Uitgelicht

‘Until Death do us part’

“U hoort dat goed, wij dienen actief te eisen dat we als volwaardig Nederlander beschouwd worden en dat derhalve etnische registratie wordt afgeschaft.” Dit betoogt Karim Bettache bij Joop. Hierbij sluit ik mij van harte aan. Iedereen die voor de wet gezien een Nederlander is, is een Nederlander. Geen Nederlander met … afkomst, allochtoon, autochtoon of streepjes Nederlander. Nee, gewoon Nederlander. Het staat iedereen vervolgens erin om zichzelf te betitelen als een … Nederlander, Nederlander met … voorouders , gekleurde, witte of blanke Nederlander, Zeeuwse Nederlander of Venlose Nederlander. Dat is aan de persoon zelf, niet aan een ander en zeker niet aan de wetgever. 

Bettache strijdt tegen ‘systemisch racisme’ en in die strijd adviseert hij: “Gekleurde en multi-etnische Nederlanders (maar ook onze witte broeders en zussen) doen er goed aan financieel en sociaal niet meer bij te dragen aan de eigen onderdrukking.” Wat hij hiermee bedoelt? (G)een abonnementen meer op mainstream kranten/gidsen of andere media die weigeren diversiteit toe te laten boven het glazen plafond en daarnaast in hun berichtgeving een generaliserende (witte) kijk communiceren naar u en andere Nederlanders.” En ook niet meer stemmen op: “linkse partijen die enkel mooie praatjes verkopen maar qua beleid niets voor u doen. … Beter is het om op een pluriforme partij als Bij1 te stemmen.” 

Nu las ik bij dekantekening.nl iets bijzonders. In een artikel bespreekt Ewout Klei het al dan niet ‘wit’ zijn van de Nederlandse corona-aanpak. In het artikel staat de vraag centraal: “Worden Afro-Nederlanders harder getroffen door het coronavirus dan witte Nederlanders?” Vanuit het buitenland, en dan vooral Groot Brittannië en de Verenigde staten blijkt dat gekleurde mensen vaker sterven aan corona. Een voorbeeld: “In de stad Chicago is 30 procent van de bevolking Afro-Amerikaans, maar 70 procent van de coronadoden is zwart.” Voor Nederland kan die vraag niet worden beantwoord: “Nederland houdt niet bij wat de etniciteit van coronapatiënten en -doden is.” En dan komt het bijzondere: “BIJ1, de partij van Sylvana Simons, is om deze reden voor het registreren van etniciteit van coronaslachtoffers.” Dat is volgens woordvoerder Quinsy Gario wel nodig: “Deze gegevens zijn noodzakelijk voor het opstellen van een gemeenschappelijk plan van aanpak. Nu worden gemeenschappen buitengesloten van het plan dat is opgesteld omdat er geen gegevens zijn over de schade dat het virus bij hen aanricht. Als je de mogelijkheid om de schade te bepalen bemoeilijkt voor een bepaalde groep ben je bezig met ongelijkwaardige behandeling. En dat is in strijd met artikel 1 van onze grondwet.” 

Zou het werkelijk zo zijn dat ‘gemeenschappen worden buitengesloten omdat er geen gegevens zijn over de schade die het virus bij hen aanricht’? Ik waag het te betwijfelen. Het ‘plan’ is erop gericht de besmetting met het virus zo te controleren dat onze gezondheidszorg niet overbelast raakt. Belangrijk daarin is het voorkomen van besmetting. En als iemand toch besmet raakt, dan wordt die persoon zo goed mogelijk geholpen op basis van de beschikbare kennis. Dat het virus vooral schadelijk is voor mensen aan de onderkant van het loongebouw, is ondertussen al bekend. Dat is ook de oorzaak van de overmatige sterfte van gekleurde mensen in de VS en Groot Brittannië. Dit zal voor Nederland niet veel anders zijn. Een onvoorwaardelijk basisinkomen zou wel eens een middel kunnen zijn om dit, ongeacht de huidskleur, te bestrijden. Dit even terzijde. 

Bij1 wil de etniciteit van corona-doden registreren. Een registratie waar Bettache, met recht en reden, voor de levenden van af wil. Bij leven één bij sterven gescheiden: ‘Until death do us part’.  Wellicht toch even overwegen of Bij1 dan wel de juiste keuze is? 

Uitgelicht

De ezel en de steen

Deze week, zo las ik in de Volkskrant, klopte booking.com bij de Nederlandse overheid aan voor steun. Steun om de banen van de medewerkers te beschermen. Die lopen gevaar omdat de site draait op reizen en wat daarvoor nodig is. En reizen zit er nu even niet in. Het bedrijf is niet het eerste of enige dat voor steun bij de overheid aanklopt. Het bedrijf wil gebruikmaken van de regeling waarbij de overheid 90% van de lonen betaald. Gelukkig heeft het bedrijf nog even 4 miljard kunnen lenen want: “Als we die 4 miljard niet hadden, zou het er slecht uitzien, o mijn God.” Aldus de CEO Glenn Fogel. Ik moest denken aan een ezel en een steen. Laten we deze casus eens wat uitdiepen en vervolgens de vraag stellen of de overheid heeft geleerd van de bankencrisis van 2008.

Eerst even deze casus. Het bedrijf is een van de paradepaardjes van de ‘tech-bedrijven’. En net als de meeste van die bedrijven verkoopt het bedrijf geen product. Het heeft geen vliegtuigen, hotels of auto’s die het kan verhuren. Het is eigenlijk niets anders dan een in een nieuw jasje gegoten ‘reisbureau’. Voor de jeugdigen onder mijn lezers, als je vroeger alles rond je vakantie wilde regelen, dan ging je naar een reisbureau. Daar besprak je met de medewerker je wensen: zon of toch actief? Spanje, Griekenland of …? Op basis daarvan pakte de medewerker enkele gidsen uit de kast en liet je wat foto’s zien van mogelijke vakantieadressen. Daaruit maakte je een keuze en dan ging de medewerker van het reisbureau alles regelen. Van alles wat er werd geregeld kreeg je een rekening van het reisbureau. In die rekening zaten de kosten van het reisbureau verwerkt. Dat kon op grofweg twee manieren. Aan de ene kant als een opslag voor de gemaakte kosten. Aan de andere kant omdat het bureau minder betaalde voor campingplaats dan jij aan het bureau moest betalen. 

