kan. Vervolgens scoort hij of is hij betrokken bij een beslissende actie. Ook deze keer liep het weer zo. Hij leidde met een prachtige actie de 1-0 in. Maar ook daar gaat het mij nu niet om. Nee, een andere vaste bezoeker vond dat de scheidsrechter wel erg pietluttig floot en riep: “ut is gen wievevoetbal.” Ik keek hem aan zei, met de ‘racisme polemiek van de afgelopen weken in het achterhoofd: “det kin se neet zegge. Mietjes trouwes ok neet.” Aan deze gebeurtenis moest ik denken toen ik een artikel van Karim Bettache bij Joop las.

Stadion de Koel. Bron: Wikipedia

Volgens Bettache kenmerkt Nederland zich door een: “kolon(a)ial(.) culturele systeem van systematische categorisatie op basis van gradaties huidskleur … een absurde, arbitraire manier van het indelen van mensen en het maakt de samenleving voor veel mensen een hel op aarde.” Zo die zit. Hoe kwam Bettache tot die conclusie? Die conclusie trok hij uit: “een filmpje van een klein meisje in Nederland dat volgens de clip door twee volwassen ‘keurig uitziende’ witte Nederlanders uitgemaakt wordt voor Zwarte Piet.” Volgens Bettache ging er door dat filmpje een schok door de ‘wereld’: “Geschokt was men dat dit in het land gebeurde waarvan de meeste mensen een beeld hadden (dat) het een vrijdenkende, open samenleving is.” Bettache redeneert vervolgens: “De ontmenselijking zit er diep ingebakken als je een klein hulpeloos meisje zo kunt vernederen, zonder ook maar een greintje empathie te voelen voor dat kind. Dan mankeert er echt wat daar in de bovenkamer. Toch ga ik die mensen niet de schuld in de schoenen schuiven, want dat is het trucje dat al te lang is gebruikt. Racisme in de schoenen schuiven van individuen die eruit blaten wat de samenleving vaak diep daarbinnen denkt.”

Nu heb ik dat ‘filmpje’ van anderhalve minuut ook gezien. Nergens in dat filmpje wordt een kind voor ‘zwarte piet’ uitgemaakt. Wat we zien zijn een oudere man en vrouw die worden gefilmd door iemand die tegen hen staat te tieren. We horen de tierende mevrouw zeggen dat haar dochtertje door de oudere vrouw ‘zwarte piet’ zou zijn genoemd. Dat dit is gebeurd, wil ik best geloven. Maar of dat op een ‘ontmenselijkende en diepvernederende’ manier gebeurde, zoals Bettache betoogt, dat blijkt niet uit het filmpje. En de intentie maakt voor mij nogal wat uit. 

Mijn eerste gedachte, en daarom moest ik aan het voorval op de tribune denken, was dat de tierende mevrouw wel erg lange tenen moest hebben. Hoe ik tot die conclusie kwam? Mijn natuurlijke reactie als iemand tegen mijn kind iets zou zeggen wat mij niet aanstaat, dan zou ik ze op een rustige toon aanspreken en aangeven dat ik daar niet van gediend ben. Ik zou het vervolgens aan de ander laten om daar dan iets mee te doen en zich te verontschuldigen of niet. Ik zou zeker niet mijn telefoon pakken, de camera aanzetten en vervolgens gaan schreeuwen tegen die persoon. 

Tot zover het filmpje, terug naar de redenering van Bettache. Hij trekt een conclusie voor de samenleving als geheel uit één voorval. ‘Ho, ho’, zal hij daarop zeggen ‘er zijn veel meer van dergelijke voorvallen, neem het gebeuren bij FC Den Bosch.’ Inderdaad, er zijn meer van dergelijke voorvallen. Er zijn echter ook vele ‘voorvallen’ die in een andere richting wijzen. Alleen worden deze voorvallen niet gefilmd en komen ze niet in het nieuws. Goed nieuws is immers geen nieuws. Net zoals het merendeel van de supporters die niet meedoet aan ‘gescheld’ tegen spelers en scheidsrechter geen ‘nieuws’ zijn. Die negatieve voorvallen zijn volgens Bettache een gevolg van dat ‘koloniale culturele systeem van systematische categorisatie op basis van gradaties in huidskleur’. Hoe zijn die positieve ’voorvallen’ te verklaren als het niet aan individuen ligt, maar aan dat ‘koloniale culturele systeem’? 

Uitgelicht

‘Die K.. Nederlanders’

“Kijk nou naar de situatie dat Marokko weigert te praten over de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers. Dat deze mensen überhaupt in die procedure komen is al bespottelijk, want ze komen immers uit een veilig land. Maar dat kan je nog zien als een slappe houding van ons. Maar dat Marokko ons zelfs een gesprek weigert om hun eigen mensen terug te krijgen vraagt om een keiharde reactie.” Dit advies geeft Jan Roos in zijn wekelijkse column bij De dagelijkse Standaard, aan staatsecretaris van Justitie en Veiligheid Boekers-Knol.  Boekers-Knol, zo is te lezen in de Volkskrant: “wilde hierover een gesprek met de ‘juiste minister’, maar kreeg nul op het rekest.”  Haar: “is te kennen gegeven dat het geen zin heeft om langs te gaan, want ik zou daar niet binnenkomen.” 

Bron: Wikipedia

Roos is niet de enige die zich opwindt over de Marokkaanse houding. Zoals we in de Volkskrant kunnen lezen vond de VVD-fractie het: “Te gek voor woorden,” en luisterde Groenlinkser Van Oijk: “met stijgende verbazing.” Volgens de VVD is de: “weigering reden te meer om diplomatieke maatregelen te nemen tegen landen die hun uitgeprocedeerde asielzoekers niet terugnemen.” Iets minder ferm dan Roos maar toch. Vrij naar voormalig huisarts en PvdA wethouder Rob Oudkerk zou je bijna uitroepen: ‘die ‘K… Marokkanen’

Maar toch. In deze zelfde week zette Turkije twee vrouwen uit naar Nederland. De vrouwen worden, zo lees ik in de Volkskrant verdacht: “van deelname aan een terroristische organisatie.” De gezamenlijke reactie van de ministeries van Justitie en Veiligheid en Buitenlandse Zaken luidde: “Het kabinet betreurt dat Turkije ondanks alle inspanningen alsnog eigener beweging tot uitzetting is overgegaan.” Zouden de Turken nu ook die ‘K.. Nederlanders’ denken?

Nee, die in Turkije ‘ongewenste asielzoekers’ had politiek Den Haag liever niet hier gehad. Ze hebben immers ‘ons land en alles waar we voor staan’ verraden. Die hebben hun recht om hier te mogen zijn verspeeld. Van een van de twee, die naast de Nederlandse ook de Marokkaanse nationaliteit had, was zelfs de Nederlandse nationaliteit afgenomen. Dus hoe kon die nu naar Nederland worden teruggestuurd, ze was immers Marokkaanse. Vreemd trouwens dat in dergelijke gevallen alleen de Nederlandse nationaliteit wordt afgenomen van iemand die ook nog een andere heeft. Dit voor een overheid die al haar onderdanen gelijk moet behandelen. 

Wat de Marokkaanse beweegredenen zijn, wordt niet duidelijk. Die zou zomaar eens dezelfde kunnen zijn als de Nederlandse: ‘door Marokko te verlaten en asiel aan te vragen in Nederland heb je Marokko en alles waar het land voor staat verraden. Die hebben hun recht om in Marokko te mogen zijn verspeeld.’ 

Uitgelicht

De logica van Van Ark

“Jonggehandicapten werken wat vaker dan voorheen maar vooral in tijdelijke baantjes. Voor mensen uit de sociale werkplaats is de kans op werk afgenomen. Voor de oude groep in de bijstand is weinig veranderd.” Deze korte samenvatting van de evaluatie van de Participatiewet door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) geeft de Volkskrant. In de krant een gesprek met verantwoordelijk staatssecretaris Van Ark. In het gesprek maakt de staatssecretaris zich er zorgen over: “Het zorgelijkst vind ik de groep mensen die op de wachtlijst stond voor een plek in een sociaal werkbedrijf. Voor hun moeten de gemeenten nu beschut werk vinden, maar dat gebeurt te weinig. Jonggehandicapten verdienen meer geld door arbeid. Dat is positief, maar hun inkomenspositie is verslechterd. Het doel van de Participatiewet is niet alleen om een uitkering te bieden maar ook uitzicht op werk, liefst vast werk en niet alleen onzekere, tijdelijke banen.” De oplossing van Van Ark: “de vrijblijvendheid moet eraf.” 

Bron: WikimediaCommons

Voor wie moet de vrijblijvendheid eraf? “Om te beginnen voor mijn ministerie. Dat moet gemeenten en werkgevers ondersteunen. In elke regio komt een loket dat hen bijstaat en overal op dezelfde manier werkt.” Vervolgens voor de gemeenten: “Die moeten nu aan de slag met de echt moeilijke groepen. Daar zie ik een lichtpunt. In veel college-akkoorden die na de gemeenteraadsverkiezingen zijn gesloten, staat: we gaan aan de slag met die groep.” Omdat gemeenten dit hebben laten zitten: “ga ik de wet nu zo veranderen dat de gemeenten iedereen die onder de Participatiewet valt een passend, niet vrijblijvend aanbod moeten doen voor het leveren van een tegenprestatie,” aldus Van Ark. En dan zijn we bij degenen waar de echte ‘vrijblijvendheid’ eraf moet: de mensen die zijn aangewezen op deze wet. Want, zo zegt de staatssecretaris: ‘‘Het gaat om wederkerigheid. Iets terugdoen voor de maatschappij.” 

Zou een ‘verplichte tegenprestatie’ er werkelijk voor zorgen dat een werkgever een jonggehandicapte in vaste dienst neemt in plaats van een tijdelijk baantje? Zou een ‘verplichte tegenprestatie’ werkelijk hun inkomenspositie verbeteren? Zou ‘de verplichte tegenprestatie’ werkelijk de kans op werk voor mensen uit de sociale werkplaats vergroten? 

Ik vrees met grote vrezen. Het enige wat er gaat gebeuren is dat kwetsbare mensen nog verder onder druk worden gezet. En waarom? De staatssecretaris: “Er is ook een groep mensen die zegt: ik wil niet werken. Volgens het SCP zijn dat zo’n 50 duizend mensen. Daar moeten we streng tegen zijn, want ik ben ook de staatssecretaris van de belastingbetaler die de uitkeringen betaalt.” Om die achter de veren te zitten moeten zo’n half miljoen anderen onder druk worden gezet en gestigmatiseerd.

Als onderzoek iets uitwijst dan is het dat de jonggehandicapten wel willen, maar dat hen geen vast werk wordt aangeboden. Dat zij door dat willen hun inkomenspositie verslechteren. Dan leert het onderzoek dat het ontbreekt aan passend werk voor mensen uit de sociale werkplaatsen. Zou een ‘tegenprestatie’ eisen van de vragers naar werk helpen om meer aanbod te creëren? Zou de staatssecretaris niet een ‘tegenprestatie’ van de werkgevers moeten eisen? Mag van de werkgevers niet ook ‘wederkerigheid’ worden geëist? Moeten de werkgevers niet ook iets ‘terugdoen voor de maatschappij’?  Zou zij van de overheid niet het goede voorbeeld moeten eisen?

Uitgelicht

De waarde van slavernij

Op het hoogtepunt van de slaafgedreven economie vertegenwoordigden de slaven een waarde die groter was dan alle Amerikaanse fabrieken en spoorwegen bij elkaar opgeteld.” Een zin uit een artikel in De Groene Amsterdammer van Casper Thomas. Het artikel behandelt een eventuele ‘herstelbetaling’ aan de nabestaanden van slavernij. Het gaat mij niet om nut en/of noodzaak van een eventuele ‘herstelbetaling’ en de haken en ogen die daaraan kleven. Het gaat mij om deze zin. De zin suggereert iets, een waarde, maar wat is die waarde? Een interessante vraag die het waard is te onderzoeken zonder iets af te willen doen aan de ellende van slavernij.

Bron: Wikimedia Commons

Deze zin lijkt opgenomen om het economische belang van slavernij aan te tonen. De Verenigde Staten waren tot voor kort de toonaangevende industriële macht in de wereld. Ook kent iedereen wel de verhalen over de onstaansgeschiedenis van het transcontinentale spoorwegennet. Al is het maar van Spoorweg door de prairie, een van de avonturen van Lucky Luke. De sneller dan zijn schaduw schietende cowboy met zijn trouwe viervoeter Jolly Jumper. Met dit in het achterhoofd kan de conclusie niet anders zijn dan dat slavernij een enorme bijdrage leverde aan de Amerikaanse welvaart. Toch is het beeld dat deze passage oproept ver bezijden de waarheid. 

Laten we de zin eens ontleden. Als eerste: het hoogtepunt van de slaafgedreven economie. Waneer was dat? Zoals iedereen weet werd de slavernij in de Verenigde Staten beëindigd in 1865 na bijna vier jaar burgeroorlog. Een burgeroorlog waarin de geconfedereerde staten zich wilden afscheiden. De economie in deze staten was vooral ‘slaafgedreven’ en dat wilden ze behouden. De unionistische noordelijke staten wilden de slavernij in de gehele unie afschaffen. Zie daar de aanleiding voor de burgeroorlog. De geconfedereerde staten verloren en op 18 december 1865 werd slavernij in de gehele Verenigde Staten afgeschaft. Het hoogtepunt van die ‘slaafgedreven’ economie moet daarmee voor 1865 liggen. Thomas’ artikel opent met het wedervaren van Oluale Kossale die in 1860 als slaaf voet aan wal zette in de Verenigde Staten. Hij was de laatste en in de periode voor hem waren er vanaf 1808 steeds minder nieuwe slaven geïmporteerd. Met ingang van dat jaar verbood het Amerikaanse congres het naar Amerika halen van slaven. Dit besluit betekende dat de slaafgedreven economie het vanaf die tijd eerst met veel minder en later zonder nieuwe aanwas uit Afrika moest doen. De slavenhouders waren in toenemende mate aangewezen op ‘natuurlijke aanwas’. Het hoogtepunt van de ‘slaafgedreven economie’ lag daarmee in ieder geval voor 1861, het begin van de burgeroorlog en misschien zelfs wel voor 1807.

In 1861 waren er ruim 3,9 miljoen slaven in de Verenigde Staten, tegen bijna 900.000 in 1800. Als het om aantallen slaven gaat dan zou je zeggen dat 1860 het hoogtepunt was. Alleen moeten we dan wel kijken hoe het aantal slaven zich verhield tot de totale bevolking. De Amerikaanse bevolking, groeide tussen 1800 en 1860 van 5,4 miljoen naar 31,4 miljoen. Een forse groei veroorzaakt door immigratie. Een klein deel gedwongen als slaaf. Klein deel omdat slavenimport sinds 1808 was verboden. Het overgrote deel vrijwillig vanuit Europa. Het aandeel slaven in de totale bevolking daalde van bijna 17% in 1800 naar 12%. Dat zou dan weer pleiten voor 1800 als hoogtepunt.

