Uitgelicht

Nationbuilding

Er komt binnenkort een einde aan zo’n twintig jaar ‘oorlog in Afghanistan’. Tenminste als je vanuit het perspectief van Nederland en de NAVO kijkt. Zet je een andere bril op dan kun je met recht en reden betogen dat die periode tenminste 42 jaar heeft geduurd. En als je naar de werkelijke situatie kijkt dan kun je met evenveel recht en reden betogen dat die oorlog nog steeds niet is beëindigd. In een analyse in de Volkskrant van negentien jaar Nederlandse bemoeienis met deze oorlog wordt Rob Bauer, de afzwaaiend Commandant der Strijdkrachten aangehaald: “Het zijn deels nation- buildingoperaties en dat is iets van twintig-dertig jaar.“ Die uitspraak brengt me weer bij Francis Fukuyama en zijn boek De oorsprong van onze politiek waarover ik al eerder enkele Prikkers schreef. In dit geval deel twee met als ondertitel Orde en verval. Over het waarom zo meer.

Eerst over die ten minste 42 jaar oorlog. In 1979 viel de Sovjet Unie Afghanistan binnen. Of in de Sovjet beleving: ze werden gevraagd door een bevriende regering in moeilijkheden om een handje te komen helpen. Vele Afghanen zagen dat niet zitten en namen de wapens op. Die strijders tegen de Sovjets werden Mudjahedien genoemd. De Verenigde Staten ondersteunden de Mujahedien met training, wapens en inlichtingen, dit om hun aartsvijand de Sovjet Unie dwars te zitten. Met het aloude adagium: de vijand van mijn vijand is mijn vriend. Die Mudjahedien kregen steun vanuit de Arabische wereld met als bekendste exponent Osama Bin Laden. Sinds die Sovjet inval is het nooit meer rustig geweest. En je kunt je afvragen of die ‘oorlog’ wordt beëindigd door het met de staart tussen de benen weglopen van de Amerikanen en de NAVO. Een veel reëler toekomstscenario is dat de strijd een volgende fase ingaat.

Dan naar Fukuyama. “In verschillende gebieden op de wereld is tribalisme nog steeds dominant ondanks dat wij in het westen denken in staten en de wereld ook uit staten bestaat. Staten die lid zijn van de Verenigde Naties. Veel landen, zoals Afghanistan, maar ook verschillende Afrikaanse landen, zijn echter geen natie, het zijn stammen die binnen een tijdens de koloniale periode getrokken grens wonen.” Dit schreef ik in het eerste deel in een serie over de boeken van Fukuyama. In een hoofdstuk met als titel Instellingen, van eigen bodem of geïmporteerd besteed hij aandacht aan ‘staatsvorming’ door druk van buitenaf en zijn conclusie is duidelijk:

“De resultaten van staatsvorming zijn heel teleurstellend.” Voor een verklaring hiervoor kijkt hij naar de koloniale ervaringen. Hij kijkt hierbij vooral naar het Engelse en Franse koloniale bestuur in Sub-Saharisch Afrika: “… omdat hiervoor weinig financiële middelen beschikbaar waren, het niet gepaard ging met de grootscheepse vestiging van Europeanen en er in latere jaren ontwikkelingsdoelen werden nagestreefd.” Wat leren die voorbeelden ons? Fukuyama: “Om succes te hebben moeten instellingen aansluiten op de plaatselijke zeden en tradities. Zo worden vanuit het buitenland geïmporteerde wetboeken vaak niet geaccepteerd, omdat ze geen weerspiegeling zijn van de plaatselijke waarden. [1]

Maar met staatsvorming zijn we er nog niet. Natievorming vraagt nog iets meer. Volgens Fukuyama: “… is het niet genoeg om formele staatsinstellingen te creëren, ongeacht of die op ontleende of inheemse modellen gebaseerd zijn. Staatsvorming moet vergezeld gaan van een parallel proces van natievorming, wil zij effectief zijn. Natievorming voegt een morele component toe van gedeelde normen en een gedeelde cultuur en ondersteunt daarmee de legitimiteit van de staat.” Alleen kent die ‘natievorming’ ook een keerzijde: “Het is ook een potentiële bron van onverdraagzaamheid en agressie.”Fukuyama noemt Indonesië en Tanzania twee voorbeelden waar dat succesvol gebeurde. Wat die voorbeelden gemeen hadden in de bestrijding van die onverdraagzaamheid en agressie is dat ze met autoritaire middelen tot stand zijn gebracht[2].

Het Westen formuleerde hoge ambities voor Afghanistan. “Je had bijvoorbeeld een heel ander Amerikaans beleid in Afghanistan kunnen voorstellen na de nederlaag van de Taliban in het najaar van 2001. In plaats van proberen om een nieuwe gecentraliseerde, democratische eenheidsstaat te vestigen, hadden de Verenigde Staten kunnen proberen om een coalitie van stamhoofden, krijgsheren en andere invloedrijke figuren op de been te brengen die onderling zouden kunnen overeenkomen om de vrede te handhaven en Al-Qaida en andere terroristische groepen de kop in te drukken.[3]Een veel realistischer doel.


[1] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek. Deel 2: Orde en verval, Pagina 344-345

[2] Idem, pagina 350

[3] Idem pagina 346

Uitgelicht

Wendbare democratie

“In een land van minderheden zijn coalities levensnoodzaak. Willen partijen met vaak tegengestelde opvattingen op allerlei punten kunnen samenwerken, dan moet iedereen water bij de wijn doen. Compromissen zijn onvermijdelijk en vergen veel woorden.” Dit is het antwoord van Marc Chavannes bij De Correspondent op de vraag waarom we in Nederland regeerakkoorden hebben. Volgens Chavannes is: “de invloed van het volk op de inhoud van regeerakkoorden (…) reëel en verdedigbaar, maar niet bijster groot en allerminst direct.”  Een antwoord met een kern van waarheid, Kunnen we ons ‘land van minderheden’ ook anders besturen?

File:Nederlandse Democratie v1.0.png
Ons huidige 170 jaar ouder staatsbestel. Bron: WikimediaCommons

Eerst even terug in de tijd. Onze Grondwet stamt uit een tijd waarin het gros van het volk nog niet mocht stemmen. Om te kunnen stemmen moest je voldoende belasting betalen. Als je ’s morgens om 8 uur in Amsterdam vertrok dan mocht je hopen om voor vijven in Utrecht aan te komen. Onderwijs, zelfs de lagere school, was voor het gros van de jeugd niet weggelegd. De gemiddelde levensverwachting van de man lag toen rond de 38 en voor vrouwen rond de 40. Vrouwen werden ook toen al ouder. Gemiddeld want als je geboren werd, was de kans groot dat je de twintig niet haalde. Sterker nog, 3 op de tien baby’s haalden het eerste levensjaar niet.

Ons huidige politieke stelsel stamt uit 1848. Toen werd de huidige Grondwet met daarin onze parlementaire democratie, opgesteld onder leiding van de liberaal Johan Rudolph Thorbecke. Nu werd er al veel langer gepoogd om de toen geldende Grondwet te wijzigen maar dat stuitte steeds op verzet van koning Willem II die bang was dat zijn macht werd ingeperkt. In 1848 lukte het. In dat jaar stond de Europese orde die na de nederlaag van Napoleon was ontstaan, onder zeer grote druk van opstandige volkeren die de macht eisten. Bang om zijn positie en wellicht zijn hoofd te verliezen, accepteerde Willem II in 1848 de huidige Grondwet die het koningschap symbolisch maakte. Daarom werd hij, zoals hij het zelf gezegd schijnt te hebben, in één nacht van conservatief tot liberaal.

Dat ‘volk’ dat de macht moest krijgen, bestond echter vooral uit de gegoede burgerij, niet uit de keuterboer of de glasblazer in de glasfabriek, die betaalden geen of te weinig belasting om te mogen stemmen. Onze democratie is niet opgezet om het gehele volk de macht te geven. Ze is opgezet om de machtigen, die gegoede burgerij, de macht te laten krijgen en behouden. Te krijgen van de koning die tot dan naar eigen goeddunken ministers benoemde. die macht moest worden gebroken en dat deed Thorbecke door die macht bij naar het parlement te trekken waarin die gegoede burgerij was vertegenwoordigd. Die indirecte manier paste bij die tijd omdat de belangen van ‘het volk’ niet zoveel uiteenliepen. Geen dictatuur van het proletariaat, waar Marx in die tijd voor pleitte, maar een ‘dictatuur van de fabrieksdirecteuren’.    

Nu zijn we 150 jaar verder. Hebben we algemeen kiesrecht. Rijdt er om de 10 minuten een trein van Amsterdam naar Utrecht die er een halfuurtje over doet. En via Zoom of Teams doe je er maar een paar seconden over om iemand aan de andere kant van de wereld in de ogen te kunnen kijken. Nu is ongeveer 40% van de bevolking hoger opgeleid. En zitten we nog steeds met een systeem dat het een kleine groep mogelijk maakt om door een meerderheid gewenste veranderingen tegen te houden. Je hoeft alleen maar onmisbaar te zijn om een regering te vormen.

Als we werkelijk transparantie willen met betrekking tot het regeerakkoord, dan moeten we de regering kiezen op basis van een programma. Of beter gezegd, de premier en die moet een meerderheid van de kiezers achter zich hebben. Dan weten we wat we na de verkiezingen kunnen verwachten omdat er voor de verkiezingen is ‘geformeerd’. Op deze manier wordt er op open en transparante manier met grote betrokkenheid van de kiezers, een meerderheid gecreëerd in dit land van minderheden.

Alleen moeten we daarvoor de Grondwet veranderen. En de Grondwet veranderen is nog lastiger. Dat moet volgens een procedure die het bijna onmogelijk maakt om er iets wezenlijks aan te veranderen. Twee keer behandelen in de Tweede Kamer, eerst met een normale meerderheid en na verkiezingen met een twee derde meerderheid. Met een dergelijke procedure is het wijzigen van bijvoorbeeld artikel 23 onmogelijk. Daarom hangen we nog aan een 170 jaar oud bestel vast. Tijd voor een Grondwetgevende vergadering om te komen tot een bij de huidige tijd passende Grondwet. Dan kunnen we daar meteen in opnemen dat er iedere 25 jaar zo’n Grondwetgevende vergadering wordt gehouden. Dat geeft iedere generatie de kans om de bestuurlijke orde aan te passen aan de eisen van de tijd. Zo maken we onze democratie veel wendbaarder dan zij nu is.

Uitgelicht

McDonalds en de jeugdhulp

“Door terug te gaan naar de eenvoud, redden we mensenlevens. En wat mij betreft maken we haast. Of wachten we ook hier ‘gewoon’ op een parlementaire enquête? “ Dit schrijft Linda Terpstra in een column voor het Friesch Dagblad die mij via LinkedIn bereikte. Het ‘hier’ waar Terpstra het over heeft is de jeugdzorg. Want daar gaat wat goed fout. En door terug te gaan naar de eenvoud, de menselijke maat, moet dat worden opgelost. Inderdaad gaat er het nodige niet goed in de jeugdzorg. Dat kan ik als beleidsadviseur werkzaam op dat terrein beamen en eenvoud klinkt sympathiek en zo ‘eenvoudig’.

De roep om terug te gaan naar die ‘ouderwetse eenvoud’, komt feitelijk neer op een gebrekkige of zelfs ontbrekende kennis van de situatie in het verleden. Zo ‘eenvoudig’ is het verleden ook voor wat betreft de jeugdhulp, nooit geweest. En als die jeugdhulp in het verleden al eenvoudig was, dan kun je hele grote vraagtekens zetten bij de kwaliteit ervan. Denk alleen maar aan de misbruikaffaires en dat is nog niet eens zo heel lang geleden. Voor wie een beeld wil krijgen van dat verleden, kan ik het boek 1000 jaar vaderlandse geschiedenis  van Peter W. Klein aanbevelen. In een hoofdstuk met als titel Het hemd, de rok en de mantel van Sint-Maarten besteedt hij aandacht aan de armenzorg. Niet precies de jeugdzorg, maar het geeft wel een goed beeld over hoe er met hulpbehoevenden werd omgegaan. Die geschiedenis laat zien dat we die ‘eenvoud’ uit het verleden zwaar overschatten en dat die ‘eenvoud’ verschrikkelijke gevolgen had voor de mensen die het betrof. ‘Terug naar de eenvoud’ sluit wel aan bij de trend om een verleden dat nooit is geweest te verheerlijken. Een trend waaraan Wilders en Baudet zich ook schuldig maken en die er bij hun volgelingen ingaat als gods woord in een ouderling.

Mansfield Reformatory | Row of prison cells | Becker1999 | Flickr
Een cellengang inMansfield Reformatory de locatie waar The Shawshank Redemption werd opgenomen. Bron: Flickr

Niet veel later las ik een artikel van PvdA’ers Marleen Barth en Nicole Teeuwen in de Volkskrant. “Na zes jaren van oplopende problemen is volgens ons de onontkoombare conclusie dat de decentralisatie van de gespecialiseerde jeugdzorg is mislukt.” Aldus de beide auteurs. Daarom hopen zij van harte: “dat de partijen die gaan onderhandelen voor een nieuw kabinet, besluiten de jeugdzorg terug te brengen naar een landelijke regeling.”  Immers: “Een beschaafd land heeft altijd voldoende geld voor kinderen in de knel, en een nieuw kabinet zal over de brug moeten met extra geld. Maar dat zal doeltreffender en doelmatiger worden gebruikt als er slechts een kader voor inkoop en kwaliteit van jeugdzorg zou bestaan.”  Even terzijde vrees ik dan dat er dan weinig tot geen beschaafde landen zijn. Beiden hebben spijt van het enthousiasme waarmee ze eerder die decentralisatie hebben gesteund.

Na het lezen van dit pleidooi moest ik denken aan een wethouder van een kleine gemeente. Begin 2017 verzuchtte hij dat we het voor de hulpverleners en ouders niet makkelijk hebben gemaakt. Zo was hem gebleken na gesprekken met ouders en jeugdhulpverleners. Ik moest hieraan denken omdat ik toen op zijn verzoek een praatpapier schreef met een analyse van de situatie in de jeugdhulp. Omdat mijn analyse uit dat praatpapier nog steeds actueel is, neem ik jullie erin mee.

Een praatpapier dat begon met een kleine studie van de geschiedenis van de jeugdhulp in Nederland. Een studie die ik recentelijk met jullie heb gedeeld in een Prikker met als titelJeugdzorg, wijn, zakken en druiven. Die wordt goed samengevat met de volgende zin eruit: “En daarmee werd de ‘oude wijn’ overgegoten in alweer nieuwe zakken.’  Alweer omdat dezelfde ‘oude wijn’ al vaker in een nieuwe zak is gegoten.”  In die Prikker komt ook de Kamerwerkgroep toekomstverkenning jeugdzorg voor, een soort lichte parlementaire enquête uit 2010 op basis waarvan de jeugdzorg over de heg van de gemeenten werd gekieperd. Die korte geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar laat zien dat alle overheden behalve de waterschappen de jeugdzorg al eens op hun bordje hadden. Dus zou nu weer ‘nationaliseren’ dan de oplossing zijn?

Na die geschiedenis van de jeugdhulp. Een stukje perspectief dat begint met een stukje geschiedenis van de mensheid. In zijn boek Een kleine geschiedenis van de mensheid speculeert Yuval Noah Harari over de landbouwrevolutie, het moment dat de mensheid overstapte van het zijn van jager-verzamelaar naar landbouwer. Harari verwondert zich over die overstap omdat het leven van de jager- verzamelaars eigenlijk veel meer voordelen bood dan de landbouwsamenleving. De jager-verzamelaars hoefden veel minder te ‘werken’ voor eenzelfde hoeveelheid calorieën, ze aten veel gevarieerder waardoor ze veel gezonder waren en door dat gevarieerde eten, waren ze minder kwetsbaar voor hongersnood. Als de notenoogst een jaar slecht was, dan werd dat opgevangen door ander voedsel wat het dat jaar wel goed deed, bijvoorbeeld konijnen of appels. Terwijl in een landbouwsamenleving het mislukken van de bijvoorbeeld de aardappeloogst midden negentiende eeuw, tot massale hongersnood en sterfte leidde waarbij in Ierland (waar het fenomeen bekend staat als an Gorta Mór) meer dan één miljoen mensen stierven en evenveel mensen emigreerden. De ellende in Ierland werd extra vergroot door het optreden van de overheid. ‘Waarom hebben onze voorvaderen hun luxe leventje opgegeven voor een veel slechter leven als landbouwer?’ Harari geeft als verklaring dat dit een geleidelijk proces is geweest dat enkele generaties heeft geduurd. Een proces waarbij het steeds moelijker werd om terug te komen op de ingeslagen weg. Moeilijker, omdat de benodigde kennis en vaardigheden voor die teruggang verloren gingen en omdat er meer mensen waren, meer dan er via jagen en verzamelen gevoed konden worden.

Of er een ideale beginsituatie was in de jeugdzorg, waag ik te betwijfelen. Waar ik minder over twijfel is dat het zeer lastig is om zaken weg te denken. De wereld van de zorg is een flink beschreven vel, er is op doorgekrast, in de kantlijn zijn opmerkingen geplaatst, er zijn tekeningen toegevoegd. Met een schone lij te beginnen en dan een ideaalplaatje tekenen, is zeer lastig. We nemen immers allemaal onze ervaringen met het huidige systeem mee. Hieronder de duiding bij een vijftal vlekken op dat flink beschreven papier. Vlekken staan hierbij voor onderwerpen waarbij we ons de vraag kunnen stellen of  we het juiste goed doen. Of we ons niet bezondigen aan rationele irrationaliteit, een begrip dat de John Cassidy munt in zijn boek Wat als de markt faalt? en als volgt omschrijft: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigenbelang op de markt tot resultaten leidt die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.” Als we dit naar de zorg voor de jeugd vertalen, zijn we niet bezig om op een rationele manier ons eigen belang (van de individuele gemeente, de individuele zorgorganisatie enzovoorts) vorm te geven en levert dat voor het geheel, de maatschappij zaken op die irrationeel en inferieur zijn? Eigenlijk deden onze voorvaderen hetzelfde toen zij langzaam overstapten van jagerverzamelaar naar landbouwer, iedere stap leek rationeel in hun belang toen de stap werd gezet. Alleen kun je je afvragen of die stapt ooit zou zijn gezet als het resultaat al van te voren bekend was?

Als eerste een ‘structuurvlek’. Overheden denken in structuren, die lijken zekerheid te geven, die stralen betrouwbaarheid uit. Structuren in de vorm van harkjes (organisatiestructuren), piramides , lijnen (0de, 1ste , 2de lijn). Structuren met duidelijk overgangs- en overdrachtsmomenten die worden gemarkeerd met documenten die je toelaten tot de volgende stap in de hark, piramide of lijn. Maar liggen de kritische succesfactoren voor het slagen niet in de cultuur? In hoe mensen met elkaar omgaan, in hun houding. Zo zijn sociale wijkteams een gevolg van problemen in Leeuwarden. Problemen die men besloot om zoveel als mogelijk buiten de structuren en bureaucratie aan te pakken. Hiermee werden successen geboekt en de groep die ermee aan de slag ging, werd wijkteam genoemd. De vraag is alleen of het succes in Leeuwarden en van andere ‘pionierende’ wijkteams een resultaat was van het middel wijkteam, de structuur, of van de kwaliteiten van de medewerkers, de cultuur. Wordt nu niet het middel gekopieerd maar dan met mensen die de ‘pionierende’ capaciteiten ontberen? En wordt het middel nu niet als dé oplossing voor alle problemen gepositioneerd en in structuren gegoten terwijl het juist was bedoeld om structuren te breken? Gebeurt er met de wijkteams en haar leden dan niet precies wat gevangene Red gespeeld door Morgan Freeman in  de film The Shawshank Redemption ‘institutionalized’ noemt: “These walls are funny. First you hate ‘em, then you get used to ‘em. Enough time passes, you get so you depend on them. That’s institutionalized.”

Structuren kunnen helpen of hinderen. Het continue gesleutel aan structuren zorgt in ieder geval voor onzekerheid bij medewerkers: heb ik nog werk, waar werk ik, wie stuurt mij aan, waar kan ik terecht voor … Structuren ondersteunen als mensen er invloed op hebben, ze zelf dragen en uitdragen. Het Braziliaanse bedrijvenconglomeraat Semco van de ondernemer Ricardo Semler laat zien wat je kunt bereiken door de medewerkers zelf verantwoordelijk te maken: door aan de cultuur te werken. Verantwoordelijk voor hun salaris, hoe ze het werk doen, wie hun leidinggevende is (of die wel nodig is), wanneer ze werken en wanneer niet (zie hiervoor Tegenlicht). Dit lukt Semco zelfs bij volcontinu draaiende productielocaties. Dichterbij, in Nederland en in de zorg, laat Jos de Blok met Buurtzorg zien, dat ook de zorg zich leent voor hele lichte structuren die door de medewerkers zelf worden gedragen. Besteden we niet veel te veel aandacht aan structuren en vergeten we niet juist de cultuur? Is transformatie niet juist cultuur en zou het kunnen dat we met onze structuuraanpak en structuurdiscussie juist de cultuurveranderaars van ons vervreemden?

Als tweede de ‘nabijheidsvlek’. Gemeenten willen ‘dichtbij de burger’ zijn en staan’, dat was ook een ‘argument’ waarmee werd gepleit voor de decentralisatie: gemeenten staan het dichtst bij de burger en zijn dus het beste instaat om passende ondersteuning te bieden. Ik zet argument hier bewust tussen haakjes want is dit een feit of zijn het twee aannames? Veel gemeenten werken met (sociale)wijkteams. In de wijk zijn ze immers dichtbij de burger. Iemand kan fysiek dichtbij je zijn maar emotioneel mijlen ver van je verwijderd.  Over welke vorm van dichtbij zou het in de zorg moeten gaan? Gaat het in de zorg en ondersteuning niet vooral over het slechten van die emotionele afstand? Wordt succes niet bepaald door het overbruggen van de emotionele afstand? Voor veel jeugdigen is McDonalds heel nabij terwijl deze multinational vanuit Oak Brooks, een plaats bij Chicago dat de meeste jeugdigen (en ook volwassenen) niets zal zeggen, wordt aangestuurd en geleid. Gaat het bij dichtbij niet veeleer om een gevoel dan een organisatievorm? Overbruggen wij de emotionele afstand door buurman te worden?

Als derde de ‘samenwerkingsvlek’. De Kamerwerkgroep toekomstverkenning jeugdzorg concludeerde datde versnipperde financiering een van oorzaken was van de problemen in de jeugdzorg. Dit zorgde voor verschillende wettelijke regimes en opdrachtgevers. Er moest één overheid verantwoordelijk worden: de gemeenten. Klein probleem, daar hebben we er bijna vierhonderd van. De versnippering die eruit moest is bestreden door? Juist ja door verder te versnipperen! Zorgverleners die eerst met één provincie te maken hadden of met één of twee zorgkantoren, moeten nu in de clinch met vele gemeenten. Landelijke instellingen die met bijna vierhonderd gemeenten in de slag moeten. Een in heel Brabant werkende instelling heeft te maken met 64 gemeenten, gemeenten die niet allemaal hetzelfde willen en vragen. Dit vraagt van samenwerkingspartners en instellingen veel, zowel in menskracht als in geld en dat geldt ook voor de gemeenten. Instelling moeten zich verhouden tot de ‘çouleur locale’ van iedere gemeente. Maar wat is er lokaal aan een eetstoornis of kindermishandeling? Het is de vraag of het kind werkelijk centraal staat zoals we pretenderen. Zijn kind, ouders en opvoeders werkelijk beter geholpen? ‘L’union fait la force’ of in het Nederlands Eendracht maakt macht, aldus het Belgische devies, al lijkt een deel van de Vlamingen daar anders over te denken. Zijn wij werkelijk eendrachtig en maken we macht? Of volgt iedere gemeente het Nederlandse devies voor zichzelf: ‘Je Maitiendrai’ of in het Nederlands met een kleine twist: ik zal (mijn eigenzinnigheid) handhaven? Staat ‘couleur locale’ niet eigenlijk voor: ik wil niet samenwerken en doe mijn eigen ding? Vertrouwen we elkaar? Werken we samen of maken wij van samenwerken zo dicht mogelijk langs elkaar heen werken?

Als vierde de ‘risicovlek’. Weer een klein stukje geschiedenis maar dan op een ander vlak, trouwens weer Belgisch. Het Belgische fort van Eben Emael. Na de redelijk snelle doortocht van de Duitse troepen in 1914 (redelijk snel, maar voor het Duitse keizerrijk te traag), trok de Belgische regering in de jaren twintig de conclusie dat de oude forten gemoderniseerd moesten worden. De zwakheden van 1914 moesten eruit en het zogenaamde ‘gat van Visé’ moest worden gedicht. De Duitsers hadden in 1914 gebruik gemaakt van dit gat tussen Visé en de Nederlandse grens. Hier verrees het ‘moeder aller forten’, het fort Eben Emael. Volgens de militaire experts was het fort onneembaar en daarmee waren de risico’s die de Belgen zagen, beheerst. Toch werd het fort op 10 mei 1940 binnen een kwartiertje door de Duitse troepen uitgeschakeld. De bekende risico’s waren beheerst, onbekende, vernieuwende risico’s niet en laat de Duitser nu net met het onbekende, gedurfde aan de slag zijn gegaan. Zweefvliegtuigen en paratroepen die ongezien op het fort landden en het zo van binnenuit uitschakelden.

Risico’s in de (jeugd)zorg worden beheerst via ‘de forten van de jeugdzorg’, de (handelings)protocollen, verantwoordingssystemen, volgsystemen, waarschuwingssystemen, zoals de Verwijsindex. Alleen voorkomen die niet dat er zaken fout gaan. En na een fout komt er een ‘Pieter van Vollenhoven’ langs die pleit voor ‘nog meer systemen’. Proberen wij met al die instrumenten niet precies hetzelfde als de ‘Belgische’ militaire planners? Het beheersen van risico’s die we toch niet helemaal uitgesloten kunnen krijgen? Die protocollen en procedures compleet met hun perverse prikkels vormen het denk- en handelingskader van de zorgorganisaties en de professionals. Vraagt transformatie niet om buiten de protocollen, procedures, denk- en handelingskaders te treden, om flexibiliteit om verandering en vernieuwing, om ‘Duits’ denken? Vraagt moderne risicobeheersing daar trouwens niet ook om?

Als vijfde de ‘neoliberale vlek’. De afgelopen decennia heeft de marktwerking een belangrijke rol gekregen in de zorg: ‘Laat het aan de markt over, die zorgt voor efficiënte, goedkope oplossingen’. Een aanname waarbij de nodige vraagtekens zijn te zetten. Zo laat de Amerikaanse econoom Robert J. Gordon (lees zijn boek The Rise and Fall of American Growth) zien dat die marktwerking in de Verenigde Staten tot de duurste zorg van de wereld heeft geleid, de VS geven per hoofd van de bevolking het meeste geld uit aan gezondheidszorg en tot grote verspillingen en vooral tot een voor vele Amerikanen onbereikbare zorg. Kijken we naar Nederland dan hebben wij bijna de duurste zorg per hoofd van de bevolking in Europa. Nederland is ook heel ver gegaan met marktwerking in de zorg en probeert, in tegenstelling tot de VS, die markt te reguleren waardoor de ergste excessen worden voorkomen. Excessen zoals twee volledig uitgeruste ziekenhuizen bijna naast elkaar die allebei half leeg staan)

We geven veel geld uit aan zorg. Toch zijn veel mensen bezorgd of ze de benodigde zorg nog wel kunnen krijgen of kunnen betalen vanwege de eigen bijdrages en de stijgende premies. Niet alleen zorgvragers maken zich zorgen ook zorgmedewerkers maken zich zorgen of ze ‘morgen nog wel werk hebben’. De ‘bedrijven’ waarvoor zij werken, maken zich zorgen of ze de volgende ‘aanbesteding’ wel overleven. Gemeenten kopen de zorg voor de jeugd immers in op de markt. Hiervoor worden dure (Europese)aanbestedingstrajecten opgezet die tot veel papierwerk en bureaucratie leiden. Zo wordt er veel geld uitgegeven voor zorg zonder dat het wordt besteed aan zorg. Het wordt door zowel de gemeenten als de aanbieders besteed aan inkopers, juristen en beleidsmensen.

Een voorbeeld uit een andere sector, het openbaar vervoer. In Limburg is er pas weer opnieuw gegund (in 2016) na een traject met veel ophef en fraude, tsja die Limburgers. Er rijden nu nieuwe bussen en treinen met de oude chauffeurs in nieuwe uniformen want de winnaar moet het personeel van de verliezer overnemen. Zou het in de zorg anders zijn? Moet ook daar de ‘winnaar’ niet het personeel van de ‘verliezer’ overnemen? Geluk voor het personeel zou je kunnen zeggen, ze behouden hun baan. Toch geeft dit onrust en onzekerheid want meestal wordt niet alles en iedereen overgenomen, moet je weer wennen aan een nieuwe organisatie met andere regels en gebruiken. Je kunt je afvragen waarom we dit doen als het resultaat toch is dat dezelfde mensen hetzelfde werk moeten doen? Zeker als we ons bedenken dat de zorgsector kampt met een tekort aan mensen die het werk kunnen en willen doen. Een gebeuren dat aan alle kanten voor onrust zorgt. Is dit niet, als je het vanuit een wat abstracter niveau bekijkt, ‘a lot of fuss about nothing’? Maar wel fuss die veel tijd, geld en energie kost.

Tot zover mijn analyse uit 2017. Deze hele mêlee gaan we niet oplossen door te zoeken naar vroegere eenvoud die nooit heeft bestaan. Die gaan we ook niet oplossen door het hele systeem maar weer eens overhoop te gooien en het centraal te regelen. Dat zou trouwens wel passen in het ritme uit het verleden. Ieder tien tot vijftien jaar een nieuwe wet over de zorg voor de jeugd. Dat gaat ook niet automatisch lukken met de petitie die de FNV samen met de denktank Jeugdsprong heeft opgezet. In  prachtige woorden beschrijven ze een visie op de jeugdhulp die mij verdomd bekend voorkomt van het visietraject jeugdzorg van de gemeente waar ik vóór de decentralisatie van 2015 werkte. En die een van de oudere deelnemers aan dat traject uit de jeugdhulp deed terugdenken aan begin jaren negentig van de vorige eeuw waarna hij iets zei als: ‘en hoe zorgen we ervoor dat het nu wel gaat lukken?’

Ik denk, en daarbij haak ik aan bij wat ik gekscherend op LinkedIn aan Maaike van der Aar, de landelijk bestuurder Jeugdzorg van de FNV die het artikel van de beide PvdA’ers op dat medium schreef, dat we: “eens bij McDonalds (moeten) kijken, die doen iets heel goed. Ze worden centraal aangestuurd vanuit Chicago maar weten toch nabijheid op te wekken. Ze doen zaken op wereld schaal maar andere zaken laten ze aan lokale franchisers over omdat dit vanuit Chicago niet te regelen is.”

Uitgelicht

Lukkassens Götterdämmerung

“Geert Wilders, Martin Bosma, Thierry Baudet, DENK, Sylvana Simons, een mevrouw van de Moslimbroederschap pardon GroenLinks, de kosmopolitische technocraten van VOLT, de boerenbeweging en zelfs voormalig Europarlementariër Derk Jan Eppink is naar Den Haag gekomen (terwijl de macht zich van Den Haag naar Brussel en Straatsburg verplaatst). Kortom iedereen komt samen om zijn of haar rol te vervullen in dit tragische slotstuk: de godenschemering van onze democratie.” Aldus Sid Lukkassen in een artikel bij ThePostOnline. Dat klinkt onheilspellend.

Sir Winston Chutchill | "Indeed, it has been said that democ… | Flickr
Bron: Flickr

Nu zijn er wel vaker verkondigers van ‘onheilspellende’ toekomsten. Zo verkondigde Oswald Spengler honderd jaar geleden al de ondergang van het Avondland oftewel het Westen. Spengler vergeleek culturen met een levende wezens: ze worden geboren, groeien op, komen in bloei, takelen vervolgens af en sterven en het westen stond op het punt om te sterven, zo betoogde Spengler honderd jaar geleden. Spengler was niet de eerste en ook niet de enige. Er zijn altijd wel weer mensen die het einde van de beschaving en de wereld voorspellen. Zo zou de wereld op 21 mei 2012 volgens ‘aanhangers van de Maya-kalender vergaan, een hierop gebaseerde film werd gisteravond, bijna negen jaar na dato, weer vertoond. Ook kennen de grote religies allemaal een ‘einde der tijden’ dat door de eeuwen heen al geregeld is voorspeld. Een ‘einde’ dat de uitverkorenen naar het hemelse eeuwigdurende rijk zou leiden. Ook seculiere ‘religies’ kennen iets soortgelijks. Zo zou de proletarische revolutie via de dictatuur van het proletariaat uiteindelijk leiden tot de klasseloze hemel op aarde en zou Hitlers nationaalsocialisme na de strijd uiteindelijk leiden tot het gelukzalige Duizendjarige Rijk, waarbij we duizend moeten uitleggen als eeuwig.

Lukkassen trekt een parallel met Wagners vierdelige opera Der Ring des Nibelungen. Waarvan het laatste deel Götterdämmerung vertaald als Godenschemering heet. In dat deel gaat de godenwereld in vlammen op waardoor de mensheid in het vervolg op zich zelf is aangewezen. Wagner haakte aan bij de Germaanse en Noorse mythologie. Lukkassens boodschap komt er dus op neer dat onze democratie op het punt van instorten staat.

Lukkassen ziet twee problemen in onze huidige democratie. Als eerste is: “identiteit een bepalend verkiezingsthema,” geworden. En: “Omdat veel kiezers identificatie en nabijheid prioriteit geven boven ‘het beleidsmatig oplossen van problemen’, krijgen we een Wagneriaanse saga waarin de apocalyptische slotscène – een dramatisch Götterdämmerung – in ons parlement wordt uitgespeeld.” Aldus Lukkassen in de zin die voorafgaat aan het citaat waarmee ik deze Prikker begon. Problemen worden niet opgelost omdat er wordt gehamerd op ‘verschillen’ en op het ‘gelijk van de eigen groep’. Een conclusie waarvoor de huidige situatie voldoende argumenten geeft.

Als tweede de rol van de grote techbedrijven. Lukkassen: “De democratie is geboren uit de wens van de liberale burgerij om hun stem te laten horen en hun eigen vrijheid van denken op te eisen tegenover adel, kerk en koningshuis. Maar nu – nu deze vrijheid wordt overvleugeld door corporaties die via algoritmes en datamining méér informatie hebben over burgers dan waar Lenin en Stalin ooit van droomden, en die globaal georganiseerd zijn en hiermee ook nog eens niet zijn gebonden aan nationale democratieën – hoor je diezelfde liberaal-democratische krachten niet. Ze lijken het op een akkoord te hebben gegooid met de Techreuzen. Zolang die laatsten de uitdagers van het bestel, ‘populisten’ als Wilders en Farage, niet al te groot laten worden, vinden de liberaal-democraten het wel best.” Gevolg hiervan is: “dat parlementair succes wordt afgemeten aan hoeveel views en likes (die) een partij scoort met een video waarin hun politici een politieke tegenstander affakkelen in een debat. Echter, diverse partijen maken van één debat verschillende video’s. Dikwijls worden daarin hun eigen ‘doelpunten’ sterk belicht terwijl de voltreffers van de tegenstander geen aandacht krijgen. Hiermee drijven de belevingswerelden van politiek geëngageerden steeds verder uiteen, waarin Hobbesiaanse pre-burgeroorlog voorschemering te herkennen zijn.” Ook voor deze scoringsdrang zonder echte doelpunten is bewijs te vinden.

Gelukkig weet Lukkassen ook de oplossing: “Daarom is het belangrijk dat links en rechts inhoudelijk in dialoog blijven.” Hij vervolgt: “Een stabiele Leitkultur is een onontbeerlijke voorwaarde om een fragmentarisch uiteendrijven van het electoraat tot rivaliserende stammen te voorkomen. We moeten zorgen dat burgers een bezield verband blijven ervaren, verbonden aan een gedeelde identiteit.” Identiteit als oplossing voor identiteitsproblemen, een bijzondere oplossing, zou dit werkelijk onze democratie redden? Zelf ziet hij het ook niet gebeuren: “Echter liberalen vinden dit te beknellend en links verwerpt het principe van een leidende cultuur als ronduit fascistisch en imperialistisch. Zodoende is onze democratie inderdaad gedoemd te versplinteren tot een steeds agressievere stammenstrijd” Vandaar die Götterdämmerung van onze democratie. Lukkassen capituleert en geeft de democratie op.

Maar wat dan? Daarop geeft hij in dit artikel geen antwoord. Dat antwoord gaf hij al eerder: een burgeroorlog. Na die Götterdämmerung moet zijn Nieuwe Zuil, waarover ik eerder schreef, klaar staan en: “voldoende ‘hardheid’ bezitten, oftewel standvastigheid, om deze totalitaire besluiten naast zich neer te kunnen leggen en weerbare tegendruk te kunnen bieden.”  Want: “(O)p dat moment verlaten we het gesprek en treden we toe tot de natuurtoestand. Dan is het conflict niet meer met woorden, maar wordt het conflict fysiek. In Oud-Nederlands: wie niet horen wil, moet maar voelen.” Om in marxistische termen, die Lukkassen te pas en te onpas gebruikt, te spreken: dan gaan we via die burgeroorlog naar de ‘dictatuur van de echte Nederlander’ wie dat dan ook mogen zijn. Een dictatuur die moet terugleiden naar het ‘Nederland uit een denkbeeldig verleden’ waar Lukkassens vriend Baudet over spreekt. Denkbeeldig omdat het Nederland waarnaar terug moet worden gegaan, nooit heeft bestaan.

Op basis van een goede analyse geeft Lukkassen de democratie op omdat we nooit tot die door hem gewenste ‘Leitkultur’ komen. Hij zoekt de oplossing in een van de oorzaken van het probleem, in ‘identiteit’. Waarom niet gezocht naar andere vormen van democratie? Vormen die beter passen bij onze huidige samenleving. ‘Nationale identiteiten’ ontstonden in de negentiende eeuw, zoals ik al eerder schreef. Ze zijn van recente datum, als mensheid hebben we heel lang zonder gekund. In bijna al die landen ging het construct ‘nationale identiteit’ aan de democratie vooraf. Daarom kan het lijken alsof een democratie niet zonder ‘nationale identiteit’ kan. Democratie is: “een staats(vorm) die aan het hele volk invloed op de regering toekent,” aldus de Van Dale. Een bestuursvorm die je op verschillende manieren kunt vormgeven. De manier waarop ze nu is vormgegeven, is gebaseerd op onze verzuilde samenleving van het grootste deel van twintigste eeuw. Onze structuur met partijen die ieder een ‘zuil’ vertegenwoordigde, paste daar goed bij. Die zorgde voor grote stabiliteit waardoor problemen met het oog op de toekomst konden worden opgelost. Als politicus wist je immers dat je niet zou worden afgestraft door je loyale achterban. Sinds het begin van dit millennium ontbreekt die stabiliteit en ligt de focus op de korte termijn. Andere vormen zijn mogelijk, recentelijk beschreef ik er een.

Inderdaad geven: “veel kiezers identificatie en nabijheid prioriteit (…) boven ‘het beleidsmatig oplossen van problemen’,” dat hoeft echter geenszins de Götterdämerung van democratie te betekenen. Als we de uitdaging aannemen kan dit ook een groeistuip van de democratie worden. Dit omdat, zoals Winston Churchill ooit sprak: “Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.”