Tegenwoordig doe je dat zoeken zelf, achter je computer. Heb je gevonden wat je wilt, dan ga je boeken. En dat kan via booking.com. Het bedrijf wordt betaald door campings, hoteleigenaren et cetera. Die betalen een commissie van tussen de 10% en 30% aan het bedrijf. Hoe meer commissie je betaalt, hoe hoger je ‘hotel’ in de zoeklijst komt. Die vrolijke meid, want ja het waren meestal jonge vrouwen, is vervangen door een IT-nerd uit India en de schaal is de wereld geworden. En die nerd kan meer reizen per seconde verkopen dan die meid. Simpel omdat die nerd het eigenlijke werk aan jou, de reiziger, heeft uitbesteed. Hij ‘verzint’ alleen een algoritme dat dit mogelijk maakt. Dit bedrijfsmodel, het uitbesteden van het werk aan de gebruiker, komt trouwens zeer veel voor onder die hippe en vernieuwende ‘tech-bedrijven’. 

  Een zeer succesvol bedrijfsmodel omdat het bedrijf in 2019 zo’n € 4,6 miljard winst maakte. En als je bedenkt dat het bedrijf 5.500 medewerkers heeft, die gemiddeld € 47.000 verdienen, dan zou het bedrijf die salarissen makkelijk nog enkele jaren zelf moeten kunnen betalen. In totaal ontvangen de medewerkers namelijk een kleine € 260 miljoen aan salaris. Die winst van vorig jaar is daarmee voldoende om bij geen inkomsten nog 18 jaar alle salarissen te betalen. Ook van die pas geleende 4 miljard kunnen die salarissen aardig wat jaren worden betaald. Dus waarom staatssteun? 

Waar is dat geld gebleven? Dat geld is verdwenen in de zakken van de aandeelhouders. Sinds 2018, dat zijn dus twee jaar, heeft het bedrijf voor een totaal bedrag van € 12,9 miljard aan eigen aandelen teruggekocht. Dit opkopen zorgt er daarnaast voor dat de overgebleven aandelen in waarde stijgen waardoor het vermogen van de aandeelhouders nog verder toeneemt. Wat dit opkopen bijzonder maakt, is dat het bedrijf ook nog een schuld heeft van € 7 miljard. Je zou zeggen dat het geld voor die aandelenopkoop beter gebruikt had kunnen worden om die schuld af te lossen. Die schuld is nu dus ‘gelukkig’ nog vergroot met 4 miljard. Nu is booking.com niet het enige bedrijf dat eigen aandelen terugkoopt. Ook onder andere Shell doet dit voor miljarden. Ook is het niet het enige bedrijf dat vol wordt gehangen met ‘leningen’, dat zien we ook bij bijvoorbeeld de HEMA. Bedrijven vol met schulden hangen en eigen aandelen opkopen zijn twee manieren om de belastingbetaler te ‘tillen’. De belastingbetaler wordt ook nog op een andere manier benadeeld. Het bedrijf heeft tussen 2010 en 2018 ook nog eens € 1,8 miljard aan belasting niet betaald door gebruik te maken van de ‘innovatiebox’. Bovendien werd de fiscussen van andere Europese landen via allerlei constructies nog eens voor € 715 miljoen ‘benadeeld’. En nu het even tegenzit, klopt deze ‘geldcreatie- en belastingontduikingsmachine’ voor steun aan bij de overheid, de belastingbetaler en dus bij mij. Als zelfstandige zonder personeel gebruik ik mijn ‘winst’ als reserve voor slechte tijden en pensioenvoorziening. Als ik dat kan, waarom kan booking.com dat dan niet?

Waarom zou ik als belastingbetaler hieraan mee moeten betalen? Alleen is die vraag al door de Nederlandse overheid beantwoord. Onder het mom van het ‘behoud van werkgelegenheid’ is er een regeling bedacht die NEE niet lijkt te kennen als antwoord. Die regeling roept herinneringen op aan de redding van de banken in 2008 op kosten van de belastingbetaler. Toen werd alles op alles gezet om de banken te redden. Dit heeft de belastingbetaler flink geld gekost en de aandeelhouders en investeringsmaatschappijen flink geld opgeleverd. Toen had de overheid zich moeten houden bij het redden van de mensen (garantie op een rekening tot € 100.000 en het redden van het betalingsverkeer door dit te nationaliseren. Daardoor zouden banken zijn omgevallen en hadden de aandeelhouders en investeringsmaatschappijen de klappen gekregen die ze verdienden. Zij hadden dan betaald voor de risico’s die ze namen. De baten van die risico’s waren daarmee privé, de lasten publiek. Diezelfde banken en investeringsmaatschappijen werden tijdens de euro-crisis nogmaals gered. Dit keer vooral ten kosten van de Zuid-Europese belastingbetaler.

Is nu niet precies dezelfde fout gemaakt? Is de overheid niet bedrijven gaan redden onder het mom van ‘werkgelegenheid’? Dat begon al met de KLM en daarna was er geen houden meer aan en moeten alle bedrijven worden gered. Ook Booking.com dat overduidelijk lak heeft aan haar maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het ontduikt en ontwijkt belastingen en laat de winsten vloeien in de zakken van de aandeelhouders. Iets waaraan veel ‘techbedrijven’ en trouwens ook Shell andere zich schuldig maken. Op deze manier vloeit het geld, net als tijdens de bankencrisis, van arm naar rijk. Om de vraag ‘dus waarom staatssteun’ te beantwoorden: omdat het kan en een mogelijkheid is om nog meer geld in de zakken van de aandeelhouders te laten vloeien.

Moet de overheid zich niet alleen richten op het ‘redden’ van mensen? Zorgen dat iedereen voldoende heeft om te kunnen leven? Dat kan via een basisinkomen. Een basisinkomen mede gefinancierd uit een progressieve belasting op vermogens. Ook de directeur, de kleine zelfstandige ondernemer met of zonder personeel krijgt dat basisinkomen. Dat er vervolgens bedrijven als Booking.com en KLM omvallen, is jammer maar helaas. Het zijn toch maar, om een begrip uit een recente Prikker aan te halen, imaginaire constructen. Er zijn vast wel weer nieuwe te verzinnen. Voor die zelfstandige ondernemers is wel een randvoorwaarde dat ze na faillissement ook van alle schulden af zijn. Daardoor wordt het voor een kroegbaas mogelijk om nu failliet te gaan en straks een snelle nieuwe start te maken. 

Het antwoord op de centrale vraag in deze Prikker of de overheid heeft geleerd van de bankencrisis is NEE. En helaas kost dat mij als belastingbetaler een flinke duit. En jammer genoeg levert dat mensen als Fogel en zijn aandeelhouders een nog veel flinkere duit op. 