Dan het tweede deel van de zin, de waarde van de fabrieken en spoorwegen. Om te beginnen die fabrieken. In 1870 waren de Verenigde Staten na Engeland de tweede industriële mogendheid van de wereld. Toch stelde die industrie niet zo veel voor. Maarten van Rossum opent zijn De Verenigde Staten in  de twintigste eeuw met de zin: “Tussen het einde van de Burgeroorlog en het begin van de Eerste Wereldoorlog veranderden de Verenigde Staten van een overwegend agrarisch in een overwegend industrieel land.” Twintig jaar eerder, in 1851, ten tijde van de wereldtentoonstelling in Londen, stond de wereld versteld van de gereedschappen en productiewijze van de Amerikanen. Alleen waren er niet veel ‘fabrieken’ zo is op de site theusaonline.com te lezen: “The industrial growth that began in the United States in early 1800’s continued steadily up and through the American Civil War. Still, by the end of the war, the typical American industry was small. Hand labour remained widespread, limiting the production capacity of industry. Most businesses served a small market and lacked the capital needed for business expansion.”  Waar het hoogtepunt van die ‘slaafgedreven economie’ ook ligt, veel fabrieken waren er tot de burgeroorlog niet. Die ontstonden pas erna.

Als laatste de spoorwegen. Eigenlijk is een verwijzing naar Spoorweg door de Prairie voldoende. Het verhaal speelt zich, net als alle avonturen van Lucky Luke, af in de periode na de burgeroorlog. Maar toch, Wikipedia leert dat in 1829 de eerste stoomlocomotief, de Stourbridge Lion, in de Verenigde Staten werd geïmporteerd. En: “By 1835, dozens of local railroad networks had been put into place. Each one of these tracks went no more than a few miles, but the potential for this mode of transportation was finally being realized. With every passing year, the number of these railway systems grew exponentially. By 1850, over 9,000 miles of track had been lain.”  De echte groei kwam na de burgeroorlog toen de lokale lijnen werden verbonden door een groeiend netwerk van transcontinentale spoorwegverbindingen. De lijnen uit Spoorweg door de prairie.

Om de waarde van de zin te bepalen, is het van belang om te weten wanneer dat ‘hoogtepunt’ was. Was dat aan het begin van de 19e eeuw, dan zegt de zin helemaal niets. Er waren immers nog geen fabrieken en spoorwegen. Was dat in 1860, dan wordt het een ander verhaal. Maar dan nog is het maar de vraag of de zin zoveel waarde heeft als Thomas het doet voorkomen.

Uitgelicht

Vietnam en beleid maken

Het hoofd van de luchtmacht Curtis LeMay is één zin in zijn in 1965 verschenen autobiografie altijd blijven aankleven: ‘ Mijn oplossing (…) zou zijn (de NoorVietnamezen) rechtuit te zeggen dat ze zich moeten terugtrekken en hun agressie moeten staken, omdat we ze anders terug naar het stenen tijdperk zullen bombarderen.” Zo begint hoofdstuk 14 van het boek Vietnam een tragedie 1945-1975 van Max Hastings. Het hoofdstuk heeft als titel Rollende donder. Dat, in het Engels Rolling Thunder, was de naam van de Amerikaans bombardementen op Noord-Vietnam vanaf februari 1965. Een paar zinnen verder: “Lyndon Johnson zette de Amerikaanse vliegtuigen in tegen Noord-Vietnam, omdat hij ten einde raad de cyclus wilde doorbreken waarin Washington voortdurend naar de pijpen van de vijand leek te dansen.” Op de afloop van de oorlog hadden de bombardementen trouwens geen enkele invloed. Tussen deze twee passages beschrijft  Hastings een bevinding van een andere Amerikaan: “Diep in de Zuid-Vietnemese jungle hunkerde een lezer van LeMay, Doug Ramsey, ernaar om de generaal te ontmoeten om hem erop te wijzen dat ‘het lastig is om iets naar het stenen tijdperk terug te bombarderen als het daar nog nooit uit is gekomen.”

Bron: Wikipedia

Aan deze passage uit Hastings’ boek, moest ik denken toen ik bij RTLZ een column van Wimar Bolhuis las met als titel De ijzeren wet van beleidsbehoud: een ramp voor alle uitvoerders. Die ‘ijzeren wet’ luidt dat beleidsmakers vasthouden aan wat ze eerder hebben bedacht: “Want toegeven dat het beleid niet uitpakt zoals de bedenkers hadden bedacht, is een politiek-ambtelijk teken van falen en dus slecht voor carrières en verkiezingsuitslagen.” Volgens Bolhuis: “veranderen beleidsparadigma’s vaak pas als het echt niet meer anders kan. Als het water aan de lippen staat.” Te lang wordt vastgehouden aan heilloze zaken: “Denk aan het falende automatiseringsbeleid bij het CBR, wat de mensen in het call center nu mogen oplossen. Denk ook aan het beleidsidee van Nationale Politie, waar de agenten nu nog steeds de scherven van aan het opruimen zijn. Of aan de bezuinigingen op onderwijs, waardoor overwerk in avonden en weekenden gaat toenemen. Denk aan hoe de jeugdzorg er nu aan toe is, nadat duizenden werknemers door nieuw beleid het veld ruimden.”

Toen Jonhson besloot tot een ‘GO’ voor Rolling Thunder stond het water nog niet tot aan de lippen al waren er wel voldoende signalen dat de Verenigde Staten een heilloze weg waren ingeslagen. Het water bereikte de lippen pas in 1973 een karrenvracht aan bommen met bijbehorende vernietiging, gewonden en doden later. “Ik gun alle uitvoerders dat zij de bedenkers hiervoor tijdig kunnen waarschuwen. En dat er geluisterd wordt. Voordat een ramp zich voltrekt.” Zo eindigt Bolhuis zijn schrijven. Met zijn artikel pleit hij: “voor extra waardering voor beleidsuitvoerders van Nederland. Voor de medewerker van de sociale dienst, de thuiszorgmedewerker, de schooldocent, de politieagent, ga zo maar door..”  Een pleidooi waarbij ik me van harte aansluit.

Ik zou er alleen nog iets aan toe willen voegen. Uit ervaring weet ik dat ambtelijke ‘beleidsschrijvers’ het niet makkelijk hebben. Niet makkelijk als ze een kritische noot laten horen op de door bestuurders en politici afgesproken koers. ‘Kan die kanttekening niet anders worden geformuleerd’?  ‘Als we dat risico benoemen, dan komen er lastige vragen’. Een kritische beleidsschrijver zal deze zinnen ongetwijfeld hebben gehoord. Bestuurders en ambtelijke managers die bang zijn dat afwijkende standpunten van ambtenaren ‘naar buiten komen. 

En dat zijn nog de meer onschuldige vormen. ‘Als de wethouder de bomen op de kop wil planten, dan adviseren wij dat ze op de kop moeten worden geplant.’ Die woorden sprak een afdelingsmanager van een gemeente waarmee de gemeente waarvoor ik werkte, ging fuseren. Toen ik dat hoorde, keek ik onder de tafel of mijn broek nog op de juiste plaatst zat. Het pleidooi dat ik vervolgens hield voor de beleidsambtenaar als onafhankelijk adviseur maakte geen indruk. Zo cru en uitgesproken als dit geval, maak je ze zelden mee. Als je die verzoeken vaak krijgt, ben je lastig en dat heeft zijn weerslag op je ‘toekomstperspectief’. Dit zorgt ervoor dat veel ‘beleidsschrijvers’ kiezen voor ‘baanzekerheid’. Dit terwijl openheid over afwijkende adviezen juist de kracht van het bestuur en het besluit versterkt. Het laat zien dat er binnen de overheid wordt gedacht, gediscussieerd en van mening wordt verschild. Juist die meningsverschillen en discussie zorgen voor betere besluiten. 

Uitgelicht

Cliteur en terreur

“De oorzaken van het terrorisme zijn niet materieel, maar cultureel. Het heeft te maken met een overweldigend verschil van opvatting over kernwaarden.” Dit schrijft FvD Eerstekamerlid Paul Cliteur bij TPO. “Jawed S., Junaid I., de aanslagplegers op de redactie van Charlie Hebdo en de terroristen van de Bataclan denken heel anders over kernwaarden dan de burgers van Nederland en Frankrijk.Toen ik dit las, moest ik denken aan terrorisme-deskundige Beatrice de Graaf. Zij noemt terroristen in het DWDD-college de ‘klunzen en losers’ van de geschiedenis. Combineren we die twee dan is het zijn van ‘kluns en losers’ cultureel bepaald. Zou dat zo zijn?

De executie van Maximillien Robespierre. Bron: Wikimedia Commons

Cliteur richt zijn schrijven aan de Amsterdamse burgemeester Halsema. Volgens Halsema, en nu citeer ik Cliteur, ligt het aan: “teleurstelling of frustratie,”  veroorzaakt door het leven: “in wijken waar de bewoners worstelen met armoede en discriminatie hun loyaliteit met de ‘rechtsgemeenschap’ op het spel kan komen te staan.” Als we Halsema volgen dan is Terrorisme een gevolg van sociale condities waarin mensen verkeren. De verkeerde diagnose aldus Cliteur: Halsema gaat daarmee haar: “voorgangers Cohen en Van der Laan,” achterna die hebben: “jammerlijk gefaald bij het bedwingen van dit gevaar.” 

Twee verklaringen. Aan de ene kant ‘cultuur’ als oorzaak. Het vreemde is echter dat lang niet iedereen die zich in die ‘culturele’ situatie bevindt, ‘terrorist’ wordt. Bijzonder is ook dat enkele plegers van aanslagen tot kort voor hun daad helemaal niet ‘bekend’ stonden als fanatieke aanhanger van die ‘cultuur’. Zij stonden eerder bekend als (kleine) crimineel. Aan de andere kant de ‘sociale condities’ als oorzaak. En ook hier is het vreemd dat niet iedereen in die ‘conditie’ het schopt tot ‘terrorist’. Ook hier is het bijzonder dat plegers van terroristische daden helemaal niet uit situaties die Halsema beschrijft, komen. Zo waren de ouders van RAF lid Ulrike Meinhof historici die hun dochter de mogelijkheid boden te gaan studeren.  Ook van Bin Laden kun je veel zeggen, maar niet dat zijn ouders in een ‘achterstandswijk’ woonde.

Als we in het verleden duiken, dan zien we dat terreur niet iets is van een specifieke cultuur. Zoals ik begin dit jaar al schreef, is terrorisme afgeleid van la Terreur, een periode uit de Franse revolutie. Terreur heeft sinds die tijd een bijzondere omkering meegemaakt. In oorsprong was het het de staat die burgers ‘terroriseerde’. Robespierre de Fransen, Hitler als eerste de Duitsers, Stalin de Russen, Mao de Chinezen, Ho de Vietnamezen en Pol Pot de Cambodjanen Nu zijn het burgers die de staat ‘terroriseren’. En ook dat kent ‘geen grenzen’. Type ‘terrorisme’ in op Wikipedia en je vindt een keur aan voorbeelden uit verschillende culturen en streken van de wereld. Hieruit mag duidelijk zijn dat terrorisme niet ‘cultuur specifiek’ is zoals Cliteur beweert.

Beide ‘diagnoses’, om in Cliteurs vocabulaire te blijven, geven geen antwoord waarom iemand overgaat tot het plegen van terreur. Toch is er iets aan de diagnose van Cliteur dat zorgen baart. Als die ‘verklaring’ maar lang genoeg wordt herhaald, dan zou die verklaring wel eens haar eigen waarheid kunnen creëren. Door steeds te blijven herhalen dat terrorisme ‘cultuurbepaald’ is, lopen we het risico dat die cultuur en terrorisme als synoniem worden gezien. Daarmee worden mensen gestigmatiseerd en wordt de kans groter dat ze uiteindelijk het gedrag gaan vertonen dat Cliteur hun nu toedeelt. 

Uitgelicht

‘De vettigen Handdook’

Toen ik het ouderlijk huis verliet betrok ik een klein zolderappartement in Venlo. Een appartement met bijzondere buren. Aan de ene kant had groenteboer Janssen zijn zaak. Een echt familiebedrijf. Iedere dag verse groenten en vers fruit. Ik kwam er tenminste iedere week en vaak nog wel vaker. Aan de andere kant, en meteen ook de andere kant van het gezondheidsspectrum, zat een frietzaak. Daar kwam ik af en toe. Die frietzaak stond bekend als ‘De Vettigen Handdook’. Ik moest hieraan denken toen ik bij Binnenlandsbestuur een stukje van de verdediging van gemeentebestuurders las tegen het alweer ‘centraliseren’ van een deel van de jeugdzorg: “Het is in Oost-Groningen echt een ander vraagstuk dan in Amsterdam, Goes of Enschede.” Dit naar aanleiding van de problemen in de jeugdzorg waarover ik gisteren ook schreef. 

Bron: Wikipedia

Inderdaad is Oost Groningen anders dan Amsterdam, Goes of Enschede, daar heeft de Enschedese bestuurder Eelco Eerenberg, die deze uitspraak doet, een punt. Toch vraag ik me af of dit wel het punt is? Hoe ‘anders’ is het probleem van een kind dat in Oost Groningen of Goes vanwege de thuissituatie uithuis moet worden geplaatst? Wat is de specifiek Amsterdamse of Enschedese component aan de situatie van dat kind en het betreffende gezin? Als Eerenberg gelijk heeft dan is de vraag die Goes of iedere andere gemeente, zich moet stellen: hoe ziet specifiek Goes’ huiselijk geweld eruit? Geeft Eerenberg hier niet een voorbeeld van verkeerde veronderstelling of een kromme redenering?

En zelfs als Eerenberg het bij het rechte eind heeft en het probleem van een kind dat uit huis moet worden geplaatst afhankelijk is van de woonplaats en er zoiets bestaat als specifiek Enschedees huiselijk geweld, wil dat dan meteen ook zeggen dat de gemeente dan ook de juiste schaal is om de jeugdzorg te organiseren? Waarom zou het met een vanuit het rijk aangestuurde jeugdzorg onmogelijk zijn  om: “problemen op (te) lossen (…) in combinatie met sportclubs, scholen, huisartsen en veel andere partijen”? 

Laat McDonalds niet zien dat het goed mogelijk is om vanuit Oak Brook het ‘hongerprobleem’ lokaal aan te pakken? Het bedrijf geeft haar basismenu een ‘lokale twist’: in Nederland de McKroket, in Japan de Teriyaki burger enzovoorts. Het bedrijf sluit daarmee veel beter aan bij de wensen van het gros van de klanten dan  mijn oude buren van ‘De Vettigen Handdook’. Die zaak is jaren geleden opgedoekt.

Uitgelicht

Jeugdzorg en ‘New Public Management’

Al eerder schreef ik over vooronderstellingen waarop de ‘decentralisaties’ zijn gebaseerd. Voor de niet kenner, decentralisatie is als het rijk een taak belegt bij een lagere overheid. In 2015 gebeurde dat op drie terreinen. Eentje daarvan was de zorg voor de jeugd. Veronderstellingen zoals dat de gemeente de ‘meest nabije’ overheid is en dat dit dan ook de schaal is waarop je zorg het beste kunt organiseren. De veronderstelling dat ‘de markt’ het wel oplost. Over kromme redeneringen die werden gebruikt ter verdediging ervan. Redeneringen zoals die ene overheid die er plotseling bijna vierhonderd blijken te zijn. Over hoe de roep om een gevoel, nabijheid, als ‘structuur’ wordt georganiseerd. En als laatste over hoe het altijd op een structuurverandering uitdraait terwijl er iets aan de cultuur moet veranderen. Dat dreigt nu ook weer te gebeuren. In de Volkskrant lees ik: “De overheid moet onmiddellijk zorgen voor meer geld en personeel. Op de langere termijn moet het jeugdstelsel op de schop.” Het Rijk en de provincie zijn al verantwoordelijk geweest, voor de jeugdzorg, nu is het de gemeente dan rest er nog één andere mogelijke overheid: de waterschappen.  

