Uitgelicht

Mens en (huis)dier of dier en (huis)mens

Bij ons in huis lopen twee katten rond. Pixel en Byte noemen we ze. Of ze zichzelf zo noemen, weet ik niet. Die katten hebben hun eigen ‘deursleutel’ waardoor ze in en uit kunnen lopen al naar gelang ze willen. Tot afgrijzen van mijn partner komen ze af en toe met een muis of een vogel, of delen ervan, binnen. Iedere morgen als ik opsta, verwelkomen ze mij. Nou ja verwelkomen, het lijkt er meer op dat ze me verwijtend aankijken. Zoiets van: ‘nou schiet eens op en vul mijn etensbak!’ Als ik wil dat er eentje lekker bij mij komt liggen, kijkt die kat me aan met een blik die uitstraalt: ‘wat moet jij dan?’ Nee, ze gaan rustig hun eigen gangetje en ze ‘gedogen’ ons in hun leven.

Ik moest hieraan denken bij het lezen van de ingezonden brief van Yoeri Boesveld in de Volkskrant. Boesveld reageert op een eerder artikel waarin paardensport een onverantwoorde hobby wordt genoemd omdat het gebruik van paarden ethisch niet kan. Boesveld vult aan: “Maar waarom je beperken tot de paardensport? Katten, honden, kippen, varkens, koeien, lama’s, allen worden ze op een of andere manier door de mens gebruikt, wij bepalen volledig hun leven. En geen enkel dier heeft hiervoor gekozen.” Inderdaad hebben Pixel en Byte er niet voor gekozen om bij ons te wonen. Wij hebben hen in ons huis genomen. De eigen ‘deursleutel’ biedt hen wel de mogelijkheid om zelf te kiezen en ze kiezen ervoor om te blijven. Ik weet niet of deze redenering zoals Boesveld betoogt een: “ poging (is)  dit (het hebben van een huisdier) goed te praten door te zeggen hoe goed deze dieren het hebben.”

Na het lezen van de brief van Boesveld stelde ik mezelf de vraag of er niet teveel vanuit de mens wordt geredeneerd? In gedachten ging ik terug naar de eerste keer dat mens en dier samen optrokken. Naar het eerste dier dat de mens vergezelde of was het de eerste mens die een dier vergezelde? Welke van de twee het was, weet ik niet. Ik was er niet bij. Ik vroeg me af of het samenleven niet ten voordele van zowel mens als dier zou kunnen zijn ontstaan? Die eerste kat kon profiteren van de resten voedsel die de mens  verspilde. Of wellicht van de muizen die het aantrok. En de mens profiteerde dan weer van de bescherming tegen muizen. Die eerste hond at van de resten voedsel die de mens verspilde of niet nodig had en die het territorium bewaakte en waarschuwde tegen naderend gevaar. Het rund dat door de mens werd beschermd tegen roofdieren en de mens die profiteerde van de mest en de melk. Wie koos er en wie gebruikte er wie? De mens het dier of het dier de mens?

Even terug naar Pixel en Byte. Ze hebben er, zoals gezegd, niet voor gekozen om bij ons te wonen. Als ik ze nu in hun kattenhangmat zie liggen, een hangmat die aan een radiator hangt, dan kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ze het wel prettig vinden. Die indruk zie ik iedere dag weer bevestigd omdat ze er, ondanks dat ze kunnen gaan en staan waar ze willen, toch voor kiezen om mij ’s morgens verwijtend aan te kijken omdat ik hun eten niet snel genoeg in hun bakje doe. Zijn zij mijn ‘huisdier’ of ben ik hun ‘huismens’?

Uitgelicht

Leren, accepteren, niet beleren

“Al deze veranderingen zijn een kleine stap voor de mensheid maar een reuzestap in de transformatie van jeugdzorgland. Laten we de aanbevelingen van de inspecties serieus nemen en adequate financiering voor de jeugdhulp regelen en geef de gemeenten een kans om te transformeren naar betere jeugdhulp met ‘zo thuis als mogelijk’.” Dit advies geeft lector Residentiële Jeugdzorg Peer van der Helm in een artikel op de site Sociale Vraagstukken. Een advies dat de Ballonnendoorprikker van harte ondersteunt. Toch is er iets in het artikel van Van der Helm dat om een kritische beschouwing vraagt.

