Uitgelicht

‘Ut is auk noejt good of ut deug neejt

“In 2019 vierden we honderd jaar vrouwenkiesrecht in Nederland. In 1919 werd namelijk het woord ‘mannelijk’ uit de Kieswet geschrapt. Door dat ene woordje te verwijderen, gold de Kieswet voortaan ook voor vrouwen.” Zo begint het artikel van Devika Partiman en Rachel Rumai Diaz bij OneWorld. “Maar de viering is geen inclusieve. De veranderde Kieswet gold namelijk niet voor álle vrouwen” Zo vervolgen de auteurs hun artikel. Een bijzonder artikel. Bijzonder omdat de auteurs concluderen dat de viering ‘niet inclusief’ is.  Mijn moeder zou verzuchtend hebben gezegd: ‘Ut is auk noejt good of ut deug neejt.’

Bron: Wikipedia

Eerst even een aanvulling op de strijd om het kiesrecht. Inderdaad mochten vrouwen in Nederland in 1922 door het schrappen van het woord ‘mannelijk’ voor het eerst stemmen voor de Tweede Kamer. Het woord ‘mannelijk’ stond pas sinds 1887 in de wet. Dit nadat een poging van Aletta Jacobs om zich op de Amsterdamse kieslijst te laten plaatsen door de Hoge Raad werd afgewezen. Jacobs voldeed aan alle vereisten van de Kieswet. Die vereisten bestonden uit het betalen van een bepaald bedrag aan belastingen. Door die ‘belastingeis’ was het ook voor veel mannen niet mogelijk om te stemmen. Ter verduidelijking werd in 1887 het woord ‘mannelijk’ toegevoegd. Het algemeen kiesrecht voor mannen is slechts twee jaar ouder dan dat voor vrouwen. Dat werd namelijk pas in 1917 ingevoerd. Tegelijkertijd werd de leeftijdsgrens voor het kiesrecht verhoogd van 23 jaar naar 25 jaar. In 1946 werd die leeftijd weer verlaagd naar 23 jaar, in 1965 naar 21 en in 1972 naar de huidige 18 jaar. Voor geïnteresseerden in de ontwikkeling van het kiesrecht in Nederland, op de site parlement.com staat die goed beschreven. 

“De feministische golf die had geleid tot het kiesrecht, spoelde namelijk niet aan in de overzeese gebieden die destijds nog in bezit waren van het Koninkrijk: Suriname, Nederlands-Indië en de Nederlandse Antillen.” Zo schrijven de auteurs terecht. In de toenmalige koloniën liep het allemaal anders. Daar moeten vrouwen nog jaren strijden voor kiesrecht. “De viering van honderd jaar vrouwenkiesrecht in 2019 draagt hier opnieuw niet positief aan bij, omdat het de verhalen van deze vrouwen wederom uitsluit,” zo schrijven de auteurs. “Op zoek naar verhalen over de vrouwen die in de voormalige koloniën vochten voor het vrouwenkiesrecht, zijn we afhankelijk van de huidige geschiedschrijving, en die is beperkt. Dit gebrek aan kennis zorgt ook voor een gebrek aan rolmodellen; niet omdat ze er niet zijn, maar omdat we hun historische waarde niet erkennen.” Het lijkt mij erg lastig om de waarde van iets te erkennen wat je niet kent. Met hun artikel dragen de auteurs bij aan het kennen zodat de lezer de waarde kan erkennen. Laten de auteurs niet juist zien dat herdenken wel positief bijdraagt? Zouden ze dit artikel ook zonder die herdenking hebben geschreven?

Echt bijzonder wordt het in de laatste zinnen van het artikel: “Pas als we deze geschiedenis accepteren als onderdeel van ons erfgoed, kunnen we de uitwassen van het classicisme, racisme en seksisme achter de ongelijke politieke vertegenwoordiging aanpakken. En pas dán kunnen we werkelijk juichen om honderd jaar inclusief vrouwenkiesrecht.”  Ongelijke politieke vertegenwoordiging die, zo is erboven te lezen, een gevolg is van een: “dominante groep die nog altijd overheerst.” Die zorgt voor een gemankeerde politieke cultuur: “die allesbehalve een weerspiegeling is van onze samenleving.” Gevolg hiervan is: “Dat er ook anno 2019 nog weinig vrouwen politiek actief zijn, de meeste politici een universitair diploma hebben, overwegend wit en hetero zijn, en uit rijkere milieus komen. … De cultuur is nog steeds niet gericht op vrouwen, en al helemaal niet op vrouwen van kleur of mensen uit armere milieus (of mensen met een beperking, mensen uit de lhbti+-gemeenschap).” 

