Uitgelicht

Zum kotzen!

Zum Kotzen! “Op zaterdag 30 april reed Rolling Thunder de Canadese hoofdstad Ottawa binnen: een konvooi van enkele honderden vrijheidslievende motorrijders. Het waren ditmaal niet de truckers, maar de veteranen die het voortouw namen in het verzet tegen het dictatoriale beleid van de regering Trudeau.” Dit las ik op de site Transitieweb Een site voor, zoals ze zelf zeggen: “Waarheidszoekers en toekomstbouwers”. Bij het artikel wat korte video’s van het gebeuren die dag met daarbij de woorden: “Ze waren hier niet in het nieuws te zien. Ook op het internet zijn ze nog maar met moeite te vinden. Zum Kotzen, omdat ik een oprisping eruit moest krijgen.

Bron: Flickr

In alle vrijheid, terwijl je geen strobreed in de weg wordt gelegd, protesteren voor vrijheid en tegen een ‘dictator’. Politieagenten kijken toe en zorgen ervoor dat de stoet ongehinderd kan doorrijden. Een Rus zou zich wensen zo te kunnen protesteren voor zijn vrijheid en tegen de dictatuur. Je kunt het niet eens zijn met de manier waarop de Canadese regering de coronapandemie bestrijdt, dat maakt de maatregelen nog niet ‘dictatoriaal’. Sterker nog, Trudeau won de verkiezingen van september 2021 en werd daarmee herkozen. Dit geheel volgens de regels van de Canadese democratie. De manier waarop zijn regering de coronapandemie bestrijdt, kan daarmee rekenen op de steun van het Canadese volk. Zouden de demonstranten maar ook de ‘waarheidszoekers en toekomstbouwers ’van Transitieweb weten hoe lang de strijd voor democratie heeft geduurd? Het lijkt erop dat ze zo verwend zijn met en door vrijheid dat ze onvrijheid niet herkennen. Een ‘toertochtje’ om te strijden voor vrijheid en tegen de coronamaatregelen, het ‘dictatoriale beleid’, van de regering Trudeau.

Vandaar die oprisping die eruit moest. Die oprisping werd flink vergroot en hoekiger. Daarvoor even wat jaren terug in de tijd. Naar 1963. In dat jaar bracht Bob Dylan het nummer Blowing in the Wind uit. Een protestnummer tegen de oorlog in Vietnam met daarin de volgende woorden: “And how many ears must one man have before he can hear people cry? Yes, and how many deaths will it take ‘til he knows that too many people have died?”  Dat was nog voordat het Amerikaanse leger startte met het bombarderen van Noord-Vietnam. Met deze bombardementen wilden de Amerikanen vier doelen bereiken. Als eerste het verzwakken van het moreel van de Noord-Vietnamese regering om deel te nemen aan de oorlog in Zuid-Vietnam. Nu lieten de ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog al zien dat bombardementen het moreel van de gebombardeerde versterken. Iets wat we nu ook weer in Oekraïne zien. Als tweede het moreel van de regering in Zuid-Vietnam opkrikken. Als derde moest het transportsysteem, de industriële basis en de luchtverdediging van Noord-Vietnam worden vernietigd. Nu waren de Sovjet Unie en China graag bereid om de voorraden van de Noord-Vietnamezen aan te vullen. Het vierde doel lag in het verlengde hiervan: de stroom mankracht en wapens naar Zuid-Vietnam moest worden gestopt. Ook deze doelen werden niet bereikt. Wat er in die driejarige campagne met ruim 300.000 aanvalsvluchten en 864.000 ton bommen op het Noord-Vietnam wel werd bereikt? Volgens de CIA werden hiermee bijna 28.000 Vietnamese soldaten en 48.000 burgers gedood. De Amerikaanse regering schatte het aantal burgers op 30.000 en onafhankelijke onderzoekers tot zo’n 180.000. Daarnaast sneuvelden nog zo’n 20.000 Chinezen die de Noord-Vietnamezen ondersteunden.

Waarom begin ik hierover? Een goede vraag. Ik begin hierover vanwege de naam van die driejarige campagne: Rolling Thunder. En nu bijna zestig jaar later gebruiken motorrijders die zich ‘vrijheidslievend’ noemen, deze naam voor hun ‘toertochtje’ naar de Canadese hoofdstad. Zum kotzen!

Uitgelicht

Onbeheerste beheersbaarheid

In zijn column in de Volkskrant vraagt Peter de Waard zich af hoeveel tijd fietsenmaker VanMoof krijgt om winstgevend te worden: “In 2021 werd op een omzet van 90 miljoen euro een verlies van 70 miljoen euro geleden,”  zo schrijft hij. Nu gaat het mij niet om die winstgevendheid en de tijd die de fietsenmaker al dan niet moet krijgen. Het gaat mij om het volgende: “Van weigerende fietsbellen en spontaan loeiende diefstalbeveiligingen tot fietsen waarvan het niet lukt het slot met de smartphone te openen. En dat laatste is extra lastig als het traditionele sleuteltje er niet meer is. Ongeveer 10 procent van de verkochte fietsen moest worden teruggenomen.” Hierbij moest ik weer denken aan The Uncontrollability of the World  van Hartmut Rosa waarover ik in mijn vorige Prikker ook al schreef.

Bron: Flickr

De fiets is een heel praktische uitvinding waarmee de spierkracht van de mens wordt omgezet in snelheid. Bij de allereerste versie waren de trappers rechtstreeks aan het voorwiel bevestigd. Een keer rond trappen betekende dat ook het wiel een keer rond ging. Om de snelheid op te voeren werd dat wiel al snel groter gemaakt en zo ontstond de hoge bi. De fiets met het grote voorwiel waarop de trappers waren bevestigd. Nadeel was dat je hoog zat waardoor de stabiliteit geringer was, zeker bij lage snelheden. Aan het leven van de hoge bi kwam al na korte tijd een einde. Hij werd uit de markt geconcurreerd door een geïnnoveerde versie. De innovatie bestond eruit dat de beide wielen weer even groot werden. Het voorwiel was om te sturen en de fiets werd indirect aangedreven via het achterwiel. Indirect omdat de trappers niet aan het wiel waren bevestigd maar aan een tandwiel. Via een ketting was dit tandwiel verbonden met een tandwiel dat aan het achterwiel was bevestigd. Het geheel was veel stabieler. Door met de grootte van beide tandwielen te spelen, kon je het aantal wielomwentelingen van één keer rondtrappen, vergroten of verkleinen. Meer tanden in het wiel voor betekent een zwaarder verzet en dus meer wielomwentelingen. Ook minder tanden op het tandwiel aan de achterwiel betekenen een groter verzet en meer omwentelingen. Hoe groter het verschil in tanden tussen voor en achter, hoe sneller de fiets.

Maar ik dwaal af. De fiets is een heel praktische uitvinding. De meest eenvoudige versies, zonder versnellingen, zijn bij een defect makkelijk te repareren. Dat lukt mij zelfsmet mij twee linkerhanden nog. De band van een VanMoof plakken zal me waarschijnlijk nog wel lukken, maar een ‘loeiende diefstal beveiliging’ of een ‘slot met de smartphone’ dat zal mij niet lukken. Nu is de fiets niet het enige gebruiksvoorwerp dat is ‘geICTiseerd’ om een niet bestaand woord te gebruiken maar wat wel duidelijk maakt wat ik bedoel. Voor auto’s geldt het zelfde. Vroeger kon een goede automonteur alle auto’s repareren omdat de basisprincipes van alle auto’s hetzelfde zijn. Nou ja alle, bijna alle. Citroënrijders deden er toch goed aan naar een garage van dat merk te gaan als er iets mis was met het ‘hydropneumatisch veersysteem’. Tegenwoordig moet je naar de merkgarage omdat de auto aan de computer wordt gelegd en alleen de merkdealer heeft de juiste software om de zaak ‘uit te lezen’. Al die technologie is erin gestopt om het ding en de deelname aan het verkeer veiliger te maken. Om de controle van de bestuurder te vergroten.

Met die controle kom ik bij Rosa. Volgens Rosa streeft de moderne mens naar twee zaken die zich slecht met elkaar verhouden. Aan de ene kant is dat beheersbaarheid van de wereld. Beheersbaarheid door kennis van de werking van zaken en door technieken om de wereld te beheersen. “The driving cultural force of that form of life we call ‘modern’ is the idea, the hope and desire, that we can make the world controllable.” Aan de andere kant zoekt de mens naar wat Rosa het onverwachte noemt, het niet beheersbare dat hem of haar in vervoering breng. Rosa: “Yet it is only in encountering the uncontrollable that we really experience the world . Only then do we feel touched, moved, alive.  …The drive in our lives unfold as the interplay between what we can control an that which remains outside our control, jet ‘concerns us’ in some way. Life happens, as it were, on the borderline.[1]

Al die nieuwe technieken in de auto zijn bedoeld om de beheersbaarheid te vergroten. Het alarmsysteem en het ‘slot met smartphone’ evenzeer. Maar ook, zo betoogt Rosa, al die apps en systemen om permanent je bloedwaarden, ademhaling, vetverbranding enzovoorts te meten. Allemaal bedoeld om de wereld te beheersen en dat lukt aan de ene kant ook. Maar die beheers zucht leidt tot frustratie, spanning en oncontroleerbaarheid overal in ons dagelijkse leven, zo schrijft Rosa in een hoofdstuk met als onheilspellende titel The Monstrous Return of the Uncontrollable. Dit is, aldus Rosa, een gevolg van: “the categoral gulf between theoretical control and actual control, the concurrence of controllability in theory and uncontrollability in practice.”  En dat niet beheersbare doet zich voor als het VanMoof-fietsalarm afgaat en je het niet uit kunt zetten. Of, zoals Rosa schrijft: “Anyone who has ever tried to roll down the windows or release the handbreake on their car when its electrical systems are jammed has expirenced this. Minor problems that only a few years ago could be resolved with a fwo flicks of the wrist or a hammer now require calling a tow truck and ordering expensive replacement parts that could take weeks to arrive.[2] En ‘weeks’ kan ook erger zo lees ik in een artikel in de Volkskrant. Een artikel over al het wapenmateriaal dat de Amerikanen moeten vervangen omdat ze het naar Oekraïne sturen: “Net als in andere industrietakken kampen de wapenfabrikanten door de pandemie met logistieke problemen en met tekorten aan materialen en personeel. Hierdoor zal het jaren duren voor de VS hun voorraad Javelins en Stingers hebben aangevuld.” En dat aanvullen wordt bemoeilijkt omdat: “ze een nieuwe leverancier (moeten) vinden voor titanium, dat veel wordt gebruikt in de militaire en luchtvaartindustrie. Rusland is een van de grootste producenten.”

Ons streven naar beheersbaarheid leidt tot onbeheersbaarheid. Het lijkt erop dat Rosa een punt heeft.


[1] Harmut Ros, The Uncontrollability of the World, pagina 2

[2] Idem. Pagina 110-111

Uitgelicht

Bedorven onderwijswaar?

