Uitgelicht

Winnen door te verliezen

“Dat leidt tot een pleidooi voor ‘bescheidenheid’ aan het adres van politici, beleidsmakers en bestuurders. Durven zij te vertrouwen op een goed verloop van ontmoetingen tussen professionals en burgers? En kunnen ze accepteren dat hun normatieve aannames over wat een menswaardig bestaan is ook níet kunnen kloppen?” Met die vragen begint de laatste alinea van een artikel van Willemijn van der Zwaard op de site Sociale Vraagstukken. Van der Zwaard schrijft over de spanning in de verzorgingsstaat die: “vanwege zijn bureaucratische grondslag enerzijds goede papieren om niet te vernederen, maar (…) anderzijds risico’s van ‘institutionele vernedering,’ kent. In mijn dagelijkse praktijk als beleidsmaker in wat het sociale domein wordt genoemd, houdt de vraag over de bescheidenheid van politici en beleidsmakers mij ook al jaren bezig. In deze Prikker neem ik jullie mee in een ‘veranderkundige kijk’ op deze vraag. Dit doe ik aan de hand van het ‘kleurendenken’ van Leon de Caluwé en Hans Vermaak.

Eigen foto

Eerst ga ik wat nader in op de opgave waar gemeenten voor staan.  De wetgever, de rijksoverheid, heeft sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw steeds meer verantwoordelijkheden binnen dat sociaal domein naar de gemeenten verschoven, of met het hiervoor in overheidskringen gebruikte woord gedecentraliseerd. Na de Wet voorzieningen gehandicapten en de Algemene bijstandswet volgde begin deze eeuw de eerste Wet Maatschappelijke ondersteuning en in 2015 met een ‘grote klap’ een vernieuwde en uitgebreide Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet en de Participatiewet. Ik zie gemeenten, maar ook het rijk, worstelen met de diverse wetten maar vooral met de centrale opgave erachter die ‘transformatie’ wordt genoemd. “Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving. Wanneer mensen zelf vorm geven aan hun toekomst, voegen zij niet alleen waarde toe aan hun eigen leven, maar ook aan de samenleving als geheel. Zo blijven Nederlanders samen bouwen aan een sterk land van zelfbewuste mensen.[1]Deze woorden sprak koning Willem Alexander in zijn eerste troonrede in 2012. Dat is het doel: Nederland moet een ‘participatiesamenleving’ worden. Maar wat is een participatiesamenleving? En waarin verschilt die van hoe we het nu doen? Wachten mensen nu dan tot iemand anders (de overheid) verantwoordelijkheid neemt voor hun leven? Die vragen kun je je hierbij stellen maar die ga ik hier niet beantwoorden. Voor het gemak ga ik hierin mee. Want zelfs als het niet zo is dan zijn er wellicht goede redenen aan ‘maatschappijontwikkeling’ te doen en de kracht van de gemeenschap, want daar hebben we het dan over, te versterken.

Dan het ‘kleurendenken van De Caluwé en Vermaak. Voor degenen die er alles van willen weten, lees hun boek leren Veranderen. Een handboek voor veranderkunde. Voor wie iets minder tijd heeft, lees het artikel Denken over veranderen in vijf kleuren[2]. Een artikel waarin de kern van het model wordt uitgelegd. De Caluwé en Vermaak zien vijf mogelijke manieren om naar een organisatieverandering te kijken en voor dit artikel zie ik onze samenleving als een organisatie. Iedere manier geven ze een kleur die ik hieronder kort beschrijf.

Geeldrukdenken

Heeft te maken met de symboliek van macht (‘de zon’ ‘het vuur’) en van de aard van coalitievorming (broedprocessen bij de openhaard). Gele mensen gaan er vanuit dat er wordt veranderd als: belangen bij elkaar worden gebracht, als je mensen kunt dwingen tot het innemen van (bepaalde) standpunten/meningen, win-win situaties kunt creëren/coalities kunt vormen de voordelen kunt laten zien van bepaalde opvattingen (macht, status, invloed) de neuzen kunt richten. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als macht, haalbare oplossing, coalitie, win/win en onderhandelen.

Blauwdrukdenken

De uitkomst staat van tevoren vast, is goed te omschrijven en te garanderen. De blauwdruk staat voor het van tevoren gemaakte ontwerp/de tekening (vaak een ding/object) die vervolgens wordt gerealiseerd/geïmplementeerd. Blauwe mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je van tevoren een duidelijk resultaat/doel formuleert een goed stappenplan maakt van A naar B, de stappen goed monitort en op basis daarvan bijstuurt, alles zoveel mogelijk stabiel houdt en beheerst en de complexiteit zoveel mogelijk reduceert. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als rationeel, meten=weten, stappenplan, monitoren, projectmatige aanpak, ontwerpen en voorspelbaarheid.

Rooddrukdenken

Het gaat hier om de mens, met de kleur van menselijk bloed. De mens moet worden beïnvloed, verleid en uitgelokt. De ‘Rode’ Mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je ze op de juiste manier prikkelt, bijvoorbeeld door straf- of lokmiddelen, geavanceerde HRM-instrumenten inzet voor belonen, motiveren, promoveren. Als je mensen iets teruggeeft voor wat zij jou geven. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als ruilen, ‘fit’, relaties, belonen en straffen, sociale setting en HRM-systemen.

Groendrukdenken

Het gaat hier om ideeën, om mensen (met motivatie en leervermogen) aan het werk te krijgen, het ‘groene licht’ te geven. Het gaat hier om ‘groeien’ zoals het groen van de natuur. ‘Groene’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je ze bewust maakt van nieuwe zienswijzen/ eigen tekortkomingen (bewust onbekwaam), als je ze kunt motiveren om nieuwe dingen te zien/te leren/te kunnen, als je geschikte gezamenlijke leersituaties kunt creëren. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als leren, coachen, ontwikkelen, motivatie, leervermogen en bewust onbekwaam.

Witdrukdenken

Wit omvat alle kleuren, het vertegenwoordigt de zelforganisatie en het evolutie-denken. ‘Alles is nog open’ en biedt dus alle ruimte voor invulling. ‘Witte’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als het de wil en wens en de ‘natuurlijke weg’ van de mens zelf is, als het betekenis toevoegt, als het drijft op de eigen energie van mensen, als men de dynamiek/complexiteit wil zien en eventuele blokkades wegneemt. Als er symbolen en rituelen worden gebruikt. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als panta rhei, evolutie, dynamiek, complexiteit, zelforganisatie, creativiteit en exploratie.

Laten we eens kijken wat de opdracht vraagt. De opdracht vraagt om ruimte te geven om ‘duizend bloemen’ te laten bloeien ook al zullen verschillende van die bloemen wegkwijnen. De opdracht vraagt om ‘leren’ en nieuwe ‘betekenis ontwikkelen’ en dit ‘delen’ (groendruk) maar ze vraagt vooral om ‘loslaten’ en ‘dynamiek’ ontwikkelen (witdruk). Om de kracht van een ieder tot ontplooiing te laten komen ook al werken verschillende ‘krachten’ elkaar tegen. Dit vraagt om een ‘veranderaar (in dit geval een overheid) die ‘mensen in beweging’ wil krijgen (groendruk) en een stap verder, een veranderaar die ‘ruimte creëert voor verandering’ door onder andere de kracht van mensen, hun ‘innerlijke zekerheid’ aan te spreken (witdruk). Een veranderaar die ‘leersituatie kan creëren’ en die ‘mensen motiveert tot leren’ (groendruk). Maar die vooral niet bang of ‘onzeker wordt’ van ‘dynamiek’ (witdruk).

Als we kijken naar de overheid en haar opereren, wat zien we dan? Dat overheden en dus ook gemeenten een voorkeur hebben voor geel- en blauwdrukdenken hoeft niet te verbazen. Geeldrukdenken is politiek bij uitstek en gemeenten zijn politieke instituten. Politieke instituten waarbij, zeker sinds de dualisering van het gemeentebestuur begin deze eeuw, politiek handelen en opereren dominant is. Door het college geen onderdeel meer te laten zijn van de gemeenteraad is het politieke karakter van de gemeente versterkt. En politiek is, ondanks termen als win-win , compromis enzovoorts toch bij uitstek een slagveld waar de winst van de een het verlies van de ander is. De andere kant van ons bestuurlijke systeem is dat er verantwoording afgelegd moet worden en daarvoor is blauwdrukdenken uitermate geschikt. Maar er is meer.

Overheden denken in structuren omdat die zekerheid lijken te geven, ze stralen betrouwbaarheid uit. Structuren in de vorm van harkjes (organisatiestructuren), piramides, lijnen  0e, 1e en 2e lijn) zijn voorbeelden van blauwdruk denken. Structuren met duidelijke overgangs- en overdrachtsmomenten die worden gemarkeerd door documenten die je toelaten tot de volgende stap in de hark, piramide of lijn. Centraal in de decentralisaties stonden tot nu toe die structuren. Structuren om ‘zekerheid’ te bieden en risico’s te beperken maar ook tot bureaucratie leiden. De transformatieopgave vraagt, zoals we zagen, echter wat anders. Liggen de kritische succesfactoren niet ergens anders dan in structuren? Liggen die niet in wat we ‘cultuur’ noemen? In hoe mensen met elkaar omgaan, in hun houding. Neem als voorbeeld de ‘sociale wijkteams’ die als paddenstoelen uit de grond zijn geschoten. In Leeuwarden en Enschede begon men er meer dan tien jaar geleden mee om mensen met grote, complexe problemen te helpen. Te helpen buiten de toenmalige structuren omdat die hulp binnen de structuren niet werkte of zelfs niet mogelijk was. Hiermee werden successen geboekt en de club van creatieve mensen met pionierseigenschappen werd het ‘wijkteam’ genoemd. Vervolgens begon het wijkteam aan een opmars en werd het de nieuwe structuur om alle problemen op te lossen. Het ‘middel’ werd gekopieerd en het wijkteam werd de nieuwe structuur en werd de oplossing van het probleem. Maar of ook de creatieve pionierseigenschappen werden gekopieerd? Of werd oude wijn in een nieuwe zak geschonken?

Nu kunnen structuren helpen maar ook hinderen. Gesleutel aan structuren zorgt in ieder geval voor onzekerheid bij de betrokken mensen. In geval van een gemeente zullen burgers zich afvragen wat het voor de dienstverlening aan hen betekent. De betrokken medewerkers stellen zich andere vragen: heb ik nog werk, waar werk ik, wie stuurt mij aan, waar kan ik terecht voor … . Structuren ondersteunen als mensen er invloed op hebben, ze zelf dragen en uitdragen. Het Braziliaanse bedrijvenconglomeraat Semco van de ondernemer Ricardo Semler laat zien wat je kunt bereiken door medewerkers zelf verantwoordelijk te maken, door aan de cultuur te werken. Verantwoordelijk voor hun salaris, hoe ze het werk doen, wie hun leidinggevend is (of die wel nodig is), wanneer ze werken en wanneer niet[3]. Dit lukt Semco zelfs bij volcontinu draaiende productielocaties. Dichterbij, in Nederland en in de zorg, laat Jos de Blok met Buurtzorg zien dat ook de zorg zich leent voor hele lichte structuren die door medewerkers zelf worden gedragen. Besteden we niet veel te veel aandacht aan structuren en vergeten we niet juist de cultuur? Is transformatie niet juist cultuur en zou het kunnen dat we met een structuuraanpak en structuurdiscussies juist de cultuurveranderaars vervreemden?

Een tweede vorm van blauwdruk betreft de risicobeheersing. Een klein stukje geschiedenis over risicobeheersing. Het Belgische fort van Eben Emael. Na een redelijk snelle doortocht van de Duitse troepen in 1914 trok de Belgische regering in de jaren twintig de conclusie dat de oude forten gemoderniseerd moesten worden. Nu is redelijk snel een relatief begrip omdat het voor de troepen van het Duitse keizerrijk te traag was, dit even terzijde. Moderniseren dus en de zwakheden van 1914 eruit halen. Een van die zwakheden was het zogenaamde ‘gat van Visé’. De Duitsers waren in 1914 via dit gat tussen het Belgische Visé en de Nederlandse grens door België ingetrokken. Dit gat werd gedicht met het fort van Eben Emael. Het ‘moeder aller forten’ was volgens militaire experts onneembaar en daarmee hadden de Belgen alle bekende risico’s beheerst. Toch werd dat onneembare fort in 1940 binnen een kwartier uitgeschakeld. De Belgen hadden er niet mee gerekend dat Duitse paratroepen en zweefvliegtuigen wel eens op het fort konden landen om het zo van binnenuit uit te schakelen. Het ontbrak aan luchtafweergeschut. Laat de Duitsers nu juist op dat idee zijn gekomen. Dit voorbeeld laat zien dat overheden risico’s het liefst willen uitsluiten en als dat niet lukt dan ze toch op zijn minst beheersen. Risico’s in het sociale domein worden ook beheerst via ‘forten’ zoals handelingsprotocollen, verantwoordingssystemen, volgsystemen, waarschuwingssystemen (zoals de Verwijsindex) en productbeschrijvingen. Alleen kunnen die de risico’s nooit helemaal voorkomen en zelfs niet beheersen. Bovendien worden hiermee alleen bekende risico’s ‘beheerst’. Die protocollen en procedures compleet met hun prikkels vormen het denk- en handelingskader van zorgorganisaties en zorgprofessionals maar ook van de overheden, hun medewerkers en voor een belangrijk deel ook voor de burgers.

