Uitgelicht

Radicale dwaasheid

Beste meneer Baudet. U herkent zich niet in het beeld dat u en het Forum voor Democratie ‘geradicaliseerd’ zijn, zo lees ik in uw essay bij DeDagelijkseStandaard. Ik weet niet waarom tegenwoordig een opiniërend artikel ‘essay’ wordt genoemd. De enige reden die ik hiervoor kan verzinnen is om er wat ‘status’ aan te geven. Een bijzonder ‘essay’ trouwens. Maar laat ik beginnen met u gerust te stellen. U bent, zoals u het zelf terecht zegt, “al jaren stabiel” voor wat betreft uw standpunten.

File:Thierry Baudet (2).JPG
Foto Elekes Andor. Bron: WikimediaCommons

U signaleert allerlei zaken rond de corona-pandemie en vraagt zich vervolgens af: “waarom gebeurt dit dan allemaal? Wat is er nou toch aan de hand?” Daarvoor ziet u twee mogelijke verklaring. Aan de ene kant, om Ferry Mingelen aan te halen: “stupiditeit, massapsychose, groupthink, complete breindoodheid bij de politiek,” en aan de andere kant: “een plan, een bedoeling, een dieper liggende agenda.” Wat het antwoord is weet u niet, zo schrijft u en vervolgens beschrijft u uitgebreid het vermeende ‘masterplan’ en de mensen achter dit vermeende ‘masterplan’. Dit doet u niet voor die ‘stupiditeit’ en daardoor ontstaat de indruk dat u in zo’n ‘masterplan’ gelooft. Dit wordt versterkt door passages zoals: “Ze schrijven rapporten waarin ze dit alles aanprijzen, uitwerken, voorkauwen. En natuurlijk is het – theoretisch – ook mogelijk dat hun denkbeelden louter per ongeluk samenvallen met de huidige gebeurtenissen.” Dus u weet het antwoord wel. Wel vreemd trouwens dat die ‘samenzweerders’ hun ‘samenzwering’ publiceren. U sluit af met een pleidooi voor radicaliteit: “‘radicaal voor de vrijheid’ zijn. Radicaal voor de rechten, de ratio, de restricties op de staatsmacht!”

Maar nu even een vraag. Hoe wilt u dat: “Waar mondiale spelers, miljardairs, futuristen, machtswellustelingen al decennia van dromen — een centraal bestuurde wereld, transhumanisme, totale controle,” tegengaan? Hoe wilt u: “Bill Gates, Elon Musk, Peter Thiel, George Soros, Klaus Schwab, enzovoorts, al die miljardairs en mondiale spelers,” belemmeren in hun drang om te komen tot die: “The Matrix-achtige controlemaatschappij (…) bestuurd vanuit mondiale centra, met semi-verplichte, geïmplanteerde chips die het leven reguleren en sanctioneren (inclusief toegang tot, en gebruik van, het internet)?” Hoe wilt u mensen als Thiel, die kiezen voor kapitalisme als ze een keuze moeten maken tussen democratie en kapitalisme, stoppen? Denkt u dat uw streven naar ‘radicale vrijheid’ hen stopt? Thiel hoort u lachend aan. Hij kiest, immers ook voor radicale vrijheid van het individu. Voor de radicale vrijheid van dat individu om met een bedrijf of zelfs als individu, uw gegevens te verzamelen en die te gebruiken naar eigen goeddunken. Hoe anders dan door staatsmacht en dan liefst nog staatsmacht van landen gecombineerd, bijvoorbeeld in EU verband, wilt u dat voorkomen? Als ‘radicaal vrij’ individu slaat u tegen deze miljardairs en hun bedrijven geen deuk in een pakje boter. ‘Radicale vrijheid’ is goed voor de machtigen, niet voor de machtelozen.

Daarbij gaat terugkeren naar de achttiende eeuw de tijd van de bourgeoisie, waarvoor u enkele jaren geleden in een Zwitsterse krant pleitte, niet helpen. Uw uitspraken in dat interview dat het ‘evenwicht’, zoals ik uw woorden vertaal: die ‘delicate balans die culmineerde in (…) het echte welbegrepen individu’ waarvan u betoogt dat dit in de achttiende eeuw haar ‘hoogtepunt bereikte’ en uw uitspraak dat de ‘bourgeoisie manier van leven, het leven van de gewone mensen’ was, zegt veel over uw kijk op de wereld. Die achttiende eeuw was voor de gewone mensen helemaal niet zo’n fijne tijd. Met hun vrijheid, laat staan de radicale vrijheid, was het toen zeer slecht gesteld. En van een ‘bourgeois manier van leven’ konden ‘gewone mensen’ alleen maar dromen. De bourgeoisie dat waren de rijke handelaren en de bankiers, de Musken en Gatesjes van die tijd. Nog geen vijf procent van de bevolking. Hoe verhoudt die ‘radicale vrijheid’ zich trouwens met uw uitspraak in die Zwitserse krant dat, ik vertaal: ‘de samenleving een elite nodig heeft die de weg wijst?’ Of geldt die ‘radicale vrijheid’ waarvoor u nu pleit alleen maar voor wat u ziet als ‘gewone mensen’? De ‘nieuwe’ elite waartoe u zichzelf graag rekent maar waartoe het gros van de inwoners van dit land nooit zullen behoren?

Zoals ik in de eerste alinea al schreef u bent niet geradicaliseerd. U verkocht altijd al radicale, onsamenhangende dwaasheid en dat doet u nog steeds. Dus daarin is niets veranderd.

Uitgelicht

Intersectioneel profileren

Gelukkig mag ik, als ik dat zou willen, juichen over de ruzie in BIJ1, de partij van Kamerlid Sylvana Simons. De partij wil lid en tweede man op de kieslijst van afgelopen maart, Quincy Gario, uit de partij zetten. De reden blijft in het duister en Gario is het er ook niet mee eens. Het lijkt erop alsof beide zijden in het conflict elkaar van hetzelfde beschuldigen. Binnen de partij zeggen mensen zich niet veilig te voelen met Gario in de buurt. Die zou anderen op een of andere manier pesten. Gario beweert dat hij juist ‘pestgedrag en machtsmisbruik’  binnen de partij aan de kaak wil(de) stellen, zo valt te lezen in Trouw. Gario over het hele gebeuren: “Het laatste wat ik wil is dat racistisch Nederland gaat juichen over ruzie in de partij.”

Aangezien ik mezelf niet tot ‘racistisch Nederland’ reken, zou mijn eventueel gejuich wel acceptabel zijn? Nu sta ik niet te juichen maar dat ik van verbazing van mij stoel val, kan ik ook niet zeggen. Als er iets kenmerkend is voor nieuwe partijen in dit tijdsgewricht, dan is het wel dat er in de ‘kindertijd’ van een partij wel eens geruzied wordt. Dat geruzie wordt in de puberteit van de meeste partijen trouwens gewoon voortgezet en als we nu naar het CDA kijken zelf tot in het bejaardenhuis. Dus daar hoeven we niet van op te kijken. In een tijd waarin het eigen gelijk en vooral het eigen ego belangrijker is dan wat ook, hoeft het niet te verbazen dat op plek waar ego’s zich verzamelen, en dat zijn politieke partijen, ruzie uitbreekt.

De ruzie in BIJ1 verbaast mij om nog een andere reden niet en die heeft te maken met de filosofie van de partij, het ‘intersectioneel denken’. Op haar site heeft  de partij heel veel woorden nodig om uit te leggen wat het is en dan nog is het niet duidelijk. Zoveel woorden heb ik er niet voor nodig. Het ‘intersectionalisme’ is een machtstheorie die ‘macht’ bepaalt aan de hand van iemands identiteit. Die identiteit wordt op een zeer bijzondere manier bepaald. Daarvoor hakt ze mensen in stukken en die stukken bij elkaar opgeteld vormen iemand ‘identiteit’. Maar die stukken staan ook op een as. Zo staat blank’ op een as met ‘zwart’ en ‘blank’ heeft meer macht dan ‘zwart.‘ Man’ staat op een as tegenover ‘vrouw’ en ‘man’ heeft meer macht. ‘ En zo kun je nog meer assen maken zoals ‘homo’ versus ‘heteroseksueel’, ‘’hoog’ versus ‘laagopgeleid’. En hoe meer je hakt, hoe onduidelijker het wordt en hoe onduidelijker de ‘macht’ wordt. Want hoe vergelijk je mijn ‘identiteit’, man, middelbare leeftijd, hoog opgeleid, werkzaam voor de overheid en schrijver van Prikkers, met de macht van bijvoorbeeld Sylvana Simons. Op de voor de theorie belangrijke ‘assen’ kleur en geslacht heeft zij, volgens deze theorie minder ‘macht’ dan dat ik heb. In de praktijk heeft zij echter veel meer macht. Ze is Kamerlid, als zij iets schrijft komt het in diverse kranten terwijl mijn Prikkers mijn eigen site halen. De theorie hangt macht aan die ‘stukken identiteit’ en niet aan de persoon .