In een artikel in de Volkskrant pleiten leraar en lerarenopleider Ton van Haperen en emeritus hoogleraar onderwijsorganisatie en management Jaap Scheerens voor meer meetmomenten in het onderwijs. Of zij hiermee een punt hebben, kan ik niet beoordelen. Ik ben geen onderwijskundige. In het artikel zetten ze zich af tegen het ‘romantische denken over het onderwijs’ zoals zij het noemen: “het vertrouwen in de professionaliteit van leerkrachten. Dat vertrouwen is echter misplaatst, want Nederland heeft al even zowel een kwalitatief als kwantitatief lerarentekort.”  Een bijzondere conclusie waarbij ik moest denken aan het boekje The uncontrollability of the World van Hartmut Rosa.

Eigen foto

Van Haperen en Scheerens zijn hierbij voorbeelden van ideologen van de controle. Een ideologie die Rosa als volgt omschrijft:“If we understand education as an aquisition of certain skills- and that is the dominant understanding today, both in politics and in academia- then we can use standardized curricula to define with precision what should be learned when, comparative global serveys to maesure with precision whether these goals have been reached, and targeted teaching and learning methods, along with accompanying evidence-based academic research, to determine with precision what screws should be turned when in order to improve the results.[1] Of zoals Van Haperen en Scheerens het beschrijven: “Aan het eind van groep vier van de basisschool moet duidelijk zijn wie de basiskennis en -vaardigheid oppikt en wie niet. Aan het eind van groep acht helpt gestandaardiseerde toetsinformatie bij de keuze van het vervolgonderwijs. De derde klas van het voortgezet onderwijs is het jaar dat kinderen definitief kiezen voor een vakkenpakket waarin ze examen doen. Het eindexamen verleent toegang tot het vervolgonderwijs. Deze vier momenten verdienen een centrale, valide en betrouwbare toets, landelijk afgenomen.”

Dit staat tegenover het ‘romantische denken’ en wat Rosa de ideologie van de resonantie noemt. Rosa: “education occurs not when a particular skill has been acquired, but when a socially relevant segment of world “begins to speak,” Als iets in de wereld mij raakt en resoneert met iets in mij dan leer ik en doe ik kennis op. Dat is bijvoorbeeld: “die leraar geschiedenis die zo mooi kon vertellen.” Hierbij zijn de: “deskundigheid en autonomie van hoogopgeleide functionarissen,” belangrijk. “Leraren laten zich in deze gedachtegang leiden door de normen van de eigen professie en hebben weinig met rationalisering middels externe evaluatie.” Leren is een: “autonoom proces, niet gestuurd maar hoogstens ‘uitgelokt.”

Van Haperen en Scheerens zien onderwijs als het aanleren van vaardigheden. De ‘romantici’ pleiten voor ‘Bildung’, onderwijs dat kinderen vormt tot een eigen persoon. Beiden lijken mij belangrijk. Het eerste is tijdens het leerproces te meten via gestandaardiseerde toetsen. Het voldoet aan de kern van het nog steeds dominante New Public Management waarbij ‘weten’ wordt bepaald door ‘meten’. Of zoals Van Haperen en Scheerens het schrijven: “De minimumvoorwaarde voor effectieve besturing en bijsturing is in de hedendaagse context een goed werkend evaluatie-mechanisme. … Meten is de realiteitscheck met aanwijzingen over hoe verder. Een realiteitscheck die schoolleiders en overheden helpt bij verhoging van het prestatiegemiddelde in dit land.” Het laatste niet. Dat kan slechts waar worden genomen bij de bestudering van de levens van mensen. Dan zie je de wetenschapper met een vmbo-diploma die door een bijzonder gebeurtenis geïnspireerd raakte en daardoor de motivatie vond om zich door die toetsen te vechten. Dan zie je de gepromoveerde filosoof die al die toetsen op de sloffen doorstond maar die zijn roeping vond na het aanraken van een hamer en als meubelmaker aan de slag is. Of de ‘drop out’ die een succesvol bedrijf opricht. Het is ‘weten’ dat niet is te ‘meten’. Nu kan Bildung niet zonder vaardigheden als lezen, schrijven, rekenen en logisch redeneren. Vaardigheden die je wel kunt meten met gestandaardiseerde tests. Het leven kan echter niet zonder Bildung.

Met die logica kom ik bij de bijzondere conclusie. Logica, de: “leer van het geldig redeneren,” aldus de Van Dale. Een logische redenering bestaat in de basis uit vier delen: de bewering, de definitie, de gevolgtrekking en het wetenschappelijke bewijs voor die gevolgtrekking. Van Haperen en Scheerens lijken dit niet goed te beheersen. En daarmee kom ik bij het, volgens de beide auteurs misplaatste vertrouwen in de professionaliteit van de leerkracht omdat er een kwalitatief en kwantitatief tekort is aan leerkrachten waardoor het wereldbeeld van de ‘romantici “bedorven waar” zou zijn. Laten we hun redenering eens langs deze vier stappen leggen. De auteurs beweren dat de ‘romantische visie’ bedorven waar is. De definitie is dat ‘romantisch onderwijs’ afhangt van, om met Rosa te spreken, momenten van resonantie, a-ha momenten, waardoor kinderen leren en groeien als persoon. Centraal in dat onderwijs staat de professionele leerkracht die dergelijke momenten moet ‘creëren’ en hen begeleid bij die groei. Hun gevolgtrekking is dat dit niet lukt. Dat wordt onderbouwd met het feit dat er een kwalitatief en kwantitatief lerarentekort is. Die onderbouwing bewijst echter niet dat hun bewering klopt en dus dat de romantici handelen in ‘bedorven waar’. Een kwalitatief en kwantitatief gebrek aan leraren maakt alleen duidelijk dat de door de ‘romantici gedroomde resultaten op dit moment niet haalbaar zijn. Om de ‘romantische visie’ werkelijk te weerleggen moet worden aangetoond dat ze zelfs mislukt als er kwantitatief genoeg leraren zijn die kwalitatief aan de maat zijn.

Om hun eigen onlogische logica te gebruiken. Ik vrees dat het door hen gepropageerde en op verschillende momenten gestandaardiseerd te meten ‘vaardighedenonderwijs’ ook ‘bedorven waar’ is bij een kwalitatief en kwantitatief lerarentekort. De wetenschappelijke bewijzen worden daarvoor jaarlijks aangeleverd door de onderwijsinspectie en andere cijfers zoals: “Het aantal slecht lezende 15-jarigen in 2000 op 10 procent, inmiddels is dit percentage doorgegroeid naar 24,”  die de beide auteurs in hun artikel noemen. Dus toch maar inzetten op kwantitatief voldoende leerkrachten van kwaliteit.


[1] Hartmut Rosa, The uncontrollability of the world, pagina 67


Uitgelicht

Heiligen Antonius

Afgelopen zondag was het de eerste mei. Iedereen met een beetje historische kennis zal dan roepen: de Dag van de Arbeid. De dag waarop socialisten en communisten de arbeider vieren. In het recente verleden betekende dat in menig land en stad voor de politie vooral een dag van zware arbeid omdat dat vieren daar gepaard ging met flinke ongeregeldheden. In sommige landen omdat het vieren verboden was en in andere landen omdat er steevast groepen waren die dan een traditioneel gevecht met de politie hielden.

Bron: Pixabay

Menig van die groepen beklaagden zich daarna over het extreme politiegeweld. Alleen deden ze dat dan op de verkeerde dag. Daar is namelijk de 15de maart voor aangewezen: de Dag tegen Politiegeweld. Diezelfde dag is trouwens ook de Dag van het Consumentenrecht en de Dag van het Maatschappelijk werk. Net zoals de eerste mei ook de Dag van de Lach is, al zullen die politieagenten weinig te lachen hebben gehad. De eerste mei is trouwens ook de Dag van het Basisinkomen. Tussen die Dag van de Lach en de Dag van de Grap zit dan weer een hele maand. De grap wordt namelijk op de eerste april gevierd.

Na de Dag van de Tonijn op de tweede mei, vieren we de derde mei de Dag van de Persvrijheid en Astmadag. Maar even terug naar die tweede mei en de tonijn. Op de vierde oktober vieren we Dierendag, voor alle dieren. Waarom dan nog een eigen dag voor de tonijn? Als guppy zou ik me behoorlijk achtergesteld voelen omdat ik geen ‘eigen dag’ heb. Nu zijn er meerdere dieren met een eigen dag. De ijsbeer heeft de 27ste februari. De eendagsvlieg de eerste maart. Helaas heeft een eendagsvlieg die op een andere dag wordt geboren daar niets aan. Die is dan alweer gestorven. De mus heeft de 20ste maart. Die heeft dubbel geluk want op die dag is het ook de Dag van het Geluk. De 7e april heeft de bever zijn dag en dan is het ook Girlsday, Collegadag en Gezondheidsdag. Ik weet niet of daar logica inzit of dat dit een puur toevallige combinatie is. De 25ste april is de Pinguin aan de beurt en twee dagen later de Tapir en de geleidehond. Die geleidehond heeft trouwens ook mazzel want een maand later, op de 26ste mei heeft de hond zijn dag. Dit nadat de 23ste de schildpad is gevierd. Een deel van die schildpadden, de zeeschildpadden, doen het de 16e juni nog eens dunnetjes over. Dan is het hun dag maar ook die van het Afrikaanse kind, de flexmedewerker en de tapas. Zo zijn er nog wel meer dieren met een eigen dag. De meest bijzondere dag in relatie met dieren is wel de 6e juni, de plaagdierendag.

Oh ja, ik begon met de Dag van de Arbeid. Die is voor de ‘ouderwetse’ arbeider. We zagen al dat de 16e juni de flexwerker in het zonnetje wordt gezet. Tussen die twee dagen, op de 11e  mei,  wordt ook de Modern Werkende gevierd. Weet iemand trouwens wat ik me bij een modern werkende moet voorstellen? Als die flexmedewerker dat als zzp-er doet, dan is er 4 juni weer wat te vieren. Ook de heftruckchauffeur heeft een eigen dag, de 8ste mei en de vrachtchauffeur heeft zijn dag op de 8ste december. Twee dagen later wordt de trainer in het zonnetje gezet en als die trainer ook nog coach is dan is het de 3e juni nogmaals raak. Op de 9de maart is het de Dag van de Pakketbezorger. Dit jaar een bijzondere dag omdat een van de werkgevers, PostNL, de viering ervan uitbesteedde aan de ontvangers van een pakket. Die zouden de bezorger, die door zijn werkgever wordt uitgeknepen die dag een fooi moeten geven als beloning. En dat zijn niet de enige beroepen met een eigen dag. En op 17 juni heeft iedere werkende weer wat te vieren want dan is het de Dag van het Werkplezier.

Gezien de huidige politieke situatie, de inval van Rusland in de Oekraïne en de ermee gepaard gaande afkeer van alles wat Russisch is, zal de Dag van de Russische Taal op de Plaagdierendag niet gevierd worden. Die 6e juni was de geboortedag van de dichter Pushkin. Voor de Oekraïense taal heb ik geen dag kunnen vinden. Niet vreemd want de Verenigde Naties, die deze dag in het leven hebben geroepen, hebben maar zes talen een eigen dag gegeven. Naast het Russisch, heeft het Arabisch (18e december), het Chinees (20e april) , het Engels (23ste april), het Frans (10e november) en het Spaans (23ste april) een eigen dag. Dat de Engelse en Spaanse dag op eenzelfde dag vallen heeft een reden. De Dag van de Engelse taal wordt gevierd op de geboorte- en sterfdag van William Shakespeare, die van de Spaanse taal op de sterfdag van Miguel de Cervantes Saavedra. De rest van de talen moet het met één gezamenlijke dag doen, de Dag van de Moedertaal op de 21ste februari. De ‘native speakers’ van die zes talen mogen dan nogmaals hun eigen taal vieren.