De opgave vraagt echter wat anders. Die vraagt niet om ‘geel-blauw’ maar ‘wit-groen’. De nu dominante ‘geel- blauwe’ aanpak is een voorbeeld van wat John Cassidy in zijn boek Wat als de markt faalt rationele irrationaliteit noemt: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigenbelang op de markt tot resultaten leidt die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.[4] Vanuit het gele en blauwe denkkader van de gemeenten wordt er heel rationeel gehandeld en is alles logisch te verklaren, maar maakt dat het resultaat ook ‘rationeel? De overheid probeert te transformeren via wetgeving die zich vooral bemoeit met de structuur. Het Rijk schuift verantwoordelijkheden van de ene naar de andere overheid en stuurt via de voor– en de achterkant. Via de voorkant door zaken vast te leggen in wet- en regelgeving en via de achterkant via benchmarks en verantwoordingsinstrumenten. Dus op een geel, blauwe manier.

Een groot probleem omdat geel en blauw dominant zijn en andere kleuren overheersen. Geel en blauw spelen, volgens De Caluwé en vermaak, een andere wedstrijd. “Geel en blauw zijn gebaseerd op de ‘oorlogs’-metafoor, waarbij er maar twee uitkomsten zijn: winnaars en verliezers. Als je niet wint, ben je een verliezer.” De andere kleuren zien de wereld heel anders, die: “zijn meer gebaseerd op de harmoniemetafoor, waarbij wordt getracht te voorkomen dat er verliezers zijn en er wordt gestreefd naar groei en zorg. De boodschap is dat iedereen mee moet kunnen, dat we niemand achterlaten, dat mensen gesteund worden en zo verder.” Op een geel, blauw strijdperk staan de andere kleuren op een onoverbrugbare achterstand.

Voor mensen die geel en blauw denken is het een hele stap om te erkennen dat hun in eigen ogen rationeel gedrag (mede) verantwoordelijk is voor irrationele resultaten. Om tot de passende witte en groene aanpak te komen, moeten ze in feite hun nederlaag erkennen. Ze moeten ‘verliezen’ en dat doet pijn want dan ‘wint’ een ander omdat winst immers altijd gepaard gaat met verlies. Zij moeten inzien dat het transformatiedoel dat ze zich hebben gesteld alleen is te bereiken en dus in ‘winst’ is om te zetten als zij ‘verliezen’. Iets wat voor hen voelt als afstand doen van hun toppositie op de ‘apenrots’. Daarbij kan het helpen dat die overheid nooit bedoeld is als ‘apenrots’ maar als een instituut dat ten diensten staat aan de burger. De dienstbare overheid pakt zaken op die burgers niet zelf kunnen of waarbij samenwerking tot betere resultaten leidt. Daarbij kan het helpen als ze zich realiseren dat het om de gezamenlijke winst van de samenleving gaat, om harmonie en niet om hun politieke winst of verlies. Dat het om ‘WIJ’ gaat en niet om ‘IK’.


[1] https://www.binnenlandsbestuur.nl/Uploads/2013/9/troonrede-2013.pdf pagina 2

[2] http://www.decaluwe.nl/articles/DenkenOverVeranderenInVijfKleuren.pdf

[3] https://www.vpro.nl/programmas/tegenlicht/kijk/afleveringen/2012-2013/semler.html

[4] John Cassidy, Wat als de markt faalt?  Pagina 159

Grondwetgevende vergadering

 “En als ze dan toch bezig zijn, kunnen ze meteen ook eens kijken of ze het systeem niet zo kunnen veranderen dat het polarisatie straft in plaats van beloond.” Met die woorden eindigde een vorige Prikker. In die Prikker gaf ik een historische context bij de huidige situatie van de tot op het bot verdeelde en gepolariseerde Verenigde Staten en een politiek systeem dat dit niet lijkt te kunnen keren. Sterker nog, dat eronder lijkt te bezwijken. Na het schrijven van die Prikker vroeg ik me af hoe de situatie in Nederland is.

Grondwet Foto's - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Als we kijken naar onze politieke instellingen, dan zijn die meer dan 170 jaar oud. Ze zijn nog steeds gebaseerd op de Grondwet opgesteld in 1848. De laatste ingrijpende wijziging die de positie van de koning ceremonieel maakte. Op die Grondwet is ons politieke bestel gebouwd. Een bestel met een gekozen volksvertegenwoordiging de Staten Generaal die bestaat uit twee kamers. De Eerste Kamer wordt getrapt gekozen door de leden van de provinciale staten en de Tweede Kamer waarvan de leden rechtstreeks worden gekozen door de bevolking. De Volksvertegenwoordiging heeft de wetgevende macht en controleert de uitvoerende macht, de regering. De regering wordt in Nederland niet gekozen. Die wordt samengesteld door partijen die in de Tweede Kamer een meerderheid hebben en zich op de inhoud kunnen vinden. Als laatste kent ook Nederland een onafhankelijke rechterlijke macht waarvan de leden voor het leven worden benoemd door de regering. ‘Voor het leven’ wil zeggen totdat ze hun pensioengerechtigde leeftijd bereiken.

In het Nederlandse bestel is een belangrijke rol weggelegd voor een fenomeen zonder Grondwettelijke basis, namelijk de politieke partij. Politieke partijen vervullen een centrale rol. Zij selecteren potentiële Kamerleden, stellen programma’s op en leveren bestuurders. Iedereen kan een politieke partij oprichten hiervoor zijn geen regels. Wel zijn er vereisten waaraan een partij moet voldoen voordat ze aan verkiezingen mee kan doen. Nederland kent, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, een meerpartijenstelsel. Het is nog nooit voorgekomen dat één partij een zetelmeerderheid behaalde in een van de beide Kamers. Direct gevolg hiervan is dat de regering altijd bestaat uit een coalitie van tenminste twee en vaak meer partijen. Dit omdat een regering moet steunen op een meerderheid van zetels in de Tweede Kamer.

Ondanks de meerdere partijen leverden verkiezingen tot zo’n 30 jaar geleden een redelijk stabiel beeld op. Drie partijen, de VVD, het CDA en de PvdA domineerden het politieke speelveld. Die partijen (en hun voorgangers) behaalden tot de jaren tachtig zo om en nabij 80% van de zetels. Bepaalden in wisselende samenstelling maar met altijd het CDA of een van de voorgangers erbij. Het overgrote deel van de bevolking herkende zich in een van de partijen en bleef de partij naar keuze zo ongeveer het hele leven lang trouw.

Dit veranderde in het midden van de jaren negentig toen de kiezer ‘op drift raakte’. Daar waar de grootste partij historisch op steevast tussen de 45 en 50 zetels  kon rekenen, werd in 1994 de PvdA de grootste met 37 zetels. Dit na een verlies van 12 zetels. Sindsdien is er geen partij meer geweest met 45 zetels of meer. Iedere verkiezing sinds 1994 kwamen er nieuwe partijen bij die samen een steeds groter deel van de zetels wonnen. En nu, twee maanden voor de verkiezingen, heeft het overgrote deel van de kiesgerechtigden geen idee op welke partij te stemmen. De Volkskrant formuleerde het als volgt: “Het aantal twijfelaars blijkt, zo’n drie maanden voor we het stemhokje in mogen, even groot als bij de vorige Tweede Kamerverkiezingen. Van de circa 13 miljoen stemgerechtigden zijn er bijna 10 miljoen nog niet geland.” En gestemd wordt er in toenemende mate op een persoon en niet op het programma van een partij.

Dat is niet het enige wat er is veranderd. Het aantal mensen dat lid is van een partij was in de jaren vijftig van de vorige eeuw ongeveer 10% van de bevolking. Het daalde in de jaren zestig naar zo’n 4% en vanaf die tijd naar zo’n 2% nu. Dit betekent dat er steeds minder mensen beschikbaar zijn voor een functie als volksvertegenwoordiger bij een waterschap, gemeente, provincie en Staten Generaal.

Kamerlid zijn is tegenwoordig iets van korte duur. “In de eerste elf jaar na de oorlog lag de ervaring rond de veertien jaar (zie de grafiek). In 1956 breidde de Kamer uit naar 150 volksvertegenwoordigers. Met deze nieuwe instroom daalde de gemiddelde ervaring tot 11 jaar, een anciënniteit die tot de verkiezingen van 1986 (Lubbers II) redelijk stabiel bleef. Onder de paarse kabinetten van Kok zette de vernieuwing door, tot de verkiezing van 2002, de tijd van de moord op Pim Fortuyn.” Aldus een artikel uit Trouw van een jaar of acht geleden. Na de laatste verkiezingen stroomde de kamer vol met nieuwelingen: “Er zijn 71 leden die geen zitting hadden in de afgetreden Kamer. Van hen hebben er 58 geen enkele (Haagse) parlementaire ervaring. De gemiddelde Kamerervaring is 3,9 jaar.”  Dat er steeds weer nieuwe Kamerleden binnenstromen is een gevolg van het ‘zweven’ en steeds elders en vooral bij steeds nieuwe partijen ‘landen’ van kiezers. Dit wordt nog versterkt door Kamerleden die gedurende de rit afhaken omdat ze een ‘nieuwe uitdaging’ hebben gevonden. Een uitdaging in het openbaar bestuur maar ook in het bedrijfsleven.

In de Verenigde Staten zien we een zeer sterke polarisering van de samenleving met aan de ene kant een groep die het verleden verheerlijkt en: “zich beroepen op het verleden ‘toen America nog Great’ maar vooral White, Anglo-Saxon en Protestant was,” en aan de andere kant de extreme ‘identity politics’ zoals ik in mijn vorige Prikker schreef. Die eerste groep heeft de Republikeinse partij in haar macht en de tweede dreigt de Democratische partij te verscheuren. Deze polarisering zien we ook in Nederland. Veel van die nieuwe partijen die steeds meer zetels wonnen, bevinden zich in de uitersten van het politieke spectrum. Forum voor Democratie en de PVV beroepen zich op het verleden. Een tijd van ‘oer-Hollandse gezellig’ zoals de PVV het in haar verkiezingsprogramma formuleert of naar die goede oude tijd van de bourgeoisie die FvD-leider Baudet idealiseert en daar moeten we naar terug. Aan de andere kant van het spectrum zien we partijen zoals BIJ1 en DENK. Partijen en hun aanhangers zoals Gloria Wekker die de geschiedenis willen aanpassen en herschrijven aan hun doelen in het heden. Partijen en hun vertegenwoordigers die achter iedere boom een racist of fascist zien en spreken van ‘witte onschuld en privilege’, je beschuldigen van ‘culturele toe-eigening’ en de werkelijkheid bekijken door een ‘kruispuntentheorie-mal’. De Nederlandse situatie is, mede door het gemak waarmee je een nieuwe partij kunt beginnen, nog niet zover gepolariseerd als in de Verenigde Staten. Die nieuwe uitersten zorgen er echter wel voor dat de traditionele partijen zich naar die uitersten toe bewegen en dat het politieke landschap nog verder fragmenteert. Beide ontwikkelingen verminderen de regeerbaarheid van ons land. Net als in de Verenigde Staten loopt Nederland het risico dat de polarisering ons politieke systeem lamlegt. Als dit risico optreedt, dan is er een aanzienlijke kans dat het vertrouwen van de bevolking in ons democratische systeem als sneeuw voor de zon verdwijnt. Dat vertrouwen heeft de afgelopen tijd toch al een knauw gekregen als gevolg van de toeslagenaffaire.

Om terug te komen om de vraag waarmee ik begon en dan niet gericht op ‘ze’ in de Verenigde Staten maar op ‘ons’ in Nederland: als we dan toch bezig zijn, kunnen we het systeem dan niet zo veranderen dat het polarisatie straft? ‘Maar we zijn toch niet bezig om het systeem te veranderen,’ zul je misschien zeggen. Dan zou ik zeggen: wakker worden! Want in Den Haag is men al volop bezig. Zo stuurde het kabinet, zoals ik recentelijk schreef, een brief naar de Kamer met haar ideeën voor de verandering van ons systeem. Ideeën waarbij het kabinet uit het rapport Lage drempels hoge dijken  van de staatscommissie parlementair stelsel, in de volksmond de ‘commissie Remkes’, putte.  Ook willen alle partijen onze Grondwet wel op een of meer punten aanpassen. Zijn we ook bezig om de kiezer hierin mee te nemen? Wat welke partij hierbij wil zal het gros van de kiezers niet weten. Het zijn namelijk niet de thema’s waarmee je als partij ‘volk’ trekt, dus krijgen ze geen aandacht in de verkiezingscampagne. In de coalitieonderhandelingen na de verkiezingen zal er vervolgens in de ‘koehandel’ wellicht iets uitkomen dat vervolgens op route wordt gezet als een wijziging van de Grondwet.

