Uitgelicht

Loondispensatie, werkbonus of …?

“Noem dat dan ook geen sociale dienst meer, en stort dat geld op de rekening onder de noemer ‘werkbonus’ (wat het is) in plaats van uitkering (wat het niet is).” Een van de laatste zinnen uit de wekelijkse column Het spel en de knikkers van Frank Kalshoven in de Volkskrant. In zijn column breekt Kalshoven een lans voor de ‘loondispensatieplannen’ van Staatssecretaris Van Ark. Die plannen komen er in het kort op neer ‘arbeidsgehandicapten’ te betalen voor dat wat ze ‘produceren’ en dat kan minder dan het minimumloon zijn. Voor een aanvulling moeten ze bij de gemeente zijn die hen daar bovenop uitkeert tot het minimumloon wordt bereikt. Volgens Kalshoven is het hoge minimumloon het probleem: “Dit klinkt sympathiek, en zo is het ook bedoeld, maar het heeft als onbedoeld nadeel dat wie dat niet kan terugverdienen voor een werkgever, werkloos thuis op de bank belandt.”

Sociale werkvoorziening

Foto: PxHere

Zou zo’n ‘vernoeming’ werkelijk helpen? Zo zijn ‘ombuiging’, ‘besparing’ en ‘herprioritering’ andere woorden voor bezuinigingen. Voor degene die het betreft voelt het waarschijnlijk allemaal hetzelfde. Zou, als ‘arbeidsgehandicapte, een ‘werkbonus’ werkelijk anders ‘voelen’ dan een uitkering?

Toch is het een interessante gedachte. Laten we die gedachte in gedachte eens een stap verder voeren. Als we werkelijk willen dat het voor de betreffende mensen niet anders voelt, waarom dan niet een ‘werkbonus’ voor iedere volwassene? Een werkbonus ter hoogte van bijvoorbeeld het huidige bijstandsniveau. Een werkbonus die je door te gaan werken kunt aanvullen tot het minimumloon, modaal of een topsalaris?

‘Onbetaalbaar en onnodig’ zal menigeen roepen. Waarom zou bijvoorbeeld de topman van ING nog een werkbonus moeten krijgen bovenop zijn toch al veel te hoge salaris? Wat als de bijverdiensten onbelast zijn totdat iemand het minimumloon behaalt? En wat als die topman er ondanks die werkbonus netto niets op vooruitgaat en misschien zelfs wel wat op achteruit? Als hij die werkbonus gewoon terugbetaalt door een verhoging van de inkomstenbelasting? Zou dat niet ook een flinke besparing op de uitvoering van de sociale zekerheid betekenen?

Wat belangrijker is, als we Kalshoven volgen, dan zouden er bijna geen ‘arbeidsgehandicapten’ meer zijn. Zij die dan nog wel tot die groep behoren, die echt niet kunnen werken, daar maken we een aparte regeling voor. Lijkt dit niet verdacht veel op een basisinkomen?

Uitgelicht

Startkwalificatie funest

“Het CPB: ‘Jongeren met een mbo 3-diploma in ons cohort hebben nog vaker een baan’ dan jongeren met alleen een startkwalificatie. Eerst maar eens een einde maken aan het grootste probleem: geen jongere van school zonder startkwalificatie.” De laatste zinnen van Frank Kalshoven in zijn wekelijkse column in de Volkskrant van zaterdag 17 februari. Kalshoven reageert op een rapport van het Centraal Planbureau waarin verslag wordt gedaan van het wedervaren van de ‘jaargang MBO 2006’. Uit dit onderzoek blijkt dat eenvijfde geen diploma heeft behaald en eenvijfde een mbo 2 diploma en dus een startkwalificatie. Zonder diploma kom je heel lastig aan het werk en met mbo 2 houdt het ook niet over, aldus het rapport.

graduation-995042_1920

Illustratie: pixabay.com

Terecht maakt Kalshoven zich druk om die jeugdigen die het mbo zonder diploma verlaten. Zou het daarbij helpen om als doel te stellen dat geen jongere van school mag zonder startkwalificatie? Als het stellen van het doel het probleem zou oplossen, dan zou het probleem al opgelost moeten zijn. Het beleid van de overheid is immers: niemand van school zonder startkwalificatie. Precies dat wat Kalshoven adviseert.

