Uitgelicht

Prestatiebeloning

“Wat als je de slechtst presterende 10 procent medewerkers in een organisatie zou vervangen door de beste 10 procent? In het bedrijfsleven levert het 4 tot 5 procent meer productie op.” Hiermee opent een interview van Wouter Boonstra met hoogleraar internationale economie Harry Garretsen in Binnenlandsbestuur. Hoe kun je tien procent van je slechtste medewerkers vervangen door tien procent van je beste medewerkers, die beste medewerkers heb je toch al in huis? Nu zal Garretsen het zo niet bedoelen. Het gaat mij om een andere passage in het interview. Ik lees er: “dat de helft van de werknemers in de publieke sector met liefde een deel van de salarisstijging opgeeft voor een prestatie-afhankelijke bonus. Onder de jongeren tot 45 jaar was het percentage voorstanders van een bonus zelfs 60 procent.” Zou die helft en de zestig procent van de jongeren tot 45 zich realiseren wat ze willen? Bij een prestatiebeloning word je beloond naar wat je presteert.

gras, fabriek, veld-, prairie, bloem, eten, gewas, biologie, landbouw, groenten, prei, allium, bebouwbaar, bloeiende plant, triticale, prei kas, allium ampeloprasum, gras familie, landplant, phragmites, prei veld, prei groeien, allium porrum, breedband prei, winter prei, Welsch ui, wicked prei, spaans ui, Asch prei, ui vlees, Ackerl auchs
Bron: pxhere.com

Mijn eerste schreden op de arbeidsmarkt zette ik als elfjarige in de ‘grote vakantie’ op een akker waar prei moest worden gepoot. Het salaris was een typisch voorbeeld van ‘prestatiebeloning’. Het werd bepaald door de hoeveelheid rijen die je pootte. En voor mij leek er geen einde aan zo’n rij te komen dus dat salaris viel wat tegen in vergelijking met wat oudere kinderen met meer ervaring in het poten van prei. In die tijd werd het salaris van veel van dergelijk seizoenswerk bepaald aan de hand van je prestatie: zoveel cent per kilo aardbeien of asperges. Na enkele jaren was ik erg bedreven in dergelijke werk. Alleen waren de tuinders toen overgestapt op een salaris per uur.

Prestatiebeloning is bedoeld als een prikkel waardoor de werknemer harder gaat werken. Bij het preipoten was het heel eenvoudig: poot je de meeste rijen dan verdien je het meeste. De tuinder weet vooraf precies hoeveel geld hij kwijt is aan het poten van de prei. Namelijk het aantal rijen maal de prijs per rij. De poters weten vooraf niet wat ze verdienen. Hun verdienste hangt namelijk af van de prestatie van hun collega’s. Om het cru te zeggen profiteren de snelsten van de langzaamste. De snelsten kunnen immers meer doen omdat de langzaamste minder doen. Als de tuinder zijn prei sneller in de grond zou willen hebben, dan zou hij bijvoorbeeld de langzaamste helft van de poters kunnen vervangen door poters die even snel zijn als zijn snelste helft. Zijn kosten zouden gelijk blijven, de prei zou eerder in de grond staan en … de poters zouden per persoon minder verdienen. De snelheid van de gemiddelde poter neemt immers toe waardoor er per ‘poter’ minder rijen gedaan kunnen worden.

De publieke sector is geen tuinderij waar prei moet worden gepoot. Voor die vijftig en zestig procent van de voorstanders van prestatiebeloning is het goed om toch eens wat beter naar die akker met prei te kijken. Als we bijvoorbeeld kijken naar de gemeentelijke begroting dan zien we dat daar een bedrag in is opgenomen voor het salaris van de ambtenaren. Zoveel geld is er per jaar beschikbaar voor salaris. Dat bedrag is gefixeerd. Het is de te vergelijken met de akker van de preiteler, die heeft een vast oppervlak. Hoe dat bedrag voor salarissen in de gemeentelijke begroting wordt verdeeld, staat nu vooraf vast. Ambtenaren zijn op een bepaald salarisniveau ingeschaald. Ze weten van tevoren wat ze krijgen. Stel we gaan de kant van de prestatiebeloning op en een deel van het ambtenarensalaris wordt ‘prestatieafhankelijk’. Dan wordt hetzelfde bedrag op een andere manier verdeeld over de ambtenaren. Zouden die vijftig en zestig procent hier allemaal van profiteren?

Laat ik eens een voorbeeld uitwerken. Een bedrijf of gemeente heeft 200 medewerkers die nu allemaal 100 verdienen. Dit betekent dat er 20.000 aan salaris beschikbaar is. Stel we gaan nu een vijfde verdelen op basis van prestatie. Dan is er 16.000 als basissalaris beschikbaar, dus 80 per persoon en zit er 4.000 in de ‘prestatie-pot’. Presteren doe je als je meer dan gemiddeld produceert. Dit betekent dat je alleen als je tot de beste 50% behoort, in aanmerking komt voor een prestatiebonus. Verdeel je die ‘prestatie-pot’ recht evenredig over de 100 meer dan gemiddeld presterende medewerker, dan ontvangen die ieder 40 extra en hebben ze een inkomen van 120. Dan ga je ervan uit dat de best presterende vijftig allemaal evenveel presteren. Maar hoe ‘prestatie belonend’ is het als je iemand die net iets meer dan gemiddeld presteert evenveel bonus toekent als de allerbest presterende? Om ook daar de prestatie leidend te laten zijn, maken we een staffeling. We verdelen die bovengemiddeld presterende 50% in vier even grote groepen van 25 personen. Het best presterende kwart van die 50% krijgt 40% van de ‘prestatie-pot, dus 1.600, het tweede kwart 30% en dus 1.200, het derde kwart 20% of te wel 800 en het laatste kwart 10% en dus 400. Alhoewel ook weer niet helemaal ‘prestatie-belonend’, verdelen we de delen van de pot recht evenredig over de groepen. Wat zien we dan? Dan zien we dat de slechts presterende 100 medewerkers per persoon 80 verdienen. De 25 (12,5%) net boven gemiddelde scorende medewerkers verdienen 80 plus een bonus van 16 (400 gedeeld door 25). De volgende 25 verdienen 80 plus een bonus van 32 (800 gedeeld door 25). De op een na best presteerden 25 verdienen 80 plus een bonus van 48. De best presterende 25 medewerkers verdienen 80 plus een bonus van 64.

Anders dan de tuinder die zijn akker sneller gepoot wilde hebben, vervangt dit bedrijf of gemeente, niet die minst presterende medewerkers. Tenminste niet bewust, maar dat wil niet zeggen dat onbewust niet hetzelfde gebeurt. Van de ene kant zullen de minst presterende medewerkers wellicht ander werk zoeken omdat hun beloning vermindert. Ze krijgen nu immers nog maar 80 terwijl het eerst 100 was. Aangelokt door de bonus, zal hun plek worden ingevuld door ambitieuze lieden die verwachten tot de best presterende medewerkers te horen. Als dat zo is, dan stijgt de gemiddelde productie en dus de norm waaraan je moet voldoen om voor een bonus in aanmerking te komen.

In dit voorbeeld gaat meer dan 60% van de medewerkers achteruit in salaris. Dat betekent dat ook een deel van de voorstanders van prestatiebeloning het met minder zal moeten doen dan ze nu krijgen. De productiviteit van het bedrijf of de gemeente stijgt en dat is positief. Snellere ‘poters’ zorgden ervoor dat de prei van de tuinder sneller was gepoot en de poters eerder naar huis konden tegen dezelfde arbeidskosten voor de tuinder. Anders dan de akker van de tuinder, is het werk bij een gemeente oneindig. Via de prestatiebeloning gebeurt immers meer voor hetzelfde geld, de ‘gemeentelijke poters’ gaan niet eerder naar huis, ze doen meer in dezelfde tijd. Dat is positief voor het bedrijf of gemeente, maar is het ook goed voor de werknemers? Ze moeten steeds harder werken voor hetzelfde of minder geld. Harder en meestal ook langer. Een tweede, vooral voor de minder productieve medewerkers interessante, manier om je ‘prestatiebonus’ te halen, is door meer tijd aan het werk besteden. Door langer te gaan werken. Zouden de vijftig en zestig procent voorstanders van prestatiebeloning zich dit allemaal realiseren? Ik waag het te betwijfelen.

