Uitgelicht

Democratie en tegendemocratie

Democratie is, zoals we in de vorige Prikker hebben gezien, een complexe en lastige manier van besturen en ordenen. In die vorige Prikker besprak ik vijf spanningen die, volgens Pierre Rosanvallon, inherent zijn aan een democratie. Hoe kunnen we hiermee omgaan? Ook in deze Prikker staat het werk van Rosanvallon centraal en dan vooral de Spinozelezing uit 2012.

“Het lijkt mij sterk dat een burgerberaad de vijf door Rosanvallon benoemde punten oplost.” Met die woorden eindigde ik mijn vorige Prikker. Dit naar aanleiding van een pleidooi van Jelmer Mommers en Eva Rovers in de Volkskrant voor het in het leven roepen van een  burgerberaad over de klimaatmaatregelen en mijn twijfel of het door hen voorgestelde burgerberaad een verrijking is van onze democratie. Die vijf spanningen zijn de twee verschillende kwaliteiten (nabijheid en geschiktheid) van een volksvertegenwoordiger. Als tweede de twee verschillende definities van het begrip ‘volk’. Als derde de asymmetrie tussen de twee functies (aan de ene kant het legitimeren van bestuurders en aan de andere kant het beschermen van de bestuurden) van de democratie. Als vierde dat we democratie plaats en tijd gebonden moeten zien en als laatste is een democratie meer dan een politiek stelsel, het is ook een burgeractiviteit.

Eigen foto

Deze vijf punten maken, zo betoogt Rosanvallon dat: “de democratie (…) structureel problematisch en derhalve structureel onvoltooid is.” Waarschijnlijk is dit ook wat de Britse staatsman Winston Churchill bedoelde toen hij zei dat: “Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.” Om met dat structureel problematische en onvoltooide om te kunnen gaan wordt er vooral gezocht naar ‘vereenvoudiging’ of zoals Rosanvallon het schrijft naar: “Pathologiën (die) kunnen begrepen worden als reducerende vormen van de complexiteit, van polarisatie of het vergeten van de structurele spanningen van haar verschillende figuren.” Rosanvallon ziet hierbij aan de ene kant versimpelingen: “van de vertegenwoordiging, berustend op een zogenaamde versimpeling van de relatie macht/samenleving.” Versimpelingen die: “het handelen van de macht de adequate uitdrukking van de algemene wil maken … die het kamp dat als winnaar uit de stembus tevoorschijn komt gelijkstellen aan de stem van het volk; waan voorstellingen van één volk.” Deze versimpelingen kunnen in milde en extreme vorm (“Alleenheerschappij, populisme, totalitarisme”) voorkomen. Aan de andere kant ziet hij versimpelingen zoals: “De reductie van de democratie tot verkiezingen, de reductie tot haar liberale dimensie of de reductie tot haar institutionele definitie.”

Het is menselijk om een complex en zeer moeilijk te omvatten probleem te versimpelen en terug te brengen tot behapbare brokken. Het terugbrengen van democratie tot ‘verkiezing’ of ‘referendum’ maakt het eenvoudig. Net zoals een beperking van ‘het volk’ tot de winnaar van de verkiezingen een versimpeling is. Zeker als die winnaar, zoals in Nederland de afgelopen decennia het geval is, nooit meer dan dertig procent van de stemmen kreeg. En sterker, de winnaar (grootste partij) ook wel tot de verliezers (minder zetels dan na de vorige verkiezingen) kan behoren. ‘Versimpeling’ is volgens Rosanvallon niet de manier. Volgens hem moet we: “De democratie compliceren om haar te voltooien.”

“Als het volk in de democratie structureel nergens te vinden is, hoe dan de structurele crisis van de vertegenwoordiging te boven te komen die eruit voortvloeit en onze gevoelens van in de steek gelaten zijn aanwakkert, die de ontgoocheling en het wantrouwen tegenover de instituties voeden?” Deze vraag stelt hij zich op het eerste gebied dat hij verder wil compliceren, het gebied van dat belangrijke begrip dat op meerdere manieren gedefinieerd wordt. Hij ziet vijf dimensies van het volk. Als eerste het ‘rekenkundige volk’, dat bezit : “een beslissende, zowel sociale als procedurele consistentie.” Immers: “We kunnen eindeloos discussiëren over de definitie van het algemeen belang, over wat de beste politiek is om op dit of dat gebied te voeren, maar het feit dat 51 meer is dan 49 maakt een einde aan alle discussies.” “Maar het volk manifesteert zich ook als een historische constructie,” en daarmee zijn we bij de tweede dimensie van het volk. De principes van deze dimensie zijn vooral vastgelegd in de grondwet: “Dit volk/principe laten leven betekent dus een juridisch volk laten leven, en niet slechts een electoraal of rekenkundig volk. Vandaar de rechtvaardiging van de superioriteit van de constitutionele orde boven de orde van de kortstondige meerderheid.” Als we in onze huidige wereld om ons heen kijken dan zien we dat op verschillende plekken wordt getornd aan de superioriteit van de constitutionele orde. De extreme politisering van de benoeming van rechters in de Verenigde Staten en de politisering van de rechtspraak in Polen zijn hiervan voorbeelden. Een derde dimensie van het begrip ‘volk’ is: “de figuur van de verwachtingen, ontgoochelingen, betwistingen of beproevingen van het gemeenschappelijke leven, dat op een gegeven moment over een stuk uit het collectieve leven vertelt of het tot uitdrukking brengt.” Dit volk bestaat volgens, Rosanvallon: “ofwel via instituties die handelen leiden – bijvoorbeeld syndicaten -, ofwel via zijn directie manifestatie in de revolutionaire momenten die verlengd worden door het verhaal dat ze vergezelt.” De vierde dimensie: “is het volk bestaande uit ‘willekeurige individuen’.” Dit volk drukt zich uit: “via peilingen of van het toeval afhangende uitingen, waarderingsmechanismes van de een of ander.” De laatste dimensie is: “het volk zowel als belofte als herinnering, het volk als bouwer van een toekomstige geschiedenis en als erfgenaam van een traditie.” Dit volk wordt vertegenwoordig door: “de kunst, de literatuur, de sociale wetenschappen, de onderzoeken en allerlei getuigenissen.” Daarmee is de vraag waarmee deze alinea begon nog niet beantwoord. Dat antwoord begint met het accepteren van de complexheid: “We moeten het volk dus begrijpen als een structureel onbepaald object, maar een waarvan de bepaling benaderd kan worden door vergroting van de erkenning van zijn verschillende vormen.” Accepteren want: “in deze vermeerdering ontstaat het leven, en niet simpelweg in het zoeken naar een enkel principe dat alle mogelijkheden ervan uitputtend zou bevatten. ‘Het volk’ spreekt zich op zeer veel verschillende manier uit. Zeer veel verschillende manieren, met veel verschillende stemmen en veel verschillende inhouden. Daar moet ruimte voor zijn, dat moeten we koesteren en niet versimpelen.  

