Uitgelicht

Grondwetgevende vergadering

 “En als ze dan toch bezig zijn, kunnen ze meteen ook eens kijken of ze het systeem niet zo kunnen veranderen dat het polarisatie straft in plaats van beloond.” Met die woorden eindigde een vorige Prikker. In die Prikker gaf ik een historische context bij de huidige situatie van de tot op het bot verdeelde en gepolariseerde Verenigde Staten en een politiek systeem dat dit niet lijkt te kunnen keren. Sterker nog, dat eronder lijkt te bezwijken. Na het schrijven van die Prikker vroeg ik me af hoe de situatie in Nederland is.

Grondwet Foto's - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Als we kijken naar onze politieke instellingen, dan zijn die meer dan 170 jaar oud. Ze zijn nog steeds gebaseerd op de Grondwet opgesteld in 1848. De laatste ingrijpende wijziging die de positie van de koning ceremonieel maakte. Op die Grondwet is ons politieke bestel gebouwd. Een bestel met een gekozen volksvertegenwoordiging de Staten Generaal die bestaat uit twee kamers. De Eerste Kamer wordt getrapt gekozen door de leden van de provinciale staten en de Tweede Kamer waarvan de leden rechtstreeks worden gekozen door de bevolking. De Volksvertegenwoordiging heeft de wetgevende macht en controleert de uitvoerende macht, de regering. De regering wordt in Nederland niet gekozen. Die wordt samengesteld door partijen die in de Tweede Kamer een meerderheid hebben en zich op de inhoud kunnen vinden. Als laatste kent ook Nederland een onafhankelijke rechterlijke macht waarvan de leden voor het leven worden benoemd door de regering. ‘Voor het leven’ wil zeggen totdat ze hun pensioengerechtigde leeftijd bereiken.

In het Nederlandse bestel is een belangrijke rol weggelegd voor een fenomeen zonder Grondwettelijke basis, namelijk de politieke partij. Politieke partijen vervullen een centrale rol. Zij selecteren potentiële Kamerleden, stellen programma’s op en leveren bestuurders. Iedereen kan een politieke partij oprichten hiervoor zijn geen regels. Wel zijn er vereisten waaraan een partij moet voldoen voordat ze aan verkiezingen mee kan doen. Nederland kent, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, een meerpartijenstelsel. Het is nog nooit voorgekomen dat één partij een zetelmeerderheid behaalde in een van de beide Kamers. Direct gevolg hiervan is dat de regering altijd bestaat uit een coalitie van tenminste twee en vaak meer partijen. Dit omdat een regering moet steunen op een meerderheid van zetels in de Tweede Kamer.

Ondanks de meerdere partijen leverden verkiezingen tot zo’n 30 jaar geleden een redelijk stabiel beeld op. Drie partijen, de VVD, het CDA en de PvdA domineerden het politieke speelveld. Die partijen (en hun voorgangers) behaalden tot de jaren tachtig zo om en nabij 80% van de zetels. Bepaalden in wisselende samenstelling maar met altijd het CDA of een van de voorgangers erbij. Het overgrote deel van de bevolking herkende zich in een van de partijen en bleef de partij naar keuze zo ongeveer het hele leven lang trouw.

Dit veranderde in het midden van de jaren negentig toen de kiezer ‘op drift raakte’. Daar waar de grootste partij historisch op steevast tussen de 45 en 50 zetels  kon rekenen, werd in 1994 de PvdA de grootste met 37 zetels. Dit na een verlies van 12 zetels. Sindsdien is er geen partij meer geweest met 45 zetels of meer. Iedere verkiezing sinds 1994 kwamen er nieuwe partijen bij die samen een steeds groter deel van de zetels wonnen. En nu, twee maanden voor de verkiezingen, heeft het overgrote deel van de kiesgerechtigden geen idee op welke partij te stemmen. De Volkskrant formuleerde het als volgt: “Het aantal twijfelaars blijkt, zo’n drie maanden voor we het stemhokje in mogen, even groot als bij de vorige Tweede Kamerverkiezingen. Van de circa 13 miljoen stemgerechtigden zijn er bijna 10 miljoen nog niet geland.” En gestemd wordt er in toenemende mate op een persoon en niet op het programma van een partij.

Dat is niet het enige wat er is veranderd. Het aantal mensen dat lid is van een partij was in de jaren vijftig van de vorige eeuw ongeveer 10% van de bevolking. Het daalde in de jaren zestig naar zo’n 4% en vanaf die tijd naar zo’n 2% nu. Dit betekent dat er steeds minder mensen beschikbaar zijn voor een functie als volksvertegenwoordiger bij een waterschap, gemeente, provincie en Staten Generaal.

Kamerlid zijn is tegenwoordig iets van korte duur. “In de eerste elf jaar na de oorlog lag de ervaring rond de veertien jaar (zie de grafiek). In 1956 breidde de Kamer uit naar 150 volksvertegenwoordigers. Met deze nieuwe instroom daalde de gemiddelde ervaring tot 11 jaar, een anciënniteit die tot de verkiezingen van 1986 (Lubbers II) redelijk stabiel bleef. Onder de paarse kabinetten van Kok zette de vernieuwing door, tot de verkiezing van 2002, de tijd van de moord op Pim Fortuyn.” Aldus een artikel uit Trouw van een jaar of acht geleden. Na de laatste verkiezingen stroomde de kamer vol met nieuwelingen: “Er zijn 71 leden die geen zitting hadden in de afgetreden Kamer. Van hen hebben er 58 geen enkele (Haagse) parlementaire ervaring. De gemiddelde Kamerervaring is 3,9 jaar.”  Dat er steeds weer nieuwe Kamerleden binnenstromen is een gevolg van het ‘zweven’ en steeds elders en vooral bij steeds nieuwe partijen ‘landen’ van kiezers. Dit wordt nog versterkt door Kamerleden die gedurende de rit afhaken omdat ze een ‘nieuwe uitdaging’ hebben gevonden. Een uitdaging in het openbaar bestuur maar ook in het bedrijfsleven.

In de Verenigde Staten zien we een zeer sterke polarisering van de samenleving met aan de ene kant een groep die het verleden verheerlijkt en: “zich beroepen op het verleden ‘toen America nog Great’ maar vooral White, Anglo-Saxon en Protestant was,” en aan de andere kant de extreme ‘identity politics’ zoals ik in mijn vorige Prikker schreef. Die eerste groep heeft de Republikeinse partij in haar macht en de tweede dreigt de Democratische partij te verscheuren. Deze polarisering zien we ook in Nederland. Veel van die nieuwe partijen die steeds meer zetels wonnen, bevinden zich in de uitersten van het politieke spectrum. Forum voor Democratie en de PVV beroepen zich op het verleden. Een tijd van ‘oer-Hollandse gezellig’ zoals de PVV het in haar verkiezingsprogramma formuleert of naar die goede oude tijd van de bourgeoisie die FvD-leider Baudet idealiseert en daar moeten we naar terug. Aan de andere kant van het spectrum zien we partijen zoals BIJ1 en DENK. Partijen en hun aanhangers zoals Gloria Wekker die de geschiedenis willen aanpassen en herschrijven aan hun doelen in het heden. Partijen en hun vertegenwoordigers die achter iedere boom een racist of fascist zien en spreken van ‘witte onschuld en privilege’, je beschuldigen van ‘culturele toe-eigening’ en de werkelijkheid bekijken door een ‘kruispuntentheorie-mal’. De Nederlandse situatie is, mede door het gemak waarmee je een nieuwe partij kunt beginnen, nog niet zover gepolariseerd als in de Verenigde Staten. Die nieuwe uitersten zorgen er echter wel voor dat de traditionele partijen zich naar die uitersten toe bewegen en dat het politieke landschap nog verder fragmenteert. Beide ontwikkelingen verminderen de regeerbaarheid van ons land. Net als in de Verenigde Staten loopt Nederland het risico dat de polarisering ons politieke systeem lamlegt. Als dit risico optreedt, dan is er een aanzienlijke kans dat het vertrouwen van de bevolking in ons democratische systeem als sneeuw voor de zon verdwijnt. Dat vertrouwen heeft de afgelopen tijd toch al een knauw gekregen als gevolg van de toeslagenaffaire.

Om terug te komen om de vraag waarmee ik begon en dan niet gericht op ‘ze’ in de Verenigde Staten maar op ‘ons’ in Nederland: als we dan toch bezig zijn, kunnen we het systeem dan niet zo veranderen dat het polarisatie straft? ‘Maar we zijn toch niet bezig om het systeem te veranderen,’ zul je misschien zeggen. Dan zou ik zeggen: wakker worden! Want in Den Haag is men al volop bezig. Zo stuurde het kabinet, zoals ik recentelijk schreef, een brief naar de Kamer met haar ideeën voor de verandering van ons systeem. Ideeën waarbij het kabinet uit het rapport Lage drempels hoge dijken  van de staatscommissie parlementair stelsel, in de volksmond de ‘commissie Remkes’, putte.  Ook willen alle partijen onze Grondwet wel op een of meer punten aanpassen. Zijn we ook bezig om de kiezer hierin mee te nemen? Wat welke partij hierbij wil zal het gros van de kiezers niet weten. Het zijn namelijk niet de thema’s waarmee je als partij ‘volk’ trekt, dus krijgen ze geen aandacht in de verkiezingscampagne. In de coalitieonderhandelingen na de verkiezingen zal er vervolgens in de ‘koehandel’ wellicht iets uitkomen dat vervolgens op route wordt gezet als een wijziging van de Grondwet.

We zijn dus bezig, maar zijn we bezig met het systeem zo aan te passen dat het polarisatie straft? De commissie Remkes ziet wel iets in een verbod op partijen die met democratische middelen de democratie willen afschaffen. Ook stelt de commissie voor om de rol en positie van politieke partijen in een wet vast te leggen door de bestaande Wet financiering politieke partijen uit te breiden. Een interessante optie waarbij je meteen de kanttekening kunt plaatsen dat iets verbieden niet betekent dat het er niet is. In Binnenlandsbestuur pleit Geerten Boogaard om nu alvast af te wijken van de bestaande procedures en op 17 maart ook meteen een nieuwe Eerste Kamer te kiezen. Sinds de verkiezing van die Eerste Kamer is er zoveel veranderd dat het heel lastig zal worden een kabinet te vinden dat zowel in de Tweede als in de Eerste Kamer op een meerderheid kan rekenen. Door nu beide Kamers te kiezen wordt dat probleem omzeild. De Commissie Remkes wil dit oplossen door iedere drie jaar de helft van de leden van de Eerste Kamer te kiezen. Een leuk idee, alleen laat de casus Verenigde Staten zien dat er dan permanent campagne wordt gevoerd en het is de vraag of dat de bestuurbaarheid van een land ten goede komt.

En als we dan toch in de ideeën fase zitten. Wellicht is het een idee om premierverkiezingen te houden. Verkiezingen waarbij die kandidaat die meer dan 50% van de stemmen behaalt, wint. Dat kan betekenen dat er twee rondes nodig zijn waarbij de kandidaten met de meeste stemmen in de eerste ronde het in de tweede ronde tegen elkaar opnemen. Tegenover de gekozen premier, die de regering vormt en voor de volle periode van vier jaar regeert, plaatsen we een gelote volksvertegenwoordiging die bestaat uit een oneven aantal leden, bijvoorbeeld 301 met een zittingstermijn van zes jaar waarbij ieder jaar een zesde deel wordt vervangen door nieuwe. Kamerleden die niet hoeven te werken aan hun ‘herverkiezing’ maar die zich volledig op het werk als Kamerlid kunnen concentreren. Kamerleden zonder partij- en fractiedruk omdat er geen partijen en dus fracties zijn. Kamerleden die worden ondersteund door een stevig ambtelijk apparaat dat niet adviseert maar verheldert, doordenkt, doorrekent en spiegelt. Een volksvertegenwoordiging die net als de huidige Kamers de wetgevende macht heeft, de regering controleert en het budgetrecht heeft. Ook voor gemeente, en provincies hanteren we eenzelfde werkwijze: gekozen bestuurders en gelote vertegenwoordigers. Ook een idee en zo zijn er waarschijnlijk nog veel meer.

We zijn dus bezig, maar zijn we op de goede manier bezig? Moeten we als inwoners van dit land niet met elkaar in gesprek en zo samen nadenken over en vervolgens werken aan een nieuwe Grondwet en een erop gebouwd politiek bestuurlijk systeem dat ons klaarmaakt voor de uitdagingen van de toekomst? Samen nadenken niet binnen het huidige systeem, zoals we nu doen door het over te laten aan de koehandel van politieke partijen bij de formatie. Partijen en hun vertegenwoordigers die belangen hebben bij het huidige systeem. Nee, nadenken en werken buiten die kaders door bijvoorbeeld een grondwetgevende vergadering bijeen te roepen. Een grondwetgevende vergadering bestaande uit bijvoorbeeld 1.500 willekeurige inwoners van ons land die met deze opgave aan de slag gaan. Een groep burgers aangewezen via loting. Een groep die de opdracht krijgt om met en namens ons die nieuwe grondwet en het erbij horende politiek, bestuurlijke systeem uit te werken. En daarbij alle ideeën tegen het licht houdt en daarbij wordt ondersteund door een stevig apparaat dat verheldert, doordenkt en spiegelt. Het resultaat van hun werk kan vervolgens per referendum aan ons worden voorgelegd. En als twee derde van ons voor is, dan is de nieuwe grondwet vastgesteld en kunnen we het bijbehorende politiek, bestuurlijke systeem gaan inrichten.

Uitgelicht

Dag India,

Ik las je brief in de Volkskrant. Als veertienjarige moet je een keuze maken waarvan jezelf zegt dat het een van de belangrijkste beslissingen is die je in je leven moet maken.  Je moet een richting kiezen op de middelbare school en je vraagt je af of je kiest voor wat je leuk vindt of voor baanzekerheid? Je brief deed me terugdenken aan mijn middelbare schooltijd begin jaren tachtig van de vorige eeuw. Ik kan je niet helpen bij het maken van die keuze, dat moet je zelf doen. Wel kan ik je proberen gerust te stellen.

Beroepen Foto's - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Als eerste, misschien schrik je daarvan en vind je het niet erg geruststellend, geen enkele keuze geeft je baanzekerheid. Als je het nieuws volgt dan hoor je dat steeds meer mensen, ook specialisten in het ziekenhuis, een ‘flexcontract’ hebben. Wat ik je uit eigen ervaring kan zeggen is dat je persoonlijkheid veel belangrijker is bij het vinden van een baan, dan je opleiding. Als je weet dat je ‘Einstein’ achterna wil, dan is het slim om natuur- en wiskunde te kiezen. Maar als een werkgever moet kiezen tussen twee gelijkwaardige ‘Einsteins’, dan zal de keuze vallen op de ‘Einstein’ met de prettigste persoonlijkheid.

Als tweede is een keuze voor een vakkenpakket geen keuze voor de richting waarin je je leven stuurt. Het leven bestaat uit veel meer dan nu leren en later werken. Je geluk in het leven hangt veel meer af van de manier waarop je in het leven staat en hoe je met andere mensen omgaat. Van je persoonlijkheid en volgens mij zit het daarmee wel goed. Nu zal je denken, hoe kan die man dat weten? Het eerlijke antwoord is dat die man dat niet kan weten. Maar wat die man ziet is dat je met vragen zit en die ook aan anderen durft te stellen. Mijn ervaring is dat mensen die vragen stellen prettige mensen zijn. Ze staan open voor anderen en oordelen niet zo snel. Dat maakt hen tot prettige mensen om mee te leven en te werken. Daarmee heb je een streepje voor.

Als je niet weet wat je wilt worden, kies dan een richting waarmee je nog alle kanten op kunt. Kiezen voor natuur en techniek sluit de kunstzinnige kant niet uit. Bij een omgekeerde keuze, kun je een carrière als ‘Einstein’ wel vergeten. Alhoewel, ik weet niet of je Brian May kent? May is de gitarist van de zeer succesvolle band Queen. In 2007, hij was toen 60 jaar, studeerde hij af in de astrofysica. En hij is niet de enige. Als je nu een keuze maakt om ‘iets’ te worden, wil dat niet zeggen dat je nooit meer ‘iets anders’ kunt worden. Dit advies gaf ik ook aan mijn dochter, zij moest die keuze vier jaar geleden maken en wist nog niet wat ze wilde worden.

Ik hoop dat je hier wat mee kunt.

Uitgelicht

Civil war part two?

Wat een bijzondere eerste week van een nieuw jaar. Nee, dan doel ik niet op Kristopher Da Graca de Zweedse verdediger die mijn clubje VVV komt versterken. Nee, ik doel op de bestorming van het Capitool in Washington door boze aanhangers van, en aangemoedigd door, de bijna ex-president Trump. Een eindpunt van een opmerkelijk presidentschap maar ook een beginpunt of misschien wel een voortzetting van iets? Maar waarvan?

200+ Free Civil War & Gettysburg Photos - Pixabay
Bron: Pixabay

Ik moest denken aan een passage uit het boek De oorsprong van de politiek van de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama. Inderdaad de man die begin jaren negentig van de vorige eeuw de geschiedenis dood verklaarde. Fukuyama: “Politieke instellingen ontwikkelen zich, vaak langzaam en pijnlijk, wanneer samenlevingen zich proberen te organiseren om het hoofd te bieden aan hun omgeving. Maar politiek verval vindt juist plaats wanneer systemen er niet in slagen zich aan te passen aan de omstandigheden.[1] De passage geeft precies twee mogelijke antwoorden op de vraag waar dit een beginpunt van is. Het is of het beginpunt van een aanpassing van de instellingen aan de omgeving of van het verval.

De Amerikaanse politieke instellingen zijn van 1776 en dus bijna tweehonderdvijftig jaar oud. Wil je een goede beschrijving van hoe ze bedoeld zijn en hoe ze kunnen werken? Dan raad ik je een aan om Over de democratie in Amerika van Alexis de Tocqueville te lezen. De Tocqueville beschrijft het Amerika van de jaren dertig van de negentiende eeuw, een periode dat het land en de democratische bestuursvorm nog relatief nieuw waren. De Tocqueville lezend moest ik denken aan de ‘participatiesamenleving’ zoals die in de troonrede van 2013 werd geïntroduceerd: “Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.”

Een van de pijlers van het systemen is dat zo ongeveer iedere uitvoerende publieke functionaris op ieder niveau wordt gekozen. Van de sheriff van een gat met vijftienhonderd inwoners tot de president. Een andere pijler is dat er altijd een ander gekozen instituut is dat die gekozen functionaris controleert en dat de regels bepaalt. Op federaal niveau zijn dat er zelfs twee: het Huis van Afgevaardigden en de Senaat die samen het congres vormen. En een derde pijler is een rechterlijke macht. Drie machten die elkaar in evenwicht moeten houden. Dat evenwicht moet ervoor zorgen dat er geen ‘gekke dingen’ gebeuren. Dat systeem heeft al die tijd redelijk goed gewerkt. Ondanks dat de twee dominante politieke partijen om de verschillende posities vochten, was er bij alle betrokkenen de bereidheid om samen te werken. Die samenwerking werd niet bemoeilijkt door ideologische scherpslijperij. Beide partijen ontbeerden een scherp ideologisch profiel en dat maakt samenwerking makkelijk. Die samenwerking is nodig omdat er, om het cru te zeggen, bijna permanent verkiezingen zijn. Iedere twee jaar wordt een deel van het Huis en de Senaat opnieuw verkozen waardoor het kan dat er in de beide onderdelen van het Congres verschillende meerderheden zijn. Om wetten te maken, moeten die samenwerken en een president die werk wil maken van zijn agenda, moet daartussen laveren.

De laatste veertig jaar begint het echter in haar voegen te kraken. Of om het met Fukuyama’s woorden te zeggen: ‘de omstandigheden waarbinnen het systeem functioneert, veranderen’. Die laatste veertig jaar worden gekenmerkt door toenemende ideologische scherpslijperij, verkettering en demonisering van de andere partij. De voor het Amerikaanse systeem zo broodnodige samenwerking tussen de partijen wordt hierdoor zeer lastig en het land wordt zo steeds lastiger te besturen. In zijn autobiografie A Promised Land schets voormalig president Obama die moeilijkheid en zelfs de onmogelijkheid om iemand van ‘de andere partij’ mee te krijgen voor een wet, zelfs was die ‘iemand’ daar eerder een voorstander van.

Die huidige scherpslijperij zorgt ervoor dat aan beide zijden de uitersten in het politieke spectrum steeds meer invloed krijgen. Uitersten zoals aan Republikeinse zijde eerst de steng christelijke ‘moral majority’ waarvan verschillende leiders het met de moraal niet zo streng namen, dat even terzijde, en nu de Tea Party. Groepen die zich beroepen op het verleden ‘toen America nog Great’ maar vooral White, Anglo-Saxon  en Protestant was. Aan Democratische zijde zien we een toenemende invloed van de ‘identity politics’ die zich beroepen op een toekomst wanneer “We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness,” zoals opgenomen in de Declaration of Independence, werkelijkheid is geworden, alle onrecht uit het verleden ongedaan is gemaakt en ‘hersteld’, wat we ons daar ook bij voor moeten stellen, en er het liefst nog een enorme ‘schadevergoeding’ is betaald. De posities die ten grondslag lagen aan de Burgeroorlog zijn weer terug.

Laat dat nu de vorige periode zijn dat scherpslijperij zijn die het land aan de rand van de afgrond bracht. Trouwens, niet alleen de posities, ook de symbolen zoals de vlag van de geconfedereerden. Net als toen zien we nu twee ‘kampen’ met hun eigen waarheid die elkaars ‘taal’ niet spreken en anders tegen de wereld aankijken. De ‘bubbels’ waar we het nu over hebben, bestonden toe ook al. Bubbels zijn geen ‘uitvindingen’ of gevolg van de sociale media. Die zijn een gevolg van menselijk gedrag om te zoeken naar zaken die het eigen gelijk bevestigen of om het met een dure term te zeggen conformation bias. Het enige wat de sociale media en de eronder liggende algoritmes doen, is de zaak versnellen. Je hoeft geen moeite meer te doen door bijvoorbeeld naar de bibliotheek te gaan om je eigen gelijk bevestigd te zien. Die bevestiging komt vanzelf, gevraagd en ongevraagd, naar je toe. En daar waar je in de bieb misschien nog op ‘ander gelijk’ stuit dat je van je stuk breng, de cognitieve dissonantie om de dure term ervoor te gebruiken, kijkt dat algoritme wel uit om je dat ‘andere gelijk’ te sturen. Dat vergroot immers de kans dat je afhaakt en afhaken kost die sociale media geld.

Die vorige periode van polarisatie, van scherpslijperij, liep dus uit op een burgeroorlog waarbij de ene partij won en de andere verloor. Slavernij werd afgeschaft. Door de overwinning van de Noordelijken, leek het systeem weer bij de omstandigheden te passen. De partij die het systeem aanhing, won immers de oorlog en kon haar systeem voorzetten. Wat er daarna gebeurde was dat de verliezende kant er een verhaal van maakte dat ze voor de ‘goede zaak’ vochten. De goede maar verloren zaak, de ‘lost cause’. Slavernij verdween bij hen buiten beeld. De oorlog ging volgens hen over de vrijheid van de staten tegen de federale overheid. En door gebrek aan interesse bij de ‘noordelijken’ voor wat betreft de interpretatie van de burgeroorlog en vooral een gebrek aan belangstelling voor de wederopbouw van de voormalige geconfedereerde staten, werd die ‘lost cause’ het dominante verhaal. Dat verhaal van de ‘lost cause’ en het gebrek aan belangstelling maakte dat wettelijke positie maar vooral de behandeling van voormalig slaven de facto slechter werd dan ze voor de afschaffing van de slavernij was. Hierdoor bleef het spreekwoordelijke mes in het varken zitten voor wat betreft de gelijke behandeling van mensen. Sterker nog, het werd nog even rondgedraaid.

Aan die wetten en behandeling kwam pas in de jaren zestig van de vorige eeuw een einde. Het leidde echter nog niet tot een werkelijk gelijke behandeling. De strijd voor werkelijk gelijke behandeling is nog steeds gaande. Ook in de jaren zestig polariseerden de verhoudingen en veranderden de omstandigheden waarbinnen het systeem functioneerde. Ze veranderden echter niet zo dat het systeem onder spanning kwam te staan. Daar waar in de aanloop naar de burgeroorlog de spanningen langs partijlijnen liepen, de Republikeinen voor afschaffing van de slavernij en de Democraten tegen, was de situatie in de jaren zestig van de twintigste eeuw duidelijk anders. De spanning ‘Noord- Zuid’ zat in beide partijen waardoor een oplossing mogelijk was. Winst en verlies van de oplossing werden immers over de beide partijen verdeeld.

De huidige scherpslijperij is in de basis nog steeds de oude ‘Noord-Zuid’ tegenstelling die ten grondslag lag aan de Burgeroorlog. Wat het zorgelijk maakt, is dat de polarisatie nu weer langs partijlijnen loopt en dat maakt ‘ontspanning’ zeer lastig. Opmerkelijk hierbij is dat de twee partijen van positie zijn gewisseld. In ieder geval staan de Amerikaanse omstandigheden en de politieke instellingen op dit moment op gespannen voet met elkaar. Het is de vraag of ‘langzame aanpassing van het politieke systeem’ het tij nog kan keren. Het alternatief, het politieke verval van de Verenigde Staten in de vorm van het uiteenvallen van het land of een nieuwe burgeroorlog is ook geen aantrekkelijk alternatief

Meest aantrekkelijke optie is de-escalatie. Alleen wordt dat een heel lastige klus. Bijgeven wordt immers al snel gezien als capitulatie, als een nederlaag. Als die deling nu een gevolg was van keuzes van Trump als president, dan lag het makkelijker. Dan kon Trump als schuldige worden aangewezen. Dat is echter niet het geval. Het is eerder zo dat het presidentschap van Trump een gevolg  is van juist die verdeling. Deze optie vraagt om leiders. Leiders die hun eigen ideeën, gevoelens en belangen ondergeschikt laten zijn aan die van het land. Leiders die zich geen zorgen maken om hun politieke toekomst. En als ze dan toch bezig zijn, kunnen ze meteen ook eens kijken of ze het systeem niet zo kunnen veranderen dat het polarisatie straft in plaats van beloond.


[1] Pagina 21

Uitgelicht

Stelletje lafbekken!

‘Is er een notaris op de zaal?’ Dat was het eerste wat bij mij opkwam toen ik op de site van de NOS het volgende las: “Wat het kabinet betreft wordt de keuze op basis van leeftijd overgeslagen en wordt in zo’n geval gekozen voor het uiterste selectiecriterium dat de artsen hebben aangedragen: loten.” Een notaris is immers noodzakelijk om te garanderen dat een loting eerlijk verloopt. Dat betekent dan ook dat er weer een ‘cruciaal beroep’ bij is gekomen. De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie zal dan ook wel meteen een pleidooi beginnen om haar leden vooraan op de vaccinatielijst te krijgen. Nu lieg ik een beetje. Dat van die notaris was niet het eerste wat bij mij opkwam. Dat wat iets negatiever. Dat was: ‘stelletje lafbekken!’

dice, dices, dice game, gambling, game, play, luck, bad luck, fortune, chance, good luck, misfortune, numbers, dots, games, indoor games and sports, recreation, sports, black and white, style
Bron: pxhere

Wie? Nou, VVD-minister Van Ark en haar collega’s in het kabinet. Te laf om een keuze te maken. Te laf om te leiden en daarom blijven ze maar lijden onder de coronacrisis. Over die twee woorden, leiden en lijden, en het opereren van onze politieke vertegenwoordigers, schreef ik al eens eerder een Prikker. Van Ark: “Als een oudere patiënt op medische gronden even veel herstelkansen heeft als een jongere patiënt, mag volgens het kabinet hem of haar geen aanspraak op levensreddende zorg worden ontzegd.”  Als er voldoende plek is dan is dat natuurlijk geen probleem. Is er onvoldoende plek, dan moet er worden gekozen. “Dat er daarbij naar de leeftijd, maar vooral naar de levenskansen en -kwaliteit wordt gekeken, is niet meer dan reëel. Dat is geen drama, dat is verstandig,” zo schreef ik in maart 2020 al.

Dit omdat in tijden van schaarste de schaarse middelen zo goed mogelijk moeten worden ingezet. Daarbij heb ik liever, dat klinkt hard en zakelijk, dat die schaarste wordt besteed aan mensen met de grootste kans om het langst te kunnen leven. Dan wordt de prijs van die kosten per gewonnen levensjaar lager. Dat is de afweging die moet worden gemaakt. Een afweging die onze gekozen vertegenwoordigers moeten maken en onze regering moet daarin voorop gaan. Wij hebben hen aangenomen om de schaarse middelen die er beschikbaar zijn zo effectief en efficiënt mogelijk in te zetten tegen zo laag mogelijke kosten. Daarbij past in het geval dat alle andere zaken gelijk zijn, kiezen voor iemand die statistisch gezien nog de meeste levensjaren voor zich heeft.

Kiezen voor leeftijd is hard, maar minder hard dan loten. Want ja, bij kiezen voor leeftijd haalt een 62-jarige het van een 63-jarige en dat is cru en moeilijk te verteren voor de achterblijvers van de 63-jarige. Dit kan ook bij loten gebeuren en dan voelt het in dit geval wellicht minder hard. Bij loten kan echter een kind van zeven het pleit verliezen van een 87-jarige die daarna nog anderhalf jaar leeft. Dat is enorm cru voor de nabestaanden van het kind. Het zusje van zes moet daar haar hele verdere leven mee leven. De ouders van het kind wellicht ook nog een jaar of vijftig. Zelfs die 87-jarige moet nog anderhalf jaar leven met de gedachte dat dat leven te danken is aan de dood van dat zevenjarige kind. De nabestaanden van die 87-jarige moeten de rest van hun leven door met de wetenschap dat die zevenjarige het leven liet zodat zij nog anderhalf jaar van hun geliefde konden genieten.

Loten is geen keuze durven te maken. Het is weglopen van de keuze en het ‘lot’ laten bepalen. Loten is laf. Vandaar: stelletje lafbekken! Gelukkig kunnen we in maart laten weten wat we van die lafheid vinden.

Uitgelicht

Hulpverlener, medeplichtige of toerist

Sinds ik in 2014 voor het eerst het Griekse eiland Lesbos bezocht voor een vakantie, heb ik een zwak voor het eiland en haar bewoners. Dat zwak is een gevolg van de afwisselende schoonheid van het eiland maar vooral van de vriendelijkheid van de mensen. Iedere keer als er iets over Lesbos op televisie is of in kranten of sites wordt geschreven, dan lees ik dat met grote belangstelling. Dus toen ik op de site Oneworld een artikel zag over het eiland, moest ik het lezen. Ik werd extra getriggerd omdat de auteur, Vonne Hemels, zeer kritisch was over de non-gouvernementele organisaties (NGO). Die staan, zo betoogt hemels, de verandering op het eiland in de weg.

Kasteel Mithyllini. Eigen foto

Hemels is vooral begaan met de vluchtelingen op het eiland. Hemels: “Ik weet het niet, maar ik weet wél dat de situatie voor vluchtelingen op Lesbos de afgelopen jaren alleen maar erger is geworden, ondanks de vele miljarden aan humanitaire hulp.” De NGO’s spelen hierin, zo betoogt Hemels, een negatieve rol Ze hebben: “het concept van solidariteit op Lesbos veranderd in een handelsartikel dat goed verkoopt op de markt van internationale humanitaire business.” Gelukkig ziet Hemels een alternatief: medeplichtig worden. “Medeplichtigheid (…) betekent aanvaarden dat de wetten en regels oneerlijk zijn. Het betekent oprecht luisteren naar degenen die systematisch onderdrukt worden, en bereid zijn om risico’s te nemen. Het betekent géén carrière maken van het lijden van vluchtelingen. Medeplichtigheid is vriendschap, en de eindeloze strijd tegen grenzen en voor de vrijheid van iedereen.” Hemels sluit af met de woorden: “Ik nodig je ook van harte uit om Lesbos eens te komen bezoeken. Maar dan wel als medeplichtige, en niet als humanitaire hulpverlener.”

Over de dubbele rol van de NGO’s hoeven we niet verbaasd te zijn. Als je een doel wilt bereiken en daarvoor richt je een organisatie op, dan heb je ineens al twee doelen, namelijk het oorspronkelijke doel en het doel om de organisatie draaiende te houden. Als de oprichter van de organisatie een ‘bekende Nederlander’ is zoals Johnny de Mol met zijn Movement on the Ground, dan heb je zomaar nog meer doelen. Neem je vervolgens mensen aan om het werk te doen, dan groeit het aantal doelen exponentieel. Een term die ik sinds het uitbreken van de corona-pandemie als bekend veronderstel.

Dat de NGO’s een bijdrage leveren aan het in stand houden van hardvochtig migratiebeleid, daarin kan ik Hemels een heel eind volgen. Na mijn laatste bezoek aan het eiland schreef ik ook al over: “Vrijwilligers die even twee of drie weken hun eigen ego komen strelen en wat ‘sokken’ uitdelen aan vluchtelingen die pas aankomen.” Vrijwilligers die, als ze weer thuis zijn, vertellen over: “hun ‘nuttige’ werk en de ellende op Lesbos.” Waardoor ze weer een steentje bijdragen aan de ellende op het eiland. Niet de ellende van de vluchtelingen, maar de ellende van de eilandbewoners. Want al die ‘ellendeverhalen’ maken dat er steeds minder vakantiegangers het eiland bezoeken en dat raakt de eilandbewoners hard.

Terug naar Hemels’ betoog: “Sinds de rechtse partij Nea Dimokratia in Griekenland aan de macht is worden anti-migratiewetten in rap tempo ingevoerd, ondanks veelvuldig kritiek van mensenrechtenorganisaties.” Zo schrijft ze terecht. Het eiland bezoeken als ‘humanitair hulpverlener’ voor aan maand, gaat daar inderdaad niets aan veranderen. Eilandbewoners kunnen die ‘hulpverleners’ wel schieten. Ik vrees echter dat het eiland bezoeken als ‘medeplichtige’ dat ook niet gaat verhelpen.

Ja, de vele vluchtelingen op het eiland zijn een probleem. Geen Grieks probleem, maar een Europees en dus ook een Nederlands probleem. Een Europees probleem waar we Lesbos en enkele ander Griekse en Italiaans eilanden mee hebben opgezadeld. Een probleem dat een gevolg is van de in politiek Nederland door velen bejubelde ‘Turkije deal’ Van Europees vluchtelingenbeleid dat alle ellende afwentelt op ‘landen in de regio’. Beleid dat je kunt betitelen als rationele irrationaliteit zoals ik al eens betoogde. Maar helaas ziet, op de inwoners van Lesbos en die andere eilanden na, niemand het zo. Ze zien het niet zo omdat het buiten hun blikveld gebeurt. Het loopt het land en haar inwoners over de schoenen. Eerst moesten ze de broekriem aanhalen om de Euro, maar vooral de West-Europese banken te redden en vervolgens werd het land overspoeld door mensen die naar Duitsland, Nederland, Zweden of Frankrijk wilde en op weg daar naartoe vast kwamen te zitten in Griekenland en vooral op enkele eilanden waaronder Lesbos. Het enige wat de overige landen van de Europese Unie deden, was beschuldigend naar de Grieken wijzen, terwijl ze hun deel van de afspraken zelden nakwamen. Dat is de belangrijkste reden dat Nea Dimokratia nu regeert en anti-migratiewetten invoert. Het eerdere meer progressieve alternatief, de regering Tsipras, werd door de rest van de Europese Unie door de mangel gehaald en zo liet de rest van Europa de Grieken in de steek. Daarop hebben de Grieken voor het conservatieve alternatief gekozen en daarvan zijn de vluchtelingen de dupe. Trouwens niet alleen de vluchtelingen, ook de bewoners van eilanden als Lesbos.

Als ‘medeplichtige’ naar Lesbos gaan zal daar niets aan veranderen. Het enige wat je ermee bereikt is dat je wordt opgepakt en het land uitgezet of misschien zelfs gevangen wordt gezet. Dat is dan weer iets waarmee je in Nederland kunt pronken en verwijzen naar de ellende van de vluchteling op het eiland terwijl het niemand op Lesbos helpt. Niet gestrande vluchtelingen en migranten, want wat hebben die aan een ‘tijdelijke medeplichtige’ die, door zijn juiste paspoort, gewoon weer terug kan reizen naar een land waar zij naar toe zouden willen. Maar ook niet de bewoners van het eiland omdat die ‘medeplichtige’ hen alleen maar negatieve publiciteit oplevert en belastingcenten kost.

Wat wel kan helpen, is in maart bij de Kamerverkiezingen stemmen op een partij die een ander vluchtelingen en migratiebeleid wil. Een partij die ziet dat wij hier een verantwoordelijkheid hebben. Een verantwoordelijkheid die verder gaat dan het ‘benutten van ontwikkelingsgeld’ om vluchtelingen in de regio op te vangen. Verder dan het uitruilen van de ene groep in ellende tegen de andere. Een verantwoordelijkheid om ook in Nederland ruimhartig plek te bieden aan vluchtelingen. Een partij die echt vorm wil geven aan migratiebeleid dat mensen, anders dat de ‘hoogopgeleide it-specialist’, van elders de gelegenheid geeft om hier legaal te werken. Een partij die zich realiseert dat afschuiven van het vluchtelingen probleem op het eerste land van aankomst, volgens het Dublinprotocol, niet de manier is waarop we in de Europese Unie met elkaar moeten omgaan. Het zou zomaar kunnen gebeuren dat in de toekomst Nederland dat land is. Sinds een paar dagen ligt Nederland immers ook op aan de grens van de Europese Unie. Dat is de beste hulp die we de vluchteling en migrant kunnen geven omdat we dan eindelijk het probleem van de vluchteling en migrant centraal stellen en niet het vluchtelingen- en migrantenprobleem.

En als je dan toch echt iets in het buitenland wilt doen, zo adviseerde ik al in de Prikker na mijn laatste bezoek die ik hierboven al aanhaalde: “ga vooral op vakantie naar Lesbos.” Het doet niets voor je CV en ego, maar des te meer voor de bewoners van het eiland. Want als het goed gaat met de bewoners zal dan de aanwezigheid van de vluchtelingen niet als een probleem worden gezien?

Uitgelicht

‘Drunk with a lamppost’ Baudet

“There are three kinds of lies: lies, damned lies and statisics.”  Een uitspraak die wordt toegedicht aan de Britse premier Benjamin Disraeli en Mark Twain maar wie  de uitspraak precies muntte, is niet bekend. Wat ermee wordt bedoeld wel, namelijk dat je met statistieken alles kunt onderbouwen. Hieraan moest ik denken toen ik een schrijfsel van Forum voor Democratieleider Thierry Baudet en zijn extreemrechtse hand Freek Jansen bij De Dagelijkse Standaard las. Of om het nog wat beeldender uit te drukken ik moest denken aan een uitspraak over statistiek van de Britse staatsman Winston Churchill: “I only believe in statistics that I doctered myself.”

Bron: WikimediaCommons

Volgens Baudet en Jansen moeten we: “stoppen ons te laten leiden door onterechte angst voor corona, het is tijd om de maatregelen op te heffen en Nederland weer vrij te laten.”Nu meen ik me van het begin van de ‘coronaperiode’ te herinneren dat er één Kamerlid was dat vond dat er veel te slap werd ingegrepen. Het moest allemaal veel sneller en harder omdat er groot gevaar aankwam. Voortschrijdend inzicht heeft Baudet echter doen inzien dat er eigenlijk niets aan de hand is: “Regering en mainstream media zaaien paniek zonder gegronde reden. Hoewel de door hen gehanteerde cijfers strikt genomen kloppen worden ze niet in perspectief geplaatst, waardoor ze een misleidend beeld schetsen. Hun angstberichten zijn dus puur fake news. Dat ‘perspectief’ brengen Baudet en Jansen vervolgens maar aan. Ja, er sterven meer mensen, maar: “Het totale – absolute – aantal mensen dat in Nederland overlijdt neemt al jaren toe.” Dit komt omdat de bevolking groeit en we ouder worden. Als je daarmee rekent, dan stierven er het afgelopen jaar wel meer mensen: “Maar relatief gezien – als percentage van de bevolking, gecorrigeerd voor vergrijzing – niet.” Bovendien was de jaarlijkse griep in 2019 heel mild, waardoor er: “bijna 14.000 mensen niet (stierven) aan de griep die in andere, ‘normale’ griepjaren wél aan de griep zouden zijn gestorven.” Als je daar, zo betogen de auteurs, rekening mee houdt, dan was er dit jaar niet echt sprake van oversterfte. Daaruit concluderen ze dat we ons over corona geen zorgen hoeven te maken. 

Of het rekenwerk van Baudet en zijn extreemrechtse hand kant of wal raakt, laat ik aan anderen. Maar zelfs als het klopt betekent dat dan automatisch dat we ons over corona geen zorgen hoeven te maken en het tijd is: “om de maatregelen op te heffen en Nederland weer vrij te laten,” zoals de beide heren betogen? Want wat ik zie en hoor is dat ziekenhuizen en vooral de IC-afdelingen vol lopen met patiënten die toch echt ziek zijn en zorg nodig hebben. Ik zie dat reguliere planbare zorg wordt uitgesteld, dat artsen en verpleegkundigen hun benen onder de kont uitrennen om iedereen zorg te verlenen en soms omvallen met een burn-out of nog erger een post traumatische stress-stoornis. Ik zie dat enkele verpleeghuizen al hulp van het leger hebben gekregen omdat ze anders hun zorg niet meer kunnen verlenen. Wat ik ook zie is dat het virus zich makkelijk kan verspreiden als we met grote groepen bij elkaar komen en dat het zich juist minder verspreid als we dat niet doen.

Nu kun je van alles vinden van de maatregelen, de manier en het tijdstip waarop ze zijn genomen. Dat het allemaal eerder en strenger moest, zoals Baudet begin 2020 betoogde, of dat er helemaal geen maatregelen nodig zijn zoals hij nu doet. Ook kun je goochelen met cijfers en daar een waarheid aan ophangen. Alleen als die waarheid losstaat van de feiten in de vorige alinea, welk vertrouwen moeten we daar dan in hebben. Baudet zal, zoals de eerdere uitspraak van Churchill, alle vertrouwen hebben in ‘statistics that he doctered himself’. Op mij komt hij toch veeleer over als de hoofdpersoon uit een andere uitspraak van Churchill over statistiek: “Statistics are like a drunk with a lamppost: used more for support than illumination.”  

Rest mij om jullie, mijn lezers het allerbeste toe te wensen in 2021. Voor mij bestaat een belangrijk deel van die goede wensen eruit om mensen als Baudet te ontmaskeren voor dat wat ze zijn, een “drunk with a lamppost’.

Uitgelicht

‘De paus van de overheid’

In maart mogen we weer naar de stembus om de leden voor de Tweede Kamer te kiezen. Ik moet zeggen dat ik het steeds moeilijker en lastiger vind om een keuze te maken. Moeilijk niet omdat er steeds meer partijen zijn, omdat Kamerleden zich afscheiden en een (eigen) nieuwe partij beginnen en ze het allemaal beter denken te weten. Nee, al die malloten en de partijen die ze hebben opgericht komen zeker niet voor mijn stem in aanmerking. Nee, het wordt me steeds moeilijker gemaakt door het gebrek aan besef bij Kamerleden van hun rol, positie, invloed en vooral hun verantwoordelijkheid.

Bestand:Lid van de Tweede Kamer voor de VVD dhr. Edzo Toxopeus  interrumpeert de fractiev, Bestanddeelnr 919-6733.jpg - Wikipedia
Bron: Wikipedia

“De gemeente Wijdemeren gaat nog eens kijken naar de zaak van een vrouw met een bijstandsuitkering, die ruim 7000 euro moet terugbetalen. Ze ontving boodschappen van haar moeder en had dat aan de gemeente door moeten geven, oordeelde de rechter,” zo lees ik bij de NOS. Gevolgd door Tweede Kamerleden die zoals Lilian Marijnissen zich twitterend afvragen: Hoe een overheid een monsterlijke machine kan worden die mensen kapot maakt omdat niet het vertrouwen voorop staat maar het wantrouwen.”  Of zoals enig PVV-lid Wilders: “dat de overheid “dus helemaal niets” heeft geleerd van de toeslagenaffaire.” En zij zijn niet de enige. Ik word er heel erg moe van. Ze hebben gelijk en toch word ik er heel erg moe van of beter gezegd teleurgesteld of nog beter gezegd boos.

Ze hebben gelijk. Dat wantrouwen voorop staat en dat dit de overheid tot een ‘monsterlijke machine’ maakt die mensen kapot kan maken, daarover schreef ik al eerder. Nee, ik word moe, teleurgesteld en boos van de manier waarop zij zich met hun woorden buiten de overheid plaatsen. De overheid, dat zijn anderen. Dat zijn ‘hardvochtige ambtenaren’ en rechters die de vastgestelde regels toepassen. Met hun manier van praten, plaatsen zij zich buiten de overheid. Terwijl zij er integraal onderdeel van zijn. Sterker nog, zij zijn lid van het belangrijkste onderdeel van onze overheid. Zij zijn lid van de Tweede Kamer. Een Kamer die namens en voor ons besluit. Een Kamer die namens ons wetten vaststelt waaraan we ons allemaal moeten houden. ‘Ja maar ik of wij hebben tegen die wet gestemd’, zal menig politicus roepen. Tegen een wet stemmen, weerhoudt hen er echter niet van om te pleiten voor een ‘harde aanpak’ bij geconstateerde fraude. Neem bijvoorbeeld het debat over bijstandsfraude door Turkse Nederlanders van 6 februari 2019. De handelingen doorlezend kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat de ene partij fraude nog steviger wil aanpakken dan de andere.