Als je deze theorie als filosofie van je partij beschouwt, dan is de kans zeer groot dat er een strijd om de toppositie op de ‘ellende-ladder’, zoals ik het eerder noemde, uitbreekt. Degene met de minste ‘macht’ moet in deze theorie centraal staan. Die moet de ‘macht’ krijgen. Die strijd lijkt nu los gebarsten zo lees ik bij deKanttekening. En het hoeft niet te verbazen wie als schuldigen worden aangewezen. Daarvoor hoef je alleen maar naar de assen te kijken en vooral naar de, volgens de theorie belangrijkste kleuren-as. Of die personen werkelijk de meeste macht hebben, doet er niet toe. Geen beste beurt voor een partij die streeft naar radicale rechtvaardigheid en waarbij de strijd tegen racisme topprioriteit is en etnisch profileren aangepakt en voorkomen moet worden. Zouden de partij en haar aanhangers zich wel eens afvragen hoe het ‘aanpakken en voorkomen van ethisch profileren’ zich verhoudt tot hun filosofie van ‘intersectioneel profileren’?

Uitgelicht

Een hutje op de hei

 “In de Middeleeuwen waren er meer verschillende manieren van wonen dan nu. Er waren begijnhofjes, kloosters en oudemannenhuizen. Tegenwoordig moeten de meeste mensen het doen met een rijtjeshuis of appartement.” Deze uitspraak is, zo schrijft Josta van Bockxmeer bij De Correspondent, van Rijksbouwmeester Floris van Alkemade. Een uitspraak in de categorie ‘vroeger was alles beter. Al denk ik niet dat Van Alkemade dat bedoelde met die uitspraak. Hij zal bedoelen dat er tegenwoordig zo weinig gevarieerd wordt gebouwd. Van Bockxmeer interpreteert het ook op die manier. Toch een bijzondere uitspraak.

Royalty-free medieval construction photos free download | Pxfuel
Bron: Pxfuel

Een vergelijking tussen twee tijdperken wordt wel vaker gebruikt in een debat. Als dat gebeurt dan spits ik als historicus altijd mijn oren. Inderdaad, in de Middeleeuwen waren er oudemannenhuizen, begijnenhofjes en kloosters alwaar je kon gaan wonen. Je had echter ook nog kastelen en in de latere Middeleeuwen in steden ook patriciërswoningen, de huizen van de rijke kooplui. Veel keus zo lijkt het.

Inderdaad is tegenwoordig: “Het grootste deel van de huizen (…) een eengezinswoning, terwijl 40 procent van de huishoudens uit één persoon bestaat.” Maar daarnaast heb je ook nog de villa, de woonboerderij, de aanleunwoning, het verzorgingshuis, de studentenflat en oh ja, kloosters en kastelen bestaan ook nog steeds. Toch moet het gros van de mensen het doen met een eengezinswoning of een flatje omdat de villa of woonboerderij te duur is, ze niet voldoen aan de criteria voor een verzorgingshuis en ze de studentenflat ontgroeid zijn. Dus die Middeleeuwer was beter af.

Maar wacht even, ik ben nog één huistype vergeten, het hutje op het platteland alwaar het gros van de Middeleeuwers woonden. Samen onder één dak met die ene koe, dat varken, de geit en de kippen. Ze woonden daar omdat ze zich geen ‘kasteel’ of later patriciërswoning konden veroorloven. Omdat niet iedereen in een klooster of begijnenhofje terecht kon en ze te jong waren voor dat ‘oudemannenhuis’. Bovendien waren die er enkel in de steden en daar kon je zomaar niet naartoe, gebonden als je was aan dat stukje grond en de ‘bijbehorende feodale landeigenaar’.  Dat ‘hutje’ was waar het gros van de Middeleeuwers het mee moesten doen. Trouwens niet alleen de Middeleeuwers, tot ver in de negentiende eeuw was het hutje, en een ‘stadskrot’, de negentiende-eeuwse stedelijke variant voor arbeiders, de dominante woonvorm.

Van Alkemades historische vergelijking gaat mank. De gemiddelde Middeleeuwer had qua wonen niet meer keus dan de mens van tegenwoordig. Die kon kiezen uit een hutje of een hutje of dat nu op de hei stond of niet. Bovendien is de kwaliteit van wonen van dat rijtjeshuis of die flat oneindig veel beter dan het Middeleeuwse hutje.

Uitgelicht

Geen leven zonder risico’s

Als de werkelijkheid minder positief of negatiever is dan je verwacht, dan ligt teleurstelling op de loer. Met extreem hoge verwachtingen is de kans op teleurstelling dan ook erg groot. De grote man bij de DeDagelijkseStandaard, Michael van der Galien heeft extreem hoge verwachtingen: “Dit soort vreselijke rampen gebeuren vaker, maar met de technologie én de welvaart van nu kan de staat er in theorie toch echt wel voor zorgen dat het ze niet meer voorkomen; dat er zo’n sterke verdedigingslinie ligt, dat die nagenoeg onbreekbaar is.” Van der Galien is dan ook ernstig teleurgesteld, getuige de titel van zijn klaagzang: “Zoals altijd faalt de overheid.”

De vreselijke rampen waar Van der Galien het over heeft: “Er worden miljarden, nee triljarden!, uitgegeven aan allerlei projecten om mensen gratis cadeau’s te geven en aan onzinnige plannen die helemaal niets doen om “het klimaat” ook maar een fractie te verbeteren. Maar ondertussen wordt er niet genoeg gedaan om mensen te beschermen – niet tegen de natuur, niet tegen buitenlandse vijanden (de krijgsmacht staat op instorten), en niet eens tegen binnenlandse criminelen (een misdaadverslaggever die op klaarlichte dag wordt afgeslacht).” Zo, die kan de overheid zich in de zak steken.

Alle moorden voorkomen is een illusie tenzij we in de toekomst de perfecte precogs kunnen ontwikkelen. Voor degenen die de film niet hebben gezien, in de film Minority Report zijn er drie genetisch gemodificeerde mediums die misdaden kunnen voorspellen. Daarop gaan de agenten, Tom Cruise is er een van, van het bureau Pre-crime aan de slag en arresteren de dader die nog niets heeft gedaan. Die wordt vervolgens gestraft. Dat die precogs niet perfect zijn, daar komt Cruise achter als hij als toekomstige dader wordt aangemerkt. Dan komt hij erachter dat de voorspellingen van de precogs niet altijd eensluidend zijn en dat er een minority report is. Het bestaan van zo’n rapport ondermijnt het geheel omdat er dus meerdere ‘toekomsten’ mogelijk zijn.

Dat er meerdere toekomsten mogelijk zijn, maakt ook meteen duidelijk hoe hoog Van der Galiens verwachtingen zijn. Als je alles wilt beheersen, dan moet je alle mogelijke ‘toekomsten’ weten. Pas dan kun je gebeurtenissen  voorkomen. Nou ja, voorkomen. Dan kun je iets proberen om die gebeurtenis te voorkomen. Al moet je je dan ook meteen weer realiseren dat je ingrijpen gevolgen heeft en om toekomstige schade door je ingrijpen te voorkomen moet je ook alle mogelijke toekomsten die een gevolg zijn van je ingrijpen kennen. En zo kun je doorgaan. Dat wordt een heel lastige want het aantal mogelijke toekomsten is eindeloos en na ingrijpen is er weer een eindeloze reeks toekomsten mogelijk.

Teleurstelling ligt ook op de loer bij Van der Galiens vertrouwen in onze mogelijkheden om een ‘nagenoeg onbreekbare verdedigingslinie’ te creëren met onze ‘technologie en welvaart’. Als ons verleden iets laat zien dan is het dat technologie problemen oplost en vervolgens weer nieuwe creëert. De vuistbijl was handig bij het villen van dieren. Maar als je er dieren mee kunt villen, dan kun je er ook mensen mee villen. Hetzelfde kun je zeggen van de pijl en boog. Daarmee kun je van een afstandje een hert doden, maar ook een mens. De mens is immers niets anders dan een dier. Neem de moderne technologie van de ‘geautomatiseerde algoritme’. Dat kan wonderen doen bij het opsporen van kanker. Het kan ook zorgen voor dystopische zaken zoals etnisch profileren. De introductie van fossiele energie leverde een geweldige welvaarts-boost op, het leidde echter ook tot de opwarming van het klimaat waarvan de verschroeiende zomers van de afgelopen drie jaar en de overvloedige regenval van dit jaar een gevolg zijn.