Een tweede vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op het gebied van de soevereiniteit. Hij wil: “van de idee van directe volkssoevereiniteit over (…) stappen op de idee van een complexe soevereiniteit. De complexe soevereiniteit bestaat in het gelijktijdig vormgeven van de verschillende manieren waarop ze uitgeoefend wordt, namelijk de benoeming of de keuze, de beslissing, de controle en het toezicht, de evaluatie en het oordeel.” Op dit punt komt hij met het begrip ‘tegendemocratie’. ‘Tegendemocratie’ dat hij in de inleiding van zijn boek La contre-démocratie als volgt omschrijft: “Deze tegendemocratie is niet het tegendeel van de democratie; zij is eerder de vorm van de democratie die de andere als een steunboog versterkt, de democratie van de in het sociale lichaam verstrooide indirecte machten, de permanente democratie van het wantrouwen tegenover de wisselende democratie van de electorale legitimering. Deze democratie vormt op die manier één geheel met de wettige democratische instituties.” De media, onderzoekcollectieven, wetenschappers, vakbonden, actiegroepen enzovoorts die elk vanuit hun belang en interesse controleren, toezicht houden en evalueren. Die naar de rechter stappen om iets af te dwingen zoals Urgenda. Die aandacht vragen voor groot en klein recht en onrecht. De luizen in de pels van bestuurders en politici maken deel uit van deze voor de democratie onmisbare tegendemocratie. Tegendemocratie als: “institutionalisering van het begrip ‘wantrouwen’. Die complexheid moeten we koesteren, niet versimpelen. Zij houden ons scherp zorgen ervoor dat het volk in al zijn verschillende dimensies uit de vorige alinea, zich kan uitspreken.

Een derde vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op de scheiding der machten. Die is nog steeds gebaseerd op de Montesquieu en zijn drie te onderscheiden machten: de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht. Volgens Rosanvallon is die driedeling niet meer steekhoudend voor onze huidige tijd. Rosanvallon: “In alle moderne samenlevingen wordt het begrip ‘macht’ voortaan steeds in het enkelvoud opgevat. Er is overal maar een werkelijke sturende macht: de uitvoerende macht. Aan deze komen alle initiatieven en wezenlijke beslissingen toe.” Als we naar de Nederlandse praktijk kijken, dan zien we dit ook. We hebben een wetgevende macht, de Tweede Kamer, maar hoeveel initiatieven van wet komen er vanuit die kamer en halen de eindstreep? De overgrote meerderheid van alle wetten en voorstellen daartoe worden opgesteld door de regering, de uitvoerende macht. Zelfs de begroting, een belangrijk ‘machtsinstrument’ van het parlement, wordt opgesteld door de regering waarna het parlement nog wat in de marge kan schuiven. De uitvoerende macht bindt de wetgevend al bij de kabinetsformatie omdat de coalitiepartijen zich binden aan een regeerakkoord en daarmee alle wezenlijke discussie beslechten waarna de kamer het kan ‘afstempelen’. Volgens Rosanvallon bestaat ook de derde, de rechterlijke, macht: “als zodanig allang niet meer… Omdat zijn rol voortaan uitsluitend de contentieuze jurisdictie is.”  Rosanvallon concludeert: “De term ‘scheiding der machten’ volgens de oude driedeling is dus niet meer gegrond.” Toch is het: “noodzakelijker dan ooit om in te gaan tegen de voortdurende neiging van de (uitvoerende)macht in het algemeen om zich zonder tegenwicht uit te oefenen en zich op te werpen als enige legitieme macht.” Het complexe evenwicht van drie machten is versimpeld tot een dominante (uitvoerende) macht. Dit moet, zo betoogt hij, weer complexer en dat kan op verschillende manieren. Als eerste: “moeten we de uitdrukkingsvormen van de algemene wil vermeerderen. De huidige politieke macht ontleent haar legitimiteit aan verkiezingen. Daarbij worden twee verschillende dimensies vermengt: ‘een rechtvaardigheidsprincipe en een beslissingstechniek.” Een beslissingstechnische uitspraak (51 -49) valt niet automatisch samen: “met het idee van een legitimering die naar een grotere maatschappelijke consensus verwijst.” Voor dit laatste zijn andere instituties nodig. Instituties: “die vereenzelvigd worden met de principes van onpartijdigheid (de onafhankelijke autoriteit, het recht) en reflexiviteit (de constitutionele gerechtshoven die het volk/principe in de tijdsduur uitdrukken). Als democratisch geldt dan een stelsel dat die drie samenwerkende en complementaire uitdrukkingsvormen van de algemene wil in zich verenigd.”  Hierbij spelen handelen (regering) en controle (oppositie) een onderscheidende rol waarbij met name de positie van ‘controle’ versterkt moet worden. Compliceren betekent niet verzwakken maar: “voortdurend dwingen uitleg te geven, rekenschap af te leggen, te evalueren en te controleren. Compliceren betekent ook afscheid nemen van de idee van simpele en directe democratie. De belangen van de macht en de samenleving zijn op de volgende manier met elkaar verbonden: om sterk te zijn zal een macht voortaan democratischer moeten zijn.”

Een vierde vlak waarop we de complexiteit moeten aanvaarden betreft wat Rosanvallon noemt de ‘verschillende figuren van de democratie’: “Want er zijn vier complementaire definities van democratie: zij is een burgeractiviteit, een politiek stelsel, een samenlevingsvorm en een politieke kwaliteit. Als burgeractiviteit impliceert zij het openbare debat en: “Ze vereist ook de organisatie van onafhankelijkheid van de macht, publiek, toezicht, kritiek, de uitdrukking van burgers in al haar vormen.” Als politiek stelsel is zij: “een verzameling van procedures en instituties.” Ook is zij de manier waarop het gemeenschappelijke wordt ingericht, de democratie als samenlevingsvorm. Als politieke kwaliteit definieert zij de handelswijzen en het gedrag.

‘De democratie compliceren om haar te voltooien, dat is wat Rosanvallon wil. Als we haar al ooit kunnen voltooien want, zoals hij betoogt (zie de vorige Prikker) is één van de zaken die democratie complex maken dat we haar moeten zien in ‘tijd’ en ‘ruimte’ en de tijd schrijdt voort en de democratische ruimte kan veranderen. En daarmee hebben we Rosanvallons laatste complicering van de democratie te pakken.

Nu terug naar het burgerberaad, de aanleiding voor deze en de twee voorgaande Prikkers. Met het ‘burgerberaad’ willen de initiatiefnemers komen tot ‘gedragen voorstellen’ en zo de ‘kloof’ tussen mensen dichten. Ik hoop in deze en de twee eraan voorafgaande Prikkers te hebben aangetoond dat we blij moeten zijn met die kloof. Die kloof is namelijk een wezenlijk kenmerk van onze en iedere democratie. Die kloof laat namelijk zien dat we de vrijheid en de mogelijkheden hebben om van elkaar te verschillen. Om anders over zaken te denken. Om het niet eens te zijn met besluiten en daar tegen te blijven ageren. Ageren om de ‘macht’ scherp te houden, om uitleg te vragen. Ageren door te evalueren en te onderzoeken. Ik, de Ballonnendoorprikker, benader iedere poging om die kloof te dichten met wantrouwen. Wantrouwen omdat het dichten van die kloof eerder tot minder dan tot meer democratie leidt. Omdat de kans groot is dat het uitloopt op: “all those other forms that have been tried from time to time,” waar Churchill over sprak.

Uitgelicht

Democratie

In mijn vorige Prikker vroeg ik me af of burgerberaden, zoals Jelmer Mommers en Eva Rovers in de Volkskrant voorstellen, een verrijking zijn voor onze democratie. Met betrekking tot het klimaatbeleid constateren zij dat: “de transitie (…) nog geen gedeeld project van alle Nederlanders (is). Lang niet iedereen voelt zich vertegenwoordigd door de ruim honderd partijen en organisaties die in juni 2019 het Klimaatakkoord sloten. Dus ontbreekt het vaak aan draagvlak, met name waar maatregelen mensen direct in hun straat en in hun woning treffen. Veel mensen voelen zich niet gehoord. Nu is er heel veel aan te merken op de manier waarop het klimaatakkoord tot stand is gekomen.