Van der Helm ziet twee goede ontwikkelingen: “Als eerste is er, zonder dat iemand dat doorhad, een stille revolutie voltrokken binnen de jeugdzorg. Dat gaat over de dominantie van de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders), ook wel de ‘bijbel van de psychiatrie’ genoemd. Vroeger kreeg je alleen geld met een zogenaamde Diagnose Behandelcombinatie (DBC volgens de DSM).” Die DSM: “verliest steeds meer terrein in gemeenteland.”  Een positieve ontwikkeling: “want dat opent nieuwe mogelijkheden voor adequate behandeling en begeleiding. Er wordt in de plaats daarvan steeds meer gekeken naar een verklarende probleemanalyse.”  De tweede goede ontwikkeling is dat: “gemeenten vaak in staat zijn heel goed maatwerk te leveren in behoorlijk extreme en levensbedreigende casussen die vroeger in de gesloten jeugdzorg terecht zouden zijn gekomen.” Daarom moet er adequate financiering worden geregeld voor gemeenten. 

Van der Helm legt een verband tussen de gemeente en maatwerk: ‘gemeenten kunnen maatwerk leveren.’ En dat klopt. Het kan, maar het is geen een-tweetje dat laten gemeenten ook zien. Dat ‘gemeenten maatwerk leveren’ is een van de vooronderstellingen waarop het landelijk jeugdzorgbeleid is gebaseerd. Maar dat gemeenten dit kunnen, wil niet zeggen dat het Rijk dit niet zou kunnen. Ook een door het Rijk aangestuurde jeugdzorg kan ‘transformeren naar betere jeugdhulp met ‘zo thuis als mogelijk’.’ Dat ‘transformeren’ vraagt om vertrouwen. De verantwoordelijke overheid, welke dat ook is, moet erop vertrouwen dat de hulpverleners dát doen wat nodig is en hen ook de ruimte geven om het vervolgens te doen. Die hulpverleners hebben er immers voor doorgeleerd. Zij zijn de deskundigen. 

Dat wil niet zeggen dat zij geen fouten kunnen maken en er ongelukken kunnen gebeuren. Dat ‘transformeren’ vraagt dan om afstand. Het vraagt dan om leren en accepteren, niet beleren. Leren en accepteren door je te realiseren dat honderd procent succes een mooi streven is maar niet haalbaar. Niet beleren door geen protocollen en procedures in te voeren om de onvermijdelijke ongelukken te voorkomen.

Maar ook als gemeente ‘leren en accepteren’ dat je het niet alleen kunt. Dat je andere gemeenten nodig hebt om bijvoorbeeld die gesloten jeugdzorg waar je niet wilt dat kinderen naar toe gaan maar die soms toch nodig is, te kunnen organiseren. Dat samenwerking vraagt dat je verder kijkt dan je eigen gemeentelijke belang. 

Uitgelicht

Deskundige leerkrachten

‘Heb je ‘de strijdt’ alweer met dt geschreven?’ Die woorden hoor ik geregeld van mijn ‘eindredacteur’. Die leest bijna al mijn Prikkers voordat ze online gaan. Soms niet en dan krijg ik achteraf te horen dat ik toch enkele storende foutjes heb gemaakt. Ik ben blij met die ‘eindredacteur’. Hieraan moest ik denken toen ik in de Volkskrant het lezersdilemma las: “Met enige regelmaat krijgen we briefjes en mailtjes van haar (de juf van groep 4 van de basisschool) met d/t-fouten en verkeerd gebruik van als/dan en die/dat. Het wekt geen vertrouwen. … Moet ik dit bespreken? Met haar? De schoolleiding? Het is nogal wat om haar deskundigheid ter discussie te stellen, natuurlijk.” Natuurlijk moet de leerkracht op die foutjes worden gewezen, denk ik dan. Toch zijn er lezers die er anders over denken.

“Ik zou dat zeker niet doen. Gelukkig begrijpt u dat het bij docent zijn om veel meer gaat dan spelling alleen. Het is toch immers veel belangrijker dat u haar deskundigheid zult zien op het gebied van de sfeer in de klas, de aandacht die het kind van de juf krijgt? Misschien heeft ze geweldige kwaliteiten op dit gebied.” Aan deze lezer zou ik de volgende vraag willen stellen. Uw kind komt thuis met het punt van een proefwerk. U ziet dat de leerkracht een fout heeft gemaakt bij de berekening van dat punt in het nadeel van uw kind. Bespreekt u dit met de leerkracht? Door dit te bespreken kunt u immers gaan twijfelen aan haar deskundigheid. Het is immers veel belangrijker dat u haar deskundigheid ziet op het gebied van ‘sfeer in de klas’. Ik vrees dat u naar school loopt om de leerkracht op de fout te wijzen. De belangrijkste opgave van een basisschool is kinderen goed leren lezen, schrijven en rekenen. Dat is de basis voor hun verdere schoolcarrière en hun leven. Die goede sfeer in groep 4 daar heb je een paar maanden van je leven wat aan.