Uitgelicht

Eenoog of vijftien pakken koekjes

“Je hoeft voorlopig geen koekjes meer mee te nemen. Er liggen nog vijftien pakken in de kast.” Dit krijg ik soms te horen. Nee, niet altijd over koekjes, het onderwerp kan variëren. Ik krijg dat te horen omdat ik in ons huishouden meestal de wekelijkse boodschappen doe. Hiervoor maak ik nooit lijstjes, ik neem iedere week ongeveer hetzelfde mee. Alleen bijzondere zaken staan op een lijstje. Nou ja lijstje, een foto van ons memobord waarop we die zaken, zoals afwasmiddel of koffie, schrijven. Ik moest hieraan denken toen ik de kop van een advertentie las die in de Volkskrant voorbij kwam: ‘Kinderen zullen niet eens weten dat Internet of Things bestaat’. Met een op het internet aangesloten voorraadkast, zou dat nooit gebeuren.

Eigen foto

‘Internet of Things’ met hoofdletters geschreven om het nog belangrijker te maken. Wikipedia geeft de volgende omschrijving: “Het internet der dingen (Engels: Internet of Things (IoT)) refereert aan de situatie dat door mensen bediende computers (desktops, laptops, tablets, smartphones) in de minderheid zullen zijn op het internet. De meerderheid van de internetgebruikers zal in deze visie bestaan uit semi-intelligente apparaten, zogenaamde embedded systems. Alledaagse voorwerpen worden hierdoor een entiteit op het internet, die kunnen communiceren met personen en met andere objecten, en die op grond hiervan autonome beslissingen kunnen nemen.”  De promotors van het Internet of Things laten het woord semi voor intelligent weg en verengelsen het tot ‘smart’. Een ‘smart’ voorraad- en koelkast die samen het boodschappenlijstje maken en het naar mij zenden, dat zou handig zijn. Of nog een stap verder. Die het lijstje naar de supermarkt, slager en bakker stuurt die de boodschappen dan thuis komen bezorgen. Of niet?

Dat ‘thuisbezorgen’ zou me tijd schelen. Tijd waarin ik een Prikker kan schrijven. Nu is tijd vinden om een Prikker te schrijven niet zo’n probleem. Als het idee er is, volgt de tijd vanzelf. Bij dat thuisbezorgen zou ik het contact en de gesprekken met winkelmedewerkers missen. De leuke gesprekken met de medewerkers bij Scharrelslagerij Hamans of met de medewerkers van Bakkerij Rutten. En ook de gesprekjes met de andere klanten. Gesprekjes die ervoor zorgen dat ik ‘weet wat er binnen de ‘stam’ leeft’ om een citaat van Yuval Noah Harari dat ik in een recente Prikker gebruikte, te parafraseren. Gesprekjes die trouwens ook soms stof leveren om over te schrijven. Als ik de plus van de tijdwinst afzet tegen deze sociale winst, dan kies ik voor de sociale winst. Wat dat betreft ben ik het met ‘oma Muriel’ uit de serie Years and Years eens, waarover ik in de vorige Prikker schreef, dat ‘wij verantwoordelijk zijn voor de wereld die we bouwen.’

Dan het lijstje maar naar mezelf sturen zodat alles er is en er geen ‘vijftien pakken koekjes’ meer in de kast liggen? Dat zou enige meerwaarde kunnen hebben. Al vraag ik me wel af of die ‘vijftien pakken koekjes’ opwegen tegen een apparaat dat gegevens over ons huishouden verzamelt en waarvan ik niet weet met wie die gegevens allemaal gedeeld worden. Ik weet niet of ik erop zit te wachten dat de fabrikant van de koelkast en de maker van de erin verwerkte hard- en software te weten komt welke zaken ik eet en drink en deze vervolgens doorverkopen aan anderen. Nee, dan liever eens per maand een boodschap dat er nog ‘vijftien ….’ liggen en dat ik die voorlopig niet meer mee hoef te nemen.

Zo zit ik ook niet te wachten op andere ‘smart’ apparaten die mij ‘adviseren’ en ondertussen mijn leven volgen en delen met bedrijven en overheden. Een ‘smart’ wc-pot die je grote en kleine boodschap analyseert en je in een vroegtijdig stadium meldt dat je iets mankeert, klinkt geweldig en kan levens redden. Toch zie ik ervan af omdat ik niet weet wie die gegevens nog meer krijgt. En al wist ik het, dan weet ik nog niet of ik alles wil weten. Ik weet niet of ik nog rustig op het toilet zou zitten als er een kans is dat je kleine of grote boodschap wordt gevolgd door een minder prettige boodschap. Nee, een ‘smart home’, ja ook de woorden achter ‘smart’ worden bij voorkeur verengelst, waarin allerlei apparaten verbonden zijn met internet en ik van afstand kan inloggen op het beveiligingssysteem, de temperatuur kan regelen en alvast de wasmachine kan aanzetten, is niets voor mij. Of sterker nog, een huis dat dit allemaal al zelf doet, is aan mij niet besteed. Liever een slim mens in een dom huis dan een dom mens in een slim huis.

Nu zijn het niet alleen dingen en huizen die ‘smart’ moeten worden. Ook hele steden willen ‘smart cities’ worden. Weer verengelst al kan ik me voorstellen dat het Nederlands hier, zeker als het wordt afgekort, verkeerde beelden oproept. ‘Smart cities’ die technologie gebruiken om het verkeer goed te laten doorstromen, aan ‘crowd control’ doen, de afvalinzameling verbeteren om zomaar een paar voorbeelden te noemen. Om, het in beleidstermen te formuleren ‘de stad en de dienstverlening duurzamer en efficiënter’ in te richten. De technologie die hiervoor wordt gebruikt is dezelfde die in China wordt gebruikt: camera’s, data, locatiegegevens van mobiele telefoons. De Chinese versie wordt vaak aangeduid met de Orwell term Big Brother. Nu laat de corona-pandemie zien dat efficiënt in crisistijd niet even efficiënt is. Als burger van Nederland en inwoner van Venlo zit ik niet te wachten op ‘smart Venlo’, veel liever zie ik dat ‘smarte’ Venlonaren hun ding doen.

Nu word je op school bij het vak economie geleerd dat vraag van de consument aanbod creëert. Als we dit op het Internet of Things toepassen: welke consument heeft om dit aanbod gevraagd? Wie heeft er om het ‘Internet of Things’ gevraagd? Als die er niet zijn, waarom wordt het ‘aanbod’ dan toch uitgerold? Misschien ben ik de enige die niet om dat ‘Internet of Things’ vraagt. Al lijkt me dat sterk. Om terug te grijpen op de kop van de advertentie, het is geen pré dat ‘onze kinderen niet zullen weten dat het bestaat’. En het zijn niet alleen ‘onze kinderen’ die het niet zullen weten, het gros van ‘ons’ weet ook niet dat het bestaat en wat het inhoudt en betekent.

‘In het land der blinden is eenoog koning’ aldus een bekend spreekwoord. Al die ‘smart’ zaken, dat hele ‘Internet of Things’ maakt enkelen (de bedrijven en op andere plekken de overheid) eenoog. Eenoog omdat ze ook niet weten hoe het werkelijk uit gaat pakken. Wij, de eenvoudige inwoner/consument zijn de ‘blinden’ omdat we helemaal niet weten hoe het werkt en wie er wat mee kan. Dat is precies wat de advertentietekst zegt. Kiezend tussen ‘eenoog’ en ‘vijftien pakken koekjes’, kies ik voor het laatste. Het laatste en een flinke investering in kennis om te voorkomen dat het ‘huis’ slimmer wordt dan haar ‘bewoners’.

Uitgelicht

Busvoetbal en de BB

Voetballen met een plastic bus waarin wasmiddel had gezeten. Dat was een van de favoriete pauzebestedingen gedurende mijn lagere schooltijd. Voor de jongeren onder ons, de lagere school was wat nu de groepen 3 tot en met 8 van de basisschool zijn. De eerste twee groepen noemde men toen de kleuterschool. Voetballen met bussen dus omdat een bal verboden was. Verboden en duur. Waarom begin ik hierover? Niet, tenminste niet alleen, omdat ik ouder word en met weemoed terugdenk aan de tijd dat ik mijn hele leven nog voor me had. Nee, ik begin hierover vanwege de goals van ons ‘veld’.

