Uitgelicht

Keuzes na corona: ‘effecten’

Op de site van de overheid is de lijst met cruciale beroepen of vitale processen te vinden. Die lijst van cruciale beroepen maakt nederig. Het zijn precies die beroepen die er bekaaid af komen voor wat betreft beloning. Leraren, verpleegkundigen en vuilophalers bevolken niet de bovenkant van het loonhuis. De lijst met cruciale processen bevat zaken als drinkwater, stroom-, olie- en gasvoorziening maar ook moderne zaken zoals internettoegang. Bij alle processen op de lijst kan ik mij een beeld vormen van het belang voor ons dagelijkse leven.  

Zonder drinkwater hebben we een groot probleem. We kunnen immers maar een paar dagen zonder eten. De lijst laat zien dat een ramp waarbij de elektriciteit langdurig uitvalt ons leven helemaal stillegt. Voor wie daar meer moeite mee heeft, lees het boek De Tweede Slaap van Robert Harris. Bij allemaal? Nee, niet bij allemaal. Van één proces op de lijst zie ik het belang voor onze samenleving niet in. Zeker niet in tijden van crisis. Dat proces is het effectenverkeer.

In zijn uitzending van zondag 22 maart besteedde Zondag met Lubach aandacht aan een klein fragment van het ‘effectenverkeer’. Aan de ‘flitshandel’. ‘Flitshandelaren’ maken via snelle computerprogramma’s en verbindingen gebruik van tijdsverschillen in de aanpassingen van prijzen. Van minieme tijdsverschillen tussen de aanpassing van de prijs van een aandeel op de ene en de andere beurs. Is de beurs in Amsterdam bijvoorbeeld ietsjes ( bijvoorbeeld een milliseconde) later met het verlagen van de prijs dan de beurs in Parijs, dan kan je in Parijs heel snel kopen en tegen de nog hogere prijs in Amsterdam verkopen. Hoeveel doden zouden er vallen als dit niet meer mogelijk zou zijn? Hoeveel minder zouden we te eten of te drinken hebben als dit niet meer kon? Diezelfde vragen kun je ook stellen bij de ‘gewone’ aandelenhandel. Hoe ‘cruciaal’ is die nu werkelijk? Zou Phillips die broodnodig beademingsapparaten niet meer kunnen maken als er niet meer kan worden gehandeld in het aandeel Phillips? 

Even een stukje geschiedenis van het aandeel. Die geschiedenis begint niet met de Vereenigde Oost-Indische Compagnie, de VOC. Die werd in 1602 opgericht en was een naamloze vennootschap met vrij verhandelbare aandelen. De VOC kreeg het monopolie op de handel met, zoals dat later ging heten, de Oost. Omdat die handel zeer risicovol en kostbaar was, niet te betalen voor een individu, werd de VOC opgericht als bedrijf waarin mensen geld konden inbrengen en naar rato van de inbreng deelden in de winst. Nee, die begint twee jaar eerder in Londen waar om dezelfde reden en min of meer op dezelfde manier de East India Company werd opgericht. 

De constructie om een flinke investering te bekostigen door mensen een aandeel te geven in het bedrijf werd steeds populairder. Je nam een aandeel in een bedrijf omdat je verwachtte dat het je goed rendement opbracht. En, mocht je even krap zitten, dan kon je het aandeel altijd weer verkopen. Aandelenhandel was in de basis vrij saai en gericht op de lange termijn. Het werd, vooral in de Verenigde Staten, minder saai in de jaren twintig van de vorige eeuw. De termijn waarop men handelde werd korter. Speculeren, het kopen en verkopen van aandelen met als streven om op korte termijn winst te maken als gevolg van een stijging van de prijs van het aandeel, werd populairder. Dit leidde tot een flinke zeepbel die uiteindelijk in 1929 knapte. 

Na de Tweede Wereldoorlog werd de beurs weer saaier. Bovendien werden vooral in Europa de raden van bestuur van bedrijven meer en meer bevolkt door andere belanghebbenden zoals de werknemers, maar ook vertegenwoordigers namens de overheid. Beursnieuws was iets voor het financieel dagblad en de financiële pagina van de Telegraaf. In de rest van de media werd er nauwelijks tot niet bericht over de gang van zaken op de beurs. 

