Uitgelicht

Het hoofd koel houden

“Het kabinet roept het land en de Tweede Kamer op tot kalmte na de schietpartij van maandag in Utrecht.” Dit is te lezen bij de Volkskrant. Terecht dat minister Grapperhaus om kalmte vraagt. Beschuldigen zoals door Baudet, die de schuld in de schoenen van VVD en CDA schuift en Wilders die de minister verantwoordelijk houdt voor het vrijlaten van de dader en hem oproept om op te stappen, zijn mooi voor de bühne maar weinig behulpzaam. 

Bron: Pixabay

Dat iemand Allahu Akbar roept wil nog niet zeggen dat er sprake is van terrorisme. Gaan we alle daden van gekken het stikker ‘terrorisme’ opplakken? Dat zou een aardige devaluatie van het begrip terrorisme zijn. Terrorisme is, aldus Van Dale: “het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van terreur.” En terreur is, volgens dezelfde Van Dale: “georganiseerd politiek geweld.” Gewelddadig was het, maar waar is bij deze man het ‘georganiseerde’ karakter? Al eerder schreef ik over de veranderende betekenis van terreur waarbij de overheid van dader in slachtoffer veranderde. Nu lijkt het begrip nog verder te devalueren. Ik maak mij grote zorgen.

Nee niet zo zeer over de eventuele daden van een verwarde man. Ook al kan een verward persoon, zoals de moordpartij in Utrecht laat zien, dood en verderf zaaien. Dat kunnen criminelen die elkaar liquideren door een mitrailleur leeg te schieten ook. 

Ik maak me zorgen over de reactie van onze media. Media die live verslag doen van, ja van wat? En die hier vervolgens de hele dag mee vullen. Media die gaan duiden als er nog niets te duiden is. Die experts uitnodigen voor die duiding en die experts speculeren er vrolijk op los. Al speculerend worden er een grote hoeveelheden geruchten verspreid, of moet ik dat tegenwoordig ‘nepnieuws’ noemen?

Feit was dat er gisteren een schietpartij plaatsvond in een tram waarbij in eerste instantie een dode en verschillende gewonden vielen. Feit was ook dat de schutter was gevlucht en nog vrij rondliep. Daarom werd terecht het advies gegeven om op te letten en in Utrecht liefst niet de straat op te gaan omdat er een gewapende man rondliep. 

Feit is ook dat er nog niets over de motieven van de man duidelijk was en is. Van iemand die een essay van zeventig pagina’s schrijft over wat er allemaal mis is en hoe het zou moeten veranderen, daarvan wil ik wel aannemen dat hij door middel van georganiseerd geweld de bevolking en regering onder druk wil zetten. ’Ja maar, er was een briefje en die uitroep dus…’ Zelfs als er een briefje is en er wordt Allahu Akbar geroepen, dan nog zouden we terughoudend moeten zijn met het een daad van terrorisme noemen. Want waar is de georganiseerdheid van de daad? Wat is het politieke motief?

Nog veel grotere zorgen maak ik me over onze overheid. Volgens premier Rutte moeten we het niet ‘kleiner maken dan het is” en daarin heeft hij gelijk. Wat gezagsdragers zoals hij en anderen echter zeker niet moeten doen, is het groter maken dan het is. Maakten zij het niet groter door zich niet aan de feiten te houden en op de speculatieve toer te gaan? Als een verwarde man er al voor zorgt dat onze premier, de minister van Justitie en Veiligheid, de nationaal Coördinator terrorismebestrijding in de kramp schieten en hun hoofd niet meer koel kunnen houden en gaan speculeren, dan maak ik mij grote zorgen. Dit is tot het tegendeel is bewezen gewoon een misdaad van het heel ernstige soort. Niet minder, maar zeker ook niet meer. 

Dan maak ik mij zorgen om de stressbestendigheid van onze gezagsdragers. Zorgen om de gewapende dienders die zij vervolgens in hun stress op straat plaatsen. Zorgen omdat een ongeluk in een klein hoekje zit, zeker als er sprake is van stress aangewakkerd door mensen die het hoofd koel moeten houden in dergelijke situaties. 