File:Oefening BB Bescherming Bevolking te Arnhem, massale voedseluitdeling, Bestanddeelnr 907-3388.jpg
Bron: Nationaal archief via WikipediaCommons

Die goals waren twee dikke stalen deuren. Twee stalen deuren in een prachtige, in de jaren vijftig, gebouwde school. Een school met twee verdiepingen. Vier klassen beneden en vier boven. De hoogste groepen boven, dus ‘echt’ de bovenbouw. Hoge klassen met grote ramen in stalen kozijnen. Klassen gebouwd rond een grote aula. In mijn geheugen waren die deuren wel vijfentwintig centimeter dik, maar hoe betrouwbaar is dat? Die stalen deuren gaven toegang tot de kelder onder de school. En niet zomaar een kelder, maar een ‘atoombunker’ zo werd er gezegd. Er waren echter pauzes dat we niet konden voetballen, dan stonden de deuren open en liepen er ‘mannen’ rond. ‘Mannen’ die waren van de ‘BB’. Ze sleepten spullen naar buiten of naar binnen en deden verder allerlei geheimzinnige zaken. Wij mochten dan niet ‘busvoetballen’ en eigenlijk ook niet bij de deuren in de buurt zijn. Dat weerhield enkelen van ons er echter niet van om ‘stiekem’ even binnen te kijken hoe het er uitzag. Daar zagen we bedden en voorraden van allerlei zaken bedoeld om die ‘kernbom’ te overleven.

Onze goals waren dus de deuren van een schuilkelder en die schuilkelder was het domein van de BB, de Bescherming Bevolking. “De B.B. is een naoorlogse organisatie opgericht door de overheid in 1952. De organisatie was onderdeel van de civiele verdediging en had als taak om de bevolking te beschermen tegen de onmiddellijke gevolgen van oorlogsgeweld gedurende de periode die nu bekend staat als de Koude Oorlog. Aan die taak is later uitbreiding gegeven door de B.B. ook in te gaan zetten bij rampen in vredestijd. De organisatie was verantwoordelijk voor het blussen van branden, redden van mensen en het ondersteunen van de bevolking ten tijde van oorlogsdreiging of de gevolgen van oorlogshandelingen.” Aldus de website van het Museum Bescherming Bevolking. Een in de kern overheidsdienst die vooral draaide op vrijwilligers. Nou ja vrijwilligers.  Veel vrijwilligers waren net zo ‘vrijwillig’ als de dienstplichtige soldaten. Het waren namelijk ‘buitengewoon dienstplichtigen’. Jongeren die wel goed waren gekeurd voor de dienstplicht maar die niet werden opgeroepen voor de werkelijke militaire dienst. Zo werd voorkomen dat het leger en de BB in tijden van crisis met elkaar concurreren over ‘personeel’.

Achter die goals van ons ‘busvoetbalveld’ ging een hele wereld verscholen. Een wereld gericht op het beschermen van de bevolking bij ‘oorlogs- en vredesrampen. Een wereld waar in de hoogtij dagen 165.000 mensen aan deelnamen. Aan die wereld moest ik denken toen ik in de Volkskrant de constatering van Marjolein van de Water las: “Het valt me vooral op hoe weinig slagkracht de GGD heeft. … Ik krijg een mailtje van de GGD met daarin pdf-documenten voor mij en mijn omgeving. …  ‘Laat je bij symptomen direct testen’, staat erin. Om vervolgens minstens drie dagen te moeten wachten tot het contactonderzoek begint, denk ik er achteraan. Het beleid komt me steeds vreemder voor. Waarom duurt alles zo lang?”

Ik moest eraan denken omdat het mij helemaal niet vreemd voorkomt dat het lang duurt. Niet vreemd om drie redenen. Als eerste de manier waarop de zaak is georganiseerd. Onze ‘rampenstructuur’ is gebouwd op vier poten: politie, brandweer, geneeskunde en gemeente. Vier poten met eigenlijk maar twee verantwoordelijken. De politie werkt in politie regio’s en valt onder het ministerie van Justitie en Veiligheid. De andere drie zijn een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Alleen voor twee van de drie, het geneeskundige en brandweerdeel, moeten die gemeenten verplicht samenwerken. Het brandweerdeel is georganiseerd in opgelegde veiligheidsregio’s. En die veiligheidsregio’s komen niet overeen met de politieregio’s. Van die laatsten zijn er tien, van die veiligheidsregio’s vijfentwintig. In het geneeskundige deel speelt de GGD een belangrijke rol en daarvan zijn er nog meer. Ook de GGD is in de meeste gevallen een samenwerkingsverband tussen verschillende gemeenten. Dit zorgt voor flinke bestuurlijke drukte. In crisistijd bieden de onderliggende wetten een mogelijkheid de ‘voorzitter van de veiligheidsregio’ te benoemen tot ‘enige bij uitsluiting bevoegd’ om aan bepaalde zaken toepassing te geven. Zaken die in normale omstandigheden tot de bevoegdheid van de burgemeester behoren. Die voorzitter wordt daarmee eigenlijk de ‘burgemeester’ van de hele regio. Alleen is er geen ‘gemeenteraad’ van de hele regio.

Als tweede is onze ‘beschermingsinfrastructuur’ niet gebouwd op een langdurige crisis. En zeker geen crisis met een virus als oorzaak. Het gezondheidsdeel, de zogenaamde Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen, wordt namelijk gevuld met mensen uit de reguliere zorgorganisaties en dan in eerste instantie door medewerkers van de GGD. Dat werkt prima bij ongelukken en rampen zoals een de vuurwerkramp, het ontsporen van een trein of neerstorten van een vliegtuig. Dan wordt het reguliere werk even stop gezet en richt alle aandacht zich op die ramp. Na de ramp wordt er even alles op alles gezet om de ontstane achterstand in het reguliere werk in te halen. Regulier werk als inenten van kinderen op bepaalde leeftijden en het volgen van de ontwikkeling van kinderen op de verschillende momenten, het werk van de consultatiebureaus en de schoolartsen. Bij een langdurige crisis zoals de huidige, gaat zich dat wreken. Wat we nu ook zien is dat de capaciteit onvoldoende is om tot het gewenste niveau op te schalen. Daarom is het ook niet verwonderlijk dat, zoals in de Volkskrant is te lezen:  “Het geploeter bij de GGD’s (…) de grootste zorg van de Kamer” is. Omdat, zoals Kamerlid Marijnissen het in de krant verwoordt: “Hun bron- en contactonderzoek is het ‘fundament’ onder de Nederlandse corona-aanpak en dat staat nu op losse schroeven.” En dat is, volgens haar VVD-collega Hayke Veldman: “Onbegrijpelijk en onverantwoord. Dit had gewoon geregeld moeten zijn.” 

Stevige woorden en daarmee komen we bij de derde reden waarom ‘alles zo lang duurt’. Die reden heeft te maken met geld. De GGD in Nederland is, zoals al gezegd, niet één grote organisatie. Bijna alle GGD’en in Nederland zijn samenwerkingsverbanden van meerdere gemeenten. Bijna allemaal, alleen Amsterdam heeft een eigen GGD. Die samenwerkingsverbanden zijn gebouwd op de Wet gemeenschappelijke regelingen. In die ‘regeling’ brengen de deelnemende gemeenten taken onder en voor de uitvoering van die taken stellen zij geld beschikbaar. Budget voor die consultatiebureaus, schoolartsen en andere taken. Het budget en daarmee ook het personeel van de GGD, is afgestemd op die taken. En zoals bekend mag zijn, zitten de meeste gemeenten niet erg goed in de slappe was dus er is ieder jaar weer discussie of het niet met een ‘onsje minder’ kan en of de indexering vanwege de gestegen lonen en prijzen echt wel nodig is.

Om het ‘gewoon te regelen zijn twee dingen nodig. Als eerste geld en als tweede snel inzetbaar personeel. Over geld wordt altijd gesteggeld en snel inzetbaar personeel is niet beschikbaar. Dat moet ‘tijdelijk worden ingehuurd’ waarbij moet worden geconcurreerd op de arbeidsmarkt. En daarmee kom ik weer bij het ‘busvoetbal’ of beter gezegd: de BB. Zou een nieuwe BB niet een oplossing kunnen zijn voor het personeelsprobleem in tijden van langdurige crisis? Een ‘buitengewone maatschappelijke dienstplicht’ voor onze jongeren waarbij de jeugdigen worden opgeroepen in tijden van crisis en af en toe voor een oefening. Dit gewoon naast werk of studie. Zou dat een idee zijn?

