Uitgelicht

Jeugdzorg en geld

“En weer gaat er extra geld naar de jeugdzorg… Prima, als je informatievoorziening beperkt is tot de steeds terugkerende berichten dat de wachtlijsten wéér langer zijn geworden. Maar het verhaal is iets ingewikkelder dan dat men met geld de wachttijden probeert te verkorten.” Aldus psychiater en publicist Bram Bakker in een artikel bij Joop. Over die eerste zin moeten we het eens hebben. Maar eerst het betoog van Bakker.

Free Images : stack, brand, cash, font, art, currency, bill, games, many,  finance, out of focus, banknote, pay, bank note, paper money, financial  world, 10 euro, 20 euro, euro sign, 100 euro,
Bron: PxHere

In zijn artikel geeft Bakker een redelijk accurate analyse van het probleem: “Niet enkel in de jeugdzorg, maar ook in de volwassenen-GGZ verdwijnt buitenproportioneel veel geld naar bijzaken. De overhead laat zich lastig exact berekenen, maar is immens.”  Zijn oplossing gaat op sommige punten misschien wat te ver maar is als denkrichting interessant: “Schrap al dat management, geef instellingen minder vergoeding naarmate mensen langer moeten wachten op hulp. Er is genoeg te bedenken dat niet eens extra geld kost. Het gaat om een herijking van het systeem, het schrappen van organisatievormen die niet meer van deze tijd zijn.” Hoe de zorg er dan uit moet zien omschrijft hij helder: “Goede zorg is kleinschalig, flexibel en proactief. Wordt verleend door multidisciplinaire teams, die zoveel mogelijk zelfsturend zijn. We weten het allemaal al lang, maar waarom doen we het niet?”

Dan nu naar die eerste zin. Als je de kranten de afgelopen weken hebt gelezen en de berichten in de media hebt gevolgd, dan kan ik me voorstellen dat je die zin schrijft. Op 3 juni een artikel bij de NOS met als titel: “Kabinet trekt 1,3 miljard extra uit voor jeugdzorg in 2022.”  Of EenVandaag: “Extra geld voor jeugdzorg heel welkom, ‘maar kijk goed hoe dat geld wordt ingezet” Alleen is het beeld dat er extra geld naar de jeugdhulp gaat niet correct. Er gaat extra geld naar de gemeenten om het gat te dichten tussen het geld dat de gemeenten van het rijk krijgen om de jeugdhulp te verzorgen en het veel grotere bedrag dat ze eraan uitgeven. Geld dat gemeenten niet meer kunnen besteden aan bibliotheken, zwembaden, gemeenschapshuizen, cultuurpodia subsidie voor sportclubs en lantaarnpalen. Sterker nog, als het gaat zoals de minister het wil, dan gaat er in 2022 € 214 miljoen minder naar jeugdhulp dan nu het geval is. Voorwaarde voor dat extra geld voor gemeenten is namelijk dat de gemeenten maatregelen moeten nemen die tot dit bedrag besparing op de jeugdhulp leiden.

De zin schetst een verkeerd beeld. Namelijk dat extra geld de problemen in de jeugdhulp kan oplossen en dus die wachtlijsten wegwerkt. Geld is echter niet het probleem zoals Bakker redelijk accuraat laat zien. De bijzaken zijn het probleem en dat probleem is al meer dan vijftig jaar oud en wordt in stand gehouden door ideologie en verkeerde aannames. Dit verkeerde beeld organiseert de volgende teleurstelling\; ‘hebben we 1,3 miljard extra in de jeugdhulp gestort en nog zijn er wachtlijsten.’

Uitgelicht

Geschiedenis: her-denken

Het Romerhuis in Venlo, gebouwd in 1490 zo is uit de muurankers af te leiden, is een van de weinige mooie oude gebouwen die de stad nog rijk is. De naam dankt het pand aan de familie Romer die het pand in de zeventiende eeuw in bezit had. Het is niet alleen een bezoek waard omdat het zo’n mooi oud gebouw is, maar ook omdat er een chocolaterie in is gevestigd. Dat er nog maar weinig zijn, heeft twee oorzaken. Een eerste reden is dat veel oude gebouwen door de jaren heen nieuwe gevels hebben gekregen, die de oude vervingen. De panden lijken daardoor nieuwer dan ze zijn. Recent onderzoek naar dakconstructies laat zien dat nog redelijk veel panden een middeleeuwse geboortedatum hebben. Een tweede reden is dat de stad in 1944 in de frontlinie lag en de geallieerde troepen probeerden te voorkomen dat de Duitsers zich via de Venlose Maasbrug terug konden trekken. Daarom werd de brug tussen 13 oktober en 19 november 1944 negen keer gebombardeerd. Zonder succes, de brug bleef bruikbaar maar een flink deel van de Venlose binnenstad lag in puin. Het Romerhuis had daarbij geluk. Alle panden in de omgeving lagen in puin, het Romerhuis niet. Dat stond, enigszins gehavend, overeind. Uiteindelijk bliezen de Duitsers de brug op om te voorkomen dat de geallieerden die zouden gebruiken.

File:Oorlogsschade, reproductie 1945 - Venlo - 20241313 - RCE.jpg -  Wikimedia Commons
Romerhuis direct na de Tweede wereldoorlog. Bron: https://www.cultureelerfgoed.nl/

Waarom vertel ik dit? Ik vertel dit omdat het Romerhuis een realiteit uit het verleden is, een feit dat er al sinds 1490 staat, maar wat zegt het over het verleden? Het is een feit, een gegeven dat je laat zien hoe een middeleeuws pand eruit kon zien, maar niet meer dan dat. Het vertelt je niets over het leven in die middeleeuwen en de mensen die het lieten bouwen. Net zoals een foto van het gehavende Romerhuis uit 1944 een feit is. Als je daar iets over wilt weten dan moet je aan de hand van het pand en andere feitelijke gegevens een beeld proberen te krijgen van dat leven en vooral wat de mensen dachten. Als je iets over het waarom van het gehavende Romerhuis wilt weten, dan moet je het verhaal van de Tweede wereldoorlog vertellen en van het jaar 1944, het jaar dat de frontlijn door Nederland liep. Dan moet je je proberen in te leven in de bevelhebbers van de strijdende partijen. Waarom wilden de geallieerden de brug vernietigen? En als je wilt weten waarom de brug door de Duitsers werd opgeblazen, moet je je inleven in de Duitse bevelhebbers en proberen te denken wat zij dachten. Het zijn die gedachten die het verhaal vertellen. En met die gedachten en verhalen kom ik bij Robin George Collingwood (1889-1943).

Na Herodotus , Leopold von Ranke, en Karl Popper richt ik mijn blik op Collingwood. Hij was een buitenbeentje in de academische wereld van de eerste helft van de twintigste eeuw. Nu zou hij dat trouwens ook zijn. Een buitenbeentje door, zoals Van der Dussen schrijft, zijn: “grote veelzijdigheid en brede oriëntatie die slechts weinig aansloot bij het meer beperkte filosofische klimaat dat in het Oxford van zijn dagen overheersend was. … Naast filosoof was Collingwood ook archeoloog en historicus.[1]”  Een breed georiënteerd en geïnteresseerd iemand dus. Het boek The idea of history bevat zijn denken over geschiedenis. Dit boek werd na zijn dood samengesteld door een van zijn leerlingen Thomas Malcolm Knox en uitgebracht.

Voor Collingwood was Rankes schrijven ‘hoe het geweest is’ niet voldoende. Dat levert alleen een reeks feiten op, feiten zoals het Romerhuis dat gebouwd is in 1490 en in 1944 gehavend maar als enige huis in de buurt nog overeind stond. Hij wilde het verleden begrijpen. Begrijpen niet om er onvermijdelijke wetmatigheden in te ontdekken en zo de toekomst te voorspellen. Nee, hij wilde begrijpen waarom mensen in het verleden handelden zoals ze handelden. Voor Collingwood is alle geschiedenis, geschiedenis van denken, van gedachten. Hoe dat werkt? Collingwood: “De historicus van de filosofie probeert bij het lezen van Plato te weten wat Plato dacht toen hij zichzelf in bepaalde woorden uitdrukte. De enige manier waarop hij dat kan doen, is door het zelf te denken. Dit is in feite wat we bedoelen als we spreken van het ‘begrijpen’ van de woorden. Zo probeert de historicus van de politiek of oorlogvoering die een verslag van bepaalde handelingen van Julius Caesar onder ogen krijgt, deze handeling te begrijpen, dat wil zeggen door te ontdekken welke gedachten in Caesars geest hem ertoe brachten ze te verrichten. Dit houdt in dat hij voor zichzelf de situatie onder ogen ziet waarin Caesar zich bevond en voor zichzelf te denken wat Caesar omtrent de situatie dacht en de mogelijke manieren om zich ermee in te laten. De geschiedenis van gedachten en daarom alle geschiedenis, is de heropvoering van verleden gedachten in de eigen geest van de historicus.[2]

Alle geschiedenis is de geschiedenis van gedachten en bij het bestuderen van de geschiedenis is het de kunst om te her-denken. Her-denken is daarbij iets anders dan herdenken. Herdenken is gedenken, her-denken is je proberen te verplaatsen in die voorvaderen en proberen te denken wat zij dachten. Her-denken wat de Duitsers dachten toen ze de stadsbrug opbliezen, maar ook her-denken wat de geallieerden dachten toen ze de Venlose binnenstad tot puin bombardeerden. Bij dat her-denken helpt feitelijke informatie. Als je wilt her-denken wat Plato dacht toen hij bepaalde woorden sprak dan is het van belang om te weten wie Plato was en hoe hij in het leven stond. Het is van belang om te weten wie er aanwezig waren toen hij sprak en in welke omstandigheden. Als je wilt weten wat Caesar dacht toen hij de Rubicon overstak, moet je hetzelfde doen. Waar kwam hij vandaan, wie waren er bij hem, wat waren de bijzondere omstandigheden, wat was zijn inschatting dat er allemaal kon gebeuren en wat hoopte hij te bereiken met zijn daad?