Is de belangrijkste taak van welke gezagsdrager dan ook niet dat zij of hij het hoofd koel houdt in tijden van crisis? Toch iets om rekening mee te houden bij het rood kleuren van een vakje bij welke verkiezingen dan ook.  

Uitgelicht

Zwarte mis

“Het nazisme en het communisme zijn producten van het moderne Westen. En dat geldt ook voor de radicale islam, al wordt dat laatste ontkent door zowel de aanhangers daarvan als de westerse publieke opinie.”  De eerste zin op pagina 102 van de paragraaf Terreur en de westerse traditie van het boek Zwarte Mis. Apocalyptische religie en moderne utopieën geschreven door de filosoof John Gray. Aan die zin moest ik denken na de gebeurtenissen in Christchurch in Nieuw Zeeland. 

Eigen foto

Aan die zin moest ik denken toen ik de reacties van Elsevier-lezers las op de stelling van de dag “Moskeeën moeten worden beschermd tegen aanslagen”. Reacties zoals van ene Thomas Jolly: “Wie kaatst kan de bal verwachten… nee dus!” Of van Joey France: “De vraag is begrijpelijk gezien de onmenselijke daad en de ermee samengaande emoties. Maar zijn de moslims niet zelf de aanleiding? Overal waar deze “religie” zich aandient is de sociale rust finaal afgelopen en is integratie met de plaatselijke bevolking verboden, tot en met dreiging met de doodstraf. Toch niet zo raar dat de “andere kant” ook zijn gekken heeft lopen. Neen op de stelling.” Of Vero Truth: “Dit soort aanslagen was, hoe verschrikkelijk ook, te verwachten. Wie haat zaait zoals de moslimextremisten krijgt op een gegeven moment een reactie. Nu niet gaan piepen. Extra bescherming voor moskeeën lijkt me niet nodig.” Reacties gebaseerd op ‘WIJ’ tegen ‘ZIJ’. Waarbij het onderscheid is gebaseerd op godsdienst en waar iedere daad van iemand met de godsdienst van ‘ZIJ’ een daad is van de hele groep. 

Ik moest denken aan die zin en het betoog van Gray toen ik een artikel van Han van der Horst bij Joop las. Van der Horst concludeert dat: “Branton Tarrant (de schutter van Christchurch) is niet zomaar een monster. Hij is ons monster.” Ons monster want: “Het is de resultante van het populistische vertoog dat het maatschappelijk denken in het Europa van deze eeuw zo verontreinigt. Tarrant is gegrepen door de ideologie die zondebokken aanwijst in plaats van dat zij oplossingen biedt voor de vele maatschappelijke kwalen in onze maatschappijen.” De schutter die ook denkt in ‘WIJ’ en ‘ZIJ’ en die ‘ZIJ’ als een bedreiging ziet. ‘WIJ’ tegen ‘ZIJ’ kenmerkt ook het wereldbeeld van IS en Al Qaida. 

Gray onderbouwt die eerste zin door de oorsprong van het denken van de vader van de radicale islam, Sayid Qutb, te bestuderen. Gray: “Qutbs idee van een revolutionaire voorhoede die zich volledig zou wijden aan de omverwerping van corrupte islamitische regimes en het stichten van een samenleving zonder formele machtsstructuren, ontleent niets aan de islamitische theologie en zeer veel aan Lenin. Qutb beeld van revolutionair geweld als een zuiverende kracht heeft meer gemeen met de denkbeelden van de jakobijnen dan met die van de twaalfde-eeuwse Hasjisjin.” Qutb en daarmee de politieke islam als een verre nazaat van de Franse revolutie.