Uitgelicht

De korte toekomst van de Marshalleilanden

“Tegenwoordig wordt vrijwel algemeen aanvaard dat we auto’s moeten produceren om banen te behouden en niet om ervoor te zorgen dat mensen zich kunnen verplaatsen.” Aldus Hannah Arendt in de toespraak Wrange vruchten. Nu is dat ‘tegenwoordig’ van Arendt, 1975, alweer 45 jaar geleden. Ik moest aan deze passage denken toen ik de documentaire The final years of Majuro bekeek. Een documentaire over de recente geschiedenis, maar vooral over de nabije toekomst van de Marshalleilanden. Ik moest aan deze passage denken omdat Arendt in deze toespraak enkele nu ook nog zeer actuele zaken aan de orde stelt. Actuele zaken met betrekking tot economische theorieën en het handelen van onze politieke leiders. Handelen waarbij, en daar doelt Arendt op, het onduidelijk is wat doel en wat middel is.

File:Operation Crossroads Baker Edit.jpg
Atoomproef op Bikini. Bron: United States Departement of Defence (WikimediaCommons)

Arendt hield haar toespraak ter gelegenheid van het tweehonderdste verjaardag van de Republiek van de Verenigde Staten en, aldus Arendt: “ik ben bang dat we daarvoor geen minder geschikt moment hadden kunnen kiezen.” Wat dat moment zo ongeschikt maakte: “De Crises van de Verenigde Staten, van deze regeringsvorm en van haar grondwettelijke vrijheden, hebben we al tientallen jaren lang kunnen opmerken. Sinds Joe McCarty heeft ontketend wat tegenwoordig op ons de indruk van een mini-crisis maakt.” De McCarty periode werd snel vergeten: “maar het gevolg ervan was de vernietiging van een betrouwbaar en toegewijd ambtenarenapparaat.”  Daarna volgden de oorlog in Vietnam, de Pentagon-papers en het Watergate schandaal. Bovendien lag de Amerikaanse economie behoorlijk op haar gat. Daarom was het moment van de viering van de tweehonderdste verjaardag zo weinig geschikt. Nu kon Arendt niet weten dat de bodem nog niet was bereikt. De ayatollahs waren nog niet aan de macht in Iran. De VS waren Grenada nog niet binnengevallen. Het Iran-Contra schandaal was nog niet eens in de maak, laat staan de hetze tegen Saddam Hoessein en alle ellende die daaruit voortkwam. De Twin-Towers stonden nog fier overeind. En Trump, die was nog lang geen president. Hij moest zijn eerste stappen op de vastgoedmarkt nog zetten. Maar ik dwaal af: doel en middel.

De documentaire laat zien hoe de atollen van de Marshalleilanden in de Koude oorlog zijn gebruikt als frontlinie. Frontlinie omdat op één van atollen van de eilandengroep meer dan zestig atoombommen tot ontploffing werden gebracht. Het eiland Bikini. Ja, de naamgever van … . En nu staan de eilanden in de frontlinie tegen de klimaatverandering. Als de gemiddelde temperatuur op Aarde met meer dan anderhalve graad stijgt, dan verdrinken de eilanden. De documentaire laat zien wat de klimaatverandering nu al voor de eilanden en haar bewoners betekent en de strijd van de eilandbewoners tegen hun gedoemde lot.

Nu weer terug naar Arendts toespraak. “Inefficiëntie [is verheven tot] nationale doelstelling,” en laat dit volgen door: “en wat in dit speciale geval een boemerangeffect heeft gehad is de koortsachtige en helaas zeer succesvolle politiek van het ‘oplossen’ van zeer reële problemen met behulp van slimme trucs, die slechts succesvol genoeg zijn om de problemen tijdelijk te laten verdwijnen.” Door het corona-virus gaat het niet goed met de economie. Nu lijkt het mij vreemd dat het met een imaginair construct, een van die spinsels in het verzinnen waarvan onze hersenen uitblinken, slecht kan gaan. Ik zou zeggen dat het slecht met mensen gaat. Dat even terzijde. Alhoewel terzijde? Als je onze politici hoort, dan maken zij zich ‘zorgen om de economie’. Die raakt in een ‘crisis’ maar welke vorm een U, V of W-crisis, dat weten ze nog niet. Wat ze wel weten, is dat de economie ondersteund moet worden. Er moet beleid worden ontwikkeld dat ervoor zorgt de economie weer gaat ‘draaien’. Bedrijven zoals de KLM, Booking.com en veel andere moeten worden ondersteund. Want: de werkgelegenheid moet worden behouden. Of hetgeen die bedrijven produceren werkelijk nuttig is, doet niet ter zaken, als ze maar produceren. Want alleen als ze produceren, behouden we banen. Als we een crisis verder teruggaan dan komen we uit bij de kredietcrisis. Ook ten tijden van die crisis moest de economie worden gered. Toen in de persoon van de banken. Die waren zo belangrijk voor de economie dat ze ‘too big to fail’ waren.                

De economie als doel, dat is wat we uit de monden van onze politieke leiders horen. Arendt: “De functie van Madison Avenue (een straat waaraan van oudsher veel reclamebureaus gevestigd zijn) is helpen bij de distributie van de koopwaar, en het oog van de reclamemaker is steeds minder gericht op de behoeften van de consumenten en steeds meer op de behoefte van de koopwaar om in steeds grotere hoeveelheden te worden geconsumeerd.” Met andere woorden, op de markt draait het niet meer om de behoefte bevrediging van de consument, maar om die consument nieuwe producten aan te smeren waaraan, in de basis, geen behoefte is.

Gevolg hiervan? Arendt: “Als overvloed en meer dan overvloed de oorspronkelijke doelstellingen waren van de droom van Marx over een klasseloze maatschappij, waarin het natuurlijke overschot aan menselijke arbeid – dat wil zeggen het feit dat arbeid wordt verricht op basis van menselijke behoeften altijd tot een grotere productie leidt dan nodig is voor het individuele levensonderhoud van de arbeider en zijn gezin -, dan leven we nu in de verwerkelijking van de socialistische en communistische droom, afgezien van het feit dat die droom de wildste fantasieën  van zijn maker heeft overtroffen door de vooruitgang van de technologie, waarvan automatisering voorlopig het laatste stadium is, de prachtige droom is veranderd in iets wat op een nachtmerrie lijkt.” 

Een nachtmerrie die draait op de productie en consumptie van veelal nutteloze producten waarmee we niet kunnen stoppen omdat anders het hele bouwwerk (de economie) instort. Een nachtmerrie voor onszelf omdat we onze leefomgeving ermee verzieken. Een nachtmerrie die leidt tot grote ongelijkheid waarmee we onze samenleving verzieken op een manier die Karl Marx goed heeft beschreven in zijn  boek Het kapitaal. Een nachtmerrie vol wrange vruchten voor binnenkort landloze inwoners van de Marshalleilanden. Een nachtmerrie waarbij het middel doel is geworden en het doel verloren is gegaan.

Uitgelicht

Fantasierijke fictie en de feiten

“2,7 miljard om #AOW op 65 jaar te houden was veel te duur en niet houdbaar, maar 21 miljard #Belastinggeld gratis naar Zuid #Europa overmaken, zodat de #Fransen, #Italianen en #Spanjaarden rond hun 60ste met  #Pensioen kunnen kan wel, volgens de #VVD.” Dit bericht kwam in mijn LinkedIn tijdlijn voorbij. Duidelijk van iemand die niet blij was met het akkoord dat de regeringsleiders over de begroting en het ‘corona-noodfonds’ hebben gesloten. Maken we werkelijk 21 miljard over naar Zuid -Europa?

Vergrootglas, Feiten, Onderzoeken, Onderzoek
Bron: Pixabay

Nu kun veel vinden van de het begrotingsakkoord, zo lijkt het mij interessant om de mogelijkheden voor een Europese belasting op bedrijfswinsten geheven door de EU te onderzoeken. Dit omdat iedere overheid haar eigen belastinggebied moet hebben waarmee zij in haar inkomsten voorziet. Nu is de EU daarvoor van de landen afhankelijk. Maar daar gaat het mij nu niet om. Het gaat mij om die 21 miljard en volgens een reactie op het bericht zelfs om 30 miljard.

Waar alle regeringsleiders het over eens waren is dat er een noodfonds komt van € 750 miljard. Dat lijkt veel, maar even voor het perspectief. Het binnenlands product van alle EU landen samen is ongeveer € 15.000 miljard. Dan bedraagt het fonds zo’n 5 procent van het jaarlijkse Europese bbp. Het fonds kent echter een looptijd van drie jaar en bij een evenredige verdeling over die drie jaar is er per jaar een bedrag ter grootte van 1,67% van het Europese bbp beschikbaar.