‘Maar denkprocessen en gedachten zijn toch uniek en persoonlijk? Dan is een historicus een soort ‘geestenoproeper’, iemand die via telepathie in het hoofd van de doden kan kruipen en dat kan toch niet! Kun je tegenwerpen. Inderdaad is het lastig om in iemands ‘hoofd te kijken’. Dat is al lastig bij iemand die leeft en waaraan je vragen kunt stellen. Maar hoe stel je de ‘wat-ging-er-door-je-heen-vraag van de gemiddelde sportjournalist aan iemand die al tweehonderd jaar dood is? Toch even naar die obligate vraag van de sportjournalist. Ik weet niet of Mart Smeets die vraag in 1980 heeft gesteld aan Joop Zoetmelk na diens winst in de Tour de France. Stel die vraag werd toen aan Zoetemelk gesteld en vandaag stelt een journalist die vraag weer aan Zoetemelk? Zou er veel verschil zitten tussen de beide antwoorden? Ik denk het niet. Een persoonlijk voorbeeld. Tijdens een voetbalwedstrijd eind jaren tachtig rolde de bal een eind over de achterlijn. Ik ging die bal halen en rolde hem naar het vijfmetergebied zodat de keeper van de tegenstander de doeltrap snel kon nemen. De bal ging wat te ver en op weg naar mijn plaats als rechtsbuiten trapte ik de bal weer naar de plek waar de doeltrap genomen moest worden. Ook die rolde te ver en de keeper van de tegenstander deed geen moeite om de bal tegen te houden. Daarop stuurde de scheidsrechter mij het veld uit met de woorden: ‘ga jij maar achter die bal aan en blijf daar maar.’ Ik weet nog precies wat ik toen dacht; ik kookte over van woede en beet de scheidsrechter toe dat hij het in de jaren veertig goed zou hebben gedaan in een bepaalde functie. Geen fraaie uitspraak dacht ik toen en daarom bood ik na de wedstrijd mijn excuses ervoor aan. En nu, terwijl ik dit type, kan ik mijn toenmalige boosheid nog steeds her-denken op precies dezelfde manier en merk ik dat mijn hartslag versneld. Als dat kan, dan is de vraag ‘hoe uniek een denkproces is’ beantwoord: denkprocessen kunnen worden herhaald en zijn dus niet uniek. Rest de vraag naar de persoonlijkheid van een denkproces. Als jij, als lezer van deze anekdote uit mijn jongere jaren, mijn gedachten kunt volgen, dan is het bewijs geleverd dat we ook denkprocessen van anderen kunnen her- denken. Sterker nog, als we dat niet zouden kunnen, dan konden we niet van elkaar leren. Sterker nog, als het her-denken van gedachteprocessen van anderen niet mogelijk is, dan kunnen we niet met elkaar communiceren. Want wat is communicatie als het niet het overbrengen van gedachten is? Als dat niet kon, dan hadden onze voorvaderen elkaar nooit kunnen waarschuwen voor het gevaar van een naderende leeuw.

Dit her-denken van gedachten en denkprocessen van anderen levert echter geen absolute kennis op. Geen feiten zoals de foto van het gehavende Romerhuis of de opgeblazen stadsbrug een feit is. Wat het wel oplevert is begrip. Dus geen uitspraak als: ’Caesar dacht …’ bij het her-denken van Ceasars oversteek van de Rubicon, maar wel: ‘de gedachtegang van Caesar kon zijn …’.  Bij dit proces van her-denken loop je een risico. Het lastige hierbij is namelijk dat je dat wat er na die oversteek gebeurde, buiten beschouwing moet laten. Wat er daarna gebeurde was op dat moment nog slechts een van de vele mogelijke toekomsten. Dat ‘vergeten wat erna kwam’ is zeer lastig. Lastig omdat het menselijk brein zoekt naar verbanden, naar ‘oorzaak en gevolg’ en als je het ‘gevolg’ weet is het lastig om je studieobject niet te zien als ‘oorzaak’. Dan wordt het verleidelijk om de voorouders die je onderzoekt te be- of veroordelen op iets wat na de gebeurtenis die je onderzoekt gebeurde. Dan wordt het heel verleidelijk om moordpartijen van Stalin in de schoenen van Karl Marx te schuiven omdat Stalin zijn verhaal verkocht met een flinke saus marxistisch denken.


[1] W.J. Van der Dussen, Filosofie van de geschiedenis. Een inleiding, pagina 144

[2] R.G. Collingwood, The idea of history, pagina  215 (vertaling Van der Dussen, Filosofie van de geschiedenis. Een inleiding, pagina 147)

Uitgelicht

Geschiedenis: historicisme

Vandaag ga verder met het denken over geschiedenis en vooral het bestuderen van de geschiedenis. In het vorige deel stond Leopold von Ranke centraal. In dit deel de Filosoof Karl Popper en het door hem gemunte begrip historicisme.

Ranke zocht naar objectiviteit in de geschiedenis. Anderen niet, die doen dat door dat te doen waar het menselijke brein sterk in is.  Die zoeken naar verklaringen, naar logica, naar verbanden en in extremis naar historische wetten. Zij zoeken naar patronen of beter nog naar wetmatigheden in de geschiedenis. Dit denken wordt historicisme genoemd. Een term die we te danken hebben aan de grootste criticaster ervan: Karl Popper (1902-1994). Het historicisme haakt aan bij het Verlichtingsdenken. Zijn The poverty of historicism is volledig gewijd aan dit denken. In de inleiding geeft hij een korte definitie: “historicism’ (is) an approach to social sciences which assumes that historical prediction is their principle, and which assumes that this aim is attainable by discovering the ‘rhytms’ or the ‘patterns, the ‘laws’ or the ‘trends’ that underlie the evolution of history.[1]

Karl Popper for PIFAL | Pencil HB, 2B and Graphite 9B on can… | Flickr
Karl Popper. Bron: Flickr

Een korte definitie die hij in dat boek uitwerkt. In het eerste hoofdstuk van zijn De open samenleving en haar vijanden legt hij het kort en duidelijk uit: “Er bestaat een wijdverspreid geloof dat een echt wetenschappelijke of filosofische houding tegenover de politiek of een beter begrip van het sociale leven in het algemeen gebaseerd moet zijn op een beschouwing en een interpretatie van de menselijke geschiedenis. Terwijl de gewone man zijn levensomstandigheden, het belang van zijn persoonlijke ervaringen en zijn strijd om het bestaan maar moet aanvaarden, wordt de sociale wetenschapper of filosoof geacht de dingen vanaf een hoger niveau te overzien. Hij ziet het individu als een marionet, als een min of meer onbeduidend instrument in de algemene ontwikkeling van de mensheid. En de werkelijk belangrijke acteurs op het toneel van de geschiedenis zijn voor hem grote naties en hun leiders of eventueel de grote klassen of de grote ideeën. Wat daar ook van zij, hij zal de betekenis van het toneelstuk dat op het toneel van de geschiedenis wordt gespeeld, proberen te begrijpen; hij zal wetten van historische ontwikkeling trachten te begrijpen. Als hij daarin slaagt, zal hij natuurlijk in staat zijn toekomstige ontwikkelingen trachten te voorspellen, en zo zou hij de politiek een solide basis verschaffen en ons praktische adviezen kunnen geven door ons te vertellen welke politieke ondernemingen waarschijnlijk succesvol zullen zijn en welke waarschijnlijk zullen mislukken.[2]”  

Om Poppers betoog en om zijn kritiek op het historicisme te kunnen begrijpen, eerst iets meer over Poppers denken over wetenschap. Daarvoor moeten we even terug naar de achttiende eeuw, de eeuw van de Verlichting. De stroming die zich verzette tegen het dogmatische geloof in autoriteit en die autoriteit was God. Niet aannemen wat de ‘autoriteit’ zegt, maar zelf nadenken, zelf redeneren (je rede gebruiken). Newton die onder de boom zit of ligt en de appel op zijn hoofd krijgt, zocht de verklaring van het vallen van die appel niet in Gods voorzienigheid. Nee, hij zocht naar een andere verklaring en formuleerde de drie wetten die ten grondslag liggen aan de klassieke mechanica[3]. In navolging van Newton gingen wetenschappers overal op zoek naar ‘wetten’ die verklaarden waarom zaken waren gebeurd en die daarmee ook gelijksoortige toekomstige gebeurtenissen konden verklaren. Zo probeerde Adam Smith (1723-1790) in zijn De Welvaart van Landen de economie te verklaren en die verklaring zocht hij in het eigenbelang van mensen: “We danken onze maaltijd niet aan de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker, maar aan het feit dat ze hun eigen belang voor ogen hebben. We wenden ons niet tot hun medemenselijkheid maar tot hun eigenliefde; we vertellen nooit over onze eigen behoeften en spreken altijd met hen over hun profijt.[4]Op een dergelijke manier werd op alle terreinen van het leven naar algemeen geldende ‘wetten’ gezocht.

Popper hield er een heel andere manier van denken over wetenschap op na. Volgens Popper bestaan er geen absolute waarheden. Wetenschap is voor Popper geen zoektocht naar die absolute en algemene waarheden maar een tocht waarbij onzekerheden worden weggenomen. Al het weten en daarmee alle wetenschap is voorlopig en dus theorie. Nu leefde Popper in een tijd dat steeds meer oude ‘zekerheden’ niet zo zeker bleken. Met zijn algemene relativiteitstheorie wees Einstein Newton nog net niet naar de prullenbak maar zo algemeen geldend bleken die wetten van Newton niet. De op Smith gebaseerde klassieke economie bleek geen verklaring en dus geen oplossing te kunnen leveren voor de economische crisis van de jaren dertig. ‘Weten’ in de zin van het bieden van zekerheid en waarheid stond centraal in de wetenschap. Popper zag dit anders. Wetenschap is geen zoektocht naar zekerheid, maar een tocht naar het wegnemen van onzekerheid. Een goede wetenschapper zoekt daarbij steeds naar ontkenning van die theorie, omdat alleen ontkenning tot nieuwe kennis leidt. Hij maakt dit duidelijk met zijn ‘zwanen’. Als de theorie luidt dat alle zwanen wit zijn, wat doe je dan als wetenschapper? Dan kun je je hele leven zoeken naar witte zwanen en die zal je in overvloed vinden en die bevestigen je theorie. Als je je echter richt op het ontkennen van de theorie en je gaat op zoek naar zwarte zwanen, dan bewijs je de wetenschap een dienst. Theorieën moeten, zoals Popper het noemt, gefalsificeerd worden.

Terug naar het historicisme en vooral naar de tijd waarin Popper The Poverty of Historicism en De open samenleving en haar vijanden schreef. Popper werd in Wenen geboren en studeerde er in de jaren twintig filosofie. In 1937 emigreerde, of vluchtte, hij naar Nieuw Zeeland omdat hij zich zorgen maakte om het nazisme. En daarmee zijn we meteen aanbeland bij de tijd en vooral de ‘Zeitgeist’ waarin Popper de beide werken schreef. Vooral in de open samenleving en haar vijanden is dit een belangrijk gegeven. Het boek is Poppers bijdrage in de strijd voor de liberale democratie en richt zich tegen de geestelijke vaders van het totalitarisme. Popper onderscheidt twee vormen van historicisme en die geestelijke vaders zijn niet de minsten. Hij richt zijn pijlen aan de ene kant op Plato en aan de andere kant met name Karl Marx. En, zo zegt hij: “Als er in dit boek harde woorden vallen over sommige van de grootste geestelijke leiders van de mensheid, is dat niet om hen te kleineren. Ik doe dat omdat ik ervan overtuigd ben dat wij – wil onze samenleving overleven – moeten breken met de gewoonte om de groten der aarde te vereren. De groten der aarde kunnen ook fouten maken en zoals ik in dit boek heb willen aantonen, hebben sommige van de grootste leiders in het verleden de niet-aflatende aanval op vrijheid en rede gesteund.[5]Plato en Marx staan voor twee vormen van historicisme van heel verschillende soort.