Beste auteurs, als de politiek een weerspiegeling moet zijn van de samenleving dan moeten we allemaal in de politiek. Dan is het spiegelbeeld immers pas gelijk aan de werkelijkheid. De enige getrouwe afspiegeling van mij dat ben ik immers zelf. In een representatieve democratie is die afspiegeling onmogelijk. De volksvertegenwoordiging is ook niet bedoeld om ons af te spiegelen. Ze is bedoeld om ons te vertegenwoordigen en namens ons besluiten te nemen.

Maar wat belangrijker is, moeten we werkelijk wachten met het aanpakken van uitwassen van racisme en seksisme totdat de geschiedenis van vrouwen, mensen van kleur, mensen met een beperking, armen of lhbti+ wordt geaccepteerd? Classicisme laat ik maar even buiten beschouwing, want ik geloof niet dat er werkelijk mensen zijn die terug willen naar de klassieke periode? Naar het Rome van keizer Augustus of het Athene van Pericles. Ik neem aan dat jullie hier klasse bedoelen. Waarom is het van belang om alle te onderscheiden groepen in een samenleving als groep te erkennen en dan vooral hun rol als ‘slachtoffer’ van een ‘meerderheid’. Een meerderheid die er ook niet zelf heeft gekozen voor de situatie waarin ze ter wereld kwam? Hoe reëel is het om mensen de daden van hun verre voorvaderen aan te rekenen? Wanneer hebben we trouwens alle groepen gehoord, erkend en gewaardeerd? Moeten ook de geschiedenis van Trekkies, de aanhangers van de serie Start Trek worden meegenomen? En hoe verhoudt zie zich tot de aanhangers van Star Wars? Zouden we dan niet verder moeten totdat ieders geschiedenis en de individuele verklaring ervan bij alle anderen bekend en erkend is? Het individuele niveau is immers het kleinste te onderscheiden deel van een samenleving. Even afziend van mensen met een dissociatieve persoonlijkheidsstoornis.

Natuurlijk is het goed om het verleden te bestuderen vanuit diverse perspectieven. Als historicus kan ik dat alleen maar toejuichen. ‘acceptatie van al deze geschiedenissen als onderdeel van ons erfgoed’ is niet nodig om nu te pleiten voor een belastingverhoging voor rijken om te herverdelen naar de armen. Ook niet om nu maatregelen te nemen om racisme te bestrijden en discriminatie te voorkomen. 

Uitgelicht

Cliteur en terreur

“De oorzaken van het terrorisme zijn niet materieel, maar cultureel. Het heeft te maken met een overweldigend verschil van opvatting over kernwaarden.” Dit schrijft FvD Eerstekamerlid Paul Cliteur bij TPO. “Jawed S., Junaid I., de aanslagplegers op de redactie van Charlie Hebdo en de terroristen van de Bataclan denken heel anders over kernwaarden dan de burgers van Nederland en Frankrijk.Toen ik dit las, moest ik denken aan terrorisme-deskundige Beatrice de Graaf. Zij noemt terroristen in het DWDD-college de ‘klunzen en losers’ van de geschiedenis. Combineren we die twee dan is het zijn van ‘kluns en losers’ cultureel bepaald. Zou dat zo zijn?

De executie van Maximillien Robespierre. Bron: Wikimedia Commons

Cliteur richt zijn schrijven aan de Amsterdamse burgemeester Halsema. Volgens Halsema, en nu citeer ik Cliteur, ligt het aan: “teleurstelling of frustratie,”  veroorzaakt door het leven: “in wijken waar de bewoners worstelen met armoede en discriminatie hun loyaliteit met de ‘rechtsgemeenschap’ op het spel kan komen te staan.” Als we Halsema volgen dan is Terrorisme een gevolg van sociale condities waarin mensen verkeren. De verkeerde diagnose aldus Cliteur: Halsema gaat daarmee haar: “voorgangers Cohen en Van der Laan,” achterna die hebben: “jammerlijk gefaald bij het bedwingen van dit gevaar.” 