Even wat citaten. “Ik kan me nog de debatten met mevrouw Klijnsma hierover herinneren. Die uitzonderingen moeten een keer stoppen, want er zit altijd aan het eind van het verhaal nog een ambtenaar in de gemeente die allerlei uitzonderingsbepalingen mag toepassen waardoor alsnog half geïmporteerd Nederland een uitkering krijgt.”  Aldus PVV’er De Graaf. Nu kan het dat hij alleen voor strengheid pleit ten opzichte van ‘geïmporteerd Nederland’. Op dit taalgebruik werd hij aangesproken, niet op zijn pleidooi om ambtenaren de ruimte om uitzonderingen te maken, af te nemen.

Iets verder in het debat is VVD’er Nijkerk-De Haan aan het woord: “Zoals wij eerder al hebben ingebracht, betekent dit wat ons betreft dat gemeenten en de Sociale Verzekeringsbank uitkeringen bij geconstateerde fraude niet alleen stopzetten, maar ook moeten terugvorderen. Tijdens de begrotingsbehandeling van vorig jaar november hebben mijn collega Wiersma en collega Peters van het CDA precies hierover een motie ingediend, een motie die de staatssecretaris vraagt om twee zaken op te pakken: bevorderen dat gemeenten actief invulling gaan geven aan hun verplichting om bij aangetoonde fraude een boete op te leggen en de onterecht ontvangen uitkeringsbedragen terug te vorderen.” En daarmee kennen we meteen ook de positie van het CDA. Vanwege de aanleiding voor het debat, de bijstandsfraude door Turkse Nederlanders vult Öztürk namens DENK iets verder aan: “Ook richting de woordvoerder van de VVD, mevrouw Nijkerken-de Haan, zeg ik: alle fraudeurs moeten wij aanpakken met z’n allen; dan zijn we unaniem.”

“ GroenLinks is niet naïef: waar nodig moet streng gehandhaafd worden. Er wordt namelijk in deze situatie publiek geld uitgegeven aan mensen die het niet nodig hebben. Overtreders moeten we bestraffen, want anders gaat het ook ten koste van het draagvlak voor sociale zekerheid. Wel pleiten we voor slim handhaven; dat heb ik al in meerdere debatten gedaan. Een slimme handhavingsstrategie, gekenmerkt door persoonlijke aandacht, leidt namelijk tot betere resultaten. Daar is ook veel onderzoek naar gedaan. Daarom willen wij dat er slim wordt gehandhaafd waar dat kan maar zeker ook streng waar dat nodig is.” Aldus de bijdrage van GroenLinks Kamerlid Renkema. Streng maar wel via een persoonlijke aanpak. Het CDA vult nog aan: “De meeste mensen vinden dat vertrouwen goed is, maar controleren beter. Zij vinden dat mensen zichzelf en elkaar de kans niet moeten geven de fout in te gaan. Misschien is dat geen idealistisch wereldbeeld, maar het is wel zo nuchter.” SP’er Van Dijk: “Dit is niet de eerste keer dat wij over bijstandsfraude debatteren. Het kwam al voorbij in maart 2011. Inmiddels zijn we acht jaar verder. Je zou dus verwachten dat er meters gemaakt zijn. Maar daar lijkt het niet op. En dat terwijl het helder is: fraude is ontoelaatbaar, die moet je opsporen en aanpakken, ongeacht de afkomst. …  Fraude moet je aanpakken zonder aanziens des persoons.”

Waarom zijn jullie dan boos? Wat is de boodschap die jullie, Kamerleden, hier afgeven? Ik kan tot geen andere conclusie komen dan: pak fraude zonder uitzondering heel streng aan! Als dit de opdracht is waarmee jullie een minister het bos in sturen en jullie kennen, al hebben jullie er misschien niet mee ingestemd, de betreffende wet, waarom dan zo boos en verbaasd? Maar wat erger is dan jullie boosheid, en dat is de oorzaak van mijn boosheid, is dat jullie duiken voor jullie medeplichtigheid. Of sterker nog, want medeplichtigheid is eigenlijk nog wat zwak uitgedrukt, waarom nemen jullie niet jullie verantwoordelijkheid hiervoor? Nee, als een schijnheilige van buiten naar binnen roeptoeteren en schande spreken, terwijl jullie de ‘paus van de overheid’ zijn.

Uitgelicht

Horen, zien en niet zwijgen

Je niet herkennen in hoe mensen over je praten, dat overkomt iedereen wel eens, dacht ik, toen ik een artikel van Josta van Bockxmeer bij De Correspondent las. Daarom schreef ik haar: “Dat mensen in termen en woorden over mij schrijven waarin ik me niet herken, overkomt mij als blanke man van middelbare leeftijd zeer vaak.” Van Bockxmeer antwoordde: “De ervaring niet erkend te worden, is altijd pijnlijk, wie je ook bent. Een reactie daarop die ik zelf behulpzaam vind, is deze: probeer je te realiseren dat er mensen zijn die deze ervaring nog veel vaker hebben, zoals mensen van kleur, transgenders of homoseksuelen. Op die manier kan het een motivatie worden naar hen te luisteren. Ik hoop dat je hier iets mee kunt.” Een bijzonder advies.

Bron: pxfuel

Eerst even de aanleiding. Van Bockxmeer schrijft vooral over de woningmarkt in Nederland. Zo ook nu. “Want hoewel ik overtuigd ben van de goede bedoelingen van corporatiemedewerkers, is er iets waar ik me al aan stoor sinds ik over de sociale huursector schrijf. Doorgaans hebben ze het over hun huurders als mensen die medelijden verdienen,”  aldus Van Bockxmeer. Nu huurt ze zelf ook via een corporatie en vervolgt ze: “Ik huur zelf van een woningcorporatie en herken mijzelf (en veel mensen om mij heen) totaal niet in dit beeld. Sterker nog: ik denk dat het schade aanricht.”

Terug naar het advies dat Van Bockxmeer mij gaf. ‘Realiseer je dat er mensen zijn die die ervaring vaker hebben en luister naar hen.’ Aldus mijn vertaling van haar advies. Ja, er zijn mensen die, dit vaker treft. Alhoewel, hoe bepaal je dat? Is er één meetlat waaraan je kunt afmeten wie er het slechtst aan toe is? Heb je die ervaring vaker of minder vaak als het je materieel goed gaat of tellen immateriële zaken ook? En wat telt dan het zwaarst? Hoe zit het met je eigen instelling? Ervaren twee mensen in precies dezelfde omstandigheden als Van Bockxmeer het gebeurde precies hetzelfde?

Behalve die ene meetlat is er meer. Zou het helpen als je je, om het zo te noemen, naar beneden gaat vergelijken? Wat helpt het mij in mijn situatie als ik me realiseer dat er anderen zijn die vaker ‘verkeerd’ worden benaderd? Verbetert dat mijn situatie? Maakt dat, om Van Bockxmeers voorbeeld aan te halen, dat de corporatie mij anders, niet als persoon die medelijden verdient, gaat benaderen? En omgekeerd, schiet degene die het nog slechter heeft er iets mee op als ik me realiseer dat die persoon het nog slechter heeft? Als we het advies van Van Bockxmeer ter harte nemen, dan mag alleen die persoon die dit het vaakste gebeurt, zich uitspreken en rest mag slechts in stilte luisteren naar wat die persoon te zeggen heeft.

Dit lijkt op het intersectionalistische denken. Het denken dat ervan uitgaat dat maatschappelijke ongelijkheid zich langs verschillende assen zoals seksualiteit, gender, huidskleur, religie en zo zijn er nog veel meer, voordoet. Volgens de aanhangers van deze theorie moet het bestrijden van achterstanden beginnen bij degenen die op al deze gebieden het meeste op achterstand staat. Als je die helpt dan help je iedereen met een achterstand. Alleen wie is dat? De kans is dan groot dat allen die zich op een of andere manier achtergesteld voelen, de strijd met elkaar aangaan om aan te tonen dat zij bovenaan staan op de ‘ellende-ladder’, zoals ik het in een eerdere Prikker noemde.

Terug naar het advies van Van Bockxmeer. Zoals gezegd zal in dit geval de corporatie haar taal niet aanpassen als zij niet te horen krijgt dat mensen, zoals Van Bockxmeer, zich niet herkennen in de manier waarop er over hen wordt gedacht en gesproken. Dat die manier schade toebrengt aan mensen en aan de relatie tussen de corporatie en haar huurders. Dat kan alleen als huurders die, zoals Van Bockxmeer, dit gevoel hebben dat gevoel uiten. Als zij zich uitspreken. Net zoals ik aan iedereen die mij generaliseert omdat in een blanke man van middelbare leeftijd ben. Zouden ‘corporaties’, andere organisaties en wij als individuele inwoners van dit land, niet beter nadenken, als ze te horen krijgen dat ze generaliseren? Zou het voor juist de mensen die ‘die ervaring vaker hebben’ niet helpen als iedereen die ‘die ervaring heeft’ zich uitspreekt in plaats van het uitspreken aan degenen met de grootste achterstand te laten? Als zij die het horen of zien, niet zwijgen.

Uitgelicht

If you can’t stand the heat

In de Volkskrant las ik een artikel van Joris Roelofs over ‘cancel culture’. Aanleiding voor het artikel was een documentaire van Medialogica die handelde over de ophef rond BredaPhoto in september van dit jaar. Aan die commotie besteedde ik al eerder aandacht. Commotie over het kunstwerk van Erik Kessels Destroy my Face dat fel protest opleverde van een groep die zich wearenotaplayground noemt. Een protest dat wereldwijde aandacht trok. De documentairemakers reconstrueren de ophef en stellen zich de vraag of er sprake is van cancelcultuur en/of zelfreinigend vermogen in de kunstwereld. De twee initiators van wearenotaplayground, Mechteld Jungerius en Rachel Morón, reageren op Instagram weer op de documentaire waarin ze zelf deelnemen. Zij houden er, zo blijkt uit hun bijdrage op Instagram, een bijzondere definitie van in dialoog gaan op na.

Keuken, Koken, Vlam, Voedsel, Ali, Menselijke
Bron: Pixabay

Na iets meer dan negentien minuten in hun bijdrage halen de initiators aan dat kunstenaar Kessels zich erover beklaagde dat er geen dialoog was. Waarop een van de initiators zegt: “Just look at our Instagram account. Look at what has happend. The only reason that you’re in the documentary is that the dialogue has been held. The whole entire time. Just because you don’t want to aknowledge that social media is a form of dialogue doesn’t mean that there is no dialogue.” Een wel heel bijzonder redenering.

Een dialoog is een gesprek tussen verschillende mensen waarin gedachten worden uitgewisseld en waarbij de deelnemers tot nieuwe inzichten komen die ze zonder dat gesprek niet zouden hebben gekregen. Nu is er een kant, kunstenaar Kessels, die aangeeft dat de initiators van de actie niet met hem in gesprek zijn gegaan. De documentaire laat zien dat dit ook niet is gebeurd. Hoe kan je met iemand een dialoog voeren zonder dat die persoon deelneemt aan het gesprek? Instagram mag dan volgens de beide initiators, een manier zijn om een dialoog te voeren. Om die dialoog te kunnen voeren moet de ander daar dan wel aan deelnemen.

Trouwens bij het ‘dialogiserend karakter’ van de sociale media kun je grote vraagtekens plaatsen. Ik heb zelden een gesprek via sociale media gezien waarin partijen nieuwe inzichten opdeden van een andere deelnemer. Gesprekken op sociale media gaan over het algemeen twee kanten op. Als alleen de eigen bubbel deelneemt, dan is het een zelfbevlekking met het eigen gelijk. Nemen er mensen uit verschillende bubbels deel dan is het enige wat je met een zeer grote mate van zekerheid kunt zeggen dat hoe langer een online gesprek duurt, hoe groter de kans is dat Hitler en de Nazi’s ten tonele verschijnen. Inderdaad de wet van Godwin. Als de documentaire iets laat zien, dan is het dat het ook in deze casus het geval was. De tijdlijnen van Kessels, BredaPhoto en het skatepark stroomden vol met gescheld en verwensingen. En zelfs de initiators gaven aan dat ook zij de nodige verwijten te slikken hebben gekregen. Dat zijn niet echt de kenmerken van een dialoog.

Een dialoog wordt erdoor gekenmerkt dat de deelnemers een open en vragende houding hebben. Ze willen nieuwe kennis op doen. Als de reconstructie iets laat zien dan is het dat Kessels gelijk heeft en het tot op heden nooit tot een gesprek is gekomen tussen de initiators aan de ene en BredaPhoto, Kessels en Skatepark aan de andere kant. Ook niet in deze documentaire. De eerste ‘communicatie’ vond plaats via een ‘open brief’ met beschuldigingen en eisen. Niet bepaald de voor een dialoog benodigde open en vragende houding.  Vervolgens nodigde BredaPhoto de initiators uit om gedurende het festival met Kessels en de organisatoren in gesprek te gaan. Een gesprek dat als onderdeel van het festival zou worden opgenomen. Dit werd geweigerd. De initiators wilden wel praten maar niet met Kessels omdat het hen niet om het kunstwerk ging, maar om de ‘structuur’ en niet publiek. Een wat vreemde redenering. Vreemd omdat ze in hun open brief Kessels aardig wat verwijten. En vooral zeer vreemd omdat ze zelf starten met een publieke actie, namelijk een open brief. Ze wilden wel in gesprek maar dan op hun voorwaarden, want, en nu zeg ik het in mijn eigen woorden maar eigenlijk in die van Calimero: ‘zij zijn groot en wij zijn klein en dat is niet eerlijk’. Zij zijn klein omdat ze net van de kunstacademie komen en Kessels een gearriveerd kunstenaar is en BredaPhoto een toonaangevend festival.

Op Instagram hebben ze het over ‘verantwoordelijkheid nemen’, beste initiators van wearenotaplayground, als je met een actie die voor de hele wereld is te zien ergens aandacht voor vraagt, betekent verantwoordelijkheid nemen dat je vervolgens ook in de openbaarheid met de ander in gesprek gaat. Dan is je verschuilen achter je jong en onbekend zijn een zwaktebod. Mijn advies grow up! En anders: If you can’t stand the heat stay out of the kitchen.

Uitgelicht

Geen Bromsnorren maar Saartjes

Vroeger in mijn jeugd, kende Nederland twee televisiezenders. Ze heetten Nederland 1 en Nederland 2, erg makkelijk en duidelijk. Twee zenders die meestal pas zo rond zeven uur ’s avonds begonnen met uitzenden. Dan begon de Fabeltjeskrant en vijf minuten later zat de kinderprogrammering er al op. Dan kon je naar bed. Alleen op woensdag- en later ook op zaterdagmiddag, was er voor kinderen wat meer op de televisie. Dan was er anderhalf of twee uur, dat weet ik niet meer precies, meer tv voor kinderen. Dan konden we naar Stuif es in kijken en Bassie en Adriaan. Toen ik wat ouder werd en niet meer na de Fabeltjeskrant naar bed moest, mocht ik ook naar Swiebertje kijken. Bij het lezen van een interview met korpschef Henk van Essen in de Volkskrant moest ik hieraan denken.

File:TV-serie Swiebertje, (nr. 5) v.l.n.r. Swiebertje (Joop Doderer), Bromsnor (Lou …, Bestanddeelnr 927-1025.jpg
Bron: WikimediaCommons

Of eigenlijk niet aan de hoofdpersoon de zwerver Swiebertje waarnaar de serie was vernoemd, maar aan een van de bijrollen: Bromsnor. Van Essen wil 3.500 extra politiemensen erbij vooral om ze in te zetten als wijkagent in de basisteams want: “Onze basisteams zijn de ogen en oren van de wijk. Als dat hapert, krijg je de situatie dat jonge jongens snel en ongezien heel grote criminelen kunnen worden.” Bromsnor was de ‘veldwachter’, een soort wijkagent maar dan voor landelijk gebied. Bromsnor had het heel druk met het ‘veilig houden’ van zijn gebied en zwerver Swiebertje vormde, ondanks dat hij de goedheid zelve was, een bedreiging voor die ‘veiligheid’. Tenminste zo dacht Bromsnor erover. Gelukkig liep het altijd goed af. Bij die goede afloop speelde Saartje, de huishoudster van de burgemeester Robert van Troetelaar tot Stoethaspel, een belangrijke rol.

Terug naar Van Essen die de 3.500 mensen extra nodig heeft voor de lokale verankering, want: “Lokale verankering is de ruggengraat van de politie, maar die wordt uitgehold.” Iets wat ook Sjo Smeets en Marcel van Zethoven in een artikel in Trouw betogen. Zij betogen dat de wijkagenten: “de voeling met de buurt kwijt (raken), evenals hun informatiepositie. Het vertrek van de politie uit de wijk draagt bij aan een voedingsbodem voor de ontwikkeling van ondermijnende criminaliteit en overlastsituaties in de meest ruime zin van het woord.”  Gevolg hiervan: “Door de afwezigheid van enige vorm van ­georganiseerde wijkaanpak hebben we de afgelopen jaren een exponentiële groei van incidenten meegemaakt op het gebied van jeugdoverlast, vernieling en leefbaarheid. Deze zijn direct zichtbaar. Maar ook op het eerste oog ‘onzichtbare’ thema’s als ondermijning, mensenhandel, eenzaamheid en personen met verward gedrag (100.000 meldingen jaarlijks).”  Met de komst van wijkagenten lossen we dat op? De wijkagent als een soort duizenddingendoekje? De wijkagent lost de eenzaamheid op? De wijkagent zorgt voor minder verwarde mensen op straat? Voor minder jeugdoverlast?

Even wat perspectief met betrekking tot die ‘exponentiele groei’ van allerlei vormen van ellende. ’Jonge jongens die ongezien crimineel worden’ zijn er steeds minder zo is te lezen in een recentelijk verschenen artikel in het Tijdschrift voor Criminologie, eigenlijk al sinds het einde van de vorige eeuw. Dan het vandalisme. Cijfers van het CBS laten zien dat ook het vandalisme al jaren daalt, net als bijna alle vormen van traditionele criminaliteit. Traditioneel omdat ‘cybercrime’ toeneemt. En ja, het aantal meldingen van mensen met verward gedrag neemt toe. Geen wonder omdat er de afgelopen tien jaar beleid is gevoerd om mensen met psychische en andere problemen veel minder op te nemen in een instelling, maar zoveel mogelijk in de ’eigen omgeving’ te laten wonen. Van ‘exponentiele groei’ is geen sprake.

Zoals gezegd waren er in mijn jeugd twee televisiezenders nu zijn er ik weet niet hoeveel die allemaal gevuld moeten worden. In mijn jeugd had je het NOS-journaal van acht uur, dat was ‘het Nieuws’. Daarnaast had je, in mijn geval ‘Het Dagblad voor Noord-Limburg’ of zoals mijn vader hem noemde ‘de Venlose krant’ want de krant bracht naast het (inter)nationale nieuws ook het lokale nieuws. Lokale nieuws zoals een inbraak, een auto-ongeluk of de politieke ruzie in Venlo en de omringende dorpen. Nu is  die inbraak, dat ongeluk en die ruzie voer voor Hart van Nederland, RTL in het land, de regionale en lokale omroep. En zo zie je die enkele inbraak in je eigen omgeving, maar ook de inbraken in andere plaatsen. Inbraken in plaatsen waar je vroeger nooit iets over las want in Venlo las je het Haarlems dagblad niet. Nu zie je bij wijze van spreken iedere inbraak in Nederland op tv en als het niet op tv is, dan is het wel op een van de vele ‘sociale media’. En niet alleen die in Nederland maar van over de gehele wereld. Als er iets is exponentieel is gegroeid, dan is het steeds meer media-aandacht voor steeds kleinere gebeurtenissen. Nu is elke jeugdige die afglijdt in de criminaliteit en elke vernieling er een te veel. Ook is het van belang dat we elkaar zo min mogelijk en liefst geen overlast bezorgen. Dit om de wereld en in het bijzonder dit land leefbaar te houden voor elkaar. Zouden meer wijkagenten daar de oplossing voor zijn of zijn er andere oplossingen mogelijk?  

Even terug naar Swiebertje. Zoals gezegd, zorgde Saartje, de huishoudster van de burgemeester, ervoor dat uiteindelijk alles op z’n pootjes terecht kwam, niet ‘Bromsnor’. Dat deed ze door onder het genot van een kopje door de burgemeester betaalde koffie ieders gemoederen tot bedaren te brengen en zo een beetje begrip bij te brengen voor de positie van de ander. Saartje had, om termen van Smeets en Van Zethoven te gebruiken, ‘voeling met de buurt’ en had een ‘cruciale informatiepositie’. Ze wist meer van Swiebertje dan Bromsnor en omgekeerd, maar gaf beiden wel de informatie die ze nodig hadden om het ‘goede’ te doen. Laten we dit eens vertalen naar de huidige tijd. Wie speelt er dan welke rol? De rol van Bromsnor is duidelijk, dat is de politie. De rol van burgemeester Van Troetelaar tot Stoethaspel is ook duidelijk, dat is de burgemeester. Swiebertje dat zijn wij, de inwoners van een stad of dorp. Vervullen dan opbouwwerkers en jongerenwerkers niet de rol van Saartje?

Zouden we dan niet veeleer meer Saartjes moeten aanstellen in plaats van Bromsnorren?

Uitgelicht

Onverschillig en ondoordacht

“Onverschilligheid en ondoordachtheid vormen een grotere bedreiging dan mensen met kwade bedoelingen.” Een conclusie van Susan Neiman in haar boek Het kwaad in het moderne denken. Na bestudering van wat er de afgelopen eeuwen over het kwaad is geschreven met de Holocaust als belangrijkste gebeurtenis, komt Neiman tot deze conclusie. Het kwaad niet zozeer als vooropgezette bedoeling, maar als een gevolg van onverschilligheid en ondoordachtheid. Ik moest hieraan denken toen ik de conclusies las in het eindrapport van de parlementaire commissie die onderzoek heeft gedaan naar de toeslagenaffaire.

Bron: WikimediaCommons

Het rapport beschrijft wat er precies is gebeurd en hoe de betrokken personen hebben gehandeld of juist nalieten te handelen. Ik moest aan deze passage denken vanwege het woord onverschillig: “Zich om niets bekommerend” en “om het even,” aldus de Van Dale. Dat is wat er uit het relaas naar voren komt. De overheid heeft als belangrijkste taak om haar burgers te beschermen. Te beschermen tegen bedreigingen van buiten, tegen vreemde overheersing. Maar ook beschermen tegen bedreigingen van binnen. Tegen misdaden en misdrijven. Al het andere, of het nu het aanleggen van wegen of het ‘stimuleren’ van de economie is, is daaraan ondergeschikt. Nu blijkt die overheid die haar inwoners moet beschermen, een deel van haar onderdanen niet te hebben beschermd maar te hebben bedreigd. Bedreigd niet als een ‘vooropgezet plan met kwade bedoeling’, maar precies door onverschilligheid. Onverschilligheid omdat signalen dat er iets gigantisch mis ging niet werden opgepakt. Onverschilligheid omdat er niet werd geluisterd naar de gedupeerden en zo kunnen we nog wel even doorgaan. Maar daar wil ik het nu niet over hebben.

Het gaat mij om dat andere woord in het citaat van Neiman. De commissie concludeert dat alle betrokkenen, ambtenaren, ministers, Kamerleden en rechters op hun eigen manier steken hebben laten vallen en dus hebben bijgedragen aan de ellende waarin een groep burgers is gestort.  Ze toonden zich allemaal op een of andere manier onverschillig, maar waren ze ook ondoordacht: “zonder te hebben nagedacht”?  Dat is op het eerste gezicht niet zeggen. Er is bewust gekozen om de kinderopvang als een markt te organiseren. Een markt waarop aanbieders om de gunsten van ouders met een telg waarvoor zij opvang nodig hebben, moeten concurreren. Er is ook bewust voor gekozen om het peuterspeelzaalwerk te ‘harmoniseren’, zoals men dat in beleidstermen noemt, met de kinderopvang. Dit betekende niets anders dan dat het voorheen semipublieke peuterspeelzaalwerk aan de tucht van dezelfde markt werd blootgesteld. Bijzonder aan deze markt is dat die voornamelijk met publiek geld wordt gefinancierd. Afgezien van een inkomensafhankelijke ouderbijdrage. Dit betekent dat je als ouder een smak geld krijgt van de overheid en daarmee moet je de rekening van de kinderopvang betalen. Of je kiest er als ouder voor om die toeslag rechtstreeks aan de kinderopvangorganisatie te laten betalen. Maar dan nog krijg jij die smak geld.

Er is ook bewust gekozen voor de Belastingdienst als uitvoerder van deze regeling. Dit omdat deze dienst al beschikt over de benodigde inkomensgegevens. Probleem is alleen dat de dienst beschikt over gegevens uit het verleden. Belastingen betaal je achteraf. Een toeslag wordt in het nu uitgekeerd voor een uitgave in de toekomst. En zoals menigeen dit jaar weer ervaart, kan het inkomen van nu afwijken van het inkomen uit het verleden.

Ook is er bewust gekozen om geen hardheidsclausule op te nemen  in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. De wet waarmee de uitvoering van allerlei inkomensafhankelijke regelingen werd ‘gestroomlijnd’ om er maar weer eens een beleidsterm in te gooien. Doel van deze wet is, zo is in de Memorie van Toelichting te lezen: “meer transparantie voor de burger, vermindering van uitvoeringskosten en een meer effectieve aanpak van de armoedeval.” Voor iedereen die het niet weet, een hardheidsclausule maakt het mogelijk om de wet of onderdelen ervan niet toe te passen als ze leiden tot onredelijke en onbillijke gevolgen voor de betrokken burger.

Het gehele systeem is goed doordacht.  Dus er is geen sprake van ondoordachtheid? Dat zou ik niet meteen concluderen. Want er is inderdaad goed nagedacht, maar dan wel vanuit een bepaald frame en binnen dat frame is het geheel logisch. En daarmee kom ik uit bij de woorden in mijn Prikker De toeslagenaffaire en de Walkman. Die handelde ook over de toeslagenaffaire en dan vooral over de opdracht van de commissie die onderzoek doet naar de uitvoeringsorganisaties. Daarin schreef ik dat de overheid haar dienst vooral organiseert als een handelstransactie. Ik citeer mezelf: “Een handelstransactie creëert geen of slechts een zwakke sociale band. Er ontstaat geen ‘WIJ’ en het ontbreken van die ‘WIJ’ betekent dat ‘IKKEN’ vooral aan zichzelf denken. En omdat de andere ‘IKKEN’ dat ook doen, moeten de “IKKEN’ op hun hoede zijn: wantrouwen. Wantrouwen dat wordt versterkt omdat er ‘IKKEN’ zijn die misbruik maken van de situatie. Binnen het ‘handelstransactie frame’ is voorkomen van fraude de enige manier om wantrouwen te bestrijden en iets van een ‘WIJ’ te behouden. Iedere ontdekte fraude zorgt voor verlies aan ‘WIJ’. Om fraude te voorkomen worden regels zo gemaakt dat de te voorkomen uitzondering de regel gaat bepalen en gaat de ‘menselijke maat’ verloren.”  

Binnen het frame markt en handelstransactie is het doordacht. Buiten dat frame waren er andere oplossingen mogelijk. Immers waarom een dienst die voor het overgrote deel met overheidsgeld wordt betaald, vormgeven als transacties en dus als markt? Als je dan toch transparantie voor de burger, vermindering van de uitvoeringskosten en een effectievere aanpak van de armoede val wilt, waarom maak je er dan geen overheidsdienst van? Waarom geen gratis kinderopvang door de overheid georganiseerd? Dat is heel transparant voor de burger, het minimaliseert de uitvoeringskosten omdat de toeslag overbodig is en er is in het geheel geen sprake meer van een armoede val. Bovendien vergroot dit de mogelijkheid om peuters die om welke reden dan ook een achterstand hebben goed te begeleiden en zo die achterstand weg te werken en in ieder geval te verkleinen. En ook dat met minder uitvoeringskosten want ook het systeem van voorschoolse educatie kent flinke uitvoeringskosten.

Overheidsdiensten vormgeven als handelstransactie duidt op het neoliberaal, utopisch denken waar ik mijn afgelopen drie Prikkers over schreef. En zoals ik in Utopia en Dystopia schreef, is utopisch denken gevaarlijk. Die Prikker sloot ik af met de woorden: “Aldus werkend aan een ideologische utopie is de kans groot dat we in een dystopie belanden. Het eindrapport lezend, zijn de betrokken burgers in Dystopia beland. Een Dystopia waar Thatchers uitspraak: “There’s no such thing as society,” werkelijkheid is geworden.

Uitgelicht

Trickle down economics

Voor geld geldt de zwaartekracht niet. Iets degelijks schreef ik in mijn vorige Prikker. Deze opmerking raakt een van de aannames van het neoliberale denken en in die vorige Prikker heb ik beloofd om op de aannames van het neoliberalisme terug te komen. De opmerking raakt de aanname van de ‘trickle down economics’, de aanname dat een belastingverlaging voor de hoogste inkomens leidt tot meer welvaart voor iedereen, ook voor de laagste inkomens.

Hoe zou dit moeten werken volgens de neoliberalen? Het komt er in het kort op neer dat je de rijken meer geld geeft. Dat doe je niet door ze geld te geven, maar door de belastingen te verlagen zodat hun netto inkomen stijgt. De rijken gaan dit geld vervolgens uitgeven, ze gaan consumeren. Ze kopen auto’s, broeken, gaan uit eten et cetera. Die auto’s en broeken moeten worden gemaakt en daarvoor zijn meer arbeiders nodig. Om al dat eten te koken en op te dienen zijn er meer koks en obers nodig. Die extra arbeiders, koks en obers hebben werk en zo meer inkomen. Dat inkomen ‘betalen’ de rijken van die belastingverlaging. Hier komt die aanname in het kort op neer. Om het in economen (en bakkers) termen te zeggen. Die extra uitgaven van de rijken zorgen ervoor dat de economie groeit. Als we de economie als een taart zien, dan wordt de taart groter. De rijke neemt een flink deel van die nieuwe taart maar omdat hij dat geld uitgeeft aan auto’s, broeken en uit eten vindt de arme sloeber een baantje. Door dit baantje krijgt hij meer inkomen en wordt ook zijn stukje van de taart groter.

Tot zover de theorie. Wat zien we de afgelopen veertig jaar in de praktijk gebeuren? Als eerste natuurlijk de verlaging van de belastingtarieven. Logisch, tenminste met de neoliberale bril, omdat het ‘down trickelen’ daarmee begint. Als tweede zien we ook de economie groeien. Dus dat deel van de theorie lijkt ook te kloppen. Toch kunnen we daar een hele grote kanttekening bij plaatsen. Als de aanname klopt, dan zou ‘trickle down’ tot een grotere economische groei moeten leiden dan in de periode ervoor. En daar loopt toch iets spaak. In zijn boek Capital in de Twenty First Century  geeft Thomas Piketty op pagina 94 een overzicht van de economische groei in de Wereld sinds het begin van de jaartelling. Heel interessant voor mensen die denken dat we zonder economische groei niet kunnen leven. Als dat zo zou zijn, dan was de mensheid allang uitgestorven want tot 1700 groeide de economie niet tot nauwelijks. Economische groei is iets van de laatste drie eeuwen. Het overzicht laat nog meer zien. Namelijk dat de economische groei, behalve in Azië, sinds 1980 bijna is gehalveerd ten opzichte van de periode ervoor.

Ook zien we enkele andere zaken. Zo zien we dat het gemiddelde  gezinsinkomen gecorrigeerd voor inflatie sinds eind jaren zeventig in de Verenigde Staten niet, en in Europa en Nederland niet tot nauwelijks is gestegen. De koopkracht is gelijk gebleven terwijl de economie fors is gegroeid. Dus of er veel welvaart naar beneden is ‘getrickled’? Nu moeten we hier nog iets bij opmerken. In de jaren zeventig was in Nederland de man in het gros van de gezinnen de kostwinner en de enige die inkomen binnenbracht. Dat is nu heel anders. Dat betekent dat we voor dat nauwelijks gestegen besteedbaar inkomen met z’n allen veel meer uren moeten werken. Dit zien we nog in ergere mate in de Verenigde Staten waar mensen tweede en derde baantjes moeten nemen om dat gelijke besteedbare inkomen te behouden. Wat we ook zien (lees het reeds genoemde boek van Piketty) is dat de verdeling van het vermogen steeds schever wordt. Een kleine groep (de 1% en daarbinnen weer de 0,1%) bezit een steeds groter deel van het totale vermogen en het aandeel van de onderste 90% wordt steeds kleiner.

Wat we ook zien is dat de rente op geld nihil en bij sommige banken zelfs negatief is. Geen of negatieve rente, betekent dat er heel veel geld is. Zoveel dat het niets kost als je het wilt lenen en voor sommigen, zoals de Nederlandse overheid, levert lenen zelfs geld op. Alleen is al dat geld slecht verdeeld. De vermogens zijn immers steeds schever verdeeld. Waarom lenen die armen dan niet als lenen toch bijna niets kost? Nu ‘lenen’ veel mensen al en vooral door op krediet te kopen: ‘koop nu betaal later’. Door dat lenen komt een groeiende groep in de problemen want ook lenen is in het nadeel van de armen. Hoe meer je leent, hoe lager de rente. En veel lenen kan alleen met veel inkomen. Bij ‘kopen op krediet’ was het wettelijke maximale rentetarief tot voor kort 14%. Dat is recentelijk tijdelijk verlaagd naar 10% als maatregel ‘om mensen de coronaperiode door te helpen’. Geld is daarmee goedkoop als je er veel, en heel duur als je er heel weinig van hebt en het wilt lenen.

Allemaal tekenen dat het geld niet ‘down trickled. Sterker nog het lijkt mijn uitspraak dat de zwaartekracht niet voor geld geldt, te bevestigen. Of zoals de reeds genoemde Chang het in zijn 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme schrijft (ding 13): “… de opvatting dat als de rijken een groter stuk van de koek krijgen, (dat dan) de koek groter wordt , klopt in de praktijk niet. Het tweede deel van het betoog. De opvatting dat de extra rijkdom die aan de top wordt gecreëerd, doordruppelt naar de armen, klopt ook niet. Er druppelt wel wat door, maar als we het aan de markt overlaten is het effect doorgaans mager.”

De praktijk laat zien dat er niet veel ‘down trickled’. Het is eerder andersom, geld en vermogen werken als een magneet en trekt het geld van onder naar boven. Trekt het naar boven door de hogere rentes voor kleinere leningen en bij ‘kopen op krediet’, zaken waar de armlastigen meer gebruik van maken en waarvan de topvermogens aan verdienen. Verdienen omdat het hun bedrijven zijn of omdat ze er een aandeel in hebben. Het trekt geld naar boven omdat vermogenden, zie het voorbeeld van prins Bernhard junior, ‘investeren’ in vastgoed, in woonhuizen die ze vervolgens verhuren aan de minder gefortuneerden. Die mindergefortuneerden kunnen die huizen niet kopen omdat de vermogenden er meer voor betalen in de wetenschap dat ze dat meerdere gewoon verwerken in de huur die ze vervolgens vragen.

De aanname achter ‘Trickle down’ is niet meer dan dat, een aanname en dan ook nog een foute, zo laat de werkelijkheid zien. Iets wat recentelijk ook werd geconstateerd door Engelse onderzoekers, zo is in de Volkskrant te lezen. Het ‘trickle down’ verhaal lijkt daarmee een fabeltje. Een fabeltje om een maatregel waar enkelen voordeel van hebben, recht te praten door er ‘voordelen voor allen’ aan te verbinden. Nu zal je zeggen dat het achteraf goed de koe in de kont kijken is. Dat geld ‘samenklontert in grote hopen’ was echter ook vooraf te voorspellen. Nou ja voorspellen? Te bewijzen. Te bewijzen door naar het verleden te kijken. Dan was te zien dat geld zich ophoopt precies zoals Marx in Het Kapitaal beschrijft. Dan was te zien dat de rijken rijker worden en de armen vooral armer en talrijker. Dan was ook te zien dat de enige periode dat de armen rijker werden, de periode na de Tweede Wereldoorlog was zoals Piketty laat zien. Precies de periode met de hoogste belastingtarieven.

Nu maar weer eens blijkt dat geld ‘magnetisch’ is en als vanzelf bijeen klontert, kunnen we dat ‘magnetisme’ dan niet op een positieve manier inzetten? Natuurlijk kan dat. Dat kan door geld niet aan de bovenkant ‘in het systeem te gieten’, maar aan de onderkant. In tegenstelling tot de topinkomens, zullen de mensen aan de onderkant het extra geld wel consumeren en zo dus zorgen voor economische groei en banen voor zichzelf en anderen. Door bijvoorbeeld een basisinkomen of liever basisgift, zoals ik het in een eerdere Prikker betoogde. Een basisgift en progressief belastingstelsel met een ‘ouderwets’ toptarief. Een tarief dat juist de bovenkant afroomt om de onderkant te spekken. Op deze manier weten we zeker dat de mensen aan de onderkant er beter van worden.

Uitgelicht

Utopia en Dystopia

“Het wordt hoog tijd dat we de wereld gaan veranderen. Daarbij helpt het niet om een nieuwe ‘complot God’ in het leven te roepen en de strijd aan te gaan met die God of in andere woorden ‘de elite’. Dat is als een Don Quichot strijden tegen windmolens, tegen een imaginair construct. Die verandering begint ermee dat we ons realiseren dat het dominante denken ideologisch getint is.” Schreef ik in mijn vorige Prikker. De wereld veranderen door je te realiseren dat er buiten de ideologische bril waarmee je kijkt een hele wereld ligt. En de extreem dominante bril waarmee nu en de afgelopen dertig jaar naar de wereld wordt gekeken is een neoliberale. Hoe kon het dat we onszelf indoctrineerden met die neoliberale bril?

Utopia, De Aarde, Dromen, Teken
bron: Pixabay

Een goede vraag. Goed omdat het antwoord laat zien hoe een bepaalde manier van denken dominant kan worden. Als je weet hoe dat kan gebeuren, dan geeft dat aanknopingspunten om dergelijke processen te herkennen en herkennen is een eerste stap in het voorkomen dat je er slachtoffer van wordt. Net zoals bij een religie schetsten de aanhangers of ‘priesters’ van een ideologie een ideaalplaatje, een utopie. Als je hen ‘volgt’ en handelt naar hun geboden dan ontstaat als vanzelf die ideale wereld. Dan ontstaat de hemel of het ‘arbeidersparadijs’ op aarde. Alleen op dat punt ‘op aarde’ verschillen de aanhangers van een ideologie van een religie. Voor de aanhangers van een religie ligt het ideaal in het leven na de dood. Voor joden, christenen en moslims in het paradijs en voor boeddhisten in het gereïncarneerde volgende leven of het leven daarna. Aanhangers van een ideologie situeren hun ideaal in de toekomst. Alleen blijft dat paradijs altijd net buiten bereik. De oorzaak van dat ‘buiten bereik’ blijven wordt altijd veroorzaakt door het ‘niet goed naleven van de voorschriften’.  Zo betoogden de priesters van het neoliberalisme dat de hypotheekcrisis, die overging in een banken-, economische- en een valutacrisis dat dit gebeurde omdat overheden zich teveel bemoeiden met de markten: die waren niet vrij genoeg.

De, om het zo te noemen,  ‘profeet’ van het neoliberalisme is de Oostenrijkse econoom, Friedrich A. Hayek. Hayek zag de vrije markt als een perfect functionerende machine die hij als volgt omschreef: “Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een ( …) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maanden onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.”  In zijn boek Wat als de markt faalt noemt John Cassidy het ‘Hayeks telecommunicatiesysteem’. Hayeks belangrijkste werk Road to Serfdom uit 1944 is een strijd tegen collectivistisch denken en voor de vrije markt. Hayek gebruikt de Sovjet Unie en Hitler-Duitsland om aan te tonen dat collectivisme tot slavernij leidt maar schreef het boek om de politiek in Groot Brittannië te beïnvloeden omdat ook dit land al ver op weg was richting collectivisme.

Tot Hayeks frustratie werd hij in zijn tijd, de jaren dertig tot en met midden jaren zeventig van de vorige eeuw, overvleugeld door het denken van Keynes. Hayek was een wat obscure denker aan de zijlijn van de wetenschappelijk wereld. Hij werd qua invloed en populariteit overvleugeld door tijdgenoot John Maynard Keynes. Keynes was de gevierde econoom die ‘het medicijn’ had gevonden voor het overwinnen van de crisis in de jaren dertig en de mede-architect van de naoorlogse wereld. Al die lof voor Keynes was enigszins overdreven omdat de Tweede Wereldoorlog en de erop volgende wederopbouw een heel belangrijke rol speelde in het ‘oplossen van die crisis’. Keynes pleitte voor overheidsingrijpen in de economie, voor beteugeling en regulering van de markt. Hayek zag dat anders, maar door de economische successen in de eerste dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog kreeg hij geen poot aan de grond. Die successen werden toegeschreven aan het keynesiaanse economische beleid. In 1950 verruilde hij zijn plek aan de London School of Economics voor de betrekking aan de Universiteit van Chicago.

Een tweede belangrijke persoon in de verspreiding van het neoliberale denken is Ayn Rand. Rand werd geboren in 1905, in wat nu weer Sint Petersburg heet, als Anna Rosenbaum. Het gezin Rosenbaum vluchtte in 1917 voor de revolutie naar de Verenigde Staten. Rand staat aan de basis van het objectivisme, een stroming die, zoals Wikipedia het goed omschrijft: “de mens (ziet) als een heroïsch wezen, met zijn eigen geluk als zijn hoogste ethische doel, productieve prestatie als zijn nobelste activiteit en de rede als zijn enige leidraad.”  De naam die Rand haar denken gaf, het objectivisme, is daar een mooi voorbeeld van. Dit denken is natuurlijk net zo subjectief als alle andere denkrichtingen.  Precies het tegengestelde van het collectivistische denken waarvoor ze uit Rusland vluchtte. Daar hebben we waarschijnlijk ook meteen haar belangrijkste drijfveer gevonden. Zoals ik in mijn vorige Prikker al vertelde, wordt er gebruik gemaakt van verhullende taal. Rand werd dan ook een belangrijke figuur in de anticommunistische strijd in de Verenigde Staten en die woede hevig in de na-oorlogse jaren. Bij het verkopen van een ideologie kan een goed verhaal wonderen doen en daar zorgde Rand voor. Voor wie er een beeld bij wil hebben, lees haar roman Atlas Shrugged. Met goede argumenten betoogt Hans Achterhuis dat dit boek de utopie van het neoliberalisme is. In een prachtig verhaal wordt die ideale wereld afgezet tegen een instortende buitenwereld. In die ideale wereld heerst absolute vrijheid en wordt alles via vrije transacties geregeld. Een invloedrijk boek omdat het na de bijbel en wellicht Mao’s rode boekje, het meest verkochte boek in de wereld is. Waarbij de vergelijking met Mao mank gaat omdat daarbij geen sprake is van vrije keuze.

Daar waar Hayek wat aan de zijlijn van de het leven stond, stond Rand er midden in. Rond Rand verkeerde een groep van bijna idolate bewonderaars. Daarbij enkele personen die een zeer belangrijke rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van het neoliberale denken en de neoliberale beleidsontwikkeling. Zo behoorde de nobelprijs winnende econoom en neoliberaal Milton Friedman tot haar kringen. Friedman was, zo ongeveer vanaf zijn studietijd in de jaren dertig verbonden aan de universiteit van Chicago en was een van de ‘Chicago Boys’. Via Friedman beïnvloedde het denken van Hayek de groep rond Rand en werd zijn werk bekend. In Chicago verzamelde Friedman gelijkgestemden om zich heen en die gelijkgestemden wisten steeds invloedrijkere plekken in de Amerikaanse samenleving te bereiken. Een andere protegé van Rand was Alan Greenspan, van 1987 tot en met 2006 voorzitter van het Amerikaanse systeem van centrale banken de Federal Reserve System en daarmee in die periode op economisch gebied zo ongeveer de machtigste man van de wereld. Op hoe hij die macht gebruikte, kom ik in een volgende Prikker terug waarin ik inga op de aannames waarop het neoliberale denken is gebaseerd.

Een eerste kans om de economische zijlijn te verlaten kregen de ‘Chicago boys’ in 1973 in Chili. Toen werd de in 1970 gekozen president Allende via een militaire staatsgreep afgezet. Allende werd zeer tegen de zin van de Amerikaanse president Nixon gekozen. Dit ondanks Amerikaanse steun voor de tegenstander van Allende en zelfs pogingen om na de verkiezingen te voorkomen dat Allende zou worden beëdigd tot president. In die staatsgreep speelde de Amerikaanse CIA een belangrijke rol. Na de coup werden Friedman en zijn ‘Chicago boys’ gevraagd om de Chileense economie weer aan de praat te krijgen. Chili werd een militaire dictatuur met extreem liberaal (neoliberaal) beleid. Het eerste neoliberale experiment leek succesvol. De economie herstelde zich zeer snel en dat schreef Friedman op zijn conto en noemde dit ‘het wonder van Chili’. Maar zoals Geertje Dekkers schrijft: “De groei bleek deels een bubble en toen het tij begin jaren tachtig tegenzat, kwam het land in grote problemen. De Chileense crisis van 1982 vertoonde opmerkelijke overeenkomsten met de mondiale van 2008. Ook toen al moesten banken die te veel risico’s hadden genomen door de overheid worden gestut. Dat betekent het einde van het extreme neoliberalisme in Chili.” Alleen stond Chili toen niet meer in de belangstelling van de wereld, Dus die crisis en de oorzaken ervan, gingen bijna ongemerkt aan ons voorbij.

