Uitgelicht

‘De vettigen Handdook’

Toen ik het ouderlijk huis verliet betrok ik een klein zolderappartement in Venlo. Een appartement met bijzondere buren. Aan de ene kant had groenteboer Janssen zijn zaak. Een echt familiebedrijf. Iedere dag verse groenten en vers fruit. Ik kwam er tenminste iedere week en vaak nog wel vaker. Aan de andere kant, en meteen ook de andere kant van het gezondheidsspectrum, zat een frietzaak. Daar kwam ik af en toe. Die frietzaak stond bekend als ‘De Vettigen Handdook’. Ik moest hieraan denken toen ik bij Binnenlandsbestuur een stukje van de verdediging van gemeentebestuurders las tegen het alweer ‘centraliseren’ van een deel van de jeugdzorg: “Het is in Oost-Groningen echt een ander vraagstuk dan in Amsterdam, Goes of Enschede.” Dit naar aanleiding van de problemen in de jeugdzorg waarover ik gisteren ook schreef. 

Bron: Wikipedia

Inderdaad is Oost Groningen anders dan Amsterdam, Goes of Enschede, daar heeft de Enschedese bestuurder Eelco Eerenberg, die deze uitspraak doet, een punt. Toch vraag ik me af of dit wel het punt is? Hoe ‘anders’ is het probleem van een kind dat in Oost Groningen of Goes vanwege de thuissituatie uithuis moet worden geplaatst? Wat is de specifiek Amsterdamse of Enschedese component aan de situatie van dat kind en het betreffende gezin? Als Eerenberg gelijk heeft dan is de vraag die Goes of iedere andere gemeente, zich moet stellen: hoe ziet specifiek Goes’ huiselijk geweld eruit? Geeft Eerenberg hier niet een voorbeeld van verkeerde veronderstelling of een kromme redenering?

En zelfs als Eerenberg het bij het rechte eind heeft en het probleem van een kind dat uit huis moet worden geplaatst afhankelijk is van de woonplaats en er zoiets bestaat als specifiek Enschedees huiselijk geweld, wil dat dan meteen ook zeggen dat de gemeente dan ook de juiste schaal is om de jeugdzorg te organiseren? Waarom zou het met een vanuit het rijk aangestuurde jeugdzorg onmogelijk zijn  om: “problemen op (te) lossen (…) in combinatie met sportclubs, scholen, huisartsen en veel andere partijen”? 

Laat McDonalds niet zien dat het goed mogelijk is om vanuit Oak Brook het ‘hongerprobleem’ lokaal aan te pakken? Het bedrijf geeft haar basismenu een ‘lokale twist’: in Nederland de McKroket, in Japan de Teriyaki burger enzovoorts. Het bedrijf sluit daarmee veel beter aan bij de wensen van het gros van de klanten dan  mijn oude buren van ‘De Vettigen Handdook’. Die zaak is jaren geleden opgedoekt.

Uitgelicht

Jeugdzorg en ‘New Public Management’

Al eerder schreef ik over veronderstellingen waarop de ‘decentralisaties’ zijn gebaseerd. Voor de niet kenner, decentralisatie is als het rijk een taak belegt bij een lagere overheid. In 2015 gebeurde dat op drie terreinen. Eentje daarvan was de zorg voor de jeugd. Veronderstellingen zoals dat de gemeente de ‘meest nabije’ overheid is en dat dit dan ook de schaal is waarop je zorg het beste kunt organiseren. De veronderstelling dat ‘de markt’ het wel oplost. Over kromme redeneringen die werden gebruikt ter verdediging ervan. Redeneringen zoals die ene overheid die er plotseling bijna vierhonderd blijken te zijn. Over hoe de roep om een gevoel, nabijheid, als ‘structuur’ wordt georganiseerd. En als laatste over hoe het altijd op een structuurverandering uitdraait terwijl er iets aan de cultuur moet veranderen. Dat dreigt nu ook weer te gebeuren. In de Volkskrant lees ik: “De overheid moet onmiddellijk zorgen voor meer geld en personeel. Op de langere termijn moet het jeugdstelsel op de schop.” Het Rijk en de provincie zijn al verantwoordelijk geweest, voor de jeugdzorg, nu is het de gemeente dan rest er nog één andere mogelijke overheid: de waterschappen.  

