Uitgelicht

Cultureel archief

Tegenwoordig is de biografie een populair genre in de boekenwereld. Een boek over het leven van een bekende persoon. Daarbij maakt het niet veel uit of die persoon nog leeft of het tijdige al heeft verruild voor het eeuwige. Van veel bekende (oud)voetballers zijn er een of meerdere verschenen, Cruijf, Kieft, Van der Gijp om er een paar te noemen. Maar ook van politici en topmensen in het bedrijfsleven, Churchill, Drees Steve Jobs. Als je deze boeken leest dan krijg je een indruk van hun leven en de tijd waarin zij leven. Echter, wel een zeer eenzijdige indruk. Ik moest hieraan denken toen ik Witte Onschuld van Gloria Wekker herlas.

Bron: Needpix

In haar boek baseert Gloria Wekker zich op het begrip cultureel archief van Edward Said. Een cultureel archief is: “een speciaal soort kennis en structuren van houding en referentie (en) structuren van gevoel,” zo citeert Wekker Said. In dit cultureel archief  van het westen, zo citeert zij verder, werd er: “nagenoeg unaniem verondersteld dat onderworpen rassen moesten worden overheerst, dat er zoiets bestond als onderworpen rassen, en dat één ras het recht verdiende en voortdurend had verdiend te worden beschouwd als het ras waarvan de voornaamste missie was zich uit te breiden tot buiten zijn eigen domein.”  Dan neemt Wekker zelf het woord: “Het is belangrijk dat Said hier verwijst naar het gegeven dat er in de negentiende-eeuwse Europese imperiale bevolkingen een raciale grammatica ingeplant is, een diepe structuur van ongelijkheid in gedachten en gevoelens gebaseerd op ras, en dat vanuit dit diepe reservoir het culturele archief- onder meer een gevoel over het zelf- gevormd en gefabriceerd werd.” Wekker spreekt hier over ‘Europese imperiale bevolkingen’.

Bij het bestuderen van het verleden zijn bronnen belangrijk. Bronnen zoals uit een bepaalde tijd bewaard gebleven voorwerpen en bouwwerken, sinds de uitvinding van het schrift geschreven documenten en recentelijk geluids- en beeldfragmenten. Alleen kon, tot voor kort, het overgrote deel van de bevolking van welk land dan ook, niet lezen of schrijven. Dat was voorbehouden aan enkelen. In de Middeleeuwen in Europa vooral monniken. En net zoals de biografieën van de bekende voetballers het beeld van de voetbalwereld vertekenen, is de kans groot dat de geschriften van de monniken ons beeld van de Middeleeuwen vertekenen en er een veel te religieuze voorstelling van geven. Voor een goed beeld van de voetbalwereld zijn biografieën over de rechtsachter van het derde elftal van deze of gene amateurclub nodig. En voor een evenwicht beeld, zouden dat er veel meer moeten zijn dan van profs. Er zijn immers veel meer amateurvoetballers. Voor een goed beeld van de Middeleeuwen zouden we ook geschriften over het dagelijkse leven van een horige of lijfeigene moeten beschikken. De mensen waarover in de geschiedenisboeken als groep wordt gesproken en niet, zoals over Karel de Grote, als individu.

Zoals ik in mijn vorige Prikker I’ve got the power al liet zien, leefde het overgrote deel van die bevolking in ellende. Ellende die vergelijkbaar was met de situatie van slaven op plantages. Als we ons dat realiseren, hoe kijken we dan naar die ‘Europese imperiale bevolkingen’? Zou bij die in ellende levende bevolking werkelijk een ‘raciale grammatica’ zijn  ‘ingeplant’? Laten we die vraag eens wat nader bekijken.

Dat ‘inplanten’ moet ergens gebeuren. Een eerste plek waar dat kan gebeuren is in het gezin. Nu weten we onder andere uit Het Kapitaal van Karl Marx, dat het gros van de kinderen al vroeg aan het werk werd gezet.  “Zo blijkt uit de statistieken dat in 1859 maar liefst 450.000 Nederlandse kinderen hele dagen werkten,” zo is te lezen op de site geschiedenis.nl. Nederland kende in dat jaar zo’n 3,3 miljoen inwoners. De stand van het gros van de bevolking stond op ‘overleven’ daarvoor moest alles wijken. Tijd voor ‘inplanten’ was er niet.

Een tweede plek waar ‘ingeplant’ kan worden, is het onderwijs. Maar ja, wie volgde er onderwijs? Op dezelfde pagina op de hierboven aangehaalde site is te lezen:  “Gedurende een groot deel van de 19e eeuw was het voor veel kinderen nog gebruikelijk om vrijwel geen onderwijs te volgen. De meesten moesten namelijk thuis bijdragen aan de inkomsten en werden daarom ingezet als arbeider op het land of in de fabriek.” Die kinderarbeid werd pas aangepakt door het beroemde kinderwetje van Van Houten in 1874. Toen werd kinderarbeid in fabrieken voor kinderen onder de 12 jaar verboden. Let wel in fabrieken, de meeste kinderen werkten toen nog in de landbouw en daar bleef het nog steeds toegestaan. Pas in 1901 werd de leerplicht ingevoerd. Met 50 tegen 49 stemmen werd de eerste leerplichtwet aangenomen. Dit met dank aan het paard van kamerlid en tegenstander van de leerplicht wet Francis David Schimmelpennick. Het geachte kamerlid was namelijk van zijn paard gevallen en kon daarom de stemming niet bijwonen waardoor er een nipte meerderheid was voor de invoering van de leerplicht. Het gros van de negentiende-eeuwse kinderen ging niet naar school en kan daar dus ook niets ingeplant krijgen.

Als laatste kun je je afvragen welk belang de toenmalige ‘kapitalistische elite’ erbij zou hebben om die ‘racistische superioriteit’ in te planten bij de kinderen van de arbeiders en boeren. ‘Implanten’ zou inhouden dat ook de omstandigheden waarin de slaven leefden en werkten aan bod moesten komen. Zou dan de kans niet groot zijn dat die boeren- en  arbeiderskinderen tijdens dat ‘inplanten’ zouden denken: ‘maar wacht eens, waarin verschilt mijn ‘superieure’ situatie van die van de slaaf?’ Dat ‘inplanten’ zou het klassenbewustzijn wel eens flink kunnen bevorderen. Zou de toenmalige ‘kapitalistische elite’ daarop hebben zitten te wachten?

Uitgelicht

I’ve got the power…

Recentelijk las ik Marx’ Het Kapitaal. In dat boek geeft Marx een goed beeld van de leefomstandigheden van de arbeiders in het algemeen en op de Britse eilanden in het bijzonder. Marx geeft in dit boek ook inzicht in de manier waarop er over arbeiders werd gedacht en dat is niet mals. Waarom begin ik hierover? Ik begin hierover omdat Marx over zijn tijd schrijft en probeert te verklaren waarom zaken lopen zoals ze lopen. Die tijd is precies de tijd die centraal staat in de huidige racismediscussie. Het is de periode van de afschaffing van de slavernij, de race om koloniën en de rassenleer. Het is echter ook de periode van de sociale – en de klassenstrijd. In die laatste speelde Marx een belangrijke rol. Ik begin hierover omdat door de huidige min of meer beperking van die periode tot ‘trans-Atlantische slavernij en racisme’ ons, naar mijn mening, op een verkeerd been zet.

Eigen foto

De ellende waarin de slaven in de Amerika’s leefden was schrijnend en krijgt terecht aandacht. De situatie van de slaven verschilde echter niet zoveel van de situatie van de arbeiders. Een voorbeeld dat Marx geeft: “In de laatste weken van juni 1863 kwamen alle dagbladen om Londen met een stuk onder de sensationele kop: Death from simple overwork (Dood door louter overmatige arbeid). Het ging over de dood van de modiste Mary Anne Walkley, 20 jaar, werkzaam in een zeer achtenswaardige hofmodezaak, die werd geëxploiteerd door een dame met de gemoedelijke naam Elise. Het oude en al vaak vertelde verhaal weer nu opnieuw ontdekt: deze meisjes werken gemiddeld 16 1/2 uur, tijdens het seizoen vaak zelfs 30 zonder onderbreking, waarbij hun ‘arbeidskracht’ in stand wordt gehouden door hun af en toe sherry, port of koffie toe te dienen. En men zat juist in de drukste tijd. De pronkgewaden van de nobele ladies moesten in de kortst mogelijke tijd worden klaargetoverd voor het galabal, dat gegeven werd ter inhuldiging van de vers geïmporteerde prinses van Wales. Mary Anne Walkley had samen met zestig andere meisjes 261 uur onafgebroken gewerkt. Met dertigen  zaten ze in één kamer, die nauwelijks de helft van de noodzakelijke kubieke meters lucht bevatte; ’s nachts moesten ze in een van de stinkholen, waarvan men slaapkamers had gemaakt door ze met verschillende tussenschotten te verdelen, met z’n tweeën één bed delen. En dit was een van de betere modezaken in Londen. Mary Ann Walkley werd op vrijdag ziek en overleed op zondag, en – tot grote verbazing van madame Elise – zonder het laatste kleding stuk te hebben afgemaakt. De te laat aan het sterfbed geroepen arts verklaarde bij de lijkschouwing voor de jury in droge bewoordingen:´Mary Anne Walkley is gestorven door lange arbeidsuren in een te vol arbeidsvertrek en in een te klein en slecht geventileerd slaapvertrek.’ Om de arts een lesje in goede manieren te geven verklaarde de jury: ‘De overledene is gestorven aan apoplexie, maar er zijn redenen om te vrezen dat haar dood werd bespoedigd door overmatige arbeid in een te volle werkplaats enzovoorts.”  