Een volgende lezer: “Ik zou helemaal niets doen. De leraar van uw kind heeft veel meer taken en verantwoordelijkheden dan alleen foutloos schrijven. En een foutje is zo gemaakt. Zeker na een lange, drukke werkdag. Ik vind het van de zotte als een ouder ‘de juf’ op het matje zou roepen of – erger nog – haar deskundigheid ter discussie zou stellen. … de leraar loodst mijn zoon vol liefde door de basisschool.” Door iemand te wijzen op een fout, roep je die persoon op het matje en stel je de deskundigheid ter discussie? Wat is er mis met iemand erop wijzen dat hij een fout maakt? Zou het niet ook voor leerkrachten gelden dat ze leren van hun fouten en dat leren met vallen en opstaan gaat? 

Wat betreft het ter discussie stellen van de deskundigheid van de leerkracht, zou ik zeggen: welkom in de echte wereld. De wereld waar steevast wordt getwijfeld aan de deskundigheid van de ander. Neem de arts die van de patiënt te horen krijgt dat het toch echt iets anders is omdat Internet dit zegt. Zelf werk ik in een sector, de gemeentelijke overheid, waar het lijkt alsof men er vanuit gaat dat er alleen maar ‘onkundigen werken. We zitten in ‘een ivoren toren’, kunnen ons niet ‘inleven in de burger’ krijgen steeds vaker te horen dat de ‘burger de deskundige’ is. Dit terwijl ze zelf ook gewoon burger zijn.

Weer een andere lezer: “In dit geval zou ik enige terughoudendheid willen voorstellen. In groep 4 worden de beginselen van taal behandeld. De kinderen maken zich letters en de eerste woorden en zinnetjes eigen. Van hen wordt in dit stadium nog geen beheersing of diepere kennis van grammatica verlangd.” Maar beste lezer, deze leerkracht kan volgend jaar zomaar voor groep 8 staan en dan wordt het een heel ander verhaal. Dan is die beheersing en diepere kennis wel belangrijk. Dan is die deskundigheid van de leerkracht wel van belang. Als diezelfde leerkracht immers adviseert dat je kind het beste naar het vmbo kan, dan wordt de deskundigheid van die leerkracht wel ter discussie gesteld en dan zijn ook die sfeer en liefde van ondergeschikt belang.

Nee, ik ben blij met een ‘eindredacteur’ die mij teleurgesteld aankijkt als ik die ’t’ weer achter de strijd heb geplaatst. Die zorgt voor hogere kwaliteit en ik kijk uit naar een compliment als ik geen fout heb gemaakt. En helemaal als ik ‘strijd’ nu eindelijk goed spel. Zou dat voor een leerkracht niet ook kunnen gelden?

Uitgelicht

Kruitdampen in het hoofd

  In mijn vorige Prikker schreef ik over de vergelijking tussen drugs en vuurwerk van Wouter Roorda. Ik concludeerde dat die vergelijking mank ging. Vandaag nogmaals het thema vuurwerk. Dit naar aanleiding van een bijzonder betoog van Sid Lukkassen bij TPO. Volgens Lukkassen kunnen we zonder ‘vuurwerkvrijheid’ niet bestaan. “Vuurwerkvrijheid is existentieel,” schrijft hij. Dat lijkt me bijzonder. De mensheid geeft immers millennia lang goed kunnen bestaan zonder vuurwerk. Overdrijven is een kunst en het lijkt alsof Lukkassen er meester in is. Laten we zijn betoog eens volgen.

Bron: Pixabay

Vuurwerk is existentieel om drie redenen. “Ten eerste, alles wegreguleren wat jongens en mannen leuk en spannend vinden. Ten tweede worden we een norse brompotsamenleving die geen spektakel en risico’s meer aandurft: dit komt neer op het uitdoven van de levensfelheid. Ten derde, we noemen het beestje niet bij de naam – namelijk de specifieke overlastgevende groepen waar het in de kern om draait – maar spreken in termen van een algemeen verbod. Dit is niet alleen laf en een teken van karakterzwakte: het wijst op een regelmanie waarbij de goeden onder de kwaden lijden.” 

Om met dat laatste te beginnen. Lukkassen ziet twee groepen. Aan de ene kant de ‘goede vuurwerk afsteker’ en aan de andere kant de groepen die door middel van vuurwerk overlast bezorgen. Hij lijkt een groep te vergeten en dat zijn mensen die geen vuurwerk afsteken. Dit is geen homogene groep van alleen maar ‘tegenstanders’ van  vuurwerk. Die zullen er zeker ook en misschien zelfs wel veel, bij zitten. Nee, die groep bevat ook mensen die het niets kan schelen of het al dan niet verboden is en mensen die er zelf niets aan vinden maar die anderen het plezier wel gunnen. Dit is de groep die geen vuurwerk koopt, die wel belasting betaalt voor handhaving en het opruimen van de troep en die wellicht een hogere zorgpremie moet betalen om de schade door vuurwerk te vergoeden. Een verbod op vuurwerk treft deze groep niet. Een verbod treft alleen de andere twee groepen. Om dan te concluderen dat bij een verbod de goeden onder de kwaden lijden, is nogal een bewering. Of hoort deze groep niet bij de ‘goeden’?