Uitgelicht

Terug naar een basisinkomen

“In de afgelopen weken klonk de roep om een basisinkomen luider dan ooit. En terecht: de wereldwijde coronacrisis vraagt om radicale maatregelen. Zelfs de Amerikaanse overheid deelt geld uit. Zeven jaar geleden schreef ik voor het eerst voor De Correspondent over een bijna vergeten idee dat nu overal weerklank vindt: gratis geld voor iedereen.” De aanheft boven een opnieuw gepubliceerd oud artikel van Rutger Bregman bij De Correspondent. Onder het artikel opnieuw een levendige discussie over nut, noodzaak en herkomst van het idee ‘basisinkomen’. Bregman noemt de neoliberale goeroes Friedrich Hayek en Milton Friedman als aanhangers van het idee en gaat zelfs terug tot Thomas More’s Utopia. Even wat historisch perspectief.

In dit deel van de wereld, en misschien ook in andere maar daar weet ik het niet van, was een ‘basisinkomen’ eeuwenlang de normaalste zaak van de wereld. Nee, niet zoals Bregman het beschrijft een beurs met munten, maar het gezamenlijk gebruik van grond, een vijver, een bos, een weide. In goed Nederlands noemden ze dat de meent. Het woord gemeente is ervan afgeleid. De meent was een stuk grond, bos, vijver, rivier, dat de inwoners van het dorp konden gebruiken om de opbrengst van hun eigen kleine stukje grond aan te vullen. Het was meestal niet de beste of makkelijkst te bewerken grond. Aanvullen door er een konijn of vis te vangen, door hout te sprokkelen of bramen te plukken. De bewoners van een dorp hadden het gebruiksrecht, de grond was in eigendom van de landheer. Die landheer was niet bij machte om die rechten aan te tasten. Dit was een onderdeel van het feodale systeem.

In goed Engels noemen ze de meent commons. En wellicht gaat er nu bij een enkeling een belletje rinkelen: er was toch iets met Tragedy of the Commons? Een enkeling zal het begrip kennen van het pamflet In ons belang van Albert Jan Kruiter en Eelke Blok uit 2011. De munter ervan is echter de Amerikaanse ecoloog Garrett Hardin. Hardin schreef in 1968 een artikel met als titel The Tragedy of the Commons.

Hardin gebruikt hier het voorbeeld van een stuk weidegrond dat door de plaatselijke herders wordt gedeeld. De weide heeft een beperkte omvang en er kunnen dus slechts een beperkt aantal schapen op grazen. Overbegrazing zorgt ervoor dat de hele weide onbruikbaar wordt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Eén schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever één schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn één schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is overbeweiding onvermijdelijk. Herder A en met hem de andere herders zitten vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt.

Vervang de herders en de weide door zee en vissers, of schone lucht en olie- en kolencentrales of een extra kind erbij in een gezin en je hebt de moderne versies van The Tragedy of the Commons. Veel vrijemarkteconomen en vooral vrijemarktideologen betogen dat een dergelijke tragedie alleen te voorkomen is via privé eigendom en dus privatisering van het gemeenschappelijk bezit. Deze economen en ideologen hebben de afgelopen dertig jaar de wind flink in de zeilen gehad. Dit met als gevolg een grote privatiseringsgolf: openbaar vervoer, energie, telecom, water, gezondheidszorg enzovoort. Je zou hieruit kunnen concluderen dat omdat vroeger het ‘basisinkomen’ niet werkte vanwege het egoïsme van de boeren, ook nu het basisinkomen gedoemd is te falen. 

Er is echter iets met deze ‘tragedie’. Dit is namelijk niet hoe het in werkelijkheid is gegaan. Gemene of gemeenschappelijke gronden speelden gedurende lange tijd een belangrijke rol in het leven en overleven van onze voorouders. Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de “gebruiksgerechtigden”. Bijvoorbeeld de inwoners van een dorp of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruik maken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of een andere functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het  gebruik van de gemene gronden zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot.

Iedere herder maakt, volgens Hardin, de enige rationele keuze vanuit de individuele positie. Maar bekijk je het vanuit het totaal dan handelen ze allemaal irrationeel. Ze verwoesten zo immers de weide die hen voedt. Hardin veronderstelt dat de gebruikers van de gemene gronden deelnamen aan het economisch verkeer van vraag en aanbod en dat ze allemaal streefden naar meer inkomen. Dit op een manier die vergelijkbaar is met de tijd waarin Hardin zijn artikel schreef. Hij kijkt met zijn bril (zijn en de huidige kijk op de wereld) naar het verleden en dat is meestal niet de bril die men in het verleden droeg. Voor veel van onze voorouders was de wereld niet veel groter dan de streek waarin zij woonden. In die streek probeerden zij te overleven en dat deden zij voor het overgrote deel door in hun eigen behoeften te voorzien. Zij produceerden niet voor de markt en waren niet bezig met inkomen vergaren, laat staan rijk worden. Overleven lukte hen onder andere door het gebruik van de gemene gronden. Het gebruik van de gemene gronden was goed gereguleerd in het gewoonterecht. Dit voorkwam, zo daar al aanleiding toe was, misbruik en vooral overgebruik van deze gronden. Geld speelde maar een zeer marginale rol. Dit heeft eeuwenlang goed gefunctioneerd. 

Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet wilden veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren (en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren). De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele ‘enclosure acts’. Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten zij graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg. Op het eerste oog een positief iets.

Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. 

Bijzonder schril voorbeeld hiervan is An Gorta Mór. De Ierse hongersnood van 1845-1849. De arme Ieren leefden in die tijd op aardappelen die ze zelf verbouwden. Dat ging jarenlang goed waardoor de bevolking was gegroeid. in 1845 begon het fout te gaan. Een beruchte aardappelziekte deed haar intrede: Phytophthora infestans. Dat er bijna geen aardappelen meer waren, wilde niet zeggen dat er niets te eten was in Ierland. Er was nog voldoende, alleen was dat in handen van Engelse landeigenaren die de beschikbare  producten, onder andere boter en vlees, verkochten op de wereldmarkt omdat ze daar een ‘betere prijs’ konden krijgen. De arme Ieren hadden het nakijken. Niets te eten en ook geen opbrengst om de pacht voor dat kleine stukje grond aan die Engelse landheer te betalen. Die landheer maakte het vervolgens nog erger door de pachters hun land en huis af te nemen. Dit alles zorgde ervoor dat de bevolking terugliep van 8 miljoen naar 3,5 miljoen. Een flink deel door sterfte en het grootste deel omdat ze emigreerden naar de Verenigde Staten.