Volgens Gray is het gebruik van geweld om een nieuwe wereld te scheppen geen erfenis uit de zevende eeuw, maar haakt het aan bij het modere Westen. “Het gebruik van de term ‘islamofascisme’ verduistert het zicht op de veel verder rijdende schatplicht van de radicale islam aan het westerse denken. het waren niet alleen de fascisten die geloofden dat geweld een nieuwe samenleving kon voorbrengen. Dat geloofden Lenin en Bakoenin ook, en de radicale islam zou dan ook net zo goed ‘islamoleninisme’ of ‘islamoanarchisme’ genoemd kunnen worden.” De grootste verwantschap ziet Gray echter met: “de non-liberale theorie van de volkssouvereiniteit die werd uitgedragen door Rousseau, en die tijdens de Franse Terreur door Robespierre in praktijk werd gebracht; de radicale islam zou dan ook het best omschreven kunnen worden als ‘islamojakobinisme.” 

Het ‘martelaarschap’ door het plegen van zelfmoordaanslagen, kent volgens Gray geen islamitische wortels: “De Hasjisjin richtten zich op het vermoorden van heersers die naar hun mening waren afgeweken van het rechte pad van de islam, maar geloofden niet dat terreur kon worden aangewend ter vervolmaking van de mensheid, en al evenmin beschouwden ze het plegen van zelfmoordaanslagen als teken van persoonlijke zuivering.” Het is, volgens Gray een recente ‘uitvinding’ met westerse wortels. Een ‘uitvinding’ van de voorganger van Ayatolla Khomeini, Ali Shariati die: “beriep zich op een idee van existentiële keuze die is ontleend aan Nietsche.”

Volgens Gray is de radicale islam: “een moderne ideologie, maar ook een millennialistische beweging met islamitische wortels.” Millennialisme, het geloof in de komst van …  is een kenmerk van monotheïstische godsdiensten. Bin Laden maakte hier, volgens Gray, gebruik van door zich te profileren als ‘profeet-leider. De leider van IS, Abu Bakr al-Baghdadi, ging hierin nog een stap verder en riep het kalifaat uit en zichzelf tot kalief.  

Tot zover de radicale islam. Nu het Westen dat zich, zo schrijft Gray en als je de politieke en publieke opinie mag geloven dan heeft hij gelijk, definieert: “in termen van liberale democratie en mensenrechten.” Door deze definitie te gebruiken lijkt het alsof: “de totalitaire bewegingen van de vorige eeuw geen deel uitmaakten van het Westen.”  Volgens Gray een misvatting want die vormden: “ in werkelijkheid juist een hernieuwing van enkele van de oudste westerse tradities.” Welke tradities? Gray: “als er ‘iets’ is wat ‘het Westen’ definieert, dan is dat het nastreven van een verlossing in de geschiedenis. Datgene waarin de westerse beschaving zich onderscheidt van alle andere wordt niet zozeer gevormd door haar tradities van democratie en verdraagzaamheid, als wel door haar historisch teleologie, dat wil zeggen: door haar geloof dat de geschiedenis een inherent doel of bestemming heeft.” Dit geloof heeft tot vernietigende oorlogen en verschrikkelijke misdaden in concentratiekampen en goelags geleid. 

Nu zijn dergelijke massamoorden niet specifiek westers. In vroeger tijden werden er vaker wreedheden begaan en massa’s mensen vermoord. Dzengis Khan wist wat dat betreft ook van wanten. Wel specifiek voor het moderne Westen is volgens Gray: “de bepalende rol van het geloof dat geweld de wereld kan redden.” Dit specifiek westerse tintje heeft de radicale islam overgenomen. Dat is niet zo vreemd omdat het Westen en de islam elkaar al sinds de zevende eeuw beïnvloeden.

Zou de echte scheiding tussen ‘WIJ’ tegen “ZIJ” niet worden gevormd door het ‘geloof’ dat geweld de wereld kan redden?Schutter Tarrant deelt het geloof dat geweld de wereld kan redden met zijn tegenstrevers de radicale islamieten. Zij hangen de ‘zwarte mis’ aan om de titel van Gray’s boek te gebruiken. Zij hangen apocalyptische religies aan en jagen utopische visioenen na. Ik hoop dat ik met velen het geloof deel dat geweld de wereld niet redt.