Uitgelicht

Vaccin en een dodelijk auto-ongeluk

De kans op het winnen van een prijs in de Staatsloterij is iets meer dan 50%, zo is te lezen op de site vergelijkloterij.nl. Nu is dat winnen relatief. De Staatsloterij zal betogen dat je wint als er een prijs op je lot valt. In mijn definitie win je als de prijs groter is dan de investering. Dus als je meer wint dan dat je voor het lot hebt betaald. De kans op dat laatste is bij de Staatsloterij ongeveer één op de acht. Dit klinkt al heel anders. De kans op de reguliere hoofdprijs is 1 op 2,6 miljoen. Als je meespeelt om de jackpot bij de maandelijkse trekking, dan kun je beter stoppen, de kans dat je die wint is 1 op 40 miljoen. Ik moest hieraan denken toen ik las dat er weer wordt gestopt met het vaccineren met het Astra Zeneca vaccin omdat vijf mensen na vaccinatie last kregen van trombose in combinatie met een verlaagd aantal bloedplaatjes. Van deze vijf overleed er één.

De Staatsloterij keert van iedere euro bijna zeventig cent uit als prijzengeld. De kans dat je geld verliest bij deelname is zeven op de acht. Tocht weerhoudt dit velen, ook mij, niet om deel te nemen. Want ondanks die hele kleine kans, is het dromen van wat je met die hoofdprijs kunt doen ook wat waard. Dit even terzijde.

Terug naar het vaccin. Voor die keuze is wat te zeggen als er alternatieven zijn die tot minder overlijdens leiden en die alternatieven zijn er. Andere vaccins laten tot nu toe op dit gebied betere resultaten zien. Dus terecht gestopt? Dat gaat mij iets te snel. Ja, er zijn andere vaccins, maar er zijn er niet genoeg om binnen afzienbare tijd heel Nederland te vaccineren laat staan de hele wereldbevolking. Dus om nu te zeggen dat er voldoende vaccins zijn. Er is meer.

Natuurlijk is het tragisch als je na een vaccinatie last krijgt van zeer ernstige bijwerkingen, laat staan als je eraan overlijdt. Hoeveel keer er precies een prik is gezet met het vaccin van Astra Zeneca weet ik niet precies, het zijn er in ieder geval veel meer dan 200.000, want zoveel zijn er alleen al gezet bij 60-64 jarigen met een hoog risico op ernstige COVID. Eén dode op minimaal 200.000 dat is niet veel. In het Verenigd Koninkrijk zijn er inmiddels ongeveer 18 miljoen mensen ingeënt met dit vaccin. Daarvan kregen er dertig de genoemde bijwerking waarvan er zeven overleden. Eens even rekenen: 30 op 18 miljoen dat is één op 600.000 en zeven doden dat is één op de 2.571.428 gevaccineerde mensen.

Niet veel zou je zeggen, maar dus toch genoeg om de vaccinatie met dit vaccin stop te zetten. Vreemd dat we het verkeer nog niet hebben stopgezet. In 2019 werden 661 mensen het slachtoffer van een dodelijk ongeval. Op een bevolking van 17,28 miljoen is dat één slachtoffer van een dodelijk ongeval op 26.142 mensen. De kans op een dodelijk verkeersongeval is daarmee bijna 100 keer zo groot als de kans op overlijden na een vaccinatie met het vaccin van Astra Zeneca.

Op basis van de verzamelde data sterft in Nederland net geen 1 op de tachtig mensen die besmet raken met COVID. Met de gisteren op 2 april positief geteste mensen, dat waren er bijna 7.300, zitten er dan weer 90 overlijdens vanwege COVID aan te komen. De Nederlandse bevolking is vergelijkbaar met die 18 miljoen Britten die inmiddels met het vaccin van AstraZeneca zijn ingeënt. Dat zou betekenen dat er in Nederland zeven mensen zouden sterven aan dit vaccin. Rekenen we met ‘onze eigen cijfers’ van één op minimaal 200.000, dan zouden er 90 mensen sterven aan het vaccin. Dat komt overeen met de 90 die op basis van de besmettingen van de dag van gisteren, hun doodvonnis aangekondigd kregen.

Beste regering, vraag gewoon wie het risico dat je bij vaccinatie met AstraZeneca loopt, wil nemen. Ik geef hierbij al vast aan dat ik bereid ben dit risico te lopen.

Uitgelicht

De les lezen

“Off topic reageren. En een slachtoffer van racisme de les gaan lezen over wat racisme is.” Daar kon ik het mee doen. Daaraan maakte ik me volgens de redactie van de site Joop schuldig bij het reageren op een artikel op die site van Sun Yoon van Dijk. Dit was voor de redactie aanleiding om mijn account bij die site voor 24 uur te blokkeren. Ik was en ben met stomheid geslagen. Ik ben benieuwd hoe jullie, mijn lezers, het zien.

Hippocrates_lecturing_to_his_students_under_the_plane_tree_Wellcome_M0000138.jpg (4009×2633)
Hippocrates geeft les aan zijn studenten. Bron: WikimediaCommons

“Al zolang als ik mij kan herinneren krijg ik ‘grappige’ opmerkingen zoals ‘sambal bij’, ‘loempia’ maar ook de ‘serieuze’ vragen zoals of ik ook honden eet. Als er een kind jarig was op school werd er Hanky Panky Shanghai gezongen inclusief de ogen horizontaal trekken. Alleen dat laatste hoefde ik nooit te doen werd er gezegd, want ik had al spleetogen. Er wordt standaard vanuit gegaan dat ik Chinese roots heb. Wanneer ik aangeef dat ik niet Chinees ben, dan weten ze het zeker. ‘Japan! Niet? Vietnam dan? Thais? Oh, Koreaans… ach het lijkt allemaal op elkaar. Jullie hebben allemaal spleetogen.’” Zo beschrijft Van Dijk haar ervaringen en daaraan voegt ze nog meer voorbeelden toe. Van Dijk eindigt haar betoog met de woorden: “Maar zolang deze vorm van racisme nog ontkend of niet serieus genomen wordt, hebben we nog een lange weg te gaan.”

Dat je het vervelend en ergerlijk vindt om met dergelijke vooroordelen te worden benaderd, dat kan ik me goed voorstellen. Op een dergelijke manier begon ik mijn reactie, waarna ik verschillende voorbeelden gaf van vooroordelen. Vooroordelen zoals de ‘botte arrogante Hollander’, de ‘zunnige Zeeuw’, de ‘corrupte vlaaietende Limburgers, dikke ‘Pommes mit Mayo und Bratwurst etende Duitsers die kuilen graven op het strand’ en nog wat wel bekende vooroordelen waarvan de mensheid gebruik maakt. Vervolgens vroeg ik me af of het zou helpen als we dit allemaal onder racisme gaan scharen. Want laten we wel wezen, ‘sambal bij’ of ‘loempia’ en voor ‘vlaai’ uitgemaakt worden, zijn vooroordelen van eenzelfde kaliber. Over dat laatste, de behandeling van Limburgers in andere delen van het land, een artikel van Elke Cremers in Glamour. De anekdotes in Cremers’ artikel lijken veel op de ervaringen van Van Dijk.

Helaas kwam er geen antwoord op mijn vraag maar een blokkade van mijn account wegens ‘het overtreden van de huisregels’.  En op mijn vraag welke van de acht regels ik dan had overtreden, kwam het antwoord waarmee ik begon. Van die reactie viel ik van mijn stoel. Ik vraag me af in hoeverre het ‘off topic’ (eerste huisregel) is om bij een artikel waarin over racisme wordt geschreven, een vraag te stellen die aanhaakt bij de kern, namelijk een omschrijving van het begrip racisme. Als het over begrippen gaat, dan is mijn belangrijkste leidraad de Van Dale en die omschrijft racisme als volgt: “opvatting dat mensen met een bepaalde huidskleur beter zouden zijn dan mensen met een andere kleur, gebruikt als rechtvaardiging om mensen met een andere kleur slecht te behandelen.” Ik lees hierin dat er bij racisme sprake moet zijn van doelbewust handelen en dan ook nog doelbewust slechter behandelen vanwege de huidskleur. Dat mensen, alle mensen, vooroordelen hebben en op basis van vooroordelen handelen, is evident. Dat handelen op basis van die vooroordelen pijn kan veroorzaken bij een ander, staat ook buiten kijf en het is goed om dat bespreekbaar te maken. Maar ik stelde mijn vraag omdat ik me oprecht afvraag of het bij dat bespreekbaar maken helpt om het racisme te noemen. Ik denk veeleer dat dit tot onbegrip en verdeeldheid leidt dan dat het mensen nader tot elkaar brengt. Ik denk dat omdat ik het zie gebeuren en daarmee is niemand geholpen.

Als dit ‘de les lezen’ is, dan is een gesprek onmogelijk. Dan worden persoonlijke ervaringen en meningen de maat der dingen waarover geen gesprek mogelijk is. Dan zeg je in feite: ‘wat ik vind is de waarheid en die waarheid mag en kan niet ter discussie worden gesteld. Die moet iedereen maar accepteren’. Dan is de waarheid van de ‘Hanky Panky-zingers’ dat het een ‘onschuldig verjaardagsliedje dat niemand kwaad doet’ is, net zo waar. We komen echter niet verder als beiden in hun waarheid blijven zitten. Om werkelijk in gesprek te kunnen, moeten we het eerst eens zijn over wat we met begrippen bedoelen. Helaas kan een dergelijk gesprek bij Joop niet worden gevoerd.

Trouwens en dat is nog het meest bijzondere, een verbod op ‘de les lezen’ behoort niet tot de huisregels van Joop.

Uitgelicht

Experiment, doe je mee?

Salvator Mundi, een schilderij van Leonardo da Vinci. Niet zomaar een schilderij maar eentje waarvoor iemand € 450 miljoen heeft betaald. Het kost wat, maar dan heb je het ook en kun je het aan de muur hangen in je huis. Een belachelijke prijs maar als je zoveel geld hebt dat een half miljard niet mist, dan kun je het ervoor betalen. Je kunt dat geld natuurlijk ook besteden aan het bouwen van een ziekenhuis of er beurzen van geven aan kinderen waarvan de ouders niet de mogelijkheid hebben om hen te laten studeren. Een belachelijke prijs maar dan heb je wel wat. Het kan altijd gekker.

In een artikel in de Volkskrant las ik het volgende: “Onlangs werd een zeefdruk uit de serie Morons van graffitikunstenaar Banksy door het anonieme collectief BurntBanksy in brand gestoken. Dat werd gefilmd, op YouTube geplaatst. Vervolgens werd de unieke digitale versie van de zeefdruk (als NFT, non fungible-token waarvan de unieke identiteit en eigendom worden ­geverifieerd via een blockchain) geveild. Dat bracht meer dan het drievoudige op (394.000 dollar) van het bedrag waarvoor het was aangekocht.” Iemand koopt een setje enen en nullen voor drie-en-een-halve ton.

Het kan nog gekker: “Het eerste bericht op Twitter ooit heeft bij een digitale veiling 2,9 miljoen dollar (bijna 2,5 miljoen euro) opgeleverd. Een zakenman in Maleisië kocht de tweet van Twitter-oprichter Jack Dorsey.”  Dan koop je die tweet maar, zo lees ik, iedereen kan die kopiëren of downloaden. Je koopt iets voor een godsvermogen maar je hebt het niet alleen. Nu vraag ik me bij die tweet nog iets af. Die tweet luidde ‘just setting up my twttr’. Dorsey is de oprichter van Twitter en via Twitter kun je berichten delen met anderen. Met wie heeft Dorsey dan dat eerste bericht gedeeld? Of beter gezegd, wie las die Tweet ? Nog iets verder nagedacht, hoe weten we zeker dat dit de eerste tweet was? Misschien plaatste hij wel andere berichten die hij weer verwijderde. Dat even terzijde.

Het kan zijn dat het aan mijn leeftijd ligt dat ik het niet begrijp. Het kan ook zijn dat het aan ‘die anderen’ ligt. Of om Louis van Gaal te parafraseren: ‘zijn zij nou slim, of ik zo dom?’ Daarom een experiment. Ik weet niet hoe non fungible-tokens werken. Wel lees ik op Wikipedia dat ze: “meestal (draaien) op een proof-of-work blockchain, die minder energiezuinig is dan een proof-of-stake blockchain, wat heeft geresulteerd in enige kritiek op de koolstofvoetafdruk van NFT-transacties.” En als we iets moeten is het de koolstofvoetafdruk verkleinen. Dat wil ik niet, dus daar doe ik niet aan mee. Daarom op een andere manier. Wie wil deze prikker kopen? Breng een bod uit en als je bod het hoogste is, dan krijg je een uitgeprinte, gesigneerde en ingelijste versie van deze Prikker. Aangezien het een experiment is en ik er niets aan hoef te verdienen, maak ik het geld, na aftrek van de kosten voor de lijst en het verzenden over aan een goeddoel. Ik schenk het aan de HSCV Mustangs in Venlo zodat ze er materialen voor de jeugd voor kunnen kopen. Voor alle anderen blijft deze Prikker gewoon beschikbaar via mijn site.

Uitgelicht

De Euro(pese unie) en belastingen

“Geef de Zuid-Europese landen hun eigen monetaire instrumenten om hun zwakke economieën concurrerend te maken met behulp van een eigen munt. Zodat ze zelf hun economische problemen via koersaanpassingen van een eigen munteenheid kunnen oplossen. ” Aldus econoom en jurist Antonie Kerstholt bij Joop. Daarom moet Europa een belangrijk onderwerp in de formatie zijn, aldus Kerstholt. Met andere woorden: kieper Zuid-Europa uit de Euro. Volgens hem is dat de enige oplossing want: “Eenzelfde munteenheid in meerdere landen is feitelijk alleen geschikt voor economieën die min of meer gelijkwaardig aan elkaar zijn.” Dat hoor je vaker en het klinkt logisch. Een eigen munt en: “meer op maat gesneden financiële steun van andere meer welvarende EU-lidstaten.” Klopt het ook?

Currency signs | Currency signs | Nicolas Nova | Flickr
Bron: Flickr

Laten we eens wat verder kijken dan de Europese neus lang is. Neem China, een land waar de economie fors groeit. Dat land heeft de Renminbi als munt. Als we kijken naar het land dan zien we dat de verschillende delen van het land zich economisch zeer onderscheidend ontwikkelen. Als we kijken naar het Bruto Regionaal Product per hoofd van de bevolking van de verschillende regio’s dan bedroeg dat van de armste regio Gansu in 2018 minder dat een kwart van dat van Beijing, de rijkste regio. Het CBS omschrijft de Chinese situatie in het rapport waaruit deze cijfers komen als volgt: “Voor de vijf meest welvarende regio’s wordt het overgrote deel van het brp gerealiseerd buiten de primaire sector. In de minst welvarende regio’s daarentegen wordt een aanmerkelijk groter deel van het brp gerealiseerd door landbouw, bosbouw, veeteelt en visserij. De rijke kustregio’s van China zijn de meest gediversifieerde en innovatieve delen van het land. Ook zijn sommige rijk aan grondstoffen; Jiangsu heeft bijvoorbeeld grote voorraden steenkool, olie, gas, zout, zwavel, fosfor en marmer. Sinds de oprichting van de Volksrepubliek heeft veel chemische en zware industrie zich hier gevestigd. Belangrijke sectoren in Zhejiang zijn de elektromechanische, chemische, technische en textielindustrie. Zhejiang is bijvoorbeeld de thuisbasis van een aantal van China’s meest innovatieve internetbedrijven, met name de e-commerce gigant Alibaba. Beijing heeft een geavanceerde dienstensector en innovatieve technologie-industrie. In Fujian is naast de aanwezige industrie ook de landbouwsector van groot belang.” Dat kwart is groter dan het verschil tussen het euroland met het hoogste BBP (Luxemburg) en dat met het laagste Letland. Een omschrijving van de economie van de Eurolanden zal niet zoveel afwijken van die het CBS van China geeft. Met een verschil en dat is de rol die het toerisme in de Europese economie.

‘Maar dat is geen democratie maar een dictatuur van een partij die zich nergens aan hoeft te houden,’ kun je tegen werpen. Oké, dan een ander land: India met als munteenheid de Rupee. Vergelijken we daar het Bruto regionaal product van Goa, de economisch sterkste regio, met de zwakste, Bihar, dan is die van de laatste nog geen 10% van de eerste. En een beschrijving van de economische situatie van het land zal lijken op de Chinese. Toch kan het land vooruit met één munt.

Of neem de Verenigde Staten. Het land heeft één munt, de dollar. Het inkomen per hoofd van Puerto Rico is iets meer dan 16% van dat met het hoogste, het District of Columbia. En dan zien we er nog maar vanaf dat het inkomen per hoofd van Amerikaans Samoa maar 35% bedraagt van dat van Puerto Rico. Een omschrijving van de economie van de Verenigde Staten zou ook niet afwijken van die van China.

Allemaal landen met grote economische ongelijkheid tussen verschillende gebieden in het land en toch kunnen die landen prima functioneren met één gezamenlijke munt. Waarom zouden de eurolanden dat dan niet kunnen? Als er ook zonder euro, zoals Kerstholt schrijft: “meer op maat gesneden financiële steun van andere meer welvarende EU-lidstaten,” nodig is, waarom moeten die landen dan eerst uit de Euro? Waarom dan niet gekeken naar wat maakt dat het in China, India en de Verenigde Staten wel kan? Misschien biedt dat een oplossing die mee naar de formatietafel kan? Dat ‘wat’ is een centrale overheid die geld via de belastingen herverdeelt van rijke naar arme gebieden. En dan het liefst herverdelen door het te investeren in zaken die de economie in de zwakkere gebieden versterken.

Die centrale overheid is er al, de Europese Unie. Al hebben nog niet alle landen van die Unie de euro ingevoerd. Het gebied waarop de Unie belasting kan heffen, ligt ook voor de hand: op bedrijfswinsten, vennootschapsbelasting en dividend voor aandeelhouders. Precies die terreinen waarop de landen nu met elkaar concurreren waarvan het multinationale bedrijfsleven profiteert. Van de opbrengsten bekostigt de Unie vervolgens alle activiteiten waarvoor zij aan de lat staat en investeert zij waar dat nodig is in versterking van de economie. De contributie van landen aan de Unie kan dan vervallen net als de uitgaven van de landen op die terreinen. Op deze manier wordt er geld overgedragen van landen met een sterke economie naar landen met een zwakke zonder dat het ‘landen’ zijn die de pijn voelen. Precies zoals nu in Nederland via de belastingen geld van ‘Brainport Eindhoven’ wordt herverdeeld naar Oost-Groningen.

Uitgelicht

Dallas en de (vrouwelijke) lijsttrekkers

De verkiezingen zijn weer voorbij. Dat betekent dat er weer volop geëvalueerd en geanalyseerd wordt. Duiders proberen te verklaren waarom we stemden zoals we stemden en verliezende partijen proberen een verklaring te zoeken waarom ze verloren en vooral aan wie ze de schuld kunnen geven. De eerste ‘verantwoordelijke’ voor een nederlaag, CDA-voorzitter Ploum, heeft het bijltje er al bij neergelegd. Een bijzondere analyse van de verkiezingsstrijd is te lezen bij De Correspondent, Daar telden Loes Aaldering en Daphne van der Plas, om de titel te citeren: “Hoeveel media-aandacht lijsttrekkers kregen.” Een van de conclusies staat er meteen achteraan: “En de vrouwen kwamen er bekaaid vanaf.”  

Southfork | "Dallas" filmed here for many years when it was … | Flickr
Southfork, de ranch die een hoofdrol speelde in de tv-serie Dallas. Bron: Flick

Volgens de beide onderzoekers is er: “veel onderzoek gedaan naar de verschillen in mediaberichtgeving over mannelijke en vrouwelijke politici, en dat laat een consistent beeld zien. In een meta-analyse van dit onderzoeksveld zien wij dat vrouwelijke politici in landen met een proportioneel kiesstelsel, zoals Nederland, minder media-aandacht krijgen dan hun mannelijke collega’s. Dit patroon is ook dit jaar, waarin een historisch groot aantal partijen een vrouwelijke lijsttrekker heeft, niet verbroken.” Als dat zo is, dan is dat niet goed. Centraal in hun artikel staat een tabel waarin de verwachte media-aandacht is afgezet tegen de werkelijke aandacht. Kreeg een lijstrekker meer media-aandacht dan verwacht dan scoort deze een positief getal, is het minder, dan een negatief. En inderdaad, als je die tabel bekijkt, dan krijgen alle vrouwelijke lijstrekkers minder aandacht dan ‘verwacht’. Schande, vrouwen worden achtergesteld! Ze zeggen het niet maar in hun artikel sijpelt door dat dit schadelijk of zelfs schandelijk is.

Nu vraag ik me af of er ook andere mogelijkheden zijn voor de mindere media-aandacht voor de vrouwelijke lijsttrekkers. Daarom eerst even een schets van de tabel. In de tabel zie je dat Hoektsra, Klaver en  vooral Baudet veel meer aandacht kregen dan verwacht. Alle vrouwelijke lijsttrekkers en Azarkan kregen minder aandacht dan verwacht en voor Rutte, Wilders, Segers en Van der Staaij was de aandacht ongeveer gelijk aan de verwachting.

Als eerste die ‘verwachte aandacht’. Verwacht, op basis van het huidige aantal zetels en de stand van de peilingen zo wordt uit hun artikel duidelijk. Nu is een campagne juist bedoeld om meer aandacht naar je toe te trekken. Dus om een meer dan het ‘verwachte’ deel van de aandacht op jou te vestigen. En de meerdere aandacht voor jou, zal ten kosten gaan van anderen. Media hebben immers maar beperkte ruimte die ze kunnen besteden en ‘meer voor jou’ betekent dan bijna automatisch ‘minder voor mij’. De kolommen in de krant voor Baudet, kunnen niet meer worden gevuld met berichten over Ploumen. En de stoel voor Wopke bij Jinek, kan niet meer worden bezet door Marijnissen.

Laten we eens naar de positieve uitschieters qua media-aandacht kijken. Kunnen we die op een of andere manier verklaren? Als eerste Hoekstra en Klaver. De verkiezingscampagne kwam dit jaar relatief laat opgang en de eerste ‘bijzondere’ gebeurtenis was het debat bij Pauw tussen juist deze twee positieve uitschieters qua media-aandacht. Klaver bleek het CDA-programma beter te kennen dan de stuntelende Hoekstra. Een slechte beurt voor Hoekstra die in de media breed en lang werd uitgemeten. Bij ieder volgend optreden werd er extra naar Hoekstra gekeken: zou hij weer ‘onderuitgaan’ of zou hij zich ‘herstellen’. In het kielzog hiervan ging Klaver mee. Dit leidde voor Klaver echter niet tot betere cijfers in de peilingen omdat hij weinig bij het CDA kon winnen. Ook kon Klaver op ‘extra aandacht’ rekenen vanwege zijn winst de vorige keer toen hij als ‘new kid on the block’ won: ‘hij doet het niet zo goed, de glans lijkt eraf’.

De derde positieve media-uitschieter, Baudet. Iemand die ‘de media’ steeds als onbetrouwbaar wegzet, wat dan weer door diezelfde media wordt uitgemeten. Voor hem is alle media-aandacht, zowel positief als negatief, goed want er wordt over hem gepraat. Voor zijn potentiële kiezers maakt dat allemaal niets uit. Positieve berichten zijn meegenomen, negatieve zijn niet waar. Daarbij wist Baudet de media handig te bespelen door niet op te komen dagen en als hij er was door of weg te lopen of iets te zeggen wat vervolgens de media weer enkele dagen bezighield. Hij zorgde voor ‘nieuws’ en ‘nieuws’ is iets afwijkends. Wilders en Rutte deden wat ze al tien jaar doen. Hun ‘fittie’ uitvechten in een eindeloze herhaling van zetten zonder dat er iets nieuws of inhoudelijks wordt gebracht. Die ‘fittie’ zorgt altijd wel voor wat aandacht al wordt het steeds minder. Die ‘fittie’ is te vergelijken met de tv-serie Dallas van vroeger, hoe langer het duurt hoe minder het wordt maar toch blijf je kijken. Daar zou hun ‘gemiddelde score’ een gevolg van kunnen zijn.

Ook waren er nog enkele nieuwe partijen die om aandacht vochten en die ook kregen omdat ze enige kans maakten op een zetel. Van de rest van de lijsttrekkers en hun campagne kan ik me geen bijzondere, in de zin van afwijkend van wat we konden verwachten, actie herinneren. En aangezien alleen het afwijkende nieuwswaardig is, zou dit dan niet een deel of misschien wel de verklaring zijn voor de ‘mindere aandacht voor de vrouwelijke lijsttrekkers?

Uitgelicht

Vier Europese politieke geschiedenissen

Terugkijken met Francis Fukuyama’s boek De oorsprong van onze politiek als leidraad: “aan de hand van de drie ingrediënten (staat, rechtsorde en verantwoordelijke overheid) te verklaren hoe verschillende landen zich hebben ontwikkeld en waarom.” Zo eindigde ik de vorige Prikker. Waarom ontstond er in het ene land een goed functionerende staat die is onderworpen aan het recht en die verantwoording aflegt aan het volk en ook door dat volk kan worden weggestemd? Waarom in het andere land een onderdrukkende dictatoriale staat die zichzelf boven de wet plaatst? En waarom weer elders een slecht werkende corrupte maar wel democratisch gekozen en weg te stemmen overheid? Interessante vragen.

File:King William III of England, (1650-1702).jpg
Stadhouder Willem III en koning Willem van Engeland. Geschilderd door Godfrey Kneller in bezit van de
National Galleries of Scotland
Bron: WikimediaCommons

“In wat bekend is geraakt als de Whig-geschiedenis wordt de ontwikkeling van vrijheid, welvaart en representatief staatsbestuur beschouwd als een onontkoombare ontwikkeling van de menselijke instellingen, die begint met de Griekse democratie en het Romeinse recht, reeds vroeg in de Magna Carta vastgelegd, vervolgens wordt bedreigd door de vroege Stuarts, naar verdedigd en gerehabiliteerd tijdens de Engelse Burgeroorlog en de Glorieuze Revolutie. Die instellingen verspreiden zich vervolgens naar de rest van de wereld via de Engelse kolonisatie van Noord-Amerika.” Zo beschrijft Fukuyama het populaire: “vanuit het oogpunt van de winnaars, gebaseerd op de ervaringen van Engeland en haar koloniale nazaat de Verenigde Staten,[1]succesverhaal van de democratie van een sterke democratische rechtstaat met een effectieve overheid in Engeland en de Verenigde Staten. Nu kennen die twee landen qua politieke ontwikkeling grote verschillen. Daar kom ik later nog op terug Het beeld dat ermee wordt geschetst is er een van onvermijdelijkheid: het moest zo wel lopen en dat culmineert uiteindelijk in het grandioze heden. Over die ‘vermeende onvermijdelijkheid’ schreef ik al eerder[2], dat ga ik hier niet overdoen.

Dat er andere mogelijke uitkomsten waren, laat ook Fukuyama zien: “zeven jaar na de Magna Carta werd de Hongaarse Koning Andreas door zijn baronnen gedwongen om de Gouden Bul te ondertekenen, een document dat wel de Oost-Europese Magna Carta is genoemd. De Gouden Bul beschermde de baronnen tegen bepaalde willekeurige acties van de koning en verleende hun het recht om zich te verzetten als de koning zich niet aan zijn belofte hield.” Dezelfde zaken die ook de Magna Carta regelde die ‘onvermijdelijk’ leidde tot het Engeland en de Verenigde Staten van nu.. “In plaats van een politiek systeem te ontwikkelen waarin een sterke uitvoerende macht een tegenwicht vond in de dominerende wetgevende macht, voorkwam de grondwet die de Hongaarse adel afdwong de opkomst van een sterke centrale uitvoerende macht, zelfs zodanig dat het land zich niet tegen buitenlandse vijanden kon verdedigen.[3] Een overeenkomstig beginpunt dat tot twee heel verschillende resultaten leidde laat zien dat er van ‘onvermijdelijkheid’ geen sprake was. Al zullen er ook mensen zijn die de ontstane verschillen verklaren uit de ‘aard van het volk’. Daarbij vergeten ze vervolgens dat die verschillende aard in het verleden tot eenzelfde situatie leidde namelijk twee ‘grondwetten’ die hetzelfde regelden.

Volgens Fukuyama was de uitkomst afhankelijk van het spel tussen de verschillende machten in een gebied. Hij onderscheidt vijf groepen: als eerste de staat (in het begin gevormd door de koning), als tweede de hoge adel, vervolgens de lage adel en als laatste de handelslui in de steden. De laatste groep, waartoe het gros van de mensen behoorde, de boeren, kon geen ‘macht’ ontwikkelen omdat vandaag eten en zo overleven tot de dag van morgen alle aandacht vroeg. Tot welke uitkomst het leidde hing af van de macht die de verschillende standen konden ontwikkelen. Sterke hoge adel gecombineerd met een zwakke koning en handelslui leverde een ander resultaat op dan in een gebied waar de verhoudingen anders lagen.

Fukuyama onderscheidt in hoofdlijnen vier richtingen waarin Europese landen zich vanaf de dertiende eeuw ontwikkelden. Richtingen die mede bepalend zijn voor de huidige politieke situatie in de betreffende landen. Als eerste landen die de zwak absolutistische richting insloegen:  “De Spaanse en Franse monarchieën in de zestiende en zeventiende eeuw waren destijds toonbeelden van de nieuwe absolutistische staat, en in bepaalde opzichten waren ze meer gecentraliseerd en dictatoriaal dan, bijvoorbeeld, hun Nederlandse en Engelse pendant. Aan de andere kant was geen van beide in staat om de machtige elites in hun respectievelijke samenlevingen volledig te domineren, en legden zij de zwaardere last van de belastingen op de schouders van diegenen die zich daar het minste tegen konden verzetten.[4] Zwak absolutisme omdat een stevige centrale vorst en sterke hoge adel die elkaar in evenwicht hielden, de poet verdeelden op kosten van de lage adel, de traditionele derde stand, de kooplui en de boerenbevolking. Zo werd de lage adel langzaam gemarginaliseerd. De koning verkocht belangrijke posities en rechten (zoals het recht op het innen van belastingen) aan hoge edelen. Zo kon hij op korte termijn extra inkomsten verwerven op een manier die de inkomsten op lange termijn maar vooral de kwaliteit van het bestuur niet ten goede kwamen. Maar ook zwak absolutisme vanwege een door het katholicisme afgedwongen rechtsorde waaraan ook de koning en de hoge adel was gebonden. Er moest eerst iets gebeuren voordat in deze landen iets ontstond wat op een moderne staat leek. Dat iets was in Frankrijk de Revolutie van 1789. Pas toen ontwikkelde zich in Frankrijk een moderne staat. In Spanje duurde het nog langer, en ontstond er pas iets wat op een moderne staat na de winst van Franco in de Burgeroorlog en eigenlijk pas na de dood van Franco in 1975.

De tweede richting is het succesvol absolutisme in Rusland. “De Russische monarchie slaagde erin zowel de hoge als de lage adel in te lijven en er een dienende adel van te maken, die volledig afhankelijk was van de staat. Dat konden ze deels doen door een gemeenschappelijk belang dat de drie partijen hadden om de boeren aan het land te binden en hun meedogenloos de hoogste belastingen op te leggen. Tot een laat moment bleef de overheid patrimoniaal wat de Russische vorst er echter niet van weerhield om de adel in veel grotere mate te terroriseren en te controleren dan de Franse en Spaanse koning.[5]De andere twee elementen, de rechtsorde en de ‘verantwoordelijke overheid’ speelden in Rusland geen rol. Daar waar er in Frankrijk na de Revolutie van 1789 een moderne staat ontstond, gebeurde dat in Rusland na de Russische Revolutie niet, de autocratie van de tsaar werd vervangen door die van Stalin en later die van de Communistische Partij. Nu kent het land het: “corrupte en warrige electorale autoritarisme[6]onder Poetin. Als we Fukuyama’s definitie van moderne staat hanteren: “een veel onpersoonlijker vorm van bewind waarin de staat centraal stond,[7] dan kun je je afvragen of het huidige Rusland hieraan voldoet. Het land lijkt meer op een patrimoniale staat.

De derde richting die Fukuyama onderscheidt is de mislukte oligarchie van Hongarije en Polen. “In beide landen wist de aristocratie de koninklijke macht al vroeg grondwettelijke beperkingen op te leggen, waarna de koning zwak bleef en niet in staat was om een moderne staat tot stand te brengen. De zwakke monarchie kon de belangen van boeren niet beschermen tegen de adel, die hen meedogenloos uitbuitte. Ook kon zij niet aan voldoende middelen komen om een staatsapparaat te bouwen dat  sterk genoeg was om agressie van buitenaf te weerstaan. Geen van deze staten slaagde erin een moderne niet-patrimoniaal bestuur tot stand te brengen.[8]”  De hoge adel greep dus de macht en benutte die ten eigen voordeel zonder ook maar aan iemand verantwoording af te leggen maar diende wel rekening te houden met de door de kerk afgedwongen rechtsorde. Alleen bleek dat voordeel op termijn om te slaan in een nadeel. Polen werd in de achttiende eeuw in drie delingen opgedeeld onder de buurlanden Rusland en Pruissen. Met Hongarije gebeurde al eerder iets soortgelijks. Als we kijken naar hedendaags Polen en Hongarije dan zien we recente maar moderne staten waarbij de huidige heersers knibbelen aan die moderniteit en de macht van de staat en die in patrimoniale richting duwen en vooral handelen in eigen belang en een ‘adel van bedrijfsoligarchen’. Knibbelen door de rechtsorde naar hun hand te zetten en verantwoording met een korreltje zout te nemen door tegenspraak te bemoeilijken. Precies zoals de vroeger hoge adel.

De laatste richting noemt Fukuyama verantwoordelijk bestuur. “Sommige Europese staten konden zowel een sterke rechtsorde als verantwoordelijk bestuur ontwikkelen, terwijl ze tegelijk een sterke gecentraliseerde staat tot stand brachten die in staat was tot nationale mobilisatie en defensie.[9]  Dit gebeurde op verschillende manieren onder andere in monarchieën als Engeland, Zweden en Denemarken maar ook in Republieken zoals de Zeven Verenigde Nederlanden en de Zwitserse bondsstaat. Gebieden waar de ‘derde stand’ van handelslui en sterke lokale gemeenschappen die tegenmacht boden aan de hoge adel en de ‘staatsmacht’. Tegenmacht die de staat dwong zich te onderwerpen aan het recht en tot verantwoording dwong. Verantwoording aan een parlement dat het volk vertegenwoordigde en wiens leden door een steeds groter deel van het volk werden gekozen en uiteindelijk het hele volk.

Tot zover de vier richtingen die de politieke orde in Europa nam. In een volgend deel ga ik, weer aan de hand van Fukuyama in op de uitdagingen voor de Europese Unie die door deze verschillende geschiedenissen worden veroorzaakt.


[1] Francis Fukutama, De oorsprong van onze politiek. Deel I, pagina 374

[2] https://ballonnendoorprikker.nl/2018/12/23/het-leven-wordt-vooruit-geleefd-en-achteruit-verklaard/

[3] Francis Fukutama, De oorsprong van onze politiek. Deel I,  Pagina 375

[4] Idem, pagina 383

[5] Idem, pagina 383

[6] Idem, Pagina 456

[7] [Idem, pagina 144

[8] Idem, pagina 383

[9] Idem, pagina 383 – 384

Uitgelicht

Sterke overheid

“En dit monster moet ‘sterker’?” Die vraag stelt Kustaw Bessems zich in de Volkskrant. In die column onderzoekt hij het: “populair beeld: de overheid heeft burgers in de steek gelaten, dat komt doordat de publieke sector is uitgeknepen en dus moet de overheid een grotere rol krijgen.” Een beeld dat zelfs opstijgt uit het verkiezingsprogramma van de VVD. Een partij die tot voor kort pleitte voor minder overheid, behalve dan als ze een (vooral blauw) uniform dragen. Een sterkere overheid terwijl die overheid: “zich juist verschrikkelijk met burgers bemoei(t) en hen soms vermalen, zoals in het toeslagenschandaal.”  Nee, niet sterker, aldus Bessems: “Eerst maar eens glasheldere, directe verantwoordelijkheden bepalen en democratische controle herstellen. Geen schimmige semi-overheid meer: je bent ergens wel van of je bent er niet van. Als die basis een beetje op orde is, kunnen we verder praten. Intussen zullen we nog alles op alles moeten zetten om ons die sterke overheid van het lijf te houden.”

En dat brengt mij weer bij De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama. In het vorige deel kondigde ik aan te beginnen met het beschrijven van de ‘gerechten’ die je van de ingrediënten staat, rechtsorde en ‘verantwoordelijke overheid’ kunt bereiden. In zijn column stelt Bessems in feite de vraag of meer ‘staat’ nu het juiste ingrediënt is om aan het recept toe te voegen. Hij pleit voor meer ‘verantwoordelijke overheid’. En wellicht zou ook een pleidooi voor meer ‘rechtsorde’ een antwoord kunnen bieden. Laten we deze ingrediënten eens behandelen met de huidige situatie in Nederland in het achterhoofd.

Als eerste de optie waarvoor we volgens Bessems moeten uitkijken, meer staat vertaald als een sterkere overheid. Bessems heeft een punt als ‘sterker’ wordt vertaald in ‘bemoeizucht’ dan is dit geen aanlokkelijk perspectief. Als we naar de recente geschiedenis kijken dan zijn er signalen van toenemende bemoeizucht. Met een beroep op ‘veiligheid’ en in de ‘strijd tegen terrorisme’ wordt een vergaande inbreuk op onze privacy door de ‘Sleepwet’ gesanctioneerd. En ‘om erger te voorkomen’ zoals bijvoorbeeld bij de Jeugdwet probeert de overheid achter de voordeur te komen. En ook de door Bessems aangehaalde ‘toeslagenaffaire’ waarbij het ‘voorkomen van fraude’ voor grote ellende zorgde. Wat alle drie deze voorbeelden gemeen hebben is dat ze met goede bedoelingen zijn ingevoerd: het land veilig maken, kinderen snel helpen als dat nodig is en werk en kind combineren. Nu is de weg naar de hel, volgens het spreekwoord, geplaveid met goede bedoelingen en deze voorbeelden liggen in dat plaveisel. Zou het kunnen dat die ‘bemoeizucht’ voortkomt uit wantrouwen? Een overheid die haar burgers niet vertrouwt en, om het cru te formuleren, achter ieder boom een ‘terrorist’, achter iedere voordeur een jeugddrama en in iedere burger een fraudeur ziet?

Meer ‘staat’ en dus een sterke overheid kun je op verschillende manieren invullen. ‘Sterk’ ingevuld als bemoeizucht is een manier waarop vooral autoritaire heersers hun ‘staat’ vormgeven. Neem het Rusland onder Poetin of het Turkije onder Erdogan als voorbeeld. Landen die de staatmacht gebruiken om de inwoners te controleren. Een democratische samenleving met een ‘verantwoordelijke overheid’[1] kan (en moet in mijn ogen) andere keuzes maken. Want zou de kracht van de staat in een land met een ‘verantwoordelijke overheid’ niet juist toenemen als zij voorwaarden schept vanuit vertrouwen in en op haar inwoners? Het bijzondere aan vertrouwen is immers dat je het pas krijgt als je het geeft. Maar ook sterk in te vullen als ‘schild voor de zwakkeren’. Door: “in de huidige mobile kapitalistische ondernemerseconomie (…)de staatsmacht (te) gebruiken om de kant van de werknemer en consument te kiezen en hen via wetgeving te beschermen door de multinationals aan banden te leggen.” In plaats van te: “kiezen voor de multinationals waardoor die de werknemer en consument verder kunnen uitbuiten.[2]  

Een sterke staat? Ja, graag maar dan wel ook meteen de ‘verantwoordelijke overheid’ en de rechtsorde versterken want een sterke overheid zonder ‘verantwoordelijke overheid’ en sterke rechtsorde is vragen om problemen zoals Bessems betoogt. Maar dan wel in formele wet- en regelgeving vastgelegde verantwoordelijkheid die het de ‘geregeerden’ mogelijk maakt om de leiding van die sterke overheid te vervangen als die er een potje van maakt. Of zoals Bessems schrijft: “ je bent ergens wel van of je bent er niet van.”  Dat ‘wegsturen’ kun je op verschillende manieren vormgeven. In Nederland doen we dat nu via de Tweede Kamer. Als de regering het vertrouwen van de Kamer verspeeld, dan wordt ze naar huis gestuurd. Als inwoner hebben we er geen directe invloed op. Dat kan ook anders. In andere landen, bijvoorbeeld Frankrijk en Verenigde Staten kiezen ze de president die vervolgens een regering samenstelt. Die president kan, behalve als hij de wetten overtreedt, alleen door de kiezer naar huis worden gestuurd.