Alle landen kunnen aanspraak maken op het fonds, ook Nederland. Alleen is, zo is op europa.nu te lezen: “De verdeling van alle subsidies en leningen (…) opgehangen aan een aantal criteria zoals de werkloosheidscijfers in de jaren voor de crisis, de verwachte daling van het BNP en het gemiddelde inkomen per inwoner. Zo krijgen hard getroffen lidstaten en lidstaten die het economisch moeilijker hebben het meeste geld, en welvarende landen juist minder.”  

Om een beroep te kunnen doen op het fonds, moet een aanvraag worden ingediend: “Een lidstaat die gebruik wil maken van geld uit het Herstelfonds moet een plan inleveren bij de Commissie. De Commissie beoordeelt de plannen en legt haar bevindingen voor aan de lidstaten. Voorwaarde voor een positief oordeel is dat plannen moeten bijdragen aan de klimaatdoelen en de digitale transitie. … Uitbetaling van de gelden hangen niet alleen af van de plannen, maar ook van wat er van terecht is gekomen.” Een deel van het fonds € 390 miljard komt beschikbaar als subsidie. Als de resultaten worden bereikt, dan hoeft het bedrag niet terug te worden betaald. Als het via een lening, het andere deel van het fonds, gebeurt, dan moet die wel worden terugbetaald. Dit terugbetalen moet uiterlijk in 2058 gebeuren.

Waar het geld vandaan komt?. “Het Herstelfonds zal worden gefinancierd door de Europese Commissie zelf. De Commissie mag geld ophalen op de kapitaalmarkten. De Europese begroting, gefinancierd door de lidstaten, is het onderpand.” Om die leningen die daarvoor worden afgesloten te kunnen betalen krijgt de Europese Unie een eigen belastinggebied: “In 2021 komt er een belasting op plastic afval, in 2023 volgen er een belasting op digitale activiteiten, inkomsten uit het – mogelijk verder uitgebreide – emissiehandelssysteem én nog verder uit te werken plannen.” Mocht de Europese Unie uiteindelijk die leningen niet terug kunnen betalen, dan staan de landen van de Europese Unie daarvoor garant. Pas dan komt Nederland in beeld en dan gaat het geld niet naar Zuid-Europa en zelfs niet naar de Europese Unie maar naar de financiers van die leningen, de banken en (institutionele) beleggers. Dan komt niet alleen Nederland in beeld, maar dan komen alle landen van de Unie in beeld. Die staan namelijk allemaal garant. Voor hoeveel wordt berekend door het aandeel van het bbp van het betreffende land in het totale Europese bbp. Het Nederlandse bbp is ongeveer € 800 miljard of te wel zo’n 5,33% van het Europese bbp. Dit betekent dat Nederland garant staat voor zo’n 5,33% van het fonds en dat is zo’n € 40 miljard. Dat bedrag is Nederland kwijt als alles fout loopt. Dat is veel. Alleen niet zoveel als dat Italië dan verliest. Het Italiaanse bbp is ongeveer twee keer zo hoog, de Italianen moeten in dat geval dus zo’n € 80 miljard ophoesten en Duitsland zo’n € 160 miljard.

Er gaan dus geen Nederlandse miljarden naar Zuid-Europa zodat men daar vroeg met pensioen kan. Het LinkedIn-bericht is daarmee een ‘fantasierijke fictie’ die het heel goed zal doen aan de borreltafel. Feitelijk klopt er niets van.

Uitgelicht

Zoekt en gij zult vinden!

“Waarom neemt het aantal jongeren dat jeugdhulp ontvangt zo enorm toe?” Die vraag stelt hoogleraar gezondheidseconomie Wim Groot in een blog op de site zorgvisie.nl. Volgens Groot moeten de gemeenten hiervoor en dus ook voor de stijgende kosten jeugdhulp, toch echt naar zichzelf kijken: “Een belangrijke reden daarvoor is het ‘open armen’-beleid van de gemeenten.”  Moeten de gemeente werkelijk naar zichzelf kijken?

beest, dier, kameleon
Bron: Pexels.com

Om zijn betoog kracht bij te zetten gaat Groot verder: “ Google op ‘opvoedvragen’ en je komt vrijwel direct op sites met als kop ‘Opvoedvragen? Kijk hier voor online advies’ en ‘Opvoed Adviespunt voor al uw opvoedvragen’. De eerste is de site van het centrum voor Jeugd en Gezin van de gemeente Maastricht, het tweede is dat van de gemeente Rijswijk. De gemeente Heemskerk heeft als titel voor haar site: ‘Met al uw opvoedvragen naar het Centrum voor Jeugd en Gezin’. Dit zijn maar een paar voorbeelden; andere gemeenten hebben vergelijkbare wervende teksten.” Met dat ‘Centrum voor Jeugd en Gezin’ dat bij het zoeken naar voren komt, komen we bij een ander inzicht. Een van de belangrijke punten van het kabinet Balkenende IV was opgroeien en opvoeden. Dat was zo belangrijk, vooral voor coalitiepartij ChristenUnie, dat er zelfs een minister van Jeugd en Gezin kwam. Dat werd André Rouvoet, de toenmalige leider van de ChristenUnie.

“Een brede aanpak van zorg voor en bescherming van kinderen en jeugd wordt in een project vormgegeven. De gedachte daarachter is: de kokers voorbij, rekening houdend met de aanbevelingen van de Operatie ‘Jong’. Er komen Centra voor Jeugd en Gezin, waarin jeugdzorg en opvoedondersteuning en andere organisaties elkaar vinden en de handen ineen slaan.” Zo schreven ze in hun Coalitieakkoord op pagina 10. Daarop werd een bestuursakkoord gesloten met de gemeenten, want die moesten het gaan uitvoeren. In een van de hulpmiddelen, de Wegwijzer Centrum Jeugd en Gezin wordt aangegeven wat de bedoeling is: “Het CJG moet voor álle kinderen en gezinnen ondersteuning en hulp bieden bij het opvoeden en opgroeien. Dat betekent dat zij er met al hun vragen over opgroeien gemakkelijk terecht moeten kunnen: dicht bij huis en laagdrempelig.” Waarom? Ook daarop geeft het document antwoord:  “Op die manier wordt voorkomen dat de problemen zwaarder en complexer worden en daardoor moeilijker aan te pakken. Met het CJG kunt u dus winst pakken!” Die ‘open armen’ zijn expliciet onderdeel van de beleidskeuzes van de toenmalige regering.

Sterker nog, die ‘open armen’ kregen een expliciete plek in de Memorie van toelichting bij de Jeugdwet 2015. Daarin wordt onder andere als doel van de wet geformuleerd: “eerder de juiste hulp op maat te bieden om het beroep op dure gespecialiseerde hulp te verminderen.” Want: “Door deze manier van organiseren en interveniëren kan het beroep op specialistische en gedwongen hulp worden verminderd. In deze opzet ligt een prikkel besloten voor de gemeente om extra te investeren in preventie, vroeghulp en hulp tot zelfhulp.” 

Bijzonder om dit ‘open-armen’-beleid zoals Groot het noemt, de gemeenten te verwijten. De gemeenten voeren de opdracht uit die de wetgever hen heeft gegeven. Waar de wetgever geen rekening mee heeft gehouden is dat die keuze tot meer jeugdhulp zou leiden. Sterker nog, de wetgever kortte op het budget: ‘vroeger signaleren’ zou immers tot eerder ingrijpen leiden. En eerder ingrijpen zou, zo luidde de redenering, goedkoper zijn.

Nu kent het Nederlands het spreekwoord ‘Zoekt en gij zult vinden!’ Vroeg signaleren betekent dat je meer gaat zoeken. Als je gaat zoeken, aldus het spreekwoord, ga je vinden. Dan vind je zaken die eerst geen probleem opleverden. Dan kan het best zijn dat het aantal jongeren dat hulp krijgt, sinds 2015 met 18,5% is gestegen zoals Groot betoogt. Wat zeker niet altijd niet één op één loopt, is dat iets vroeger ontdekken uiteindelijk tot goedkopere zorg leidt. Een voorbeeld. Het eerder ontdekken bij een kind van een stoornis in het autistische spectrum, zal leiden tot het eerder inzetten van hulp en ondersteuning. Eerdere inzet leidt niet per definitie tot in totaal kortere duur van de inzet. Noch noodzakelijkerwijs tot minder zware zorg of ondersteuning. Een heel cru voorbeeld. Het ontdekken van een dodelijke vorm van kanker op een moment dat de situatie al hopeloos is, levert minder kosten op dan dat deze vroegtijdig wordt ontdekt. Bij vroegtijdige ontdekking is de kans groot dat al het mogelijke wordt geprobeerd om het tij te keren dan wel de resterende tijd van leven te verlengen. Een operatie, chemotherapie, bestraling. Al dit gebeurt niet meer als de situatie hopeloos is bij ontdekking.