Friedman zag in de problemen in Chili geen aanleiding om zijn denken te veranderen. En waarom zou hij ook, niemand keek meer naar Chili en tussen 1973 en 1982 had zijn neoliberale denken enorm aan populariteit gewonnen. ‘Les Trente Glorieuses’ zoals de Franse de periode van economische voorspoed tussen 1945 en 1973 noemden, waren piepend en krakend tot stilstand gekomen. Keynes bleek toch niet de perpetuum-mobile -pil voor eeuwige economische voorspoed te hebben ontwikkeld en de zaak was vastgelopen in wat economen ‘stagflatie’ noemen. Een samentrekking van stagnatie die zich kenmerkt door stagnerende economische groei, hoge inflatie en hoge werkloosheid. Groot Brittannië was het eerste land dat hieraan ten prooi viel. Het Keynesiaanse denken, het economische denken van Keynes en zijn navolgers, leek hier geen oplossing voor te hebben. Friedman had die wel: het neoliberalisme.

Met het succes in Chili in zijn achterzak kreeg hij in de jaren zeventig steeds meer invloed en met de verkiezing in 1979 van Margaret Thatcher tot premier van Groot Brittannië had hij een flinke voet tussen de deur in het westen. Thatcher schoeide haar economische beleid op neoliberale leest en bond de strijd aan met hetzelfde collectivisme waarvoor Hayek in zijn Road to Serfdom waarschuwde. De vakbonden waren de belangrijkste collectieve macht en hadden een zeer grote en misschien wel een te grote invloed op de politiek in bedrijven en het land. Die invloed had ertoe geleid dat zeer veel bedrijfstakken genationaliseerd waren. Dat hieraan iets moest gebeuren was duidelijk en de neoliberalen boden een oplossing: privatiseren. Maar daarvoor moest eerst de macht van de collectieven en dus vooral de vakbonden worden gebroken. Thatcher toonde zich een goede leerling van Hayek en deed precies dat wat Hayek adviseerde en ging de strijd aan met de machtige vakbonden. Bonden die ervoor hadden gezorgd dat de staat eigenaar was van vele bedrijfstakken, onder andere de kolenmijnen.  Dat lukte na een lange strijd uiteindelijk in 1985 toen de macht van de sterkste vakbond, de National Union of Miners van Arthur Scargill werd gebroken. Voor wie een goed beeld wil hebben van die strijd, kijk de film Billy Elliot. Thatcher gaf trouwens de beste samenvatting van het neoliberale denken toen ze de woorden: “there’s no such thing as society’” uitsprak. Na het breken van de vakbonden kon ze beginnen met de grote privatiseringsoperatie. Spoorwegen, spoorbedrijven, busbedrijven, de post, energiebedrijven, het telefoonverkeer, alles werd geprivatiseerd door Thatcher en haar opvolgers. Het enige wat men in Groot Brittannië tot nu toe niet geprivatiseerd kreeg, is de National Heath Service, de publieke ziekenhuizen. Of die opvolgers nu tot haar Conservatives of tot Labour behoorden, de neoliberale aanpak bleef gehandhaafd. Net als de PvdA in Nederland onder Wim Kok, schudde Labour onder Tony Blair haar sociaaldemocratische veren af en hulde zich in nieuwe die hij ook ‘the Third Way’ noemde maar het was gewoon een setje ‘neoliberale veren’.

Met Thatcher kregen de neoliberalen een voet tussen de deur in de westerse democratische landen en konden ze, als goede ‘Jehova’s getuigen’ hun ‘wachttoren’ naar binnen schuiven. De deur werd volledig ingetrapt met de verkiezing van Ronald Reagan tot president van de Verenigde Staten in november 1980. Dat betekende dat de grootste economie en supermacht van de wereld de neoliberale weg op ging. Nu waren er in de Verenigde Staten minder collectieven te breken en minder zaken te privatiseren. Daarom richtte Reagan zijn pijlen op twee andere ‘collectieven’. Als eerste een binnenlands ‘collectief’ dat we overheid noemen. In zijn inaugurale rede maakte hij dat meteen duidelijk met de woorden: “government is not the solution to our problem, government is the problem.” Het tweede ‘collectief’ was de andere supermacht, de Sovjet Unie. Om het eerste collectief, de eigen overheid, aan te pakken werden de belastingen, vooral voor de topinkomens, fors verlaagd. Hierdoor had de overheid minder geld om alle taken uit te voeren. Om het tweede collectief aan te pakken, werd er flink geïnvesteerd in het leger en de ontwikkeling van nieuwe wapens. Nieuwe wapens zoals een ruimteschild om vijandelijke raketten uit de lucht te halen voordat ze de VS zouden bereiken: het Strategic Defence Initiative in de volksmond ook wel Star Wars genoemd.

Minder inkomsten en meer uitgaven, dat moest knellen en dat deed het. Daarom werd er in eigen land bezuinigd op de toch al vrij karige sociale voorzieningen maar vooral werd er geld geleend waardoor de overheidsschuld opliep en de mensen  aan de onderkant van de sociale ladder in de problemen kwamen. Volgens het neoliberale denken zou dat allemaal een tijdelijk probleem zijn omdat de lagere belasting tot meer economische activiteit zou leiden en die groeiende economie zou ondanks de lagere belasting tarieven toch meer overheidsinkomsten opleveren. Ook de achteruitgang aan de onderkant van de samenleving zou van tijdelijke aard zijn. De bovenkant zou het geld dat ze via die belastingverlaging overhielden immers uitgeven en dat zou leiden tot banen waarvan de onderkant zou profiteren, trickle down economics noemden ze dit. Alleen laat de geschiedenis zien, lees Piketty’s Kapitaal in de eenentwintigste Eeuw, dat geld het enige is waarvoor de zwaartekracht niet geldt. Als je er niets aan doet dan stroomt geld naar geld of om het termen van mijn moeder te zeggen: ‘d’n duuvel schiet altied op de groetste haup.’ Maar het gaat me nu niet over de ‘mankementen’ in het neoliberale denken, daar kom ik, zoals gezegd in een volgende Prikker op terug. Het gaat mij nu om de manier waarop het neoliberalisme dominant werd en wat we daarvan kunnen leren.

Bij dat dominant worden is er nog een gebeurtenis die we moeten noemen en dat is de val van de Berlijnse muur en de erop volgende instorting van de Sovjet Unie. De neoliberalen zagen het als een overwinning van hun denken en als het einde van de geschiedenis van de ideologische strijd omdat nu de hele wereld zou toegroeien naar de neutrale ideologievrije liberale vrijemarkt samenleving.  Dit was de strekking van het boek van Francis Fukuyama uit 1992 The End of History and the Last Man. Bij het ‘opbouwen’ van de ingestorte Oost-Europese en de Russische economie werd weer een beroep gedaan op het neoliberale denken dat inmiddels ook het beleid van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank bepaalde. Beide instituten speelden een rol in die wederopbouw. Die wederopbouw bestond eruit dat alle bedrijven werden geprivatiseerd. Geprivatiseerd door de burgers vouchers te geven die ze konden inruilen voor aandelen in bedrijven. Omdat voor het overgrote deel van de Russen de volgende maaltijd een probleem was, ‘verkochten’ ze hun vouchers aan het slimmere deel van de oude bureaucraten. Die kregen zo de bedrijven en grondstoffen voor een habbekrats in hun bezit en werden de oligarchen.

Tot zover in grote stappen de manier waarop het neoliberalisme de dominante ideologie werd. Zo dominant zelfs dat velen het niet meer als een ideologie herkenden. Terug naar de vraag die ik stelde in de eerste alinea hoe ging dat indoctrineren in zijn werk? In mijn vorige Prikker schreef ik dat het niet: “helpt (…)  om een nieuwe ‘complot God’ in het leven te roepen en de strijd aan te gaan met die God of in andere woorden ‘de elite’. Dat is als een Don Quichot strijden tegen windmolens, tegen een imaginair construct.” Als we iets kunnen leren van de neoliberale opgang, dan is het dat je beter molenaar kunt worden als je molens wilt ‘bevechten’. Dat is wat Hayek en Friedman deden in Chicago. Ze begonnen een ‘molenaarsopleiding’ en begeleidden hun ‘leerlingen’ naar interessante molens. Via de ‘molenaarsopleiding’ konden ze hun denken verspreiden en werken aan de verdere wetenschappelijke onderbouwing. Door hun netwerk te gebruiken en de leerlingen te helpen aan interessante plekken, kon de boodschap worden verspreid naar mensen op plekken die zicht hebben op macht. Als tweede, of eigenlijke eerste iets is dat je die ‘molenaars’ met een goed en positief verhaal op pad stuurt. Rand zorgde voor dat verhaal en in dat verhaal stond individuele vrijheid centraal en zeg nu zelf, wie is er tegen vrijheid? Als derde helpt het in de verkoop van je verhaal als je woorden gebruikt die op neutraliteit duiden. Woorden als ‘normaal’, ’zakelijk’, ‘praktisch’ en ‘realistisch’. Dergelijke woorden zetten je ‘tegenstrever’ op een achterstand.

“Filosofen hebben altijd geprobeerd de wereld te interpreteren, het wordt de hoogste tijd dat ze nu eens de wereld gaan veranderen,” zo hield Karl Marx zijn collega filosofen voor. De neoliberalen namen deze suggestie ter harte en ze gingen aan de slag met het veranderen van de wereld maar wel in een heel andere richting dan Marx voor ogen stond. Hierbij benutten ze hun sociaalwetenschappelijke positie als platform voor maatschappelijke actie. Maatschappelijke actie die door de wetenschappelijke pretentie een zweem van ‘waarheid’ of beter gezegd ‘zekerheid’ suggereert die juist niet eigen is aan de wetenschap. Sociaalwetenschappelijke kennis is per definitie onzeker. Onzeker omdat die kennis de houding en het gedrag van het studieobject, de mens, beïnvloedt. Onzeker omdat een wetenschappelijke theorie een hypothese is die, om met Karl Popper te spreken, om falsificatie vraagt en niet om bevestiging. Kenmerk van ideologisch gedreven wetenschappers is echter dat zij naar bevestiging van hun eigen gelijk zoeken.

Wellicht gaat er nu een belletje van herkenning rinkelen. In het huidige krachtenveld in Nederland zijn in ieder geval twee van dergelijk actiegedreven wetenschappelijke clusters te ontdekken. Als eerste een cluster rond Paul Cliteur en Afshin Ellian aan de rechtenfaculteit van de universiteit van Leiden. Een cluster dat een conservatief, nationalistische agenda nastreeft. Als tweede het ‘intersectionele cluster’ op en rond de Universiteit van Amsterdam waaraan ik deze zomer een Prikker weidde. Een cluster van gelijkgezinden dat anderen opleidt in hun ideologie. Een ideologie die met een ronkend verhaal wordt verkocht en bij dat verkopen speelt het gebruik van woorden een belangrijke rol. Opleidt om de wereld naar hun ideologie of blauwdruk vorm te geven. Aldus werkend aan een ideologische utopie is de kans groot dat we in een dystopie belanden.

Uitgelicht

Godcomplot en complot God

“De beste van alle mogelijke werelden is geen wereld waarin we zouden kunnen leven, want het begrip menselijke vrijheid veronderstelt beperkingen. Vrij handelen betekent handelen zonder voldoende kennis of macht, dat wil zeggen zonder alwetendheid of almacht.” Een passage uit het eerste hoofdstuk van het boek Het kwaad in het moderne denken van Susan Neiman. Het hoofdstuk eindigt met Karl Marx. Marx is niet geïnteresseerd in verklaringen van de wereld: “Filosofen hebben altijd geprobeerd de wereld te interpreteren, het wordt de hoogste tijd dat ze nu eens de wereld gaan veranderen.”  Aan deze passage moest ik denken na het zien van COVID-19. The System.

Glasses, Lens, Frame, Pink Glasses, Eye, Vision
Bron: Pixabay

Eerst het betoog van Neiman. Het moderne denken waar Neiman over schrijft is het denken uit de periode van de zeventiende-eeuw tot het midden van de twintigste eeuw. Zij bespreekt de deconfiture van God en zijn vervanging door de mens, of om het positief de framen, de opkomst van de mens aan de hand van verschillende filosofen die de wereld wilden verklaren aan de hand van de rol en positie van God. En daarmee komen we bij de maakbare wereld. Marx leefde in de negentiende eeuw, van 1818 tot 1883. De eeuw waarin de mens begon met het ‘veranderen van de wereld’. De negentiende eeuw was de eeuw van de industriële revolutie in Europa en het noordelijke deel van de Verenigde Staten. De mens kon steeds meer verklaren en kreeg steeds meer handvatten om de natuur te ‘temmen en naar zijn hand te zetten’. De wereld werd of leek steeds maakbaarder voor de mens. De mens had God hierdoor steeds minder nodig. Gevolg van die devaluatie van God en de revaluatie van de mens is wel dat de mens ‘ellende’ steeds minder op God kon afschuiven.

De mens kreeg zo, zo betoogt Neiman, een steeds grotere verantwoordelijkheid voor het kwaad in deze wereld. Voor de moderne tijd was er maar één soort kwaad: alle kwaad was een straf van God of de uitvoering van de wil van God. God kende het grote plan en of het nu een aardbeving of een oorlog betrof, God had er een plan mee. Erg handig zo’n ‘imaginair construct’ dat alles verklaart. Zonder God moet er een andere oorzaak voor het kwaad zijn en als zijn plaatsvervanger moest dat wel de mens worden. Met de vrijheid, om het citaat waarmee ik begon aan te halen, komt immers ook verantwoordelijkheid. Nu kun je dat bij misdaden, moorden, oorlog en alle andere zaken waar de mens handelend optreedt goed volhouden. Bij een aardbeving of een orkaan wordt dat anders. De moderne denkers splitsten het kwaad daarom in tweeën. Aan de ene kant het morele kwaad waar de menselijke hand duidelijk een rol speelt. En aan de andere kant het natuurlijke kwaad van bijvoorbeeld de aardbevingen en orkanen. Alhoewel de mens tegenwoordig, via de door uitstoot van kooldioxide veroorzaakte opwarming van de aarde, ook al een hand heeft in die laatste.

En toen werd de wereld getroffen door een coronavirus dat we COVID-19 hebben genoemd. Een virus is in de basis een natuurlijk iets. Virussen zijn al veel ouder dan de mensheid. In de basis een natuurlijk fenomeen want tegenwoordig heeft de mens de kennis en techniek om ze zelf in elkaar te fabriceren. Beide lijnen zie je dan ook terug in de zoektocht naar de oorsprong van dit virus. De verklarende natuurlijke lijn is het overspringen van het virus van een dier op de mens al dan niet via een markt voor levende en dode dieren in China. Menigeen geeft de mens, wellicht terecht, ook een rol in deze natuurlijke lijn. Die markt en iets breder, de manier waarop we ons voedsel produceren, vergroot de kans op dat overspringen. De ‘menselijke verklaring’ ziet de oorsprong, afhankelijk van wie er aan het woord is, in een Chinees of Amerikaans laboratorium. Het virus zou door ‘onvoorzichtigheid of weer anderen suggereren opzet’, uit dat Chinees laboratorium zijn ‘ontsnapt. De andere variant heeft het over een ‘geheime Amerikaanse operatie’ als bron voor de verspreiding van het virus.

Maar, hier gaat het me niet om. Het gaat mij om COVID-19. The System die mij aan de passage uit Neimans boek deed denken. COVID 19. The System is een bijna anderhalf uur durende als documentaire bedoelde film, waarin de zoektocht naar antwoorden van de Nederlandse ondernemer Nico Sloot wordt gevolgd. Sloot liep met vragen die iedereen zal herkennen. Ik in ieder geval wel want ik liep en loop er ook mee. Vragen zoals, hoe gevaarlijk is dit virus? Hoe ziet onze toekomst eruit? Staan de huidige maatregelen wel in verhouding met de risico’s van het virus? En wat voor impact heeft dit op onze maatschappij? Sloot gaat samen met anderen op zoek naar antwoorden. En gedurende die zoektocht komt er een andere vraag bij hem op: gaat dit wel om onze volksgezondheid? En de vraag stellen is hem beantwoorden. Nee, dit gaat niet om onze volksgezondheid.

Sloot heeft gelijk, de hele aanpak van de coronacrisis draait niet om de volksgezondheid. Die draait om het voorkomen van een zorginfarct. Het voorkomen dat ons zorgsysteem compleet vastdraait omdat alle cruciale onderdelen ervan, zoals de IC’s vol liggen met corona patiënten. Het virus is, zo laat het zich nu aanzien, zwaarder dan een reguliere griep, iets dodelijker en heeft voor een deel van de patiënten grotere vervolgschade dan een reguliere griep. Net als bij een gewone griep kan de menselijke afweer het in de basis aan, behalve als er sprake is van onderliggende problematiek zoals bijvoorbeeld hart- en longproblemen en diabetes.

Omdat het Nederlandse zorgsysteem de laatste dertig jaar in toenemende mate, om het in managementtermen te zeggen ‘lean and mean’ is ingericht, hebben we nu een probleem. Alle overcapaciteit is uit onze zorg gehaald omdat overcapaciteit geld kost en op geld moest worden bespaard. Overcapaciteit in ziekenhuizen, IC’s, ziekenauto’s en ook in personeel is verdwenen. Dat is goed en goedkoop in normale tijden, het blijkt echter zeer duur in tijden van crisis. Nee, niet dat de kosten van de zorg dan zoveel hoger uitvallen. Dat niet. Sterker nog, die vallen lager uit omdat allerlei andere zorg wordt uitgesteld en soms komt van uitstel afstel omdat de patiënt al wachtende is overleden. Nee, kosten als gevolg van maatregelen om te voorkomen dat het zorgsysteem overbelast raakt. Maatregelen zoals het sluiten van de horeca, het verbieden van sport en evenementen, en in het begin van bijna alle winkels. Alle geld dat er sindsdien is bespaard op de zorg, of beter gezegd bespaard op de groei van de zorg want de zorgkosten tonen een immer stijgende lijn, wordt nu in één klap teniet gedaan. Sterker nog, waarschijnlijk kosten de maatregelen een veelvoud van wat ‘lean and mean’ heeft opgeleverd. Directe kosten zoals alle maatregelen om de economie nu te stutten maar ook indirecte kosten zoals krimp van de economie en verloren levensjaren of levensgeluk.

Volgens Sloot gaat het echter om iets anders. Het gaat om geld voor de ‘rijken en machtigen’ in het algemeen en dit geval in het bijzonder om de financiële belangen van de farmaceutische industrie. Zo ongeveer de meest winstgevende, legale industrietak in de wereld. Die winstgevendheid is niets nieuws en dat daar iets aan moet veranderen ook niet. Daar schreef ik al eerder over, meest recent nog aan het begin van de coronaperiode. Sloot leidt dit af uit de massale inzet van alle landen op een ‘vaccin’ en het buiten beeld raken van mogelijk andere oplossingen. Maar ook uit het gegeven dat Feike Sijbesma de crisisinkoper was terwijl zijn broer directeur is bij een grote farmaceut.

Deze constatering wordt vervolgens onderbouwd met allerlei reeds lang bekende gegevens en gedachten. Gegevens als het ontbreken van kennis van zaken over in dit geval het medische in de politiek en bij de ministeries, aldus een van de door Sloot geïnterviewden. Het ontbreekt aan voldoende kennis om tegenspel te bieden. En daar konden ze wel eens een punt hebben. Kennis van zaken wordt schromelijk ondergewaardeerd in de ambtenarij. Kennis werd en wordt de afgelopen jaren ‘uitbesteed’ aan de markt en kennisinstituten worden in toenemende mate gepolitiseerd. Neem de casus rond het Wetenschappelijk Onderzoeks en Documentatiecentrum die Nieuwsuur blootlegde.

Gegevens zoals het feit dat geld het enige is waarvoor de zwaartekracht niet geldt, zoals ik in Resetknop schreef. Of met andere woorden, zonder tegenmaatregelen zorgt het kapitalisme ervoor dat de rijken steeds rijker en schaarser worden en de armen steeds armer en talrijker. Niets nieuws, het was dezelfde Karl Marx die de samenleving wilde veranderen, die deze wetmatigheid in 1867 voor het eerst aantoonde in zijn boek Het Kapitaal. Voor degenen die het liever van een nog levend iemand horen, lees Thomas Piketty’s boek Kapitaal in de Eenentwintigste Eeuw en als je ook alvast wat oplossingsrichtingen wil, dan is zijn Kapitaal en Ideologie aan te bevelen. Of een gegeven dat wij ‘de bevolking’ alles moeten betalen. Een waarheid als een koe, er is immers niemand anders dan de mens om zaken te betalen, dieren kennen geen geld. Wij mensen betalen alles en dat doe we of als consument waarbij de producent al zijn kosten inclusief alle belastingen die hij moet betalen en een winstopslag verwerkt in de prijs van het product of als belastingbetaler. Andere smaken zijn er niet. Wel zijn er manieren om die kosten eerlijker over de mensen te verdelen. Eerlijker zodat de stevigste schouders werkelijk de zwaarste lasten dragen.

Ook klopt het dat de grootste bedrijven machtiger zijn dan regeringen van landen. Dat er sprake is van een Globalisation Paradox zoals Dani Rodrik het noemt in zijn gelijknamige boek, is evident maar daarmee nog niet algeheel bekend. Die macht zorgt ervoor dat landen tegen elkaar worden uitgespeeld. Dit is te verhelpen door als landen samen te werken. Alleen is samenwerken tussen landen tegenwoordig aardig besmet en erg lastig. Als iedereen zijn eigen land ‘first’ zet, dan wordt het niets. En mogelijk moeten we zelfs af van ons huidige geldsysteem en naar iets nieuws, zoals een van de geïnterviewden het omschreef. Een systeem waarin geld van middel het doel is geworden. Het was een middel om de waarde van iets te berekenen en vooral om ruilen te vergemakkelijken. Het lijkt nu het doel van alle activiteiten. Dit systeem werd, willen de makers ons duidelijk maken, zo’n driehonderd jaar geleden opgezet door de vorsten en machtigen van een land om hun onderdanen ‘uit te kleden.

Ik moet zeggen COVID-19. The System zit knap in elkaar. Op een rustige wijze wordt Sloots zoektocht gereconstrueerd. Aan het woord komen mensen die goed analyseren waar de schoen op bepaalde punten wringt. Toch is er iets dat mijn haren doet rijzen bij het bekijken van de film. Dat zijn niet de bovengenoemde constateringen en gedachten. Dat is het beeld dat eruit naar voren komt. Een beeld waarbij er ergens iemand aan de knoppen zit te draaien om zoveel mogelijk geld uit de zakken van de ‘gewone mens’ te kloppen. Die ‘iemand’ heeft hierbij zo ongeveer alle politici en bestuurders van de wereld als een marionet aan de touwtjes zodat die zijn wil uitvoeren. Wie het is wordt niet duidelijk, die persoon laat zich niet zien, net zoals God niet te zien was. Een soort nieuwe God of een nieuw complot want was en is God niet ook gewoon een complot? Een nieuwe God waarvan Sloot het werk bloot legt door de wereld als een hedendaagse filosoof te interpreteren. Van Godcomplot naar een Complot God.

Maar net zoals het oude Godcomplot, een ‘imaginair construct’ is, is ook die nieuwe complot God een imaginair construct. Een imaginair construct in de vorm van een manier van denken over de samenleving die begin jaren vijftig van de vorige eeuw ontstond en die met Reagan en Thatcher dominant werd. Een manier van denken waarmee we onszelf langzaam hebben geïndoctrineerd. Net zoals we onszelf vroeger hebben geïndoctrineerd met de rol van God in de wereld. Een manier van denken die gedrag met zich meebrengt dat tot gevolg heeft dat iedereen voor zijn eigen belang gaat rennen. Alleen blijkt in de praktijk dat gedachte ‘eigen belang’ maar voor een kleine groep ook het werkelijke eigen belang te zijn. En als die kleine groep goed nadenkt, dan is dat eigen belang eigenlijk ook niet in hun eigen belang. Wat voorbeelden om dit uit te leggen. Het gros van de mensen in de VS die tegen Obamacare waren en zijn, waren en zijn juist de mensen die er het meeste profijt bij hebben. En voor Nederland: het gros van de mensen heeft belang bij het verhogen van het toptarief van de belastingen, toch stemmen ze op partijen die dat tarief liefst nog willen verlagen. En zelfs voor degenen in het hoogste tarief is het handhaven en verhogen van dat tarief eigenlijk belangrijker dan het verlagen ervan. Dit omdat het verhogen de kans op sociale rust en een prettige samenleving vergroot. In tijden van onrust lopen de rijken en machtigen immers kans hun rijkdom, macht en zelfs hun hoofd te verliezen.

Dit denken heeft een sterk utopisch karakter maar weet dat verdacht goed te verhullen door gebruik van termen als ‘zakelijk’, ‘normaal’, ‘gewoon’ en ‘realistisch’. Gevolg van dergelijk taalgebruik is dat iemand die het anders ziet, al snel als irreëel en abnormaal wordt gezien. In zijn boek De Utopie van de Vrije Markt gaat Hans Achterhuis op zoek naar dit utopisch kapitalisme dat ook wel bekend staat als het neoliberalisme. Het neoliberalisme stelt het eigenbelang van het individu centraal. Dat is het uitgangspunt van haar denken. Het gaat ervanuit dat dit eigenbelang het beste bereikt wordt op een volledig vrije markt. Neoliberalen definiëren vrijheid vooral economisch. De vrije markt vormt voor hen een voorwaarde voor individuele vrijheid. Door het vreedzame karakter van de vrije markt leidt het op wereldschaal, denken de neoliberalen, tot een wereld zonder conflicten. Dat is de bril waarmee de neoliberalen naar de wereld kijken.

Velen, Sloot lijkt daar een voorbeeld van, zijn zich er niet eens bewust van dat ze met deze neoliberale bril kijken. Dit omdat deze ideologie op een sluipende wijze bij ons binnengekomen is en, zoals gezegd, gebruik maakt van verhullend taalgebruik. In de beginperiode (jaren ‘80 van de vorige eeuw) was het een reactie op te starre maatschappelijke verhoudingen waarin het individu van ondergeschikt belang was. Deze positieve invloed op de maatschappelijke verhoudingen en de aandacht voor het individu kende ook een economische component: het individu als consument. Het vallen van de Berlijnse muur en daarmee het wegvallen van het communisme als “reëel” alternatief voor het kapitalisme, zorgde voor een flinke storm in de neoliberale rug. Vanaf het midden van de jaren ’90 is dit echter doorgeslagen maar waren de gevolgen hiervan nog niet direct zichtbaar. Na de crisis van 2008 mogen de gevolgen voor iedereen duidelijk zijn maar dat wil niet zeggen dat de oorzaken worden herkend. In plaats van te veel neoliberale marktwerking zijn er nog steeds grote groepen die menen dat de crisis juist een gevolg is van te weinig markt en teveel overheid. Het zicht van deze groepen wordt nog steeds belemmerd door de ideologische neoliberale bril.

Achterhuis geeft een sprekend voorbeeld van dat velen niet beseffen dat ze een neoliberale bril dragen als hij een discussie in De Volkskrant beschrijft tussen twee vooraanstaande liberalen. Een discussie naar aanleiding van het opzeggen van het lidmaatschap van de VVD door de Groningse filosoof en historicus Ankersmit. Ankersmit besloot hiertoe omdat de VVD met haar neoliberale politiek de klassieke liberale waarden zou verkwanselen. Daarop reageerde voormalig VVD-leider Bolkestein dat hij geen verschil zag tussen het klassieke liberalisme en het neoliberalisme. Waarop Ankersmit repliceerde dat het klassieke liberalisme een scherp onderscheid maakte tussen publiek en privaat, tussen staat en markt en dat het neoliberalisme alleen maar private belangen ziet. Het liberalisme ziet, volgens Ankersmit, de staat als de uitdrukking van de politieke wil en combineert het economische met politieke vrijheid. Ankersmit ziet dat het neoliberalisme het geloof aanhangt van de intrinsieke harmonie van alle (private) eigenbelangen op de vrije markt.

Bolkestein is niet de enige. Zijn navolger als leider van de VVD en huidige premier Rutte. Hij noemde in zijn H.J. Schoo lezing een visie een olifant die het zicht op de werkelijkheid belemmert. Hij verwart daarmee zijn neoliberale bril met de werkelijkheid. Een ander treffend voorbeeld van niet zien dat een vrije markt niet bestaat en dus het geloof in wat Achterhuis een utopie noemt, leverde de auteur Arnon Grunberg in een van zijn Voetnoten in De Volkskrant. Hij nam het op voor de taxidienst UberPop. Grunberg gaf aan dat hij vaak en graag gebruik maakt van deze dienst. Hij noemde de strijd tegen deze dienst een strijd tegen economische innovatie. Grunberg schreef hierbij het volgende: “Het geloof dat de zwakkeren erop vooruitgaan als de overheid de markt komt verstoren, is een goed voorbeeld van magisch denken.”

Het is dit denken dat het handelen van de hedendaagse mensheid bepaalt. Het is dit denken dat de farmaceuten winstgedreven maakt. Het is dit denken dat aan de basis ligt van ‘lean and mean’, het is dit denken dat de oorzaak is van de ‘braindrain’ bij de overheid. Die was immers een sta-in-de-weg of om wijlen president Reagan te citeren: “government is not the solution to our problem, government is the problem.” Waarna het werk van ambtenaren al snel als karikatuur werd weergegeven en de overheid werd afgebroken waardoor nu de benodigde kennis ontbreekt. Het is dit denken dat ervoor zorgde dat de belastingtarieven fors daalden. Zo daalde in de Verenigde Staten het toptarief voor de inkomstenbelasting van meer dan 90% naar de huidige 40,8% en in Nederland van 72% naar nog geen 50%. Het is dit denken dat grote bedrijven de mogelijkheid gaf om geen belastingen te betalen. Het is dit denken dat in Nederland al sinds het aantreden van het eerste kabinet Lubbers in 1982 dominant is. Het is dit denken dat toenmalig PvdA-leider Kok deed besluiten de ‘ideologische veren’ af te schudden waarbij hij en zijn partij zich niet realiseerden dat ze zichzelf een mooi setje neoliberale veren aanmaten.

“Filosofen hebben altijd geprobeerd de wereld te interpreteren, het wordt de hoogste tijd dat ze nu eens de wereld gaan veranderen,” zo schreef Marx en hij heeft ook nu gelijk. Het wordt hoog tijd dat we de wereld gaan veranderen. Daarbij helpt het niet om een nieuwe ‘complot God’ in het leven te roepen en de strijd aan te gaan met die God of in andere woorden ‘de elite’. Dat is als een Don Quichot strijden tegen windmolens, tegen een imaginair construct. Die verandering begint ermee dat we ons realiseren dat het dominante denken ideologisch getint is. Net zoals al het denken een zweem van ideologie heeft en dat hoeft geen probleem te zijn als maar geen van de denkrichtingen dominant is want dan gaat het fout. Dat laat het communistische experiment in de Sovjet Unie zien, dat laat het christelijke experiment zien dat uitdraaide op godsdienstoorlogen, dat laat het islamitisch experiment in het Midden-Oosten zien en dat laat ook het neoliberale experiment zien waarin wij ons sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben gestort.

Uitgelicht

Too far and not far enough

“It is going too far!” Die woorden sprak Gabriel Sterling in een toespraak. Sterling is een verkiezingsfunctionaris namens de Republikeinse partij in de Amerikaanse staat Georgia. Sterling sprak zich duidelijk geëmotioneerd uit over het bedreigen van functionarissen en hun familie die een rol spelen in het Amerikaanse verkiezingsproces. Trouwens niet alleen van functionarissen. Sterling maakt gewag van bedreigingen aan het adres van een medewerker van een leverancier van stemmachines. Hij spreekt hierbij vooral de top van de republikeinse partij en in het bijzonder president Trump aan omdat die zich niet expliciet uitspreken tegen de bedreigingen. In tegendeel, hun zwijgen en soms zelf openlijke minachting ziet Sterling als een aanmoediging of goedkeuring van dat gedrag.

Ei, Hamer, Bedreigen, Geweld, Angst, Intimideren, Hit
Bron: Pixabay

“Een systeem dat van normen en gebruiken aan elkaar hangt, is makkelijk te breken door mensen die zich sowieso nooit aan afspraken houden.” Die woorden uit een interview met de Russische Masha Gessen herhaalt Olaf Tempelman in een artikel in de Volkskrant met de kwetsbaarheid van de rechtsstaat als onderwerp. Een artikel waarin de ‘casus Verenigde Staten’ uitgebreid wordt beschreven en een enkele keer aangevuld met een Nederlands voorbeeld. Het artikel laat zien wat er gebeurt als het bijzondere normaal wordt gemaakt en het normale bijzonder. Want dat is wat er gebeurt als mensen die zich niet aan de afspraken houden door een democratisch systeem banjeren. Nee, die houden, zoals Trump, een toespraak van drie kwartier waarin ze een ‘grafiek’ tonen en beweren dat ‘alles normaal’ was in het eerste deel toen hij op winst stond en abnormaal in het tweede toen hij begon te verliezen. Alsof het omgekeerde niet ook kan of het meest waarschijnlijke, dat de hele lijn normaal is. Vijfenveertig minuten leugens en complottheorieën die kant nog wal raken. Adam Smith zou meteen van zijn geloof afvallen dat: “De meest notoire leugenaar (…)(tenminste) twintig keer de zuivere waarheid (spreekt) tegen de ene keer dat hij in alle ernst en opzettelijk liegt, en zoals bij de voorzichtigste mensen de neiging te geloven meestal de overhand heeft op twijfel en wantrouwen, zo zegeviert bij mensen die zich het minst aantrekken van de waarheid in de meeste gevallen de natuurlijke neiging om de waarheid te spreken over de neiging om anderen te bedriegen, of de waarheid in enig opzicht te veranderen of te verhullen.” Smith schreef dit in zijn standaardwerk over moraal De theorie over morele gevoelens. Hij zou, als hij nu leefde, niet alleen twijfelen aan deze passage maar aan het grootste deel van de gedachten die hij in het boek verwoordt.

Een democratische rechtsstaat is kwetsbaar voor mensen die het spel niet volgens de ‘normen en gebruiken’ spelen. Die vergeten dat in een democratische rechtsstaat de meerderheid besluit en daarbij rekening houdt met de wensen, gevoelens en standpunten van de minderheid. Dit omdat iedereen wel eens bij de minderheid hoort. Iets wat Sterling zich heel goed lijkt te realiseren. Hij behoort nu bij de minderheid en volgens de ‘normen en gebruiken’ van het spel behoor je je verlies te erkennen, de winnaar te feliciteren en mee te werken aan een overdracht van de macht aan de winnaar. Helaas lijkt hij bij de minderheid van de minderheid te behoren die er zo over denkt.

De verdediging van de ‘normen en gebruiken’ van onze democratische rechtsstaat gaat ons allemaal aan. De grootste vijand van dit, om het zo te noemen ‘porselein’ in onze ‘democratisch rechtsstatelijke kast’ is niet de ‘banjerende olifant’. Die ‘olifant’ neemt slechts de ruimte in die hem wordt geboden. De ruimte die de ‘olifant’ krijgt, bepalen wij. Die bepalen wij, de inwoners van dit land, door de lijnen die wij trekken in het verdedigen van onze ‘kast met porselein’. De belangrijkste lijn is hierin dat mensen niet tegen elkaar worden opgezet. Door mensen die, om een passage uit het artikel van Tempelman aan te halen: “tegenstanders en institutionele hindermachten (…) af (…) schilderen als vijanden van ‘het volk’, en zichzelf neer (..) zetten als de enige waarachtige behartigers van de belangen van ‘het volk,”  Een ‘vijand van het volk’ kun je immers anders behandelen. Die wordt zo ‘ontmenselijkt’.

In die ‘wij’ spelen de mensen die we als onze vertegenwoordigers hebben gekozen, een belangrijke rol. Zij moeten staan voor die ‘normen en gebruiken’ en een ieder die zich hier niet aan houdt, ook al zit die in de Kamer, buiten de orde plaatsen. Daarmee worden geen zaken gedaan, geen coalities en verbonden mee gesmeed. Naar hen wordt niet geluisterd ook al winnen ze bij een verkiezing twintig zetels. Bij dat beschermen spelen ook wij, de ‘gewone burgers’ een belangrijke rol. Een belangrijke door onszelf aan te spreken op ‘ondemocratisch denken en handelen’. Een belangrijke rol door de mensen die een belangrijke rol vervullen binnen die democratische rechtsstaat met hand en tand te verdedigen. Mensen zoals politieagenten, brandweerlieden, advocaten, ambulancemedewerkers, zorgpersoneel, journalisten en politici. Mensen die op de politici na, maar daar kom ik zo o­­p terug, om Sterling aan te halen, ‘took a job’. Onmisbare ‘jobs’ in onze huidige samenleving. Zij verdienen bescherming van ons allemaal. Mensen die fouten kunnen maken, immers waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt. Fouten die, indie­n nodig, volgens de regels van het spel moeten worden bestraft. Die fouten zijn echter geen reden om hen te bedreigen en lastig te vallen. Bedreigingen aan hun adres bedreigen onze democratische rechtsstaat. Daar moet iedereen die onze democratische rechtsstaat een warm hart toedraagt zich tegen verzetten en bij dat verzetten horen onze vertegenwoordigers in de frontlinie te staan.

Met dat uitvoeren van de besluiten, kom ik bij de politici. Zij namen geen ‘job’, maar accepteerden de verantwoordelijkheid die wij hen gaven Wij hebben hen gekozen om namens ons te besluiten. Bijvoorbeeld besluiten dat we in binnenruimten een mondkapje op moeten zetten al kun je twijfelen aan het nut. En over nut en noodzaak ervan mag het debat worden gevoerd, maar dan wel zonder onze vertegenwoordigers te bedreigen.

De verantwoordelijkheid die wij hen geven, vraagt echter ook om verantwoordelijk gedrag. Nu werd deze week bekend dat leden van het Outbreak Management Team worden bedreigd. Zij zijn de zoveelste in de rij die worden bedreigd omdat ze hun werk doen in onze democratische rechtsstaat. Hun taak is namelijk om onze bestuurders vanuit hun expertise te adviseren over hoe te handelen in de coronapandemie. Adviseren, niet besluiten. Besluiten dat doen de verantwoordelijke ministers en die worden daarbij gecontroleerd door de door ons gekozen Kamerleden. De manier waarop premier Rutte in de bres sprong voor de leden van dit team, laat zeer te wensen over. Ja, het is ‘onacceptabel’ en ook ‘verschrikkelijk’ zoals premier Rutte het noemde. En ja: “Deze mensen doen goed en belangrijk werk, en doen dat naar eer een geweten. Het kan dat mensen het oneens zijn met de adviezen, maar intimidatie en bedreigingen zullen we nooit accepteren.”  Geen woord verkeerd, maar toch onvoldoende. Want er werd iets niet gezegd en dat wat niet werd gezegd, is veel belangrijker dan dat wat wel werd gezegd. Wat er niet werd gezegd is een boodschap waaruit leiderschap en verantwoordelijkheid blijkt. Wat er niet werd gezegd is iets zoals: ‘Bedreigers, als jullie iemand de schuld willen geven en willen bedreigen, dan moeten jullie bij mij en mijn ministers zijn. Wij zijn het namelijk die besluiten welke maatregelen er worden genomen. Dat is ons verantwoordelijkheid, niet die van het OMT.’

Helaas zei onze premier dit niet en daarmee bevestigt hij hetgeen Kustaw Bessems in zijn column in de Volkskrant schrijft: “Rutte zorgt altijd dat er minstens één persoon zit tussen hemzelf en een probleem.De enige lijn in zijn handelen: zijn plaats veiligstellen in de politieke geschiedenis, waarmee hij is geobsedeerd.”  De bedreigers gaan, om Sterling aan te halen ‘too far’. Onze premier gaat helaas ‘not far enough’ en toont een schromelijk gebrek aan leiderschap.

Uitgelicht

‘Schokgolven van de actualiteit’

“Als het aan het kabinet ligt, kiezen we straks om de drie jaar de helft van de senatoren in de Eerste Kamer. De senaat is dan iedere zes jaar helemaal ververst en is zo beter bestand tegen de schokgolven van de politieke actualiteit,” zo is te lezen in het commentaar bij Trouw. Nieuwsgierig naar het probleem waarvoor dit een oplossing is, dook ik in de brief die het kabinet hierover naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Ik werd er niet vrolijk van.

Bijeenkomsten,_kernenergie,_energiebeleid,_Bestanddeelnr_932-5355.jpg (3633×2425)
De Brede maatschappelijke discussie kernenergie. Foto Nationaal Archief via WikimediaCommons

Het begon goed: “Het kabinet deelt de visie van de staatscommissie dat een waardevolle rol voor de senaat is weggelegd in met name het beschermen van de democratische rechtsstaat en de daaraan ten grondslag liggende waarden. De Eerste Kamer is kortom een institutie die past in het stelsel van checks and balances dat één van de fundamenten is van de Nederlandse staatsinrichting.”  Helaas komt, volgens het kabinet: “De potentiële meerwaarde van de Eerste Kamer voor het stelsel als geheel (…) onvoldoende uit de verf.” Om daar wat aan te doen meent het kabinet: “dat het in dit licht beter is om terug te keren naar het systeem van vóór 1983. De langere zittingsperiode van de Eerste Kamerleden, hun indirecte verkiezing en de vertraagde doorwerking van wijzigingen in de politieke krachtsverhoudingen in de Eerste Kamer passen beter bij de rol en positie van de Eerste Kamer als chambre de réflexion. Het kan dan ook niet meer voorkomen dat de Eerste Kamer (in zijn geheel) over een recenter politiek mandaat van de kiezer beschikt dan de Tweede Kamer.” Dus door eens per drie jaar de helft van de Eerste Kamer te kiezen, wordt de ‘reflectieve positie’ van de Eerste Kamer versterkt en is ze, om Trouw aan te halen, ‘beter bestand tegen de schokgolven van de politieke actualiteit’.

Het kabinet wijkt hier af van het advies van de ‘commissie Remkes’, Deze commissie had als opdracht: “de regering te adviseren over de toekomstbestendigheid van het parlementair stelsel.” In 2018 bracht zij haar advies uit met het rapport Lage drempels hoge dijken. Democratie en rechtsstaat in balans. De commissie erkent ook de reflectieve waarde van de Eerste Kamer. Die reflectie-functie is, zo schrijft de commissie, gebaat bij distantie: “ het (is) belangrijk dat ook de senatoren van coalitiepartijen niet gebonden zijn (of worden) aan het regeerakkoord. Ook zou het goed zijn als de Eerste Kamer zo veel mogelijk voorkomt dat zij al vooraf betrokken raakt bij wetgevingsprocessen. Dergelijke betrokkenheid vooraf bemoeilijkt een enigszins afstandelijke heroverweging van het uiteindelijke wetsvoorstel. Daarom moet de Eerste Kamer ook terughoudendheid betrachten met actuele beleidsdebatten met de regering.” Dit komt in gevaar als: “De politieke samenstelling van de Kamers verschilt,” want zo wordt het: “steeds moeilijker om regeringscoalities te vormen die een meerderheid hebben (en houden) in beide Kamers. De staatscommissie onderkent de problematische kanten van deze ontwikkeling.”  De commissie ziet hierin geen reden om de manier waarop de leden van de Eerste Kamer worden gekozen te veranderen. Wel adviseert zij om de Eerste Kamer het recht te geven wetsvoorstellen gewijzigd terug te zenden naar de Tweede Kamer. Nu kan de Eerste Kamer alleen instemmen of afwijzen. Een advies dat het kabinet in haar brief overneemt. Waarom word ik hier niet vrolijk van? Mijn ‘niet vrolijk zijn’ kent een inhoudelijke kant maar ook een procedurele.

Ik begin met de inhoudelijke kant, de positie van de Eerste Kamer in ons bestel. Als de reflectieve waarde van de Eerste Kamer zo belangrijk is. Als het van belang is dat de Eerste Kamer niet in de, zoals Trouw het noemt, de “schokgolven van de actualiteit’ wordt gezogen. Zou het recht om wetsvoorstellen gewijzigd terug te zenden dan daarbij helpen? Als er iets is dat de Eerste Kamer in die ‘schokgolven’ laat komen, dan is het wel dit voorstel. Want wordt de Eerste Kamer daarmee niet juist in ‘actuele beleidsdebatten’ met de regering gezogen? In ons bestel initieert de regering immers de overgrote meerderheid van alle voorstellen van wet. Ja, het is de Tweede Kamer die over die teruggezonden gewijzigde wet, moet stemmen. Alleen kan de Tweede Kamer het voorstel vervolgens ook weer wijzigen en zo ontstaat er een debat tussen de kamers. Worden die ‘schokgolven’ zo niet al snel een ‘orkaan van actualiteit’?