In theorie kent Nederland de scheiding der machten zoals Montesquieu die in zijn beroemde werk De l’esprit des lois omschrijft. De regering regeert, het parlement maakt wetten en de rechter spreekt recht. De praktijk ziet er echter wat anders uit. Inderdaad regeert de regering, maar dat doet zij samen met de meerderheid van het parlement. De regering steunt immers op een meerderheid in de Tweede Kamer en liefst ook in de Eerste want anders komen er problemen. De Tweede en Eerste Kamer stellen de wetten vast. Alleen wordt het gros van de voorstellen voor wetten ingediend door de regering. Als laatste, en daarmee komen we op het terrein van de rechtsorde, werden de mogelijkheden van de rechterlijke macht de afgelopen jaren beperkt. Aan de ene kant beperkt door striktere wetgeving die geen maatwerk meer mogelijk maakt zoals ook in de toeslagenaffaire het geval was. Aan de andere kant door bezuinigingen op die rechterlijke macht. Bezuinigingen die ertoe leiden dat het heel lang duurt voordat een zaak voor de rechter komt, dat zaken verjaren maar ook dat veel wordt afgedaan zonder tussenkomst van de rechter via een ‘bestuurlijke strafbeschikking’. Maar als belangrijkste mag de rechter niet toetsen aan onze Grondwet.

Zou de overheid niet sterker worden als die drie machten beter worden gescheiden? Gescheiden door bijvoorbeeld de uitvoerende macht, de regering, eens per vier jaar te kiezen via premiersverkiezingen. Te kiezen op basis van een programma en de mensen met wie de plannen uitgevoerd gaan worden. De kiezers hebben directe invloed op de begroting: de kandidaat premier presenteert de plannen met het financiële kader erbij. Daarin zit dus ook hoeveel belastinggeld er naar wat gaat. En door de regering, in tegenstelling tot nu, geen medewetgever meer te maken, maar te laten opereren binnen de kaders van de wetten. Een regering die geen verantwoording schuldig is aan het parlement maar aan de kiezer. Daarbij kun je in de wet het aantal termijnen voor een premier limiteren.

De machten scheiden en versterken door de wetgevende macht via loting samen te stellen. Bijvoorbeeld 301 Kamerleden met een zittingstermijn van zes jaar waarbij ieder jaar een zesde deel wordt vervangen door nieuwe. Kamerleden die niet hoeven te werken aan hun ‘herverkiezing’ maar die zich volledig op het werk als Kamerlid kunnen concentreren en dat werk is het evalueren van bestaande en het maken van nieuwe wetten. Kamerleden zonder partij- en fractiedruk omdat er geen partijen en dus fracties zijn. Kamerleden die worden ondersteund door een stevig ambtelijk apparaat dat niet adviseert maar verheldert, doordenkt, doorrekent en spiegelt. De huidige adviestak van de Raad van Staten, het CPB het SCP het PBL enz. maken onderdeel uit van dit ambtelijk apparaat.

En als laatste door de rechterlijke macht op verzoek van burgers het beleid van de regering te laten toetsen aan de wet en de grondwet. Rechters die voor het leven (dat kan ook de pensioengerechtigde leeftijd zijn) te laten benoemen door de gelote volksvertegenwoordiging. Voor het leven omdat dit voorkomt dat ze zich zorgen moeten maken over ‘hun volgende baan’. Want onzekerheid over je bestaanszekerheid maakt dat je anders handelt. De financiering van de volksvertegenwoordiging en de rechterlijke macht, maken geen onderdeel uit van de begroting. Die worden bij wet geregeld door de Volksvertegenwoordiging.

Zou dat geen recept kunnen zijn met de drie ingrediënten van Fukuyama? Een recept voor de toekomst geworteld in het Nederlandse verleden. In een volgend deel pak ik Fukuyama’s betoog weer op door terug te kijken en aan de hand van de drie ingrediënten te verklaren hoe verschillende landen zich hebben ontwikkeld en waarom.


[1] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/11/verantwoordelijke-overheid/

[2] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

Uitgelicht

Mark Rutte de pyromane brandweerman

Als trainer van het pupillen-honkbalteam van de Mustangs in Venlo probeer ik ‘mijn spelers’ vooruit te laten denken. Want, zoals een van de andere trainers het zegt: honkbal is een denksport. Als speler in het veld moet je voordat de slagman slaat al bepalen wat je met de bal gaat doen als die bij jou komt. Doe je dat pas als je de bal krijgt, dan is de kans op een verkeerde keuze maar vooral op het maken van geen keuze, groot en dat betekent dat je punten tegen krijgt. Vooruitdenken om mogelijke problemen te voorkomen. Ik moest hieraan denken toen ik in de Volkskrant het lijsttrekkers-interview met VVD-lijsttrekker en premier Rutte las.

600+ Free Forest Fire & Fire Images - Pixabay
Bron: Pixabay

“Dat is echt gelul,” zo antwoordde de premier op de opmerking van de interviewers dat de VVD tijdens een crisis die velen de baan kost de WW versobert. “De WW blijft bij ons gewoon twee jaar. Die gaat in het eerste deel omhoog naar 82,5 procent, dan naar 75 procent en in de staart naar 65 procent. Dat is 5 procentpunt lager dan die 70 procent van nu. Niet dramatisch,” zo vervolgt hij. Of een dergelijk verlies aan inkomen dramatisch is, dat kan per persoon verschillen. Van 70% naar 65% lijkt niet veel, het is veel meer als je het vergelijkt met je eerdere 100%, dan is het namelijk een derde minder. Bovendien, hoe hoog je WW is, wordt niet alleen door dat percentage bepaald. De WW van iemand bedraagt namelijk dat percentage met een maximum van het wettelijk maximumdagloon en dat bedraagt € 222,78. En of het dramatisch is, wordt natuurlijk ook bepaald door je vaste lasten. Dit even terzijde want daar gaat het mij nu niet om. Al zegt het wel iets over de manier waarop premier Rutte naar de wereld kijkt.

Het gaat mij om het antwoord op de vraag: “Uitkeringsgerechtigden zijn bij de VVD het slechtst af qua koopkracht. De bijstand wordt losgekoppeld van het minimumloon.” Op die vraag antwoordt Rutte: “Ho! Niet de AOW en niet de WIA. Ouderen en mensen die arbeidsongeschikt zijn, komen niet meer aan de slag, die laten we volledig meestijgen. Bij mensen met werkloosheidsvoorzieningen is het doel dat ze weer aan de slag komen. Dan is het niet onredelijk te zeggen: dan groeien jullie niet mee met al de welvaartsontwikkeling. Daardoor kunnen we meer geld uittrekken voor armoedebestrijding.” Rutte houdt er een bijzondere redenering op na.

De bijstand wordt niet geïndexeerd omdat het doel is dat deze mensen weer aan het werk gaan. Nu is de bijstandsuitkering bedoeld om mensen te kunnen laten overleven als ze zelf geen inkomen verwerven. En de ervaring leert dat bijstand en armoede correleren en wellicht is er zelfs een causaal verband. Zo’n 35% van de bijstandsontvangers vallen onder de armoedegrens en voor het andere deel is de bijstand geen vetpot. En wat belangrijker is. Van alle kinderen met ouders in de bijstand leeft meer dan de helft in armoede[1]. Niet indexeren maakt helpt die 35% in ieder geval niet en het vergroot de kans dat die 35% hoger wordt. In de redenering van Rutte zal dit ervoor zorgen dat de bijstandsgerechtigde sneller aan het werk komt. Bij die redenering kun je vraagtekens zetten. En wat doet Rutte met de ‘financiële winst’ van het uitknijpen van de armen? Die wordt gebruikt om …. armoede te bestrijden. Hij creëert problemen om ze vervolgens op te kunnen lossen. Rutte als de pyromane brandweerman.


[1] https://digitaal.scp.nl/armoedeinkaart2019/werkende-en-niet-werkende-armen/

Uitgelicht

Verantwoordelijke overheid

Na de rol van de rechtsorde[1] rest er nog een onderwerp dat voor het verklaren van de politieke orde van belang is. Dat is, zoals Francis Fukuyama betoogt in zijn boek De oorsprong van onze politiek het noemt, de ‘verantwoordelijke overheid’. “Verantwoordelijk bestuur betekent dat de heersers menen dat ze zich moeten verantwoorden tegenover het door hen geregeerde volk en de belangen van het volk boven die van zichzelf moeten stellen.[2] aldus Fukuyama. ‘Nogal logisch’ is een eerste reactie vanuit een luie stoel in Nederland. Toch is dat niet zo logisch.

File:God roept Kaïn ter verantwoording nadat hij Abel heeft gedood,  RP-P-1878-A-851.jpg - Wikimedia Commons
God roept Kaïn ter verantwoording na de moord op Abel. Van Louis De Deyster. Bron Rijksmuseum via WikimediaCommons

Inderdaad zijn we in Nederland gewend dat de regering zich voor het volk, vertegenwoordigd in de Tweede Kamer, verantwoordt en geregeld, in ieder geval een keer per vier jaar en volgende week weer, voor het gehele volk. Ook in de landen om ons heen kennen een soortgelijke manieren van verantwoorden. Toch zijn dit uitzonderingen. Uitzonderingen omdat het overgrote deel van de heersers in het verleden, maar ook in het heden er heel anders over dachten en denken. Een Egyptische Farao, de Chinese keizer of Genghis Khan dacht niet in termen van verantwoording. Het volk werkte voor hen, niet omgekeerd.

Fukuyama onderscheidt twee soorten verantwoording morele en formele. “Formele verantwoording is procedureel: de overheid gaat ermee akkoord zich te onderwerpen aan bepaalde mechanismen die haar macht om te doen wat zij wil beperken. Uiteindelijk stellen deze procedures (die doorgaans nauwkeurig in een grondwet worden omschreven) de burgers van een samenleving in staat om de hele overheid te vervangen in geval van ambtsmisdrijf, incompetentie of machtsmisbruik.” In onze democratische samenleving ‘vervangen’ we via verkiezingen. Het kan ook anders: “In Engeland werd al vroeg verantwoordelijk bestuur geëist uit naam van het recht, omdat de burgers vonden dat de koning zich daaraan moest onderwerpen.” De koning moest zich onderwerpen aan: “een traditioneel rechtscorpus dat werd beschouwd als de belichaming van de consensus van de gemeenschap.” Iets soortgelijks speelde ook in de Lage Landen ten tijden van de Tachtigjarige Oorlog. De ‘consensus van de gemeenschap’ zijnde die in de Staten Generaal vertegenwoordigde edelen, vonden dat de landsheer, de koning van Spanje, zijn ambt misbruikte. Via het Plakkaat van Verlatighe werd Phillips II afgezet. In de loop van de tijd werd in West Europa en de Verenigde Staten de groep die behoorde tot dit ‘traditionele rechtscorpus’ steeds groter en uiteindelijk is hieruit onze democratie ontstaan met een door het gehele volk gekozen volksvertegenwoordiging.

Bij morele verantwoording daarentegen, ligt het initiatief bij degene die van zichzelf vindt dat er verantwoording moet worden afgelegd. Het initiatief ligt bij de heerser zelf. Fukuyama geeft een sprekend vergelijkend voorbeeld: “morele verantwoordelijkheid heeft een reële betekenis in de manier waarop autoritaire samenlevingen bestuurd worden, zoals blijkt uit de tegenstelling tussen het hasjemitische Jordanië en het ba’athistische Irak onder Saddam Hoessein. Geen van beide landen was een democratie, maar Irak was een wrede indringende dictatuur die voornamelijk de belangen van het kleine kliekje vrienden en familieleden van Saddam diende. De Jordaanse koningen daarentegen hoeven zich niet formeel te verantwoorden tegenover hun volk behalve door middel van een parlement met zeer beperkte bevoegdheden; niettemin hebben zij goed geluisterd naar de eisen van diverse groepen in de Jordaanse samenleving. [3]

De staat in zijn verschillende vormen[4], de rechtsorde[5] en de ‘verantwoordelijke overheid’, drie ingrediënten voor een politieke orde. Iedere kok weet dat je met dezelfde ingrediënten heel verschillende gerechten kunt maken. Dat geldt ook voor de drie ingrediënten voor een politieke orde. Welke ‘gerechten’ daar kom ik in een volgend deel in deze serie op terug.


[1] Zie hiervoor https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/07/us-and-the-king/ en  https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/07/us-and-the-king/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 369

[3] Idem, pagina 369-370

[4] Zie de delen:  https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/21/de-oorsprong-van-onze-politiek-tribalisme/ , https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/25/de-patrimoniale-staat/ en

https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

[5] Zie voetnoot1

Uitgelicht

Zakelijke dictatuur

“Met ingang van volgende week graag. Een apolitiek orgaan. Zonder oogmerk om verkiezingen te willen winnen. Ik wil namelijk mijn land terug. Ik wil liever niet in deze draconische versie van de maatschappij wonen waarin het landsbestuur zich heeft afgewend.” Daarvoor pleit Hans van Tellingen bij Opiniez. Hij weet ook al hoe, namelijk via een zakenkabinet van:  “kundige mensen uit het bedrijfsleven. Die ons dan gezwind ‘terug naar normaal’ loodsen.” Volgens Van tellingen is dit nodig omdat: “ons volledige landsbestuur (…) geradicaliseerd (lijkt). Dit vanwege de invoering van disproportionele coronamaatregelen.” Waarbij er: “nog nauwelijks sprake (is) van oppositie. Een om drie redenen bijzonder betoog.

Stad Teken Beelden - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Als eerste omdat Van Tellingen al weet wat het zakenkabinet zal gaan doen. Het: “volledige MKB (Midden- en Kleinbedrijf) van de ondergang (redden). Zoals de middenstand, de horeca-ondernemers, de culturele ondernemers, de kermisbedrijven, de reisbranche, de evenementbedrijven, et cetera. Alles wat dicht was moet weer open. Maar ook grote winkelketens als Blokker, Action en HEMA verdienen het om weer goede omzet te kunnen draaien.”  Vervolgens moet de jeugd worden gered: “Het credo ’de jeugd heeft de toekomst’ is door het beleid van het afgelopen jaar vakkundig om zeep geholpen.” De lockdown moet worden beëindigd en: “natuurlijk moet de avondklok worden opgeheven. Net als de spoedwet. Ook zal de onafhankelijke rechtspraak weer in ere hersteld dienen te worden. Want bij het hoger beroep over de avondklok is er geen goede belangenafweging geweest, mijns inziens. Last but not least zal het demonstratierecht als grondrecht dienen terug te keren.” Nu wijkt dat niet zoveel af van wat iedereen wil. Alleen weet Van Tellingen dat dit met ingang van mei al kan. Dan kan er: “ook écht campagne gevoerd (…) worden. Omdat dan het ‘normaal’ is teruggevonden.” Het zakenkabinet moet doen wat Van Tellingen wil, maar wat als dat tot een andere conclusie komt?

En dat brengt mij bij het tweede bijzondere in Van Tellingens betoog. Hij presenteert zijn opvattingen als zakelijke en apolitiek. Door de woorden die hij gebruikt, geeft hij zijn opvattingen een neutrale status, een truc die vaker wordt gebruikt. Je noemt je eigen opvattingen ‘realistisch’ en zo zijn die van anderen meteen irreëel of nog erger idealistisch. Of zoals de VVD-verkiezingsposters in 2017 waarin de partij zichzelf wegzet als normaal, waarmee wordt gesuggereerd dat de anderen niet normaal zijn. Een woord dat Van Tellingen zelf ook gebruikt, hij wil ‘terug naar normaal’. Ik weet niet wat zijn ‘normaal’ is, maar als het afgelopen jaar mij iets heeft geleerd dan is het dat er het nodige anders moet. Moeten we werkelijk terug naar  ‘lean and mean’ zorg? Naar het vijf dagen in de week naar kantoor tuffen? Het voor € 25 naar Barcelona vliegen? Bovendien blijken er jongeren te zijn die het afgelopen jaar juist opbloeiden, willen we die weer terug duwen in ‘voorcoronese’ ellende?

En daarmee kom ik bij de derde bijzonderheid. Van Tellingen doet het voorkomen alsof je een land apolitiek kunt besturen. Dat lijkt mij per definitie onmogelijk want is het besturen van een land niet per definitie politiek? Politiek is: “alles wat te maken heeft met het besturen van een land, provincie, gemeente enz.: de binnenlandse politiek,” aldus de Van Dale en vervolgt met de: “manier waarop je je doel probeert te bereiken, beleid, gedragslijn.” Als we ergens voor op onze hoede moeten zijn dan is het voor dergelijke betogen. Want als je ze gaat uitvoeren dan eindigt het meestal in een dictatuur. Er is immers altijd wel een nieuw probleem dat je beter ‘zakelijk’ kunt aanpakken.

Uitgelicht

Us and the king

‘Waar die driedeling tussen ‘the king the pope and I’ toe leidde, zien we in een volgend deel in deze serie.[1] Met die woorden sloot ik het vierde deel van de serie over het boek De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama. Op het antwoord op deze vraag moeten jullie toch nog even wachten want dat ‘volgende deel’ is niet dit deel. In dit deel bekijk ik aan de hand van Fukuyama, de ontwikkeling van de rechtsorde in andere delen van de wereld.

Religie Het Hindoeïsme God - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

In West Europa speelde de rechtsorde een belangrijke rol in het breken van de patrimoniale samenleving en het ontstaan van veel meer op het individu gebaseerde samenleving. Ook in andere delen van de wereld ontstond iets van een rechtsorde. Bijvoorbeeld ook in India en ook hier speelde de godsdienst een belangrijke rol. Alleen op een heel andere manier dan in Europa, anders op twee manieren. Als eerste deelt het Hindoeïsme, in tegenstelling tot het christendom, de samenleving op in vier starre sociale klassen met bovenaan de brahmanen, de priesters, vervolgens de ksatriya’s, de krijgers, vervolgens de vaisya’s, de kooplieden en als laatste de sudra’s, de rest. Starre klassen omdat je de klassenstatus erfde van je ouders en huwelijken alleen binnen de klassen plaatsvonden. Binnen deze vier klassen waren rijke en arme leden van de klasse. Heersers altijd afkomstig uit de krijgersklasse, moesten zich voor hun legitimiteit wenden tot de brahmanen. Resultaat hiervan: “Het recht was derhalve dieper in de religie geworteld dan in de politiek; de vroegste rechtstraktaten, de Dharmasastra’s waren geen edicten van keizers zoals in China, maar documenten die door religieuze autoriteiten waren geschreven.” Als tweede was : “De klasse der brahmanen (…) niet georganiseerd in één hiërarchie die koningen en keizers orders kon geven. … De klasse der brahmanen vormden meer een netwerk waarvan de leden horizontaal met elkaar communiceerden via ontelbare dorpjes en steden waar ze woonden.” Bovendien was de klasse der brahmanen weer onderverdeeld in verschillende groepen die allemaal een eigen specialisme hadden: “Een brahmaan die toezag op de installatie van de koning was misschien niet bereid tot omgang met een brahmaan die toezag op uitvaartrituelen.” Ze hadden: “op lokaal niveau een enorme invloed, waar er bij elke sociale gebeurtenis behoefte was aan hun diensten.” Dit maakte hen zeer onafhankelijk: “Maar ze waren ook niet in staat tot collectief optreden.[2]

Een derde gebied met een sterke rechtsorde in de zin zoals in het vorige deel besproken, is de wereld van de islam. De islamitische wereld vertoont, zo betoogt Fukuyama, op dit gebied veel overeenkomsten met de christelijke wereld. “In beide tradities is het recht geworteld in de religie; er is slechts één God met een universele jurisdictie, die de bron is van alle waarheid en rechtvaardigheid.” Net als de christelijke wereld is de islamitische sterkt ingesteld op het schrift: “waarbij fundamentele sociale regels al heel vroeg gecodificeerd zijn.[3]

Toch ontwikkelde de islamitische wereld zich op een heel andere manier. De eerste kaliefen verenigden de geestelijke (het kalifaat) en wereldlijke macht (emiraat) in hun persoon. Dit in navolging van Mohammed de stichter van de godsdienst. De reden hiervoor was dat de grens van het wereldlijke en geestelijke rijk samenvielen: alle islamieten woonden in hetzelfde rijk met dezelfde vorst. Maar net als dat voor alle rijken uit de geschiedenis gold, viel ook dit rijk uit elkaar. Er ontstonden meerdere islamitische rijken en dat betekende dat er meer ‘emiraten’ waren: de wereldlijke en geestelijke macht splitsten zich. En net als het emiraat zich splitste, splitste ook het kalifaat zich. En zo kent de islam, net als het hindoeïsme geen hiërarchie en kwam het dus nooit tot een strijd tussen ‘the pope and the king’ om de titel van het vorige deel te parafraseren.

Op dit gebied is China een uitzondering. China kende religies maar er was nooit een religie die machtiger was dan de keizer. Het kende ook en geen rechtsorde. Want kenmerk van een rechtsorde is dat de regering zich aan die orde moet houden. De Chinese keizer bezat de absolute macht. De keizer verenigde, om de drie moderne begrippen te gebruiken, de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht in zich. Maar om die macht te behouden was hij in constant gevecht met patrimoniale krachten. China kende geen rechtsorde en dat is iets wat nu nog steeds doorwerkt. China kent wel wetten en zelfs een grondwet maar die gelden niet voor alles en iedereen. Ze gelden namelijk niet voor de Chinese communistische partij. Die staat boven de wet. Zowel het Indisch subcontinent als in de islamitische wereld kennen, in tegenstelling tot de westers christelijke wereld nog steeds een sterk patrimoniale invloed. En, en dat is er een spiegel van, een veel minder individualistische samenleving. Dus daar geen balanceer act tussen ‘the king, the pope and I’ maar een gevecht tussen ‘us and the king’.

Terug naar de vraag uit het vorige deel waarmee ik begon. Ook in het volgende deel nog geen antwoord op die vraag want naast de moderne staat en de rechtsorde is er nog een derde onderwerp dat van belang is, namelijk ‘de verantwoordelijke overheid’ zoals Fukuyama het noemt.


[1] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/05/the-king-the-pope-and-i/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 320-321

[3] Idem, pagina 322-323

Uitgelicht

The king, the pope and I

In het vorige deel van de serie waarin ik het boek De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama als leidraad gebruik, stond het ontstaan van de moderne staat centraal[1]. Kenmerk van de moderne staat is dat ze haar ‘ambtenarencorps’ selecteert op basis van verdienste en niet op ‘familierelaties’ zoals in een patrimoniale. We zagen dat de moderne staat, zo betoogt Fukuyama, in China ontstond tijdens de Qin-dynastie in de derde eeuw voor onze jaartelling. Het duurde echter nog zo’n zeventienhonderd jaar voordat zich in West Europa iets ontwikkelde wat je een moderne staat kon noemen. Dat wil niet zeggen dat er op politiek gebied niets gebeurde. West Europa volgde een andere weg.

A school history of Germany: from the earliest period to t… | Flickr
Bron: Flickr

Fukuyama: “De Europese politieke ontwikkeling was in zoverre uitzonderlijk dat Europese samenlevingen zich al vroeg afwendden van tribale organisatievormen, en dat deden ze zonder de hulp van een politieke macht van bovenaf.”  In West Europa werd het tribalisme op een andere manier aangepakt: “De staatsvorming was niet zozeer gebaseerd op het vermogen van vroegere stichters van staten om militaire macht in te zetten, als wel op hun vermogen om recht te spreken.” Staatsvorming via een rechtsorde.

Bij een rechtsorde denken we nu al vrij snel aan onze wetboeken die de omgang tussen ons mensen onderling, tussen mensen en bedrijven en tussen mensen, bedrijven en de staat regelen. Dat moderne beeld moeten we vergeten: “Neem er nota van dat de vroege Europese staten wel het recht toepasten maar niet noodzakelijkerwijs de wet.”  Want: “het onderscheid tussen recht en wetgeving is fundamenteel om de betekenis van de rechtsorde zelf te begrijpen. … het recht is een geheel van abstracte rechtsregels dat een gemeenschap bijeenhoudt.” En dat recht, zo geloofde men: “werd bepaald door een gezag hoger dan dat van enige menselijke wetgever, ofwel door een goddelijke autoriteit, door oeroude gewoonte of door de natuur.” Dit in tegenstelling tot de wetgeving die overeenkomt met: “wat nu het positief of objectief recht wordt genoemd, en (…) een (is) functie van de politieke macht, dat wil zeggen van het uiteindelijk op coërcitieve macht gebaseerde vermogen van een koning, baron, president, wetgevende macht of krijgsheer om nieuwe regels te maken en te handhaven.[2]

Gewoonten, de natuur of een goddelijke autoriteit. Nu hebben ‘goddelijke autoriteiten’ of beter gezegd de vertegenwoordigers ervan, de neiging om de natuur maar ook gewoonten aan de autoriteit van hun godheid te verbinden. Zo was de katholieke kerk een meester in het incorporeren van ‘heidense’ feesten en gebruiken door er een ‘passende heilige’ aan te verbinden en er zo een katholiek feest van te maken. Diezelfde katholieke goddelijke autoriteit, speelde, zo betoogt Fukuyama, een belangrijke rol in de afbraak van tribale verbanden en: “dit gebeurde heel kort nadat de Germaanse stammen die het Romeinse Rijk onder de voet liepen zich voor het eerst tot het christendom bekeerden.” En de katholieke kerk speelde daarin de belangrijkste rol[3].  Hoe ze dat deed? Door: “krachtig stelling (te nemen) tegen vier praktijken: huwelijken tussen naaste verwanten, huwelijken met weduwen van dode verwanten (…), het adopteren van kinderen, en echtscheiding.” Hierdoor werd het voor verwantschapsgroepen lastig om: “onroerend goed in handen van de groep (te) kunnen houden (en) het van de ene op de andere generatie,” door te geven. Waarom de kerk dat deed? “De reden dat de Kerk dit standpunt innam had (…) veel meer te maken met de materiele belangen van de Kerk dan met theologie.[4] Die materiele belangen behelsden het in bezit krijgen van zoveel mogelijk onroerend goed en dat ging zo makkelijker.

Die bijzondere ontwikkeling, want dit gebeurde alleen in West Europa, leidde tot een veel sterkere en definitievere afkeer van het tribalisme. Dit vooral omdat deze ontwikkeling aan de basis stond van een andere Westerse en vooral West Europese ‘afwijking’, namelijk het individualisme. Fukuyama: “De Europese samenleving was met andere woorden al heel vroeg individualistisch, in die zin dat individuen en niet hun families of verwantschapsgroepen belangrijke beslissingen konden nemen over huwelijk, bezit en andere persoonlijke kwesties. Individualisme in de familie is het fundament van alle individualismen. Het individualisme berustte niet op de opkomst van een staat die de wettelijke rechten van individuen afkondigde en het gewicht van zijn coërcitieve macht gebruikte om de hand te houden aan die rechten. Het is eerder zo dat staten werden gevormd boven op samenlevingen waarin individuen reeds tamelijk vrij waren van sociale verplichtingen ten aanzien van verwanten. In Europa ging de sociale ontwikkeling vooraf aan de politieke ontwikkeling.”

Naast het ‘breken van het tribale’ heeft de katholieke kerk de ontwikkeling van de politiek in West Europa nog op een andere manier beïnvloed. De paus had een eigen staat, die nu is verschrompeld tot Vaticaanstad, en speelde op die manier ook een deuntje mee in het wereldlijke. De vorsten bemoeiden zich met de benoeming van geestelijken op hun grondgebied en probeerden zo het ‘geestelijke gezag’ te beïnvloeden. Dit draaide in de tweede helft van de elfde eeuw uit op een groot conflict tussen de paus en de keizer over de benoeming van geestelijken. Het conflict begon in 1046 met de kroning van Hendrik III tot keizer van het Heilig Roomse Rijk. Om die kroning in goede banen te leiden zette Hendrik drie rivaliserende pausen af en benoemde er eentje naar zijn gading. Daarna benoemde hij er nog vier.

Dit zeer tegen het zere been van een stroming binnen de kerk onder leiding van Hildebrand van Sovana. Toen deze Hildebrand in 1073 tot paus werd gekroond en als Gregorius VII: “maakte hij van het celibaat van priesters een officiële kerkelijke doctrine en dwong hij priesters om te kiezen tussen hun verplichtingen ten aanzien van de Kerk en hun verplichtingen ten aanzien van hun familie,” en die familie was in het overgrote deel van de gevallen verbonden met deze of gene vorst. De zogenaamde investituurstrijd brak hiermee uit. Veel priesters en hun familie verzetten zich hier tegen, celibaat en trouw aan de kerk betekende immers dat de familie onroerend goed en macht verloor. De kaarten waren niet in het voordeel van Gregorius en daarom lanceerde hij een frontale aanval: “In een pauselijk manifest uit 1075 ontnam hij de koning het recht om bisschoppen af te zetten en leken aan te stellen” in een geestelijk ambt. De opvolger van Hendrik III, Hendrik IV nam dit hoog op een riep de paus op om af te treden waarop Gregorius zijn grootste kanon in stelling bracht: hij deed Hendrik IV in de ban. Daardoor kreeg Hendrik problemen in zijn rijk omdat veel prinsen en bisschoppen nu achter Gregorius gingen staan en dwongen Hendrik om te buigen en de ‘gang naar Canossa’ te maken. Daarmee was de strijd echter nog niet teneinde, Hendrik bleef erbij dat hij het recht had om bisschoppen te benoemen. Hij bezette Rome, zette Gregorius af en benoemde een tegenpaus Clemens III. Het getouwtrek sleepte zich nog voort totdat het: “in 1122 definitief werd geregeld met het Concordaat van Worms waarin de keizer het recht van aanstelling grotendeels opgaf, terwijl de Kerk het gezag van de keizer in alle wereldlijke zaken erkende. [5]

Deze ontwikkeling zorgde ervoor dat een heerser in westelijk Europa, met twee zaken rekening diende te houden. Aan de ene kant met de ‘wil of wet van god’ en aan de andere kant met die individuen en de ermee verbonden rechten. De eerste, die ‘wil of wet van god’ kende in de paus een centrale vertegenwoordiger en in de clerus een eigen ‘machstkanaal’ in het ondermaanse. Dit in tegenstelling tot de Chinese keizer wiens wil wet was en die geen rekening hoefde te houden met een god en diens vertegenwoordigende ‘religieuze autoriteit’ die er ook niet was. ‘Waar die driedeling tussen ‘the king the pope and I’ toe leidde, zien we in een volgend deel in deze serie.


[1] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 285-286

[3] Idem, pagina 269

[4] Idem, pagina 276

[5] Idem, pagina 307-308

Uitgelicht

De moderne staat

In deel drie van de serie waarin ik het boek De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama als leidraad gebruik[1], staat, zoals in het vorige deel aangekondigd, de moderne staat centraal. Als je het woord modern gebruikt, dan ontstaat al snel het beeld dat het nieuw is. En inderdaad veel moderne staten zijn in het recente verleden ontstaan. De moderne staat is volgens Fukuyama al meer dan 2.200 jaar oud. En nee, het is geen westerse maar een Chinese uitvinding.

Saladin – Store norske leksikon
Saladin. Bron: https://snl.no/Saladin

In het China van de eerste eeuw voor onze jaartelling ontstonden verschillende patrimoniale staten. Staten waarin krijgsheren en hun verhouding tot de heersende vorst een belangrijke rol speelden. Krijgsheren die fungeerden als de pater familias van hun huis en gebied en daarbij hoorden alle ondergeschikte boeren en slaven. Als er gevochten moest worden, dan mobiliseerde de krijgsheer zijn soldaten en boeren. Die trokken als groep met de krijgsheer als bevelhebber ten strijde. Qin, een van die staten, ging een stapje verder: “Qin democratiseerde het leger door voorbij te gaan aan de krijgsheren en de massa’s boeren direct onder de wapenen te brengen; het begon met grootschalige landhervorming door patrimoniale landeigenaren te onteigenen en het land direct aan de boerenfamilies te geven; en het stimuleerde de sociale mobiliteit door de macht en het prestige van de erfelijke aristocratie te ondermijnen.” Hierbij moet je je niet laten ‘verleiden’ door het woord democratisering, want het had niets met democratie te maken: “het enige doel van Qin was de macht van de staat Qin vergroten en een meedogenloze dictatuur te creëren.[2]Dit gaf Qin een voordeel boven de andere staten. Aan de ene kant zorgde dit ervoor dat het leger als een eenheid kon opereren en aan de andere kant dat het door bewezen bekwame officieren werd geleid. Daarmee hebben we het kenmerk van een moderne staat, namelijk dat functies niet worden verdeeld op grond van verwantschap maar verdienste. Qin voerde dit door in alle facetten van de overheid met als doel: “het traditionele, op verwantschap gebaseerde systeem van gezag en grondbezit te ondermijnen en dat te vervangen door een veel onpersoonlijker vorm van bewind waarin de staat centraal stond.[3]  Uiteindelijk verenigde Qin de andere Chinese staten onder zich en daarmee was de eerste dynastie een feit: de Qin.

In het leven is niets zeker, behalve dan dat het eindigt met de dood. Ook in het leven van politieke verbanden, en een moderne staat is een politiek verband, is niets zeker dus ook niet het behoud van een moderne staat. De macht van Qin stond of viel met de kracht en visie van de leider, die meedogenloze dictator. En zoals iedere monarchie weet, heb je sterke en krachtige koningen, maar ook zwakke. De sterken houden tegenkrachten eronder, de zwakken geven eraan toe. Die tegenkrachten bestaan steevast uit machtige personen die hun macht, rijkdom en positie over willen dragen aan hun kinderen. Als dat gebeurt dan vervalt de moderne staat in een patrimoniale. Dit lot trof ook de Qin-dynastie.

Voor Qin was voor wat betreft het leger het slagveld de plaats waar de selectie op basis van kwaliteiten plaatsvond. Voor andere ambten werd uiteindelijk het ambtenarenexamen in het leven geroepen. De besten kregen de posten maar dan wel ver verwijderd van hun geboortegrond en dus hun familie. Dit om te voorkomen dat ze hun familie zouden bevoorrechten. De geschiedenis kent ook andere manieren om macht los te trekken van verwantschap. Neem de Mamelukken, slaafsoldaten. Een islamiet mocht een geloofsgenoot niet in slavernij brengen. De Ajjoebiden-dynastie vond daar wat op: kinderen en jonge mannen uit niet-islamitische grensgebieden vangen. Die werden vervolgens soldaat en moslim. Dat laatste was geen probleem omdat ze toen ze slaaf werden, geen moslim waren. De in het westen beroemdste Mameluk was Salah Al-Din die Jerusalem heroverde op de kruisvaarders. Belangrijker dan die overwinning was echter:  “toen ze in 1260 het leger van de Mongolen versloegen in de slag bij Ain Jalut.[4]” De Mamelukken namen de macht over van de Ajjoebiden en vestigden het Mamelukse rijk dat vanaf het midden van de dertiende tot het begin van de zestiende eeuw heerste over Egypte en Syrië. Uiteindelijk werden de Mamelukken verslagen door de Ottomanen. Die maakten trouwens ook gebruik van kindsoldaten, de Janitsaren. De positie van zowel Mameluk als Janitsaar was niet erfelijk. Hun kinderen waren immers wel moslim en mochten daarom niet in slavernij worden gebracht.

Welk systeem er ook wordt ontwikkeld, altijd steken patrimoniale trekken weer de kop op. Mensen die macht en positie verwerven en hun kinderen daarmee willen bevoordelen. Zoals Fukuyama het schrijft: “De feitelijke verdeling van de rijkdom zal veel meer een weerspiegeling zijn van toevallige beginomstandigheden of de toegang tot politieke macht van de landeigenaar dan van productiviteit of noeste arbeid.” Een heerser kan dan twee dingen doen: “de kant van de boeren kiezen en de staatsmacht gebruiken om landhervormingen en egalitaire landrechten te propageren en zo de aristocratie te beknotten. … Of de heersers kunnen de kant van de aristocratie kiezen en de staatsmacht gebruiken om de greep van de plaatselijke oligarchen over de boeren te versterken.” En vertaald naar het heden: ‘Zelfs in de huidige mobiele, kapitalistische ondernemerseconomie vergeten starre verdedigers van eigendomsrechten dikwijls dat uit de bestaande verdeling van de rijkdom niet altijd de superieure deugd van de rijken blijkt en dat markten niet altijd efficiënt zijn.[5] En in de huidige mobiele kapitalistische ondernemerseconomie kan de overheid de staatsmacht gebruiken om de kant van de werknemer en consument te kiezen en hen via wetgeving te beschermen door de multinationals aan banden te leggen. Of kiezen voor de multinationals waardoor die de werknemer en consument verder kunnen uitbuiten.


[1] Deel 1: https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/21/de-oorsprong-van-onze-politiek-tribalisme/

Deel 2: https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/25/de-patrimoniale-staat/

[2] Francis Fukuyama,De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 135

[3] Idem, pagina 144

[4] Idem, pagina 239

[5] Idem, pagina 171

Uitgelicht

Jeugdzorg, wijn, zakken en druiven

In de Volkskrant een column van huisarts Danka Stuijver. Stuijver laat aan de hand van een voorbeeld zien: “hoe makkelijk het mis kan gaan in deze leeftijdsfase.” Waar het fout is gegaan, daar geeft ze ook een antwoord op: “Sinds de verschuiving van het Rijk naar de gemeenten in 2015 bestaan er in de jeugdzorg, jeugdbescherming en jeugd-GGZ grote problemen. Verhalen van overbelast personeel, bezuinigingen, bureaucratie, wachtlijsten en wantoestanden zijn alom bekend.” Zo, dat weten we dan ook weer. Maar klopt het wel?

Wijngaarden Foto's - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Laten we eens ruim tien jaar teruggaan in de tijd, naar 2010. Vijf jaar vóór de decentralisatie waarnaar Stuijver verwijst. Dat prachtige jaar waarin ‘we’ bijna wereldkampioen werden. Bijna want na een prachtige pass van de op dat moment in topvorm zijnde Wesley Snijder stoof Robben op het Spaanse doel af. Helaas voor ‘ons’ zat ‘de teen van Casillias’ er nog tussen. Dat was ook het jaar dat de Tweede Kamerwerkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg verslag uitbracht. De werkgroep erkent en herkent de knelpunten die er momenteel zijn, vijf jaar na de invoering van de Wet op de jeugdzorg. Problemen als van het kastje naar de muur verwezen worden, lange wachttijden, teveel hulpverleners die werken binnen één gezin, te weinig tijd voor daadwerkelijke zorg aan het kind, nog te weinig bewezen effectieve behandelmethoden die worden toegepast, grote regel- en verantwoordingsdruk.” En: “De problemen in de jeugdzorg worden veroorzaakt door de steeds geringere acceptatie van risico’s en afwijkend gedrag door samenleving en ouders, door de hieruit voortvloeiende stijging van het beroep op jeugdzorg, door hardnekkige problematiek van Multi probleemgezinnen, door de verantwoordingsdruk en indekcultuur in de jeugdzorg en door de versnipperde financiering en organisatie van de jeugdzorg.” De ‘toestanden’ die deze commissie beschrijft, lijkt verdacht veel op de ‘wantoestanden’ van Stuijver.