Uitgelicht

De geschiedenis van onze kleren

Bij OneWorld fulmineert Melissa Watt tegen de huidige modewereld, want daarin is: “racisme dagelijkse kost. Het is een extreem witgekalkte industrie die altijd de voorkeur heeft gegeven aan witte ontwerpers, witte modeshows en witte CEO’s. Maar die voorkeur reikt niet tot de kledingproductie, waarin miljoenen mensen van kleur in slechte omstandigheden werken om onze kleding in elkaar te zetten.” Dat is nogal wat. Zeker omdat: “De mode-industrie zoals we die kennen, is gebaseerd op kolonialisme en slavernij. Vanaf de zestiende eeuw vielen Europese landen Azië, Afrika en Zuid-Amerika binnen op zoek naar producten en goedkope arbeidskrachten.”  Die passage verdient toch enige nuance.

Bron: Wikipedia

Maar eerst even over het compleet ‘wit’ zijn van de top en het ‘gekleurd’ zijn van de onderkant van de kledingindustrie. Bij De Correspondent verhaalt Emy Demkes over uitbuiting van kledingarbeiders in Engeland. Arbeiders die werken voor het: “onder tieners zeer populaire Britse merk Boohoo.” Nu zullen ook in die Britse fabrieken mensen van kleur werken. Maar bijzonder in deze zaak is dat Boohoo eigendom is van: “de 55-jarige miljardair Mahmud Kamani.” Dat nuanceert de ‘extreem witgekalkte industrie’ toch enigszins. Dat even terzijde.

Dan terug naar het ‘kolonialisme en slavernij’ waarop de kledingindustrie is gebaseerd. Deze uitspraak verdient de nodige nuance. Die Europese landen, of beter gezegd handelaren, die Azië, Afrika en Amerika binnenvielen op zoek naar producten en goedkope arbeidskrachten deden daar precies hetzelfde als wat ze in Europa ook deden, namelijk de zaak afstruinen naar iets om te verhandelen. Als we het huidige Nederland en België bezien, dan ontstond daar vanaf de elfde eeuw de ‘lakenindustrie’ met wol als basisproduct. Nu moeten we ons bij het begrip industrie iets anders voorstellen dan een fabriek. Het waren in eerste instantie gewoon de keuterboertjes die het wol van hun schapen schoren, spinden en tot lakens weefden. Dit werk werd later in ‘stukken gehakt’ en door verschillende werklui verricht: de boer schoor, de wol ging naar een spinner, vervolgens naar een verver, wever en als laatste naar de handelaar die de zaak verkocht. Die arbeidsdeling zorgde ervoor dat de productie steeg en de prijzen daalden en de werklui langzaam werden uitgeknepen. Vanaf de zestiende eeuw nam de concurrentie verder toe omdat ook de Fransen en Engelsen zich op de ‘lakenproductie’ toelegden. Meer concurrentie betekende dat de werklui nog verder werden uitgeknepen. Voor zijde en katoen was men in Europa in die tijd afhankelijk van de handel via de zijderoutes die Peter Frankonpan in zijn boek De Zijderoutes uitgebreid beschrijft.

Dat werd anders nadat die “Europese landen” de andere kant van de Atlantische oceaan bereikten en daar katoen aantroffen. Met name de Engelsen transporteerden vanaf het einde van de zeventiende eeuw het ruwe product naar Engeland en verwerkten het daar tot kleding. In het zuiden van wat nu de Verenigde Staten zijn, werd het op steeds grotere schaal geteeld op plantages en dat gebeurde door vanuit Afrika gehaalde slaven. En in tegenstelling tot hetgeen Watt beweert, werd de slavernij in de Verenigde Staten niet in 1808 afgeschaft maar kwam er pas in 1865 met het einde van de Amerikaanse burgeroorlog een einde aan. Wel werd al eerder, in 1807, het importeren van slaven in de Verenigde Staten verboden. In Engeland werd het ruwe product verwerkt tot stof en kleding die vervolgens in het hele Britse rijk werden verkocht. Dat verwerken gebeurde vanaf het midden van de 18e eeuw (de Eerste Industriële Revolutie) steeds meer machinaal en in steeds grotere fabrieken. Fabrieken waar de arbeiders tot een maximum werden uitgeperst zoals Karl Marx in Het Kapitaal goed heeft beschreven.

Als we dit als de basis van de mode-industrie zien, en dat is wat Watt beweert, dan kunnen we constateren dat kolonialisme en slavernij een belangrijke rol speelden in de geschiedenis van deze industrie. Maar daarmee zijn we er nog niet. De werkelijke basis van de mode-industrie was en is, dat laat onder andere het voorbeeld van Boohoo zien, de uitbuiting van iedereen die erin werkzaam is.

Uitgelicht

I’ve got the power…

Recentelijk las ik Marx’ Het Kapitaal. In dat boek geeft Marx een goed beeld van de leefomstandigheden van de arbeiders in het algemeen en op de Britse eilanden in het bijzonder. Marx geeft in dit boek ook inzicht in de manier waarop er over arbeiders werd gedacht en dat is niet mals. Waarom begin ik hierover? Ik begin hierover omdat Marx over zijn tijd schrijft en probeert te verklaren waarom zaken lopen zoals ze lopen. Die tijd is precies de tijd die centraal staat in de huidige racismediscussie. Het is de periode van de afschaffing van de slavernij, de race om koloniën en de rassenleer. Het is echter ook de periode van de sociale – en de klassenstrijd. In die laatste speelde Marx een belangrijke rol. Ik begin hierover omdat door de huidige min of meer beperking van die periode tot ‘trans-Atlantische slavernij en racisme’ ons, naar mijn mening, op een verkeerd been zet.

Eigen foto

De ellende waarin de slaven in de Amerika’s leefden was schrijnend en krijgt terecht aandacht. De situatie van de slaven verschilde echter niet zoveel van de situatie van de arbeiders. Een voorbeeld dat Marx geeft: “In de laatste weken van juni 1863 kwamen alle dagbladen om Londen met een stuk onder de sensationele kop: Death from simple overwork (Dood door louter overmatige arbeid). Het ging over de dood van de modiste Mary Anne Walkley, 20 jaar, werkzaam in een zeer achtenswaardige hofmodezaak, die werd geëxploiteerd door een dame met de gemoedelijke naam Elise. Het oude en al vaak vertelde verhaal weer nu opnieuw ontdekt: deze meisjes werken gemiddeld 16 1/2 uur, tijdens het seizoen vaak zelfs 30 zonder onderbreking, waarbij hun ‘arbeidskracht’ in stand wordt gehouden door hun af en toe sherry, port of koffie toe te dienen. En men zat juist in de drukste tijd. De pronkgewaden van de nobele ladies moesten in de kortst mogelijke tijd worden klaargetoverd voor het galabal, dat gegeven werd ter inhuldiging van de vers geïmporteerde prinses van Wales. Mary Anne Walkley had samen met zestig andere meisjes 261 uur onafgebroken gewerkt. Met dertigen  zaten ze in één kamer, die nauwelijks de helft van de noodzakelijke kubieke meters lucht bevatte; ’s nachts moesten ze in een van de stinkholen, waarvan men slaapkamers had gemaakt door ze met verschillende tussenschotten te verdelen, met z’n tweeën één bed delen. En dit was een van de betere modezaken in Londen. Mary Ann Walkley werd op vrijdag ziek en overleed op zondag, en – tot grote verbazing van madame Elise – zonder het laatste kleding stuk te hebben afgemaakt. De te laat aan het sterfbed geroepen arts verklaarde bij de lijkschouwing voor de jury in droge bewoordingen:´Mary Anne Walkley is gestorven door lange arbeidsuren in een te vol arbeidsvertrek en in een te klein en slecht geventileerd slaapvertrek.’ Om de arts een lesje in goede manieren te geven verklaarde de jury: ‘De overledene is gestorven aan apoplexie, maar er zijn redenen om te vrezen dat haar dood werd bespoedigd door overmatige arbeid in een te volle werkplaats enzovoorts.”  