We zijn dus bezig, maar zijn we bezig met het systeem zo aan te passen dat het polarisatie straft? De commissie Remkes ziet wel iets in een verbod op partijen die met democratische middelen de democratie willen afschaffen. Ook stelt de commissie voor om de rol en positie van politieke partijen in een wet vast te leggen door de bestaande Wet financiering politieke partijen uit te breiden. Een interessante optie waarbij je meteen de kanttekening kunt plaatsen dat iets verbieden niet betekent dat het er niet is. In Binnenlandsbestuur pleit Geerten Boogaard om nu alvast af te wijken van de bestaande procedures en op 17 maart ook meteen een nieuwe Eerste Kamer te kiezen. Sinds de verkiezing van die Eerste Kamer is er zoveel veranderd dat het heel lastig zal worden een kabinet te vinden dat zowel in de Tweede als in de Eerste Kamer op een meerderheid kan rekenen. Door nu beide Kamers te kiezen wordt dat probleem omzeild. De Commissie Remkes wil dit oplossen door iedere drie jaar de helft van de leden van de Eerste Kamer te kiezen. Een leuk idee, alleen laat de casus Verenigde Staten zien dat er dan permanent campagne wordt gevoerd en het is de vraag of dat de bestuurbaarheid van een land ten goede komt.

En als we dan toch in de ideeën fase zitten. Wellicht is het een idee om premierverkiezingen te houden. Verkiezingen waarbij die kandidaat die meer dan 50% van de stemmen behaalt, wint. Dat kan betekenen dat er twee rondes nodig zijn waarbij de kandidaten met de meeste stemmen in de eerste ronde het in de tweede ronde tegen elkaar opnemen. Tegenover de gekozen premier, die de regering vormt en voor de volle periode van vier jaar regeert, plaatsen we een gelote volksvertegenwoordiging die bestaat uit een oneven aantal leden, bijvoorbeeld 301 met een zittingstermijn van zes jaar waarbij ieder jaar een zesde deel wordt vervangen door nieuwe. Kamerleden die niet hoeven te werken aan hun ‘herverkiezing’ maar die zich volledig op het werk als Kamerlid kunnen concentreren. Kamerleden zonder partij- en fractiedruk omdat er geen partijen en dus fracties zijn. Kamerleden die worden ondersteund door een stevig ambtelijk apparaat dat niet adviseert maar verheldert, doordenkt, doorrekent en spiegelt. Een volksvertegenwoordiging die net als de huidige Kamers de wetgevende macht heeft, de regering controleert en het budgetrecht heeft. Ook voor gemeente, en provincies hanteren we eenzelfde werkwijze: gekozen bestuurders en gelote vertegenwoordigers. Ook een idee en zo zijn er waarschijnlijk nog veel meer.

We zijn dus bezig, maar zijn we op de goede manier bezig? Moeten we als inwoners van dit land niet met elkaar in gesprek en zo samen nadenken over en vervolgens werken aan een nieuwe Grondwet en een erop gebouwd politiek bestuurlijk systeem dat ons klaarmaakt voor de uitdagingen van de toekomst? Samen nadenken niet binnen het huidige systeem, zoals we nu doen door het over te laten aan de koehandel van politieke partijen bij de formatie. Partijen en hun vertegenwoordigers die belangen hebben bij het huidige systeem. Nee, nadenken en werken buiten die kaders door bijvoorbeeld een grondwetgevende vergadering bijeen te roepen. Een grondwetgevende vergadering bestaande uit bijvoorbeeld 1.500 willekeurige inwoners van ons land die met deze opgave aan de slag gaan. Een groep burgers aangewezen via loting. Een groep die de opdracht krijgt om met en namens ons die nieuwe grondwet en het erbij horende politiek, bestuurlijke systeem uit te werken. En daarbij alle ideeën tegen het licht houdt en daarbij wordt ondersteund door een stevig apparaat dat verheldert, doordenkt en spiegelt. Het resultaat van hun werk kan vervolgens per referendum aan ons worden voorgelegd. En als twee derde van ons voor is, dan is de nieuwe grondwet vastgesteld en kunnen we het bijbehorende politiek, bestuurlijke systeem gaan inrichten.

‘Schokgolven van de actualiteit’

“Als het aan het kabinet ligt, kiezen we straks om de drie jaar de helft van de senatoren in de Eerste Kamer. De senaat is dan iedere zes jaar helemaal ververst en is zo beter bestand tegen de schokgolven van de politieke actualiteit,” zo is te lezen in het commentaar bij Trouw. Nieuwsgierig naar het probleem waarvoor dit een oplossing is, dook ik in de brief die het kabinet hierover naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Ik werd er niet vrolijk van.

Bijeenkomsten,_kernenergie,_energiebeleid,_Bestanddeelnr_932-5355.jpg (3633×2425)
De Brede maatschappelijke discussie kernenergie. Foto Nationaal Archief via WikimediaCommons

Het begon goed: “Het kabinet deelt de visie van de staatscommissie dat een waardevolle rol voor de senaat is weggelegd in met name het beschermen van de democratische rechtsstaat en de daaraan ten grondslag liggende waarden. De Eerste Kamer is kortom een institutie die past in het stelsel van checks and balances dat één van de fundamenten is van de Nederlandse staatsinrichting.”  Helaas komt, volgens het kabinet: “De potentiële meerwaarde van de Eerste Kamer voor het stelsel als geheel (…) onvoldoende uit de verf.” Om daar wat aan te doen meent het kabinet: “dat het in dit licht beter is om terug te keren naar het systeem van vóór 1983. De langere zittingsperiode van de Eerste Kamerleden, hun indirecte verkiezing en de vertraagde doorwerking van wijzigingen in de politieke krachtsverhoudingen in de Eerste Kamer passen beter bij de rol en positie van de Eerste Kamer als chambre de réflexion. Het kan dan ook niet meer voorkomen dat de Eerste Kamer (in zijn geheel) over een recenter politiek mandaat van de kiezer beschikt dan de Tweede Kamer.” Dus door eens per drie jaar de helft van de Eerste Kamer te kiezen, wordt de ‘reflectieve positie’ van de Eerste Kamer versterkt en is ze, om Trouw aan te halen, ‘beter bestand tegen de schokgolven van de politieke actualiteit’.

Het kabinet wijkt hier af van het advies van de ‘commissie Remkes’, Deze commissie had als opdracht: “de regering te adviseren over de toekomstbestendigheid van het parlementair stelsel.” In 2018 bracht zij haar advies uit met het rapport Lage drempels hoge dijken. Democratie en rechtsstaat in balans. De commissie erkent ook de reflectieve waarde van de Eerste Kamer. Die reflectie-functie is, zo schrijft de commissie, gebaat bij distantie: “ het (is) belangrijk dat ook de senatoren van coalitiepartijen niet gebonden zijn (of worden) aan het regeerakkoord. Ook zou het goed zijn als de Eerste Kamer zo veel mogelijk voorkomt dat zij al vooraf betrokken raakt bij wetgevingsprocessen. Dergelijke betrokkenheid vooraf bemoeilijkt een enigszins afstandelijke heroverweging van het uiteindelijke wetsvoorstel. Daarom moet de Eerste Kamer ook terughoudendheid betrachten met actuele beleidsdebatten met de regering.” Dit komt in gevaar als: “De politieke samenstelling van de Kamers verschilt,” want zo wordt het: “steeds moeilijker om regeringscoalities te vormen die een meerderheid hebben (en houden) in beide Kamers. De staatscommissie onderkent de problematische kanten van deze ontwikkeling.”  De commissie ziet hierin geen reden om de manier waarop de leden van de Eerste Kamer worden gekozen te veranderen. Wel adviseert zij om de Eerste Kamer het recht te geven wetsvoorstellen gewijzigd terug te zenden naar de Tweede Kamer. Nu kan de Eerste Kamer alleen instemmen of afwijzen. Een advies dat het kabinet in haar brief overneemt. Waarom word ik hier niet vrolijk van? Mijn ‘niet vrolijk zijn’ kent een inhoudelijke kant maar ook een procedurele.

Ik begin met de inhoudelijke kant, de positie van de Eerste Kamer in ons bestel. Als de reflectieve waarde van de Eerste Kamer zo belangrijk is. Als het van belang is dat de Eerste Kamer niet in de, zoals Trouw het noemt, de “schokgolven van de actualiteit’ wordt gezogen. Zou het recht om wetsvoorstellen gewijzigd terug te zenden dan daarbij helpen? Als er iets is dat de Eerste Kamer in die ‘schokgolven’ laat komen, dan is het wel dit voorstel. Want wordt de Eerste Kamer daarmee niet juist in ‘actuele beleidsdebatten’ met de regering gezogen? In ons bestel initieert de regering immers de overgrote meerderheid van alle voorstellen van wet. Ja, het is de Tweede Kamer die over die teruggezonden gewijzigde wet, moet stemmen. Alleen kan de Tweede Kamer het voorstel vervolgens ook weer wijzigen en zo ontstaat er een debat tussen de kamers. Worden die ‘schokgolven’ zo niet al snel een ‘orkaan van actualiteit’?

Kan het in twee keer door Provinciale Staten laten kiezen van de Kamer daarbij helpen? Eens in de drie jaar de helft kiezen, kan er nog steeds voor zorgen dat de politieke samenstelling van beide kamers verschilt. Ook voorkomt het niet dat er momenten zijn dat de volledige samenstelling van de Eerste Kamer wordt gekozen door leden van Provinciale Staten die zijn verkozen tijdens dezelfde verkiezingen. Toch grijpt het kabinet terug op de manier waarop we vóór 1983 de Eerste Kamer kozen omdat het dan: “niet meer (kan) voorkomen dat de Eerste Kamer (in zijn geheel) over een recenter politiek mandaat van de kiezer beschikt dan de Tweede Kamer.”  Als reflectie het belangrijke kenmerk is, als het van belang is dat de leden van de Eerste Kamer niet gebonden zijn aan een regeerakkoord en als de Eerste Kamer ‘gedepolitiseerd’ moet worden, waarbij we politiek waarschijnlijk als partijpolitiek en dus smal moeten zien omdat in de basis alle menselijke activiteit politiek is, waarom dan niet gezocht naar een manier leden van die Kamer te vinden? Waarom de leden niet aanwijzen via loting?

De commissie Remkens rept daar kort over en serveert die mogelijkheid af: “In theorie kan via een loting een betere afspiegeling van de bevolking worden gerealiseerd dan via verkiezingen. Daar zou dan wel een veel grotere senaat voor nodig zijn. Bovendien is het de vraag hoe voorkomen moet worden dat via zelfselectie toch weer een niet-representatieve groep ontstaat. Sommige burgers staan nu eenmaal meer te popelen om Kamerlid te worden dan andere. Dit effect uitschakelen door alle ingelote burgers te dwingen lid te worden van het parlement is niet acceptabel omdat dit een onaanvaardbare inbreuk is op de vrijheid van burgers. Het is ook geen oplossing om te blijven loten tot er een representatieve groep is ontstaan, want dan zou van tevoren al bekend moeten zijn hoe een volledig representatieve groep eruit zou zien.”  Een analyse met een kern van waarheid. Zo’n analyse kun je echter ook ophangen met betrekking tot verkiezingen. Immers als er bij loting voor ‘echte representatie’ meer leden nodig zijn, dan kun de vraag stellen hoe afspiegelend of representatief 75 gekozen leden zijn. Daar gaat het mij nu even niet om. De vraag die de commissie niet stelt, is of het voor de reflectiefunctie nodig is dat de Eerste Kamer ‘representatief’ is. Daarvoor is het van belang om de reflectieve functie goed te definiëren. In mijn ogen richt die reflectie zich op drie aspecten. Als eerste op de doelmatigheid van een wetsvoorstel. Hierbij moet de vraag worden beantwoord of het wetsvoorstel in voldoende mate het doel dat ermee wordt beoogd, bereikt. Als tweede de rechtmatigheid. Hier moet de vraag worden beantwoord of de beperkingen die het wetsvoorstel oplegt, passen binnen het Nederlandse rechtsbestel. Hierbij moet, wat mij betreft, ook de nu ontbrekende toetsing aan de Grondwet worden meegenomen. Als laatste moet een wetsvoorstel worden getoetst op de uitvoerbaarheid ervan. Met andere woorden het toetsen van de kwaliteit van het wetsvoorstel en niet het nut of de noodzaak ervan. Dat is het domein van de Tweede Kamer.

Als de Eerste Kamer een dergelijke functie heeft, hoe noodzakelijk is dan de representativiteit ervan? Een dergelijke invulling wordt niet geraakt door de ‘schokgolven van de actualiteit’? Afkeuring van een wetsvoorstel zegt immers niets over de doelstelling noch over nut en noodzaak van het wetsvoorstel. Met een dergelijke functie zou de Eerste Kamer best geloot kunnen worden en uit niet meer dan de huidige vijfenzeventig leden kunnen bestaan. Zeker als zij bij haar werk kan rekenen op een gedegen ambtelijke ondersteuning en de plicht om ten minste bij drie verschillende onafhankelijke instanties advies op te vragen. Instanties zoals de Raad van Staten.  