Volgens Lukkassen is het: “hoe dan ook idioot om ook maar te overwegen ons eigen volksfeest af te schaffen, omdat er groepen zijn die zich kennelijk niet in de hand kunnen houden en we niet in staat blijken hen te bedwingen.” Maar beste meneer Lukkassen, de viering van de jaarswisseling wordt niet afgeschaft. Dat is het feest dat er wordt gevierd, niet ‘het afsteken van vuurwerk’. Een deel van de Nederlanders ‘viert’ dit door vuurwerk af te steken en ander deel viert op een andere manier met bijvoorbeeld een oudjaarsconference, een oliebol en een glaasje champagne. Of door gezellig met familie en/of vrienden bijeen te komen. 

(V)uurwerk verbroedert alle lagen en klassen van de samenleving. In mijn jeugd was het vuurwerk een van de weinige momenten waarop de allochtone en autochtone jeugd samen optrok.” Om even terug te gaan naar mijn jeugd. In de jaren zeventig van de vorige eeuw was ‘sintermerte’ een belangrijke gebeurtenis in mijn geboortedorp Velden. Na het verstrijken van de zomervakantie, die leek vroeger ‘eeuwig’ te duren, begonnen we met het verzamelen van dode takken uit de bossen die op een hoop werden gegooid. Na verloop van tijd kwamen daar pallets bij aangeleverd door een transportbedrijf van een van de ouders. En, nu helemaal niet meer voor te stellen, autobanden. Wij waren niet de enigen. Bij iedere boerderij en in iedere buurt, bouwde de jeugd een hoop. Een hoop die dan op de 10e november werd opgestookt. Die hoop verbroederde iedereen die eraan meebouwde en zorgde voor rivaliteit tussen de verschillende groepen. ‘Onze’ hoop moet het grootste worden, het laatste worden aangestookt en liefst ook het langste branden. Sommigen gingen de strijd ‘oneerlijk’ aan door spullen bij een andere hoop weg te halen. En soms werd een rivaliserende hoop zelfs een dag eerder al in brand gezet. Dat is nu verleden tijd. De jeugd in het dorp kent de traditie niet meer. Maar ik dwaal af. Vuurwerk afsteken, en ook andere van dergelijke activiteiten, zoals sintermerte, kunnen inderdaad verbroederen. Ze ‘verbroederen’ vooral binnen eigen groepen en wakkeren rivaliteit aan met hen die daar niet bijhoren. Net zoals sport, muziek en cultuur verbroederen maar ook kunnen aanzetten tot rivaliteit. Trouwens ook criminaliteit verbroedert. Dat iets ‘verbroedert’ is geen reden om het ‘heilig’ te verklaren.

Lukkassen: “Je moet natuurlijk veilig omgaan met vuurwerk en bijvoorbeeld een vuurwerkbril dragen. Maar sluipenderwijs en in de greep van angst voor risico’s zijn we alles aan het verbieden. Totdat er niets leuks overblijft.” Is angst werkelijk een van de redenen om voor een vuurwerkverbod te pleiten? Dat iemand zijn oog kwijtraakt of een halve hand vanwege verkeerd gebruik van vuurwerk, is voor een enkeling een reden om voor een vuurwerkverbod te pleiten. De schade aan het oog, de hand, de auto of het huis van een ander is echter een veel belangrijkere reden. De schade en overlast die de groep die zelf niets met vuurwerk heeft, is het argument voor een verbod. Een, zoals ik gisteren ook al aangaf, heel liberaal argument om rechten van mensen in te perken. Al lijken de huidige ‘liberalen’ daar heel anders over te denken.  

Lukkassen haalt VVD-voorman Dijkhoff aan: “Fatsoenlijke vuurwerkliefhebbers ergeren zich ook kapot aan het tuig dat oud & nieuw elk jaar weer verpest, maar dreigen met een totaalverbod zelf gestraft te worden. Terwijl ze niets verkeerd doen. Zij vragen zich af waarom politici hun brave in Nederland gekochte sierpotten willen verbieden, terwijl net over de grens veel zwaarder spul gewoon in de winkels ligt.” Tja, die grens waarachter grotere ellende te koop is. Nu wil het geval dat de regels voor vuurwerk in onze buurlanden niet zoveel afwijken van de Nederlandse. Ook daar mag een particulier alleen f1 en f2 vuurwerk kopen en is het aan de verkoper om de leeftijd te controleren. Wat verder over de grens, via het Web, is veel meer te verkrijgen en is het toezicht afwezig of beperkt.