Kan het in twee keer door Provinciale Staten laten kiezen van de Kamer daarbij helpen? Eens in de drie jaar de helft kiezen, kan er nog steeds voor zorgen dat de politieke samenstelling van beide kamers verschilt. Ook voorkomt het niet dat er momenten zijn dat de volledige samenstelling van de Eerste Kamer wordt gekozen door leden van Provinciale Staten die zijn verkozen tijdens dezelfde verkiezingen. Toch grijpt het kabinet terug op de manier waarop we vóór 1983 de Eerste Kamer kozen omdat het dan: “niet meer (kan) voorkomen dat de Eerste Kamer (in zijn geheel) over een recenter politiek mandaat van de kiezer beschikt dan de Tweede Kamer.”  Als reflectie het belangrijke kenmerk is, als het van belang is dat de leden van de Eerste Kamer niet gebonden zijn aan een regeerakkoord en als de Eerste Kamer ‘gedepolitiseerd’ moet worden, waarbij we politiek waarschijnlijk als partijpolitiek en dus smal moeten zien omdat in de basis alle menselijke activiteit politiek is, waarom dan niet gezocht naar een manier leden van die Kamer te vinden? Waarom de leden niet aanwijzen via loting?

De commissie Remkens rept daar kort over en serveert die mogelijkheid af: “In theorie kan via een loting een betere afspiegeling van de bevolking worden gerealiseerd dan via verkiezingen. Daar zou dan wel een veel grotere senaat voor nodig zijn. Bovendien is het de vraag hoe voorkomen moet worden dat via zelfselectie toch weer een niet-representatieve groep ontstaat. Sommige burgers staan nu eenmaal meer te popelen om Kamerlid te worden dan andere. Dit effect uitschakelen door alle ingelote burgers te dwingen lid te worden van het parlement is niet acceptabel omdat dit een onaanvaardbare inbreuk is op de vrijheid van burgers. Het is ook geen oplossing om te blijven loten tot er een representatieve groep is ontstaan, want dan zou van tevoren al bekend moeten zijn hoe een volledig representatieve groep eruit zou zien.”  Een analyse met een kern van waarheid. Zo’n analyse kun je echter ook ophangen met betrekking tot verkiezingen. Immers als er bij loting voor ‘echte representatie’ meer leden nodig zijn, dan kun de vraag stellen hoe afspiegelend of representatief 75 gekozen leden zijn. Daar gaat het mij nu even niet om. De vraag die de commissie niet stelt, is of het voor de reflectiefunctie nodig is dat de Eerste Kamer ‘representatief’ is. Daarvoor is het van belang om de reflectieve functie goed te definiëren. In mijn ogen richt die reflectie zich op drie aspecten. Als eerste op de doelmatigheid van een wetsvoorstel. Hierbij moet de vraag worden beantwoord of het wetsvoorstel in voldoende mate het doel dat ermee wordt beoogd, bereikt. Als tweede de rechtmatigheid. Hier moet de vraag worden beantwoord of de beperkingen die het wetsvoorstel oplegt, passen binnen het Nederlandse rechtsbestel. Hierbij moet, wat mij betreft, ook de nu ontbrekende toetsing aan de Grondwet worden meegenomen. Als laatste moet een wetsvoorstel worden getoetst op de uitvoerbaarheid ervan. Met andere woorden het toetsen van de kwaliteit van het wetsvoorstel en niet het nut of de noodzaak ervan. Dat is het domein van de Tweede Kamer.

Als de Eerste Kamer een dergelijke functie heeft, hoe noodzakelijk is dan de representativiteit ervan? Een dergelijke invulling wordt niet geraakt door de ‘schokgolven van de actualiteit’? Afkeuring van een wetsvoorstel zegt immers niets over de doelstelling noch over nut en noodzaak van het wetsvoorstel. Met een dergelijke functie zou de Eerste Kamer best geloot kunnen worden en uit niet meer dan de huidige vijfenzeventig leden kunnen bestaan. Zeker als zij bij haar werk kan rekenen op een gedegen ambtelijke ondersteuning en de plicht om ten minste bij drie verschillende onafhankelijke instanties advies op te vragen. Instanties zoals de Raad van Staten.  

Dan het procedurele deel van mijn ‘niet vrolijk’ zijn. Die spitst zich toe op twee zaken die in elkaars verlengde liggen. Dat begon al met het instellen van de ‘commissie Remkes’. De beide Kamers vroegen de minister-president een dergelijke commissie in te stellen via een brief aan de minister-president. Dat is gebeurd en de commissie leverde haar rapport op aan het kabinet, dat was immers de opdrachtgever. Het kabinet stuurde vervolgens het rapport met een brief met haar ideeën en voorstellen over de vormgeving van onze democratische vertegenwoordiging naar de Tweede Kamer. Zou het niet meer aan de Kamer zelf zijn om hierover na te denken? Had de Kamer dit niet zelf moeten onderzoeken? En dan kom ik bij het tweede procedurele punt. Zou de volksvertegenwoordiging hier niet zelf een soort brede maatschappelijke discussie over moeten voeren? Een brede discussie met het Nederlandse volk? Want is het uiteindelijk niet aan het volk om te bepalen hoe het zich wil laten vertegenwoordigen? Een brede maatschappelijke discussie die uiteindelijk zou kunnen leiden tot een grondwetgevende vergadering. Een vergadering met als doel en mandaat om onze Grondwet en de inrichting van ons vertegenwoordigende stelsel opnieuw vorm te geven op basis van de uitkomsten van die brede maatschappelijke discussie? Het resultaat van dit werk kan vervolgens weer per referendum aan het totale volk worden voorgelegd.

Uitgelicht

Homerun

In The loudest Voice de serie over het leven van Roger Ailes de oprichter van Fox News, sprak een van zijn medewerkers over een homerun. De rol van Ailes wordt gespeeld door ‘gladiator’ Russell Crowe. Al zul je qua fysiek weinig gelijkenis zien tussen Crowe als generaal Maximus Decimus Meridius en Crowe als Ailes. Een homerun, de sensatie voor iedere slagman of -vrouw in het honk- en softbal.

Honkbal, Derde Honk, Spelen Op Derde, Duiken In Derde
Bron: pixabay

Uw ballonnendoorprikker wacht als softbalrecreant bij de Venlose Mustangs nog altijd op die sensatie. In mijn geval betekent dat ‘wachten tot ik een ons weeg’, zoals mijn moeder het zou zeggen. Ondanks alle pogingen van mijn teamgenoot Eric om mijn slagtechniek te verbeteren, zal dat er niet inzitten. Als ik de bal goed raak dan gaat hij best ver, maar nooit zo ver dat ik hem over ‘de hekken’ sla. En omdat mijn verre ballen meestal een flinke boog kennen, zijn ze in het buitenveld makkelijk te vangen. Dat weet ik dan weer vanuit mijn ervaring in het buitenveld. In tegenstelling tot sommige anderen, probeer ik het dan ook maar niet meer en probeer ik de bal strak te slaan in een gat tussen het binnen- en het buitenveld. Dat is meestal voldoende om het eerste honk te halen en dat is het begin tot een punt. De medewerker van Ailes had het echter niet over een homerun bij het honkbal. Hij gebruikte homerun als metafoor.

Voordat ik begin aan die andere homerun eerst even iets over Ailes. Ailes richtte midden jaren negentig met steun van de Australische mediatycoon Rupert Murdoch, Fox News op. Nu doet het woord News vermoeden dat het om een nieuwszender gaat, maar dat is niet wat Ailes voorstond. Ailes richtte een propagandakanaal op voor een rechts conservatieve boodschap. De serie laat zien dat hierbij de journalistiek en de feiten hooguit bijzaak zijn. Hooguit want vaak waren ze zelfs volledig afwezig. En in zo’n laatste geval komt de metafoor homerun ter sprake.

Ailes zag Obama als een ramp voor de Verenigde Staten en begon een oorlog tegen Obama en zijn regering. In die strijd richtte Ailes zijn aandacht op een door de regering gesubsidieerde instelling die voor hem een doorn in het oog was. Hoe verwijder je die ‘doorn’? Dan start je een lobby en probeer je de regering er met argumenten van te overtuigen dat de wereld erbij gebaat zou zijn als die ‘doorn’ wordt verwijderd. In dit geval dat de regering de subsidie stopzet.

Ailes deed het op een andere manier. Hij verklaarde de oorlog aan Obama en startte de strijd met het verspreiden van lasterlijke bericht over de organisatie die kant nog wal raakten. Geheel naar de uitspraak van de oud Griekse schrijver Aischylos: “In een oorlog sneuvelt de waarheid als eerste.” Die berichten werden opgepikt door conservatieve activisten op het internet. Die zorgden voor zoveel beroering en aandacht, dat serieuze media er aandacht aan gingen besteden. Dit leidde er vervolgens toe dat de regering onder druk van al die media de subsidie aan de organisatie stopte. Een ‘homerun’ volgens de medewerker. Door de inspanningen van Ailes en de zijnen werd het eerste honk bereikt. De internetactivisten zorgden ervoor dat het tweede honk werd bereikt waarna de serieuze media ervoor zorgden dat het derde honk werd bereikt. Toen de regering de subsidie stopte werd de thuisplaat bereikt: de ‘doorn in het oog’ was verwijderd.

Nu is Ailes niet de eerste die de kracht van de leugen gebruikte. De communicator van het ‘Dritte Reich’, Joseph Goebbels wist op dit gebied ook van wanten en ging nog een stapje verder dan Aischylos: ‘Wanneer je een grote leugen vertelt en deze vaak genoeg herhaalt, dan zullen de mensen hem uiteindelijk geloven.’ Ailes blijkt een goed leerling. Een leerling die middelen zoals de ‘online fabeltjesfuik’ zoals, Arjen Lubach het noem, ter beschikking heeft waar Goebbels alleen maar van kon dromen. 

De manier waarop Ailes opereert lijkt verdacht veel op de manier waarop de president Trump het Amerikaanse verkiezingsproces verdacht probeert te maken. Hij staat ‘aan slag’ en slaat een leugen ‘fraude met poststemmen’ het veld in. De leugen wordt opgepikt door zijn volgers op internet en door het Fox News van de inmiddels overleden Ailes. Vervolgens wordt de verdachtmaking voorgezet middels allerlei rechtszaken waarmee het ‘derde honk’ wordt bereikt waarna, zo was en is zijn bedoeling, zijn republikeinse vrienden in cruciale staten de verkiezingen ‘ongeldig’ verklaren en zelf de kiesmannen aanwijzen. Nu is dit niet vreemd omdat, als we de serie mogen geloven, Ailes achter Trumps kandidatuur voor het presidentschap en de slogan Make America Great Again zit.

Een bijzondere metafoor waaraan ik moest denken bij het lezen van een artikel in de Volkskrant met als titel Hoe de aandacht voor kindermisbruik verknoopt raakte met complottheorieën. Een artikel waarin enkele ‘influencers’ aan het woord komen: “Er is iets gaande. Ik denk niet dat het gaat om vrijheid of gezondheid. Het gaat om controle.” Woorden die wijzen op een ‘complot’ van de ‘elite’ die ‘het gewone volk’ eronder wil houden. Het wordt nog erger, want ze hebben ‘ontdekt’ dat er ook nog iets is met kindermisbruik waarbij de ‘politieke elite kinderen seksueel zou misbruiken in satanische rituelen’. Je zou denken dat vier jaar nadat er een Amerikaan met een wapen in de hand een pizzarestaurant in Washington DC kinderen uit de kelders wilden bevrijden terwijl het pand geen kelder had, deze hoax verleden tijd zou zijn. Niets is echter minder waar. De hoax verspreidt zich via het internet over de wereld. En nu besteedt een serieuze krant als de Volkskrant ook nog bijna een complete pagina aan mensen die in dergelijke complotten geloven. Complotten die het wantrouwen in de overheid aantasten. De serieuze media besteden aandacht aan de ‘leugenloper’. En de homerun ligt binnen handbereik omdat, zo is in het artikel te lezen: “half oktober een motie van de SP, GroenLinks en PvdA om onderzoek te doen naar ‘de aard en omvang van georganiseerd sadistisch misbruik van kinderen’, door de gehele Tweede Kamer aangenomen.” De weg naar de thuisplaat is ingezet en alleen de catcher kan een homerun voorkomen. En iedere honk- en softballer weet dat de catcher de laatste verdediger is. Wordt de bal gemist, valt de bal, wordt de loper te laat getikt of komt de bal te laat, dan is het punt binnen.

Dat de Kamer een motie met die strekking aanneemt, is te begrijpen. Immers als je tegenstemt laad je de verdenking op je dat het ‘sadistisch misbruik van kinderen’ je niet aan het hart gaat of zelfs erger. Het probleem ligt ervoor, de motie had nooit ingediend moeten worden. Dat wil niet zeggen dat politie en justitie geen onderzoek moeten doen naar kindermisbruik. In tegendeel, daarvoor zijn zij mede op aarde. Maar daar moeten we het ook bij laten. Dergelijke moties bevestigen de wanen van mensen. De Kamer, tenminste het gros van haar leden, zal deze motie steunen in de verwachting dat het onderzoek het verhaal van ‘politieke satanisch kindermisbruikende elite’ zal ontkrachten. Alleen is de schade al aangericht. De motie bevestigt de ‘complotdenkers’ in hun denken en de uitkomst van het onderzoek zal dat ook doen. Het onderzoek zal niets opleveren maar, zo zullen de complotdenkers redeneren, wat wil je, als ‘de slager zijn eigen vlees keurt’? Immers, aldus de wijsheid van Goebbels, als de leugen maar genoeg wordt herhaald, dan wordt ze vanzelf waar.

Nu zijn journalisten sinds Pim Fortuyn bang dat ze iets missen wat leeft onder het volk en komt ‘het gewone volk’ geregeld aan het woord in kranten en tv-programma’s. ‘Wanen en complotten’ onder ‘het volk’ kunnen we echter missen als kiespijn. Het verschil tussen een prettige open samenleving en barbarij is dat in de eerste, waarheden zijn gebaseerd op feiten. In de tweede, doen feiten er niet toe en is waarheid relatief. Journalisten vervullen een belangrijke rol in de ‘bewaking’ van die prettige open samenleving. Om in honkbal termen te spreken, ze vervullen de cruciale positie van korte stop. Een alerte speler met als belangrijke taak om de bal snel te verwerken, naar de juiste plek te werpen en indien nodig het tweede of derde honk over te nemen om de loper uit te maken. Zouden journalisten zoals Emma Curvers en Hessel van Piekartz niet beter na moeten denken en tot tien moeten tellen alvorens aandacht te besteden aan de wanen van deze ‘influencers’?

Zouden ze niet beter de werkelijke problemen waarmee ‘het volk’ worstelt onder de aandacht kunnen brengen en die met mogelijke oplossingen van het tweede naar het derde honk begeleiden? Problemen zoals betaalbare huisvesting door een pleidooi te houden voor het ‘nationaliseren van woningcorporaties’ en vervolgens flink te investeren in betaalbare huurwoningen. Problemen zoals de inkomensonzekerheid door bijvoorbeeld het idee van een basisinkomen of liever nog een basisgift te onderzoeken op voor- en nadelen. Met andere woorden in plaats van in de waan van de dag mee te gaan in de wanen van een klein deel van het volk, aandacht besteden aan de werkelijke noden van ‘het volk’? Of om in honkbaltermen af te sluiten: door zelf een (positieve) homerun te slaan in plaats van mee te gaan in een negatieve van mensen als Ailes?

Uitgelicht

‘De bedoeling van het kapitalisme’

Volgend jaar in maart zijn er weer verkiezingen voor de Tweede Kamer. Alle partijen bereiden zich hierop voor. Bij die voorbereidingen hoort ook het schrijven van een verkiezingsprogramma. De ene partij , zoals de PVV van Wilders in 2017, doet dat met een A-viertje met wat losse kreten, de andere stelt een boekwerk samen. De VVD behoort tot de laatste groep. Het nieuwe verkiezingsprogramma is net geen honderd pagina’s dik. Voor een Ballonnendoorprikker zijn die programma’s een feest. Een feest omdat ze aanknopingspunten bieden om wat spelden in een ballon te prikken.

Bron: WikimediaCommons

Ik hoefde niet veel te lezen om een aanleiding te vinden. Sterker nog, de eerste zin vraagt al om wat spelden. “Het ging weer goed met Nederland.” Met die woorden begint het boekwerk om te vervolgen met: “Na een zware financiële crisis vonden steeds meer mensen een baan, stegen de lonen en daalden de belastingen. Op allerlei internationale lijstjes van waar mensen het meest welvarend, gelukkig, gezond en vrij waren stond Nederland in de top.” Nu meen ik me toch te herinneren dat er in geen tijden meer zoveel is geprotesteerd en gedemonstreerd als in 2019. Het klimaat baarde zorgen en leidde tot protesten om maatregelen te nemen. De voorgestelde maatregelen leidden weer tot protesten en boosheid bij boeren en bouwers. De leraren, de verpleegkundigen en de politieagenten klaagden over de vervallen staat van de publieke zaak. De affaire rond de kinderopvangtoeslag werd in volle omvang duidelijk en leidde tot een onderzoek naar alle uitvoerende diensten. Omdat er ook ‘affaires’ waren bij de Sociale Verzekeringsbank en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Je zou zomaar kunnen beweren dat het juist niet goed ging. Maar deze laat ik voor nu even passeren.

Ik wil het nu hebben over een zin bovenaan op de zevende pagina onder het kopje Hoe blijven we rechtvaardig? Daar is het volgende te lezen: “De overheid zal de rafelranden van het kapitalisme actief bij moeten schaven om ervoor te zorgen dat onze liberale markteconomie werkt zoals het kapitalisme bedoeld is.” Nu zul je je afvragen wat er zo bijzonder is aan deze zin. Wellicht ben je zelfs blij dat de VVD eindelijk erkent dat er geschaafd moet worden aan de, zoals de partij het noemt, ‘rafelranden van het kapitalisme.’ En ja, het doet ook mij deugd dat de VVD dat erkent. Toch is er iets met die zin. De reden waarom er, volgens de VVD geschaafd moet worden is, dat ‘onze liberale markteconomie’ moet werken ‘zoals het kapitalisme bedoeld is’.

Een bijzonder woord, de bedoeling. Theo Maassen besteedt er een paar minuten aan in zijn voorstelling Functioneel naakt. Wat is de bedoeling van iets? Meestal bepaalt degene die iets uitvind de bedoeling ervan. Zo beoogt de Ballonnendoorprikker, en beogen is een ander woord voor bedoelen: “kromme redeneringen en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak te stellen, door te prikken en de lezer aan het denken te zetten.”  Dat een uitvinder een bedoeling heeft met iets, is echter geen garantie dat de uitvinding ook ‘als bedoeld’ wordt gebruikt. Neem John Smith Pemberton. Wie? Zul je zeggen. Zelfs als deze naam je niets zegt, dan nog ken je zijn uitvinding. Pemberton is namelijk de geestelijk vader van coca cola de meest bekende frisdrank van de wereld. Hij vond het drankje echter niet uit als frisdrank. Pemberton was op zoek naar een pijnstiller, een geneesmiddel. Hij was gewond geraakt in de Amerikaanse burgeroorlog en door die wond verslaafd aan morfine. Hij zocht naar een ander middel dan het verslavende morfine en dat werd coca cola. Coca cola is niet het enige product dat anders wordt gebruikt dan de uitvinder het bedoelde. De uitvinders van viagra waren op zoek naar een middel tegen angina pectoris ook wel hartkrampen genoemd.

Terug naar het kapitalisme en de vermeende bedoeling ervan. De uitspraak in het VVD verkiezingsprogramma is bijzonder. Bijzonder omdat het kapitalisme kennelijk een bedoeling heeft. Dat er ooit iemand is geweest die het ‘kapitalisme’ uitvond en erbij zei: ‘en dit is de bedoeling ervan’. Nu kun je zoeken tot je een ons weegt, een ‘uitvinder’ van het kapitalisme zul je niet vinden. Wat je wel vindt, zijn mensen die over kapitalisme schreven. Mensen die de situatie in hun tijd beschreven en die dat wat ze zagen de naam ‘kapitalisme’ gaven. Die mensen schreven over wat wij nu ‘economie’ noemen en wat de Van Dale omschrijft als: “het geheel van de financiële voorzieningen, de handel en industrie van een land.” Ze schreven over iets wat ze zagen, gaven het een naam en kenden er een ‘bedoeling’ aan toe. En nog steeds zijn er mensen die dit doen. Alleen komen de ‘bedoelingen’ die ze eraan geven niet altijd overeen.  Zo ziet de ‘vader van de economie’ Adam Smith, een heel andere bedoeling dan Karl Marx. Hun ‘bedoeling’ is afhankelijk van hun kijk op de samenleving. Of om het anders te zeggen: de bedoeling die zij het kapitalisme geven, is afhankelijk van de bedoeling die zij met hun werk hebben.

Bedoelingen met iets heb je voordat je aan iets begint. Waarschijnlijk bedoelt de VVD dat de ‘liberale markt economie’ moet werken zoals zij vinden dat het ‘kapitalisme het bedoeld heeft’? Bijzonder is dan wel dat de VVD sinds 1977 bijna onafgebroken heeft gewerkt aan ‘kapitalisme zoals het niet was bedoeld’. Sinds dat jaar heeft de VVD, afgezien van een korte periode 1981-1982 en een iets langere periode tussen 2007 en 2010, permanent geregeerd. Trouwens vanaf 1945 tot 1977 zat de VVD meer dan de helft van de tijd in de regering. Heeft de partij al die tijd gewerkt aan iets wat niet de bedoeling was?

Uitgelicht

Goden, profeten, heiligen en mensen

Het zal jullie niet ontgaan zijn dat er een petitie is gehouden om het beledigen van profeten strafbaar te stellen. Die petitie is meer dan 120.000 keer ondertekend en speelde een belangrijke rol in een volledig ontspoort Kamerdebat over de vrijheid van meningsuiting. Dat Kamerdebat ging over van alles, behalve over de inhoud van de petitie. Over de commotie wil ik het niet hebben. Ook niet over het grondwettelijke: “recht verzoekschriften bij het bevoegd gezag in te dienen,” zoals artikel 5 van de Grondwet het omschrijft. Ik wil het over de inhoud hebben.

Psychics, Crystal Ball, Waarzegster, New Age, Rondje
Bron: Pixabay

Het recht om een verzoek in te dienen heeft iedereen, dus ook een oproep aan de overheid om: “het beledigen van de profeet (zelfs alle profeten) strafbaar te stellen.” Dit omdat het, volgens de opstellers en ondertekenaars van de petitie: “een tekort aan fatsoen (is) en leidt ook nog eens tot maatschappelijke spanningen alsook het structureel beledigen van moslims.” Het fatsoen en het beledigen van mensen in het algemeen, laat ik passeren. Het gaat mij puur om het verzoek om het: “beledigen van de profeet (zelfs alle profeten) strafbaar te stellen.”

Een discussie over het strafbaar stellen van beledigen van de profeet moet gaan over de vraag wat we strafbaar stellen als de petitie in een wet wordt vertaald. Wat mag dan niet meer? In dit geval dus het beledigen van ‘de profeet (zelfs alle profeten). Voordat we een antwoord geven op die vraag, moet eerst duidelijk zijn wie of wat een profeet is. Aangezien we in Nederland wonen en leven, is het eerste boek dat we hiervoor moeten raadplegen, het woordenboek. De Van Dale geeft twee betekenissen. Als eerste: “een door God geïnspireerd heilig man.” Nu lopen er veel door welke god dan ook geïnspireerde mensen rond. Het lijkt mij niet dat we alle aanbidders van welke god dan ook niet meer mogen beledigen.

Het kernwoord in deze betekenis is ‘heilig’. Daarom maar weer de Van Dale geraadpleegd. Vier betekenissen. Het wordt er daarmee niet makkelijker op. Dat is niet erg want als de geschiedenis ons iets leert dan is het dat we mensen met ‘simpele oplossingen’ moeten wantrouwen. De eerste betekenis van heilig is: “zonder zonde; rein, volmaakt.” Wie is er zonder zonde? Niemand als ik de twee gereformeerde docenten mag geloven waarover ik in mijn vorige Prikker schreef want iedereen is: “op de één of andere manier van Gods doel afgeweken.” Immers wat gods doel is, wordt door de aanhangers ervan zelden tot nooit eenduidig uitgelegd. Daarom kennen de grote godsdiensten ook zoveel verschillende stromingen.

Wellicht biedt de tweede betekenis van heilig aanknopingspunten: “eerbiedwaardig, verheven.” Nu zijn er zeer veel mensen die op een of andere manier boven anderen uitsteken. Zo steekt Usain Bolt boven iedereen uit omdat hij de snelste mens over honderd meter is. Alleen weten we dat niet zeker, want vroegere hardlopers, liepen niet onder dezelfde omstandigheden en met dezelfde materialen als Bolt. Bovendien konden we het gros van het menselijk bestaan op aarde de tijd niet meten en zeker niet zo nauwkeurig als tegenwoordig. Dus we weten niet zeker dat er niet ergens iemand heeft geleefd die sneller was dan Bolt. Napoleon stak boven alle andere veldheren uit. Tenminste in zijn tijd. Hoe hij het zou hebben gedaan tegen Dzjengis Khan, Caesar of Alexander de Grote zullen we nooit weten. Verheven zijn is daarmee arbitrair. Net zoals trouwens ‘eerbiedwaardig’. Want over wie eerbied waard is, kunnen we enorm van mening verschillen.

De derde betekenis van heilig is “heilig verklaard”.  Met daarbij “rooms-katholiek” en als toelichting: “als paus een uitspraak doen waardoor iemand in het vervolg als heilig wordt vereerd.” Als we deze verklaring volgen dan bepaalt de paus in Rome wie er heilig is en dus wie we niet mogen beledigen. Nu heeft de katholieke kerk een verleden waarin mensen die in iets anders geloofden, werden vervolgd en gedood. Daarmee zou ik het laten bepalen wie mag worden beledigd niet graag bij de paus laten.

Als laatste geeft de Van Dale: “onkreukbaar, onverbreekbaar,” als betekenis van heilig. Onze wereld kent veel rechtschapen en integere mensen, want dat is wat onkreukbaar betekent. Al zullen ook die allemaal wel eens een moment van zwakte hebben en, zoals de beide gereformeerde docenten uit mijn vorige Prikker het schreven, ‘van gods doel afwijken.’

Daarmee zijn de betekenissen van ‘heilig’ uitgeput en zijn we nog geen stap dichter bij het bepalen van wie een profeet is. Niet dichterbij omdat iedereen en niemand profeet kan zijn. Wellicht biedt de tweede betekenis van profeet betere aanknopingspunten: “iemand die de toekomst voorspeld.” Ah, Nostradamus en Karl Marx zijn profeten. De een voorspelt met zijn kwatrijnen, als je zijn aanhangers moet geloven, de toekomst. De andere ‘ontdekte’ de wetmatigheid in de geschiedenis die ons zal leiden naar een paradijs op aarde. Maar hoe zit het dan met economen en andere sociale wetenschappers die met hun modellen de toekomst voorspellen? En nog een stapje verder: de ‘glazenbollen voorspellers’ op kermissen en in de nachtelijke tv-uren?

Ook met de tweede betekenis van ‘profeet’ komen we niet verder. Die betekenis maakt het er ook niet makkelijker op om te bepalen welke profeten dan tegen belediging moeten worden beschermd door een wet. Als het niet lukt in het algemene, dan maar het bijzondere? De indieners van de petitie hebben één profeet in het bijzonder op het oog, ze spreken immers niet voor niets van ‘de profeet’. Nu is het vreemd om alleen die profeet te vrijwaren van beledigingen en niet profeten van andere religies. Dus iedere religie mag één profeet aandragen? Dat wordt dan een heel lange lijst. Want wie bepaalt wat een religie is en wie mag vervolgens bepalen wie die ene profeet is die namens die religie op de lijst moet? Bovendien word je te pas en te onpas toegeroepen dat je in jezelf moet geloven. Ik zal mezelf er dan ook maar meteen voor aanmelden. Als ‘diep gelovige in mezelf’, zie ik mezelf als een ‘belangrijk profeet’ voor mezelf. Nee, mezelf aanmelden lijkt mij geen goed idee. Ik ga mezelf niet ‘heilig’ verklaren.

In het verlengde daarvan wordt het onmogelijk om een wet aan te nemen die ‘profeten’ beschermt tegen belediging. Immers over tot de ‘profeten’ gerekend moeten worden, kun je hele (vooral heilige, al kan ik dat woord slecht plaatsen in dit kader) oorlogen voeren. Ik weet niet of we daarbij gebaat zijn. Ik vraag me trouwens af waarom fervente aanhangers van welk ‘almachtig opperwezen’ met bijbehorende profeten dan ook, bescherming zoeken bij de wetgever? Als dat opperwezen werkelijk almachtig is, zou dat dan niet voor de eigen belangen kunnen opkomen? Zou dat opperwezen bescherming nodig hebben van de aardse wetgevers en van aardse ‘rechtvaardigheidsridders’ die in naam van dat ‘opperwezen’ straffen? Sterker nog, als er werkelijk zo’n ‘almachtig opperwezen is’ zou dat dan niet ook de ‘beledigers’ die niet geloven aan een touwtje hebben? Zouden de ‘beledigende niet gelovigen’ geen middel kunnen van het almachtige opperwezen? Een middel om de kracht en het geloof van de gelovigen te testen. Om te testen of ze de barmhartige uitgangspunten van het geloof ook toepassen op ongelovigen?

Uitgelicht

God en vrijheid

 Ja. Dat is het korte en simpele antwoord op de vraag die G. van Veldhuizen en A. Heemskerk aan het eind van hun artikel in Trouw stellen. De auteurs zijn docenten in het voortgezet onderwijs en werken op een school met een reformatorische grondslag. De vraag waarop ja het antwoord is, luidt: “Als wij God en Zijn Waarheid maar mogen houden.” Jullie mogen ‘God en zijn Waarheid’ houden. Net zoals iedere andere persoon het recht op een eigen god met bijbehorende waarheid, of alleen een eigen waarheid mag hebben en houden. Ik vraag me af of de beide auteurs vinden dat mensen ook zonder god hun waarheid mogen hebben. Het lijkt erop alsof zij god boven de wet plaatsen. En vervolgens de wet vanuit hun god uitleggen.

God, De Heer, Oorlog, Harmonie, Verschijning
Bron: Pixabay

Ze schrijven: “Godsdienst is God dienen. Hem op de eerste plaats zetten.” Tot zo ver niets bijzonders. Iemand zonder god hoeft god niet op de eerste plaats te zetten. Dat wordt het als ze hun betoog vervolgen en van het individuele naar het algemene gaan: “Het spreken over ‘vrijheid van godsdienst’ kan alleen binnen die context.” Beweren de beide auteurs dat spreken over godsdienstvrijheid alleen kan door god te dienen en hem op de eerste plaats te zetten? Betekent dit dat iemand die geen god aanhangt geen godsdienstvrijheid heeft? Dat is wel een heel bijzondere uitleg van godsdienstvrijheid.

Nu is het eigen aan gelovigen dat ze de wet van hun god het allerbelangrijkste vinden: die moeten ze volgen. In een land waar iedereen dezelfde god aanhangt en dat ‘aanhangen’ ook op eenzelfde manier doet, kan ‘godswet’ ook de ‘landswet’ zijn. Dat wordt alleen heel erg lastig in een land als Nederland waar mensen wonen die verschillende goden aanhangen en een heel grote groep zelfs geen god aanhangt. Trouwens niet alleen worden er verschillen goden aangehangen. Ook de aanhangers van eenzelfde god, hangen die op verschillende manieren aan. Als in zo’n land ieder de regels van zijn eigen god volgt, dan wordt het een puinhoop.

Onze grondwet bepaalt in artikel 6 in het eerste lid de godsdienstvrijheid: “Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” En in tegenstelling tot de dienst aan god, bepaalt dit artikel de context van de godsdienstvrijheid. Het artikel bepaalt dat iedereen zijn eigen god mag dienen maar dan wel binnen de door de overheid gestelde wetten. God, en vooral zijn aanhangers in dit land, hebben zich aan de wet te houden. Of zoals het in de toelichting op dit artikel staat: Het artikel staat toe dat de wetgever bepaalde ontoelaatbare gedragingen, ook indien die een uiting zijn van godsdienstig of levensbeschouwelijk belijden, strafbaar stelt.” Wat ontoelaatbare gedragingen zijn, bepaalt de wetgever, niet god of zijn vertegenwoordigers op deze aardkloot. Haat zaaiende en tot geweld oproepende dominees, pastoors, rabbijnen en imams kunnen worden aangepakt en kunnen zich niet verschuilen achter hun god.

“Als wij vrijheid van godsdienst hebben, mogen individuele ouders kiezen voor een school waar hun overtuiging vrij uitgedragen wordt. Nederland is geen dictatuur van de meerderheid.” Zo vervolgen ze hun betoog. Inderdaad is Nederland geen dictatuur van de meerderheid. Trouwens ook niet van de minderheid. En ja, ouders mogen zelf een school voor hun kind kiezen waar hun overtuigingen uitgedragen worden. Ik laat hier bewust één woord weg dat de beide auteurs wel gebruiken, namelijk het woord ‘vrij’. Overtuigingen mogen, zo zagen we hierboven, worden uitgedragen binnen de grenzen van de wet. Die wet begrenst het ‘vrij uitdragen’ van geloofsovertuigingen.

En dan komen we bij de aanleiding voor hun artikel: “Onze scholen zijn in het nieuws gekomen omdat homoseksualiteit daar afgewezen zou worden. Daar wordt veel omheen gedraaid, maar laten we maar even duidelijk zijn: dat klopt en dat wist iedereen allang.” Volgens de beide auteurs is dit geen discriminatie: “Wij wijzen namelijk nooit één enkele groep af, wij wijzen steeds weer zowel onszelf als ook alle anderen af, omdat we allemaal op de één of andere manier van Gods doel afgeweken zijn.” En daarom zien ze: “geen andere mogelijkheid dan om homoseksualiteit af te wijzen op grond van de Bijbel, maar op grond van datzelfde Woord wijzen we evenzogoed een kerkgang af die alleen maar vanuit gewoonte is, omdat die dan geen liefdedienst is.” Een bijzonder redenering: we discrimineren niet als we homo’s afwijzen omdat we iedereen afwijzen inclusief onszelf. Alsof er niet een verschil is tussen iets wat een keuze is, kerkgang uit gewoonte, en iets wat geen keuze is, homoseksualiteit. Dat de gereformeerde god homoseksualiteit afwijst en dat de beide auteurs dat ook doen, staat hen vrij. Dat zijn hun persoonlijke opvattingen. En een dominee mag dat zelfs vanaf de kansel prediken.

Dit afwijzen wordt echter een probleem als het op scholen wordt onderwezen in andere dan de godsdienstlessen. Het wordt dus een probleem als schoolbesturen dit afwijzen. Het staat scholen niet vrij te onderwijzen wat zij willen. En artikel 23 van de grondwet dan, dat regelt toch de vrijheid van onderwijs? Hoor ik al mensen roepen. Dat artikel wordt inderdaad gekoppeld aan de ‘vrijheid van onderwijs’. Dat is echter iets anders dan de ‘vrijheid om te onderwijzen wat je wilt’. Die vrijheid is er niet. Het eerste lid van dit artikel luidt niet voor niets: “Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.” In het tweede lid wordt die ‘zorg’ nader toegelicht: “Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.” Deze zorg betreft alle scholen. Openbare scholen moeten hierbij ‘ieders godsdienst of levensovertuiging eerbiedigen’ en bijzondere scholen, zoals de gereformeerde school van de beide auteurs, moeten voldoen aan ‘eisen van deugdelijkheid’. En die eisen worden door de wetgever bepaald. Als de wetgever bepaalt dat mensen afwijzen op basis van seksuele geaardheid niet mag, dan mogen scholen dat ook niet. Dan moeten zelfs de beide auteurs die homoseksualiteit afwijzen, onderwijzen dat het afwijzen van iemand op basis van zijn geaardheid niet mag.

Uitgelicht

Identiteit en de opdracht van het onderwijs

NEE. Nee? Ja, nee! Nee, atheïsme hoeft dan niet de voorgeschreven identiteit te worden van alle scholen. Dat is het korte antwoord op de vraag die hulpbisschop Rob Mutsaers in een artikel in de Volkskrant stelt. In mijn vorige Prikker schreef ik ook over dit artikel en concentreerde ik mij op de vrijheid van meningsuiting die voor iedereen geldt, maar niet voor een minister. In het artikel echter nog een bijzondere passage: “Verlos het onderwijs van religie’, aldus Bert Wagendorp. Moet dan het atheïsme dwingend de voorgeschreven identiteit van alle scholen worden? Hoe neutraal is dat?”  Met het antwoord op deze vraag begon ik.

File:Kinderen krijgen onderwijs in de school van het koninklijk Deens ballet, Bestanddeelnr 252-9215.jpg
Bron: WikimediaCommons

Bijzonder om de hulpbisschop het pleidooi voor het behoud van het bijzonder onderwijs te zien onderbouwen met een beroep op het begrip ‘identiteit’. Bijzonder omdat hij in zijn artikel, naar mijn mening terecht, betoogt dat identiteitspolitiek de dood in de pot is. Dit omdat mensen tegen elkaar worden opgezet. Zouden op ‘identiteit’ gebaseerde scholen daar dan niet een bijdrage aan leveren? Nu is ‘identiteit’ een bijzonder begrip. Ik schreef er eind vorig jaar een uitgebreide Prikker over. Het kwam er in het kort op neer dat ‘identiteit’ een verhaal is om mensen te binden. Maar dat wat mensen bindt, sluit anderen uit. En het wordt een probleem als mensen die verhalen zwaar en serieus nemen. In die Prikker citeerde ik Kwame Anthony Appiah omdat ik zijn opvatting over identiteit bijzonder waardevol vind: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” En daarmee kom ik weer terug bij de vraag van Mutsaers en mijn antwoord. Nee, atheïsme moet niet de ‘dwingend voorgeschreven identiteit’ van alle scholen worden. Wat dan wel? Misschien wel niets, is mijn antwoord. Misschien is het wel aan te bevelen om scholen in het geheel geen ‘identiteit’ te laten hebben?

Geen katholieke, protestantse, joodse, islamitische scholen. Nee allemaal openbare scholen. En nee, op die openbare scholen wordt niet ‘het atheïsme gepredikt’. Op die scholen krijgen onze kinderen wereldoriëntatie waarbij ze kennis maken met alle manieren waarop mensen naar de wereld kunnen kijken. Al die manieren worden op eenzelfde manier gebracht en wel zo dat ze de leerling uitnodigen om zelf na te denken. Om kritische vragen te stellen en de wereld om hen heen ter discussie te stellen. Scholen waar ze leren de kinderlijke nieuwsgierigheid te koesteren zodat ze steeds die ‘waarom-vraag’ blijven stellen waar je als ouder soms moe van wordt.

Sterker nog, en dan kom ik bij een interview van Samira Bouchibti in de Volkskrant, wereldoriëntatie moet het enige doel van het onderwijs zijn. Bouchibti: “Leerlingen moeten zich leren uiten … We moeten ze sociaal weerbaar maken, leren discussiëren. Hoe kom je met elkaar in gesprek? Hoe laat je iemand uitpraten? Hoe zeg je op een respectvolle manier dat je het niet eens bent met de ander?” Zij brengt dit in praktijk in de gastlessen die ze op scholen verzorgt. Terecht concludeert Bouchibti: “Scholen zouden veel meer tijd aan burgerschap moeten besteden. Met twee uurtjes maatschappijleer per week red je het niet. Burgerschap moet een thema worden dat verweven zit in het hele onderwijs, niet alleen in geschiedenis en maatschappijleer. Tijdens Nederlands kun je een boek pakken over de vrijheid van meningsuiting. De wiskundeleraar kan er een Arabische wiskundige bij pakken, zodat leerlingen niet denken dat alle Arabieren terroristen zijn.”

Zouden we niet nog een stap verder moeten gaan dan ‘burgerschap’ tot een thema maken? Moet ‘Burgerschap’ of zoals ik het hierboven noemde, wereldoriëntatie, niet hét doel of met andere woorden de maatschappelijke opdracht van in ieder geval het primair en voortgezet onderwijs worden? Niet zoals nu op de site van de PO-raad is te lezen: “Van scholen wordt meer en meer verwacht dat zij niet alleen maar lesgeven en leerlingen voorbereiden op de arbeidsmarkt, maar ook aandacht besteden aan bijvoorbeeld sociale problemen en gezondheidsissues.”  ‘Voorbereiden op de arbeidsmarkt’ suggereert dat arbeid de belangrijkste bezigheid van een mens is. Daar werd vroeger heel anders over gedacht. Neem de oude Grieken, voor hen begon het leven pas echt als je niet hoefde te werken. Ook de katholieken van bisschop Mutsaers dachten er anders over, je bent immers op aarde om god te dienen en daardoor in de hemel te komen.

‘Voorbereiden op de arbeidsmarkt’ klinkt een beetje hetzelfde als de ‘oude afspraak’ die Karl Marx zag tussen de kapitalist en de pastoor: ‘hou jij ze dom, dan hou ik ze arm.” Iets wat ook de filosofe Martha Nussbaum constateert in haar pamflet Not for Profit  waar zij de ‘armoede van het onderwijs’ aan de kaak stelt. Volgens haar is het onderwijs gericht op het verkeerde doel: “Hongerig naar winst, verwaarlozen landen en hun onderwijssystemen vaardigheden die nodig zijn om de democratie levend te houden. Als die trend doorzet, produceren landen van over de hele wereld generaties van bruikbare machines in plaats van complete burgers die zelf kunnen denken, tradities bekritiseren en die het belang inzien van andermans lijden en prestaties. De toekomst van de democratie staat op het spel (eigen vertaling). Nussbaum schreef dit pamflet in 2010. Als we de ontwikkelingen in democratische landen bekijken, zie de Verenigde Staten, dan lijkt die toekomst waar Nussbaum zich zorgen over maakt nu voor de deur te staan. Trouwens niet alleen in de Verenigde Staten, ook in Nederland wordt het normale bijzonder gemaakt waardoor het bijzondere wordt genormaliseerd zoals ik in een recente Prikker schreef.

‘Van scholen wordt verwacht dat de natuurlijke nieuwsgierigheid van kinderen stimuleren en hen begeleiden bij hun ontwikkeling naar nieuwsgierige, (zelf)kritische volwassenen.’ Zou dat niet de maatschappelijke opdracht van het onderwijs moeten zijn? Zou onze democratie en in het verlengde ervan onze samenleving daar niet bij gebaat zijn? Zou de ‘arbeidsmarkt’ trouwens niet ook beter van worden van nieuwsgierige kritische medewerkers? Want is nieuwsgierigheid niet de belangrijkste motor achter innovatie en ontwikkeling?

Daarom scholen zonder ‘identiteit’. Scholen zonder identiteit omdat die het risico vergroten dat, om Appiah te parafraseren, mensen zich vastbijten in één verhaal wat het risico om onnodige polarisatie tussen groepen vergroot.

Uitgelicht

De persoon, de minister en de opvattingen

“Waarom geldt voor Slob en de zijnen niet de vrijheid van meningsuiting?” Die vraag stelt hulpbisschop Rob Mutsaerts in een artikel in de Volkskrant. Dit naar aanleiding van Slobs later schielijk ingetrokken uitlating dat christelijke scholen ouders een verklaring mogen laten tekenen waarin ze homoseksualiteit afwijzen. In het artikel redeneert Mutsaers op bijzondere wijze.

Bron: WikimediaCommons

De hulpbisschop houdt een tirade tegen identiteitspolitiek. Identiteitspolitiek is, zo citeert hij Wikipedia: “het bedrijven van politiek vanuit de sociale identiteit van een bepaalde groep en de door deze groep gedeelde ervaring van maatschappelijk onrecht.” En dat is, zo beweert hij, de dood in de pot: “Identiteitspolitiek wordt bedreven op grond van huidskleur, seksuele oriëntatie, afkomst en geslacht. Er valt niks te kiezen. Het wordt je kwalijk genomen als je er een gesprek over wil aangaan. Ja, de mate van schuld is hooguit onderwerp van gesprek, maar tegenspraak wordt niet geduld. Een discussie wordt bij voorbaat de nek omgedraaid: terstond wordt de discriminatiekaart getrokken. Je mag er gewoon niet genuanceerd over denken.” Nu kan ik mij daar goed in vinden. Of het nu de op het giftige intersectionele denken gebaseerde identiteitspolitiek van BIJ1 is, of de op ‘eng nationalisme’ gebaseerde variant van de PVV en het FvD of welke andere variant dan ook. Ze zetten om Mutsaers woorden te gebruiken: “mensen alleen maar tegenover elkaar.” Want van welke kant ook, aanhangers van identiteitspolitiek houden: “er eenzelfde soort redenering op na: een verbeten strijd die eist dat iedereen zich aan hun opvatting onderwerpt.” Tot zover kan ik hem goed volgen. En ook in zijn conclusie dat: “Het gezamenlijk verdedigen van de grondwet van onze democratische rechtsstaat,” de enige toekomst bestendige optie is.

Dan maakt hij de sprong naar minister Slob. Mutsears: “ Van minister Arie Slob wordt geëist dat hij zich conformeert aan de heersende seculiere opvatting. Hij mag zich niet beroepen op de Bijbel.” De identiteitspolitiek is daaraan debet, zo betoogt hij. En daarmee komen we bij de vraag of voor Slob en de zijnen de vrijheid van meningsuiting niet geldt.