Ald weishoës Venlo. Bron: Wikipedia

Zonder gekheid, de waterschappen dat lijkt mij geen goed idee. De zaken die nu worden geconstateerd spelen al jaren. Even, via de site Canonsociaalwerk, terug in de tijd: “Begin jaren zeventig zijn jeugdhulpverlening en kinderbescherming in ons land sterk verzuild en verkokerd. Er bestaat grote willekeur waar een hulpbehoevend kind terechtkomt. Een vernieuwingsbeweging in de jeugdbescherming bekritiseert inhoud en effect van hulp en opvang. Tijd voor verandering en mede daarom stelt de regering in 1974 de Gemengde Interdepartementale Werkgroep Jeugdwelzijnsbeleid in. Die adviseert twee jaar later om de hulpverlening regionaal en in samenhang te organiseren en het recht op adequate hulp en een klachtrecht vast te leggen.” Helaas deed de regering toen niets met die aanbeveling. Er werd een werkgroep ingesteld. Die werkgroep kwam in 1984 tot de uitgangspunten dat jeugdhulp: “zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’ moet plaatsvinden.” En om het te completeren kwamen daar nog twee keer ‘zo’ bij: zo tijdig mogelijk en zo goedkoop mogelijk. Een tijdje later, in 2010, kwam de Kamerwerkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg in haar rapport tot soortgelijke conclusies. Eén gezin, één plan, één regisseur werd het nieuwe devies nog steeds met het doel om zo dicht mogelijk bij huis, zo kort mogelijk, zo licht mogelijk te helpen. En natuurlijk ook zo tijdig en goedkoop mogelijk bij. Bijzonder dat we al jaren weten ‘wat’ er moet gebeuren en dat het steeds fout gaat bij het ‘hoe’. 

Alhoewel, eigenlijk is dat niet zo bijzonder. Niet zo bijzonder omdat ook sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw de New Public Management stroming dominant is. Een stroming die in ‘producten en klanten’ denkt en die ‘het model van de private sector’ op de overheid toepast. Centraal staan: doeltreffendheid, doelmatigheid en zuinigheid (zo goedkoop mogelijk). Het model dat politieagenten bonnen laat schrijven omdat ze hun quotum moeten halen. En ook het model dat zorg in stukken hakt en er ‘producten’ van maakt of nog erger: diagnose behandel combinaties.

Producten die vervolgens in de markt worden gezet. Maak ergens een markt van en je krijgt marktgedrag. Zoals iedereen die een beetje nadenkt kan bedenken staat, zodra je van zorg een product maakt, het product centraal en niet de mens. Het product moet worden geleverd (de bon moet worden geschreven) of de jeugdige er nu mee geholpen is of niet. Die producten moeten vervolgens ook worden gemeten en geadministreerd om verantwoording af te leggen. Want verantwoording moet in cijfers worden afgelegd: daling van dit, stijging van dat. Dergelijke verantwoording duidt op een gebrek aan vertrouwen of zelfs op wantrouwen.

Iedereen die in de (jeugd)zorg werkt weet dat het vertrouwen dat de patiënt in zijn behandelaar heeft de belangrijkste bepalende succesfactor is. Daarom was ‘vertrouwen in de professional’ ook een van de kreten waarmee de laatste systeemverandering werd verkocht. Alleen is dat vertrouwen er niet zoals het ‘productdenken’ en het ‘gestolde wantrouwen’ van de verantwoording laten zien.

Wat als we zorg nu eens inrichten op basis van vertrouwen? We vertrouwen de mensen die in de zorg werken en geven hen de middelen om dat te doen wat zij denken dat nodig is. Dat doen ze zonder dat ze alles in systemen moeten verwerken en zonder dat ze met ‘protocollen’ en dergelijke moeten werken. Het enige wat we van hen vragen, is dat ze, ernaar gevraagd, kunnen onderbouwen waarom ze voor een bepaalde behandeling hebben gekozen en niet voor een andere. Geen zorginkoop, geen beschikkingen of verwijzingsbriefjes, geen ‘protocollen’. Geen concurrentie tussen zorgaanbieders. Dus ook niet het in je achterhoofd knagende ’krijgt mijn werkgever nog wel opdrachten’?