Dit is slechts één van de vele beschrijving van de arbeidsomstandigheden die Marx geeft en de manier waarop er over arbeiders werd gedacht en hoe ermee werd omgegaan. Mary Anne was twintig en daarmee al een ervaren naaister. Kinderen werden in die tijd al vroeg ‘aan het werk’ gezet, soms al vanaf hun zesde. En dan niet een paar uurtjes, de arbeidsdag duurde minimaal 10 uur en die uren werden vaak ook nog eens gespreid over twee of drie blokken met een tussenpauze van een paar uur. Kwam je ‘tussen de machine’ en kon je niet meer werken, dan had je pech en was je aangewezen op de bedeling.

Naast de arbeidsomstandigheden beschrijft Marx ook de huisvesting van de arbeiders en ook daar lusten de honden geen brood van. Laat staan dat ze in die omstandigheden zouden willen wonen. Die woning zat in de regel verbonden aan je werk. Zonder werk geen huis en dat maakte je afhankelijkheid van de ‘kapitalist’ zoals Marx hem noemt. nog steviger. Bovendien woonde je zelden alleen met je gezin achter een voordeur. Was er een periode minder of geen werk, dan had je ook minder of geen inkomen. Je huur moest je natuurlijk wel blijven betalen.

Een van de uitwassen van de trans-Atlantische slavernij was het ‘verbruiken’ van mensen alsof ze het ‘gebruiksgoederen’ zijn. Ook daarvan geeft Marx een treffende beschrijving. “De slavenhouder koopt zijn arbeiders zoals hij een paard koopt.” Ook zag hij de funeste invloed van toestroom van steeds nieuwe slaven op de manier waarop ze werden behandeld. Zodra de slaaf namelijk makkelijk kan worden vervangen: “wordt zijn levensduur minder belangrijk dan zijn productiviteit tijdens zijn leven.” Op eenzelfde manier werd echter ook over arbeiders gedacht. In tijden van overschot aan arbeid werden arbeiders ‘verscheept’ naar andere plekken: “Maar de heren fabrikanten stelden toen de opzichters van het armenwezen voor de ‘overtollige bevolking’ van de landbouwgebieden naar het noorden te sturen, waarbij ze verklaarden dat ‘de fabrikanten hen zouden absorberen en verbruiken’”. En hoe dat in zijn werk ging: “De fabrikanten gingen naar de kantoren van de agenten en nadat ze daar hadden uitgezocht wat hun geschikt leek, werden de gezinnen vanuit het zuiden van Engeland verzonden. Deze pakketten mensen werden, zoals balen goederen, voorzien van etiketten en per boot of wagen afgevoerd; sommigen kwamen te voet aan en velen dwaalden verloren en half uitgehongerd in de industriegebieden rond. Dit alles ontwikkelde zich tot een ware tak van handel. … Deze regelmatige handel, dit gesjacher met mensenvlees, duurde voort en deze mensen werden gekocht en verkocht door agenten in Manchester aan fabrikanten in Manchester, even simpel als negers aan de katoenplanters in de zuidelijke staten.”

De behandeling van de arbeiders lijkt verdacht veel op de manier waarop de slaven werden behandeld. Enige verschil met de trans-Atlantische slavernij is dat de arbeiders een lichte huidskleur hadden. In de huidige discussie wordt een hele snelle link gelegd kolonialisme, slavernij en racisme. Racisme waarbij blank zich superieur acht aan donker. Nu zullen die arbeiders waarmee net zo werd gesold als de Afrikaanse slaven, echt wel wat anders aan hun hoofd hebben gehad, dan zich ‘superieur’ te voelen. Daar waren ze in het geheel niet mee bezig. Daar hadden ze geen tijd voor omdat ze minstens tien en meestal tussen de veertien en achttien uur per dag moesten werken.

Door nu de nadruk te leggen op ‘racisme dat een gevolg is van kolonialisme en slavernij’ en daarbij te kijken naar ‘blank’ als dader en veroorzaker, raakt iets anders buiten beeld. Buiten beeld raakt dat uitbuiting en superieur voelen niet verbonden is aan kleur, maar aan macht. Macht en rijkdom moet zich op een of andere manier ‘legitimeren’. Het moet ‘normaal’ gemaakt worden. Dat is in de geschiedenis van de mensheid al op verschillende manieren gedaan. Neem bijvoorbeeld de farao van oude Egyptenaren. Dat was een ‘god’, bovenaards en daarmee is het niet vreemd om die figuur de absolute macht te geven en te laten baden in rijkdom en luxe. Als de god-koning ineens minder ‘goddelijk’ blijkt, dan kun je hem nog altijd ‘gezant van god’ maken of ‘aangesteld door god’. Of je introduceert een door god of de goddelijkheid geïnstigeerd soort kastensysteem zoals in India of in Europa tijdens het feodalisme. Dan word je geboren als ‘onaanraakbare’ of ‘lijfeigene’ en dat blijf je en je kinderen ‘erven’ het van je. Net zoals je de adellijke status ‘erft’. Als we naar onze huidige samenleving kijken, dan speelt het ‘erven’ van luxe en positie nog steeds een rol. Neem bijvoorbeeld de entertainmentfamilie De Mol. Dat wordt tegenwoordig ‘gelegitimeerd’ op een meritocratische manier. Door te betogen dat het ‘verdiend’ is op basis van kwaliteit en kennis. Ja, in Nederland is de groep die zich van deze redenering moeten bedienen om hun macht en rijkdom te verdedigen, voor het overgrote deel blank. Dat is te verklaren omdat mensen met een andere huidskleur dan de blanke tot voor een jaar of vijftig, zestig met een lamp gezocht moesten worden en ook nu heeft het overgrote deel nog steeds de blanke huidskleur.

Aan de andere kant, het overgrote deel van de mensen met een blanke huidskleur behoort niet tot degenen die hun macht en rijkdom moeten verdedigen. Simpelweg omdat die er niet is. Een groot deel van hen ziet wellicht ook veel in een eerlijkere verdeling van macht en rijkdom. Zou het in de strijd voor een betere, eerlijker en rechtvaardigere samenleving helpen om die strijd te voeren door de nadruk te leggen op huidskleur? Volgens mij is het veel belangrijker om die strijd tegen de macht samen te voeren dan in ‘kleuren verdeeld’ elkaar onderling de tent uit te vechten. Daar worden de machtigen alleen maar machtiger van.

Uitgelicht

Op de man spelen, maar dan anders

                “Jongens, ik ben moe. Ben jij moe? Ben je het niet zat om die eendimensionale karikatuur te zijn van een man die de wereld ons vertelt te zijn? Het soort dat snel zijn vuisten gebruikt, zich vast en bang voelt maar dit niet kan laten zien. Het soort dat stoer en sterk is, dat geen zwakte toont, altijd in controle is. Ik ben het zat dat we elkaar, onszelf en vrouwen pijn doen.” Die vragen stelt Mohammed Saiah bij Joop. Vervolgens geeft hij dertien acties die ik als man kan ondernemen om het geweld tegen vrouwen te stoppen en als dat niet lukt, in ieder geval te verminderen. Wel meneer Saiah, om antwoord te geven op uw eerste vraag of ik moe ben: Nee, ik ben niet moe, in bent HET wel moe.

Bron: Pixnio

Ik ben HET moe om te worden aangesproken op een ‘eendimensionale karikatuur’ van wat het ‘man zijn’ inhoudt, waarin ik me totaal niet herken.

Ik ben HET moe dat mij wordt verweten dat ‘we elkaar, onszelf en vrouwen pijn doen’.