Uitgelicht

Arme werkenden

“Onzekerheid over een dak boven je hoofd, eten op tafel, betaalbare en toegankelijk zorg, een sluitend ‘huishoudboekje’ en schulden verminderen het welzijn van mensen en beperken de mentale ruimte om een weg uit deze situatie te vinden” De eerste zin uit Gemeenten: een toekomst zonder werkende armen een notitie met het standpunt van de Nederlandse Vereniging van Gemeenten (VNG). In deze notitie die ik vandaag las, formuleert de VNG acht concrete maatregelen om armoede onder werkenden aan te pakken.

bron: Flickr

Wat is het probleem?  De VNG: “Uit de recente SCP-studie blijkt dat er in 2014 ongeveer 320.000 werkende armen (4,6% van alle werkenden) waren. Daarvan werkten er 175.000 in loondienst, en 145.000 als zelfstandige. In Nederland stijgt het aandeel werkende armen sinds 1990. Er bestaan in Nederland verschillende definities van (het risico op) armoede en werkende armen. Gemeenten zien op basis van hun armoedemonitor dat er meer groepen in de gemeente niet rond kunnen komen van hun besteedbaar inkomen. Ook deze inwoners rekenen gemeenten tot de doelgroep werkende armen.” Mensen met werk die niet rond kunnen komen van hun inkomen.

Zoals gezegd, stelt de VNG acht maatregelen voor. Als eerste, een open deur, een integrale aanpak: “Het is van belang om armoede niet alleen aan te pakken via het klassieke armoedebeleid – door het bieden van inkomen, inkomensondersteunende en participatiebevorderende voorzieningen – maar ook via ambities op andere beleidsterreinen zoals de betaalbaarheid van de energietransitie  en voldoende betaalbare woningen of doelstellingen op het terrein van zorg & gezondheid” 

Als tweede wil de VNG: “de uitkeringsgerechtigden inkomenszekerheid kunnen bieden.” De VNG wil dit bereiken door: “snelle en juiste verrekening van inkomsten uit (deeltijd)werk van belang, temeer daar deze doelgroep veelal maandelijks wisselende inkomsten heeft.” Om dat mogelijk te maken heeft de VNG een aantal wensen. Als derde wil de VNG een advies van werkgevers en vakbonden over de bestaanszekerheid  voor mensen met lage en middeninkomens. Een advies om de ‘structurele oorzaken’ aan te pakken. Dit advies moet met directe betrokkenheid van gemeenten tot stand komen.  

Als vierde moet het systeem van toeslagen en voorzieningen eenvoudiger. De vijfde maatregel richt zich op een sociale Rijks incassobeleid. Als zesde vragen de gemeenten hulp om de armen te bereiken. Die hulp moet in de vorm komen van het CBS, het CPB en het SCP. Als zevende moeten belemmeringen rond de privacy en gegevensuitwisseling worden weggenomen. 

Als laatste: “Kleine oproepcontracten en banen die meer lijken op zzp-constructies (zonder goede secundaire  arbeidsvoorwaarden als vervoer/opleiding/persoonlijke ontwikkeling) vergroten het risico dat huishoudens snel onder de armoedegrens terecht komen.”  Dus werkgevers, ook gemeenten.

Een goed streven om armoede onder werkenden te verminderen en liefst te voorkomen. Zou een basisinkomen hierbij kunnen helpen? Dat is de meest integrale aanpak, geeft inkomenszekerheid zonder de noodzaak tot verrekening en de ervoor benodigde bureaucratie. Dat biedt bestaanszekerheid, maakt een onderzoek door werkgevers en vakbonden overbodig en pakt de ‘structurele oorzaken’ aan. Het bereikt alle armen zonder dat CBS, CBP en SCP ook maar iets hoeven te doen. Het kan zonder belemmeringen rond privacy en gegevensuitwisseling worden uitgekeerd. En als laatste, het is een goede sociale verzekering in tijden van flexwerk en ZZP’ers. 