Twee verklaringen. Aan de ene kant ‘cultuur’ als oorzaak. Het vreemde is echter dat lang niet iedereen die zich in die ‘culturele’ situatie bevindt, ‘terrorist’ wordt. Bijzonder is ook dat enkele plegers van aanslagen tot kort voor hun daad helemaal niet ‘bekend’ stonden als fanatieke aanhanger van die ‘cultuur’. Zij stonden eerder bekend als (kleine) crimineel. Aan de andere kant de ‘sociale condities’ als oorzaak. En ook hier is het vreemd dat niet iedereen in die ‘conditie’ het schopt tot ‘terrorist’. Ook hier is het bijzonder dat plegers van terroristische daden helemaal niet uit situaties die Halsema beschrijft, komen. Zo waren de ouders van RAF lid Ulrike Meinhof historici die hun dochter de mogelijkheid boden te gaan studeren.  Ook van Bin Laden kun je veel zeggen, maar niet dat zijn ouders in een ‘achterstandswijk’ woonde.

Als we in het verleden duiken, dan zien we dat terreur niet iets is van een specifieke cultuur. Zoals ik begin dit jaar al schreef, is terrorisme afgeleid van la Terreur, een periode uit de Franse revolutie. Terreur heeft sinds die tijd een bijzondere omkering meegemaakt. In oorsprong was het het de staat die burgers ‘terroriseerde’. Robespierre de Fransen, Hitler als eerste de Duitsers, Stalin de Russen, Mao de Chinezen, Ho de Vietnamezen en Pol Pot de Cambodjanen Nu zijn het burgers die de staat ‘terroriseren’. En ook dat kent ‘geen grenzen’. Type ‘terrorisme’ in op Wikipedia en je vindt een keur aan voorbeelden uit verschillende culturen en streken van de wereld. Hieruit mag duidelijk zijn dat terrorisme niet ‘cultuur specifiek’ is zoals Cliteur beweert.

Beide ‘diagnoses’, om in Cliteurs vocabulaire te blijven, geven geen antwoord waarom iemand overgaat tot het plegen van terreur. Toch is er iets aan de diagnose van Cliteur dat zorgen baart. Als die ‘verklaring’ maar lang genoeg wordt herhaald, dan zou die verklaring wel eens haar eigen waarheid kunnen creëren. Door steeds te blijven herhalen dat terrorisme ‘cultuurbepaald’ is, lopen we het risico dat die cultuur en terrorisme als synoniem worden gezien. Daarmee worden mensen gestigmatiseerd en wordt de kans groter dat ze uiteindelijk het gedrag gaan vertonen dat Cliteur hun nu toedeelt. 

Uitgelicht

Morele chantage

Ik moet ‘schuld’ bekennen. Tenminste om een succesvolle klimaat activistische beweging te kunnen laten ontstaan. Zo langzamerhand ben ik schuldig aan alle ellende op deze wereld. 

Nou ja alle. Ik neem geen drugs dus de ‘ondermijning’, criminaliteit en milieuvervuiling’ als gevolg van drugs, kunnen mij niet in de schoenen worden geschoven. Die ellende is immers een gevolg van de uitgaander die soms een pilletje neemt. Tenminst, als we minister Grapperhaus, het kabinet en vele politici en beleidsmakers moeten geloven. Zoals Gerard Drosterij in de Volkskrant terecht constateert, is dat wel erg gemakkelijk. Of zoals hij het zegt: “als er een zondebok voor de ontspoorde drugscriminaliteit nodig is, dan toch zeker de overheid. Ik zou zeggen: trek lekker zelf het boetekleed aan in plaats die om de schouders van burgers te hangen. Wat meer zelfkritiek zou je sieren. ” Dat even terzijde.