Dan het procedurele deel van mijn ‘niet vrolijk’ zijn. Die spitst zich toe op twee zaken die in elkaars verlengde liggen. Dat begon al met het instellen van de ‘commissie Remkes’. De beide Kamers vroegen de minister-president een dergelijke commissie in te stellen via een brief aan de minister-president. Dat is gebeurd en de commissie leverde haar rapport op aan het kabinet, dat was immers de opdrachtgever. Het kabinet stuurde vervolgens het rapport met een brief met haar ideeën en voorstellen over de vormgeving van onze democratische vertegenwoordiging naar de Tweede Kamer. Zou het niet meer aan de Kamer zelf zijn om hierover na te denken? Had de Kamer dit niet zelf moeten onderzoeken? En dan kom ik bij het tweede procedurele punt. Zou de volksvertegenwoordiging hier niet zelf een soort brede maatschappelijke discussie over moeten voeren? Een brede discussie met het Nederlandse volk? Want is het uiteindelijk niet aan het volk om te bepalen hoe het zich wil laten vertegenwoordigen? Een brede maatschappelijke discussie die uiteindelijk zou kunnen leiden tot een grondwetgevende vergadering. Een vergadering met als doel en mandaat om onze Grondwet en de inrichting van ons vertegenwoordigende stelsel opnieuw vorm te geven op basis van de uitkomsten van die brede maatschappelijke discussie? Het resultaat van dit werk kan vervolgens weer per referendum aan het totale volk worden voorgelegd.

Identiteit en de opdracht van het onderwijs

NEE. Nee? Ja, nee! Nee, atheïsme hoeft dan niet de voorgeschreven identiteit te worden van alle scholen. Dat is het korte antwoord op de vraag die hulpbisschop Rob Mutsaers in een artikel in de Volkskrant stelt. In mijn vorige Prikker schreef ik ook over dit artikel en concentreerde ik mij op de vrijheid van meningsuiting die voor iedereen geldt, maar niet voor een minister. In het artikel echter nog een bijzondere passage: “Verlos het onderwijs van religie’, aldus Bert Wagendorp. Moet dan het atheïsme dwingend de voorgeschreven identiteit van alle scholen worden? Hoe neutraal is dat?”  Met het antwoord op deze vraag begon ik.

File:Kinderen krijgen onderwijs in de school van het koninklijk Deens ballet, Bestanddeelnr 252-9215.jpg
Bron: WikimediaCommons

Bijzonder om de hulpbisschop het pleidooi voor het behoud van het bijzonder onderwijs te zien onderbouwen met een beroep op het begrip ‘identiteit’. Bijzonder omdat hij in zijn artikel, naar mijn mening terecht, betoogt dat identiteitspolitiek de dood in de pot is. Dit omdat mensen tegen elkaar worden opgezet. Zouden op ‘identiteit’ gebaseerde scholen daar dan niet een bijdrage aan leveren? Nu is ‘identiteit’ een bijzonder begrip. Ik schreef er eind vorig jaar een uitgebreide Prikker over. Het kwam er in het kort op neer dat ‘identiteit’ een verhaal is om mensen te binden. Maar dat wat mensen bindt, sluit anderen uit. En het wordt een probleem als mensen die verhalen zwaar en serieus nemen. In die Prikker citeerde ik Kwame Anthony Appiah omdat ik zijn opvatting over identiteit bijzonder waardevol vind: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” En daarmee kom ik weer terug bij de vraag van Mutsaers en mijn antwoord. Nee, atheïsme moet niet de ‘dwingend voorgeschreven identiteit’ van alle scholen worden. Wat dan wel? Misschien wel niets, is mijn antwoord. Misschien is het wel aan te bevelen om scholen in het geheel geen ‘identiteit’ te laten hebben?

Geen katholieke, protestantse, joodse, islamitische scholen. Nee allemaal openbare scholen. En nee, op die openbare scholen wordt niet ‘het atheïsme gepredikt’. Op die scholen krijgen onze kinderen wereldoriëntatie waarbij ze kennis maken met alle manieren waarop mensen naar de wereld kunnen kijken. Al die manieren worden op eenzelfde manier gebracht en wel zo dat ze de leerling uitnodigen om zelf na te denken. Om kritische vragen te stellen en de wereld om hen heen ter discussie te stellen. Scholen waar ze leren de kinderlijke nieuwsgierigheid te koesteren zodat ze steeds die ‘waarom-vraag’ blijven stellen waar je als ouder soms moe van wordt.

Sterker nog, en dan kom ik bij een interview van Samira Bouchibti in de Volkskrant, wereldoriëntatie moet het enige doel van het onderwijs zijn. Bouchibti: “Leerlingen moeten zich leren uiten … We moeten ze sociaal weerbaar maken, leren discussiëren. Hoe kom je met elkaar in gesprek? Hoe laat je iemand uitpraten? Hoe zeg je op een respectvolle manier dat je het niet eens bent met de ander?” Zij brengt dit in praktijk in de gastlessen die ze op scholen verzorgt. Terecht concludeert Bouchibti: “Scholen zouden veel meer tijd aan burgerschap moeten besteden. Met twee uurtjes maatschappijleer per week red je het niet. Burgerschap moet een thema worden dat verweven zit in het hele onderwijs, niet alleen in geschiedenis en maatschappijleer. Tijdens Nederlands kun je een boek pakken over de vrijheid van meningsuiting. De wiskundeleraar kan er een Arabische wiskundige bij pakken, zodat leerlingen niet denken dat alle Arabieren terroristen zijn.”

Zouden we niet nog een stap verder moeten gaan dan ‘burgerschap’ tot een thema maken? Moet ‘Burgerschap’ of zoals ik het hierboven noemde, wereldoriëntatie, niet hét doel of met andere woorden de maatschappelijke opdracht van in ieder geval het primair en voortgezet onderwijs worden? Niet zoals nu op de site van de PO-raad is te lezen: “Van scholen wordt meer en meer verwacht dat zij niet alleen maar lesgeven en leerlingen voorbereiden op de arbeidsmarkt, maar ook aandacht besteden aan bijvoorbeeld sociale problemen en gezondheidsissues.”  ‘Voorbereiden op de arbeidsmarkt’ suggereert dat arbeid de belangrijkste bezigheid van een mens is. Daar werd vroeger heel anders over gedacht. Neem de oude Grieken, voor hen begon het leven pas echt als je niet hoefde te werken. Ook de katholieken van bisschop Mutsaers dachten er anders over, je bent immers op aarde om god te dienen en daardoor in de hemel te komen.

‘Voorbereiden op de arbeidsmarkt’ klinkt een beetje hetzelfde als de ‘oude afspraak’ die Karl Marx zag tussen de kapitalist en de pastoor: ‘hou jij ze dom, dan hou ik ze arm.” Iets wat ook de filosofe Martha Nussbaum constateert in haar pamflet Not for Profit  waar zij de ‘armoede van het onderwijs’ aan de kaak stelt. Volgens haar is het onderwijs gericht op het verkeerde doel: “Hongerig naar winst, verwaarlozen landen en hun onderwijssystemen vaardigheden die nodig zijn om de democratie levend te houden. Als die trend doorzet, produceren landen van over de hele wereld generaties van bruikbare machines in plaats van complete burgers die zelf kunnen denken, tradities bekritiseren en die het belang inzien van andermans lijden en prestaties. De toekomst van de democratie staat op het spel (eigen vertaling). Nussbaum schreef dit pamflet in 2010. Als we de ontwikkelingen in democratische landen bekijken, zie de Verenigde Staten, dan lijkt die toekomst waar Nussbaum zich zorgen over maakt nu voor de deur te staan. Trouwens niet alleen in de Verenigde Staten, ook in Nederland wordt het normale bijzonder gemaakt waardoor het bijzondere wordt genormaliseerd zoals ik in een recente Prikker schreef.

‘Van scholen wordt verwacht dat de natuurlijke nieuwsgierigheid van kinderen stimuleren en hen begeleiden bij hun ontwikkeling naar nieuwsgierige, (zelf)kritische volwassenen.’ Zou dat niet de maatschappelijke opdracht van het onderwijs moeten zijn? Zou onze democratie en in het verlengde ervan onze samenleving daar niet bij gebaat zijn? Zou de ‘arbeidsmarkt’ trouwens niet ook beter van worden van nieuwsgierige kritische medewerkers? Want is nieuwsgierigheid niet de belangrijkste motor achter innovatie en ontwikkeling?

Daarom scholen zonder ‘identiteit’. Scholen zonder identiteit omdat die het risico vergroten dat, om Appiah te parafraseren, mensen zich vastbijten in één verhaal wat het risico om onnodige polarisatie tussen groepen vergroot.

Markt, overheid en/of samenleving deel II

‘’Markt’ en ‘overheid’ vormen geen driehoek met of staan niet tegenover ‘samenleving’, het zijn instrumenten die wij, de samenleving, kunnen gebruiken om verdelingsvragen te beantwoorden.” Met die zin eindigde mijn vorige Prikker. In deze Prikker ga ik wat dieper in op manieren om te verdelen. Of als je het van de andere kant bekijkt, manieren om dat te verwerven wat je nodig hebt om te kunnen leven.

Eigen foto

Alles wat een mens nodig heeft om te kunnen (over)leven, moet hij op een of andere manier verwerven. In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten onderscheiden Hans Achterhuis en Nico de Koning zes verschillende vormen van verwerving. Als eerste dat wat een mens zelf produceert, de zaken die iemand maakt, verzamelt of bij elkaar jaagt. Daarover kan die persoon vrijelijk beschikken. Deze vorm is tegenwoordig een zeldzaamheid.

Een tweede vorm van verwerving is de huishouding. De gemeenschappelijke huishouding is gedurende eeuwen de meest belangrijke vorm van samenleven en dus verwerven geweest. Alles wat het huishouden produceerde, verzamelde of bij elkaar joeg, konden de leden ervan gebruiken. Hierin staat de groep centraal, niet het individu. Verlangens waren daarmee bijna altijd verlangens van het huishouden.

Toedeling is de derde vorm van verwerving die de beide auteurs onderscheiden. Het groter worden van de sociale verbanden, een bundeling van stammen of huishoudens, maakten aanvullende manier van verwerven nodig. Een manier passend bij de hiërarchische samenlevingsvorm. De hoogst geplaatste deelt toe aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping.

Met het nog groter worden van hun wereld kwamen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kon leiden tot geweld en oorlog. De vierde manier van verwerving is een vreedzame manier om een relatie met andere sociale verbanden aan te gaan en dat is de schenking of gift. Een gift is nooit vrijblijvend. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen, de relatie wordt verzwaard zonder dat de een zich aan de ander onderwerpt. Het huwelijk was in vroeger tijden een bijzondere vorm van ‘schenken’.

Dan de vijfde manier van verwerven: de handel of met een ander woord, de markt. Of het nu de ouderwetse ruilhandel betreft of het tegenwoordige kopen van een pak koffie bij de Appie, beiden leiden niet tot een verplichting of een verzwaring van de relatie. Als koper hoef je je niet te onderwerpen aan de verkoper, omgekeerd trouwens ook niet en de koop van dat ene pak verplicht jou niet om ook die bloemkool bij de Appie te kopen.

De laatste vorm van verwerving die de beide auteurs geven is roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van verwerven voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen. Tot deze vorm van verwerving horen ook slavenhandel, dwangarbeid en kolonisatie. En als we een parallel naar het heden trekken, dan behoort bijvoorbeeld ook het verkopen van risicovolle financiële producten zoals woekerhypotheken aan mensen die deze niet begrijpen, tot roof.

Zes vormen van verwerving waarbij, vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt. Bij de eerste, de individuele productie is er geen andere en bij het andere uiterste, de roof, doet de ander er niet toe. De markt is tegenwoordig de dominantste vorm van verwerving en dit heeft volgens de beide auteurs ook gevolgen voor de andere vormen van verwerving: “De motivatie van de marktsfeer ten opzichte van de andere praktijken van behoeftevoorziening heeft ook een zekere vermenging teweeg gebracht van de mechanismen die in elke kring heersen.” Een huishouden waarbij de leden naast een gezamenlijke ook een eigen bankrekening hebben, is hier een voorbeeld van.

En dat verandert ook de markt: “Markten hebben namelijk een aantal van de cruciale kenmerken van de verdrongen ordeningskringen in zich opgenomen.”  Zo is de individuele productie die vroeger was gericht op de eigen behoeften nu bijna volledig gericht op behoeften van anderen in ruil voor geld waarvoor de arbeider dan in zijn eigen behoeften kan voorzien. Daar komt bij dat arbeid steeds meer een intrinsieke waarde heeft voor de arbeider: arbeid moet voldoening schenken en bijdragen aan de ontplooiing van het individu. Bedrijven zijn tegenwoordig meer dan plaatsen waar wordt geproduceerd. Onderlinge relaties, gezelligheid en de bedrijfscultuur zijn belangrijk geworden, dit waren de kenmerken van het huishouden. Ook zien Achterhuis en Koning de grens tussen economische en sociale belangen vager worden. Het wordt van bedrijven niet meer geaccepteerd dat alles om winstmaximalisatie draait. Ook zien zij dat er op de markt meer wordt geschonken dan we denken. Zij zien dat de markt toch elementen van verplichting en verzwaring krijgt.