In het eerste deel strijdt Popper tegen de oude filosoof Plato en zijn denken. Plato staat mede aan de basis van de westerse filosofie. Plato leefde juist in de tijd dat de tribale samenleving verloren ging en hij betreurde dat. Popper: “De ineenstorting van het tribalisme van de Griekse gesloten samenleving, kan worden teruggevoerd tot de tijd dat de bevolkingsgroei zich ging doen gevoelen onder de leden van de heersende klasse der landeigenaren. Dat betekende het einde van het ‘organische’ tribalisme, want er ontstonden sociale spanningen in de gesloten samenleving van de heersende klasse.” Die spanningen probeerden de Grieken op te lossen door het stichten van dochtersteden. Maar, zo schrijft Popper: “Het leidde zelfs tot nieuwe gevarenzones overal waar culturele contacten tot stand kwamen. Die contacten leidden op hun beurt tot wat wellicht het grootste gevaar voor de gesloten samenleving vormde – handel en de opkomst van een nieuwe klasse die zich aan handel en zeevaart wijdde.[6]

De twee machtigste Griekse steden reageerden op een verschillende manier op de sociale spanningen die dit in hun samenleving veroorzaakte. In Athene leidde dit tot een interne strijd tussen het oude en het nieuwe. Een strijd waar meestentijds de aanhangers van het nieuwe, de openere samenleving, de boventoon voerden en kreeg de vorm van de democratie. Zij bood ruimte aan vrije denkers en stond zo aan de wieg van de filosofie en daarmee ook de wetenschap. Concurrent Sparta niet, Sparta hield vast aan het oude en probeerde zo de ontwikkeling stop te zetten. Plato’s voorkeur ging uit naar het Spartaanse model en het behouden van de gesloten tribale samenleving. Naar een strak geordende samenleving waar iedereen een vaste plek inneemt onder leiding van een filosoofkoning. Plato ziet de samenleving achteruitgaan. Plato wilde het liefst terug naar vroeger en dan toch in ieder geval verdere ‘achteruitgang’ voorkomen.

Nu is denken in verval en achteruitgang niet iets specifieks voor Plato. Zo deelde Hesiodus de geschiedenis van de mensheid in vijf tijdperken of beter degenererende geslachten. De geschiedenis van de mensheid begon met de schepping van het gouden geslacht door de Olympische goden. Dit geslacht hoefde niet te werken, was zuiver van geest en geliefd bij de goden. En eindigt met het ijzeren geslacht: de mens die moet werken, leeft in angst, sterft en waarvan de goden het leven zwaar maken. Het scheppingsverhaal met de zondeval waardoor Adam en Eva het paradijs moesten verlaten en de eschatologie[7], het ‘eindtijd-denken’ past in die traditie. ‘Eindtijd-denken’ komt in alle moderne religies voor en niet alleen in de moderne. Zo eindigde de wereld volgens de Maya-kalender op 21 december 2012. Dat ik dit nu schrijf en dat je nog steeds naar 2012, de rampenfilm die Roland Emmerich in 2009 hierover maakte, kunt kijken, laat zien dat ook die voorspelling niet is uitgekomen. Om hun religie acceptabeler te maken volgt er na die eindtijd ‘de hemel op Aard’, tenminste voor de ‘echte gelovigen‘. Het ‘niet uitkomen’ is voor de aanhangers van de betreffende religie echter geen reden om hun geloof in de ‘eindtijd’ op te geven. Dan is er ‘fout gerekend’ of, dan was dat: “een teken dat er nog teveel zondaars in de stad waren. Die smetten moesten worden weggepoetst om zijn uitgestelde wederkomst te verzekeren[8]”. Dit was de conclusie van de wederdopers die in 1534-1535 onder leiding van Hans Bockholt, beter bekend als Jan van Leiden, de stad Münster terroriseerden. De wederkomst zou plaatsvinden op paasdag 1534 en toen er ‘niemand kwam’ werd de bovenstaande conclusie getrokken waarna de ‘ongelovigen’ of de iets minder of anders gelovigen in de stad werden opgespoord en over de kling gejaagd.

De Amerikaanse president George W. Bush gebruikte dit denken, of beter gezegd geloof, in 2003 om de Franse president Chirac te overtuigen mee te doen aan de inval in Irak: “Ondanks onze verschillende roomse en methodische achtergrond delen wij één gemeenschappelijke heer (…) Gog en Magog zijn aan het werk in het Midden-Oosten. Bijbelse voorspellingen komen uit. Deze confrontatie is de wens van God, die dit conflict wil gebruiken om de vijanden van Zijn volk te vernietigen voordat een nieuwe tijd aanbreekt.” Voor degenen die Gog en Magog niet kennen, Gog is in de Hebreeuwse bijbel de leider van het land Magog en Gog zal uiteindelijk de strijd voeren tegen het volk van God en aan de kant van Satan. Als je dit niet weet, hoef je je niet te schamen, Chirac wist ook niet wat hem overkwam toen Bush hem op deze manier probeerde te overtuigen: “Chirac keek nietbegrijpend naar zijn adviseurs die moesten uitzoeken wie Gog en Magog waren die plotseling in het Midden-Oosten opdoken. Toen de Openbaring van Johannes ter tafel kwam was voor Chirac de kous af. De politieke beweegredenen voor de invasie vond hij al niet overtuigend, maar een beroep op Bijbelse voorspellingen leek hem ronduit belachelijk. [9] Aldus beschrijft Hans Achterhuis het gebeurde in zijn boek Geloof in geweld. Met het ‘koninkrijk op Aarde’ dat duizend jaar zou duren komen we terug bij waar het historicisme van Plato volgens Popper toe leidt. Het leidt tot nazistisch totalitarisme, tot het streven naar het ‘Dritte Reich’. Een rijk dat weer is gebaseerd op de oude natuurlijke orde die Plato langzaam ziet vervallen en waarin de ware ‘gelovige’, in dit geval de ‘pure Ariër, zijn ‘rechtmatige plaats’ inneemt bovenaan de wereldorde.

In het tweede deel van De opensamenleving en haar vijanden bindt Popper de strijd aan met de belangrijkste vertolker van de tweede vorm van historicisme, Karl Marx. Daar waar het ‘Plato historicisme’ verval en achteruitgang ziet en terug wil naar vroeger, ziet het ‘Marx-historicisme’ een wetmatige ontwikkeling naar een ideale samenleving. Marx was een van de (zo niet de) belangrijkste denkers van de arbeidersbeweging en het socialisme. Het economische denken van Marx komt voort uit de klassieke economie van Smith en zijn navolgers. Maar daar waar de klassieke economen de samenleving vooral bekeken met de ogen van de kapitalist, stelde Marx de arbeider centraal. En dan niet de arbeider als individu maar de arbeidersklasse (het proletariaat). In zijn boek Das Kapital geeft Marx een beschrijving van de werking van de economie. Voor Marx is het kapitalisme een strijd tussen de arbeider en de kapitalist (de fabriekseigenaar). Volgens Marx wordt de waarde van een product bepaald door de erin verwerkte grondstoffen en de arbeid die erin wordt gestoken. De waarde die de arbeider erin stopt, zou hem in zeer belangrijke mate moeten toebehoren en niet aan de ‘kapitalist’. In het kapitalistische systeem zoals Marx dat in zijn tijd zag, eigende de fabriekseigenaar zich die waarde voor het grootste deel toe. Zo zou het kapitaal zich verzamelen in steeds minder handen. Marx’ denken was sterk beïnvloed en doordrongen van de dialectiek dat wil zeggen een strijd tussen twee tegengestelden die uiteindelijk zou leiden tot een synthese (een betere of hogere staat van zijn). De strijd in Marx’ zijn tijd was er een tussen de industriële ondernemers (de kapitalisten) en de loonarbeiders (het proletariaat).

Marx’ denken combineert historisme en dus de Romantiek met de algemene wetmatigheden van de Verlichting. Volgens het historisme heeft iedere tijd zijn eigen ‘Geist’. Die ‘tijd’ deelde hij op in afgebakende historische periodes lopend van het oercommunisme, via de slavenmaatschappij, het feodalisme en de bourgeoisie naar het kapitalisme. Iedere periode kende eigen, binnen die periode geldende ‘wetmatigheden’ en had op die manier een eigen ‘Zeitgeist’. Marx kende geen algemeen geldende economische wetten, wel economische wetten van het feodalisme of de slavenmaatschappij. Een manier van denken die aansluit bij het denken van de Romantiek. De enige algemene wet die Marx zag, is de opvolging van de verschillende perioden en dit is typisch Verlicht denken. Net zoals het feodalisme uiteindelijk het loodje moest leggen tegen het kapitalisme, zou het kapitalisme het loodje leggen tegen de kracht van de arbeiders. Dan zou de socialistische samenleving zijn bereikt die uiteindelijk zou overgaan in de communistische. De vrije concurrentie moest immers onherroepelijk tot monopolievorming leiden en omdat dit onrechtvaardig was, zouden de arbeiders hiertegen in verzet komen, de ‘Zeitgeistwet’ van de kapitalistische periode. In die volledig geïndustrialiseerde socialistische samenleving zou de staat, en daarmee iedereen, eigenaar zijn van grond en kapitaal. Daarmee zou de geschiedenis eindigen. Marx verzette zich niet tegen het kapitalisme, in tegendeel, het was volgens hem een noodzakelijke fase in de ontwikkeling naar de eindtijd. En daar waar Plato bij Popper leidt tot totalitair nazi-Duitsland, leidt Marx tot de totalitair communistische Sovjet Unie.

Historicisme leidt, zo betoogt Popper, tot vormen van totalitarisme omdat het de mens niet als individu draait. Het individu is een marionet op het wereldtoneel die gebruikt, of beter gezegd misbruikt, wordt om de voorspelling te versnellen. Zie het voorbeeld van de wederdopers onder leiding van Jan van Leiden in Münster die concludeerde dat er nog verder gezuiverd moest worden. Het ‘verwijderen’ van onzuivere elementen in de samenleving en in eigen gelederen was ook iets waar Hitler en Stalin bijna continue mee bezig waren. Van vriend kon je overnacht vijand worden, iets waar Ernst Röhm, de leider van de Sturm Abteilung over mee kan praten, als hij nog kon praten want in de ‘nacht van de lange messen’ liet hij het leven. Je kan het, als ze het nog na konden vertellen, ook vragen aan Jagoda of Jezjov die door Stalin werden ‘weggezuiverd’ en in showprocessen zich ook nog schuldig verklaarden aan hetgeen hen ten laste werd gelegd. Voor wie inzicht wil krijgen in de Grote Zuivering onder Stalin kan ik het boek Stalin. Het hof van de rode tsaar van Simon Sebag Montefiore aanbevelen. Historicisme ontmenselijkt de mens en dat maakt het een gevaarlijke manier van denken. Die ontmenselijking maakt dat totalitarisme op de loer ligt.

Tot zover het historicisme. In een volgend deel nog een andere belangrijke stroming in de geschiedenis van het bestuderen van de geschiedenis.


[1] Karl Popper, The poverty of historicism, pagina 8

[2] Karl Popper, De open samenleving en haar vijanden, pagina 35

[3] De eerste wet van Newton: Als er geen resulterende kracht op een voorwerp inwerkt, kan er geen snelheidsverandering van dat voorwerp optreden. De snelheid zal dus onveranderd blijven: zowel grootte als richting van de snelheid blijven constant. Het voorwerp staat stil of beweegt zich met constante snelheid in een bepaalde richting.

De tweede wet van Newton: een voorwerp in rust zal in beweging gebracht worden als er een kracht op werkt en een voorwerp in beweging zal versnellen, vertragen of van richting veranderen als er een resulterende kracht op werkt.