Dit veranderde in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Economie, geld, aandelen, de beurs en de banken kregen een steeds belangrijker positie. Symptomatisch hiervoor is de berichtgeving over de beurzen. In de jaren tachtig van de twintigste eeuw besteedden het NOS-journaal en de actualiteitenrubrieken alleen aandacht aan de gang van zaken op de aandelenbeurzen als daar iets heel bijzonders gebeurde. Sinds Black Monday (19 oktober 1987) neemt het beursnieuws eens steeds prominentere plaats in en tegenwoordig is de met RTL Z zelfs een zender die permanent aandacht besteedt aan de gang van zaken op de diverse beurzen. De beurs is er niet meer voor beleggers, maar voor speculanten en, zoals Lubach liet zien, ‘flitshandelaren’. Speculanten in milliseconden. Dat daarmee goed geld is te verdienen, zowel bij stijgende als bij dalende koersen, bleek ook uit de uitzending.

Nu weer terug naar de vragen. Hoeveel doden zouden er vallen als dit niet meer mogelijk zou zijn? Hoeveel minder zouden we te eten of te drinken hebben als dit niet meer kon? Ik denk dat er door het stilleggen van deze handel geen enkele dode valt. Ook zal het niet leiden tot voedselschaarste of gebrek aan drinkwater. Wat maakt dit dan tot een cruciaal proces dat toch echt moet doorgaan? Dat moet dan liggen in wat het oplevert. Maar wat levert het op behalve de winsten voor de ‘flitshandelaren’? Wat levert het op behalve berichten over kelderende beurskoersen en bijgevolg zorgen en wellicht paniek over de economie en de baan? Ik kan niets bedenken. Wellicht dat een van jullie, mijn lezers, het weten. 

Wat kunnen we hieruit meenemen voor de ‘na-coronese wereld’? Daarvoor terug naar een uitzending van Tegenlicht die ook op die zondag werd uitgezonden. In die uitzending gaven virologen aan wat er nodig is om ons ‘virusbestendig’ te maken. Daarvoor is meer geld nodig voor onderzoek en mensen die dit onderzoek kunnen verrichten. Een van de geïnterviewden gaf aan dat gebruik van algoritmes daarbij kon helpen. Laat mensen die dat goed kunnen nu in dienst zijn bij die ‘flitshandelaren’. Daar gebruiken ze hun kennis om geld te schrapen. Die betalen hen daar grof geld voor. Volgens Lubach lag bij een van die bedrijven het gemiddelde salaris op een half miljoen per medewerker. 

Daarmee zijn we bij een punt aanbeland dat ik in de vorige Prikker over het ‘na-coronese tijdperk’ ook maakte, namelijk dat: “een vrije markt niet automatisch het algemeen belang dient.” Het algemene belang, de ‘virusbestendigheid’, legt het qua salaris flink af tegen de ‘flitshandel’. ‘Dan moet het algemeen belang maar meer betalen!’ Zou een neoliberaal kunnen roepen. Een terecht punt. Als we ‘virusbestendigheid’ belangrijk vinden, dan moeten we ervoor betalen. Nu zal de neoliberaal wat minder blij worden want dat ‘meer’ gaan we betalen van het afromen van winsten van de ‘flitshandel’ en de salarissen van de ‘flitshandelaren’. Dat kan door alle inkomen boven een bepaalde bedrag, bijvoorbeeld  € 150.000, te gaan belasten met een tarief van 80%.  Bij een gemiddeld ‘flitshandelsalaris’ van een half miljoen, levert dat ruim € 110.000 extra inkomstenbelasting op.  Het algemeen belang is immers in het belang van iedereen en daaraan moet iedereen naar vermogen bijdragen.

Uitgelicht

Anarchisme als unique selling point

Ik had er nog niet van gehoord, maar dat kan, ik weet het wel zeker, aan mij liggen. De ‘swapfiets’. Nu las ik twee artikelen over dit fenomeen. In de Volkskrant kwam de ‘swapfiets’ voor in een artikel van Doortje Smitshuijsen met als titel “Hoe flexibele diensten ons een illusie van vrijheid voorschotelen.” Even later kwam ik het ‘geval’ ook tegen bij Vrij Nederland. Kelli van der Waals schrijft over de ‘leasefiets’ en noemt het consumentisme ten top. Voor een bedrag van € 16,50 per maand mag je een robuuste omafiets gebruiken. Als de fiets kapot is, bijvoorbeeld een lekke band, dan komt iemand die fiets maken of omruilen. Ik moest denken aan Provo.