De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud omdat hen de toegang tot de gemene gronden werd ontzegd. Die kant wordt door Karl Polanyi in zijn boek The Great Transformation treffend omschreven: “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.” Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en vergemakkelijkten zo de industriële revolutie.

Ik heb hier voornamelijk de Engelse situatie beschreven, die is het best gedocumenteerd. In andere landen op eerdere of latere tijdstippen gebeurde iets soortgelijks. Sterker nog, dit is een ontwikkeling die tot op de dag van vandaag doorgaat in bijvoorbeeld Afrikaanse landen. Waar grote bedrijven die op fabrieksmatige wijze agrarische producten voor de wereldmarkt willen produceren, grote gebieden opkopen van de overheid en zo de kleine lokale boeren verdringen die deze grond vaak al generaties lang in gebruik hadden. Die rest dan niets anders dan naar de steden te trekken en daar proberen te overleven. Ook dit leidt tot een stijging van de productie en een toename van armoede en vaak ook honger. Want ook hier wordt met name voor de wereldmarkt geproduceerd en verkocht aan de best betalende en dat is meestal een buitenlandse partij. De laatste jaren wordt dit nog versterkt door het opkopen van gronden en bossen ter compensatie van koolstofdioxide uitstoot. Naomi Klein geeft een goede beschrijving van deze ontwikkeling in haar boek No Time. Zo zijn we via een kort uitstapje in de geschiedenis alweer in het heden beland.  

Dus ja, de markt en hebzucht maakten een einde aan de eerdere vormen van een ‘basisinkomen’. Niet de ‘hebzucht’ van de kleine boeren, maar de hebzucht van de landheren, de ‘rijken’. En daarmee zijn we aanbeland bij Bregmans pleidooi voor een basisinkomen en waarom het een hele strijd wordt om het ingevoerd te krijgen, als het al lukt. De vroegere rijken en machtigen eigenden zich het vroegere ‘basisinkomen’ toe en de huidige rijken en machtigen zullen een nieuw basisinkomen moeten betalen. Betalen op twee manieren. Als eerste door meer belasting te betalen en als tweede omdat ze hun goedkope arbeidskrachten verliezen. Verliezen niet omdat mensen met een basisinkomen te lui zijn om te werken. Nee verliezen omdat ze, zoals Bregman in dit artikel laat zien, eigen keuzes maken hoe ze hun leven willen invullen. Keuzes die wel eens een andere kunnen zijn dan in het magazijn bij Amazon, Bol.com of het aspergeveld. Of misschien juist wel daar, maar dan op een gelijkwaardige voet. Een basisinkomen vraagt, om Polyani te parafraseren ‘a revolution of the poor against the rich.’

Brecht, Maslow en een (basis)gift

“De vraag is hoe we de kwetsbare flexibele werknemers en zzp’ers zo goed mogelijk kunnen beschermen tegen onderbetaling, uitbuiting, ongunstige arbeidsomstandigheden en bestaansonzekerheid. En of we de ver doorgevoerde flexibele arbeidsmarkt wel in stand willen houden.” Die vraag stellen Marc Kuipers (Inspecteur Generaal van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en Justine Ruitenberg (afdelingshoofd bij de afdeling Programmering, signalering en onderzoek bij de Inspectie SZW) op de site Sociale Vraagstukken. Gelukkig geven ze ook het antwoord: “Het kabinet neemt met de invoering van de Wet Arbeidsmarkt in Balans op 1 januari 2020 een stap richting beteugeling van de flexibiliteit.” Zou dit werkelijk de vraag oplossen? Of zouden we hét antwoord in een heel andere richting moeten zoeken?

Bron: Pixabay

Ik stel die vraag omdat dit de zoveelste wet is die deze vraag probeert te beantwoorden en tot nu toe bleek geen van de voorgangers hét antwoord. Hoe de nieuwe wet wel hét antwoord wil zijn? “De wet is er onder meer op gericht om de afdracht van sociale premies hoger te maken voor flexibele arbeidscontracten dan voor vaste werknemers. Hiermee wordt een basis gelegd om flexibel werk te ontmoedigen. Dat sluit uiteindelijk ook aan bij de wensen van flexibele werknemers die immers best een vast contract, en dus meer zekerheid, willen.” Maar daarmee zijn we er volgens de auteurs nog niet: “Hiernaast is harmonisering van de Europese arbeidswetgeving nodig om verschillende escaperoutes te voorkomen. En een volgende stap is dat sociale partners, kennisinstituten, beleidsmakers en toezichthouders zich buigen over de vraag: moet arbeid wel in zoveel verschillende contractvormen mogelijk zijn?”  Het lijkt mij, dat ook deze wet dus nog niet hét antwoord is.

In hun artikel schetsen de beide auteurs het probleem: “De Nederlandse economie draait goed. De werkloosheid zit op of onder full employment niveau. Maar de lonen stijgen minder dan verwacht en het aantal flexibele arbeidsrelaties en zzp’ers is de laatste decennia sterk gegroeid. Dat is contra-intuïtief. Je zou verwachten dat werkgevers in tijden van krapte werknemers aan zich willen binden met extra loon en gunstige arbeidscontracten.” Volgens de auteurs zijn er mechanismen die: “de relatief lage lonen, de flexibele arbeidsrelatie en oneerlijk werk,” in stand houden. 

Zo houdt prijsconcurrentie de lonen laag en de arbeidsrelatie onzeker: “De vele juridische arbeidsvormen in Nederland, zoals payrolling, oproepcontracten, nul-urencontracten en uitzendwerk, maken besparingen op het loon mogelijk.”  Iets wat nog wordt versterkt door het verschijnsel ‘schijnzelfstandigheid.

Dan zijn er mazen in de wet die het mogelijk maken om de geldende CAO’s te ontwijken: “Het komt voor dat nieuwe bv’s worden opgezet in een andere CAO om duurdere CAO’s te vermijden. Ook is het voor uitzendbureaus die met veel arbeidsmigranten werken, aantrekkelijk om een buitenlandse vestiging te openen, zodat bijvoorbeeld Bulgaren en Roemenen in Nederland kunnen werken tegen de lagere sociale premies van hun eigen land.”