Bijzonder in de reeks van ‘bijzondere dagen’ is de combinatie van de 13de 14de  en 15e februari. De 13de is de Dag van het Huwelijk. Op de 14de wordt de vanuit de Verenigde Staten overgewaaide Valentijnsdag gevierd, de dag waarop de liefde wordt gevierd door je geliefde in het zonnetje te zetten. De 15de is de Dag van de Betaalde Liefde. Voor de vrouwen is de 8ste februari bijzonder, dan is het Vrouwendag, een mannelijke equivalent ontbreekt. En vrouwen van kleur hebben nog een eigen dag, namelijk de 1ste maart. Het maakt daarbij nogal wat uit of je ‘vrouwen van kleur’ hier letterlijk of figuurlijk opvat. In de letterlijke zin heb ik nog nooit een kleurloze vrouw ontmoet. In de figuurlijke zin wel.

Verschillende ziektes en stoornissen hebben hun eigen dag. Obesitas de 4e maart, Tuberculose de 24ste van die maand, Parkinson de 11e april, Astmadag de 3e mei. Migrainedag de 12e september. Een laatste die ik hierbij noem is de Bipolairendag, de 30ste maart. Of je die als lijder aan de stoornis viert zou er wel eens van af kunnen hangen of je net in een manische of depressieve periode zit.

Zo ‘vieren en gedenken’ we wat af. En dan ontbreekt de hele reeks naamdagen van katholieke heiligen nog op de lijst. Niet dat we die moeten vieren en gedenken. Die werden in vroeger jaren wel allemaal gevierd met een vrije dag. Waar is dat ‘gebruik’ om iets te vieren met een echte vrije dag verloren gegaan? Dan toch maar even vragen aan d’n Heiligen Antonius. Immers zoals, Rowwen Hèze zingt: “D’n Heilige Anthonius deen mos ’t wiete”. Ik vrees echter dat ik hetzelfde antwoord krijg als de band kreeg: “beste vrind wette dat. Soms is ’t beater iets moeis te verleeze. Beater verleeze dan dat ge ’t noeit het gehad.” Wellicht kun je die ‘heiligen Antonius’ ook raadplegen als je vergeten bent wat er vandaag ook al weer gevierd, herdacht, of onder de aandacht wordt gebracht?

Uitgelicht

Plank voor de kop

“Alarm in de Stille Zuidzee over een omstreden veiligheidspact tussen China en de Salomonseilanden. Deze verregaande samenwerking geeft Beijing mogelijk militair de vrije hand op een zeer strategische plek. Amerikaanse diplomaten proberen er een stokje voor te steken.” Zo opent Marije Vlas haar artikel in de Volkskrant. Een artikel met als titel: “China’s opbloeiende vriendschap met strategisch gelegen Salomonseilanden maakt wereldleiders zenuwachtig.” Deze opening en de titel van het artikel leggen precies de vinger op de zere plek. En nee, die zere plek is niet de het ‘omstreden veiligheidsplan’ van de twee landen. Die zere plek is precies het punt waar het Westen de wereld verliest.

Bron: Pixabay

Die wereldleiders worden zenuwachtig van de Chinese samenwerking met de Salomonseilanden want die zou wel eens kunnen leiden tot een Chinese marinebasis op de eilandengroep. En “De eilandengroep ligt tweeduizend kilometer voor de Australische kust, waarmee Beijing zich zomaar ver achter de linies bevindt van Aukus, het westerse defensiepact voor de Indo-Pacific.” Dat komt wel erg dicht in de buurt. De hoop is nu gevestigd op de Verenigde Staten omdat: “die als enigen in potentie genoeg in huis hebben om de Salomonseilanden uit de Chinese invloedssfeer te trekken.” Uit de invloedssfeer van China trekken betekent in de invloedssfeer van de Verenigde Staten duwen. Als de VS en in het verlengde het Westen een invloedsfeer mogen hebben, mag een ander land daar dan niet naar streven?

Aan de andere kant van de wereld, in Europa, betoogt het Westen dat Rusland nog in de negentiende eeuw leeft omdat het nog denkt in invloedssferen. Dat het aan Oekraïne zelf is om te kiezen met welke landen het samen wil werken. Is het dan ook niet aan de Salomonseilanden zelf om te kiezen met welke landen er samen wordt gewerkt? Dat het kiest voor de Chinese ‘invloedssfeer’? Ook al ligt dat ‘ver achter de linies van Aukus’.

Over linies gesproken. Bij het artikel een kaartje van de Grote Oceaan en de landen erom heen. Op het kaartje staan veel Amerikaanse vlaggetjes Die vlaggetjes betekenen dat de Verenigde Staten er een militaire basis hebben. Die vlaggetjes staan natuurlijk in Alaska, Hawaii en Guam die horen immers bij de Verenigde Staten en daarvan zijn er nog meer zoals de Marianen. Ze staan ook bij Japan, de Filipijnen, Thailand, Nieuw-Zeeland, Australië en Diego Garcia. Bij Zuid-Korea staat er geen, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de VS daar ook militair actief zijn. Evenzo op de Marshall eilanden. Daar komt nog bij dat de Verenigde Staten Taiwan veiligheidsgaranties hebben gegeven om het te beschermen tegen China. China ziet het eiland als een afvallige provincie. Als je je er wat verder in verdiept dan kom je erachter dat de Verenigde Staten zo’n 750 militaire bases hebben verspreid over 80 landen. De Britten zijn hierin een goede tweede en de Fransen een goede derde. China heeft op dit moment acht basis buiten het eigen grondgebied. Zeven ervan betreft ‘opgespoten eilanden’ in de Zuid-Chinese Zee die het land ziet als onderdeel van China en één echt in een buitenland, namelijk in Djibouti. Terugkomend op die linies. Waar je ook in de wereld bent, je zit zo ongeveer altijd ‘ver achter de linies’ van het Westen.

Voor de twee partijen, China en de Salomonseilanden is het pact in het geheel niet omstreden en China lijkt mij als op dit moment nog tweede, en binnen niet al te lange tijd, eerste wereldmacht. Het artikel schetst het beeld van het Westen in het algemeen en de Verenigde Staten in het bijzonder, dat zichzelf als de wereldleider ziet. De wereldleider die ook namens de wereld als geheel spreekt. Een beeld waarbij de belangen van het Westen ook de belangen van de wereld zijn. Het Westen doet dat met ‘kromme redeneringen’ om die woorden uit mijn motto aan te halen. Zo heeft het Westen in het algemeen en de Verenigde Staten, in het bijzonder, een invloedssfeer die zo ongeveer de hele wereld omspant. Dit wordt gewoon en normaal gevonden. China wordt zo’n sfeer ontzegt omdat een Chinese invloedssfeer gevaarlijk is voor de wereld, aldus de ‘wereldleiders’. Als Rusland het over zo’n sfeer heeft dan wordt het land verweten dat het in de negentiende-eeuw is blijven hangen. In het ene geval (Oekraïne) is het aan een land zelf om beschikken bij welke invloedssfeer het wil horen, het andere land (de Salomonseilanden) worden verketterd als het van die vrijheid gebruik maakt en voor een ander dan de het Westen kiest. In het ene geval (Oekraïne) is de territoriale integriteit van een land heilig en in het andere geval (Joegoslavië en Servië) doet die territoriale integriteit er niet toe en moeten volkeren zelf kunnen beslissen of ze een eigen land willen vormen. Een mogelijke marinebasis op 2.000 kilometer van Australië is een mogelijke bedreiging voor het Westen. De Amerikaanse aanwezigheid in Korea, de Filipijnen en Japan en de NAVO presentie in de Baltische Staten, wordt door respectievelijk China en Rusland ten onrechte gezien als een bedreiging van hun veiligheid, aldus het Westen. Die is immers puur defensief.

Deze manier van handelen maakt dat Rusland wel wordt veroordeeld voor de inval in Oekraïne maar dat er, behalve het Westen, weinig landen zijn die Rusland sancties opleggen. Veel van die landen vinden terecht dat een ander land binnenvallen ‘not done’ is, maar kunnen zich nog maar al te goed herinneren dat het de Verenigde Staten, de Britten of Fransen met veel wapengekletter ‘op bezoek’ kwamen. Deze opportunistische manier van opereren, deze plank voor de kop van het Westen, maakt dat het Westen de wereld verliest.

Uitgelicht

Wat wil het volk?

“Democratische instituties versterken vaak de spanningen, omdat democratie altijd een zoektocht naar een meerderheid is.” Die zin uit een interview in de Volkskrant met Yascha Mounk liet mij niet los. Als dit het resultaat is van onze democratie, dan gaat er iets niet goed. Democratie zou toch juist die spanningen moeten wegnemen. Daarover straks meer. Eerst het betoog van Mounk.

Volgens Mounk zitten de Westerse samenlevingen in een groot experiment van de multi-etnische samenleving: “De situatie waarin we ons bevinden is nieuw: nog nooit woonden er zo veel immigranten in Europa en Noord-Amerika. Etnisch homogene landen zijn veranderd in multi-etnische democratieën waarin verschillende bevolkingsgroepen een manier van samenleven moeten vinden.” En nee, dit is: “niet het resultaat van een complot door een kwaadwillende elite, maar het onbedoelde gevolg van een reeks politieke, economische en humanitaire beslissingen.”  Volgens Mounk dreigt onze samenleving verscheurd te worden door nationalistisch rechts en de nadruk die een groot deel van de linkse politici leggen op identiteit: “Het doel is om te leren dat identiteit een van de belangrijkste aspecten van hun persoonlijkheid is. De bedoeling is ook om minderheden te stimuleren voor hun belangen en rechten te vechten. En de witte leerlingen moeten tot overtuigde antiracisten worden gemaakt. Maar wat we weten uit de psychologie: als je een sterke groepsidentiteit aanneemt, vecht je voor je eigen belangen en sluit je buitenstaanders uit.”  In Mounks analyse kan ik mij vinden. Ze komt overeen met wat ik in een eerdere Prikker schreef. Volgens Mounk hoeven we echter niet de somberen over de toekomst: “Een van de bronnen van mijn optimisme is de ontwikkeling van de samenleving. Die staat er veel beter voor dan de pessimisten van rechts of links willen doen geloven.   … In de meeste Europese landen wordt burgerschap niet meer gedefinieerd op de etnisch homogene manier van veertig jaar geleden. Veel Europeanen geloven dat immigranten volwaardige burgers kunnen worden.” Dat geeft hoop. Maar nu terug naar de zin waarmee ik begon en die mij niet losliet.