Verkiezingen: Nieuwe clowns in hetzelfde circus!" | Flickr
Bron: Flickr

Zoals ik in die vorige Prikker al betoogde, hebben we al ‘volksberaden’ die precies dat kunnen wat het door de beide auteurs beoogde burgerberaad kan én zelfs meer: ze kunnen ook nog besluiten. Die beraden zijn de door ons gekozen volksvertegenwoordigingen. Laten we eens wat dieper naar die gekozen volksberaden kijken. Die volksvertegenwoordigingen zijn namelijk niet uit de lucht komen vallen, die zijn langzaam gegroeid naar wat ze nu zijn. Staten Generaal, dat is nu de naam van de Eerste- en Tweede kamer samen. In de zestiende eeuw was het een gezamenlijk vergadering van de vertegenwoordigers van de zeventien provinciën. Die vertegenwoordigers waren geen ‘gewone mensen’. Het waren edelen uit de verschillende provinciën. Zij zagen zich als vertegenwoordigers en belangenbehartigers van het volk. De belangen van dat volk moesten immers behartigd worden bij de vorst. De belangen van dat volk leken erg veel op de belangen van de adel. Adel waarin rijke kooplui zich inkochten via huwelijken. De overgrote meerderheid van het volk had niets te zeggen en in te brengen.

In 1814 werden de Staten Generaal de volksvertegenwoordiging in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden en vanaf 1815 bestond die volksvertegenwoordiging uit twee kamers. Nu moeten we ook hier het begrip ‘volk’ niet al te breed zien. Tot 1848 werden de leden van de Eerste Kamer door de koning benoemd en de leden van de Tweede Kamer gekozen door de Provinciale Staten waarvan de leden weer uit de ‘edelen en notabelen’ bestonden. In het geheel niet ‘volks’ dus. Vanaf 1848 worden de leden van de Eerste Kamer door Provinciale Staten gekozen en de leden van de Tweede Kamer rechtstreeks door het volk. Nou ja het volk, alleen als je voldoende belasting betaalde, behoorde je tot het volk en mocht je stemmen. Pas sinds 1917 kennen we algemeen kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar en vanaf 1919 ook voor vrouwen. In deze strijd voor meer democratie wijkt Nederland niet zo veel af van andere Europese landen. De eerste keer dat het gehele volk mocht stemmen was in 1923. Pas vanaf dat moment zouden we kunnen spreken van een ‘burgerberaad’. En ook daar zijn kanttekeningen bij te plaatsen.

In de inleiding van zijn boek La contre-démocratie schets de Fransman Pierre Rosanvallon het dubbele van democratie: “Historisch heeft de democratie zich namelijk altijd doen kennen als zowel een belofte als een probleem. De belofte van een stelsel dat afgestemd is op de behoeften van de samenleving die gebaseerd is op de verwerkelijking van de dubbele imperatief van gelijkheid en autonomie. En het probleem van een realiteit die deze nobele idealen verre van ingelost heeft.” Dit heeft er volgens Rosanvallon toe geleid dat: “Het democratisch project (…) zelfs daar waar het was geproclameerd steeds onvoltooid (is) gebleven, of het nu ruw geperverteerd, subtiel versmald of als vanzelf tegengewerkt is. In zekere zin hebben we, in de sterkste betekenis van het woord, nooit volledig ‘democratische’ regimes gekend.” Het stukje parlementaire geschiedenis in de vorige alinea geeft een mooie opsomming van die versmallingen en tegenwerkingen. In zijn pamflet Tegen verkiezingen geeft David Van Reybrouck een bijzondere tegenwerking. Volgens Van Reybrouck is het instrument ‘verkiezingen’ in de basis bedoeld als een ‘tegenwerking’. Volgens Van Reybrouck, en nu vat ik het heel kort samen, zijn verkiezingen bedoeld als een poging van de aristocraten om de macht te behouden. En als je kijkt naar het gros van de parlementariërs in verleden en heden, dan zie je dat de bovenkant van de samenleving er structureel is oververtegenwoordigd. Nu is dat geen bewijs van Van Reybroucks gelijk, wel laat het zien dat mensen met meer macht het makkelijker hebben in een democratie.

In 2012 gaf de al genoemde Rosanvallon de Spinozalezing. In die lezing constateert hij ‘democratische onbepaaldheid’ een begrip dat hij als volgt definieert: “het subject van de democratie, haar doel en procedures (gaan samen) met spanningen ambiguïteiten, paradoxen, aporieën, asymmetrie en overlappingen die de definitie en het begrip ervan  problematisch maken en derhalve ook een bron zijn van de vele vormen van ontgoocheling.”  Rosanvallon onderscheidt er vijf die ik hieronder behandel.

Als eerste zijn er structurele spanningen. Die openbaren zich bij de keuze van de volksvertegenwoordigers. In een volksvertegenwoordiger zoeken we twee kwaliteiten. Als eerste ‘nabijheid’ kan ik me herkennen in de volksvertegenwoordiger of zoals Rosanvallon het beschrijft: “de vertegenwoordiger als valoriserende stand-in, getrouwe uitdrukking en stem van de vertegenwoordigde.” De partij GeenPeil zette tijdens de verkiezingen van 2017 extreem in op ‘nabijheid’. De partij beloofde alle stemmingen via digitale peiling aan het volk voor te leggen en in de Kamer vervolgens te stemmen naar de uitkomst van de peiling. De tweede kwaliteit die we zoeken in een volksvertegenwoordiger is ‘geschiktheid’: “de vertegenwoordiger als vertrouwensman, geïnformeerde afgevaardigde,” aldus Rosanvallon. Twee kwaliteiten die: “elkaar vaak uitsluiten en moeilijk in één vertegenwoordiger te verenigen zijn.”  En, zo vervolgt hij: “Bovendien verwijzen ze vaak naar de waardering van twee verschillende politieke momenten: dat van de verkiezingscampagne en dat van de regeringsdaad.” Als nabijheid het belangrijkste is, dan is loting de beste manier om een volksvertegenwoordiging te kiezen. Zo willen de beide auteurs ook het door hen voorgestelde burgerberaad vormgeven. Zoeken we ‘geschiktheid’ dan zijn verkiezingen beter. Probleem is echter dat we allebei zoeken. Daar komt een ander probleem bij en dat is dat een vertegenwoordiging nooit een afspiegeling van het gehele volk kan zijn. Het ‘burgerberaad’ van de auteurs zal ook tegen de problematiek van ‘nabijheid’ en ‘geschiktheid’ aanlopen. Want vindt iedereen dat de mensen in het beraad hen ‘nabij’ zijn? En zelfs als die nabijheid er is, dan is de kans reëel dat de ideeën waarmee het burgerberaad komt door een flink deel niet ‘geschikt’ wordt gevonden. Een gedragen oplossing is niet per definitie de meest geschikte oplossing.

De tweede ambiguïteit vloeit, volgens Rosanvallon: “voort uit het niet overlappen van twee constitutieve definities van hetzelfde object.” Dat object is ‘het volk’. “Het volk is zowel het korps van burgers, dat naar een idee van eenheid, een vorm van totaliteit verwijst, als een sociale vorm, die diversiteit, pluraliteit en zelfs verdeeldheid impliceert.” Tegenwoordig spelen politici als Wilders en Baudet met die ambiguïteit. Spelen door te spreken over ‘het volk’ als die eenheid terwijl ze slechts een klein deel van de diversiteit van de ‘sociale vorm’ bedoelen. Het volk in de sociale vorm spreekt nooit met één stem en bij onze besluitvorming moet een meerderheid worden gevonden door zoveel onderdelen van de ‘sociale vorm’ achter een voorstel te verzamelen dat er een meerderheid ontstaat. Deze ambiguïteit zal ook in het klimaat ‘burgerberaad’ van de auteurs sluipen. Zoals de auteurs terecht constateren: “bijna iedereen hecht belang aan een gezonde, fijne leefomgeving.” Wat ‘gezond en fijn’ is daar beginnen mensen te verschillen en vooral als het maatregelen betreft om daar te komen, dan verschillen mensen net zo van mening als: “over wat de beste voetbalclub is, wie The Voice moet winnen, en wie de verkiezingen.”