Een derde mechanisme is het ontstaan van de platformeconomie: “hier gebruikt men constructies – de relatie wordt beschreven als ad hoc of niet structureel – om vaste contracten te omzeilen. Medewerkers werken vaak als zzp’er en hebben geen goed geregelde arbeidsvoorwaarden.”

Als laatste zijn er arbeidsmigranten: “die bereid zijn hetzelfde werk onder slechtere omstandigheden en voor minder geld uit te voeren.” 

De oplossing die door de beide auteurs, en getuige de nieuwe wet ook door onze regering en het grootste deel van onze volksvertegenwoordigers wordt aangehangen, is het ontmoedigen van flexibele – en het proberen te stimuleren van vaste arbeidscontracten. Zeker omdat uit onderzoek blijkt dat: “tachtig à negentig procent van de flexibele werknemers een vast contract uiteindelijk (heel) belangrijk.” En als dat belangrijk wordt gevonden  dan moeten we daar wat aan doen. Daar kan ik me in vinden. 

Een eerste stap is dan de analyse van het probleem. Mensen vinden, zo blijkt dus uit onderzoek, een vast contract belangrijk. Nu moet ik bij zo’n gegeven altijd denken aan een uitspraak die wordt toegeschreven aan Henry Ford maar die hij waarschijnlijk nooit heeft gedaan: ‘If I had asked people what they wanted, they would have said faster horses’. Die zin drukt precies mijn gedachten bij dergelijke onderzoeksresultaten uit. Inderdaad zou niemand in het midden van de negentiende eeuw ‘een auto’ hebben geantwoord op de vraag wat er nodig was om sneller van A naar B te komen. Een auto bestond nog niet en was, wellicht op Jules Verne en een enkele uitzondering na, niet voorstelbaar. Mensen denken immers vooral binnen voor hen bekende en voorstelbare kaders. Als je het gros van de mensen met een flex-contract vraagt naar hun arbeidswensen voor de toekomst, dan zullen die antwoorden: doe mij maar een vast contract. Dus logisch dat de beide auteurs denken: we moeten werken aan vaste contracten. 

Maar toch. Stel ze de vraag waarom wil je dat vaste contract? Dan zullen ze antwoorden dat hen dit zekerheid geeft. Zekerheid van waaruit ze aan hun toekomst kunnen werken: ‘huisje boompje, beestje.’ Een ‘vast contract biedt die zekerheid. Of toch niet? Vaste contracten worden geregeld door werkgevers beëindigd. Faillissement, economische omstandigheden, onwerkbare arbeidsverhoudingen, niet functioneren, het kan allemaal leiden tot ontslag. Die nieuwe Wet arbeidsmarkt in balans moet werkgevers verleiden tot het bieden van een vast contract. Maar hoe ‘zeker’ is dat vaste werk? Dat verleiden gaat immers gepaard met het versoepelen van het ontslagrecht. Trouwens ook van de zijde van de werknemer worden de vaste contracten opgezegd. Een ‘nieuwe uitdaging’ of een ‘verbetering in de arbeidsvoorwaarden’ en weg is de vaste medewerker. En, zoals alle eerdere wetten al duidelijk maakten, is de werkelijkheid hardnekkiger dan de ‘theoretische beschouwingen’ die aan de wet ten grondslag liggen.

Bron: Wikipedia

Zekerheid geeft een mens de ruimte. Ruimte om zich te ontwikkelen. Ruimte om risico’s te nemen en zich met het onzekere bezig te houden. Dat bedoelde de Duitse schrijver Bertolt Brecht met de de beroemde woorden: “Erst kommt dass Fressen, dann kommt die Moral,” in het toneelstuk Dreigroschenoper. Dat is ook de theorie achter de piramide van Maslow. Veiligheid en zekerheid vormen in het denken van Maslow de tweede soort behoeften voor een mens. Dit nadat aan de lichamelijke behoefte, (eten, drinken, slaap, kleding, onderdak) is voldaan. Pas daarna komt de mens toe aan zijn sociale behoeften (vriendschap, familie, seksuele intimiteit). En als de geschiedenis iets heeft uitgewezen dan is het dat de mens leert en zich ontwikkelt door risico’s te nemen. Een ‘wiel’ vind je pas uit als je er de tijd, maar vooral de (geestelijke) ruimte voor hebt. Wat als de overheid zich richt op het bieden van een basiszekerheid? Een basisinkomen?

Het idee van een basisinkomen is niet nieuw. Het is geen ‘uitvinding’ van Rutger Bregman die het in 2016 met zijn boek Gratis geld voor iedereen weer onder de aandacht bracht. Die eer komt hem toe. Met een beetje fantasie kun je het zelfs een zeer oud idee noemen. Je zou de gemene gronden een soort proto-basisinkomen kunnen noemen. Deze gronden (het kon ook een bos, rivier of meer zijn) konden alle inwoners van het dorp of het gebied gebruiken om de opbrengst van hun eigen stukje grond wat verder aan te vullen. Gebruik dat aan voorwaarden was verbonden. Voorwaarden die voorkwamen dat de grond uitgeput raakte of dat een enkeling zich het grootste deel toe-eigende. 

Een veel genoemd bezwaar tegen een basisinkomen is dat het mensen zou tegenhouden om te werken en het zou onbetaalbaar zijn. Een basisinkomen is een manier om te herverdelen en je kunt alleen dat herverdelen wat er is. De kunst bij het herverdelen is ervoor te zorgen dat het basisinkomen voldoende is om een set van basisgoederen te verwerven, het is niet bedoeld voor verlangens of luxe maar voor behoeften. Betaalbaarheid is een keuze: als we het als samenleving willen, dan kan het. Alleen kan dat betekenen dat een deel van de samenleving meer moet gaan bijdragen.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn er enkele bijzondere experimenten met een basisinkomen uitgevoerd in de Verenigde Staten en Canada. Deze experimenten hebben veel gegevens opgeleverd die indertijd niet zijn geëvalueerd. De reden hiervoor is dat er eind jaren zeventig een andere politiek-economische (neoliberale) wind ging waaien. Deze experimenten pasten daar niet in en zijn beëindigd zonder evaluatie. Gelukkig zijn de gegevens wel bewaard gebleven. De afgelopen jaren zijn deze gegevens wel bestudeerd. Evelyn L. Forget heeft een set uit het Canadese dorp Dauphin doorgenomen om te kijken welke effecten een basisinkomen heeft op de gezondheid van mensen. Haar artikel sluit af met de volgende zin: “These results would seem to suggest that a Guaranteed Annual Income, implemented broadly in society, may improve health and social outcomes at the community level.” Het experiment zorgde voor minder ziektekosten door ongelukken en verwondingen maar wat vooral opviel was dat er minder psychische problematiek was. Ook bleek uit het onderzoek van de gegevens uit Canada dat er sprake was van een kleine vermindering van de deelname aan het arbeidsproces. Dit kwam vooral op het conto van vrouwen en jongeren. Nadere bestudering van de cijfers leerde dat zij die tijd niet zaten te verlummelen. Vrouwen spendeerden die tijd aan de opvoeding van hun kinderen. Jongeren bleken langer door te leren en dus beter beslagen de arbeidsmarkt op te gaan. Ze investeerden in zichzelf en daar hebben ze ook na het beëindigen van het experiment nog van geprofiteerd. Het weerhoudt mensen dus niet om te gaan werken. Omdat hun ‘Fressen’ zeker is, ontwikkelen ze zich. Ze bevredigen, om Maslow te gebruiken, hoger in de piramide gelegen behoeften.