Bron: pxhere

Terug naar dat waar ik wel schuldig aan ben. Tenminste als ik activist Chihiro Geuzebroek moet geloven die in een artikel van Emma Meelker bij Oneworld wordt opgevoerd. Geuzebroek hoopt: “dat westerse klimaatactivisten snel erkennen dat het Westen een schuld heeft te vereffenen op klimaatgebied. Pas dan kan er verzoening ontstaan en krijgt de klimaatbeweging tanden.” Want: “Het klimaatprobleem is er natuurlijk een van de westerse industrie. Een wit project dat met kolonialisme overal is uitgerold. Dat is de eerste laag van klimaatracisme.” En: “Het gesprek gaat over ‘vrijwillige hulp’ aan die landen, niet over het vereffenen van een schuld.” Daarvoor moet ik mijn excuses maken en vervolgens de schuld vereffenen want: ik ‘koloniseer de atmosfeer.’ 

Zo die kan ik in mijn zak steken. Want wat die westerse ‘witman’ allemaal heeft uitgespookt en gedaan, daar deugt geen hout van. Afgezien van het feit dat deze Westerse ‘witman’ verdomde weinig invloed heeft op bedrijven als Shell net zoals zijn voorouders niets te vertellen hadden over de koers van de VOC, zou ik Geuzebroek iets willen vragen. Als ik alle ellende die de Westerse manier van leven heeft veroorzaakt op mijn schouders moet nemen, mag ik dan ook de complimenten ontvangen van u en anderen die mij dit verwijten, voor het goeds dat die manier heeft opgeleverd? 

De complimenten voor bijvoorbeeld de parlementaire democratie en de vrijheid van meningsuiting bijvoorbeeld of voor het ontsnappen aan het juk van de religie en de Verlichting? Die komen immers uit dezelfde bron als die westerse industrie. Op de foto bij het artikel staat Geuzebroek met een megafoon in haar handen. Die megafoon is slechts een van de vele vindingen van die industrie. Net als de filmcamera en de telefoon.

Mag ik dan ook de complimenten ontvangen voor de penicilline, de antibiotica en de vaccins? En dan wil ik best erkennen dat we daarbij te weinig aandacht hebben bestaat aan bijvoorbeeld de sikkelcelziekte. Maar ja, die kwam in onze contreien ook niet veel voor, dus die had geen prioriteit. Andere delen van de wereld, waar deze ziekte wel veel voorkomt, hebben het op dit punt niet veel beter gedaan. Sterker nog, die zijn vooral afhankelijk van en bouwen voort op juist de vindingen van die ‘westerse industrie’.

Nu zit ik echt niet op die complimenten en bedankjes te wachten. Ik heb er immers niets aan bijgedragen, dat hebben anderen uit de ‘westerse wereld’ gedaan en ik vind het nogal overdreven om met hun veren te gaan pronken. Dan eigen ik mij iets toe wat mij niet toekomt. En dat geldt voor mij ook met negatieve zaken zoals kolonialisme en milieuvervuiling door industrieën waar ik geen invloed op heb. Daar wil ik niet verantwoordelijk voor worden gehouden en daar ga ik mij niet voor verontschuldigen. Pronken doe ik met mijn eigen veren en verontschuldigen doe ik mij voor mijn eigen daden. Voor de rest probeer ik zo te leven dat ik anderen, ook op het gebied van milieuvervuiling, zo min mogelijk schade toebreng. Ik hoop dat anderen dat ook doen. Als ik hierbij dingen fout doe, dan mag men mij daar gerust op aanspreken. 

Als mijn weigering om me te verexcuseren ervoor zorgt dat mijn streven om het milieu te beschermen: “zo moeilijk aansluiting kan vinden met mensen van kleur,” dan is dat maar zo. Ik weiger te buigen voor deze vorm van morele chantage.

Generatie geleuter!

Ik, en met mij mijn leeftijdsgenoten, hebben het gedaan. Tenminste, als we Rutger Koopmans moeten geloven. Koopmans wordt door de Volkskrant geïnterviewd. Het interview is er een in een serie. Waar gaat die serie over: “De tegenstellingen in Nederland openbaren zich in tal van geledingen. Waar ligt de oorsprong en waartoe zal het leiden? “  Koopmans was: “ooit ING-topman maar tegenwoordig actief als ondernemer bij ‘carrièretransformaties.” Wat hebben ‘we’, mijn leeftijdsgenoten en ik, gedaan?