Ik ben HET moe om als een klein kind de les gelezen te worden via ‘dertien acties’ die ik kan ondernemen. Tips als: “Accepteer en neem onze verantwoordelijkheid dat geweld tegen vrouwen niet zal eindigen totdat mannen deel uitmaken van de oplossing om het te beëindigen. We moeten een actieve rol spelen bij het creëren van een culturele en sociale verandering die niet langer geweld tegen vrouwen tolereert.” Geweld tegen een ander, man, vrouw of kind wórdt niet getolereerd. Het is bij wet verboden. En tips als: “Stop met het ondersteunen van het idee dat mannelijk geweld tegen vrouwen te wijten is aan psychische aandoeningen, gebrek aan vaardigheden voor woedebeheersing, chemische afhankelijkheid, stress, enz. Geweld tegen vrouwen is geworteld in de historische onderdrukking van vrouwen en de uitgroei van de socialisatie van mannen.” Als geweld werkelijk alleen wordt veroorzaakt door de ‘socialisatie van mannen’, dan gaat er toch veel mis. Een flinke meerderheid van de mannen gebruikt immers geen geweld.

Ik ben HET moe dat ik steeds weer verantwoordelijk wordt gesteld en gehouden voor daden van anderen. Dat ik een blanke man ben, daar kan ik niets aan doen. Zo ben ik geboren. Dat blanke mensen (net zoals trouwens mensen met een andere huidskleur) er soms een puinhoop van maken, dat:  “Negen op de tien plegers van fysiek of seksueel geweld tegen vrouwen (…)een man” is, maakt mij daar niet voor verantwoordelijk. Daarvoor zijn de daders van dat geweld verantwoordelijk. Die dienen daarop te worden aangesproken. Er is geen: “huidige cultuur van mannelijkheid die dit toestaat.” Er zijn wetten die dit verbieden. Die wetten zijn de gestaalde kaders van onze cultuur. Dat is onze ‘cultuur’ en niet alleen van mannelijkheid.

Ik ben HET moe om door anderen in een groep te worden geduwd waar ik niet bij wil horen en niet bij hoor. JA, ik ben een man. Maar NEE, ik ben niet: “ bang dat (ik) het niet goed (zal) doen, dat iemand (mij) niet mag, dat (ik) er zwak uit zie.” Ik ben nietbang om te zeggen: “Ik hou van je”, of “Het spijt me”, of “Ik kan het niet”, of gewoon, “Gast, kan je alsjeblieft stoppen met willekeurige vrouwen op straat na te roepen?”  En NEE, ik ga me niet aansluiten bij: “een beweging van mannen die niet bang zijn om geweld tegen vrouwen te stoppen.”

Ik BEN het moe om met een grove bezem op een hoop te worden geveegd zoals Petra Meese in haar artikel bij Joop: “Waarom zijn Limburgers zo? Diep in mijn hart zeg ik, dat het met name door de onwetendheid komt dat men zo denkt. Dus de oplossing hiervan is: beter onderwijs, betere voorlichting.”

Kortom ik BEN het moe om te worden ‘geprofileerd’ en ‘gekarikaturiseerd’. Ik wil worden gezien als de mens en individu die ik ben. Niet als een ‘kruispunt’ van kenmerken als huidskleur, sekse, gender et cetera volgens de ‘intersectionaliteitstheorie’. Een ‘kruispunt’ waaraan vervolgens allerlei vooroordelen worden gehangen. Toch bijzonder dat strijders tegen raciale vooroordelen niet de mens en het individu willen zien, maar een verzameling van vooroordelen.

Uitgelicht

‘Op de man spelen’

                Een docent aan de  Universiteit van Amsterdam schijnt zich te hebben misdragen in de richting van vrouwelijke studenten: “hij maakte namelijk opmerkingen over sperma en complimenteerde studentes met hun borsten.”  Zo lees ik in een artikel van student filosofie Tammie Schoots bij Joop. Dit leidde tot protesten. Protesten waarop anderen weer reageerden: “Zo maakte Sjoerd de Jong zich in NRC druk dat de naam van de docent te vinden was en stelde hoogleraar Han van der Maas in Universiteitskrant Folia dat het protest wel erg op een volksgericht tegen de desbetreffende docent leek.” Dit is tegen het zere been van Schoots. Daarbij gaat het er niet om wat de twee inbrengen, maar om wie het inbrengt: “Deze ‘adviesgevers’ en ‘opiniemakers’ hadden allemaal één ding gemeen: het waren stuk voor stuk witte heteroseksuele cis-gender mannen.”  En ‘witte heteroseksuele cis-gender mannen’ mogen niets zeggen als: “zij zelf impliciet onderdeel van het probleem zijn.”  Een bijzonder betoog om twee redenen.

Bron: WikimediaCommons

Bijzonder is dat als een ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ over de schreef gaat dan moeten alle andere mensen die aan deze omschrijving voldoen, zwijgen. Dus als een man van een andere huidskleur, sekse of gender hetzelfde had ingebracht, was het wel oké? Schoots’ redenering is een voorbeeld van ‘intersectioneel denken’. Er wordt niet naar het geval gekeken, maar naar bepaalde aspecten van de dader die in het betoog van de schrijver te pas komen en die worden veralgemeniseerd. Waarom kiest Schoots ervoor om juist die ‘kruispunten van identiteit’ eruit te pakken? Waarom moet alleen de ‘witte heteroseksuele cis-gender’ man zwijgen? Mannen met een andere huidskleur kunnen toch ook over de schreef gaan? Waarom alleen de ‘heteroseksuele man’, zijn er dan geen homoseksuele mannen die over de schreef kunnen gaan? Waarom alleen de cis-gender man’, zijn er dan geen trans-gender mannen die over de schreef kunnen gaan? Waarom trouwens alleen mannen, zijn er geen vrouwen die over de schreef kunnen gaan? Waarom worden niet alle docenten uitgesloten van deelname? De persoon die men verdenkt was immers docent Conservering en Restauratie van Cultureel Erfgoed. Waarom niet iedereen die conservator is? Of restaurateur? Of die iets heeft met industrieel erfgoed? Of die afkomstig is uit de woon- of geboorteplaats van de betreffende docent? Of mensen die een voorliefde hebben voor het favoriete vakantieland van de docent?

Nee, het moet specifiek deze combinatie zijn. De ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ is namelijk de favoriete zondebok van de aanhangers van deze theorie. Die heeft schuld aan zo ongeveer alles. Al vraag ik me trouwens af of het gros van de mensen die tot die categorie behoren, weten dat ze ertoe behoren. Buiten de aanhangers van die theorie ben ik nog niemand tegen gekomen die zichzelf als ‘cis-gender’ omschrijft. Terwijl die theorie toch is bedoeld om je ‘identiteit’ te bepalen. Die ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ moet van zijn troon bovenop de apenrots worden gestoten. Die moet flink wat toontjes lager zingen. Nu kent onze samenleving inderdaad veel gelijkenissen met die apenrots en inderdaad zitten er aan de top veel ‘witte heteroseksuele cis-gender mannen’. In deze contreien is de dominante huidskleur de blanke, dat maakt het logisch dat de top van de ‘rots’ vooral blank is. Omdat de overgrote meerderheid van de bevolking cis-gender is, is het ook logisch dat die top dominant cis-gender is. Het enige wat op deze manier niet logisch is aan de top van de rots, is dat de steeds kleiner wordende meerderheid man is. Dat is dan weer te verklaren vanuit de geschiedenis. Dat het zo is te verklaren maakt niet dat het zo goed is of moet blijven. Dat dit anders moet, daar ben ik het helemaal mee eens. Het gros van de ‘witte heteroseksuele cis-gender mannen’ behoort echter niet tot die top van de apenrots, die zitten lager in de hiërarchie en een flink deel bungelt aan de onderkant. Die apenrots is namelijk niet gebaseerd op kleur, sekse of gender, die is gebaseerd op macht. Om die macht eerlijker verdeeld te krijgen, helpt het niet om een groot gedeelte van je mogelijke bondgenoten, de ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ op de onderste helft van de rots, tot vijand te verklaren. Dan zou je wel eens kunnen bereiken wat je niet wilt, namelijk dat deze groep zich schaart achter die top die je juist wilt veranderen.