Het antwoord op die vraag is: JA, Slob en de zijnen mogen, net als ieder ander mens, een eigen mening hebben en die mag best zijn dat christelijke scholen zo’n verklaring mogen vragen. Slob en de zijnen mogen dat. Waar zit dan het probleem? Het probleem is dat dit niet geldt voor de minister van onderwijs. Een minister, en niet alleen die van onderwijs, heeft geen eigen mening. Zij spreken en handelen namens de overheid. Bij dat spreken en handelen moeten ze zich aan de wet houden. De verklaring die Slob eerst geen probleem vond, staat op gespannen voet, en is waarschijnlijk strijdig met de wet. De wet verbiedt immers discriminatie en zo’n verklaring heeft discriminatoire kanten. “Wat christenen overigens prima kunnen onderscheiden is de persoon en zijn opvattingen,” schrijft hij iets verderop in zijn betoog. Trouwens bijzonder knap dat hij meent dat alle christenen dit kunnen. Hij zelf lijkt geen onderscheid te kunnen maken tussen de persoon Slob en de minister Slob. Als privé persoon en zelfs als politicus mag Slob dat vinden en ook uiten. Hij is echter ook minister en de minister mag dat niet. Slob werd er als minister om gevraagd en dan moet hij het ministeriele antwoord geven. Als hij dat niet kan of wil, moet hij aftreden. Zo werkt de op onze grondwet gebaseerde democratische rechtsstaat.

Uitgelicht

Het bijzondere normaal

Het zal niemand ontgaan zijn dat er in de Verenigde Staten presidentsverkiezingen zijn gehouden. Het zal ook niemand zijn ontgaan dat de ene kandidaat, Joe Biden, volgens de regels van het spel gewonnen heeft. Het zal ook niemand zijn ontgaan dat de andere kandidaat, zittend president Donald Trump, zijn nederlaag niet lijkt te erkennen. Het zal ook niemand zijn ontgaan dat die verkiezingen mensen verleiden tot zeer bijzondere redeneringen. Bijzondere maar ook gevaarlijke. Neem Robert Raupach bij Opiniez.

Schrijfmachine, Papier, Bericht, Woord, Verkiezingen
Bron: Pixabay

Raupach: “Gevierd voormalig burgemeester van New York, Rudy Giuliani, werd zaterdag tijdens een persconferentie geconfronteerd met het feit dat de grote Amerikaanse medianetworks Biden al snel als winnaar hadden aangewezen. Terecht wees hij de aanwezige reporters erop dat niet de nieuwsmedia een winnaar uitroepen, maar officiële instanties dat behoren te doen.” Hij heeft gelijk, officiële instanties moeten de winnaar aanwijzen en niet nieuwsmedia. Dus een redelijke opmerking. Alleen lijkt hij hier te suggereren dat er iets bijzonders gebeurd terwijl het niet afwijkt van andere verkiezingen. Neem de verkiezingen van 2016. De nieuwsmedia riepen Trump uit tot winnaar en twee dagen later zat de president-elect al in overleg met de toenmalige president Obama. Op dat moment hadden de officiële instanties Trump nog niet tot winnaar uitgeroepen. Dat gebeurt in de Verenigde Staten altijd geruime tijd na de verkiezingen. Pas dan komen de kiesmannen in de verschillende staten bijeen en bepalen wie in die staat heeft gewonnen en pas dan wordt de uitslag officieel. De manier waarop Giuliani en in zijn verlengde Raupach het presenteren, lijkt het normale iets bijzonders waardoor het bijzondere normaal lijkt.

Rapauch gaat verder: “Biden leidt momenteel met 14.767 stemmen in Arizona, 20.540 in Wisconsin, 36.186 in Nevada en 11.413 stemmen in het nog niet gecallde Georgia. Deze 82.885 stemmen vertegenwoordigen maar 0,06% van de in totaal meer dan 137 miljoen uitgebrachte stemmen. Mag zo’n flinterdunne marge een zo belangrijke verkiezing beslissen?” Of de aantallen nu nog hetzelfde zijn, weet ik niet maar ik geloof meteen dat ze klopten toen Raupach zijn artikel schreef. Waar, maar niet de hele waarheid. Als je dan toch resultaten in staten bij elkaar optelt, dan moet je ze ook van alle staten optellen en niet slechts van die paar waar het spannend is. Tel je ze allemaal dan heeft Biden op het moment dat ik dit schrijf ruim vijf miljoen meer stemmen op zijn naam dan Trump. Dat is niet echt een ‘smalle marge’. Als je deze verkiezingen dan toch, zoals Raupach doet: “een referendum over Trump,” noemt, dan is de uitslag duidelijk. En zelfs al is het verschil in totaal 0,06% van de stemmen of nog minder, dan nog is dat voldoende om iemand als winnaar uit te roepen. Sterker nog. In de Verenigde Staten worden winnaars uitgeroepen die minder stemmen hebben dan de verliezer. Trump weet daar alles van. In 2016 stemden er bijna drie miljoen mensen minder op hem dan op verliezer Hilary Clinton en toch won hij eerlijk volgens de regels van het Amerikaanse spel. Ook hier presenteert Raupach het normale als iets bijzonders waardoor het bijzondere normaal lijkt.

Raupach vervolgt: “Hertelling in enkele staten en verder onderzoek naar mogelijke fraude of onregelmatigheden zijn op z’n plaats en zijn een logische stap van het Trump-kamp. Je zomaar neerleggen na zo’n 5,5 jaar vechten (voorverkiezingen en campagne meegerekend) zit niet alleen niet in de aard van het beestje, dat simpelweg ook niet tegen zijn verlies kan, maar zou ook bij de zeer loyale achterban tot onvrede leiden.”Inderdaad zal het best een logische stap zijn in het kamp Trump en het kan best zijn dat neerleggen bij verlies tot onvrede bij de zeer loyale achterban leidt. Je neerleggen bij een eerlijke nederlaag is echter ook een van de kenmerken van een democratie. En ja, ook mogelijke fraude moet worden onderzocht. Het is niet Biden die moet aantonen dat hij eerlijk heeft gewonnen, maar Trump die moet aantonen dat er gefraudeerd is. Ook hier wordt het bijzondere gepresenteerd als normaal waardoor het normale bijzonder lijkt te worden.

“Het journalistentrucje om in elk nieuwsbulletin de bijzin te vermelden: “Er zijn geen bewijzen voor fraude” gaat in de hoofden van het weinig kritische grote publiek zitten en wordt op die manier vanzelf een waarheid.” Zo gaat Raupach verder. Maar beste meneer Raupach, als er geen bewijzen zijn, zijn er geen bewijzen. En wat betreft die ‘hoofden’. Wie begon er ook al weer ver voor de verkiezingen te roepen dat hij alleen kon verliezen als er gefraudeerd werd? Wie begon er met het verdacht maken van poststemmen en procedures hieromtrent? Zou het niet kunnen dat dit in de hoofden is gaan zitten van een flink deel van het weinig kritische iets kleinere publiek van fervente Trumpaanhangers? En weer wordt iets normaals als bijzonder gepresenteerd waardoor het bijzondere normaal lijkt.

Waarin deze verkiezingen echt afwijken van eerdere is dat de verliezende kandidaat zijn nederlaag niet erkent. Vier jaar geleden erkende Hilary Clinton na een dag haar nederlaag terwijl ze meer stemmen haalde dan haar tegenstander. Trump weigert dit en vecht de uitslag, het proces, de stembiljetten en alles eromheen aan. Sterker nog, hij wist al weken zo niet maanden tevoren dat er ‘fraude was gepleegd’. Dat is zijn goed recht, maar maakt het nog niet ‘normaal’.

Het normale bijzonder laten lijken en het bijzondere normaal is een gevaarlijke ontwikkeling.

Uitgelicht

Trump, Adam Smith en Alejandro Valverde

“Een jong kind heeft geen zelfbeheersing. Welke emoties het ook heeft, vrees, verdriet of boosheid, altijd tracht het door zo hard mogelijk te schreeuwen de aandacht van zijn kindermeisje of ouders te trekken.”  Toen ik deze zin gisteren las, moest ik denken aan de eerste toespraak van Trump na de verkiezingen van afgelopen dinsdag de derde november. Ik zag een bang, boos, verdrietig of combinaties van deze drie, persoon die om aandacht vroeg. Alleen was het geen kind maar een man van vierenzeventig die al vier jaar president is van het machtigste land van de wereld. Een man die door velen wordt gezien als een krachtige persoonlijkheid en leider. Zou Smith dat ook zo zien?

Eigen foto

Deze zin schreef de Schotse moraalwetenschapper en vader van de economische wetenschappen Adam Smith in zijn andere belangrijke maar veel minder bekende werk in 1759. Dit boek is recentelijk voor het eerst in het Nederlands vertaald met als titel De Theorie over morele gevoelens. In dit boek gaat Smith op zoek naar het ontstaan en functioneren van de moraal. Moraal is, om het heel kort samen te vatten, het evenwicht tussen de behoefte aan sympathie en de angst voor afkeuring of onbegrip. Kinderen hebben nog geen besef van moraal, ze kennen het evenwicht nog niet. Dat leren ze terwijl tijdens het opgroeien. “Zolang het kind onder de hoede is van deze partijdige beschermers, is boosheid de eerste en wellicht ook enige gemoedsaandoening die het geleerd wordt te beteugelen,” zo vervolgt Smith de zin waarmee ik opende. Hoe het kind dat leert, zo was het tenminste in het midden van de Achttiende eeuw: “Die zijn vaak omwille van hun gemak genoodzaakt om het met luidruchtige dreigementen vrees aan te jagen en zodoende tot bedaren te brengen en de gemoedsaandoening die het kind bij wijze van spreken aanzet tot de aanval, wordt nu in toom gehouden door de gemoedsaandoening die het kind leert om zich te bekommeren om de eigen veiligheid.” Een moderne opvoedkundige zal daar anders over denken en betogen dat ‘vrees aanjagen’ niet de beste strategie is in de opvoeding van een kind. Dat een kind moet leren om boosheid, maar ook vrees en verdriet te beteugelen, staat buiten kijf. Mensen die om niets in woede of om een klein sneetje in hun duim in huilen uitbarsten zijn niet de meest prettige mensen om mee in gezelschap te verkeren en blinken niet uit in stabiliteit.

Smith vergelijkt vervolgens hoe zwakke en krachtige persoonlijkheden met tegenslag omgaan. Iemand met een zwakke persoonlijkheid geeft zich: “eerder over aan zuchten, tranen en geweeklaag, en tracht als een kind dat nog niet naar school gaat een bepaalde harmonie tot stand te brengen tussen zijn eigen verdriet en het medelijden van de bezoeker – niet door zijn verdriet te matigen, maar door opdringerig te appelleren aan dat medelijden.” Een sterke persoonlijkheid daarentegen: “tracht zoveel als het kan zijn aandacht te richten op het beeld dat zijn omgeving vermoedelijk heeft van zijn situatie. Tegelijkertijd voelt hij de achting en goedkeuring die men natuurlijkerwijs voor hem koestert wanneer hij aldus zijn kalmte bewaart, en hoewel de last van deze of gene recente en grote calamiteit nog steeds op hem rust, lijkt hij voor zichzelf niet méér te voelen dan de mensen om hem heen werkelijk voor hem voelen.” Als we met Smiths bril naar Trump kijken, zien we dan iemand die zijn kalmte bewaart en niet méér voor zichzelf voelt dan voor anderen? Of zien we iemand waarbij de emoties de overhand hebben en die opdringerig appelleert aan ‘medelijden’?

Smith: “In een bestendige situatie, waarin geen verandering te verwachten valt, keert vroeg of laat de geest van ieder mens terug naar zijn natuurlijke en gebruikelijke toestand van kalmte.” Een ingrijpende gebeurtenis slaat ieder mens even uit het veld ongeacht de kracht van de persoonlijkheid. Alleen een zwakke persoonlijkheid doet er veel langer over om het evenwicht weer te vinden. Dus Trump zal weer een keer bij zinnen komen? Dat zou kunnen, maar er is iets wat zorgen baart. Iets verderop schrijft Smith namelijk nog iets interessants: “De grote bron van de ellende en de ontreddering van het menselijk leven lijkt te ontspringen uit de overschatting van het verschil tussen de ene bestendige situatie en de andere. Hebzucht overschat het verschil tussen armoede en rijkdom; ambitie dat tussen het privéleven en een openbaar ambt; eerzucht dat tussen onbekendheid en wijdverbreid aanzien. Iemand die onder invloed is van deze buitensporige gemoedsaandoeningen voelt zich niet alleen ellendig in zijn gegeven omstandigheden, maar is vaak ook geneigd de vrede van de maatschappij te verstoren om te bereiken wat hij zo dwaselijk bewondert.” Zou Trump aan deze ‘buitensporige gemoedsaandoening lijden? Zijn acties en uitspraken na de verkiezingen, wijzen die kant op. Sterker nog, niet alleen de acties na de verkiezingen. Als iets zijn presidentschap kenmerkt, dan is het precies dat ‘verstoren van de vrede van de maatschappij’.

Afbraak zonder opbouw. Wat zou het dan zijn wat Trump ‘zo dwaselijk bewondert’ en dus wil bereiken dat al die afbraak waard is? Het enige wat ik hier kan bedenken is zijn zelfbeeld als ‘onoverwinnelijke winnaar’. En dan moet ik denken aan de wielrenner Alejandro Valverde Belmonte. Inmiddels veertig fiets hij op de dag dat ik dit schrijf nog de laatste etappe van de Vuelta. Valverde heeft als bijnaam ‘El Imbatido’, in goed Nederlands ‘De Onverslagene’. Valverde heeft veel gewonnen maar onverslagen is hij zeker niet. In de meeste koersen waar hij aan de start stond, won hij niet. Sterker nog, ‘veelwinnaar’ Valverde heeft dit jaar nog niets gewonnen. Als Valverde, net als Trump, was gaan geloven in zijn onoverwinnelijkheid, dan had hij al lang niet meer gefietst en niet zoveel gewonnen als hij heeft gewonnen. Het lijkt erop dat Trump denkt dat een sterke man niet kan verliezen, verliezen is iets voor de zwakken en hij ziet zich als een sterke man. De Theorie over morele gevoelens lezend denk ik dat Smith daar anders over zou denken.  

Uitgelicht

Tirannie van de meerder- of minderheid?

“Ik heb niet eerder een grondrecht zo misbruikt zien worden om de eigen machtspositie te demonstreren.” Dit schrijft Jaswina Elahi bij De Kanttekening. Welk grondrecht wordt volgens Elahi misbruikt? Het recht op de vrije meningsuiting. Elahi: “Want het systematisch kwetsen en beledigen van groepen mensen in de samenleving is geen vrijheid van meningsuiting, maar een kwaadaardige behoefte van de machtigste partij om te kwetsen.” Hierdoor zijn we: “in een vicieuze cirkel terecht gekomen van provocatie en terreur, waarin het Westen terreur bestrijdt met satirische vernederingen onder het mom van vrijheid van meningsuiting.” Resultaat hiervan: “Verstand is ver te zoeken, nu de tirannie van de meerderheid is omgeslagen in een Europese hysterie.” We leven, als we Elahi mogen geloven, in een ‘tirannie van de meerderheid’ die een minderheid, de moslims, bestrijdt met ‘satirische vernedering’. Een bijzondere redenering.

File:Spotprent op de onwillige rol van John Bull in de Belgische Revolutie, 1832 The Dutch War (titel op object), RP-P-1982-277.jpg
Spotprent uit de 19e eeuw. Bron: WikimediaCommons

Dat mensen, religies en politieke stromingen het slachtoffer kunnen zijn van satire, is onomstotelijk waar. Je hoeft de afleveringen van Saturday Night Live, John Oliver en Lubach op Zondag om er een paar te noemen, maar op na te kijken om te ontdekken dat satire een middel is om een boodschap over de bühne te brengen. Satire: “hekelende voorstelling, spottend geschrift,” aldus de Van Dale en Wikipedia vult aan: “een kunstvorm waarbij vaak op humoristische wijze maatschappijkritiek of kritiek op personen wordt gegeven. De kritiek kan geleverd worden via parodie, ironie, sarcasme, pastiche en karikatuur.” Waarbij, zo vervolgt Wikipedia: “Niet alle satire (….) uitsluitend humoristisch (is) bedoeld. Sommige satires zijn zo agressief en scherp dat ze vooral willen provoceren of tot actie aanzetten. Hierom zijn door de geschiedenis heen veel satirici vervolgd door de overheid.” Dus ja, het kan gebeuren dat een satiricus mensen of groep beledigd. En zelfs als dit niet de bedoeling is van de satiricus dan nog kan het dit effect hebben.

Dus Elahi heeft een punt? Ja, ze heeft een punt dat satire beledigend kan zijn voor iemand of een groep. En ja, het kan ook zijn dat een satiricus of een groep satirici dat structureel doet en zo dus een groep structureel beledigt. Elahi gaat echter nog een stap verder met haar bewering. Zij betoogt dat de ‘meerderheid’ satire gebruikt om een bepaalde groep structureel te kwetsen en zelfs te vernederen. Zij komt tot deze conclusie omdat protesten tegen die belediging door die minderheid structureel worden beantwoord met een beroep op de vrijheid van meningsuiting. Hieruit concludeert zij dat die meerderheid het vernederen van die minderheid goedkeurt.

Maar zou die ‘meerderheid’ niet op eenzelfde manier in elkaar zitten als de manier waarop Elahi de ‘minderheid’ beschrijft: “Sommige moslims zijn van mening dat wanneer je de profeet beledigt zij ‘gerechtigd’ zijn om alles te doen om deze beledigingen te laten stoppen. In het uiterste geval leidt dit tot terreur, zoals we in Frankrijk zagen. Maar tegenover het extremisme van de dader staat een veel grotere groep moslims die zich van al het geweld distantieert en zich ook waardig opstelt onder het systematisch kwetsen en beledigen door de satire. Deze groep hoor je en zie je echter niet of nauwelijks in de media.”

Dat een overgrote meerderheid van de inwoners van Nederland vindt dat satire onder de vrijheid van meningsuiting valt en dus moet kunnen, wil niet zeggen dat die overgrote meerderheid die betreffende satire ook goedkeurt en een minderheid wil ‘vernederen’. Dat zijn twee verschillende zaken. Dat er een ‘tirannie is van de meerderheid’ die een ‘minderheid structureel vernedert’ daar geloof ik niets van. Die ‘tirannieke meerderheid’ die Elahi ziet, is waarschijnlijk een kleine minderheid en zij projecteert de opvatting van die minderheid op de grote groep mensen die dergelijke satire niet goedkeurt maar er wel pal voor staat dat die satire mogelijk is. Als er al ‘tirannie’ is, dan is het ‘tirannie’ van kleine minderheden die zich in een ‘vicieuze cirkel’ gevangen houden en de hysterie bij elkaar tot grote hoogten doen stijgen en zo de meerderheid ‘tiranniseren’. 

Uitgelicht

De toeslagenaffaire en de Walkman

Deze week startte de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties met haar verhoren. De Tweede Kamer heeft deze commissie in het leven geroepen. Die commissie moet op zoek naar de oorzaken van de problemen bij uitvoeringsorganisaties. Verschillende van die uitvoeringsorganisaties kampen met problemen bij de uitvoering van hun taken. Problemen die voor veel ophef zorgden maar vooral ellende voor mensen die een beroep op deze organisaties deden. Zo kampt de Belastingdienst met wat de ‘toeslagenaffaire’ is komen te heten. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft al jaren problemen rond de persoonsgebonden budgetten en ook het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen heeft problemen met het uitvoeren van haar taak. Zou de commissie de oorzaken vinden?

Bron: WikimediaCommons

Laten we de opdracht van de commissie eens bestuderen. Die opdracht is verwoord in een brief van het Presidium aan de Tweede Kamer. In die brief wordt het drieledige doel van het onderzoek geformuleerd. Als eerste: “Inzicht krijgen in de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties («rode draden» oorzaken en problemen).” Als tweede: “Inzicht krijgen in de wijze waarop de Tweede Kamer geïnformeerd wordt over de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties (informatiepositie Kamer).” En als derde en laatste: “Inzicht krijgen in de wijze waarop de Tweede Kamer haar controlerende taak uitvoert bij problemen bij uitvoeringsorganisaties (controlerende taak / rol Kamer).” De antwoorden op die vragen moeten ervoor zorgen dat: “De uitvoerbaarheid van beleid in het parlementaire proces (beter) gewaarborgd wordt en «de menselijke maat» niet uit het oog verloren wordt.” In een artikel bij Joop vat Fons Burger deze opdracht kort samen met de woorden: “Wat gaat er mis tussen het beleid en de balie?” Een redelijk accurate samenvatting want daarop spitsen de vragen zich toe zeker als we de deelvragen bekijken.

Bij de eerste vraag worden drie deelvragen gesteld waarbij vooral de eerste deelvraag bijzonder is: “Welke problemen zijn zichtbaar geworden afgelopen vijf jaar?”  Daarmee wordt het tijdbestek dat wordt onderzocht beperkt tot de laatste vijf jaar. Wat als de problemen al ruim voor die tijd zijn veroorzaakt? Iets wat niet is uit te sluiten.

Het onderzoek wordt echter niet alleen in tijd beperkt, ook de scope van het onderzoek. In de toelichting bij de vraag worden mogelijke oorzaken van de problemen geformuleerd: “De organisatiecultuur (onder andere goed werkgeverschap) en personeel; Governance en sturingsrelaties; Uitvoeringsproblemen (waardoor er geen passende dienstverlening aan de burger geleverd kan worden); Het niet aanwezig zijn of niet optimaal werken van een interne signaalfunctie / checks & balances; ICT en digitalisering.” De ‘plek’ waar het fout gaat wordt daarmee beperkt tot de uitvoerende organisatie en wellicht een klein beetje, via de ‘Governance’ bij de regering.

Bij de tweede onderzoeksvraag worden twee deelvragen geformuleerd. Als eerste: “Hoe wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties (informatiepositie Kamer).” Bij deze vraag ligt de verantwoordelijk minister onder het vergrootglas: informeert hij de Kamer tijdig en juist? De tweede deelvraag luidt: “Hoe voert de Tweede Kamer haar controlerende taak uit bij problemen bij uitvoeringsorganisaties (controlerende taak / rol Kamer)?” Een interessante vraag, maar wat als het probleem niet aan de achterkant ligt, maar aan de voorkant, bij de wetgevende en beleidmakende kant van de Kamer? Gelukkig is er nog de derde onderzoeksvraag. Daar komt dit aspect aan de orde. Namelijk bij de eerste deelvraag: “Wat betekent hetgeen de onderzoeksvragen 1 en 2 hebben opgeleverd voor de verschillende rollen, taken en verantwoordelijkheden van de drie genoemde partijen? Welke rol spelen uitvoeringstoetsen hierbij (wat verwacht de Kamer en op basis van welke indicatoren)?”

We hoeven ons dus geen zorgen te maken. De commissie vindt de oorzaken van de problemen bij de uitvoeringsorganisaties. Nou, dat gaat mij iets te snel. Het onderzoek focust vooral op de uitvoeringsorganisaties. Dat is waarschijnlijk ook waarom Burger tot zijn korte samenvatting komt. Dat lijkt logisch omdat het fout gaat in de uitvoering. Toch is dat veel te beperkt. De uitvoeringsorganisatie is slechts de uitvoerder van een opdracht. Zij geeft de opdracht niet. Dat doet een minister. Wat als de minister een onduidelijke of verkeerde opdracht geeft? Bij een verkeerde opdracht ligt de verantwoordelijkheid voor de fout bij de opdrachtgever. Als een winkelier zoutarme koekjes besteld terwijl de markt vraagt om koekjes met zout, moet hij zich niet gaan beklagen bij de fabrikant als bijna niemand de geleverde koekjes koopt. Bij een onduidelijke opdracht is het de taak van de uitvoerende organisatie om verduidelijking te vragen bij de opdrachtgever, dus bij de minister. Die verduidelijking moet uiteindelijk leiden tot een duidelijke opdracht. Duidelijk wil niet zeggen dat het ook de juiste opdracht is. Voor de juistheid is de opdrachtgever verantwoordelijk. Een onderzoek naar de oorzaken moet op zijn minst ook een hoofdvraag bevatten die zich specifiek richt op de opdrachtgever, de minister(s).

Daarmee zijn we er nog niet. Die opdrachtgever heeft ook een ‘opdrachtgever’ en dat is de Tweede Kamer. De Kamer bepaalt wat er moet gebeuren. Dat doet zij via de wetten die zij aanneemt. Zo heeft de Kamer in de Wet kinderopvang bepaalt dat de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag moet uitbetalen en aan wie. Maar ook dat de Sociale Verzekeringsbank de persoonsgebonden budgetten moet afhandelen. Persoonsgebonden budgetten voor een vijftal wetten met verschillende opdrachtgevers. In een goed onderzoek vraagt die rol veel meer dan de deelvraag bij de derde vraag. Zeker omdat die deelvraag moet worden beantwoord met de uitkomsten van de eerste twee vragen. Vragen die alleen handelen over de uitvoering en de informatievoorziening over de uitvoering. Als de oorzaken of als er oorzaken liggen “tussen het beleid en de balie,” om deze woorden van Burger te gebruiken, dan zal dit onderzoek ze opsporen. Of oorzaken in het proces om te komen tot beleid worden gevonden? Ik waag het te betwijfelen.

Wat ik ernstig betwijfel is of het onderzoek echt tot de kern komt. En daarmee kom ik bij mijn vorige Prikker die handelde over manieren waarop ‘de koek’ wordt verdeeld en de twee rollen van de overheid hierin: als eerste het voorkomen van ‘roof en uitbuiting’ door de markt te reguleren en als tweede: “het organiseren en legitimeren van ‘wederkerige sociale verplichtingen’ die het ‘samen’ in de samenleving versterken.” Over die sociale verbanden concludeerde ik: “ Als je die inricht op basis van een soort ‘handelstransactie’ hoeft het niet te verbazen dat die sociale (ver)banden zwak zijn.” En laat de overheid nu heel veel van haar dienstverlening hebben ingericht op basis van ‘handelstransacties’. Van je persoonsgebonden budget of je kinderopvangtoeslag ‘koop’ je zorg en opvang in.

Door dit inrichten op basis van handelstransacties versterken twee zaken elkaar. Die twee zaken zijn zwakke sociale verbanden en wantrouwen. Een handelstransactie creëert geen of slechts een zwakke sociale band. Er ontstaat geen ‘WIJ’ en het ontbreken van die ‘WIJ’ betekent dat ‘IKKEN’ vooral aan zichzelf denken. En omdat de andere ‘IKKEN’ dat ook doen, moeten de “IKKEN’ op hun hoede zijn: wantrouwen. Wantrouwen dat wordt versterkt omdat er ‘IKKEN’ zijn die misbruik maken van de situatie. Binnen het ‘handelstransactie frame’ is voorkomen van fraude de enige manier om wantrouwen te bestrijden en iets van een ‘WIJ’ te behouden. Iedere ontdekte fraude zorgt voor verlies aan ‘WIJ’. Om fraude te voorkomen worden regels zo gemaakt dat de te voorkomen uitzondering de regel gaat bepalen en gaat de ‘menselijke maat’ verloren.  

Dat inrichten op basis van ‘handelstransacties’ is een uitvloeisel van het steeds individualistischer worden van onze samenleving. Een trend die eind jaren vijftig van de vorige eeuw inzette en die vanaf de jaren tachtig, met het neoliberalisme van Thatcher en Reagan, dominant werd. Een trend waarvan de Walkman, wat mij betreft, het symbool is. Een apparaat waarmee je je op straat van de buitenwereld afsluit en je je eigen wereld creëert. Niet toevallig werd het apparaat in 1979 door Sony op de markt gebracht en begon het aan de ‘verovering’ van de wereld. Net als bij het individualisme werd het apparaat veel eerder ‘geboren’. Een jaar of zestien eerder vond Philips een soortgelijk apparaat uit, maar zoals wel vaker was Philips goed in uitvinden maar niet in vermarkten. Inmiddels is het apparaat vervangen, eerst door iPod-achtige apparaten en nu door het mobieltje. Ik waag het ernstig te betwijfelen of de commissie op basis van de geformuleerde opdracht tot een dergelijke conclusie komt. Maar… ik laat me graag verrassen.

Uitgelicht

Markt, overheid en/of samenleving deel II

‘’Markt’ en ‘overheid’ vormen geen driehoek met of staan niet tegenover ‘samenleving’, het zijn instrumenten die wij, de samenleving, kunnen gebruiken om verdelingsvragen te beantwoorden.” Met die zin eindigde mijn vorige Prikker. In deze Prikker ga ik wat dieper in op manieren om te verdelen. Of als je het van de andere kant bekijkt, manieren om dat te verwerven wat je nodig hebt om te kunnen leven.

Eigen foto

Alles wat een mens nodig heeft om te kunnen (over)leven, moet hij op een of andere manier verwerven. In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten onderscheiden Hans Achterhuis en Nico de Koning zes verschillende vormen van verwerving. Als eerste dat wat een mens zelf produceert, de zaken die iemand maakt, verzamelt of bij elkaar jaagt. Daarover kan die persoon vrijelijk beschikken. Deze vorm is tegenwoordig een zeldzaamheid.

Een tweede vorm van verwerving is de huishouding. De gemeenschappelijke huishouding is gedurende eeuwen de meest belangrijke vorm van samenleven en dus verwerven geweest. Alles wat het huishouden produceerde, verzamelde of bij elkaar joeg, konden de leden ervan gebruiken. Hierin staat de groep centraal, niet het individu. Verlangens waren daarmee bijna altijd verlangens van het huishouden.

Toedeling is de derde vorm van verwerving die de beide auteurs onderscheiden. Het groter worden van de sociale verbanden, een bundeling van stammen of huishoudens, maakten aanvullende manier van verwerven nodig. Een manier passend bij de hiërarchische samenlevingsvorm. De hoogst geplaatste deelt toe aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping.

Met het nog groter worden van hun wereld kwamen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kon leiden tot geweld en oorlog. De vierde manier van verwerving is een vreedzame manier om een relatie met andere sociale verbanden aan te gaan en dat is de schenking of gift. Een gift is nooit vrijblijvend. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen, de relatie wordt verzwaard zonder dat de een zich aan de ander onderwerpt. Het huwelijk was in vroeger tijden een bijzondere vorm van ‘schenken’.

Dan de vijfde manier van verwerven: de handel of met een ander woord, de markt. Of het nu de ouderwetse ruilhandel betreft of het tegenwoordige kopen van een pak koffie bij de Appie, beiden leiden niet tot een verplichting of een verzwaring van de relatie. Als koper hoef je je niet te onderwerpen aan de verkoper, omgekeerd trouwens ook niet en de koop van dat ene pak verplicht jou niet om ook die bloemkool bij de Appie te kopen.

De laatste vorm van verwerving die de beide auteurs geven is roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van verwerven voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen. Tot deze vorm van verwerving horen ook slavenhandel, dwangarbeid en kolonisatie. En als we een parallel naar het heden trekken, dan behoort bijvoorbeeld ook het verkopen van risicovolle financiële producten zoals woekerhypotheken aan mensen die deze niet begrijpen, tot roof.

Zes vormen van verwerving waarbij, vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt. Bij de eerste, de individuele productie is er geen andere en bij het andere uiterste, de roof, doet de ander er niet toe. De markt is tegenwoordig de dominantste vorm van verwerving en dit heeft volgens de beide auteurs ook gevolgen voor de andere vormen van verwerving: “De motivatie van de marktsfeer ten opzichte van de andere praktijken van behoeftevoorziening heeft ook een zekere vermenging teweeg gebracht van de mechanismen die in elke kring heersen.” Een huishouden waarbij de leden naast een gezamenlijke ook een eigen bankrekening hebben, is hier een voorbeeld van.

En dat verandert ook de markt: “Markten hebben namelijk een aantal van de cruciale kenmerken van de verdrongen ordeningskringen in zich opgenomen.”  Zo is de individuele productie die vroeger was gericht op de eigen behoeften nu bijna volledig gericht op behoeften van anderen in ruil voor geld waarvoor de arbeider dan in zijn eigen behoeften kan voorzien. Daar komt bij dat arbeid steeds meer een intrinsieke waarde heeft voor de arbeider: arbeid moet voldoening schenken en bijdragen aan de ontplooiing van het individu. Bedrijven zijn tegenwoordig meer dan plaatsen waar wordt geproduceerd. Onderlinge relaties, gezelligheid en de bedrijfscultuur zijn belangrijk geworden, dit waren de kenmerken van het huishouden. Ook zien Achterhuis en Koning de grens tussen economische en sociale belangen vager worden. Het wordt van bedrijven niet meer geaccepteerd dat alles om winstmaximalisatie draait. Ook zien zij dat er op de markt meer wordt geschonken dan we denken. Zij zien dat de markt toch elementen van verplichting en verzwaring krijgt.

Waar is dan die ‘overheid’, dat tweede instrument om verdelingsvraagstukken te beantwoorden? Of beter gezegd, waar zou die overheid zich dan mee bezig moeten houden? Volgens de auteurs is handel en dus de markt tegenwoordig dominant. In onze verbonden globale wereld is dat een logische keuze. Logisch omdat de markt volgens de auteurs: “… de laatste dam tegen roof (is), het is de maximaal haalbare vorm van exterioriteit zonder dat men ten prooi valt aan vormen van geweld,” vormt. Zo’n schaal van samenwerking vormgeven met alleen giften of toedeling, is lastig omdat de afstand tot elkaar zo groot is. Probleem is dat handel en dus de markt, op roof na, de verwervingsvorm is die het minste sociale (ver)banden tussen mensen creëert. En laat die sociale (ver)banden nu cruciaal zijn voor een samenleving. In zijn boek The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time beschrijft Karl Polanyi het belang van sociale (ver)banden in een samenleving. Volgens Polanyi is het onderhouden van sociale banden cruciaal voor een samenleving: “First, because by disregarding the accepted code of honor, or generosity, the indiviual cuts himself off from the community and becomes an outcast; second, because in the long run, all social obligations are reciprocal, and their fulfillment serves also the individual’s give-and-take interest best.”  Met alleen de markt wordt het ‘samen’ in samenleving minder en zonder ‘samen’ is een samenleving los zand omdat het ontbreekt aan ‘wederkerige sociale verplichtingen’. En daar komt de overheid op twee manieren om de hoek kijken.

De eerste manier raakt aan de traditionele rol van de overheid als beschermer van de openbare orde en veiligheid. Zoals Achterhuis en De Koning betogen rest na de markt alleen nog roof als manier van verwerving. De overheid heeft een rol om te voorkomen dat de vrije markt uitdraait op roof. De overheid reguleert de markt. Maar dan kunnen we toch niet meer spreken van een vrije markt? Nee, niet als je de vrije markt ziet als een plek waar eenieder absoluut vrij is om naar goeddunken te handelen. Maar om de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang uit zijn boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme te citeren: “De vrije markt bestaat niet. Elke markt kent wel regels en grenzen die de keuzevrijheid beperken. Een markt lijkt alleen maar vrij doordat we de beperkingen die eraan ten grondslag liggen zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Zo zijn kinderarbeid en slavernij voor ons zo wezensvreemd dat we het als normaal beschouwen dat het er niet meer is. Eeuwen lang was het echter zeer normaal dat het er wel was. Maar ook op het gebied van arbeidstijden en -omstandigheden, het milieu en productveiligheid beperkt de overheid de vrijheid op de markt. Dat doet zij om te voorkomen dat er via de markt ‘geroofd’ wordt.

De tweede manier betreft het organiseren en legitimeren van ‘wederkerige sociale verplichtingen’ die het ‘samen’ in de samenleving versterken. Verplichtingen zoals het betalen van belastingen. Dat maakt belasting ontwijking en -ontduiking zo schadelijk. Het ondergraaft het ‘samen’. Dat maakt de uitspraak”: “I don’t wanna pay taxes. Before I came here I was a private developer, I was a business people. Like every private person unless they are stupid , they go through the law and that’s what it is,” van president Trump in het eerste presidentiële debat zo schadelijk. Het is precies die houding, dat gedrag dat het ‘samen’ ondermijnt. Maar ook sociale verplichtingen zoals uitkeringen die voorkomen dat mensen van de honger omkomen. Uitkeringen die hen beschermen als ze meer of minder tijdelijk niet in het eigen onderhoud kunnen voorzien. Voorzieningen zoals een basisverzekering die de ziektekosten vergoeden.

Op welke manier de overheid dat doet, maakt nogal wat uit voor het ‘samen’, voor die sociale (ver)banden. Als je die inricht op basis van een soort ‘handelstransactie’ hoeft het niet te verbazen dat die sociale (ver)banden zwak zijn. Dan hoeven redeneringen als die van Trump niet te verbazen en dan hoeft gedrag zoals vertoond door Booking.com waarover ik aan het begin van de coronacrisis schreef, niet te verbazen. Dan krijg je precies de verbazing van de boekhouder waar Tim Fransen in een artikel in de Volkskrant over spreekt. Fransens boekhouder gaf hem te kennen dat hij in aanmerking kwam voor vierduizend euro ondersteuning als tegemoetkoming in de schade door corona. Fransen gaf aan dat hij daar geen gebruik van wilde maken omdat hij voldoende reserves had en schrijft vervolgens: “‘Maar’, stamelde mijn boekhouder, ‘je hebt er toch recht op…?’” Fransens gedrag wijst op een sterke sociale binding: hij wil alleen een beroep doen op het ‘samen’ als de nood er is. Hij ziet de tijdelijke ondersteuning niet als een recht, maar als een laatste resort als hij het zelf niet meer kan trekken. Het maakt uit of je een bijstandsuitkering ziet als een ‘toedeling’ zoals nu het geval is, of als een ‘gift’. Beide vormen verzwaren de relatie. Bij een toedeling plaatst degene die toedeelt zich echter boven de ontvanger, hij brengt hiërarchie aan. Bij een gift wordt de relatie verzwaard zonder dat er sprake is van hiërarchie. Hiërarchie past slecht bij onze huidige liberale samenleving omdat het mensen verdeeld. Dit lag in vroeger eeuwen anders. Een overheid die nu het ‘samen’ wil vormgeven, moet dat in het achterhoofd houden bij alles wat zij doet.

Uitgelicht

Markt, overheid en/of samenleving

 “Daarmee laten de partijen zich vangen door het achterhaalde concept van de vorige eeuw: markt versus overheid. Terwijl ‘méér samenleving’ het echte antwoord biedt.” Aldus Richard de Mos en Bert Blase van de politieke partij Code Oranje in een artikel bij Joop. Meer samenleving, dat is hun antwoord, niet ‘meer overheid’ tegenover ‘de markt’. Een bijzonder betoog. Zo pleiten ze voor: “het organiseren van burgertoppen en burgerjury’s.” Naar aanleiding van een oproep een ‘klimaatburgerberaad’ te houden, heb ik recentelijk drie Prikker gewijd aan het ‘burgerberaad’, de democratie en het belang voor de democratie van, naar de woorden van Pierre Rosanvallon, de tegendemocratie dus dat ga ik nu niet meer doen. Nee, bijzonder om een andere reden.

File:Seacon Stadion - De Koel.jpg
Bron: WikimediaCommons

De auteurs schetsen een soort driehoek met in de punten de markt, de overheid en de samenleving. Punten die met elkaar concurreren. Volgens de auteurs moet de punt ‘samenleving’ worden versterkt: “Voorbij de hokjesgeest van links en rechts Omdat de samenleving dit wil én het voor het zeggen heeft.” Nu vraag ik me af hoe de auteurs weten wat ‘de samenleving wil’. De samenleving is net zo diffuus als het begrip volk. De samenleving is overal en nergens. Het is: “het geheel van de met elkaar verkerende mensen,” aldus de Van Dale. En mensen verkeren op zeer veel verschillende manieren met elkaar. Zo verkeer ik, in coronatijden helaas onmogelijk, geregeld met andere aanhangers van VVV in stadion De Koel, maar ook met mijn softbalvrienden van De Mustangs. Voor mijn werk verkeer ik als zzp-ende beleidsadviseur in wisselend gezelschap. Ik verkeer in Venlo, Limburg, Nederland, de Europese Unie en de wereld. Dit even terzijde.

Terug naar de driehoek van de auteurs waarvan de punt ‘samenleving’ moet worden versterkt via de ‘burgertoppen’ die: “eigenaar van concrete vraagstukken,” moeten worden gemaakt. Hier begint het bijzondere. De inwoners moeten eigenaar worden van concrete vraagstukken. Maar beste auteurs, de inwoners van dit land zijn al eigenaar van alle maatschappelijke vraagstukken. Vraagstukken zoals de klimaatverandering, de zorg, de aanpak van het coronavirus zijn ‘onze’ vraagstukken. Vraagstukken die we op twee manieren kunnen aanpakken: samen of als individu en daarmee zijn we aanbeland bij de twee andere hoekpunten van de driehoek: de overheid en de markt.

Laat ik met de overheid beginnen. De overheid is van ons, de inwoners van dit land. Ze is niet van zichzelf, van de koning of wie dan ook. Ja, in vroeger tijden was dat anders, toen was de overheid slechts van een klein deel van ons en zelfs van slechts één persoon. Nu is de overheid van ons. Het is ons, om het zo te zeggen, instrument om vraagstukken samen aan te pakken. Vraagstukken die we samen willen of moeten aanpakken. Een van de eerste ‘vraagstukken’ die, in het gebied dat nu Nederland heet, samen werd aangepakt, was de bescherming tegen het water. Via de overheid kunnen we ervoor zorgen dat: “het prijsmechanisme ten gunste gaat werken voor onze maatschappelijke doelen, in plaats van haaks erop,” iets wat de beide auteurs graag willen. Immers alleen de overheid kan wetten vaststellen en belasting heffen.  

Dan de markt, is die niet ook van ‘ons’ de inwoners van dit land? Is de markt niet het middel waarmee we vraagstukken aanpakken die we niet samen willen oppakken? Niet samen omdat we de eigen keuze bij dit vraagstuk belangrijk vinden. Zo belangrijk dat we niet willen dat anderen die keuze mede voor ons maken.

Creëren de auteurs hier tegenstellingen die er niet zijn? ‘Markt’ en ‘overheid’ vormen geen driehoek met of staan niet tegenover ‘samenleving’, het zijn instrumenten die wij, de samenleving, kunnen gebruiken om verdelingsvragen te beantwoorden.

Uitgelicht

Kerkgebouw en godsdienstvrijheid

 Op de site van de NOS las ik het bericht dat er in verschillende kerken in het land meer dan dertig mensen aanwezig waren. Soms wel meer dan 200. “Wij willen ons aan Gods woord houden om de onderlinge bijeenkomsten niet na te laten,” aldus een bestuurder van een kerk en vervolgt:“ Wij hebben zo’n grote kerk. Met tweehonderd man erin heb je bijna een verrekijker nodig om elkaar te zien.” Kerken beroepen zich hierbij op de vrijheid van godsdienst. Hierbij krijgen ze bijval van onze regering. Dat de overheid zich niet mag bemoeien met jouw godsbeleving, staat buiten kijf. Een niveau hoger mag de overheid zich niet bemoeien met de leer van een godsdienst en met de benoeming of aanwijzing van voorgangers. Of dit zich ook uitstrekt tot hoeveel mensen er in een kerkgebouw mogen, waag ik ernstig te betwijfelen.

File:Kerk - Venlo - 20241198 - RCE.jpg - Wikimedia Commons
Joriskerk Venlo. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed via WikimediaCommons

Ik ben geen rechtsgeleerde en ook geen specialist Grondwet. Dus wellicht kan een specialist op dit gebied, mij aanvullen, corrigeren of verklaren dat ik grote onzin verkondig. De maatregel om maar dertig man in een gesloten ruimte toe te laten ter bestrijding van het coronavirus, bemoeit zich niet met de inhoud van de godsdienst. Ze bemoeit zich alleen met het gebruik van het gebouw. En laat dat nu iets zijn waar een overheid zich al mee bemoeit. Tot medio 2010 moest iedereen die een gebouw wil (gaan) gebruiken waarin mensen komen, een gebruiksvergunning hebben. In die vergunning werd geregeld hoe het gebouw gebruikt mocht worden, wat er wel en niet mocht en hoeveel mensen erin mochten. Nu is deze vergunning onderdeel geworden van een omgevingsvergunning. Ook kerken ontkomen hier niet aan. Hoeveel mensen mogen erin en hoe zit het met vluchtroutes? Voor de bouw van een nieuwe kerk of moskee moet je ook een omgevingsvergunning aanvragen.

Als VVV-gelovige zou ik de kerkbestuurder na kunnen zeggen dat ‘wij onderlinge bijeenkomsten niet willen nalaten om de voetbalgoden te eren’. Waarna een voetbalhater Karl Marx kan parafraseren maar de geest van diens uitspraak wel in ere houdend kan zeggen: voetbal is opium voor het volk. Mijn voetbalclubje VVV heeft voor haar activiteiten ook zo’n vergunning om haar wedstrijden te kunnen spelen in stadion De Koel. In die vergunning staan vast ook hoeveel bezoekers en maximaal in het stadion mogen. Alleen heeft de club er nu niets aan omdat gebruik, zoals in die vergunning is opgenomen, nu niet mag. Er mag wel gevoetbald worden, maar ik en met mij alle andere fans mogen er niet bij zijn. Het ‘gebruik’ van De Koel is tijdelijk niet mogelijk zoals het in die vergunning is opgenomen. Zo kan ook het ‘gebruik’ van een kerk tijdelijk worden aangepast. Er wordt een dienst gehouden waarbij nog dertig mensen mogen zijn. De vrijheid van godsdienst wordt hierdoor niet aangetast. Het enige wat wordt beperkt is het gebruik van het gebouw.