Als je op startkwalificaties wordt afgerekend, dan ga je op startkwalificaties sturen. Voor een groot deel van de jeugdigen is dit geen probleem, ze halen dat zonder al te veel problemen en veelal zelfs op hun sloffen. Voor een klein deel, eenvijfde van mbo-leerlingen, is dit wel een probleem. Dat probleem zou wel eens kunnen zijn dat zij het niveau niet hebben om een startkwalificatie te halen.

Op basis van het CPB-rapport beschrijft Kalshoven deze groep wat nader. In die groep: “zijn de mbo-instromers die niet direct van het voortgezet onderwijs kwamen oververtegenwoordigd. De schoolloopbaan van deze jongeren liep in het primair en voortgezet onderwijs al niet op rolletjes, en het mbo slaagt er maar bij een deel van de studenten in dit te repareren.” Inzet gericht op een ‘hopeloze missie’? Als alle inzet erop erop is gericht om iets te laten halen wat ze niet kunnen halen, is die inzet dan niet gericht op een ‘faalervaring’?

Zou juist het doel niet het probleem zijn? Zou het helpen als we het doel anders formuleren? Als het doel van al het onderwijs is om jeugdigen een bij hen passende plek te laten vinden in de samenleving? Niet een diploma maar een passende plek in de samenleving? Zou dat tot tot meer ‘maatschappelijk rendement’ leiden? Belangrijker, zou dat tot meer geluk leiden voor de betreffende mensen?

“Het criterium ‘startkwalificatie’ doet z’n werk aardig,” zo luidt de titel van Kalshovens column. Voor het grootste deel van de jeugdigen gaat dit op, alleen voor de meest kwetsbaren niet. Zou voor deze jeugdigen niet gelden: ‘startkwalificatie funest’?

Uitgelicht

Wie faalt er?

Frank Kalshoven besteedt in zijn Het spel en de knikkers aandacht aan een experiment van de gemeente Veldhoven. Een experiment waarbij de begeleiding van statushouders aan private investeerders wordt gelaten. Die zorgen voor de begeleiding en als het hen lukt om de statushouder twee jaar uit de bijstand te houden, dan krijgen ze zes keer het bijstandsbedrag als beloning. Lukt dit niet, dan krijgen ze niets. 

succes

Illustratie: PxHere

Kalshoven schetst drie reacties. Als eerste de ‘schande’ reactie: “Dit is het toppunt van economisering van de samenleving en de afbraak van onze collectieve voorzieningen.” Als tweede de ‘goed zo’ reactie: “Niets werkt zo heilzaam als marktwerking, met sterke financiële prikkels voor investeerders om resultaat te boeken.” En als laatste de afwachtende, onderzoekende’ reactie: “Interessant, vertel verder.” Hij beveelt de derde aan: “Omdat markten en prikkels vaak falen. En omdat de overheid er vaak niet in slaagt te organiseren wat we willen. Marktfalen én overheidsfalen zijn alomtegenwoordig en daarom moeten we, zonder vooroordelen, kijken naar wat werkt.”

Dat zou ook mijn reactie zijn, maar het gaat mij niet om de statushouders en het Veldhovense experiment. Het gaat mij om ‘marktfalen’ of ‘overheidsfalen’. Van ‘falen’, als je het zo wilt noemen, is sprake als een gesteld doel niet wordt gehaald. In deze casus is dat het aan het werk krijgen van een statushouder of wat breder getrokken, een bijstandsgerechtigde. Als je het zo benadert, dan schiet de overheidsbenadering tekort. Immers iedere bijstandsgerechtigde is dan een bewijs van dat falen. In Veldhoven geven ze nu ‘de markt’ de kans. Nu is het niet ondenkbeeldig dat er ook dan nog statushouders zullen zijn die een beroep zullen gaan doen op de bijstand, faalt de markt dan?