Van der Galien gelooft kennelijk in een volledig ‘planbaar’ leven en een ‘planbare’ samenleving.  Bij zo’n uitspraken moet ik denken aan Nassim Nicholas Taleb, de oud derivatenhandelaar en nu wetenschapper en auteur. Een van die boeken, De zwarte zwaan, handelt over ‘zwarte zwanen’. Nee, niet die beesten met vleugels. Een zwarte zwaan is een gebeurtenis met drie kenmerken: “Ten eerste is het een totaal onverwachte gebeurtenis, een uitschieter die buiten de normale gang der dingen valt omdat er vooraf geen duidelijke aanwijzingen waren dat zoiets kon gebeuren. Ten tweede heeft het zeer grote gevolgen (…. En ten derde zit de mens zo in elkaar dat we naderhand, ook al was het een totaal onverwachte gebeurtenis, verklaringen bedenken die de gebeurtenis begrijpelijk en voorspelbaar maken.[1] Precies die gebeurtenissen die Van der Galien allemaal wil voorkomen en indammen. Een tweede boek van Taleb, Antifragiel handelt over en zo luidt ook de ondertitel Dingen die baat hebben bij wanorde. Wanorde die, zo betoogt Taleb, bij het leven hoort en waarmee je moet leren om te gaan. Dat omgaan doe je door ‘antifragiel’ te worden. Door te zorgen dat je tegen een stootje, of liever stoot, kunt. Want zo sluit hij dat boek af: “De beste manier om te verifiëren of je nog leeft, is door te kijken of je van variantie houdt. Bedenk dat voedsel niet zou smaken zonder honger; resultaten betekenen niets zonder inspanning, vreugde niets zonder verdriet, overtuigingen niets zonder onzekerheid en dat er geen ethisch leven kan bestaan zonder persoonlijke risico’s.” Waarna hij afsluit met de woorden: “En nogmaals, lezer, bedankt voor het lezen van mijn boek.[2] En daar heb ik niets aan toe te voegen behalve: bedankt voor het lezen van deze Prikker!


[1] Nassim Nicholas Taleb, De Zwarte Zwaan. De impact van het hoogst onwaarschijnlijke, pagina 2

[2] Nassim Nicholas Taleb, Antifragiel. Dingen die baat hebben bij wanorde, pagina 413

Uitgelicht

Back to the Future

Mijn enige conclusie na het lezen van een artikel van religiewetenschapper Kaj Brens in de Volkskrant is dat de Nederlandse staat kan tijdreizen. Hoe zij dat doet, is mij een raadsel. Dus graag een Kamerdebat hierover zodat de onderste steen boven komt! Hoe ik tot die conclusie kom?  

TeamTimeCar.com-BTTF DeLorean Time Machine-OtoGodfrey.com-JMortonPhoto.com-07.jpg
DeLorean Time Machine uit Back to the Future waarmee Marty McFly door de tijd reist. Bron: Wikipedia

“We worden ons in Nederland steeds bewuster van de rol die de staat speelde in deze zwarte bladzijde van de vaderlandse geschiedenis. De rol die de kerk speelde, blijft echter relatief onderbelicht. Draagt het christelijk geloof ook verantwoordelijkheid voor ons slavernijverleden?” Dat vraagt Brens zich af.  Brens sluit af met de woorden: “Als de Nederlandse staat verantwoordelijk was voor het implementeren van de slavenhandel, dan was de kerk zonder meer verantwoordelijk voor het vergoelijken ervan.” Een wel heel bijzondere uitspraak en dat is niet de enige.

In zijn artikel loopt Brens het Oude en Nieuwe testament na op zoek naar uitspraken over slavernij. Zijn conclusie: “Nergens in de Bijbel wordt slavernij dan ook ondubbelzinnig afgewezen, veroordeeld of verboden. Integendeel. De Heilige Schrift lijkt deze misdaad tegen de mensheid vaak stilzwijgend toe te staan en soms zelfs expliciet te steunen.” Dat de beide Testamenten geen ‘ondubbelzinnige’ afwijzingen, veroordelingen of verboden bevatten, hoeft niet te verbazen. Al die verhalen zijn geschreven in een tijd dat slavernij de normaalste zaak van de wereld was. Een tijd dat het de normaalste zaak van de wereld was om:  “alle mannen ter dood (te brengen), maar de vrouwen, de jonge meisjes die nog nooit met een man hebben geslapen ‘en het vee en alles wat er aan goederen in de stad is,” buit te maken.  En het: “etnisch gehalte,” dat Brens in Leviticus: “want ‘als slaven en slavinnen kun je mensen kopen uit de omringende volken, of de vreemdelingen die bij jullie wonen,” was in die tijd de gewoonste zaak van de wereld. En zo dachten alle volkeren erover. Over dergelijke zaken kun je je als wetenschapper in de eenentwintigste eeuw verbazen. Het enige wat die verbazing laat zien, is je gebrek aan wetenschappelijke houding.

Dat gebrek blijkt nog meer uit het gebruik van de woorden ‘misdaad tegen de menselijkheid’. Woorden die voor het eerst in de processen van Neurenberg (1945-1946) en Tokio (1946-1948) worden gebruikt. Woorden uit een heel ander tijdperk, voor wat het Oude Testament betreft zo’n 3 millennia en wat betreft het Nieuwe Testament bijna 2 millennia later. Gaan we nog wat verder terug, bijna vier millennia geleden stelde de Babylonische koning Hammurabi zijn beroemde Codex op, het oudste bewaard gebleven wetboek. In die Codex werd ook een en ander geregeld over slavernij. Zo kon je slaaf worden als krijgsgevangene, als veroordeeld misdadiger en door schulden. Het hoofd van de familie kon leden van zijn familie als slaaf verkopen om schulden in te lossen. Ook werd de verantwoordelijkheid van de slavenhandelaar geregeld, die moest bepaalde garanties geven voor de slaven die hij verhandelde, zoals een soort ‘niet goed geld terug regeling’ als de slaaf binnen een bepaalde tijd ziek werd. De Codex bepaalde ook een paar situaties waardoor je weer vrij werd. Zo werd een schuldslaaf na drie jaar weer vrij en kon een slavin drie jaar na het overlijden van haar eigenaar worden vrijgelaten of als ze hem een kind had gebaard.

En via de Codex Hammurabi kom ik weer bij de zin waarmee Brens zijn artikel afsluit, de zin dat ‘de Nederlandse staat verantwoordelijk was voor het implementeren van de slavenhandel’. Was de Nederlandse staat dan ook verantwoordelijk voor het opstellen van die Codex Hammurabi, want die regelde al het handelen in slaven? Hoe kan een staat die in de negentiende eeuw van onze jaartelling ontstond omdat het de grote machten van die tijd goed uitkwam, verantwoordelijk zijn voor het invoeren, want dat is implementeren, van iets wat al eeuwen aan de gang was? De enige manier waarop dat kan is via tijdreizen. Door net zoals Marty McFly in Back to the Future heen en weer te reizen in de tijd. Of moeten we ernstig twijfelen aan de wetenschappelijke kwaliteiten van Brens?

Uitgelicht

De kwal en de olifant

“De hele landbouw opdoeken, daar kijkt geen Volkskrant-lezer van op.” Zo schrijft Martin Sommer in zijn column in de Volkskrant. Sommer schrijft dit naar aanleiding van een ‘alarmerend’ rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het PBL concludeert, zo vat Sommer het samen: “wij lopen hopeloos achter bij het onder de duim houden van de CO2-productie. CO2 en stikstof zijn grote, hete aardappelen op het bord van de formatie. Als oorzaken van de slechte CO2-prestaties noemde het Planbureau ‘de snelle economische groei én de snelle bevolkingsgroei’.” Over alles wordt gepraat en overlegd: “Maar bevolkingsgroei, daar loopt iedereen als om de spreekwoordelijke kwal omheen.” Hoe ziet die ‘kwal’ eruit waar iedereen omheen loopt?

Afrikaanse Olifant, Bull, Wandelen, De Weg, Dikke Huid
Bron: Pixabay

Sommer gaat te leen bij demograaf Jan van de Beek van wie in april een rapport over de gevolgen van immigratie voor de verzorgingsstaat en de overheidsfinanciën verscheen. Van de Beeks conclusie: “Als de immigratie doorgaat zoals nu, is de verzorgingsstaat op termijn onhoudbaar. De bevolking is nooit zo snel gegroeid als onder premier Rutte: anderhalf miljoen erbij in tien jaar. En allemaal door migratie.”  En dat is niet gratis: “Volgens Van de Beek kosten asielzoekers, nareizigers en arbeidsmigranten samen de schatkist nu al jaarlijks 19 miljard, aan uitkeringen, toeslagen en voorzieningen. Op de lange duur wordt dat 50 miljard per jaar. Van de Beek zegt dat je de verschraling van de verzorgingsstaat al kunt zien: verkorting van de WW-duur, afschaffing van de studiefinanciering, slechtere ouderenzorg.” Zo, dat is ernstig. De discussie spitst zich vervolgens toe op ‘vluchtelingen’ en dat is, zo betoogt Sommer: “Ten onrechte, want de overgrote meerderheid bestaat uit arbeidsmigranten. Juist daar zijn politieke keuzes te maken zonder direct tegen VN-verdragen aan te lopen.”

Gelukkig ziet Sommer ook een oplossing: “Nidi en CBS rekenden voor dat als vrouwen, allochtonen en ouderen meer gaan werken, de vraag naar buitenlandse arbeid spectaculair daalt. Minder huishoudens betekent minder vraag naar woningen, betekent niet elke vijf jaar een stad als Den Haag erbij zoals nu.” Als de genoemde groepen meer en langer werken is migratie niet nodig. Alleen wil niemand het over migratie hebben want: “Rechts wil de ondernemers niet beteugelen in hun behoefte aan goedkope arbeid; links haalt vluchtelingenbeleid en arbeidsmigratie door elkaar. Markt en moraal leiden zo allebei naar open grenzen; de maatschappelijke gevolgen komen pas later.” Conclusie van Sommer: stop de bevolkingsgroei en het CO2-probleem is op te lossen.