Dit handhaven hoeft geen probleem te zijn. Daarvoor hoeft de kerk niet te worden betreden. Daarvoor hoeft alleen maar te worden gecontroleerd hoeveel mensen er naar binnen of naar buiten gaan. Zijn dat er meer dan dertig, dan wordt de uitbater van het gebouw, het kerkbestuur, beboet. Dit is geen boete op het uitoefen van een religie maar op het overtreden van de regels voor gebruik van het gebouw. Bij herhaaldelijke overtreding, kan het gebouw voor bezoekers worden gesloten. Let wel voor bezoekers, de pastoor of dominee kan er nog steeds een dienst in verzorgen. Een dienst die via een livestream kan worden uitgezonden.

Uitgelicht

Democratie en tegendemocratie

Democratie is, zoals we in de vorige Prikker hebben gezien, een complexe en lastige manier van besturen en ordenen. In die vorige Prikker besprak ik vijf spanningen die, volgens Pierre Rosanvallon, inherent zijn aan een democratie. Hoe kunnen we hiermee omgaan? Ook in deze Prikker staat het werk van Rosanvallon centraal en dan vooral de Spinozelezing uit 2012.

“Het lijkt mij sterk dat een burgerberaad de vijf door Rosanvallon benoemde punten oplost.” Met die woorden eindigde ik mijn vorige Prikker. Dit naar aanleiding van een pleidooi van Jelmer Mommers en Eva Rovers in de Volkskrant voor het in het leven roepen van een  burgerberaad over de klimaatmaatregelen en mijn twijfel of het door hen voorgestelde burgerberaad een verrijking is van onze democratie. Die vijf spanningen zijn de twee verschillende kwaliteiten (nabijheid en geschiktheid) van een volksvertegenwoordiger. Als tweede de twee verschillende definities van het begrip ‘volk’. Als derde de asymmetrie tussen de twee functies (aan de ene kant het legitimeren van bestuurders en aan de andere kant het beschermen van de bestuurden) van de democratie. Als vierde dat we democratie plaats en tijd gebonden moeten zien en als laatste is een democratie meer dan een politiek stelsel, het is ook een burgeractiviteit.

Eigen foto

Deze vijf punten maken, zo betoogt Rosanvallon dat: “de democratie (…) structureel problematisch en derhalve structureel onvoltooid is.” Waarschijnlijk is dit ook wat de Britse staatsman Winston Churchill bedoelde toen hij zei dat: “Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.” Om met dat structureel problematische en onvoltooide om te kunnen gaan wordt er vooral gezocht naar ‘vereenvoudiging’ of zoals Rosanvallon het schrijft naar: “Pathologiën (die) kunnen begrepen worden als reducerende vormen van de complexiteit, van polarisatie of het vergeten van de structurele spanningen van haar verschillende figuren.” Rosanvallon ziet hierbij aan de ene kant versimpelingen: “van de vertegenwoordiging, berustend op een zogenaamde versimpeling van de relatie macht/samenleving.” Versimpelingen die: “het handelen van de macht de adequate uitdrukking van de algemene wil maken … die het kamp dat als winnaar uit de stembus tevoorschijn komt gelijkstellen aan de stem van het volk; waan voorstellingen van één volk.” Deze versimpelingen kunnen in milde en extreme vorm (“Alleenheerschappij, populisme, totalitarisme”) voorkomen. Aan de andere kant ziet hij versimpelingen zoals: “De reductie van de democratie tot verkiezingen, de reductie tot haar liberale dimensie of de reductie tot haar institutionele definitie.”

Het is menselijk om een complex en zeer moeilijk te omvatten probleem te versimpelen en terug te brengen tot behapbare brokken. Het terugbrengen van democratie tot ‘verkiezing’ of ‘referendum’ maakt het eenvoudig. Net zoals een beperking van ‘het volk’ tot de winnaar van de verkiezingen een versimpeling is. Zeker als die winnaar, zoals in Nederland de afgelopen decennia het geval is, nooit meer dan dertig procent van de stemmen kreeg. En sterker, de winnaar (grootste partij) ook wel tot de verliezers (minder zetels dan na de vorige verkiezingen) kan behoren. ‘Versimpeling’ is volgens Rosanvallon niet de manier. Volgens hem moet we: “De democratie compliceren om haar te voltooien.”

“Als het volk in de democratie structureel nergens te vinden is, hoe dan de structurele crisis van de vertegenwoordiging te boven te komen die eruit voortvloeit en onze gevoelens van in de steek gelaten zijn aanwakkert, die de ontgoocheling en het wantrouwen tegenover de instituties voeden?” Deze vraag stelt hij zich op het eerste gebied dat hij verder wil compliceren, het gebied van dat belangrijke begrip dat op meerdere manieren gedefinieerd wordt. Hij ziet vijf dimensies van het volk. Als eerste het ‘rekenkundige volk’, dat bezit : “een beslissende, zowel sociale als procedurele consistentie.” Immers: “We kunnen eindeloos discussiëren over de definitie van het algemeen belang, over wat de beste politiek is om op dit of dat gebied te voeren, maar het feit dat 51 meer is dan 49 maakt een einde aan alle discussies.” “Maar het volk manifesteert zich ook als een historische constructie,” en daarmee zijn we bij de tweede dimensie van het volk. De principes van deze dimensie zijn vooral vastgelegd in de grondwet: “Dit volk/principe laten leven betekent dus een juridisch volk laten leven, en niet slechts een electoraal of rekenkundig volk. Vandaar de rechtvaardiging van de superioriteit van de constitutionele orde boven de orde van de kortstondige meerderheid.” Als we in onze huidige wereld om ons heen kijken dan zien we dat op verschillende plekken wordt getornd aan de superioriteit van de constitutionele orde. De extreme politisering van de benoeming van rechters in de Verenigde Staten en de politisering van de rechtspraak in Polen zijn hiervan voorbeelden. Een derde dimensie van het begrip ‘volk’ is: “de figuur van de verwachtingen, ontgoochelingen, betwistingen of beproevingen van het gemeenschappelijke leven, dat op een gegeven moment over een stuk uit het collectieve leven vertelt of het tot uitdrukking brengt.” Dit volk bestaat volgens, Rosanvallon: “ofwel via instituties die handelen leiden – bijvoorbeeld syndicaten -, ofwel via zijn directie manifestatie in de revolutionaire momenten die verlengd worden door het verhaal dat ze vergezelt.” De vierde dimensie: “is het volk bestaande uit ‘willekeurige individuen’.” Dit volk drukt zich uit: “via peilingen of van het toeval afhangende uitingen, waarderingsmechanismes van de een of ander.” De laatste dimensie is: “het volk zowel als belofte als herinnering, het volk als bouwer van een toekomstige geschiedenis en als erfgenaam van een traditie.” Dit volk wordt vertegenwoordig door: “de kunst, de literatuur, de sociale wetenschappen, de onderzoeken en allerlei getuigenissen.” Daarmee is de vraag waarmee deze alinea begon nog niet beantwoord. Dat antwoord begint met het accepteren van de complexheid: “We moeten het volk dus begrijpen als een structureel onbepaald object, maar een waarvan de bepaling benaderd kan worden door vergroting van de erkenning van zijn verschillende vormen.” Accepteren want: “in deze vermeerdering ontstaat het leven, en niet simpelweg in het zoeken naar een enkel principe dat alle mogelijkheden ervan uitputtend zou bevatten. ‘Het volk’ spreekt zich op zeer veel verschillende manier uit. Zeer veel verschillende manieren, met veel verschillende stemmen en veel verschillende inhouden. Daar moet ruimte voor zijn, dat moeten we koesteren en niet versimpelen.  

Een tweede vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op het gebied van de soevereiniteit. Hij wil: “van de idee van directe volkssoevereiniteit over (…) stappen op de idee van een complexe soevereiniteit. De complexe soevereiniteit bestaat in het gelijktijdig vormgeven van de verschillende manieren waarop ze uitgeoefend wordt, namelijk de benoeming of de keuze, de beslissing, de controle en het toezicht, de evaluatie en het oordeel.” Op dit punt komt hij met het begrip ‘tegendemocratie’. ‘Tegendemocratie’ dat hij in de inleiding van zijn boek La contre-démocratie als volgt omschrijft: “Deze tegendemocratie is niet het tegendeel van de democratie; zij is eerder de vorm van de democratie die de andere als een steunboog versterkt, de democratie van de in het sociale lichaam verstrooide indirecte machten, de permanente democratie van het wantrouwen tegenover de wisselende democratie van de electorale legitimering. Deze democratie vormt op die manier één geheel met de wettige democratische instituties.” De media, onderzoekcollectieven, wetenschappers, vakbonden, actiegroepen enzovoorts die elk vanuit hun belang en interesse controleren, toezicht houden en evalueren. Die naar de rechter stappen om iets af te dwingen zoals Urgenda. Die aandacht vragen voor groot en klein recht en onrecht. De luizen in de pels van bestuurders en politici maken deel uit van deze voor de democratie onmisbare tegendemocratie. Tegendemocratie als: “institutionalisering van het begrip ‘wantrouwen’. Die complexheid moeten we koesteren, niet versimpelen. Zij houden ons scherp zorgen ervoor dat het volk in al zijn verschillende dimensies uit de vorige alinea, zich kan uitspreken.

Een derde vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op de scheiding der machten. Die is nog steeds gebaseerd op de Montesquieu en zijn drie te onderscheiden machten: de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht. Volgens Rosanvallon is die driedeling niet meer steekhoudend voor onze huidige tijd. Rosanvallon: “In alle moderne samenlevingen wordt het begrip ‘macht’ voortaan steeds in het enkelvoud opgevat. Er is overal maar een werkelijke sturende macht: de uitvoerende macht. Aan deze komen alle initiatieven en wezenlijke beslissingen toe.” Als we naar de Nederlandse praktijk kijken, dan zien we dit ook. We hebben een wetgevende macht, de Tweede Kamer, maar hoeveel initiatieven van wet komen er vanuit die kamer en halen de eindstreep? De overgrote meerderheid van alle wetten en voorstellen daartoe worden opgesteld door de regering, de uitvoerende macht. Zelfs de begroting, een belangrijk ‘machtsinstrument’ van het parlement, wordt opgesteld door de regering waarna het parlement nog wat in de marge kan schuiven. De uitvoerende macht bindt de wetgevend al bij de kabinetsformatie omdat de coalitiepartijen zich binden aan een regeerakkoord en daarmee alle wezenlijke discussie beslechten waarna de kamer het kan ‘afstempelen’. Volgens Rosanvallon bestaat ook de derde, de rechterlijke, macht: “als zodanig allang niet meer… Omdat zijn rol voortaan uitsluitend de contentieuze jurisdictie is.”  Rosanvallon concludeert: “De term ‘scheiding der machten’ volgens de oude driedeling is dus niet meer gegrond.” Toch is het: “noodzakelijker dan ooit om in te gaan tegen de voortdurende neiging van de (uitvoerende)macht in het algemeen om zich zonder tegenwicht uit te oefenen en zich op te werpen als enige legitieme macht.” Het complexe evenwicht van drie machten is versimpeld tot een dominante (uitvoerende) macht. Dit moet, zo betoogt hij, weer complexer en dat kan op verschillende manieren. Als eerste: “moeten we de uitdrukkingsvormen van de algemene wil vermeerderen. De huidige politieke macht ontleent haar legitimiteit aan verkiezingen. Daarbij worden twee verschillende dimensies vermengt: ‘een rechtvaardigheidsprincipe en een beslissingstechniek.” Een beslissingstechnische uitspraak (51 -49) valt niet automatisch samen: “met het idee van een legitimering die naar een grotere maatschappelijke consensus verwijst.” Voor dit laatste zijn andere instituties nodig. Instituties: “die vereenzelvigd worden met de principes van onpartijdigheid (de onafhankelijke autoriteit, het recht) en reflexiviteit (de constitutionele gerechtshoven die het volk/principe in de tijdsduur uitdrukken). Als democratisch geldt dan een stelsel dat die drie samenwerkende en complementaire uitdrukkingsvormen van de algemene wil in zich verenigd.”  Hierbij spelen handelen (regering) en controle (oppositie) een onderscheidende rol waarbij met name de positie van ‘controle’ versterkt moet worden. Compliceren betekent niet verzwakken maar: “voortdurend dwingen uitleg te geven, rekenschap af te leggen, te evalueren en te controleren. Compliceren betekent ook afscheid nemen van de idee van simpele en directe democratie. De belangen van de macht en de samenleving zijn op de volgende manier met elkaar verbonden: om sterk te zijn zal een macht voortaan democratischer moeten zijn.”

Een vierde vlak waarop we de complexiteit moeten aanvaarden betreft wat Rosanvallon noemt de ‘verschillende figuren van de democratie’: “Want er zijn vier complementaire definities van democratie: zij is een burgeractiviteit, een politiek stelsel, een samenlevingsvorm en een politieke kwaliteit. Als burgeractiviteit impliceert zij het openbare debat en: “Ze vereist ook de organisatie van onafhankelijkheid van de macht, publiek, toezicht, kritiek, de uitdrukking van burgers in al haar vormen.” Als politiek stelsel is zij: “een verzameling van procedures en instituties.” Ook is zij de manier waarop het gemeenschappelijke wordt ingericht, de democratie als samenlevingsvorm. Als politieke kwaliteit definieert zij de handelswijzen en het gedrag.

‘De democratie compliceren om haar te voltooien, dat is wat Rosanvallon wil. Als we haar al ooit kunnen voltooien want, zoals hij betoogt (zie de vorige Prikker) is één van de zaken die democratie complex maken dat we haar moeten zien in ‘tijd’ en ‘ruimte’ en de tijd schrijdt voort en de democratische ruimte kan veranderen. En daarmee hebben we Rosanvallons laatste complicering van de democratie te pakken.

Nu terug naar het burgerberaad, de aanleiding voor deze en de twee voorgaande Prikkers. Met het ‘burgerberaad’ willen de initiatiefnemers komen tot ‘gedragen voorstellen’ en zo de ‘kloof’ tussen mensen dichten. Ik hoop in deze en de twee eraan voorafgaande Prikkers te hebben aangetoond dat we blij moeten zijn met die kloof. Die kloof is namelijk een wezenlijk kenmerk van onze en iedere democratie. Die kloof laat namelijk zien dat we de vrijheid en de mogelijkheden hebben om van elkaar te verschillen. Om anders over zaken te denken. Om het niet eens te zijn met besluiten en daar tegen te blijven ageren. Ageren om de ‘macht’ scherp te houden, om uitleg te vragen. Ageren door te evalueren en te onderzoeken. Ik, de Ballonnendoorprikker, benader iedere poging om die kloof te dichten met wantrouwen. Wantrouwen omdat het dichten van die kloof eerder tot minder dan tot meer democratie leidt. Omdat de kans groot is dat het uitloopt op: “all those other forms that have been tried from time to time,” waar Churchill over sprak.

Uitgelicht

Democratie

In mijn vorige Prikker vroeg ik me af of burgerberaden, zoals Jelmer Mommers en Eva Rovers in de Volkskrant voorstellen, een verrijking zijn voor onze democratie. Met betrekking tot het klimaatbeleid constateren zij dat: “de transitie (…) nog geen gedeeld project van alle Nederlanders (is). Lang niet iedereen voelt zich vertegenwoordigd door de ruim honderd partijen en organisaties die in juni 2019 het Klimaatakkoord sloten. Dus ontbreekt het vaak aan draagvlak, met name waar maatregelen mensen direct in hun straat en in hun woning treffen. Veel mensen voelen zich niet gehoord. Nu is er heel veel aan te merken op de manier waarop het klimaatakkoord tot stand is gekomen.

Verkiezingen: Nieuwe clowns in hetzelfde circus!" | Flickr
Bron: Flickr

Zoals ik in die vorige Prikker al betoogde, hebben we al ‘volksberaden’ die precies dat kunnen wat het door de beide auteurs beoogde burgerberaad kan én zelfs meer: ze kunnen ook nog besluiten. Die beraden zijn de door ons gekozen volksvertegenwoordigingen. Laten we eens wat dieper naar die gekozen volksberaden kijken. Die volksvertegenwoordigingen zijn namelijk niet uit de lucht komen vallen, die zijn langzaam gegroeid naar wat ze nu zijn. Staten Generaal, dat is nu de naam van de Eerste- en Tweede kamer samen. In de zestiende eeuw was het een gezamenlijk vergadering van de vertegenwoordigers van de zeventien provinciën. Die vertegenwoordigers waren geen ‘gewone mensen’. Het waren edelen uit de verschillende provinciën. Zij zagen zich als vertegenwoordigers en belangenbehartigers van het volk. De belangen van dat volk moesten immers behartigd worden bij de vorst. De belangen van dat volk leken erg veel op de belangen van de adel. Adel waarin rijke kooplui zich inkochten via huwelijken. De overgrote meerderheid van het volk had niets te zeggen en in te brengen.

In 1814 werden de Staten Generaal de volksvertegenwoordiging in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden en vanaf 1815 bestond die volksvertegenwoordiging uit twee kamers. Nu moeten we ook hier het begrip ‘volk’ niet al te breed zien. Tot 1848 werden de leden van de Eerste Kamer door de koning benoemd en de leden van de Tweede Kamer gekozen door de Provinciale Staten waarvan de leden weer uit de ‘edelen en notabelen’ bestonden. In het geheel niet ‘volks’ dus. Vanaf 1848 worden de leden van de Eerste Kamer door Provinciale Staten gekozen en de leden van de Tweede Kamer rechtstreeks door het volk. Nou ja het volk, alleen als je voldoende belasting betaalde, behoorde je tot het volk en mocht je stemmen. Pas sinds 1917 kennen we algemeen kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar en vanaf 1919 ook voor vrouwen. In deze strijd voor meer democratie wijkt Nederland niet zo veel af van andere Europese landen. De eerste keer dat het gehele volk mocht stemmen was in 1923. Pas vanaf dat moment zouden we kunnen spreken van een ‘burgerberaad’. En ook daar zijn kanttekeningen bij te plaatsen.

In de inleiding van zijn boek La contre-démocratie schets de Fransman Pierre Rosanvallon het dubbele van democratie: “Historisch heeft de democratie zich namelijk altijd doen kennen als zowel een belofte als een probleem. De belofte van een stelsel dat afgestemd is op de behoeften van de samenleving die gebaseerd is op de verwerkelijking van de dubbele imperatief van gelijkheid en autonomie. En het probleem van een realiteit die deze nobele idealen verre van ingelost heeft.” Dit heeft er volgens Rosanvallon toe geleid dat: “Het democratisch project (…) zelfs daar waar het was geproclameerd steeds onvoltooid (is) gebleven, of het nu ruw geperverteerd, subtiel versmald of als vanzelf tegengewerkt is. In zekere zin hebben we, in de sterkste betekenis van het woord, nooit volledig ‘democratische’ regimes gekend.” Het stukje parlementaire geschiedenis in de vorige alinea geeft een mooie opsomming van die versmallingen en tegenwerkingen. In zijn pamflet Tegen verkiezingen geeft David Van Reybrouck een bijzondere tegenwerking. Volgens Van Reybrouck is het instrument ‘verkiezingen’ in de basis bedoeld als een ‘tegenwerking’. Volgens Van Reybrouck, en nu vat ik het heel kort samen, zijn verkiezingen bedoeld als een poging van de aristocraten om de macht te behouden. En als je kijkt naar het gros van de parlementariërs in verleden en heden, dan zie je dat de bovenkant van de samenleving er structureel is oververtegenwoordigd. Nu is dat geen bewijs van Van Reybroucks gelijk, wel laat het zien dat mensen met meer macht het makkelijker hebben in een democratie.

In 2012 gaf de al genoemde Rosanvallon de Spinozalezing. In die lezing constateert hij ‘democratische onbepaaldheid’ een begrip dat hij als volgt definieert: “het subject van de democratie, haar doel en procedures (gaan samen) met spanningen ambiguïteiten, paradoxen, aporieën, asymmetrie en overlappingen die de definitie en het begrip ervan  problematisch maken en derhalve ook een bron zijn van de vele vormen van ontgoocheling.”  Rosanvallon onderscheidt er vijf die ik hieronder behandel.

Als eerste zijn er structurele spanningen. Die openbaren zich bij de keuze van de volksvertegenwoordigers. In een volksvertegenwoordiger zoeken we twee kwaliteiten. Als eerste ‘nabijheid’ kan ik me herkennen in de volksvertegenwoordiger of zoals Rosanvallon het beschrijft: “de vertegenwoordiger als valoriserende stand-in, getrouwe uitdrukking en stem van de vertegenwoordigde.” De partij GeenPeil zette tijdens de verkiezingen van 2017 extreem in op ‘nabijheid’. De partij beloofde alle stemmingen via digitale peiling aan het volk voor te leggen en in de Kamer vervolgens te stemmen naar de uitkomst van de peiling. De tweede kwaliteit die we zoeken in een volksvertegenwoordiger is ‘geschiktheid’: “de vertegenwoordiger als vertrouwensman, geïnformeerde afgevaardigde,” aldus Rosanvallon. Twee kwaliteiten die: “elkaar vaak uitsluiten en moeilijk in één vertegenwoordiger te verenigen zijn.”  En, zo vervolgt hij: “Bovendien verwijzen ze vaak naar de waardering van twee verschillende politieke momenten: dat van de verkiezingscampagne en dat van de regeringsdaad.” Als nabijheid het belangrijkste is, dan is loting de beste manier om een volksvertegenwoordiging te kiezen. Zo willen de beide auteurs ook het door hen voorgestelde burgerberaad vormgeven. Zoeken we ‘geschiktheid’ dan zijn verkiezingen beter. Probleem is echter dat we allebei zoeken. Daar komt een ander probleem bij en dat is dat een vertegenwoordiging nooit een afspiegeling van het gehele volk kan zijn. Het ‘burgerberaad’ van de auteurs zal ook tegen de problematiek van ‘nabijheid’ en ‘geschiktheid’ aanlopen. Want vindt iedereen dat de mensen in het beraad hen ‘nabij’ zijn? En zelfs als die nabijheid er is, dan is de kans reëel dat de ideeën waarmee het burgerberaad komt door een flink deel niet ‘geschikt’ wordt gevonden. Een gedragen oplossing is niet per definitie de meest geschikte oplossing.

De tweede ambiguïteit vloeit, volgens Rosanvallon: “voort uit het niet overlappen van twee constitutieve definities van hetzelfde object.” Dat object is ‘het volk’. “Het volk is zowel het korps van burgers, dat naar een idee van eenheid, een vorm van totaliteit verwijst, als een sociale vorm, die diversiteit, pluraliteit en zelfs verdeeldheid impliceert.” Tegenwoordig spelen politici als Wilders en Baudet met die ambiguïteit. Spelen door te spreken over ‘het volk’ als die eenheid terwijl ze slechts een klein deel van de diversiteit van de ‘sociale vorm’ bedoelen. Het volk in de sociale vorm spreekt nooit met één stem en bij onze besluitvorming moet een meerderheid worden gevonden door zoveel onderdelen van de ‘sociale vorm’ achter een voorstel te verzamelen dat er een meerderheid ontstaat. Deze ambiguïteit zal ook in het klimaat ‘burgerberaad’ van de auteurs sluipen. Zoals de auteurs terecht constateren: “bijna iedereen hecht belang aan een gezonde, fijne leefomgeving.” Wat ‘gezond en fijn’ is daar beginnen mensen te verschillen en vooral als het maatregelen betreft om daar te komen, dan verschillen mensen net zo van mening als: “over wat de beste voetbalclub is, wie The Voice moet winnen, en wie de verkiezingen.”

Als derde constateert Roasanvallon ‘functionele asymmetrieën: “Als we in aanmerking nemen dat de democratie het dubbele doel heeft de bestuurders te legitimeren en de bestuurden te beschermen, dan moeten we wel vaststellen dat die twee functies elkaar niet kunnen dekken. De legitimering berust op het vormen van een vertrouwensband tussen bestuurders en bestuurden, terwijl de bescherming van de bestuurden juist uitnodigt tot het organiseren van het wantrouwen” De coronapandemie brengt deze asymmetrie duidelijk naar voren. Maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, roepen veel verzet en wantrouwen op en de legitimiteit van de maatregelen wordt ter discussie gesteld.

Als vierde moeten we democratie zien in haar tijd en ruimte. Volgens Rosanvallon: “is er een duidelijk verschil tussen een democratie op het moment van haar constitutie en een permanente democratie.” Wat democratisch is en welke instituties er nodig zijn verschilt in de tijd. Rosanvallon geeft een voorbeeld: “Op het moment van de Franse Revolutie leek het ondenkbaar om vertegenwoordigers te kiezen voor de duur van meer dan een jaar; bovendien werd er elke week een nieuwe voorzitter van het parlement gekozen!” Naast ‘tijd’ kan ook ‘ruimte’ variëren. Met ‘ruimte’ bedoelt hij dat wat de kern is van de democratie. Rosanvallon: “lange tijd heeft men gedacht dat het gezin de werkelijke school van de democratie was, omdat men in het gezin er het duidelijkst vorm aan geeft. Anderen zeiden dat het lokale niveau de school van de democratie is, omdat de vanzelfsprekendheid van de gemeenschap zich niet hoeft uit te drukken door middel van de oprichting van een institutie. De groep bestaat er direct als gemeenschap.” De recente decentralisatie van verantwoordelijkheden naar gemeenten werd onderbouwd met argumenten in deze lijn. Sinds het midden van de negentiende eeuw is de natie echter dé, om Rosanvallons woord te gebruiken, school van de democratie. Tegenwoordig ondervindt die school concurrentie van een nieuwe supranationale, namelijk de Europese Unie maar ook van het lokale. Bij het aanpakken van de klimaatproblematiek speelt ‘ruimte’ een belangrijke rol. Klimaat trekt zich immers niets aan van door de mens verzonnen ‘fictionele feitelijkheden’ als landsgrenzen.

Als laatste kent democratie, zoals Rosanvallon het noemt: “pluraliteit van vormen en domeinen.” Wat moeten we hieronder verstaan? “De democratie is natuurlijk een politiek stelsel. Maar ze omschrijft ook vormen van burgeractiviteit, die verder reiken dan alleen deelname aan verkiezingen: debat, het woord nemen, informatie, participatie, betrokkenheid. Ze is ten slotte een samenlevingsvorm die gebaseerd is op het project een wereld van gelijken op te bouwen.” Een wereld van gelijken waarbij iedereen betrokken is, iedereen het woord kan nemen, zich kan informeren. Daarvoor is geen apart ‘burgerberaad’ nodig.

Een andere aanpak, zoals het door de auteurs voorgestelde burgerberaad leidt wellicht tot andere resultaten, maar of het er ook voor zorgt dat iedereen zich gehoord voelt? Of het resultaat op draagvlak bij iedereen kan rekenen? Of er niet aan de legitimiteit van de oplossingen zal worden getwijfeld? Of er niet aan de ‘ruimtelijkheid’ zal worden getwijfeld? Het lijkt mij sterk dat een burgerberaad de vijf door Rosanvallon benoemde punten oplost.

Uitgelicht

Burgerberaad

“Een nationaal burgerberaad geeft gewone mensen echte verantwoordelijkheid. Het is geen referendum en ook geen veredelde inspraakavond. Het komt niet in plaats van lokale burgerparticipatie, maar als aanvulling daarop. Het maakt de ‘Haagse tekentafels’ niet overbodig, maar vult die aan en vergroot de kans op een succesvolle transitie.” Jelmer Mommers en Eva Rovers willen zo’n burgerberaad in het leven roepen en dat moet zich buigen over het klimaat, zo betogen ze in een artikel bij de Volkskrant. Inderdaad een belangrijk onderwerp dat alle aandacht van iedereen vraagt. Toch knaagt er iets en dat is niet het enthousiasme van de beide auteurs.

File:Plenaire zaal Tweede Kamer - panorama.jpg - Wikimedia Commons
Bron: Husky via WikimediaCommons

De auteurs willen het burgerberaad via loting samenstellen en: “Het kabinet geeft burgers een mandaat om voorstellen te doen die verdere CO2-reductie realiseren. Het kabinet belooft de aanbevelingen van de burgers serieus te nemen en aan de Kamer voor te leggen. Het parlement kan aanbevelingen afwijzen, maar moet dan duidelijk uitleggen waarom.” Ik vraag me af waarom iemand of een groep mensen een ‘mandaat van het kabinet’ nodig heeft om voorstellen te doen. Volgens mij staat het iedereen vrij om iets voor te stellen en moeten alle voorstellen serieus worden genomen en moet worden uitgelegd waarom ze worden aangenomen of afgewezen. Lopen we, door dit voor dit burgerberaad expliciet van het kabinet te vragen, niet het risico dat andere voorstellen niet serieus of zelfs helemaal niet behandeld worden?

Bij haar werk wordt de burgerberaad: “begeleid door een onafhankelijke partij. De deelnemers krijgen informatie van experts en belanghebbenden en nodigen zelf sprekers uit om meer kennis te verzamelen.” Nu kun je je afvragen wie er in een kwestie ‘onafhankelijk’ is. In het geval van de auteurs, wie heeft er geen belang bij het onderwerp klimaatverandering? Voor wie verandert er niets als het klimaat verandert en voor wie verandert er niets als men maatregelen voorstelt om klimaatverandering tegen te gaan? Is niet iedereen belanghebbende? En over experts kun je veel zeggen, maar niet dat ze allemaal hetzelfde vinden. Als de huidige coronacrisis iets laat zien, dan is het dat kennis tijdelijk is en door nieuwe informatie kan veranderen en dat er veel informatie is die door experts verschillend wordt beoordeeld. Toch is dit niet de belangrijkste punt waarom het knaagt. Dat punt ligt op een ander vlak

In mijn  werk hoor ik geregeld soortgelijke oproepen. Gemeenten die gaan voor burgerparticipatie of daarvoor het nog ‘newspeakere’ ‘overheidsbetrokkenheid’ gebruiken of zelfs ‘emancipatie’. Als we kijken naar onze staatsinrichting dan is deze in de basis georganiseerd als een burgerberaad. Wij kiezen iedere vier jaar nieuwe Kamer-, Staten en raadsleden en Kamerleden soms zelfs nog vaker. We kiezen dan mensen die ons vertegenwoordigen. Die vertegenwoordigers zijn in de basis ‘gewone mensen’. ‘Gewone mensen’ die van ons: “een mandaat (hebben) om voorstellen te doen.” En in tegenstelling tot het door de auteurs beoogde ‘burgerberaad’, hebben deze ‘gewone mensen’ het mandaat om namens ons te besluiten. Waarom thematische ‘burgerberaden’ toevoegen naast de al bestaande territoriale ‘burgerberaden’. ‘Territoriale burgerberaden’ die namens ons het mandaat hebben om voorstellen te doen én te besluiten over die voorstellen. Die experts kunnen uitnodigen en horen. Die themawerkgroepen en commissies in het leven kunnen roepen om zaken namens hen uit te zoeken?

Volgens de auteurs is: “Het nationale burgerberaad (…) geen vervanging van de parlementaire democratie, maar een verrijking ervan,” ‘Verrijken’ klinkt positief. Toch vraag ik me af of het een verrijking is.

Uitgelicht

Tomorrow is only a day away

Tijdens een wandeling met mijn dochter zag ik een spreuk op een bedrijf. “Let’s shape tomorrow today” stond er. Een bijzondere spreuk. Als het verhaal van de film The Day After Tommorow maar geen werkelijkheid wordt. Dan boetseer je vandaag een fantastisch morgen dat overmorgen vergaat. Dan liever de Bond film Tomorrow never dies. Immers Tomorrow you’re always a day away zoals het personage Annie in de gelijknamige film zingt. En omdat ‘tomorrow’ altijd ‘a day away’ is, klopt het inderdaad dat ‘tomorrow never dies’. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat die ramp van ‘the day after tomorrow’ niet ook om de hoek kan liggen. Ik neem aan dat het bedrijf met tomorrow niet de dag van morgen bedoelt, maar het gebruikt als aanduiding voor de toekomst. Wat wil het bedrijf hiermee zeggen?

Eigen foto

Dat tomorrow today wordt gevormd is een enorme open deur. Nu zijn dergelijke marketing spreuken meestal open deuren. Wie kan zich “Let’s make things better’ nog herinneren? Vandaag werken aan de toekomst dat doet toch iedereen. Ik heb nog nooit iemand aan het verleden zien werken. Nu klinkt dat wellicht vreemd uit de mond van een historicus. Toch is het niet zo vreemd. Historici bestuderen het verleden en dat doen ze niet om een nieuw verleden te bouwen of vorm te geven maar om de kennis van het verleden in de toekomst te vergroten. Ze bestuderen het verleden om erachter te komen hoe het ‘is geweest’ om Leopold von Ranke aan te halen. Om het denken en handelen van onze voorvaderen te her-denken zoals de geschiedfilosoof R.G. Collingwood het noemde. Her-denken is daarbij iets anders dan herdenken. Herdenken is gedenken, her-denken is je proberen te verplaatsen in die voorvaderen en proberen te denken wat zij dachten. Daarom is alle geschiedenis volgens Collingwood, geschiedenis van het denken. Beschrijven ‘hoe het geweest is’ en her-denken veranderen het verleden niet, ze veranderen alleen onze kijk op het verleden.

Toch lijken er tegenwoordig mensen en groepen die vandaag het verleden opnieuw willen vormgeven voor morgen. Zo zijn er mensen, zoals de leider van het Forum voor democratie Baudet, die ‘voorwaarts naar het verleden’ willen. Voor Baudet ligt de toekomst ergens tussen de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw. Terug naar de: “bourgeois society, bourgeois traditions, the bourgeois way of life of ordinary people.” Ze zingen de Beatles na: “Yesterday, all my troubles seemed so far away. Now it looks as though they’re here to stay. Oh, I believe in yesterday.” Dat de ‘ordinary people’ in die tijd geen bourgeois manier van leven’ hadden, lijkt Baudet te vergeten. Voor het gros van de ‘ordinary people’ was het leven in die tijd kort, hard en bruut en hun levensomstandigheden waren verre van ideaal.

Aan de andere kant van het spectrum vind je groepen die iets anders met het verleden willen. Die willen de geschiedenis niet her-denken maar her-schrijven en liever nog her-beleven. Niet her-beleven niet in de vorm van re-enactment, het strikt naspelen of uitbeelden ervan op een manier die de goedkering van Ranke zou dragen en die zou kunnen bijdragen aan Collingwoods her-denken. Nee, her-beleven door het verleden en vooral de actoren uit vroeger tijden hun tijd te laten her-denken met de opvattingen van nu. Dit om die voorvaderen ervan te doordringen dat ze toch echt fout bezig waren en niet zomaar fout, nee goed fout. Zij zeggen: ‘Let’s shape tomorrow today by remaking yesterday’. Zij weigeren het historisch perspectief te zien.               

Bij het vormgeven van ‘tomorrow’ moeten we het ‘today’ doen met twee dingen. Aan de ene kant onze kijk op ‘tomorrow’, de toekomst en bij die kijk op de toekomst moeten we het verleden niet als voorbeeld nemen, zo betoogt Popper met goede argumenten in zijn De open samenleving en haar vijanden. Aan de andere kant onze ervaringen van ‘yesterday’, ons verleden. Maar daar hebben we alleen wat aan als we bij het her-denken uitgaan van hoe het werkelijk is geweest. Hiervan zijn op onverwachte plekken voorbeelden te vinden. Neem bijvoorbeeld de muziek. Daarbij moeten we ons niet laten leiden door de waan van ‘today’. De band The Pogues geeft in enkele van hun liedjes goede voorbeelden. Neem hun songs Navigator en The band Played Walzing Mathilda.

Uitgelicht

Waarheid en feiten

Правда of ‘Waarheid’ zo heette de partijkrant van de communistische partij van de Sovjet Unie. Ten tijde van de Sovjet Unie was het de belangrijkste krant van het land. En, zoals de naam suggereert, was dat wat erin stond de ‘waarheid’. Tenminste, voor de inwoners van het grote Sovjetrijk. Trouwens ook partijkrant van de CPN, de Communistische Partij Nederland droeg die naam en publiceerde de ‘waarheid’, tenminste voor de aanhangers van die partij. Andere kranten publiceerden andere ‘waarheden’ en daarin verschilde Nederland van de Sovjet Unie. Dat land kende ook andere kranten zoals Известия, Izvestia wat ‘berichten’ of ‘mededelingen’ betekent, maar die kranten publiceerden in de Sovjettijd dezelfde waarheid als de Правда.

Bron: WikimediaCommons

Ik begin hierover omdat ik bij ThePostOnline een column las van het filosofisch ingestelde SP-kamerlid Ronald van Raak. “Je leert het op elke filosofiecursus, je leest het in elk filosofenblad: dé waarheid bestaat niet. Dat is gemakkelijk gezegd, maar wat betekent dat eigenlijk? Is dan niets, of juist alles waar? Of moet je gewoon zélf bepalen wat waar is en wat niet?” Zo begint Van Raak en legt vervolgens de link met de coronacrisis: “Denk aan de ‘bekende Nederlanders’ die de informatie over Corona niet willen accepteren en liever vasthouden aan hun eigen ‘viruswaarheid’. Niet zozeer gebaseerd op de gegevens van artsen of de argumenten van onderzoekers, maar vooral ingegeven door hun eigen wil en hun eigen gevoelens”. Denken dat, zo betoogt Van Raak, in navolging van de Duitse filosoof Nietsche, berust: “in de absurditeit van het leven,” en ons maakt tot: “Goden van het eigen gelijk.”  Een god van het eigen gelijk omdat Nietsche de filosoof was die God dood verklaarde waardoor de mens zijn eigen god werd. Dat lijkt Van Raak een erg kwetsbare positie: “ Want wat als jij toch geen gelijk blijkt te hebben, als dat wat jij vindt en voelt tóch niet waar blijkt te zijn? Wat blijft er dan nog over? Niet veel anders dan een vallen en een dolen door een oneindig niets.”

Zoals ik al eerder schreef heeft de mens verhalen nodig. Verhalen die mensen in groepen verbinden en dan ook meteen van andere mensen onderscheiden. God is zo’n verhaal voor mensen die niet voldoende hebben aan het antwoord dat paleontoloog John de Vos recentelijk gaf: “Er is een raar molecuul, het dna, dat afhankelijk van de omstandigheden een bepaalde vorm krijgt. De voortzetting daarvan is de zin. De rest is amusement.” Zo was of is ook het communisme zo’n verhaal. Wel een verhaal dat op een belangrijk punt verschilt van de ‘goddelijke komedie’. Zo wordt de communistische hemel op Aarde gesitueerd maar dan wel in de toekomst en dus net buiten bereik van de levende mens. 

Wat de ‘communistische’, de ‘goddelijke’ en de ‘viruswaanzinige’ waarheid gemeen hebben, is dat feiten er een ondergeschikte geringe rol in spelen. Een filosofiecursus leert je wellicht dat dé waarheid niet bestaat. Als het goed is leert diezelfde cursus je wel het verschil tussen theorieën en opvattingen of meningen aan de ene kant en feiten aan de andere kant. Want, om een bekend spreekwoord te verhaspelen: al is je waarheid nog zo snel, de feiten achterhalen haar wel.

Uitgelicht

Open vizier

Het tweejaarlijkse fotofestival BredaPhoto is dit jaar het middelpunt van een rel. Een van de bijdragen, het kunstwerk Destroy my Face van Erik Kessels, is na een actie van online activisten die zichzelf We Are Not a Playground  noemen, verwijderd. “De opstellers van de Engelstalige brief wilden anoniem blijven, omdat ze, zo verklaarden ze later, hun professionele leven niet in gevaar wilden brengen,” zo is te lezen in een artikel van Anna van Leeuwen in de Volkskrant. Een bijzondere wens.

File:Hide and seek game.jpg
Foto: Fatma Hasham (WikimediaCommons)

Wat is er aan de hand? Kessels werk bestond uit: “grote foto’s (…) van door algoritmen samengestelde gezichten van vrouwen (en een enkele man) die veel plastische chirurgie hadden ondergaan. Doordat erover geskatet zou worden, zouden de portretten beschadigd raken.” Dit was tegen het zere been van de actievoerders. De oproep van de actiegroep werd ondertekend door 2.444 personen. Een van de ondertekenaars, Alina Lupu hierover: “Het is een slap excuus om te zeggen dat die foto’s zijn samengesteld door algoritmen. Algoritmen discrimineren. En juist vrouwen ervaren de druk om er op een bepaalde manier uit te zien, en die druk komt vooral van mannen.” De actie van de groep heeft tot verontwaardiging in de ‘kunstwereld’ geleid. Kunstenares Tinkebell (Katinka Simonse) over de actie: “Ze denken dat ze de waarheid in pacht hebben, echt choquerend. Een kunstwerk weg willen halen is zwak. Dan zeg je: dit mag geen deel uitmaken van de kunstcommunity.” In die reactie kan de Ballonnendoorprikker zich vinden, maar daar gaat het nu niet om.

Het gaat mij erom dat de ‘opstellers anoniem willen blijven omdat ze hun professionele leven niet in gevaar willen brengen’. Een bijzondere redenering. De opstellers willen anoniem blijven om hun eigen carrière niet te schaden, maar hebben er geen moeite mee om de carrière van een ander, in dit geval Kessels, te schaden. Ik ben niet van de bijbel maar hierbij moet ik toch denken aan het gebod ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet’. Ook hebben ze er geen moeite mee om zich achter de 2.444 ondertekenaars te verschuilen. Ik vraag me trouwens af wie er een openbrief ondertekent terwijl de auteur of auteurs ervan er hun naam niet aan durven te verbinden. Of zouden de opstellers zich tussen de ondertekenaars verschuilen?

Beste actievoerders van We Are Not a Playground, als jullie een punt willen maken, je wilt verzetten tegen iets of iemand, ga je gang. Maar …, maak jullie namen bekend zodat Kessels en anderen weten met wie ze in gesprek kunnen gaan. Aan wie ze om een toelichting kunnen vragen. Of beter nog, ga eerst het gesprek aan met degene waarmee je van mening verschilt voordat je aan actie begint. Stop met, om het bij het spelen te houden, ‘verstoppertje spelen’ en strijd met open vizier. Als je werkelijk meent dat je voor de goede zaak strijdt, dan hoef je je toch geen zorgen te maken over je latere ‘professionele leven’?

Uitgelicht

Sympathy is what we need my friend

Recentelijk kwam, na ruim tweehonderdvijftig jaar, eindelijk de Nederlandse vertaling van The Theory of Moral Sentiment van Adam Smith uit. In het Nederlands vertaald als De theorie over morele gevoelens. Dat het iets na het midden van de achttiende eeuw uitkwam, wil niet zeggen dat het niet actueel kan zijn. En inderdaad, al redelijk in het begin (afdeling 1 hoofdstuk 4) kwam de actualiteit binnen en moest ik denken aan, om die moderne termen er maar eens in te gooien, echokamers en filterbubbels.

Eigen foto

Op de site Filosofie geeft Natascha Rietdijk een goede definitie van het begrip echokamer: “een situatie waarin jij je eigen mening steeds herhaald en bevestigd hoort. Dat echo-effect zorgt ervoor dat je nog overtuigder raakt van je eigen standpunt, waardoor ideeën snel kunnen radicaliseren” In de echokamer wordt het eigen gelijk en de eigen overtuigingen een dogma en straalt men, zoals Rietdijk schrijft: “een extreem scepticisme over de argumenten van buitenstaanders,” uit. Die echokamer wordt nog versterkt door het fenomeen filterbubbel, algoritmes van de zoekmachine die zich aanpassen aan jouw voorkeuren. Als jij en ik eenzelfde zoekwoord intypen dan krijgen we andere resultaten voorgeschoteld. Resultaten die zijn gebaseerd op onze eerdere zoekopdrachten en surfgedrag.  

Terug naar Smith. De eerste afdeling van zijn boek handelt over, om de titel aan te halen: “Het gevoel voor het moreel aangepaste”. Het centrale begrip is sympathie. Om de voetnoot van de vertaler aan te halen: “Smith gebruikt het woord ‘sympathie’ veelal in de betekenis die de etymologie van het woord suggereert: het is afgeleid van het Griekse werkwoord συμ-πάθεια dat letterlijk ‘mede-lijden’, ‘mede-ondergaan’ betekent.”  Volgens Smith is sympathie een kwestie van afstemming tussen de lijder en de mede-lijder. Afstemming die moet leiden tot harmonie. Smith: “Om deze harmonie te creëren leert de natuur de toeschouwers de omstandigheden van de directbetrokkenen tot de hunnen te maken, zoals ze de laatste leert zich in zeker mate in te leven in de toeschouwers. Zoals zij zich voortdurend verplaatsen in zijn situatie en aldus emoties vormen die lijken op wat hij voelt, zo verplaatst hij zich voortdurend in hun situatie en krijgt zodoende een idee van de mate van koelheid waarmee, zoals hij beseft, ze zijn lot bezien.” En dan komt het bijzondere in het betoog van Smith. Volgens Smith is het voor de gemoedsrust van de lijder beter om dit ‘afstemmen’ te doen met onbekenden. Sympathie die we bij vreemden constateren leidt, zo betoogt Smith, tot de grootste mate van gemoedsrust want: “wanneer we überhaupt meester over onszelf zijn, zal de aanwezigheid van een kennis ons werkelijk kalmeren, meer dan de aanwezigheid van een vriend, en de aanwezigheid van een gezelschap van vreemden weer meer dan die van een kennis.”  Sympathie van onbekenden zorgt, volgens Smith, voor meer gemoedsrust: “ten overstaan van hen dwingen we ons tot nog meer kalmte, en proberen steeds ons gevoel te verlagen tot het niveau waarvan we mogen verwachten dat het gezelschap waarin we verkeren zich ernaar kan voegen.”