Als derde constateert Roasanvallon ‘functionele asymmetrieën: “Als we in aanmerking nemen dat de democratie het dubbele doel heeft de bestuurders te legitimeren en de bestuurden te beschermen, dan moeten we wel vaststellen dat die twee functies elkaar niet kunnen dekken. De legitimering berust op het vormen van een vertrouwensband tussen bestuurders en bestuurden, terwijl de bescherming van de bestuurden juist uitnodigt tot het organiseren van het wantrouwen” De coronapandemie brengt deze asymmetrie duidelijk naar voren. Maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, roepen veel verzet en wantrouwen op en de legitimiteit van de maatregelen wordt ter discussie gesteld.

Als vierde moeten we democratie zien in haar tijd en ruimte. Volgens Rosanvallon: “is er een duidelijk verschil tussen een democratie op het moment van haar constitutie en een permanente democratie.” Wat democratisch is en welke instituties er nodig zijn verschilt in de tijd. Rosanvallon geeft een voorbeeld: “Op het moment van de Franse Revolutie leek het ondenkbaar om vertegenwoordigers te kiezen voor de duur van meer dan een jaar; bovendien werd er elke week een nieuwe voorzitter van het parlement gekozen!” Naast ‘tijd’ kan ook ‘ruimte’ variëren. Met ‘ruimte’ bedoelt hij dat wat de kern is van de democratie. Rosanvallon: “lange tijd heeft men gedacht dat het gezin de werkelijke school van de democratie was, omdat men in het gezin er het duidelijkst vorm aan geeft. Anderen zeiden dat het lokale niveau de school van de democratie is, omdat de vanzelfsprekendheid van de gemeenschap zich niet hoeft uit te drukken door middel van de oprichting van een institutie. De groep bestaat er direct als gemeenschap.” De recente decentralisatie van verantwoordelijkheden naar gemeenten werd onderbouwd met argumenten in deze lijn. Sinds het midden van de negentiende eeuw is de natie echter dé, om Rosanvallons woord te gebruiken, school van de democratie. Tegenwoordig ondervindt die school concurrentie van een nieuwe supranationale, namelijk de Europese Unie maar ook van het lokale. Bij het aanpakken van de klimaatproblematiek speelt ‘ruimte’ een belangrijke rol. Klimaat trekt zich immers niets aan van door de mens verzonnen ‘fictionele feitelijkheden’ als landsgrenzen.

Als laatste kent democratie, zoals Rosanvallon het noemt: “pluraliteit van vormen en domeinen.” Wat moeten we hieronder verstaan? “De democratie is natuurlijk een politiek stelsel. Maar ze omschrijft ook vormen van burgeractiviteit, die verder reiken dan alleen deelname aan verkiezingen: debat, het woord nemen, informatie, participatie, betrokkenheid. Ze is ten slotte een samenlevingsvorm die gebaseerd is op het project een wereld van gelijken op te bouwen.” Een wereld van gelijken waarbij iedereen betrokken is, iedereen het woord kan nemen, zich kan informeren. Daarvoor is geen apart ‘burgerberaad’ nodig.

Een andere aanpak, zoals het door de auteurs voorgestelde burgerberaad leidt wellicht tot andere resultaten, maar of het er ook voor zorgt dat iedereen zich gehoord voelt? Of het resultaat op draagvlak bij iedereen kan rekenen? Of er niet aan de legitimiteit van de oplossingen zal worden getwijfeld? Of er niet aan de ‘ruimtelijkheid’ zal worden getwijfeld? Het lijkt mij sterk dat een burgerberaad de vijf door Rosanvallon benoemde punten oplost.

De logica van Van Ark

“Jonggehandicapten werken wat vaker dan voorheen maar vooral in tijdelijke baantjes. Voor mensen uit de sociale werkplaats is de kans op werk afgenomen. Voor de oude groep in de bijstand is weinig veranderd.” Deze korte samenvatting van de evaluatie van de Participatiewet door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) geeft de Volkskrant. In de krant een gesprek met verantwoordelijk staatssecretaris Van Ark. In het gesprek maakt de staatssecretaris zich er zorgen over: “Het zorgelijkst vind ik de groep mensen die op de wachtlijst stond voor een plek in een sociaal werkbedrijf. Voor hun moeten de gemeenten nu beschut werk vinden, maar dat gebeurt te weinig. Jonggehandicapten verdienen meer geld door arbeid. Dat is positief, maar hun inkomenspositie is verslechterd. Het doel van de Participatiewet is niet alleen om een uitkering te bieden maar ook uitzicht op werk, liefst vast werk en niet alleen onzekere, tijdelijke banen.” De oplossing van Van Ark: “de vrijblijvendheid moet eraf.” 

Bron: WikimediaCommons

Voor wie moet de vrijblijvendheid eraf? “Om te beginnen voor mijn ministerie. Dat moet gemeenten en werkgevers ondersteunen. In elke regio komt een loket dat hen bijstaat en overal op dezelfde manier werkt.” Vervolgens voor de gemeenten: “Die moeten nu aan de slag met de echt moeilijke groepen. Daar zie ik een lichtpunt. In veel college-akkoorden die na de gemeenteraadsverkiezingen zijn gesloten, staat: we gaan aan de slag met die groep.” Omdat gemeenten dit hebben laten zitten: “ga ik de wet nu zo veranderen dat de gemeenten iedereen die onder de Participatiewet valt een passend, niet vrijblijvend aanbod moeten doen voor het leveren van een tegenprestatie,” aldus Van Ark. En dan zijn we bij degenen waar de echte ‘vrijblijvendheid’ eraf moet: de mensen die zijn aangewezen op deze wet. Want, zo zegt de staatssecretaris: ‘‘Het gaat om wederkerigheid. Iets terugdoen voor de maatschappij.” 

Zou een ‘verplichte tegenprestatie’ er werkelijk voor zorgen dat een werkgever een jonggehandicapte in vaste dienst neemt in plaats van een tijdelijk baantje? Zou een ‘verplichte tegenprestatie’ werkelijk hun inkomenspositie verbeteren? Zou ‘de verplichte tegenprestatie’ werkelijk de kans op werk voor mensen uit de sociale werkplaats vergroten? 

Ik vrees met grote vrezen. Het enige wat er gaat gebeuren is dat kwetsbare mensen nog verder onder druk worden gezet. En waarom? De staatssecretaris: “Er is ook een groep mensen die zegt: ik wil niet werken. Volgens het SCP zijn dat zo’n 50 duizend mensen. Daar moeten we streng tegen zijn, want ik ben ook de staatssecretaris van de belastingbetaler die de uitkeringen betaalt.” Om die achter de veren te zitten moeten zo’n half miljoen anderen onder druk worden gezet en gestigmatiseerd.

Als onderzoek iets uitwijst dan is het dat de jonggehandicapten wel willen, maar dat hen geen vast werk wordt aangeboden. Dat zij door dat willen hun inkomenspositie verslechteren. Dan leert het onderzoek dat het ontbreekt aan passend werk voor mensen uit de sociale werkplaatsen. Zou een ‘tegenprestatie’ eisen van de vragers naar werk helpen om meer aanbod te creëren? Zou de staatssecretaris niet een ‘tegenprestatie’ van de werkgevers moeten eisen? Mag van de werkgevers niet ook ‘wederkerigheid’ worden geëist? Moeten de werkgevers niet ook iets ‘terugdoen voor de maatschappij’?  Zou zij van de overheid niet het goede voorbeeld moeten eisen?