                 Het tweede bijzondere, of beter gezegd pijnlijke, aan haar betoog is dat het een van de zwakste manieren van het voeren van een maatschappelijke discussie is. Zo ongeveer het eerste treetje boven dreigen met geweld. Schoots ‘stelt’, om een Duits woord wat te verhaspelen, mensen ‘kalt’. Ze diskwalificeert ze in een gesprek om wie of wat ze zijn. Noem iemand fascist of racist en alles wat die persoon zegt, is bij voorbaat niet relevant. In dit geval noem iemand een ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ en alles wat de persoon zegt, is van geen waarde. Die doet niet meer mee. Als dit is wat studenten op de Universiteit van Amsterdam in het algemeen leren, dan maak ik mij grote zorgen om de toekomst van ons allen. Een schoolvoorbeeld van een ‘argumentum ad hominem’ om de Latijnse benaming te gebruiken. Al vrees ik dat dit bij Schoots een onbekende term is. En dat geeft te denken over de studie filosofie die Schoots volgt.

Uitgelicht

‘Identiteitsgetoeter’

Volgens PVV-er Martin Bosma zitten we in Nederland in de kramp. Die kramp wordt veroorzaakt door: “al dat identiteitsgetoeter en doordat we dus heel het begrippenapparaat dat een kwart eeuw geleden werd ontwikkeld op Amerikaanse universiteiten om dat over te nemen en mensen in allerlei raciale hokjes te douwen en mensen moeten dan hun huidskleur worden.”  Zo zegt hij in een interview met Ongehoord Nederland. Nu ben ik het zelden met de PVV of een PVV-er eens, maar dat er ‘identiteitspolitiek’ niet goed is voor een samenleving, daar is veel voor te zeggen. ‘Identiteitspolitiek’ verdeelt mensen in ‘wij’ en ‘zij’. Toch voel ik de schoen ergens knellen.

Gratis Afbeeldingen : sneeuw, winter, muziek-, teken, Hoorn ...
Bron: Pixhere

Dat ‘identiteitsgetoeter’ waar Bosman tegen fulmineert, is gebaseerd op het ‘intersectioneel denken’. In dit denken wordt je identiteit bepaald door je sekse, gender, huidskleur, beperkingen, opleiding, beroep, religie, geboorteplaats en nog veel meer. Al deze ‘assen’ zoals ze het noemen kennen een machtsverdeling: man is macht, vrouw is machteloos, universitaire bul is macht alleen vmbo is machteloos enzovoorts. Zit je aan de ‘macht’ kant van een as, dan heb je op dat punt ‘privilege’. Je ‘identiteit’ wordt bepaald door het punt waar al die ‘assen’ zich kruisen.  Op die kruispunten zouden we elkaar dan moeten vinden. In extremis leidt dit er echter toe dat ieder individu op zijn eigen kruispunt staat en dat we elkaar nooit zullen vinden. Dit zorgt voor een hele zware en statische ‘identiteit’. Zelf denk ik anders over identiteit, ik zie mijn identiteit veel meer fluïde of licht. Dat Bosman hiertegen ageert, kan ik goed begrijpen.

Die knellende schoen zit op een ander punt. Dit is namelijk niet het enige ‘identiteitsgetoeter’ waar we mee te maken hebben. Er is een andere, minstens zo starre, verdelende en polariserende vorm. Een oude, negentiende-eeuwse vorm in een nieuw jasje: de nationalistische vorm. De vorm waarvan Bosma’s partij een van de grote voorvechters is. Een vorm die begint met het bekende mantra: ‘wij zijn een joods, christelijk, humanistische samenleving’. Daarbij vergetende dat die christenen elkaar onderling eeuwenlang de tent uit hebben gevochten en dat ze gezamenlijk nogal afwerend, om het zacht uit te drukken, stonden tegenover joden. Vervolgens wordt er nog iets aan toegevoegd over ‘trots op Nederland’ en nog wat ‘trots op onze geschiedenis’. Een verhaal waarmee iedereen die niet joods, christelijk of humanistisch is of wiens voorouders geen deel uitmaakten van die trotse geschiedenis wordt buitengesloten. Die hoort er niet bij en zal er ook nooit bij horen. Een moslim bijvoorbeeld: “Nederland de-islamiseren … Alle moskeeën en islamitische scholen dicht, verbod koran,”  of: “Criminelen met een dubbele nationaliteit denaturaliseren en uitzetten,” aldus het programma van Bosma’s partij. Dit ‘identiteit-getoeter’ dat in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd verwoord door de verketterde Centrumpartij van Hans Janmaat met  de woorden: ‘we schaffen de multiculturele samenleving af’, is sinds een kwarteeuw bijzonder populair geworden. Ook dit ‘identiteitsdenken’ maakt van identiteit iets zwaars en statisch.

Zou Bosma in de gaten hebben dat de ‘kramp’ in Nederland ook door het ‘nationalistische identiteitsgetoeter’ wordt veroorzaakt? Getoeter waarin hij en zijn PVV en sinds een paar jaar ook Baudet en zijn Forum voor Democratie een hoofdrol vertolken. Dit toetert namelijk met hoofdletters tegen grote groepen mensen: ‘jullie zullen er nooit bij horen’.

Uitgelicht

Wit privilege’ of ‘nieuwkomers nadeel’?

                “We moeten de oude dooddoeners opzij zetten die het gesprek over racisme zo lang hebben bemoeilijkt.” De laatste woorden van een artikel in de Volkskrant van historicus Karwan Fatah. Volgens Fatah helpt in de discussie niet: “alles, letterlijk, weg te maken met (economisch) cijferwerk of jij-bakken als ‘de Arabieren deden het ook’, hebben we omvattender analyses nodig. Niet alleen van de achtergrond van Zwarte Piet, ook van koloniale standbeelden.”  Zeker niet omdat die: “relativerende benadering, die ook sommige historici voorstaan, (…) bol (staat) van feitelijke onjuistheden en leidt niet tot historisch inzicht en nuance.” Even vooraf, met een gesprek voeren over racisme is niets mis. Ondanks de vele aandacht in de diverse media voor het onderwerp wordt er zelden of nooit een gesprek over gevoerd. Er wordt vooral gezonden, of beter gezegd naar elkaar geschreeuwd. Ik vraag me wel af of Fatah bereid is tot een werkelijk gesprek.

De fluyt, een schip dat de Hollanders gebruikten voor de handel met de Oostzee en het Baltisch gebied. Bron: Wikipedia

                Ik vraag me dat af omdat hij iemand die aangeeft dat de trans-Atlantische slavernij een loot is aan een veel bredere stam of iemand die aangeeft dat het beeld dat de westerse rijkdom is gebaseerd op die slavenhandel, allebei historische feiten, weg zet als een ‘dooddoener’, als een ‘jij-bakken bakker’. Als iemand die alles weg relativeert. Voor wat betreft de ‘slavenbasis’ van de economie is er meer voor te zeggen dat de Amsterdamse rijkdom is gebaseerd op het bloed, zweet en tranen van Poolse, Oost-Pruisische, Lijflandse en later Russische lijfeigenen, een andere term voor slaaf, en horigen, kleine boeren met een eigen stukje land en de plicht om een flink deel van hun tijd voor niets te werken op het land van de landheer. Die horigen mochten hun dorp trouwens vaak ook niet verlaten. Ze zaten net zo klem als de Pakistaanse bouwvakkers die nu in Qatar de voetbalstadions voor de komende wereldkampioenschappen bouwen. Die lijfeigenen en horigen produceerden namelijk de producten (onder andere het graan en hout) die de basis en bulk vormden van Amsterdam als stapelmarkt. Aan dat lijfeigenschap en horigheid kwam in het oosten van Europa pas zo rond 1860 een einde.

                Dergelijke geschiedenissen en ook ‘de Arabieren deden het ook’ verhalen, zijn niet bedoeld om het gesprek uit de weg te gaan. Ze zijn, net zoals het erop wijzen dat Afrikaanse heerser volop meededen en verdienden aan de handel in vooral leden van een ander volk, bedoeld om het tijdsbeeld te schetsen. En een tijdsbeeld is relevant omdat dit het kader is waarin ons aller voorvaderen leefden, moesten overleven en handelen. Ze geven context. Vreemd dat een historicus een gebeurtenis wil bezien zonder de context. Daardoor lijkt het alsof hij de trans-Atlantische slavernij een bijzondere en unieke plek in de geschiedenis wil geven. Een unieke plek in de geschiedenis die hij nodig heeft om in het heden iets te bereiken. 