Vanwege dat ‘buitenland’ is een totaalverbod zinloos, zo betoogt Lukkassen en haalt CDA-kamerlid Chris van Dam aan: “Dat is niet te handhaven.” Het lijkt mij dat een totaalverbod makkelijker is te handhaven dan de huidige situatie. Nu hebben we legaal en illegaal vuurwerk. Ook zijn er tijden waarop het mag en tijden waarop niet. En, hoe toon je aan dat de ‘knal’ afkomstig was van illegaal vuurwerk? Bij een totaalverbod is immers iedere ‘knal’ of ‘pijl’ strafbaar. Dat lijkt mij stukken eenvoudiger te handhaven. 

Bron: PXhere

Nog bonter wordt het als Lukkassen VVD-burgemeester Antoinette Laan-Geselschap aanhaalt: “Dat er problemen zijn, ligt niet aan het vuurwerk, maar aan het gedrag van mensen. Een landelijk verbod is een te draconische maatregel. Het gedrag van een aantal klojo’s moet niet de maatstaf worden.” Woorden die zo afkomstig zouden kunnen zijn van Wayne LaPierre, de voormalig voorzitter van de Amerikaanse National Rifle Association: ‘geweren doden geen mensen, mensen doden mensen.’ Waarom dan niet meteen een pleidooi om alles toe te staan? Dat iemand wellicht een tankgranaat naar het Binnenhof schiet maakt toch nog niet dat de goedwillende ik niet meer in mijn M1 Abrams tank mag rijden! 

“Het is een reflex geworden om bij alles wat er misgaat de staat ter verantwoording te roepen en te pleiten voor een verbod. Dit is een zieke ontwikkeling die aantoont dat de sociale cohesie wegvalt en we er niet meer samen uitkomen: mensen ontwikkelen een afwachtende en staatsaanhankelijke basishouding.” Een wel heel bijzondere manier van redeneren. De overheid is juist het medium dat maakt dat we er samen uitkomen. De overheid is namelijk van de samenleving en is aan zet als de vrijheid van de een tegen de schade van de ander moet worden afgewogen. En de vrijheid van Lukkassen om rotjes af te steken, moet worden afgewogen tegen de overlast en de beperking van de keuze vrijheid van de tegenstander van vuurwerk. Want ja, het afsteken van vuurwerk kan de vrijheid van anderen beperken. Als mensen niet meer de straat op durven omdat ze als de dood zijn voor vuurwerk, dan beperkt Lukkassens recht om een rotje af te steken, de vrijheid van een ander. De overheid is er om juist dan de zaken tegen elkaar af te wegen.

Lukkassen vervolgt zijn betoog: “Ook de gedachte dat het volk zomaar bij kruit kan is voor de elite een beangstigende gedachte, zeker nu ze merken dat hun beleid steeds minder populair is. Mede hierom willen sommige bestuurders ervan af. Juist dit is een reden – voor wie wil dat het volk uiteindelijk de baas is in een land en niet een technocratische regentenklasse – om vóór vuurwerk te zijn.” En daar is ze weer; de tegenstelling tussen volk en elite. Alleen lijkt het alsof ‘het volk’ alleen maar bestaat uit ‘afstekers van vuurwerk’. Tegenstanders van vuurwerk behoren bij de ’elite’. Als we trouwens wat beter lezen, pleit Lukkassen dan voor het inzetten van ‘kruit’ om ‘minder populair beleid’ omver te ‘knallen’? Want zegt hij niet dat de toegang tot vuurwerk moet blijven om het volk de mogelijkheid te geven om het beleid van de ‘elite’ tegen te kunnen gaan?

Lukkassen sluit af met een advies: “als je huisdieren last hebben van vuurwerk, neem ze dan mee naar een vuurwerkvrije camping, of breng ze naar een opvang speciaal hiervoor. Ook dit is weer business voor kleine ondernemers.” Dus om u uw pleziertje te gunnen, moeten anderen extra kosten maken? En dat is volgens u niet erg want dat is ‘business voor kleine ondernemers’. Even terug naar de vrijheid van de een en de overlast voor de ander. Beste meneer Lukkassen, bent u bereid om de kosten voor die camping of die dierenopvang voor die mensen te betalen? U zult het toch vast niet erg vinden om de extra kosten die de dierenbezitters moeten maken, te vergoeden? Het is immers ‘business voor kleine ondernemers’? En dan nog vraagt u iets bijzonders van deze mensen. U vraagt hen namelijk om hun viering van het feest van de jaarwisseling aan te passen aan uw ‘vuurwerkplezier.’