Wat moeten we dan doen als zowel de overheid als de markt faalt? Een mix maken? Zal ook die aantonen dat er statushouders zijn die hun weg vinden en anderen die dat niet doen? Zou het aan de doelstelling kunnen liggen? Aan het uit de bijstand krijgen van mensen? Dat er geen sprake is van ‘markftalen’ noch van ‘overheidsfalen’? Moeten we na jaren van ‘bijstand’ en pogingen om mensen eruit te krijgen, niet concluderen dat op de ‘markt’ niet voldoende plekken zijn voor iedereen?

Kosten en baten

“Het is ontstaan uit pure frustratie. Ik kon hier gewoon geen goede kok vinden.” Woorden waarmee Dick van Ostaden, eigenaar van een restaurant, uitlegt hoe het bemiddelingsbedrijfje K.U.S . is ontstaan, Koks Uit Spanje. Van Ostaden kon geen Nederlandse koks vinden en hij moest iets, zo valt te lezen bij RTLZ . In het artikel doet ook Doekle Terpstra voorzitter van de brancheorganisatie van installateurs een duit in het zakje: “Er is sprake van een mismatch. Vraag en aanbod sluiten totaal niet op elkaar aan.” Daarom moeten de werkgevers wel uitwijken naar het buitenland. Maar Terpstra is de kwaadste niet: “Als ze goede ideeën hebben dan graag. We betalen op dit moment de prijs voor het slechte imago dat we het vmbo hebben gegeven als maatschappij. Dat moet veranderen. Op de lange termijn is dat een oplossing. Maar voor de korte termijn hoor ik het graag van het CNV.” 

kok

Foto: Vance Air Force Base

Nu is het flauw om erop te wijzen dat Terpstra in zijn carrière voordat hij vertegenwoordiger van ondernemers werd, voorzitter was van diezelfde CNV, dat hij voorzitter was van de onderwijskoepel HBO-raad en bestuursvoorzitter van hogeschool InHolland en in die hoedanigheid toch wel de gelegenheid moet hebben gehad om iets te doen aan die slechte aansluiting. Dat is immers geen probleem van de laatste jaren, daarover wordt al heel lang geklaagd. Bovendien ‘jaagt’ hij sinds 2014 het Nationaal Techniekpact 2020 ‘aan’. Een pact dat wil dat meer jeugdigen een technische opleiding volgen en in een technisch beroep aan de slag gaan. Zou de huidige CNV-voorzitter Lemmen dan toch gelijk hebben als hij zegt dat: “gejammer over krapte op de arbeidsmarkt (…) vooral (komt) uit sectoren die er zelf alles aan hebben gedaan om het werken in die sector zo onaantrekkelijk mogelijk te maken. Werkgevers hebben de arbeidsvoorwaarden volledig naar de gallemiezen geholpen.”

Zou het dan misschien een idee zijn als die bedrijven die zo zitten te jammeren dat ze geen vakmensen kunnen vinden, zelf vakmensen gaan opleiden? Als ze hiervoor wat minder naar de overheid en het onderwijs kijken? Als ze een werkloze met potentie in hun sector in dienst nemen? Als ze deze werkloze samen met het onderwijsveld, de benodigde kennis en vaardigheden gaan bijbrengen? Dat zou Terpstra met zijn ervaringen bij de vakbond, in het onderwijs en nu bij de werkgevers toch moeten kunnen organiseren. Maar ja, dat is lange termijn denken en kost geld en dus winst op de korte termijn. Is het probleem niet dat de kosten voor de baten gaan en de werkgevers de kosten liever door anderen laten betalen?