De derde wet van Newton: Deze wet stelt dat krachten nooit alleen voorkomen, maar steeds in paren (actie en reactie). Hoewel {\displaystyle {\vec {F}}_{\text{actie}}} de actiekracht en  de reactiekracht{\displaystyle {\vec {F}}_{\text{reactie}}} tegengesteld gericht en even groot zijn, heffen zij elkaar niet op, omdat zij op verschillende voorwerpen werken.

Even naar Newtons appel: geen God maar de zwaartekracht veroorzaakte het vallen van de appel: die valt omdat de zwaartekracht sterker is dan de kracht waarmee het steeltje aan de tak vast zit. Daardoor breekt het steeltje en valt de appel naar beneden (actie). Tegelijkertijd zwiept het takje naar boven (de reactie).

[4] Adam Smith, De welvaart van landen, pagina 67

[5] Karl Popper, De open samenleving en haar vijanden pagina 17 (voorwoord bij de eerste druk)

[6] Idem, pagina 208

[7] Letterlijk de leer van de laatste dingen. Dergelijk denken komt in alle moderne maar ook pre-moderne religies voor. Hans Achterhuis besteed er in zijn Geloof in Geweld een heel hoofdstuk aan.

[8] Hans Achterhuis, Geloof in Geweld, pagina 287

[9] Idem, pagina 311

Uitgelicht

Vaccineren, voorbeeld, vrijheid verkeerde discussie

Volgende week ben ik aan de beurt om te worden gevaccineerd. Ik heb de afspraak gemaakt en ik ga de ‘spuit’, of beter twee spuiten want enkele weken later moet ik nog een keer voor de ‘tweede ronde’, halen. Niet iedereen denkt er zo over en dat leidt tot verwoede discussies. Zo kreeg Matthijs de Ligt, speler van het Nederlands voetbalelftal er de afgelopen week flink van langs omdat hij zich niet liet vaccineren: “Het is niet verplicht. Ik vind dat je baas moet zijn over je eigen lichaam,” zo sprak De Ligt, als ik de media mag geloven. Vanwege zijn voorbeeldfunctie zou De Ligt zich moeten laten vaccineren. De druk werd zo groot dat De Ligt uiteindelijk meldde dat hij zich na het komende Europees kampioenschap laat vaccineren. Wordt hier niet juist het verkeerde voorbeeld gegeven?

Nee, niet door De Ligt. Die heeft net als iedere andere inwoner van dit land de vrijheid om zich al dan niet te laten vaccineren. Als die vrijheid voor mij geldt en voor jullie, mijn lezers, dan geldt die ook voor een bekende voetballer. Zelf maak ik, zoals gezegd, een andere keuze en daar hoeven anderen het weer niet mee eens te zijn. Het staat eenieder vrij om naar goeddunken een keuze te maken. Jammer is echter dat de keuze welk vaccin je wilt nemen niet vrij is. Die wordt voor je gemaakt.

Wordt het verkeerde voorbeeld niet gegeven door degenen die De Ligt op zijn ‘voorbeeldfunctie’ wijzen? Het verkeerde voorbeeld omdat er zo druk op mensen, in dit geval De Ligt, wordt uitgeoefend om in een bepaalde richting te kiezen. Vanwege de voorbeeldfunctie moet iemand iets tegen zijn wil in doen. Hoe verhoudt zich dit tot eenieders vrije keuze? En via die personen met een voorbeeld wordt gepoogd anderen dat voorbeeld te laten volgen. In zo’n gesprekken moet ik altijd aan wijlen mijn moeder denken. Als een van ons weer eens thuiskwam en iets wilde omdat ‘Pietje’ dat ook wilde, kwam zij altijd met de woorden: “as Pietje in de Maas sprinkt, sprinks dich der dan auk in?” Als kind was dat verdomd vervelend omdat je dan naar eigen argumenten moest zoeken. Achteraf ben ik er haar zeer dankbaar om omdat ze hiermee aangaf dat we zelf moeten nadenken en eigen keuzes moeten maken.

Moeten niet juist die deskundigen op hun voorbeeldfunctie worden gewezen? Hun voorbeeldfunctie om mensen informatie te geven op basis waarvan ze een keuze kunnen maken. Maar vooral hun voorbeeldfunctie om de keuzevrijheid te benadrukken?  Te benadrukken door te zeggen: ‘Beste Matthijs, ik hoor dat je geen vaccin neemt. Ik neem aan dat je om voor jou goede redenen doet. Het is mijn keuze niet omdat …. (en dan wat redenen waarom je je wel moet laten vaccineren). Maar in dit land is iedereen vrij om hierover een eigen afweging en dus een eigen keuze te maken. Dat is een groot goed.’’ Zou een dergelijke aanpak niet veel effectiever zijn dan morele druk uitoefenen op mensen?

Dus beste Matthijs, je bent vrij om zelf te kiezen. Als je geen vaccin tegen Covid-19 wil, neem er dan geen. En beste andere vaccinatieweigeraars, ook jullie hebben de vrijheid om geen vaccin te nemen. Mijn keuze is, zoals gezegd, een andere. Het kan dan natuurlijk wel zijn dat anderen, zoals organisatoren van festivals, een keuze maken om niet gevaccineerde bezoekers te weigeren. Dit omdat zij hun verantwoordelijkheid voor de veiligheid en gezondheid van hun bezoekers op die manier invullen. Want dat is hun verantwoordelijkheid en dus keuze en niet de ‘keuzevrijheid’ van de bezoeker.

Uitgelicht

Geschiedenis: historisme

In mijn vorige Prikker over geschiedenis en eigenlijk de geschiedenis van de studie van de geschiedenis, schreef ik over Herodotus, de vader van de geschiedenis. Nu maak ik een flinke stap in de tijd en gaan we van Herodotus naar de negentiende eeuw en wel naar Leopold von Ranke (1795-1886). Hij ontwikkelde de methode van de wetenschappelijke geschiedbeoefening.

Ranke was geïnteresseerd in de moderne Europese en dan vooral de politieke geschiedenis en niet zo zeer in de oude geschiedenis van de Grieken en Romeinen. Zijn wetenschappelijke methode komt overeen met de aanpak van Herodotus alleen had Ranke veel meer informatie tot zijn beschikking. In archieven werd en wordt zeer veel bewaard waaruit we informatie uit het verleden kunnen halen. Ranke bestudeerde en analyseerde die informatie uit al die bronnen kritisch en minutieus en probeerde zo tot een objectieve beschrijving van het verleden te komen. Hij wilde weten ‘hoe het werkelijk geweest is’. Een heilloze weg omdat objectieve geschiedenis niet mogelijk is. Daartoe ontwikkelde hij de wetenschappelijke geschiedenis, het bestuderen, analyseren en vergelijken van verschillende bronnen. De ‘methode Ranke’ houdt in dat je de hoogste prioriteit geeft aan oorspronkelijke bronnen[1]. Die bronnen laat je spreken waarbij je zo min mogelijk interpreteert en oordeelt noch er morele conclusies aan verbindt. Het verleden is niet ‘goed’ of ‘fout’ het is het verleden.

Bij het bestuderen van een bron stel je eerst standaard vragen: is de bron authentiek? Een belangrijke vraag want een niet authentieke bron vertekent het beeld van het verleden. Wat voor soort bron is het? Door wie is ze geschreven, aan wie, wanneer en waar? Was de schrijver een ooggetuige? Met welke bedoeling is de bron geschreven? Begrijpen we de bron zoals een tijdgenoot het begrepen zou hebben? Hoe betrouwbaar is de informatie in de bron? Pas daarna ga je aan de slag met je eigen vragen. Laat ik een voorbeeld geven: de zogenaamde ‘Protocollen van de wijzen van Zion.’ De bron pretendeert een verslag te zijn van een vergadering van joodse leiders in Bazel in 1897. Deze joodse leiders, de wijzen van Zion, zouden een plan hebben gesmeed om de christelijke maatschappij omver te werpen en een joodse wereldheerschappij te vestigen. Dit is geen authentieke geschreven bron omdat de vergadering nooit plaatsvond. Bovendien werd er in Rusland in 1895 al melding gemaakt van een handgeschreven versie van de Protocollen. Er is niet bekend wie de auteur ervan is. Nadere bestudering van de ‘Protocollen’ toonde aan dat het een samenraapsel is van stukken uit andere geschriften waarbij vooral is geput uit het boek Dialogue aux enfers entre Montesquieu et Machiavel: ou la politique de Machiavel au XIXe Siècle van Maurice Joly. Een boek dat het beleid van de toenmalige Frans keizer Napoleon III bekritiseerde. Die Russische tekst werd waarschijnlijk geschreven in opdracht van de chef van de Parijse afdeling van de Ochrana, de geheime dienst van tsaristisch Rusland, met als doel om de positie van de tsaar te versterken. Daarmee hebben we een antwoord op de vraag met welke bedoeling de bron is geschreven en is ook meteen duidelijk dat de informatie die de bron bevat volkomen onbetrouwbaar is[2]. Dus als een beschrijving van wat er werkelijk is gebeurd, is dit een niet authentieke bron. Dat ligt anders als je als historicus de behandeling van de joden in christelijk Europa sinds de Middeleeuwen bestudeert of de geschiedenis van complottheorieën .Dan vormen de ‘Protocollen’ een authentieke bron.

Rankes denken over de geschiedenis behoort tot een stroming die historisme wordt genoemd, een: “stroming die de nadruk legt op de historische dimensie bij de bestudering van maatschappelijke verschijnselen in heden en verleden, waarbij de individuele geaardheid van ontwikkelingen bijzondere aandacht krijgt, [3]aldus de omschrijving die Van der Dussen van dit begrip geeft. Historisme als denken kwam op als tegenwicht of verzet tegen het Verlichtingsdenken. Verlichtingsdenkers zoeken, in navolging van Newton in de natuurwetenschappen, naar altijd geldende wetten. In die zin ziet het Verlichtingsdenken de samenleving als statisch en ahistorisch. Of zoals de Schotse filosoof en historicus David Hume (1711-1776) het duidelijk maakte: “Men is het er algemeen over eens dat er grote regelmatigheid bestaat in de daden der mensen van alle naties en tijden, en dat is dat de menselijke natuur in haar beginselen en werking steeds dezelfde is gebleven. Dezelfde beweegredenen leiden altijd tot dezelfde daden; dezelfde gebeurtenissen volgen altijd uit dezelfde oorzaken (…) Wil men de gevoelens, de verlangens en de levensloop van de Grieken en Romeinen leren kennen? Men bestudere dan de aard en daden van de Fransen en Engelsen; men kan er dan niet ver naast zijn als men de meeste waarnemingen die men bij de laatstgenoemden gemaakt heeft overdraagt op de eerstgenoemden. De mensheid is in alle tijden en plaatsen zozeer gelijk dat de geschiedenis ons in dit opzicht niets nieuws verteld.[4]  Het historisme verzet zich hiertegen het gaat uit van het steeds en fundamenteel anders zijn van de mens in het heden en het verleden. Ieder volk heeft zijn eigen ‘Volksgeist’ en iedere tijd zijn eigen ‘Zeitgeist’ om de Duitse bewoordingen te gebruiken. Het historisme past omdat laatste Duitse woord te gebruiken, precies in de ‘Zeitgeist’ van de Romantiek.