Ald weishoës Venlo. Bron: Wikipedia

Zonder gekheid, de waterschappen dat lijkt mij geen goed idee. De zaken die nu worden geconstateerd spelen al jaren. Even, via de site Canonsociaalwerk, terug in de tijd: “Begin jaren zeventig zijn jeugdhulpverlening en kinderbescherming in ons land sterk verzuild en verkokerd. Er bestaat grote willekeur waar een hulpbehoevend kind terechtkomt. Een vernieuwingsbeweging in de jeugdbescherming bekritiseert inhoud en effect van hulp en opvang. Tijd voor verandering en mede daarom stelt de regering in 1974 de Gemengde Interdepartementale Werkgroep Jeugdwelzijnsbeleid in. Die adviseert twee jaar later om de hulpverlening regionaal en in samenhang te organiseren en het recht op adequate hulp en een klachtrecht vast te leggen.” Helaas deed de regering toen niets met die aanbeveling. Er werd een werkgroep ingesteld. Die werkgroep kwam in 1984 tot de uitgangspunten dat jeugdhulp: “zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’ moet plaatsvinden.” En om het te completeren kwamen daar nog twee keer ‘zo’ bij: zo tijdig mogelijk en zo goedkoop mogelijk. Een tijdje later, in 2010, kwam de Kamerwerkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg in haar rapport tot soortgelijke conclusies. Eén gezin, één plan, één regisseur werd het nieuwe devies nog steeds met het doel om zo dicht mogelijk bij huis, zo kort mogelijk, zo licht mogelijk te helpen. En natuurlijk ook zo tijdig en goedkoop mogelijk bij. Bijzonder dat we al jaren weten ‘wat’ er moet gebeuren en dat het steeds fout gaat bij het ‘hoe’. 

Alhoewel, eigenlijk is dat niet zo bijzonder. Niet zo bijzonder omdat ook sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw de New Public Management stroming dominant is. Een stroming die in ‘producten en klanten’ denkt en die ‘het model van de private sector’ op de overheid toepast. Centraal staan: doeltreffendheid, doelmatigheid en zuinigheid (zo goedkoop mogelijk). Het model dat politieagenten bonnen laat schrijven omdat ze hun quotum moeten halen. En ook het model dat zorg in stukken hakt en er ‘producten’ van maakt of nog erger: diagnose behandel combinaties.

Producten die vervolgens in de markt worden gezet. Maak ergens een markt van en je krijgt marktgedrag. Zoals iedereen die een beetje nadenkt kan bedenken staat, zodra je van zorg een product maakt, het product centraal en niet de mens. Het product moet worden geleverd (de bon moet worden geschreven) of de jeugdige er nu mee geholpen is of niet. Die producten moeten vervolgens ook worden gemeten en geadministreerd om verantwoording af te leggen. Want verantwoording moet in cijfers worden afgelegd: daling van dit, stijging van dat. Dergelijke verantwoording duidt op een gebrek aan vertrouwen of zelfs op wantrouwen.

Iedereen die in de (jeugd)zorg werkt weet dat het vertrouwen dat de patiënt in zijn behandelaar heeft de belangrijkste bepalende succesfactor is. Daarom was ‘vertrouwen in de professional’ ook een van de kreten waarmee de laatste systeemverandering werd verkocht. Alleen is dat vertrouwen er niet zoals het ‘productdenken’ en het ‘gestolde wantrouwen’ van de verantwoording laten zien.

Wat als we zorg nu eens inrichten op basis van vertrouwen? We vertrouwen de mensen die in de zorg werken en geven hen de middelen om dat te doen wat zij denken dat nodig is. Dat doen ze zonder dat ze alles in systemen moeten verwerken en zonder dat ze met ‘protocollen’ en dergelijke moeten werken. Het enige wat we van hen vragen, is dat ze, ernaar gevraagd, kunnen onderbouwen waarom ze voor een bepaalde behandeling hebben gekozen en niet voor een andere. Geen zorginkoop, geen beschikkingen of verwijzingsbriefjes, geen ‘protocollen’. Geen concurrentie tussen zorgaanbieders. Dus ook niet het in je achterhoofd knagende ’krijgt mijn werkgever nog wel opdrachten’?

Het ‘New Public Management’ en de zorg gaan slecht samen. Trouwens ‘het model van de private sector’ waarop het is gebaseerd, is voor de samenleving als geheel ook niet al te best, zo laat de bankencrisis zien. En, maar dat laat ik aan een ander over om te betogen, het zou zo maar eens kunnen dat ook de klimaatcrisis een gevolg is van dat ‘model van de private sector’.  

Uitgelicht

Jihadisten en onze rechtstaat

Tijdens het kort geding verklaarde hij dat de Nederlandse overheid jihadisten moet terughalen omdat ze verplicht is om ‘mensenrechtenschendingen jegens haar onderdanen’ te voorkomen. Kijk, ik snap best dat je als advocaat je cliënten adequaat moet verdedigen. Maar zou dat alsjeblieft met wat minder grote woorden kunnen? Met wat minder lachwekkende ook?” Zo schrijft Elma Drayer in haar column in de Volkskrant. Die ‘hij’ waarover Drayer schrijft is André Seebregts. Vanuit de emotie is het betoog van Drayer te volgen. In één zin spreken over jihadisten en mensenrechten dat lijkt een gotspe. Zijn de woorden van Seebregts wel zo lachwekkend?

Bron: Pixabay

Zeker deze jihadisten steunden  een moorddadig en bruut regime en het bleef niet bij steunen alleen. Ze leverden er vaak ook nog een bijdrage aan. Voor de misdaden die zij hebben begaan moeten zij worden gestraft. Zwaar worden gestraft. Dat staat buiten kijf. Zoals ook buiten kijf staat dat zij bij voorkeur berecht moeten worden op de plek waar zij die misdaden hebben begaan. Als dat om welke reden dan ook niet kan, dan is berechting in Nederland aan de orde. 

Wat ook buiten kijf staat, is dat Nederland een rechtstaat is en dat het de plicht is van de Nederlandse overheid om mensenrechtenschendingen jegens haar onderdanen te voorkomen. Die plicht heeft de Nederlandse overheid jegens al haar onderdanen, wat zij ook op hun kerfstok hebben. Die plicht heeft de overheid jegens een onschuldig iemand die om dubieuze redenen in een Turkse gevangenis verdwijnt. Die plicht heeft zij ook jegens een van drugshandel beschuldigde persoon in Thailand, en een meervoudig moordenaar en verkrachter in Paraguay. Die plicht heeft de Nederlandse overheid ook jegens een jihadist in Irak of Syrië. 

‘Maar die heeft door daden toch alles verspeeld waar Nederland voor staat?’ Hoor ik velen van jullie denken. Dat klopt, maar dat ontslaat de Nederlandse regering niet van haar plicht om zich in te zetten om mensenrechtenschendingen tegen hem of haar te voorkomen.

Een rechtstaat kenmerkt zich nu juist door haar principes ook toe te passen op degenen die haar regels met voeten hebben getreden. Onder andere daarom heeft vrouwe Justitia een blinddoek om. Zo lachwekkend zijn de uitspraken van Seebregts niet. Door die regels niet van toepassing te verklaren op bepaalde mensen, zoals de VVD doet, wordt de bijl gezet in een van de de belangrijkste pijlers onder onze rechtstaat. Dat is niet lachwekkend, dat is zorgwekkend.

Uitgelicht

Geleuter over generaties

Een gedesillusioneerde generatie komt in opstand.” De kop boven een artikel van Daphné Dupont-Nivet en Jaap Tielbeke in De Groene Amsterdammer. “Het is de desillusie met dit apolitieke vooruitgangsoptimisme uit onze jeugd die verklaart waarom veel millennials de ideologische veren weer hebben opgeplakt. Onze generatie is minder bang om te polariseren of systeemkritiek te leveren, omdat we inmiddels weten dat de toekomst niet automatisch beter wordt. Vooruitgang vergt inspanning en politieke strijd, denken wij. Alleen zo kunnen we de beloftes van de jaren negentig misschien nog inlossen.” ‘Minder bang dan wie?’ Die vraag stelde ik mezelf toen ik het artikel las.

Bron: Pixabay

Beide auteurs zijn geboren in 1989 en beschrijven, om het kort te zeggen, hun leven tot nu toe. Hun zorgeloze jeugd in de jaren negentig van de vorige eeuw waarin ze mee kregen dat ze “alles konden worden wat we wilden, als we maar hard genoeg werkten en in onszelf geloofden.” Die jaren vatten ze treffend samen in de woorden van R. Kelly die in zijn jaren negentig hitje zong: “I believe I can fly. I believe I can touch the sky.”  Die jeugd werd op 11 september 2001 wreed verstoord en toen ze in 2008 volwassen werden stortte de economie in en werd duidelijk dat dat geloof in jezelf niet meer voldoende was. Of zoals ze zelf schrijven: “Nu onze dertigste verjaardag nadert moeten we vaststellen dat veel van die beloftes niet zijn ingelost. We joegen onze dromen na, maar behaalden onze diploma’s toen de economie in duigen lag. We vertrouwden op de deskundigheid van economen, maar kwamen erachter dat hun modellen de kiemen plantten voor sociale en ecologische ontwrichting. Het optimisme van de jaren negentig komt ons nu, turend in de achteruitkijkspiegel, ronduit naïef voor.” Maar nu zijn ze wakker: “De klimaatspijbelaars hebben de hoop opgegeven dat internationale onderhandelingen tot een happy end leiden. Of misschien hebben ze die hoop nooit gekoesterd en zijn ze wel boos, maar niet teleurgesteld, omdat ze niet anders gewend zijn. Dat is het verschil met de generatie boven hen, met onze generatie, die lange tijd het volste vertrouwen had in de instituties die in het leven waren geroepen om grensoverstijgende problemen het hoofd te bieden.” Beste auteurs hebben jullie de generatie boven jullie gevraagd naar dat vertrouwen in die instituties?

Gelukkig constateren ze dat herinneringen selectief zijn. Dat er ook al in de jaren negentig een ander geluid te horen was. Het systeem kritische geluid dat bijvoorbeeld van Naomi Klein verwoordde in haar boek No Logo. Klein stond hierin niet alleen, zo ‘ontdekken’ de auteurs: “En in het jaar dat R. Kelly zijn debuutalbum Born into the 90s uitbracht, schreeuwde Zack de la Rocha, leadzanger van rockband Rage Against The Machine, de longen uit zijn lijf om structureel racisme aan te kaarten in hun debuutsingle Killing in the Name.” De auteurs constateren: “Misschien moeten we juist putten uit die alternatieve erfenis, die niet alleen bij ons, maar ook in het collectieve geheugen ondergesneeuwd is geraakt.” Beste auteurs, hoe komen jullie erbij dat die alternatieve erfenis ondergesneeuwd is geraakt?

Die erfenis staat in een lange traditie. “You’ll go quietly to boot camp. They’ll shoot you dead, make you a man. Don’t you worry, it’s for a cause. Feeding global corporations’ claws!” Aldus een stukje tekst uit  We’ve got a bigger problem now van mijn favoriete punkband Dead Kennedys in 1981. De wereld kampte toen met de angst voor ‘de bom’ en leed onder de gevolgen van de tweede oliecrisis. Voor of tegen de bom? Voor of tegen kraken? Ja aan dat kraken danken jullie, de jongeren van tegenwoordig, het goedkope anti-kraak wonen. Voor Den Uyl of voor Wiegel? Een tijd waar je als jongere kon fluiten naar een baan. Een tijd van polarisatie en systeemkritiek die zo midden de jaren zestig begon. In die periode, in 1972, kwam de Club van Rome met haar rapport Grenzen aan de groei. In dat rapport werd geconcludeerd dat: “De mensheid ( niet) kan (…) blijven doorgaan zich met toenemende snelheid te vermenigvuldigen en materiële vooruitgang als hoofddoel te beschouwen, zonder daarbij in moeilijkheden te komen. (…) Dat betekent dat we de keuze hebben tussen nieuwe doelstellingen zoeken teneinde onze toekomst in eigen handen te nemen, of ons onderwerpen aan de onvermijdelijk wredere gevolgen van ongecontroleerde groei.” Ook toen wisten we dat de toekomst niet ‘automatisch’ beter werd. Dat daar inspanning en soms strijd voor nodig is.

Nee, ‘jullie generatie’ staat niet alleen als het ‘polariseren en systeemkritiek’ betreft. En nu we het toch over jullie generatie hebben. Zoals jullie zelf al constateren bestaat die uit mensen met zeer verschillende meningen. Met als uitersten aan de ene kant de aanhangers van de ‘intersectionaliteit’. “Alle vormen van ongelijkheid (op basis van onder andere huidskleur, gender, seksualiteit, klasse, leeftijd, opleidingsniveau) staan met elkaar in verband en moeten ook zo bestreden worden. Alleen zo valt te begrijpen hoe verschillende vormen van onderdrukking samenkomen, zich manifesteren en elkaar versterken. … Ze combineren wokeness met kapitalismekritiek.” Zo vatten jullie die leer kort samen. En aan de andere kant alt-right’: “de frisse politieke wind (…) die niet met de consensuscultuur meewaait.”  Een wind die wordt belichaamd, zo schrijven jullie door Thierry Baudet en die: “Een cultuuroorlog in gang zet(…); eentje die de maatschappelijke omwentelingen die sinds mei 1968 hebben plaatsgevonden (‘de massale immigratie, de euromunt, de kaalslag in het onderwijs, het multiculturalisme, de schaamte voor onze eigen geschiedenis en de culturele zelfhaat’) terugdraait.” Daarmee doen jullie Baudet tekort  die wil, zo begrijp ik hem, liever terug naar de achttiende eeuw.

Die verdeeldheid geldt niet alleen voor ‘jullie’ generatie. Die geldt voor alle generaties. Een generatie is niets meer en ook niets minder dan een groep mensen met ongeveer dezelfde leeftijd. Het zegt niets over de manier waarop ze naar de wereld kijken. Het onderscheid tussen progressief en conservatief om die oude termen maar weer eens van stal te halen, is geheel eigen aan de mens, niet aan een ‘generatie’. De ene mens is avontuurlijk ingesteld, de andere blijft het liefst in zijn vertrouwde wereldje zitten. Als jullie de geschiedenis bestuderen, dan zullen jullie zien dat progressieve en conservatieve periodes elkaar opvolgen. De huidige, conservatieve volgde op de gepolariseerde verhoudingen uit mijn jeugd. Die weer volgde op de conservatieve na-oorlogse periode die weer volgde op de extreem gepolariseerde verhoudingen van de jaren dertig van de vorige eeuw. Een periode die eindigde met de de Tweede Wereldoorlog. En zo kunnen we doorgaan. Dat een periode ‘conservatief’ is, wil niet zeggen dat ‘progressieve’ krachten ontbreken. Omgekeerd trouwens ook niet. Kapitalisme-kritiek is al zo oud als het kapitalisme. Lees Marx om er een te noemen. Kritiek op de ‘vooruitgang’ trouwens ook. Lees Plato of Rousseau. Al zullen die zeggen dat er sprake is van ‘achteruitgang’. Waar ze het allemaal over eens waren was dat de ‘toekomst niet ‘automatisch’ beter werd.