Wat hij wil bereiken daarover is hij duidelijk. Hij wil het namelijk hebben over: “de doorwerking (van) deze geschiedenis,” in het heden. Fatah: “En daarover zijn de VN en de EU onverbiddelijk: de structurele achterstelling van mensen van Afrikaanse afkomst is het gevolg van racisme, voortkomend uit slavernij en kolonialisme.” Maar dat de EU en de VN iets zeggen, wil nog niet zeggen dat het ook werkelijk zo is. Beide organen zijn politieke organen. Waarbij de ‘waarheid’ wordt bepaald door het aantal stemmen dat men voor iets haalt. Dat even terzijde. Fatah wil alle context buiten beschouwing laten omdat die context zijn gedachtelijn verzwakt. Als kolonialisme en slavernij namelijk niet uniek westers zijn, maar iets van de mensheid in het algemeen, zoals ik onder andere in Veelkleurige geschiedenis betoog, dan moet er een andere verklaring zijn voor het racisme. Wellicht is er dan een andere verklaring dan racisme voor het feit dat mensen die pas twee of drie generaties in Nederland zijn, achterblijven bij mensen wiens voorvaderen al generaties lang hier wonen, zoals ik in mijn brief aan Sylvana Simons betoogde. Dan zou het wel eens kunnen zijn dat er geen sprake is van ‘wit privilege’ maar van een ‘nieuwkomers nadeel’. Een nadeel dat je in een vreemd land komt waar je niemand kent. En als het verleden iets laat zien dan is het dat het een generatie of vijf kost voor een dergelijk nadeel helemaal is verdwenen. Pas dan is er sprake van een gelijkwaardig netwerk in de samenleving.

Dan moeten we het gesprek misschien niet voeren over ‘racisme’ en ‘wit privilege’ maar over manieren om het ‘nieuwkomers nadeel’ sneller dan in vijf generaties weg te werken. Wellicht is dat een veel vruchtbaarder gesprek.

Uitgelicht

Beste Sylvana Simons,

“Ben je stil of ben je solidair?” Dat is de kop boven uw schrijven bij dekanttekening.nl. Nu weet ik niet of u die kop er zelf boven hebt gezet of dat dit het werk van de redactie is, maar dat maakt ook niet uit. De vraag staat er en daarom een antwoord. Laat ik u niet in spanning houden, ik ben solidair en zeker niet stil in de strijd voor een rechtvaardige samenleving met gelijke kansen voor eenieder. In de strijd daarvoor vindt u mij aan uw zijde. Op mijn website www.ballonnendoorprikker.nl vindt u daarvan vele voorbeelden. Op twee punten in uw schrijven wordt dat wat lastiger. Laat ik ze één voor één behandelen.

Bron: Pixabay

Als eerste kan ik mij niet vinden in uw omschrijving van onze samenleving. Die is volgens u, en dit is mijn vertaling van uw woorden, ernstig ziek. Mijn vertaling van de passage: “Hij (Premier Rutte) krijgt het niet voor elkaar te erkennen dat de karikatuur slechts een symptoom is van een veel ernstiger ziekte, die zich in elke cel van onze samenleving heeft geworteld.” Symptomen van die ziekte zijn, volgens u: “onderadvisering in het onderwijs, uitsluiting op de stagemarkt en discriminatie bij uitzendbureaus. Dan van discriminatie op de arbeidsmarkt én op de woningmarkt naar etnisch profileren bij de belastingdienst en politie.” U noemt de naam van de ziekte niet expliciet, maar uit uw betoog meen ik op te maken dat die ziekte racisme heet. Mocht ik dit verkeerd zien, dan hoor ik dat graag van u. Dat onderadvisering in het onderwijs een probleem is, dat groepen Nederlanders het lastig hebben bij het vinden van een stage of een baan, staat buiten kijf. Dat daar wat aan moet worden gedaan ook. Dat ook echt wordt gediscrimineerd door mensen, geloof ik meteen. Dat ook de overheid, net als het bedrijfsleven profileert, is een feit. Toch ben ik het niet eens met uw conclusie dat dit symptomen zijn van die ernstige ziekte.

Al deze ‘symptomen’ kennen meerdere mogelijke oorzaken. Oorzaken die u buiten beschouwing laat. Laat ik ze eens langs lopen. Als eerste de onderadvisering. Onderadvisering vindt vooral een verklaring in het opleidingsniveaau van ouders, zo laat geograaf Josse de Voogd zien in een artikel in de Volkskrant. Heb je hoogopgeleide ouders, dan krijg je een hoger schooladvies dan een kind met een vergelijkbaar profiel en score van lager opgeleide ouders. En als het schooladvies al niet hoog  genoeg is, dan praten de hoogopgeleide ouders het wel omhoog. Dit is trouwens niets nieuws, dit gebeurde ook in tijden dat de scholen nog vooral door mensen van één huidskleur werden bevolkt. Het kind van de notaris kreeg bij een gelijke score een hoger advies dan het kind van de ijzervlechter. Bovendien zijn er vaak hele goede redenen waarom een kind een lager advies krijgt dan er op basis van bijvoorbeeld de cito-score mogelijk is. In een ingezonden brief in de Volkskrant van Heleen Houtermann, zoals ze zelf schrijft, “Jarenlang (…) met hart en ziel groepsleerkracht van groep 8 geweest,” legt zij uit dat: “naast de cognitieve capaciteiten ook om het welbevinden en het zelfvertrouwen dat een kind, in welk milieu dan ook, ervaart,” gaat.  En als er aan dat zelfvertrouwen wat mankeert dan kan een lager advies wel eens een heel goede keuze zijn. Houtermann: “Een kind met capaciteiten en een laag zelfbeeld is kansloos.”  En ja, dat gaat niet altijd goed en daarvan is een kind de dupe en dat is helaas niet te voorkomen. Als we onderadvisering alleen aan racisme koppelen, dan lopen we het grote risico dat een hele grote groep kinderen wordt vergeten. Ook lopen we dan het risico dat we voorbij gaan aan de professionaliteit van mensen als mevrouw Houtermann.

Dan de ‘uitsluiting op de stage- en banenmarkt’. Een erg krasse formulering die suggereert dat er van opzet sprake is. Dat zal in enkele gevallen best zo zijn. Ik waag echter te betwijfelen of er in het gros van de gevallen werkelijk sprake is van uitsluiting. Dat de kans op een baan met eenzelfde opleiding voor mensen niet even groot is, staat als een paal boven water. Dat is echter ook niets nieuws. Ook het vijftig jaar geleden afgestudeerde kind van die notaris had een grotere kans op een baan dan het kind van de ijzervlechter. Bij het vinden van een baan en ook van een stageplek, is niet zo zeer kennis van belang als wel kennissen. Voor wat betreft banen voor hun afgestudeerde kind is de kans heel groot dat de notaris een relevanter netwerk heeft. Zo heeft een kind waarvan de voorouders al meer dan honderd jaar in dit land wonen een grotere kans op het hebben van een relevant netwerk dan een kind waarvan de ouders of grootouders naar hier zijn gekomen. Dit verschil is onmogelijk te overbruggen. Dat dit onmogelijk is, wil echter niet zeggen dat we er niet voor kunnen zorgen dat de kansen van het kind zonder relevant netwerk worden vergroot. Daarbij helpt het niet, zo is mijn inschatting, als we hier het label racisme op plakken. Dan is de kans groot dat we verzanden in een welles-nietes discussie waarmee niemand is geholpen. Dan zal, zoals Gert-Jan Geling het ook bij deKanttekening.nl schrijft: “het midden (gaan) twijfelen, en de goodwill van de kritische massa voor de strijd tegen racisme zal snel verdwijnen.”

Als laatste het ‘etnisch profileren’ door bijvoorbeeld de Belastingdienst en de politie. Dat er bij de bestrijding van misdaad geprofileerd wordt is van alle tijden. Voor het oplossen van een misdaad is een profiel van de dader onontbeerlijk. Zonder een profiel zijn er immers bijna acht miljard mogelijke daders. Dus is het van belang om te weten hoe lang, zwaar, breed de verdachte ongeveer was. Wat de oog- en haarkleur en de haarlengte was, al zijn haarkleur en -lengte minder betrouwbaar omdat die geknipt en geverfd kunnen zijn of worden. Dit is achteraf profileren, als er al een misdrijf is gepleegd, en daar zal niemand bezwaar tegen hebben.