Waar is dan die ‘overheid’, dat tweede instrument om verdelingsvraagstukken te beantwoorden? Of beter gezegd, waar zou die overheid zich dan mee bezig moeten houden? Volgens de auteurs is handel en dus de markt tegenwoordig dominant. In onze verbonden globale wereld is dat een logische keuze. Logisch omdat de markt volgens de auteurs: “… de laatste dam tegen roof (is), het is de maximaal haalbare vorm van exterioriteit zonder dat men ten prooi valt aan vormen van geweld,” vormt. Zo’n schaal van samenwerking vormgeven met alleen giften of toedeling, is lastig omdat de afstand tot elkaar zo groot is. Probleem is dat handel en dus de markt, op roof na, de verwervingsvorm is die het minste sociale (ver)banden tussen mensen creëert. En laat die sociale (ver)banden nu cruciaal zijn voor een samenleving. In zijn boek The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time beschrijft Karl Polanyi het belang van sociale (ver)banden in een samenleving. Volgens Polanyi is het onderhouden van sociale banden cruciaal voor een samenleving: “First, because by disregarding the accepted code of honor, or generosity, the indiviual cuts himself off from the community and becomes an outcast; second, because in the long run, all social obligations are reciprocal, and their fulfillment serves also the individual’s give-and-take interest best.”  Met alleen de markt wordt het ‘samen’ in samenleving minder en zonder ‘samen’ is een samenleving los zand omdat het ontbreekt aan ‘wederkerige sociale verplichtingen’. En daar komt de overheid op twee manieren om de hoek kijken.

De eerste manier raakt aan de traditionele rol van de overheid als beschermer van de openbare orde en veiligheid. Zoals Achterhuis en De Koning betogen rest na de markt alleen nog roof als manier van verwerving. De overheid heeft een rol om te voorkomen dat de vrije markt uitdraait op roof. De overheid reguleert de markt. Maar dan kunnen we toch niet meer spreken van een vrije markt? Nee, niet als je de vrije markt ziet als een plek waar eenieder absoluut vrij is om naar goeddunken te handelen. Maar om de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang uit zijn boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme te citeren: “De vrije markt bestaat niet. Elke markt kent wel regels en grenzen die de keuzevrijheid beperken. Een markt lijkt alleen maar vrij doordat we de beperkingen die eraan ten grondslag liggen zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Zo zijn kinderarbeid en slavernij voor ons zo wezensvreemd dat we het als normaal beschouwen dat het er niet meer is. Eeuwen lang was het echter zeer normaal dat het er wel was. Maar ook op het gebied van arbeidstijden en -omstandigheden, het milieu en productveiligheid beperkt de overheid de vrijheid op de markt. Dat doet zij om te voorkomen dat er via de markt ‘geroofd’ wordt.

De tweede manier betreft het organiseren en legitimeren van ‘wederkerige sociale verplichtingen’ die het ‘samen’ in de samenleving versterken. Verplichtingen zoals het betalen van belastingen. Dat maakt belasting ontwijking en -ontduiking zo schadelijk. Het ondergraaft het ‘samen’. Dat maakt de uitspraak”: “I don’t wanna pay taxes. Before I came here I was a private developer, I was a business people. Like every private person unless they are stupid , they go through the law and that’s what it is,” van president Trump in het eerste presidentiële debat zo schadelijk. Het is precies die houding, dat gedrag dat het ‘samen’ ondermijnt. Maar ook sociale verplichtingen zoals uitkeringen die voorkomen dat mensen van de honger omkomen. Uitkeringen die hen beschermen als ze meer of minder tijdelijk niet in het eigen onderhoud kunnen voorzien. Voorzieningen zoals een basisverzekering die de ziektekosten vergoeden.

Op welke manier de overheid dat doet, maakt nogal wat uit voor het ‘samen’, voor die sociale (ver)banden. Als je die inricht op basis van een soort ‘handelstransactie’ hoeft het niet te verbazen dat die sociale (ver)banden zwak zijn. Dan hoeven redeneringen als die van Trump niet te verbazen en dan hoeft gedrag zoals vertoond door Booking.com waarover ik aan het begin van de coronacrisis schreef, niet te verbazen. Dan krijg je precies de verbazing van de boekhouder waar Tim Fransen in een artikel in de Volkskrant over spreekt. Fransens boekhouder gaf hem te kennen dat hij in aanmerking kwam voor vierduizend euro ondersteuning als tegemoetkoming in de schade door corona. Fransen gaf aan dat hij daar geen gebruik van wilde maken omdat hij voldoende reserves had en schrijft vervolgens: “‘Maar’, stamelde mijn boekhouder, ‘je hebt er toch recht op…?’” Fransens gedrag wijst op een sterke sociale binding: hij wil alleen een beroep doen op het ‘samen’ als de nood er is. Hij ziet de tijdelijke ondersteuning niet als een recht, maar als een laatste resort als hij het zelf niet meer kan trekken. Het maakt uit of je een bijstandsuitkering ziet als een ‘toedeling’ zoals nu het geval is, of als een ‘gift’. Beide vormen verzwaren de relatie. Bij een toedeling plaatst degene die toedeelt zich echter boven de ontvanger, hij brengt hiërarchie aan. Bij een gift wordt de relatie verzwaard zonder dat er sprake is van hiërarchie. Hiërarchie past slecht bij onze huidige liberale samenleving omdat het mensen verdeeld. Dit lag in vroeger eeuwen anders. Een overheid die nu het ‘samen’ wil vormgeven, moet dat in het achterhoofd houden bij alles wat zij doet.

Democratie en tegendemocratie

Democratie is, zoals we in de vorige Prikker hebben gezien, een complexe en lastige manier van besturen en ordenen. In die vorige Prikker besprak ik vijf spanningen die, volgens Pierre Rosanvallon, inherent zijn aan een democratie. Hoe kunnen we hiermee omgaan? Ook in deze Prikker staat het werk van Rosanvallon centraal en dan vooral de Spinozelezing uit 2012.

“Het lijkt mij sterk dat een burgerberaad de vijf door Rosanvallon benoemde punten oplost.” Met die woorden eindigde ik mijn vorige Prikker. Dit naar aanleiding van een pleidooi van Jelmer Mommers en Eva Rovers in de Volkskrant voor het in het leven roepen van een  burgerberaad over de klimaatmaatregelen en mijn twijfel of het door hen voorgestelde burgerberaad een verrijking is van onze democratie. Die vijf spanningen zijn de twee verschillende kwaliteiten (nabijheid en geschiktheid) van een volksvertegenwoordiger. Als tweede de twee verschillende definities van het begrip ‘volk’. Als derde de asymmetrie tussen de twee functies (aan de ene kant het legitimeren van bestuurders en aan de andere kant het beschermen van de bestuurden) van de democratie. Als vierde dat we democratie plaats en tijd gebonden moeten zien en als laatste is een democratie meer dan een politiek stelsel, het is ook een burgeractiviteit.

Eigen foto

Deze vijf punten maken, zo betoogt Rosanvallon dat: “de democratie (…) structureel problematisch en derhalve structureel onvoltooid is.” Waarschijnlijk is dit ook wat de Britse staatsman Winston Churchill bedoelde toen hij zei dat: “Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.” Om met dat structureel problematische en onvoltooide om te kunnen gaan wordt er vooral gezocht naar ‘vereenvoudiging’ of zoals Rosanvallon het schrijft naar: “Pathologiën (die) kunnen begrepen worden als reducerende vormen van de complexiteit, van polarisatie of het vergeten van de structurele spanningen van haar verschillende figuren.” Rosanvallon ziet hierbij aan de ene kant versimpelingen: “van de vertegenwoordiging, berustend op een zogenaamde versimpeling van de relatie macht/samenleving.” Versimpelingen die: “het handelen van de macht de adequate uitdrukking van de algemene wil maken … die het kamp dat als winnaar uit de stembus tevoorschijn komt gelijkstellen aan de stem van het volk; waan voorstellingen van één volk.” Deze versimpelingen kunnen in milde en extreme vorm (“Alleenheerschappij, populisme, totalitarisme”) voorkomen. Aan de andere kant ziet hij versimpelingen zoals: “De reductie van de democratie tot verkiezingen, de reductie tot haar liberale dimensie of de reductie tot haar institutionele definitie.”

Het is menselijk om een complex en zeer moeilijk te omvatten probleem te versimpelen en terug te brengen tot behapbare brokken. Het terugbrengen van democratie tot ‘verkiezing’ of ‘referendum’ maakt het eenvoudig. Net zoals een beperking van ‘het volk’ tot de winnaar van de verkiezingen een versimpeling is. Zeker als die winnaar, zoals in Nederland de afgelopen decennia het geval is, nooit meer dan dertig procent van de stemmen kreeg. En sterker, de winnaar (grootste partij) ook wel tot de verliezers (minder zetels dan na de vorige verkiezingen) kan behoren. ‘Versimpeling’ is volgens Rosanvallon niet de manier. Volgens hem moet we: “De democratie compliceren om haar te voltooien.”

“Als het volk in de democratie structureel nergens te vinden is, hoe dan de structurele crisis van de vertegenwoordiging te boven te komen die eruit voortvloeit en onze gevoelens van in de steek gelaten zijn aanwakkert, die de ontgoocheling en het wantrouwen tegenover de instituties voeden?” Deze vraag stelt hij zich op het eerste gebied dat hij verder wil compliceren, het gebied van dat belangrijke begrip dat op meerdere manieren gedefinieerd wordt. Hij ziet vijf dimensies van het volk. Als eerste het ‘rekenkundige volk’, dat bezit : “een beslissende, zowel sociale als procedurele consistentie.” Immers: “We kunnen eindeloos discussiëren over de definitie van het algemeen belang, over wat de beste politiek is om op dit of dat gebied te voeren, maar het feit dat 51 meer is dan 49 maakt een einde aan alle discussies.” “Maar het volk manifesteert zich ook als een historische constructie,” en daarmee zijn we bij de tweede dimensie van het volk. De principes van deze dimensie zijn vooral vastgelegd in de grondwet: “Dit volk/principe laten leven betekent dus een juridisch volk laten leven, en niet slechts een electoraal of rekenkundig volk. Vandaar de rechtvaardiging van de superioriteit van de constitutionele orde boven de orde van de kortstondige meerderheid.” Als we in onze huidige wereld om ons heen kijken dan zien we dat op verschillende plekken wordt getornd aan de superioriteit van de constitutionele orde. De extreme politisering van de benoeming van rechters in de Verenigde Staten en de politisering van de rechtspraak in Polen zijn hiervan voorbeelden. Een derde dimensie van het begrip ‘volk’ is: “de figuur van de verwachtingen, ontgoochelingen, betwistingen of beproevingen van het gemeenschappelijke leven, dat op een gegeven moment over een stuk uit het collectieve leven vertelt of het tot uitdrukking brengt.” Dit volk bestaat volgens, Rosanvallon: “ofwel via instituties die handelen leiden – bijvoorbeeld syndicaten -, ofwel via zijn directie manifestatie in de revolutionaire momenten die verlengd worden door het verhaal dat ze vergezelt.” De vierde dimensie: “is het volk bestaande uit ‘willekeurige individuen’.” Dit volk drukt zich uit: “via peilingen of van het toeval afhangende uitingen, waarderingsmechanismes van de een of ander.” De laatste dimensie is: “het volk zowel als belofte als herinnering, het volk als bouwer van een toekomstige geschiedenis en als erfgenaam van een traditie.” Dit volk wordt vertegenwoordig door: “de kunst, de literatuur, de sociale wetenschappen, de onderzoeken en allerlei getuigenissen.” Daarmee is de vraag waarmee deze alinea begon nog niet beantwoord. Dat antwoord begint met het accepteren van de complexheid: “We moeten het volk dus begrijpen als een structureel onbepaald object, maar een waarvan de bepaling benaderd kan worden door vergroting van de erkenning van zijn verschillende vormen.” Accepteren want: “in deze vermeerdering ontstaat het leven, en niet simpelweg in het zoeken naar een enkel principe dat alle mogelijkheden ervan uitputtend zou bevatten. ‘Het volk’ spreekt zich op zeer veel verschillende manier uit. Zeer veel verschillende manieren, met veel verschillende stemmen en veel verschillende inhouden. Daar moet ruimte voor zijn, dat moeten we koesteren en niet versimpelen.  