Democratische instituties die spanningen versterken omdat er een eeuwige zoektocht naar meerderheden is. Op het moment dat ik dit schrijf is die zoektocht gaande in Frankrijk. Daar kiest men een nieuwe president. Met het kiezen van die president wordt op vele terreinen de meerderheid voor de komende vijf jaar bepaald. En dan baart het zorgen als je, zoals Frank Kalshoven ook in de Volkskrant, schrijft dat Frankrijk een president krijgt die het volk niet wil: “Geen van beide kandidaten, de zittende president Emmanuel Macron noch uitdager Marie Le Pen, verovert de hoofden en harten van de Fransen.” Het Nederlandse systeem zit iets anders in elkaar, maar ook hier bepalen verkiezingen voor een zeer groot deel de ‘meerderheid’ voor een periode van vier jaar. En ook hier zitten we opgescheept met, om Kalshoven te parafraseren, een ‘meerderheid die het volk niet wilde.’ Die ‘niet gewilde meerderheid’ zorgt voor de spanningen die Mounk . Of zoals Kalshoven het omschrijft: “tot chagrijn, teleurstelling, woede. En onverschilligheid.”

De democratie afschaffen dan maar? Nou dat lijkt mij geen goede zaak. Om Churchill aan te halen: “Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.” Ook dictaturen, absoluut of verlicht, of een aristocratisch geregeerde landen zijn niet vrij van chagrijn, teleurstelling, woede en onverschilligheid. Een democratie heeft op de andere regeringsvormen voor dat er een andere manier is dan een opstand of revolutie om tot nieuwe leiders te komen.

Afschaffen valt daarmee af. Verbeteren dan maar. De noodzaak is er, zo betoogt Marc Chavannes bij De Correspondent: “Een opwarmende aarde (ja, nu), oorlog in Oekraïne (ja, die kan lang duren en overslaan naar NAVO-landen), een energiecrisis, woon- en leefarmoede, de ondemocratische uitholling van de Europese Unie en de Verenigde Staten …. Zo’n kruispunt van crises vraagt om overzicht en leiding, weloverwogen daadkracht, gestimuleerd en begrensd door een goed functionerend parlement. Juist in een wereld waarin autocratie om zich heen grijpt en democratie – ook van binnenuit – geloofwaardigheid verliest, is het van levensbelang de democratische rechtsstaat gezond en veerkrachtig te houden.” Daarom pleit hij voor het versterken en zoekt daarbij aansluiting bij het Rapport van de Staatscommissie parlementair stelsel (in de volksmond de commissie Remkes) die vorig jaar haar onderzoek presenteerde. De Staatscommissie beveelt van alles aan: het kiesstelsel aanpassen zodat er meer op een persoon wordt gestemd, een bindend correctief referendum, een gekozen formateur, het invoeren van een Constitutioneel Hof. Ik vraag me af of deze voorstellen het ‘spanningsprobleem’ oplossen.

Wat we via verkiezingen doen, is het kiezen van vertegenwoordigers die namens ons gaan besluiten. We delegeren onze bevoegdheden aan hen waarvan we denken dat ze het beste onze belangen en opvattingen vertegenwoordigen en ernaar handelen. Nu vul ik voor verkiezingen geregeld een of meer van die ‘kieswijzers’ in. Niet dat ik mijn stem daardoor laat bepalen. De uitslag ervan is een lijstje met percentages die aangeven hoeveel procent van je antwoorden overeenkomen met de standpunten van de betreffende partijen. Het komt bij mij zelden voor dat een partij meer dan 60% haalt. Dat betekent dat een partij me in zo’n 40% van de gevallen in meer of mindere mate teleurstelt. Ik verwacht dat mijn ervaringen hierin niet zoveel verschillen van de gemiddelde mens.

Wat zien we als we hiermee naar de Franse presidentsverkiezingen kijken? In de eerste ronde dongen er meerdere kandidaten mee waarvan de twee de meeste stemmen kregen, Macron iets meer dan 25% en Le Pen iets minder dan 25%. Deze kiezers kunnen zich in een meerderheid, als ze met mij te vergelijken zijn zo’n 60%, van de standpunten van de beide kandidaten vinden. Vandaag gaat de race tussen deze beiden waarbij de keuze van die andere 50% de doorslag moet geven. Die 50% kiezers, moet kiezen voor een kandidaat die niet hun voorkeur heeft en in wiens standpunten ze zich in veel mindere mate zullen herkennen. In Nederland werkt het min of meer hetzelfde. We stemmen op een partij waar we ons het meest in herkennen. In de tweede ronde, de ronde waarin wij als kiezers buitenspel staan en die de formatie heet, worden uiteindelijke de belangrijke besluiten genomen. Als de partij van je keuze deelneemt, dan is dit het moment dat je herkenning in het uiteindelijke beleid achteruit holt. Om deel te nemen moeten er immers compromissen worden gesloten en/of zaken worden uitgeruild. De herkenning wordt hierdoor geringer en is het geringst voor de verliezers, in Frankrijk de stemmers op de verliezende kandidaat en in Nederland de stemmers op de partijen die buiten de regering vallen. Het belangrijkste instituut van de democratie, de verkiezingen, versterken de spanningen.

Zou het verminderen van die spanning dan ook niet daar moeten beginnen? En nee, niet door verkiezingen te vervangen door gelote landelijke burgerberaden die met belangrijke onderwerpen, zoals de klimaatcrisis, aan de slag gaan, waar Eva Rovers voor pleit. Een club van bijvoorbeeld 150 gelote burgers die voorstellen uitwerken die vervolgens aan de gekozen volksvertegenwoordiging worden voorgelegd. Nee, beginnen door de vertegenwoordiger er tussenuit te halen. Door als burger zelf de belangrijke besluiten te nemen en wetten vast te stellen. Door onze democratie door te ontwikkelen van een vertegenwoordigende naar een directe. En nee, geen directe democratie via referenda maar door samen het gesprek aan te gaan en samen naar oplossingen te zoeken. In een directe democratie: “voters don’t need the approval of others in order to cast their own votes, nor are they obliged to agree with others on a long list of issues in order to have an impact. If you want to be tough on crime but don’t include drug possession in that, that’s up to you,[1]aldus Roslyn Fuller terecht schrijft in haar boek In defence of democracy.

Ook in een directe democratie zal het gebeuren dat ik me niet kan vinden in hetgeen er is besloten. Ik heb er wel altijd invloed op kunnen uitoefenen. Via die directe democratie blijven we met elkaar in gesprek. Zou dat in gesprek blijven er niet voor zorgen dat we die nieuwe manier van samenleven vinden waar we volgens Mounk naar op zoek moeten?


[1] Roslyn Fuller, In defence of democracy, pagina 211

Uitgelicht

Bomber Harris

Op de site Joop een interessante bijdrage van historicus Han van der Horst met als titel In Oekraïne vindt nu geen genocide plaats. Dat er ook anders over wordt gedacht, laat de Amerikaanse president Biden zien die Rusland er van beticht genocide te plegen. “Russische soldaten plunderen, vernielen, verkrachten en moorden. Ook doen de strijdkrachten van Poetin weinig moeite de burgerbevolking te ontzien,” zo schrijft Van der Horst, maar: “Genocide betekent het systematisch uitroeien van grote groepen mensen vanwege hun etnische afstamming of hun levensbeschouwelijke overtuigingen terwijl mogelijke overlevenden van huis en haard worden verdreven.” Daarvan is geen sprake, aldus Van der Horst want Oekraïners: “worden niet om hun afkomst ten dode vervolgd.” En door het begrip oneigenlijk te gebruiken: “hol je een belangrijk begrip inhoudelijk uit. Je reduceert het tot een term die te pas en te onpas wordt gebruikt om de vijand verder te demoniseren. Je brengt het terug tot een scheldwoord.” Bij het lezen van zijn artikel moest ik denken aan ‘Bomber Harris’.

‘Bomber Harris’ was de bijnaam van de Brit Arthur Travers Harris. Harris werd geboren in 1892 in Cheltenham en overleed in 1984. Op zijn zestiende trok hij naar de Britse kolonie Rhodesië, het huidige Zimbabwe. Daar was hij nog steeds toen enkele jaren later de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Harris nam dienst in het First Rhodesian Regiment en nam deel aan de verovering van Duits Zuidwest Afrika, het tegenwoordige Namibië. In 1915 ging hij terug naar het moederland en ging in dienst bij het Royal Flying Corps. Na de oorlog bleef hij actief bij wat inmiddels de Royal Air Force heette en door de jaren heen klom hij op in de rangen van de RAF. Uiteindelijk kreeg hij in 1942 het bevel over ‘Bomber Command’, de hoogste post bij de Britse luchtmacht. Ik moest aan Harris denken door de volgende zin in het artikel van Van der Horst: “Er zijn redenen om de  geallieerde bombardementen op Duitse steden tijdens de Tweede Wereldoorlog als oorlogsmisdaad aan te merken maar genocide was het niet.”

Dresden na het bombardement. Bron: Wikipedia

Harris was namelijk verantwoordelijk voor het uitvoeren van de Area Bombing Directive en dus voor die bombardementen op de Duitse steden. Met de Area Bombing Directive van 1942 gaf de Britse regering haar luchtstrijdkrachten de opdracht om door middel van bombardementen de industrie, haar arbeiders en het moraal van de Duitse bevolking te vernietigen door de Duitse steden en haar inwoners te bombarderen. Aan het breken van het moraal van de Duitsers droegen de bombardementen niet zoveel bij. Dat nam eerder toe dan af. Dat hadden de Britten kunnen weten want de Duitse bombardementen op Engelse steden in het begin van de oorlog hadden het Engelse moraal juist een boost gegeven.

Waar ze wel aan bijdroegen was aan de vernietiging van steden en het aantal oorlogsslachtoffers. Vooral de bombardementen op de steden Keulen (30 en 31 mei 1942), Hamburg (24 juli-3 augustus 1943) en Dresden (13 en 14 februari 1944) waren bijzonder vernietigend. Harris ontwikkelde de techniek van het tapijtbombardement. Een techniek waarbij er een vuurstorm ontstaat. Die techniek bestond eruit dat de eerste stroom bommenwerpers luchtmijnen uitwierpen. Deze zorgden ervoor dat de daken, ramen en deuren werden vernietigd. De volgende stroom bommenwerpers gooiden brandbommen en brisantgranaten die de hele zaak in brand zetten. Die brand moest leiden tot een vuurstorm waarbij de temperatuur kon oplopen tot 800 graden Celsius en de wind snelheden bereikte van zo’n 240 kilometer per uur. Een brand die zo intens is dat zuurstof uit schuilkelders werd gezogen en rook erin waardoor je nergens veilig was. Daarnaast werden er bommen met een tijdsontsteking afgeworpen. Bommen die niet ontploft leken maar dat op een later moment alsnog zouden doen. Deze bommen bemoeilijkten het reddingswerk omdat men niet wist wanneer ze zouden ontploffen. In totaal stierven er in Hamburg en Keulen zo’n 42.000 mensen en in Dresden vielen 25.000 doden.

Alleen het bombardement op Dresden leidde na de oorlog tot enige ongerustheid bij de Bitse regering. Er gingen stemmen op dat er hier sprake was van een oorlogsmisdaad. Hier ontbraken de fabrieken die in de andere gebombardeerde steden wel in meer of mindere mate aanwezig waren. Bovendien zat de stad vol met vluchtelingen die uit het oosten van het voormalige Duitse rijk waren gevlucht. Die ongerustheid weerhield de Britse regering er niet van om Harris de hoogste rang bij de RAF te geven, Marshall of the Royal Air Force. Ook de andere bombardementen zou je als oorlogsmisdrijf kunnen betitelen. Hierbij moet de proportionaliteit van de 42.000 vooral burgerslachtoffers worden afgewogen tegen de militaire doelen. Een lastige afweging. Dresden maakte echter geen einde aan grootschalige bombardementen van steden in oorlogssituaties. Zo bombardeerden de Amerikanen in 1972 de Noord-Vietnamese stad Hanoi en werden Mosul en Aleppo recentelijk bijna met de grond gelijk gemaakt. Een lot dat nu in het verschiet ligt voor de Oekraïense stad Marioepol.