Provo was een anarchistische protestbeweging die twee jaar heeft bestaan en die werd opgericht in 1965. In haar beginselverklaring stond de volgende zin: “Provo ziet zich voor de keus gesteld: desperaat verzet of lijdzame ondergang. Provo roept op tot verzet waar het kan. Provo ziet in dat het de uiteindelijke verliezer zal zijn, maar de kans deze maatschappij nog eenmaal hartgrondig te provoceren, wil het zich niet laten ontgaan.” Een van de ideeën van de groep was het ‘witte fietsenplan’. Die in collectief eigendom zijnde ‘witte fietsen’ zouden zonder slot in de stad worden geplaatst en iedereen zou ze gratis kunnen gebruiken. Je gebruikt je ‘witte fiets’ om van A naar B te gaan en laat de fiets achter bij B. Iemand anders pakt de fiets weer en rijdt ermee naar C. 

Ik moest hieraan denken omdat de ‘Swapfiets’ een verre ‘nakomeling’ is van de ‘witte fiets’ en dat op meerdere manieren. Zowel de ‘witte’ als de ‘swapfiets’ gaan alleen uit van ‘gebruik’. Kijk zo’n collectieve ‘witte fiets’ die je gratis kunt gebruiken, is natuurlijk fantastisch. Totdat ze allemaal kapot zijn. Want wie plakt de band of legt de ketting er weer op? Dat is bij de ‘swapfiets’ beter geregeld. De fiets is eigendom van ‘swapfiets’ dat voor de reparatie zorgt. Maar ja, dat plakken kost je dan wel een aardig bedrag per maand. Bovendien is die ‘swapfiets’ alleen door de huurder ervan te gebruiken. 

Nu ik het toch over dat bedrag per maand heb. De gebruikers van de ‘Swapfiets’ lijken mij niet al te best in rekenen. € 16,50 per maand is € 198 per jaar. Voor dat bedrag kun je ook eigenaar zijn van die ‘robuuste omafiets’. De dertiende maand en verder kun je dan reserveren voor het eens per jaar door een fietsenmaker laten onderhouden van je ‘stalenros’. Dat kost je tussen de € 35 en € 75 per jaar en verlengt de levensduur van je fietsje. Dat lijkt mij veel goedkoper. Dat stelt het filmpje op de site van Swapfiets, waarin wordt beweerd dat de gewone fietsenmaker behoorlijk ‘overpriced’ is, in een heel ander daglicht. ‘Swapfiets’ lijkt daarmee een prachtig modern bedrijfsconcept. Modern in die zin dat het zich overmatig laat betalen voor mooie praatjes op een ‘kekke’ website en dito app.

Daarmee kom ik op een andere manier waarop de ‘swapfiets’ een verre nakomeling is van de ‘witte fiets’. De ‘witte fiets’ werd en de ‘swapfiets’ wordt aangeprezen als vrijheid.  ‘Swapfiets’ past hiermee in het rijtje Apple, Google, Facebook, Uber etc die naar eigen zeggen, ‘desperaat verzet’ plegen tegen de ‘maatschappelijke orde’. Net als Provo van zichzelf beweerde. Maar daar waar bij Provo het ‘provoceren’ van bestaande orde voorop stond, staat bij deze verre opvolgers het worden van de ‘nieuwe orde’ voorop. Een ‘nieuwe orde’ waarin geld en vooral bovenmatige winst centraal staat. Toch knap van deze op geld en macht beluste bedrijven om van ‘anarchisme’ hun ‘unique selling point’ te maken.

Uitgelicht

The problem and Government

Over welk beestje heeft hij het? Die vraag schoot mij te binnen na het lezen van de column van Frank Kalshoven in de Volkskrant. Kalshoven concludeert met betrekking tot de wachtlijsten in de publieke sector: “Aan dit fundamentele probleem van publieke sectoren (prijsaanpassingen kunnen niet; capaciteitsaanpassingen duren lang) kunnen we niets veranderen. Het is de aard van het beestje. Katten vangen vogels; publieke sectoren zijn log. Het is zoals het is.” 