De Romantiek ontstaat als een reactie op het Verlichte denken en vooral als reactie op de Franse revolutie van 1789. Die revolutie werd in haar revolutionaire fase gedreven door het rationalisme van de Verlichting en dat ‘rationalisme had geleid tot la Terreur met Maximillian Robespierre als een van haar belangrijkste vertolkers ervan. La terreur, letterlijk vertaald ‘Schrikbewind’, zo wordt de periode genoemd die het land van augustus 1792 tot juli 1794 in haar greep had en waarbij velen letterlijk hun hoofd verloren onder de guillotine. Doel van la Terreur was, zoals Palmer en Colton het in de zesde editie van hun boek A History of the Modern World beschrijven: “to bring about a democratic republic made up of good citizens and honest men.” Om zover te komen moest men af van ‘slechte burgers’ en ‘oneerlijke mensen.” Hoe doe je dat? “A Committee of General Security was created as a kind of supreme political police. Disigned to protect the Revolutionary Republic from it’s internal enemies, the Terror struck at those who were in league against the Republic, and those who were merely suspected of hostile activities.” En dat was een uitgebreid palet aan mensen: “It’s victims ranged from Marie Antoinette and other royalist to the former revolutionary colleagues of the Mountain, the Girondin leaders; and before the year 1793-1794 was over, some of the old Jacobins of the Mountain who had helped inaugurate the program went also to the guillotine.[5]in totaal verloren zo’n 40.000 mensen hun hoofd en honderdduizenden werden gearresteerd en vastgehouden.

Daar waar Verlichte denkers de rede en objectiviteit als uitgangspunt namen, namen Romantici de subjectieve ervaring als uitgangspunt. Voor die subjectieve ervaring is het verleden erg belangrijk want in dat verleden is, zo stellen de Romantici, het heden geworteld. Dat verklaart waarom het bestuderen van het verleden in de negentiende eeuw in zwang raakte en een hoge vlucht nam. Dit verklaart ook waarom Herodotus zo lang heeft moeten wachten op een opvolger. Het verleden stond vóór de negentiende eeuw niet in de belangstelling, het werd niet bestudeerd en er werd geen onderzoek naar gedaan. Die lacune werd ingevuld door de ‘historisten’. En omdat het eigene van volkeren uitgangspunt van het denken van het historisme was, werd vooral dat eigene van iedere ‘Volksgeist’ onderzocht en als je zoekt naar het ‘eigene’ van een groep of een volk, dan vind je dat eigene ook.

Dat ‘volkseigene’ werd vervolgens weer door de machthebbers gebruikt om het volkseigene te benadrukken en zo een volk te creëren, een volk waarop de leden van dat volk trots moesten zijn. Trots op het volk en de natie nu maar ook op het grootse verleden ervan. Om die trots te ontwikkelen en hoog op te kloppen, moest er nog meer onderzoek naar dat glorieuze en grootse eigen verleden worden gedaan, waardoor de nationale trots nog hoger kon worden opgeklopt. Opgeklopt door beelden van die ‘grote mannen’ te plaatsen. Beelden bedoeld om je ‘trots’ te laten zijn op de grootsheid van je volk en natie. Let maar eens op. De meeste beelden van ‘grote mannen’ zijn in de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw geplaatst. Zo is het beeld van Michiel de Ruyter in Vlissingen van 1841 en dus geplaatst zo’n 180 jaar na zijn dood. Jan Pieterszoon Coen is in Den Helder in 1893 op zijn sokkel gezet, bijna 270 jaar na zijn dood. Het beeld van schilder Rembrandt van Rijn werd in 1852 in Amsterdam onthult door koning Willem III en het plein waar het beeld staat werd in 1872 van Botermarkt ongedoopt in Rembrandtplein. Zo leidt het ‘objectief beschrijven van ‘hoe het geweest is’ toch weer tot het bevoordelen van de eigen groep.

In een volgende prikker in deze serie ‘geschiedenis van de studie geschiedenis’, een heel andere manier van het bestuderen van de geschiedenis.


[1] Ook wel primaire bronnen genoemd. Denk hierbij aan schriftelijke bronnen zoals Oorkonden, inscripties, annalen, processtukken, rapporten, notities, memoranda, verhandelingen, verslagen, notariële akten, doop-, trouw-, begraafboeken, kasboeken, egodocumenten, kranten, tijdschriften, vlugschriften, romans, brochures, verhalen, gedichten, toneelstukken, partituren. Maar ook niet-schriftelijke bronnen zoals gebruiksvoorwerpen, machines, meubels, gebouwen, wegen, stedenbouw, transportmiddelen, schilderijen, prenten, tekeningen, beeldhouwwerken, films, foto’s, geluidsopnames, kostuums, landschapsvormen, skeletten.

Naast primaire bronnen kennen we secundaire bronnen. Informatie uit tweede hand en/of van later datum dan het gebeurde dat je bestudeert. De Historiën van Herodotus zijn een secundaire bron bij de bestudering van de Perzische oorlogen.

[2] https://isgeschiedenis.nl/nieuws/de-geschiedenis-van-de-protocollen-van-de-wijzen-van-zion

[3] W.J. Van de Dussen, Filosofie van de geschiedenis pagina 104

[4] Geciteerd bij W.J. Van de Dussen, Filosofie van de geschiedenis pagina 105

[5] Palmer & Colton, A history of the modern World, pagina 376

Uitgelicht

Geschiedenis

“In de vijfde eeuw v.Chr. ontstond ook de geschiedschrijving. De ‘vader van de geschiedenis’ was Heródotus. Hij was afkomstig uit Halicarnássus op de Zuidwestpunt van Klein Azië, maar hij heeft een belangrijk deel van zijn leven in Athene gewoond. Hij schreef over de Perzische oorlogen en de voorgeschiedenis ervan en hij behandelde de zeden, gewoonten en geschiedenissen van allerlei volken en staten in Azië en Griekenland. Hij vertelde geen sagen, maar trachtte de waarheid te achterhalen en hij woog informatie kritisch af. Zijn werk kwam voort uit de Ionische traditie van land- en volkenkunde. Ionische kooplieden hadden reeds in de archaïsche tijd de behoefte gevoeld iets meer te weten over de landen en volken die zij bezochten.[1]

Met deze woorden wordt de eerste geschiedschrijver van de wereld geïntroduceerd in het boek Een kennismaking met de oude wereld. Als je over de geschiedenis van geschiedenis schrijft dan kun je niet om Herodotus heen. Nu is niet te achterhalen of Herodotus (die leefde tussen 485 en 425) werkelijk de eerste geschiedschrijver was. Wat we zeker weten is dat hij de geschiedschrijver is van het oudst bewaarde ‘geschiedenisboek’, zijn Historiën. Alles wat ik zag, hoorde en onderzocht. Het is daarmee een van de belangrijkste bronnen die ons inzicht geven in het denken in het oude Griekenland. Zijn Historiën is een echt geschiedenisboek omdat hij schreef over een gebeurtenis of beter een reeks gebeurtenissen die zich deels voor zijn geboorte en deels in zijn heel vroege jeugd afspeelden, de Perzische oorlogen aan het begin van de vijfde eeuw voor onze jaartelling en de aanloop ernaar. Oorlogen met drie bekende slagen. Iedereen die nu de marathon loopt, treedt in de voetsporen van Pheidippides. Volgens de bekende legende rende Pheidippides van Marathon naar Athene, sprak daar de woorden ‘gegroet, we hebben gewonnen’ en viel dood neer. Hiermee deed hij verslag van de slag bij Marathon in 490 alwaar de Grieken de Perzen in de eerste Perzische oorlog versloegen. Deze versie hebben we te danken aan Pioutarchos die deze bijna zes eeuwen nadien optekende. De tweede bekende slag is die bij Thermopylae in 480 alwaar een van de koningen van Sparta, Leonidas, met een kleine strijdmacht trachtte het ver in het overtal zijnde Perzische leger tegen te houden. De Perzen wonnen die slag maar leden er zeer grote verliezen. De film 300. Rise of an Empire verhaalt over deze slag. Als laatste de slag op zee bij Salamis vlak na die bij Thermopylae ook in 480 die de Perzen verloren en die koning Xerxes deden besluiten zijn poging om de Griekse gebieden te onderwerpen te staken.

Leonidas De Thermozuilen - Gratis foto op Pixabay
Koning Leonidas de Spartaanse koning die bij Thermopylae een nederlaag leed tegen de Perzen. Bron: Pixabay

Maar wat is geschiedenis? ‘Het verleden’ is het antwoord dat menigeen op die vraag geeft. En dat is ook precies een van de drie betekenissen die de Van Dale voor het woord geeft. In zijn Filosofie van de Geschiedenis is dat ook het antwoord dat Van der Dussen geeft, alleen dan iets uitgebreider maar dat is eigen aan filosofen: “Onder geschiedenis moeten immers in eerste instantie alle omstandigheden en gebeurtenissen uit het verleden worden verstaan.” De andere twee zijn: “voorval, gebeurtenis” en: “wetenschap die het verleden beschrijft.[2]In deze Prikker staat die laatste betekenis, de ‘wetenschap die het verleden beschrijft’ centraal, de ‘wetenschap die het verleden bestudeert’. Al het verleden? Nee, alleen de geschiedenis van de mens. Die van de natuur wordt buiten beschouwing gelaten. Studie van de natuur vraagt immers, zoals Van der Dussen aangeeft: “specifieke deskundigheid die tot het terrein behoort van bijvoorbeeld de geologie, paleontologie, klimatologie of astronomie.” Hij geeft echter ook een meer principiële reden: “de mens is zich op een unieke wijze bewust van zijn eigen geschiedenis, zoals hiervan in de natuur nergens sprake is.[3]

Met dat ‘bewust zijn van de eigen geschiedenis’ komen we bij een belangrijk punt. Geschiedenis is meer dan een relaas van gebeurtenissen in het verleden. “Het verleden is een gegeven waar niemand omheen kan.” Met die woorden opent Van der Dussen het tweede hoofdstuk van zijn Filosofie van de geschiedenis. Een hoofdstuk met als titel Rol van het verleden. Om het cru te zeggen: wij, als individu zijn ons verleden want dat is het enige wat wij hebben. Wie wij zijn wordt bepaald door de ervaringen die we hebben opgedaan. We hebben leren lopen, zwemmen, voetballen en muziek maken. We hebben een of meerdere talen geleerd waarmee we met anderen kunnen communiceren. Wij hebben geleerd van zaken die ons zijn overkomen en wij breiden onze ervaringen uit met die van anderen. En wij zijn onze verhalen en onze fantasieën. Of zoals Harari het in zijn Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid  beschrijft: “Sinds de cognitieve revolutie leven sapiens aldus in een dubbele realiteit. Aan de ene kant heb je de objectieve realiteit van rivieren, bomen en leeuwen en aan de andere kant de imaginaire realiteit van goden, naties en corporaties.[4]”  Twee realiteiten die sinds een jaar of twintig worden aangevuld met een derde, virtuele realiteit. Een realiteit die de andere twee combineert door je beelden voor te schotelen die je in toenemende mate niet van echt kunt onderscheiden, waarin je binnen de limieten van het programma ‘imaginair’ actief kunt zijn. Dit alles maakt ons wie wij zijn, het bepaalt onze identiteit en die is belangrijk als we onze persoonlijke geschiedenis beschrijven.