Tegenwoordig is die vuurstorm geperfectioneerd in één wapen, de vacuümbom is: “een tweetrapswapen en bevat twee explosieve ladingen. In de eerste fase, bij de inslag, verspreidt de bom een fijne nevel (gaswolk) van licht ontvlambare aerosolen bestaande uit nano-thermiet, een mengsel van metaalpoeder en fijn verdeeld metaaloxide. Die nevel verspreidt zich razendsnel rondom hindernissen en dringt overal binnen. Een fractie van een seconde later detoneert een tweede lading … waardoor een gigantische vuurbal, met temperaturen tot 3.000 graden Celsius en een langdurige drukgolf ontstaat,” aldus de uitleg op Wikipedia. De Britten en Amerikanen hebben deze bommen in Afghanistan ingezet, de laatste keer in 2017 onder president Trump. De Amerikaanse draagt de naam Massive Air Blast Bomb en in populaire benaming Mother Of All Bombs. Naast deze beide landen, heeft ook het Russische leger dit soort bommen in haar arsenaal. Of eigenlijk twee waarvan er eentje de ‘Vader van alle Bommen’ wordt genoemd. Naar het schijnt heeft het land ze ingezet in Oekraïne en dat is, zo zeggen deskundigen, een schending van het oorlogsrecht: “Volgens het oorlogsrecht mag geweld alleen worden gebruikt tegen noodzakelijke militaire doelwitten en met proportionele inzet van strijdkrachten. … Dat is absoluut niet het geval als je zo’n vacuümbom of klustermunitie gebruikt. Het probleem is dan dat iedereen in de buurt ook sterft.” Nu moet ik de eerste granaat of kogel nog tegenkomen die onderscheid maakt tussen een soldaat en een burger. Eenmaal afgevuurd volgt het projectiel een baan en als er iets in die baan staat, dan wordt dat geraakt en voor grotere bommen ook voor wie er in de buurt staat.

Daarmee kom ik terug bij Van der Horst zijn zorgen over het gebruik van woorden. In een oorlog zie je dat de daden van de ander meestal worden beschreven met woorden als: oorlogsmisdaad, genocide, misdaad tegen de menselijkheid, schending van oorlogsrecht, onrechtmatig, onschuldige burgerslachtoffers, barbaars en laffe aanvallen op steden en dorpen en de tegenstanders en hun leiders worden met woorden ontmenselijkt. Voor de eigen daden worden andere woorden gebruikt. De eigen partij is rechtvaardig en gerechtigd tot bepaalde acties. De burgerslachtoffers heten collateral damage of nevenschade en die kunnen het gevolg zijn van vergissingen. In de meest extreme variant kan dit leiden tot redenaties als: ‘it became necessary to destroy the town to save it’. Of zoals de Amerikaanse piloot James K. Gibson in de Vietnamoorlog het voor wat betreft het bombardement op dat stadje dat vernietigd moest worden om het te redden, formuleerde: “The way we selected these targets was determined by the VC. They chose the battleground and we really had no choice where we put the target.” De eigen soldaten en leiders worden heroïsche kwaliteiten toegedicht.

Met welke woorden je dat omschrijft en welk moreel oordeel je eraan verbindt, wordt dus bepaald door je positie in het conflict. Voor een objectieve waarnemer verschilt Marioepol niet zoveel van Ben Tré, het stadje dat vernietigd moest worden om het te redden en trouwens ook niet van Mosul, Aleppo, Keulen, Hamburg en Dresden. Dergelijke gebeurtenissen zijn eigen aan de logica van een oorlog. Een schone oorlog bestaat niet, iedere oorlog, welke partijen er ook bij betrokken zijn, is smerig. Voor degene die in de baan van die kogel of granaat staat, maken de woorden waarmee de ‘afvuurder’ zich rechtvaardigt, niet uit. Voor het gevoel en het resultaat van die kogel of granaat op die persoon maakt het niet uit af het projectiel afgeschoten wordt ‘om democratie te brengen’ of dat het door een dictator wordt afgevuurd.

Uitgelicht

Perspectieven

“Ik zou ze willen aanraden: kijk ook naar het ­Oekraïense perspectief. Dan heeft Merkel in relatie tot Poetin waarschijnlijk meer kwaad dan goed gedaan.” Met deze woorden eindigt Arie Elshout zijn column in de Volkskrant. Elshout bespreekt de rol die Merkel heeft gespeeld in het ontstaan van de huidige oorlog in Oekraïne. Volgens een deel van de ‘meningenmensen’ in de wereld was de Duitse politiek ten aanzien van Rusland onder Merkel niet krachtig genoeg: “Merkel liet de strijdkrachten versloffen, deed niets tegen de afhankelijkheid van Russisch gas, bleef ook na de Russische inlijving van de Krim in 2014 balanceren tussen sancties tegen en samenwerking met Poetin en koos voor de totale dialoog.” Met de kennis van nu, is daar wat voor te zeggen.

Legendarische foto van het plaatsen van de Amerikaanse vlag op het hoogste punt van het eiland Iwo Jima. Bron: Flickr

“De wereldkaart volgens China.” Zo luidt de titel van een aflevering van het VPRO-programma Tegenlicht. “De komende twintig jaar zal het zwaartepunt van de wereldeconomie verschuiven naar de Indo-Pacific regio, de landen rond de Indische en Stille Oceaan. Hoe ziet de wereld eruit als China straks de economische wereldleider is?” Zo wordt de uitzending ingeleid. De uitzending opent met een beeld geschetst door de Nederlandse journalist Maarten Schinkel: “Stel je voor je bent het Chinese staatshoofd. Je staat op het strand van China. Je kijkt de oceaan op. Wat zie je dan? Dan zie je een heel benauwend beeld. Recht tegenover je zie je Taiwan. Je ziet de Filipijnen daar. Je ziet Japan daar. Je ziet eigenlijk gewoon een soort cordon om je heen. Een omstrengeling eigenlijk. Het is voornamelijk psychologie. Wij zijn een wereldmacht maar moet je kijken aan alle kanten zijn we gewoon ingesnoerd. Dat is eigenlijk vergelijkbaar met hoe het Russische staatshoofd naar het Westen kijkt. Die ziet ook een soort omsingeling.” Zeker als je naar militaire presentie van je grote tegenstrever kijkt.

In de Volkskrant een interview met Robert Kaplan. “Kaplan (New York, 1952) reisde in zijn meer dan 45 jaar omspannende carrière de hele wereld rond, waarbij hij meer dan twintig boeken schreef, meestal geopolitieke analyses over gebieden die op barsten stonden. Beroemd is bijvoorbeeld het boek Balkanschimmen uit 1993, waarin hij voorspelde dat het voormalige Joegoslavië een tijd van burgeroorlogen tegemoet zou gaan.” Zo introduceert de krant Kaplan. Een interessant interview omdat Kaplan niet denkt in karikaturen. Zo is het nu bijna algemeen aanvaard dat Poetin al vanaf de start van zijn presidentschap een plan heeft om Rusland weer groot te maken en dat uitwerkt. Kaplan ziet dat anders: “In het vroege begin was hij nog een soort hervormer, inmiddels is hij vooral een voorvechter van een soort mystiek Russisch nationalisme. Daarom kun je niet zeggen dat politici die dit niet zagen aankomen, tekort zijn geschoten.” Toch slaat hij op één punt de plank mis. Kaplan: “Zijn uiteindelijke doel was altijd om verdeeldheid binnen het Westen te zaaien. Dat ging lange tijd erg goed, maar op het moment dat hij Oekraïne binnenviel, werd hij in een klap een militair gevaar, met als gevolg dat alle Navolanden zich weer herinneren waarom het instituut in 1949 werd opgericht: de wereld verdedigen tegen Rusland.” Op dat laatste punt gaat hij de fout in. Daarmee kom ik bij het perspectief van Schinkel.

Voor het waarom van de NAVO moeten we terug naar het einde van de Tweede Wereldoorlog. Nazi-Duitsland, de gezamenlijke vijand, was bijna verslagen. Dat kon nog niet worden gezegd van de strijd tegen Japan. Ja, dat land zat in het defensief maar het verdedigde zich fel. Op 29 februari 1945 landden de Amerikanen voor het eerst op Japanse bodem, op het eiland Iwo Jima, een klein eiland van 7 bij maximaal 3 kilometer midden in de Pacific op zo’n 1250 kilometer van Tokyo. De Amerikanen vielen met 70.000 man het eiland binnen alwaar zich 22.000 Japanse soldaten bevonden. Op 26 maart toen alle Japanners op 200 na dood waren, werd het eiland veilig verklaard. Hierbij sneuvelden 7.000 Amerikanen en raakten er 19.000 gewond. Op dezelfde 26ste maart landden de Amerikanen op Okinawa, een veel groter eiland maar nog steeds ver in de Grote Oceaan  zo’n 600 kilometer verwijderd van de Japanse hoofdeilanden. Hier duurden de gevechten tot de 23ste juni. Het eiland werd verdedigd door zo’n 130.000 Japanners waarvan er 110.000 sneuvelden. Van de bijna 550.000 Amerikanen die deelnamen aan de slag om het eiland sneuvelden er 12.500 en raakten er 71.000 gewond. De Japanners vochten zich letterlijk dood.

Na de conferentie van Jalta in februari 1945 kwamen de grote drie, Stalin, Truman, de nieuwe Amerikaanse president die de inmiddels overleden Roosevelt was opgevolgd en Churchill die nog tijdens de conferentie werd vervangen door Labourleider Attlee omdat Churchill de verkiezingen had verloren, in Potsdam bijeen. De drie landen zaten met verschillende belangen aan tafel. Stalin wilde de winst verzilveren en de na de Eerste Wereldoorlog verloren gebieden toevoegen aan de Sovjet Unie en daarvoor een buffer van hem vriendelijk gezinde staten. De grootste tegenstand kwam hierbij van Churchill maar die verdween zoals we zagen. Truman had een ander belang en dat was een Russische aanval op de Japanse troepen in het Oosten van Azië. De ‘sterren’ stonden hierdoor gunstig voor Stalin. Die kreeg de verloren gebieden terug en hem werd geen strobreed in de weggelegd bij het vormen van hem vriendelijke communistische regeringen in de door hem bevrijde of veroverde landen. Bevrijd of veroverd afhankelijk van het gezichtspunt van waaruit je kijkt. In Potsdam werden de scheuren in het bondgenootschap die zich al in Jalta openbaarden, groter. De oude bondgenoten kwamen hierdoor vijandig tegenover elkaar te staan. In 1946 beschreef Churchill de situatie in een toespraak die hij in het  Westminster College in Fulton gaf:“ From Stettin in the Baltic, to Trieste in the Adriatic, an iron curtain has descended across the continent.” Churchill formuleerde hierop het volgende antwoord: “The safety of the world, ladies and gentlemen, requires a new unity in Europe from which no nation should be permanently outcast.”