Laten we nog eens wat verder teruggaan in de tijd, naar 2005. Toen werd de voorganger van de huidige Jeugdwet 2015 aangenomen, de Wet op de jeugdzorg. Een wet die er lang over deed om uiteindelijk wet te worden, want het wetsvoorstel werd in 2001 ingediend. Die wet was nodig, zo is te lezen in de memorie van toelichting omdat de toen geldende wet, de Wet op de jeugdhulpverlening van 1989, onvoldoende: “mogelijkheden voor een eenduidige aansturing en financiering,” bood. “Ter bevordering van de samenhang op uitvoeringsniveau geeft de Wet op de jeugdhulpverlening regels omtrent de samenwerking tussen uitvoerders van voorzieningen,” aldus de memorie van toelichting. Toen mankeerde er dus ook al wat aan de samenwerking. De wet moest invulling geven aan vier doelstellingen: “het versterken van de voorliggende voorzieningen, de totstandkoming van één centrale herkenbare, bekende, laagdrempelige toegang tot de jeugdzorg, zijnde het bureau jeugdzorg, de totstandkoming van een passend en samenhangend zorgaanbod en het versterken van de positie van de cliënt.” Het was aan de provincies om het Bureau Jeugdzorg vorm te geven. De ‘toestanden’ waaraan de Wet op de jeugdzorg een einde moest maken, waren dezelfde die de Kamerwerkgroep in 2010 beschreef en de ‘wantoestanden’ van Stuijver.

Nu waren de provincies al langer verantwoordelijk voor een deel van de jeugdzorg. Namelijk sinds in 1989 de al eerder genoemde Wet op de jeugdhulpverlening in werking trad. Die wet moest een einde maken aan de sterk verzuilde en verkokerde jeugdhulpverlening. Die ‘sterke verzuiling en verkokering’ werd in de jaren zeventig geconstateerd. En een Gemengde Interdepartementale Werkgroep Jeugdwelzijnswerk adviseerde in 1976 om de jeugdhulp ‘regionaal en in samenhang’ te organiseren. Dit advies werd niet meteen door de regering overgenomen. Twee nieuwe werkgroepen moesten verder onderzoek doen. Die werkgroepen namen er hun tijd voor en in 1984 publiceerden zij hun bevindingen. En wat adviseerden de werkgroepen: hulp moet zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm[1]. Drie keer ‘zo’ maar eigenlijk vijf, want ook zo tijdig mogelijk en zo goedkoop mogelijk. Dit leidde uiteindelijk tot die Wet op de jeugdhulpverlening van 1989.

En daarmee is de cirkel rond. De ‘5 keer zo’ van 1984 werden dertig jaar later verwerkt in de volgende uitgangspunten voor het inrichten van de jeugdhulp. Normaliseren: problemen met opvoeden en opgroeien horen erbij en daarbij hulp en ondersteuning vragen en krijgen is normaal. Je helpt elkaar en als je er samen niet uitkomt, dan komt iemand je helpen met specifieke kennis en vaardigheden. Dichtbij: hulp moet dichtbij zijn. Ont-bureaucratiseren: een hulpverlener is er om hulp te verlenen en niet om lijstjes in te vullen. Alleen dat wat voor zijn werk nodig is, wordt bijgehouden. Eigenkracht: vertrouw en versterk de kracht van kind en opvoeder. En als laatste vertrouwen in de professional. En zo’n vijf jaar later constateert Stuijver in feite dat er niets is veranderd.

Het maakt het onwaarschijnlijk dat Stuijvers wantoestanden een gevolg zijn van de nieuwe wet die in 2015 de gemeenten verantwoordelijk maakte. Dan moet de oorzaak elders liggen. Laten we voor een mogelijke verklaring eens teruggaan naar die ‘verkokering en verzuiling’ van de jaren zeventig. Wat is er dan sindsdien veranderd? De verzuiling zit nog steeds in de huidige wet. In artikel 2.3: “Het college houdt bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening met: de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.” En in artikel 2.4 derde lid: het college draagt er zorg voor dat bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en van de jeugdreclassering redelijkerwijs rekening wordt gehouden met: behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.” Hier staat dat gemeenten die ‘verzuiling’ die in de jaren zeventig al als probleem werd gezien, moeten handhaven.

Bij iedere nieuwe wet komt er een nieuwe ‘koker’ bij. De verf in de kantoren van de Bureaus Jeugdzorg was bij wijze van spreken nog niet droog of minister Rouvoet begon zijn Centrum voor Jeugd en Gezin over de gemeenten uit te strooien. Veel van de instellingen die toen die ‘verzuilde en verkokerde’ zorg vormgaven, bestaan nog steeds. Ze zijn van naam veranderd en vaak gefuseerd, maar ze bestaan nog steeds. Neem de Mutsaersstichting in Venlo alwaar men ze ook wel ‘de Muts ’noemt. Een van oorsprong katholieke instelling uit 1930. Ze heeft alle ‘wetten’ overleefd. En zij is niet de enige. Het oude bleef bestaan er werd iets nieuws aan toegevoegd en vervolgens hoopte men dat de wereld ineens zou veranderen. Zo moesten de gemeenten in 2013 een Transitiearrangement Jeugd afsluiten met de toenmalige aanbieders van jeugdhulp. Dit met als doel om continuïteit van zorg voor jeugdigen en van de zorginfrastructuur bij de decentralisatie naar de gemeenten te garanderen voor een periode van drie jaar. Naast de continuïteit van zorg voor de jeugdige werd zo ook de ‘continuïteit van omzet en bedrijfsvoering’ voor de instellingen geregeld.

En daarmee werd de ‘oude wijn’ overgegoten in alweer nieuwe zakken.’  Alweer omdat dezelfde ‘oude wijn’ al vaker in een nieuwe zak is gegoten. Zou die ‘oude wijn’ die in de jaren zeventig al wrang smaakte, beter gaan smaken door hem eens per tien, vijftien jaar in ‘nieuwe zakken’ te gieten? Als we werkelijke beter ‘jeugdzorgwijn’ willen, zouden we dan niet beter druiven kunnen gaan plukken om nieuwe wijn te maken?


[1] https://www.canonsociaalwerk.eu/nl_jz/details_verwant.php?cps=2&verwant=251

Uitgelicht

Exclusief inclusief

Dit jaar komt de film The Tragedy of Macbeth van regisseur Joel Cohn uit. Dat schrijf ik nu wel, maar hoe zeker is zoiets tegenwoordig? Maar daar gaat het me niet om. De elfde eeuwse Schotse lord wordt gespeeld door Denzel Washington. Als liefhebber van films waarin Washington speelt, kijk ik er al naar uit. Alleen vraag ik me af of dit wel door de beugel kan.

Bron: WikimediaCommons

Ik twijfel door een artikel van Janice Deul in de Volkskrant. Deul noemt zichzelf: “activist, journalist  en curator en maakt zich sterk voor een inclusief klimaat in  mode, media, kunst en cultuur.” Zij breekt een lans voor talent van kleur want dat: “dient gezien, gehoord en gekoesterd te worden. Breng ook hun werk uit, huur ook hen in en stel daar een passende vergoeding tegenover.” Niets mis mee. Alle talent of beter nog iedere mens, van welke kleur dan ook, moeten we koesteren. Alleen door de manier waarop ze die lans breekt, twijfel ik of Washington wel de juiste persoon is om de elfde-eeuwse schotse Lord Macbeth te spelen. Wat is er aan de hand?

Op 20 januari 2021 werd Jo Biden ingehuldigd als de zesenveertigste president van de Verenigde Staten. Een ceremonie die werd opgeluisterd door optredens van Garth Brooks. Lady Gaga deed een muzikale duid in het zakje en zo waren er nog veel meer. Het meest bijzondere vond ik echter de 22-jarige Amanda Gorman. Gorman droeg haar gedicht The Hill we Climb op een overweldigende manier voor. Nu heeft uitgeverij Meulenhoff de vertaalrechten van Gormans werk verworven. De uitgever heeft Marieke Lucas Rijneveld hiervoor gevraagd. En dat laatste is tegen het zere been van Deul.

“Een onbegrijpelijke keuze, in mijn optiek en die van vele anderen die via de sociale media uiting gaven aan hun pijn, frustratie, woede en teleurstelling. Harvard-alumna Gorman, opgevoed door een alleenstaande moeder en wegens spraakproblemen gelabeld als ‘special needs’-kind, omschrijft zichzelf als ‘skinnyBlack girl’. En haar werk en leven zijn gekleurd door haar ervaringen en identiteit als zwarte vrouw. Is het dan – op z’n zachtst gezegd – niet een gemiste kans om Marieke Lucas Rijneveld in te huren voor deze job? Hen is wit, non-binair, heeft geen ervaring op dit gebied, maar is volgens Meulenhoff toch de ‘gedroomde vertaler’?” Zo schrijft Deul. Volgens Deul zou de boodschap veel krachtiger zijn als een vrouwelijke dichter van kleur de klus zou klaren. Het lijkt mij niet de bedoeling van een vertaler om de boodschap die moet worden vertaald, krachtiger te maken. De bedoeling van een vertaling is om de boodschap over te brengen zoals ze is bedoeld. Dit terzijde want daar gaat het me niet om.

Waar het me wel om gaat is de manier van redeneren die Deul gebruikt. Omdat Gorman een jonge, vrouwelijke dichter is met een donkere huidskleur, moet haar gedicht worden vertaald door een jonge vrouwelijke dichter met een donkere huidskleur. Anderen kunnen zich, zo begrijp ik Deuls betoog, onvoldoende inleven in de bedoeling en de boodschap. En nu twijfel ik of Washington, een Amerikaanse acteur met een donkere huidskleur zich wel voldoende kan inleven in een Schotse lord uit de Elfde eeuw. En een stapje verder, kan Macbeth nog wel worden gespeeld? Want is er überhaupt iemand die zich kan inleven in iemand uit de elfde eeuw? En de redenering van Deul doorzettend, kunnen er nog wel films worden gemaakt en romans worden geschreven die zich in het verleden afspelen? En oh jeetje, ook mijn geliefde sciencefictiongenre is onmogelijk. Want wie kan zich nu inleven in een Klingon of Ferengi uit de drieëntwintigste eeuw?

Beste mevrouw Deul, ik begrijp dat u zich inzet voor een inclusieve samenleving. Een samenleving waar iedereen erbij hoort. Bij het streven naar dat doel vindt u mij aan uw zijde. Alleen denk ik niet dat u dat met uw pleidooi voor exclusiviteit gaat bereiken. Uw inclusief is bijzonder exclusief.

t.

Uitgelicht

De patrimoniale staat

Vandaag deel twee in een serie over De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama. In het eerste deel maakten we kennis met het tribalisme; de vereniging van groepen mensen in een groter geheel door te verwijzen naar een ‘gemeenschappelijke voorouder’. Vandaag gaan we een stap verder in de ontwikkeling van politieke verbanden. We bekijken de, zoals Fukuyama het noemt, patrimoniale staat.

Poetin De President Van Rusland - Gratis afbeelding op Pixabay
Bron: Pixabay

In het eerste deel zagen we met Fukuyama dat tribalisme een concurrentievoordeel bood boven het leven in stammen. Dit voordeel kwam met een nadeel en iedere ondernemer die zijn bedrijf groot ziet groeien zal dat herkennen. Boven de leider van de groep kwam nu een leider van de stam en soms zaten er nog wat laagjes tussen. Er ontstond iets van een hiërarchie. En als er een ‘boven’ ontstaat, heb je vanzelf ook een ‘onder’: de samenleving werd ongelijker. Een patrimoniale staat trekt dit nog een stuk verder door. Een patrimoniale staat ontstond als de leider van een stam het gedaan wist te krijgen dat zijn positie werd doorgegeven aan zijn nazaten, als het leiderschap erfelijk werd. De hiërarchie in de samenleving nam verder toe, was gebaseerd op de relatie met de sterke man en nam vaste vormen aan: eens een edelman, eeuwig een edelman. Die relatie kon een familierelatie zijn of een relatie gebaseerd op verdienste. Een heel oud type staat dat tegenwoordig nog steeds voorkomt. Het Rusland van Poetin en het Turkije onder Erdogan kun je betitelen als een patrimoniale staat. Maar ook het presidentschap van Trump vertoont patrimoniale trekken.  

Hoe dat kon gebeuren, is niet bekend. Wel zijn er theorieën maar die zijn opgesteld door mensen die ‘er niet bij’ waren. Mensen zoals die van Thomas Hobbes en het sociale contract: de leider bood veiligheid en krijg daarvoor het ‘erfelijke oppergezag’. Nu moeten we ons goed bedenken dat Hobbes die theorie ontwierp in een tijd van oorlogen en onrust. Een tijd dus dat het ontbrak aan veiligheid. Een variant hierop is het ‘samen werken aan grootschalige irrigatieprojecten’. Hiervoor was een leider nodig. Bijzonder is dan wel dat de ‘grootschalige anti-irrigatie maatregelen’ in onze contreien tot de eerste vormen van ‘democratie’ hebben geleid, namelijk de waterschappen. Weer anderen denken dat de toenemende bevolkingsdichtheid de oorzaak is, of door geweld: de ene stam onderwerpt de andere. Ook het ‘charisma’ van een leider wordt genoemd als oorzaak voor het ontstaan van een patrimoniale staat[1]. Waarschijnlijk bevatten alle verklarende theorieën een deel van de verklaring.

“Vanwege dat succes gingen andere groepen dit kopiëren en zo ontstonden overal, met  uitzondering  van de meest afgelegen gebieden, tribale samenlevingen.” Zo schreef ik in het vorige deel. Met patrimoniale staten lag dat nog net iets anders. Die ontstonden op nog minder plaatsen en voor het waarom, bieden de theorieën goede aanknopingspunten. Om de stap naar een patrimoniale staat te kunnen zetten moet een gebied goed bevolkt zijn: “in een goeps- of stammensamenleving met een geringe bevolkingsdichtheid kan men conflicten matigen door domweg afstand van elkaar te nemen, waarbij segmenten zich afsplitsen als ze merken dat ze niet met elkaar over weg kunnen.” Dan is een machtige heer die de vrede bewaart niet nodig. De bevolking moet tegen het maximum aanzitten van wat het gebied kan onderhouden, immers: “Gebrek aan land of het niet hebben van toegang tot bepaalde belangrijke publieke hulpbronnen zullen veel eerder tot conflicten leiden, waarvan de beheersing meer gecentraliseerde vormen van politiek gezag vereist.[2]Ook moet het gebied worden begrensd door natuurlijke barrières zoals bergen, een rivier of een woestijn die het bijzonder lastig maken om bij een conflict het gebied te verlaten.

Als we kijken in welke gebieden patrimoniale staten zijn ontstaan, dan voldoen ze aan deze criteria: China langs de Yangtze en de Gele Rivier, Egypte in  die smalle strook langs de Nijl en in het tweestromenland van de Eufraat en de Tigris en veel later in de tijd in West Europa. Voor nu laat ik het hierbij maar dit komt later in deze reeks nog terug. In het volgende deel bekijken we aan de hand van Fukuyama de volgende stap in de ontwikkeling van ‘onze politiek’. Dan bekijken we het ontstaan en de kenmerken van moderne staten.


[1]  Francis Fukuyama,De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 103-113

[2] Idem, pagina 106

Uitgelicht

De oorsprong van onze politiek: tribalisme

Mijn kinderen en vrouw worden er gek van. Waarvan? Van het antwoord op de vraag: ‘waarmee kunnen we je blij maken voor je verjaardag of met sinterklaas.’ Het is altijd hetzelfde antwoord: ‘een boek’. Nu houden ze zich er niet aan want ik krijg ook ander zaken. Dus toen de vraag weer kwam voor de afgelopen sinterklaas, had ik een lijstje met boeken klaar. Op die lijst De oorsprong van onze politiek deel 1 en 2 van Francis Fukuyama.

Eigen foto

De afgelopen tijd heb ik me gegooid op de twee delen. Dat is een hele kluif want bij elkaar zijn het zo’n 1.100 bladzijden. Fukuyama neemt je mee door de geschiedenis en over de wereld en beschrijft de overeenkomsten en verschillen tussen de verschillende bestuursvormen en politieke instellingen en probeert die te verklaren. En alhoewel hij een voorkeur heeft voor de liberale democratie, bevat het boek geen ‘routekaart’ ernaar toe. In de komende Prikkers neem ik jullie mee in Fukuyama’s denken en hoe het kan helpen om zaken in het heden te verklaren. Vandaag behandel ik het tribalisme. ‘Tribalisme’ is een manier om grotere groepen mensen te binden.

Zoals ik al eerder schreef, zijn wij, de homo sapiens, het meest succesvolle dier geworden door onze taal. Die zorgde ervoor dat we in grotere groepen konden leven: “Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in de biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie heel snel.[1] De ‘gift van de taal’ ontstond zo’n 70.000 jaar geleden en maakte het mogelijk dat onze voorouders zich over de hele wereld konden verspreiden. Volgens Yuval Noah Harari bestond de meeste informatie die werd overgedragen echter uit ‘roddel’: “Het is veel belangrijker voor ze om te weten wie er binnen hun stam een hekel heeft aan wie, wie het met wie doet , wie eerlijk is en wie juist niet. De hoeveelheid informatie die er verworven en opgeslagen moet worden om de o zo veranderlijke relaties tussen enkele tientallen individuen bij te houden, is verbijsterend. (In een groep van vijftig individuen is sprake van 1225 één-op-één-relaties en talloos veel meer complexe sociale combinaties.) Alle mensapen vertonen een sterke belangstelling voor dit soort sociale informatie, maar ze kunnen niet echt effectief roddelen.[2] Door de ‘roddel’ kon de groep echter veel groter worden tot wel 150 individuen. Niet meer dan een klein dorp, maar toch. Een groep die veelal bestond uit familie en door taal kon die familie nu wat groter worden. Dat wij nog steeds een heel sterke neiging hebben om op te komen voor en terug te vallen op familie is niet vreemd. Dat is de manier waarop we zo’n 200.000 jaar hebben geleefd en overleefd. Als alle andere vormen van gezag en verbinding wegvallen, dan is dit waarop de mens terugvalt.

Een volgende stap die de mens zette was die van groep of familie naar stam: de tribale samenleving. Hierin ‘verenigen’ zich de groepen en families  door te verwijzen naar een gezamenlijke voorvader en iemand uit de hele groep te ‘benoemen’ tot opvolger van die voorvader. Tribale samenlevingen kwamen overal in de wereld op. Dat duidt erop dat het stamverband flinke voordelen bood boven  het groepsverband alleen. Fukuyama over dat voordeel: “Tribale samenlevingen hebben een veel grotere militaire macht dan samenlevingen op groepsniveau omdat ze op stel en sprong honderden of duizenden verwanten kunnen mobiliseren.[3]  De ‘uitvinder’ van het tribalisme had een ‘concurrentievoordeel’ op de groepssamenlevingen. Een voordeel dat goed van pas komt in een tijd dat je rijkdom alleen maar kon groeien ten kosten van anderen. Vanwege dat succes gingen andere groepen dit kopiëren en zo ontstonden overal, met uitzondering  van de meest afgelegen gebieden, tribale samenlevingen. De nadruk werd daarmee gelegd op ‘verwantschap’. Die gezamenlijke voorvader hoefde niet werkelijk te hebben bestaan. Dat de groepen tot ‘dezelfde stam’ behoorden, betekent niet dat ze niet onderling ruzie konden hebben. Het betekent wel dat ze elkaar steunen als de stam wordt bedreigd door buitenstaanders. In ons deel van de wereld leidde dit uiteindelijk tot het feodalisme en het uiteindelijke erfelijk worden van het leiderschap, in andere delen van de wereld niet.

Het feodalisme is gelukkig geschiedenis, het tribalisme echter nog niet. In verschillende gebieden op de wereld is tribalisme nog steeds dominant ondanks dat wij in het westen denken in staten en de wereld ook uit staten bestaat. Staten die lid zijn van de Verenigde Naties. Veel landen, zoals Afghanistan, maar ook verschillende Afrikaanse landen, zijn echter geen natie, het zijn stammen die binnen een tijdens de koloniale periode getrokken grens wonen. En als je vanuit die stammen kijkt, kan het zomaar gebeuren dat de stam in verschillende ‘naties’ woont. Trouwens ook in verschillende ‘moderne democratieën’ zie je nog steeds tribalisme in de vorm van cliëntelisme: het bevoordelen van je eigen groep. Maar daar kom ik in een later deel in deze reeks op terug.


[1] Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier, Hoe we mensen werden, Pagina 214

[2] Yuval Noah Harar, Spaiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid pagina 32

[3] Francis Fukuyama,De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 81

Uitgelicht

Zoete koek met een zure bijsmaak

‘Omdat het zo is!’ Hoeveel ouders hebben dat antwoord gegeven als hun kind maar bleef vragen ‘waarom’. Soms omdat ze werkelijk niet weten waarom en soms wellicht ook uit frustratie omdat ze het ‘gezeur’ moe waren. Dit antwoord of de variant ‘omdat ik het zeg!’ Daar moest ik aan denken bij het lezen van het interview van Ewout Klei met D66-Europarlementariër Samira Rafaela voor de site dekanttekening.nl.

Afbeeldingsresultaat voor zoete koek
Bron: Pixabay

Twijfel en nieuwsgierigheid staan aan de basis van kennis. Niet iets zomaar aannemen maar twijfelen en het bevragen. Bevragen als een klein kind en je niet laten afschepen met ‘omdat het zo is’ of ‘omdat de kerk het zegt’. Nee, juist dan is twijfel vereist en moet je doorvragen. En nieuwsgierigheid naar het onbekende door zelf op onderzoek uit te gaan en de kennis die je hierbij opdoet weer te betwijfelen en te bevragen. Onderzoeken omdat je nieuwsgierig bent en twijfelt aan zaken en dat steeds maar weer herhalen, dat is de wetenschappelijke houding. Wetenschap is niet het zeker weten maar het reduceren van onzekerheid zo is mij altijd geleerd.

Tenminste dat dacht ik totdat ik het antwoord van Rafaela las. “Die vraag wordt mij vaker gesteld. Die twijfel vind ik niet de goede houding.” Dit antwoord geeft Rafaela op de vraag die Ewout Klei haar stelt: “U beticht de Nederlandse overheid van ‘institutioneel racisme’. Waar baseert u uw oordeel op? Het rapport-Donner en het rapport-Van Dam, die deze kwestie onder de loep namen, reppen hier met geen woord over.” Ze vervolgt haar antwoord met de woorden: “Je moet institutioneel racisme niet stelselmatig ontkennen, want dan kom je niet tot de kern van het probleem.” Ik mag niet twijfelen, ik moet voor zoete koek aannemen wat mij wordt gezegd. De Nederlandse overheid is institutioneel racistisch. Dit mag niet worden betwijfeld of bevraagd want door dit te bevragen en te betwijfelen kom je niet tot te kern.

 “Goed onderwijs is de basis voor een vrije, gelukkige samenleving waarin iedereen tot zijn recht kan komen.”  Zo begint het eerste hoofdstuk van het verkiezingsprogramma van D66. En als dat de basis is dan moet je er ook mee beginnen. “Een goede opleiding geeft je de vrijheid om je dromen na te jagen en je talenten ten volle te benutten, de vrijheid om je eigen plek te vinden in de maatschappij. Maar ook de vrijheid om de toekomst aan te kunnen, met alles wat er op je afkomt in een wereld die steeds sneller verandert. Goed onderwijs en onderzoek zijn de sleutel voor een sterke, duurzame en wendbare economie die vandaag en morgen welvaart levert.” Zo vervolgt het hoofdstuk. Deze woorden zouden zo een reden kunnen zijn om op deze partij te stemmen.

Alleen kan ik die woorden niet rijmen met de uitspraken van partijlid en Europees volksvertegenwoordiger Rafaela. Zij betoogt namelijk dat onderzoek niet nodig is. Of dat alleen in het geval ‘vermeend institutioneel racisme’ is, weet ik niet. En dat doet er eigenlijk ook niet toe. Want zelfs al moet ik alleen dit ene geval voor zoete koek slikken, dan nog geeft dat de woorden in het verkiezingsprogramma een nare en vooral zure bijsmaak.

Uitgelicht

Vertegenwoordigd of afgespiegeld?

Het blijft lastig. Wat? Nou het verschil tussen vertegenwoordiging en afspiegeling. “Direct na de verkiezingen van 2017 maakten 54 vrouwen deel uit van de Tweede Kamer (36 procent). Ruim een derde van de volksvertegenwoordiging representeerde ruim de helft van het volk,” schrijven onderzoeker Rozemarijn van Dijk en hoogleraar politiek gedrag Joop van Holsteyn in een artikel in de Volkskrant. En daarmee blijkt maar weer dat zelfs hoogleraren het verschil tussen de twee begrippen niet kennen. Wat is er aan de hand?

File:Narcissus verliefd op zijn eigen spiegelbeeld Metamorfosen van Ovidius (serietitel), RP-P-OB-16.005.jpg
De op zijn eigen spiegelbeeld verliefde Narcissus. Bron: Rijksmuseum via WikimediaCommons

In hun artikel kaarten de beide auteurs aan dat de Tweede Kamer veel minder vrouwen dan mannen bevat en dat zal na de komende verkiezingen, niet zo veel veranderen. Natuurlijk kun je daar als kiezer iets in veranderen door op een vrouw te stemmen. Alleen: “Niet door met z’n allen op de hoogst geplaatste vrouw van de lijst te stemmen, maar door te stemmen op een vrouw die gezien de stand van de peilingen (net) niet in de Kamer komt.” Een goed advies want die hoogste vrouw op de lijst heeft toch al grote kans om in de Kamer te komen en door op een vrouw ‘op de wip’ te stemmen, vergroot je de kans dat die vrouw in de Kamer komt. Bovendien: “De kiezer kan daarmee tevens aan partijen laten zien dat ze de volgende keer een diversere, inclusieve lijst dienen op te stellen.”  Niets mis met dit betoog om meer vrouwen in de Kamer te willen en de tip om er ook voor te zorgen. Ik stem al jaren op een vrouw, dus aan mij zal het niet liggen.

Toch gaan de beide auteurs de fout in. Want al zaten er na de verkiezingen van 2017 maar 54 vrouwen (36 procent) in de Kamer, toch werden alle vrouwen vertegenwoordigd. Ze werden vertegenwoordigd door die 54 vrouwen én de 96 mannen in de Kamer. Niet alleen die ene kandidaat waarop ik stem, vertegenwoordigt mij. Ook als de kandidaat waarop ik stem, niet wordt verkozen, dan nog word ik vertegenwoordigd. Ik word vertegenwoordigd door alle 150 Kamerleden. Wie het ook zijn. Namens mij en alle andere Nederlanders controleren ze de regering, besluiten ze over wetten die ons allemaal binden en bepalen ze waaraan het belastinggeld wordt besteed.

Wie die volksvertegenwoordigers ook zijn, als ze volgens de regels van het spel zijn verkozen, dan vertegenwoordigen ze alle Nederlanders. Dan moeten ze namens ons en in ons gezamenlijke belang en na erover met elkaar in gesprek te zijn gegaan, het beste besluit nemen. Een gesprek dat vooral gaat over wat het ‘beste’ is en daarover kun je flink van mening verschillen. In dat gesprek, tenminste zo is het bedoeld, doen argumenten ertoe en niet de persoon die ze inbrengt.

Met dat ‘er niet toe doen wie de persoon is’, kom ik bij de wens dat de Kamer de bevolking afspiegelt. Die wens is van een heel andere orde. Afspiegeling is geen vereiste voor de Volksvertegenwoordiging. Het is een wens of verlangen en Van Dijk en Holsteyn hebben dat verlangen en spreken het ook uit. Zij zijn niet de enige die verlangen naar afspiegeling, die vinden dat eenieder zich moet ‘herkennen’ in een Volksvertegenwoordiger. Dat wordt echter een heel lastige kwestie. Behalve enkele eeneiige twee- en meerlingen, zullen er weinig mensen zijn die zich in een andere persoon ‘afgespiegeld’ zien. En zelfs bij die een- en meerlingen zal de afspiegeling niet volledig zijn. Alle bijna 17,5 miljoen inwoners van Nederland kunnen zich nooit afgespiegeld zien in slechts 150 Kamerleden. Als we het rechtlijnig en rekenkundig bekijken, dan moeten zich zo’n 115.000 mensen gespiegeld zien in één kamerlid. Dat wordt een lastig verhaal.

Laat ik mezelf eens als voorbeeld nemen. Een heteroseksuele blanke man midden vijftig. Daarvan zijn er meer, ook in de Kamer. Maar hoeveel daarvan zijn historicus? Vervolgens fan en seizoenkaarthouder van VVV en fervent vierder van Vastelaovend? Ik denk dat de spoeling dan al heel dun’ en waarschijnlijk is beperkt tot ondergetekende. Zeker als we het hebben van een blog waar een paar keer per week ‘ballonnen worden doorgeprikt’, eraan toevoegen en mijn liefde voor een band als Dead Kennedys, dan zijn we nog niet eens aanbeland bij het terrein van de Kamer, de maatschappijvisie en politieke voorkeuren. Ik word dus niet ‘afgespiegeld’.  

En nu draai ik het om. Er is iemand met precies mijn maatschappijvisie en politieke voorkeuren. Die persoon heeft alleen geen blog waar ‘ballonnen worden doorgeprikt’ en heeft niets met punk laat staan Dead Kennedys. Die persoon heeft een hekel aan Vastelaovend en heeft niets met voetbal en zeker niet met VVV. Die persoon is ook geen heteroseksuele blanke man van midden vijftig. Zijn al deze zaken behalve maatschappijvisie en politieke voorkeuren van belang voor een Kamerlid?

Word je liever vertegenwoordigd of afgespiegeld?

Uitgelicht

Prins, koning en kletsmajoor

“Carnaval. Dagenlang gezuip beneden de rivieren door vreemd uitgedoste hossende types. Steden waar het bestuur tijdelijk wordt vervangen door ongekozen ‘Prinsen’ met uitzinnige hoofddeksels. Bovendien vorig jaar oorzaak van de ongekende uitbraak van het coronavirus; volle IC’s en vele doden.” Aldus Bas Paternotte in een korte bijdrage bij TPO. Constateer ik daar het ‘noordelijk dedain’ naar een ‘zuidelijk feest’?

Maar eerst even iets anders. Suggereert Paternotte hier dat corona is veroorzaakt door Vastelaovend? Inderdaad volgde de eerste grote uitbraak van corona op de Vastelaovend. En ja, inderdaad zijn de omstandigheden tijdens Vastelaovend gunstig voor de verspreiding van virussen, dat is niets nieuws want de feestelijkheden worden meestal gevolgd door een griepgolf. Daarmee is het feest nog steeds niet de veroorzaker van de griepgolf of in dit geval de coronagolf. Het eerste Nederlandse geval betrof een inwoner van Loon op Zand die op verschillende plekken, in zijn geval carnaval, had gevierd. Zijn ziekte werd echter niet veroorzaakt door zijn ‘carnaval vieren’ maar door een virus. Een in Italië opgelopen virus in een gebied dat kort daarna nog door enkele bussen Groninger studenten werd bezocht.

Dan de eerste twee zinnen. ‘Dagen lang zuipen door vreemd uitgedoste hossende types’. Waar hebben we dat meer gezien? Zien we dat niet ook als het Nederlands elftal moet voetballen? Maar vooral als het Nederlands voetbalelftal naar een Europees of wereldkampioenschap gaat? En daar waar de Vastelaovend  eindigt met maximaal één kater, eindigt dat voetbalfeest bijna altijd met een dubbele. Maar daar niet alleen. Ieder jaar stromen de Hollandse binnensteden weer vol met zuipende, kotsende en hossende mensen om ‘koningsdag’ te vieren. Een feest waarbij ‘oud Hollandse spelletjes’ worden gedaan, zoals het zo ver weg mogelijk slingeren van een wc-pot. En nu we toch bij koningsdag zijn.

Inderdaad wordt op symbolische wijze gedurende drie dagen de macht overgedragen aan die ‘prins’. Verder dan symboliek gaat het niet, anders werd het feest nu wellicht veel grootser gevierd dan nu het geval is. Maar nu we het toch over symboliek hebben. Is Nederland niet een gebied waar het bestuur permanent is uitbesteed aan een ongekozen ‘koning’ met een uitzinnige mantel en scepter? En daar waar die ‘prins’ vooral zijn eigen feestje betaalt, wordt het ‘feest van die koning’ en trouwens ook dat van zijn vrouw, kinderen, broers, ouders en zelfs ooms en tantes door anderen betaald. Die prins is na een paar dagen weer weg. Het ‘feest ‘van die koning en zijn familie duurt al meer dan twee eeuwen. Als je het zo bekijkt dan zijn die paar dagen Vastelaovend, om bij de drank te blijven, klein bier.

Paternotte reageert op een bericht van PvdA-lijstrekker Ploumen: “als er één feest is dat mensen samenbrengt, – arm en rijk, jong en oud – dan is het wel Carnaval. Als in Carnavalsverenigingen eendrachtig in de loodsen wordt gewerkt aan de praalwagens.’  Ploumen raakt met haar bericht precies de kern van de Vastelaovend: mensen van allerlei pluimage bijeen brengen. Het verbroedert mensen, al is het maar voor een korte tijd. In plaats van daar met dedain over te spreken, zou je je ook kunnen afvragen hoe het tot die verbroedering komt en wat je daarvan kunt leren zodat het langer duurt. En als ‘Hollander’ hoe een dergelijke verbroedering ook boven de rivieren kan worden bereikt.

Daarmee past Paternotte in een nieuwe Nederlandse ‘traditie’: je als een kletsmajoor publiekelijk uitspreken over zaken waar je geen verstand van hebt’.

Uitgelicht

To greek or not to greek

Spek met eieren. Dat zou ik in een normaal jaar eten op het moment dat deze Prikker wordt gepubliceerd. Spek met eieren als goede bodem voor een dagje Vastelaovend in Venlo. Door corona is dit jaar alles anders. Dat alles anders is, wil echter niet zeggen dat ook echt alles anders is dan op een normale zondag met Vastelaovend.

Eigen foto

De Jocusvlag met ballonnen hangt gewoon aan de gevel. Uit de boxen schalt ‘ozze Venlose vasteloavesmeziek’. Liedjes als ‘Vastelaovend in Venlo’ en‘Veur altied eine Venlonaer’ en het prachtige‘As de sterre dao baove Straole’ met het prachtige couplet: “Beej edere baum, beej edere brum. Dao huërste ein hoëge en liëge stum. De liëge is hae, de hoëge is het. Ik zeg ut maar det geej det  wet.” En het de lente aankondigende Lekker Zunke met het geweldige openende couplet: “Nog efkes en dan zit alweer de linte in de lôch. Dan ligge de jônge flotse weer te piëpe in den bôch. Dan plôkke weej weer veldboeketjes. En de Maedjes laupe lôchtig in eur zomerkledjes. Nog efkes en dan zien we weer zoë wiëd. Dan zien we weer ôs wintertiëne kwiët.”. En ja, zelfs al moet ik thuis blijven de spek met eieren smaken toch goed. Net zoals ‘kerboët met eppelkes’ en ‘boeremoos met wors’ de komende dagen.

Wat er vandaag helaas niet inzit, is een bezoek aan Motown alwaar normaal op deze dag Minsekinder zou spelen. De reünie met mensen die ik voor het grootste deel één keer per jaar zie, namelijk met ‘vastelaoveszondaag’. Een reünie die vooral bestaat op het zo hard mogelijk meezingen van de liedjes die de band ten gehore brengt en tussendoor even de stembanden smeren. Wat we dus ook niet kunnen, is samen even degenen herdenken die er niet meer bij kunnen zijn. Dat gedenken concentreert zich rond de legendarische voormalige ‘hofzenger van Jocus’, Sjraar Peetjes. Peetjes was door Minsekinder een beetje uit de vergetelheid gehaald door hem enkele liedjes op de voor hem bekende staccatowijze te laten zingen in hun set.

Nee, dat zit er vandaag allemaal niet in. Maar dat wil niet zeggen dat er niets gebeurt. De hele programmering van Omroep Venlo ademt Vastelaovend. Zo zijn de makers van het in Venlo legendarische programma Café Chantant na een jaar of tien weer bijeen gekomen en zo gebeurt er veel meer.

Veel meer vooral kleine initiatieven die op een of andere manier aandacht besteden aan ‘ozze Venlose Vastelaovend’. Een van die bijzondere initiatieven, wil ik jullie, mijn lezers, niet onthouden. Een filmpje van ‘Vastelaovesgezelschap De Greek’. Voor iedereen die het dialect niet machtig is, ‘enne greek’ is geen Griek en het handelt dus niet over de Giorgos Giakoumakis, de veel scorende Griekse spits van VVV. Nee ‘enne greek’ is een zeur, een zanikerd. En daarmee kom ik bij de kern: to ‘greek’ or not to ‘greek’, that’s the question!

Uitgelicht

Historische context

Zoals ieder medium, besteedt ook de Volkskrant aandacht aan de komende Kamerverkiezingen. Dat gebeurt onder andere door het interviewen van de lijsttrekkers van de verschillende partijen. Bij zo’n interview neemt de krant ook vijf punten uit het verkiezingsprogramma op. Zo ook bij het interview met PvdA-lijsttrekker Lilian Ploumen. Daar lees ik: “Cultureel erfgoed, zoals standbeelden, wordt voorzien van de goede historische context.” Een bijzonder punt.

Nolensplein
Het beeld van MGR Nolens te venlo. Bron: eigen foto

Laat ik een voorbeeld nemen. Als ik vanuit mijn woning naar Bakkerij Rutten, de beste bakker van de wereld, op de Parade in Venlo loop, dan passeer ik een standbeeld van Monseigneur Willem Hubert Nolens. Een standbeeld dat staat op het ook naar hem genoemde Nolensplein. Een plein dat in de volksmond ook wel het Gaasplein wordt genoemd, omdat er vroeger een gasfabriek lag. Nolens leefde van 1860 tot 1931 en zat van 1896 tot aan zijn dood in de Tweede Kamer. Hij was priester en rechtsgeleerde en van 1910 tot aan zijn dood politiek leider van de Rooms Katholieke Staats Partij. Een partij die hij in 1904 mee had opgericht. Nolens werd in 1923, nog tijdens zijn actieve carrière, benoemd tot Minister van Staat. Allemaal feiten die we bij het beeld en het plein kunnen vermelden, maar is dat de ‘goede historische context’?

Of horen de acht Heilige Oorlogen tegen de islam, met een eufemisme ook wel kruistochten genoemd, waartoe het ‘hoogste gezag’ van die kerk opriep, ook tot die context? Die begonnen in 1095 met een anti-islamitisch betoog van Paus Urbanus II waar Wilders nog een puntje aan kan zuigen: “De islamieten hebben altaren besmeurd met bloed dat ze in doopvonten lieten vloeien. Ze hebben christenen besneden en hen gegeseld en gemarteld, voordat ze hen doodden.” Dat behoort immers allemaal tot de geschiedenis van de kerk van Rome en in die kerk was Nolens priester en voor een partij van die religie zat hij jarenlang in de Tweede Kamer.

Dan mogen we ook de ‘binnen Europese kruistochten’ niet vergeten. De strijd tegen joden en vermeende ketters waarvan die tegen de Katharen de bekendste is. De Katharen werden eerst ‘gedemoniseerd’ maar dan in de letterlijke zin van het woord. Tenminste volgens vooraanstaande geestelijken zoals de abt Bernardus van Clairveaux. Anderen zoals de abdis Hildegard van Bingen riepen op de Katharen te verwijderen uit de kerk. En dat betekende vroeger wat anders dan nu. Tegenwoordig kun je als je uit de kerk bent verwijderd heel goed leven. Vroeger betekende dat echter iets heel anders. ‘Uit de kerk verwijderen’ betekende je dood. En wat dichter bij onze eigen tijd. Behoort bij die context ook het misbruiken van kinderen?  

Nu heeft de kerk niet alleen maar ellende gebracht. Wij zijn het gewend dat er regels en wetten zijn waaraan iedereen zich houdt. Bij die iedereen hoort ook de overheid. Dat een heerser en nu een overheid zich aan de wet houdt, is niet vanzelfsprekend. Een blik naar het Oosten, naar Rusland en China, en we zien landen waar respectievelijk de president en de communistische partij boven de wet staan. Als we het betoog van Francis Fukuyama in zijn boek De oorsprong van onze politiek mogen geloven, dan danken we onze rechtstaat aan de katholieke kerk. De Investituurstrijd in de elfde eeuw speelde hierin, zo betoogt Fukuyama, een belangrijke rol. Een strijd tussen de paus en de Keizer van het Heilig Roomse rijk. Een strijd die ging over het recht om bisschoppen te benoemen die ook wereldlijke macht uitoefenden omdat ze in een gebied zowel het kerkelijk als het wereldlijk gezag bezaten. Een strijd die uiteindelijk door de paus werd gewonnen na de ‘gang naar Canossa’ van Hendrik IV. Daar in Canossa werd aan de geëxcommuniceerde Hendrik IV vergiffenis geschonken waardoor hij zijn wereldlijke heerschappij behield. Het benoemen van bisschoppen door koning of keizer behoorde echter tot het verleden. Volgens Fukuyama legde deze erkenning van Hendrik IV, dat hij in zijn rijk niet alle macht had, de basis voor een rechtstaat waar zelf de heerser zich aan de wet moet houden.