Terrorisme

In de afgelopen vier Prikkers (Wat was en IS 123 en 4) gaf ik een historische schets waarin IS kon ontstaan. In deze Prikker blijf terrorisme het onderwerp. Onze overheid, de Nationaal coördinator terrorismebestrijding (Nctv), omschrijft terrorisme als volgt: “Terrorisme is het uit ideologische motieven dreigen met, voorbereiden of plegen van op mensen gericht ernstig geweld, dan wel daden gericht op het aanrichten van maatschappijontwrichtende zaakschade, met als doel maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen, de bevolking ernstige vrees aan te jagen of politieke besluitvorming te beïnvloeden.” Ook terreurdeskundige Beatrice de Graaf lijkt terrorisme en terreur te zien als afkomstig van groepen die zich met geweld tegen de samenleving afzetten. In haar DWDD college noemt zij terroristen de ‘klunzen’ en de ‘losers van de geschiedenis’. Terreur als wapen van de zwakkeren. 

Door terrorisme en terreur op deze manier te framen blijft een heel belangrijk aspect van terreur buiten beschouwing. Een deel dat wel eens cruciaal zou kunnen zijn bij het bestrijden van terreur. Voor dat deel eerst naar het woord terrorisme. Terrorisme is, volgens de Van Dale: “het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van terreur.” Een ‘daad van terreur’ is, volgens dezelfde Van Dale: “georganiseerd politiek geweld.” Terrorisme is daarmee het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van georganiseerd politiek geweld. 

Bron: wikipedia

Terrorisme kan volgens deze definitie gericht zijn tegen de regering of bevolking. Volgens deze definitie is terrorisme ook georganiseerd politiek geweld van een overheid tegen haar bevolking. De overheid als terrorist? Dat klinkt vreemd in de oren. Toch is het niet zo vreemd als het klinkt. Als we teruggaan naar de oorsprong van het woord terreur dan komen we uit bij la Terreur met een hoofdletter na de Franse revolutie van 1789. In Liberté schreef ik er al iets over. De belangrijkste vertegenwoordiger van het programma dat ten grondslag lag aan de periode die nu la Terreur heet was Maximilian Robespierre en die was, volgens Palmer in Colton in de zesde editie van hun boek A History of the Modern World (pagina 376): “determined … to bring about a democratic republic made up of good citizens and honest men.” Om zover te komen moest men af van ‘slechte burgers’ en ‘oneerlijke mensen.” Hoe doe je dat? “A Committee of General Security was created as a kind of supreme political police. Disigned to protect the Revolutionary Republic from it’s internal enemies, the Terror struck at those who were in league against te Republic, and those who were merely suspected of hostile activities.” En dat was een uitgebreid palet aan mensen: “It’s victims ranged from Marie Antoinette and other royalist to the former revolutionary colleagues of the Mountain, the Girondin leaders; and before the year 1793-1794 was over, some of the old Jacobins of the Mountain who had helped inaugurate the program went also to the guillotine.” in totaal verloren zo’n 40.000 mensen hun hoofd en honderduizenden werden gearresteerd en vastgehouden.

La Terreur, de naam van deze periode is uiteindelijk in de negentiende eeuw als een leenwoord vanuit het Frans in het Nederlandse woordenboek verschenen. Terreur heeft haar naam dus te danken aan geweld van de overheid tegen haar burgers. Burgers die als een bedreiging werden gezien voor de Franse republiek. De Franse revolutionaire republiek is trouwens niet de enige die zich aan dergelijke terreur heeft bezondigd. De Russische, Chinese, Iraanse en anderen deden hetzelfde. Sterker, het lijkt min of meer eigen aan revoluties dat na de omwenteling een periode van terreur volgt. Terreur als middel van de machthebbers tegen de eigen bevolking. Stalin startte in 1934 met wat we nu de ‘grote zuivering’ noemen. Die periode volgde trouwens op een terreurcampagne tegen de ‘koelakken’, de boeren. Hitler startte in dezelfde periode met iets soortgelijks. Na de Rijksdagbrand van 1933 startte hij een terreurcampagne tegen zijn gevaarlijkste vijand, de communisten. Die verdwenen in het gevang en in speciaal ervoor gebouwde concentratiekampen. Kampen die later ook werden gevuld met socialisten en andere bedreigingen voor zijn regime. Mao deed het in China zelfs twee keer, eerst tussen 1952 en 1956 toen iedereen gelijkgeschakeld werd tot ‘nieuwe mens’ en vanaf 1966 onder de vlag van de ‘Culturele revolutie’. 

In de ruim tweehonderd jaar dat we het woord terreur kennen, is de dader ineens het slachtoffer geworden. Door deze bijzondere gedaantewisseling verdwijnt terreur door de overheid buiten beeld. Dit terwijl terreur door de overheid veel gevaarlijker is dan terreur door ‘klunzen en losers van de geschiedenis’. De overheid heeft immers het machtsmonopolie. En zoals ik in het laatste deel van Wat was en IS al schreef, staat de geschiedenis: “bol van ‘gesol’ door de machtigen. De onmachtige reageren op dit gesol, zij moeten zich hiertoe verhouden. De machtigen passen vervolgens hun gesol weer aan aan die reactie.”

Laten we eens met de originele bril van terreur, dus met de overheid als dader, naar reacties van overheden op aanslagen kijken. Na de aanslagen van 11 september verklaarden de Verenigde Staten de oorlog aan ‘terreur’ en Nederland ging hierin mee, net als alle andere westerse landen. Artikel 5 van de NAVO trad in werking: een aanval op één is een aanval op allen. In een oorlog gelden andere regels dan in een normale samenleving. Het normale recht wordt opzij gezet. Als we kijken naar de resultaten dan zien we dat dit tot zeer veel doden heeft geleid, dat past in het frame van een oorlog. In een oorlog schakel je je tegenstander uit en heten toevallige slachtoffers ‘collateral damage’. Het heeft tot heel weinig veroordelingen door een rechter geleid. Ook dat past in het oorlogsframe, daar geldt het oorlogsrecht. En dat werd, zie het voorbeeld van de gevangenen in Guantanamo Bay, zelfs opzij geschoven. 

Bron: Flickr 

Politie, inlichtingen- en veiligheidsdiensten kregen veel ruimere bevoegdheden tot het verzamelen van gegevens over mensen. In de strijd tegen het IRA-terrorisme kreeg de Britse politie in de jaren zeventig via de Prevention of Terrorism Act (PTA) uitgebreidere bevoegdheden waaronder het zonder aanklacht vasthouden van mensen gedurende minimaal 48 uur zonder dat de arrestant aanspraak kon maken op de rechten die een normale arrestant heeft. Neem de nieuwe Wet op de inlichtingen en veiligheidsdiensten (Wiv) in Nederland. Een bijzondere wet. Bijvoorbeeld artikel 39 lid 1: “De diensten zijn bevoegd zich bij de uitvoering van hun taak, dan wel ter ondersteuning van een goede taakuitvoering, voor het verzamelen van gegevens te wenden tot bestuursorganen, ambtenaren en voorts een ieder die geacht wordt de benodigde gegevens te kunnen verstrekken.” Hiervoor hoeven ze zich alleen maar te legitimeren als zijnde van de inlichtingendienst een rechterlijk bevel is niet nodig. Of en zo ja hoe en met welke gevolgen die ‘bestuursorganen, ambtenaren en iedereen die geacht wordt de benodigde gegevens te kunnen verstrekken’ zo’n verzoek naast zich neer kunnen leggen, daar rept de wet niet over.