Een tweede vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op het gebied van de soevereiniteit. Hij wil: “van de idee van directe volkssoevereiniteit over (…) stappen op de idee van een complexe soevereiniteit. De complexe soevereiniteit bestaat in het gelijktijdig vormgeven van de verschillende manieren waarop ze uitgeoefend wordt, namelijk de benoeming of de keuze, de beslissing, de controle en het toezicht, de evaluatie en het oordeel.” Op dit punt komt hij met het begrip ‘tegendemocratie’. ‘Tegendemocratie’ dat hij in de inleiding van zijn boek La contre-démocratie als volgt omschrijft: “Deze tegendemocratie is niet het tegendeel van de democratie; zij is eerder de vorm van de democratie die de andere als een steunboog versterkt, de democratie van de in het sociale lichaam verstrooide indirecte machten, de permanente democratie van het wantrouwen tegenover de wisselende democratie van de electorale legitimering. Deze democratie vormt op die manier één geheel met de wettige democratische instituties.” De media, onderzoekcollectieven, wetenschappers, vakbonden, actiegroepen enzovoorts die elk vanuit hun belang en interesse controleren, toezicht houden en evalueren. Die naar de rechter stappen om iets af te dwingen zoals Urgenda. Die aandacht vragen voor groot en klein recht en onrecht. De luizen in de pels van bestuurders en politici maken deel uit van deze voor de democratie onmisbare tegendemocratie. Tegendemocratie als: “institutionalisering van het begrip ‘wantrouwen’. Die complexheid moeten we koesteren, niet versimpelen. Zij houden ons scherp zorgen ervoor dat het volk in al zijn verschillende dimensies uit de vorige alinea, zich kan uitspreken.

Een derde vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op de scheiding der machten. Die is nog steeds gebaseerd op de Montesquieu en zijn drie te onderscheiden machten: de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht. Volgens Rosanvallon is die driedeling niet meer steekhoudend voor onze huidige tijd. Rosanvallon: “In alle moderne samenlevingen wordt het begrip ‘macht’ voortaan steeds in het enkelvoud opgevat. Er is overal maar een werkelijke sturende macht: de uitvoerende macht. Aan deze komen alle initiatieven en wezenlijke beslissingen toe.” Als we naar de Nederlandse praktijk kijken, dan zien we dit ook. We hebben een wetgevende macht, de Tweede Kamer, maar hoeveel initiatieven van wet komen er vanuit die kamer en halen de eindstreep? De overgrote meerderheid van alle wetten en voorstellen daartoe worden opgesteld door de regering, de uitvoerende macht. Zelfs de begroting, een belangrijk ‘machtsinstrument’ van het parlement, wordt opgesteld door de regering waarna het parlement nog wat in de marge kan schuiven. De uitvoerende macht bindt de wetgevend al bij de kabinetsformatie omdat de coalitiepartijen zich binden aan een regeerakkoord en daarmee alle wezenlijke discussie beslechten waarna de kamer het kan ‘afstempelen’. Volgens Rosanvallon bestaat ook de derde, de rechterlijke, macht: “als zodanig allang niet meer… Omdat zijn rol voortaan uitsluitend de contentieuze jurisdictie is.”  Rosanvallon concludeert: “De term ‘scheiding der machten’ volgens de oude driedeling is dus niet meer gegrond.” Toch is het: “noodzakelijker dan ooit om in te gaan tegen de voortdurende neiging van de (uitvoerende)macht in het algemeen om zich zonder tegenwicht uit te oefenen en zich op te werpen als enige legitieme macht.” Het complexe evenwicht van drie machten is versimpeld tot een dominante (uitvoerende) macht. Dit moet, zo betoogt hij, weer complexer en dat kan op verschillende manieren. Als eerste: “moeten we de uitdrukkingsvormen van de algemene wil vermeerderen. De huidige politieke macht ontleent haar legitimiteit aan verkiezingen. Daarbij worden twee verschillende dimensies vermengt: ‘een rechtvaardigheidsprincipe en een beslissingstechniek.” Een beslissingstechnische uitspraak (51 -49) valt niet automatisch samen: “met het idee van een legitimering die naar een grotere maatschappelijke consensus verwijst.” Voor dit laatste zijn andere instituties nodig. Instituties: “die vereenzelvigd worden met de principes van onpartijdigheid (de onafhankelijke autoriteit, het recht) en reflexiviteit (de constitutionele gerechtshoven die het volk/principe in de tijdsduur uitdrukken). Als democratisch geldt dan een stelsel dat die drie samenwerkende en complementaire uitdrukkingsvormen van de algemene wil in zich verenigd.”  Hierbij spelen handelen (regering) en controle (oppositie) een onderscheidende rol waarbij met name de positie van ‘controle’ versterkt moet worden. Compliceren betekent niet verzwakken maar: “voortdurend dwingen uitleg te geven, rekenschap af te leggen, te evalueren en te controleren. Compliceren betekent ook afscheid nemen van de idee van simpele en directe democratie. De belangen van de macht en de samenleving zijn op de volgende manier met elkaar verbonden: om sterk te zijn zal een macht voortaan democratischer moeten zijn.”

Een vierde vlak waarop we de complexiteit moeten aanvaarden betreft wat Rosanvallon noemt de ‘verschillende figuren van de democratie’: “Want er zijn vier complementaire definities van democratie: zij is een burgeractiviteit, een politiek stelsel, een samenlevingsvorm en een politieke kwaliteit. Als burgeractiviteit impliceert zij het openbare debat en: “Ze vereist ook de organisatie van onafhankelijkheid van de macht, publiek, toezicht, kritiek, de uitdrukking van burgers in al haar vormen.” Als politiek stelsel is zij: “een verzameling van procedures en instituties.” Ook is zij de manier waarop het gemeenschappelijke wordt ingericht, de democratie als samenlevingsvorm. Als politieke kwaliteit definieert zij de handelswijzen en het gedrag.

‘De democratie compliceren om haar te voltooien, dat is wat Rosanvallon wil. Als we haar al ooit kunnen voltooien want, zoals hij betoogt (zie de vorige Prikker) is één van de zaken die democratie complex maken dat we haar moeten zien in ‘tijd’ en ‘ruimte’ en de tijd schrijdt voort en de democratische ruimte kan veranderen. En daarmee hebben we Rosanvallons laatste complicering van de democratie te pakken.

Nu terug naar het burgerberaad, de aanleiding voor deze en de twee voorgaande Prikkers. Met het ‘burgerberaad’ willen de initiatiefnemers komen tot ‘gedragen voorstellen’ en zo de ‘kloof’ tussen mensen dichten. Ik hoop in deze en de twee eraan voorafgaande Prikkers te hebben aangetoond dat we blij moeten zijn met die kloof. Die kloof is namelijk een wezenlijk kenmerk van onze en iedere democratie. Die kloof laat namelijk zien dat we de vrijheid en de mogelijkheden hebben om van elkaar te verschillen. Om anders over zaken te denken. Om het niet eens te zijn met besluiten en daar tegen te blijven ageren. Ageren om de ‘macht’ scherp te houden, om uitleg te vragen. Ageren door te evalueren en te onderzoeken. Ik, de Ballonnendoorprikker, benader iedere poging om die kloof te dichten met wantrouwen. Wantrouwen omdat het dichten van die kloof eerder tot minder dan tot meer democratie leidt. Omdat de kans groot is dat het uitloopt op: “all those other forms that have been tried from time to time,” waar Churchill over sprak.

Democratie

In mijn vorige Prikker vroeg ik me af of burgerberaden, zoals Jelmer Mommers en Eva Rovers in de Volkskrant voorstellen, een verrijking zijn voor onze democratie. Met betrekking tot het klimaatbeleid constateren zij dat: “de transitie (…) nog geen gedeeld project van alle Nederlanders (is). Lang niet iedereen voelt zich vertegenwoordigd door de ruim honderd partijen en organisaties die in juni 2019 het Klimaatakkoord sloten. Dus ontbreekt het vaak aan draagvlak, met name waar maatregelen mensen direct in hun straat en in hun woning treffen. Veel mensen voelen zich niet gehoord. Nu is er heel veel aan te merken op de manier waarop het klimaatakkoord tot stand is gekomen.

Verkiezingen: Nieuwe clowns in hetzelfde circus!" | Flickr
Bron: Flickr

Zoals ik in die vorige Prikker al betoogde, hebben we al ‘volksberaden’ die precies dat kunnen wat het door de beide auteurs beoogde burgerberaad kan én zelfs meer: ze kunnen ook nog besluiten. Die beraden zijn de door ons gekozen volksvertegenwoordigingen. Laten we eens wat dieper naar die gekozen volksberaden kijken. Die volksvertegenwoordigingen zijn namelijk niet uit de lucht komen vallen, die zijn langzaam gegroeid naar wat ze nu zijn. Staten Generaal, dat is nu de naam van de Eerste- en Tweede kamer samen. In de zestiende eeuw was het een gezamenlijk vergadering van de vertegenwoordigers van de zeventien provinciën. Die vertegenwoordigers waren geen ‘gewone mensen’. Het waren edelen uit de verschillende provinciën. Zij zagen zich als vertegenwoordigers en belangenbehartigers van het volk. De belangen van dat volk moesten immers behartigd worden bij de vorst. De belangen van dat volk leken erg veel op de belangen van de adel. Adel waarin rijke kooplui zich inkochten via huwelijken. De overgrote meerderheid van het volk had niets te zeggen en in te brengen.

In 1814 werden de Staten Generaal de volksvertegenwoordiging in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden en vanaf 1815 bestond die volksvertegenwoordiging uit twee kamers. Nu moeten we ook hier het begrip ‘volk’ niet al te breed zien. Tot 1848 werden de leden van de Eerste Kamer door de koning benoemd en de leden van de Tweede Kamer gekozen door de Provinciale Staten waarvan de leden weer uit de ‘edelen en notabelen’ bestonden. In het geheel niet ‘volks’ dus. Vanaf 1848 worden de leden van de Eerste Kamer door Provinciale Staten gekozen en de leden van de Tweede Kamer rechtstreeks door het volk. Nou ja het volk, alleen als je voldoende belasting betaalde, behoorde je tot het volk en mocht je stemmen. Pas sinds 1917 kennen we algemeen kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar en vanaf 1919 ook voor vrouwen. In deze strijd voor meer democratie wijkt Nederland niet zo veel af van andere Europese landen. De eerste keer dat het gehele volk mocht stemmen was in 1923. Pas vanaf dat moment zouden we kunnen spreken van een ‘burgerberaad’. En ook daar zijn kanttekeningen bij te plaatsen.

In de inleiding van zijn boek La contre-démocratie schets de Fransman Pierre Rosanvallon het dubbele van democratie: “Historisch heeft de democratie zich namelijk altijd doen kennen als zowel een belofte als een probleem. De belofte van een stelsel dat afgestemd is op de behoeften van de samenleving die gebaseerd is op de verwerkelijking van de dubbele imperatief van gelijkheid en autonomie. En het probleem van een realiteit die deze nobele idealen verre van ingelost heeft.” Dit heeft er volgens Rosanvallon toe geleid dat: “Het democratisch project (…) zelfs daar waar het was geproclameerd steeds onvoltooid (is) gebleven, of het nu ruw geperverteerd, subtiel versmald of als vanzelf tegengewerkt is. In zekere zin hebben we, in de sterkste betekenis van het woord, nooit volledig ‘democratische’ regimes gekend.” Het stukje parlementaire geschiedenis in de vorige alinea geeft een mooie opsomming van die versmallingen en tegenwerkingen. In zijn pamflet Tegen verkiezingen geeft David Van Reybrouck een bijzondere tegenwerking. Volgens Van Reybrouck is het instrument ‘verkiezingen’ in de basis bedoeld als een ‘tegenwerking’. Volgens Van Reybrouck, en nu vat ik het heel kort samen, zijn verkiezingen bedoeld als een poging van de aristocraten om de macht te behouden. En als je kijkt naar het gros van de parlementariërs in verleden en heden, dan zie je dat de bovenkant van de samenleving er structureel is oververtegenwoordigd. Nu is dat geen bewijs van Van Reybroucks gelijk, wel laat het zien dat mensen met meer macht het makkelijker hebben in een democratie.

In 2012 gaf de al genoemde Rosanvallon de Spinozalezing. In die lezing constateert hij ‘democratische onbepaaldheid’ een begrip dat hij als volgt definieert: “het subject van de democratie, haar doel en procedures (gaan samen) met spanningen ambiguïteiten, paradoxen, aporieën, asymmetrie en overlappingen die de definitie en het begrip ervan  problematisch maken en derhalve ook een bron zijn van de vele vormen van ontgoocheling.”  Rosanvallon onderscheidt er vijf die ik hieronder behandel.