Anders is dat met vooraf profileren, dan wordt op basis van cijfers uit het verleden een profiel gemaakt van vroegere daders en dat wordt toegepast op mensen in het heden. Mensen met kenmerken die overeenkomen met die van vroegere plegers van misdrijven. Die worden vervolgens extra in de gaten gehouden en gecontroleerd. Deze manier van werken is in de tijd van de ‘big data’ erg populair en makkelijk toe te passen. Laat een algoritme zoeken naar correlatie in een hele hoop data en er komt altijd wel wat naar boven. Dit is de basis onder het bedrijfsmodel van de Facebooks, Googles en Amazons van deze wereld. Een voorbeeld. Als uit het verleden blijkt dat belastingfraudeurs vaak vastgoed in het buitenland hebben, dan zullen mensen met vastgoed in het buitenland vaker voor controle in aanmerking komen. Als ook blijkt dat een flink deel van die ‘frauderende vastgoedeigenaren’ een dubbele nationaliteit hebben, dan is het hebben van een dubbele nationaliteit bij deze manier van werken ook een aanleiding voor extra controle. Dit vooraf profileren is nooit ongevaarlijk, vaak hinderlijk en soms zelfs zeer gevaarlijk. Deze manier van werken heeft als nadeel dat ze zelfbevestigend is. Immers, als ik die groep vaker ga controleren dan de andere, dan zal dat leiden tot relatief nog meer ‘fraudeurs met buitenlands vastgoed en een dubbele nationaliteit’. Niet omdat die er meer zijn maar omdat ze een veel grotere kans hebben om tegen de lamp te lopen dan een ‘fraudeur zonder buitenlands vastgoed’. Dit is een heel ‘luie’ manier van werken omdat er niet wordt nagedacht en oorzaak en gevolg vaak worden verwisseld. Dat bijvoorbeeld mensen met een dubbele nationaliteit vaker vastgoed in het buitenland hebben, is op een veel logischer manier te verklaren dan om ‘er fraude mee te plegen’.

Dat overheden aan de slag gaan met ‘big data’ en met profielen heeft, naar mijn mening, een heel andere oorzaak. Een oorzaak die helemaal niet met racisme en discriminatie van doen heeft maar veeleer een gevolg is van het New-Public-Management-denken dat eind vorige eeuw ‘populair’ werd in overheidsland. Ik schreef er recentelijk een artikel over op mijn site met als titel Corona en etnisch profileren.

Het tweede punt wat het lastig maakt om me aan uw zijde te scharen, is dat u de oplossing zoekt in een in mijn ogen schadelijke sociologische theorie. In uw schrijven geeft u aan dat de PvdA, GroenLinks en D66 om; “hun woorden van solidariteit kracht bijzetten door antiracisme bovenaan hun politieke agenda te zetten,” alleen maar: “voor intersectionele politiek (hoeven te) kiezen.” Deze theorie heeft al als uitgangspunt dat er sprake is van discriminatie en dat er wordt gediscrimineerd op basis van een veelvoud aan aspecten. Aspecten zoals huidskleur, sekse, gender, religie en zo kunnen we nog een tijdje doorgaan. Al die aspecten moeten in onderling verband worden bestudeerd om de oorzaken en gevolgen ervan te verklaren en ook voor het aanpakken van de gevolgen ervan. Mijn probleem met deze theorie is dat ze verdeelt terwijl er verbinding nodig is. Op basis van al die aspecten wordt een persoon ontleed en in hokjes gezet En als je die aspecten weer bijeenvoegt, dan heb je iemands ‘identiteit’. Deze manier van denken maakt identiteit tot iets zwaars en statisch. Voor mij is identiteit, in navolging van Kwame Anthony Appiah, licht en veranderlijk. Niet alleen mijn identiteit als persoon, maar ook de ‘gezamenlijke identiteit’ van een land.

Zoals gezegd, strijd ik voor een rechtvaardige samenleving met gelijke kansen voor eenieder. In die strijd kunnen we elkaar vinden. Ik weiger echter uw analyse van de onze huidige samenleving en hoe die is ontstaan  te onderschrijven én te kiezen voor intersectionele politiek. Als dit voor u niet onoverkomelijk is dan ga ik graag met u het gesprek aan.

Uitgelicht

Veelkleurige geschiedenis

                In de Volkskrant stoort historicus Arie Wilschut zich aan de manier waarop er met de geschiedenis wordt omgegaan. Zoals hij terecht schrijft, zijn er twee dingen belangrijk in de omgang met het verleden: “ten eerste dat ‘één waarheid’ niet bestaat en dat er altijd meerdere kanten aan een zaak zitten. Ten tweede dat iedere tijd zijn eigen waarden- en normenpatroon heeft en dat het niet aangaat het normen- en waardenpatroon van onze tijd zonder meer als algemeen geldig aan alle tijden op te leggen.” Want zo schrijft hij: “Waar de nuance wordt bedreigd door één ideologische manier van denken, lopen vrijheid en democratie gevaar. Waar geen begrip bestaat voor het fundamentele verschil tussen verleden en heden, kunnen geen lessen meer worden geleerd uit de ervaringen van de mensheid, omdat men denkt alles al a priori te weten.”  Dat leidt tot: “de huidige zwart-witdiscussie waar niemand mee is gediend.” In een reactie op dit artikel adviseert Heleen Ronner, docent NT2, om de poster 10 keer meer geschiedenis te raadplegen. De poster is het antwoord van The Black Archives op de 10 tijdvakken die momenteel in het onderwijs worden gebruikt.

Slavenhandel tussen Russen (oorspronkelijk Noormannen) en de khazaren. Schilderij van Sergei Ivanov. Bron: Wikipedia

Nu is iedere indeling van de geschiedenis in tijdvakken arbitrair. Tijdens mijn studie geschiedenis waren er veel minder ‘tijdvakken’. We hadden de oudheid, die liep van 3500 BCE tot de afzetting van de laatste West-Romeinse keizer in 467 CE. Daarna begonnen de Middeleeuwen die eindigden midden vijftiende eeuw. Daarna begon de Nieuwe tijd en die liep zo rond 1860 over in de Nieuwste tijd. Welke indeling er wordt gekozen en welke ‘titel’ men een tijdvak geeft, zegt meestal meer over de tijd en vooral de persoon die de indeling maakt, dan over het betreffende tijdvak. Zo zou een Romein zijn tijd nooit de ‘oudheid ’noemen. ‘Hoezo oud, is er dan ook een nieuwheid’, zou hij vragen. Een middeleeuwer zou vragen: ‘midden waar tussen?’ Met het benoemen van tijdvakken, zij we al bezig met het opleggen van een ‘normen- en waardenpatroon’ om Wilschut te parafraseren.

Op de poster wordt ieder tijdvak gesymboliseerd door een plaatje met daaronder een korte uitleg en vervolgens links naar minder bekende zaken uit andere delen van de wereld. Jammer alleen dat verschillende links doodlopen. Zoals de Wikipedia -link naar Teotihuacan. Gelukkig is er ook een link naar School tv over hetzelfde onderwerp. Maar wacht eens. Als er een link naar School tv is, is er dan sprake van ‘Verzwegen geschiedenis op school’, van ‘verzwegen perspectieven’ waarmee de poster wordt aangekondigd?

Dat brengt mij bij een punt van kritiek op de makers. De makers suggereren dat er iets wordt verzwegen, dat er iets ‘geheim’ wordt gehouden. Iets wat we niet mogen weten. Dat is nogal een beschuldiging. Dat iets niet in het curriculum zit, wil dat meteen zeggen dat het geheim wordt gehouden? Bij het opstellen van een curriculum moeten keuzes worden gemaakt. Het onderwijskundige probleem van ‘tien keer meer geschiedenis’ is dat het ‘in de hoofden krijgen’ ook tien keer meer tijd kost.

Tegen het probleem van ‘keuzes maken’ lopen de makers ook. De poster heeft 11 tijdvakken. Ze begint met ‘De tijd van de eerste mensen’. Een tijdvak dat loopt van 300.000 tot 10.000 BCE en dat duidelijk moet maken hoe de homo sapiens zich over de aarde heeft verspreid. Goed dat deze periode aandacht krijgt. Alleen één maar: zoals ik al eerder schreef, liepen er al veel eerder mensen over de aardbol, bijvoorbeeld de Neanderthaler, de homo denisovans en de homo floresiensis. De overige tien tijdvakken op de poster lopen qua periodisering één op één met de 10 tijdvakken die in het huidige geschiedenisonderwijs worden gehanteerd.

Nu is er nog iets bijzonders met de poster en dat brengt mij bij de Brief van de Dag in de Volkskrant van vrijdag 19 juni. In die Brief van de Dag reageert Henna Goudzand Nahar ook op het artikel van Wilschut. Een bijzondere brief omdat Nahar Wilschut zaken lijkt te verwijten die hij niet heeft betoogd. Volgens Nahar verdedigt Wilschut slavernij terwijl daarvan geen sprake is. Nahar: “Het is triest dat zelfs historici met dit argument komen aandragen om de slavernij te verdedigen. Zo schrijft ook historicus Arie Wilschut in zijn stuk ‘Hoog tijd dat historici zich mengen in debat over ‘foute’ helden’: ‘De handel op slavenkoloniën als Suriname was helemaal verwaarloosbaar, omdat die nog geen 2 procent heeft bijgedragen.’ Mocht dat al kloppen, dit doet niets af aan wat er is gebeurd. Het getuigt dan eerder van domheid om daarvoor zoveel mensen te vermoorden, te ontvoeren en er eeuwen mee door te gaan.” Wilschut voert dit niet aan als ‘verdediging’ van de slavernij, maar als perspectief bij het beeld dat is ontstaan dat de Nederlandse rijkdom afkomstig is van slavernij.  