Zou Lukkassen last hebben van kruitdampen in het hoofd?

Uitgelicht

De tang en het varken

Vuurwerk en het al dan niet geheel of gedeeltelijk verbieden ervan houdt de gemoederen flink bezig. De eerste twee weken van het nieuwe jaar ging er geen dag voorbij zonder dat het ‘vuurwerk’ ter sprake kwam. Volgens Wouter Roorda is de ellende met vuurwerk een uitwas van een dieper liggend probleem. “Niet alleen rond Oud en Nieuw wordt ongewenst gedrag niet gecorrigeerd, maar het hele jaar door.” Of dat het werkelijke probleem is, daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om een vergelijking die hij in zijn artikel bij Opiniez maakt tussen vuurwerk en (soft)drugs en een uithaal naar ‘politiek links’. Want dat wenst: “het gebruik van drugs te gedogen (en voor alle criminele activiteiten daaromheen de andere kant op te kijken) en vuurwerk te verbieden.” Zo die kan ‘links’ in haar zak steken. Of …?

Bron: Wikipedia

Eerst de redenering van  Roorda: “Net als met illegaal vuurwerk is de werking hiervan (van (soft)drugs) steeds sterker geworden, zodat het verschil tussen de gedoogde softdrugs en de verboden harddrugs steeds vager is geworden. Ook op de afzetkanalen van verdovende middelen hebben de autoriteiten nooit grip kunnen krijgen. Maar voor de doorsnee drugsgebruiker is het begrip bij met name linkse politici een stuk groter, al was het maar omdat de mening in die kringen wijdverbreid is dat je aan een verslaving weinig kunt doen.”

Eerst de draai om de ‘linkse oren’. De door Roorda veronderstelde (daarover later meer) inconsequentie, of  hypocrisie zoals hij het zelf noemt, in het denken van ‘linkse politici’ met betrekking tot vuurwerk en drugs. Zijn het alleen de ‘linkse politici’ die hypocriet zijn? In het politieke spectrum aan de rechterkant lopen veel politici en partijen rond die tegen een vuurwerkverbod zijn en voor het verbieden van drugsgebruik. Sterker nog. Van deze politici pleit er, op een wellicht verdwaalde eenling na, geen enkele voor een algeheel verbod op alcohol en tabak. Dit terwijl dat toch de verslavende middelen zijn die de gebruiker het meeste schade toebrengen. 

Nu het deel ‘veronderstelling’, in hypocrisie. Drugs richten zich op de gebruiker, die heeft er ‘plezier’ van. Iemand die niet gebruikt ondervindt schade nog overlast van het pilletje xtc dat een ander persoon gebruikt. Behalve natuurlijk als die persoon onder invloed een auto-ongeluk veroorzaakt. Dat is,  juist om dat te voorkomen, dan ook bij wet verboden. De afsteker van een Thunderstrike heeft zelf plezier van het afsteken. De knal die het veroorzaakt kan en wordt door een ander als (geluids)overlast ervaren. De vuurpijl die ik afschiet, kan brand veroorzaken in jou huis. Als je die Thunderstrike naar de politie of in de brievenbus van de buren gooit, dan kan dat tot flinke schade leiden. Dat krijg je met een zakje met vijf gram Rode Libanon niet voor elkaar. Gebruik van vuurwerk veroorzaakt directe overlast of schade. Drugsgebruik alleen indirect.

Wellicht dat dit de vermeende hypocrisie van Roorda verklaart waarom ‘linkse politici’ drugs anders willen behandelen dan vuurwerk. Nu is het ‘schade aan de ander’ beginsel niet iets wat  typisch links is. Het is in de basis typisch liberaal. Omdat Frank Kalshoven dat vorige week al in de Volkskrant heeft uitgelegd, ga ik daar hier niet verder op in en verwijs er slechts naar. 

Als je ver zoekt vind je altijd wel iets overeenkomstig tussen twee zaken. Zo bevatten een tang en een varken allebei ijzer. Daarnaast maken ze allebei deel uit van een spreekwoord dat uitdrukt dat iets onzin is. Vuurwerk en (soft)drugs zijn verschillende grootheden. Niet zo verschillend als de tang en het varken maar toch. De vergelijking gaat mank.