Als eerste zijn er structurele spanningen. Die openbaren zich bij de keuze van de volksvertegenwoordigers. In een volksvertegenwoordiger zoeken we twee kwaliteiten. Als eerste ‘nabijheid’ kan ik me herkennen in de volksvertegenwoordiger of zoals Rosanvallon het beschrijft: “de vertegenwoordiger als valoriserende stand-in, getrouwe uitdrukking en stem van de vertegenwoordigde.” De partij GeenPeil zette tijdens de verkiezingen van 2017 extreem in op ‘nabijheid’. De partij beloofde alle stemmingen via digitale peiling aan het volk voor te leggen en in de Kamer vervolgens te stemmen naar de uitkomst van de peiling. De tweede kwaliteit die we zoeken in een volksvertegenwoordiger is ‘geschiktheid’: “de vertegenwoordiger als vertrouwensman, geïnformeerde afgevaardigde,” aldus Rosanvallon. Twee kwaliteiten die: “elkaar vaak uitsluiten en moeilijk in één vertegenwoordiger te verenigen zijn.”  En, zo vervolgt hij: “Bovendien verwijzen ze vaak naar de waardering van twee verschillende politieke momenten: dat van de verkiezingscampagne en dat van de regeringsdaad.” Als nabijheid het belangrijkste is, dan is loting de beste manier om een volksvertegenwoordiging te kiezen. Zo willen de beide auteurs ook het door hen voorgestelde burgerberaad vormgeven. Zoeken we ‘geschiktheid’ dan zijn verkiezingen beter. Probleem is echter dat we allebei zoeken. Daar komt een ander probleem bij en dat is dat een vertegenwoordiging nooit een afspiegeling van het gehele volk kan zijn. Het ‘burgerberaad’ van de auteurs zal ook tegen de problematiek van ‘nabijheid’ en ‘geschiktheid’ aanlopen. Want vindt iedereen dat de mensen in het beraad hen ‘nabij’ zijn? En zelfs als die nabijheid er is, dan is de kans reëel dat de ideeën waarmee het burgerberaad komt door een flink deel niet ‘geschikt’ wordt gevonden. Een gedragen oplossing is niet per definitie de meest geschikte oplossing.

De tweede ambiguïteit vloeit, volgens Rosanvallon: “voort uit het niet overlappen van twee constitutieve definities van hetzelfde object.” Dat object is ‘het volk’. “Het volk is zowel het korps van burgers, dat naar een idee van eenheid, een vorm van totaliteit verwijst, als een sociale vorm, die diversiteit, pluraliteit en zelfs verdeeldheid impliceert.” Tegenwoordig spelen politici als Wilders en Baudet met die ambiguïteit. Spelen door te spreken over ‘het volk’ als die eenheid terwijl ze slechts een klein deel van de diversiteit van de ‘sociale vorm’ bedoelen. Het volk in de sociale vorm spreekt nooit met één stem en bij onze besluitvorming moet een meerderheid worden gevonden door zoveel onderdelen van de ‘sociale vorm’ achter een voorstel te verzamelen dat er een meerderheid ontstaat. Deze ambiguïteit zal ook in het klimaat ‘burgerberaad’ van de auteurs sluipen. Zoals de auteurs terecht constateren: “bijna iedereen hecht belang aan een gezonde, fijne leefomgeving.” Wat ‘gezond en fijn’ is daar beginnen mensen te verschillen en vooral als het maatregelen betreft om daar te komen, dan verschillen mensen net zo van mening als: “over wat de beste voetbalclub is, wie The Voice moet winnen, en wie de verkiezingen.”

Als derde constateert Roasanvallon ‘functionele asymmetrieën: “Als we in aanmerking nemen dat de democratie het dubbele doel heeft de bestuurders te legitimeren en de bestuurden te beschermen, dan moeten we wel vaststellen dat die twee functies elkaar niet kunnen dekken. De legitimering berust op het vormen van een vertrouwensband tussen bestuurders en bestuurden, terwijl de bescherming van de bestuurden juist uitnodigt tot het organiseren van het wantrouwen” De coronapandemie brengt deze asymmetrie duidelijk naar voren. Maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, roepen veel verzet en wantrouwen op en de legitimiteit van de maatregelen wordt ter discussie gesteld.

Als vierde moeten we democratie zien in haar tijd en ruimte. Volgens Rosanvallon: “is er een duidelijk verschil tussen een democratie op het moment van haar constitutie en een permanente democratie.” Wat democratisch is en welke instituties er nodig zijn verschilt in de tijd. Rosanvallon geeft een voorbeeld: “Op het moment van de Franse Revolutie leek het ondenkbaar om vertegenwoordigers te kiezen voor de duur van meer dan een jaar; bovendien werd er elke week een nieuwe voorzitter van het parlement gekozen!” Naast ‘tijd’ kan ook ‘ruimte’ variëren. Met ‘ruimte’ bedoelt hij dat wat de kern is van de democratie. Rosanvallon: “lange tijd heeft men gedacht dat het gezin de werkelijke school van de democratie was, omdat men in het gezin er het duidelijkst vorm aan geeft. Anderen zeiden dat het lokale niveau de school van de democratie is, omdat de vanzelfsprekendheid van de gemeenschap zich niet hoeft uit te drukken door middel van de oprichting van een institutie. De groep bestaat er direct als gemeenschap.” De recente decentralisatie van verantwoordelijkheden naar gemeenten werd onderbouwd met argumenten in deze lijn. Sinds het midden van de negentiende eeuw is de natie echter dé, om Rosanvallons woord te gebruiken, school van de democratie. Tegenwoordig ondervindt die school concurrentie van een nieuwe supranationale, namelijk de Europese Unie maar ook van het lokale. Bij het aanpakken van de klimaatproblematiek speelt ‘ruimte’ een belangrijke rol. Klimaat trekt zich immers niets aan van door de mens verzonnen ‘fictionele feitelijkheden’ als landsgrenzen.

Als laatste kent democratie, zoals Rosanvallon het noemt: “pluraliteit van vormen en domeinen.” Wat moeten we hieronder verstaan? “De democratie is natuurlijk een politiek stelsel. Maar ze omschrijft ook vormen van burgeractiviteit, die verder reiken dan alleen deelname aan verkiezingen: debat, het woord nemen, informatie, participatie, betrokkenheid. Ze is ten slotte een samenlevingsvorm die gebaseerd is op het project een wereld van gelijken op te bouwen.” Een wereld van gelijken waarbij iedereen betrokken is, iedereen het woord kan nemen, zich kan informeren. Daarvoor is geen apart ‘burgerberaad’ nodig.

Een andere aanpak, zoals het door de auteurs voorgestelde burgerberaad leidt wellicht tot andere resultaten, maar of het er ook voor zorgt dat iedereen zich gehoord voelt? Of het resultaat op draagvlak bij iedereen kan rekenen? Of er niet aan de legitimiteit van de oplossingen zal worden getwijfeld? Of er niet aan de ‘ruimtelijkheid’ zal worden getwijfeld? Het lijkt mij sterk dat een burgerberaad de vijf door Rosanvallon benoemde punten oplost.

De logica van Van Ark

“Jonggehandicapten werken wat vaker dan voorheen maar vooral in tijdelijke baantjes. Voor mensen uit de sociale werkplaats is de kans op werk afgenomen. Voor de oude groep in de bijstand is weinig veranderd.” Deze korte samenvatting van de evaluatie van de Participatiewet door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) geeft de Volkskrant. In de krant een gesprek met verantwoordelijk staatssecretaris Van Ark. In het gesprek maakt de staatssecretaris zich er zorgen over: “Het zorgelijkst vind ik de groep mensen die op de wachtlijst stond voor een plek in een sociaal werkbedrijf. Voor hun moeten de gemeenten nu beschut werk vinden, maar dat gebeurt te weinig. Jonggehandicapten verdienen meer geld door arbeid. Dat is positief, maar hun inkomenspositie is verslechterd. Het doel van de Participatiewet is niet alleen om een uitkering te bieden maar ook uitzicht op werk, liefst vast werk en niet alleen onzekere, tijdelijke banen.” De oplossing van Van Ark: “de vrijblijvendheid moet eraf.” 

Bron: WikimediaCommons

Voor wie moet de vrijblijvendheid eraf? “Om te beginnen voor mijn ministerie. Dat moet gemeenten en werkgevers ondersteunen. In elke regio komt een loket dat hen bijstaat en overal op dezelfde manier werkt.” Vervolgens voor de gemeenten: “Die moeten nu aan de slag met de echt moeilijke groepen. Daar zie ik een lichtpunt. In veel college-akkoorden die na de gemeenteraadsverkiezingen zijn gesloten, staat: we gaan aan de slag met die groep.” Omdat gemeenten dit hebben laten zitten: “ga ik de wet nu zo veranderen dat de gemeenten iedereen die onder de Participatiewet valt een passend, niet vrijblijvend aanbod moeten doen voor het leveren van een tegenprestatie,” aldus Van Ark. En dan zijn we bij degenen waar de echte ‘vrijblijvendheid’ eraf moet: de mensen die zijn aangewezen op deze wet. Want, zo zegt de staatssecretaris: ‘‘Het gaat om wederkerigheid. Iets terugdoen voor de maatschappij.” 

Zou een ‘verplichte tegenprestatie’ er werkelijk voor zorgen dat een werkgever een jonggehandicapte in vaste dienst neemt in plaats van een tijdelijk baantje? Zou een ‘verplichte tegenprestatie’ werkelijk hun inkomenspositie verbeteren? Zou ‘de verplichte tegenprestatie’ werkelijk de kans op werk voor mensen uit de sociale werkplaats vergroten? 

Ik vrees met grote vrezen. Het enige wat er gaat gebeuren is dat kwetsbare mensen nog verder onder druk worden gezet. En waarom? De staatssecretaris: “Er is ook een groep mensen die zegt: ik wil niet werken. Volgens het SCP zijn dat zo’n 50 duizend mensen. Daar moeten we streng tegen zijn, want ik ben ook de staatssecretaris van de belastingbetaler die de uitkeringen betaalt.” Om die achter de veren te zitten moeten zo’n half miljoen anderen onder druk worden gezet en gestigmatiseerd.

Als onderzoek iets uitwijst dan is het dat de jonggehandicapten wel willen, maar dat hen geen vast werk wordt aangeboden. Dat zij door dat willen hun inkomenspositie verslechteren. Dan leert het onderzoek dat het ontbreekt aan passend werk voor mensen uit de sociale werkplaatsen. Zou een ‘tegenprestatie’ eisen van de vragers naar werk helpen om meer aanbod te creëren? Zou de staatssecretaris niet een ‘tegenprestatie’ van de werkgevers moeten eisen? Mag van de werkgevers niet ook ‘wederkerigheid’ worden geëist? Moeten de werkgevers niet ook iets ‘terugdoen voor de maatschappij’?  Zou zij van de overheid niet het goede voorbeeld moeten eisen?

Terrorisme

In de afgelopen vier Prikkers (Wat was en IS 123 en 4) gaf ik een historische schets waarin IS kon ontstaan. In deze Prikker blijf terrorisme het onderwerp. Onze overheid, de Nationaal coördinator terrorismebestrijding (Nctv), omschrijft terrorisme als volgt: “Terrorisme is het uit ideologische motieven dreigen met, voorbereiden of plegen van op mensen gericht ernstig geweld, dan wel daden gericht op het aanrichten van maatschappijontwrichtende zaakschade, met als doel maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen, de bevolking ernstige vrees aan te jagen of politieke besluitvorming te beïnvloeden.” Ook terreurdeskundige Beatrice de Graaf lijkt terrorisme en terreur te zien als afkomstig van groepen die zich met geweld tegen de samenleving afzetten. In haar DWDD college noemt zij terroristen de ‘klunzen’ en de ‘losers van de geschiedenis’. Terreur als wapen van de zwakkeren. 

Door terrorisme en terreur op deze manier te framen blijft een heel belangrijk aspect van terreur buiten beschouwing. Een deel dat wel eens cruciaal zou kunnen zijn bij het bestrijden van terreur. Voor dat deel eerst naar het woord terrorisme. Terrorisme is, volgens de Van Dale: “het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van terreur.” Een ‘daad van terreur’ is, volgens dezelfde Van Dale: “georganiseerd politiek geweld.” Terrorisme is daarmee het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van georganiseerd politiek geweld. 

Bron: wikipedia

Terrorisme kan volgens deze definitie gericht zijn tegen de regering of bevolking. Volgens deze definitie is terrorisme ook georganiseerd politiek geweld van een overheid tegen haar bevolking. De overheid als terrorist? Dat klinkt vreemd in de oren. Toch is het niet zo vreemd als het klinkt. Als we teruggaan naar de oorsprong van het woord terreur dan komen we uit bij la Terreur met een hoofdletter na de Franse revolutie van 1789. In Liberté schreef ik er al iets over. De belangrijkste vertegenwoordiger van het programma dat ten grondslag lag aan de periode die nu la Terreur heet was Maximilian Robespierre en die was, volgens Palmer in Colton in de zesde editie van hun boek A History of the Modern World (pagina 376): “determined … to bring about a democratic republic made up of good citizens and honest men.” Om zover te komen moest men af van ‘slechte burgers’ en ‘oneerlijke mensen.” Hoe doe je dat? “A Committee of General Security was created as a kind of supreme political police. Disigned to protect the Revolutionary Republic from it’s internal enemies, the Terror struck at those who were in league against te Republic, and those who were merely suspected of hostile activities.” En dat was een uitgebreid palet aan mensen: “It’s victims ranged from Marie Antoinette and other royalist to the former revolutionary colleagues of the Mountain, the Girondin leaders; and before the year 1793-1794 was over, some of the old Jacobins of the Mountain who had helped inaugurate the program went also to the guillotine.” in totaal verloren zo’n 40.000 mensen hun hoofd en honderdduizenden werden gearresteerd en vastgehouden.