Ik moest denken aan ‘echokamers’. Daar kom je gelijkgestemden tegen. Gelijkgestemden waarmee je je gevoel veel minder hoeft te verlagen en je dus veel makkelijker hoog in je emotie blijft zitten. Daarvan zien we vele voorbeelden. We zien ‘kamers’ die ons land als door en door racistisch zien en ook ‘kamers’ waar men in iedereen die van elders komt een vijand ziet. Echokamers die worden versterkt door filterbubbels. Zo is er ook een ‘kamer’ die het coronavirus ontkent. In die bubbel gebruikt de overheid het ‘spookvirus’ om onze vrijheden af te nemen. Die ‘kamer’ deed deze week van zich spreken via #ikdoenietmeer mee. Een hoog emotionele actie.

De nasleep van die actie liet een mooie bevestiging zien van het denken van Smith: de uitzending van Jinek met ‘influencer’ Famke Louise. Eerst gaat Jinek met veel emotie het gesprek met Famke Louise aan.  Ze wast haar min of meer de oren, maar tot een echt gesprek komt het niet. Een schoolvoorbeeld van twee personen die hoog in hun eigen waarheid zitten en zich niet in elkaars positie probeerden in te leven. Ze probeerden niet mee-te-lijden.

Gelukkig zat ook ic-specialist Diederik Gommers aan tafel. Gommers ‘verlaagde zijn gevoel’ en ging op een kalme manier opzoek naar contact met Famke Louise. Gommers verplaatste zich in haar situatie en dat maakte dat Famke Louise hetzelfde deed. Ze kwamen, om Smith aan te halen, op: “het niveau waarvan we mogen verwachten dat het specifieke gezelschap waarin we verkeren zich ernaar kan voegen.” Een niveau waarnaar het gros van de Nederlandse samenleving zich kan voegen. Een niveau waarbij we met elkaar mee-lijden. Een prachtig voorbeeld van Smiths theorie dat sympathie voor onbekenden voor meer gemoedsrust zorgt. Helaas zijn  dergelijke voorbeelden tegenwoordig zeer schaars.   

Uitgelicht

Prestatiebeloning

“Wat als je de slechtst presterende 10 procent medewerkers in een organisatie zou vervangen door de beste 10 procent? In het bedrijfsleven levert het 4 tot 5 procent meer productie op.” Hiermee opent een interview van Wouter Boonstra met hoogleraar internationale economie Harry Garretsen in Binnenlandsbestuur. Hoe kun je tien procent van je slechtste medewerkers vervangen door tien procent van je beste medewerkers, die beste medewerkers heb je toch al in huis? Nu zal Garretsen het zo niet bedoelen. Het gaat mij om een andere passage in het interview. Ik lees er: “dat de helft van de werknemers in de publieke sector met liefde een deel van de salarisstijging opgeeft voor een prestatie-afhankelijke bonus. Onder de jongeren tot 45 jaar was het percentage voorstanders van een bonus zelfs 60 procent.” Zou die helft en de zestig procent van de jongeren tot 45 zich realiseren wat ze willen? Bij een prestatiebeloning word je beloond naar wat je presteert.

gras, fabriek, veld-, prairie, bloem, eten, gewas, biologie, landbouw, groenten, prei, allium, bebouwbaar, bloeiende plant, triticale, prei kas, allium ampeloprasum, gras familie, landplant, phragmites, prei veld, prei groeien, allium porrum, breedband prei, winter prei, Welsch ui, wicked prei, spaans ui, Asch prei, ui vlees, Ackerl auchs
Bron: pxhere.com

Mijn eerste schreden op de arbeidsmarkt zette ik als elfjarige in de ‘grote vakantie’ op een akker waar prei moest worden gepoot. Het salaris was een typisch voorbeeld van ‘prestatiebeloning’. Het werd bepaald door de hoeveelheid rijen die je pootte. En voor mij leek er geen einde aan zo’n rij te komen dus dat salaris viel wat tegen in vergelijking met wat oudere kinderen met meer ervaring in het poten van prei. In die tijd werd het salaris van veel van dergelijk seizoenswerk bepaald aan de hand van je prestatie: zoveel cent per kilo aardbeien of asperges. Na enkele jaren was ik erg bedreven in dergelijke werk. Alleen waren de tuinders toen overgestapt op een salaris per uur.

Prestatiebeloning is bedoeld als een prikkel waardoor de werknemer harder gaat werken. Bij het preipoten was het heel eenvoudig: poot je de meeste rijen dan verdien je het meeste. De tuinder weet vooraf precies hoeveel geld hij kwijt is aan het poten van de prei. Namelijk het aantal rijen maal de prijs per rij. De poters weten vooraf niet wat ze verdienen. Hun verdienste hangt namelijk af van de prestatie van hun collega’s. Om het cru te zeggen profiteren de snelsten van de langzaamste. De snelsten kunnen immers meer doen omdat de langzaamste minder doen. Als de tuinder zijn prei sneller in de grond zou willen hebben, dan zou hij bijvoorbeeld de langzaamste helft van de poters kunnen vervangen door poters die even snel zijn als zijn snelste helft. Zijn kosten zouden gelijk blijven, de prei zou eerder in de grond staan en … de poters zouden per persoon minder verdienen. De snelheid van de gemiddelde poter neemt immers toe waardoor er per ‘poter’ minder rijen gedaan kunnen worden.

De publieke sector is geen tuinderij waar prei moet worden gepoot. Voor die vijftig en zestig procent van de voorstanders van prestatiebeloning is het goed om toch eens wat beter naar die akker met prei te kijken. Als we bijvoorbeeld kijken naar de gemeentelijke begroting dan zien we dat daar een bedrag in is opgenomen voor het salaris van de ambtenaren. Zoveel geld is er per jaar beschikbaar voor salaris. Dat bedrag is gefixeerd. Het is de te vergelijken met de akker van de preiteler, die heeft een vast oppervlak. Hoe dat bedrag voor salarissen in de gemeentelijke begroting wordt verdeeld, staat nu vooraf vast. Ambtenaren zijn op een bepaald salarisniveau ingeschaald. Ze weten van tevoren wat ze krijgen. Stel we gaan de kant van de prestatiebeloning op en een deel van het ambtenarensalaris wordt ‘prestatieafhankelijk’. Dan wordt hetzelfde bedrag op een andere manier verdeeld over de ambtenaren. Zouden die vijftig en zestig procent hier allemaal van profiteren?

Laat ik eens een voorbeeld uitwerken. Een bedrijf of gemeente heeft 200 medewerkers die nu allemaal 100 verdienen. Dit betekent dat er 20.000 aan salaris beschikbaar is. Stel we gaan nu een vijfde verdelen op basis van prestatie. Dan is er 16.000 als basissalaris beschikbaar, dus 80 per persoon en zit er 4.000 in de ‘prestatie-pot’. Presteren doe je als je meer dan gemiddeld produceert. Dit betekent dat je alleen als je tot de beste 50% behoort, in aanmerking komt voor een prestatiebonus. Verdeel je die ‘prestatie-pot’ recht evenredig over de 100 meer dan gemiddeld presterende medewerker, dan ontvangen die ieder 40 extra en hebben ze een inkomen van 120. Dan ga je ervan uit dat de best presterende vijftig allemaal evenveel presteren. Maar hoe ‘prestatie belonend’ is het als je iemand die net iets meer dan gemiddeld presteert evenveel bonus toekent als de allerbest presterende? Om ook daar de prestatie leidend te laten zijn, maken we een staffeling. We verdelen die bovengemiddeld presterende 50% in vier even grote groepen van 25 personen. Het best presterende kwart van die 50% krijgt 40% van de ‘prestatie-pot, dus 1.600, het tweede kwart 30% en dus 1.200, het derde kwart 20% of te wel 800 en het laatste kwart 10% en dus 400. Alhoewel ook weer niet helemaal ‘prestatie-belonend’, verdelen we de delen van de pot recht evenredig over de groepen. Wat zien we dan? Dan zien we dat de slechts presterende 100 medewerkers per persoon 80 verdienen. De 25 (12,5%) net boven gemiddelde scorende medewerkers verdienen 80 plus een bonus van 16 (400 gedeeld door 25). De volgende 25 verdienen 80 plus een bonus van 32 (800 gedeeld door 25). De op een na best presteerden 25 verdienen 80 plus een bonus van 48. De best presterende 25 medewerkers verdienen 80 plus een bonus van 64.

Anders dan de tuinder die zijn akker sneller gepoot wilde hebben, vervangt dit bedrijf of gemeente, niet die minst presterende medewerkers. Tenminste niet bewust, maar dat wil niet zeggen dat onbewust niet hetzelfde gebeurt. Van de ene kant zullen de minst presterende medewerkers wellicht ander werk zoeken omdat hun beloning vermindert. Ze krijgen nu immers nog maar 80 terwijl het eerst 100 was. Aangelokt door de bonus, zal hun plek worden ingevuld door ambitieuze lieden die verwachten tot de best presterende medewerkers te horen. Als dat zo is, dan stijgt de gemiddelde productie en dus de norm waaraan je moet voldoen om voor een bonus in aanmerking te komen.

In dit voorbeeld gaat meer dan 60% van de medewerkers achteruit in salaris. Dat betekent dat ook een deel van de voorstanders van prestatiebeloning het met minder zal moeten doen dan ze nu krijgen. De productiviteit van het bedrijf of de gemeente stijgt en dat is positief. Snellere ‘poters’ zorgden ervoor dat de prei van de tuinder sneller was gepoot en de poters eerder naar huis konden tegen dezelfde arbeidskosten voor de tuinder. Anders dan de akker van de tuinder, is het werk bij een gemeente oneindig. Via de prestatiebeloning gebeurt immers meer voor hetzelfde geld, de ‘gemeentelijke poters’ gaan niet eerder naar huis, ze doen meer in dezelfde tijd. Dat is positief voor het bedrijf of gemeente, maar is het ook goed voor de werknemers? Ze moeten steeds harder werken voor hetzelfde of minder geld. Harder en meestal ook langer. Een tweede, vooral voor de minder productieve medewerkers interessante, manier om je ‘prestatiebonus’ te halen, is door meer tijd aan het werk besteden. Door langer te gaan werken. Zouden de vijftig en zestig procent voorstanders van prestatiebeloning zich dit allemaal realiseren? Ik waag het te betwijfelen.

Uitgelicht

Probleem van de vluchteling

Het kan niemand zijn ontgaan dat het vluchtelingenkamp Moria op Lesbos door branden grotendeels is verwoest. Toch heeft die brand relatief weinig commotie en verontwaardiging veroorzaakt. In het programma De Vooravond geeft jurist en auteur Roxane van Iperen een goede verklaring voor dit gebrek. Volgens haar is het een gevolg van een proces van ontmenselijking van de vluchtelingen. Een interessante verklaring waarbij ik moest denken aan het boek  Het kwaad. De psychologie van onze duistere kant van Julia Shaw. Eerst het proces van ontmenselijking van Van Iperen.

Eigen foto

Een proces dat begon met het afschuiven van het probleem naar ‘de regio’, waar de vluchteling moet worden opgevangen. Een regio waartoe Nederland nooit hoort. Zelfs niet als het wel het geval is, zoals in het geval van de Venezolaanse vluchtelingen die naar de Antillen vluchten. Dan moeten de grenzen dicht. Vervolgens worden vluchtelingen ‘gelukzoekers’, niet op zoek naar veiligheid maar uit op ‘onze welvaart’. Die Gelukzoekers die samen een ‘tsunami’ vormen die ons ‘overspoeld’. Vervolgens worden het terroristen, verkrachters enzovoort. Zo wordt een maatschappelijk ‘probleem’ vakkundig buiten ons geplaatst. En toen moest ik aan Shaw denken. In haar zoektocht naar, en verklaring van het kwaad kan zij niet om nazi-Duitsland heen. Shaw haakt aan bij de levensgeschiedenis van Martin Niemöller. Niemöller begon als aanhanger van Hitler, maar toen hij zag hoe funest de nazipolitiek uitpakte verzette hij zich en belandde uiteindelijk in concentratiekampen. Niemöller is de dichter van een van de bekendste protestgedichten:

Eerst kwamen ze voor de socialisten en ik zei niets. 
Omdat ik geen socialist was.
Toen kwamen ze voor de vakbondsleden en ik zei niets.
Omdat ik geen lid was.
Toen kwamen ze voor de Joden en ik zei niets.
Omdat ik geen Jood was.
Toen kwamen ze voor mij, en er was niemand over
om voor mij iets te zeggen.

Nazipolitiek die ook begon met het ontmenselijken van anderen en hen te benoemen als Untermenschen.  Tegenstanders die vervolgens één voor één werden uitgeschakeld op een manier die Niemöller in zijn gedicht beschrijft. Shaw over deze uitspraak: “Voor mij maakt hij duidelijk hoe gevaarlijk het is de problemen van de maatschappij als de problemen van iemand anders te zien. Het gaat over de medeplichtigheid die het gevolg is van niets doen. En we vragen ons af waarom we zo vaak niets doen als anderen om ons heen lijden.”

Het Nederlandse beleid rond vluchtelingen maakt een maatschappelijk probleem, een probleem van de wereldgemeenschap, tot een probleem van anderen: die moet zijn eigen ellende oplossen en ‘ons’ er niet mee lastig vallen. Of die ander nu een Syriër is die een veilig heenkomen zoekt voor de burgeroorlog in zijn land of een land als Griekenland dat ‘toevallig’ in de regio ligt en dus de ellende maar moet oplossen. Dus daarom doen ‘we’ (de Nederlandse regering) zo vaak niets. Ook nu weer. Ja, er wordt naarstig overlegd door de regeringspartijen om tot een ‘oplossing’ te komen. Een ‘oplossing’ die niets oplost behalve dat ze de ‘vrede’ in de coalitie handhaaft.

Een debat dat draait om het ‘vluchtelingenprobleem’, de eventuele problemen die vluchtelingen hier kunnen veroorzaken. En om die problemen te voorkomen, wordt de deur dicht gehouden. Een oplossing die tot situaties leidt zoals op Lesbos, enkele andere Griekse eilanden maar ook in Italië. Een oplossing die ervoor zorgt dat de kosten van een tocht naar Europa zeer hoog worden. Een paar duizend euro voor een ‘boottocht’ naar Lesbos terwijl je voor nog geen € 150 van Turkije naar Amsterdam kunt vliegen. Een oplossing die ervoor zorgt dat mensen in gammele bootjes proberen in Europa te komen. Een oplossing die geen oplossing is.

Waarom vlucht iemand? Een hek om Syrië zetten, maakt het binnen dat hek niet veiliger. Een ‘gesloten deur’ voor economische vluchtelingen, maakt niet dat de economische situatie in het land van vertrek verbetert. Die oplossing is alleen te vinden als we in plaats van het ‘vluchtelingenprobleem’ het ‘probleem van de vluchtelingen’ centraal stellen. Als de veiligheid ‘binnen het hek’ wordt verbeterd, als de economische situatie in het land van vertrek verbetert, pas dan wordt er gewerkt aan het probleem van de vluchteling. Als we dat doen zal het huidige ‘vluchtelingenprobleem’ voor het grootste deel verdwijnen.

Shaw vraagt zich af hoe ‘Hitler’ mogelijk werd. Daarbij onderscheidt zij verschillende soorten medeplichtigen. Als eerste de ‘omstanders: “degenen die niet in de ideologie geloofden en niet betrokken waren bij de nazipartij, maar die getuigen waren of wisten van de wreedheden en niet optraden.” Als tweede de groep die: “in de retoriek geloofden, die geloofden dat ze de wereld door middel van een etnische ‘schoonmaak’ hielpen verbeteren en wier overtuigingen en optreden bij elkaar pasten.” Als laatsten: “degenen die niet in de nazi-ideologie geloofden, maar die het gevoel hadden zat ze geen andere keus hadden dan zich bij de nazipartij aan te sluiten of die geloofden dat een lidmaatschap hun persoonlijke voordelen opleveren.” De Ballonnendoorprikker wil niet behoren tot de medeplichtigen. Daarom laat hij zijn stem horen. Of beter, laat hij zijn toetsenbord spreken.

Uitgelicht

Dictatuur van de minderheid

Bij de Kanttekening stuurt Kiza Magendane een ‘liefdesbrief’ aan de voorstanders van zwarte piet. Hij houdt ze, vanuit zijn ervaring als vluchteling, voor dat er leven is na het verlies van iets dierbaars. En mochten de voorstanders van zwarte piet het nodig hebben: “Als de coronacrisis is afgelopen, kunnen jullie bij mij een gratis knuffel ophalen,” aldus Magendane. Nu gaat het mij niet om die knuffel en ook niet om  zwarte piet. Het gaat mij om de zin: “Als de minderheid regelmatig hiertegen bezwaar aantekent, dan is het aan de meerderheid om zich aan te passen. Het gaat om een kwestie van beschaving.” Inderdaad is rekening houden met elkaar een kwestie of teken van beschaving. Maar is het daarbij altijd aan ‘de meerderheid’ om zich aan te passen?

Alexis de Toqueville. Bron: WikimediaCommons

Nu kan ik Magendane in het geval ‘zwarte piet’ volgen. Bezwaar tegen het uiterlijk van ‘piet’ en het gevoel dat dit mensen geeft, is aanleiding voor een goed gesprek. Een gesprek dat ertoe leidt dat ‘piet’ wordt aangepast. Dat wordt lastig als ‘piet’, zoals dat door sommigen gebeurt, tot het fundament van de Nederlandse samenleving wordt gemaakt. Dat fundament draagt dan immers het geheel. Zo zijn er meer kwesties waar een minderheid tegemoet kan worden gekomen door een aanpassing. Dit omdat ze niet tot de fundamentele waarden van onze samenleving behoren.

Er zijn echter ook zaken waar de meerderheid voet bij stuk moet houden en het de minderheid is die zich aan moet passen. Bij zaken die wel raken aan de fundamentele waarden van onze samenleving lijkt het mij niet verstandig dat de meerderheid zich aanpast aan bezwaren van een minderheid. Zo lijkt het mij niet dat we onze wetgeving moeten aanpassen aan wensen van religieuze fanaten die de wet van hun god boven de Nederlandse wet willen plaatsen. Het lijkt mij niet dat we toe moeten geven aan minderheden die vrouwen ondergeschikt vinden aan de man. Die mensen die houden van iemand van hetzelfde geslacht als minder zien of nog erger.

In een democratische samenleving worden besluiten genomen op basis van een meerderheid van stemmen. Dit zou, daar waarschuwde Alexis de Toqueville in de negentiende eeuw al voor, kunnen leiden tot een dictatuur van de meerderheid. Daarom wordt de eerste zin van deze alinea vaak aangevuld met ‘en houdt daarbij rekening met de belangen van de minderheid’. ‘Rekening houden met’ is echter niet synoniem aan ‘zich aanpassen’. Niet ieder bezwaar, ook niet als het geregeld door een minderheid wordt geuit, hoeft te leiden tot een meerderheid die zich aanpast. Als een meerderheid zich steeds zou moeten aanpassen aan bezwaren van een minderheid, is er dan niet sprake van een ‘dictatuur van de minderheid’?

Uitgelicht

Handen en voeten, armen en benen

“Anders dan een chimpansee of gorilla kunnen wij met ons uiterst beweeglijke polsgewricht een voorwerp ook zo vasthouden dat het onze onderarm verlengt. Op die manier is de kracht van een klap veel groter. Bovendien zijn tegenstanders of gevaarlijke dieren zo op afstand te houden en kunnen we door gebruik te maken van de volledige hefboomkracht botten verbrijzelen.” Aan die passage uit het boek Hoe we mensen werden van Madeleine Böhme, Rudiger Braun en Florian Breier moest ik om twee redenen aan denken.

Honkbal speler vector ontwerp - Download Free Vectors, Vector Bestanden,  Ontwerpen Templates
Bron: Vecteezy.com

In mijn vrije tijd ben ik coach van het pupillen honkbalteam van de Mustangs in Venlo. Een leuke bezigheid omdat je probeert jongens en meisjes van tien tot twaalf jaar de kneepjes van het honkbal te leren. Honkbal lijkt eenvoudig: je slaat met de knuppel de bal weg en rent. En sta je in het veld dan vang je de bal en gooi je die naar waar die naar toe moet. Maar waar moet die naar toe? Dat moet je bepalen voordat je de bal krijgt. Als je pas gaat denken als je de bal krijgt, dan ben je te laat. Het gros van mijn team speelt nu bijna een half jaar en dat is vrij kort. Als coach is het bijzonder leuk en bevredigend om te zien dat de kinderen leren van de trainingen. Dat ze de goede keuzes maken ook al mislukt het vaak nog omdat het gooien en vangen toch moeilijker is dan gedacht. Maar vooral het enthousiasme van de kinderen is aanstekelijk. De blijdschap en lach op hun gezicht als het lukt.

De tweede reden waarom ik hieraan moest denken is een video op Youtube van de Britse tienjarige Nandi Bushell. Of eigenlijk een serie video’s. Nandi speelt de drums en doet dat op een zeer hoog niveau. Daarom daagde ze Dave Grohl, de drummer van Nirvana en voorman van de Foo Fighters uit tot een ‘drumbattle’. Grohl accepteerde en kon het niet laten om Nandi weer terug uit te dagen. Wat mij naast het onmiskenbare talent van Nandi nog meer opvalt, is haar aanstekelijke enthousiasme. Enthousiasme dat ik herken bij mijn pupillen.

Het polsgewricht is zowel bij honkbal als bij drummen van cruciaal belang. Daardoor kan een honkballer de knuppel als hefboom gebruiken. Dat ‘verlengen van onze onderarmen’ zorgt er mede voor dat de gemiddelde kracht die de honkbalknuppel op de bal uitoefent, is te vergelijken met 1.800 kilogram en de totale kracht gedurende de hele slag met zo’n 3.700 kilogram. Mede, omdat een goede slagman met zijn hele lijf slaat. Zonder die hefboom blijft er van dat slaan met je hele lichaam niets over. Maar ook bij het vangen en vooral het gooien van de bal, vervullen de polsgewrichten een belangrijke rol. Drummen zou zonder dat beweeglijke polsgewricht onmogelijk zijn. Bij het drummen niet zozeer vanwege de grotere kracht die ermee kan worden uitgeoefend, maar veeleer vanwege de beweeglijkheid en souplesse van het gewricht. Die maken het mogelijk om in een veel hoger tempo te drummen dan een chimpansee zou kunnen.

Die soepele polsgewrichten en onze handen, zijn volgens Böhme en haar mede auteurs een van de voorwaarden voor het succes van de menselijke soort. Ze maken een fijne motoriek mogelijk die voor alle andere diersoorten op deze planeet onhaalbaar is. Die handen konden zich echter pas zo ontwikkelen nadat we op twee benen gingen lopen.

Hoeveel dieren lopen er permanent op twee benen? Naast de mens, een paar vogels zoals de struisvogel, de emoe en de kip, valt mij alleen de kangoeroe in. Al lijkt het voortbewegen van de kangoeroe niet echt op lopen. Het dier springt waarbij het zich afzet met de twee achterpoten en daar ook weer op land. Lopen op twee benen is zeldzaam. Toch zijn wij Homo Sapiens niet de eerste mensensoort die op twee benen liepen. Die eer komt de Australopithecus afarensis toe. Een mensensoort dat zo’n 3,2 miljoen jaar geleden op de aardbol rondliep. Nou ja, aardbol, ergens in wat we nu Ethiopië noemen. Dat weten we door Lucy, de eerste Australopithecus afarensis die werd gevonden. De journalist en cabaretier Tom Phillips (hij studeerde archeologie, antropologie en geschiedenis) beschrijft het in zijn boek De Mens. Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups als volgt: “Lang, lang geleden, toen de zon op een dag opging boven de weidse rivierdalen en vlakten van Ethiopië, hing een jonge mensaap wat rond in een boom. Wat ze die dag precies dacht of deed zullen we wel nooit weten. Waarschijnlijk zat ze te bedenken hoe ze iets te eten kon vinden, of een partner, of misschien tuurde ze nieuwsgierig naar de boom ernaast om te kijken of dat een betere boom was. Ze wist hoe dan ook niet dat de gebeurtenissen van die dag haar het beroemdste lid van haar soort zou maken, en zelfs als je haar dat op een of andere manier kon vertellen, dan nog zou het concept ‘roem’ haar niets zeggen. Ze wist ook niet dat ze in Ethiopië zat, want dit alles gebeurde miljoenen jaren voordat iemand op het lumineuze idee kwam om lijnen op een kaart te tekenen en de aldus ontstane vormen namen te geven waar we oorlog om konden voeren.” Wat die jonge mensaap zo bijzonder maakte, was dat zij en haar soortgenoten iets andere heupen en benen hadden dan andere mensapen. Dit maakte het voor hen mogelijk om te lopen. Waarom werd deze Lucy zo beroemd? Phillips vervolgt: “Toen viel ze uit de boom en was op slag dood.”  Dat maakt haar niet speciaal. Het volgende wel: “Pak ‘m beet 3,2 miljoen jaar later zou een andere groep mensapen – deels inmiddels in bezit van een doctorstitel – haar gefossiliseerde botten opgraven. Omdat het in de jaren zestig gebeurde en ze op dat moment luisterden naar een populair liedje van een tamelijk stonede groep Liverpoolers, besloten ze haar Lucy te noemen. Ze was een gloednieuw soort – de soort die we nu Australopithecus afarensis noemen  – en ze werd ingehaald als de ‘missing link’ tussen mensen en apen.”

Lucy en haar soortgenoten bewogen zich op twee benen voort, maar daar was ook alles mee gezegd. Tenminste, als we haar lopen vergelijken met ons huidige lopen. Er waren nog een paar miljoen jaar evolutie nodig om die heupen, benen en de rest van het lichaam zo ‘aan te passen’ voor we ons ‘hemerodromen’ konden noemen. Een woord dat Böhme en haar co-auteurs gebruiken: Hemerodromen of ‘daglopers’ heetten in het klassieke Griekenland de ijlbodes die in enkele uren grote afstanden konden afleggen om belangrijke berichten over te brengen. De beroemdste ijlbode was Pheidippides. Om hulp te vragen voor de op handen zijnde slag tegen de Perzen bij Marathon stuurde veldheer Miltiades hem in 490 v. Chr. van Athene naar Sparta. Volgens de overlevering legde Pheidippides de 246 kilometer lange afstand in nog geen twee dagen af – een bijna ongelofelijke prestatie. Waarom werd er geen paard gestuurd?” Een interessante vraag, een paard rent veel sneller. Gelukkig geven ze ook het antwoord op deze vraag. De mens is de meest efficiënte duurloper op deze aardbol. Pheidippides liep 246 kilometer in twee dagen door bergachtig terrein. Dat wij veel langer kunnen rennen dan welk dier dan ook hebben we aan ons vermogen tot zweten te danken: “Ook veel andere zoogdieren kunnen zweten, maar in vergelijking met mensen hebben ze maar weinig zweetklieren en vaak bovendien een isolerende vacht. Daarom moeten ze met hun tong uit de bek hijgen, overtollige warmte via hun vergrote oren afgeven, door de modder rollen of een bad nemen om hun lichaam effectief af te koelen. Lange afstanden achtereen rennen is voor dieren daarom vaak levensbedreigend, en precies van die situatie maakt de mens al miljoenen jaren gebruik tijdens de drijfjacht. Zolang wij voldoende drinken om het verlies aan vocht en mineralen als gevolg van transpiratie aan te vullen, kunnen we zelfs bij grote warmte urenlang blijven rennen.”  En laat die benen nu ook belangrijk zijn bij zowel honkbal als drummen.

Uitgelicht

’n Man, ’n vrouw

“Een harde boodschap voor mensen zonder kinderen.” De conclusie van interviewer Fokke Obbema in een gesprek in de Volkskrant met paleontoloog John de Vos. Die conclusie volgt op: “klopt,” het antwoord dat De Vos geeft op de vraag: “Leiden mensen die zich niet voortplanten dan geen zinvol leven.” Volgens De Vos is de enige zin van het leven de voorplanting: “Er is een raar molecuul, het dna, dat afhankelijk van de omstandigheden een bepaalde vorm krijgt. De voortzetting daarvan is de zin. De rest is amusement.” Een heel ander antwoord dan de schoolcatechismus gaf.

Nu was de vraag die in die schoolcatechismus werd gesteld iets specifieker. Die vroeg niet naar de zin van het leven in het algemeen, maar naar de zin van het menselijk leven. Op de eerste vraag ‘waartoe zijn wij op aarde’ volgde het antwoord ‘Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn.’ En omdat de tijd hier kort is en in het hiernamaals lang, was het geluk hier ondergeschikt aan het geluk in het hiernamaals. Zeker omdat het niet goed dienen van god je een plek in de hel of het vagevuur kon bezorgen en dat scheen geen pretje te zijn. Voor wie daar meer over wil weten, de Goddelijk komedie van de dertiende-eeuwse Florentijnse dichter Dante Alighieri beschrijft de reis die je na je dood maakt. De islam kent een soortgelijk geloof in een hiernamaals en je plek daar wordt bepaald door wat je tijdens je leven op Aarde doet.

Ook de oude Romeinen geloofden in een hiernamaals, het Elysium, de plek waar de gelukzaligen vertoefden. Maar daar waar de christenen daarvoor naar boven, naar de hemel, keken, bevond het Elysium zich in de onderwereld. En net als de christelijke hemel, werd je toegang tot het Elysium bepaald door je daden in het aardse leven. Generaal Maximus gespeeld door Russel Crowe refereert daar in de film Gladiator aan in zijn toespraak tot zijn ruiters voor de ‘laatste slag’ met de Germanen: “Three weeks from now, I’ll be harvesting my crops. Imagine where you will be, it will be so. Hold the line! Stay with me. If you find yourself alone riding in green fields with the sun on your face, do not be troubled for you are in Elysium. And you’re already dead.”

Dan zijn er nog mensen die geloven dat de ziel van ieder leven, wat dat ook moge zijn, steeds weer een nieuwe ‘vleselijke gedaante’ aanneemt. Vandaar de naam hiervoor reïncarnatie. Wat die ziel in dat vleselijke omhulsel doet, bepaalt de vleselijke vorm in een volgende cyclus. Die vorm kan hoger of lager zijn dan de vorige. Als de ziel het almaar goed blijft doen, wordt hij of zij bevrijd van het aardse leven en wordt dit ingeruild voor een eeuwig leven met god. Als we dit vergelijken met de christelijke hemel en hel, dan kun je zeggen dat leven op Aarde een hel is waaraan je als ziel kunt ontsnappen door goed te leven.

Nadenken over de zin van leven in het algemeen en het eigen in het bijzonder, is een typisch menselijke activiteit. Het is iets wat we gratis meegeleverd hebben gekregen met de evolutionaire ontwikkeling van onze hersenen. Zoals ik in een recente Prikker schreef, kunnen wij ons zaken voorstellen die er niet zijn. Wij kunnen ons een reis naar Mars verbeelden. Wij zijn meesters in het verzinnen van ficties die voor ons zo feitelijk en reëel zijn als een boom of een steen. Dat voorstellingsvermogen is een uniek menselijke kwaliteit. Dit voordeel komt echter wel met een nadeel. Dat nadeel is dat wij ons ook de vraag kunnen stellen wat er na onze dood komt? Een vraag die bij velen onzekerheid oproept. Die onzekerheid kan dan weer worden weggenomen door dat ‘unieke voordeel’. Dat verbeeld zich dan een hemel, Elysium of reïncarnatie. Een fictie die voor de aanhangers ervan weer net zo feitelijk is als een boom.

En dat brengt mij bij Rowwen Hèze. Een van hun eerste liedjes ging precies over de zin van het leven. In het lied ’n man, ’n vrouw komen ze tot dezelfde conclusie als De Vos: het draait om de voortplanting en de rest is amusement. Ze verpakken het wel wat beter:

’n Man ‘n vrouw en unne groete pot beer,
’n akordeon en ’n bitje pleseer,
‘n Man ‘n vrouw en une groete pot beer,
dat is al wat er is, leg ow dor maar beej neer,
oohh leg ow dor maar beej neer.

Uitgelicht

Eenoog of vijftien pakken koekjes

“Je hoeft voorlopig geen koekjes meer mee te nemen. Er liggen nog vijftien pakken in de kast.” Dit krijg ik soms te horen. Nee, niet altijd over koekjes, het onderwerp kan variëren. Ik krijg dat te horen omdat ik in ons huishouden meestal de wekelijkse boodschappen doe. Hiervoor maak ik nooit lijstjes, ik neem iedere week ongeveer hetzelfde mee. Alleen bijzondere zaken staan op een lijstje. Nou ja lijstje, een foto van ons memobord waarop we die zaken, zoals afwasmiddel of koffie, schrijven. Ik moest hieraan denken toen ik de kop van een advertentie las die in de Volkskrant voorbij kwam: ‘Kinderen zullen niet eens weten dat Internet of Things bestaat’. Met een op het internet aangesloten voorraadkast, zou dat nooit gebeuren.

Eigen foto

‘Internet of Things’ met hoofdletters geschreven om het nog belangrijker te maken. Wikipedia geeft de volgende omschrijving: “Het internet der dingen (Engels: Internet of Things (IoT)) refereert aan de situatie dat door mensen bediende computers (desktops, laptops, tablets, smartphones) in de minderheid zullen zijn op het internet. De meerderheid van de internetgebruikers zal in deze visie bestaan uit semi-intelligente apparaten, zogenaamde embedded systems. Alledaagse voorwerpen worden hierdoor een entiteit op het internet, die kunnen communiceren met personen en met andere objecten, en die op grond hiervan autonome beslissingen kunnen nemen.”  De promotors van het Internet of Things laten het woord semi voor intelligent weg en verengelsen het tot ‘smart’. Een ‘smart’ voorraad- en koelkast die samen het boodschappenlijstje maken en het naar mij zenden, dat zou handig zijn. Of nog een stap verder. Die het lijstje naar de supermarkt, slager en bakker stuurt die de boodschappen dan thuis komen bezorgen. Of niet?

Dat ‘thuisbezorgen’ zou me tijd schelen. Tijd waarin ik een Prikker kan schrijven. Nu is tijd vinden om een Prikker te schrijven niet zo’n probleem. Als het idee er is, volgt de tijd vanzelf. Bij dat thuisbezorgen zou ik het contact en de gesprekken met winkelmedewerkers missen. De leuke gesprekken met de medewerkers bij Scharrelslagerij Hamans of met de medewerkers van Bakkerij Rutten. En ook de gesprekjes met de andere klanten. Gesprekjes die ervoor zorgen dat ik ‘weet wat er binnen de ‘stam’ leeft’ om een citaat van Yuval Noah Harari dat ik in een recente Prikker gebruikte, te parafraseren. Gesprekjes die trouwens ook soms stof leveren om over te schrijven. Als ik de plus van de tijdwinst afzet tegen deze sociale winst, dan kies ik voor de sociale winst. Wat dat betreft ben ik het met ‘oma Muriel’ uit de serie Years and Years eens, waarover ik in de vorige Prikker schreef, dat ‘wij verantwoordelijk zijn voor de wereld die we bouwen.’

Dan het lijstje maar naar mezelf sturen zodat alles er is en er geen ‘vijftien pakken koekjes’ meer in de kast liggen? Dat zou enige meerwaarde kunnen hebben. Al vraag ik me wel af of die ‘vijftien pakken koekjes’ opwegen tegen een apparaat dat gegevens over ons huishouden verzamelt en waarvan ik niet weet met wie die gegevens allemaal gedeeld worden. Ik weet niet of ik erop zit te wachten dat de fabrikant van de koelkast en de maker van de erin verwerkte hard- en software te weten komt welke zaken ik eet en drink en deze vervolgens doorverkopen aan anderen. Nee, dan liever eens per maand een boodschap dat er nog ‘vijftien ….’ liggen en dat ik die voorlopig niet meer mee hoef te nemen.

Zo zit ik ook niet te wachten op andere ‘smart’ apparaten die mij ‘adviseren’ en ondertussen mijn leven volgen en delen met bedrijven en overheden. Een ‘smart’ wc-pot die je grote en kleine boodschap analyseert en je in een vroegtijdig stadium meldt dat je iets mankeert, klinkt geweldig en kan levens redden. Toch zie ik ervan af omdat ik niet weet wie die gegevens nog meer krijgt. En al wist ik het, dan weet ik nog niet of ik alles wil weten. Ik weet niet of ik nog rustig op het toilet zou zitten als er een kans is dat je kleine of grote boodschap wordt gevolgd door een minder prettige boodschap. Nee, een ‘smart home’, ja ook de woorden achter ‘smart’ worden bij voorkeur verengelst, waarin allerlei apparaten verbonden zijn met internet en ik van afstand kan inloggen op het beveiligingssysteem, de temperatuur kan regelen en alvast de wasmachine kan aanzetten, is niets voor mij. Of sterker nog, een huis dat dit allemaal al zelf doet, is aan mij niet besteed. Liever een slim mens in een dom huis dan een dom mens in een slim huis.

Nu zijn het niet alleen dingen en huizen die ‘smart’ moeten worden. Ook hele steden willen ‘smart cities’ worden. Weer verengelst al kan ik me voorstellen dat het Nederlands hier, zeker als het wordt afgekort, verkeerde beelden oproept. ‘Smart cities’ die technologie gebruiken om het verkeer goed te laten doorstromen, aan ‘crowd control’ doen, de afvalinzameling verbeteren om zomaar een paar voorbeelden te noemen. Om, het in beleidstermen te formuleren ‘de stad en de dienstverlening duurzamer en efficiënter’ in te richten. De technologie die hiervoor wordt gebruikt is dezelfde die in China wordt gebruikt: camera’s, data, locatiegegevens van mobiele telefoons. De Chinese versie wordt vaak aangeduid met de Orwell term Big Brother. Nu laat de corona-pandemie zien dat efficiënt in crisistijd niet even efficiënt is. Als burger van Nederland en inwoner van Venlo zit ik niet te wachten op ‘smart Venlo’, veel liever zie ik dat ‘smarte’ Venlonaren hun ding doen.

Nu word je op school bij het vak economie geleerd dat vraag van de consument aanbod creëert. Als we dit op het Internet of Things toepassen: welke consument heeft om dit aanbod gevraagd? Wie heeft er om het ‘Internet of Things’ gevraagd? Als die er niet zijn, waarom wordt het ‘aanbod’ dan toch uitgerold? Misschien ben ik de enige die niet om dat ‘Internet of Things’ vraagt. Al lijkt me dat sterk. Om terug te grijpen op de kop van de advertentie, het is geen pré dat ‘onze kinderen niet zullen weten dat het bestaat’. En het zijn niet alleen ‘onze kinderen’ die het niet zullen weten, het gros van ‘ons’ weet ook niet dat het bestaat en wat het inhoudt en betekent.

‘In het land der blinden is eenoog koning’ aldus een bekend spreekwoord. Al die ‘smart’ zaken, dat hele ‘Internet of Things’ maakt enkelen (de bedrijven en op andere plekken de overheid) eenoog. Eenoog omdat ze ook niet weten hoe het werkelijk uit gaat pakken. Wij, de eenvoudige inwoner/consument zijn de ‘blinden’ omdat we helemaal niet weten hoe het werkt en wie er wat mee kan. Dat is precies wat de advertentietekst zegt. Kiezend tussen ‘eenoog’ en ‘vijftien pakken koekjes’, kies ik voor het laatste. Het laatste en een flinke investering in kennis om te voorkomen dat het ‘huis’ slimmer wordt dan haar ‘bewoners’.

Uitgelicht

Woke? Wake up!

“Waar de millennial zich kenmerkt door een behoefte aan authenticiteit en duurzaamheid, gaat de nieuwe generatie jongeren, aangeduid als Generatie Z en geboren na 1995, namelijk nog een stap verder: ze zijn woke. Dit vertaalt zich als: alert op racisme, sociale ongelijkheid en onrecht. ‘GenZ’ is in toenemende mate op zoek naar bedrijven waar zij haar woke mentaliteit terugvindt. Ze komt in actie door keuzes te maken met haar portemonnee. Activisme 2.0.” Dit schrijft Nadine Ridder in een artikel bij OneWorld. Daarom is het activisme van Bol.com om zwarte piet uit het assortiment te gooien, volgens Ridder ‘niet heldhaftig’ maar gewoon een soort ‘reclame’ omdat dit het goed doet bij een jonge progressieve doelgroep. Juist ja, de ‘woke GenZ’. Het eerste wat er bij mij opkwam was een diepe zucht …… .

Stay Woke | A word cloud featuring "#Stay Woke". This is li… | Flickr
Bron: Word Cloud by www.epictop10.com

Als tweede dacht ik aan de laatste aflevering van de serie Years and Years die ik het afgelopen weekend bekeek. Een serie die qua lengte geen uitdaging is voor een notoire binge watcher. Zes afleveringen van bij elkaar net geen zes uur. Die kun je makkelijk in een avond bekijken. Een dystopische maar toch vrolijke serie die zich afspeelt in post-Brexit Engeland tussen nu en 2030. Zeer de moeite van het kijken waard omdat het een mogelijke, niet zo fraaie nabije toekomst schetst. Een toekomst die niet ver is gezocht maar die voortborduurt op zaken die we in het nu kunnen herkennen en ze net één stapje verder doorvoert. Dat doorvoeren levert geen fraaie samenleving op.

Eerst terug naar het artikel van Ridder. Volgens Ridder is die nieuwe generatie dus: “alert op racisme, sociale ongelijkheid en onrecht.” Nu loop ik geregeld door mijn woonplaats Venlo en sinds een aantal jaren kent onze stad een Primark. De winkel ligt op een zeer prominente plek in de stad. De huurprijs van panden op zo’n plek is vaak niet mals. In de winkel wordt kleding verkocht tegen zo’n lage prijzen dat je er wel heel veel moet verkopen om de huur van het pand terug te verdienen en de salarissen van het personeel van kan betalen. Laat staan het betalen van een eerlijk salaris aan de makers ervan. Nu wordt er ook heel veel gekocht. Met name jeugdigen lopen er de deur plat. Jeugdigen, ja precies die ‘Woke GenZ’. En dat is niet de enige winkel die ‘wel vaart’ bij ‘GenZ’. Ook de Amazons, Bol.commen, Zalando’s et cetera van deze wereld worden driftig bezocht.

Als die ‘GenZ’ werkelijk ‘woke’ is en ‘alert op racisme, sociale ongelijkheid en onrecht’, dan vraag ik me af waarom ik ze bij de Primark zie binnenlopen. Waarom er zoveel online wordt geshopt? Waarom er bij Zalando tien setjes worden besteld om er vervolgens negen terug te sturen. Nu zijn zij niet de enigen die daar kopen, ook mensen van ‘andere generaties’ lopen daar naar binnen. Net zoals er ook mensen van ‘andere generaties’ alert zijn op racisme, ongelijkheid en onrecht. Zou ‘GenZ’ zich op dit punt werkelijk onderscheiden van ‘andere generaties’? Of is dit, zoals ik al eens eerder schreef, gewoon geleuter over generaties?

Voor wat betreft het ‘woke’ deel, moest ik aan die laatste aflevering van Years and Years denken. Dit vanwege een ‘toespraak’ van oma Muriel. Alle kleinkinderen en achterkleinkinderen zijn op bezoek, zoals vaker in de serie en ze zitten samen aan de tafel. Oma Muriel vraagt aan de ‘huiscomputer ‘senior’ hoeveel dagen er zijn verstreken sinds de millenniumwisseling en dan geeft ze haar kinderen en zichzelf de schuld van de ellende waarin de Britten zich bevinden. Dan zegt ze, af en toe onderbroken door een van haar kleinkinderen: “The banks, the government, the resession, America, mrs. Rourke (de Engelse premier), every single thing that has gone wrong is your fault. … Because we are, every single one of us. We can sit here all day blaming other people, we blame the economy. We blame Europe, the opposition, the weather. And than we blame the vast sweeping tides of history you know. Like the’re out of our control at whistle helpless and little and small.  But it is still our fault You now why?”  En vervolgens analyseert ze waar het fout is gegaan: “It’s the one pound t-shirt, a t-shirt for one pound. The t-shirt we can’t resist it. Every single one of us we see a t-shirt that costs one pound and we think: oh that’s an bargain. I love that and we buy it. Not for best friend but nice little t-shirt for the winter to go underneath that’ll do. And the shopkeeper gets five miserable pence for that t-shirt. And some peasant in a field gets paid 0,01 pence and we think thats fine. All of us. We hand over our quid and we buy into that system for life. I saw it all going wrong when it began in the supermarkets. When they replaced all the women on the till with those automated check outs. … Twenty years ago they first popped up, did you walk out? Did you write letters of complain? Did you shop elswhere? No, you huffed and you puffed and you put up wit it. And now all those women are gone and we let it happen. … And I think we like them, those checkouts. We want them. Because it means that we can stroll through, pick up our shopping and we don’t have to look that woman in the eye. The woman who’s paid less than us. She’s gone. We got rid of her. Sacked! Well Done! So yes: it’s our fault this is the world we built!”