Dit is slechts één van de vele beschrijving van de arbeidsomstandigheden die Marx geeft en de manier waarop er over arbeiders werd gedacht en hoe ermee werd omgegaan. Mary Anne was twintig en daarmee al een ervaren naaister. Kinderen werden in die tijd al vroeg ‘aan het werk’ gezet, soms al vanaf hun zesde. En dan niet een paar uurtjes, de arbeidsdag duurde minimaal 10 uur en die uren werden vaak ook nog eens gespreid over twee of drie blokken met een tussenpauze van een paar uur. Kwam je ‘tussen de machine’ en kon je niet meer werken, dan had je pech en was je aangewezen op de bedeling.

Naast de arbeidsomstandigheden beschrijft Marx ook de huisvesting van de arbeiders en ook daar lusten de honden geen brood van. Laat staan dat ze in die omstandigheden zouden willen wonen. Die woning zat in de regel verbonden aan je werk. Zonder werk geen huis en dat maakte je afhankelijkheid van de ‘kapitalist’ zoals Marx hem noemt. nog steviger. Bovendien woonde je zelden alleen met je gezin achter een voordeur. Was er een periode minder of geen werk, dan had je ook minder of geen inkomen. Je huur moest je natuurlijk wel blijven betalen.

Een van de uitwassen van de trans-Atlantische slavernij was het ‘verbruiken’ van mensen alsof ze het ‘gebruiksgoederen’ zijn. Ook daarvan geeft Marx een treffende beschrijving. “De slavenhouder koopt zijn arbeiders zoals hij een paard koopt.” Ook zag hij de funeste invloed van toestroom van steeds nieuwe slaven op de manier waarop ze werden behandeld. Zodra de slaaf namelijk makkelijk kan worden vervangen: “wordt zijn levensduur minder belangrijk dan zijn productiviteit tijdens zijn leven.” Op eenzelfde manier werd echter ook over arbeiders gedacht. In tijden van overschot aan arbeid werden arbeiders ‘verscheept’ naar andere plekken: “Maar de heren fabrikanten stelden toen de opzichters van het armenwezen voor de ‘overtollige bevolking’ van de landbouwgebieden naar het noorden te sturen, waarbij ze verklaarden dat ‘de fabrikanten hen zouden absorberen en verbruiken’”. En hoe dat in zijn werk ging: “De fabrikanten gingen naar de kantoren van de agenten en nadat ze daar hadden uitgezocht wat hun geschikt leek, werden de gezinnen vanuit het zuiden van Engeland verzonden. Deze pakketten mensen werden, zoals balen goederen, voorzien van etiketten en per boot of wagen afgevoerd; sommigen kwamen te voet aan en velen dwaalden verloren en half uitgehongerd in de industriegebieden rond. Dit alles ontwikkelde zich tot een ware tak van handel. … Deze regelmatige handel, dit gesjacher met mensenvlees, duurde voort en deze mensen werden gekocht en verkocht door agenten in Manchester aan fabrikanten in Manchester, even simpel als negers aan de katoenplanters in de zuidelijke staten.”

De behandeling van de arbeiders lijkt verdacht veel op de manier waarop de slaven werden behandeld. Enige verschil met de trans-Atlantische slavernij is dat de arbeiders een lichte huidskleur hadden. In de huidige discussie wordt een hele snelle link gelegd kolonialisme, slavernij en racisme. Racisme waarbij blank zich superieur acht aan donker. Nu zullen die arbeiders waarmee net zo werd gesold als de Afrikaanse slaven, echt wel wat anders aan hun hoofd hebben gehad, dan zich ‘superieur’ te voelen. Daar waren ze in het geheel niet mee bezig. Daar hadden ze geen tijd voor omdat ze minstens tien en meestal tussen de veertien en achttien uur per dag moesten werken.

Door nu de nadruk te leggen op ‘racisme dat een gevolg is van kolonialisme en slavernij’ en daarbij te kijken naar ‘blank’ als dader en veroorzaker, raakt iets anders buiten beeld. Buiten beeld raakt dat uitbuiting en superieur voelen niet verbonden is aan kleur, maar aan macht. Macht en rijkdom moet zich op een of andere manier ‘legitimeren’. Het moet ‘normaal’ gemaakt worden. Dat is in de geschiedenis van de mensheid al op verschillende manieren gedaan. Neem bijvoorbeeld de farao van oude Egyptenaren. Dat was een ‘god’, bovenaards en daarmee is het niet vreemd om die figuur de absolute macht te geven en te laten baden in rijkdom en luxe. Als de god-koning ineens minder ‘goddelijk’ blijkt, dan kun je hem nog altijd ‘gezant van god’ maken of ‘aangesteld door god’. Of je introduceert een door god of de goddelijkheid geïnstigeerd soort kastensysteem zoals in India of in Europa tijdens het feodalisme. Dan word je geboren als ‘onaanraakbare’ of ‘lijfeigene’ en dat blijf je en je kinderen ‘erven’ het van je. Net zoals je de adellijke status ‘erft’. Als we naar onze huidige samenleving kijken, dan speelt het ‘erven’ van luxe en positie nog steeds een rol. Neem bijvoorbeeld de entertainmentfamilie De Mol. Dat wordt tegenwoordig ‘gelegitimeerd’ op een meritocratische manier. Door te betogen dat het ‘verdiend’ is op basis van kwaliteit en kennis. Ja, in Nederland is de groep die zich van deze redenering moeten bedienen om hun macht en rijkdom te verdedigen, voor het overgrote deel blank. Dat is te verklaren omdat mensen met een andere huidskleur dan de blanke tot voor een jaar of vijftig, zestig met een lamp gezocht moesten worden en ook nu heeft het overgrote deel nog steeds de blanke huidskleur.

Aan de andere kant, het overgrote deel van de mensen met een blanke huidskleur behoort niet tot degenen die hun macht en rijkdom moeten verdedigen. Simpelweg omdat die er niet is. Een groot deel van hen ziet wellicht ook veel in een eerlijkere verdeling van macht en rijkdom. Zou het in de strijd voor een betere, eerlijker en rechtvaardigere samenleving helpen om die strijd te voeren door de nadruk te leggen op huidskleur? Volgens mij is het veel belangrijker om die strijd tegen de macht samen te voeren dan in ‘kleuren verdeeld’ elkaar onderling de tent uit te vechten. Daar worden de machtigen alleen maar machtiger van.

Corona en etnisch profileren

Data-gedreven werken. ‘We moeten niet zomaar iets doen, we moeten ons baseren op data,’ Dat is het credo dat ik bij veel gemeenten hoor. Inderdaad moet je niet ‘zomaar’ iets doen. Dat ‘data-gedreven werken’ is een nieuwe wijn in oude zakken. Het is een nieuwe versie van wat eind jaren tachtig en begin jaren negentig ‘New Public Management’ werd genoemd. Een stroming die het bedrijfsmodel van de private sector toepast op de overheid. Burgers en patiënten werden klanten en cliënten. De ambtenarij moet denken en werken in ‘producten’ en op zoek naar zo efficiënt en goedkoop mogelijk het doel bereiken en daarbij is ‘meten weten’. Dus moet alles worden bijgehouden en gemeten. En tegenwoordig is ‘meten’ vooral grasduinen door ‘big data’ en zoeken naar correlatie. Waarbij vaak wordt vergeten dat correlatie niet betekent dat er sprake is van causaliteit zoals ik recentelijk schreef. Met dat efficiënt en goedkoop is niets mis, behalve als je vergeet dat de overheid draait op vertrouwen en draagvlak. En laat vertrouwen en draagvlak nu te paard gaan en te voet komen en op gespannen voet staan met efficiënt en goedkoop. Laten we wel wezen, een democratie is geen bedrijf.

Waarom ik hierover begin? Om twee redenen. Op de site dekantekening.nl las ik een artikel van Kaja Bouwman over ‘institutioneel racisme’. In dat artikel komt de casus ‘Belastingdienst’ aan de orde. Die profileert etnisch. Etnisch profileren is terecht verkeerd en verboden. Zou dat ‘profileren’ niet een gevolg zijn van het gebruik van die ‘big data’? Hoe meer gegevens je hebt, hoe meer correlaties je aantreft en bij gebrek aan kennis, hoe meer verbanden er worden gelegd. Zo typ ik deze Prikkers sinds kort op een nieuw apparaat. En het bedrijf van Bill Gates levert er gratis wat spelletjes bij. Zo af en toe speel ik dan patience en dan komt er af en toe reclame voorbij. Het valt me op dat ik in het kleine reclamevakje vaak berichten krijg als: ‘Vind vrouwen van boven de 50 jaar in de buurt van Arcen’, of: ‘In dit huis woont Paul McCartney’ of een of andere oude beroemdheid. Verwijzingen naar bijvoorbeeld het huis van Ariana Grande ontbreken. Of verwijzingen naar calcium gebrek en problemen met traplopen. ‘Bill’ weet op een of andere manier mijn leeftijd en woonplaats en waarschijnlijk nog veel meer en daarom krijg ik zaken waarvan hij denkt dat een man van boven de vijftig op zit te wachten. Hij ‘profileert mij’ en omdat de plaatjes van die vrouwen in de buurt van Arcen allemaal blank zijn, zal die profilering ook wel een etnische component bevatten.