Dus VNG, waarom moeilijk als het makkelijk kan?

Uitgelicht

Centraal Bureau voor Filosofie en Geschiedenis

Vandaag las ik een artikel van collega Mattie Peeters met als titel ‘Toeval en ons mensbeeld. Peeters concludeert: “Gedrag, handelen en de gevolgen ervan worden stevig beïnvloed door toevalsfactoren.” Waarom? “Ik word wie ik ben niet door ‘mijn’ uitzonderlijke capaciteiten en competenties maar door toeval en geluk die massief mijn levensloop bepalen. Mijn identiteit blijkt welbeschouwd een narratief. Bovendien heb ik die capaciteiten en competenties zoals talent, intellect, doorzettingsvermogen, emotionele stabiliteit, sociale wendbaarheid, slagkracht, machtsstreven enzovoort, niet ‘zelf’ verdiend maar zijn ze mij toevallig bij geboorte gegeven.”  De Ballonnendoorprikker kan dit alleen maar onderschrijven. Het ligt in de lijn van zijn recentelijke betoog met als titel De geschiedenis wordt vooruit geleefd en achteruit verklaard en een van zijn eerste Prikkers Toeval en geluk. Peeters eindigt met de zin: “De sociale en morele implicatie van dit mensbeeld lijkt mij verstrekkend.”  

Bron: Wikimedia Commons

Vervolgens moest ik denken aan het RTL-verkiezingsdebat. De titel boven de Volkskrant column van Bert Wagendorp vatte het goed samen: “Het RTL-verkiezingsdebat was een afzichtelijke vertoning die je alleen met ware doodsverachting en een teiltje kon uitzitten.” Hij vraagt zich af: “Wanneer (…) er een politicus op(staat) die weigert zich nog langer te laten vernederen voor de armzalige natte droompjes van tv-makers die alle kijkers aanzien voor randdebielen die alles mooi en prachtig vinden, zolang er maar lichtjes gaan branden en er een vrolijk muziekje klinkt?” Politiek en het besturen van een land als een verbaal kooigevecht met de diepgang van een platbodem. Zonder enig besef van de sociale en morele implicaties van het door Peeters geschetste mensbeeld.

Neem het debat over migratie. De stelling luidde: “het kabinet moet immigratie nog verder beperken.” Niemand die zich inleefde in de wereld van de migrant. Die zich afvroeg waarom een Afrikaan deze kant op komt? Wat er wellicht gedaan kan worden om ervoor te zorgen dat de noodzaak om weg te gaan kleiner wordt. Niemand die erop wijst dat migranten voor verreweg de grootste stroom aan ‘ontwikkelingshulp’ zorgen. Niemand die zich realiseert dat de migrant er niet voor heeft gekozen in Gabon te worden geboren. Net zoals Dijkhoff en zijn collega’s van geluk mogen spreken dat ze hier zijn geboren. Dat was niet hun eigen verdienste. 

Zou het helpen als de programma’s van politieke partijen niet alleen worden doorgerekend door het CPB en en Planbureau voor de Leefomgeving, maar ze ook worden doordacht door een ‘Centraal Bureau voor Filosofie en Geschiedenis?

Uitgelicht

Politieke partijen, wat moeten we ermee?

“Partijen zijn nog steeds de belangrijkste kanalen voor vorming en verspreiding van politieke ideeën. …Gezien hun cruciale functie is het opmerkelijk dat er weinig over is geregeld in de wet.”  Dit schrijft Marc Chavannes bij de Correspondent. En dat kan niet: “Tijd voor actie. En beter laat dan te laat. Politieke partijen vervullen essentiële taken in een vertegenwoordigende democratie en daarom mogen aan die verenigingen extra eisen worden gesteld.” Eisen op het gebied van de interne partijdemocratie. Een idee, maar.…

Bron: Picryl

Politieke partijen selecteren de volksvertegenwoordigers waaruit de kiezer kan kiezen. Zij selecteren ze uit de 289.276 Nederlanders die, volgens Chavannes, nu nog lid zijn van een politieke partij. Die partijen maken verkiezingsprogramma’s waarmee zij richting proberen te geven aan het debat. Hierbij worden zij beïnvloed door een heel circus aan lobbyisten. Op basis van die programma’s wordt een ‘regeerakkoord’ opgesteld dat vervolgens wordt uitgevoerd. En, zoals er wordt gezegd, het debat moet in het parlement worden gevoerd.