Zoek in de strijdt voor ‘vooruitgang’ of ‘behoud’ naar de verbinding met mensen van alle leeftijden. Lees het werk van Klein, Marx, Plato en Rousseau. Praat met de ouderen en leer van hen. Leer van hen door naar hun ervaringen te vragen. Leer van: “Hoopvolle burgers (die) de zwaarbewapende grenswachten (trotseerden) en trokken eigenhandig het IJzeren Gordijn naar beneden.” Die: “streden (…) voor dezelfde idealen als waar onze generatie nu voor vecht.” Leer van hen en van hun ervaringen. Dat voorkomt eerder gemaakte fouten en maakt de kans groter dat successen worden herhaald. Zoek naar verbinding en stop met dat ‘generatie geleuter’! Dat zaait alleen maar verdeeldheid.

Uitgelicht

Het makkelijke moeilijk

Een dag of twee geleden reed ik naar mijn werk. De radio stond aan op 3FM en Sanders Vriendenteam zorgde voor het vermaak. Tijdens het nieuwsbericht hoorde ik van een plan van de Tweede Kamer. Wat hield het plan in? Wel, zet altijd de maximum snelheid op de matrixborden boven de snelweg. Presentator Sander sprak erover met de nieuwslezer van dienst Dieuwke. Het leek beiden wel een goed idee en om dat te testen vroegen ze de luisteraars naar hun mening. ’Doen’ zei de een, dat zorgt voor duidelijkheid. ‘Niet doen’ zei een ander, dat leidt nog meer af. Zelf vroeg ik me iets anders af maar daarop kom ik later terug.

Bron: Wikipedia

Eerst even het plan. Bij NOS.nl is te lezen dat het idee afkomstig is van CDA-Kamerlid De Pater-Postma. “Volgens haar is het voor automobilisten duidelijker en dus veiliger als ze altijd kunnen zien hoe hard ze mogen rijden en kan het een hoop boetes schelen.”  Wat is het probleem? “De snelheden verschillen per snelweg en ook op één en hetzelfde traject wisselt de maximumsnelheid vaak. Ook kan er overdag een andere snelheid gelden dan ’s avonds. Zeker nu er door de stikstofmaatregelen op sommige plekken ook nog lagere maximumsnelheden gelden.” Een kamermeerderheid steunt het idee en het kabinet gaat het voorstel ‘ bekijken’ omdat het “Volgens minister Van Nieuwenhuizen is het(…) nog wel lastig omdat niet alle borden drie cijfers kunnen weergeven. Ze gaat met Rijkswaterstaat bekijken wat wel en niet kan.” 

Op zich een logische redenering: snelheden kunnen variëren, deze borden kunnen variëren, zet dan de snelheid op die variabele borden, dan is het duidelijk. Probleem is alleen dat er veel snelwegen zijn waar geen matrixborden hangen. Dus daar dan ook maar van die borden ophangen? Maar wat als die ‘niet doen’ luisteraar gelijk heeft en het tot nog meer ‘afleiding’ leidt? En wat als er een stroomstoring is? Geldt er dan geen maximum snelheid? Of moet de chauffeur dan toch weer op de normale borden kijken en weten op welk moment op welk traject hoe hard wordt gereden? Lastig. Het lijkt makkelijk maar ligt toch moeilijk.

Pardon? Missen het geacht Kamerlid en in haar spoor de rest van de Kamer en de minister niet de meest eenvoudige manier om duidelijkheid te scheppen? De meest eenvoudige manier? Welke dan? Nou gewoon één vaste maximumsnelheid op een weg. Bijvoorbeeld altijd 100 km/u op snelwegen waar die zich ook bevinden en hoe laat het ook is. Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan?

Uitgelicht

Black Hawk down

“De man heeft een totaal op hol geslagen moreel kompas.” Dit schrijft Tim Engelbart bij De Dagelijkse Standaard. De man met dat ‘op hol geslagen morele kompas’ is oud-commandant der strijdkrachten Peter van Uhm, de zoals Engelbart hem noemt, “geflipte generaal”. Engelbart reageer op het optreden van Van Uhm bij De Wereld Draait Door. 

Highway of Death Mogadishu. Bron: Wikipedia

Wat had Van Uhm dan gedaan? Van Uhm zei: “Wij hoeven ons niet te laten gaan zoals IS dat doet met de publicaties. Dus stel je nou gewoon een beetje sober op en ook al heb je geen respect voor wat IS en IS aanhangers doen, kun je nog steeds met respect met de doden omgaan.” Dat was tegen het zere been van Engelbart: “Een massamoordenaar. Een genocidepleger. Een verkrachter. Een slavendrijver. Een mensenhandelaar. Een oorlogsmisdadiger. Te weinig respect. Tijd om even tegen je voorhoofd te tikken, ja.”  Waarschijnlijk zal Van Uhm de kwalificaties die Engelbart aan de dode IS-leider toedicht onderschrijven. Van Uhms pleidooi richt zich op het respectvol omgaan met de doden. 

Ik moest denken aan een gebeurtenis uit de jaren negentig van de vorige eeuw in Mogadishu, de hoofdstad van Somalië. Deze gebeurtenis is verfilmd in de film Black Hawk Down. Een Amerikaanse missie om twee hooggeplaatste Somalische spionnen te ontvoeren, liep uit op een fiasco met vele doden. De meeste aan de kant van de Somalische krijgsheer Aidid, het eigenlijke doelwit van de actie. Beelden van dode Amerikaanse soldaten die door de stad werden gesleept, leiden er uiteindelijk toe dat de Amerikanen zich terugtrekken uit Somalië. De Amerikanen waren er een jaar eerder, in 1992, met veel bombarie geland. Bij die landing troffen ze vooral cameraploegen die de landing kwamen filmen. Het voor ‘propagandadoelen’ slepen met de gedode Amerikaanse soldaten werd van alle kanten terecht veroordeeld. Zo zonder respect ging je niet met doden om. 

Ook moest ik denken aan een van de eerste Prikkers die ik schreef. Dat was vlak na aanslag op de Bataclan en het Stade de France in Parijs in 2015. Een Prikker met als titel Ontmenselijking. In die Prikker vroeg ik me af of het verstandig is om mensen te ontmenselijken. Dat vroeg ik me af nadat premier Rutte sprak over ‘idiote barbaren en griezels’ die de aanslagen hadden gepleegd. En de toenmalige Britse premier Cameron die terrorist Jihad John een ‘menselijk dier’ noemde. Ik vroeg me af of: “we zo mensen buiten de gemeenschap van mensen plaatsten? Vernietigen we zo niet alle bruggen? Bruggen die een mogelijkheid bieden voor de ‘IS-aanhangers om terug te keren op hun schreden? Bruggen die ons de mogelijkheid bieden om IS-aanhangers te beïnvloeden?” Nu wil ik daar nog een vraag aan toevoegen. Blijkt beschaving niet juist, zoals Van Uhm betoogt, uit de manier waarop je omgaat met mensen die haar niet delen?

Uitgelicht

Recht in ‘kromme’ omstandigheden

“De bevrijde die de bevrijder aansprakelijk stelt, verdient moreel en juridisch geen enkel respect. In een rechtvaardige oorlog kan de bevrijder niet aansprakelijk worden gesteld.” Zo. Die uitspraak van rechtsgeleerde Afshin Ellian kunnen de Irakezen zich in hun zak steken. In een artikel bij Elsevier legt Ellian uit dat de Iraakse burgerslachtoffers van het door een Nederlandse F16 uitgevoerde ’precisie bombardement’ dat toch ‘precies’ het verkeerde doel trof, niet bij Nederland moeten zijn. Sterker nog: “De Irakezen moeten de Nederlandse militairen dankbaar zijn voor het verslaan van IS.” 

Bron: Wikipedia

De oorlog was legaal: “De Nederlandse overheid ging in op verzoek van de Iraakse overheid deel uit maken van een coalitie in de strijd tegen IS. Daarnaast vroeg de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties aan alle lidstaten actief deel te nemen aan de strijd tegen IS.” De oorlog was legitiem: “De jihadisten schonden bijna alle regels van jus in bello, het recht dat toeziet op de wijze van oorlogsvoering.”  En Nederland heeft geen oorlogsrecht geschonden: “Zodra er doden vallen, moet Defensie het Openbaar Ministerie (OM) betrekken bij de beoordeling van de eventuele strafwaardigheid van handelingen. Daaruit blijkt telkens dat Nederlandse militairen bij oorlogsvoering alle zorgvuldigheid in acht nemen.” Dat het toch zo verschrikkelijk fout ging, lag aan de omstandigheden: “De militairen kozen voor een nachtelijk bombardement met een lichte bom, juist om burgerslachtoffers te voorkomen. Er was (…) alleen niet bekend dat er meerdere vrachtwagens en grote hoeveelheden springstof aanwezig waren in het gebouw. Die hebben geleid tot aanvullende explosies met vernietigend effect.” Domme pech dus. Als de Irakezen dan toch ergens willen gaan klagen of hun rechts halen, dan moeten ze bij hun eigen regering zijn: “Immers, de Nederlandse krijgsmacht opereerde op verzoek en met goedkeuring van de Iraakse overheid.” Juridisch geen speld tussen te krijgen. 

Alleen zijn die ‘rare’ Irakezen niet dankbaar zo constateert Ellian: “Maar de Irakezen voelen zich niet bevrijd. Dat doet pijn!’’ Pijn, niet bij de Irakezen  maar bij de ‘Nederlanders.“Stelt u zich voor dat in 1950 de Nederlandse nabestaanden van doden die zijn gevallen door bombardementen van de geallieerden, Amerika of Groot-Brittannië aansprakelijk zouden stellen voor het vernietigen van de Duitse bezetter. Ja, daarbij kwam per ongeluk een behoorlijk aantal onschuldige Nederlandse burgers om het leven. Maar wilden we wel of niet worden bevrijd?” ‘Ondankbaar volk die Irakezen’, zo, lijkt Ellian te denken. En vervolgens concludeert hij: “Het recht dat ruimte geeft de bevrijder aansprakelijk te stellen voor oorlogshandelingen tijdens een bevrijdingsoorlog, verdient het niet om als recht te worden beschouwd.” 

Het recht waar Ellian zich op beroept is duidelijk. De VN veiligheidsraad vraagt om actie, de Iraakse overheid ook, dus geen vuiltje aan de lucht. Maar hoe recht is recht in ‘kromme’ omstandigheden? De ‘kromheid’ van de omstandigheden bestaat uit de voorgeschiedenis. Hoe kon het dat IS in Irak voet aan de grond kreeg? Dat was niet het gevolg van, zoals in het Nederland van 40 – 45, van een bezetting door een buitenlandse mogendheid. Het was niet zo dat delen van Irak werden veroverd en bezet door het land IS. Nee, IS was geen land. Het bestond, zoals ik in deel drie van de serie Wat was en IS schreef, uit een combinatie van Arabische Afghanistan-veteranen aan de ene kant. Die werden aangetrokken door: “de Iraakse puinhopen. Die boden hen een mogelijkheid om tegen de ‘grote Satan’ te vechten.” En aan de andere kant: “commandanten van Saddams oude leger,” die allemaal opzij werden geschoven. Zij troffen elkaar in gevangenissen zoals Abu Ghraib en vonden elkaar in hun onvrede met de situatie in Irak. 

Met die commandanten komen we op een volgende aspect van ‘kromheid’. Die commandanten zaten in het gevang omdat de machthebbers, ingegeven door de Verenigde Staten, hen een bedreiging vonden. Zij waren immers van het verslagen leger van Saddam Hoessein. Een leger dat werd verslagen door de ‘Coalition of the Willing’ onder leiding van de Verenigde Staten. Een coalitie die met een zeer dubieuze onderbouwing Irak binnenviel en de regering van dat land afzette. Om de juridische aspecten even te duiden: zonder mandaat van Verenigde Naties noch verzoek daartoe van de wettige Iraakse regering, viel die coalitie een land binnen en bezette het. Voor iedereen die een positie had in het oude Irak was geen plaats meer. Daarmee kwam vooral het soennitisch deel van Irak buitenspel te staan. Na die inval begon een periode van binnenlands geweld en sektarisme dat nog steeds voortduurt. Een periode waarbij het niet uitmaakt of ze door de kat (IS) of de hond (de door de Verenigde Staten gesteunde Iraakse regering) worden gebeten. 

Hoe sterk is het in dergelijk ‘kromme’ omstandigheden om je op het recht te beroepen? Omstandigheden die in het geheel niet vergelijkbaar zijn met de Nederlandse situatie van 40 – 45. 

Uitgelicht

Het ‘Europees orkest’

“De Europese Unie, in haar huidige vorm, is de slechtst denkbare constructie om onze beschaving in de 21ste eeuw te behoeden voor verval.” Met die woorden opent Juliaan van Acker zijn artikel bij TPO. In dat artikel wijst hij China aan als het grote gevaar voor de wereldvrede. De Europese Unie ziet: “De dreiging van deze communistische dictatuur (…) niet (…) en daarom ontbreekt het aan een zinvolle politieke strategie.” Vervolgens legt Van Acker uit wat er allemaal niet deugd en concludeert hij dat als: “we onze Europese beschaving, onze vrijheid en onze ethiek, willen redden, dan moeten we het vertrouwen in de Europese Unie opzeggen.” Daarom moet: “Europa (…) opnieuw opgebouwd worden vanuit de natiestaten. Een confederatie ligt het meest voor de hand. Sterke nationale staten kunnen met elkaar op defensiegebied en inzake buitenlands beleid een alliantie aangaan om serieus tegenwicht te kunnen bieden aan de grootste bedreiging die op ons afkomt.” Een bijzonder betoog.

Bron: Wikipedia

Niet zozeer omdat Van Acker niet duidelijk maakt waarom we de Europese Unie moeten opzeggen alleen om dat de dreiging vanuit China niet wordt gezien. Als Van Acker werkelijk een punt heeft, of denkt dat hij het heeft, wat let hem dan om die dreiging voor iedereen zichtbaar te maken. Wat let hem om politici te overtuigen van zijn gelijk en er bij hen op aan te dringen dat ze maatregelen nemen. Immers wie garandeert dat Van Ackers nieuwe statenbond die dreiging wel ziet?

Wel zo zeer omdat de Europese Unie de facto een confederatie, een bond van staten, is. Een statenbond van onafhankelijke staten die zijn overeengekomen om bepaalde zalen gemeenschappelijk te regelen. Een statenbond van ‘krachtige natiestaten’ die, als ze dat willen ook nu ook al in zake buitenlands beleid en defensie een alliantie aan kunnen gaan. Dat ze dat kunnen is niet zozeer het probleem. Het probleem is het willen. Die ‘krachtige natiestaten’ willen internationaal allemaal hun eigen toontje meeblazen in het internationaal concert. Ze zijn slechts in zeer beperkte mate bereid om op deze gebieden hun toontje af te stemmen met de anderen om zo tot een gezamenlijke voorstelling te komen. Ze accepteren geen ‘dirigent’. Dat is nu juist het kenmerk van het “Europees orkest’ . Zou een nieuwe ‘Van Ackerbond’ dit probleem oplossen?