Het ‘New Public Management’ en de zorg gaan slecht samen. Trouwens ‘het model van de private sector’ waarop het is gebaseerd, is voor de samenleving als geheel ook niet al te best, zo laat de bankencrisis zien. En, maar dat laat ik aan een ander over om te betogen, het zou zo maar eens kunnen dat ook de klimaatcrisis een gevolg is van dat ‘model van de private sector’.  

Uitgelicht

Jihadisten en onze rechtstaat

Tijdens het kort geding verklaarde hij dat de Nederlandse overheid jihadisten moet terughalen omdat ze verplicht is om ‘mensenrechtenschendingen jegens haar onderdanen’ te voorkomen. Kijk, ik snap best dat je als advocaat je cliënten adequaat moet verdedigen. Maar zou dat alsjeblieft met wat minder grote woorden kunnen? Met wat minder lachwekkende ook?” Zo schrijft Elma Drayer in haar column in de Volkskrant. Die ‘hij’ waarover Drayer schrijft is André Seebregts. Vanuit de emotie is het betoog van Drayer te volgen. In één zin spreken over jihadisten en mensenrechten dat lijkt een gotspe. Zijn de woorden van Seebregts wel zo lachwekkend?

Bron: Pixabay

Zeker deze jihadisten steunden  een moorddadig en bruut regime en het bleef niet bij steunen alleen. Ze leverden er vaak ook nog een bijdrage aan. Voor de misdaden die zij hebben begaan moeten zij worden gestraft. Zwaar worden gestraft. Dat staat buiten kijf. Zoals ook buiten kijf staat dat zij bij voorkeur berecht moeten worden op de plek waar zij die misdaden hebben begaan. Als dat om welke reden dan ook niet kan, dan is berechting in Nederland aan de orde. 

Wat ook buiten kijf staat, is dat Nederland een rechtstaat is en dat het de plicht is van de Nederlandse overheid om mensenrechtenschendingen jegens haar onderdanen te voorkomen. Die plicht heeft de Nederlandse overheid jegens al haar onderdanen, wat zij ook op hun kerfstok hebben. Die plicht heeft de overheid jegens een onschuldig iemand die om dubieuze redenen in een Turkse gevangenis verdwijnt. Die plicht heeft zij ook jegens een van drugshandel beschuldigde persoon in Thailand, en een meervoudig moordenaar en verkrachter in Paraguay. Die plicht heeft de Nederlandse overheid ook jegens een jihadist in Irak of Syrië. 

‘Maar die heeft door daden toch alles verspeeld waar Nederland voor staat?’ Hoor ik velen van jullie denken. Dat klopt, maar dat ontslaat de Nederlandse regering niet van haar plicht om zich in te zetten om mensenrechtenschendingen tegen hem of haar te voorkomen.

Een rechtstaat kenmerkt zich nu juist door haar principes ook toe te passen op degenen die haar regels met voeten hebben getreden. Onder andere daarom heeft vrouwe Justitia een blinddoek om. Zo lachwekkend zijn de uitspraken van Seebregts niet. Door die regels niet van toepassing te verklaren op bepaalde mensen, zoals de VVD doet, wordt de bijl gezet in een van de de belangrijkste pijlers onder onze rechtstaat. Dat is niet lachwekkend, dat is zorgwekkend.

Uitgelicht

Geleuter over generaties

Een gedesillusioneerde generatie komt in opstand.” De kop boven een artikel van Daphné Dupont-Nivet en Jaap Tielbeke in De Groene Amsterdammer. “Het is de desillusie met dit apolitieke vooruitgangsoptimisme uit onze jeugd die verklaart waarom veel millennials de ideologische veren weer hebben opgeplakt. Onze generatie is minder bang om te polariseren of systeemkritiek te leveren, omdat we inmiddels weten dat de toekomst niet automatisch beter wordt. Vooruitgang vergt inspanning en politieke strijd, denken wij. Alleen zo kunnen we de beloftes van de jaren negentig misschien nog inlossen.” ‘Minder bang dan wie?’ Die vraag stelde ik mezelf toen ik het artikel las.