La Terreur, de naam van deze periode is uiteindelijk in de negentiende eeuw als een leenwoord vanuit het Frans in het Nederlandse woordenboek verschenen. Terreur heeft haar naam dus te danken aan geweld van de overheid tegen haar burgers. Burgers die als een bedreiging werden gezien voor de Franse republiek. De Franse revolutionaire republiek is trouwens niet de enige die zich aan dergelijke terreur heeft bezondigd. De Russische, Chinese, Iraanse en anderen deden hetzelfde. Sterker, het lijkt min of meer eigen aan revoluties dat na de omwenteling een periode van terreur volgt. Terreur als middel van de machthebbers tegen de eigen bevolking. Stalin startte in 1934 met wat we nu de ‘grote zuivering’ noemen. Die periode volgde trouwens op een terreurcampagne tegen de ‘koelakken’, de boeren. Hitler startte in dezelfde periode met iets soortgelijks. Na de Rijksdagbrand van 1933 startte hij een terreurcampagne tegen zijn gevaarlijkste vijand, de communisten. Die verdwenen in het gevang en in speciaal ervoor gebouwde concentratiekampen. Kampen die later ook werden gevuld met socialisten en andere bedreigingen voor zijn regime. Mao deed het in China zelfs twee keer, eerst tussen 1952 en 1956 toen iedereen gelijkgeschakeld werd tot ‘nieuwe mens’ en vanaf 1966 onder de vlag van de ‘Culturele revolutie’. 

In de ruim tweehonderd jaar dat we het woord terreur kennen, is de dader ineens het slachtoffer geworden. Door deze bijzondere gedaantewisseling verdwijnt terreur door de overheid buiten beeld. Dit terwijl terreur door de overheid veel gevaarlijker is dan terreur door ‘klunzen en losers van de geschiedenis’. De overheid heeft immers het machtsmonopolie. En zoals ik in het laatste deel van Wat was en IS al schreef, staat de geschiedenis: “bol van ‘gesol’ door de machtigen. De onmachtige reageren op dit gesol, zij moeten zich hiertoe verhouden. De machtigen passen vervolgens hun gesol weer aan aan die reactie.”

Laten we eens met de originele bril van terreur, dus met de overheid als dader, naar reacties van overheden op aanslagen kijken. Na de aanslagen van 11 september verklaarden de Verenigde Staten de oorlog aan ‘terreur’ en Nederland ging hierin mee, net als alle andere westerse landen. Artikel 5 van de NAVO trad in werking: een aanval op één is een aanval op allen. In een oorlog gelden andere regels dan in een normale samenleving. Het normale recht wordt opzij gezet. Als we kijken naar de resultaten dan zien we dat dit tot zeer veel doden heeft geleid, dat past in het frame van een oorlog. In een oorlog schakel je je tegenstander uit en heten toevallige slachtoffers ‘collateral damage’. Het heeft tot heel weinig veroordelingen door een rechter geleid. Ook dat past in het oorlogsframe, daar geldt het oorlogsrecht. En dat werd, zie het voorbeeld van de gevangenen in Guantanamo Bay, zelfs opzij geschoven. 

Bron: Flickr 

Politie, inlichtingen- en veiligheidsdiensten kregen veel ruimere bevoegdheden tot het verzamelen van gegevens over mensen. In de strijd tegen het IRA-terrorisme kreeg de Britse politie in de jaren zeventig via de Prevention of Terrorism Act (PTA) uitgebreidere bevoegdheden waaronder het zonder aanklacht vasthouden van mensen gedurende minimaal 48 uur zonder dat de arrestant aanspraak kon maken op de rechten die een normale arrestant heeft. Neem de nieuwe Wet op de inlichtingen en veiligheidsdiensten (Wiv) in Nederland. Een bijzondere wet. Bijvoorbeeld artikel 39 lid 1: “De diensten zijn bevoegd zich bij de uitvoering van hun taak, dan wel ter ondersteuning van een goede taakuitvoering, voor het verzamelen van gegevens te wenden tot bestuursorganen, ambtenaren en voorts een ieder die geacht wordt de benodigde gegevens te kunnen verstrekken.” Hiervoor hoeven ze zich alleen maar te legitimeren als zijnde van de inlichtingendienst een rechterlijk bevel is niet nodig. Of en zo ja hoe en met welke gevolgen die ‘bestuursorganen, ambtenaren en iedereen die geacht wordt de benodigde gegevens te kunnen verstrekken’ zo’n verzoek naast zich neer kunnen leggen, daar rept de wet niet over.

‘Als je niets verkeerds hebt gedaan, dan hoef je je daar geen zorgen over te maken’. Dat is een veel gehoorde reactie als iemand bezwaren maakt tegen deze extra bevoegdheden voor de overheid. Een argument dat geen hout snijdt. De geschiedenis van de Britse PTA laat zien dat ook onschuldige mensen het slachtoffer werden van deze wet. De Amerikaanse ervaringen met Guantanamo Bay laten iets soortgelijks zien. De Toetsingscommissie inzet bevoegdheden (TIB) die moet toezien op de toepassing van de Nederlandse Wiv constateerde in haar eerste rapport: “De TIB heeft het grootste deel van de verzoeken als rechtmatig beoordeeld. Tegelijk constateert de TIB dat in een aantal gevallen de door de minister verleende toestemming als onrechtmatig is beoordeeld.” Niets verkeerd doen is daarmee geen garantie dat je je ‘geen zorgen’ hoeft te maken. De overleden journalist Willem Oltmans zou erover mee kunnen praten. Hij ontving in 2000 achtmiljoen gulden schadevergoeding van de Nederlandse staat omdat die hem jarenlang had tegengewerkt en zijn reputatie had geschaad. Trouwens, zelfs als dit allemaal feilloos verloopt, dan nog is een overheid zoals de Britse, die mensen zonder aanklacht vasthoudt en die zonder tussenkomst van een rechter informatie over iemand verzamelt, een reden tot zorg. Dergelijk handelen, ook al is het gebaseerd op een wet, staat op gespannen voet met het zijn van een rechtstaat.

Zeker als we wat dieper in de overheid als ‘terorismebestrijder duiken.“Terrorismebestrijding in Nederland richt zich niet alleen op de gewelddaden zelf, maar ook op het traject daarvóór. Aan terroristische daden gaat een proces van radicalisering vooraf. Het streven is om radicalisering van groepen en individuen zo vroeg mogelijk te onderkennen, zodat met behulp van persoonsgerichte interventies voorkomen kan worden dat zij terroristisch geweld gaan plegen.” Zo is te lezen op de site van de Nctv en: “Deze combinatie van preventieve en repressieve maatregelen staat bekend als de ‘brede benadering’ en wordt al lange tijd met succes in Nederland toegepast.” Veiligheidsdiensten die radicalisering zo vroeg mogelijk willen onderkennen omdat het vormen van radicale gedachten een voorstadium kan zijn van het toepassen van geweld. Nu is radicaal een rekbaar begrip. Radicaal is volgens Van Dale: “iemand die verregaande hervormingen wil.” Maar wie bepaalt wat radicaal is? Wat voor de een een vergaande hervorming is, is voor de ander een eerste kleine stap in een bepaalde richting. Zo kun je met recht en rede betogen dat een pleidooi voor een basisinkomen een verregaande hervorming is. Het staat immers haaks op de gangbare opvattingen over de rol van onze sociale zekerheid. Een werkloosheidsuitkering stond echter ook jarenlang haaks op de gangbare opvattingen. Zelfs een democraat was eeuwenlang een radicaal. 

Iedereen loopt dus het risico om te worden gezien als radicaal en dus als potentieel subject van bemoeienis door de overheid. De Nctv hierover: Tegenwoordig gaat de grootste dreiging uit van een mondiale politiek-religieuze strijd: het jihadisme. Maar ook terrorisme uit andere hoeken, bijvoorbeeld rechtsextremisme, wordt tegengegaan. Het uitgangspunt is dat terrorisme dient te worden voorkomen en bestreden, ongeacht de ideologische achtergrond.” Daar waar de overheid van dader, slachtoffer van terreur is geworden, wordt de burger van slachtoffer potentieel dader. Een bijzondere positiewisseling waardoor terreur door de overheid niet lijkt te bestaan, terwijl dat de grootste bedreiging voor onze vrije, open, democratische en inclusieve rechtstaat is.

Natuurlijk moeten we proberen om te voorkomen dat verschrikkelijke aanslagen zoals die in New York, Londen, Parijs, Madrid, Berlijn enzovoorts worden gepleegd. Dergelijke aanslagen brengen veel leed met zich mee. Het zijn en blijven, om De Graaf te citeren, ‘klunzen en de losers van de geschiedenis’. Klunzen en losers die niet van ons kunnen winnen, maar waar we wel van kunnen verliezen’ om die spreuk van Johan Cruijff nog maar eens te gebruiken. Overheidsacties gericht tegen groepen mensen en waarbij de groep niet duidelijk is afgegrensd, herbergen het risico om uit te draaien op terreur door de staat. Ervaringen uit het verleden laten zien dat er niets zo vernietigend is voor een samenleving als terreur door een staat tegen inwoners.

Bron: Wikipedia

Zoals al aangegeven, zijn er weinig daders van terrorisme voor de rechter verschenen. Deels omdat ze zichzelf van het leven beroofden en deels omdat ze werden gedood door veiligheidstroepen. Dat is jammer omdat de kracht van onze rechtstaat juist de rechtspraak zou moeten zijn: het eerlijke proces. Dat zou ook zo moeten zijn voor de partners van IS strijders die zijn nagereisd naar Syrië en Irak. Deze partners en hun kinderen wordt het nu bijna onmogelijk gemaakt om naar Nederland terug te keren. Dit terwijl zij in bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit. Zo laten we de sterke kant van onze rechtspraak onbenut en dat is een eerlijk proces, het uitzitten van straf en vervolgens weer als vrij burger genieten van de voordelen van onze vrije, open, inclusieve, democratische samenleving. Door te laten zien dat je fouten mag maken, maar dat je na je straf er weer bij hoort.

De weg naar winst maakt gebruik van en versterkt ondertussen de belangrijkste kenmerken van die vrije, open, democratische en inclusieve rechtstaat. Dat doet zij door mensen die geweld gebruiken op te sporen en volgens de normale procedures van het gewone strafrecht te  berechten. Dat doet zij door alle opvattingen en ideeën een plek te geven in het openbare gesprek en debat. Dat doet zij door uit te stralen dat iedereen erbij hoort. Dat doet zij door, zoals ik in Fraternité schreef, door vrijheid, gelijkheid en broederschap op een evenwichtige manier met elkaar te verbinden. Dat doet zij niet door het frame van de ‘oorlog tegen terrorisme’. Dat doet zij ook niet door de roep om meer en verdergaande bevoegdheden voor de overheid in de ‘strijd tegen terrorisme’. Dat doet zij niet door een overheid die zich via een Nctv gaat bezighouden met het denken van mensen en hun al dan niet ‘radicale’ opvattingen. Dat zijn maatregelen waardoor we ‘van ze kunnen verliezen’.


Samen

 Wie het nieuws een beetje heeft gevolgd, weet dat staatssecretaris Blokhuis van Volksgezondheid vorige week zijn ‘finest hour’ beleefde. Het Nationaal Preventieakkoord werd namelijk ondertekend. Patiëntenorganisaties, zorgaanbieders, zorgverzekeraars, gemeenten, sportbonden, bedrijven, fondsen onderwijs, maatschappelijke organisaties en Blokhuis als vertegenwoordiger van het Rijk, zetten een handtekening onder het akkoord. Doel van het akkoord: “het terugdringen van roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik.”  Natuurlijk is het goed om mensen te wijzen op de gevolgen van drank, drugs en suiker. Toch is er iets in het akkoord wat vragen oproept.

Foto: wikipedia

Die vragen ontstonden na het lezen van de volgende passage in de inleiding van de publieksversie. “Alle kinderen hebben recht op een goede start. Een start waar zij een leven lang profijt van hebben. Volwassenen willen lang actief zijn en fit hun pensioen halen. Langer in goede gezondheid leven. Dan kunnen mensen blijven meedoen aan de samenleving. Wie wil dat nou niet?” Inderdaad, wie wil er niet gezond blijven? Wie wil er niet dat kinderen een goede start krijgen waarvan zij een leven lang profijt hebben? Wie wil er niet fit zijn pensioen halen? Dit wordt natuurlijk wel steeds lastiger als de de pensioendatum steeds verder weg schuift.

Alleen is het niet iedereen gegeven om fit het pensioen te halen en gezond te blijven. Soms helpt veel sporten, gezond eten niet en word je toch ziek, zwak of misselijk. Als je dat overkomt, doe je dan niet meer mee aan de samenleving? Doe je alleen mee aan de samenleving als je fit en gezond bent en zo je pensioen haalt? Want dat is wat er wordt gezegd met de zin: “Dan kunnen mensen blijven meedoen aan de samenleving.”

Ik hoop maar dat de staatssecretaris en de andere ondertekenaars van het Preventieakkoord het zo niet bedoelen. Als dat zo is, dan zou ik hen willen adviseren om toch eens wat zorgvuldiger na te denken over wat ze schrijven. Het zijn maar woorden, maar woorden kunnen net zo hard of nog harder zijn dan een stenen muur. Woorden zoals deze sluiten uit.