Een bijzondere conclusie. Het PBL concludeert dat de bevolkingsgroei én de snelle economische groei de slechte CO2-prestaties veroorzaken. Sommers oplossing pakt alleen de bevolkingsgroei aan, niet de economische. Wat als ouderen tevreden zijn met eerder stoppen met werken en het inkomen dat ze dan hebben? Wat als vrouwen en ook mannen tevreden zijn met het inkomen en hun leven als parttimer? Als dat het geval is, waarom zouden we dan streven naar meer ‘banen creërende’ economische groei? Waarom zouden we dan bijvoorbeeld het gebied rond Venlo nog verder volbouwen met ‘logistieke loodsen’ als er geen mensen zijn die erin kunnen en willen werken? Als er vervolgens weer arbeidsmigranten nodig zijn om het werk te doen. Arbeidsmigranten die weer gehuisvest moeten worden. Waarom dan beleid ontwikkelen dat gericht is op economische groei?

Als de bevolkingsgroei de kwal is waar iedereen omheen loopt, is de economische groei dan niet de olifant in de kamer? Zou het aanpakken van die olifant er niet ook voor zorgen dat het leefklimaat voor de ‘kwal’ verslechtert? Zou dat er samen niet voor zorgen dat de CO2-prestaties verbeteren?

Uitgelicht

Van uithoek tot hoeksteen

“De vergetelheid waaruit die machtige Republiek waarop je als Nederlander ook ‘trots’ moet zijn was opgekomen. Daarover meer in een volgende Prikker.” Zo schreef ik de Prikker met als titel Trots op je land. Die volgende Prikker is nu. Hoe die vergetelheid eruit zag? “Omstreeks het jaar 1000 krioelden ook hier ten lande allerlei min of meer feodale gebieden naast en door elkaar. Een duidelijk patroon ontbrak.[1] Zo omschrijft de historicus Peter W. Klein de politieke situatie in het gebied dat nu Nederland heet.

Het gebied lag aan de rand van het continent Europa en uit niets kon je opmaken dat het 600 jaar later zou zijn uitgegroeid tot het centrum van Europa. Sterker nog, geheel Europa lag in die tijd waar het altijd al had gelegen en dat was ‘aan de rand van de wereld’. Het centrum van de wereld dat was het gebied met aan het ene uiteinde wat we nu het Midden-Oosten of de Levant noemen en aan de andere kant het China langs de Yangtze. Het gebied, waarnaar Peter Frankonpan zijn bekende werk De zijderoutes heeft genoemd. De Romeinen waren erin geslaagd om ‘aan te haken’ bij dat centrum en zo het gebied wat te vergroten. Omdat het zuidelijke deel van het huidige Nederland vanaf het begin van onze huidige jaartelling bij dat Rijk behoorde, was het verbonden met het centrum van de wereld. Met de val van Rome en het afzetten van de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus op 4 september 476, kwam daaraan weer een einde.

File:Slag bij Vlaardingen.JPG
Het naspelen van de slag bij Vlaardingen. De slag die Dirk III in zijn voordeel besliste. Foto: ErfgoedZH

De ‘Nederlandse’ verbinding met ‘de wereld’ was al eerder verbroken, omdat de val van het Romeinse Rijk een geleidelijk proces was. Het verval van het ooit machtige Romeinse Rijk zette al veel eerder in en de wereld van na die val kondigde zich al meer dan twee eeuwen eerder aan. Germaanse en andere stammen begonnen te knibbelen aan de Romeinse macht. Een maaltijd begint met de eerste hap, niet met de laatste. Als we die metafoor op de scheiding tussen Oudheid en Middeleeuwen toepassen, dan kun je met recht en rede betogen dat de Middeleeuwen begonnen met de eerste Germaanse hap in het Romeinse Rijk. Een derde-eeuwse Romein zou bij die eerste hap aan de grenzen van het Rijk niet meteen spreken van een ‘nieuw tijdperk’. Er werd wel vaker ‘geknabbeld’ maar dat werd later wel weer hersteld. Voor de Germaan Odoakar stelde het afzetten van die laatste keizer niet zoveel meer voor. De macht van de keizer reikte niet veel verder dan de poorten van zijn paleis. Tenminste sinds de Visigotische leider Alarik I in 410 Rome plunderde, stelde het westelijk deel van het Romeinse Rijk al niet meer veel voor. Niemand kon zich zo rond het begin van onze jaartelling een wereld zonder Romeinse Rijk voorstellen. Net zo onvoorstelbaar was het in het jaar 1000 dat die uithoek van Europa tot het ‘centrum van de wereld’ zou uitgroeien.

In het jaar 1000 bestond Nederland nog niet. Van de later machtigste van de Verenigde Provinciën was ook nog geen sprake en zelfs ‘Holland bestond nog niet. Holland was vooral Fries. “Reeds vanaf de vroege middeleeuwen was de Maas-, Rijn-, en Schelde regio de operatiebasis van de Friezen voor hun verre handel tussen West-Europa en Scandinavië.[2] Toch gebeurde er in 1018 iets bijzonders. Een van de graven in West-Friesland Dirk III behaalde, zo beschrijft Klein het, de eerste militaire ‘Hollandse’ overwinning. Een ‘Hollandse’ overwinning avant la lettre want: “Deze Dirk was en bleef zijn leven lang namelijk niets anders dan een graaf ín (West)-Friesland. Zelfs tot graaf ván (West-)Friesland heeft hij het niet kunnen brengen.[3]  Dirks oorspronkelijke ‘rijk’ bestond uit: “twee losse West-Friese gebieden (…)  Kennemerland en Rijnland.” En Dirks prestatie bestond eruit dat hij daaraan: “bij stukjes en beetjes Neder-Maasland,” aan toevoegde. Tegenwoordig een zeer rijk gebied, in die tijd: “niet veel anders dan de moerassige zilte gronden aan de mond van de samenvloeiing van Maas en Merwede.[4] Uiteindelijk mocht een van zijn nazaten, Floris II, zich in 1101 echt graaf van Holland noemen. Dat had hij te danken aan de bisschop van Utrecht die bereid bleek om hem als leenman te aanvaarden. Daarmee zijn we honderd jaar verder in de tijd. Ook toen wees er niets op het succes van dat ‘Holland’. De eerste graaf van Holland, graaf van drassig land langs de monding van de Rijn en de Maas, ‘onderknuppel’ van de bisschop van Utrecht was iets meer dan niets en daarmee is alles gezegd.

Nu ontwaakte Europa zo rond de tijd van Dirks avonturen uit de donkere slaap die het met de val van West-Romeinse Rijk begon. Europa, en dan vooral Italiaanse steden zoals Genua en Venetië begonnen weer te handelen met de Levant, ze herstelden de verbroken verbinding met de Zijde route. “By the end of the tenth century, Venice was shipping grain, wine, and Lumber to Constantinople and receiving in return fine silken cloth that they sold to their north Italian Neighbors. Also by that time merchants from Amalfi had established extensive trading contacts with Cairo. The inland towns of northern Italy began to have some industry of their own, notably weaving of woolen cloth, but markets for this cloth were very limited at first.[5]Zo beschrijven Palmer en Colton in hun A History of the Modern World het Europa dat zich weer langzaam aansloot bij het centrum van de wereld.

Dirks’ gebied was nog niets maar iets ten Zuiden van zijn moerassige zilte gronden werd het al iets. Die opleving in Italië had zijn uitwerking op ‘staatjes’ die enkele eeuwen later de 17 provinciën werden genoemd. Voor de Friezen betekende ze een ‘nagel aan hun doodskist’ als dominante macht omdat: “De Friese handel (…) niet bij machte (was) op deze opleving in het zuiden in te haken.” Anderen wel: “De kooplieden van de Maas- en Scheldevallei daarentegen, die als stedelingen een meer moderne handelstechniek hadden ontwikkeld en die vanouds contacten met de het continentale achterland onderhielden, grepen de geboden kansen. Ze brachten een systematische verbinding tussen Noord-West Europa en het Middellandse-Zeegebied tot stand.” Die handel liep niet over zee en dan via de rivieren het land in met Rotterdam[6] als schakelpunt, zoals in onze tijd. “Het werd een overlandse handel op het zuiden, die steunde op het uitwisselen van luxe producten uit Italië, Noord-Afrika, de Levant en het Verre Oosten enerzijds en van industriële fabricaten uit eigen streek anderzijds[7].”