Bron: Pixabay

Beide auteurs zijn geboren in 1989 en beschrijven, om het kort te zeggen, hun leven tot nu toe. Hun zorgeloze jeugd in de jaren negentig van de vorige eeuw waarin ze mee kregen dat ze “alles konden worden wat we wilden, als we maar hard genoeg werkten en in onszelf geloofden.” Die jaren vatten ze treffend samen in de woorden van R. Kelly die in zijn jaren negentig hitje zong: “I believe I can fly. I believe I can touch the sky.”  Die jeugd werd op 11 september 2001 wreed verstoord en toen ze in 2008 volwassen werden stortte de economie in en werd duidelijk dat dat geloof in jezelf niet meer voldoende was. Of zoals ze zelf schrijven: “Nu onze dertigste verjaardag nadert moeten we vaststellen dat veel van die beloftes niet zijn ingelost. We joegen onze dromen na, maar behaalden onze diploma’s toen de economie in duigen lag. We vertrouwden op de deskundigheid van economen, maar kwamen erachter dat hun modellen de kiemen plantten voor sociale en ecologische ontwrichting. Het optimisme van de jaren negentig komt ons nu, turend in de achteruitkijkspiegel, ronduit naïef voor.” Maar nu zijn ze wakker: “De klimaatspijbelaars hebben de hoop opgegeven dat internationale onderhandelingen tot een happy end leiden. Of misschien hebben ze die hoop nooit gekoesterd en zijn ze wel boos, maar niet teleurgesteld, omdat ze niet anders gewend zijn. Dat is het verschil met de generatie boven hen, met onze generatie, die lange tijd het volste vertrouwen had in de instituties die in het leven waren geroepen om grensoverstijgende problemen het hoofd te bieden.” Beste auteurs hebben jullie de generatie boven jullie gevraagd naar dat vertrouwen in die instituties?

Gelukkig constateren ze dat herinneringen selectief zijn. Dat er ook al in de jaren negentig een ander geluid te horen was. Het systeem kritische geluid dat bijvoorbeeld van Naomi Klein verwoordde in haar boek No Logo. Klein stond hierin niet alleen, zo ‘ontdekken’ de auteurs: “En in het jaar dat R. Kelly zijn debuutalbum Born into the 90s uitbracht, schreeuwde Zack de la Rocha, leadzanger van rockband Rage Against The Machine, de longen uit zijn lijf om structureel racisme aan te kaarten in hun debuutsingle Killing in the Name.” De auteurs constateren: “Misschien moeten we juist putten uit die alternatieve erfenis, die niet alleen bij ons, maar ook in het collectieve geheugen ondergesneeuwd is geraakt.” Beste auteurs, hoe komen jullie erbij dat die alternatieve erfenis ondergesneeuwd is geraakt?

Die erfenis staat in een lange traditie. “You’ll go quietly to boot camp. They’ll shoot you dead, make you a man. Don’t you worry, it’s for a cause. Feeding global corporations’ claws!” Aldus een stukje tekst uit  We’ve got a bigger problem now van mijn favoriete punkband Dead Kennedys in 1981. De wereld kampte toen met de angst voor ‘de bom’ en leed onder de gevolgen van de tweede oliecrisis. Voor of tegen de bom? Voor of tegen kraken? Ja aan dat kraken danken jullie, de jongeren van tegenwoordig, het goedkope anti-kraak wonen. Voor Den Uyl of voor Wiegel? Een tijd waar je als jongere kon fluiten naar een baan. Een tijd van polarisatie en systeemkritiek die zo midden de jaren zestig begon. In die periode, in 1972, kwam de Club van Rome met haar rapport Grenzen aan de groei. In dat rapport werd geconcludeerd dat: “De mensheid ( niet) kan (…) blijven doorgaan zich met toenemende snelheid te vermenigvuldigen en materiële vooruitgang als hoofddoel te beschouwen, zonder daarbij in moeilijkheden te komen. (…) Dat betekent dat we de keuze hebben tussen nieuwe doelstellingen zoeken teneinde onze toekomst in eigen handen te nemen, of ons onderwerpen aan de onvermijdelijk wredere gevolgen van ongecontroleerde groei.” Ook toen wisten we dat de toekomst niet ‘automatisch’ beter werd. Dat daar inspanning en soms strijd voor nodig is.