Bron: Flickr

De publieke sector is anders dan het bedrijfsleven. “Bij bedrijven heet een wachtrij een ‘orderboek’ en hoe voller het orderboek, des te blijer de baas,” zo betoogt Kalshoven terecht. “Als er plots een klant op de stoep staat met haast, dan mag hij voordringen, mits de haast gepaard gaat met een hoge betaalbereidheid.” Bij de overheid ligt dit anders: “prijsflexibiliteit is al snel strijdig met andere maatschappelijke waarden, zoals gelijke toegang tot de rechtspraak.” Meer uitvoerders om de wachtlijsten op te lossen dan? “Maar het geld dat nodig is voor capaciteitsuitbreiding in publieke sectoren komt uit Den Haag. En voordat die euro’s uit de schatkist terecht zijn gekomen op een Amsterdams politiebureau, een Midden-Nederlandse rechtbank, of de Jeugdzorg in Breda, zijn we minstens een jaar verder.” Ook hier heeft Kalshoven het gelijk aan zijn zijde. Maar toch.

Wachtlijsten bij publieke diensten zijn niet onoverkomelijk. Ze zijn een gevolg van keuzes. Dat bijvoorbeeld het onderwijs met een flinke uitstroom van leerkrachten te maken zou krijgen, is al meer dan twee decennia bekend. Daar had op ingespeeld kunnen worden door zowel de schoolbesturen als de overheid. Helaas is dat niet gebeurd en nu zitten we met de gebakken peren en ontbreekt het aan bevoegde docenten.

Gesloten politiebureaus en te weinig rechters? Ook een gevolg van keuzes. Ook hier weer de keuze om de ogen te sluiten voor een naderende uitstroom van mensen vanwege pensioen. Of de keuze om bij de rechtbanken te werken met budgetten die niet toereikend zijn voor het werk.

Wachtlijsten in de jeugdzorg? Ook een gevolg van gemaakte keuzes. Niet op basis van de inhoud maar op basis van aannames en ideologie wordt de jeugdzorg steeds opnieuw ingericht. In die ideologisch prachtige wereld kan de jeugd met minder hulp en de jeugdzorg met minder geld toe. De markt maakt immer alles beter en goedkoper. Alleen blijkt de werkelijke wereld weerbarstiger.

Wachtlijsten in de publieke sector zijn niet ‘onoverkomelijk’ en de ‘publieke sector’ kan ook snel en wendbaar zijn. Dat is allemaal afhankelijk van keuzes. Dat het ‘beestje’ nu een bepaalde ‘aard’ heeft, en we te maken hebben met wachtlijsten en een logge overheid, is een gevolg van keuzes. Vooral de keuze om de ogen te sluiten en te vertrouwen op een ideologie. Kijkend naar een rode draad achter al deze keuzes, moet ik aan wijlen Ronald Reagan denken. In zijn inaugurale rede op 20 januari 1981 sprak hij de woorden: “In this present crisis, government is not the solution to our problems; government is the problem.” Voor zijn volgers, en dat zijn er ook in Nederland zeer veel, was het voor wat betreft de overheid ‘hoe kleiner hoe beter’. Werken voor de overheid werd en wordt nog steeds lager beoordeeld dan werken voor het bedrijfsleven. Daarmee is de uitspraak een self fulfilling prophecy geworden. De overheid werd door deze ideologie zo uitgekleed dat ze nu het probleem is. Inderdaad is het, om Kalshoven aan te halen, zoals het is. Dat wil niet zeggen dat er niets aan gedaan kan worden. Het ‘beestje’ kan ook een andere ‘aard’ aanleren.

Vrijheid door regels

“Als we kijken naar de samenstelling van de Nederlandse wet- en regelgeving dan kan men ook niet anders dan concluderen dat minimaal de helft kan worden geschrapt. Een sanering van de Rijksoverheid en haar ambtenarij met ten minste 50% zou een zegen voor het land zijn.” Zo die zit! Moet Teunis Dokter hebben gedacht toen hij deze regels schreef in zijn korte artikeltje bij De Dagelijkse Standaard. Nu is Dokter niet de eerste die roept dat ‘de helft’ van de regels en overheid overbodig zijn. Ronald Reagan riep het ook al. En dan vaak ook gevolgd door woorden gelijk aan die van Dokter dat: “de economie gestimuleerd (wordt) en (…) mensen de vrijheid  zullen krijgen die ze ook verdienen.” Een paar vragen en opmerkingen bij dergelijke oproepen.