Terug naar de ‘goede historische context’ bij het beeld van Nolens. Wat is in dit voorbeeld de ‘Goede historische context’ en wie bepaalt dit? Dat kunnen omvangrijke ‘bijsluiters’ bij ieder beeld worden. Het komt er met enige overdrijving op neer dat ieder beeld vergezeld dient te gaan van een bibliotheek. Maar belangrijker, ‘goede historische context’ suggereert dat ons denken met betrekking tot het verleden superieur is aan dat van vroeger. Het denken van vroeger is immers minder goed omdat we nu de ‘goede historische context’ moeten bijvoegen. Een dergelijke manier van denken betekent dat automatisch ook dat we de ‘goede historische context’ van vandaag ook over tien of twintig jaar nog de ‘goede historische context’ vinden? Of denken we werkelijk dat wij nu de ‘goede historische context’, in pacht hebben?

Uitgelicht

Battle- en cruiseship corona

“We zouden plotseling een land van bevrijde tachtigjarigen hebben, terwijl jonge mensen, die sowieso al geen ernstige schade van covid ondervinden, in lockdown zouden blijven. Theepartijtjes zouden weer worden gehouden, cruiseschepen weer zeilen, terwijl fitte en gezonde 25-jarigen nog eens zes maanden te maken krijgen met thuisblijven.” Een citaat van Ross Clark in een artikel van Iñaki Oñorbe Genovesi in de Volkskrant. Een artikel waarin de vraag centraal staat: “Moeten mensen die gevaccineerd zijn meer vrijheden krijgen, terwijl anderen nog niet eens een oproep hebben gehad voor een coronaprik?” Inderdaad cru als de gezonde jeugdigen die nu binnen moeten blijven ter bescherming van de risico lopende oudere nog steeds binnen moeten blijven terwijl die oudere vrolijk op stap kan.

File:USS Missouri (BB-63) arrives in Pearl Harbor.jpg
De USS Missouri arriveert in 1998 in Pearl Harbor om ‘dienst’ te gaan doen als museum. Bron: Wikipedia

Toen ik dit las, moest ik aan de film Battleship denken. Voor degenen die de film niet kennen: buitenaardse wezen proberen de Aarde te veroveren en dat mislukt natuurlijk door de heldhaftige inzet van de hoofdrolspelers. Ik moest aan deze film denken omdat het slagschip Missouri dat als Tweede Wereldoorlog museum in de haven van Hawaii fungeert, een belangrijke rol speelt. Dat schip vuurt de belangrijkste granaat af. Hierbij vervullen veteranen uit de Tweede Wereldoorlog een belangrijke rol. Zij hadden ervoor gezorgd dat het schip nog steeds volledig functioneerde en hielpen de hoofdrolspelers om het schip die belangrijke granaat te laten afvuren.

Ik moest hieraan denken omdat die gevaccineerde oudjes dan wel meteen ook het personeel voor die cruise zullen moeten leveren. En ja, ook het personeel van het theehuis. Want waar moet je als ‘oudje’ heen als alle medewerkers van musea, theaters, voetbalstadions, winkels et cetera nog gewoon binnen moeten blijven. Het lijkt me weinig aantrekkelijk om de gesloten deur van het Limburgs Museum te bezoeken. Zonder de werkende jongeren lijkt mij dat er weinig te doen is voor die ‘bevrijde oudjes’ behalve dan met elkaar af te spreken en daarbij is een vaccin een plus: “Na bijna een jaar sinds het eerste geval van coronavirus in Argentinië, meldden datingapplicaties als Tinder, Bumble en OkCupid een aanzienlijke toename in het aantal keren dat gebruikers de woorden ‘vaccin’ en ‘gevaccineerd’ in hun profielbeschrijvingen vermelden. Het enige wat er “verder zou kunnen veranderen is dat de ‘vroege uurtjes voor kwetsbare oudjes’ in de supermarkt tot het verleden behoren. Nu is mijn ervaring van de afgelopen tijd dat veel ‘oudjes’ toch al buiten die uurtjes de supermarkt bezoeken.

Voorlopig zijn nog lang niet alle ‘kwetsbare oudjes’ gevaccineerd. Totdat het zover is, lijkt het me dat je de gevaccineerde mensen wel meer vrijheid kunt geven, alleen zijn er, afgezien van een bijzondere mogelijkheid, nog steeds geen mogelijkheden om die te benutten omdat het ‘cruiseschip niet kan varen’ wegens gebrek aan personeel. Die ene mogelijkheid is de avondklok. Die zou voor gevaccineerde mensen niet meer hoeven te gelden. Alleen zou dat weer voor handhavingsproblemen kunnen zorgen en dat is een reden om het niet te doen. Er is echter een belangrijkere reden. Als ‘gezonde jongeren’ binnen moeten blijven om ‘kwetsbare oudjes’ te beschermen dan is het niet meer dan wederkerig dat gevaccineerde ‘kwetsbare oudjes’ solidair blijven met de jongeren en pas gaan cruisen (per schip of Tinder) als ook die ‘gezonde jongeren’ dat weer kunnen. Solidariteit werkt alleen als het wederkerig is.

Of, en nu draai ik de zaak om, als de ‘gezonde jeugdigen’ binnen moeten blijven om de ‘kwetsbare oudjes’ te beschermen, dan kan toch alles weer open als die ‘kwetsbare oudjes’ via een vaccin zijn beschermd? Dan vervalt toch de reden waarom die ‘gezonde jeugdigen’ binnen moeten blijven? Nu ben ik geen virusdeskundige en het kan zijn dat er goede redenen zijn om dat juist niet te doen.

Uitgelicht

De boterham en het beleg

“Hoe helpen we werkgevers en overheid van hun flexverslaving af?” Die vraag stelt Tuur Elzinga, vicevoorzitter en kandidaat voor het voorzitterschap van vakbond FNV zich bij Joop. Als ‘flexwerker’ trok dit artikel mijn aandacht. Gelukkig biedt hij zich aan als: “flextherapeut om onze samenleving voor werkenden een stuk zekerder maken.” Laten we eens naar zijn therapie kijken.

File:Demonstranten met muziekinstrumenten en spandoek Geen afbraak sociale zekerheid, Bestanddeelnr 932-7800.jpg
Bron: nationaal archief

“Als het maar even kan, alle risico’s afwentelen op de zwakkere partij. De gedetacheerde, de zelfstandige, de uitzend- of oproepkracht. Dan hoef je geen pensioenpremie of sociale lasten af te dragen en het bedrijf draagt geen risico van ziekte of gebrek aan werk. Dat is de kern van flexverslaving.” Zie hier de symptomen van de ‘flexverslaving’ aldus Elzinga. En: “De overheid heeft dit volop gestimuleerd, via wetgeving. Ze heeft er ook volop van geprofiteerd. En doet dat nog.” Dat laatste biedt aanknopingspunten voor de therapeut: “Flex is immers gevolg van jaren bewust beleid in de politiek. En bewust beleid kan dit ook weer terugdraaien. Daarom wil ik met de FNV de komende vier jaar de boer op met een één-miljoen-vaste-banen-plan.” Therapeut Elzinga heeft drie medicijnen in zijn koffertje. Als eerste: “Door nieuwe banen zoveel mogelijk aan te bieden als vast werk. De overheid moet hierbij om te beginnen het goede voorbeeld geven.” Zijn tweede medicijn: “Door bestaande onzekere contracten om te zetten in vast werk.” Op het derde medicijn kom ik straks terug. Tot nu toe klinkt het logisch. Als flex een probleem is, dan werken we alleen nog maar met vaste banen.

Is flex wel het probleem? Als ZZP’er zie ik twee problemen. Als eerste onzekerheid en als tweede machtsverschil. Onzekerheid is een probleem voor de flexwerker: heb ik morgen nog een klus? Want, geen klus is geen inkomen en zonder dat inkomen geen eten om het heel cru en plat te maken. Als tweede is de onderhandelingspositie van de meeste flexwerkers niet al te sterk. De opdrachtgever kan kiezen uit meerdere flexwerkers, de meeste flexwerkers hebben niet altijd de keuze uit meerdere opdrachten. De twee problemen versterken elkaar. Immers hoe langer je als flexwerker zonder klus zit, hoe dringender je de klus nodig hebt. Vast werk zou dit kunnen oplossen: je hoeft je geen zorgen meer te maken om je inkomen.

Alhoewel geen zorgen? Als er weinig werk is dan zal die werkgever mensen ontslaan. Gebeurt dat niet dan gaat de werkgever failliet en verliezen alle werknemers hun werk. Vast werk geeft daarmee ook geen zekerheid. Daarom pleit Elzinga, en dat is zijn laatste medicijn, ervoor om: “door wetgeving de werkenden met onzeker werk meer bescherming geven. Dus voor alle werkenden dezelfde wettelijke zekerheid bij ontslag, werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid en pensioenbescherming.” Zo wordt er ook in geval van ontslag zekerheid geboden.

Maar als zekerheid voor iedereen dan toch het doel is, waarom zijn dan de eerste twee ‘medicijnen’ nodig? Dan is alleen dat derde medicijn toch voldoende? Als we dat als uitgangspunt nemen, dan is er ook een andere manier om die zekerheid te bieden. Dan is een onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen wellicht een veel interessantere oplossing. Interessanter om verschillende redenen.

Een onvoorwaardelijk basisinkomen lost het onzekerheidsprobleem van een flexwerker op. Nee, niet het hebben van een volgende klus, maar het inkomen en dus een ‘boterham. De flexer zal nog steeds een volgende klus moeten zoeken om zijn boterham te ‘beleggen’. Dat hij die ‘boterham’ al heeft verandert wel zijn onderhandelingspositie in zijn zoektocht naar een klus en dus dat ‘beleg’. Dit geeft meer macht om klussen te weigeren en die macht verzwakt de positie van de opdrachtgever.

Als tweede is het interessanter omdat een onvoorwaardelijk basisinkomen eenvoudiger uit te voeren is dan specifieke wetgeving die Elzinga voorstaat. Daar is geen toezichts- en controle systeem voor nodig. Dan kan de omvang van het UWV en de diverse gemeentelijke sociale diensten fors worden ingekrompen.

Sterker nog, die gemeentelijke sociale diensten zijn dan overbodig. Er hoeft niet gecontroleerd te worden of er drie keer is gesolliciteerd en ook de ‘tandenborstelcontrole’ is overbodig. En daarmee raak ik een derde reden waarom een onvoorwaardelijk basisinkomen interessant is. Het ‘ontmenselijkende’ karakter van de manier waarop nu invulling wordt gegeven aan de sociale zekerheid vervalt. Mensen worden weer gewoon als mensen gezien. Niet als ‘minderwaardigen’ omdat ze nog moet ‘(re)integreren’. Dit zal bij velen heel veel stress en dus ziektekosten en vooral levensjaren schelen.

Als laatste, maar er zijn nog wel meer redenen te bedenken, komt deze oplossing ook tegemoet aan de wens voor flexibiliteit van werkgevers en ook de overheid, want daar flex ik voornamelijk. ‘Vast werk’ en ‘banen voor het leven’ zijn iets van vroeger. Als we nu kinderen moeten opleiden voor banen en werk dat nog niet bestaat, hoe ‘zeker en vast’ is dan een vaste baan? Als baanonzekerheid het nieuwe normaal is, is het dan niet slimmer om ‘zekerheid’ op een andere manier te bieden dan via een onzekere vaste baan? Jammer dat een kandidaat-voorzitter van de FNV in het verleden blijft hangen.

Uitgelicht

Het middel en de vermeende kwaal

Zoals altijd voor verkiezingen grasduin ik door de verschillende verkiezingsprogramma’s. Een tijd geleden schreef ik al over de ‘bedoeling van het kapitalisme’ volgens de VVD. En ook over het PVV programma waarin de partij zich vol achter artikel 23 van de Grondwet schaart en één zin later datzelfde artikel aan haar laars lapt. Nu las ik iets heel bijzonders in het programma van het Forum voor Democratie.

Bron: WikimediaCommons

Ik citeer: “Ook zien we een probleem met de selectieprocedure van onze rechters. Officieel worden rechters benoemd door de regering (uitvoerende macht), maar in de praktijk wordt vrijwel altijd de aanbeveling gevolgd vanuit de rechterlijke macht zelf. Hierdoor houdt een ideologisch bolwerk zichzelf in stand. Via een parlementaire ondervragingscommissie willen wij de grip van de politiek op benoeming van (hogere) rechters, zoals leden van de Hoge Raad of van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, versterken.” In het kort staat hier dat Baudet de rechters partijdig vindt en hij wil die partijdigheid bestrijden door ze in het parlement te ondervragen alvorens ze worden benoemd. Zo wil hij dat bolwerk met de voor hem ‘verkeerde ideologie’ aanpakken. Zou dit werken?

Voordat ik aan die vraag toekom, eerst een vraag aan Baudet. Is er een probleem? Is de rechterlijke macht een ‘ideologisch bolwerk’ met een bepaalde voorkeur? Dat de stemverdeling onder rechters anders is dan onder de rest van Nederland is bekend. Net zoals die ook anders is onder leraren, zorgpersoneel en ambtenaren. En trouwens net zoals die ook anders is onder topmanagers van grote bedrijven. Daar hoeven we niet van op te kijken, dat is vooral een gevolg van beroepskeuzes van mensen. Een ‘oververtegenwoordiging’ van stemmers op een bepaalde partij, wil echter nog niet zeggen dat er sprake is van een ‘ideologisch bolwerk’ en dat de ‘ideologie van de rechter’ een rol speelt bij het uitspreken van vonnissen, is nog flink wat stappen verder.

Dan Baudets oplossing. Laten we eens ‘over de grens’ kijken want er zijn al landen die zo’n systeem kennen. Bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Daar nomineert de president rechters die ter goedkeuring aan de senaat moeten worden voorgedragen. Zou dat er minder politiek aan toe gaan? Even terug naar 13 februari 2016. Toen stierf opperrechter Antonin Scalia. President Obama nomineerde een nieuwe kandidaat maar de door zijn politieke tegenstanders de Republikeinen gedomineerde senaat, weigerde de voordracht ook maar te bespreken. De reden, in november 2016 waren er verkiezingen en als de Republikeinen zouden winnen, dan zou hun president een rechter mogen voordragen en die zou meer in hun straatje passen. Als reden voerden ze echter aan dat Obama het zou moeten overlaten aan zijn opvolger omdat hij nog maar zo kort aan de macht zou zijn. Obama zou niet over zijn politieke graf moeten willen regeren. We springen even vier jaar verder in de tijd. Op 18 september vorig jaar overleed opperrecht Ruth Bader Ginsberg. Iets minder dan twee maanden voor de presidentsverkiezingen. President Trump nomineert Amy Barretts en iets meer dan een maand later en een kleine twee weken voor de verkiezingen bevestigd de door de Republikeinen gedomineerde Senaat die nominatie. Geen enkel woord van ‘over het politieke graf regeren’ van Trump. Dit zijn maar twee voorbeelden van de gevolgen van politieke benoemingen van rechters, want dat is waar Baudet voor pleit.

Nu even weg van de voorbeelden. Zou het benoemen van rechters door een politiek orgaan, een orgaan waar ideologie een belangrijke rol speelt, leiden tot ideologievrije rechters? Nu is dat onmogelijk, iedereen mens heeft wel iets met ideologie al is het maar in de vorm van godsdienst. Zou het leiden tot een ideologisch gemêleerde rechterlijke macht? Of zou het vooral leiden tot een beschadiging van mensen voor ‘politiek gewin’? Als er in zo’n parlementaire ondervragingscommissie iets zal gebeuren, is het dan niet dat er door tegenstanders van de benoeming van een rechter wordt gehamerd op de ‘politieke vooringenomenheid’ van die rechter? Daarop en op de foutjes, zoals een rode kaart in een voetbalwedstrijd wegens het uitvallen tegen een scheidsrechter, van die beoogde rechter in zijn  verleden?

Zou dit ervoor zorgen dat: “de beste persoon voor de beste positie,” op basis van: “talent en kunde,” wordt gekozen? Want dat wil Baudet zo is ook in het programma te lezen. Ik vrees dat de beste personen zo’n procedure aan zich voorbij laten gaan. Nee, als Baudet werkelijk vindt dat het rechters corps qua politieke voorkeur een afspiegeling moet zijn van politieke voorkeuren van de bevolking, dan kan hij beter doen wat ik Tim Engelbart adviseerde toen die zich twee jaar gelden beklaagde over het ‘links zijn’ van het onderwijs: “Sluit u aan bij die ‘linkse gekkies’ die voor een habbekrats en veel gezeik van u als ouder uw kinderen wat bij proberen te brengen. Immers de ‘linkse dominantie’ van het lerarencorps kan alleen worden doorbroken door een flinke instroom van ‘rechtse rakkers’ zoals u.” Want het middel dat Baudet voorstelt, zou wel eens erger kunnen zijn dan de vermeende kwaal.

Uitgelicht

Koeienvlaai en fraudebestrijding

“Vorige week meldde de Rekenkamer dat landelijke overheidsinstanties nog steeds te weinig doen om vooroordelen te voorkomen bij het gebruik van algoritmes. Deze week onthullen de NOS en de regionale omroepen dat vijfentwintig gemeenten het gebruik van voorspellende algoritmes óók al toestaan, om fraude en criminaliteit op te sporen. Het biedt weinig hoop op het verdwijnen van afkomst uit hun risicoprofielen, omdat institutioneel racisme altijd in meer of mindere mate werd geaccepteerd in Nederland.” Aldus Margriet Oostveen in een column in de Volkskrant. Een bijzonder passage.

Weiland met twee koeien bij een sloot met eenden - PICRYL Public Domain  Image
Bron: Picryl

Een algoritme is niets meer en niets minder dan een set van stappen die je achterelkaar zet om een doel te bereiken: aardappelen schillen, ze even onder de kraan afspoelen, vervolgen in een kookpot doen, de pot met water vullen totdat ze onder water staan, een schepje zout erbij, op een brandend fornuispitje zetten, als het water kookt klein zetten en vervolgens er geregeld even met een vork in prikken en als de vork soepel in de aardappel verdwijnt, dan zijn ze klaar, water afschudden en eten maar. Een algoritme om aardappels te koken.

Wat Oostveens passage bijzonder maakt is dat een algoritme in deze zin van het woord per definitie een vooroordeel is. Bij het maken van een algoritme om fraudeurs op te sporen, wordt gekeken naar reeds bekende fraudeurs en dan vooral naar overeenkomsten tussen die fraudeurs. Als heel veel of zelfs iedere fraudeur een konijn heeft, dan is het hebben van een konijn iets dat je in het mandje van de ‘mogelijke fraudeurs’ doet belanden. En zo wordt er gekeken naar veel meer eigenschappen. Heb je veel van die eigenschappen, dan kom je op een lijstje dat voor ‘verscherpt toezicht’ in aanmerking komt.

Bij deze manier van werken wordt een loopje genomen met de logica. Neem weer dat konijn. Ook al betekent het hebben van een konijn niet dat je fraudeert, sterker al zouden alle fraudeurs een konijn hebben, dan betekent dat nog niet dat iedere konijnenbezitter een fraudeur of zelfs een potentiële fraudeur is. Met slechts één eigenschap waarop je selecteert is de kans dat je een loopje neemt met de werkelijkheid groot. Dat probeert men te ondervangen door veel kenmerken die veel criminelen gemeen hebben te combineren: konijnen, Volkswagen Golf, Gucci tas et cetera. Maar ook al voldoe je aan al die zaken, dan nog wil dat niet zeggen dat je een fraudeur bent.

Een dergelijke manier van werken is inherent discriminatoir. Dat is precies de bedoeling van zo’n algoritme. Dat is de bedoeling omdat het logischerwijs dan misschien niet zo is dat iemand die alle kenmerken gemeen heeft met een fraudeur, een fraudeur is, het maakt de kans dat zo iemand een fraudeur is wel veel groter. Als je vervolgens beperkte middelen voor fraude-opsporing hebben en toch zoveel mogelijk fraude moet opsporen, dan is dit een efficiënte manier. Dan kan het gebeuren dat men, zoals in Oostveens column is te lezen, bij het opsporen van zakkenrollers en winkeldieven in het designer outlet in Roermond kijkt: “naar de kleur van de auto, de nummerplaat en het aantal inzittenden. Het project was opgetuigd om Roma te vangen, terwijl uit een analyse bleek dat 70 procent van de zakkenrollers en winkeldieven van Nederlandse afkomst was. Want ondanks dat 70% van de zakkenroller van Nederlandse afkomst is, is die dertig procent die afwijkt makkelijker te vinden. In het designer-outlet vallen de zakkenrollers van Nederlandse komaf niet op, zij lijken op een zeer groot deel van de bezoekers. Die andere dertig procent van de zakkenrollers valt veel meer op omdat ze afwijken van het zeer grote deel van de bezoekers. Focus je op die 70% dan moet je veel meer moeite doen om tot resultaat te komen dan focussen op die dertig procent. En daarmee kom ik dichter bij het punt dat ik wil maken.

Het is een efficiënte manier, maar wel een manier met heel schadelijke ‘bijwerkingen’. Als eerste omdat er sprake is van een ‘zelfversterkende feedback-loop’. Al zoekend naar fraudeurs onder konijnenhouders, zul je fraudeurs vinden. Die vondsten versterken de zogenaamde relatie tussen fraude en konijnen. En omdat je je kostbare tijd maar één keer kunt besteden en die besteedt aan konijnenhouders, blijven alle frauderende hondenbezitters buiten beeld. Omdat je je concentreert op die 30% niet Nederlandse zakkenroller en winkeldieven zal die 30% procent in de statistieken groter worden dan de dertig procent waardoor het systeem zich er nog meer op gaat richten. Als tweede is het schadelijk omdat het leidt tot vooroordelen. In mijn voorbeeld zal iedereen met een konijn argwanend worden benaderd en bekeken en in Roermond stigmatiseer je Roma als winkeldieven en zakkenrollers.

Niet discrimineren bij het opsporen van fraude is ook mogelijk. In het geval van de kinderopvangtoeslag zou dat kunnen door briefjes te maken met naam en BSN van iedere aanvrager, deze in een doos te doen en er dan willekeurig het aantal uit te halen dat je in een bepaalde periode kunt controleren. Of je laat een koe bepalen door een wei op te delen in bijvoorbeeld honderd vakken en ieder vak correspondeert met een doos dossiers. Vervolgens wacht je waar de koe haar vlaai deponeert en de doos die met dat vak correspondeert, wordt gecontroleerd. Nadeel van deze vorm van fraude-opsporen is dat kans op het pakken van fraudeurs kleiner wordt.  

Als we niet willen dat er wordt gediscrimineerd bij het aanpakken van fraude of criminaliteit, dan moeten we algoritmes afschaffen en ‘de koe’ vragen en accepteren dat we veel minder fraude opsporen.

Uitgelicht

Robinhood is geen Robin Hood

Ik weet niet of jullie het al hebben meegekregen. Ik denk van wel omdat het al aandacht kreeg in het NOS journaal en de Volkskrant besteedde er in een tweetal artikelen flink aandacht aan. Ik heb het over enkele hedgefondsen die een koekje van eigen deeg kregen.

File:Statue of Robin Hood in Sherwood Forest (9464).jpg
Bron: WikimediaCommons

Die hedgefondsen hadden erop gegokt dat de koers van de aandelen van onder andere een spelletjeswinkel zouden dalen, dat noemen ze shortselling. Je ‘leent’ nu aandelen van iemand en je belooft ze over een bepaalde periode terug te geven. Vervolgens verkoop je die geleende aandelen en als de koers van dat aandeel op het moment dat je ze terug moet geven werkelijk is gedaald, dan koop je ze goedkoper in, geeft ze terug en steek je de winst in je zak. Als dat zou gebeuren, dan zouden deze hedgefondsen flink geld verdienen. Dat liep echter anders. Een groepje kleine beleggers kreeg hier lucht van en riep andere kleine beleggers op om aandelen van het bedrijf te kopen. Die deden dat waardoor de koers van het aandeel in de hoogte schoot. Gevolg, de hedgefondsen moesten de aandelen duurder kopen dan ze hadden verkocht en leden verlies en fors: “Een van deze hedgefondsen, Melvin Capital, maakte bekend inmiddels 4,5 miljard dollar aan verliezen te hebben geleden.”

Ik heb geen medelijden met deze hedgefondsen en hierin ben ik niet de enige: “De actie van de kleine beleggers kan op veel sympathie rekenen omdat hedgefondsen worden gezien als de aasgieren van de financiële markten die een slaatje slaan uit de ellende van bedrijven (of landen).” Ja, ook landen want deze fondsen speculeren ook geregeld op bijvoorbeeld een daling van de koers van een munt. Het bekendste voorbeeld hiervan is de val van het Britse pond in de jaren negentig van de vorige eeuw als gevolg van speculatie op een koersdaling. George Soros werd hierdoor wereldberoemd en schatrijk.

Toch wordt er ook anders over gedacht, zo lees ik in de Volkskrant: “BinckBank maakte vrijdag bekend aankooptransacties van deze activistische beleggers te hebben geblokkeerd. Binck volgde daarmee het voorbeeld van effectenbemiddelaars in de VS zoals Robinhood. Woordvoerder Ronald Veerman zegt dat de bank klanten tegen zichzelf in bescherming wil nemen. Niet alleen is het zeer riskant, ook lopen de beleggers de kans van manipulatie te worden beschuldigd.” Pardon! Een heel bijzondere redenering. Of eigenlijk twee van hetzelfde soort.

Als eerste het ‘in bescherming nemen’. Waarom moet die kleine belegger worden beschermd? Beleggen doe je toch voor eigen winst en risico, daar heeft een bank niets mee te maken? Behalve dan dat ze het geld van de koper naar de verkoper moet over maken. Een bank blokkeert toch ook niet mijn betaling van die goede fles wijn bij de slijter om mij tegen mezelf in bescherming te nemen.

Maar er is nog iets bijzonders aan deze redenering. Laten we eens aannemen dat het zo was gelopen als de Hedgefondsen hadden gepland, wie hat dan het gelag moeten betalen? Dat waren de aandeelhouders van die spelletjeswinkel en daarbij zouden kleine beleggers kunnen zitten. De waarde van hun aandelenbezit was dan immers fors in waarde gedaald. Hadden de banken dan niet ook de transacties van de hedgefondsen moeten blokkeren om die beleggers in bescherming te nemen?

Maar het gaat verder. Wie had vervolgens al die flink in waarde gedaalde aandelen gekocht? Waarschijnlijk die hedgefondsen. Dan hadden ze voor een appel en een ei het bedrijf in bezit gekregen en hadden het vervolgens ‘gereorganiseerd’. Wat er op neer komt dat ze het in stukken scheuren en de onderdelen met winst verkopen. Nu mogen Robinhood en Binckbank mij uitleggen wie zij, behalve deze hedgefondsen, beschermen door de transacties van die kleine belegger te blokkeren?

Dan een mogelijke beschuldiging van ‘manipulatie’. Veel gekker moet het niet worden. Is speculeren, want zowel het handelen van de hedgefondsen als het handelen van de Redditclub heeft in de basis niets met beleggen te maken, niet het proberen de koers te beïnvloeden en manipuleren is een ander woord voor beïnvloeden? Moeten de hedgefondsen dan ook niet in bescherming worden genomen omdat ze ‘de kans lopen van manipulatie te worden beschuldigd?

Wie beschermen ‘Robinhood’ en Binckbank hier? Twee keer een soortgelijke redenering waarbij een bank het doet voorkomen alsof ze de ‘kleine ‘belegger’ beschermt. Als de banken dan toch de ‘kleine luiden’ willen beschermen, kunnen ze dan niet veel beter de transacties van hedgefondsen verbieden en het geld dat ze in deze fondsen hebben gestoken, terugtrekken? Nee, Binckbank en Robinhood zijn geen Robin Hood.

Uitgelicht

‘Kennisleer van onwetendheid’

Begrippen als ‘witte onschuld’‘witte superioriteit’ en ‘witte fragiliteit’ kende ik al. Ik schreef er al eerder over. Er is, in dit verband, ook een ‘kennisleer van onwetendheid’ zo lees ik in een artikel van Sheher Khan. Khan is duo raadslid en hoofd van het fractiebureau van DENK in Amsterdam. Die kennisleer van onwetendheid kende ik nog niet. Khan verwijt in een artikel bij Joop dat CDA-kamerlid Pieter Omtzigt voor een nieuw sociaal contract: “in feite een voortzetting van het raciaal contract, ” pleit. Dit omdat Omtzigt, zo betoogt Khan, nalaat om: “institutioneel racisme te benoemen.” Een bijzonder betoog.

File:Rechtvaardigheid troont boven portret van Justinianus op sokkel met titel geflankeerd door Matigheid en Voorzichtigheid Titelpagina voor Corpus juris civilis, Amsterdam 1663 Corpus juris civilis (titel op object), RP-P-1886-A-10397.jpg
Rechtvaardigheid troont boven een portret van Justinianus op een sokkel met als titel geflankeerd door Matigheid en Voorzichtigheid. Een prent van Cornelis van Dalen. Bron: Rijksmuseum

Bijzonder als eerste omdat ik de combinatie van de woorden ‘kennisleer’ en ‘onwetendheid’ een bijzondere vind. Kennisleer, ook wel epistemologie genoemd, is een heel oud begrip uit de filosofie. De kennisleer onderzoekt de aard, oorsprong, voorwaarden en de reikwijdte van kennis en het weten. Binnen de kennisleer staan drie vragen centraal: Wat is kennis? Wat kan ik weten? En hoe kan ik kennis vergaren? Onwetendheid is de afwezigheid van alle of bepaalde kennis. De combinatie van die twee begrippen komt mij als heel vreemd voor. Dat even terzijde.

Volgens Khan staat Omtzigt met die ‘voortzetting van het raciale contract’ in een lange traditie van geleerden zoals Thomas Hobbes, Jean-Jacques Rousseau, John Locke en Immanuel Kant die: “Verlichtingsidealen zoals individuele vrijheid en rechtvaardigheid,” beperkten tot Europeanen. “Zelfs de meest vooraanstaande filosofen, zoals John Rawls, raken gehypnotiseerd door de kennisleer van onwetendheid. Rawls bracht de discussie over het sociaal contract weer tot leven in de 20e eeuw met zijn theorie van rechtvaardigheid. Hij stelde dat een rechtvaardige samenleving ingericht is op het verheffen van de meest achtergestelde groepen maar verzuimde om ,in een carrière van 50 jaar, ook maar één passage te wijden aan raciale rechtvaardigheid.” Aldus Khan. Maar heeft hij een punt?

Khan verwijst naar Rawls’ belangrijkste werk Een theorie van rechtvaardigheid. In dat boek zoekt Rawls naar de meest rechtvaardige manier om een samenleving vorm te geven. Centraal in dit denken stond de absolute vrije mens die vrijheden inleverde in ruil voor vrede en veiligheid. Dit inleveren van vrijheid gebeurde op vrijwillige basis. Rawls was de eerste denker die inzichtelijk probeerde te maken hoe dat in zijn werk zou moeten gaan en wat dan een redelijke en vooral rechtvaardige uitkomst van die ‘contractonderhandelingen’ zou zijn. Rechtvaardig voor mensen in alle mogelijke posities in de samenleving maar ook tussen de opvolgende generaties. De ‘contractpartijen’ bij die onderhandelingen, waren volgens Rawls onwetend van hun rol en positie in de samenleving en in de tijd en waren ook niet op de hoogte van hun eventuele geloofsovertuiging of voorkeuren. Zij handelden vanachter ‘de sluier van onwetendheid’ zoals Rawls hem noemde. Rawls ging uit van rationele personen en rationeel handelen waarbij twee beginselen of uitgangspunten van rechtvaardigheid door alle partijen waren aanvaard: “1. Elke persoon dient gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen. 2. Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze: (a) het meest ten goede komen aan de minst bevoordeelden, in overeenstemming met het rechtvaardige spaarbeginsel, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder voorwaarden van billijke gelijke kansen.[1]  Ik kan hier geen raciale ongelijkheid in ontdekken. Rawls spreekt over ‘elke persoon’ en ‘allen’. Hij zoekt naar rechtvaardigheid voor iedereen ongeacht kleur, geslacht, gender en welke categorieën dan ook.

Dat: “in de ogen van Hobbes en Rousseau (…) de wilde of barbaar altijd een niet-Europeaan” was en: “Locke profiteerde financieel van de slavernij en Kant pleitte voor een hiërarchische categorisering van de mensheid op grond van ras,” zegt niets over Rawls en Omtzigt. Khan projecteert de opvattingen van historische figuren op Omtzigt en, de inmiddels ook historische figuur, Rawls alleen omdat ze dezelfde huidskleur hebben. Als ik Khans betoog goed interpreteer, dan bedoelt hij met ‘kennisleer van onwetendheid’ dat als je als blanke over de mensheid schrijft zonder er expliciet bij te zeggen dat je met mensheid alle kleuren bedoelt, dat je dan alleen maar blanken bedoelt. Dat is, voor iemand die raciale rechtvaardigheid zo belangrijk vindt, een sterk naar racisme riekende manier van denken.

Nu is Khan niet de enige die het woord ‘iedereen’ of ‘allen’ graag wil aanvullen door onderdelen van die ‘iedereen’ of ‘allen’ expliciet te benoemen. Menig politieke partij wil de Grondwet aanpassen en dan vooral artikel 1: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”  In dat artikel moeten de rechten van allerlei groepen expliciet worden belegd en benoemd. Ook de Ballonnendoorprikker wil dit artikel graag aanpassen, maar dan op een andere manier. Niet door er allerlei groepen die niet gediscrimineerd mogen worden aan toe te voegen. Nee, door het te versimpelen waardoor het veel duidelijker en krachtiger wordt:  ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.’ Hooguit aangevuld met: ´Discriminatie is niet toegestaan’, maar dat is eigenlijk al niet meer nodig. Gelijke behandeling begint in de wet. Ongelijkheid begint met het noemen van groepen in dit artikel.


[1] John Rawls, Een Theorie van rechtvaardigheid pagina 321

Uitgelicht

Meehuilers

‘Ik luister naar je, maar ik doe niet wat je zegt’ en ‘ik begrijp je, maar ik heb er geen begrip voor’. Deze twee zinnen vormen in de kern de korte samenvatting van de gebeurtenissen van de afgelopen twee weken en eigenlijk van de afgelopen twintig jaar. Waarom? Dat leg ik hieronder uit.

Free Images : zoo, fauna, howl, marsupial, wildlife photography,  carnivores, european wolf, pack animal, canis lupus, wolf howling, dog like  mammal, wolfdog 6000x4000 - - 581606 - Free stock photos - PxHere
Bron: PxHere

Neem de vele mensen die op de PVV stemmen. In begrijp dat ze zich zorgen maken over hun heden en toekomst, maar ik heb geen begrip voor hun partijkeuze. Een partij die in haar verkiezingsprogramma betoogt dat: “Het onderwijs (…) ruime aandacht (moet geven) aan de verworven westerse vrijheden,” en die vervolgens niet van toepassing verklaart op grote groepen mensen, verdient geen steun. Een partij die pleit voor het “Behoud van artikel 23, de vrijheid van bijzonder onderwijs,” en dan doodleuk vervolgt met de ontkrachting ervan door te pleiten voor het: “Stoppen met islamitisch onderwijs, omdat dat onze vrijheid en onze waarden bedreigt.”  Ik begrijp de zorgen van PVV-stemmers, ik heb geen begrip voor hun keuze. Ik luister naar ze maar doe niet wat ze zeggen

Neem stemmers op het Forum voor Democratie. Ook hun zorgen voor wat betreft hun heden en toekomst begrijp ik. Ik heb geen begrip voor hun partijkeuze. Een partij die het heil, zoals ik al eerder schreef, in het verleden zoekt. Mensen die op een partij stemmen die de bourgeoissamenleving van de achttiende eeuw verheerlijkt zonder dat ze zich realiseren wat dat betekent. Mensen die, net zoals trouwens de PVV stemmers, een verleden verheerlijken dat nooit heeft bestaan. Ik begrijp hun zorgen, maar heb geen begrip voor hun keuze. Ik luister naar ze, maar doe niet wat ze zeggen.

Neem de mensen die op BIJ1 stemmen. Ik begrijp hun zorgen over het heden en de toekomst. Zorgen over achterstanden van groepen in de samenleving en dan vooral groepen met nog geen generaties lange geschiedenis in dit deel van de wereld. Ik heb geen begrip voor hun partijkeuze. Een partij die het dubieuze intersectionele denken hoog in het vaandel heeft staan. Een partij die de wereld beziet door de ‘wit privilege en witte onschuld’ bril van Gloria Wekker en waar iets al snel ‘culturele toe-eigening’ is. Een partij die het verleden wil herschrijven zodat het past in hun kijk op de het heden en de toekomst. Nogmaals ik begrijp hun zorgen over achterstanden, ik heb er geen begrip voor dat ze er zulke dubieuze denkbeelden op na houden. Ik luister naar ze, maar doe niet wat ze zeggen.

Ik begrijp ook mensen die zich afvragen of de coronapandemie niet beter kan worden aangepakt. Ik begrijp het want er zijn vele zaken die beter kunnen, maar ik heb geen begrip voor mensen die vervolgens andere zwart gaan maken en bedreigen. En al helemaal niet voor mensen die vervolgens gaan beweren dat er een ‘door politici aangestuurd pedofielennetwerk’ is, dat er ‘chips’ via vaccins worden ingebracht en nog meer van dat soort onzin. Ik begrijp de zorgen maar heb geen begrip voor de onzin die wordt gedebiteerd. Ik luister ernaar, maar ik doe niet wat zij zeggen

Als ik verder kijk dan mijn eigen neus lang is, dan zie ik dat er ook andere keuzes worden gemaakt. Dan zie ik dat andere partijen naast het begrijpen ook begrip tonen door ideeën, redeneringen en retoriek van de PVV, FvD en BIJ1 over te nemen. Anderen die niet alleen luisteren maar er ook daden aan toevoegen. Die in plaats van een goed gesprek te voeren, mee gaan huilen met wolven. Dan zie ik partijen die begrip tonen voor mensen die ‘onzintheorieën’ verkondigen door hen te voeden, met als meest positieve, halve waarheden en vaak zelfs met hele leugens. Mee gaan huilen omdat een goed gesprek er wel eens toe zou kunnen leiden dat ze aan macht en invloed verliezen. Verliezen omdat de belangen van de mensen die gehoord willen worden wel eens op een heel ander vlak kunnen liggen dan de ‘meehuilers’ denken.

Uitgelicht

Nieuw tijdperk of toch oud?

“Haar woorden luidden op verbindende wijze een nieuw tijdperk van een land in. Daar waren ze voor bedoeld en geschreven.” De ‘haar’ waar Shantie Singh het in haar artikel op de site dekanttekening.nl over heeft, is de Amerikaanse dichter Amanda Gorman en de woorden betreffen het gedicht dat ze voordroeg tijdens de inauguratie van Biden als de zesenveertigste president van de Verenigde Staten. Begon er werkelijk een nieuw tijdperk op de twintigste januari 2021 om een uur of zes Nederlandse tijd? Wat zijn dan de kernmerken van dat nieuwe tijdperk? Als er een nieuw tijdperk begint, sluit er ook een oud af. En om ‘nieuw’ te zijn, moeten de kenmerken van dat nieuwe tijdperk verschillen van die van het oude. Wat waren de kenmerken van het oude tijdperk?