Zouden we het politieke primaat niet weg moeten halen bij het parlement en haar leden? Is het beperken van ‘politiek’ tot de activiteiten in het parlement, niet een erg beperkte uitleg van politiek. Is politiek niet alles wat wij als inwoners van een bepaald gebied met elkaar bespreken en doen? Zou het debat, over welk onderwerp dan ook, niet in de samenleving gevoerd moeten worden? Zouden de parlementsleden dat debat niet goed moeten volgen en vragen stellen aan de samenleving? Zouden zij niet veel meer moeten luisteren in tegenstelling tot praten? Luisteren, verduidelijkende vragen stellen en vooral gaan praten met mensen die zich minder laten horen. Zouden zij vervolgens niet een keuze moeten maken waarbij ze alles wat ze hebben gehoord, afwegen? Een keuze zonder er in de kamer nog een debat over te voeren? Dat debat is immers in de samenleving gevoerd. En zouden zij vervolgens niet hun keuze moeten verklaren?

Zou dit, kijkend naar onze Grondwet, niet een alternatieve invulling van onze democratie kunnen zijn?  Een alternatief waarbij de Kamer de rol van ‘beslisfabriek’ vervult en het politieke primaat terug gaat naar de samenleving. Een variant die zonder politieke partijen kan. Ja, zelfs zonder verkiezingen want die kamerleden kunnen ook worden geloot voor een bepaalde periode. Waarna weer nieuwe worden geloot.

Uitgelicht

Weerstand en de menselijke maat

Een favoriete bezigheid van mij op de zaterdagmiddag is in bad liggen met een boek. Zo lag ik deze zaterdag. in bad met het boek Stadsleven. Een visie op de metropool van de toekomst. Inderdaad het boek waarover ik in Zwijgen over de ander schreef naar aanleiding van een uitspraak van Richard Sennett de auteur. Ik heb het boek nog steeds niet uit maar op pagina 239 schreef Sennett iets wat mij niet losliet: “mensen ervaren de menselijke maat door het omgaan met weerstand.” Sennett schrijft dit met de stedenbouw als invalshoek. Hij zoekt naar manieren waarop de stad als ruimte, hij noemt dat de ville en de stad als cité, de stad als specifieke plaats waar mensen leven, het gevoel van de stad, elkaar kunnen versterken.  daarbij is de menselijke maat van belang. Bij mij bleef de zin hangen omdat ik in mijn werkzame leven bij gemeenten over de vloer kom die zoeken naar de menselijke maat in wat zij het ‘sociaal domein’ noemen.

Bron: Wikipedia

Tot het sociale domein horen onderwerpen als zorg, welzijn, onderwijs, gezondheidszorg, opvoeding, inburgering, het mensen aan werk of een passende tijdsbesteding helpen. Als je de plannen van gemeenten leest dan kom je woorden tegen als ‘integraal’ waarmee wordt bedoeld dat de mens als geheel moet worden bekeken. Als de inwoner een rolstoel nodig heeft, dan moet er ook worden gekeken of die persoon wel voldoende rond kan komen. Of er geen schulden zijn. Of het goed gaat met zijn kleine kinderen. Want misschien is die rolstoel wel niet de ‘passende’ oplossing. Inderdaad zal menig bestuurder en beleidsmaker zeggen: zo moet het. Alleen loop je zo het risico dat je iets simpels complex maakt.