Nu ik dit schrijf, vraag ik me af  waarom ‘Bill’ Arcen noemt . Zouden daar veel alleenstaande vrouwen van boven de vijftig wonen? Of ben ik nu een verband aan het zoeken dat er niet is? Maar ik dwaal af.

Als je ‘data gedreven’ wilt werken, dan profileer je. Dan maak je ‘klantenprofielen’ en liefst zo nauwkeurig mogelijk door zoveel mogelijk data te zoeken die correleren. Dan doe je net als ‘Bill’ en probeer je je acties af te stemmen op die profielen. Dat is precies wat de Belastingdienst doet. Ze maken ‘profielen’ op basis van correlatie tussen gegevensbestanden. Daarin is er geen verschil tussen de Belastingdienst en Google, Facebook en al die andere ‘Big Data bedrijven’. Big data nodigen uit tot het zoeken naar correlaties en dus tot ‘profileren’ en computers zijn daar heel goed in. Zonder profileren heb je niets aan ‘big data’. Dan zijn het slechts verzamelingen gegevens.

Echt bijzonder maakt socioloog Dirk Geldof het in een artikel in de Volkskrant. De tweede aanleiding voor deze Prikker. Geldof pleit juist voor etnisch profileren in de gezondheidszorg: “Nu het aantal besmettingen en doden in België en Nederland gelukkig dalen, is het hoog tijd om te onderzoeken of corona ook bij ons landgenoten met een migratieachtergrond zwaarder treft, zoals in Engeland, Zweden en de VS.” Dit is volgens Geldof van belang omdat: “Algemene maatregelen dreigen vaak kleurenblind te zijn, maar het virus is dat niet.” In de Verenigde Staten doen ze dit al, zo schrijft Geldof: “Begin juni beslisten de Centers for Disease Control and Prevention in de VS om bij testen ook systematisch de herkomst te registreren om deze ongelijkheid op te sporen.” Ik vrees dat ook in Nederland de uitkomst zal zijn dat migranten en mensen met een ‘migratie-achtergrond’ grotere kans hebben om slachtoffer van Covid-19 te worden. Gaan we dan het virus voor de rechter dagen vanwege racisme en discriminatie? Welke specifieke maatregelen kunnen we dan nemen die niet kleurenblind zijn? Of zitten we dan op het verkeerde spoor en verwart ook Geldof correlatie met causaliteit?

Dat er een correlatie is tussen ‘migrant’ en ‘migratie-achtergrond’ en slachtofferschap van het virus, geloof ik meteen. Daar is geen registratie voor nodig. Die registratie zal, net als de ‘daderprofielen’ bij de politie en de Belastingdienst, leiden tot discriminerende maatregelen. Precies datgene waar Black Lives Matter en alle ander bestrijders van institutioneel racisme zich zorgen om maken. Covid-19 correleert er dan wel mee, voor het beter voorkomen van uitbraken, moeten we toch echt zoeken naar causaliteit. Naar eigenschappen van het virus. Eigenschappen zoals de manier waarop het zich verspreidt. Dat de arbeiders, arbeidsmigranten, van de slachterij in Groenlo erdoor werden getroffen, werd niet veroorzaakt door hun ‘arbeidsmigrantschap’. Dat werd veeleer veroorzaakt door hun werk en leefomstandigheden. Migranten en mensen met een migratie-achtergrond zijn oververtegenwoordigd in vooral de sectoren die cruciaal zijn maar slecht betaald worden. Eigenlijk de enige cruciale sector waar ze ondervertegenwoordigd zijn, is de ‘effectenhandel’ en daarvan kun je je, zoals ik in een eerdere Prikker deed, afvragen waarom die cruciaal is. Zaken die een ‘(bedrijfs)economische’ oorzaak hebben. Of kijken naar de kenmerken en problematieken van de mensen die sterven of op de IC belanden door het virus. Naar de onderliggende problematiek en vooral naar de oorzaak van die onderliggende problematiek.

Dit is ook waar het bij een of andere gemeente die ‘data gedreven’ werkt een keertje fout gaat. Dan is er beleid gemaakt op basis van correlatie tussen gegevens en blijken die niets met elkaar vandoen te hebben. Want wat een computer niet kan, is interpreteren, causaliteit bepalen. Dat is nog steeds mensenwerk. En dat werk moet gebeuren voordat je gaat zoeken naar correlaties. Naar verbanden. Waar het fout gaat bij het gebruik van big data is dat er niet wordt gedacht voordat de computer aan het werk wordt gezet. Dan krijg je zaken zoals nu bij de belastingdienst en ‘Bill’ die mij een ‘vrouw in de buurt van Arcen’ probeert aan te smeren. Dit terwijl ik al tevreden en gelukkig ben met mijn vrouw en ‘in de buurt van Arcen woon’. Dan krijg je zaken waar mensen boos om worden.

De hond of de kat, of toch de hond?

“De vraag is in welk land we willen leven. Het is een fundamentele keuze: de liberale wereldorde, of een nieuw conservatisme waarin een conservatieve samenleving door vrije individuen wordt gebouwd – een conservatisme dat ook erfgenaam is van dat liberalisme.” Die vraag stelde Forum voor Democratie Europarlementariër Rob Roos, zo lees ik bij De Dagelijkse Standaard. Een interessante vraag: gaan we de ene of de andere kant op: liberaal of conservatief? En Roos kiest voor het nieuwe conservatisme. Nu is dat nieuwe conservatisme een bijzondere stroming.

Bron: Pixabay

Bijzonder omdat conservatief, aldus de Van Dale “vasthoudend aan bestaande maatschappelijke toestanden,” is. Als we de betogen van FvD-vertegenwoordigers erop nalezen dan zetten zij zich flink af tegen de manier waarop de samenleving nu is georganiseerd en die betitelen ze als liberaal. Als we het begrip conservatisme zoals de Van Dale het geeft hanteren, dan is een liberaal die de huidige liberale orde wil handhaven, conservatief. Roos wil een andere samenleving  en noemt die ‘nieuw conservatief’. 

Als we het betoog van FvD-leider Baudet in een Zwitserse krant van vorig jaar moeten geloven, dan wordt dat een soort eind achttiende-eeuwse bourgeoissamenleving. Ik weet niet of ik daar blij van word. Eigenlijk weet ik het wel, daar word ik niet blij van. Want dat was een samenleving met rangen en standen. Met een paar procent van de bevolking die het voor het zeggen had. Een elite van rijke kooplui en oude adel. Op het punt van de economische macht lijkt die samenleving verdacht veel op onze huidige. De huidige die Roos als alternatief voor die ‘nieuwe conservatieve’ schetst. Van die huidige liberale wereldorde zoals Roos ze noemt, word ik echter ook niet blij. Veel teveel economie en vooral markt en veel te weinig mens. Een wereldorde die als eerste de vraag stelt naar de ‘economische gevolgen’, die alles vertaalt in economie, daar word ik ook niet blij van.

Maar wacht eens. In  mijn reactie op Baudets artikel in die Zwitserse krant vatte ik Baudets maatschappijvisie samen met de woorden: “Een kleine leidende elite met hem als Leeuwenkoning aan het hoofd. Een bourgeoisie, die de rest van de mensen, net als in de achttiende en negentiende eeuw, moet leiden naar gelukkiger vroegere tijden.” Zou dat het nieuwe conservatisme zijn? Gewoon de huidige ‘liberale wereldorde’ met een nieuwe elite onder aanvoering van Baudet en zijn partijgenoten?

Gelukkig is de werkelijkheid niet zo simpel als Roos ze schetst. De toekomst is geen keuze tussen een beet van de kat of de hond. En als het werkelijk alleen maar om de ‘machtsposities’ gaat, een beet van de hond en de hond. Gelukkig ligt de toekomst niet vast. Die maken we en daarbij zijn er veel meer mogelijkheden dan de twee (of één) die Roos schetst.