File:Sultan Osman II Cülus.jpg
De kroning van Osman II tot sultan. Bron: WikimediaCommons

Interessante vragen. Maar ze zijn alleen interessant als er op die twintigste januari 2021 werkelijk een nieuw tijdperk aanbrak. Ja, in de Verenigde Staten werd een nieuwe president ingezworen. Alleen gebeurt dat zo ongeveer iedere acht jaar en soms, zoals dit keer, zelfs eerder. Begint er met iedere nieuwe Amerikaanse president een nieuw tijdperk? Dat zou betekenen dat we sinds 1776 aan het zesenveertigste tijdperk toe zijn. Dat lijkt mij wel erg gortig. Waarom zou het ‘inzweren van een Amerikaanse president’ een markeringspunt van tijdperken zijn?

Voor een historicus zijn ‘tijdperken’ geen onbekenden. Tegenwoordig wordt het verleden ingedeeld in tien tijdvakken. In mijn tijd als geschiedenisstudent waren dat er minder: Oudheid, Middeleeuwen, Nieuwe – en Nieuwste geschiedenis. Dat was de indeling. De Oudheid eindigde met het afzetten van Romulus Augustulus, de laatste West-Romeinse keizer op 4 september 476. Een zeer precieze datum. Alleen was de werkelijkheid wat minder precies. Het verval van het ooit machtige Romeinse Rijk zette al veel eerder in en de wereld van na die val kondigde zich al meer dan twee eeuwen eerder aan. Germaanse en andere stammen begonnen te knibbelen aan de Romeins macht. Een maaltijd begint met de eerste hap, niet met de laatste. Als we die metafoor op de scheiding tussen Oudheid en Middeleeuwen toepassen, dan kun je met recht en rede betogen dat de Middeleeuwen begonnen met de eerste Germaanse hap in het Romeinse Rijk. Een derde-eeuwse Romein zou bij die eerste hap aan de grenzen van het Rijk niet meteen spreken van een ‘nieuw tijdperk’. Er werd wel vaker ‘geknabbeld’ maar dat werd later wel weer hersteld. Voor de Germaan Odoakar stelde het afzetten van die laatste keizer niet zoveel meer voor. De macht van de keizer reikte niet veel verder dan de poorten van zijn paleis. Tenminste sinds de Visigotische leider Alarik I in 410 Rome plunderde, stelde het westelijk deel van het Romeinse Rijk al niet meer zoveel voor.

Dat geldt niet voor het Oost Romeinse Rijk. Dat bleef tot de verovering van Byzantium dat toen al Constantinopel heette op 29 mei 1453 door sultan Mehmet II van de Ottomanen, een rol spelen. Waarbij die rol naar het einde toe steeds kleiner werd. Daarmee kun je zeggen dat op dat moment er weer nieuw tijdperk begon, namelijk dat van het Ottomaanse rijk. Alleen zou een Ottomaan zeggen dat hun tijdperk meer dan 150 jaar eerder in 1280 begon. Toen Osman I aan de macht kwam in een prinsdom in het oosten van Anatolië. Alleen wist men toen nog niet dat een nazaat waarvan deze Osman de naamgever was, Constantinopel zou innemen.

Wat het einde van het Oostelijke en het Westelijke Romeinse Rijk gemeen hebben, is dat beiden hun werkelijke oorzaak kenden in de uitgestrekte Aziatische vlakten. In de vierde eeuw zorgden de Hunnen, een Centraal Aziatisch nomadisch ruitervolk, ervoor dat vele andere volkeren voor hen op de vlucht gingen en naar het westen trokken. Een gebeurtenis die we nu de Grote Volksverhuizing noemen. Daar stootten ze op het steeds zwakker wordende Romeinse Rijk en dat leidde uiteindelijk tot het afzetten van Romulus Augustulus. In de dertiende eeuw waren het de Mongolen onder leiding van Dzjengis Khan die voor een migratie van Turkse nomaden zorgden die zich in Anatolië vestigden en daar op het Oost Romeinse Rijk stootten.

Of er op twintig januari 2021 zo rond zes in de avond Nederlandse tijd een nieuw tijdperk aanbrak, daar kunnen wij nu niet over oordelen. Dat is iets voor toekomstige historici en die kunnen er, net zoals ik hierboven deed, op verschillende manieren naar kijken.

Uitgelicht

Urk en Trump

“Losgeslagen tuig, onacceptabel. Dit is idioot gedrag dat hoort te stoppen,” aldus premier Rutte. “Waarom wordt het leger niet ingezet? Maak de PVV de grootste partij in 2021 en ik zet al het criminele tuig ons land uit, inclusief hun familie.” De reactie van PVV-leider en enigst lid Geert Wilders. “Snijden in subsidies en uitkeringen die worden verstrekt aan huishoudens waar deze herrieschoppers toe behoren is wellicht een mogelijkheid. Als de ouders geen normen en waarden kunnen overbrengen aan hun kinderen, moeten we hen misschien met de harde hand herinneren aan de normen en waarden die gelden in onze samenleving,” betoogt het Haagse CDA-gemeenteraadslid Kavish Partiman. Nee, deze uitspraken zijn niet gedaan na de vernieling van een GGD-teststraat op Urk. Het waren de reacties van politici op de rellen in Den Haag en Utrecht afgelopen­­ zomer. Dat verbaast.

Bron: Nederlands Instituut voor Militaire Historie/Wikimedia Commons.

Het verbaast omdat het in al deze gevallen om jongeren gaat die regels overtreden, zaken vernielen en in brand steken en het gevecht met de politie aangaan. Identiek gedrag dus dan zou je ook een identieke reactie verwachten. Dan zou je verwachten dat de premier deze Urker jongeren losgeslagen tuig zou noemen die idioot gedrag vertonen. Dan zou Wilders moeten pleiten voor het inzetten van het leger op Urk of wellicht het sturen van een kanonneerboot naar de haven. Dan zou ergens een CDA-er moeten roepen dat er in uitkeringen en (visserij)subsidies moet worden gesneden omdat de ouders geen normen en waarden aan hun kinderen kunnen overbrengen. Nee, niets van dit alles, alleen een grote stilte. Nu kan het eraan liggen dat de tijd sinds de rellen te kort is om te reageren. Het vreemde is echter dat bij de ‘zomerrellen’ de reacties bijna real time werden gegeven.

Zou het dan aan de aanleiding voor de rellen kunnen liggen? Op Urk is de avondklok ditmaal de aanleiding. Ditmaal, want van een avondklok was tijdens de eerdere rellen van bijvoorbeeld november en december vorig jaar nog geen sprake. Als we het dan wat breder zien, dan zouden het de coronamaatregelen kunnen zijn? De aanleiding voor de ‘zomerrellen’ was vooral verveling.

Ik vrees echter dat dit niet de reden is van het uitblijven van dergelijke reacties. Ik vrees dat het meer te maken heeft met de achtergrond van de rellende jongeren. Als mijn vrees gegrond is, dan zou dat wel heel erg schadelijk zijn. Dan is er namelijk spraken van discriminatie. Dan wordt de ene groep rellende jongeren milder behandeld dan de andere puur en alleen vanwege hun achtergrond. Van de PVV kunnen we dat verwachten. Die partij wil immers iedereen met de achtergrond van de ‘zomerrellers’ liefst het land uit. Dat wordt lastig bij die Urker jeugd omdat die precies de achtergrond heeft van Wilders ideale land.

De ongelijkheid in reactie van de VVD en het CDA toont een overeenkomst met de reactie van vele Republikeinen in de VS op de Black Lives Matter protesten aan de ene kant en de bestorming van het Capitool aan de andere kant. De eersten worden hard veroordeeld en de tweede worden met mildheid bekeken. En, nu ik toch vergelijk met de VS, is er nog een bijzondere overeenkomst. In de VS was er iemand die uitnodigde tot de bestorming van het Capitool, een president die ‘mee zou marcheren’ maar dat vooral deed voor zijn tv-scherm in het Witte Huis. Op Urk waren er partijen die de burgemeester opriepen om de avondklok niet te handhaven, zo is te lezen bij De Stentor Hart voor Urk (coalitie, red.) en PVV (oppositie, red.) hebben in de vorm van schriftelijke vragen eigenlijk de burgemeester opgeroepen om de avondklok te negeren (via Twitterberichten van PVV Urk-politici is een boodschap van die strekking inderdaad terug te vinden, de partij zegt daarin alles te doen zodat de avondklok niet gehandhaafd wordt op Urk.). Niet handhaven die avondklok, was hun verzoek aan de burgemeester.”

Nu is voorstellen om naar het Capitool te lopen niet meteen het ‘bevel’ geven tot de bestorming ervan. En ook het verzoeken om regels te negeren is geen ‘bevel’ om zaken te vernielen. Het zijn echter wel voorbeelden van politici die oproepen om de wet te negeren. Trump negeerde een verkiezingsuitslag, die volgens de regels van het spel tot stand zijn gekomen. De Urker raadsleden negeerden een, volgens de regels van het spel tot stand gekomen, besluit. Als politici binnen onze democratie oproepen om de regels te negeren, dan is dat reden voor grote bezorgdheid. Net zoals het optreden van de VVD en het CDA reden is tot grote zorg.

­­

Uitgelicht

De oren spitsen

‘Tussen de regels door lezen’, een uitdrukking waarmee wordt bedoeld het zoeken naar de diepere betekenis van een tekst. Ik moest aan die uitdrukking denken na het lezen van een artikel van Michael van der Galien bij De Dagelijkse Standaard. Aan die uitdrukking en aan de ‘luistervariant’ ervan: ‘de oren spitsen’.

Wat is er aan de hand? In een interview met Eva Jinek geeft Viroloog Marion Koopmans aan dat we er rekening mee moeten houden dat we vaker getroffen worden door een infectiecrisis zoals de huidige coronapandemie. Want dat er een nieuwe infectiecrisis komt: “daar is wel consensus over. Dat staat ook al een tijdlang in het tienjarenplan van de Wereldgezondheidsorganisatie. Dus daar stond: bereid je voor in de komende tien jaar, er gaat een grote infectiecrisis komen.’ Nou, dit was jaar één,” aldus Koopmans. We moeten ons dus voorbereiden en daarvoor is Koopmans nu in Wuhan om te achterhalen hoe het huidige coronavirus op de mens is overgesprongen. Daarom en om te onderzoeken welke virussen in de toekomst eenzelfde ontwikkeling zouden kunnen gaan doormaken. Dit laatste is van belang omdat je je er dan op kunt voorbereiden. Wellicht kun je dan al een basis voor een vaccin hebben liggen. Dat lijkt mij heel nuttig.          

Van der Galien blijkt in dat korte ruim twee minuten durende gesprek, iets heel anders te horen. “Er zijn vast virussen bij dieren en ja, die kunnen vast ook overslaan op mensen. Maar dit is gekte: om ons zo bang te maken en ons mentaal voor te bereiden op tien jaar van vreselijke angst, epidemieën, en jawel, vaccins. En het is allemaal niet eens logisch. Tien jaar lang hebben we er last van, maar na elf jaar zijn de virussen op.” Daarom is het: “ helemaal niet de bedoeling dat we ooit nog uit deze coronacrisis komen. De boven-ons-gestelden én virologen vinden deze manier van leven veel te prettig. Zij kunnen immers doen en laten wat ze willen, terwijl wij de hele dag braaf binnen zitten. Er is nog nooit zoveel ‘rust’ geweest in de samenleving.” Verzuchtend vraagt Van der Galien zich af: “Wie heeft Marion Koopmans eigenlijk benoemd tot vaderlands viro-dictator voor het leven?”

Infectieziektes zijn zo ongeveer eigen aan de mens. Ieder jaar breekt er wel een vorm van griep uit. En soms een heel erge vorm die een pandemie veroorzaakt. Voorbeelden hiervan zijn de Spaanse griep van 1918 met zo’n 50 miljoen doden, de Aziatische griep van 1957-1958 met tussen de 1 en 4 miljoen doden, de Hongkonggriep van 1968-1969, de Russische griep van 1977, de ‘vogelgriep’ H5N1 die in 1997 opdook en nog steeds rondwaard, de Mexicaanse griep in 2009 en nu dus corona. Dus dat de WHO rekening houdt met en waarschuwt voor een infectiecrisis de komende tien jaar, is niet zo vreemd. En dat we nu in zo’n crisis zitten, wil niet zeggen dat we er dan weer tien jaar vanaf zijn. Zoals iedere ‘gokker’ weet is de kans op het gooien van een zes met één dobbelsteen bij iedere worp een zesde. Die kans verandert niet door de omstandigheid dat je de vorige worp zes gooide. Het wil trouwens ook niet zeggen, zoals Van der Galien suggereert, dat we nu tien jaar last hebben van epidemieën en dat die in het elfde jaar spontaan verdwijnen.

Hoe ik ook luister en lees, ik hoor in Koopmans woorden hele andere zaken dan Van der Galien. Zou het kunnen dat Van der Galien last heeft van een conformation bias? Dat hij als het woord ‘viroloog’ hoort al in de stress schiet en allerlei dingen erbij fabuleert waardoor hij weer wordt bevestigd in zijn opvatting dat ieder viroloog hoopt: “dat er nog veel meer pandemieën aankomen. En zo niet, nou ja, dan (doen) ze in ieder geval (hun) best ons nog lekker bang te maken en te houden”?

“De enige beleidsaanpassing die er moet komen is dat we niet schrikken nu! moeten investeren in de zorg zodat áls er weer een griepvirus 2.0 komt als corona, dat we dat dan prima kunnen opvangen,” zo eindigt Van der Galien zijn tirade tegen virologen in het algemeen en Koopmans in het bijzonder. Nee, geen ‘hoop op’ nieuwe virussen bij Koopmans, maar op ervaringen uit het verleden gebaseerde aan zekerheid grenzende vrees dat ze gaan komen en dat we ons daar maar het beste op kunnen voorbereiden. Laat dat nu net, zoals ik haar woorden hoor, de reden zijn dat Koopmans in Wuhan is, om haar deel van die investering in de zorg te doen als corona 2.0 komt. Misschien zou Van der Galien ook tot die conclusie komen als hij zijn oren spitst en niet ‘tussen de zinnen door probeert te luisteren’?

Uitgelicht

Lekenwetenschap

Bij Joop zag ik een link naar een satirische bijdrage van Marcel van Roosmalen aan het radioprogramma De Nieuws BV. Van Roosmalen staat bekend om zijn zwartgallige humor waarbij hij iets tot in het extreme uitvergroot. In dit geval is Diederik Gommers onderwerp van spot. Gommers is volgens Van Roosmalen overal te zien en te horen en heeft overal een ‘genuanceerde mening’ over en schets altijd het zwartste scenario waarmee hij ieder feestje vergalt. ‘Kan Diederik Gommers niet uit?’ Zo vraagt Van Roosmalen zich af, Nu gaat het mij niet om Van Roosmalens satire. Het gaat mij om een reactie eronder.

Bron: WikimediaCommons

“Diederik Gommers, Marion Koopmans, Ab Osterhaus, Ernst Kuipers enz. hebben juist het ontzettend grote gevaar van Covid-19 zeer duidelijk doorgegeven aan alle 17.5 miljoen Nederlanders, namelijk met hun vaak briljante mediaoptredens, tijdens de laatste maanden. Ze hebben juist goede antwoorden gegeven in vergelijking met *het is maar een griepje* gekkies zoals Willem Engel, Wybren van Haga, Thierry Baudet enz.. Mag ik ze allemaal bedanken?”  Aldus een bijdrage van iemand die zich GabrielMokummer noemt. Tot zover niets bijzonders. Het wordt bijzonder als ene ‘Joost mag ’t weten’ reageert: “Die wappies baseren zich ook op (veelal dezelfde) bronnen maar trekken andere conclusies. De TV experts hebben het regelmatig mis terwijl de wappies achteraf vaak gelijk krijgen. TV kijkend Nederland heeft het geheugen van een goudvis en neemt alle leugens en inconsistenties voor lief. Veranderde inzichten…”

Het zal best zijn dat ‘die wappies’ andere conclusies trekken uit dezelfde bronnen en dat de experts het ook wel eens mis hebben. Iets dergelijks hoor en lees je vaker met de suggestie om de opvattingen en ideeën van ‘die wappies’ serieus te nemen en het beleid erop aan te passen. Dat wetenschappers en deskundigen het soms mis hebben is inherent aan de wetenschap. Dat ‘wappies’ en leken het achteraf soms goed hebben, is ook niet vreemd. Een wiskundige zal 99 van de 100 wiskundesommen goed maken. Een leek in de wiskunde zal er ook af en toe een goed maken. Ik zou daaruit niet concluderen dat de wetenschappers ook maar wat aan modderen. Zeker als je je realiseert dat het aantal leken het aantal deskundigen verre overtreft, dan is de kans groot dat er ergens een ‘wappie’ of leek iets beweert wat later waar blijkt te zijn. Probleem is alleen dat je bij een pandemie niet de tijd hebt om te af te wachten wie het ‘achteraf’ juist heeft. Om het wiskunde voorbeeld weer aan te halen. Die ene wiskundige maakt 99 sommen goed. 10.000 leken maken samen ook 99 opgaven goed. Als je beleid moet maken, is het lastig uit te gaan van die 10.000 leken, want welke leek maakt welke opgave goed en hoe groot is de kans dat die leek de volgende opgave ook goed maakt? Dan zou ik liever uitgaan van die wiskundige want dan is de kans vele malen groter dat de volgende som ook juist wordt beantwoord.

Dit is precies de reden waarom ‘wisdom of the crowd’ geen goede basis is om beleid op te baseren. Ook niet als degenen waarvoor het beleid is bedoeld hoog opgeleid zijn. Want inderdaad weet de ‘crowd’ waarschijnlijk alles. Bij dat alles zit echter ook veel ballast en verkeerde zaken en er is geen garantie dat de oplossing die uit de ‘Crowd’ komt werkelijk ‘wisdom’ is. De kans op een oplossing die van ‘wisdom’ getuigt, is veel groter als je de deskundigen op het gebied erbij betrekt.

Uitgelicht

Grondwetgevende vergadering

 “En als ze dan toch bezig zijn, kunnen ze meteen ook eens kijken of ze het systeem niet zo kunnen veranderen dat het polarisatie straft in plaats van beloond.” Met die woorden eindigde een vorige Prikker. In die Prikker gaf ik een historische context bij de huidige situatie van de tot op het bot verdeelde en gepolariseerde Verenigde Staten en een politiek systeem dat dit niet lijkt te kunnen keren. Sterker nog, dat eronder lijkt te bezwijken. Na het schrijven van die Prikker vroeg ik me af hoe de situatie in Nederland is.

Grondwet Foto's - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Als we kijken naar onze politieke instellingen, dan zijn die meer dan 170 jaar oud. Ze zijn nog steeds gebaseerd op de Grondwet opgesteld in 1848. De laatste ingrijpende wijziging die de positie van de koning ceremonieel maakte. Op die Grondwet is ons politieke bestel gebouwd. Een bestel met een gekozen volksvertegenwoordiging de Staten Generaal die bestaat uit twee kamers. De Eerste Kamer wordt getrapt gekozen door de leden van de provinciale staten en de Tweede Kamer waarvan de leden rechtstreeks worden gekozen door de bevolking. De Volksvertegenwoordiging heeft de wetgevende macht en controleert de uitvoerende macht, de regering. De regering wordt in Nederland niet gekozen. Die wordt samengesteld door partijen die in de Tweede Kamer een meerderheid hebben en zich op de inhoud kunnen vinden. Als laatste kent ook Nederland een onafhankelijke rechterlijke macht waarvan de leden voor het leven worden benoemd door de regering. ‘Voor het leven’ wil zeggen totdat ze hun pensioengerechtigde leeftijd bereiken.

In het Nederlandse bestel is een belangrijke rol weggelegd voor een fenomeen zonder Grondwettelijke basis, namelijk de politieke partij. Politieke partijen vervullen een centrale rol. Zij selecteren potentiële Kamerleden, stellen programma’s op en leveren bestuurders. Iedereen kan een politieke partij oprichten hiervoor zijn geen regels. Wel zijn er vereisten waaraan een partij moet voldoen voordat ze aan verkiezingen mee kan doen. Nederland kent, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, een meerpartijenstelsel. Het is nog nooit voorgekomen dat één partij een zetelmeerderheid behaalde in een van de beide Kamers. Direct gevolg hiervan is dat de regering altijd bestaat uit een coalitie van tenminste twee en vaak meer partijen. Dit omdat een regering moet steunen op een meerderheid van zetels in de Tweede Kamer.

Ondanks de meerdere partijen leverden verkiezingen tot zo’n 30 jaar geleden een redelijk stabiel beeld op. Drie partijen, de VVD, het CDA en de PvdA domineerden het politieke speelveld. Die partijen (en hun voorgangers) behaalden tot de jaren tachtig zo om en nabij 80% van de zetels. Bepaalden in wisselende samenstelling maar met altijd het CDA of een van de voorgangers erbij. Het overgrote deel van de bevolking herkende zich in een van de partijen en bleef de partij naar keuze zo ongeveer het hele leven lang trouw.

Dit veranderde in het midden van de jaren negentig toen de kiezer ‘op drift raakte’. Daar waar de grootste partij historisch op steevast tussen de 45 en 50 zetels  kon rekenen, werd in 1994 de PvdA de grootste met 37 zetels. Dit na een verlies van 12 zetels. Sindsdien is er geen partij meer geweest met 45 zetels of meer. Iedere verkiezing sinds 1994 kwamen er nieuwe partijen bij die samen een steeds groter deel van de zetels wonnen. En nu, twee maanden voor de verkiezingen, heeft het overgrote deel van de kiesgerechtigden geen idee op welke partij te stemmen. De Volkskrant formuleerde het als volgt: “Het aantal twijfelaars blijkt, zo’n drie maanden voor we het stemhokje in mogen, even groot als bij de vorige Tweede Kamerverkiezingen. Van de circa 13 miljoen stemgerechtigden zijn er bijna 10 miljoen nog niet geland.” En gestemd wordt er in toenemende mate op een persoon en niet op het programma van een partij.

Dat is niet het enige wat er is veranderd. Het aantal mensen dat lid is van een partij was in de jaren vijftig van de vorige eeuw ongeveer 10% van de bevolking. Het daalde in de jaren zestig naar zo’n 4% en vanaf die tijd naar zo’n 2% nu. Dit betekent dat er steeds minder mensen beschikbaar zijn voor een functie als volksvertegenwoordiger bij een waterschap, gemeente, provincie en Staten Generaal.

Kamerlid zijn is tegenwoordig iets van korte duur. “In de eerste elf jaar na de oorlog lag de ervaring rond de veertien jaar (zie de grafiek). In 1956 breidde de Kamer uit naar 150 volksvertegenwoordigers. Met deze nieuwe instroom daalde de gemiddelde ervaring tot 11 jaar, een anciënniteit die tot de verkiezingen van 1986 (Lubbers II) redelijk stabiel bleef. Onder de paarse kabinetten van Kok zette de vernieuwing door, tot de verkiezing van 2002, de tijd van de moord op Pim Fortuyn.” Aldus een artikel uit Trouw van een jaar of acht geleden. Na de laatste verkiezingen stroomde de kamer vol met nieuwelingen: “Er zijn 71 leden die geen zitting hadden in de afgetreden Kamer. Van hen hebben er 58 geen enkele (Haagse) parlementaire ervaring. De gemiddelde Kamerervaring is 3,9 jaar.”  Dat er steeds weer nieuwe Kamerleden binnenstromen is een gevolg van het ‘zweven’ en steeds elders en vooral bij steeds nieuwe partijen ‘landen’ van kiezers. Dit wordt nog versterkt door Kamerleden die gedurende de rit afhaken omdat ze een ‘nieuwe uitdaging’ hebben gevonden. Een uitdaging in het openbaar bestuur maar ook in het bedrijfsleven.

In de Verenigde Staten zien we een zeer sterke polarisering van de samenleving met aan de ene kant een groep die het verleden verheerlijkt en: “zich beroepen op het verleden ‘toen America nog Great’ maar vooral White, Anglo-Saxon en Protestant was,” en aan de andere kant de extreme ‘identity politics’ zoals ik in mijn vorige Prikker schreef. Die eerste groep heeft de Republikeinse partij in haar macht en de tweede dreigt de Democratische partij te verscheuren. Deze polarisering zien we ook in Nederland. Veel van die nieuwe partijen die steeds meer zetels wonnen, bevinden zich in de uitersten van het politieke spectrum. Forum voor Democratie en de PVV beroepen zich op het verleden. Een tijd van ‘oer-Hollandse gezellig’ zoals de PVV het in haar verkiezingsprogramma formuleert of naar die goede oude tijd van de bourgeoisie die FvD-leider Baudet idealiseert en daar moeten we naar terug. Aan de andere kant van het spectrum zien we partijen zoals BIJ1 en DENK. Partijen en hun aanhangers zoals Gloria Wekker die de geschiedenis willen aanpassen en herschrijven aan hun doelen in het heden. Partijen en hun vertegenwoordigers die achter iedere boom een racist of fascist zien en spreken van ‘witte onschuld en privilege’, je beschuldigen van ‘culturele toe-eigening’ en de werkelijkheid bekijken door een ‘kruispuntentheorie-mal’. De Nederlandse situatie is, mede door het gemak waarmee je een nieuwe partij kunt beginnen, nog niet zover gepolariseerd als in de Verenigde Staten. Die nieuwe uitersten zorgen er echter wel voor dat de traditionele partijen zich naar die uitersten toe bewegen en dat het politieke landschap nog verder fragmenteert. Beide ontwikkelingen verminderen de regeerbaarheid van ons land. Net als in de Verenigde Staten loopt Nederland het risico dat de polarisering ons politieke systeem lamlegt. Als dit risico optreedt, dan is er een aanzienlijke kans dat het vertrouwen van de bevolking in ons democratische systeem als sneeuw voor de zon verdwijnt. Dat vertrouwen heeft de afgelopen tijd toch al een knauw gekregen als gevolg van de toeslagenaffaire.

Om terug te komen om de vraag waarmee ik begon en dan niet gericht op ‘ze’ in de Verenigde Staten maar op ‘ons’ in Nederland: als we dan toch bezig zijn, kunnen we het systeem dan niet zo veranderen dat het polarisatie straft? ‘Maar we zijn toch niet bezig om het systeem te veranderen,’ zul je misschien zeggen. Dan zou ik zeggen: wakker worden! Want in Den Haag is men al volop bezig. Zo stuurde het kabinet, zoals ik recentelijk schreef, een brief naar de Kamer met haar ideeën voor de verandering van ons systeem. Ideeën waarbij het kabinet uit het rapport Lage drempels hoge dijken  van de staatscommissie parlementair stelsel, in de volksmond de ‘commissie Remkes’, putte.  Ook willen alle partijen onze Grondwet wel op een of meer punten aanpassen. Zijn we ook bezig om de kiezer hierin mee te nemen? Wat welke partij hierbij wil zal het gros van de kiezers niet weten. Het zijn namelijk niet de thema’s waarmee je als partij ‘volk’ trekt, dus krijgen ze geen aandacht in de verkiezingscampagne. In de coalitieonderhandelingen na de verkiezingen zal er vervolgens in de ‘koehandel’ wellicht iets uitkomen dat vervolgens op route wordt gezet als een wijziging van de Grondwet.

We zijn dus bezig, maar zijn we bezig met het systeem zo aan te passen dat het polarisatie straft? De commissie Remkes ziet wel iets in een verbod op partijen die met democratische middelen de democratie willen afschaffen. Ook stelt de commissie voor om de rol en positie van politieke partijen in een wet vast te leggen door de bestaande Wet financiering politieke partijen uit te breiden. Een interessante optie waarbij je meteen de kanttekening kunt plaatsen dat iets verbieden niet betekent dat het er niet is. In Binnenlandsbestuur pleit Geerten Boogaard om nu alvast af te wijken van de bestaande procedures en op 17 maart ook meteen een nieuwe Eerste Kamer te kiezen. Sinds de verkiezing van die Eerste Kamer is er zoveel veranderd dat het heel lastig zal worden een kabinet te vinden dat zowel in de Tweede als in de Eerste Kamer op een meerderheid kan rekenen. Door nu beide Kamers te kiezen wordt dat probleem omzeild. De Commissie Remkes wil dit oplossen door iedere drie jaar de helft van de leden van de Eerste Kamer te kiezen. Een leuk idee, alleen laat de casus Verenigde Staten zien dat er dan permanent campagne wordt gevoerd en het is de vraag of dat de bestuurbaarheid van een land ten goede komt.

En als we dan toch in de ideeën fase zitten. Wellicht is het een idee om premierverkiezingen te houden. Verkiezingen waarbij die kandidaat die meer dan 50% van de stemmen behaalt, wint. Dat kan betekenen dat er twee rondes nodig zijn waarbij de kandidaten met de meeste stemmen in de eerste ronde het in de tweede ronde tegen elkaar opnemen. Tegenover de gekozen premier, die de regering vormt en voor de volle periode van vier jaar regeert, plaatsen we een gelote volksvertegenwoordiging die bestaat uit een oneven aantal leden, bijvoorbeeld 301 met een zittingstermijn van zes jaar waarbij ieder jaar een zesde deel wordt vervangen door nieuwe. Kamerleden die niet hoeven te werken aan hun ‘herverkiezing’ maar die zich volledig op het werk als Kamerlid kunnen concentreren. Kamerleden zonder partij- en fractiedruk omdat er geen partijen en dus fracties zijn. Kamerleden die worden ondersteund door een stevig ambtelijk apparaat dat niet adviseert maar verheldert, doordenkt, doorrekent en spiegelt. Een volksvertegenwoordiging die net als de huidige Kamers de wetgevende macht heeft, de regering controleert en het budgetrecht heeft. Ook voor gemeente, en provincies hanteren we eenzelfde werkwijze: gekozen bestuurders en gelote vertegenwoordigers. Ook een idee en zo zijn er waarschijnlijk nog veel meer.

We zijn dus bezig, maar zijn we op de goede manier bezig? Moeten we als inwoners van dit land niet met elkaar in gesprek en zo samen nadenken over en vervolgens werken aan een nieuwe Grondwet en een erop gebouwd politiek bestuurlijk systeem dat ons klaarmaakt voor de uitdagingen van de toekomst? Samen nadenken niet binnen het huidige systeem, zoals we nu doen door het over te laten aan de koehandel van politieke partijen bij de formatie. Partijen en hun vertegenwoordigers die belangen hebben bij het huidige systeem. Nee, nadenken en werken buiten die kaders door bijvoorbeeld een grondwetgevende vergadering bijeen te roepen. Een grondwetgevende vergadering bestaande uit bijvoorbeeld 1.500 willekeurige inwoners van ons land die met deze opgave aan de slag gaan. Een groep burgers aangewezen via loting. Een groep die de opdracht krijgt om met en namens ons die nieuwe grondwet en het erbij horende politiek, bestuurlijke systeem uit te werken. En daarbij alle ideeën tegen het licht houdt en daarbij wordt ondersteund door een stevig apparaat dat verheldert, doordenkt en spiegelt. Het resultaat van hun werk kan vervolgens per referendum aan ons worden voorgelegd. En als twee derde van ons voor is, dan is de nieuwe grondwet vastgesteld en kunnen we het bijbehorende politiek, bestuurlijke systeem gaan inrichten.

Uitgelicht

Dag India,

Ik las je brief in de Volkskrant. Als veertienjarige moet je een keuze maken waarvan jezelf zegt dat het een van de belangrijkste beslissingen is die je in je leven moet maken.  Je moet een richting kiezen op de middelbare school en je vraagt je af of je kiest voor wat je leuk vindt of voor baanzekerheid? Je brief deed me terugdenken aan mijn middelbare schooltijd begin jaren tachtig van de vorige eeuw. Ik kan je niet helpen bij het maken van die keuze, dat moet je zelf doen. Wel kan ik je proberen gerust te stellen.

Beroepen Foto's - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Als eerste, misschien schrik je daarvan en vind je het niet erg geruststellend, geen enkele keuze geeft je baanzekerheid. Als je het nieuws volgt dan hoor je dat steeds meer mensen, ook specialisten in het ziekenhuis, een ‘flexcontract’ hebben. Wat ik je uit eigen ervaring kan zeggen is dat je persoonlijkheid veel belangrijker is bij het vinden van een baan, dan je opleiding. Als je weet dat je ‘Einstein’ achterna wil, dan is het slim om natuur- en wiskunde te kiezen. Maar als een werkgever moet kiezen tussen twee gelijkwaardige ‘Einsteins’, dan zal de keuze vallen op de ‘Einstein’ met de prettigste persoonlijkheid.

Als tweede is een keuze voor een vakkenpakket geen keuze voor de richting waarin je je leven stuurt. Het leven bestaat uit veel meer dan nu leren en later werken. Je geluk in het leven hangt veel meer af van de manier waarop je in het leven staat en hoe je met andere mensen omgaat. Van je persoonlijkheid en volgens mij zit het daarmee wel goed. Nu zal je denken, hoe kan die man dat weten? Het eerlijke antwoord is dat die man dat niet kan weten. Maar wat die man ziet is dat je met vragen zit en die ook aan anderen durft te stellen. Mijn ervaring is dat mensen die vragen stellen prettige mensen zijn. Ze staan open voor anderen en oordelen niet zo snel. Dat maakt hen tot prettige mensen om mee te leven en te werken. Daarmee heb je een streepje voor.

Als je niet weet wat je wilt worden, kies dan een richting waarmee je nog alle kanten op kunt. Kiezen voor natuur en techniek sluit de kunstzinnige kant niet uit. Bij een omgekeerde keuze, kun je een carrière als ‘Einstein’ wel vergeten. Alhoewel, ik weet niet of je Brian May kent? May is de gitarist van de zeer succesvolle band Queen. In 2007, hij was toen 60 jaar, studeerde hij af in de astrofysica. En hij is niet de enige. Als je nu een keuze maakt om ‘iets’ te worden, wil dat niet zeggen dat je nooit meer ‘iets anders’ kunt worden. Dit advies gaf ik ook aan mijn dochter, zij moest die keuze vier jaar geleden maken en wist nog niet wat ze wilde worden.

Ik hoop dat je hier wat mee kunt.

Uitgelicht

Civil war part two?

Wat een bijzondere eerste week van een nieuw jaar. Nee, dan doel ik niet op Kristopher Da Graca de Zweedse verdediger die mijn clubje VVV komt versterken. Nee, ik doel op de bestorming van het Capitool in Washington door boze aanhangers van, en aangemoedigd door, de bijna ex-president Trump. Een eindpunt van een opmerkelijk presidentschap maar ook een beginpunt of misschien wel een voortzetting van iets? Maar waarvan?

200+ Free Civil War & Gettysburg Photos - Pixabay
Bron: Pixabay

Ik moest denken aan een passage uit het boek De oorsprong van de politiek van de Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama. Inderdaad de man die begin jaren negentig van de vorige eeuw de geschiedenis dood verklaarde. Fukuyama: “Politieke instellingen ontwikkelen zich, vaak langzaam en pijnlijk, wanneer samenlevingen zich proberen te organiseren om het hoofd te bieden aan hun omgeving. Maar politiek verval vindt juist plaats wanneer systemen er niet in slagen zich aan te passen aan de omstandigheden.[1] De passage geeft precies twee mogelijke antwoorden op de vraag waar dit een beginpunt van is. Het is of het beginpunt van een aanpassing van de instellingen aan de omgeving of van het verval.

De Amerikaanse politieke instellingen zijn van 1776 en dus bijna tweehonderdvijftig jaar oud. Wil je een goede beschrijving van hoe ze bedoeld zijn en hoe ze kunnen werken? Dan raad ik je een aan om Over de democratie in Amerika van Alexis de Tocqueville te lezen. De Tocqueville beschrijft het Amerika van de jaren dertig van de negentiende eeuw, een periode dat het land en de democratische bestuursvorm nog relatief nieuw waren. De Tocqueville lezend moest ik denken aan de ‘participatiesamenleving’ zoals die in de troonrede van 2013 werd geïntroduceerd: “Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.”

Een van de pijlers van het systemen is dat zo ongeveer iedere uitvoerende publieke functionaris op ieder niveau wordt gekozen. Van de sheriff van een gat met vijftienhonderd inwoners tot de president. Een andere pijler is dat er altijd een ander gekozen instituut is dat die gekozen functionaris controleert en dat de regels bepaalt. Op federaal niveau zijn dat er zelfs twee: het Huis van Afgevaardigden en de Senaat die samen het congres vormen. En een derde pijler is een rechterlijke macht. Drie machten die elkaar in evenwicht moeten houden. Dat evenwicht moet ervoor zorgen dat er geen ‘gekke dingen’ gebeuren. Dat systeem heeft al die tijd redelijk goed gewerkt. Ondanks dat de twee dominante politieke partijen om de verschillende posities vochten, was er bij alle betrokkenen de bereidheid om samen te werken. Die samenwerking werd niet bemoeilijkt door ideologische scherpslijperij. Beide partijen ontbeerden een scherp ideologisch profiel en dat maakt samenwerking makkelijk. Die samenwerking is nodig omdat er, om het cru te zeggen, bijna permanent verkiezingen zijn. Iedere twee jaar wordt een deel van het Huis en de Senaat opnieuw verkozen waardoor het kan dat er in de beide onderdelen van het Congres verschillende meerderheden zijn. Om wetten te maken, moeten die samenwerken en een president die werk wil maken van zijn agenda, moet daartussen laveren.

De laatste veertig jaar begint het echter in haar voegen te kraken. Of om het met Fukuyama’s woorden te zeggen: ‘de omstandigheden waarbinnen het systeem functioneert, veranderen’. Die laatste veertig jaar worden gekenmerkt door toenemende ideologische scherpslijperij, verkettering en demonisering van de andere partij. De voor het Amerikaanse systeem zo broodnodige samenwerking tussen de partijen wordt hierdoor zeer lastig en het land wordt zo steeds lastiger te besturen. In zijn autobiografie A Promised Land schets voormalig president Obama die moeilijkheid en zelfs de onmogelijkheid om iemand van ‘de andere partij’ mee te krijgen voor een wet, zelfs was die ‘iemand’ daar eerder een voorstander van.

Die huidige scherpslijperij zorgt ervoor dat aan beide zijden de uitersten in het politieke spectrum steeds meer invloed krijgen. Uitersten zoals aan Republikeinse zijde eerst de steng christelijke ‘moral majority’ waarvan verschillende leiders het met de moraal niet zo streng namen, dat even terzijde, en nu de Tea Party. Groepen die zich beroepen op het verleden ‘toen America nog Great’ maar vooral White, Anglo-Saxon  en Protestant was. Aan Democratische zijde zien we een toenemende invloed van de ‘identity politics’ die zich beroepen op een toekomst wanneer “We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness,” zoals opgenomen in de Declaration of Independence, werkelijkheid is geworden, alle onrecht uit het verleden ongedaan is gemaakt en ‘hersteld’, wat we ons daar ook bij voor moeten stellen, en er het liefst nog een enorme ‘schadevergoeding’ is betaald. De posities die ten grondslag lagen aan de Burgeroorlog zijn weer terug.

Laat dat nu de vorige periode zijn dat scherpslijperij zijn die het land aan de rand van de afgrond bracht. Trouwens, niet alleen de posities, ook de symbolen zoals de vlag van de geconfedereerden. Net als toen zien we nu twee ‘kampen’ met hun eigen waarheid die elkaars ‘taal’ niet spreken en anders tegen de wereld aankijken. De ‘bubbels’ waar we het nu over hebben, bestonden toe ook al. Bubbels zijn geen ‘uitvindingen’ of gevolg van de sociale media. Die zijn een gevolg van menselijk gedrag om te zoeken naar zaken die het eigen gelijk bevestigen of om het met een dure term te zeggen conformation bias. Het enige wat de sociale media en de eronder liggende algoritmes doen, is de zaak versnellen. Je hoeft geen moeite meer te doen door bijvoorbeeld naar de bibliotheek te gaan om je eigen gelijk bevestigd te zien. Die bevestiging komt vanzelf, gevraagd en ongevraagd, naar je toe. En daar waar je in de bieb misschien nog op ‘ander gelijk’ stuit dat je van je stuk breng, de cognitieve dissonantie om de dure term ervoor te gebruiken, kijkt dat algoritme wel uit om je dat ‘andere gelijk’ te sturen. Dat vergroot immers de kans dat je afhaakt en afhaken kost die sociale media geld.