De Zuidelijke Nederlanden vervulden in toenemende mate een stapelmarktfunctie voor Noordwest Europa. Zo zie je maar weer dat de winnaars de geschiedenis bepalen want voor de Friezen, die al in de Romeinse tijd een belangrijke macht waren in het gebied dat grensde aan de Noord- en de Waddenzee, restte slechts een bijrol in de ‘trotse’ geschiedenis van het koninkrijk Nederland. De Graaf van Holland was echter niet de enige ‘onderknuppel’. Er waren er veel meer zoals de graaf (later hertog) van Gelre, de hertog van Brabant, de graaf van Zeeland die allemaal hun eigen rijkje stichtten en knibbelden aan de macht van de Friezen. Allemaal gebieden die niets met elkaar hadden. “The northern provinces felt no tie with each other and no sence of difference from the south. Each of the seventeen provinces was a small state or country in itself,[8]aldus Palmer en Colton in hun A history of the Modern World over de relatie tussen de verschillende provinciën in het midden van de zestiende eeuw en dat was in de eeuwen daarvoor niet anders.  Sterker nog, zelfs binnen een zo’n rijkje hadden mensen vaak al niet veel met elkaar behalve dan dat ze eenzelfde ‘onderknuppel’ boven hen hadden. Niets gezamenlijks.

In het begin van de zestiende eeuw werd het onrustig in het gebied van die zeventien provinciën. Trouwens ook in een groot deel van de rest van West-Europa. Drie ontwikkelingen kwamen samen. De eerste ontwikkeling heb ik hierboven al genoemd: de aantrekkende handel en het streven om de tussenhandel uit te schakelen. De handel en de ermee gepaard gaande nijverheid zoals de wol en lakennijverheid zorgde voor toenemende rijkdom waardoor er in steden een rijke burgerlijke bovenklasse ontstond. Een bovenklasse die de oude adel qua rijkdom in haar schaduw stelde. De tweede ontwikkeling: centraliseringsdrang van de vorsten en koningen. De strijd om de macht. Een strijd tussen de vorst, de hoge adel en die rijke burgerlijke bovenklasse. Vorsten die de macht naar zich toe wilde trekken stootten op verzet van de hoge adel en die burgerlijke bovenklasse. Wie er aan het langste eind trok, dat verschilde per gebied. De derde ontwikkeling die een rol speelde was het geloof.

Op 31 oktober 1517 spijkerde Maarten Luther zijn toen nog 93 stellingen op de deur van de slotkerk van Wittenberg. Dat is tenminste het populaire verhaal, alleen is niet te achterhalen of het ook werkelijk is gebeurd. Wel zeker is dat Luther op die dag zijn 93 stellingen verspreidde en dat daarmee een belangrijke stap werd gezet in wat we nu de Reformatie noemen. Later werden er nog twee stellingen een toegevoegd. Met die stellingen bond Luther de strijd aan met de kerk en vooral de paus. De strijd draaide vooral om de aflaten, kwijtscheldingen van straffen voor zonden. Die straffen zouden eerst moeten worden ondergaan voordat de zonde wordt vergeven. Met een aflaat was de zonde zonder straf vergeven. De kerk en de paus gebruikten aflaten om de kerkelijke kas te spekken. Een doorn in het oog van Luther. De paus antwoordde door Luther te excommuniceren. Achteraf kunnen we constateren en concluderen dat dit het welbekende lont in het kruitvat was. Dat kruitvat explodeerde en leidde tot een godsdienstoorlog die pas in 1648 met de Vrede van Westfalen werd beëindigd en naar sommigen menen eindigde die oorlog pas aan het einde van de zeventiende eeuw.

Die religieuze perikelen vermengden zich met de strijd tussen de vorst en zijn ‘onderknuppels’ en steden. Wilde je als ‘onderknuppel’ van je vorst af en zocht je naar ‘de zegen van boven’, dan werd je ‘protestants’. Die ‘godsdienstoorlog’ kun je zien als het laatste hoofdstuk in de investituurstrijd tussen de paus en de vorst met betrekking tot wereldlijke zaken. Door de reformatie kreeg een vorst de mogelijkheid om een ander ‘geloof’ te kiezen en met dat geloof ook de volledige macht op zijn grondgebied. Voor wie een ietwat geromantiseerd beeld wil krijgen van de periode van de godsdienstoorlogen en de vermenging van het politieke en religieuze, kan ik de trilogie van Hillary Mantel over het leven van Thomas Cromwell aanbevelen[9]. Die strijd om centralisatie, modernisering, het recht, het vormgeven van verantwoordelijkheid en de strijd tussen de vorst en de kerk, speelde al vanaf het begin van de elfde eeuw en kent eigenlijk eenzelfde oorzaak als waarom er op Indië werd gevaren: het uitschakelen van de tussenpersoon. En de strijd van die ‘tussenpersoon’ om de positie te behouden. En culmineerde in de zestiende eeuw tot die godsdienstoorlog waarbij het dus veel meer draaide om macht dan om het geloof.

In de Lage Landen, die 17 provinciën waar de handel sterk ontwikkeld was, trok die burgerlijke bovenklasse in de zeven noordelijke provincies de macht naar zich toe. In de Zuidelijke 10 provinciën lag dat anders . Daar overwon de kracht van de Spaanse vorst. De Noordelijke zeven provinciën verenigden zich en ontwikkelden wat Fukuyama verantwoordelijk bestuur noemt. Er ontwikkelde zich: “zowel een sterke rechtsorde als verantwoordelijk bestuur (…), terwijl ze tegelijk een sterke gecentraliseerde staat tot stand brachten die in staat was tot nationale mobilisatie en defensie.[10]” Dit gebeurde, zo betoogt Fukuyama, op verschillende manieren onder andere in monarchieën als Engeland, Zweden en Denemarken maar ook in Republieken zoals de Zeven Verenigde Nederlanden en de Zwitserse bondsstaat. Gebieden waar de ‘derde stand’ van handelslui en sterke lokale gemeenschappen tegenmacht boden aan de hoge adel en de ‘staatsmacht’. Tegenmacht die de staat, de vorst, dwong zich te onderwerpen aan het recht en tot verantwoording dwong. Verantwoording aan een parlement dat het volk vertegenwoordigde en wiens leden door een steeds groter deel van het volk werden gekozen en uiteindelijk het hele volk.

Nu viel het in die Republiek der Zeven Verenigende Nederlanden wel mee met die ‘gecentraliseerde staat’, of moeten we zeggen dat het tegen viel. Ja, die zeven provinciën waren verenigend in die Republiek. De Republiek blonk veel meer uit in ‘sterke lokale gemeenschappen’ met vooral ‘verantwoordelijk bestuur’. Als we de Republiek met iets hedendaags moeten vergelijken, dan komt de Europese Unie nog het meest in de buurt. Iedere ‘provincie’ kende eigen regels en bestuurlijke verhoudingen en zelfs in steden en gebieden binnen provincies waren er grote verschillen. Schöffer c.s. beschrijven het als volgt: “terwijl overal elders centralisatie en vorstenmacht zich schenen door te zetten, kende de Republiek dankzij de federatieve opbouw een sterke spreiding van macht en gezag. … Zelfs zaken van buitenlandse politiek en defensie – in het buitenland gewoonlijk de uitsluitende bevoegdheid van de vorst en zijn raadgevers – konden in de Republiek in stadhuizen en boerenhofsteden worden besproken en daarna in commissies of grotere vergaderingen beslist. Het stelsel is dan ook alleen te begrijpen wanneer het van ónderaf’ wordt beschreven: uitgaande van de stad, ambtsheerlijkheid (de bestuurseenheid op het platteland) of waterschap. Van die basis uit werden enerzijds afgevaardigden gestuurd naar gewestelijke en landelijke vergaderingen en waren anderzijds de directe bestuurscontacten met de bevolking het sterkst.[11] Alleen voor wat betreft de verdediging tegen het buitenland trokken de provincies samen op.

Vanaf het begin van de zeventiende eeuw werd die vergeten uithoek een machtige hoeksteen in de wereld. Voor nu rest slechts de verwondering dat die Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zo’n belangrijke rol vervult in het verhaal waar de Nederlander volgens menigeen ‘trots’ op moet zijn. Trots op een verleden dat staatkundig gezien moderner is dan het ‘koninklijke heden’.


[1] Peter W. Klein,  1000 jaar vaderlandse geschiedenis, pagina 33

[2] Schöffer, I c.s,  De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 15

[3] Idem, pagina 33

[4] Idem, pagina 34

[5] Brian Tierney, Sidney Painter, Western Europe in the Middle Ages 300-1475, pagina 268-269

[6] Rotterdam werd pas zo rond 1270 gesticht en haar bewoners leefden in eerste instantie van de visserij

[7] Schöffer, I cs, De Lage Landen van 1500 tot 1780 pagina 15

[8] Palmer, R.R en Joel Colton, A History of the Modern World, pagina 126

[9] De trilogie begint met Wolfhall gevolgd door Het boek Henry en wordt afgesloten met De spiegel & het licht.

[10] Idem, pagina 383 – 384

[11] I. Schöffer c.s. De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 184

Uitgelicht

Assepoester

Ruim een maand geleden maakte ik een klein vreugdesprongetje om een stukje Venlo: de Lage Loswal. Een stukje van de oude Venlose Haven waar je een paar jaar geleden je auto kon parkeren op een aftandse bodem bestaande uit beton, asfalt en straatstenen die in  willekeurig verband lagen. Dat aftands gold niet alleen voor de bodem, het geheel was van een deerniswekkende treurigheid. Bij een wassende Maas was parkeren gevaarlijk omdat het gebied als een van de eerste delen van de stad onder water liep. Menig Duitse en andere kooptoerist is daardoor al eens verrast. Terug naar dat vreugdesprongetje.