‘onnodige armoede’

Even over taal en woorden. In Amsterdam is het Flying Squad actief, een team dat voor de gemeente minima bezoekt om ze te wijzen op sociale voorzieningen die ze onbenut laten, zo lees ik bij Binnenlandsbestuur. Je zou verwachten dat het ‘de’ squad zou zijn en niet ‘het’ squad, Ook taal en woorden, maar daarover wil ik het nu niet hebben. Ik wil het hebben over bijvoeglijke naamwoorden die voor een zelfstandig naamwoord worden gebruikt om het zelfstandig naamwoord kracht bij te zetten.

onnodige armoedeFoto: Pixabay

Het artikel over ‘de’ of ‘het’ Flying Squad draagt de titel “Op zoek naar onnodige armoede.” De toevoeging van ‘onnodige’ voor armoede suggereert dat er naast die ‘onnodige’, ook ‘nodige’ armoede is. Kan iemand mij uitleggen wanneer armoede nodig is en wanneer niet? Dat lijkt mij ook voor het (de) Flying Squad van belang. De ‘onnodige’ arme die moet immers worden geholpen, de ‘nodige’ kan aan zijn of haar lot worden overgelaten, maar hoe bepaal je de ‘onnodigheid’ van armoede? Het lijkt me trouwens geen prettige boodschap om iemand te vertellen dat hij of zij arm is en dat er diverse regelingen zijn waarvan gebruik gemaakt kan worden, maar dat die persoon er niet voor in aanmerking komt omdat hij niet ‘onnodig’ maar ‘nodig’ arm is.

In een ander artikel bij Joop kwam ik een andere bijzonder combinatie van een bijvoeglijk- en zelfstandig naamwoord tegen: objectieve feiten. Nu is een feit een: “gebeurtenis of omstandigheid waarvan de werkelijkheid vaststaat.” Dat maakt een feit per definitie objectief. Alleen door het woord ‘objectieve’ voor feiten te plaatsen, ontstaan er ineens ook ‘subjectieve’ feiten en wordt alles ineens een feit. Een andere combinatie met het woord feit werd gebezigd door de regering Trump, de ‘alternatieve’ feiten. Deze combinatie suggereert dat feiten een tegenhanger hebben, de ‘alternatieve’ feiten. Zo zou een kubusvormige aarde het alternatieve feit kunnen zijn voor de bolvormige.

Een bijzondere is de participatiesamenleving. Het bijvoeglijk naamwoord participatieve samengesmolten met samenleving. Een samenleving is ”het geheel van de met elkaar verkerende mensen.” Alle mensen die in een bepaald gebied met elkaar verkeren behoren tot en nemen deel aan de samenleving van dat gebied. Door er participatie, “het hebben van aandeel in iets; = deelname” voor te zetten, ontstaat een vreemde constructie omdat iemand nu iets extra’s moet doen om bij de samenleving te horen. Als je dat extra’s niet levert, hoor je ineens niet meer bij de samenleving. Door het woord deelname voor samenleving te zetten ontstaat ook het spiegelbeeld, het niet deelnemen.

Wie maakt schoon bij de schoonmaker?

“De stijgende welvaart van de afgelopen decennia heeft een nieuwe vorm van armoede gecreëerd: tijdarmoede. Overal in de westerse wereld rapporteren mensen met hogere inkomens meer tijdschaarste.”

Aldus Heleen Mees in haar column in de Volkskrant. Gelukkig heeft Mees de oplossing: “Versimpel je leven door vijf dagen per week te werken. Geef het extra inkomen uit aan dingen waarmee je tijd bespaart; een schoonmaakster, kant-en-klaarmaaltijden en een oppas die de kinderen ook naar muziekles en sportvereniging brengt.” 

schoonmaken

Foto: https://pxhere.com/nl/

Ja, als je als goed verdienende hogeropgeleide vijf in plaats van drie dagen gaat werken, kun je het extra geld gebruiken om een schoonmaker in te huren of een kinderoppas. Die verdienen minder dan jij, dus houd je geld en tijd over. Die schoonmaker of oppas verdient dan ook geld en dat is goed voor hem of haar. Zij een inkomen jij iets meer inkomen en vrije tijd. Duidelijk een geval van win-win.

Alhoewel. Laten we eens naar die schoonmaker of oppas kijken. Zou die ook hetzelfde kunnen doen? Als schoonmakers of oppassers vijf in plaats van drie dagen gaan werken, welke werkzaamheden kunnen zij dan uitbesteden om vrije tijd te kopen? Om iets te doen aan hun tijdarmoede?