Die vorige periode van polarisatie, van scherpslijperij, liep dus uit op een burgeroorlog waarbij de ene partij won en de andere verloor. Slavernij werd afgeschaft. Door de overwinning van de Noordelijken, leek het systeem weer bij de omstandigheden te passen. De partij die het systeem aanhing, won immers de oorlog en kon haar systeem voorzetten. Wat er daarna gebeurde was dat de verliezende kant er een verhaal van maakte dat ze voor de ‘goede zaak’ vochten. De goede maar verloren zaak, de ‘lost cause’. Slavernij verdween bij hen buiten beeld. De oorlog ging volgens hen over de vrijheid van de staten tegen de federale overheid. En door gebrek aan interesse bij de ‘noordelijken’ voor wat betreft de interpretatie van de burgeroorlog en vooral een gebrek aan belangstelling voor de wederopbouw van de voormalige geconfedereerde staten, werd die ‘lost cause’ het dominante verhaal. Dat verhaal van de ‘lost cause’ en het gebrek aan belangstelling maakte dat wettelijke positie maar vooral de behandeling van voormalig slaven de facto slechter werd dan ze voor de afschaffing van de slavernij was. Hierdoor bleef het spreekwoordelijke mes in het varken zitten voor wat betreft de gelijke behandeling van mensen. Sterker nog, het werd nog even rondgedraaid.

Aan die wetten en behandeling kwam pas in de jaren zestig van de vorige eeuw een einde. Het leidde echter nog niet tot een werkelijk gelijke behandeling. De strijd voor werkelijk gelijke behandeling is nog steeds gaande. Ook in de jaren zestig polariseerden de verhoudingen en veranderden de omstandigheden waarbinnen het systeem functioneerde. Ze veranderden echter niet zo dat het systeem onder spanning kwam te staan. Daar waar in de aanloop naar de burgeroorlog de spanningen langs partijlijnen liepen, de Republikeinen voor afschaffing van de slavernij en de Democraten tegen, was de situatie in de jaren zestig van de twintigste eeuw duidelijk anders. De spanning ‘Noord- Zuid’ zat in beide partijen waardoor een oplossing mogelijk was. Winst en verlies van de oplossing werden immers over de beide partijen verdeeld.

De huidige scherpslijperij is in de basis nog steeds de oude ‘Noord-Zuid’ tegenstelling die ten grondslag lag aan de Burgeroorlog. Wat het zorgelijk maakt, is dat de polarisatie nu weer langs partijlijnen loopt en dat maakt ‘ontspanning’ zeer lastig. Opmerkelijk hierbij is dat de twee partijen van positie zijn gewisseld. In ieder geval staan de Amerikaanse omstandigheden en de politieke instellingen op dit moment op gespannen voet met elkaar. Het is de vraag of ‘langzame aanpassing van het politieke systeem’ het tij nog kan keren. Het alternatief, het politieke verval van de Verenigde Staten in de vorm van het uiteenvallen van het land of een nieuwe burgeroorlog is ook geen aantrekkelijk alternatief

Meest aantrekkelijke optie is de-escalatie. Alleen wordt dat een heel lastige klus. Bijgeven wordt immers al snel gezien als capitulatie, als een nederlaag. Als die deling nu een gevolg was van keuzes van Trump als president, dan lag het makkelijker. Dan kon Trump als schuldige worden aangewezen. Dat is echter niet het geval. Het is eerder zo dat het presidentschap van Trump een gevolg  is van juist die verdeling. Deze optie vraagt om leiders. Leiders die hun eigen ideeën, gevoelens en belangen ondergeschikt laten zijn aan die van het land. Leiders die zich geen zorgen maken om hun politieke toekomst. En als ze dan toch bezig zijn, kunnen ze meteen ook eens kijken of ze het systeem niet zo kunnen veranderen dat het polarisatie straft in plaats van beloond.


[1] Pagina 21

Uitgelicht

Stelletje lafbekken!

‘Is er een notaris op de zaal?’ Dat was het eerste wat bij mij opkwam toen ik op de site van de NOS het volgende las: “Wat het kabinet betreft wordt de keuze op basis van leeftijd overgeslagen en wordt in zo’n geval gekozen voor het uiterste selectiecriterium dat de artsen hebben aangedragen: loten.” Een notaris is immers noodzakelijk om te garanderen dat een loting eerlijk verloopt. Dat betekent dan ook dat er weer een ‘cruciaal beroep’ bij is gekomen. De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie zal dan ook wel meteen een pleidooi beginnen om haar leden vooraan op de vaccinatielijst te krijgen. Nu lieg ik een beetje. Dat van die notaris was niet het eerste wat bij mij opkwam. Dat wat iets negatiever. Dat was: ‘stelletje lafbekken!’

dice, dices, dice game, gambling, game, play, luck, bad luck, fortune, chance, good luck, misfortune, numbers, dots, games, indoor games and sports, recreation, sports, black and white, style
Bron: pxhere

Wie? Nou, VVD-minister Van Ark en haar collega’s in het kabinet. Te laf om een keuze te maken. Te laf om te leiden en daarom blijven ze maar lijden onder de coronacrisis. Over die twee woorden, leiden en lijden, en het opereren van onze politieke vertegenwoordigers, schreef ik al eens eerder een Prikker. Van Ark: “Als een oudere patiënt op medische gronden even veel herstelkansen heeft als een jongere patiënt, mag volgens het kabinet hem of haar geen aanspraak op levensreddende zorg worden ontzegd.”  Als er voldoende plek is dan is dat natuurlijk geen probleem. Is er onvoldoende plek, dan moet er worden gekozen. “Dat er daarbij naar de leeftijd, maar vooral naar de levenskansen en -kwaliteit wordt gekeken, is niet meer dan reëel. Dat is geen drama, dat is verstandig,” zo schreef ik in maart 2020 al.

Dit omdat in tijden van schaarste de schaarse middelen zo goed mogelijk moeten worden ingezet. Daarbij heb ik liever, dat klinkt hard en zakelijk, dat die schaarste wordt besteed aan mensen met de grootste kans om het langst te kunnen leven. Dan wordt de prijs van die kosten per gewonnen levensjaar lager. Dat is de afweging die moet worden gemaakt. Een afweging die onze gekozen vertegenwoordigers moeten maken en onze regering moet daarin voorop gaan. Wij hebben hen aangenomen om de schaarse middelen die er beschikbaar zijn zo effectief en efficiënt mogelijk in te zetten tegen zo laag mogelijke kosten. Daarbij past in het geval dat alle andere zaken gelijk zijn, kiezen voor iemand die statistisch gezien nog de meeste levensjaren voor zich heeft.

Kiezen voor leeftijd is hard, maar minder hard dan loten. Want ja, bij kiezen voor leeftijd haalt een 62-jarige het van een 63-jarige en dat is cru en moeilijk te verteren voor de achterblijvers van de 63-jarige. Dit kan ook bij loten gebeuren en dan voelt het in dit geval wellicht minder hard. Bij loten kan echter een kind van zeven het pleit verliezen van een 87-jarige die daarna nog anderhalf jaar leeft. Dat is enorm cru voor de nabestaanden van het kind. Het zusje van zes moet daar haar hele verdere leven mee leven. De ouders van het kind wellicht ook nog een jaar of vijftig. Zelfs die 87-jarige moet nog anderhalf jaar leven met de gedachte dat dat leven te danken is aan de dood van dat zevenjarige kind. De nabestaanden van die 87-jarige moeten de rest van hun leven door met de wetenschap dat die zevenjarige het leven liet zodat zij nog anderhalf jaar van hun geliefde konden genieten.

Loten is geen keuze durven te maken. Het is weglopen van de keuze en het ‘lot’ laten bepalen. Loten is laf. Vandaar: stelletje lafbekken! Gelukkig kunnen we in maart laten weten wat we van die lafheid vinden.

Uitgelicht

Hulpverlener, medeplichtige of toerist

Sinds ik in 2014 voor het eerst het Griekse eiland Lesbos bezocht voor een vakantie, heb ik een zwak voor het eiland en haar bewoners. Dat zwak is een gevolg van de afwisselende schoonheid van het eiland maar vooral van de vriendelijkheid van de mensen. Iedere keer als er iets over Lesbos op televisie is of in kranten of sites wordt geschreven, dan lees ik dat met grote belangstelling. Dus toen ik op de site Oneworld een artikel zag over het eiland, moest ik het lezen. Ik werd extra getriggerd omdat de auteur, Vonne Hemels, zeer kritisch was over de non-gouvernementele organisaties (NGO). Die staan, zo betoogt hemels, de verandering op het eiland in de weg.

Kasteel Mithyllini. Eigen foto

Hemels is vooral begaan met de vluchtelingen op het eiland. Hemels: “Ik weet het niet, maar ik weet wél dat de situatie voor vluchtelingen op Lesbos de afgelopen jaren alleen maar erger is geworden, ondanks de vele miljarden aan humanitaire hulp.” De NGO’s spelen hierin, zo betoogt Hemels, een negatieve rol Ze hebben: “het concept van solidariteit op Lesbos veranderd in een handelsartikel dat goed verkoopt op de markt van internationale humanitaire business.” Gelukkig ziet Hemels een alternatief: medeplichtig worden. “Medeplichtigheid (…) betekent aanvaarden dat de wetten en regels oneerlijk zijn. Het betekent oprecht luisteren naar degenen die systematisch onderdrukt worden, en bereid zijn om risico’s te nemen. Het betekent géén carrière maken van het lijden van vluchtelingen. Medeplichtigheid is vriendschap, en de eindeloze strijd tegen grenzen en voor de vrijheid van iedereen.” Hemels sluit af met de woorden: “Ik nodig je ook van harte uit om Lesbos eens te komen bezoeken. Maar dan wel als medeplichtige, en niet als humanitaire hulpverlener.”

Over de dubbele rol van de NGO’s hoeven we niet verbaasd te zijn. Als je een doel wilt bereiken en daarvoor richt je een organisatie op, dan heb je ineens al twee doelen, namelijk het oorspronkelijke doel en het doel om de organisatie draaiende te houden. Als de oprichter van de organisatie een ‘bekende Nederlander’ is zoals Johnny de Mol met zijn Movement on the Ground, dan heb je zomaar nog meer doelen. Neem je vervolgens mensen aan om het werk te doen, dan groeit het aantal doelen exponentieel. Een term die ik sinds het uitbreken van de corona-pandemie als bekend veronderstel.

Dat de NGO’s een bijdrage leveren aan het in stand houden van hardvochtig migratiebeleid, daarin kan ik Hemels een heel eind volgen. Na mijn laatste bezoek aan het eiland schreef ik ook al over: “Vrijwilligers die even twee of drie weken hun eigen ego komen strelen en wat ‘sokken’ uitdelen aan vluchtelingen die pas aankomen.” Vrijwilligers die, als ze weer thuis zijn, vertellen over: “hun ‘nuttige’ werk en de ellende op Lesbos.” Waardoor ze weer een steentje bijdragen aan de ellende op het eiland. Niet de ellende van de vluchtelingen, maar de ellende van de eilandbewoners. Want al die ‘ellendeverhalen’ maken dat er steeds minder vakantiegangers het eiland bezoeken en dat raakt de eilandbewoners hard.

Terug naar Hemels’ betoog: “Sinds de rechtse partij Nea Dimokratia in Griekenland aan de macht is worden anti-migratiewetten in rap tempo ingevoerd, ondanks veelvuldig kritiek van mensenrechtenorganisaties.” Zo schrijft ze terecht. Het eiland bezoeken als ‘humanitair hulpverlener’ voor aan maand, gaat daar inderdaad niets aan veranderen. Eilandbewoners kunnen die ‘hulpverleners’ wel schieten. Ik vrees echter dat het eiland bezoeken als ‘medeplichtige’ dat ook niet gaat verhelpen.

Ja, de vele vluchtelingen op het eiland zijn een probleem. Geen Grieks probleem, maar een Europees en dus ook een Nederlands probleem. Een Europees probleem waar we Lesbos en enkele ander Griekse en Italiaans eilanden mee hebben opgezadeld. Een probleem dat een gevolg is van de in politiek Nederland door velen bejubelde ‘Turkije deal’ Van Europees vluchtelingenbeleid dat alle ellende afwentelt op ‘landen in de regio’. Beleid dat je kunt betitelen als rationele irrationaliteit zoals ik al eens betoogde. Maar helaas ziet, op de inwoners van Lesbos en die andere eilanden na, niemand het zo. Ze zien het niet zo omdat het buiten hun blikveld gebeurt. Het loopt het land en haar inwoners over de schoenen. Eerst moesten ze de broekriem aanhalen om de Euro, maar vooral de West-Europese banken te redden en vervolgens werd het land overspoeld door mensen die naar Duitsland, Nederland, Zweden of Frankrijk wilde en op weg daar naartoe vast kwamen te zitten in Griekenland en vooral op enkele eilanden waaronder Lesbos. Het enige wat de overige landen van de Europese Unie deden, was beschuldigend naar de Grieken wijzen, terwijl ze hun deel van de afspraken zelden nakwamen. Dat is de belangrijkste reden dat Nea Dimokratia nu regeert en anti-migratiewetten invoert. Het eerdere meer progressieve alternatief, de regering Tsipras, werd door de rest van de Europese Unie door de mangel gehaald en zo liet de rest van Europa de Grieken in de steek. Daarop hebben de Grieken voor het conservatieve alternatief gekozen en daarvan zijn de vluchtelingen de dupe. Trouwens niet alleen de vluchtelingen, ook de bewoners van eilanden als Lesbos.

Als ‘medeplichtige’ naar Lesbos gaan zal daar niets aan veranderen. Het enige wat je ermee bereikt is dat je wordt opgepakt en het land uitgezet of misschien zelfs gevangen wordt gezet. Dat is dan weer iets waarmee je in Nederland kunt pronken en verwijzen naar de ellende van de vluchteling op het eiland terwijl het niemand op Lesbos helpt. Niet gestrande vluchtelingen en migranten, want wat hebben die aan een ‘tijdelijke medeplichtige’ die, door zijn juiste paspoort, gewoon weer terug kan reizen naar een land waar zij naar toe zouden willen. Maar ook niet de bewoners van het eiland omdat die ‘medeplichtige’ hen alleen maar negatieve publiciteit oplevert en belastingcenten kost.

Wat wel kan helpen, is in maart bij de Kamerverkiezingen stemmen op een partij die een ander vluchtelingen en migratiebeleid wil. Een partij die ziet dat wij hier een verantwoordelijkheid hebben. Een verantwoordelijkheid die verder gaat dan het ‘benutten van ontwikkelingsgeld’ om vluchtelingen in de regio op te vangen. Verder dan het uitruilen van de ene groep in ellende tegen de andere. Een verantwoordelijkheid om ook in Nederland ruimhartig plek te bieden aan vluchtelingen. Een partij die echt vorm wil geven aan migratiebeleid dat mensen, anders dat de ‘hoogopgeleide it-specialist’, van elders de gelegenheid geeft om hier legaal te werken. Een partij die zich realiseert dat afschuiven van het vluchtelingen probleem op het eerste land van aankomst, volgens het Dublinprotocol, niet de manier is waarop we in de Europese Unie met elkaar moeten omgaan. Het zou zomaar kunnen gebeuren dat in de toekomst Nederland dat land is. Sinds een paar dagen ligt Nederland immers ook op aan de grens van de Europese Unie. Dat is de beste hulp die we de vluchteling en migrant kunnen geven omdat we dan eindelijk het probleem van de vluchteling en migrant centraal stellen en niet het vluchtelingen- en migrantenprobleem.

En als je dan toch echt iets in het buitenland wilt doen, zo adviseerde ik al in de Prikker na mijn laatste bezoek die ik hierboven al aanhaalde: “ga vooral op vakantie naar Lesbos.” Het doet niets voor je CV en ego, maar des te meer voor de bewoners van het eiland. Want als het goed gaat met de bewoners zal dan de aanwezigheid van de vluchtelingen niet als een probleem worden gezien?

Uitgelicht

‘Drunk with a lamppost’ Baudet

“There are three kinds of lies: lies, damned lies and statisics.”  Een uitspraak die wordt toegedicht aan de Britse premier Benjamin Disraeli en Mark Twain maar wie  de uitspraak precies muntte, is niet bekend. Wat ermee wordt bedoeld wel, namelijk dat je met statistieken alles kunt onderbouwen. Hieraan moest ik denken toen ik een schrijfsel van Forum voor Democratieleider Thierry Baudet en zijn extreemrechtse hand Freek Jansen bij De Dagelijkse Standaard las. Of om het nog wat beeldender uit te drukken ik moest denken aan een uitspraak over statistiek van de Britse staatsman Winston Churchill: “I only believe in statistics that I doctered myself.”

Bron: WikimediaCommons

Volgens Baudet en Jansen moeten we: “stoppen ons te laten leiden door onterechte angst voor corona, het is tijd om de maatregelen op te heffen en Nederland weer vrij te laten.”Nu meen ik me van het begin van de ‘coronaperiode’ te herinneren dat er één Kamerlid was dat vond dat er veel te slap werd ingegrepen. Het moest allemaal veel sneller en harder omdat er groot gevaar aankwam. Voortschrijdend inzicht heeft Baudet echter doen inzien dat er eigenlijk niets aan de hand is: “Regering en mainstream media zaaien paniek zonder gegronde reden. Hoewel de door hen gehanteerde cijfers strikt genomen kloppen worden ze niet in perspectief geplaatst, waardoor ze een misleidend beeld schetsen. Hun angstberichten zijn dus puur fake news. Dat ‘perspectief’ brengen Baudet en Jansen vervolgens maar aan. Ja, er sterven meer mensen, maar: “Het totale – absolute – aantal mensen dat in Nederland overlijdt neemt al jaren toe.” Dit komt omdat de bevolking groeit en we ouder worden. Als je daarmee rekent, dan stierven er het afgelopen jaar wel meer mensen: “Maar relatief gezien – als percentage van de bevolking, gecorrigeerd voor vergrijzing – niet.” Bovendien was de jaarlijkse griep in 2019 heel mild, waardoor er: “bijna 14.000 mensen niet (stierven) aan de griep die in andere, ‘normale’ griepjaren wél aan de griep zouden zijn gestorven.” Als je daar, zo betogen de auteurs, rekening mee houdt, dan was er dit jaar niet echt sprake van oversterfte. Daaruit concluderen ze dat we ons over corona geen zorgen hoeven te maken. 

Of het rekenwerk van Baudet en zijn extreemrechtse hand kant of wal raakt, laat ik aan anderen. Maar zelfs als het klopt betekent dat dan automatisch dat we ons over corona geen zorgen hoeven te maken en het tijd is: “om de maatregelen op te heffen en Nederland weer vrij te laten,” zoals de beide heren betogen? Want wat ik zie en hoor is dat ziekenhuizen en vooral de IC-afdelingen vol lopen met patiënten die toch echt ziek zijn en zorg nodig hebben. Ik zie dat reguliere planbare zorg wordt uitgesteld, dat artsen en verpleegkundigen hun benen onder de kont uitrennen om iedereen zorg te verlenen en soms omvallen met een burn-out of nog erger een post traumatische stress-stoornis. Ik zie dat enkele verpleeghuizen al hulp van het leger hebben gekregen omdat ze anders hun zorg niet meer kunnen verlenen. Wat ik ook zie is dat het virus zich makkelijk kan verspreiden als we met grote groepen bij elkaar komen en dat het zich juist minder verspreid als we dat niet doen.

Nu kun je van alles vinden van de maatregelen, de manier en het tijdstip waarop ze zijn genomen. Dat het allemaal eerder en strenger moest, zoals Baudet begin 2020 betoogde, of dat er helemaal geen maatregelen nodig zijn zoals hij nu doet. Ook kun je goochelen met cijfers en daar een waarheid aan ophangen. Alleen als die waarheid losstaat van de feiten in de vorige alinea, welk vertrouwen moeten we daar dan in hebben. Baudet zal, zoals de eerdere uitspraak van Churchill, alle vertrouwen hebben in ‘statistics that he doctered himself’. Op mij komt hij toch veeleer over als de hoofdpersoon uit een andere uitspraak van Churchill over statistiek: “Statistics are like a drunk with a lamppost: used more for support than illumination.”  

Rest mij om jullie, mijn lezers het allerbeste toe te wensen in 2021. Voor mij bestaat een belangrijk deel van die goede wensen eruit om mensen als Baudet te ontmaskeren voor dat wat ze zijn, een “drunk with a lamppost’.

Uitgelicht

‘De paus van de overheid’

In maart mogen we weer naar de stembus om de leden voor de Tweede Kamer te kiezen. Ik moet zeggen dat ik het steeds moeilijker en lastiger vind om een keuze te maken. Moeilijk niet omdat er steeds meer partijen zijn, omdat Kamerleden zich afscheiden en een (eigen) nieuwe partij beginnen en ze het allemaal beter denken te weten. Nee, al die malloten en de partijen die ze hebben opgericht komen zeker niet voor mijn stem in aanmerking. Nee, het wordt me steeds moeilijker gemaakt door het gebrek aan besef bij Kamerleden van hun rol, positie, invloed en vooral hun verantwoordelijkheid.

Bestand:Lid van de Tweede Kamer voor de VVD dhr. Edzo Toxopeus  interrumpeert de fractiev, Bestanddeelnr 919-6733.jpg - Wikipedia
Bron: Wikipedia

“De gemeente Wijdemeren gaat nog eens kijken naar de zaak van een vrouw met een bijstandsuitkering, die ruim 7000 euro moet terugbetalen. Ze ontving boodschappen van haar moeder en had dat aan de gemeente door moeten geven, oordeelde de rechter,” zo lees ik bij de NOS. Gevolgd door Tweede Kamerleden die zoals Lilian Marijnissen zich twitterend afvragen: Hoe een overheid een monsterlijke machine kan worden die mensen kapot maakt omdat niet het vertrouwen voorop staat maar het wantrouwen.”  Of zoals enig PVV-lid Wilders: “dat de overheid “dus helemaal niets” heeft geleerd van de toeslagenaffaire.” En zij zijn niet de enige. Ik word er heel erg moe van. Ze hebben gelijk en toch word ik er heel erg moe van of beter gezegd teleurgesteld of nog beter gezegd boos.

Ze hebben gelijk. Dat wantrouwen voorop staat en dat dit de overheid tot een ‘monsterlijke machine’ maakt die mensen kapot kan maken, daarover schreef ik al eerder. Nee, ik word moe, teleurgesteld en boos van de manier waarop zij zich met hun woorden buiten de overheid plaatsen. De overheid, dat zijn anderen. Dat zijn ‘hardvochtige ambtenaren’ en rechters die de vastgestelde regels toepassen. Met hun manier van praten, plaatsen zij zich buiten de overheid. Terwijl zij er integraal onderdeel van zijn. Sterker nog, zij zijn lid van het belangrijkste onderdeel van onze overheid. Zij zijn lid van de Tweede Kamer. Een Kamer die namens en voor ons besluit. Een Kamer die namens ons wetten vaststelt waaraan we ons allemaal moeten houden. ‘Ja maar ik of wij hebben tegen die wet gestemd’, zal menig politicus roepen. Tegen een wet stemmen, weerhoudt hen er echter niet van om te pleiten voor een ‘harde aanpak’ bij geconstateerde fraude. Neem bijvoorbeeld het debat over bijstandsfraude door Turkse Nederlanders van 6 februari 2019. De handelingen doorlezend kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat de ene partij fraude nog steviger wil aanpakken dan de andere.

Even wat citaten. “Ik kan me nog de debatten met mevrouw Klijnsma hierover herinneren. Die uitzonderingen moeten een keer stoppen, want er zit altijd aan het eind van het verhaal nog een ambtenaar in de gemeente die allerlei uitzonderingsbepalingen mag toepassen waardoor alsnog half geïmporteerd Nederland een uitkering krijgt.”  Aldus PVV’er De Graaf. Nu kan het dat hij alleen voor strengheid pleit ten opzichte van ‘geïmporteerd Nederland’. Op dit taalgebruik werd hij aangesproken, niet op zijn pleidooi om ambtenaren de ruimte om uitzonderingen te maken, af te nemen.

Iets verder in het debat is VVD’er Nijkerk-De Haan aan het woord: “Zoals wij eerder al hebben ingebracht, betekent dit wat ons betreft dat gemeenten en de Sociale Verzekeringsbank uitkeringen bij geconstateerde fraude niet alleen stopzetten, maar ook moeten terugvorderen. Tijdens de begrotingsbehandeling van vorig jaar november hebben mijn collega Wiersma en collega Peters van het CDA precies hierover een motie ingediend, een motie die de staatssecretaris vraagt om twee zaken op te pakken: bevorderen dat gemeenten actief invulling gaan geven aan hun verplichting om bij aangetoonde fraude een boete op te leggen en de onterecht ontvangen uitkeringsbedragen terug te vorderen.” En daarmee kennen we meteen ook de positie van het CDA. Vanwege de aanleiding voor het debat, de bijstandsfraude door Turkse Nederlanders vult Öztürk namens DENK iets verder aan: “Ook richting de woordvoerder van de VVD, mevrouw Nijkerken-de Haan, zeg ik: alle fraudeurs moeten wij aanpakken met z’n allen; dan zijn we unaniem.”

“ GroenLinks is niet naïef: waar nodig moet streng gehandhaafd worden. Er wordt namelijk in deze situatie publiek geld uitgegeven aan mensen die het niet nodig hebben. Overtreders moeten we bestraffen, want anders gaat het ook ten koste van het draagvlak voor sociale zekerheid. Wel pleiten we voor slim handhaven; dat heb ik al in meerdere debatten gedaan. Een slimme handhavingsstrategie, gekenmerkt door persoonlijke aandacht, leidt namelijk tot betere resultaten. Daar is ook veel onderzoek naar gedaan. Daarom willen wij dat er slim wordt gehandhaafd waar dat kan maar zeker ook streng waar dat nodig is.” Aldus de bijdrage van GroenLinks Kamerlid Renkema. Streng maar wel via een persoonlijke aanpak. Het CDA vult nog aan: “De meeste mensen vinden dat vertrouwen goed is, maar controleren beter. Zij vinden dat mensen zichzelf en elkaar de kans niet moeten geven de fout in te gaan. Misschien is dat geen idealistisch wereldbeeld, maar het is wel zo nuchter.” SP’er Van Dijk: “Dit is niet de eerste keer dat wij over bijstandsfraude debatteren. Het kwam al voorbij in maart 2011. Inmiddels zijn we acht jaar verder. Je zou dus verwachten dat er meters gemaakt zijn. Maar daar lijkt het niet op. En dat terwijl het helder is: fraude is ontoelaatbaar, die moet je opsporen en aanpakken, ongeacht de afkomst. …  Fraude moet je aanpakken zonder aanziens des persoons.”

Waarom zijn jullie dan boos? Wat is de boodschap die jullie, Kamerleden, hier afgeven? Ik kan tot geen andere conclusie komen dan: pak fraude zonder uitzondering heel streng aan! Als dit de opdracht is waarmee jullie een minister het bos in sturen en jullie kennen, al hebben jullie er misschien niet mee ingestemd, de betreffende wet, waarom dan zo boos en verbaasd? Maar wat erger is dan jullie boosheid, en dat is de oorzaak van mijn boosheid, is dat jullie duiken voor jullie medeplichtigheid. Of sterker nog, want medeplichtigheid is eigenlijk nog wat zwak uitgedrukt, waarom nemen jullie niet jullie verantwoordelijkheid hiervoor? Nee, als een schijnheilige van buiten naar binnen roeptoeteren en schande spreken, terwijl jullie de ‘paus van de overheid’ zijn.

Uitgelicht

Horen, zien en niet zwijgen

Je niet herkennen in hoe mensen over je praten, dat overkomt iedereen wel eens, dacht ik, toen ik een artikel van Josta van Bockxmeer bij De Correspondent las. Daarom schreef ik haar: “Dat mensen in termen en woorden over mij schrijven waarin ik me niet herken, overkomt mij als blanke man van middelbare leeftijd zeer vaak.” Van Bockxmeer antwoordde: “De ervaring niet erkend te worden, is altijd pijnlijk, wie je ook bent. Een reactie daarop die ik zelf behulpzaam vind, is deze: probeer je te realiseren dat er mensen zijn die deze ervaring nog veel vaker hebben, zoals mensen van kleur, transgenders of homoseksuelen. Op die manier kan het een motivatie worden naar hen te luisteren. Ik hoop dat je hier iets mee kunt.” Een bijzonder advies.

Bron: pxfuel

Eerst even de aanleiding. Van Bockxmeer schrijft vooral over de woningmarkt in Nederland. Zo ook nu. “Want hoewel ik overtuigd ben van de goede bedoelingen van corporatiemedewerkers, is er iets waar ik me al aan stoor sinds ik over de sociale huursector schrijf. Doorgaans hebben ze het over hun huurders als mensen die medelijden verdienen,”  aldus Van Bockxmeer. Nu huurt ze zelf ook via een corporatie en vervolgt ze: “Ik huur zelf van een woningcorporatie en herken mijzelf (en veel mensen om mij heen) totaal niet in dit beeld. Sterker nog: ik denk dat het schade aanricht.”

Terug naar het advies dat Van Bockxmeer mij gaf. ‘Realiseer je dat er mensen zijn die die ervaring vaker hebben en luister naar hen.’ Aldus mijn vertaling van haar advies. Ja, er zijn mensen die, dit vaker treft. Alhoewel, hoe bepaal je dat? Is er één meetlat waaraan je kunt afmeten wie er het slechtst aan toe is? Heb je die ervaring vaker of minder vaak als het je materieel goed gaat of tellen immateriële zaken ook? En wat telt dan het zwaarst? Hoe zit het met je eigen instelling? Ervaren twee mensen in precies dezelfde omstandigheden als Van Bockxmeer het gebeurde precies hetzelfde?

Behalve die ene meetlat is er meer. Zou het helpen als je je, om het zo te noemen, naar beneden gaat vergelijken? Wat helpt het mij in mijn situatie als ik me realiseer dat er anderen zijn die vaker ‘verkeerd’ worden benaderd? Verbetert dat mijn situatie? Maakt dat, om Van Bockxmeers voorbeeld aan te halen, dat de corporatie mij anders, niet als persoon die medelijden verdient, gaat benaderen? En omgekeerd, schiet degene die het nog slechter heeft er iets mee op als ik me realiseer dat die persoon het nog slechter heeft? Als we het advies van Van Bockxmeer ter harte nemen, dan mag alleen die persoon die dit het vaakste gebeurt, zich uitspreken en rest mag slechts in stilte luisteren naar wat die persoon te zeggen heeft.

Dit lijkt op het intersectionalistische denken. Het denken dat ervan uitgaat dat maatschappelijke ongelijkheid zich langs verschillende assen zoals seksualiteit, gender, huidskleur, religie en zo zijn er nog veel meer, voordoet. Volgens de aanhangers van deze theorie moet het bestrijden van achterstanden beginnen bij degenen die op al deze gebieden het meeste op achterstand staat. Als je die helpt dan help je iedereen met een achterstand. Alleen wie is dat? De kans is dan groot dat allen die zich op een of andere manier achtergesteld voelen, de strijd met elkaar aangaan om aan te tonen dat zij bovenaan staan op de ‘ellende-ladder’, zoals ik het in een eerdere Prikker noemde.

Terug naar het advies van Van Bockxmeer. Zoals gezegd zal in dit geval de corporatie haar taal niet aanpassen als zij niet te horen krijgt dat mensen, zoals Van Bockxmeer, zich niet herkennen in de manier waarop er over hen wordt gedacht en gesproken. Dat die manier schade toebrengt aan mensen en aan de relatie tussen de corporatie en haar huurders. Dat kan alleen als huurders die, zoals Van Bockxmeer, dit gevoel hebben dat gevoel uiten. Als zij zich uitspreken. Net zoals ik aan iedereen die mij generaliseert omdat in een blanke man van middelbare leeftijd ben. Zouden ‘corporaties’, andere organisaties en wij als individuele inwoners van dit land, niet beter nadenken, als ze te horen krijgen dat ze generaliseren? Zou het voor juist de mensen die ‘die ervaring vaker hebben’ niet helpen als iedereen die ‘die ervaring heeft’ zich uitspreekt in plaats van het uitspreken aan degenen met de grootste achterstand te laten? Als zij die het horen of zien, niet zwijgen.

Uitgelicht

If you can’t stand the heat

In de Volkskrant las ik een artikel van Joris Roelofs over ‘cancel culture’. Aanleiding voor het artikel was een documentaire van Medialogica die handelde over de ophef rond BredaPhoto in september van dit jaar. Aan die commotie besteedde ik al eerder aandacht. Commotie over het kunstwerk van Erik Kessels Destroy my Face dat fel protest opleverde van een groep die zich wearenotaplayground noemt. Een protest dat wereldwijde aandacht trok. De documentairemakers reconstrueren de ophef en stellen zich de vraag of er sprake is van cancelcultuur en/of zelfreinigend vermogen in de kunstwereld. De twee initiators van wearenotaplayground, Mechteld Jungerius en Rachel Morón, reageren op Instagram weer op de documentaire waarin ze zelf deelnemen. Zij houden er, zo blijkt uit hun bijdrage op Instagram, een bijzondere definitie van in dialoog gaan op na.

Keuken, Koken, Vlam, Voedsel, Ali, Menselijke
Bron: Pixabay

Na iets meer dan negentien minuten in hun bijdrage halen de initiators aan dat kunstenaar Kessels zich erover beklaagde dat er geen dialoog was. Waarop een van de initiators zegt: “Just look at our Instagram account. Look at what has happend. The only reason that you’re in the documentary is that the dialogue has been held. The whole entire time. Just because you don’t want to aknowledge that social media is a form of dialogue doesn’t mean that there is no dialogue.” Een wel heel bijzonder redenering.

Een dialoog is een gesprek tussen verschillende mensen waarin gedachten worden uitgewisseld en waarbij de deelnemers tot nieuwe inzichten komen die ze zonder dat gesprek niet zouden hebben gekregen. Nu is er een kant, kunstenaar Kessels, die aangeeft dat de initiators van de actie niet met hem in gesprek zijn gegaan. De documentaire laat zien dat dit ook niet is gebeurd. Hoe kan je met iemand een dialoog voeren zonder dat die persoon deelneemt aan het gesprek? Instagram mag dan volgens de beide initiators, een manier zijn om een dialoog te voeren. Om die dialoog te kunnen voeren moet de ander daar dan wel aan deelnemen.

Trouwens bij het ‘dialogiserend karakter’ van de sociale media kun je grote vraagtekens plaatsen. Ik heb zelden een gesprek via sociale media gezien waarin partijen nieuwe inzichten opdeden van een andere deelnemer. Gesprekken op sociale media gaan over het algemeen twee kanten op. Als alleen de eigen bubbel deelneemt, dan is het een zelfbevlekking met het eigen gelijk. Nemen er mensen uit verschillende bubbels deel dan is het enige wat je met een zeer grote mate van zekerheid kunt zeggen dat hoe langer een online gesprek duurt, hoe groter de kans is dat Hitler en de Nazi’s ten tonele verschijnen. Inderdaad de wet van Godwin. Als de documentaire iets laat zien, dan is het dat het ook in deze casus het geval was. De tijdlijnen van Kessels, BredaPhoto en het skatepark stroomden vol met gescheld en verwensingen. En zelfs de initiators gaven aan dat ook zij de nodige verwijten te slikken hebben gekregen. Dat zijn niet echt de kenmerken van een dialoog.

Een dialoog wordt erdoor gekenmerkt dat de deelnemers een open en vragende houding hebben. Ze willen nieuwe kennis op doen. Als de reconstructie iets laat zien dan is het dat Kessels gelijk heeft en het tot op heden nooit tot een gesprek is gekomen tussen de initiators aan de ene en BredaPhoto, Kessels en Skatepark aan de andere kant. Ook niet in deze documentaire. De eerste ‘communicatie’ vond plaats via een ‘open brief’ met beschuldigingen en eisen. Niet bepaald de voor een dialoog benodigde open en vragende houding.  Vervolgens nodigde BredaPhoto de initiators uit om gedurende het festival met Kessels en de organisatoren in gesprek te gaan. Een gesprek dat als onderdeel van het festival zou worden opgenomen. Dit werd geweigerd. De initiators wilden wel praten maar niet met Kessels omdat het hen niet om het kunstwerk ging, maar om de ‘structuur’ en niet publiek. Een wat vreemde redenering. Vreemd omdat ze in hun open brief Kessels aardig wat verwijten. En vooral zeer vreemd omdat ze zelf starten met een publieke actie, namelijk een open brief. Ze wilden wel in gesprek maar dan op hun voorwaarden, want, en nu zeg ik het in mijn eigen woorden maar eigenlijk in die van Calimero: ‘zij zijn groot en wij zijn klein en dat is niet eerlijk’. Zij zijn klein omdat ze net van de kunstacademie komen en Kessels een gearriveerd kunstenaar is en BredaPhoto een toonaangevend festival.

Op Instagram hebben ze het over ‘verantwoordelijkheid nemen’, beste initiators van wearenotaplayground, als je met een actie die voor de hele wereld is te zien ergens aandacht voor vraagt, betekent verantwoordelijkheid nemen dat je vervolgens ook in de openbaarheid met de ander in gesprek gaat. Dan is je verschuilen achter je jong en onbekend zijn een zwaktebod. Mijn advies grow up! En anders: If you can’t stand the heat stay out of the kitchen.

Uitgelicht

Geen Bromsnorren maar Saartjes

Vroeger in mijn jeugd, kende Nederland twee televisiezenders. Ze heetten Nederland 1 en Nederland 2, erg makkelijk en duidelijk. Twee zenders die meestal pas zo rond zeven uur ’s avonds begonnen met uitzenden. Dan begon de Fabeltjeskrant en vijf minuten later zat de kinderprogrammering er al op. Dan kon je naar bed. Alleen op woensdag- en later ook op zaterdagmiddag, was er voor kinderen wat meer op de televisie. Dan was er anderhalf of twee uur, dat weet ik niet meer precies, meer tv voor kinderen. Dan konden we naar Stuif es in kijken en Bassie en Adriaan. Toen ik wat ouder werd en niet meer na de Fabeltjeskrant naar bed moest, mocht ik ook naar Swiebertje kijken. Bij het lezen van een interview met korpschef Henk van Essen in de Volkskrant moest ik hieraan denken.

File:TV-serie Swiebertje, (nr. 5) v.l.n.r. Swiebertje (Joop Doderer), Bromsnor (Lou …, Bestanddeelnr 927-1025.jpg
Bron: WikimediaCommons

Of eigenlijk niet aan de hoofdpersoon de zwerver Swiebertje waarnaar de serie was vernoemd, maar aan een van de bijrollen: Bromsnor. Van Essen wil 3.500 extra politiemensen erbij vooral om ze in te zetten als wijkagent in de basisteams want: “Onze basisteams zijn de ogen en oren van de wijk. Als dat hapert, krijg je de situatie dat jonge jongens snel en ongezien heel grote criminelen kunnen worden.” Bromsnor was de ‘veldwachter’, een soort wijkagent maar dan voor landelijk gebied. Bromsnor had het heel druk met het ‘veilig houden’ van zijn gebied en zwerver Swiebertje vormde, ondanks dat hij de goedheid zelve was, een bedreiging voor die ‘veiligheid’. Tenminste zo dacht Bromsnor erover. Gelukkig liep het altijd goed af. Bij die goede afloop speelde Saartje, de huishoudster van de burgemeester Robert van Troetelaar tot Stoethaspel, een belangrijke rol.