Voor mijn betoog is het tweede verwijt dat Nahar Wilschut maakt belangrijker. Nahar: “Daarnaast noemt Wilschut als argument dat in de wereld voor 1800 slavernij een doodgewoon verschijnsel was. Dat was waar, maar de transatlantische slavernij ging gepaard met kolonialisme en is van een zodanige orde geweest dat dit tot vandaag enorme gevolgen heeft voor de relatie tussen wit en zwart. Het verdrijven of uitmoorden van de inheemse bevolking om vreemd land in bezit te nemen, gevolgd door de ontwikkeling van een wereldbeeld waarin de witte de zwarte de weg zal wijzen naar ‘verlichting’, maken de dimensies hiervan totaal anders.”  Het zal Nahar wellicht verbazen, maar ook kolonialisme en ermee gepaard gaande slavernij is geen ‘westerse’ uitvinding. En dat brengt mij bij de poster en tijdvak 6 (1600-1700 CE), de Tijd van Kolonialisme & handelskapitalisme met als ondertitel “Roof, handel en uitbuiting op wereldschaal.”  De eerste poster waar over slavernij, koloniën en imperialisme wordt gesproken en waarbij de Europese landen koloniseerden.

Dat laatste klopt. In die tijd waren het de Europese landen die anderen koloniseerden. Maar was dit zo bijzonder? Waren die ‘Grote rijken in Azië, Afrika en Amerika in periode 4 (1000-1500 CE) niet ook ontstaan doordat de ene groep de andere ging overheersen, domineren en koloniseren? Kwam in die grote rijken geen slavernij voor? Zou het Mongoolse rijk, terecht door de makers van de poster omschreven als een van de grootste rijken ooit, vreedzaam zijn ontstaan? Kijkers van de film Mongol weten wel beter. Dat ging gepaard met flink veel geweld waarbij de verslagene kans had om in slavernij te geraken. Nee, die rijken kwamen op precies dezelfde manier tot stand als de Europese landen hun imperia opbouwden. Dit met als enige verschil dat de Europeanen het als eerste echt op wereldschaal deden.

Zo kwamen trouwens ook het Romeinse rijk en het Chinese rijk onder de Han dynastie in periode 2 (3000 BCE en 500 CE) tot stand. Twee rijken die via wat wij nu de zijderoutes noemen, handel met elkaar dreven. Zijderoutes die volgens de posters pas in periode 3 (500-1000 CE) ten tonele verschijnen. Die routes ontstonden echter al zo’n 1500 jaar eerder. Via die routes werd van alles verhandeld waaronder ook slaven. Wie hierover meer wil weten, lees het boek De Zijderoutes van Peter Frankonpan. Slaven waarvan het Romeinse rijk er, volgens Frankonpan op haar hoogtepunt zo’n 250.000 tot 400.000 per jaar nodig had. Slaven die van heinde en verre kwamen. Uit Afrika, Azië en Europa. Dit terwijl slavernij pas op de poster pas een rol krijgt in periode 6 (1600-1700 CE). En dan ook nog alleen maar in de vorm van twee rode pijlen, één naar de Amerika’s en één naar Nederlands Indië, zoals het wordt genoemd. Een pijl naar het noorden, naar de Arabisch, Perzische en de Ottomaanse wereld ontbreekt. Bijzonder is de naam Nederlands Indië op een kaartje dat handelt over deze periode. Die benaming werd pas vanaf het begin van de negentiende eeuw (1816) voor dat gebied gebruikt.

Zo kunnen bij iedere tijdsperiode zowel van de poster als bij de standaard beschrijvingen van de tijdvakken kanttekeningen worden geplaatst. Ja, de poster 10x meer geschiedenis geeft een breder totaaloverzicht van wat er in de wereld allemaal is gebeurd. Dat was ook de bedoeling van de makers. Ze wilden: “de focus op geschiedenis buiten de bekende Europese kaders.” De makers van de 10 tijdvakken, hebben een ander doel. De tijdvakken zijn bedoeld om jonge inwoners van Nederland te laten zien hoe ons deel van de wereld zich heeft ontwikkeld. Die beperking is te begrijpen omdat het gros van die jonge inwoners hier zal blijven wonen en leven. Dan is het wel handig dat je een beetje weet waar zaken in de samenleving hier vandaan komen. Hierbij is de invloed van de Grieken, Romeinen, Kelten en Germanen op onze samenleving ‘need to know’. De beschaving van de Bantoe-volken of de Nazca’s is ’nice to know’. Zonder, zoals gezegd, meer tijd voor het vak geschiedenis, betekent een breder palet minder diepgang. Immers met het noemen van de Zapoteken en de Ban Chiang moet je er ook meer informatie over geven. Dan moet je hun cultuur beschrijven en dat gaat ten kosten van iets anders. Een keuze die ook weer leidt tot zaken die niet worden behandeld en wellicht tot een nieuwe groep die aandacht vraagt voor die ‘verzwegen geschiedenis’.

Volgens Heleen Ronner, die hem  aanbeveelt, maakt de poster: “de geschiedenis niet zwart-wit, maar juist veelkleurig.” De poster is niet zozeer kleurrijker als wel anders en dat andere heeft vooral te maken met het doel achter de poster. De makers van de poster lijken vooral ‘westers  exceptionalisme’, het uitzonderlijke van de westerse dominantie van de afgelopen paar honderd jaar aan te willen tonen. Zo exceptioneel was en is de manier waarop het westen opereerde en opereert echter niet. Het westerse optreden wijkt niet af van het optreden van eerdere dominante rijken. Een dominant rijk dat zich superieur voelt, de oude Romeinen en Chinezen weten er alles van. Gebieden veroveren overheersen en koloniseren, de Olmeken, Maya’s en Inca’s wisten ook wel hoe dat moest. Slavernij en slavenhandel? Wijd verbreid zowel geografisch als in tijd, zelfs tegenwoordig nog. Nee de geschiedenis kent meer constanten dan dat er wordt afgewisseld. Om een oud versje voor de poëziealbum te verhaspelen: ‘culturen verwelken, rijken vergaan, machtswellust blijft altijd bestaan.’

Uitgelicht

Leeftijd of loten?

                Volgens ethicus Fleur Jongepier, zo schrijft ze in de Volkskrant, rammelt het draaiboek ‘code zwart’. Dat draaiboek moet het medisch personeel helpen in het geval dat er gekozen moet worden wie er een ic-bed krijgt als alles vol ligt en er meerdere kandidaten zijn voor een bed. In het draaiboek wordt er dan eerst gekeken naar hoe lang iemand een ic-bed bezet houdt. Het bed gaat dan naar de persoon die er naar verwachting het kortst gebruik van maakt. Als er dan nog meerdere ‘kandidaten’ zijn, komt een persoon die onbeschermd in de zorg moest werken aan de beurt. Zijn er dan nog meerdere patiënten, dan wordt er naar leeftijd gekeken. Zo is tenminste het voorstel. Jongepiers bezwaar richt zich tegen de keuze voor leeftijd. Jongepier: “het morele fundament onder het draaiboek rammelt aan alle kanten.” Ze geeft vijf redenen waarom leeftijd geen goed criterium is. Nu ben ik geen ethicus, maar bij haar redenen zijn wat kanttekeningen te plaatsen.

Bron: Wikipedia

                Jongepiers eerste reden: “Het is niet alsof we allemaal een vooropgestelde levensduur hebben die wel of niet bijna ‘op’ is, of die we zouden ‘verdienen’ of waar we ‘recht’ op zouden hebben. Sowieso moet je levens niet met elkaar willen vergelijken of in de weegschaal leggen.” Een bijzonder argument. Inderdaad moet je levens niet met elkaar willen vergelijken of in de weegschaal leggen. Dat willen de opstellers van het draaiboek ook niet. Het draaiboek handelt echter over een situatie als we die luxe niet hebben. Dat wel twee of meer levens met elkaar vergeleken moeten worden. Dat we die luxe niet hebben omdat de middelen om iedereen te helpen er niet zijn. Dat er gekozen moet worden. Dat we niet allemaal een ‘vooropgestelde levensduur hebben’, is een waarheid als een koe. En, zoals Jongepier terecht stelt, de een sterft jong, de andere wordt 110. En als je van tevoren weet dat een persoon van 25 jaar, vijf jaar later sterft en de zeventigjarige uiteindelijk 110 wordt, dan zou je kiezen voor de zeventigjarige. Helaas weten we dat niet en moeten we het doen met statistische gegevens en die geven aan dat iemand van 25 naar verwachting nog meer levensjaren voor zich heeft dan iemand van 70. De enige zekerheid in het leven is dat het met de dood eindigt. En voor een jonger persoon ligt dat punt statistisch gezien verder weg. Dat maakt de keuze voor leeftijd te verdedigen.