Bron: Wikipedia

Als eerste de vraag, welke regels behoren tot die overbodige? Omdat de roep van Dokter al zo oud is en deregulering al jaren overheidsbeleid is, zou ondertussen toch al wel duidelijk moeten zijn welke regels overbodig zijn. Dat die duidelijkheid er naar al die jaren nog niet is, zou dat kunnen betekenen dat er toch veel minder overbodige regels zijn dan Dokter suggereert? Dokter zal best veel regels kunnen aanwijzen die hij overbodig vindt. Zijn betoog lezend, denkt hij vooral aan milieuwetten. Alleen vinden anderen die regels juist belangrijk en dringen ze aan op naleving. Dat is precies wat Urgenda heeft gedaan. Dat is ook wat die, zoals Dokter ze noemt, “schimmige juristenkartels” hebben gedaan met de ‘stikstofregels’. Ze hebben aangedrongen op naleving van wetgeving.

Waarom investeren bedrijven graag in het volgens Dokter, ‘over gereguleerde’ Nederland en Duitsland maar niet in Congo, Liberia of Eritrea? In zijn boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme schrijft de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang hierover: “regulering die de vrijheid van individuele bedrijven beperkt, het collectieve belang van het hele bedrijfsleven kan dienen, om nog maar te zwijgen van de natie als geheel. … Veel regulering helpt gemeenschappelijke hulpbronnen beschermen die alle bedrijven delen, terwijl andere het bedrijfsleven helpen door bedrijven te dwingen dingen te doen die op den duur hun productiviteit verhogen.”

‘En China dan?’ Kun je tegen werpen. Chang: “De Chinese economie werd de afgelopen drie decennia van snelle groei op soortgelijke wijze zwaar gereguleerd. Daarentegen hadden veel ontwikkelingslanden in Latijns-Amerika en Afrika bezuiden de Sahara in deze drie decennia hun economieën gedereguleerd in de hoop dat dit de zakelijke activiteiten zou stimuleren en hun groei zou versnellen. Maar op raadselachtige wijze groeiden zij trager dan in de voorafgaande twee decennia, toen werd aangenomen dat ze belemmerd werden door excessieve regulering.” De ‘soortgelijke wijze’ waar Chang het over heeft, verwijst naar Zuid-Korea, Taiwan en Japan die China voorgingen.

Dan de vrijheid van de individuele mens. Zou het voor een individu niet precies hetzelfde zijn als voor een bedrijf? Zijn de regels die de vrijheid van het individu beperken niet juist bedoeld om het collectieve belang van de hele samenleving te dienen? Verplicht rechts rijden beperkt het individu maar dient het belang van de samenleving en daarmee ook het belang van het individu. Immers als iedereen voor zich zelf bepaalde op welke manier wordt gereden dan stond het verkeer voornamelijk stil. 

Als laatste een vraag? Waarom willen zovelen van elders naar hier komen? Zo graag dat ze het risico op dood door verdrinking en slavernij in Libië voor lief nemen?  Waarom komen ze liever naar hier dan dat ze hun geluk beproeven in Saoedie Arabië of Koeweit? Landen met een hoger bruto nationaal product dan Nederland. Als het om de welvaart zou gaan, dan zouden de deuren van die Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten worden platgelopen door migranten. Of zou dat een gevolg zijn van die ‘ veel te veel’ regels die onze vrijheid ‘belemmeren’?

Natuurlijk moeten wetten en regels iets toevoegen, moeten ze zo eenduidig mogelijk te handhaven zijn. Daar zal iedereen het mee eens zijn. Zou het echter niet kunnen dat regulering hand in hand gaat met vrijheid en (economische) ontwikkeling?

Het klimaat, belastingen dividend en Richard Branson

Het klimaat houdt de gemoederen flink bezig. Het kabinet wil snel met maatregelen komen. Voor velen gaat dat niet snel en ver genoeg en voor anderen veel te snel en te ver. Jan Smit betoogt bij HPdeTijd dat het kabinet er goed aan doet om de lijn die miljardair Richard Branson voorstelt, te kiezen. Smit: “vervang de CO2-belasting door CO2-dividend, een ‘schoon-energiedividend’. Een briljant plan van Richard Branson, afgelopen dinsdag opgetekend door de Volkskrant.” 

Bron: Flickr

In de Volkskrant wordt uitgelegd dat ‘schoon-energiedividend’: “Een maatregel (is) die bedrijven verplicht om te investeren in hernieuwbare energie op basis van hun CO2-uitstoot.” Dit zal: “een prijskaartje hangen aan CO2 zonder het negatieve effect van een belasting.” Die bedrijven krijgen dan: “hun geld terug naarmate de investeringen volgroeid zijn, misschien belastingvrij omdat het wordt geïnvesteerd in klimaatprojecten,” aldus Branson. Dit is volgens Smit een ideale oplossing waarmee: “de burger wordt ontzien,” en toch: “die ambitieuze klimaatdoelstellingen worden gehaald.” Dat klinkt toch te mooi om waar te zijn. Laten we er eens wat beter naar kijken. 