Terug naar Van Essen die de 3.500 mensen extra nodig heeft voor de lokale verankering, want: “Lokale verankering is de ruggengraat van de politie, maar die wordt uitgehold.” Iets wat ook Sjo Smeets en Marcel van Zethoven in een artikel in Trouw betogen. Zij betogen dat de wijkagenten: “de voeling met de buurt kwijt (raken), evenals hun informatiepositie. Het vertrek van de politie uit de wijk draagt bij aan een voedingsbodem voor de ontwikkeling van ondermijnende criminaliteit en overlastsituaties in de meest ruime zin van het woord.”  Gevolg hiervan: “Door de afwezigheid van enige vorm van ­georganiseerde wijkaanpak hebben we de afgelopen jaren een exponentiële groei van incidenten meegemaakt op het gebied van jeugdoverlast, vernieling en leefbaarheid. Deze zijn direct zichtbaar. Maar ook op het eerste oog ‘onzichtbare’ thema’s als ondermijning, mensenhandel, eenzaamheid en personen met verward gedrag (100.000 meldingen jaarlijks).”  Met de komst van wijkagenten lossen we dat op? De wijkagent als een soort duizenddingendoekje? De wijkagent lost de eenzaamheid op? De wijkagent zorgt voor minder verwarde mensen op straat? Voor minder jeugdoverlast?

Even wat perspectief met betrekking tot die ‘exponentiele groei’ van allerlei vormen van ellende. ’Jonge jongens die ongezien crimineel worden’ zijn er steeds minder zo is te lezen in een recentelijk verschenen artikel in het Tijdschrift voor Criminologie, eigenlijk al sinds het einde van de vorige eeuw. Dan het vandalisme. Cijfers van het CBS laten zien dat ook het vandalisme al jaren daalt, net als bijna alle vormen van traditionele criminaliteit. Traditioneel omdat ‘cybercrime’ toeneemt. En ja, het aantal meldingen van mensen met verward gedrag neemt toe. Geen wonder omdat er de afgelopen tien jaar beleid is gevoerd om mensen met psychische en andere problemen veel minder op te nemen in een instelling, maar zoveel mogelijk in de ’eigen omgeving’ te laten wonen. Van ‘exponentiele groei’ is geen sprake.

Zoals gezegd waren er in mijn jeugd twee televisiezenders nu zijn er ik weet niet hoeveel die allemaal gevuld moeten worden. In mijn jeugd had je het NOS-journaal van acht uur, dat was ‘het Nieuws’. Daarnaast had je, in mijn geval ‘Het Dagblad voor Noord-Limburg’ of zoals mijn vader hem noemde ‘de Venlose krant’ want de krant bracht naast het (inter)nationale nieuws ook het lokale nieuws. Lokale nieuws zoals een inbraak, een auto-ongeluk of de politieke ruzie in Venlo en de omringende dorpen. Nu is  die inbraak, dat ongeluk en die ruzie voer voor Hart van Nederland, RTL in het land, de regionale en lokale omroep. En zo zie je die enkele inbraak in je eigen omgeving, maar ook de inbraken in andere plaatsen. Inbraken in plaatsen waar je vroeger nooit iets over las want in Venlo las je het Haarlems dagblad niet. Nu zie je bij wijze van spreken iedere inbraak in Nederland op tv en als het niet op tv is, dan is het wel op een van de vele ‘sociale media’. En niet alleen die in Nederland maar van over de gehele wereld. Als er iets is exponentieel is gegroeid, dan is het steeds meer media-aandacht voor steeds kleinere gebeurtenissen. Nu is elke jeugdige die afglijdt in de criminaliteit en elke vernieling er een te veel. Ook is het van belang dat we elkaar zo min mogelijk en liefst geen overlast bezorgen. Dit om de wereld en in het bijzonder dit land leefbaar te houden voor elkaar. Zouden meer wijkagenten daar de oplossing voor zijn of zijn er andere oplossingen mogelijk?  

Even terug naar Swiebertje. Zoals gezegd, zorgde Saartje, de huishoudster van de burgemeester, ervoor dat uiteindelijk alles op z’n pootjes terecht kwam, niet ‘Bromsnor’. Dat deed ze door onder het genot van een kopje door de burgemeester betaalde koffie ieders gemoederen tot bedaren te brengen en zo een beetje begrip bij te brengen voor de positie van de ander. Saartje had, om termen van Smeets en Van Zethoven te gebruiken, ‘voeling met de buurt’ en had een ‘cruciale informatiepositie’. Ze wist meer van Swiebertje dan Bromsnor en omgekeerd, maar gaf beiden wel de informatie die ze nodig hadden om het ‘goede’ te doen. Laten we dit eens vertalen naar de huidige tijd. Wie speelt er dan welke rol? De rol van Bromsnor is duidelijk, dat is de politie. De rol van burgemeester Van Troetelaar tot Stoethaspel is ook duidelijk, dat is de burgemeester. Swiebertje dat zijn wij, de inwoners van een stad of dorp. Vervullen dan opbouwwerkers en jongerenwerkers niet de rol van Saartje?

Zouden we dan niet veeleer meer Saartjes moeten aanstellen in plaats van Bromsnorren?

Uitgelicht

Onverschillig en ondoordacht

“Onverschilligheid en ondoordachtheid vormen een grotere bedreiging dan mensen met kwade bedoelingen.” Een conclusie van Susan Neiman in haar boek Het kwaad in het moderne denken. Na bestudering van wat er de afgelopen eeuwen over het kwaad is geschreven met de Holocaust als belangrijkste gebeurtenis, komt Neiman tot deze conclusie. Het kwaad niet zozeer als vooropgezette bedoeling, maar als een gevolg van onverschilligheid en ondoordachtheid. Ik moest hieraan denken toen ik de conclusies las in het eindrapport van de parlementaire commissie die onderzoek heeft gedaan naar de toeslagenaffaire.

Bron: WikimediaCommons

Het rapport beschrijft wat er precies is gebeurd en hoe de betrokken personen hebben gehandeld of juist nalieten te handelen. Ik moest aan deze passage denken vanwege het woord onverschillig: “Zich om niets bekommerend” en “om het even,” aldus de Van Dale. Dat is wat er uit het relaas naar voren komt. De overheid heeft als belangrijkste taak om haar burgers te beschermen. Te beschermen tegen bedreigingen van buiten, tegen vreemde overheersing. Maar ook beschermen tegen bedreigingen van binnen. Tegen misdaden en misdrijven. Al het andere, of het nu het aanleggen van wegen of het ‘stimuleren’ van de economie is, is daaraan ondergeschikt. Nu blijkt die overheid die haar inwoners moet beschermen, een deel van haar onderdanen niet te hebben beschermd maar te hebben bedreigd. Bedreigd niet als een ‘vooropgezet plan met kwade bedoeling’, maar precies door onverschilligheid. Onverschilligheid omdat signalen dat er iets gigantisch mis ging niet werden opgepakt. Onverschilligheid omdat er niet werd geluisterd naar de gedupeerden en zo kunnen we nog wel even doorgaan. Maar daar wil ik het nu niet over hebben.

Het gaat mij om dat andere woord in het citaat van Neiman. De commissie concludeert dat alle betrokkenen, ambtenaren, ministers, Kamerleden en rechters op hun eigen manier steken hebben laten vallen en dus hebben bijgedragen aan de ellende waarin een groep burgers is gestort.  Ze toonden zich allemaal op een of andere manier onverschillig, maar waren ze ook ondoordacht: “zonder te hebben nagedacht”?  Dat is op het eerste gezicht niet zeggen. Er is bewust gekozen om de kinderopvang als een markt te organiseren. Een markt waarop aanbieders om de gunsten van ouders met een telg waarvoor zij opvang nodig hebben, moeten concurreren. Er is ook bewust voor gekozen om het peuterspeelzaalwerk te ‘harmoniseren’, zoals men dat in beleidstermen noemt, met de kinderopvang. Dit betekende niets anders dan dat het voorheen semipublieke peuterspeelzaalwerk aan de tucht van dezelfde markt werd blootgesteld. Bijzonder aan deze markt is dat die voornamelijk met publiek geld wordt gefinancierd. Afgezien van een inkomensafhankelijke ouderbijdrage. Dit betekent dat je als ouder een smak geld krijgt van de overheid en daarmee moet je de rekening van de kinderopvang betalen. Of je kiest er als ouder voor om die toeslag rechtstreeks aan de kinderopvangorganisatie te laten betalen. Maar dan nog krijg jij die smak geld.

Er is ook bewust gekozen voor de Belastingdienst als uitvoerder van deze regeling. Dit omdat deze dienst al beschikt over de benodigde inkomensgegevens. Probleem is alleen dat de dienst beschikt over gegevens uit het verleden. Belastingen betaal je achteraf. Een toeslag wordt in het nu uitgekeerd voor een uitgave in de toekomst. En zoals menigeen dit jaar weer ervaart, kan het inkomen van nu afwijken van het inkomen uit het verleden.

Ook is er bewust gekozen om geen hardheidsclausule op te nemen  in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. De wet waarmee de uitvoering van allerlei inkomensafhankelijke regelingen werd ‘gestroomlijnd’ om er maar weer eens een beleidsterm in te gooien. Doel van deze wet is, zo is in de Memorie van Toelichting te lezen: “meer transparantie voor de burger, vermindering van uitvoeringskosten en een meer effectieve aanpak van de armoedeval.” Voor iedereen die het niet weet, een hardheidsclausule maakt het mogelijk om de wet of onderdelen ervan niet toe te passen als ze leiden tot onredelijke en onbillijke gevolgen voor de betrokken burger.

Het gehele systeem is goed doordacht.  Dus er is geen sprake van ondoordachtheid? Dat zou ik niet meteen concluderen. Want er is inderdaad goed nagedacht, maar dan wel vanuit een bepaald frame en binnen dat frame is het geheel logisch. En daarmee kom ik uit bij de woorden in mijn Prikker De toeslagenaffaire en de Walkman. Die handelde ook over de toeslagenaffaire en dan vooral over de opdracht van de commissie die onderzoek doet naar de uitvoeringsorganisaties. Daarin schreef ik dat de overheid haar dienst vooral organiseert als een handelstransactie. Ik citeer mezelf: “Een handelstransactie creëert geen of slechts een zwakke sociale band. Er ontstaat geen ‘WIJ’ en het ontbreken van die ‘WIJ’ betekent dat ‘IKKEN’ vooral aan zichzelf denken. En omdat de andere ‘IKKEN’ dat ook doen, moeten de “IKKEN’ op hun hoede zijn: wantrouwen. Wantrouwen dat wordt versterkt omdat er ‘IKKEN’ zijn die misbruik maken van de situatie. Binnen het ‘handelstransactie frame’ is voorkomen van fraude de enige manier om wantrouwen te bestrijden en iets van een ‘WIJ’ te behouden. Iedere ontdekte fraude zorgt voor verlies aan ‘WIJ’. Om fraude te voorkomen worden regels zo gemaakt dat de te voorkomen uitzondering de regel gaat bepalen en gaat de ‘menselijke maat’ verloren.”  

Binnen het frame markt en handelstransactie is het doordacht. Buiten dat frame waren er andere oplossingen mogelijk. Immers waarom een dienst die voor het overgrote deel met overheidsgeld wordt betaald, vormgeven als transacties en dus als markt? Als je dan toch transparantie voor de burger, vermindering van de uitvoeringskosten en een effectievere aanpak van de armoede val wilt, waarom maak je er dan geen overheidsdienst van? Waarom geen gratis kinderopvang door de overheid georganiseerd? Dat is heel transparant voor de burger, het minimaliseert de uitvoeringskosten omdat de toeslag overbodig is en er is in het geheel geen sprake meer van een armoede val. Bovendien vergroot dit de mogelijkheid om peuters die om welke reden dan ook een achterstand hebben goed te begeleiden en zo die achterstand weg te werken en in ieder geval te verkleinen. En ook dat met minder uitvoeringskosten want ook het systeem van voorschoolse educatie kent flinke uitvoeringskosten.

Overheidsdiensten vormgeven als handelstransactie duidt op het neoliberaal, utopisch denken waar ik mijn afgelopen drie Prikkers over schreef. En zoals ik in Utopia en Dystopia schreef, is utopisch denken gevaarlijk. Die Prikker sloot ik af met de woorden: “Aldus werkend aan een ideologische utopie is de kans groot dat we in een dystopie belanden. Het eindrapport lezend, zijn de betrokken burgers in Dystopia beland. Een Dystopia waar Thatchers uitspraak: “There’s no such thing as society,” werkelijkheid is geworden.

Uitgelicht

Trickle down economics

Voor geld geldt de zwaartekracht niet. Iets degelijks schreef ik in mijn vorige Prikker. Deze opmerking raakt een van de aannames van het neoliberale denken en in die vorige Prikker heb ik beloofd om op de aannames van het neoliberalisme terug te komen. De opmerking raakt de aanname van de ‘trickle down economics’, de aanname dat een belastingverlaging voor de hoogste inkomens leidt tot meer welvaart voor iedereen, ook voor de laagste inkomens.

Hoe zou dit moeten werken volgens de neoliberalen? Het komt er in het kort op neer dat je de rijken meer geld geeft. Dat doe je niet door ze geld te geven, maar door de belastingen te verlagen zodat hun netto inkomen stijgt. De rijken gaan dit geld vervolgens uitgeven, ze gaan consumeren. Ze kopen auto’s, broeken, gaan uit eten et cetera. Die auto’s en broeken moeten worden gemaakt en daarvoor zijn meer arbeiders nodig. Om al dat eten te koken en op te dienen zijn er meer koks en obers nodig. Die extra arbeiders, koks en obers hebben werk en zo meer inkomen. Dat inkomen ‘betalen’ de rijken van die belastingverlaging. Hier komt die aanname in het kort op neer. Om het in economen (en bakkers) termen te zeggen. Die extra uitgaven van de rijken zorgen ervoor dat de economie groeit. Als we de economie als een taart zien, dan wordt de taart groter. De rijke neemt een flink deel van die nieuwe taart maar omdat hij dat geld uitgeeft aan auto’s, broeken en uit eten vindt de arme sloeber een baantje. Door dit baantje krijgt hij meer inkomen en wordt ook zijn stukje van de taart groter.

Tot zover de theorie. Wat zien we de afgelopen veertig jaar in de praktijk gebeuren? Als eerste natuurlijk de verlaging van de belastingtarieven. Logisch, tenminste met de neoliberale bril, omdat het ‘down trickelen’ daarmee begint. Als tweede zien we ook de economie groeien. Dus dat deel van de theorie lijkt ook te kloppen. Toch kunnen we daar een hele grote kanttekening bij plaatsen. Als de aanname klopt, dan zou ‘trickle down’ tot een grotere economische groei moeten leiden dan in de periode ervoor. En daar loopt toch iets spaak. In zijn boek Capital in de Twenty First Century  geeft Thomas Piketty op pagina 94 een overzicht van de economische groei in de Wereld sinds het begin van de jaartelling. Heel interessant voor mensen die denken dat we zonder economische groei niet kunnen leven. Als dat zo zou zijn, dan was de mensheid allang uitgestorven want tot 1700 groeide de economie niet tot nauwelijks. Economische groei is iets van de laatste drie eeuwen. Het overzicht laat nog meer zien. Namelijk dat de economische groei, behalve in Azië, sinds 1980 bijna is gehalveerd ten opzichte van de periode ervoor.

Ook zien we enkele andere zaken. Zo zien we dat het gemiddelde  gezinsinkomen gecorrigeerd voor inflatie sinds eind jaren zeventig in de Verenigde Staten niet, en in Europa en Nederland niet tot nauwelijks is gestegen. De koopkracht is gelijk gebleven terwijl de economie fors is gegroeid. Dus of er veel welvaart naar beneden is ‘getrickled’? Nu moeten we hier nog iets bij opmerken. In de jaren zeventig was in Nederland de man in het gros van de gezinnen de kostwinner en de enige die inkomen binnenbracht. Dat is nu heel anders. Dat betekent dat we voor dat nauwelijks gestegen besteedbaar inkomen met z’n allen veel meer uren moeten werken. Dit zien we nog in ergere mate in de Verenigde Staten waar mensen tweede en derde baantjes moeten nemen om dat gelijke besteedbare inkomen te behouden. Wat we ook zien (lees het reeds genoemde boek van Piketty) is dat de verdeling van het vermogen steeds schever wordt. Een kleine groep (de 1% en daarbinnen weer de 0,1%) bezit een steeds groter deel van het totale vermogen en het aandeel van de onderste 90% wordt steeds kleiner.

Wat we ook zien is dat de rente op geld nihil en bij sommige banken zelfs negatief is. Geen of negatieve rente, betekent dat er heel veel geld is. Zoveel dat het niets kost als je het wilt lenen en voor sommigen, zoals de Nederlandse overheid, levert lenen zelfs geld op. Alleen is al dat geld slecht verdeeld. De vermogens zijn immers steeds schever verdeeld. Waarom lenen die armen dan niet als lenen toch bijna niets kost? Nu ‘lenen’ veel mensen al en vooral door op krediet te kopen: ‘koop nu betaal later’. Door dat lenen komt een groeiende groep in de problemen want ook lenen is in het nadeel van de armen. Hoe meer je leent, hoe lager de rente. En veel lenen kan alleen met veel inkomen. Bij ‘kopen op krediet’ was het wettelijke maximale rentetarief tot voor kort 14%. Dat is recentelijk tijdelijk verlaagd naar 10% als maatregel ‘om mensen de coronaperiode door te helpen’. Geld is daarmee goedkoop als je er veel, en heel duur als je er heel weinig van hebt en het wilt lenen.

Allemaal tekenen dat het geld niet ‘down trickled. Sterker nog het lijkt mijn uitspraak dat de zwaartekracht niet voor geld geldt, te bevestigen. Of zoals de reeds genoemde Chang het in zijn 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme schrijft (ding 13): “… de opvatting dat als de rijken een groter stuk van de koek krijgen, (dat dan) de koek groter wordt , klopt in de praktijk niet. Het tweede deel van het betoog. De opvatting dat de extra rijkdom die aan de top wordt gecreëerd, doordruppelt naar de armen, klopt ook niet. Er druppelt wel wat door, maar als we het aan de markt overlaten is het effect doorgaans mager.”

De praktijk laat zien dat er niet veel ‘down trickled’. Het is eerder andersom, geld en vermogen werken als een magneet en trekt het geld van onder naar boven. Trekt het naar boven door de hogere rentes voor kleinere leningen en bij ‘kopen op krediet’, zaken waar de armlastigen meer gebruik van maken en waarvan de topvermogens aan verdienen. Verdienen omdat het hun bedrijven zijn of omdat ze er een aandeel in hebben. Het trekt geld naar boven omdat vermogenden, zie het voorbeeld van prins Bernhard junior, ‘investeren’ in vastgoed, in woonhuizen die ze vervolgens verhuren aan de minder gefortuneerden. Die mindergefortuneerden kunnen die huizen niet kopen omdat de vermogenden er meer voor betalen in de wetenschap dat ze dat meerdere gewoon verwerken in de huur die ze vervolgens vragen.

De aanname achter ‘Trickle down’ is niet meer dan dat, een aanname en dan ook nog een foute, zo laat de werkelijkheid zien. Iets wat recentelijk ook werd geconstateerd door Engelse onderzoekers, zo is in de Volkskrant te lezen. Het ‘trickle down’ verhaal lijkt daarmee een fabeltje. Een fabeltje om een maatregel waar enkelen voordeel van hebben, recht te praten door er ‘voordelen voor allen’ aan te verbinden. Nu zal je zeggen dat het achteraf goed de koe in de kont kijken is. Dat geld ‘samenklontert in grote hopen’ was echter ook vooraf te voorspellen. Nou ja voorspellen? Te bewijzen. Te bewijzen door naar het verleden te kijken. Dan was te zien dat geld zich ophoopt precies zoals Marx in Het Kapitaal beschrijft. Dan was te zien dat de rijken rijker worden en de armen vooral armer en talrijker. Dan was ook te zien dat de enige periode dat de armen rijker werden, de periode na de Tweede Wereldoorlog was zoals Piketty laat zien. Precies de periode met de hoogste belastingtarieven.

Nu maar weer eens blijkt dat geld ‘magnetisch’ is en als vanzelf bijeen klontert, kunnen we dat ‘magnetisme’ dan niet op een positieve manier inzetten? Natuurlijk kan dat. Dat kan door geld niet aan de bovenkant ‘in het systeem te gieten’, maar aan de onderkant. In tegenstelling tot de topinkomens, zullen de mensen aan de onderkant het extra geld wel consumeren en zo dus zorgen voor economische groei en banen voor zichzelf en anderen. Door bijvoorbeeld een basisinkomen of liever basisgift, zoals ik het in een eerdere Prikker betoogde. Een basisgift en progressief belastingstelsel met een ‘ouderwets’ toptarief. Een tarief dat juist de bovenkant afroomt om de onderkant te spekken. Op deze manier weten we zeker dat de mensen aan de onderkant er beter van worden.

Uitgelicht

Utopia en Dystopia

“Het wordt hoog tijd dat we de wereld gaan veranderen. Daarbij helpt het niet om een nieuwe ‘complot God’ in het leven te roepen en de strijd aan te gaan met die God of in andere woorden ‘de elite’. Dat is als een Don Quichot strijden tegen windmolens, tegen een imaginair construct. Die verandering begint ermee dat we ons realiseren dat het dominante denken ideologisch getint is.” Schreef ik in mijn vorige Prikker. De wereld veranderen door je te realiseren dat er buiten de ideologische bril waarmee je kijkt een hele wereld ligt. En de extreem dominante bril waarmee nu en de afgelopen dertig jaar naar de wereld wordt gekeken is een neoliberale. Hoe kon het dat we onszelf indoctrineerden met die neoliberale bril?

Utopia, De Aarde, Dromen, Teken
bron: Pixabay

Een goede vraag. Goed omdat het antwoord laat zien hoe een bepaalde manier van denken dominant kan worden. Als je weet hoe dat kan gebeuren, dan geeft dat aanknopingspunten om dergelijke processen te herkennen en herkennen is een eerste stap in het voorkomen dat je er slachtoffer van wordt. Net zoals bij een religie schetsten de aanhangers of ‘priesters’ van een ideologie een ideaalplaatje, een utopie. Als je hen ‘volgt’ en handelt naar hun geboden dan ontstaat als vanzelf die ideale wereld. Dan ontstaat de hemel of het ‘arbeidersparadijs’ op aarde. Alleen op dat punt ‘op aarde’ verschillen de aanhangers van een ideologie van een religie. Voor de aanhangers van een religie ligt het ideaal in het leven na de dood. Voor joden, christenen en moslims in het paradijs en voor boeddhisten in het gereïncarneerde volgende leven of het leven daarna. Aanhangers van een ideologie situeren hun ideaal in de toekomst. Alleen blijft dat paradijs altijd net buiten bereik. De oorzaak van dat ‘buiten bereik’ blijven wordt altijd veroorzaakt door het ‘niet goed naleven van de voorschriften’.  Zo betoogden de priesters van het neoliberalisme dat de hypotheekcrisis, die overging in een banken-, economische- en een valutacrisis dat dit gebeurde omdat overheden zich teveel bemoeiden met de markten: die waren niet vrij genoeg.

De, om het zo te noemen,  ‘profeet’ van het neoliberalisme is de Oostenrijkse econoom, Friedrich A. Hayek. Hayek zag de vrije markt als een perfect functionerende machine die hij als volgt omschreef: “Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een ( …) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maanden onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.”  In zijn boek Wat als de markt faalt noemt John Cassidy het ‘Hayeks telecommunicatiesysteem’. Hayeks belangrijkste werk Road to Serfdom uit 1944 is een strijd tegen collectivistisch denken en voor de vrije markt. Hayek gebruikt de Sovjet Unie en Hitler-Duitsland om aan te tonen dat collectivisme tot slavernij leidt maar schreef het boek om de politiek in Groot Brittannië te beïnvloeden omdat ook dit land al ver op weg was richting collectivisme.

Tot Hayeks frustratie werd hij in zijn tijd, de jaren dertig tot en met midden jaren zeventig van de vorige eeuw, overvleugeld door het denken van Keynes. Hayek was een wat obscure denker aan de zijlijn van de wetenschappelijk wereld. Hij werd qua invloed en populariteit overvleugeld door tijdgenoot John Maynard Keynes. Keynes was de gevierde econoom die ‘het medicijn’ had gevonden voor het overwinnen van de crisis in de jaren dertig en de mede-architect van de naoorlogse wereld. Al die lof voor Keynes was enigszins overdreven omdat de Tweede Wereldoorlog en de erop volgende wederopbouw een heel belangrijke rol speelde in het ‘oplossen van die crisis’. Keynes pleitte voor overheidsingrijpen in de economie, voor beteugeling en regulering van de markt. Hayek zag dat anders, maar door de economische successen in de eerste dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog kreeg hij geen poot aan de grond. Die successen werden toegeschreven aan het keynesiaanse economische beleid. In 1950 verruilde hij zijn plek aan de London School of Economics voor de betrekking aan de Universiteit van Chicago.

Een tweede belangrijke persoon in de verspreiding van het neoliberale denken is Ayn Rand. Rand werd geboren in 1905, in wat nu weer Sint Petersburg heet, als Anna Rosenbaum. Het gezin Rosenbaum vluchtte in 1917 voor de revolutie naar de Verenigde Staten. Rand staat aan de basis van het objectivisme, een stroming die, zoals Wikipedia het goed omschrijft: “de mens (ziet) als een heroïsch wezen, met zijn eigen geluk als zijn hoogste ethische doel, productieve prestatie als zijn nobelste activiteit en de rede als zijn enige leidraad.”  De naam die Rand haar denken gaf, het objectivisme, is daar een mooi voorbeeld van. Dit denken is natuurlijk net zo subjectief als alle andere denkrichtingen.  Precies het tegengestelde van het collectivistische denken waarvoor ze uit Rusland vluchtte. Daar hebben we waarschijnlijk ook meteen haar belangrijkste drijfveer gevonden. Zoals ik in mijn vorige Prikker al vertelde, wordt er gebruik gemaakt van verhullende taal. Rand werd dan ook een belangrijke figuur in de anticommunistische strijd in de Verenigde Staten en die woede hevig in de na-oorlogse jaren. Bij het verkopen van een ideologie kan een goed verhaal wonderen doen en daar zorgde Rand voor. Voor wie er een beeld bij wil hebben, lees haar roman Atlas Shrugged. Met goede argumenten betoogt Hans Achterhuis dat dit boek de utopie van het neoliberalisme is. In een prachtig verhaal wordt die ideale wereld afgezet tegen een instortende buitenwereld. In die ideale wereld heerst absolute vrijheid en wordt alles via vrije transacties geregeld. Een invloedrijk boek omdat het na de bijbel en wellicht Mao’s rode boekje, het meest verkochte boek in de wereld is. Waarbij de vergelijking met Mao mank gaat omdat daarbij geen sprake is van vrije keuze.

Daar waar Hayek wat aan de zijlijn van de het leven stond, stond Rand er midden in. Rond Rand verkeerde een groep van bijna idolate bewonderaars. Daarbij enkele personen die een zeer belangrijke rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van het neoliberale denken en de neoliberale beleidsontwikkeling. Zo behoorde de nobelprijs winnende econoom en neoliberaal Milton Friedman tot haar kringen. Friedman was, zo ongeveer vanaf zijn studietijd in de jaren dertig verbonden aan de universiteit van Chicago en was een van de ‘Chicago Boys’. Via Friedman beïnvloedde het denken van Hayek de groep rond Rand en werd zijn werk bekend. In Chicago verzamelde Friedman gelijkgestemden om zich heen en die gelijkgestemden wisten steeds invloedrijkere plekken in de Amerikaanse samenleving te bereiken. Een andere protegé van Rand was Alan Greenspan, van 1987 tot en met 2006 voorzitter van het Amerikaanse systeem van centrale banken de Federal Reserve System en daarmee in die periode op economisch gebied zo ongeveer de machtigste man van de wereld. Op hoe hij die macht gebruikte, kom ik in een volgende Prikker terug waarin ik inga op de aannames waarop het neoliberale denken is gebaseerd.

Een eerste kans om de economische zijlijn te verlaten kregen de ‘Chicago boys’ in 1973 in Chili. Toen werd de in 1970 gekozen president Allende via een militaire staatsgreep afgezet. Allende werd zeer tegen de zin van de Amerikaanse president Nixon gekozen. Dit ondanks Amerikaanse steun voor de tegenstander van Allende en zelfs pogingen om na de verkiezingen te voorkomen dat Allende zou worden beëdigd tot president. In die staatsgreep speelde de Amerikaanse CIA een belangrijke rol. Na de coup werden Friedman en zijn ‘Chicago boys’ gevraagd om de Chileense economie weer aan de praat te krijgen. Chili werd een militaire dictatuur met extreem liberaal (neoliberaal) beleid. Het eerste neoliberale experiment leek succesvol. De economie herstelde zich zeer snel en dat schreef Friedman op zijn conto en noemde dit ‘het wonder van Chili’. Maar zoals Geertje Dekkers schrijft: “De groei bleek deels een bubble en toen het tij begin jaren tachtig tegenzat, kwam het land in grote problemen. De Chileense crisis van 1982 vertoonde opmerkelijke overeenkomsten met de mondiale van 2008. Ook toen al moesten banken die te veel risico’s hadden genomen door de overheid worden gestut. Dat betekent het einde van het extreme neoliberalisme in Chili.” Alleen stond Chili toen niet meer in de belangstelling van de wereld, Dus die crisis en de oorzaken ervan, gingen bijna ongemerkt aan ons voorbij.

Friedman zag in de problemen in Chili geen aanleiding om zijn denken te veranderen. En waarom zou hij ook, niemand keek meer naar Chili en tussen 1973 en 1982 had zijn neoliberale denken enorm aan populariteit gewonnen. ‘Les Trente Glorieuses’ zoals de Franse de periode van economische voorspoed tussen 1945 en 1973 noemden, waren piepend en krakend tot stilstand gekomen. Keynes bleek toch niet de perpetuum-mobile -pil voor eeuwige economische voorspoed te hebben ontwikkeld en de zaak was vastgelopen in wat economen ‘stagflatie’ noemen. Een samentrekking van stagnatie die zich kenmerkt door stagnerende economische groei, hoge inflatie en hoge werkloosheid. Groot Brittannië was het eerste land dat hieraan ten prooi viel. Het Keynesiaanse denken, het economische denken van Keynes en zijn navolgers, leek hier geen oplossing voor te hebben. Friedman had die wel: het neoliberalisme.

Met het succes in Chili in zijn achterzak kreeg hij in de jaren zeventig steeds meer invloed en met de verkiezing in 1979 van Margaret Thatcher tot premier van Groot Brittannië had hij een flinke voet tussen de deur in het westen. Thatcher schoeide haar economische beleid op neoliberale leest en bond de strijd aan met hetzelfde collectivisme waarvoor Hayek in zijn Road to Serfdom waarschuwde. De vakbonden waren de belangrijkste collectieve macht en hadden een zeer grote en misschien wel een te grote invloed op de politiek in bedrijven en het land. Die invloed had ertoe geleid dat zeer veel bedrijfstakken genationaliseerd waren. Dat hieraan iets moest gebeuren was duidelijk en de neoliberalen boden een oplossing: privatiseren. Maar daarvoor moest eerst de macht van de collectieven en dus vooral de vakbonden worden gebroken. Thatcher toonde zich een goede leerling van Hayek en deed precies dat wat Hayek adviseerde en ging de strijd aan met de machtige vakbonden. Bonden die ervoor hadden gezorgd dat de staat eigenaar was van vele bedrijfstakken, onder andere de kolenmijnen.  Dat lukte na een lange strijd uiteindelijk in 1985 toen de macht van de sterkste vakbond, de National Union of Miners van Arthur Scargill werd gebroken. Voor wie een goed beeld wil hebben van die strijd, kijk de film Billy Elliot. Thatcher gaf trouwens de beste samenvatting van het neoliberale denken toen ze de woorden: “there’s no such thing as society’” uitsprak. Na het breken van de vakbonden kon ze beginnen met de grote privatiseringsoperatie. Spoorwegen, spoorbedrijven, busbedrijven, de post, energiebedrijven, het telefoonverkeer, alles werd geprivatiseerd door Thatcher en haar opvolgers. Het enige wat men in Groot Brittannië tot nu toe niet geprivatiseerd kreeg, is de National Heath Service, de publieke ziekenhuizen. Of die opvolgers nu tot haar Conservatives of tot Labour behoorden, de neoliberale aanpak bleef gehandhaafd. Net als de PvdA in Nederland onder Wim Kok, schudde Labour onder Tony Blair haar sociaaldemocratische veren af en hulde zich in nieuwe die hij ook ‘the Third Way’ noemde maar het was gewoon een setje ‘neoliberale veren’.

Met Thatcher kregen de neoliberalen een voet tussen de deur in de westerse democratische landen en konden ze, als goede ‘Jehova’s getuigen’ hun ‘wachttoren’ naar binnen schuiven. De deur werd volledig ingetrapt met de verkiezing van Ronald Reagan tot president van de Verenigde Staten in november 1980. Dat betekende dat de grootste economie en supermacht van de wereld de neoliberale weg op ging. Nu waren er in de Verenigde Staten minder collectieven te breken en minder zaken te privatiseren. Daarom richtte Reagan zijn pijlen op twee andere ‘collectieven’. Als eerste een binnenlands ‘collectief’ dat we overheid noemen. In zijn inaugurale rede maakte hij dat meteen duidelijk met de woorden: “government is not the solution to our problem, government is the problem.” Het tweede ‘collectief’ was de andere supermacht, de Sovjet Unie. Om het eerste collectief, de eigen overheid, aan te pakken werden de belastingen, vooral voor de topinkomens, fors verlaagd. Hierdoor had de overheid minder geld om alle taken uit te voeren. Om het tweede collectief aan te pakken, werd er flink geïnvesteerd in het leger en de ontwikkeling van nieuwe wapens. Nieuwe wapens zoals een ruimteschild om vijandelijke raketten uit de lucht te halen voordat ze de VS zouden bereiken: het Strategic Defence Initiative in de volksmond ook wel Star Wars genoemd.

Minder inkomsten en meer uitgaven, dat moest knellen en dat deed het. Daarom werd er in eigen land bezuinigd op de toch al vrij karige sociale voorzieningen maar vooral werd er geld geleend waardoor de overheidsschuld opliep en de mensen  aan de onderkant van de sociale ladder in de problemen kwamen. Volgens het neoliberale denken zou dat allemaal een tijdelijk probleem zijn omdat de lagere belasting tot meer economische activiteit zou leiden en die groeiende economie zou ondanks de lagere belasting tarieven toch meer overheidsinkomsten opleveren. Ook de achteruitgang aan de onderkant van de samenleving zou van tijdelijke aard zijn. De bovenkant zou het geld dat ze via die belastingverlaging overhielden immers uitgeven en dat zou leiden tot banen waarvan de onderkant zou profiteren, trickle down economics noemden ze dit. Alleen laat de geschiedenis zien, lees Piketty’s Kapitaal in de eenentwintigste Eeuw, dat geld het enige is waarvoor de zwaartekracht niet geldt. Als je er niets aan doet dan stroomt geld naar geld of om het termen van mijn moeder te zeggen: ‘d’n duuvel schiet altied op de groetste haup.’ Maar het gaat me nu niet over de ‘mankementen’ in het neoliberale denken, daar kom ik, zoals gezegd in een volgende Prikker op terug. Het gaat mij nu om de manier waarop het neoliberalisme dominant werd en wat we daarvan kunnen leren.

Bij dat dominant worden is er nog een gebeurtenis die we moeten noemen en dat is de val van de Berlijnse muur en de erop volgende instorting van de Sovjet Unie. De neoliberalen zagen het als een overwinning van hun denken en als het einde van de geschiedenis van de ideologische strijd omdat nu de hele wereld zou toegroeien naar de neutrale ideologievrije liberale vrijemarkt samenleving.  Dit was de strekking van het boek van Francis Fukuyama uit 1992 The End of History and the Last Man. Bij het ‘opbouwen’ van de ingestorte Oost-Europese en de Russische economie werd weer een beroep gedaan op het neoliberale denken dat inmiddels ook het beleid van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank bepaalde. Beide instituten speelden een rol in die wederopbouw. Die wederopbouw bestond eruit dat alle bedrijven werden geprivatiseerd. Geprivatiseerd door de burgers vouchers te geven die ze konden inruilen voor aandelen in bedrijven. Omdat voor het overgrote deel van de Russen de volgende maaltijd een probleem was, ‘verkochten’ ze hun vouchers aan het slimmere deel van de oude bureaucraten. Die kregen zo de bedrijven en grondstoffen voor een habbekrats in hun bezit en werden de oligarchen.

Tot zover in grote stappen de manier waarop het neoliberalisme de dominante ideologie werd. Zo dominant zelfs dat velen het niet meer als een ideologie herkenden. Terug naar de vraag die ik stelde in de eerste alinea hoe ging dat indoctrineren in zijn werk? In mijn vorige Prikker schreef ik dat het niet: “helpt (…)  om een nieuwe ‘complot God’ in het leven te roepen en de strijd aan te gaan met die God of in andere woorden ‘de elite’. Dat is als een Don Quichot strijden tegen windmolens, tegen een imaginair construct.” Als we iets kunnen leren van de neoliberale opgang, dan is het dat je beter molenaar kunt worden als je molens wilt ‘bevechten’. Dat is wat Hayek en Friedman deden in Chicago. Ze begonnen een ‘molenaarsopleiding’ en begeleidden hun ‘leerlingen’ naar interessante molens. Via de ‘molenaarsopleiding’ konden ze hun denken verspreiden en werken aan de verdere wetenschappelijke onderbouwing. Door hun netwerk te gebruiken en de leerlingen te helpen aan interessante plekken, kon de boodschap worden verspreid naar mensen op plekken die zicht hebben op macht. Als tweede, of eigenlijke eerste iets is dat je die ‘molenaars’ met een goed en positief verhaal op pad stuurt. Rand zorgde voor dat verhaal en in dat verhaal stond individuele vrijheid centraal en zeg nu zelf, wie is er tegen vrijheid? Als derde helpt het in de verkoop van je verhaal als je woorden gebruikt die op neutraliteit duiden. Woorden als ‘normaal’, ’zakelijk’, ‘praktisch’ en ‘realistisch’. Dergelijke woorden zetten je ‘tegenstrever’ op een achterstand.

“Filosofen hebben altijd geprobeerd de wereld te interpreteren, het wordt de hoogste tijd dat ze nu eens de wereld gaan veranderen,” zo hield Karl Marx zijn collega filosofen voor. De neoliberalen namen deze suggestie ter harte en ze gingen aan de slag met het veranderen van de wereld maar wel in een heel andere richting dan Marx voor ogen stond. Hierbij benutten ze hun sociaalwetenschappelijke positie als platform voor maatschappelijke actie. Maatschappelijke actie die door de wetenschappelijke pretentie een zweem van ‘waarheid’ of beter gezegd ‘zekerheid’ suggereert die juist niet eigen is aan de wetenschap. Sociaalwetenschappelijke kennis is per definitie onzeker. Onzeker omdat die kennis de houding en het gedrag van het studieobject, de mens, beïnvloedt. Onzeker omdat een wetenschappelijke theorie een hypothese is die, om met Karl Popper te spreken, om falsificatie vraagt en niet om bevestiging. Kenmerk van ideologisch gedreven wetenschappers is echter dat zij naar bevestiging van hun eigen gelijk zoeken.

Wellicht gaat er nu een belletje van herkenning rinkelen. In het huidige krachtenveld in Nederland zijn in ieder geval twee van dergelijk actiegedreven wetenschappelijke clusters te ontdekken. Als eerste een cluster rond Paul Cliteur en Afshin Ellian aan de rechtenfaculteit van de universiteit van Leiden. Een cluster dat een conservatief, nationalistische agenda nastreeft. Als tweede het ‘intersectionele cluster’ op en rond de Universiteit van Amsterdam waaraan ik deze zomer een Prikker weidde. Een cluster van gelijkgezinden dat anderen opleidt in hun ideologie. Een ideologie die met een ronkend verhaal wordt verkocht en bij dat verkopen speelt het gebruik van woorden een belangrijke rol. Opleidt om de wereld naar hun ideologie of blauwdruk vorm te geven. Aldus werkend aan een ideologische utopie is de kans groot dat we in een dystopie belanden.