Nee, ‘jullie generatie’ staat niet alleen als het ‘polariseren en systeemkritiek’ betreft. En nu we het toch over jullie generatie hebben. Zoals jullie zelf al constateren bestaat die uit mensen met zeer verschillende meningen. Met als uitersten aan de ene kant de aanhangers van de ‘intersectionaliteit’. “Alle vormen van ongelijkheid (op basis van onder andere huidskleur, gender, seksualiteit, klasse, leeftijd, opleidingsniveau) staan met elkaar in verband en moeten ook zo bestreden worden. Alleen zo valt te begrijpen hoe verschillende vormen van onderdrukking samenkomen, zich manifesteren en elkaar versterken. … Ze combineren wokeness met kapitalismekritiek.” Zo vatten jullie die leer kort samen. En aan de andere kant alt-right’: “de frisse politieke wind (…) die niet met de consensuscultuur meewaait.”  Een wind die wordt belichaamd, zo schrijven jullie door Thierry Baudet en die: “Een cultuuroorlog in gang zet(…); eentje die de maatschappelijke omwentelingen die sinds mei 1968 hebben plaatsgevonden (‘de massale immigratie, de euromunt, de kaalslag in het onderwijs, het multiculturalisme, de schaamte voor onze eigen geschiedenis en de culturele zelfhaat’) terugdraait.” Daarmee doen jullie Baudet tekort  die wil, zo begrijp ik hem, liever terug naar de achttiende eeuw.

Die verdeeldheid geldt niet alleen voor ‘jullie’ generatie. Die geldt voor alle generaties. Een generatie is niets meer en ook niets minder dan een groep mensen met ongeveer dezelfde leeftijd. Het zegt niets over de manier waarop ze naar de wereld kijken. Het onderscheid tussen progressief en conservatief om die oude termen maar weer eens van stal te halen, is geheel eigen aan de mens, niet aan een ‘generatie’. De ene mens is avontuurlijk ingesteld, de andere blijft het liefst in zijn vertrouwde wereldje zitten. Als jullie de geschiedenis bestuderen, dan zullen jullie zien dat progressieve en conservatieve periodes elkaar opvolgen. De huidige, conservatieve volgde op de gepolariseerde verhoudingen uit mijn jeugd. Die weer volgde op de conservatieve na-oorlogse periode die weer volgde op de extreem gepolariseerde verhoudingen van de jaren dertig van de vorige eeuw. Een periode die eindigde met de de Tweede Wereldoorlog. En zo kunnen we doorgaan. Dat een periode ‘conservatief’ is, wil niet zeggen dat ‘progressieve’ krachten ontbreken. Omgekeerd trouwens ook niet. Kapitalisme-kritiek is al zo oud als het kapitalisme. Lees Marx om er een te noemen. Kritiek op de ‘vooruitgang’ trouwens ook. Lees Plato of Rousseau. Al zullen die zeggen dat er sprake is van ‘achteruitgang’. Waar ze het allemaal over eens waren was dat de ‘toekomst niet ‘automatisch’ beter werd.

Zoek in de strijdt voor ‘vooruitgang’ of ‘behoud’ naar de verbinding met mensen van alle leeftijden. Lees het werk van Klein, Marx, Plato en Rousseau. Praat met de ouderen en leer van hen. Leer van hen door naar hun ervaringen te vragen. Leer van: “Hoopvolle burgers (die) de zwaarbewapende grenswachten (trotseerden) en trokken eigenhandig het IJzeren Gordijn naar beneden.” Die: “streden (…) voor dezelfde idealen als waar onze generatie nu voor vecht.” Leer van hen en van hun ervaringen. Dat voorkomt eerder gemaakte fouten en maakt de kans groter dat successen worden herhaald. Zoek naar verbinding en stop met dat ‘generatie geleuter’! Dat zaait alleen maar verdeeldheid.