Bron: Kinderkleurplaat.nl

Nou ‘we’ zijn schuld aan zo ongeveer alle ellende in de wereld. “Wij hebben als geen andere generatie ooit een ongelofelijke aanslag op het milieu gedaan. Pas nu schetsen we oplossingen voor 2030-2040. Zo van: ‘Na ons pensioen doen we die energietransitie wel.’ Maar de inspanningen die moeten worden geleverd, komen bij jullie terecht. Dat is nogal makkelijk. Je ziet hetzelfde bij sociale kwesties als het lerarentekort en het gebrek aan personeel in de zorg.” Zo, daar moet ik het mee doen! Mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa dan maar? Nou, er is nogal wat af te dingen op de redenering van Koopmans.

Koopmans spreekt over generaties en zet daarbij de ‘millennials’ geboren tussen 1980 en 1994 af tegen de ‘verloren generatie X’ geboren tussen 1955 en 1970. Geboren in 1966 behoor ik dan tot die laatste generatie. De Millenials: “groeide op in welvaart tijdens de digitale revolutie, mocht zich vrijelijk ontplooien en werd als ‘schaarstegoed’ in kleine gezinnen gepamperd.”  En Generatie X: “groeide op in de naoorlogse verzorgingsstaat, maar ervoer economische terugval ten tijde van de tweede oliecrisis.” Voor de ‘millenials’ en nog jongeren onder ons, die crisis brak uit na de Iraanse revolutie in 1979. Door die revolutie, die Ayatollah Khomeini aan de macht bracht en van Iran een islamitische republiek maakte, werd de olieaanvoer vanuit dat land onzeker waardoor de prijs ervan steeg. Dit leidde tot een diepe economische crisis. 

Koopmans werpt zich, zo lees ik, op als: “onorthodox vertegenwoordiger van generatie X.” Nu begrijp ik dat Koopmans, als ondernemer, schrijver en onderzoeker van de ‘generatiekloof’, erbij is gebaat om zaken scherp weg te zetten en de waarheid of werkelijkheid soms wat aan te dikken. Dat doet het immers goed in de ‘verkoop’. En dat blijkt want hij wordt als ‘deskundige’ door de Volkskrant geïnterviewd. Nu kan ik mij van mijn jeugd ‘ten tijde van de tweede oliecrisis’ goed herinneren dat de leden van die generatie  X, onderling erg verdeeld waren over waar het met de samenleving naartoe moest. Daarin weken we trouwens niet af van de generaties voor en en na ons. Een deel van ons nam deel aan de grote demonstraties tegen ‘kernraketten’, een ander deel had liever ‘een raket in de tuin, dan een Rus in de keuken’. Door nu over ‘generaties’ te spreken als een eenheid, verhult Koopmans de verschillen tussen mensen die niets met elkaar gemeen hebben behalve hun leeftijd.

Een ander voorbeeld. Koopmans over toen hij afstudeerde op de toekomst van de verzorgingsstaat: “Terugkijkend uitte ik destijds terechte zorgen over de onbetaalbaarheid ervan (de verzorgingsstaat), maar dat gold toen als verderfelijk neoliberale taal.” Dat moet dan begin jaren tachtig zijn geweest. Die kritiek was regeringsbeleid. Het waren de jaren van Lubbers en Ruding met het ‘no nonsense’ beleid van flinke bezuinigingen op de overheidsuitgaven en de sociale zekerheid.

Echt bizar wordt het als Koopmans de volgende vraag krijgt voorgelegd: “Uw generatie verzette zich tegen oude structuren in de jaren zestig en zeventig. Maar ondertussen is niet gewerkt aan nieuwe structuren, voor ons als millennials. Voelt u zich daar schuldig over?” Hij antwoordt: “Ja, we braken vermolmde structuren af, zorgden voor democratisering en betere sociale verhoudingen. Maar toen we het goed hadden geregeld voor onszelf, met een bloem in ons haar, kozen we een nieuw mantra: ‘En nu regeert de marktwerking en is het ieder voor zich.’ We hebben als generatie die aan zet was niet het fundament gelegd voor een verzorgingsstaat nieuwe stijl, waarin het individu minder op zichzelf hoeft terug te vallen dan nu gaat gebeuren.” Tegenwoordig hebben we milieuactiviste Greta Thunberg die zich als puber inzet voor een beter wereld. Volgens Koopmans waren ik en mijn leeftijdsgenoten nog veel eerder politiek actief. Wij waren met de luiers aan en velen zelfs nog niet eens geboren laat staan verwekt, al bezig waren met het afbreken van ‘vermolmde structuren’. Nu weet ik eindelijk waarom ik, als ik kwaad was, de met de ‘Treseblokken’ gebouwde bouwwerkjes van mij broers, sloopte. Die waren vermolmd en dat had ik in mijn kwaadheid natuurlijk goed beoordeeld. Even voor de lezer, ‘Treseblokken, was een soort Lego maar dan anders en die hadden we van onze tante Trees gekregen. Alleen jammer dat ik toen nog niet wist welke ‘structuren’ ervoor in de plaats moesten komen.