Bron: Wikipedia

De Franse antropoloog Marcel Mauss bestudeerde begin vorige eeuw, zoals het toen en ook nu nog vaak worden genoemd, ‘primitieve culturen’. Hij zag dat in die culturen de gift een belangrijke plek innam in het overleven van de groep (lees zijn boek Over de gift). Mauss zag dat de gift geen individuele handeling was, maar een maatschappelijke verplichting waaraan een individu zich niet kon onttrekken zonder uitgestoten te worden. Bij een giftrelatie ontstond een schuldbalans tussen gever en nemer. Iemand kreeg iets van de gemeenschap en dat gaf de zekerheid erbij te horen en dat erbij horen kwam met de morele plicht. De gift versterkte de onderlinge betrokkenheid binnen de groep. Nu kan de onderlinge betrokkenheid in onze samenleving ook wel een impuls gebruiken. Geen basisinkomen maar een basisgift?

Welvaartsstaat en/of verzorgingsstaat?

“Ik kies, mede op basis van de bijdragen van Lex Hoogduin en Rutger van den Noort, voor het opgeven van de verzorgingsstaat om de welvaartsstaat te herstellen! De terugtredende overheid (die beiden bepleiten) zal de eigen verantwoordelijkheid van de burgers vergroten en hen aanzetten tot méér initiatief, méér keuzes en méér ondernemerschap. Dat zal tot meer welvaart leiden.” Deze conclusie trekt Henk Strating bij Opiniez uit een debat over de verzorgingsstaat. Strating is duidelijk. Hij kiest de welvaartsstaat boven de verzorgingsstaat. Maar wat als er niet gekozen hoeft te worden? Zou het niet én kunnen zijn in plaats van of? 

Een prent ter gelegenheid van het Kinderwetje van Van Houten uit 1874. De eerste maatregelen ter verbetering van de levensomstandigheden van mensen. Bron: Wikipedia.

Laten we eens in de geschiedenis duiken. Als we dat doen dan zien we vooral schrijnende armoede en ellende aan de ene kant en flinke rijkdom aan de andere kant. Die ene, arme kant omvatte het overgrote deel van de mensheid. Die rijke kant bestond uit enkele families. Daartussen een klein clubje mensen die het redelijk had. Veel van die armen werkten. Als ze geen werk hadden of niet konden werken, dan waren ze afhankelijk van de goedertierenheid van vooral de kerken. Je succes of falen hing vooral af van de plek en de situatie waarin je werd geboren. Was je van adel dan was je kostje gekocht. Waren je ouders keuterboer, dan was dat je lot. Hoe hard je ook werkte, hoe goed je ook je best deed en hoe je je ‘eigen verantwoordelijkheid’ invulde, wat je ook ondernam, het deed er zeer weinig tot niets toe. Je lot lag al bij je geboorte vast. Geen welvaartsstaat en zeker geen verzorgingsstaat.

Met de industriële revolutie gingen we een nieuw tijdperk in. Werken op het land werd werken in de fabriek. Wat er slechts marginaal tot bijna niet veranderde, was de invloed van je geboorteplek en situatie. Als zoon van een arbeider werd je arbeider. Tenminste, als er werk was. Was dat er niet, dan was je afhankelijk van de nog steeds vooral kerkelijke armenzorg. Had je het geluk dat je ouders ondernemer waren, dan had je wat meer keus. Voor sommigen een tijd van grote welvaart, voor de meesten was het sappelen tot schrale armoede. Zeker geen welvaartsstaat en al helemaal geen verzorgingsstaat.

Aan het einde van de negentiende eeuw begon er wat te veranderen. De staat begon zich de ellende aan te trekken en vaardigde wetten uit om de ergste uitwassen te voorkomen. Zo werd kinderarbeid verboden en werd de arbeidstijd begrensd. Het begin van wat uitgroeide tot de verzorgingsstaat. Een begin dat een vervolg kreeg met bijvoorbeeld de sociale woningbouw. Dit om de leefomstandigheden te verbeteren. Wetgeving om te voorkomen dat ouderen, die niet meer konden werken, afhankelijk werden van hun familie of de kerk voor hun eten. Wetten om armoede bij ziekte of ongeval te voorkomen. Wetgeving ter verzekering van inkomen bij arbeidsverlies. 

Dit werd wat we achteraf de verzorgingsstaat zijn gaan noemen. Een ontwikkeling die niet is ingezet om, zoals Strating schrijft: “dat de overheid voor de burgers moet zorgen en hun risico’s zo veel mogelijk moet afwenden.” Nee, wet- en regelgeving en maatregelen om schrijnende armoede en ziekte en sterfte als gevolg van armoede te bestrijden. Maatregelen om mensen een wat menswaardiger bestaan te bezorgen. En wat schetste de verbazing? Het menswaardigere bestaan zorgde ervoor dat de zoon van de arbeider de kans kreeg om meer te worden dan een arbeider. En dat gebeurde dan ook. Verzekerd van een basis namen steeds meer mensen initiatief, ze kozen, ze ondernamen en dat leidde tot een toename van de welvaart. Met het invoeren van die maatregelen, die verzorgingsstaat, nam de welvaart van iedereen toe. De verzorgingsstaat en de welvaartsstaat gingen hand in hand.

Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw wordt er gemorreld aan die verzorgingsstaat. De voorzieningen worden kariger of verdwijnen. Allemaal met als ideologisch sausje dat die regelingen betuttelend zijn en dat mensen pas initiatief nemen als ze er zelf voor staan. Dit geheel volgens Stratings manier van denken. Wat we sinds die tijd zien is dat de welvaart stagneert. Dat er steeds meer mensen in armoede leven. En er is niets zo dodelijk voor eigen initiatief als armoede. 