De NAVO is een antwoord op die gewenste ‘unity in Europe’ om de Sovjet Unie, die ideologische vijand, buiten de deur te houden. Doel van die Europese samenwerking was om de Britten ‘in’ de Sovjets ‘out’ en de Duitsers ‘down’ te houden. De Britten de Fransen en de Benelux-landen startten in 1947 gesprekken over meer economische en militaire samenwerking, dit resulteerde in het Pact van Brussel. De vijf zochten hierbij ook toenadering tot de Verenigde Staten. Nu waren de VS tot die tijd niet erg happig op het sluiten van verdragen met andere landen. Het land had een lange isolationistische traditie. Er was echter wat veranderd. President Truman had in 1947 zijn befaamde containment-doctrine geformuleerd waarin het communisme als vijand was bestempeld die ingedamd moest worden. Om dit te bereiken zou het land in het vervolg economische en militaire steun verlenen aan niet-communistische landen als die bedreigd werden door de Sovjet Unie. Zo werd in 1949 de NAVO geboren.

De Britten waren een van de ondertekenaars, dus die waren ‘in’. Om de Sovjets ‘out’ te houden werd artikel 5 in het verdrag opgenomen: “De Partijen komen overeen, dat een gewapende aanval tegen een of meer van haar in Europa of Noord-Amerika als een aanval tegen haar allen zal worden beschouwd; zij komen bijgevolg overeen, dat, indien zulk een gewapende aanval plaats vindt, ieder van haar de aldus aangevallen Partij of Partijen zal bijstaan, in de uitoefening van het recht tot individuele of collectieve zelfverdediging erkend in Artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties, door terstond, individueel en in samenwerking met de andere Partijen, op te treden op de wijze, die zij nodig oordeelt — met inbegrip van het gebruik van gewapende macht — om de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied te herstellen en te handhaven.”  Om de Duitsers ‘down’ te houden werd artikel 2 opgenomen: “De Partijen zullen bijdragen tot een verdere ontwikkeling van vreedzame en vriendschappelijke internationale betrekkingen door haar vrije instellingen te versterken, door een beter begrip te wekken voor de grondslagen waarop deze instellingen berusten en door stabiliteit en welvaart te bevorderen. Zij zullen trachten tegenstellingen in haar internationale economische politiek uit de weg te ruimen en zij zullen economische samenwerking aanmoedigen tussen enige of alle Partijen.” Het werkgebied van de organisatie werd in de aanhef bepaald: “Zij zullen zich beijveren de stabiliteit en de welvaart in het Noord-Atlantisch gebied te bevorderen.” Dus niet de ‘wereld te verdedigen’ maar de deelnemende landen tegen de Sovjetdreiging.

Het ijzeren gordijn: de Duits -Duitse grens. Bron: WikimediaCommons

Die ideologische vijand, de Sovjet Unie, viel in 1991 met donderend geraas uiteen en er ontstonden 15 nieuwe landen, precies zoveel republieken als die Unie had. Dit nadat de bedreigende communistische ideologie al eerder min of meer was afgezworen en Churchills ‘iron curtain’ al was geopend. Met het ‘openen’ van het ijzeren gordijn, het instorten van het communisme en het wegvallen van de Sovjet Unie viel de reden waarom de NAVO was opgericht weg. Er was geen ideologische tegenstander meer dus de organisatie zou zich kunnen opheffen. Dat gebeurde niet omdat ook hier de ‘wet van de verdubbeling van doelen’ geldt. Die wet luidt als volgt. ‘We willen een doel bereiken. Om dat doel te bereiken, richten we een organisatie op. Dan is er naast het doel waarvoor de organisatie is opgericht ineens ook het doel van de organisatie en de mensen die ervoor werken.’ Met het wegvallen van de Sovjet Unie resteerde alleen het organisatiedoel van de NAVO: het voorbestaan van de organisatie. Om dat doel veilig te stellen, moest de organisatie op zoek naar een ‘nieuwe vijand’. Dat werd Rusland, de grootste republiek die uit de voormalige Sovjet Unie voortkwam. Om die vijand als een geloofwaardige vijand voor te stellen, moeten er tegenstellingen worden gecreëerd en moest de vijandschap worden opgepookt. Het steeds naar het Oosten uitbreiden van de NAVO zou je kunnen zien als het ‘oppoken’ van vijandschap. Hoe zou dat oppoken eruit hebben kunnen zien?

In 2008 vergaderde de NAVO in Boekarest. Op de agenda stond onder andere het toekennen van een Membership Action Plan(MAP) aan Oekraïne en Georgië. Besloten werd om: “Oekraïne en Georgië vooralsnog geen MAP (te verlenen), waarbij tegelijkertijd het open deur-beleid is ingekleurd in de zin dat beide landen te gelegener tijd lid van het Bondgenootschap zullen worden,” aldus de brief waarmee de Nederlandse regering het parlement informeerde. Op dat moment was al bekend dat Rusland de uitbreiding van de NAVO niet zomaar zou slikken. Dat hadden de Russen drie keer eerder wel gedaan omdat het aan mogelijkheden ontbrak om er iets tegen te doen. Een eerste keer toen het accepteerde dat het verenigde Duitsland lid werd, een tweede keer in 1999 toen het slikte dat voormalig Warschaupact landen Tsjechië, Hongarije en Polen toetraden en in 2005 bij de toetreding van Bulgarije, Roemenië, Slovenië, Slowakije en de drie Baltische landen die tot de voormalige Sovjet Unie behoorden. De Russen gaven al bij de eenwording van Duitsland aan dat uitbreiding van de NAVO door hen als een bedreiging werd gezien. “Opnieuw een slag voor Bush en een doorn in het oog van Rusland.” zo omschreef de Belgische site MO in het NAVO besluit in een artikel uit 2008. Een artikel waarin het flinke problemen voorzag: “De NAVO maakt hiermee een hoop delicate interne problemen tot zijn eigen problemen. Oekraïne is een verdeeld land en een meerderheid van de bevolking is tegen NAVO-lidmaatschap. Georgië is eigenlijk een tweede Joegoslavië, al zijn de conflicten niet tot even bloedige hoogtepunten geëscaleerd. Na het uiteenvallen van de Sovjetunie leidde Georgisch nationalisme tot conflicten met interne minderheden voor wie Georgië tot dan toe louter een administratieve eenheid binnen de Sovjet Unie was geweest. Een snel NAVO-lidmaatschap voordat deze interne problemen opgelost zijn, leidt tot verdere polarisatie.” Het bloedige hoogtepunt in Georgië liet niet lang op zich wachten in augustus 2008. Het conflict tussen de Georgische regering en de opstandige regio’s Abchazië en Zuid-Ossetië escaleerde en Rusland schoot de beide regio’s te hulp. In Oekraïne duurde het wat langer totdat het conflict uitbarstte, dat gebeurde in 2014.

Maar, zo zal menigeen tegenwerpen, het is toch aan een land zelf of het lid wil worden? Dat ligt net iets anders. Artikel 10 van het NAVO-verdrag stelt het volgende: “De Partijen kunnen eenstemmig elke andere Europese Staat, welke de verwezenlijking van de beginselen van dit Verdrag kan bevorderen en kan bijdragen tot de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden.” Het initiatief om lid te mogen worden van de NAVO ligt daarmee bij de NAVO en/of haar leden, niet bij landen die er graag bij willen horen. Nu dachten de NAVO-landen in 2008 verschillend over het potentiële lidmaatschap van Oekraïne en Georgië. Er waren landen, waaronder het Duitsland van Merkel, die dezelfde problemen voorzagen als onder andere de Belgische site MO. Er waren ook landen, in Oost Europa maar vooral de Verenigde Staten, die sterk aandrongen op het lidmaatschap van beide landen. Met name onder de Amerikaanse druk nam de NAVO het genoemde besluit. Als Kaplan gelijk heeft dat de Poetin van van twintig jaar geleden een andere was dan de huidige, zou het dan niet kunnen dat de manier waarop Rusland door de NAVO is benaderd, eraan heeft bijgedragen dat Poetin zo is geworden zoals hij nu is? Als je vanuit Oekraïens perspectief hiernaar kijkt, heeft dan NAVO uitbreidingspolitiek onder leiding en druk van de Verenigde Staten, Oekraïne dan niet meer kwaad dan goed gedaan?

Uitgelicht

De luxevalkuil

In zijn boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid spreekt de historicus Yuval Noah Harari over de luxevalkuil. Ik moest hieraan denken tijdens het lezen van het artikel Op naar het tijdperk van negatieve vooruitgang van Thalia Verkade bij De Correspondent. Waarbij ze het boek The Retro Future van de Amerikaan John Michael Greer als denkkader gebruikt. Verkade: “Greer beargumenteert overtuigend dat je de huidige tijd, waarin we vrijwel ongelimiteerd energie gebruiken, heel goed kan zien als een anomalie.  Een uitzonderlijke fase voor de mensheid, tussen het pre-industriële tijdperk en gede-industrialiseerde tijdperk in.”

Colossus. Foto: Wikipedia

Als ik Verkade en Greer goed begrijp, dan moet de huidige tijd een anomalie blijven. “Wat doet Greer? Die vraagt zijn lezer om zich voor te stellen dat we teruggaan naar de jaren vijftig, als een vorm van vrijwillige technologische regressie. Computers waren zeldzaam, vliegen was onbetaalbaar, sommige nare ziekten konden nog niet worden genezen, maar antibiotica waren er wel al en bibliotheken barstten uit hun voegen.” Dit niet om terug te gaan naar die tijd, maar om te begrijpen dat we met minder ook prima kunnen leven. Een interessante vraag met als antwoord: inderdaad kunnen we met minder ook goed leven. Daarvoor hoeven we niet terug naar de jaren vijftig, maar moeten we kiezen welke technologie wel en welke niet: “Technologische regressie. De-industrialisatie. Daarvoor durven kiezen: daar is het Greer om te doen. Niet om de jaren vijftig terug te halen, of het Victoriaanse tijdperk, maar om te durven begrijpen dat we dertig jaar geleden ook prima zonder e-mail en smartphones konden. Dat het idee dat we daar nu niet meer zonder kunnen, een geloof is, en geen gegeven.”

Inderdaad heeft de mensheid het gros van haar tijd op deze planeet geleefd zonder industrie en met een heel laag energie gebruik. Als je die hele bijna 300.000 jarige geschiedenis van de Homo sapiens bekijkt en de nog langere geschiedenis van de andere mensensoorten die onze planeet hebben bevolkt, dan lijkt onze huidige ‘energieslurpende industriële samenleving’ een uitzondering. Maar is onze huidige tijd wel een anomalie?