Generatie geleuter!

Een ‘gewoon’ gesprek

“Mogen we het hier over hebben?” Die vraag stelt student Brent Hadderingh bij Opiniez. Waarover? Over: “een demografische transformatie van Nederland.” Wat? Over het feit dat de Nederlandse bevolking alleen maar groeit door immigratie. Zonder immigratie zou de bevolking krimpen omdat er te weinig kinderen worden geboren en dat is al lange tijd het geval. Gevolg? “De inheemse bevolking neemt af en de niet-inheemse bevolking neemt toe.” En daarom vraagt Hadderingh zich af of we dit niet moeten: “vaststellen als een feit en een normaal politiek debat over deze ontwikkeling en zijn gevolgen (moeten) voeren?” Een debat zonder: “schrikreacties over dogwhistles, Nazi’s en terroristen? Kunnen we stoppen met elke benoeming van een demografisch feit proberen weg te zetten als een complottheorie?

House of Commons 1834. Bron: Wikipedia

Ja meneer Hadderingh, daar kunnen we best over praten. We kunnen overal over praten. Om het gesprek te openen, een paar vragen. Als eerste de vraag wanneer ben je inheems? Ik stel die vraag omdat u het CBS aanhaalt dat voor 2050 een krimp voorspelt van de bevolking met 1 miljoen en een stijging van mensen met een migratieachtergrond van 50%. Waarop u aanvult: “Neem hierin mee dat met de afbakening die CBS gebruikt, ook mensen tot “Nederlandse achtergrond” gerekend worden, zelfs als zij misschien niet tot de inheemse bevolking horen.” Wanneer verwordt een ‘migratieachtergrond’ tot een ‘Nederlandse achtergrond’ en waarin verschilt die van ‘inheems’ zijn? Dit zijn geen “verboten woorden” zoals u ze noemt, ze zijn wel beladen omdat ze mensen verdelen in drie hiërarchisch, door u verschillend, gewaardeerde groepen.

In uw laatste alinea schrijft u: “Is het nu eindelijk mogelijk om over dit feit een gewoon gesprek te hebben met bepaalde kanten van het politiek spectrum?” Deze zin is op meerdere manieren te begrijpen. Zo kan eruit worden begrepen dat dit gesprek alleen met die bepaalde kanten van het politieke spectrum gevoerd moet worden. Dat roept dan de vraag op: welke kanten? En als vervolg daarop: waarom alleen met die kanten? Er kan ook uit worden begrepen dat hierover met ‘bepaalde kanten’ nu geen gewoon gesprek kan worden gevoerd. Dat roept weer de vraag op welke kanten dat zijn en waarom er met die kanten geen gewoon gesprek is te voeren? Door de manier waarop u ze gebruikt, claimt u morele superioriteit: ‘met mij is wel een gewoon gesprek te voeren’. Sterker nog, het suggereert dat uw gesprekken altijd ‘normaal’ zijn en dat u geen politiek bedrijft.

Daarmee kom ik op een volgende punt. Wat is een gewoon gesprek hierover? Uit uw betoog meen ik op te kunnen maken dat dit een politiek debat is en wel een ‘normaal’ politiek debat. Als ik dit combineer met de ‘bepaalde kanten van het politieke spectrum’ dan lijkt u te zeggen dat met die ‘bepaalde kanten’ geen ‘normaal politiek debat’ is te voeren. Hoe ziet een ‘normaal politiek debat’ eruit? Een politiek debat in onze Tweede Kamer verloopt geheel anders dan in het Engelse Lagerhuis. Trouwens een Kamerdebat van vijftig jaar geleden verschilt wezenlijk van de huidige manier van debatteren. Voor mij is een gewoon gesprek iets anders dan een politiek debat.