Volgens Smit is een heffing op de uitstoot van kooldioxyde: “een boete; een die ten koste gaat van de werkgelegenheid en de kans vergroot dat de CO2-uitstoot zich verplaatst naar het buitenland.” Maar waarin verschilt een verplichte heffing van een verplichte investering? Beiden leiden tot extra kosten voor het bedrijf en als een ander land het niet doet, dan lopen we bij beide maatregelen het risico dat een bedrijf verkast. Als een bedrijf verhuist en toch haar producten in Nederland wil blijven verkopen, dan kan Nederland kiezen om die producten extra te belasten. Dat leidt dan wel tot extra kosten voor de consument, maar geldt dat niet voor alle maatregelen?

Een bedrijf moet die verplichte investering doen op basis van haar uitstoot aan kooldioxyde. Zou een bedrijf die investering van haar winst afhalen of zal die worden bekostigd door een verhoging van de prijs van haar producten? Het bedrijf zal kiezen voor een prijsverhoging. Precies dat wat ook gebeurt bij een heffing. Op nog een andere manier wordt de consument op kosten gejaagd als, zoals Smit schrijft: “De bedrijven (…)  aandeelhouder (worden) van deze (nieuwe) ondernemingen, waardoor de investering in de toekomst mogelijk rendement oplevert.” Rendement dat wordt opgebracht door … de consument. Maar daarmee zijn we er nog niet. In zijn rol als burger en belastingbetaler betaalt hij nog een derde keer mee als we Bransons suggestie volgen om die investeringen belastingvrij te maken. De bedrijven de lusten en de consument en belastingbetaler de lasten.

Dan het alternatief, een koolstofdioxide-belasting. Een belasting die een bedrijf ertoe aanzet om haar productie zo klimaat- en energieneutraal als mogelijk te maken. Die heffing en dus de investering door de bedrijven betalen we als consument. Ze wordt immers in de productprijs verwerkt. Maar in tegenstelling tot Bransons plannen, kan de overheid met de opbrengst van die heffing klimaatmaatregelen realiseren waarvan de rendementen wel bij ons als consument en burger terecht komen. Maatregelen zoals subsidie op het klimaatneutraal maken van een woning. Maatregelen om mij als burger energie-neutraal te maken door bijvoorbeeld zonnepanelen te subsidiëren en te investeren in een slim energienetwerk en een klimaatvriendelijk backup systeem voor als de zon niet schijnt of het niet waait. Zoals bijvoorbeeld de opslag van overtollige energie in waterstof.

De ideeën van Branson lijken te mooi om waar te zijn. En indachtig het gezegde dat als iets lijkt op een eend, loopt als een eend en kwaakt als een eend het dan ook wel een eend zal zijn. Zijn de plannen van Branson ook te mooi om waar te zijn. De kosten komen immers gewoon bij de consument en burger en de baten bij … Branson en zijn vrienden.

Statistiek en de werkelijkheid

Bij Opiniez bespreekt de Amerikaanse hoogleraar economie Nikolai G. Wenzel een boek van zijn collega-econoom Paul Collier. Als ik Wenzel goed begrijp, pleit Collier in zijn boek voor minder ideologie en meer pragmatisme. Dat pragmatisme behelst herverdeling om de grote ongelijkheid te bestrijden en staatsingrijpen om marktfalen op te lossen. Volgens Wenzel: “een simplistisch boek … dat een verkeerde diagnose van de problemen geeft en hij stelt als recept meer van de giftige stoffen voor, die ons in deze moeilijke situatie hebben gebracht.” Die giftige stoffen betreft het ‘pragmatische overheidsingrijpen’ dat Collier voorstelt. Om zijn betoog kracht bij te zetten bespeelt Wenzel de loftrompet over de resultaten van het kapitalisme. Bij dat getrompetter kunnen de nodige vragen worden gesteld. 