Uitgelicht

‘It doesn’t make it alright’

Je moet je doodschamen, gast.” Met die zin eindigt een ‘briefje’ van Jan Dijkgraaf bij TPO aan Arjen Lubach. Waarvoor moet Lubach zich schamen? Daarvoor moeten we naar de uitzending van Lubach op Zondag van 20 oktober 2019. Lubach behandelde de ‘stikstofcrisis’. Op een eenvoudige manier maakt hij duidelijk wat het probleem is. Wat hij vooral duidelijk maakt, is de bijzondere houding van politieke partijen en politici die eerst instemden met alle regels, vervolgens de boeren paaiden door die belachelijk te noemen en de schuld van die crisis bij anderen in de schoenen te schuiven en geen alternatieve oplossingen hebben.

In Lubachs item speelt boer Arjen Schuiling een rolletje. Schuiling sprak tijdens het Groningse protest de woorden: “Hier wordt niemand opgepakt, niemand. En anders halen we die gewoon weer uit de cel. En als er dan een trekker door de pui daar moet, dan doen we het. Wij bepalen vandaag wat er gebeurt, niet de overheid, niet het O.M. Wij bepalen nu het beleid, niet de overheid.” Lubach gebruikte deze uitspraak, naast allerlei andere voorbeelden van ‘humor’ zoals doodskisten met namen van politici erop, om te laten zien dat er bij de protesterende boeren ook wat ‘rare vogels’ rondliepen. Dat Lubach het fragment met Schuilings uitspraak gebruikt, is tegen het zere been van Jan Dijkgraaf.

“Viel het jou ook op dat hij op dat moment wat emotioneel was?” Vraagt Dijkgraaf aan Lubach? Nu waren er wel meer emotionele boeren dus dat was niet zo bijzonder. Toch was hier iets bijzonders aan de hand en dat had het ‘forse redactieteam’ van Lubach moeten en kunnen weten als ze de rest van het interview met Schuiling helemaal hadden bekeken. In dat interview vertelde: “de geëmotioneerde akkerbouwer en paardenpensionhouder (…) dat zijn vader zich acht jaar geleden juist die dag ophing vanwege het toen ook al gekmakende landbouwbeleid. En dat hij wat later bij het Groningse protest aansloot, omdat hij eerst een bloemetje op zijn vaders graf ging leggen.” Een tragedie voor Schuiling en zijn familie en begrijpelijk dat hij daar geëmotioneerd van raakt. Tussen emotioneel zijn en oproepen tot geweld (een trekker door de pui) en het uitroepen van een  ‘boerendictatuur’ uitroepen, want dat is wat Schuiling doet, zit echter een wereld van verschil.

In je emotie doe je soms dingen die niet zo handig zijn. Dat weet iedereen. Het is de vraag of het handig is om je in je emotie te laten interviewen. Dat is een afweging die Schuiling zelf moet maken. Wat zou Dijkgraaf zeggen als de persoon uit de toeterende bruiloftstoet, die in Rotterdam een agent neersloeg, zich verontschuldigde met ‘het is mijn lieveling nichtje en vandaag vijftien jaar geleden overleed mijn tante waarnaar ze is vernoemd’? Dat rechtvaardigt geen geweld. Die emotionele toestand vergoelijkt de uitspraken niet. Net zoals een zelfmoord van je vader het oproepen tot geweld en ‘revolutie’ niet rechtvaardigt.

Of om The Specials te citeren: “Some people think they’re really clever. To smash your head against the wall. Then they say “you got it my way.” They really think they know it all. It doesn’t make it alright. It doesn’t make it alright. It’s the worst excuse in the world. And it, it doesn’t make it alright.”  Als je trouwens meer van punk houdt, de Noord- Ierse band Stiff Little Fingers heeft het nummer ook op hun repertoire staan.

Uitgelicht

Leven in het verleden

Kolonialisme leeft door in het heden. Daarom is dekoloniseren belangrijk.” De titel van een artikel van Heleen Debeuckelaere bij De Correspondent. Debeuckelaere: “We staan niet meer achter kolonialisme. Waarom houden we nog vast aan de overblijfselen ervan?” Wat die overblijfselen zijn? Dat varieert: “Van straatnamen die koloniale massamoordenaars verheerlijken tot een jaarlijks blackface-festijn. …Het koloniale verleden is op allerlei manieren meer heden dan verleden. En het begrip ‘dekoloniseren’ kan helpen om daarmee om te gaan.” 

Mesoptamie. Bron: WikimediaCommons

Volgens Debeuckelaere is dekoloniseren: “een politiek, sociaal, filosofisch, academisch en activistisch denkkader. En net zoals de verlichting is het een niet duidelijk omkaderde en gedefinieerde kennistheorie, maar meer een houding, een doel of een streven.” Een denkkader dat ons helpt: “door deze rare fase te navigeren, waarin het historische politieke project van kolonialisme pas deels voorbij is.” Een proces zonder einde aldus Debeuckelaere: “Dekolonisatie beschouw ik als een nooit afgewerkt proces.”  Als het koloniale verleden meer heden dan verleden is en we het moeten verwerken ‘dekoloniseren’ en als dat ‘dekoloniseren’ een ‘nooit afgewerkt proces’ is, blijven we dan niet voor eeuwig in het verleden leven? Zouden we ons niet beter op het heden kunnen richten en bekijken hoe we het heden met kennis van het verleden kunnen verbeteren zodat de toekomst er beter uitziet dan het heden en het verleden?

Wat zien we als we naar ons heden kijken met kennis van het verleden? Dan zien we dat er wereldwijd nog steeds koloniaal wordt gedacht. Dat kolonialisme niet iets van het verleden is en zeker niet iets waaraan alleen ‘het westen’ zich schuldig heeft gemaakt. Dat kolonialisme zo ongeveer gelijktijdig met de agrarische revolutie is ontstaan. En dan bedoel ik niet: “De toenemende toepassing van wetenschappelijke kennis na 1750 zou voor de landbouw grote gevolgen hebben. Vruchtwisseling maakte het bijvoorbeeld mogelijk het middeleeuwse drieslagstelsel te vervangen. Ook deden tot dan toe onbekende gewassen zoals de aardappel en maïs hun intrede. De invoering van de keerploeg maakte een betere grondbewerking mogelijk. Men ging zaaizaden selecteren voor de volgende oogst. Alleen de beste zaden werden gebruikt en zorgden zo voor een betere opbrengst. Een betere bemesting en vervanging van ossen door paarden als trekdieren hielpen ook bij het vergroten van de productie.” Deze Achttiende-eeuwse die je bij wikipedia aantreft als je zoekt op agrarische revolutie. Nee, de agrarische revolutie die vanaf ongeveer 12.000 jaar geleden ontstond in het stroomgebied van de Eufraat en de Tigris dat daarom bekend werd als Mesopotamië. De revolutie die Yuval Noah Harari de grootste zwendel van de mensheid noemt. Zwendel omdat: “Het buiten kijf staat dat de agrarische revolutie de beschikbare hoeveelheid voedsel voor de mensheid vergrootte, maar al dat extra eten vertaalde zich niet in een beter voedingspatroon of meer vrije tijd. Integendeel het vertaalde zich in bevolkingsexplosies en verwende elites. De gemiddelde boer werkte harder dan de gemiddelde verzamelaar en kreeg daar ook nog eens slechtere voeding voor terug.”

Die revolutie zorgde ervoor dat onze verre voorouders zich gingen vestigen op een vaste plek. Dat zij die plek hun eigendom gingen noemen en er hekken omheen zetten. Hieruit ontstonden steden met muren als omheining om de vijand buiten te houden en de elite binnen de muren aan de macht. Vanuit die ommuurde steden probeerde deze elite de omgeving van de stad te overheersen en andere steden te domineren. Precies die activiteit die ‘het Westen’ eeuwen later op wereldschaal ondernam en alle andere machtige rijken en gebieden in tussenliggende periode.

Als we naar het heden kijken dan zien we nog steeds hetzelfde patroon. De machtigen proberen de minder machtigen te domineren en te overheersen. Ze bepalen de regels zo dat die in hun voordeel zijn. Als we vandaag de dag kijken naar het gebied waar het allemaal begon, het stroomgebied van de Eufraat en de Tigris, dan is dat precies het gebied waar een typisch koloniaal conflict wordt uitgevochten door ‘The Powers that Be’ van tegenwoordig. Als we kijken naar het Chinese Belt and Road initiative of aansluitend bij het verleden ‘de nieuwe zijderoute’ zien we dan niet gewoon een vorm van kolonialisme? Als we kijken naar de het Europese ‘opvang in de regio’ beleid kijkt, zien we dan niet ook gewoon een vorm van ‘kolonialisme’? 

Staan ‘we’ dan werkelijk niet meer achter kolonialisme of zijn ‘we’ er blind voor? Blind omdat ‘kolonialisme inderdaad meer ‘heden’ dan ‘verleden’ is maar dan op een andere manier dan Debeuckelaere bedoelt? Blind omdat ‘we’ door die preoccupatie met het kolonialisme van het verleden, het hedendaagse kolonialisme niet zien? Blind omdat ‘we’ zo in het verleden blijven leven?

Uitgelicht

Wij, ons en de klimaatverandering

“Mijn hart bonsde in mijn keel en mijn eerste neiging was om meteen weer om te draaien. Ik was nog nooit in een situatie geweest waarin ik tegenover de sterke arm der wet had gestaan – laat staan in een situatie waarin ik moedwillig arrestatie riskeerde.” Dit schrijft cabaretier Tim Fransen in de Volkskrant over zijn deelname aan een actie van Extinction Rebellion. Fransen gebruikt filosofen in zijn voorstellingen. Ook bij de verdediging van zijn daad van burgerlijke ongehoorzaamheid beroept hij zich op een filosoof en niet de minste: Thomas Hobbes.

Bron: Flickr

Fransen: “In een democratische rechtstaat hebben overheid en burgers een sociaal contract met elkaar gesloten. Wij burgers geven de overheid de macht om ons aan wetten te binden. … Als het gaat om klimaatverandering, komt de overheid haar kant van het sociale contract niet na. Dat is niet de mening van een stelletje radicale klimaatgekkies, dat is het officiële oordeel van de rechter. In de Urgenda-zaak oordeelde de rechter in 2015 dat de Nederlandse staat te weinig doet om de klimaatdoelen te halen, een vonnis dat het Haagse hof afgelopen maand nog eens heeft bekrachtigd. De uitspraak is helder: de Nederlandse staat komt zijn grondwettelijke zorgplicht niet na; hij is nalatig in het beschermen van zijn burgers tegen de gevolgen van gevaarlijke klimaatverandering.” Geen speld tussen te krijgen: de overheid komt haar verplichtingen niet na en dus mag de burger zich verzetten. Of toch wel?

Voor degenen die het niet weten, Hobbes is de schrijver van het boek Liviathan. Voor Hobbes is de natuurlijke toestand van de mensheid een gewelddadige strijd van allen tegen allen en is het leven ‘eenzaam, arm, bruut en kort’. Maar gelukkig heeft de mens dat ooit ingezien en heeft hij een contract gesloten met een heerser. Met dat contract gaf de mens zijn vrijheid op in ruil daarvoor verschafte die heerser veiligheid. De theorie van het sociale contract is ontwikkeld in de strijd tussen die vorst en het volk. Nou ja het volk, de beter gesitueerden zoals de hogere adel. Dit zie je ook terug in het Plakkaat van Verlatinghe waarmee de lokale vorsten van de opstandige Provinciën de Spaanse koning afzworen. Hobbes schreef zijn boek in 1651, een tijd van vorsten en almachtige heersers.

Fransen schrijft zijn verdediging in 2019, in de tijd van, in ieder geval in dit deel van de wereld, de democratische rechtsstaat. En met het woord democratisch komen we op een bijzonder punt. Die overheid, die haar verplichtingen niet nakomt, is door de inwoners van Nederland gesanctioneerd. De Tweede Kamerleden zijn gekozen door de Nederlanders om hen te vertegenwoordigen en namens hen het land te besturen. Zo ziet het huidige ‘sociale contract’ om in de termen van Hobbes te blijven, eruit. Wij, de inwoners van dit land, hebben onze vertegenwoordigers gekozen en die besluiten namens en voor ons. Zijn ‘wij’ het die ‘ons’ niet goed beschermen tegen de gevolgen van de klimaatverandering?

Uitgelicht

‘Waar moeten we ze op komen halen?’

  “Terwijl een Turks offensief tegen de Koerden in Syrië in volle gang is, opent president Erdogan een ‘tweede front’ tegen Europa. Hij dreigt ‘de poorten open te zetten’ naar Europa voor de 3,5 miljoen Syrische vluchtelingen in Turkije, als de EU haar kritiek op de inval niet inslikt” Zo is te lezen in een artikel van Arnout Brouwers in de Volkskrant. Brouwers doet verslag van  het debat hierover in de Tweede Kamer en de Europese Unie en dat stemt tot treurnis. Dieptepunt, zo vindt de Ballonnendoorprikker, is de reactie van VVD-kamerlid Koopmans: “We moeten voorkomen dat sancties Nederlandse inkomens en banen raken.” Dat het maar duidelijk is, een Nederlandse baan is belangrijker dan het leven van een Koerd.

Bron: Wikipedia

Tja… Nog niet eens zolang geleden stond het gros van de politici te juichen. Het was gelukt om de stroom vluchtelingen naar Europa te stoppen. In ruil voor vele miljarden zou Turkije de Syrische vluchtelingen opvangen. Een ‘prachtige’ deal tussen de Europese Unie en Turkije bereikt onder premier Ruttes voorzitterschap. Een deal die door toenmalig PvdA-leider Diederik Samsom ‘een blauwdruk voor andere routes’ werd genoemd. En inderdaad hangt het Europese migratiebeleid tegenwoordig van deals aan elkaar. Voor wie er een goed beeld van wil krijgen, lees het boek Niemand wil ze hebben van journalist Linda Polman.

“Natuurlijk gebruikt hij Syrische en andere vluchtelingen als machtsmiddel. Natuurlijk chanteert hij de Europese leiders, maar laten die zich niet ook maar al te graag chanteren in de hoop dat hij hun probleem maskeert?” Die vraag stelde ik in de Prikker van 15 april 2016. En nu is het dan zover. Het geld is overgemaakt en de vluchtelingen worden als machtsmiddel gebruikt. ‘Hou je bek, anders laat ik ze los’, schreeuwt Erdogan tegen de Europese Unie en meteen zijn de problemen die met de deal werd gemaskeerd weer zichtbaar. Recent schreef ik: “Als de geschiedenis iets leert dan is het dat de machtigen sollen met de minder machtigen.” Nu is de macht van Erdogan niet zo groot. Zijn macht lijkt groot door die onderlinge Nederlandse en Europese verdeeldheid. Die maakt Erdogan machtig. Ja, Turkije heeft een flink leger. Economisch is het een wankel land en intern is het tot op het bot verdeeld. En zoals zovelen voor hem probeert hij de interne zwakte te verbloemen door een ‘ gezamenlijke vijand’ te benoemen en een oorlog te beginnen.