Echter niet alleen voor ons individueel, ook voor gemeenschappen: “Evenals bij een individu wordt de identiteit van een gemeenschap bepaald door het bewust zijn van haar verleden. Het betreft hier een collectieve herinnering en een geheel van collectieve ervaringen, onder meer voortlevend in tradities, die voor het heden van de gemeenschap in dezelfde zin bepalend zijn, als dit bij een individu ten aanzien van zijn individuele verleden het geval is.[5]Nu heb je geschiedenis, geschiedenis en geschiedenis. Aan de ene kant de geschiedenis van de grote verhalen. Een goed voorbeeld hiervan is het boek Sapiens van Harari. In nog geen 450 pagina’s beschrijft hij de 200.000 jaar geschiedenis van onze mensensoort, de homo sapiens en de rol die verhalen hierin speelden. Aan de andere kant heb je Stalingrad van Anthony Beevor die in ongeveer even veel pagina’s de in de Tweede Wereldoorlog belangrijke slag om Stalingrad beschrijft. Ergens hier tussenin kunnen we Richard Mills The politics of football in Yugoslavia plaatsen. Een boek van 300 pagina’s waarin de rol die het voetbal heeft gespeeld in het korte bestaan van het land Joegoslavië centraal staat. Aan de ene kant de grote lijnen, er tussenin een specifiek fenomeen en de ontwikkeling ervan in een bepaalde tijd, en aan de andere kant één gebeurtenis tot in detail. Alhoewel detail, en daarmee kom ik weer bij Van der Dussen: “Niet alleen is het ‘totale verleden’ dus nooit te omvatten, maar ook niet een ‘vaststaand’ of ‘objectief’ verleden: het gaat steeds om bepaalde aspecten van het verleden en bepaalde interpretaties ervan.[6] Hoe gedetailleerd ook, het schrijven van een geschiedenis betekent altijd gebeurtenissen en perspectieven weglaten en andere benadrukken. Voor wie op zoek is naar het objectieve verleden heb ik, in navolging van Van der Dussen een slecht bericht, het objectieve verleden bestaat niet. Iedere geschiedenis is een interpretatie van het verleden.

En daarmee kom ik weer bij de vader van de geschiedenis. Herodotus schrijft op basis van wat hij ziet tijdens zijn reizen maar vooral wat hij hoort in de verhalen van mensen die hij bevraagt. Daarbij belicht hij het gebeurde vanuit de verschillende betrokkenen. Spreken die zich tegen dan zoekt hij naar een voor hem best passende verklaring. Naast de genoemde conflicten en de personen die daarbij een rol speelden, geeft het boek ook een beschrijving van de levenswijzen en gebruiken van de verschillende volkeren. De beschrijving van die levenswijzen en gebruiken waarvan je je afvraagt welk deel ervan waar zou kunnen zijn geweest. Een voorbeeld: “Wanneer een Nasamoniër voor de eerste maal een huwelijk sluit, is het de gewoonte dat de bruid in de eerste nacht alle gasten langsgaat om gemeenschap met ze te hebben. Iedere man die dan gemeenschap met haar heeft, geeft haar een of ander geschenk, dat hij van huis heeft meegenomen.[7]Maar in een tijd waarin gebeurtenissen vooral in de vorm van verhalen worden verteld, is fantasie niet ver weg om wat gaten in te vullen of zaken aan te dikken. Iedereen die wel eens het spel heeft gespeeld waarbij een verhaal één op één moet worden doorverteld in een groep, weet dat het verhaal na een paar keer doorvertellen heel anders is.  

Een oude Griek of Pers zou het niet opvallen maar Herodotus lardeert zijn boek met wonderen, orakels en mythologische verhalen. Die gebruikt hij ter verklaring van wat er is gebeurd. Zij geven de gebeurtenissen een magische dimensie. Ook hier een voorbeeld ter verduidelijking. “Toen Grinnos, de koning van Thera, haar (het orakel van Delphi) over een andere kwestie raadpleegde gaf de Pythia hem als orakel dat hij een stad in Libye moest stichten.” Nu vond Grinnos zich te oud en hij wist de klus bij ene Battos in de schoenen te schuiven. Alleen vergaten ze het toen ze weer thuis waren. Dit ‘vergeten’ had drastische gevolgen: “Gedurende zeven jaar vanaf dat tijdstip viel er geen regen op Thera en daardoor verdorden in die tijd alle bomen op het eiland, op één na.[8]Omdat de Theranen wilden weten waarom hen dit overkwam, gingen ze weer naar Delfi en de Pythia herinnerde hen aan de eerdere uitspraak. Voor Herodotus was die ‘magie’ niets bijzonders omdat die in zijn tijd deel uitmaakte van de werkelijkheid.

De vader van de geschiedenis die, zoals De Blois en Van der Spek schrijven, de waarheid trachtte te achterhalen. Nu zal het een goede lezer van Herodotus Historiën opvallen dat de neutraliteit toch een klein bijsmaakje heeft. De Grieken komen er toch ietsjes beter vanaf dan de Perzen. De Grieken vochten voor hun vrijheid en tegen het despotisme van de Perzische vorsten. De Grieken staan, in zijn beschrijving, samen met de Egyptenaren op de hoogste trede van de ‘beschavingsladder’. Enige ‘vooringenomenheid’ is Herodotus niet vreemd en daarmee toont hij zich een kind van zijn tijd en eigenlijk een ‘kind van alle tijden’ want een voorkeur voor de eigen groep of het eigen land, is van alle tijden want zoals we zagen is alle geschiedenis een interpretatie en geen feitelijke beschrijving.

In een volgende Prikker meer over geschiedenis.


[1] L. de Blois en R.J. van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, pagina 103

[2] https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/geschiedenis#.YKu9uKgzb-g

[3] W.J. van der Dussen, Filosofie van de geschiedenis, pagina 37

[4] Yuval Noah Harari,  Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 42

[5] W.J. van der Dussen, Filosofie van de geschiedenis, pagina 27

[6] Idem, pagina 38

[7] Herodotus, Historiën. Alles wat ik zag, hoorde en onderzocht, boek 4 172

[8] Idem, boek 4 150-151

Uitgelicht

De broodrooster, de overheid en filantropie

Bij De Correspondent las ik een interessant artikel van Maurits Martijn met de bijzondere titel Hoe kwetsbaar Europa is, leer je van een broodrooster. Met zo’n titel heb je mij meteen te pakken. De kwetsbaarheid van Europa uitgelegd aan de hand van een broodrooster. Martijn spreekt in het artikel met Bert Hubert de man van de ‘broodrooster’. Bij het lezen van dit artikel moest ik meteen denken aan het veld waarin ik werk: de overheid.

Toaster Toast Brood - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

Eerst even de broodrooster. “Een broodrooster bestaat uit verschillende onderdelen. Vroeger maakten allround technologiebedrijven die allemaal zelf – van het omhulsel tot de schakelaar, en van de zekering tot het hitte-element. Nu is dat niet meer nodig. Broodroostermakers kunnen alle onderdelen over de hele wereld los inkopen – en dat doen ze dus ook.” Je kunt nog steeds geld verdienen maar je bent dan wel kwetsbaar: “omdat je geen broodroosters maakt, weet je ook niet precies hoe ze werken. Je verliest de beste broodroosterwizards als personeel, want hen boeit het werk bij jou niet meer. ‘Je komt op een punt dat je niemand meer in dienst neemt die iets kan, waardoor je als bedrijf niets praktisch meer zelf kunt.’ Weg expertise, weg innovatie.” Vervolgens maakt Hubert de sprong naar zijn werkveld, de telecom alwaar de grote spelers in Europa: “wat een ‘telco’ tot ‘telco’ maakt – de infrastructuur, het onderhoud, het personeel, de administratie – uitbesteedden aan andere partijen  ‘Ik zag ze allemaal veranderen in marketingbedrijven’.” De telecom sector is cruciaal voor een land en voor de Europese Unie en het uitbesteden van alle technische kennis en techniek aan derden maakt je kwetsbaar. Of zoals Hubert het zegt: “Als je nu ruzie krijgt met China, dan kun je denk ik nog precies één keer bellen. Ni hao, hoor je dan, vlak voordat er op wordt gehangen.” De coronapandemie liet zien dat al het uitbesteden ook op andere terreinen tot problemen kon leiden.

Bij het lezen van het artikel moest ik, zoals gezegd, denken aan onze overheid en vooral het fenomeen ‘regiegemeente’. In de kern komt het erop neer dat een regiegemeente bepaalt wat er moet gebeuren en het vervolgens via opdrachten laat uitvoeren. Dat vraagt, zo adviseert de Vereniging van Nederlandse Gemeenten haar leden, om goed opdrachtgeverschap en daarbij draait het om drie punten. Als eerste: “De gemeente beschikt over voldoende kennis en kunde om andere partijen aan te sturen (sturings- kwaliteiten).” Het tweede punt betreft inhoudelijke expertise:  “Er blijft voldoende inhoudelijke expertise bij de gemeente achter om niet alleen opdrachten te verlenen maar ook om te kunnen beoordelen of opdrachten volgens afspraak zijn uitgevoerd. Medewerkers dienen zich van een inhoudelijk professional tot een regisserende opdrachtgever te ontwikkelen. Dit vereist een cultuurverandering, opleidingstrajecten en ook wel het aannemen van meer commercieel geschoold personeel.” En als derde draait het dan om relatiebeheer: “Het is bovenal een proces waarin de relatie tussen deze partners moet worden onderhouden. Er zijn verschillende sturings- en verantwoordingsrelaties tussen de samenwerkingspartners en de uitvoerende organisaties.”

Hoe beoordeel je nu die geregisseerde ‘broodrooster’? Dat lijkt eenvoudig, je stopt er brood in en als het er geroosterd uitkomt, dan heb je een broodrooster en is aan de opdracht voldaan. ‘The proof of the pudding’ is immers ‘the eating’ zouden de Engelsen zeggen. Maar wat als je een paar uur na het eten van die toch heerlijke pudding met diarree op de wc zit? Of erger nog met voedselvergiftiging in het ziekenhuis ligt? Of in het geval van de broodrooster, als die het na drie keer begeeft. Of enorm veel stroom gebruikt of een op de vier keer voor kortsluiting zorgt of je keuken erdoor in de hens vliegt? En nu vertaald naar gemeentelijke taken, als die balkons van een flat vallen zoals in Maastricht gebeurde? Als er zich een gezinsdrama voordoet zoals in Roermond twintig jaar geleden. Als je gegevens worden gehackt en vergrendeld zoals de gemeente Hof van Twente overkwam. Of erger nog, een ICT drama zoals tien jaar geleden in Amsterdam.