Eigen foto

Dat sprongetje werd veroorzaakt door wat ik zag. Nadat de Lage Loswal lange tijd gesloten was omdat er werd gewerkt, konden we eindelijk het resultaat zien van dat ‘gewerk’ en dat mag er zijn. Sterker nog, ‘Assepoester’ bleek een ‘mooie prinses’ te zijn geworden. En ik was niet de enige die er zo over dacht. Bij de warmte die begin juni haar intrede deed, bleek het een  plek waar mensen graag vertoefden. Zitten op een van de bankjes of op een dekentje in het gras. Kinderen die speelden met het ‘watertoestel’. Jeugdigen die van de Wal in de Maas sprongen om zich te verkoelen. Een ‘trappenrij’ of anders omschreven: een tribune van een openlucht theater. Een ideale plek om als band of toneelgezelschap een optreden te verzorgen. Ik bleek niet de enige die er deze potentie in zag. Popcentrum Grenswerk organiseert er al een aantal concerten. Het enige wat er (nog) ontbrak was een kiosk waar je wat te drinken en een klein hapje kon nuttigen.

Helaas was dat vreugdesprongetje van korte duur. Twee weken geleden sloot burgemeester Scholten het gebied af voor publiek. Waarom? (I)n met name de avonden en nachten zorgde dat vooral voor overlast. Er waren samenkomsten van te veel personen waarbij drank en drugs regelmatig in het spel was,” Daarom is er een hek omheen gezet en zal er bewaking zijn en dat blijft zo totdat er verlichting is geplaatst en bewakingscamera’s zijn opgehangen: “Pas als die twee zaken zijn geregeld, zal de burgemeester de Lage Loswal weer openstellen,” zo is te lezen bij OmroepVenlo. De prinses is weer Assepoester: de schoonheid verborgen voor eenieder.

Overlast met drank en drugs komt vaker voor en daar moet je tegen optreden. Optreden tegen degenen die de overlast geven. Om een zo’n mooi gebied geheel af te sluiten om overlast in de avond en nacht te voorkomen, gaat wel erg ver. Hiervan zijn niet alleen de overlastgevers de dupe. Gelukkig heeft Assepoester een ‘glazen muiltje’ verloren en is de gemeente als een verliefde prins op zoek naar de voet bij het ‘muiltje’. Het lijkt er echter op dat die ‘prins’ het ‘muiltje’ aan de voet van een van de ‘gemene halfzusters’ wil stoppen. Ja, wat verlichting is niet verkeerd, maar zijn er geen andere manieren om die overlast te voorkomen dan verlichting en camerabewaking?

Zoals ik schreef, ontbreekt er een kiosk waar je wat kunt drinken een klein hapje kunt nuttigen. Daarom moet iedere bezoeker zijn eigen drank en eten meenemen. Dit leidt tot uitpuilende vuilnisbakken en rommel op de grond. Gevolg hiervan is ook dat er geen toezicht is anders dan toezicht door andere bezoekers. Zou een dergelijke kiosk of misschien twee niet een veel betere en vooral prettigere oplossing zijn voor het overlastprobleem? Het zorgt ervoor dat er in avonduren gevarieerder publiek zal zijn. Het meeslepen van eigen eten en vooral drank zal dan minder worden. Dus zal er minder rommel liggen. De kioskhouder en de medewerkers houden het gebied mee schoon en zorgen voor ‘toezicht’ op het drankgebruik. Nee, het is geen garantie dat er nooit meer iets verkeerds gebeurt. De kans erop wordt, denk ik, veel kleiner. Zou dat niet de ‘prinses’ moeten zijn aan wiens voet de gemeente het ‘glazen muiltje’ moet schuiven? Zou dat de ‘schone prinses’ die de Lage Loswal nu is, niet nog schoner maken?   

Uitgelicht

Trots op je land

Ik ben niet links, ik ben niet rechts, maar ik ben recht door zee!” Die woorden sprak Rita Verdonk toen zij zich in 2006 kandideerde voor het lijsttrekkerschap van de VVD. De strijd om dat lijsttrekkerschap verloor ze nipt van Mark Rutte. Bij de erop volgende verkiezingen haalde ze ongeveer net zoveel stemmen als lijstrekker Rutte en dat was een recept voor ellende in de partij en fractie. Uiteindelijk stapte Verdonk uit de partij maar behield haar Kamerzetel. Daarop richtte ze een nieuwe partij op: Trots op Nederland. In de peilingen deed die partij het eerst best aardig maar bij de verkiezingen in 2010 haalde de partij geen zetel. Wellicht een gevolg van interne strubbelingen in de jonge partij. Ik moest hieraan denken toen ik de column van Kiza Magendane bij dekanttekening las.

File:Trots op de Dam 1.jpg
Bron: Flickr

Magendane werd geboren in de Democratische Republiek Congo, een republiek die nog minder democratisch is dan de voormalige Duitse Democratische Republiek en bovendien veel gewelddadiger. Het is in potentie een van de rijkste landen van het Afrikaanse continent maar het wil maar geen land worden. Verschillende groeperingen in het land vechten elkaar de tent uit en worden daarbij gesteund door de diverse buurlanden. Dat je zo’n land vaarwel wilt zeggen, kan ik heel goed begrijpen. Op 1 juli woonde Magendane precies 14 jaar in Nederland en hij vindt het: “ de laatste jaren steeds ingewikkelder om zowel op mijzelf als op Nederland trots te zijn.“  

Beste meneer Magendane, maak u geen zorgen. Ik ben geboren en getogen in Nederland en ik ben ook niet trots op Nederland. Net zoals u kan ik: “dankbaar zijn dat ik mijn talenten in Nederland kan benutten en hier persoonlijke successen behaal.” Ook ik heb grote moeite met: “een overheid die zelfs actief bijdraagt aan het schrijven van nieuwe zwarte bladzijden.” Zwarte bladzijden zoals de omgang met vluchtelingen waarover ik al vaker schreef. Sterker nog, ik denk dat we eens af moeten van dat streven om ‘trots te zijn’ op ‘ons land’. Waarom moeten we ‘trots’ zijn op de plek waar we wonen? Waarom moeten we trots zijn op de ‘geschiedenis’ van die plek? Waarom moeten we trots zijn op acties van de bestuurders van die plek?

‘Trots’ zijn op het land waar je woont, is iets van recente datum. Het is nog geen 200 jaar oud en heeft in die korte tijd meer schade dan goed gedaan. In zijn boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek beschrijft Francis Fukuyama het begin van dit trots aan de hand van Hans: “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.” Fukuyama vervolgt met een beschrijving van de ‘nieuwe wereld’ van Hans die naar het, in de negentiende eeuw snel industrialiserende, Ruhrgebied verhuisde.

In die nieuwe wereld is alles anders. Hans komt mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk. [1]Hans ziet in zijn ‘beeldscherm’ een hem onbekende wereld. Een onbekende wereld die bij hem de vraag oproept: hoe verhoud ik me tot die wereld? Wie ben ik en welke rol speel ik in deze nieuwe wereld? Die vraag stelden zich vele mensen in Europa.

Uiteindelijk kreeg Hans een antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’ Fukuyama haakt bij dat antwoord aan bij de negentiende-eeuwse socioloog Ferdinand Tönnies die de ontwikkelingen omschreef als een overgang van ‘Gemeinschaft’ naar ‘Gesellschaft’:  “De psychologische ontregeling als gevolg van de overgang van Gemeinschaft naar Gesellschaft vormde de grondslag voor een nationalistische ideologie, die gebaseerd was op een intense heimwee naar het denkbeeldige verleden van een sterke gemeenschap, waarin verdeeldheid en verwarring van een pluralistische moderne samenleving niet bestonden.[2]

Het antwoord dat Hans kreeg luidde daarmee: “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[3]Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts. Voor Hans, die ‘trotste Duitser’, en zijn tijdgenoten in dat Roergebied moest een bindend verhaal over een gezamenlijke cultuur en geschiedenis worden gefabriceerd en de eerste stap hierbij was het ‘vaststellen’ van de gezamenlijke taal want je gezamenlijke verhalen kun je alleen delen als je dezelfde taal spreekt. Voor dat gezamenlijk verhaal werd er vrolijk gewinkeld in de ‘rekwisietenkist’ van de geschiedenis. Hans moest leren van keizer Frederik I ‘Barbarossa’, die in de twaalfde eeuw een groot deel van de Duitse landen en nog veel meer onder zich verzamelde via, oorlog, huwelijken en andere slimmigheden. Die Frederik werd zo min of meer tot de ‘stichter van het Duitse rijk benoemd. Dat Barbarossa’s rijk na zijn dood verkruimelde, vergeten we dan maar even. 