Beste heren politici van welk pluimage dan ook. Het enige wat u nu moet doen, is de volgende vraag stellen: ‘Waar moeten we ze op komen halen?’ Die vraag maakt Erdogan ineens machteloos. Daarmee geeft u het signaal af dat Europa zich niet laat chanteren. Tevens corrigeert u daarmee de in 2016 gemaakte fout. Die 3,5 miljoen Syrische vluchtelingen vangen we op en we zorgen ervoor dat ze een nieuw leven kunnen opbouwen. 

Die vraag laat u volgen door de woorden: wij laten ons niet meer chanteren! Die miljarden die u voor deze vluchtelingen kreeg, waren de laatste die u van Europa zult ontvangen. Alle Europese investeringen in uw land worden met onmiddellijke ingang stopgezet. Wij bevriezen alle tegoeden van Turkije en haar inwoners. Alle handel met uw land wordt met onmiddellijke ingang stopgezet. Wij geven een negatief reisadvies voor Turkije en ontraden onze inwoners om naar uw land op vakantie te gaan. Als laatste achten wij ons richting Turkije niet meer gebonden aan artikel 5 van de NAVO. 

Maar ja, in 2016 hadden onze leiders al zwakke knieën en gezien het gekrakeel en de angst voor een werkloze Nederlander, zal de schreeuwlelijk wel weer zijn zin krijgen. Leiderschap zal ook nu wel weer ver te zoeken zijn. Van principes kun je immers niet eten en dus is een Nederlandse baan belangrijker dan het leven van een Koerd.

Uitgelicht

Vrijheid door regels

“Als we kijken naar de samenstelling van de Nederlandse wet- en regelgeving dan kan men ook niet anders dan concluderen dat minimaal de helft kan worden geschrapt. Een sanering van de Rijksoverheid en haar ambtenarij met ten minste 50% zou een zegen voor het land zijn.” Zo die zit! Moet Teunis Dokter hebben gedacht toen hij deze regels schreef in zijn korte artikeltje bij De Dagelijkse Standaard. Nu is Dokter niet de eerste die roept dat ‘de helft’ van de regels en overheid overbodig zijn. Ronald Reagan riep het ook al. En dan vaak ook gevolgd door woorden gelijk aan die van Dokter dat: “de economie gestimuleerd (wordt) en (…) mensen de vrijheid  zullen krijgen die ze ook verdienen.” Een paar vragen en opmerkingen bij dergelijke oproepen.

Bron: Wikipedia

Als eerste de vraag, welke regels behoren tot die overbodige? Omdat de roep van Dokter al zo oud is en deregulering al jaren overheidsbeleid is, zou ondertussen toch al wel duidelijk moeten zijn welke regels overbodig zijn. Dat die duidelijkheid er naar al die jaren nog niet is, zou dat kunnen betekenen dat er toch veel minder overbodige regels zijn dan Dokter suggereert? Dokter zal best veel regels kunnen aanwijzen die hij overbodig vindt. Zijn betoog lezend, denkt hij vooral aan milieuwetten. Alleen vinden anderen die regels juist belangrijk en dringen ze aan op naleving. Dat is precies wat Urgenda heeft gedaan. Dat is ook wat die, zoals Dokter ze noemt, “schimmige juristenkartels” hebben gedaan met de ‘stikstofregels’. Ze hebben aangedrongen op naleving van wetgeving.

Waarom investeren bedrijven graag in het volgens Dokter, ‘over gereguleerde’ Nederland en Duitsland maar niet in Congo, Liberia of Eritrea? In zijn boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme schrijft de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang hierover: “regulering die de vrijheid van individuele bedrijven beperkt, het collectieve belang van het hele bedrijfsleven kan dienen, om nog maar te zwijgen van de natie als geheel. … Veel regulering helpt gemeenschappelijke hulpbronnen beschermen die alle bedrijven delen, terwijl andere het bedrijfsleven helpen door bedrijven te dwingen dingen te doen die op den duur hun productiviteit verhogen.”

‘En China dan?’ Kun je tegen werpen. Chang: “De Chinese economie werd de afgelopen drie decennia van snelle groei op soortgelijke wijze zwaar gereguleerd. Daarentegen hadden veel ontwikkelingslanden in Latijns-Amerika en Afrika bezuiden de Sahara in deze drie decennia hun economieën gedereguleerd in de hoop dat dit de zakelijke activiteiten zou stimuleren en hun groei zou versnellen. Maar op raadselachtige wijze groeiden zij trager dan in de voorafgaande twee decennia, toen werd aangenomen dat ze belemmerd werden door excessieve regulering.” De ‘soortgelijke wijze’ waar Chang het over heeft, verwijst naar Zuid-Korea, Taiwan en Japan die China voorgingen.

Dan de vrijheid van de individuele mens. Zou het voor een individu niet precies hetzelfde zijn als voor een bedrijf? Zijn de regels die de vrijheid van het individu beperken niet juist bedoeld om het collectieve belang van de hele samenleving te dienen? Verplicht rechts rijden beperkt het individu maar dient het belang van de samenleving en daarmee ook het belang van het individu. Immers als iedereen voor zich zelf bepaalde op welke manier wordt gereden dan stond het verkeer voornamelijk stil. 

Als laatste een vraag? Waarom willen zovelen van elders naar hier komen? Zo graag dat ze het risico op dood door verdrinking en slavernij in Libië voor lief nemen?  Waarom komen ze liever naar hier dan dat ze hun geluk beproeven in Saoedie Arabië of Koeweit? Landen met een hoger bruto nationaal product dan Nederland. Als het om de welvaart zou gaan, dan zouden de deuren van die Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten worden platgelopen door migranten. Of zou dat een gevolg zijn van die ‘ veel te veel’ regels die onze vrijheid ‘belemmeren’?

Natuurlijk moeten wetten en regels iets toevoegen, moeten ze zo eenduidig mogelijk te handhaven zijn. Daar zal iedereen het mee eens zijn. Zou het echter niet kunnen dat regulering hand in hand gaat met vrijheid en (economische) ontwikkeling?

Uitgelicht

Maatschappijleer voor Kamerleden

“Waanzinnig. Miljoenen euro’s voor illegalen in Amsterdam. In plaats van ze vast- of uit te zetten krijgen ze bakken met geld voor feestjes, vlogcursussen en naailessen. Kabinet moet ingrijpen en GroenLinks burgemeester Halsema ontslaan! Snel Kamerdebat!” Een bericht dat fractievoorzitter en enig partijlid van de PVV Geert Wilders de digitale ether in heeft geslingerd zo lees ik bij De Dagelijkse Standaard. Nu kunnen ze in de Amsterdamse ‘grachtengordel’ in het algemeen en bij GroenLinks in het bijzonder en burgemeester Halsema nog meer in het bijzonder, niet veel goeds doen in de ogen van Wilders en dus de PVV. Dit bericht is wel heel bijzonder.

Bron: WikimediaCommons

Het bericht doet mij uitroepen: onstla Wilders! Maar ja, tot wie moet je die boodschap richten? Kamerleden ontslaan gaat niet. Ze kunnen uit hun fractie en zelfs uit hun partij worden gekieperd. Nou ja ze, dat geldt dan weer niet voor Wilders want hij is zoals gezegd de PVV. Waarom een roep om het ontslag van Wilders. Omdat je van kamerleden, en zeker van een Kamerlid als Wilders dat al meer dan twintig jaar in functie is, mag verwachten dat ze bekend zijn met de inrichting van ons staatsbestel. Dat ze weten welk bestuursorgaan bevoegd is en welke volksvertegenwoordiging waarvoor verantwoordelijkheid draagt. Daarom een lesje maatschappijleer voor kamerlid Wilders.

Laten we het korte bericht van Wilders eens onder de loep nemen en bekijken wat de redenen zijn die Wilders aandraagt om burgemeester Halsema de laan uit te sturen. Als eerste ‘de miljoenen’ die Amsterdam vrijmaakt voor de opvang van illegalen. Het budgetrecht, het recht om te bepalen hoeveel geld waarvoor beschikbaar wordt gesteld, ligt bij de gemeenteraad. Daarvan is Halsema de voorzitter maar ze heeft geen stemrecht. Die ‘miljoenen euro’s’ zijn Halsema daarmee niet te verwijten. Dat kan en mag geen reden zijn om een burgemeester te ‘ontslaan’.

“In plaats van ze vast of uit te zetten …,” vervolgt Wilders zijn bericht. Een burgemeester, het college van burgemeester en wethouders noch een gemeenteraad is niet bevoegd om mensen vast te zetten noch om hen het land uit te zetten. De politie mag iemand in bewaring stellen zoals vastzetten in juridische termen heet. De bevoegdheid om iemand het land uit te zetten is toebedeeld aan de Dienst Terugkeer & Vertrek. Deze dienst is een onderdeel van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Dat illegalen niet in bewaring worden gesteld of worden uitgezet kan daarmee geen reden zijn om Halsema te ontslaan. Wil Kamerlid Wilders dat illegalen in bewaring worden gesteld en uitgezet dan moet hij de minister van Veiligheid en Justitie daarop aanspreken. Dat aanspreken is zijn rol en taak als Kamerlid.

Dat er met het geld dat door de gemeenteraad beschikbaar is gesteld “feestjes, vlogcursussen en naailessen,” worden verzorgd, is een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Daarvan is burgemeester Halsema een van de leden. Als die “feestjes, vlogcursussen en naailessen,” reden zijn voor ontslag van een bestuurder, dan zou dat wethouder Groot Wassink moeten zijn. Hij heeft ‘Vluchtelingen en Ongedocumenteerden’ in zijn portefeuille. Daarbij is het niet aan de Tweede Kamer noch aan de regering om een bestuurder van een gemeente daarvoor te ‘ontslaan’. Een gemeentebestuurder dient zich in de gemeenteraad te verantwoorden en het is aan de gemeenteraad om het vertrouwen in een bestuurder op te zeggen, te ‘ontslaan’ om Wilders’ terminologie te gebruiken. Dat mensen die op straat leven, de dak- en thuislozen om de beleidsterm te gebruiken, worden opgevangen is nu juist wel een verantwoordelijkheid van het Amsterdamse gemeentebestuur. Daarbij is het niet relevant wat de ‘wettelijke status’ van de betreffende persoon is.

Een dergelijk gebrek aan elementaire kennis van de bestuurlijke verhoudingen in Nederland bij iemand die al twintig jaar in de Tweede Kamer zit, is schrijnend en in mijn ogen een reden voor ‘ontslag op staande voet’. Maar ja, er is niemand die zittende Kamerleden kan ‘ontslaan’. Zij kunnen alleen door de kiezer worden ‘ontslagen’. Nu kan ik mij niet voorstellen dat Wilders dit niet ook weet en dat maakt het nog schrijnender. 

Uitgelicht

Welvaartsstaat en/of verzorgingsstaat?

“Ik kies, mede op basis van de bijdragen van Lex Hoogduin en Rutger van den Noort, voor het opgeven van de verzorgingsstaat om de welvaartsstaat te herstellen! De terugtredende overheid (die beiden bepleiten) zal de eigen verantwoordelijkheid van de burgers vergroten en hen aanzetten tot méér initiatief, méér keuzes en méér ondernemerschap. Dat zal tot meer welvaart leiden.” Deze conclusie trekt Henk Strating bij Opiniez uit een debat over de verzorgingsstaat. Strating is duidelijk. Hij kiest de welvaartsstaat boven de verzorgingsstaat. Maar wat als er niet gekozen hoeft te worden? Zou het niet én kunnen zijn in plaats van of? 

Een prent ter gelegenheid van het Kinderwetje van Van Houten uit 1874. De eerste maatregelen ter verbetering van de levensomstandigheden van mensen. Bron: Wikipedia.

Laten we eens in de geschiedenis duiken. Als we dat doen dan zien we vooral schrijnende armoede en ellende aan de ene kant en flinke rijkdom aan de andere kant. Die ene, arme kant omvatte het overgrote deel van de mensheid. Die rijke kant bestond uit enkele families. Daartussen een klein clubje mensen die het redelijk had. Veel van die armen werkten. Als ze geen werk hadden of niet konden werken, dan waren ze afhankelijk van de goedertierenheid van vooral de kerken. Je succes of falen hing vooral af van de plek en de situatie waarin je werd geboren. Was je van adel dan was je kostje gekocht. Waren je ouders keuterboer, dan was dat je lot. Hoe hard je ook werkte, hoe goed je ook je best deed en hoe je je ‘eigen verantwoordelijkheid’ invulde, wat je ook ondernam, het deed er zeer weinig tot niets toe. Je lot lag al bij je geboorte vast. Geen welvaartsstaat en zeker geen verzorgingsstaat.

Met de industriële revolutie gingen we een nieuw tijdperk in. Werken op het land werd werken in de fabriek. Wat er slechts marginaal tot bijna niet veranderde, was de invloed van je geboorteplek en situatie. Als zoon van een arbeider werd je arbeider. Tenminste, als er werk was. Was dat er niet, dan was je afhankelijk van de nog steeds vooral kerkelijke armenzorg. Had je het geluk dat je ouders ondernemer waren, dan had je wat meer keus. Voor sommigen een tijd van grote welvaart, voor de meesten was het sappelen tot schrale armoede. Zeker geen welvaartsstaat en al helemaal geen verzorgingsstaat.

Aan het einde van de negentiende eeuw begon er wat te veranderen. De staat begon zich de ellende aan te trekken en vaardigde wetten uit om de ergste uitwassen te voorkomen. Zo werd kinderarbeid verboden en werd de arbeidstijd begrensd. Het begin van wat uitgroeide tot de verzorgingsstaat. Een begin dat een vervolg kreeg met bijvoorbeeld de sociale woningbouw. Dit om de leefomstandigheden te verbeteren. Wetgeving om te voorkomen dat ouderen, die niet meer konden werken, afhankelijk werden van hun familie of de kerk voor hun eten. Wetten om armoede bij ziekte of ongeval te voorkomen. Wetgeving ter verzekering van inkomen bij arbeidsverlies. 

Dit werd wat we achteraf de verzorgingsstaat zijn gaan noemen. Een ontwikkeling die niet is ingezet om, zoals Strating schrijft: “dat de overheid voor de burgers moet zorgen en hun risico’s zo veel mogelijk moet afwenden.” Nee, wet- en regelgeving en maatregelen om schrijnende armoede en ziekte en sterfte als gevolg van armoede te bestrijden. Maatregelen om mensen een wat menswaardiger bestaan te bezorgen. En wat schetste de verbazing? Het menswaardigere bestaan zorgde ervoor dat de zoon van de arbeider de kans kreeg om meer te worden dan een arbeider. En dat gebeurde dan ook. Verzekerd van een basis namen steeds meer mensen initiatief, ze kozen, ze ondernamen en dat leidde tot een toename van de welvaart. Met het invoeren van die maatregelen, die verzorgingsstaat, nam de welvaart van iedereen toe. De verzorgingsstaat en de welvaartsstaat gingen hand in hand.

Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw wordt er gemorreld aan die verzorgingsstaat. De voorzieningen worden kariger of verdwijnen. Allemaal met als ideologisch sausje dat die regelingen betuttelend zijn en dat mensen pas initiatief nemen als ze er zelf voor staan. Dit geheel volgens Stratings manier van denken. Wat we sinds die tijd zien is dat de welvaart stagneert. Dat er steeds meer mensen in armoede leven. En er is niets zo dodelijk voor eigen initiatief als armoede. 