Natuurlijk is het goed om te kijken of alle regelingen nog wel bij de tijd passen. Natuurlijk moeten we kijken en zoeken naar alternatieve manieren die beter bij het huidige tijdsgewricht passen. Een basisinkomen kan dan een interessante optie zijn. Maar als de geschiedenis ons iets leert dan is dat dan niet dat het én is in plaats van of? Dat welvaartsstaat en verzorgingsstaat hand in hand gaan?

Uitzondering en regel

“Millennials zijn ‘screwed’: kom in actie!” De titel boven een artikel van Fabian Dekker bij Joop. Dekker over dat ‘screwed’ zijn: “jonge mensen zijn financieel de klos, doen het slechter op de woningmarkt, werken steeds vaker in onzekere banen en zien hun inkomsten dalen. Mede onder invloed van invoering van het sociaal leenstelsel bedraagt de studieschuld in Nederland inmiddels ruim 11 miljard euro. Het eigenwoningbezit daalt door stijgende prijzen en aangescherpte leennormen met name onder 35-minners. En –naast studenten met een flexibele bijbaan – stijgt het aandeel flexibele werknemers met name in de leeftijdsgroep tussen 25 en 45 jaar van circa 10% naar 19% in de periode 2003-2018.” En de gevolgen hiervan? “Voor het eerst na de Tweede Wereldoorlog is er een generatie dertigers die minder verdient dan hun ouders, zo becijferden onderzoekers van de Universiteit Tilburg en het ministerie van SZW vorig jaar!” 

Bron: Wikimedia Commons

Inderdaad allemaal zaken die niet in het voordeel zijn van de ‘millennial’, mensen geboren tussen grofweg 1985 en 2000. Al denk ik dat het eigenwoningbezit van 35 minners voor andere generaties ook erg laag was. De gehele jaren tachtig lag de hypotheekrente boven de 8% met uitschieters tot 13% en moest je zelf ook een zak geld meenemen om een huis te kunnen kopen. Zelf kocht ik midden jaren negentig als begin dertiger een huis. De tijd waar hypotheekverstrekkers je een ‘beleggingshypotheek-oor’ aan probeerden te naaien en de huizenprijzen, net als nu fors stegen. Maar daar gaat het mij niet om. Ook niet over al die andere zaken die het leven van de millennial bemoeilijken, waartegen protest welkom is en alternatieven mogelijk zijn. Het gaat mij om ‘minder verdienen’ dan hun ouders. 

Niet dat ik de conclusie van de onderzoekers van de Universiteit Tilburg bestrijd. Nee, ik ga ervan uit dat hun onderzoek en ook hun conclusies correct zijn. Het gaat mij om iets anders. De ‘millennials’ zijn een keerpunt. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog een generatie die er ten opzichte van hun ouders niet op vooruit gaat en misschien zelfs wel een klein beetje op achteruit. Voor de millennial is dat natuurlijk vervelend en waarschijnlijk ook voor hun ouders. Die willen immers dat het hun kroost goed gaat en goed dat is meestal beter dan dat ze het zelf hadden op die leeftijd. Dan is het erg vervelend als dat niet het geval is.

De manier waarop Dekker het stelt, en dat is waarschijnlijk ingegeven door het Tilburgse onderzoek, is dat de millennials daarmee een uitzondering worden op de regel. De regel dat we het steeds beter krijgen, dat kinderen hun ouders ‘voorbij streven. Ik denk echter dat het eerder andersom is, dat hun ouders en eigenlijk iedere generatie sinds de Tweede Wereldoorlog tot de millennials de uitzondering op de regel waren. 

Als we geschiedenis bestuderen dan zien we dat kinderen in de regel hetzelfde lot trof als hun ouders. De zoon van een keuterboer werd keuterboer en zijn zus trouwde met een keuterboer. Soms hadden ze, net als hun ouders en hun latere kinderen een goed jaar en soms een slecht. Ze hadden het in het algemeen niet slechter en ook niet beter dan hun ouders. Zo gold het ook voor de zoon en dochter van de bakker, slager en landloper en edelman. Al kon die laatste door goede ‘huwelijkspolitiek’ van zijn ouders er wel op vooruitgaan. Achteruit trouwens ook als de rijkdom van de wederpartij toch voornamelijk schulden bleken te zijn.

Als we kijken naar de economische groei door de eeuwen heen dan was die in Europa tot ongeveer 1700 gelijk aan 0. En zoals we weten is groei nodig om het beter te krijgen dan je ouders. Natuurlijk waren er plekken waar rijkdom zich ophoopte, dat betekende echter niet dat mensen het beter kregen want daarvoor is groei alleen niet voldoende. Daarvoor moet die groei ook worden verdeeld over iedereen.  Als alle groei terecht komt bij de Amsterdamse handelaren dan heeft de Keuterboer in Drenthe daar niets aan. Net zoals de hamburgerflipper bij MacDonalds niets merkt van toenemende rijkdom van bijvoorbeeld Bill Gates.

Tussen 1700 en nu groeide de economie gemiddeld met 1%.  Dat betekent dat de Europese economie nu ongeveer 16 maal zo groot is als in 1700. Nu wijkt Nederland iets af van het Europese gemiddelde. Die afwijking betreft vooral de periode voor de twee wereldoorlogen. Nederland (de Republiek) was in 1700 aanzienlijk rijker dan de rest van Europa. Als we ons realiseren dat de bevolking van Europa in die periode ongeveer is vertienvoudigd dan is een groot deel van die groei opgegaan aan de extra monden die gevoed moesten worden.

Duiken we wat dieper in de cijfers dan blijkt dat de Europese economie tot 1820 groeide met 0,1%. Dit betekent dat de economie in 1820 bijna 13% groter was dan in 1700. Die groei was niet eens voldoende om die extra monden te voeden. Hieruit kun je gevoeglijk concluderen dat kinderen het in die periode zeker niet beter, eerder slechter hadden dan hun ouders. Tussen 1820 en 1950 groeide de Europese economie met 0,9%. Dat betekent dat de economie in 1950 ongeveer 3,6 keer zo groot was als in 1700. Als we ons realiseren dat de bevolking tussen de iets kortere periode (1750 en 1950) 3,35 keer zo groot werd, dan zou je, als de groei eerlijk over iedereen werd verdeeld, kunnen concluderen dat een jongere uit 1950 het even goed had als zijn leeftijdsgenoot uit 1700. 