In het nieuwe koninkrijk Nederland gebeurde in het midden van de negentiende eeuw hetzelfde. Er werd gezocht naar gebeurtenissen met grote impact en die werden tot ‘nationaal verleden’ gebombardeerd. Zo kwamen, om een voorbeeld te noemen, de Bataven in beeld. Een Germaans volk dat samen met de Frissii en de Canafaten en onder leiding van Julius Civilis in 69 CE opstond tegen de Romeinen. Julius Civilis was een Bataaf die in het Romeinse Rijk had gediend. Een opstand die na korte successen eindigde met een nederlaag in het jaar 70 CE. De Bataven woonden in een deel van wat nu Nederland is maar er is geen enkele relatie met het negentiende-eeuwse Nederland. Alleen het feit van de gedeelde maar in  tijd toch ruim 1800 jaar gescheiden woonplaats, maakt een opstand tegen het grote Romeinse Rijk iets om als negentiende-eeuwse Nederlander trots op te zijn en dat moet vervolgens een belangrijke plek krijgen in het ‘nationale verhaal’. Trots omdat die kleine Bataafse Calimero het zomaar, zij het zonder veel succes, durfde op te nemen tegen het grootse Romeinse Rijk. Die ‘trots’ moest vooral in het oudere verleden worden gezocht omdat het jongere verleden veel minder heldhaftig was dan men zou willen.

Voor het gemak wordt vergeten dat het ‘trotse’ Nederland na de nederlaag van Napoleon bij Leipzig alleen op de kaart verscheen omdat de toenmalige ‘Powers that Be’ Engeland, Rusland, het Habsburgse Rijk en Pruisen zochten naar een machtsevenwicht dat Frankrijk in toom moest houden. In de ‘herschikking’ die daarop volgende, werden de grenzen in Europa flink veranderd. Zo ontstond er een compleet nieuw land: het koninkrijk der Nederlanden. De oude Republiek uitgebreid met de Oostenrijkse Nederlanden. Oostenrijk kreeg als ‘compensatie’ wat gebieden in Italië. Weg waren ongeveer 200 jaar republikeins bewind omdat die ‘Powers that Be’ alleen vertrouwden in de oude adel. En dus werd het nieuwe land opgescheept met een koning die het land regeerde. Een compleet nieuw land ontstond na ‘hertekening’ van de grenzen en die hertekening was niet de eerste en ook niet de laatste. Voor de liefhebbers is er een animatie die de ‘grenswijzigingen’ van de afgelopen 4.000 jaar laat zien[4]. Bij de volgende grote grenswijziging ondervond het Habsburgse Rijk, de Oostenrijk-Hongaarse dubbelmonarchie, wat het betekende om niet meer tot de ‘Powers that Be’ te horen. Het Rijk viel onder goedkeurend geknik van de Powers that Be’ van dat moment uiteen en de onderdelen vielen terug in vergetelheid. De vergetelheid waaruit die machtige Republiek waarop je als Nederlander ook ‘trots’ moet zijn was opgekomen. Daarover meer in een volgende Prikker.

Er werd ‘trotst’ gekweekt op iets wat een groep mensen bindt. Wat die groep bindt, scheidt hen echter van anderen en dat van elkaar scheiden veroorzaakt veel schade.  


[1] Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 89

[2] Idem, pagina 91

[3] Idem, pagina 92

[4] https://youtu.be/TUWqYaEm4h8

Uitgelicht

Een kist met rekwisieten

Je kon erop wachten en dat wachten duurde niet eens erg lang. Waarop? Op reacties op het artikel van historicus Piet Emmer in de Volkskrant. Na bezichtiging van die expositie constateert Emmer: “Wie hoopt dat de tentoonstelling hem of haar op de hoogte brengt van de laatste wetenschappelijke inzichten hoeft het Rijksmuseum niet te bezoeken, maar wie zijn stereotiepe opvatting over de slavenhandel en slavernij bevestigd wil zien, komt in het Rijksmuseum ruimschoots aan zijn trekken.” En inderdaad, de reacties stonden een dag later al in de krant. En inderdaad begint het: “inmiddels een saaie rituele dans met Piet Emmer te worden die elk jaar weer opnieuw wordt uitgevoerd.” Zoals Maayke Botman in de Volkskrant schrijft.

Reacties als: “Zelden heb ik zo’n schaamteloze verdediging van de slavernij gelezen, verpakt als relativering en nuancering.” En: “De naweeën van wat aan mijn voorouders is aangedaan, voel ik tot op de dag van vandaag. Dat de schrijver daar anno 2021 geen, althans veel te weinig rekenschap van geeft in de toon, manier, woordkeuze en kritiek op de tentoonstelling in het Rijksmuseum, geeft aan dat ook hij als historicus helaas nog niet genoeg heeft geleerd of meegekregen van deze uitermate tragische pagina uit onze geschiedenis.” Nu kun je veel van Emmers artikel vinden, het is echter geen verdediging van slavernij. Emmer vraagt aandacht voor het bredere kader rond slavernij en voor aandacht voor het tijdsperspectief. Dat dit iemand pijn doet die de naweeën voelt van wat zijn voorouders is aangedaan dat kan, maar dat maakt aandacht voor het bredere kader en het tijdsperspectief nog niet verkeerd.

Slavery Boulanger Gustave Clarence Rudolphe The Slave Mark… | Flickr
Bron: Flickr

Nu zijn dit reacties van ‘gewone’ krantenlezers. Het wordt anders als historici dit ook doen. Volgend historicus aan de universiteit van Leiden en onderzoeker naar het Nederlandse koloniale verleden Karwan Fatah-Black, draaiden de slavenhouders de: “de discussie over slavernij naar een discussie over omstandigheden op de plantages.” Hoe ze dat deden? “zo werden de slaafgemaakten in de slotakte van de slavernij afhankelijk gemaakt van geleverde goederen. Waar de eigenaren het geld mee verdienden om dit te betalen, laat zich raden.” Zo reageert Fatah-Black op Emmers opmerking dat een slaaf de eigenaar: “gemiddeld 94,57 gulden per jaar aan voedsel en 13,58 gulden aan kleding en huishoudelijke artikelen alsmede huisvesting, het gebruik van een moestuin en medische zorg,” kostten. Terwijl: “In dezelfde tijd verdienden de landarbeiders in Drenthe ongeveer 150 gulden per jaar zonder huisvesting, moestuin en doktershulp.” Fatah-Black vindt dit een merkwaardige voorstelling van zaken en vraagt zich af:  “Waarom mijn vakgenoot bij herhaling zoveel onjuistheden blijft opdissen.”

De reactie van de slavenhouders past zeer goed in het tijdsbeeld en zij stonden daarin niet alleen. De Russische lijfeigenen kregen met hetzelfde te maken nadat de tsaar het lijfeigenschap in 1861 afschafte en de voormalige lijfeigenen een stukje grond kregen. De voormalige eigenaar kreeg een flink bedrag ter compensatie van zijn verlies en die compensatie samen met exorbitante pacht voor dat stukje grond, maakten dat de voormalige lijfeigenen slechter af waren dan voorheen[1].

Trouwens ook die ‘vrije arbeiders’ met dat loon van 150 gulden waarover Emmer schrijft, kregen een soortgelijke behandeling. In zijn Het Kapitaal geeft Karl Marx een schrijnend voorbeeld. Lees en huiver: “Death from simple overwork (Dood door louter overmatige arbeid). Het ging over de dood van de modiste Mary Anne Walkley, 20 jaar, werkzaam in een zeer achtenswaardige hofmodezaak, die werd geëxploiteerd door een dame met de gemoedelijke naam Elise. Het oude en al vaak vertelde verhaal weer nu opnieuw ontdekt: deze meisjes werken gemiddeld 16 1/2 uur, tijdens het seizoen vaak zelfs 30 zonder onderbreking, waarbij hun ‘arbeidskracht’ in stand wordt gehouden door hun af en toe sherry, port of koffie toe te dienen. En men zat juist in de drukste tijd. De pronkgewaden van de nobele ladies moesten in de kortst mogelijke tijd worden klaar getoverd voor het galabal, dat gegeven werd ter inhuldiging van de vers geïmporteerde prinses van Wales. Mary Anne Walkley had samen met zestig andere meisjes 261 uur onafgebroken gewerkt. Met dertigen zaten ze in één kamer, die nauwelijks de helft van de noodzakelijke kubieke meters lucht bevatte; ’s nachts moesten ze in een van de stinkholen, waarvan men slaapkamers had gemaakt door ze met verschillende tussenschotten te verdelen, met z’n tweeën één bed delen. En dit was een van de betere modezaken in Londen. Mary Ann Walkley werd op vrijdag ziek en overleed op zondag, en – tot grote verbazing van madame Elise – zonder het laatste kledingstuk te hebben afgemaakt. De te laat aan het sterfbed geroepen arts verklaarde bij de lijkschouwing voor de jury in droge bewoordingen: ´Mary Anne Walkley is gestorven door lange arbeidsuren in een te vol arbeidsvertrek en in een te klein en slecht geventileerd slaapvertrek.’ Om de arts een lesje in goede manieren te geven verklaarde de jury: ‘De overledene is gestorven aan apoplexie, maar er zijn redenen om te vrezen dat haar dood werd bespoedigd door overmatige arbeid in een te volle werkplaats enzovoorts.[2]  Nee, Mary-Anne was geen slaaf. Haar leven en sterven laat echter zien dat het voor haar levensomstandigheden niet veel uitmaakt.