Als laatste de belangrijkste vraag. Waarom wilt u dat gesprek voeren? Met andere woorden wat is het doel van een dergelijk gesprek? Omdat u het ‘gewone gesprek’ op een lijn lijkt te stellen met een ‘normaal politiek debat’ wordt die vraag nog belangrijker. In een politiek debat, normaal of abnormaal, hebben de deelnemers altijd een politiek doel. Daarom met welk doel moet dit gesprek of debat worden gevoerd? Ik ben benieuwd naar uw antwoorden

Punk en de boerka

In mijn jeugd, ja dat is lang geleden, vierde punk hoogtij. Punks waren in zwart geklede jongelui met allerlei ijzerwerk in en aan het lichaam. Een hanenkam op het hoofd en als aanhangers van het anarchisme wezen zij onze huidige samenleving af. De echte tenminste want voor de meeste van hen was het gewoon een manier om zich tegen hun ouders af te zetten. Zij waren enkele jaren punk, gingen vervolgens naar de kapper, legden het ijzerwerk af en gingen op in de menigte waartegen ze zich zo hadden afgezet. Een anarchist verzet zich tegen opgelegd gezag. Opgelegd gezag door individuen maar ook door de overheid. Een anarchist verwerpt democratie omdat het individu hierdoor gezag boven zich krijgt. 

Bron: Wikipedia

Waarom dit uitstapje via de punk naar het anarchisme? Ik maak dit uitstapje vanwege het meest besproken kledingstuk van de afgelopen periode, de boerka. Die boerka moet worden bestreden. Waarom? Omdat, zoals Martin Sommer het in de Volkskrant schrijft: “de boerkadraagsters een islam aan(hangen) die deze samenleving radicaal afwijst, zo niet daar actief tegen ten strijde trekt.” Daarom is Sommer: “voor een antiboerkawet maar het exemplaar dat we nu hebben, is een misbaksel.” Dit terwijl er nooit iemand vroeg om een verbod op ‘hanenkammen’.

Het is mij een raadsel hoe een beperkt verbod op een kledingstuk bijdraagt aan het bestrijden van een ideologie die onze samenleving radicaal afwijst. Zelfs bij een algeheel verbod kun je die vraag stellen. Die ideologie zit in de hoofden van mensen, de boerka erom. Tenminste bij het vrouwelijke deel van de aanhangers ervan. Als tegenstander van onze samenleving maken ze zich zo bekend en isoleren ze zich van de rest. Zij wijzen de samenleving af en een groot deel van de samenleving hen. Bovendien is het zo makkelijk om hen in de gaten te houden, zou ik denken. 

De vrijheid om te denken wat je wilt en je mening te uiten is een belangrijk goed in onze samenleving. Ook het denken dat het allemaal anders moet en het afwijzen van het bestaande hoort onder die vrijheid. Dat wordt anders als het denken wordt omgezet in geweldsdaden of het aanzetten daartoe. Dan wordt een grens overschreden en is het aan de overheid om op te treden en te straffen. De overheid treedt op tegen de daden, zij handhaaft de rechtstaat. 

Het is niet aan de overheid om op te treden tegen de woorden, tegen een ideologie. Dat is een taak van de samenleving, van haar inwoners, verenigingen, organisaties, partijen, media enzovoorts. Het is dus ook niet aan de overheid om een ideologie verwerpelijk te vinden. Dat die huidige wet een ‘misbaksel’ is, wordt erdoor veroorzaakt dat een klein deel van politiek Nederland via de wet symboolpolitiek wil bedrijven en een wat groter deel dat kleinere deel de wind uit de zeilen wil nemen. Daarom: “moesten de integraalhelmen en bivakmutsen erbij gesleept worden.” 