‘Als je niets verkeerds hebt gedaan, dan hoef je je daar geen zorgen over te maken’. Dat is een veel gehoorde reactie als iemand bezwaren maakt tegen deze extra bevoegdheden voor de overheid. Een argument dat geen hout snijdt. De geschiedenis van de Britse PTA laat zien dat ook onschuldige mensen het slachtoffer werden van deze wet. De Amerikaanse ervaringen met Guantanamo Bay laten iets soortgelijks zien. De Toetsingscommissie inzet bevoegdheden (TIB) die moet toezien op de toepassing van de Nederlandse Wiv constateerde in haar eerste rapport: “De TIB heeft het grootste deel van de verzoeken als rechtmatig beoordeeld. Tegelijk constateert de TIB dat in een aantal gevallen de door de minister verleende toestemming als onrechtmatig is beoordeeld.” Niets verkeerd doen is daarmee geen garantie dat je je ‘geen zorgen’ hoeft te maken. De overleden journalist Willem Oltmans zou erover mee kunnen praten. Hij ontving in 2000 achtmiljoen gulden schadevergoeding van de Nederlandse staat omdat die hem jarenlang had tegengewerkt en zijn reputatie had geschaad. Trouwens, zelfs als dit allemaal feilloos verloopt, dan nog is een overheid zoals de Britse, die mensen zonder aanklacht vasthoudt en die zonder tussenkomst van een rechter informatie over iemand verzamelt, een reden tot zorg. Dergelijk handelen, ook al is het gebaseerd op een wet, staat op gespannen voet met het zijn van een rechtstaat.

Zeker als we wat dieper in de overheid als ‘terorismebestrijder duiken.“Terrorismebestrijding in Nederland richt zich niet alleen op de gewelddaden zelf, maar ook op het traject daarvóór. Aan terroristische daden gaat een proces van radicalisering vooraf. Het streven is om radicalisering van groepen en individuen zo vroeg mogelijk te onderkennen, zodat met behulp van persoonsgerichte interventies voorkomen kan worden dat zij terroristisch geweld gaan plegen.” Zo is te lezen op de site van de Nctv en: “Deze combinatie van preventieve en repressieve maatregelen staat bekend als de ‘brede benadering’ en wordt al lange tijd met succes in Nederland toegepast.” Veiligheidsdiensten die radicalisering zo vroeg mogelijk willen onderkennen omdat het vormen van radicale gedachten een voorstadium kan zijn van het toepassen van geweld. Nu is radicaal een rekbaar begrip. Radicaal is volgens Van Dale: “iemand die verregaande hervormingen wil.” Maar wie bepaalt wat radicaal is? Wat voor de een een vergaande hervorming is, is voor de ander een eerste kleine stap in een bepaalde richting. Zo kun je met recht en rede betogen dat een pleidooi voor een basisinkomen een verregaande hervorming is. Het staat immers haaks op de gangbare opvattingen over de rol van onze sociale zekerheid. Een werkloosheidsuitkering stond echter ook jarenlang haaks op de gangbare opvattingen. Zelfs een democraat was eeuwenlang een radicaal. 

Iedereen loopt dus het risico om te worden gezien als radicaal en dus als potentieel subject van bemoeienis door de overheid. De Nctv hierover: Tegenwoordig gaat de grootste dreiging uit van een mondiale politiek-religieuze strijd: het jihadisme. Maar ook terrorisme uit andere hoeken, bijvoorbeeld rechtsextremisme, wordt tegengegaan. Het uitgangspunt is dat terrorisme dient te worden voorkomen en bestreden, ongeacht de ideologische achtergrond.” Daar waar de overheid van dader, slachtoffer van terreur is geworden, wordt de burger van slachtoffer potentieel dader. Een bijzondere positiewisseling waardoor terreur door de overheid niet lijkt te bestaan, terwijl dat de grootste bedreiging voor onze vrije, open, democratische en inclusieve rechtstaat is.

Natuurlijk moeten we proberen om te voorkomen dat verschrikkelijke aanslagen zoals die in New York, Londen, Parijs, Madrid, Berlijn enzovoorts worden gepleegd. Dergelijke aanslagen brengen veel leed met zich mee. Het zijn en blijven, om De Graaf te citeren, ‘klunzen en de losers van de geschiedenis’. Klunzen en losers die niet van ons kunnen winnen, maar waar we wel van kunnen verliezen’ om die spreuk van Johan Cruijff nog maar eens te gebruiken. Overheidsacties gericht tegen groepen mensen en waarbij de groep niet duidelijk is afgegrensd, herbergen het risico om uit te draaien op terreur door de staat. Ervaringen uit het verleden laten zien dat er niets zo vernietigend is voor een samenleving als terreur door een staat tegen inwoners.

Bron: Wikipedia

Zoals al aangegeven, zijn er weinig daders van terrorisme voor de rechter verschenen. Deels omdat ze zichzelf van het leven beroofden en deels omdat ze werden gedood door veiligheidstroepen. Dat is jammer omdat de kracht van onze rechtstaat juist de rechtspraak zou moeten zijn: het eerlijke proces. Dat zou ook zo moeten zijn voor de partners van IS strijders die zijn nagereisd naar Syrië en Irak. Deze partners en hun kinderen wordt het nu bijna onmogelijk gemaakt om naar Nederland terug te keren. Dit terwijl zij in bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit. Zo laten we de sterke kant van onze rechtspraak onbenut en dat is een eerlijk proces, het uitzitten van straf en vervolgens weer als vrij burger genieten van de voordelen van onze vrije, open, inclusieve, democratische samenleving. Door te laten zien dat je fouten mag maken, maar dat je na je straf er weer bij hoort.

De weg naar winst maakt gebruik van en versterkt ondertussen de belangrijkste kenmerken van die vrije, open, democratische en inclusieve rechtstaat. Dat doet zij door mensen die geweld gebruiken op te sporen en volgens de normale procedures van het gewone strafrecht te  berechten. Dat doet zij door alle opvattingen en ideeën een plek te geven in het openbare gesprek en debat. Dat doet zij door uit te stralen dat iedereen erbij hoort. Dat doet zij door, zoals ik in Fraternité schreef, door vrijheid, gelijkheid en broederschap op een evenwichtige manier met elkaar te verbinden. Dat doet zij niet door het frame van de ‘oorlog tegen terrorisme’. Dat doet zij ook niet door de roep om meer en verdergaande bevoegdheden voor de overheid in de ‘strijd tegen terrorisme’. Dat doet zij niet door een overheid die zich via een Nctv gaat bezighouden met het denken van mensen en hun al dan niet ‘radicale’ opvattingen. Dat zijn maatregelen waardoor we ‘van ze kunnen verliezen’.


Samen

 Wie het nieuws een beetje heeft gevolgd, weet dat staatssecretaris Blokhuis van Volksgezondheid vorige week zijn ‘finest hour’ beleefde. Het Nationaal Preventieakkoord werd namelijk ondertekend. Patiëntenorganisaties, zorgaanbieders, zorgverzekeraars, gemeenten, sportbonden, bedrijven, fondsen onderwijs, maatschappelijke organisaties en Blokhuis als vertegenwoordiger van het Rijk, zetten een handtekening onder het akkoord. Doel van het akkoord: “het terugdringen van roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik.”  Natuurlijk is het goed om mensen te wijzen op de gevolgen van drank, drugs en suiker. Toch is er iets in het akkoord wat vragen oproept.

Foto: wikipedia

Die vragen ontstonden na het lezen van de volgende passage in de inleiding van de publieksversie. “Alle kinderen hebben recht op een goede start. Een start waar zij een leven lang profijt van hebben. Volwassenen willen lang actief zijn en fit hun pensioen halen. Langer in goede gezondheid leven. Dan kunnen mensen blijven meedoen aan de samenleving. Wie wil dat nou niet?” Inderdaad, wie wil er niet gezond blijven? Wie wil er niet dat kinderen een goede start krijgen waarvan zij een leven lang profijt hebben? Wie wil er niet fit zijn pensioen halen? Dit wordt natuurlijk wel steeds lastiger als de de pensioendatum steeds verder weg schuift.