Bron: Wikimedia Commons

Alleen de periode vanaf de Tweede Wereldoorlog tot nu kende groeicijfers die langdurig boven de 1% uitkwamen, namelijk gemiddeld 1,9% en van 1950 tot 1970 zo’n 3,8%. De economie van 2012 was 4,28 keer zo groot als die in 1950. De bevolking groeide gedurende die jaren met 1,35%. En, laat die periode, in ieder geval de eerste dertig jaar nu ook de periode zijn dat die toegenomen welvaart eerlijker werd verdeeld. Er werd een sociaal stelsel opgetuigd dat vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw weer langzaam wordt afgebroken. Dat maakt dat kinderen het beter kregen dan hun ouders. Ouders die hun kinderen langer, meer en hoger lieten studeren waardoor hun uitgangspositie steeds beter werd. Een hogere opleiding die de groei nog wat aanwakkerde.

Alleen kan dat niet oneindig doorgaan. Kinderen van universitair geschoolde ouders kunnen niet nog hoger worden opgeleid waardoor er nog betere banen in het verschiet liggen. Sterker nog, die hogere opleiding is al geruime tijd geen garantie op beter werk. Hoger opgeleiden die ‘onder hun niveau’ werken zijn eerder regel dan uitzondering. Alleen was dat werk voor hun ouders nog altijd een vooruitgang ten opzichte van hun grootouders. Dat is nu in toenemende mate niet meer het geval.

Als we het vanuit dit perspectief bekijken dan is de situatie van de huidige millennials de regel en waren hun ouders en grootouders de uitzonderingen op de regel. De regel dat kinderen het over het algemeen niet beter en ook niet slechter hebben dan hun ouders. 

Maar, beste millennia, laat dit je niet weerhouden om in actie te komen. Want een deel van je slechtere positie is het gevolg van de afbraak van het stelsel van sociale voorzieningen. Dat deel is een keuze en er kan ook wat anders worden gekozen. Een sociaal leenstelsel dat tot schulden leidt is zo’n keuze die anders kan. Het invoeren van een basisinkomen voor iedereen is een keuze die we kunnen maken om ‘flexbanen’ minder onzeker te maken. De Woningmarkt kan er anders uitzien, als we andere keuzes maken. En beste millennial als jullie hiervoor willen strijden dan kunnen jullie op de sympathie en steun van de Ballonnendoorprikker rekenen.

De cijfers over de economische groei komen uit Capital in the Twenty-First Century van Thomas Piketty (pagina 94).

Arme werkenden

“Onzekerheid over een dak boven je hoofd, eten op tafel, betaalbare en toegankelijk zorg, een sluitend ‘huishoudboekje’ en schulden verminderen het welzijn van mensen en beperken de mentale ruimte om een weg uit deze situatie te vinden” De eerste zin uit Gemeenten: een toekomst zonder werkende armen een notitie met het standpunt van de Nederlandse Vereniging van Gemeenten (VNG). In deze notitie die ik vandaag las, formuleert de VNG acht concrete maatregelen om armoede onder werkenden aan te pakken.

bron: Flickr

Wat is het probleem?  De VNG: “Uit de recente SCP-studie blijkt dat er in 2014 ongeveer 320.000 werkende armen (4,6% van alle werkenden) waren. Daarvan werkten er 175.000 in loondienst, en 145.000 als zelfstandige. In Nederland stijgt het aandeel werkende armen sinds 1990. Er bestaan in Nederland verschillende definities van (het risico op) armoede en werkende armen. Gemeenten zien op basis van hun armoedemonitor dat er meer groepen in de gemeente niet rond kunnen komen van hun besteedbaar inkomen. Ook deze inwoners rekenen gemeenten tot de doelgroep werkende armen.” Mensen met werk die niet rond kunnen komen van hun inkomen.

Zoals gezegd, stelt de VNG acht maatregelen voor. Als eerste, een open deur, een integrale aanpak: “Het is van belang om armoede niet alleen aan te pakken via het klassieke armoedebeleid – door het bieden van inkomen, inkomensondersteunende en participatiebevorderende voorzieningen – maar ook via ambities op andere beleidsterreinen zoals de betaalbaarheid van de energietransitie  en voldoende betaalbare woningen of doelstellingen op het terrein van zorg & gezondheid” 

Als tweede wil de VNG: “de uitkeringsgerechtigden inkomenszekerheid kunnen bieden.” De VNG wil dit bereiken door: “snelle en juiste verrekening van inkomsten uit (deeltijd)werk van belang, temeer daar deze doelgroep veelal maandelijks wisselende inkomsten heeft.” Om dat mogelijk te maken heeft de VNG een aantal wensen. Als derde wil de VNG een advies van werkgevers en vakbonden over de bestaanszekerheid  voor mensen met lage en middeninkomens. Een advies om de ‘structurele oorzaken’ aan te pakken. Dit advies moet met directe betrokkenheid van gemeenten tot stand komen.  

Als vierde moet het systeem van toeslagen en voorzieningen eenvoudiger. De vijfde maatregel richt zich op een sociale Rijks incassobeleid. Als zesde vragen de gemeenten hulp om de armen te bereiken. Die hulp moet in de vorm komen van het CBS, het CPB en het SCP. Als zevende moeten belemmeringen rond de privacy en gegevensuitwisseling worden weggenomen. 

Als laatste: “Kleine oproepcontracten en banen die meer lijken op zzp-constructies (zonder goede secundaire  arbeidsvoorwaarden als vervoer/opleiding/persoonlijke ontwikkeling) vergroten het risico dat huishoudens snel onder de armoedegrens terecht komen.”  Dus werkgevers, ook gemeenten.

Een goed streven om armoede onder werkenden te verminderen en liefst te voorkomen. Zou een basisinkomen hierbij kunnen helpen? Dat is de meest integrale aanpak, geeft inkomenszekerheid zonder de noodzaak tot verrekening en de ervoor benodigde bureaucratie. Dat biedt bestaanszekerheid, maakt een onderzoek door werkgevers en vakbonden overbodig en pakt de ‘structurele oorzaken’ aan. Het bereikt alle armen zonder dat CBS, CBP en SCP ook maar iets hoeven te doen. Het kan zonder belemmeringen rond privacy en gegevensuitwisseling worden uitgekeerd. En als laatste, het is een goede sociale verzekering in tijden van flexwerk en ZZP’ers. 

Dus VNG, waarom moeilijk als het makkelijk kan?