                “ Als we het leeftijdscriterium consequent doorvoeren, dan heeft iemand die in januari 1940 is geboren voorrang op iemand die in februari van hetzelfde jaar is geboren. Dat is absurd. …Die keuze is arbitrair, en er wordt geen rechtvaardiging voor gegeven.” Dat in absurdum, de later geborene van een tweeling voor de eerder geborene gaat is inderdaad het gevolg van het hanteren van leeftijd als criterium. En ja, dat is absurd, maar is wel een gevolg daarvan. Leeftijd wordt echter op heel veel terreinen als criterium gebruikt. Zo ga je met 4 jaar naar school, niet met drie terwijl het ene kind er met drie aan toe is en het andere nog niet met vijf. In de sport wordt jeugd ingedeeld in leeftijdsgroepen bijvoorbeeld geboren in een bepaald jaar. Dat is in het algemeen in het voordeel van kinderen die in januari zijn geboren. Zij lopen gemiddeld immers bijna een jaar voor in ontwikkeling ten opzichte van in december geboren kinderen. Gevolg hiervan is dat er veel meer profvoetballers zijn die in de eerste helft, en vooral het eerste kwart van het jaar jarig zijn. Bij De Correspondent een mooi artikel hierover van Michiel de Hoog. Geen ethicus die zich hierover opwindt. Wat vreemder is, is dat Jongepier de opstellers van het handboek verwijt dat er geen rechtvaardiging voor wordt gegeven. Vreemd omdat het handboek juist is bedoeld als alle manieren om onderscheid te maken, zijn uitgeput. Als namelijk alle andere mogelijkheden om een keuze te maken, zijn uitgeput. Als schaarste moet worden verdeeld tussen gelijken.

                Als derde, aldus Jongepier: “het leeftijdscriterium is onliberaal.” Daarbij haalt ze de verdediging die Diederik Gommers gaf voor de keuze van leeftijd dat: “je het iemand ‘gunt om van het leven te mogen genieten.’” Maar: “het is niet aan Gommers, noch aan medisch ethici, en al helemaal niet aan de overheid, om burgers te vertellen wat ze anderen wel en niet moeten gunnen – vooral niet als dat het opofferen van hun eigen leven betreft.” Volgens Jongepier: ‘ondermijnt het draaiboek zoals dat er nu ligt dus de mogelijkheid om zelf beslissingen hierover te maken.” Dat Gommers zich ongelukkig uitdrukt maakt nog niet dat de overheid of medici iemand vragen het leven op te offeren. Het draaiboek is niet bedoeld om mensen te ‘vragen zich op te offeren.’ In die zin heeft Jongepier gelijk: het is onliberaal omdat er voor individuen wordt bepaald. Het is bedoeld om schaarse middelen te verdelen omdat de liberale keuze de schaarste niet kan verdelen. De overgebleven personen zijn niet bereid zichzelf ‘op te offeren’. Het is een oplossing voor het moment dat de vrije keuze het probleem niet oplost.

                Als vierde is: “het draaiboek (…) moreel instabiel.”  Dit omdat: “ het draaiboek eerst het leeftijdscriterium hanteert en vervolgens overspringt op twee andere principes. Wanneer het leeftijdscriterium geen nut heeft (bijvoorbeeld omdat iedereen die op de ic binnenkomt, 80-plus is), dan wordt in zo’n geval gekozen voor ofwel ‘wie het eerst komt, eerst maalt’ ofwel loting.” Een terecht punt van kritiek dat is op te lossen door die ‘overstap’ eruit te halen en alleen leeftijd te hanteren. Jongepier redeneert echter de andere kant op en stelt ‘loting’ voor.

                En daarmee komen we bij de vijfde reden van Jongepier: “ de weerstand tegen loting is onvoldoende gefundeerd.” Volgens Jongepier is loting minder pijnlijk en: “vaak beter te verteren. Te horen krijgen dat je vader, moeder of partner het verkeerde ic-lot had, is gruwelijk maar misschien minder gruwelijk dan te horen krijgen dat ze te oud waren, of dat er net iemand die een jaar jonger was binnengereden werd.” Dat klinkt logisch, maar wat als je te horen krijgt dat je kind van tien moet sterven omdat een tachtigjarige het ‘winnende lot’ had? Is het dan nog steeds zo goed te verteren? Aan wie laten we trouwens de controle op het ‘eerlijke verloop’ van de loting over? Moeten we dan een notaris toevoegen aan een ic om het eerlijke verloop van de loting te garanderen zodat er geen claims komen over gestuurde loting?

                Laten we hopen dat het nooit zover hoeft te komen dat het draaiboek ingezet moet worden. Maar als het dan toch moet, dan liever via leeftijd dan door loting.

Uitgelicht

Eerdmans en een middelvinger

Als er niet wordt gevoetbald, moet je als supporter een andere bezigheid zoeken om je tijd door te komen. Je kunt dan een boek gaan lezen, rikken met je gezin, maar je kunt ook met je supportersvrienden het standbeeld van Pim Fortuyn in Rotterdam beschermen in tijden van een ‘beeldenstorm’. Bij De Dagelijkse Standaard een verslag van deze actie. Het beeld van Fortuyn werd eerder beklad. Daarom gaan deze: “Feyenoord supporters (zelf noemen ze zichzelf liever ‘Rotterdam hooligans’) (…) vanaf nu waken over het beeld van Fortuyn in de hoop dat nieuwe vernielingen uit zullen blijven.” Er is iets bijzonders met dit bericht en dat is niet dat ‘Rotterdam hooligans’ zich druk maken over de geschiedenis en het erfgoed.

Brin: Pixabay

Er is iets met de berichtgeving over deze actie. Een actie waarvan Joost Eerdmans, de leider van Leefbaar Rotterdam, zegt: “Het protest was een initiatief van de supportersvereniging van Feyenoord. Mooi dat het initiatief bij de bevolking ligt en niet bij de politiek.” Het bericht gaat vergezeld van een foto waarbij de ‘beschermers’, een mannetje of tachtig, zo lees ik, zich rond het beeld hebben verzameld. Een foto gemaakt door de auteur waarop de beschermers zich hebben verzameld rond het beeld. Op de foto is duidelijk te zien dat de tachtig man de anderhalve meter regel aan de laars lappen. En dat maakt het bijzonder.

Nee, niet dat die hooligans dat doen maar dat De Dagelijkse Standaard dit zonder kritiek publiceert en zelfs organiseert. Want als we een week of twee teruggaan in de tijd, naar tweede pinksterdag, dan lezen we in een artikel van Tim Engelbart op dezelfde site het volgende: “Als Amsterdam straks een massale uitbraak van het coronavirus heeft, weet heel Nederland vanaf vanavond wie we daar voor moeten bedanken. Nu, ja, al die knettergekke demonstranten, natuurlijk, die de Dam bezetten omdat ze zich in de Verenigde George Floyd Staten wanen in plaats van in Nederland.” In dat artikel kreeg burgemeester Halsema van Amsterdam de wind van voren en worden de demonstranten zo ongeveer een gevaar voor de volksgezondheid genoemd. Om de titel boven het artikel aan te halen: “Femke Halsema geeft middelvinger aan corona-doden.” Nu is tachtig wat minder dan een paar duizend. Anderhalve meter is en blijft echter anderhalve meter. Hoeveel zorgen maakt De Dagelijkse Standaard zich werkelijk over de Volksgezondheid? Of zou de ‘frustratie’ ergens anders door worden veroorzaakt?

Dat De Dagelijkse Standaard met twee maten meet is tot daaraan toe. Wat te denken van Eerdmans? In zijn hierboven geciteerde reactie op de actie van de hooligans, geeft hij aan te waarderen dat het initiatief bij de bevolking ligt. Daarmee suggereert hij dat het initiatief voor die ‘mooie’ demonstratie tegen racisme bij de politiek ligt. Maar wat belangrijker is, ook hij lijkt zich ‘als bij toverslag’ geen zorgen meer te maken over de volksgezondheid waarover hij zich op 2 juni druk maakte toen hij twitterde: “Burgemeester Halsema vindt een politiek standpunt belangrijker dan mensenlevens.” Steken De Dagelijkse Standaard en Eerdmans nu dan niet ook een middelvinger op naar de corona-doden?