Alleen is het niet iedereen gegeven om fit het pensioen te halen en gezond te blijven. Soms helpt veel sporten, gezond eten niet en word je toch ziek, zwak of misselijk. Als je dat overkomt, doe je dan niet meer mee aan de samenleving? Doe je alleen mee aan de samenleving als je fit en gezond bent en zo je pensioen haalt? Want dat is wat er wordt gezegd met de zin: “Dan kunnen mensen blijven meedoen aan de samenleving.”

Ik hoop maar dat de staatssecretaris en de andere ondertekenaars van het Preventieakkoord het zo niet bedoelen. Als dat zo is, dan zou ik hen willen adviseren om toch eens wat zorgvuldiger na te denken over wat ze schrijven. Het zijn maar woorden, maar woorden kunnen net zo hard of nog harder zijn dan een stenen muur. Woorden zoals deze sluiten uit.

Holland, Michigan

Toen ik Willem Melchings pleidooi in de Volkskrant voor een ‘Leitkultur’ las, moest ik denken aan Holland in Amerikaanse staat Michigan. In die plaats ‘spelen’ ze het Nederland uit vroeger jaren na compleet met bouwstijl, klederdracht en tulpenfestival. Een stadje gesticht door naar de Verenigde Staten geëmigreerde Hollanders.

Dutch_Dancers,_Holland,_Michigan_(81444)

Illustratie; Wikimedia Commons

Volgens Melching is die ‘Leitkultur’ nodig omdat een multiculturele samenleving: “op termijn hun samenhang verliezen door het ontbreken van gemeenschappelijke waarden en normen.”  Volgens Melching zou die ‘Leitkultur’ moeten bestaan uit: “kernwaarden die sinds 1945 typerend zijn voor de Europese politieke cultuur. Om de belangrijkste te noemen: democratie en tolerantie, scheiding van kerk en staat, gelijkwaardigheid van vrouwen en seksuele minderheden.” Volgens Melching zijn Canada en de Verenigde Staten voorbeelden van landen die hier heel goed in slagen. Een op het eerste gezicht logisch betoog. Maar hoe zit het met met het tweede gezicht? 

Als we naar de kernwaarden van Melchings ‘Leitkultur’ kijken dan valt op dat die allemaal zijn verwerkt in onze wet- en regelgeving. Alleen op het gebied van de scheiding tussen kerk en staat is er nog wat werk aan de winkel. Als die kernwaarden een voorwaarde voor een succesvolle multiculturele samenleving en voor een succesvolle inburgering van nieuwkomers, waarom spreken zovelen dan van een mislukking? Zou het dan misschien aan het overbrengen van die kernwaarden op nieuwkomers liggen? Dan zou de inburgeringscursus anders moeten. 

Zou het gevoel van ‘mislukken’ een andere oorzaak hebben? Zou dat gevoel van mislukken niet een gevolg kunnen zijn van het nooit kunnen voltooien van de ‘inburgering’? Wat zou het met iemand doen die de inburgeringscursus heeft gevolgd, het inburgeringsexamen heeft gehaald, de participatieverklaring in het bijzijn van de burgemeester heeft ondertekend en betaald werk heeft en maar één koekje bij de thee of koffie serveert en dan nog steeds te horen krijgt dat hij een buitenlander is en er niet bijhoort? 

Zonder die ‘leitkultur’: “zullen de nieuwkomers zich opsluiten in zelf gecreëerde getto’s.” aldus Melching, die zich baseert op een theorie van de Duits-Syrische politicoloog Bassam Tibi. Nu zijn ook de Verenigde Staten ook niet vrij van gebieden waar mensen met eenzelfde land van herkomst samenklonteren, daarom mijn gedachte aan Holland in Michigan. Het is daarom maar de vraag of een ‘Leitkultur’ dat hier gaat voorkomen.

Die ‘Hollanders’ in Michigan horen er nu bij met behoud van hun eigen ‘oud Hollandse cultuur’ en hun stadje is toeristische attractie. Zo zie je maar dat een ghetto ook tot iets moois kan uitgroeien.

‘Ben ik in beeld?’

Als politicus van tegenwoordig moet je je best doen om gezien en gehoord te worden. Blijf je ongezien dan loop je het risico dat je partij je niet meer op een verkiesbare plaats zet.Gezien worden dat kan door het   stellen van vragen. Er zijn kamerleden die daar kampioen in zijn. Die kijken ’s avonds naar bijvoorbeeld een documentaire, een achtergrondreportage of naar de Pauwen en Jinekken. Horen ze daar iemand met verontwaardiging over spreken, dan kan de minister van het betreffende onderwerp de volgende dag een serie kamervragen tegemoet zien. Die gaan dan weer vergezeld van een persbericht in de hoop dat de media er kond van doen dat het betreffende kamerlid vragen heeft gesteld.

hekking

Illustratie: YouTube

Een andere manier is door ‘harde’ of strenge maatregelen voor te stellen om ongewenst gedrag te voorkomen. Tegenwoordig schijnen harde maatregelen tegen vluchtelingen of migranten het ook goed te doen. Mooi voorbeeld hiervan is VVD-Kamerlid Bente Becker. Bij TPO is een filmpje van een interview met haar te zien waarin ze de onwillige migrant streng toespreekt. Ze ‘scoort’ hiermee zowel op het punt van ongewenst gedrag als op maatregelen tegen migranten.

“Ik wil dat meedoen nog maar de enige optie is voor mensen. Dus dat ze de taal moeten leren, dat ze moeten werken. Dat dit ook normaal is vanaf dag één en dat er ook consequenties zijn als ze dat niet doen.” In het gesprek meldt Becker dat haar partij en het CDA gaan voorstellen nog een ‘extra consequentie toe te voegen’. Welke? “Dat mensen pas mogen stemmen in hun gemeente als ze daadwerkelijk hebben laten zien dat ze willen inburgeren.”  Je mag aan gemeenteraadsverkiezingen meedoen als je 18 jaar of ouder bent, in een gemeente woont en je: “de Nederlandse nationaliteit of de nationaliteit van een ander land  van de EU (hebt). Of (…) een geldige verblijfsvergunning (hebt) en (je) verblijft  minimaal 5 jaar legaal in Nederland.” Je inburgeringsexamen moet je binnen drie jaar halen.

Belangrijker. Hoe laat je voldoende zien dat je ‘wilt inburgeren’? Wie bepaalt wat voldoende is en wat niet? Zoals de Kamerleden ook weten, is iedereen die zich in Nederland bevindt voor de wet gelijk. Wat stelt Becker voor te doen met Nederlandse staatsburgers die op eenzelfde punt ‘onvoldoende’ meedoen?  Wordt hen ook het stemrecht voor de gemeenteraad ontnomen? Of moeten die maar ‘op pleuren’ om premier Rutte aan te halen.

Loondispensatie, werkbonus of …?

“Noem dat dan ook geen sociale dienst meer, en stort dat geld op de rekening onder de noemer ‘werkbonus’ (wat het is) in plaats van uitkering (wat het niet is).” Een van de laatste zinnen uit de wekelijkse column Het spel en de knikkers van Frank Kalshoven in de Volkskrant. In zijn column breekt Kalshoven een lans voor de ‘loondispensatieplannen’ van Staatssecretaris Van Ark. Die plannen komen er in het kort op neer ‘arbeidsgehandicapten’ te betalen voor dat wat ze ‘produceren’ en dat kan minder dan het minimumloon zijn. Voor een aanvulling moeten ze bij de gemeente zijn die hen daar bovenop uitkeert tot het minimumloon wordt bereikt. Volgens Kalshoven is het hoge minimumloon het probleem: “Dit klinkt sympathiek, en zo is het ook bedoeld, maar het heeft als onbedoeld nadeel dat wie dat niet kan terugverdienen voor een werkgever, werkloos thuis op de bank belandt.”