Uitgelicht

Het makkelijke moeilijk

Een dag of twee geleden reed ik naar mijn werk. De radio stond aan op 3FM en Sanders Vriendenteam zorgde voor het vermaak. Tijdens het nieuwsbericht hoorde ik van een plan van de Tweede Kamer. Wat hield het plan in? Wel, zet altijd de maximum snelheid op de matrixborden boven de snelweg. Presentator Sander sprak erover met de nieuwslezer van dienst Dieuwke. Het leek beiden wel een goed idee en om dat te testen vroegen ze de luisteraars naar hun mening. ’Doen’ zei de een, dat zorgt voor duidelijkheid. ‘Niet doen’ zei een ander, dat leidt nog meer af. Zelf vroeg ik me iets anders af maar daarop kom ik later terug.

Bron: Wikipedia

Eerst even het plan. Bij NOS.nl is te lezen dat het idee afkomstig is van CDA-Kamerlid De Pater-Postma. “Volgens haar is het voor automobilisten duidelijker en dus veiliger als ze altijd kunnen zien hoe hard ze mogen rijden en kan het een hoop boetes schelen.”  Wat is het probleem? “De snelheden verschillen per snelweg en ook op één en hetzelfde traject wisselt de maximumsnelheid vaak. Ook kan er overdag een andere snelheid gelden dan ’s avonds. Zeker nu er door de stikstofmaatregelen op sommige plekken ook nog lagere maximumsnelheden gelden.” Een kamermeerderheid steunt het idee en het kabinet gaat het voorstel ‘ bekijken’ omdat het “Volgens minister Van Nieuwenhuizen is het(…) nog wel lastig omdat niet alle borden drie cijfers kunnen weergeven. Ze gaat met Rijkswaterstaat bekijken wat wel en niet kan.” 

Op zich een logische redenering: snelheden kunnen variëren, deze borden kunnen variëren, zet dan de snelheid op die variabele borden, dan is het duidelijk. Probleem is alleen dat er veel snelwegen zijn waar geen matrixborden hangen. Dus daar dan ook maar van die borden ophangen? Maar wat als die ‘niet doen’ luisteraar gelijk heeft en het tot nog meer ‘afleiding’ leidt? En wat als er een stroomstoring is? Geldt er dan geen maximum snelheid? Of moet de chauffeur dan toch weer op de normale borden kijken en weten op welk moment op welk traject hoe hard wordt gereden? Lastig. Het lijkt makkelijk maar ligt toch moeilijk.

Pardon? Missen het geacht Kamerlid en in haar spoor de rest van de Kamer en de minister niet de meest eenvoudige manier om duidelijkheid te scheppen? De meest eenvoudige manier? Welke dan? Nou gewoon één vaste maximumsnelheid op een weg. Bijvoorbeeld altijd 100 km/u op snelwegen waar die zich ook bevinden en hoe laat het ook is. Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan?

Uitgelicht

Black Hawk down

“De man heeft een totaal op hol geslagen moreel kompas.” Dit schrijft Tim Engelbart bij De Dagelijkse Standaard. De man met dat ‘op hol geslagen morele kompas’ is oud-commandant der strijdkrachten Peter van Uhm, de zoals Engelbart hem noemt, “geflipte generaal”. Engelbart reageer op het optreden van Van Uhm bij De Wereld Draait Door. 

Highway of Death Mogadishu. Bron: Wikipedia

Wat had Van Uhm dan gedaan? Van Uhm zei: “Wij hoeven ons niet te laten gaan zoals IS dat doet met de publicaties. Dus stel je nou gewoon een beetje sober op en ook al heb je geen respect voor wat IS en IS aanhangers doen, kun je nog steeds met respect met de doden omgaan.” Dat was tegen het zere been van Engelbart: “Een massamoordenaar. Een genocidepleger. Een verkrachter. Een slavendrijver. Een mensenhandelaar. Een oorlogsmisdadiger. Te weinig respect. Tijd om even tegen je voorhoofd te tikken, ja.”  Waarschijnlijk zal Van Uhm de kwalificaties die Engelbart aan de dode IS-leider toedicht onderschrijven. Van Uhms pleidooi richt zich op het respectvol omgaan met de doden. 