Natuurlijk is het goed om te kijken of alle regelingen nog wel bij de tijd passen. Natuurlijk moeten we kijken en zoeken naar alternatieve manieren die beter bij het huidige tijdsgewricht passen. Een basisinkomen kan dan een interessante optie zijn. Maar als de geschiedenis ons iets leert dan is dat dan niet dat het én is in plaats van of? Dat welvaartsstaat en verzorgingsstaat hand in hand gaan?

Uitgelicht

Wachten op marsmannetjes

“Waarom worden in deze verbonden wereld nationaliteiten en grenzen heilig verklaard? De realiteit is dat dit mensenmaaksels zijn. Grenzen zitten tussen onze oren. Dat is een natuurwet.” De laatste zinnen van een column van Kiza Magendane bij de kanttekening. Een waarheid als een koe.

Als je ik over de Venlose Groote Heide loop in de richting van de Krickenbecker See dan zijn de enige zaken die duiden op een landsgrens van menselijke makelij. Voor een ree dat er toevallig rondloopt hebben die zaken in het geheel geen betekenis. Dat wandelt vrolijk door naar het gras aan de andere kant. Om het Klein Orkest aan te halen: “Alleen de volgels vliegen van West- naar Oost-Berlijn, worden niet teruggefloten ook niet neergeschoten.”

Die grens heeft alleen voor mensen betekenis, het is, zoals Magendane terecht opmerkt, een ‘mensenmaaksel’. Het is iets wat alleen voor mensen betekenis heeft en dan ook nog alleen voor mensen die ervan op de hoogte zijn. Ben je er niet van op de hoogte dan verandert er niets tijdens de wandeling, behalve dan het uitzicht.

Dat het ‘mensenmaaksels’ zijn en ‘tussen onze oren’ zitten, maakt ze voor mensen echter niet minder reëel. De kracht van de mens is nu juist zijn fantasie. Zijn mogelijkheid om een ‘verhaal’ te vertellen waarin soortgenoten gaan geloven en dat zo voor hen realiteit wordt. Die verhalen, die ’mensenmaaksels’ maken dat wij Homo Sapiens de wereld hebben kunnen domineren. Ze maken het mogelijk om in hele grote groepen van zelfs miljoenen mensen samen te werken. Die verhalen zorgen voor een gemeenschappelijke basis. Zonder die verhalen, die mensen binden en inspireren, hadden we waarschijnlijk nog in de ‘bomen gehangen’. Want echt een relatie opbouwen kan een mens maar met een beperkt aantal soortgenoten. 

Maar zoals alle menselijke uitvindingen, heeft ook het verhaal naast positieve, ook negatieve kanten. Verhalen kunnen binden, maar ook uitsluiten. Zo ook met verhalen over grenzen. Die verhalen kunnen mensen binnen die grenzen binden. Ze zorgen er bijvoorbeeld voor dat veel inwoners van Wales afgelopen zondag met een brede lach op hun gezicht liepen. Hun nationale trots, hun rugby-team, won immers de belangrijke wedstrijd op het Wereldkampioenschap tegen Australië. Voor mij als neutrale toeschouwer een bijzonder spannende en afwisselde wedstrijd (klik op deze link voor een samenvatting). Die verhalen kunnen ook mensen aan verschillende kanten van de grens tegen elkaar opzetten. Neem Trump die Mexicanen criminelen noemde. Of nog erger de nazis’s die bijvoorbeeld joden en Oost-Europeanen als ‘untermensch’ in verschillende gradaties zagen.

Om de ‘waarom-vraag’ van Magendane waarmee ik begon te beantwoorden: omdat er geen gezamenlijk verhaal is wat krachtig genoeg is om alle mensen te binden. Een gezamenlijke vijand zou de meest krachtige katalysator kunnen zijn voor zo’n gezamenlijk verhaal. De klimaatverandering is daarvoor, hoe urgent ook, niet urgent genoeg. Bovendien is er discussie over oorzaak, schuld en wat te doen. Nee een vijand zoals marsmannetjes’ of ander vijandig buitenaards gespuis zoals in films als War of the Worlds of Independence Day.

Uitgelicht

Morele chantage

Ik moet ‘schuld’ bekennen. Tenminste om een succesvolle klimaat activistische beweging te kunnen laten ontstaan. Zo langzamerhand ben ik schuldig aan alle ellende op deze wereld. 

Nou ja alle. Ik neem geen drugs dus de ‘ondermijning’, criminaliteit en milieuvervuiling’ als gevolg van drugs, kunnen mij niet in de schoenen worden geschoven. Die ellende is immers een gevolg van de uitgaander die soms een pilletje neemt. Tenminst, als we minister Grapperhaus, het kabinet en vele politici en beleidsmakers moeten geloven. Zoals Gerard Drosterij in de Volkskrant terecht constateert, is dat wel erg gemakkelijk. Of zoals hij het zegt: “als er een zondebok voor de ontspoorde drugscriminaliteit nodig is, dan toch zeker de overheid. Ik zou zeggen: trek lekker zelf het boetekleed aan in plaats die om de schouders van burgers te hangen. Wat meer zelfkritiek zou je sieren. ” Dat even terzijde.

Bron: pxhere

Terug naar dat waar ik wel schuldig aan ben. Tenminste als ik activist Chihiro Geuzebroek moet geloven die in een artikel van Emma Meelker bij Oneworld wordt opgevoerd. Geuzebroek hoopt: “dat westerse klimaatactivisten snel erkennen dat het Westen een schuld heeft te vereffenen op klimaatgebied. Pas dan kan er verzoening ontstaan en krijgt de klimaatbeweging tanden.” Want: “Het klimaatprobleem is er natuurlijk een van de westerse industrie. Een wit project dat met kolonialisme overal is uitgerold. Dat is de eerste laag van klimaatracisme.” En: “Het gesprek gaat over ‘vrijwillige hulp’ aan die landen, niet over het vereffenen van een schuld.” Daarvoor moet ik mijn excuses maken en vervolgens de schuld vereffenen want: ik ‘koloniseer de atmosfeer.’ 

Zo die kan ik in mijn zak steken. Want wat die westerse ‘witman’ allemaal heeft uitgespookt en gedaan, daar deugt geen hout van. Afgezien van het feit dat deze Westerse ‘witman’ verdomde weinig invloed heeft op bedrijven als Shell net zoals zijn voorouders niets te vertellen hadden over de koers van de VOC, zou ik Geuzebroek iets willen vragen. Als ik alle ellende die de Westerse manier van leven heeft veroorzaakt op mijn schouders moet nemen, mag ik dan ook de complimenten ontvangen van u en anderen die mij dit verwijten, voor het goeds dat die manier heeft opgeleverd? 

De complimenten voor bijvoorbeeld de parlementaire democratie en de vrijheid van meningsuiting bijvoorbeeld of voor het ontsnappen aan het juk van de religie en de Verlichting? Die komen immers uit dezelfde bron als die westerse industrie. Op de foto bij het artikel staat Geuzebroek met een megafoon in haar handen. Die megafoon is slechts een van de vele vindingen van die industrie. Net als de filmcamera en de telefoon.

Mag ik dan ook de complimenten ontvangen voor de penicilline, de antibiotica en de vaccins? En dan wil ik best erkennen dat we daarbij te weinig aandacht hebben bestaat aan bijvoorbeeld de sikkelcelziekte. Maar ja, die kwam in onze contreien ook niet veel voor, dus die had geen prioriteit. Andere delen van de wereld, waar deze ziekte wel veel voorkomt, hebben het op dit punt niet veel beter gedaan. Sterker nog, die zijn vooral afhankelijk van en bouwen voort op juist de vindingen van die ‘westerse industrie’.

Nu zit ik echt niet op die complimenten en bedankjes te wachten. Ik heb er immers niets aan bijgedragen, dat hebben anderen uit de ‘westerse wereld’ gedaan en ik vind het nogal overdreven om met hun veren te gaan pronken. Dan eigen ik mij iets toe wat mij niet toekomt. En dat geldt voor mij ook met negatieve zaken zoals kolonialisme en milieuvervuiling door industrieën waar ik geen invloed op heb. Daar wil ik niet verantwoordelijk voor worden gehouden en daar ga ik mij niet voor verontschuldigen. Pronken doe ik met mijn eigen veren en verontschuldigen doe ik mij voor mijn eigen daden. Voor de rest probeer ik zo te leven dat ik anderen, ook op het gebied van milieuvervuiling, zo min mogelijk schade toebreng. Ik hoop dat anderen dat ook doen. Als ik hierbij dingen fout doe, dan mag men mij daar gerust op aanspreken. 

Als mijn weigering om me te verexcuseren ervoor zorgt dat mijn streven om het milieu te beschermen: “zo moeilijk aansluiting kan vinden met mensen van kleur,” dan is dat maar zo. Ik weiger te buigen voor deze vorm van morele chantage.

Uitgelicht

Déjà Vu

U hebt het vast ook wel eens. Dan gebeurt er iets en denkt u: ‘maar dat heb ik toch al eens gezien.’Een déjà vu om het in goed Nederlands te zeggen. “In de jeugdzorg moeten we bijsturen. Een sterke basis ontwikkelen, met stevige scholen en wijken met zorg dichtbij. Maar ook gewoon nuchter kijken naar verantwoordelijkheid van ouders zelf. En voor grote problemen snel de juiste hulp. Dán heb je maatwerk en werken we vanuit de bedoeling.”  De laatste alinea van een artikel van Lian Smits en Rene Peters in Trouw. Ik dacht, of ik heb een déjà vu of ik ben tien jaar jonger. Toen ik vervolgens mijn sokken aantrok wist ik het: een déjà vu.

Bron: Pixabay

“Ouders/opvoeders zijn er natuurlijk in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor dat hun kinderen kunnen opgroeien in een gezonde, veilige en stimulerende omgeving met uitzicht op maatschappelijke participatie. …. De school wordt gezien als een plek waar professionals zicht hebben op de ontwikkeling van kinderen. Daarmee zijn scholen vindplaatsen van kinderen die zorg nodig hebben..” Dit constateerde de Kamerwerkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg in 2010. 

We zijn nu bijna tien jaar verder en Smits en Peters concluderen hetzelfde. Tien jaar verder en niets opgeschoten? Nou ja niets. Inmiddels is de gemeente verantwoordelijk voor de jeugdzorg. Dat was ‘logisch’ want de gemeente staat toch het dichts bij de burger. Daarom kan zij het beste die zorg organiseren. Een aanname die ik al eerder ter discussie stelde.

Nou ja niets? Marktwerking is ver doorgedrongen in de jeugdzorg. Heel veel zorg of ondersteuning wordt ‘aanbesteed’, er wordt een markt van gemaakt. Waarom? Niet omdat de wet hen ertoe verplicht. Doorzoek de wet op het woord inkoop en je krijgt nul resultaten. Idem voor het woord ‘aanbesteden’. Nee de wet verplicht de gemeenteraad (artikel 2.2 eerste lid) “een plan vast (te stellen) dat richting geeft aan de door de gemeenteraad en het college te nemen beslissingen betreffende preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.” De wet verplicht het college (2.4 eerste lid) om: “Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.” Het staat gemeenten vrij om te bepalen hoe zij die wettelijke opdracht invullen. 

Nou ja niets? Door er een markt van te maken, krijg je ook de normale verschijnselen van een markt. Verschijnselen zoals concurrentie op prijs en als de ‘opdracht’ eenmaal binnen is op allerlei manier ‘meerkosten’ opvoeren. Via de markt wordt er gestuurd op concurrentie en dan vooral op concurrentie op prijs. Iets wat je via de markt niet krijgt, is samen werken aan die ‘sterke basis’ waar de beide auteurs het over hebben. Als je samenwerking wil dan moet je op samenwerking sturen. Dan moet je zoeken naar andere manieren dan ‘aanbesteden’ en ‘marktwerking’.

Nou ja niets? Sinds die tijd hebben veel goede en ervaren medewerkers de zorg voor de jeugd verlaten. Moe van de hoge werk-, en vooral administratieve druk. Moe van de immer durende onzekerheid, ‘hebben we nog een contract volgend jaar’. Moe van de inhoudelijke bemoeienis door gemeenten met hun werk, dit terwijl de wet onder andere werd ‘verkocht’ met de kreet ‘ruimte voor de professional’. De plekken die ze achterlieten zijn niet ingevuld of worden bezet door, zoals iemand het mij laatst vertelde, ‘jonge möpkes’ nauwelijks ouder maar vaak veel minder streetwise dan de jongeren die ze moeten begeleiden.

Nou ja niets? Van de twaalf verantwoordelijke provincies met daarnaast nog twee ministeries en de zorgverzekeraars die vroeger verantwoordelijk waren, zijn we gegaan naar één verantwoordelijke overheid: de gemeente. Een klein dingetje. Daarvan zijn er zo’n 380 in Nederland. Omdat de wetgever dit ook wel wist nam hij in artikel 2.8 op dat de colleges met elkaar moeten samenwerken: “Indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is.” En dat doen die colleges dan ook. Alleen lijkt die samenwerking het meest op zo dicht mogelijk naast elkaar heen werken.

Vanuit het dominante ‘marktdenken’ logische en rationele stappen maar met een weinig logisch en rationeel resultaat. Een mooi voorbeeld van rationele irrationaliteit?

Uitgelicht

De morele toren

Als ik ze al had geambieerd, dan zou ik een politieke carrière wel op mijn borst kunnen schrijven. Niet omdat ik er niet over de juiste kwaliteiten beschik of er niet slim genoeg voor zou zijn. Of ik de juiste kwaliteiten heb of er slim genoeg voor ben,  doet er niet toe. Waarom dan toch geen politieke carrière?

Bron: Wikimedia Commons

Omdat er foto’s van mij zouden kunnen gaan opduiken. Foto’s waarop ik als kind van zeven of acht verkleed ga als indiaan of cowboy. Van iets latere leeftijd kunnen er foto’s opduiken van mij als janitsaar. Voor degenen die niet weten wat janitsaren waren, het was het elitecorps in het Ottomaanse Rijk. Ook zullen er foto’s opduiken van mij als Schot en afhankelijk van het camera standpunt compleet met zonder onderbroek. Want ja, je verkleed je en dan doe je het goed. Ook zal ‘Jabbar el Goojegabber’, de Arabische sjeik, op kunnen duiken. Mijn alter ego tijdens de Vasteloavend van 1994. Want ja, als ‘Vasteloavesvierder’ verkleed je je als iemand anders. 

En als dergelijke foto’s opduiken dan ben je ongeschikt. Dan heb je andere culturen belachelijk gemaakt of je misschien wel schuldig gemaakt aan ‘culturele toe-eigening’. En in het ergste geval ben je hypocriet. Hoe kun je immers pleiten voor gelijkwaardigheid van mensen als je als zevenjarige met een indianentooi op je hoofd liep? Dat gebeurde de Canadese premier Trudeau deze week. Eerst dook er een foto op van een themafeest in 2001 waar hij met een zwart geschminkt gezicht rondliep en er schijnt ook een video uit het begin van de jaren negentig te zijn. Dan deug je niet meer en moet je diep door het stof. 