In een krachtige open democratische rechtstaat strijden ideologieën in een open debat met elkaar. De overheid ziet toe op het eerlijke verloop ervan. Door die strijd houden de uitersten elkaar in evenwicht. Geloven we nog wel in die kracht? Is het per wet verbieden van (symbolen van) een ideologie daarom niet een zwaktebod voor een open democratische rechtstaat? Duidt een ‘boerkawet’ niet op een gebrek aan geloof in de kracht ervan?

Kleurrijke mensen

In zijn column in de Volkskrant schrijft Stephan Sanders over de film Get Out. Ik heb de film zelf niet gezien dus ik kan er niet over meepraten. Wel stelt Sanders een interessant punt aan de orde: “We spreken hier over de ‘bounty’, de namaak zwarte, die eigenlijk van binnen ‘wit’ is. De aantijging is niet alleen populair in zwarte kring, ook steeds meer witte mensen menen dat ze onderscheid mogen maken tussen ‘echte’ en ‘onechte’ zwarten.” Echte en onechte witten en zwarten suggereert dat er een norm is waaraan je moet voldoen om wit of zwart te zijn.

Bron: Pexels.com

Daarmee zijn we er nog niet. Er is nog een ander onderscheid, zo las ik in een artikel van So Roustayar bij Joop. Roustayar maakt zich in zijn artikel druk over de laatste Amsterdamse Pride. Die blonk, aldus Roustayar, uit door hypocrisie. In zijn betoog spreekt hij over: “twee trans-sekswerkers van kleur die de Pride begonnen.” Het logische deel van mijn brein ging met deze uitspraak aan de slag. Als er ‘mensen van kleur’ zijn dan zijn er dus ook mensen zonder kleur, de ‘kleurlozen’. Van Dale geeft twee betekenissen voor kleurloos, als eerste de logische ‘zonder kleur’ en als tweede ‘Saai: een kleurloos bestaan.’ Door de manier waarop Roustayar het opschrijft zet hij mensen bewust of, en dat hoop ik voor hem, onbewust, weg als ‘saai’. Benieuwd naar deze categorie mensen, stelde ik die vraag aan de auteur. Alleen kwam die op een of andere reden niet door de censuur van de Joop-redactie.

De manier waarop het is geformuleerd geeft echter wel een indruk wie die ‘kleurlozen’ moeten zijn, dat moeten de ‘witte’ mensen zijn. Als dit is wat Roustayar bedoelt, dan krijg ik daar niet zo’n prettig gevoel bij. Als ik niet tot de categorie ‘van kleur’ behoor dan voel ik mij hierdoor behoorlijk op mijn edele deel getrapt. ‘Witten’ zijn de vroegere ‘blanken’. Het woord ‘blank’ kan niet meer omdat het de ‘blanken’ op een voetstuk plaatst, zo betogen de voorstanders van het woord ‘wit’. ‘Blank’ zou immers rein en onbedorven zijn. Maar behoren daartoe dan ook de zwarten die ‘wit’ van binnen zijn? En hoe zit het met de witten die van binnen ‘zwart’ zijn? 

Ik word moe van en mijn haren gaan steeds meer rechtop staan van ergernis van dergelijk hokjesdenken. Hokjes waarin mensen worden gestopt op basis van kleur, seksuele voorkeur of het ontbreken ervan, dichtbij of ver af van de ‘grachtengordel’ enzovoorts. Maar ja, volgens de aanhangers van de ‘intersectionaliteit’ is het nodig omdat dit je ‘identiteit’ bepaalt daarmee ook de eventuele voorsprong (privilege) of achterstand.  Dat is allemaal in assen weer te geven en je identiteit wordt bepaald door de plek waar die assen zich kruisen. Zo wordt bepaald wie jij bent en wat je waarom moet vinden. Voldoe je er niet aan dan kun je een ‘bounty’ zijn. 

De aanhangers van dit ‘kruispuntdenken’ strijden voor de gelijkheid, gelijke behandeling en tegen racisme en discriminatie. Een goede strijd waarbij ze mij aan hun kant vinden. Alleen vraag ik me af of hun middel, deze theorie, wel bijdraagt aan dat doel? Zou je gelijkheid bereiken door iedereen te verdelen in hokjes? Nee, ik ga er toch maar vanuit dat ieder mens kleurrijk is. Een unieke persoon die vanuit dat kleurrijke kleur geeft aan zijn leven en zo ook aan dat van een ander.