Ik moest denken aan een gebeurtenis uit de jaren negentig van de vorige eeuw in Mogadishu, de hoofdstad van Somalië. Deze gebeurtenis is verfilmd in de film Black Hawk Down. Een Amerikaanse missie om twee hooggeplaatste Somalische spionnen te ontvoeren, liep uit op een fiasco met vele doden. De meeste aan de kant van de Somalische krijgsheer Aidid, het eigenlijke doelwit van de actie. Beelden van dode Amerikaanse soldaten die door de stad werden gesleept, leiden er uiteindelijk toe dat de Amerikanen zich terugtrekken uit Somalië. De Amerikanen waren er een jaar eerder, in 1992, met veel bombarie geland. Bij die landing troffen ze vooral cameraploegen die de landing kwamen filmen. Het voor ‘propagandadoelen’ slepen met de gedode Amerikaanse soldaten werd van alle kanten terecht veroordeeld. Zo zonder respect ging je niet met doden om. 

Ook moest ik denken aan een van de eerste Prikkers die ik schreef. Dat was vlak na aanslag op de Bataclan en het Stade de France in Parijs in 2015. Een Prikker met als titel Ontmenselijking. In die Prikker vroeg ik me af of het verstandig is om mensen te ontmenselijken. Dat vroeg ik me af nadat premier Rutte sprak over ‘idiote barbaren en griezels’ die de aanslagen hadden gepleegd. En de toenmalige Britse premier Cameron die terrorist Jihad John een ‘menselijk dier’ noemde. Ik vroeg me af of: “we zo mensen buiten de gemeenschap van mensen plaatsten? Vernietigen we zo niet alle bruggen? Bruggen die een mogelijkheid bieden voor de ‘IS-aanhangers om terug te keren op hun schreden? Bruggen die ons de mogelijkheid bieden om IS-aanhangers te beïnvloeden?” Nu wil ik daar nog een vraag aan toevoegen. Blijkt beschaving niet juist, zoals Van Uhm betoogt, uit de manier waarop je omgaat met mensen die haar niet delen?

Uitgelicht

Recht in ‘kromme’ omstandigheden

“De bevrijde die de bevrijder aansprakelijk stelt, verdient moreel en juridisch geen enkel respect. In een rechtvaardige oorlog kan de bevrijder niet aansprakelijk worden gesteld.” Zo. Die uitspraak van rechtsgeleerde Afshin Ellian kunnen de Irakezen zich in hun zak steken. In een artikel bij Elsevier legt Ellian uit dat de Iraakse burgerslachtoffers van het door een Nederlandse F16 uitgevoerde ’precisie bombardement’ dat toch ‘precies’ het verkeerde doel trof, niet bij Nederland moeten zijn. Sterker nog: “De Irakezen moeten de Nederlandse militairen dankbaar zijn voor het verslaan van IS.” 

Bron: Wikipedia

De oorlog was legaal: “De Nederlandse overheid ging in op verzoek van de Iraakse overheid deel uit maken van een coalitie in de strijd tegen IS. Daarnaast vroeg de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties aan alle lidstaten actief deel te nemen aan de strijd tegen IS.” De oorlog was legitiem: “De jihadisten schonden bijna alle regels van jus in bello, het recht dat toeziet op de wijze van oorlogsvoering.”  En Nederland heeft geen oorlogsrecht geschonden: “Zodra er doden vallen, moet Defensie het Openbaar Ministerie (OM) betrekken bij de beoordeling van de eventuele strafwaardigheid van handelingen. Daaruit blijkt telkens dat Nederlandse militairen bij oorlogsvoering alle zorgvuldigheid in acht nemen.” Dat het toch zo verschrikkelijk fout ging, lag aan de omstandigheden: “De militairen kozen voor een nachtelijk bombardement met een lichte bom, juist om burgerslachtoffers te voorkomen. Er was (…) alleen niet bekend dat er meerdere vrachtwagens en grote hoeveelheden springstof aanwezig waren in het gebouw. Die hebben geleid tot aanvullende explosies met vernietigend effect.” Domme pech dus. Als de Irakezen dan toch ergens willen gaan klagen of hun rechts halen, dan moeten ze bij hun eigen regering zijn: “Immers, de Nederlandse krijgsmacht opereerde op verzoek en met goedkeuring van de Iraakse overheid.” Juridisch geen speld tussen te krijgen. 