Bron: Pixabay

Wenzel: “Op mondiaal niveau is het percentage van de wereldbevolking dat in extreme armoede leeft, gedaald van 36% in 1990 tot 10% in 2015.” Inderdaad is de extreme armoede wereldwijd gedaald. Maar is dat een verdienste van het kapitalisme? Zoemen we wat in op die daling van de armoede dan komt een groot deel hiervan voor rekening van China. In dat land leefde in 1990 nog 62% van de mensen in armoede, nu is dat nog maar 3%.  Eén probleem, China is nu niet een schoolvoorbeeld van kapitalisme. Het land wordt centraal geleid door de communistische partij.

(H)et gemiddelde inkomen van de laagste twee kwintielen is met respectievelijk 22% en 15% gestegen en het mediane inkomen is met 21% gestegen.” Ook dat cijfer zal best kloppen alleen heeft de gemiddelde Amerikaan niets aan die inkomensstijging. “In fact, despite some ups and downs over the past several decades, today’s real average wage (that is, the wage after accounting for inflation) has about the same purchasing power it did 40 years ago. And what wage gains there have been have mostly flowed to the highest-paid tier of workers,” zo concluded Pew research

Maar daarvoor kunnen ze wel meer tv en wasmachine kopen, aldus Wenzel: “Een standaardpakket huishoudelijke apparaten kostte de gemiddelde werknemer 885,6 uur werk in 1959, tegenover 170,4 uur werk in 2013. In die tijd daalden de “arbeidsuren” bij het gemiddelde loon van de werknemer van 100,5 naar 23,3 voor een wasmachine; 90,9 tot 20,7 voor een vaatwasser; en 127,8 tot 20,7 voor een kleuren-tv – en al deze voorbeelden laten kwaliteitsverandering binnen de goederen zelf buiten beschouwing.” Bovendien wordt: “Dit effect (…) nog groter door een bijzonder feit: het “hele scala van items die algemeen worden aangetroffen in Amerikaanse huishoudens, inclusief arme gezinnen, die zelfs een generatie geleden niet bestonden.” Daar heeft Wenzel een punt, een generatie geleden hadden we nog geen pc, tablet en ‘smartphone’ en die hebben ze nu wel: allemaal toegenomen welvaart. Hierbij vergeet Wenzel echter dat je nu bijna niet meer zonder die apparaten kunt, ze zijn een ‘basisgoed’. Net zoals een wasmachine dat is. Het pakket basisgoederen is gegroeid en die groei eet de winst van de goedkopere wasmachine weer op.

Wenzel gaat verder: “Evenzo zijn voor het gemiddelde Amerikaanse huishouden de voedseluitgaven gedaald in de afgelopen eeuw van een derde naar een achtste van het inkomen. Het ministerie van Landbouw in de Verenigde Staten meldt dat de voedseluitgaven als percentage van het inkomen tussen 1970 en 2007 zijn gedaald van 14% naar 9%.” Alleen zegt een gemiddelde niet veel. Als er negen mensen zijn met 0 inkomen en eentje met 100, dan is het gemiddelde inkomen 10, alleen zal niemand zich in dat gemiddelde herkennen. Zo ook voor uitgaven aan voedsel. Als de bovenste 10% hun inkomen met 100% ziet groeien en de rest gelijk blijft, dan zal het percentage dat een gemiddeld inkomen aan voedsel besteedt dalen, alleen hebben die 90% waarvan het inkomen gelijk is gebleven, daar niets aan. Het percentage dat zij aan voedsel uitgeven is nog steeds hetzelfde.

Tsja, cijfers blijven lastig.

SP logica

Vandaag mogen we naar de stembus om onze vertegenwoordigers in het Europees parlement te kiezen. Bij Joop een schrijven van drie personen,  Sara Murawski, Geert Ritsema en Remine Alberts, die namens de SP ons in dat parlement willen vertegenwoordigen. De drie, maken zich zorgen over de, in hun en ook mijn ogen, te ver doorgeschoten marktwerking. Zij pleiten: “voor een nieuw Europees verdrag, waarin de interne markt begrensd wordt, nationale staten en de lokale democratie weer meer zeggenschap krijgen over de economie, en sociale rechten en het milieu altijd voorrang krijgen op de vrije markt. Want daar waar de vrije markt ongestoord haar gang kan gaan, delven mensen, dieren en het milieu het onderspit – ook in onze prachtstad.” Die stad is hun woonplaats Amsterdam. Toch is er op hun redenering het nodige aan te merken.