Wat bestudering van het verleden laat zien, is dat de mens steeds meer energie is gaan gebruiken, steeds naar manieren heeft gezocht om de beschikbare energie efficiënter te gebruiken. En dat is niet iets van de laatste honderd jaar. Het begon al bij Lucy, een van onze verre voorouders. De journalist en cabaretier Tom Phillips (hij studeerde archeologie, antropologie en geschiedenis) beschrijft het in zijn boek De Mens. Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups op een komische wijze het leven van Lucy. “Lang, lang geleden, toen de zon op een dag opging boven de weidse rivierdalen en vlakten van Ethiopië, hing een jonge mensaap wat rond in een boom. Wat ze die dag precies dacht of deed zullen we wel nooit weten. Waarschijnlijk zat ze te bedenken hoe ze iets te eten kon vinden, of een partner, of misschien tuurde ze nieuwsgiering naar de boom ernaast om te kijken of dat een betere boom was. Ze wist hoe dan ook niet dat de gebeurtenissen van die dag haar het beroemdste lid van haar soort zouden maken, en zelfs als je haar dat op een of andere manier kon vertellen, dan nog zou het concept ‘roem’ haar niets zeggen. Ze wist ook niet dat ze in Ethiopië zat, want dit alles gebeurde miljoenen jaren voordat iemand op het lumineuze idee kwam om lijnen op een kaart te tekenen en de aldus ontstane vormen namen te geven waar we oorlog om konden voeren.” Wat die jonge mensaap zo bijzonder maakte, was dat zij en haar soortgenoten iets andere heupen en benen hadden dan andere mensapen. Dit maakte het mogelijk om te lopen. Waarom werd deze mensaap zo beroemd? Phillips vervolgt: “Toen viel ze uit de boom en was op slag dood.”  Dat maakt haar niet speciaal. Het volgende wel: “Pak ‘m beet 3,2 miljoen jaar later zou een andere groep mensapen – deels inmiddels in bezit van een doctorstitel – haar gefossiliseerde botten opgraven. Omdat het in de jaren zestig gebeurde en ze op dat een moment luisterden naar een populair liedje van een tamelijk stonede groep Liverpoolers, besloten ze haar Lucy te noemen. Ze was een gloednieuw soort – de soort die we nu Australopithecus afarensis noemen  – en ze werd ingehaald als de ‘missing link’ tussen mensen en apen.[1]Nou ja gloednieuw. De soort was al miljoenen jaren geleden uitgestorven, ze was wel ‘nieuw’ in de keten van de menselijke soorten waarvan er tot dan toe resten waren gevonden.

Bron: Flickr

Nu zal je je afvragen wat dit met energie en het efficiënter gebruiken ervan te maken heeft. Er waren nog een paar miljoen jaar evolutie nodig om die heupen, benen en de rest van het lichaam zo ‘aan te passen’ voor we ons ‘hemerodromen’ konden noemen. Een woord dat Madeleine Böhme en haar coauteurs gebruiken in hun boek Hoe wij mensen werden. Een geheel nieuwe kijk op de oorsprong van de mens. Een woord waarmee zij uitlegt wat dit met energie te maken heeft. ““Hemerodromen of ‘daglopers’ heetten in het klassieke Griekenland de ijlbodes die in enkele uren grote afstanden konden afleggen om belangrijke berichten over te brengen. De beroemdste ijlbode was Pheidippides. Om hulp te vragen voor de op handen zijnde slag tegen de Perzen bij Marathon stuurde veldheer Miltiades hem in 490 v. Chr. van Athene naar Sparta. Volgens de overlevering legde Pheidippides de 246 kilometer lange afstand in nog geen twee dagen af – een bijna ongelofelijke prestatie. Waarom werd er geen paard gestuurd?[2]Een interessante vraag: waarom geen bode te paard gestuurd? Een paard rent veel sneller.  Gelukkig geven ze ook het antwoord op deze vraag. De mens is de meest efficiënte duurloper op deze aardbol. Pheidippides liep 246 kilometer in twee dagen door bergachtig terrein. Topatleten leggen tegenwoordig nog grotere afstanden af dan Pheidippedes: “Simpel gezegd is hardlopen een soort voortdurend naar voren vallen en het lichaam steeds weer opvangen. De vorm van rennen met hogere snelheid is verrassend energetisch efficiënter dan het pendelsysteem van gewoon lopen.[3]Een voorbeeld van efficiënter energiegebruik. Dit maakte onze voorouders tot succesvolle jagers en maakte het mogelijk dat ze zich over de Aarde verspreidden en in omvang groeiden.

Dan La Guerre du Fue. De titel van een Frans-Canadese film uit 1981 in het Engels vertaald als Quest for fire. In de film heeft een stam cro-magnon mensen een kleine vlam die ze altijd brandend moeten houden. Dooft de vlam, dan hebben ze geen vuur meer omdat ze niet weten hoe ze vuur moeten maken. Als het vuur toch dooft, moeten ze eropuit om vuur bij een andere stam te stelen. De film speelt zich zo’n 80.000 geleden af zo tegen het einde van het midden paleolithicum (3000.000 tot 35.000 jaar geleden). Een periode dat meerdere mensensoorten de aarde bewoonden. Op het belangrijkste punt gaat de film echter mank. “Een internationaal gezelschap van onderzoekers ontdekte achter in de grot – ongeveer dertig meter van de ingang en twee meter onder de bodem – talrijke overblijfselen van verschroeide botten en plantenresten, direct naast vuistbijlen en andere vroeg-menselijke werktuigen die van de vertegenwoordigers van de Homo eregaster afkomstig zouden kunnen zijn. Uit de ligging van de vondsten en de structuur van de achtergebleven asresten konden de archeologen aflezen dat het vuur in de grot niet door een bosbrand was veroorzaakt, maar aangestoken werd. Uit de dikte van de aslaag bleek bovendien dat er steeds opnieuw op dezelfde plek vuur werd gemaakt.[4] Een passage uit Hoe wij mensen werden van Madelaine Böhme, Rúdiger Braun en Florian Beier. Nu leefde Homo eregaster in het vroege Pleistoceen, tussen de 1,9 en 1,4 miljoen jaar geleden. Dus die stammen uit La Guerre du Feu hebben nooit ‘gezocht’ noch ‘gevochten’ om vuur. Ze konden het zelf maken, die innovatie hadden ze te danken aan die Homo eregaster. Met dat onder de knie krijgen van het vuur maken, zijn we aanbeland bij wellicht de belangrijkste innovaties uit de geschiedenis van de mensheid. Vuur geeft energie. Zonder deze innovatie zouden wij, de Homo sapiens waarschijnlijk niet hebben bestaan. Die innovatie was cruciaal voor de ontwikkeling van de mens. Cruciaal omdat beheersing van het vuur de mens bescherming bood in de nacht. Vuur houdt immers dieren op afstand.

Belangrijker echter, vuur zorgde ervoor dat onze verre voorouders gingen koken. “Gegaard voedsel is (…) beter en sneller te verteren en heeft meer voedingswaarde. Daardoor valt er meer energie te halen uit een portie eten. Uit zetmeel houdende voedingsmiddelen als granen en aardappelen komt door koken dertig tot vijftig procent meer energie ter beschikking en uit eieren meer dan veertig procent extra bruikbaar eiwit.”[5] Want toen de mens het koken van voedsel onder de knie had, veranderde er wat in zijn biologie: “De verkleining van de gebitselementen, de aanwijzingen voor een verbeterde beschikbaarheid van energie, de aanwijzingen voor een korter spijsverteringskanaal en het vermogen om nieuwe milieus te exploiteren ondersteunen de gedachte dat het bereiden van voedsel beslissend was voor de evolutie van Homo erectus. En, als we iets verder vooruit kijken, ook voor het ontstaan van het grote hersenvolume van de moderne mens. De grote, complexe menselijke hersenen hebben zoveel energie nodig dat het lichaam daarvoor meer dan twintig procent van de dagelijkse energiebehoefte en zestig procent van de in het bloed opgeloste glucose gebruikt, ook al maken de hersenen maar ongeveer twee procent van ons lichaamsgewicht uit. Een dergelijk luxueus orgaan kan een organisme zich alleen veroorloven als het constant voldoende brandstof tot zijn beschikking heeft.[6]Die brandstof kwam vrij door het koken van voedsel en dan vooral van groenten. Koken dat werd mogelijk gemaakt door het kunnen maken van vuur.

Zonder koken en vuur, geen groot hersenapparaat. Maar ook omgekeerd: een groot hersenapparaat betekent dat er meer energie nodig is en dat er gekookt moet worden. Want zonder koken zouden we met onze huidige herseninhoud veel langer moeten eten: “Tot dat resultaat kwamen Braziliaanse onderzoeksters nadat ze het eetgedrag van moderne mensapen en de energiebehoefte van de hersenen van deze dieren nauwkeurig hadden bestudeerd. Een volwassen gorilla die zich hoofdzakelijk voedt met bladeren, bloemen en vruchten, zou dagelijks meer dan twee uur langer moeten eten om een in verhouding even grote hersenmassa als de onze te verzorgen. Omdat gorilla’s sowieso al bijna acht uur lang eten en voedsel verteren is dat vrijwel onmogelijk. De dagen zijn daarvoor eenvoudig niet lang genoeg.[7]  

En die hersens werden gebruikt. De eigen spierkracht werd al snel aangevuld met hulpmiddelen waardoor er met die spierkracht meer gedaan kon worden. De vuistbijl maakte het ontvellen van het hert makkelijker. Een speer maakte het doden van dat hert makkelijker en de pijl en boog betekende een volgende verbeterslag. De spierkracht van de hond, os, ezel en het paard werden ingeschakeld. Het wiel maakte dat met de spierkracht van zowel mens als deze dieren meer materiaal verplaatst kon worden. Een zeil om de wind te gebruiken om een boot te laten varen. Dezelfde wind of stromen en vallend water om een molen aan te drijven.

De stoommachine van Heron. Bron: Wikipedia

En toen was daar de stoommachine. Nee, die werd niet uitgevonden door James Watt maar door de Griekse wetenschapper Heron van Alexandrië: “Zijn uitvinding bestond uit een holle metalen bal die op een eveneens holle metalen as gemonteerd was. De as eindigde aan beide kanten in een waterreservoir, dat door middel van een vuurtje verhit werd. De bal had aan twee kanten gebogen pijpjes, waardoor de stoom naar buiten blies. Hierdoor werd de bol, net als een raket, voortgestuwd en ging deze draaien.”  Enigst probleem: “Heron had echter geen praktische toepassing aan zijn vinding kunnen koppelen. Daarnaast waren er in de 1e eeuw na Christus voldoende slaven beschikbaar om werk te verzetten, waardoor zijn uitvinding nooit in de praktijk gebruikt werd.” Dus raakte zijn vinding in de vergetelheid. Vanaf de zestiende eeuw werkte de Spanjaard Blasco de Garay aan een met stoom aangedreven schip maar of dat een succes werd is niet duidelijk. In 1690 ging de Fransman Denis Papin ermee aan de slag en vond de zuigerstoommachine uit. De Engelsman Thomas Savery vond een stoommachine uit om water uit de mijnen te pompen: “Helaas werkte zijn machine zeer inefficiënt en verbruikte deze bijna meer kolen dan dat het apparaat opleverde.” Thomas Newcomen combineerde die twee en James Watt verbeterde die weer en maakte er een bruikbaar apparaat van[8]. Het apparaat was veel efficiënter en praktische dan de voorgangers: Met minder energie kreeg je meer resultaat. Positief, maar dat leidde er wel toe dat er veel meer werden gebruikt en dat leidde weer tot meer energiegebruik.