Of zoals Trudeau het zei, zo lees ik in de Volkskrant: “Ik had toen beter moeten weten, maar ik deed het toch. Het spijt me ten zeerste.” Maar ja, ook dat is niet genoeg want er zijn altijd mensen die je niet geloven: “Zijn politieke uitdager, Andrew Scheer, trekt de oprechtheid van de premier in twijfel. Het feit dat er nu een nieuwe video van hem is opgedoken, verspreid door de Conservatieven, is voor hem koren op de molen. Die bewijst volgens Scheer dat Trudeau een ‘leugenaar’ is.” Zo die kan Trudeau zich in zijn zak steken. Wanneer zou het dan wel ‘genoeg’ zijn? Voor zijn tegenstanders waarschijnlijk nooit.

Deze affaire kent twee bijzonder invalshoeken. De eerste is een tegenwoordig heel populaire, leg het verleden langs de maatlat van het heden. Acties, gebeurtenissen en daden uit het verleden worden langs de huidige morele maatlat gelegd en beoordeeld. Dit terwijl ze stammen uit een tijd met een andere morele maatlat. Dat maakt deze handelingen al heel snel ‘fout’ of nog erger ‘moreel verwerpelijk’. Het heden wordt zo gepresenteerd als dé absolute norm waaraan alles wordt afgemeten. Als de hoogste ‘morele toren’ Maar hoe kon iemand toen weten wat die huidige ‘hoogste morele standaard’ is waar de criticasters nu van blazen?

De tweede invalshoek haakt aan bij waarmee ik begon. Er blijft niemand over als geschikt politicus. Iedere daad of actie van jou uit het verleden kan immers in de toekomst ‘moreel verwerpelijk’ zijn. Iedereen heeft een verleden en heeft in dat verleden gehandeld. Handelen dat naar de toekomstige morele standaarden niet kan deugen maar op het moment van handelen wel deugde. Zouden die ‘blazers’ zich realiseren dat hun geblaas wel eens van een te lage toekomstige toren kan zijn?

Uitgelicht

NEE is JA?

Kan NEE ook JA betekenen? In het kader van #MeToo duidelijk niet. NEE is NEE en geen versluierd JA. In mijn dagelijkse werk stootte ik vandaag op iets bijzonders. Iets waarbij NEE ineens JA lijkt te zijn. Dat bijzondere heeft te maken met beschermd wonen. Omdat ‘decentraliseren’ naar gemeenten omdat die het ‘dichtst bij de burger’ staan tegenwoordig mode is, moet ook zorg voor mensen die beschermd moeten wonen een verantwoordelijkheid worden van de gemeente. Hierbij stuitte ik op het woord ‘vermaatschappelijken’. 

Bron: Pixabay

Eerst even wat achtergrond bij dat ‘beschermd wonen’. Nu is deze zorg georganiseerd op grotere schaal. In het land zijn er zo’n 43 centrumgemeenten belast met deze opdracht. Wat meer regio’s in druk bevolkte gebieden en wat grotere regio’s in dun bevolkte gebieden. Daarvoor is ooit gekozen omdat enige omvang nodig is om hiervoor iets te regelen. Dat was vroeger zo en als daarin niets is gewijzigd, waarom dan veranderen?  

Ja, waarom? Omdat: “Er is in de samenleving een brede consensus over de wenselijkheid en noodzaak van een vermaatschappelijking van ondersteuning en zorg voor kwetsbare mensen. Deze trend is ook buiten de grenzen van Nederland duidelijk zichtbaar. In diverse sectoren (geestelijke gezondheidszorg, gehandicaptenzorg, maatschappelijke opvang, ouderenzorg, etc.) zijn de opvattingen de kant op gegaan van inbedding van zorg in de samenleving, versterking van zelfregie en eigen kracht.” Zo schrijft de Advies Commissie Toekomst Beschermd Wonen op pagina 12 van haar rapport met als titel Van beschermd wonen naar een beschermd thuis. Het streven is om de mensen die nu beschermd wonen in een huis bij u of mij in de buurt een ‘beschermd thuis’ te bieden. En daarmee ben ik aanbeland bij het woord ‘vermaatschappelijken’. Daaruit kun je opmaken dat ‘vermaatschappelijken’ betekent ‘de-instiututionaliseren’. 

Alleen raakte ik verward toen ik Wikipedia raadpleegde voor het begrip maatschappelijk: “Het begrip maatschappij valt grotendeels samen met de notie samenleving, maar legt meer de nadruk op de institutionele, ordenende aspecten van de samenleving: de staat en de staatsapparaten. Daarmee is het ook een meer territorium gebonden begrip dan samenleving.” We gaan ‘de-institutionaliseren’ en noemen dat ‘vermaatschappelijken’ terwijl ‘vermaatschappelijken’ eigenlijk ‘institutionaliseren’ is.

Het begrip ‘vermaatschappelijken’ lijkt qua betekenis een draai van honderdtachtig graden te hebben gemaakt. Het wordt nu gebruikt om iets af te breken dat met hetzelfde woord is opgebouwd. NEE is op wonderbaarlijke wijze JA geworden.

Uitgelicht

De ‘Gouden Eeuw’

“De term Gouden Eeuw is op zichzelf gebouwd op geschiedvervalsing en op een achterhaald 19e eeuws beeld van het verleden.” Dit schrijft Lasse van Dikkenberg bij Joop naar aanleiding van het besluit van het Amsterdams Museum om de term ‘Gouden Eeuw’ in de ban te doen. “De term Gouden Eeuw is in de 19e eeuw ontstaan vanuit een nostalgische verering van het koloniale verleden. Het ging hier specifiek om de zaken die wij nu als negatief ervaren, zoals bijvoorbeeld de VOC en de WIC. De term kon alleen ontstaan doordat niet-elitaire perspectieven, zoals die van arbeiders of slaven, werden genegeerd.” 

De rode lijnen geven de grens van ‘t nieuwe koninkrijk België aan vóór de erkenning door Nederland in 1839.

Zou er iemand in de Gouden Eeuw op het idee zijn gekomen om die eeuw de Gouden Eeuw te noemen? Ik denk het niet. Het is niet uitzonderlijk dat tijdperken pas nadien worden geduid en benoemd. Sterker nog, het is regel. Een middeleeuwer zou zijn tijd zelf nooit middeleeuwen noemen. Hij leefde toen, net als wij nu, aan het ‘einde’ van de geschiedenis. Na hem was er niets. Om zijn tijd middeleeuwen te kunnen noemen, zou hij moeten weten waartussen ‘zijn eeuwen’ het midden waren. Zo noemen we nu het tijdperk tussen de twee wereldoorlogen het interbellum. Die naam konden ze er in 1929 nog niet aan geven. Er was immers pas één wereldoorlog geweest.

Als geschiedkundige heb ik het altijd al bijzonder gevonden dat na de middeleeuwen de nieuwe tijd en daarna de nieuwste tijd kwam. Immers wat zou er dan na de nieuwste tijd moeten komen? De allernieuwste tijd? Nee, historische tijdperken krijgen hun naam en betekenis altijd pas achteraf. Die naam en betekenis houden altijd verband met de tijd die erna kwam, met het heden dus. Het is daarom niet vreemd dat de negentiende-eeuwers de periode voor hen benoemden in het licht van hun heden. Voor iedereen die leeft is zijn tijd de ‘nieuwste tijd’. Een nog nieuwere is er immers niet. 

Inderdaad zal dit zijn gedaan als een ‘nostalgische verering van het verleden’, zoals Dikkenberg schrijft. In die negentiende eeuw ontstond er immers ineens een land: het koninkrijk der Nederlanden (het grondgebied omvattend van de huidige landen België, Luxemburg en Nederland). Een land dat door het ‘gesol’ der grootmachten ontstond, zoals ik in mijn vorige Prikker schreef. Een land waar delen iets met elkaar hadden en delen ook niets. Zo hadden de oude zeven provinciën iets samen, maar hadden ze ondertussen niets meer met het Zuidelijk deel en dat bleek nog geen twintig jaar later. Het Zuidelijke deel kwam in opstand en scheidde zich af. Een deel van de opstandige gebieden, het grootste deel van de huidige Nederlandse provincie Limburg dat de Belgische kant had gekozen, ging weer terug naar Nederland. Het Noordelijke deel en de koning hadden dit maar te slikken omdat de grootmachten de kant van de Belgen kozen.

Dat gebrek zeggenschap en het ‘verlies’ van het zuiden, moest worden gecompenseerd en die compensatie werd gezocht in het verleden. Laat dat nu de zeventiende eeuw zijn, een tijdperk dat de ‘Hollanders’ solden en een belangrijke macht waren. Door een beroep te doen op de ‘glorie van weleer’ en personen die daarin een rol hebben gespeeld tot held te verklaren, werd dat verleden nog wat verder opgepoetst.

Je beroepen op een ‘glorieus verleden’ om meer te lijken dan je bent is een vrij normaal mechanisme om dat tegenwoordig ook nog zijn werk doet. Zo zie je in Rusland een toenemende trots op het Sovjet verleden en de ‘Grote Vaderlandse oorlog’ waarbij de ‘grootsheid van de Sovjet Unie op de huidige Russen en vooral hun leider moet stralen. Bij de Engelsen zie je ook nostalgie naar de tijd dat ‘Britania’ over ‘the waves’ regeerde en Europa verdeelde zodat het kon heersen, zoals ik in die vorige Prikker schreef. Veel Brexeteers willen dat dit verleden weer heden wordt.  


Uitgelicht

Europese spoken

Volgens Jelte Wiersma is wat er met de Britten gebeurt van groot belang voor de toekomst van Nederland: “Stel dat het Verenigd Koninkrijk wel in de Europese Unie blijft. Dan heeft het als niet-euroland per definitie een tweederangs status. Lid van de eurozone zal het niet worden. Aangezien de eurozone dé motor is waarmee macht naar Frankrijk wordt overgeheveld, wint Nederland weinig met dit scenario. Of stel dat het Verenigd Koninkrijk een Theresa May-achtig akkoord met de EU sluit en zo een EU-kolonie wordt – ook dat lost het probleem niet op van een verdergaande machtsoverdracht naar Frankrijk.” Zo schrijft hij in Elsevier. “Leedvermaak en schamper doen over premier Boris Johnson en de in veler ogen clowneske politiek in het Lagerhuis (…) vanuit Nederlands perspectief geen enkele zin.” Aldus Wiersma, die vervolgt: “Langzaam laat Nederland zich zo tot provincie van Frankrijk (en Duitsland) vormen.” Volgens Wiersma is Frankrijk de ‘baas’ in de Europese Unie. Nog niet zo lang geleden zeiden we hetzelfde over de Duitsers. Of de angst van Wiersma terecht is, zal de toekomst uitwijzen. 

Bron: Wikipedia

Bijzonder in het betoog van Wiersma is dat hij de werkelijkheid om lijkt te draaien. Wiersma: “Macron wil voorkomen dat het Verenigd Koninkrijk lid van de EU blijft en in de Unie de hoeder van de belangen van kleinere landen en vrijhandel is. Macron wil ook dat het Verenigd Koninkrijk geen prettig handelsverdrag met de EU kan sluiten, waardoor ook andere lidstaten zouden kunnen besluiten onder het Franse EU-gezag uit te willen, of in elk geval EU-integratie ten bate van de Franse macht te voorkomen.” Pardon? De Britten, met de ‘clowneske’ Johnson als boegbeeld, willen toch de Unie verlaten? Als de Britten willen blijven dan hebben de Fransen geen poot om op te staan.  Ze zijn immers lid van de Unie en niemand kan hen eruit gooien. Dat kunnen ze alleen zelf doen. Als de Britten als nog kiezen voor blijven dan zijn er alleen drie jaar verspeeld met niets. 

Ook het beeld van de Britten als hoeder van de kleine landen geeft hen erg veel krediet. Als we terugkijken dan zien we dat de Britten vooral opkwamen voor hun eigen belang. Denk maar aan het ‘I want my money back’  van Tatcher. Ze kreeg haar geld terug ten koste van, ja van de andere landen zoals het kleine Nederland. 

Als ik het betoog van Wiersma goed lees, dan is Nederland ontstaan als een soort provincie van de Britten: “Het Koninkrijk der Nederlanden met een Oranje op de troon – waarop zoveel Nederlanders zo dol zijn – is zelfs een Britse uitvinding.” Daar heeft Wiersma een punt. Zonder het ‘Concert van Europa’ in 1814 had ons land niet bestaan. In Wenen beslisten de toenmalige grootmachten dat de ‘Franse ambities’ ingetoomd moesten worden. Oostenrijk, Pruisen, Rusland en de Britten tekenden daar de nieuwe kaart van Europa. Een kaart waarop ten Noorden van Frankrijk ineens het ‘Koninkrijk der Nederlanden’ verscheen met een ‘Oranje’ op de troon.

Inderdaad paste dit in het Britse Europa-beleid dat Wiersma goed omschrijft: “we moeten voorkomen dat één macht het Europees continent domineert. Waarom? Omdat het Verenigd Koninkrijk zelf Europa niet kan domineren en geconfronteerd met één continentale grootmacht daarvan een kolonie dreigt te worden.” Het paste echter ook naadloos in dat van de andere winnaars. Die waren beducht voor elkaar en daarom moest Frankrijk als een ‘macht’ blijven bestaan daarin paste een nieuw ‘koninkrijk der Nederlanden’. Al eerder schreef ik een Prikker over dit sollen en het daaruit ‘ontstaan’ van het ‘koninkrijk der Nederlanden’. Maakt dit de Britten tot ‘hoeder’ van de kleine landen? Nee, die kleine landen waren nodig om te voorkomen dat zij hun machtspositie in Europa en in het verlengde daarvan in de wereld verloren.

Een provincie van zowel Frankrijk als Duitsland. Dat roept ‘spoken’ uit het verleden op. Zeker in een jaar dat we herdenken dat we vijfenzeventig jaar geleden werden bevrijd van het zijn van een ‘Duitsche’ provincie. Wat verder terug, ten tijde van Napoleon, waren we een Franse provincie. Met de ‘kennis’ van nu, moeten we daar niets van hebben. Nu was het gebied waar wij wonen wel vaker een ‘provincie van’. Bijvoorbeeld van de Romeinen, de Franken, de Bourgondiërs, de Spanjaarden en delen van ons land ook nog van de Oostenrijkers en de Pruisen. Met het zijn van provincie hebben we genoeg ervaring.        

Als de geschiedenis iets leert dan is het dat de machtigen sollen met de minder machtigen. En ja, daar heeft Wiersma een punt, dat gebeurt ook binnen de Europese Unie. Sterker nog dat gebeurt ook binnen Nederland. Zo gebruiken de vier grote steden hun ‘macht’ om extra voordelen binnen te halen. Dat even ter zijde. Als er in 1814 wat anders was gesold, dan was het gebied waar ik woon al een Duitse ‘provincie’. Was er na 1830 wat anders gesold dan was ik Belg geweest. Maar ja, dat was dan wellicht ook een Duitse, Franse of eigenlijk Britse provincie. Want Die Britten garandeerden de Belgische neutraliteit. Als Nederland haar zin had gekregen na afloop van de Tweede Wereldoorlog dan voetbalde Borusia Mochengladbach is de eredivisie. Dan had de grens een kilometer of veertig oostelijke gelegen. Maar ja, Nederland was machteloos er werd mee gesold.

Als het verleden iets laat zien dan is dat machthebbers sollen en dat grenzen tijdelijk zijn. Ook de huidige. Trouwens het verleden laat nog iets zien. Namelijk dat Nederland ook zonder de Britten in de Europese samenwerking kon. De Britten werden immers pas in 1973 lid. Nederland was er al vanaf het begin bij.