Sociale werkvoorziening

Foto: PxHere

Zou zo’n ‘vernoeming’ werkelijk helpen? Zo zijn ‘ombuiging’, ‘besparing’ en ‘herprioritering’ andere woorden voor bezuinigingen. Voor degene die het betreft voelt het waarschijnlijk allemaal hetzelfde. Zou, als ‘arbeidsgehandicapte, een ‘werkbonus’ werkelijk anders ‘voelen’ dan een uitkering?

Toch is het een interessante gedachte. Laten we die gedachte in gedachte eens een stap verder voeren. Als we werkelijk willen dat het voor de betreffende mensen niet anders voelt, waarom dan niet een ‘werkbonus’ voor iedere volwassene? Een werkbonus ter hoogte van bijvoorbeeld het huidige bijstandsniveau. Een werkbonus die je door te gaan werken kunt aanvullen tot het minimumloon, modaal of een topsalaris?

‘Onbetaalbaar en onnodig’ zal menigeen roepen. Waarom zou bijvoorbeeld de topman van ING nog een werkbonus moeten krijgen bovenop zijn toch al veel te hoge salaris? Wat als de bijverdiensten onbelast zijn totdat iemand het minimumloon behaalt? En wat als die topman er ondanks die werkbonus netto niets op vooruitgaat en misschien zelfs wel wat op achteruit? Als hij die werkbonus gewoon terugbetaalt door een verhoging van de inkomstenbelasting? Zou dat niet ook een flinke besparing op de uitvoering van de sociale zekerheid betekenen?

Wat belangrijker is, als we Kalshoven volgen, dan zouden er bijna geen ‘arbeidsgehandicapten’ meer zijn. Zij die dan nog wel tot die groep behoren, die echt niet kunnen werken, daar maken we een aparte regeling voor. Lijkt dit niet verdacht veel op een basisinkomen?

Startkwalificatie funest

“Het CPB: ‘Jongeren met een mbo 3-diploma in ons cohort hebben nog vaker een baan’ dan jongeren met alleen een startkwalificatie. Eerst maar eens een einde maken aan het grootste probleem: geen jongere van school zonder startkwalificatie.” De laatste zinnen van Frank Kalshoven in zijn wekelijkse column in de Volkskrant van zaterdag 17 februari. Kalshoven reageert op een rapport van het Centraal Planbureau waarin verslag wordt gedaan van het wedervaren van de ‘jaargang MBO 2006’. Uit dit onderzoek blijkt dat eenvijfde geen diploma heeft behaald en eenvijfde een mbo 2 diploma en dus een startkwalificatie. Zonder diploma kom je heel lastig aan het werk en met mbo 2 houdt het ook niet over, aldus het rapport.

graduation-995042_1920

Illustratie: pixabay.com

Terecht maakt Kalshoven zich druk om die jeugdigen die het mbo zonder diploma verlaten. Zou het daarbij helpen om als doel te stellen dat geen jongere van school mag zonder startkwalificatie? Als het stellen van het doel het probleem zou oplossen, dan zou het probleem al opgelost moeten zijn. Het beleid van de overheid is immers: niemand van school zonder startkwalificatie. Precies dat wat Kalshoven adviseert.

Als je op startkwalificaties wordt afgerekend, dan ga je op startkwalificaties sturen. Voor een groot deel van de jeugdigen is dit geen probleem, ze halen dat zonder al te veel problemen en veelal zelfs op hun sloffen. Voor een klein deel, eenvijfde van mbo-leerlingen, is dit wel een probleem. Dat probleem zou wel eens kunnen zijn dat zij het niveau niet hebben om een startkwalificatie te halen.

Op basis van het CPB-rapport beschrijft Kalshoven deze groep wat nader. In die groep: “zijn de mbo-instromers die niet direct van het voortgezet onderwijs kwamen oververtegenwoordigd. De schoolloopbaan van deze jongeren liep in het primair en voortgezet onderwijs al niet op rolletjes, en het mbo slaagt er maar bij een deel van de studenten in dit te repareren.” Inzet gericht op een ‘hopeloze missie’? Als alle inzet erop erop is gericht om iets te laten halen wat ze niet kunnen halen, is die inzet dan niet gericht op een ‘faalervaring’?

Zou juist het doel niet het probleem zijn? Zou het helpen als we het doel anders formuleren? Als het doel van al het onderwijs is om jeugdigen een bij hen passende plek te laten vinden in de samenleving? Niet een diploma maar een passende plek in de samenleving? Zou dat tot tot meer ‘maatschappelijk rendement’ leiden? Belangrijker, zou dat tot meer geluk leiden voor de betreffende mensen?

“Het criterium ‘startkwalificatie’ doet z’n werk aardig,” zo luidt de titel van Kalshovens column. Voor het grootste deel van de jeugdigen gaat dit op, alleen voor de meest kwetsbaren niet. Zou voor deze jeugdigen niet gelden: ‘startkwalificatie funest’?

Wie faalt er?

Frank Kalshoven besteedt in zijn Het spel en de knikkers aandacht aan een experiment van de gemeente Veldhoven. Een experiment waarbij de begeleiding van statushouders aan private investeerders wordt gelaten. Die zorgen voor de begeleiding en als het hen lukt om de statushouder twee jaar uit de bijstand te houden, dan krijgen ze zes keer het bijstandsbedrag als beloning. Lukt dit niet, dan krijgen ze niets. 

succes

Illustratie: PxHere

Kalshoven schetst drie reacties. Als eerste de ‘schande’ reactie: “Dit is het toppunt van economisering van de samenleving en de afbraak van onze collectieve voorzieningen.” Als tweede de ‘goed zo’ reactie: “Niets werkt zo heilzaam als marktwerking, met sterke financiële prikkels voor investeerders om resultaat te boeken.” En als laatste de afwachtende, onderzoekende’ reactie: “Interessant, vertel verder.” Hij beveelt de derde aan: “Omdat markten en prikkels vaak falen. En omdat de overheid er vaak niet in slaagt te organiseren wat we willen. Marktfalen én overheidsfalen zijn alomtegenwoordig en daarom moeten we, zonder vooroordelen, kijken naar wat werkt.”

Dat zou ook mijn reactie zijn, maar het gaat mij niet om de statushouders en het Veldhovense experiment. Het gaat mij om ‘marktfalen’ of ‘overheidsfalen’. Van ‘falen’, als je het zo wilt noemen, is sprake als een gesteld doel niet wordt gehaald. In deze casus is dat het aan het werk krijgen van een statushouder of wat breder getrokken, een bijstandsgerechtigde. Als je het zo benadert, dan schiet de overheidsbenadering tekort. Immers iedere bijstandsgerechtigde is dan een bewijs van dat falen. In Veldhoven geven ze nu ‘de markt’ de kans. Nu is het niet ondenkbeeldig dat er ook dan nog statushouders zullen zijn die een beroep zullen gaan doen op de bijstand, faalt de markt dan?

Wat moeten we dan doen als zowel de overheid als de markt faalt? Een mix maken? Zal ook die aantonen dat er statushouders zijn die hun weg vinden en anderen die dat niet doen? Zou het aan de doelstelling kunnen liggen? Aan het uit de bijstand krijgen van mensen? Dat er geen sprake is van ‘markftalen’ noch van ‘overheidsfalen’? Moeten we na jaren van ‘bijstand’ en pogingen om mensen eruit te krijgen, niet concluderen dat op de ‘markt’ niet voldoende plekken zijn voor iedereen?