“De steeds verdergaande economische integratie in de EU zorgt ervoor dat de sociale ongelijkheid tussen mensen groeit doordat overheden en gemeentes steeds minder ruimte hebben om in te grijpen in de markt.” Aldus de drie. Inderdaad zien we in Europa verdergaande economische integratie en toenemende sociale ongelijkheid. Dat betekent echter niet dat er ook een causaal verband is tussen die twee gebeurtenissen. Dat, zoals zij beweren, die integratie die ongelijkheid veroorzaakt. Een voorbeeld, de Verenigde Staten zijn altijd al een geïntegreerde economie en ook daar neemt de ongelijkheid toe. Als het verband van de drie opgeld doet, dan zouden de VS economisch moeten ‘desintegreren’ om de economische ongelijkheid te verkleinen. Het vreemde is dan wel dat het land in de eerste dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog veel ‘gelijker’ was dan nu en dat de ongelijkheid sindsdien toeneemt zonder verdere integratie. 

Inderdaad delven mensen, dieren en het milieu het onderspit als de vrije markt ongestoord haar gang kan gaan. Meer zeggenschap voor nationale staten en lokale democratie is volgens de drie de oplossing. Het verleggen van de zeggenschap van Europa naar land en lokaal, zoals drie beweren, is geen oplossing hiervoor. Die kleinere schaal is echter geen ‘garantie’ tegen ongebreidelde marktwerking. Ook kleine democratieën kunnen ten prooi vallen aan het neoliberale economische denken. Sterker nog, zou de door de SP-ers bepleiten ‘versnippering’ werkelijk effectief kunnen optreden tegen de de Googles, Facebooken maar ook de Shells, Volkswagens en Morgan Stanleys van deze wereld? 

“Of het nu gaat om de post, het spoor of onze energiebedrijven, al deze zaken zijn onder druk van de liberaliseringsmachine die Brussel is geworden geprivatiseerd – met alle gevolgen van dien.” Beste SP-ers, liberaliseren is wat anders dan privatiseren. Liberaliseren betekent het openstellen van een markt voor andere partijen. De keuze om een staatsbedrijf te privatiseren, staat daar los van. Die keuze wordt niet in Europa gemaakt, maar in Nederland. Andere landen binnen dezelfde EU zijn nog steeds eigenaar van energiebedrijven. Zo is het Zweedse Vattenfall voor 100% eigendom van de Zweedse overheid en is de Franse staat nog steeds de trotse bezitter van spoorbedrijf SNCF, net als trouwens de Nederlandse staat eigenaar is van de NS. 

De drie gaan verder: “Hetzelfde geldt voor belangrijke dienstverlening die gemeentes organiseren voor hun inwoners: het aangaan van lange-termijn relaties met bijvoorbeeld een betrouwbare thuiszorginstelling of een schoonmaakbedrijf is er niet meer bij, omdat gemeentes verplicht zijn om aan te besteden. Dit is vaak echter helemaal niet in het belang van de mensen die afhankelijk zijn van deze instellingen en juist behoefte hebben aan stabiliteit en een langdurige relatie. Zo pakt goedkoop vaak uit als duurkoop, ten koste van de meest kwetsbaren.” Ook hier is het niet de Europese Unie die de keuze maakt om van bijvoorbeeld de thuiszorg of de zorg voor de jeugd een markt te maken. Die keuze maken de gemeenten zelf. Maar als je de keuze maakt om er een markt van te maken, dan gelden ook de Europese regels voor de markt. Neem bijvoorbeeld de zorg voor de jeugd waar we in Nederland een ‘markt’ van hebben gemaakt. Binnen de EU laat ons buurland Duitsland zien dat het ook anders kan. De zorg voor de jeugd is daar belegd bij het Jugendamt, een onderdeel van de Kommunalverwaltung en dus een overheidsdienst. 

Beste SP-ers, zoals gezegd deel ik jullie zorgen over de doorgeschoten marktwerking. De Europese Unie is hiervan echter niet de oorzaak nog een hinderpaal bij het oplossen ervan. De oorzaak is te vinden in de hoofden van jullie, de politici die namens ons de keuzes moeten maken. Jullie kunnen andere keuzes maken, in gemeente en provincie en het Europese Parlement maar vooral in de Nederlandse Staten Generaal. Want de belangrijkste en grootste invloed loopt nog altijd via onze regering. Sterker nog, het is niet Europa dat het landsbeleid bepaalt maar het zijn de landsregeringen die het Europese beleid bepalen.