Hoe ‘woke’ ben je als je je druk maakt om ‘zwarte piet’ en vervolgens bij de Primark of via Bol.com en Amazon koopt? Bedrijven die niet bekend staan om hun riante beloning van, en goede omgang met hun personeel?

Uitgelicht

Fictionele feitelijkheid

“Via het proces van uitstoting lukt het vooral onze soort zich te verspreiden over grote delen van de aarde, slimmer als homo sapiens werd.” Zo schrijft Mechtild Rietveld in een column met als titel Discriminatie op de site Binnenlandsbestuur. Dit: “proces van uitstoting,” is eigen aan primaten, en de homo sapiens is een primaat, zo zegt zij primatoloog Marc van Roosmalen na. Discriminerend gedrag dat soortgenoten uitstoot: “vanwege een iets afwijkend uiterlijk.” Die uitgestotenen beginnen vervolgens een eigen groep op een andere plek. Resultaat van dit gedrag: “Wij zijn zo een plaag voor de aarde aan het worden, of we nu zwart, bruin, geel of wit zijn. Steeds meer komen we elkaar in de weg te zitten. Moord en doodslag! Tot op de dag van vandaag slaan wij elkaar groepsgewijs nog steeds de koppen in.” Zou het werkelijk?

Gratis Afbeeldingen : wildlife, dierentuin, zoogdier, dichtbij ...
Bron: Pixhere

Ik ken het boek van Van Roosmalen niet en het proces van uitstoting dat Rietveld van hem heeft overgenomen, kan en wil ik niet ter discussie stellen. Kan ik niet omdat ik geen primatoloog ben en wil ik niet omdat het mij daar niet om gaat. Waar het mij om gaat is dat Rietveld beweert dat dit ‘proces van uitstoting’ ervoor heeft gezorgd dat de homo sapiens zich over de wereld hebben verspreid en nu een plaag voor de aarde vormen. De homo sapiens waren niet de enige ‘mensensoort’ die zich over de aarde verspreidde. Onze soort loopt al zo’n 300.000 jaar op deze aardbol rond en heeft de aarde zo’n 275.000 jaar gedeeld met verschillende andere mensensoorten. Sterker nog, een van die soorten, de neanderthaler, belemmerde onze voorvaderen zo’n 100.000 jaar gelden de doortocht vanuit Afrika, via wat wij nu het Midden-Oosten noemen, naar de rest van de wereld.

Niet de enige mensensoort en zeker ook niet de enige ‘primatensoort’? Nu niet en vroeger ook niet. Als dat ‘proces van uitstoting’ werkelijk de oorzaak is van de ‘mensenplaag’ op deze aarde, waarom leven er dan geen gorilla’s in Zuid-Amerika of in Noord-Europa? Daar moet nog een andere verklaring voor zijn dan het ‘proces van uitstoting’. 

In hun boek Hoe we mensen werden komen de Duitsers Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier met een andere verklaring. Een verklaring: “Omdat we dankzij ons verstand in staat zijn ons fictieve situaties in te beelden; in onze geest werelden, plaatsen en situaties te scheppen en daar emotionele en spirituele energie aan te verbinden. De voorstelling van wat aan gene zijde ligt, is misschien wel de voornaamste cognitieve motor van onze evolutie.” Dus niet ‘verstoting’ maar ‘aantrekking’ als drijfveer om iets te ondernemen. Om een van hun voorbeelden te parafraseren: ‘waarom willen we naar Mars?’ Niet omdat er hier een groep is die wordt ‘uitgestoten’, maar omdat we ons er een voorstelling van kunnen maken. En zoals Einstein zei: “Logic will get you from A to B. Imagination will take you everywhere.”

Nu is ‘aantrekking’ of anders geformuleerd ‘verbeelding’ alleen niet voldoende. Want met alleen verbeelding was het onze voorvaderen zo’n 70.000 jaar geleden niet gelukt om wel voorbij de neanderthalers in het Midden-Oosten te komen. Daarvoor was meer nodig. Als eerste groepsgrootte. Ik weet niet veel van primaten, maar wat ik wel weet is dat ze in groepen leven. Groepen die, zoals Yuval Noah Harari in zijn boek Sapiens schrijft: “Onder natuurlijke omstandigheden bestaat een typische troep chimpansees uit zo’n twintig tot vijftig individuen.” Bij hoge uitzondering is een groep wel eens groter. Grotere groepen raken uit balans. De homo sapiens is de enige soort die in veel grotere groepen kan opereren. De andere mensensoorten konden dat niet en wij, de sapiens, konden dat eerst ook niet. Dat kan verklaren waarom onze eerste ‘ontsnapping’ uit Afrika mislukte. In een directe confrontatie, maar ook in de jacht op wild, legt een sapiens het af tegen de fysiek veel sterkere neanderthaler.

Ergens tussen die eerste mislukte poging en de tweede geslaagde poging 70.000 jaar gelden, moet er wat zijn veranderd. En omdat het niet op fysiek gebied was en ook niet op het gebied van werktuigen en het gebruik van vuur, want daarin verschilden de neanderthaler en de sapiens niet, moet het iets anders zijn geweest. Maar wat?

Volgens Harari heeft dat te maken met taal. Door die taal konden onze voorvaderen elkaar laten: “weten waar leeuwen en bizons uithangen.”’ Belangrijker echter dan deze praktische informatie uitwisseling is, volgens Harari, de sociale functie van taal, de ‘roddelfunctie’: “Het is veel belangrijker voor ze om te weten wie er binnen hun stam een hekel heeft aan wie, wie het met wie doet, wie eerlijk is en wie juist niet. De hoeveelheid informatie die er verworven en opgeslagen moet worden om de o zo veranderlijke relaties tussen enkele tientallen individuen bij te houden, is verbijsterend. (In een groep van vijftig individuen is sprake van 1225 één-op-één-relaties en talloos veel meer complexe sociale combinaties.) Alle mensapen vertonen een sterke belangstelling voor dit soort sociale informatie, maar ze kunnen niet echt effectief roddelen.” Hierdoor kon een groep, zo betoogt Harari, groeien tot wel 150 individuen. En dan is het drie sapiens tegen één neanderthaler. Bovendien drie sapiens die sneller en makkelijker kunnen communiceren, ook tijdens de jacht.

En als we kijken waarover wij, de gemiddelde mens in de eenentwintigste eeuw, het meeste spreken dan is dat roddelend over anderen. Henk van der Meijden is er groot mee geworden en was jarenlang de ‘koning’ van het ‘prominentenroddelcircuit’. Een positie die nu is overgenomen door Albert Verlinden of loop ik wat dat betreft al weer achter. Op basis van roddel, maar dan vooral door jezelf te promoten, kun je een van de grootste bedrijven ter wereld bouwen, zo laat Mark Zuckerberg met Facebook zien. Hoe ons talig vermogen dat zo’n 70.000 jaar geleden ontstond, is niet bekend. Het biedt ons wel gigantische mogelijkheden.

“In 1988 speelde het Nederlands elftal de finale van het Europees Kampioenschap voetbal tegen de Sovjet-Unie. Nederland won door doelpunten van Gullit en dat prachtige schot van Marco van Basten. Op dat moment was er niemand die zich een wereld zonder Sovjet-Unie kon voorstellen. Een jaar later viel de Berlijnse muur en nog twee jaar later bezweek de Sovjet-Unie. Trouwens in 1914 en zelfs in 1917 kon niemand zich een wereld met Sovjet-Unie voorstellen.” Dit schreef ik in een van mijn laatste Prikkers van 2018. Roddelen vergrootte grofweg de groep van 50 naar maximaal 150 individuen. In de slag om voedsel en veiligheid is dit een bijzonder grote stap. De passage over Van Basten raakt, in mijn ogen, de cruciale stap in het succes van ons homo sapiens. Nee, dat is niet het veroveren van het Europees kampioenschap door het Nederlands elftal.

Bijzonder aan deze passage is dat zij een aantal voor ons als mens zeer reële zaken bevat die alleen voor ons mensen reëel zijn en dus bestaan. Voor ons is Nederland een reëel en werkelijk bestaand iets, net zoals de Sovjet Unie dat vanaf 1917 tot 1991 was. Nederland is voor ons zeer reëel. Net als Denemarken, Spanje en Finland. Als we ernaar toe gaan dan verandert er iets. In die landen spreken ze een andere taal en hebben ze vaak net wat andere gewoonten en soms moet je je paspoort laten zien anders kom je het land niet in. We kunnen ze op de kaart aanwijzen. Maar zoals Frits Bom in de jaren negentig met zijn programma De vakantieman liet zien, kan niet iedereen dat. Maar zelfs al kan iemand ze niet aanwijzen op de kaart, toch zijn die landen voor ons zeer reëel. Als je het elk ander dier op Aarde zou kunnen vragen, dan zou het je verdwaasd aankijken: ‘Frankrijk? Wat is dat?’ Of zoals het Klein Orkest zong: “Alleen de vogels vliegen van Oost- naar West-Berlijn. Worden niet teruggefloten ook niet neergeschoten. Over de muur, over het ijzeren gordijn. Omdat ze soms in het westen soms ook in het oosten willen zijn.” Landen zijn spinsels in onze menselijke fantasie maar wel spinsels die voor mensen zeer serieus en reëel zijn. Zo reëel dat het willen gaan van Oost- naar West-Berlijn je dood kon beteken. Daarmee komen we op de grootste kracht van de mens en dat is zijn vermogen om verhalen te verzinnen die voor de verzinner en voor zijn soortgenoten net zo reëel zijn als een boom of een rivier. Of zoals Harari het beschrijft: “Sinds de cognitieve revolutie leven sapiens aldus in een dubbele realiteit. Aan de ene kant heb je de objectieve realiteit van rivieren, bomen en leeuwen en aan de andere kant de imaginaire realiteit van goden, naties en corporaties.”  

Verhalen bedoeld om individuen te binden. Ook Böhme en haar medeauteurs komen tot een soortgelijke conclusie: “Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in de biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie heel snel.” Verhalen waardoor grote culturen ontstaan en mensen in grote groepen aan hetzelfde kunnen werken zonder elkaar persoonlijk te kennen. Zo creëren wij onze eigen fictionele feitelijkheid.

Maar zoals bijna alles, om de grote helaas te vroeg overleden ‘filosoof’ Johan Cruijff te verhaspelen: ‘ieder voordeel hep z’n nadeel.’ Verhalen die ‘binden’, scheiden ook. De verhalen zijn bedoeld om een groep te binden, maar door het binden van die groep, scheiden ze die groep ook meteen van anderen. En zoals Böhme c.s. het schrijven: “Binnen onze relevante, vertrouwde groepen concurreren wij om sympathie, strijden we om erkenning en reputatie, naar buiten toe sluiten we ons af. Dat is een erfenis uit ons grijze verleden, toen de concurrentie om voedsel, seksuele partners en andere bestaansbronnen nog veel belangrijker was om te overleven dan tegenwoordig.” En daarmee zijn we bij de reden achter ons succes als diersoort maar ook de reden waarom we ‘elkaar groepsgewijs de koppen in slaan’.

Dat nadeel is, zoals Böhme c.s. schrijven: “de schaduwzijde van een nog niet volledig ontwikkelde sociale competentie.” Gelukkig heeft dat nadeel ook een voordeel: “door ons vermogen tot zelfreflectie en de mogelijkheid om met elkaar te praten beschikken we in principe over de middelen om kloven te dichten.”

Uitgelicht

Permanent ad hoc beleid

Dit jaar heeft de Ballonnendoorprikker de vakantie aan zich voorbij laten gaan. Voor de Ballonnendoorprikker is vakantie geen vakantie als je een mondkapje op moet. Als je tevoren een plekje in een museum moet reserveren. Als je nog maar moet afwachten of je naar je vakantieadres toe kunt en er ook weer vandaan. Nee, dit jaar geen vakantie. Behalve dan natuurlijk naar mijn ‘favoriete vakantiebestemming’ mijn hangmat onder de notenboom in onze tuin. Een artikel in de Volkskrant herinnerde me echter aan mijn tweede favoriete vakantiebestemming. Het Griekse eiland Lesbos.

Lesbos, Aquaduct, Moria, Waterpijp, Romeinen, Boog
Oud Romeins aquaduct bij Moria. Bron: Pixabay

“Hoeveel liter pis moet er per dag langs het kapotte koepeltentje van de 16-jarige Fatima Ali Beik druppen voordat haar inhumane situatie inhumaan genoeg is en landen als Nederland wel bereid zijn haar over te vliegen? Hoelang moeten de vriendinnen van Marie France Ndayenge nog met een luier slapen voordat hun situatie voldoende mensonterend is? En hoeveel traangas moet de oproerpolitie nog inzetten tegen zowel protesterende migranten als protesterende Grieken voordat dit onacceptabele leven echt onacceptabel is? Voordat Europa een andere oplossing vindt voor het vluchtelingenprobleem dan kamp Moria op Lesbos?” Deze vragen stelt Visser en restauranthouder Nikos Katsouris in een artikel van Jarl van der Ploeg. Nikos, of eigenlijk zijn vrouw Katarina, runt haar restaurant op een idyllische plek in een haventje aan de baai van Gera. Als je er bent, ga er eten en vergeet ook niet even langs te gaan bij de buurman. Een uitstekende banketbakker.

Het artikel maakt duidelijk dat het eiland grote problemen heeft. Het is het slachtoffer van het Europese vluchtelingen beleid. Beleid dat er op is gericht vluchtelingen in de regio op te vangen. Nu is dat een open deur van jewelste omdat tussen de tachtig en negentig procent van alle vluchtelingen in de regio worden opgevangen. Het gros van de Syrische vluchtelingen zit in Turkije en Libanon. In dat laatste land is er op iedere drie Libanezen één Syriër en dan moeten we niet vergeten dat een aanzienlijk deel van de Libanezen bestaat uit gevluchte Palestijnen. Tussen de drie en vier miljoen Syriërs hebben hun heil gezocht in Turkije. En zo is het met iedere groep vluchtelingen. Het gros blijft dicht in de buurt van hun oorspronkelijke woonplek.

Alleen is dat niet wat de ‘beleidsmakers’, zoals VVD’er Azmani ermee bedoelen. Het zal hun een zorg zijn waar mensen naartoe vluchten, als het maar niet naar ‘hier’ is. Want toen Nederland in 2016 ineens in een ‘regio met Venezuela bleek te liggen, pleitte Azmani’s partijgenoot Han ten Broeke  voor ‘preventieve maatregelen’. Dat was ook de insteek van de Turkije-deal. Want als ze naar ‘hier’ komen, dan ‘ontwricht dat onze samenleving’ zoals Azmani in maart 2015 betoogde.  Libanon laat zien dat dit kan gebeuren. Maar niet alleen Libanon, ook Lesbos. Een eiland met net geen honderdduizend inwoners dat meer dan veertigduizend vluchtelingen opvangt. Dat zijn er zestienduizend meer dan Nederland met haar ruim zeventienmiljoen inwoners. En de Nederlandse regering, bij monde van minister Broekers-Knol, ‘wil geen ad hoc oplossingen’ en weigert daarom vijfhonderd minderjarigen op te nemen. In Van der Ploegs artikel vraagt de voorzitster van de dorpsraad van Moria op Lesbos, het dorp waar het opvangkamp voor de vluchtelingen ligt, zich af: “Wat bedoelt ze met ad hoc?” Een interessante vraag.

Interessanter is echter wat minister Broekers-Knol dan een structurele oplossing vindt. De situatie op Lesbos bestaat al ruim vijf jaar en er is nog geen begin van een structurele oplossing. Tot nu toe zoeken onze bestuurders en politici de oplossing voor het probleem elders, namelijk ‘in de regio’, een regio waar Europa om een of andere reden nooit bij hoort. Europa is een regio op zich. Vluchtelingen moeten zich melden in kampen in de regio en daar hun asielaanvraag indienen. Daar moeten de ‘economische’ van de ‘echte’ vluchtelingen worden gescheiden. En die laatsten moeten worden teruggestuurd. Die moeten naar ‘ontschepingsplatforms’.

Het vluchtelingen- en migratiebeleid van Nederland en de Europese Unie kent twee structurele zaken. Als eerste het met geld, betaald vanuit ontwikkelingsbudget, exporteren van het probleem naar andere landen en als tweede de structurele ellende in kampen als het kamp Moria op Lesbos. En dat zijn dan nog plekken waar geregeld een journalist op bezoek komt. De kampen ‘verderop’ in de regio worden al niet meer bezocht. Welke ‘structurele oplossing’ staat Broekers-Knol, onze regering voor? Wat gaan zij doen om ervoor te zorgen dat we volgend jaar niet weer zo’n bericht over Lesbos lezen als dit jaar, vorig jaar, en alle jaren sinds 2015?  Wat gaan ze eraan doen om een einde te maken aan het huidige desastreuze ‘permanente ad hoc vluchtelingenbeleid’?

Uitgelicht

Plato en het kabinet

De afgelopen decennia hebben we een keur aan politieke avonturiers voorbij zien komen. Vaak kwamen ze op de slippen van een gevestigde partij de Kamer of het kabinet binnen, soms op eigen kracht. Meestal halen ze het niet. Aan een van die avonturiers moest ik denken toen ik in de Volkskrant las dat minister Schouten een voorgenomen maatregel met betrekking tot het veevoer weer introk. Ik moest eraan denken omdat dit de ‘zoveelste’ maatregel in korte tijd is die wordt aangekondigd en vervolgens weer ‘verwaait’ in de storm van de publieke opinie. Minister de Jonge ging haar zeer recent nog voor met een aangekondigde ‘verplichte quarantaine. Ik moest denken aan Jan Dijkgraaf de lijsttrekker van GeenPeil. Een partij die in 2017 zonder succes aan de verkiezingen deelnam. En ik moest denken aan Plato.

File:Plato. Etching by D. Cunego, 1783, after R. Mengs after Raph ...
Bron: https://wellcomecollection.org/works?query=plato

Eerst Dijkgraaf. Dijkgraaf werkte als journalist voor diverse media en is nu actief als columnist bij The Post Online alwaar hij ‘briefjes’ schrijft aan iemand die er in zijn ogen weer een puinhoop van maakt. In 2016 besloot hij dat hij ook wel de politiek in wilde en werd lijsttrekker van de partij GeenPeil. Het bijzondere van de partij GeenPeil was dat zij geen plannen, ideeën, visies of wat dan ook had. Nee, de partij zou haar stem in de Kamer laten afhangen van een snelle poll op haar site. Als de meerderheid van de deelnemers aan de poll ‘voor’ een voorstel zou zijn, dan zouden de fractieleden van GeenPeil ook ‘voor’ stemmen. Dijkgraaf en Geenpeil brachten daarmee het zijn van Kamerlid terug tot ‘Ja-knikker of Nee-schudder’. Maar dan wel een duurbetaalde want een Kamerlid vangt momenteel minimaal € 116.000 per jaar. Dit exclusief de vergoedingen voor reis-, verblijf- en beroepskosten.

Ik moest aan Dijkgraaf en GeenPeil denken omdat de handelswijze van het kabinet verdacht veel lijkt op de werkwijze van Dijkgraafs GeenPeil. Een werkwijze die erop neerkomt dat er een maatregel wordt aangekondigd en vervolgens wordt er gekeken hoe die in de samenleving valt. Is er veel verzet, dan gaat het niet door. Dan wordt de maatregel schielijk ingetrokken zoals Schouten en De Jonge recentelijk deden. Een kabinet dat het beleid afhankelijk maakt van de hardst schreeuwende. Dit zagen we ook afgelopen maart rond de sluiting van de scholen vanwege COVID-19. Onder druk van bezorgde docenten en ouders werden de scholen gesloten terwijl er volgens deskundigen geen aanleiding voor was. Bedrijven piepen en meteen wordt er iets geregeld waarbij de hardste schreeuwers (bijvoorbeeld de KLM) het eerste worden geholpen. Schreeuw hard en je krijgt je zin.

Ik moest vervolgens aan Plato denken. Aan zijn boek De ideale staat waarover ik al eerder schreef naar aanleiding van zijn omschrijving van de ‘ideale politicus’. Even vooraf Plato was geen aanhanger van de democratie. Nee, hij was voorstander van een aristocratie, wat voor hem betekende een regering van de besten. Plato: “Wanneer een democratische samenleving met zijn dorst naar vrijheid in handen valt van minderwaardige politieke slijters en zich bedrinkt aan drank met een onverantwoord hoog vrijheidspercentage, zal men de regering aanvallen als die niet de uiterste soepelheid toont en de bevolking een enorme vrijheid laat, en haar beschuldigen van een vuige reactionaire mentaliteit. … Mensen die met de regeringspolitiek instemmen verwijt men slaafse houding en men scheldt ze uit voor onbenullige meelopers. Zowel in het maatschappelijk als in het persoonlijk leven is dan het streven gericht op een nivellering, waarbij niet meer duidelijk is wie leiding geeft en wie leiding krijgt, en men bewondert leiders die zich als ondergeschikten gedragen.” Zo schreef Plato bijna vijfentwintighonderd jaar geleden. Deze passage kwam in mij op. Want vertoont ze niet enige gelijkenis met de Nederlandse politiek van nu?

Uitgelicht

De geschiedenis van ‘de Oost’

Volgens Paroollezer Jeroom Remmers zou de gemeente Amsterdam ieder jaar een deel van haar inkomsten uit de toeristenbelasting moeten overmaken naar Indonesië. “Zo zou Amsterdam na honderden jaren ook weer eindelijk iets teruggeven aan de arme bevolking van Indonesië.” Nu mag de gemeente Amsterdam met haar geld doen wat ze wil en als een meerderheid van de Amsterdamse gemeenteraad het idee van Remmers steunt, dan staat niets de overdracht van geld in de weg. Toch knelt er iets.

Bestand:KaartSoembaIndonesie.jpg
Bron: Wikipedia

Uitspraken als die van Remmers hoor je vaker. Ze doen mij altijd terugdenken aan mijn colleges filosofie van de geschiedenis. Van die colleges zijn mij drie namen in het bijzonder bijgebleven. Als eerste Karl Popper, over wie ik al vaker schreef. Popper verzette zich tegen het historicisme. Een tweede naam is R.G. Collingwood. Volgens Collingwood is alle geschiedenis, geschiedenis van het denken. Want om erachter te komen ‘hoe het is geweest’ moet een historicus proberen te ‘her- denken’ wat de mensen dachten ten tijde van de gebeurtenis. Daarvoor moet je je huidige kennis, normen, waarden en opvattingen opzij zetten. Bij het vellen van een oordeel over Columbus of Marx, moeten we de genocide op de oorspronkelijke bewoners van de Amerika’s vergeten. Bij het beoordelen van Marx, moeten we Stalin en Mao buiten beschouwing laten. We moeten hun denken en handelen ‘her-denken’ in hun tijd, niet in de onze. De laatste naam die me is bijgebleven is die van de Duitser Leopold von Ranke, de ‘vader’ van de moderne geschiedenis. Volgens Ranke moeten we de geschiedenis bestuderen om te weten te komen ‘hoe het eigenlijk geweest is.’ We moeten het feitelijk houden. “Zo’n 300 jaar hebben Nederlanders het land bezet en Amsterdammers hebben daarvan het meest geprofiteerd,” schrijft Remmers en daar knelt het. Het knelt met twee van de drie: met Ranke en met Collingwood.

Eerste Ranke. Toen de drie handelsschepen Mauritius, Hollandia en de Amsterdam in 1595 samen met het kleine jacht Duyfken vanaf Texel naar Azië vertrokken, bestond het land ‘Indonesië’ niet, Nederland trouwens ook nog niet. De republiek Indonesië bestaat in haar huidige vorm pas sinds 1950. Toen Soekarno de Verenigde Staten van Indonesië ophief en de andere zes republieken bij zijn ‘republiek Indonesia’ voegde. Nederland ontstond pas na de acceptatie in 1839 van de Belgische opstand van 1830. Die opstand maakte een einde aan het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden dat in 1814 tijdens het congres van Wenen werd ‘opgericht’. Hoe kun je uit een nog niet bestaand land vertrekken om een nog niet bestaand land te bezetten?

Het knelt met Collingwood. De schepen vertrokken niet om gebieden te bezetten maar om handel te drijven. Een paar jaar later, in 1602, werd de Vereenigde Oostindische Compagnie opgericht en zij kreeg van de Republiek der Zeven verenigde Provinciën het Nederlandse monopolie op de handel met ‘de Oost’. Dat wil niet zeggen dat ze het monopolie hadden op de handel met ‘de Oost’. Nee, er waren, om in scheepvaarttermen te blijven, veel kapers op de kust, onder andere Franse, Engelse en Portugese handelaren die met steun van hun respectievelijke overheid hetzelfde wilden bereiken. De VOC was een eeuw lang echter de meest succesvolle. Dat succes bestond uit een reeks forten op strategische punten en een sterke vloot. Bezet werd er, afgezien van die forten en hun directe omgeving, niet zoveel. Daarvoor ontbrak de mankracht maar vooral het geld. Het bezetten van grote gebieden is een kostbare aangelegenheid en waarom zou je dat geld eraan besteden als je vloot de concurrenten buiten de deur kon houden en heersers in de gebieden in de Oost in het gareel kon houden waardoor ze de VOC een monopolie op de handel met hun gebied gaven. Handel waar die inlandse vorsten stevig aan verdienden en die hun machtspositie ten opzichte van hun concurrenten konden versterken.

Het echt ‘bezetten’ van de eilanden, en daarmee komen we weer bij Ranke,  werd pas een thema vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw. Nou ja echt bezetten? “Al was de Nederlandse overheid er in de loop van de negentiende eeuw toe overgegaan om zijn rechten op de meeste eilanden zoals Borneo, Celebes, Sumatra en Bali, ook door middel van militaire expedities te bevestigen, van een werkelijke occupatie van deze gebieden was geen sprake,” zo schrijft historicus Kossmann in zijn De Lage Landen 1780/1980. Twee eeuwen Nederland en België. Deel I 1780-1914. Werkelijk bezetten bleek, zo maakten de perikelen in Ajeh duidelijk, heel kostbaar en weinig succesrijk. In het grootste deel van de archipel zag men de eerste Nederlander pas eind negentiende eeuw. Op sommige eilanden pas in het begin van de twintigste eeuw en dan zien we nog maar even af van het ‘Nederlandse’ deel van Nieuw Guinea, waarvan de Nederlanders om het cru te formuleren zo ongeveer alleen de kustlijn kenden.  

Veel succesvoller in het bereiken en beïnvloeden van de bewoners van de eilanden waren de missionarissen. Het bijzondere is dat met het succes van die missionarissen ook het zaad voor de dekolonisatie en het ontstaan van het land Indonesië werd gelegd. Met die missionarissen kwam ook het onderwijs en met het onderwijs de westerse ideeën zoals socialisme, communisme en nationalisme. Ideeën waarmee men de Europeaan met zijn eigen woorden kon bestrijden. Om terug te komen op de uitspraak van Remmers. De ondernemende activiteiten van de zestiende en zeventiende eeuwse Amsterdammer stonden aan de wieg van het land Indonesië. Maar als de ‘Amsterdammers’ het niet hadden gedaan, dan hadden de Engelsen of Portugezen het wel gedaan.

Uitgelicht

Vreedzaam en veilig in Baudets Nederland

Soms lees je iets en dan denk je in deze ‘hittegolftijd: zou die een zonnesteek hebben opgelopen? “Ons Nederland was ooit zo veilig en vreedzaam. Het doet me pijn om te zien dat er in Nederland nu buurten zijn die onveilig zijn, buurten waar het tuig de politie zelfs kan wegjagen. En het had allemaal niet gehoeven; het is volledig zinloos.” Woorden van Thierry Baudet in een interview op de site De Dagelijkse Standaard. Dat vreedzame en veilige land is nu verleden tijd en dat is, aldus Baudet de schuld van: “allochtone jongeren die al drie of vier generaties in Nederland wonen, maar op geen enkele manier onderdeel van de Nederlandse samenleving willen zijn.”

Jantjes vegen de Dam schoon. Bron: Wikimedia

De eerste wedstrijd in het betaald voetbal die ik ooit bezocht was die tussen Fc VVV (zo heette VVV in de jaren zeventig en tachtig) en Fc Utrecht. Het was denk ik in 1978 of 1979. Vreedzaam was het in ieder geval niet. De fans uit Utrecht stonden bekend om hun gewelddadigheid en gingen flink te keer. Ik heb nog nooit zoveel ME gezien als toen. Nu was supportersgeweld in die tijd heel normaal en niet alleen in die tijd. Zo was er in 1997 de slag van Beverwijk tussen supporters van Ajax en Feijenoord. En ook menig kampioenschapsfeest werd ontsierd door geweld.

Een paar jaar later, begin jaren tachtig, begon ik met uitgaan. In mijn geboortedorp kende het jaar op dat gebied twee hoogtepunten: de Gekke maondaag en de kermis. Beide hoogtepunten werden door heethoofden uit andere dorpen aangegrepen om te komen vechten. En ja, daar waren ook Molukkers bij, maar het waren toch vooral ‘boerenkinkels’. En onder mijn dorpsgenoten waren er ook wel die van een knokpartijtje hielden, dus daar kwam het dan ook geregeld van. Dezelfde ‘heethoofdige’ dorpsgenoten trokken tijdens kermissen ook naar die andere dorpen met soortgelijke intenties. Aan mij was dit niet besteed. Wel werd ik geconfronteerd met de gevolgen ervan. De uitbater van mijn stamcafé De Bascule, wilde de rotzooi niet in zijn kroeg en daarom stonden er twee hele brede mannen in de deur.

Ook herinner ik me de berichtgeving over de jaarwisselingen. Steevast ging het over rellende en vechtende mensen. De stad Den Haag kwam altijd in de berichten voor. Daar liep het altijd uit de hand, maar niet alleen daar. Ook ‘boerengaten’ waarvan ik niet wist dat ze bestonden, kwamen in het nieuws vanwege ‘ongeregeldheden’. Of de ‘krakersrellen’ waarbij flink geweld werd gebruikt. En wie herinnert zich nog de kroning van Beatrix tot koningin?

De al wat ouderen onder ons, of degenen met iets meer kennis van de geschiedenis, weten vast nog wel van de hippies die ‘sit-ins’ hielden en op de Dam sliepen. Nadat het eerst oogluikend was toegestaan, verbood de Amsterdamse burgemeester het. Dit leidde tot heftige rellen. Daarop namen zo’n tachtig ‘Jantjes’, de populaire naam voor marinepersoneel, het recht in eigen handen en sloegen met knuppels en koppelriemen in op de ‘hippies’. En dit was niet de eerste keer dat de ‘Jantjes’ op deze manier van zich lieten horen. In 1967 veegden ze een groep Nozems uit het Amsterdamse Centraal Station. Of weer een jaar eerder, de rellen tijdens het huwelijk van Beatrix met Claus en de rellen bij het Telegraafgebouw in Amsterdam. Het optreden van de Stones in het Scheveningse Kurhaus. Of tien jaar eerder de bestorming van het gebouw van de Communistische Partij. En als we nog wat verder terug kijken, komen we onder andere het Jordaan-, het Aardappel- en het Palingoproer tegen. En wat te denken van Troelstra’s revolutiepoging in 1918? Diverse arbeidersoproeren en -twisten in de negentiende eeuw en zo kunnen we wel doorgaan tot de Bataafse Opstand tegen de Romeinen in de jaren 69 en 70.

Ik vraag me af hoe ver we moeten teruggaan voordat we ooit aankomen in dat ‘vreedzame en veilige’ land van Baudet. Hat land dat ruw is verstoord door die: “allochtone jongeren die al drie of vier generaties in Nederland wonen, maar op geen enkele manier onderdeel van de Nederlandse samenleving willen zijn.”

Uitgelicht

Politici en Platotest

Een van mijn favoriete bezigheden is lezen. Zeker als ik dat kan doen in of op mijn favoriete ‘vakantiebestemming’. Die bestemming is mijn hangmat geplaatst onder de notenboom in onze tuin. Jullie begrijpen dat ik dus geregeld ‘op vakantie’ ga met een boek. Deze keer met De ideale staat van de oud-Griekse filosoof Plato. Bij anderen heb ik al veel gelezen over het boek en toen ik het recentelijk zak liggen bij Koops, mijn favoriete boekhandel, heb ik het aangeschaft. Bij het lezen van het eerste deel van het hoofdstuk De kennis van de ideale politicus kon ik een vergelijking met onze huidige tijd niet naar de achtergrond drukken.

Eigen foto

Eerst over het boek. De titel De ideale staat doet al vermoeden dat Plato er zijn ‘ideale staat’ in schets. Dit doet hij omdat hij zoekt naar een beschrijving van het begrip rechtvaardigheid. En nee, in die ‘ideale staat’ zou ik niet willen leven. Plato’s ideale staat kent drie groepen: het volk, de soldaten en de bestuurders. Die worden in eerste instantie allemaal gekozen op hun geschiktheid voor het werk dat ze moeten doen. Daarna is hun status min of meer overerfbaar. Overerfbaar omdat de staat een soort ‘fokprogramma’ opzet om die groepen, vooral de bestuurders en soldaten kwalitatief nog te verbeteren. Min of meer omdat kinderen met duidelijke kwaliteiten naar een hogere klasse kunnen en kinderen uit hogere klassen die de benodigde kwaliteiten missen, gedegradeerd kunnen worden. Kinderen worden niet door de ouders opgevoed maar door de staat en dat opvoedprogramma kent een zeer conservatieve inslag. Wel heel modern, Plato maakt geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. Aan het hoofd van die staat treffen we de filosoof-koning aan. Voor een belangrijk deel schetst Plato de situatie in de Atheense concurrent Sparta. Sparta kende een dergelijke indeling alleen werden de bestuurders niet op basis van kwaliteit geselecteerd en de twee koningen die aan het hoofd stonden, waren geen filosofen. Zoals gezegd zou ik er niet willen wonen omdat ieder individu in die staat ondergeschikt is aan het geheel, de gemeenschap.

Terug naar die ‘ideale politicus’ en de vergelijking met het heden. Volgens Plato wordt de ideale politicus gekenmerkt door de volgende eigenschappen. Eigenschappen die, aldus Plato logisch uit elkaar volgen. Als eerste heeft de ideale politicus een ‘wetenschappelijke houding’. En niet in één deel ervan maar in de complete wetenschap. Daarmee bedoelt hij dat ze geïnteresseerd moeten zijn in het ‘onveranderlijke’ van zaken. Niet vreemd omdat Plato een conservatief avant la lettre was. Plato zag overal om zich heen de zaken minder worden. Om dat tegen te gaan wilde hij het liefst terug naar ‘the good old days’, naar het verleden. En: “om wetten en normen te handhaven en om toezicht te houden op het gedrag van de bevolking,” moesten zij: “dat inzicht wel bezitten en bovendien in ervaring niet voor anderen onderdoen en in het algemeen geen enkele kwaliteit missen.” Die wetenschappelijke interesse moest uitgaan: “naar het totaal der dingen en dat ze daarvan zelfs het kleinste, onbeduidendste onderdeel niet bewust laten schieten.” Vervolgens moesten ze beschikken over: “een grote waarheidsliefde (…) en nooit bereid bewust een onwaarheid te aanvaarden.

Zo’n politicus was  “een sober mens (…) aan wie elk materialisme vreemd is.”  Hij was zeker niet laf en kleingeestig, want “Er is namelijk niets wat het streven om de totale samenhang te begrijpen zozeer in de weg staat dan bekrompenheid.” Natuurlijk moest ook op intelligentie worden gelet immers: “als iemand niet in staat is de dingen die hij leert te onthouden maar een en al vergeetachtigheid is, moet hij wel volledig van kennis zijn gespeend”. Als laatste is voor een ideale politicus een: “harmonische geest vereist (…) met innerlijke beschaving een aangeboren gevoel voor stijl, die tot begrip voor het onveranderlijke in de dingen leidt.”

Al lezend liet ik een aantal huidige politici de revue passeren. De presidenten Trump, Poetin en Erdogan maar ook Nederlanders zoals premier Rutte, Hugo de Jonge, Thierry Baudet en Wilders. Plato zou hen, zo schat ik in, zonder lang na te denken op het stapeltje ‘volk’ deponeren. Merkel zou wellicht wel door de ‘Platotest’ komen. Zoals gezegd zou ik niet willen leven in Plato’s ideale staat. Zijn ‘schets van de ideale politicus’ bevat toch zaken voor een politicus in een democratie, een regeringsvorm waar Plato geen hoge pet van op had.

Uitgelicht

Busvoetbal en de BB

Voetballen met een plastic bus waarin wasmiddel had gezeten. Dat was een van de favoriete pauzebestedingen gedurende mijn lagere schooltijd. Voor de jongeren onder ons, de lagere school was wat nu de groepen 3 tot en met 8 van de basisschool zijn. De eerste twee groepen noemde men toen de kleuterschool. Voetballen met bussen dus omdat een bal verboden was. Verboden en duur. Waarom begin ik hierover? Niet, tenminste niet alleen, omdat ik ouder word en met weemoed terugdenk aan de tijd dat ik mijn hele leven nog voor me had. Nee, ik begin hierover vanwege de goals van ons ‘veld’.

File:Oefening BB Bescherming Bevolking te Arnhem, massale voedseluitdeling, Bestanddeelnr 907-3388.jpg
Bron: Nationaal archief via WikipediaCommons

Die goals waren twee dikke stalen deuren. Twee stalen deuren in een prachtige, in de jaren vijftig, gebouwde school. Een school met twee verdiepingen. Vier klassen beneden en vier boven. De hoogste groepen boven, dus ‘echt’ de bovenbouw. Hoge klassen met grote ramen in stalen kozijnen. Klassen gebouwd rond een grote aula. In mijn geheugen waren die deuren wel vijfentwintig centimeter dik, maar hoe betrouwbaar is dat? Die stalen deuren gaven toegang tot de kelder onder de school. En niet zomaar een kelder, maar een ‘atoombunker’ zo werd er gezegd. Er waren echter pauzes dat we niet konden voetballen, dan stonden de deuren open en liepen er ‘mannen’ rond. ‘Mannen’ die waren van de ‘BB’. Ze sleepten spullen naar buiten of naar binnen en deden verder allerlei geheimzinnige zaken. Wij mochten dan niet ‘busvoetballen’ en eigenlijk ook niet bij de deuren in de buurt zijn. Dat weerhield enkelen van ons er echter niet van om ‘stiekem’ even binnen te kijken hoe het er uitzag. Daar zagen we bedden en voorraden van allerlei zaken bedoeld om die ‘kernbom’ te overleven.

Onze goals waren dus de deuren van een schuilkelder en die schuilkelder was het domein van de BB, de Bescherming Bevolking. “De B.B. is een naoorlogse organisatie opgericht door de overheid in 1952. De organisatie was onderdeel van de civiele verdediging en had als taak om de bevolking te beschermen tegen de onmiddellijke gevolgen van oorlogsgeweld gedurende de periode die nu bekend staat als de Koude Oorlog. Aan die taak is later uitbreiding gegeven door de B.B. ook in te gaan zetten bij rampen in vredestijd. De organisatie was verantwoordelijk voor het blussen van branden, redden van mensen en het ondersteunen van de bevolking ten tijde van oorlogsdreiging of de gevolgen van oorlogshandelingen.” Aldus de website van het Museum Bescherming Bevolking. Een in de kern overheidsdienst die vooral draaide op vrijwilligers. Nou ja vrijwilligers.  Veel vrijwilligers waren net zo ‘vrijwillig’ als de dienstplichtige soldaten. Het waren namelijk ‘buitengewoon dienstplichtigen’. Jongeren die wel goed waren gekeurd voor de dienstplicht maar die niet werden opgeroepen voor de werkelijke militaire dienst. Zo werd voorkomen dat het leger en de BB in tijden van crisis met elkaar concurreren over ‘personeel’.

Achter die goals van ons ‘busvoetbalveld’ ging een hele wereld verscholen. Een wereld gericht op het beschermen van de bevolking bij ‘oorlogs- en vredesrampen. Een wereld waar in de hoogtij dagen 165.000 mensen aan deelnamen. Aan die wereld moest ik denken toen ik in de Volkskrant de constatering van Marjolein van de Water las: “Het valt me vooral op hoe weinig slagkracht de GGD heeft. … Ik krijg een mailtje van de GGD met daarin pdf-documenten voor mij en mijn omgeving. …  ‘Laat je bij symptomen direct testen’, staat erin. Om vervolgens minstens drie dagen te moeten wachten tot het contactonderzoek begint, denk ik er achteraan. Het beleid komt me steeds vreemder voor. Waarom duurt alles zo lang?”

Ik moest eraan denken omdat het mij helemaal niet vreemd voorkomt dat het lang duurt. Niet vreemd om drie redenen. Als eerste de manier waarop de zaak is georganiseerd. Onze ‘rampenstructuur’ is gebouwd op vier poten: politie, brandweer, geneeskunde en gemeente. Vier poten met eigenlijk maar twee verantwoordelijken. De politie werkt in politie regio’s en valt onder het ministerie van Justitie en Veiligheid. De andere drie zijn een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Alleen voor twee van de drie, het geneeskundige en brandweerdeel, moeten die gemeenten verplicht samenwerken. Het brandweerdeel is georganiseerd in opgelegde veiligheidsregio’s. En die veiligheidsregio’s komen niet overeen met de politieregio’s. Van die laatsten zijn er tien, van die veiligheidsregio’s vijfentwintig. In het geneeskundige deel speelt de GGD een belangrijke rol en daarvan zijn er nog meer. Ook de GGD is in de meeste gevallen een samenwerkingsverband tussen verschillende gemeenten. Dit zorgt voor flinke bestuurlijke drukte. In crisistijd bieden de onderliggende wetten een mogelijkheid de ‘voorzitter van de veiligheidsregio’ te benoemen tot ‘enige bij uitsluiting bevoegd’ om aan bepaalde zaken toepassing te geven. Zaken die in normale omstandigheden tot de bevoegdheid van de burgemeester behoren. Die voorzitter wordt daarmee eigenlijk de ‘burgemeester’ van de hele regio. Alleen is er geen ‘gemeenteraad’ van de hele regio.

Als tweede is onze ‘beschermingsinfrastructuur’ niet gebouwd op een langdurige crisis. En zeker geen crisis met een virus als oorzaak. Het gezondheidsdeel, de zogenaamde Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen, wordt namelijk gevuld met mensen uit de reguliere zorgorganisaties en dan in eerste instantie door medewerkers van de GGD. Dat werkt prima bij ongelukken en rampen zoals een de vuurwerkramp, het ontsporen van een trein of neerstorten van een vliegtuig. Dan wordt het reguliere werk even stop gezet en richt alle aandacht zich op die ramp. Na de ramp wordt er even alles op alles gezet om de ontstane achterstand in het reguliere werk in te halen. Regulier werk als inenten van kinderen op bepaalde leeftijden en het volgen van de ontwikkeling van kinderen op de verschillende momenten, het werk van de consultatiebureaus en de schoolartsen. Bij een langdurige crisis zoals de huidige, gaat zich dat wreken. Wat we nu ook zien is dat de capaciteit onvoldoende is om tot het gewenste niveau op te schalen. Daarom is het ook niet verwonderlijk dat, zoals in de Volkskrant is te lezen:  “Het geploeter bij de GGD’s (…) de grootste zorg van de Kamer” is. Omdat, zoals Kamerlid Marijnissen het in de krant verwoordt: “Hun bron- en contactonderzoek is het ‘fundament’ onder de Nederlandse corona-aanpak en dat staat nu op losse schroeven.” En dat is, volgens haar VVD-collega Hayke Veldman: “Onbegrijpelijk en onverantwoord. Dit had gewoon geregeld moeten zijn.” 

Stevige woorden en daarmee komen we bij de derde reden waarom ‘alles zo lang duurt’. Die reden heeft te maken met geld. De GGD in Nederland is, zoals al gezegd, niet één grote organisatie. Bijna alle GGD’en in Nederland zijn samenwerkingsverbanden van meerdere gemeenten. Bijna allemaal, alleen Amsterdam heeft een eigen GGD. Die samenwerkingsverbanden zijn gebouwd op de Wet gemeenschappelijke regelingen. In die ‘regeling’ brengen de deelnemende gemeenten taken onder en voor de uitvoering van die taken stellen zij geld beschikbaar. Budget voor die consultatiebureaus, schoolartsen en andere taken. Het budget en daarmee ook het personeel van de GGD, is afgestemd op die taken. En zoals bekend mag zijn, zitten de meeste gemeenten niet erg goed in de slappe was dus er is ieder jaar weer discussie of het niet met een ‘onsje minder’ kan en of de indexering vanwege de gestegen lonen en prijzen echt wel nodig is.

Om het ‘gewoon te regelen zijn twee dingen nodig. Als eerste geld en als tweede snel inzetbaar personeel. Over geld wordt altijd gesteggeld en snel inzetbaar personeel is niet beschikbaar. Dat moet ‘tijdelijk worden ingehuurd’ waarbij moet worden geconcurreerd op de arbeidsmarkt. En daarmee kom ik weer bij het ‘busvoetbal’ of beter gezegd: de BB. Zou een nieuwe BB niet een oplossing kunnen zijn voor het personeelsprobleem in tijden van langdurige crisis? Een ‘buitengewone maatschappelijke dienstplicht’ voor onze jongeren waarbij de jeugdigen worden opgeroepen in tijden van crisis en af en toe voor een oefening. Dit gewoon naast werk of studie. Zou dat een idee zijn?