Na de stoommachine ging het snel. In 1806 ontwikkelde de Zwitser Isaac de Rivaz de verbrandingsmotor met als brandstof een mengsel van waterstof en zuurstof. En aan het einde van de eeuw kenden we de benzinemotor van Gottlieb Daimler en de dieselmotor van Rudolf Diesel[9]. Motoren die een transportrevolutie ontketenden wat zorgde voor een forse toename van het energiegebruik. Energiegebruik dat ook toenam door allerlei andere uitvindingen die gebruikmaken van elektriciteit zoals bijvoorbeeld de gloeilamp. Elektriciteit ook een oude uitvinding waarvoor in de negentiende-eeuw praktische toepassingen werden gevonden. In het midden van de twintigste eeuw ontplofte de eerste atoombom waarmee er een nieuw hoofdstuk werd toegevoegd aan het opwekken van energie. Al die energie werd gebruikt om steeds meer zaken te vergemakkelijken en door dat vergemakkelijken werd er juist weer steeds meer energie gevraagd. Elektriciteit maakt een wasmachine mogelijk en door het wasplank te vervangen door die machine schoot het energie verbruik omhoog. Een auto maakt reizen makkelijker, wat weer tot meer reizen leidt en dus meer energiegebruik. De computer maakte zaken makkelijker, dus gingen we meer computers gebruiken en dat ging zo ver dat we er nu een in onze broekzak hebben. Die in onze broekzak gebruikt veel minder energie dan Colossus, de eerste elektronische computer uit 1943, alleen zijn er zoveel ‘broekzakken’ dat ze samen veel meer energie gebruiken.

Een pleidooi om de auto of die ‘computer uit de broekzak’ weer te ‘ont-uitvinden’ lijkt mij gezien onze geschiedenis, erg lastig. En bij dat ‘ont-uitvinden’ moest ik aan de ‘luxevalkuil van Harari denken. In een hoofdstuk over de uitvinding van de landbouw, die hij: “de grootste zwendel van de geschiedenis,” formuleert hij: “Een van de weinige ijzeren wetten van de geschiedenis.” Namelijk: “dat luxe zich vaak ontwikkelt tot noodzaak en dan weer nieuwe verplichtingen schept. Zodra mensen gewend raken aan een bepaalde luxe, gaan ze die voor lief nemen. Daarna gaan ze erop rekenen. Uiteindelijk bereiken ze het punt dat ze niet meer zonder kunnen.[10]  Zo is het volgens Harari ook met de landbouw gegaan. “De agrarische revolutie luidde geen nieuw tijdperk van het goede leven in, maar gaf boeren een leven dat doorgaans zwaarder en onbevredigender was dan dat van verzamelaars. Jager-verzamelaars brachten hun dagen op interessantere, gevarieerdere manier door en liepen minder kans op honger en ziekte. Het staat buiten kijf dat de agrarische revolutie de beschikbare hoeveelheid voedsel voor de mensheid vergrootte, maar al dat extra eten vertaalde zich niet in een beter voedingspatroon of meer vrije tijd. Integendeel, het vertaalde zich in bevolkingsexplosies en verwende elites. De gemiddelde boer werkte harder dan de gemiddelde verzamelaar en kreeg daar ook nog eens slechtere voeding voor terug.[11] Dit ging niet in één slag, maar was een geleidelijk proces waarbij, wat eerst een verbetering van de levensomstandigheden leek, later toch wat negatieve kanten bleek te hebben. Alleen was teruggaan was niet meer mogelijk vanwege de toegenomen bevolking en het verloren gaan van specifieke kennis. De vuistbijl en pijl en boog maakten het jagen makkelijker, maar ook de oorlogsvoering.

Dus nee, de huidige tijd is geen anomalie, ze past in het pad dat de mensheid al een paar miljoen jaar volgt. Namelijk het pad van toenemend energieverbruik. Maar aan energie is geen gebrek. De Aarde krijgt dagelijks 9.000 keer meer nieuwe energie dan we nu gebruiken. Die energie komt van een bron die voorlopig nog lang niet is uitgeput, de zon. Als we erin slagen om die goed te benutten dan hebben we de veelal ‘oude energie’ die we nu gebruiken, niet meer nodig. Vooral echter past onze huidige tijd in het pad van de luxevalkuil. Van verbeteringen die later flinke nadelen blijken te hebben maar dan is het te laat.


[1] Tom Phillips, De Mens. Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups, pagina 11-12

[2] Böhme c.s, Hoe we mensen werden. Een geheel nieuwe kijk op de oorsprong van de mensheid, pagina 193

[3] Idem, pagina 194

[4] Idem,pagina 201

[5] Idem, pagina 203

[6] Idem, pagina 203-204

[7] Idem, Pagina 205

[8] https://isgeschiedenis.nl/nieuws/historie-van-de-stoommachine

[9] https://www.historamarond1900.nl/uitvindingen/aandrijving/verbrandingsmotor

[10] Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 100

[11] Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 91-92

Uitgelicht

Nao de Maas toe

“Det is ôs Mooder, jao det is Mooder Maas. Die schoëne Majjem, die schoëne Mooder Maas.” De eerste twee zinnen uit het couplet van het Venlose Vastelaovesleedje Mooder Maas. Een lied dat de schoonheid van de Maas bezingt en wat de rivier voor Venlo betekent. Ik moest eraan denken toen mij via LinkedIn allerlei verzoeken bereikten om de petitie van Maas Cleanup te tekenen. Een petitie om de Maas bij wet rechten toe te kennen. Op de website formuleren ze hun doel als volgt: “Wij willen dat aan de Maas de status van rechtspersoon wordt toegekend, net zoals o.a. mensen, bedrijven en gemeenten die hebben. Zo kunnen vertegenwoordigers van de Maas opkomen voor de Maas en haar inherente rechten, zoals het recht om vrij van afval te stromen, waarborgen. De vertegenwoordigers handelen niet alleen in het belang van de Maas, maar zelfs in naam van de Maas.”

De Krijger op de kop van de Weerd aan de Maas te Venlo. Foto van Thomas Molck

De Maas neemt dus een belangrijke plek in Venlo in. In verschillende liederen wordt de rivier bezongen. Het mooiste is, tenminste als je het mij vraagt, het nummer Kôm maar nao de Maas van Frans Pollux. Een cover van het Springsteennummer Matamoros Banks. Het nummer staat op een CD met een twaalftal door Pollux in het Venlose dialect en naar de Venlose situatie vertaalde nummers van Springsteen met als titel Pollux duit Springsteen. Maar ik dwaal af. De Maas. Ik wandel geregeld langs en geniet van de meestal rustig stromende rivier, de bloemen, planten en dieren. Soms overstroomt ze en is het meer dan rustig stromen. Net als Maas Cleanup erger ik me aan de rommel die mensen er achterlaten. Lege flessen, blikjes, plastic zakken, materiaal waarin hamburgers van een bekende keten hebben gezeten, je komt het allemaal tegen. Gekscherend, maar met een serieuze ondertoon stel ik geregeld dat die blikjes zwaarder worden naarmate ze leger worden. Als ze vol zijn dan kan iedereen ze dragen, zijn ze leeg dan zijn ze te zwaar en laat men ze vallen. Daarom kan alles wat over de Maas gaat en zeker over het schoonhouden van de rivier en haar omgeving, op mijn belangstelling rekenen. Maar of rechten voor de rivier de juiste weg is?

Het idee achter wetten voor rivieren, bossen en bergen is om de mens minder centraal te stellen in wet- en regelgeving. Door de natuur rechten toe te kennen, zou de intrinsieke waarde van de natuur centraal komen te staan. “Maar hoe ‘intrinsiek’ is de waarde van natuur als ze rechten van de mens moet krijgen om gewaardeerd te worden? Hoe ecocentrisch is het als de mens die rechten moet toekennen? Hoe ecocentrisch is het om de mens de stem en voogd te laten zijn voor de natuur?” Dit vroeg ik mij in een eerdere Prikker die ik over dit onderwerp schreef af.

Wetten zijn uitvindingen van mensen en bedoeld om het menselijk handelen voorspelbaar en betrouwbaar te maken. Ze zijn bedoeld om het handelen van de mens te binden. Om ons handelen te binden en om mensen die de ongewenste handeling toch verrichten, te straffen. Met de Maaswet willen de initiatiefnemers de rivier rechten geven: “1. Het recht om te stromen. 2. Het recht om de essentiële ecologische functies in haar ecosysteem uit te voeren, waaronder het bieden van een gezonde huisvesting aan vissen, amfibieën, waterplanten en ander rivierleven. 3. Het recht om vrij te zijn van verontreiniging. 4. Het recht om te voeden en te worden gevoed door een gezonde watervoerende laag in de ondergrond. 5. Het recht op inheemse biodiversiteit. 6. Het recht op herstel.” Nu lijkt mij een gezonde leefomgeving voor de vis eerder een recht van de vis en een plicht voor de Maas, dit terzijde. Of toch niet. Want dit voorbeeld laat zien dat de rechten voor de een, een verbod voor de ander betekenen. Met de Maaswet willen de initiatiefnemers de mens beperken in zijn handelen.

Nu ontspringt de Maas in Pouilly-en-Bassigne op het Plateau van Langres en stroomt via België Nederland binnen. De rechten die de initiatiefnemers aan de rivier willen toekennen, kunnen ook in die landen worden geschonden. Die schendingen kunnen ook gevolgen hebben voor het Nederlandse deel van de Maas. Een Nederlandse Maaswet regelt niets in Frankrijk en België. Om volledig haar recht te krijgen moeten die landen precies dezelfde wet aannemen. Pas dan staat de Maas in haar recht.

Als we dat via een Maaswet doen, dan moet er ook een Rijn-, Waal-, Lek- enzovoort wet worden gemaakt. Met een Maaswet krijgen die rivieren immers niet dezelfde rechten. Een wet die de Veluwe rechten toekent, geeft de Maasduinen geen rechten. En rechten voor de Kemmelberg betekent niet dat de Cauberg die rechten ook heeft. De ene rivier wel rechten en de andere niet, is immers discriminatie. Een Maaswet betekent dus ook een Rijn-, Waa-l en Lekwet. Een Veluwe-, Maasduinen- en Peelwet. Een Kemmel- , Cau- en Kaldenkerkerbergwet. Nu kunnen we dat natuurlijk vergemakkelijken door een ‘Nederland wet’ te maken waarin we alle natuur in Nederland beschermen. Maar daarmee missen we de internationale component die ik bij de Maaswet al aanstipte. Net als die Maaswet, zullen veel van precies dezelfde wetten ook door andere landen vastgesteld moeten worden. Dus een ‘wereldwet’! Dat lijkt me een grote opgave.

Als we vervuiling van de Maas, Rijn en Lek, maar ook van de Veluwe, de Maasduinen, de bergen en alle andere natuur willen voorkomen, zou het dan niet voldoende zijn om een wet aan te nemen die alleen de mens bindt? Een wet die de mens verbiedt om rommel in de natuur te deponeren? Een wet die het overtreden ervan bestraft met een flinke boete? Zou dat niet een makkelijkere weg zijn? Dan hoeft er niemand als ‘vertegenwoordiger’ van de Maas op te treden. Om de Maas in het bijzonder en de natuur in het algemeen schoon te houden, is het niet nodig om haar rechten te geven. Daarvoor is het slechts nodig dat wij onszelf beperken. Zo en nu ga ik, om de al eerder genoemde Frans Pollux te citeren, nao de Maas toe.