In het verlengde hiervan het woord ‘zorg- of gezinsplan’. Dit wordt opgesteld door de consulent die het samen met de inwoner en zijn ‘sociaal netwerk’, om weer een term te noemen, opgesteld. Hierin worden de afspraken opgenomen, bijvoorbeeld dat de buurman iedere week de kliko buiten zet en een keer per week het gras maait. Zo’n plan moet aantonen dat die rolstoel echt nodig is omdat familie en buren de rol van die ‘wielen’ niet kunnen vervullen.

Zo moet worden gezocht naar ‘maatwerk’. Maar hoe ‘maat’ is dat werk als het vervolgens wordt ingekocht als een product met bepaalde specificaties? Er wordt confectie ingekocht bij een fabriek, het maatkostuum van de kleermaker blijft buiten bereik.

Je komt woorden tegen als ‘dichtbij de burger’. Dit wordt ingevuld door wijkteams die bij je ‘om de hoek’ zitten. Dichtbij wordt zo geografisch ingevuld terwijl de sociale nabijheid ver te zoeken is. Die vraagt om iets heel anders. Om bijvoorbeeld een belletje of een kopje koffie op een moeilijk moment voor de inwoner. 

Zouden gemeenten door weerstand te organiseren de menselijke maat bereiken?

Uitgelicht

Hey teacher …

“Ut is ok noeit good of ut deugd neet,” zei mijn moeder vaak. Aan die uitspraak moest ik denken toen ik een artikel van Tim Engelbart bij De dagelijkse Standaard las. Wat is er aan de hand? “Ondanks dat Nederland als geheel flink naar rechts getrokken is, blijkt het onderwijs als geheel nog een uitermate links bolwerk waar Karl Marx tevreden op kan neerkijken vanaf zijn wolk. Van alle leraren is namelijk 33% (!) van plan op GroenLinks te stemmen in maart. Nog eens 17% wil voor de PvdA gaan, terwijl SP (12%) en D66 (13%) het ook zeer goed doen. In totaal halen linkse partijen maar liefst 80% van alle stemmen onder onderwijzers.” Zetten al die ‘linkse gekkies’ zich in voor de kinderen van Engelbart en andere ‘rechtse ballen’, is het nog niet goed.  

Bron: Sketchport

Volgens Engelbart is er: “Voor Geert Wilders en Thierry Baudet (…) dus nog een wereld te winnen op zowel de basis- als de middelbare school. Niet alleen voor zichzelf en hun zetelaantallen, maar ook voor de evenwichtigheid van het onderwijs zelf zou het goed zijn als leraren wat gelijkmatiger over het politieke spectrum verdeeld zijn.”

Wel beste meneer Engelbart, wat let u om zich te laten omscholen tot leraar en met u de hele redactie van uw De dagelijkse Standaard. Sluit u aan bij die ‘linkse gekkies’ die voor een habbekrats en veel gezeik van u als ouder uw kinderen wat bij proberen te brengen. Immers de ‘linkse dominantie’ van het lerarencorps kan alleen worden doorbroken door een flinke instroom van ‘rechtse rakkers’ zoals u. En zolang dat niet gebeurt blijven, zoals u schrijft: “scholen toch een klein beetje de vooropleiding van de Jonge Socialisten en DWARS”  

Maar pas op meneer Engelbart. Zorg dan wel dat u beter ‘indoctrineert’ dan dat door ‘linkse gekkies’ overheerste lerarencorps. Die ‘vooropleiding voor Jonge socialisten en DWARS’ bakt er niet veel van. Dat lerarencorps zorgt er immers al decennia voor dat Nederland wordt gedomineerd door een rechtse meerderheid. Dat partijen zoals die van Wilders en Baudet het goed doen. Pas op want uw loopt het risico dat die jeugdigen die u dan gaat opleiden verworden tot ‘linkse gekkies’. 

Misschien kunt u zich beter stil en afzijdig houden en in uw vuistje lachen met die ‘linkse gekkies’ die voor een habbekrats en veel gezeik, de Nederlandse jeugd opleiden. Die zorgen immers voor een gestage aanwas van ‘rechtse rakkers.’