Je kunt die ‘broodrooster’ net als pudding, de balkons, hulp aan gezinnen en ICT-systemen beoordelen door er allerlei kwaliteitseisen aan te stellen. Dat is de weg die gemeenten vaak kiezen. Echter om de goede eisen te stellen en vooral om erop toe te zien dat het werk ook aan de gestelde eisen voldoet, heb je mensen nodig die van de hoed en de rand weten. Die op de vraag wat 5G is, om een voorbeeld van Hubert aan te halen, antwoorden: “het is een snellere mobiele verbinding en je kunt het netwerk ook opsplitsen in verschillende delen.” En niet beginnen over: “zelfrijdende auto’s en medische operaties die nu via robots uitgevoerd kunnen worden.” Die hoed de rand, vragen om meer dan ‘voldoende inhoudelijke expertise’, die vragen om een expert. Maar waarom zou die expert voor een gemeente gaan werken als medewerkers zich: “zich van een inhoudelijk professional tot een regisserende opdrachtgever (dienen) te ontwikkelen?”  Waarom zou die top ICT-er voor de overheid kiezen als zijn salaris gemaximeerd is en nooit boven de ‘Balkenendenorm’ uitkomt terwijl er bij de Tech-bedrijven veel meer is te verdienen? Net zoals belastingspecialisten veel meer kunnen verdienen als ze niet in dienst van de overheid zijn.

Daarmee kom ik bij een TED-Talk waar Rutger Bregman op wees in de discussie onder zijn artikel over altruïsme waarover ik mijn vorige Prikker schreef. Bregman gebruikt die TED-Talk omdat die zijn ogen opende over de hoge salarissen van directeuren van goede doelen waarover hij zich vroeger druk maakte: “maar ik ben erg van mening veranderd na het kijken van deze TED Talk.” In die TED-Talk verdedigt Dan Pallotta de hoge overheadkosten van goede doelen mits ze leiden tot een flinke stijging van de inkomsten voor het goede doel. Als die leiden tot vergroting van het marktaandeel van het goede doel en beter nog, tot vergroting van het totale marktaandeel van alle goede doelen. Dat schijnt in de Verenigde Staten al jaren 2 procent van het BBP te bedragen. ‘Wat als we dat laten toenemen naar 3 procent’, vraagt Pallotta zich af. Een goed punt. Immers een organisatie met 40 procent overhead besteedt aan kwalitatief goede mensen, die 100 miljoen ophaalt, kan meer gedaan krijgen dan een organisatie met 5 procent overhead die 10.000 ophaalt.

En via Pallotta weer bij de overheid. Laat de overheid nu, en dat klinkt raar met de ‘toeslagenaffaire’ in gedachte, in de basis de grootste ‘goede doelenorganisatie’ zijn. In artikel 20 van onze Grondwet is immers vastgelegd dat: “De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart (…) voorwerp (zijn) van zorg der overheid.”  Op grond van artikel 22 treft de overheid “maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid,” bevordert zij voldoende woongelegenheid en: “schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.” Dit allemaal gevolgd door artikel 23 die het onderwijs tot: “de aanhoudende zorg der regering,” maakt.

Zouden we er, Pallotta volgend, niet voor moeten zorgen dat de kwaliteit van de overheid toeneemt? Moeten we in het verlengde daarvan niet anders kijken naar de betaling van overheidspersoneel? Niet als een kostenpost maar als een investering in een goede overhead. Een investering in het binnenhalen en houden van de beste belastingspecialisten, ICT-ers, bruggenbouwers en ook jeugdhulpverleners? Een overheid die voor hen een interessante werkgever is niet omdat ze ‘regisserend opdrachtgever’ zijn maar omdat zelf die brug bouwen, publieke ict-voorzieningen ontwikkelen en kinderen en vooral hun ouders met problemen helpen? Zou daarmee de kans op een tweede “Siewert-zaak’ niet veel kleiner worden? Zou de kans op kostenoverschrijding van een infrastructureel of ICT project niet veel kleiner worden? Zou de kans op een gezinsdrama daarmee niet veel kleiner worden? Zou dan de kans dat ‘Wopke Hoekstra zijn tanden eens gaat poetsen en zijn handen wassen’ zoals Frank Kalshoven in de Volkskrant schrijft toenemen waardoor er vele miljoenen en waarschijnlijk zelfs miljarden aan onterechte belastingkortingen niet worden uitgekeerd en aftrekposten, vrijstellingen en teruggaven geen zoals Kalshoven schrijft: “paradijs voor mensen die er de weg in weten (zijn), want er is niets meer of minder dan een ‘wildgroei’ ontstaan in de belastinguitgaven in Nederland”? Zou die investering in kwaliteit zich niet dubbel en dwars terugbetalen?

Uitgelicht

Filantropisch kolonialisme

Bij de Correspondent houdt Rutger Bregman een pleidooi voor effectief altruïsme. De titel van het artikel luidt: Als je gelooft dat iedereen gelijk is, waarom ben je dan zo rijk? Een bijzonder artikel. Effectief altruïsme wil zoveel mogelijk goed doen in een mensenleven en zoveel mogelijk goed doen voor een euro of dollar. Ik schreef er eerder al eens over toen ik het boek Doing good Better van William Macaskill besprak. Aanleiding voor die bespreking was trouwens ook een uitspraak van Bregman en op die uitspraak kom ik later terug.                

‘Als je gelooft dat iedereen gelijk is, waarom ben je dan zo rijk?’ Een interessante vraag die je meteen met een moreel oordeel opzadelt of beter gezegd moreel veroordeelt. Ja, ik ben voor gelijkheid en ja, qua inkomen behoor ik tot de rijkste 3,5% van de wereld. Nu is dat voor een Nederlander niet zo bijzonder. Met een modaal inkomen van € 36.500 per jaar, behoor je tot de 3,5% van de wereldbevolking met het hoogste inkomen. Dus ik moet mij schamen, ik ben voor gelijkheid en ik ben ‘zo rijk’. Moet de modale Nederlander zich schamen? Schamen vooral omdat hij hier is geboren en niet bijvoorbeeld in Pakistan?

Een vraag waarbij rijkdom en gelijkheid als samenhangende begrippen worden gezien. Aan de ene kant rijkdom en aan de andere kant gelijkheid. In feite zegt Bregman dat er pas sprake is van gelijkheid als iedereen even rijk is. Rijkdom is volgens Van Dale, en die omschrijving volgt Bregman: “het rijk zijn, rijk bezit, geld, goederen, schatten.” Geestelijke rijkdom en rijkdom aan liefhebbenden om je heen vallen buiten deze definitie. Gelijkheid definieert dezelfde Van Dale als: “volkomen overeenkomst in een bepaald opzicht.” Voor Bregman dus ‘volkomen overeenkomst in rijkdom’. In de politieke geschiedenis wordt gelijkheid anders gedefinieerd. “We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness,” aldus de tweede alinea van de verklaring waarmee dertien Staten in Amerika zich onafhankelijk verklaarden. Nu hoeft die ‘Creator’ er van mij niet in, dit terzijde. Gelijkheid gedefinieerd als gelijke rechten voor iedereen. Gelijke rechten betekenen dan niet per definitie ‘iedereen evenveel rijkdom’. Ook met verschillen in rijkdom is politieke en maatschappelijke gelijkheid voor iedereen mogelijk. Dat rijkdom mogelijkheden biedt en tot ‘onvolkomen overeenkomst in bepaalde andere opzichten’, leidt is evident. Dat er aan de grote inkomens en vooral vermogensongelijkheid in de wereld iets moet gebeuren, staat buiten kijf.

Het wordt bijzonder als Henk Broekhuizen in een discussie onder het artikel aangeeft dat het boek De tirannie van verdienste van Michael J. Sandel hem op dit punt de ogen heeft geopend: “Hoezo heb ik meer recht op het door mij verdiende geld. Als je bent geboren op de goede plek, bent gezegend met goede collegae die je activiteit in het bedrijfsleven hebben doen resulteren in een goede financiële positie,” schrijft Broekhuizen. Bregman reageert hierop door een link te sturen naar een Twitterdraadje waarin Sandel wordt verweten dat kaartjes voor een workshop van hem schreeuwend duur waren en voegt eraan toe: “Een boek schrijven over de ‘grenzen van de markt’ om vervolgens jezelf te commodificeren. Ook hier geldt weer: makkelijk om naar anderen te wijzen, maar verdraaid lastig om je eigen idealen in de praktijk te brengen.”

Een bijzondere reactie van iemand die voor effectief altruïsme pleit. Bijzonder omdat effectief altruïsme erom gaat om zoveel mogelijk goed te doen in je leven. Wie Macaskill, een van de oprichters van die beweging zo is te lezen op de kaft van het boek, leest, zal zien dat zoveel mogelijk geld verdienen een van de strategieën is die een altruïst kan toepassen. Als je veel verdiend kun je immers ook veel weggegeven en dus veel goed doen. Volgens Macaskill kun je beter ‘flitshandelaar’ worden dan tropenarts want met je verdiensten als ‘flitshandelaar’ kun je meer voor armen doen dan een tropenarts.

Nu weten we, ik en Bregman ook niet, wat Sandel met dat vele geld doet dat die workshops opleveren. Wellicht geeft hij een flink deel ervan aan goede doelen of betaalt hij er studiebeurzen van voor kinderen waarvan de ouders de studie niet kunnen betalen. Dan doet hij precies wat het effectief altruïsme aanbeveelt: veel verdienen zodat je veel weg kunt geven. Of misschien pot hij het wel op of koopt hij er allerlei ‘bling’ van. We weten het niet. Het gaat mij ook niet om Sandel.

Het gaat mij erom dat Bregman met die opmerking zonder dat hij het zich realiseert, de Achilleshiel van de effectief altruïsme beweging bloot legt. Alle altruïsten, groot en klein, kunnen alleen maar ‘altruïst’ zijn door precies dat te doen wat Bregman Sandel verwijt en dat is door te commodificeren. Neem de grote altruïsten van deze tijd Bill Gates en zijn ex Melissa. Zij haalden en halen hun vermogen en geld uit de bijna monopoliepositie van Microsoft. Vervolgens stoppen ze dat vermogen in een eigen stichting om ‘goed te doen’. Dat ‘goed doen’ doen ze van de rendementen van de beleggingen van dat vermogen en het vermogen van de anderen die zich bij hun ‘Giving Pledge’ hebben aangesloten. Niet door dat vermogen op te souperen. Ook Bregman zelf ontkomt er niet aan. Hij kan alleen de ‘altruïst’ uithangen door deel te nemen aan het systeem. Door artikelen te schrijven en podcasts te maken waar mensen als ik voor betalen. Door boeken te schrijven die mensen als ik lezen en door lezingen te houden. Dus door te commodificeren. Is zijn kritiek op Sandel niet van een hoog ‘pot verwijt de ketel’ gehalte? Altruïst kun je alleen maar binnen het systeem zijn.

En daarmee kom ik terug op de uitspraak die voor mij aanleiding was om een Prikker te weiden aan het boek van Macaskill. Op een activiteit van het World Economic Forum in Davos, werd Bregman geïnterviewd en sprak hij zich juist uit tegen filantropie met de woorden: “Taxes, taxes, taxes! The rest is bullshit.” Als we werkelijk naar een betere verdeling van de rijkdom en kansen in de wereld willen, dan komen we er niet met filantropie. Dan hebben we echt ‘taxes, taxes, taxes’ nodig en geen filantropische bullshit. Filantropie houdt, ondanks dat er mensenlevens worden gered en er goeds gebeurt, de bestaande verhoudingen in stand en vergroot die zelfs nog. Erger nog, om een tegenwoordig veel en vaak niet op de goede manier gebruikt woord te gebruiken, het zorgt voor ‘koloniale verhoudingen’.  