Alleen zijn die ‘rare’ Irakezen niet dankbaar zo constateert Ellian: “Maar de Irakezen voelen zich niet bevrijd. Dat doet pijn!’’ Pijn, niet bij de Irakezen  maar bij de ‘Nederlanders.“Stelt u zich voor dat in 1950 de Nederlandse nabestaanden van doden die zijn gevallen door bombardementen van de geallieerden, Amerika of Groot-Brittannië aansprakelijk zouden stellen voor het vernietigen van de Duitse bezetter. Ja, daarbij kwam per ongeluk een behoorlijk aantal onschuldige Nederlandse burgers om het leven. Maar wilden we wel of niet worden bevrijd?” ‘Ondankbaar volk die Irakezen’, zo, lijkt Ellian te denken. En vervolgens concludeert hij: “Het recht dat ruimte geeft de bevrijder aansprakelijk te stellen voor oorlogshandelingen tijdens een bevrijdingsoorlog, verdient het niet om als recht te worden beschouwd.” 

Het recht waar Ellian zich op beroept is duidelijk. De VN veiligheidsraad vraagt om actie, de Iraakse overheid ook, dus geen vuiltje aan de lucht. Maar hoe recht is recht in ‘kromme’ omstandigheden? De ‘kromheid’ van de omstandigheden bestaat uit de voorgeschiedenis. Hoe kon het dat IS in Irak voet aan de grond kreeg? Dat was niet het gevolg van, zoals in het Nederland van 40 – 45, van een bezetting door een buitenlandse mogendheid. Het was niet zo dat delen van Irak werden veroverd en bezet door het land IS. Nee, IS was geen land. Het bestond, zoals ik in deel drie van de serie Wat was en IS schreef, uit een combinatie van Arabische Afghanistan-veteranen aan de ene kant. Die werden aangetrokken door: “de Iraakse puinhopen. Die boden hen een mogelijkheid om tegen de ‘grote Satan’ te vechten.” En aan de andere kant: “commandanten van Saddams oude leger,” die allemaal opzij werden geschoven. Zij troffen elkaar in gevangenissen zoals Abu Ghraib en vonden elkaar in hun onvrede met de situatie in Irak. 

Met die commandanten komen we op een volgende aspect van ‘kromheid’. Die commandanten zaten in het gevang omdat de machthebbers, ingegeven door de Verenigde Staten, hen een bedreiging vonden. Zij waren immers van het verslagen leger van Saddam Hoessein. Een leger dat werd verslagen door de ‘Coalition of the Willing’ onder leiding van de Verenigde Staten. Een coalitie die met een zeer dubieuze onderbouwing Irak binnenviel en de regering van dat land afzette. Om de juridische aspecten even te duiden: zonder mandaat van Verenigde Naties noch verzoek daartoe van de wettige Iraakse regering, viel die coalitie een land binnen en bezette het. Voor iedereen die een positie had in het oude Irak was geen plaats meer. Daarmee kwam vooral het soennitisch deel van Irak buitenspel te staan. Na die inval begon een periode van binnenlands geweld en sektarisme dat nog steeds voortduurt. Een periode waarbij het niet uitmaakt of ze door de kat (IS) of de hond (de door de Verenigde Staten gesteunde Iraakse regering) worden gebeten. 

Hoe sterk is het in dergelijk ‘kromme’ omstandigheden om je op het recht te beroepen? Omstandigheden die in het geheel niet vergelijkbaar zijn met de Nederlandse situatie van 40 – 45.