Uitgelicht

Tijd voor andere verhalen

‘Reageer niet op die man. Hij is de aandacht niet waard.’ Dat advies krijg ik steevast als ik weer eens reageer op iets wat Jan Roos schrijft. Roos de man die ‘bekend’ werd als ‘etterbal met de roze microfoon’ van Powned. En die definitief doorbrak als ‘Peppi’ in zijn strijd tegen het associatieverdrag met de Oekraïne. Of was het ‘Kokki’? Toch reageer ik steeds als Roos iets schrijft wat daartoe aanleiding geeft. Zo ook deze keer weer. “Links is ook erg pro-Palestijnen, maar weten van de ontstaansgeschiedenis van dit verzonnen volk en hun verzonnen land niets af.” Aldus Roos bij De Dagelijkse Standaard.

Aurora Borealis. Bron: WikipediaCommons

Ik reageer hierop niet omdat wat Roos hier beweert onzin is. Ik weet niet of links erg ‘pro Palestijnen is’ en of het niets afweet van de geschiedenis van de Palestijnen en hun land. Daar gaat het mij ook niet om. Het gaat mij om ‘verzonnen volk en verzonnen land’. Niet dat Roos hier iets schrijft wat aperte apekool is. Waarom dan toch in de pen geklommen? Omdat Roos de Palestijnen afzet tegen andere landen en volken en het doet voorkomen of die landen en hun volken niet zijn ‘verzonnen’. En dat is wel aperte apekool. Alle landen, alle volken en ook alle religies zijn verzonnen. Het ene wat eerder dan het andere, maar verzonnen zijn ze allemaal.

Nederland? In eerste aanleg verzonnen tijdens het Weens congres in 1814 en daarna, in 1831, nog wat gedecimeerd. Ik schreef er al eerder over. Het ‘volk’ bestond niet, dat is verzonnen. Gecreëerd door selectief in het verleden te winkelen en daaruit die gebeurtenissen te pakken waarop je ‘trots’ kunt zijn. Israel? In 1948 ontstaan. De Joodse claim op dat gebied als het hen ‘beloofde land’? Een verhaal gelardeerd met her en der een historische gebeurtenis die er een ‘logisch geheel’ van moeten maken. Een verhaal om een groep mensen te binden. Religie? Verhalen die een deel van de mensen nodig hebben om te kunnen omgaan met het zelf-bewustzijn. Met dat je realiseert dat het leven, ook het jouwe, eindig is. Maar ook als verhalen dat groepen mensen met elkaar verbindt. Verhalen die maken dat mensen zeggen: ‘wij horen bij elkaar’. Iets wat wordt beaamd door anderen die er niet bijhoren.

Verhalen in welke vorm (volk, land, religie) dan ook, spelen een belangrijke rol in het leven van de mens. Verhalen die mensen binden en ze deel uit laten maken van een groter geheel. De andere kant van de medaille is dat dezelfde verhalen ook mensen uitsluiten. Die horen niet bij dat grotere geheel.

Bij verhalen moet ik denken aan 21 Lessen voor de 21ste eeuw. Een boek van Yuval Noah Harari. In hoofdstuk 20 bespreekt hij de plek die verhalen innemen in het leven van de mensen. Dat hoofdstuk heeft als titel Het leven is geen verhaal.  Aan het einde van dat hoofdstuk (pagina 374) schrijft Harari: “Pas op als politici in mythische bewoordingen gaan spreken. Dat kan namelijk een poging zijn om het echte leed te gaan verhullen en rechtvaardigen door het te verpakken in moeilijke, onbegrijpelijke termen. Wees vooral op je hoede voor de volgende vier woorden: opoffering, eeuwigheid, zuiverheid en verlossing. Als je een van die woorden hoort, sla dan meteen alarm. En als je toevallig in een land woont waarvan de leider regelmatig dingen zegt als: ‘Hun offer zal de zuiverheid van onze eeuwige natie waarborgen en ons naar de verlossing leiden’, besef dan dat je een groot probleem hebt.”

De laatste jaren spreken steeds meer politici in mythische bewoordingen. Horen we de woorden ’opoffering, eeuwigheid, zuiverheid en verlossing’ en hun synoniemen steeds vaker. Neem de ‘VOC mentaliteit’ van Balkenende, de ‘boreale toespraak’ van Baudet in Nederland. Een Amerikaanse president die ‘America’ weer ‘Great’ wil maken en zichzelf in superlatieven veren in zijn reet steekt. Alles wat hij doet is ‘greatest ever’ en wat anderen doen is ‘worst ever’. Een manier van denken die ook aanwezig is bij Khamenei, Poetin, Erdogan en Xi Jinping. Harari adviseert: “Als je een beetje bij je verstand wilt blijven, moet je altijd proberen zulke lulkoek te vertalen naar de werkelijkheid: een soldaat die het uitschreeuwt van pijn, een vrouw die geslagen en aangerand wordt, een kind dat beeft van angst.”  

Tijd voor andere verhalen!