Uitgelicht

Kantelend tunnelperspectief

“Goed dat scholieren dat perspectief leren kantelen.” Dit zegt Jerry Afriyie, de voorman van Kick Out Zwarte Piet over een vraag bij het HAVO-eindexamen geschiedenis. Dit in een de jaarlijkse serie in de Volkskrant waarin bekende Nederlanders een eindexamen maken. Nu is wisselen van perspectief iets wat ik ook al tijdens mijn eindexamen in de jaren tachtig moest doen, dit is niet nieuw. Ook toen werd ons gevraagd om ‘perspectief te kantelen’ om de woorden van Afriyie te gebruiken en een bron van verschillende kanten te bezien. Afriyie geeft echter een bijzondere variant van kantelen.

Bron: Pxhere

Eerst even het voorbeeld dat de instemming van Afriyie krijgt. Hij zegt dit over een vraag waar: “leerlingen een verklaring van een voorlichter van het Nederlandse koloniale leger te lezen (krijgen). Het leger heeft na de Japanse bezetting troepen naar Nederlands-Indië gestuurd om de macht terug te krijgen. De voorlichter noemt de Indonesische vrijheidsstrijders ‘jongens die niet weten wat zij doen’, die Nederlandse steun uit ‘dom wanbegrip’ weigeren. Leerlingen moeten beargumenteren waarom de verklaring een eenzijdige weergave van de realiteit is.”  Zoals gezegd is een dergelijke vraag niet nieuw. Dat kijken vanuit verschillende perspectieven is de kern is van het vak geschiedenis en niet de ‘glorierijke vaderlandse geschiedenis’ debiteren en uit je hoofd leren.

Het wordt bijzonder als Afriyie het betrekt op een andere vraag: “die gaat over de oprichting van de Navo. Leerlingen moeten uitleggen wat er na 1945 in de buitenlandse politiek is veranderd, waardoor Nederland medeoprichter van de Navo werd. Het correctievoorschrift spreekt over het loslaten van de vooroorlogse neutraliteitspolitiek dankzij de dreiging van het communisme.” Afriyie wil er nog een ‘gekanteld perspectief’ aan toevoegen: “Afriyie schrijft liever op dat de Navo een ‘westerse dekmantel is om andere landen aan te vallen’. Daar krijgt hij nul punten voor.” Nu zijn die nul punten correct net zoals het antwoord in het correctievoorschrift. De Navo werd opgericht om het ‘rode gevaar’ te beteugelen, andere landen aanvallen, behoorde niet tot de taken van de Navo. De Navo is opgericht als een defensieve organisatie. De eerste keer dat de organisatie buiten haar grondgebied en dus het defensieve mandaat trad, was in 1999: de KFOR operatie in Kosovo. En die missie was niet op het ‘aanvallen’ van landen gericht. Afriyie slaat de plank mis en krijgt terecht nul punten. Als de organisatie gericht is op ‘het aanvallen van landen’, dan laat ze zeer magere resultaten zien.

Afriyies manier van denken over geschiedenis is zeer bijzonder maar ook weer niet. Afriyie wil het verleden herschrijven, of in zijn woorden ‘kantelen’, naar zijn hedendaagse opvattingen. Geschiedenis als middel om een doel in het heden te bereiken. Nog even en dan stak Ceasar de Rubicon over om de weg te plaveien voor de macht van de techbedrijven. En daarmee kom ik bij het ‘ook weer niet’ want hij gebruikt geschiedenis op precies dezelfde manier die zijn tegenstrevers gebruiken. Tegenstrevers die het ‘glorierijke Nederlandse verleden’ gebruiken om de bijzonderheid van de ‘Nederlandse identiteit en cultuur’ te benadrukken en er ‘trots’ op te zijn.

Afriyie vindt het goed dat ‘scholieren perspectief leren kantelen’ en dat is ook goed. Het lijkt er echter op dat hij dan wel wil dat het ‘perspectief’ zo ‘kantelt’ dat het in zijn tunneltje past.

Uitgelicht

Verbouwing van de democratie

Ik heb niets met beide partijen en sinds kort moet ik zeggen met alle vier die partijen. Welke ik bedoel? Wel 50Plus en het Forum voor Democratie en sinds kort de afsplitsingen ervan Lijst De Haan of hoe ze zich ook noemt en sinds deze week het ‘Forum Van Haga’. Het zijn de zoveelste afsplitsingen van twee groepen ijdeltuiten. Aan de ene kant de ‘ouderlijst’ die weer doen wat ze waarschijnlijk op school ook deden: het pesten van anderen. En aan de andere kant een clubje omhooggevallen narcisten die niet in de gaten hebben dat narcisme niet werkt in groepsverband. Waarom begin je er dan toch over, zal je je afvragen? Ik begin erover omdat jullie wat nu volgt niet moeten zien als een verdediging van, of opkomen voor een van deze groepen.

De Grondwet 1848 - Maand van de Geschiedenis
Bron: Maand van de geschiedenis

“Het is ongekend dat zoiets gebeurt – zeker in een fractie van één – maar eigenlijk zag iedereen dit natuurlijk al van verre aankomen.” Dit schrijft Michael van der Galien op 6 mei 2021 op zijn De Dagelijkse Standaard over de afsplitsing van Lijst De Haan van 50Plus. Het is inderdaad nog niet voorgekomen dat een eenpersoonsfractie zich afscheidt van haar fractie. Alleen is dat niet waar Van der Galien op doelt. Hij doelt erop dat De Haan haar zetel meeneemt: “Ze wil niets meer te maken hebben met 50Plus. Maar de Kamerzetel die de partij kreeg bij de verkiezingen houdt ze. Want, vindt ze, die komt haar eigenlijk toe, niet de partij.” Woorden die hij een week later niet gebruikt om de afsplitsing van het ‘Forum van Haga’ van het Forum voor Democratie te beschrijven. Een week later, op 13 mei vindt hij die: “Dood- maar dan ook echt doodzonde. Want hoe meer rechts verdeeld is, hoe minder we voor elkaar krijgen, en hoe moeilijker het wordt om onze rechten en vrijheden ooit nog terug te krijgen.” Geen woord over de ‘zetels die de afsplitsers’ meenemen en die eigenlijk de partij toekomen. De ene afsplitsing is blijkbaar de andere niet. Nu kan dat zijn omdat Van Haga veel voorkeursstemmen haalde. Alleen moeten we ons daarbij bedenken dat dit niet zijn eerste ‘afsplitsing’ is. Hij splitste zich in 2019 af van de VVD en die zetel had hij niet te danken aan voorkeursstemmen.

Het meenemen van een zetel na afsplitsing is niet ongekend. Het gebeurt vaker en is in de basis eigen aan de manier waarop we onze democratie hebben vormgegeven. Die gaat uit van Kamerleden die zonder ‘last en ruggespraak’ (artikel 67) stemmen. Ze zijn onafhankelijk maar om gekozen te worden, moeten ze eerst op een kandidatenlijst staan, zo is het in de Kieswet geregeld. Met kandidatenlijst wordt een politieke partij bedoeld. Dit alles hebben we te danken aan de Pacificatie van 1917. De laatste echte verbouwing van ons democratische huis. Tijdens die ‘verbouwing’ werd artikel 23 (vrijheid van onderwijs) opgenomen in de Grondwet en voor deze Prikker belangrijker, het algemeen kiesrecht werd ingevoerd en het districtenstelsel en het censuskiesrecht afgeschaft en politieke partijen (kandidatenlijsten) deden hun intrede.

Even een tussenstap om de achtergronden hiervan toe te lichten. Censuskiesrecht wil zeggen dat je alleen mag stemmen als je meer dan een bepaald bedrag aan belasting betaald. ‘No taxation without representation’, een van de kreten die aanleiding gaven tot de opstand van de Amerikaanse koloniën tegen de Engelsen: de Engelse kroon mocht alleen belastingen heffen als dat in overleg gebeurde met het volk, het parlement. Deze uitspraak gaat terug tot de Magna Carta in 1215. De Amerikaanse koloniën maakten bezwaar tegen belastingen omdat zij niet waren gehoord over bijvoorbeeld de belasting op thee. Dit artikel in de Magna Carta brak de macht van de koning op belastinggebied en staat, zo gaat het populaire Engelse en Amerikaanse vertoog, aan de basis van de parlementaire democratie. Het ‘volk’ dat die macht brak, bestond uit hoge adel en hoge geestelijken en had geen oog voor de gewone boer of landarbeider. Enkele honderden jaren verder, zo na Napoleon, werd diezelfde kreet in ietsjes aangepaste vorm, door de bourgeoisie gebruikt om de macht te behouden. Ze gebruikten dezelfde woorden maar net iets anders: ‘no representation without taxation.’ Pas als je een redelijk bedrag aan belasting betaalde, mocht je stemmen.  En omdat het gros van de mensen geen of slechts heel weinig belasting betaalde, mochten zij niet stemmen.

Dit censuskiesrecht werd dus in 1917 ten graven gedragen en ingeruild voor het algemeen kiesrecht. Een overwinning voor de democraten maar die kwam met een prijs en die prijs dat waren de kandidatenlijsten, de politieke partijen waarmee de gevestigde machten een belangrijk deel van de met het algemeen kiesrecht verloren macht weer terugpakten. Via die partijen, waar zij de touwtjes in handen hadden, behielden ze de macht om zaken in de hun gewenste richting te sturen. Omdat de Nederlandse samenleving tot eind jaren zestig sterk verzuild was, werkte dat heel goed en waren Kamerleden ‘zonder last en ruggespraak’ geen probleem voor de partijen.

Niet dat er vroeger geen afsplitsingen waren, die waren er zeker, echter niet zo vaak. Tussen 1945 en 1980 waren er tien afsplitsingen, twee minder dan in de jaren tien van deze eeuw. In onze huidige tijd ligt dat iets anders. De verzuiling is ten graven gedragen en met haar de stabiliteit in het politieke landschap. We leven in het tijdperk van de ‘zwevende kiezer’ en de ‘continue opiniepeiling’ dat heeft zijn uitwerking op de partijen en de gekozen Kamerleden. In onze huidige tijd met veel redelijk kleine partijen maakt instabiliteit het lastig om tot werkbare meerderheden te komen. En wat erger is, het maakt het heel lastig om belangrijke problemen aan te pakken.

Tijd voor een nieuwe verbouwing van ons democratisch stelsel. Alleen staan de sterren daarvoor niet erg gunstig. Wijziging van het democratische stelsel vraagt om overeenstemming en die is op dit moment ver te zoeken in politiek Nederland. Wijziging van het democratische stelsel vraagt vooral om over de eigen schaduw heen te stappen en die kwaliteit is nog verder te zoeken. Die kwaliteit wordt pas belangrijk, zo laat het verleden ons zien, als de druk zo hoog is dat het buigen of barsten wordt. De Grondwet van 1848 kwam er vreedzaam omdat koning Willem II vreesde om letterlijk zijn ‘hoofd’ te verliezen. De Grondwetswijziging van 1917 kwam er in een tijd dat de wereld, vooral in Europa, in brand stond en de heersende klasse de opstand van arbeiders vreesde.