Of het volgende: “Duizenden handen waren plotseling nodig op deze plaatsen die ver verwijderd lagen van de steden; en vooral Lancashire, tot dat moment relatief dunbevolkt en onvruchtbaar, had nu vóór alles een bevolking nodig. Men had vooral behoefte aan de kleine en vlugge vingers. Onmiddellijk ontstond de gewoonte leerlingen uit de verschillende armenhuizen van London, Birmingham en elders te betrekken. Vele, vele duizenden van deze kleine, hulpeloze schepsels van 7 tot 13 of 14 jaar werden zo naar het noorden verzonden.” Nee, arbeid was een product dat ter beschikking stond van de fabriekseigenaren. Die kinderen werden vervolgens: “tot het uiterste (afgejakkerd), want hun beloning (de beloning van de door de fabriekseigenaar aangestelde opzichter) stond in verhouding tot de hoeveelheid product die uit het kind kon worden geperst. [3]  

De manier waarop de slavenhouders in het midden van de negentiende eeuw de zaken naar hun handen probeerden te zetten, verschilde in niets van de manier waarop de fabriekseigenaren de arbeiders probeerden te muilkorven. Kinderen werden in die tijd al vroeg ‘aan het werk’ gezet, soms al vanaf hun zesde. En dan niet een paar uurtjes, de arbeidsdag duurde minimaal 10 uur en die uren werden vaak ook nog eens gespreid over twee of drie blokken met een tussenpauze van een paar uur. Kwam je ‘tussen de machine’ en kon je niet meer werken, dan had je pech en was je aangewezen op de bedeling. Naast de arbeidsomstandigheden beschrijft Marx ook de huisvesting van de arbeiders en ook daar lusten de honden geen brood van. Laat staan dat ze in die omstandigheden zouden willen wonen. Die woning zat in de regel verbonden aan je werk. Zonder werk geen huis en dat maakte je afhankelijkheid van de ‘kapitalist’ zoals Marx hem noemt, nog steviger. Bovendien woonde je zelden alleen met je gezin achter een voordeur. Was er een periode minder of geen werk, dan had je ook minder of geen inkomen. Je huur moest je natuurlijk wel blijven betalen. Als je wilt weten hoe het is om voor je huisvesting afhankelijk te zijn van je werkgever, ga dan eens praten met de vele Oost-Europese (seizoens)arbeiders.

“Ook de redenering van Emmer dat slavernij overal ter wereld voorkwam is een bijzondere. Genocide is ook niet voorbehouden aan de nazi’s, maar de schaal en de fabrieksmatige en planmatige manier van aan de lopende band Joden, Sinti en Roma, of homo’s vermoorden, maakt de Holocaust tot een unieke vorm van genocide. Zo bepaalt de grootschaligheid, de duur en de organisatie de uniciteit van het koloniale project van slavenhandel en slavernij.” Schrijft de al genoemde Botman in haar artikel. Wellicht schrikt  Botman hiervan maar slavernij kwam overal voor en komt nu nog steeds overal voor. Die schrik maakt het feit er niet minder om. Zowel het westers kolonialisme als de schaal en omvang van de trans-Atlantische slavenhandel zijn niet uniek.

Machtige rijken ontstaan niet ‘vanzelf’. Die ontstaan meestal als de ene stam of het ene volk, het andere verovert en aan zich onderwerpt. Op die manier groeiden het Romeinse rijk en het Chinese keizerrijk en ook het Amerikaanse rijk van de Olmeken. Maar ook in latere tijden ontstonden nieuwe rijken. Neem de Inca’s die vanuit hun oorspronkelijke woongebied, de omgeving van Cuzco in het huidige Peru, een rijk opbouwden van zo’n 4.000 kilometer langs de Grote Oceaan. Een rijk met steden, bijzondere bouwwerken zoals de Machu Picchu en geplaveide wegen. De Maya’s kenden een stedelijke cultuur die was gebaseerd op intensieve landbouw. Want ja, ook in de Amerika’s konden steden alleen opkomen als er een surplus aan voedsel werd geproduceerd. Dus na de opkomst van de landbouw. Van alleen jagen en verzamelen kon je immers geen leger op pad sturen, laat staan wegen aanleggen en tempels bouwen. Machtige rijken ontstaan via imperialisme en kolonialisme. Imperialisme en kolonialisme zijn geen ‘Europese’ uitvinding. Dat het met de slachtoffers van dat imperialisme en kolonialisme minder goed af kan lopen is ook niet ‘typisch’ Europees.’ Dat er door de besmettelijke ziektes die de ‘Europeanen’ meebrachten extra veel slachtoffers vielen in de Amerika’s, kun je Pizarro en Cortez niet verwijten. Dat deze ziekten in de Amerika’s onbekend waren en dus voor zeer veel slachtoffers zorgden was hen niet bekend. Het Westen, als je dat als één beschaving wilt zien, is wel de eerste die kolonialisme op wereldschaal bedreef. Een stokje dat China nu over probeert te nemen.

Ook de schaal en omvang van de trans-Atlantische slavenhandel is niet uniek. In de periode tussen 1525 en 1867 zijn er zo’n 12.500.000 mensen als slaaf naar de West verscheept. Laten we voor het gemak rekenen met 300 jaar omdat in de laatste jaren van het ‘slavernij tijdperk’ veel landen de overzeese handel in slaven al hadden verboden. In 300 jaar levert dat het grote aantal van net geen 42.000 per jaar. Dat is veel. Maar het valt in het niet bij de ‘slavenbehoefte’ van het Romeinse Rijk. “Recent onderzoek lijkt erop te wijzen dat het Romeinse Rijk op het hoogtepunt van zijn macht elk jaar zo’n 250.000 à 400.000 nieuwe slaven nodig had om het slavenbestand op pijl te houden.” Aldus Peter Frankonpan in zijn boek De zijderoute. Dat zijn er tussen de zes en ruim negen keer meer dan er jaarlijks werden verscheept via de Atlantische slavenroute. Het toppunt van het Romeinse rijk besloeg ook ongeveer 3 eeuwen en met 250.000 slaven per jaar, komt dat neer op zo’n 75 miljoen verhandelde slaven. Inderdaad werden die niet allemaal in schepen verpakt. Om jaarlijks aan die hoeveelheid nieuwe slaven te komen, zullen er onderweg ook wel de nodigen zijn gesneuveld. Frankonpan gaat verder: “De markt in de Arabische sprekende landen was aanzienlijk groter – ervan uitgaande dat de vraag naar slaven min of meer identiek was – want die strekte zich uit van Spanje tot Afghanistan, wat erop zou kunnen duiden dat het aantal verkochte slaven veel groter is geweest dan het aantal dat voor Rome bestemd was.[4]”  Slik! Nog meer? Nou voor één systeem wel. Naast het Romeinse rijk op zijn hoogtepunt, lag ook nog het Perzische rijk en ook dat kende slaven. En hoe denkt u dat die piramides werden gebouwd of die imposante bouwwerken van de Inca’s en de Maya’s? En wie zou die Chinese muur gebouwd hebben? Ja, aan die muur en die piramides zijn namen van farao’s en keizers verbonden, alleen hebben die zelf geen steen gelegd. De vergelijking met de Holocaust gaat mank.

Dat Fatah-Black, Botman en ook de tentoonstelling in het  Rijksmuseum aandacht vragen voor de trans-Atlantische slavenhandel is terecht. Want zoals de Vlaamse Historicus Jan Dumolyn in een interview met de Belgische site MO zei: “Er is te weinig aandacht voor de koloniale geschiedenis in het onderwijs, dat klopt.”  Maar, zo gaat hij verder: “er is ook veel te weinig aandacht voor de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Wat heb jij geleerd over de negentiende-eeuwse socialisten. [5] En daar heeft hij een punt. En zo is er voor veel meer perioden en gebeurtenissen in het verleden te weinig aandacht.

Aandacht voor het ene zou niet ten kosten van het andere moeten gaan. Alleen is dat erg lastig als je maar beperkte tijd hebt. Jammer dat Fatah-Black, Botman en in hun kielzog anderen, die andere perspectieven en inzichten bestrijden. Wellicht heeft dat ermee te maken dat hun doel niet het kennen van het verleden, maar het veranderen van het heden is. Dan is een ander perspectief hinderlijk. Dan wordt de geschiedenis een kist met rekwisieten waar je, al naar gelang je doel, iets uithaalt wat in je kraam te pas komt.


[1] Voor wie er meer over wil weten: https://www.historytoday.com/archive/emancipation-russian-serfs-1861

[2] Karl Marx, Het Kapitaal, pagina 237-238

[3] Idem, pagina 710

[4] Peter Frankonpan, De zijderoutes, pagina 150

[5] https://www.mo.be/interview/op-de-vlaamse-feestdag-herdenken-we-de-bolsjewieken-van-de-middeleeuwen