Het schoonmaakwerk of het oppassen op de kinderen uitbesteden? Zou de schoonmaker van de schoonmaker genoegen nemen met minder salaris dan de schoonmaker waarvoor wordt schoongemaakt? Waarschijnlijk niet, want dan hadden die hogeropgeleide, goed verdienende de schoonmaker van de schoonmaker ingehuurd. Zij kunnen geen ‘werk’ uitbesteden want daar schieten ze financieel niets mee op en hun tijdschaarste neemt erdoor toe.

Mees: “Waren in de jaren ’80 laagopgeleiden nog het drukst, sinds de jaren ’90 zijn dat de hoogopgeleiden. Het tekort aan tijd ontstaat niet omdat mensen zoveel meer moeten doen, maar vooral omdat ze meer kunnen doen.” Leidt het pleidooi van Mees er niet toe dat de hoogopgeleiden zo meer ‘kunnen’ gaan doen en de lager opgeleiden meer ‘moeten’ doen zonder er iets mee op te schieten?

 

Eigen kracht, eigen verantwoordelijkheid

De auto moest naar de garage voor een jaarlijkse keuring en een onderhoudsbeurt, of ik het voertuig om acht uur wilde brengen. Omdat ik geen zin had om te wachten tot ik hem weer mee kon nemen, wandelde ik naar huis. Het was immers maar een half uurtje lopen. Die wandeltocht voerde mij door de binnenstad van Venlo waar het op dit vroege tijdstip nog erg rustig was. Winkelmedewerkers fietsten en liepen naar hun winkels en een clubje mensen met oranje hesjes was vuilnis aan het prikken. Nou ja prikken, ze hadden zo’n lange knijper waarmee je rommel op kan rapen.

zwerafval-delen-2

Foto: MilieuCentraal

Ik heb het ze niet gevraagd, maar het leek mij een groepje mensen dat dit deed als ‘tegenprestatie’ voor een uitkering en zo ‘werkritme’ opdeed voor het ‘echte werk’. De ‘participatiesamenleving’ in optima forma: voor wat hoort wat. Zij een uitkering om van te leven, de samenleving schone straten, een win-win toch? Om de ‘newspeak’ waarmee dit beleid gepaard gaat aan te halen: deze mensen worden weer in hun eigen kracht gezet. Wacht eens even, nu we het toch over eigen kracht hebben en over participatiesamenleving, zouden er ook andere oplossingen mogelijk zijn voor zowel de vuile straten als ook voor ‘eigen kracht’ van deze mensen? Laten we er eens wat dieper op ingaan.

Mensen lopen over straat met een blikje cola, zakje chips of een sigaret. In dat blikje zit cola, in de zak chips en in de sigaret tabak. Deze mensen kunnen dat blikje, het zakje of die sigaret dragen. Als de cola, chips of tabak op is, gebeurt er iets vreemds. Het blikje, het zakje en de peuk, die er van de sigaret is overgebleven, wordt zwaar. Zo zwaar dat die mensen het niet meer kunnen tillen en dus maar laten vallen. Dat geeft rommel op de straat en dat ziet er niet uit. Dan komen de ‘vuilprikkers’ in  beeld. Zij kunnen wat de coladrinkers, chipseters en sigarettenrokers niet kunnen: het lege blikje, zakje en de peuk optillen en in een vuilnis zak doen.

Zou er niet aan de ‘eigen kracht’ en de eigen verantwoordelijkheid’ van de coladrinkers, chipseters en rokers die hun blikje, zakje en peuk niet meer kunnen dragen, gedaan moeten worden? Moeten die niet worden ‘getraind’ zodat ze sterk genoeg zijn om het zelf in een prullenbak te gooien? Zouden de ‘vuilprikkers’ niet aangenomen kunnen worden als ‘trainer’ of anders benoemd, als gastheer? Een echte baan met een echt salaris en met als taak ervoor te zorgen dat de coladrinkers, chipseters, sigarettenrokers en alle anderen die zich niet aan de ‘huisregels’ houden, op hun gedrag aan te spreken? Aanvullend kunnen ze mensen helpen bij het vinden van de weg. Zou dat een beter alternatief zijn?

Oh ja, de auto heeft een beurt gehad en de keuring goed doorstaan.