Uitgelicht

Terroristen, Soleimani en Trump

Afgelopen maandag keek ik weer eens naar De Wereld Draait Door. De dood van de Iraanse generaal Soleimani werd uitgebreid besproken. In dat gesprek viel mij iets op. Iets wat in alle berichtgeving over deze zaak opvalt. Wat mij opviel? De onevenwichtigheid in woordgebruik waarmee er wordt gesproken.

Bron: cosmoschronicle.com

Een voorbeeld. Generaal Soleimani wordt met alle gemak ‘in en in slecht’ neer gezet. Hij is een ‘terrorist’ en het ‘meesterbrein’ achter veel terroristische aanslagen. Als we kijken wat er is gebeurd dan zien we een daad van terreur uitgevoerd in opdracht van de president van de Verenigde Staten. Terreur is volgens de Van Dale: “georganiseerd politiek geweld.” Een vorm van terrorisme dus. Dat is, volgens dezelfde Van Dale: “het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van terreur.” Er wordt een generaal van het Iraanse leger vermoord of geliquideerd want een andere benaming is er niet voor het doden van iemand zonder dat er een rechter aan te pas is gekomen. Een moord die is bedoeld om een regering en/of een bevolking onder druk te zetten. In dit geval zelfs twee regeringen, die van Iran en Irak. En misschien zelfs drie bevolkingen, naast het Iraanse en Iraakse ook het Amerikaanse. Met andere woorden: georganiseerd politiek geweld. Ik hoor niemand die de Amerikaanse actie bestempelt als terrorisme. Als er met medeweten en medewerking van Irak was geprobeerd om Soleimani te arresteren om hem voor de rechter te brengen en hij was gedood omdat hij zich hier gewelddadig tegen verzet had, dan was het een ander verhaal.

Sterker nog, in een ander televisieprogramma, het nieuwe programma Op1 horen we de Nederlandse minister van defensie Bijleveld verklaren dat ze ‘er begrip voor heeft dat de liquidatie is gebeurd.’ Een Nederlandse minister die begrip heeft voor terreur, voor een terroristische daad geïnitieerd door de Amerikaanse president! Dit terwijl de Nederlandse regering, zo is in artikel 90 van de Nederlandse Grondwet vastgelegd, de ontwikkeling van de  internationale rechtsorde  moet bevorderen. Als ‘begrip hebben’ voor een liquidatie door een land (de Verenigde Staten)van een regeringsfunctionaris van een ander land (Iran) op het grondgebied van een derde land (Irak) zonder medeweten en goedkeuring van dat derde land de ‘ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert’, wat is die ‘internationale rechtsorde’ dan anders dan het recht van de sterkste? Als de Nederlandse regering de grondwet serieus neemt dan zou ze de Amerikaanse president aanspreken op het schenden van de international rechtsorde. Dan zou ze schande spreken van deze terreur daad. Jammer, want hierdoor komt onze rechtstaat en democratie in een verkeerd daglicht te staan en verzwakken we onze kracht. 

Er is meer onevenwichtigheid.  Die Soleimani was geen heilig boontje. Hij zal best verantwoordelijk zijn voor de nodige doden in Iran en erbuiten. Dat zijn de huidige Amerikaanse president en zijn voorgangers ook. Zo startte zijn voorganger Bush op onrechtmatige gronden en met leugens als onderbouwing een oorlog tegen Irak. Een oorlog met zeer veel doden tot gevolg. Een oorlog die aan de basis ligt van de huidige chaos in Irak. Als dat maakt dat Soleimani ‘terrorist’ mag worden genoemd, hoe moeten we Trump en zijn voorgangers dan bestempelen?

Ja, Iran probeert zijn invloed in de omringende landen te vergroten en er bevriende mensen aan de macht te krijgen. Hierin speelde Soleimani een belangrijke rol. Als we de huidige berichten mogen geloven dan was hij het meesterbrein eracht. Hij zou zelfs achter de oprichting van Hezbollah en Hamas zitten. Dat lijkt me wel erg veel eer voor de man. Dat Iran zich‘bemoeit’ met de ‘binnenlandse aangelegenheden’ in andere landen staat buiten kijf. Bijvoorbeeld Libanon, Syrië, Irak en Jemen. Maar waarin verschilt het land daarin van Rusland, de Verenigde Staten, Saoedi -Arabië, Turkije en zelfs Nederland? Je ‘bemoeien’ met andere landen en daar je ‘invloed’ vergroten is het streven van de buitenlandse politiek van alle landen. En bij dat streven worden ook wel eens groepen in een land gesteund die op minder goede voet staan met de regering van dat land.  Zo heeft Orban van Hongarije warme banden met Wilders. Waarom zou Iran geen buitenlandse politiek bedrijven en de Verenigde Staten en alle andere landen wel?