Uitgelicht

Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet

Premier Rutte: “wees met name op 1 juli 2023, als het officieel 150 jaar geleden is dat de slavernij in het koninkrijk werd afgeschaft. ‘Maar het proces is pas echt klaar als de discriminatie van mensen vanwege hun huidskleur is gestopt,” zo lees ik in de Volkskrant. Een bijzondere soap rond excuses voor het slavernijverleden. Dat bijzondere is gelegen in het oorzakelijk verband dat er wordt gelegd tussen verschillende feitelijke constateringen.

De eerste feitelijke constatering is dat het begrip racisme een steeds ruimer wordt ingevuld. Volgens de Van Dale is racisme de: “opvatting dat mensen met een bepaalde huidskleur beter zouden zijn dan mensen met een andere kleur, gebruikt als rechtvaardiging om mensen met een andere kleur slecht te behandelen.” Racisme is daarmee een handeling, een actie op basis van een bewuste gedachte. Hier schreef ik al eens een prikker over naar aanleiding van een bijzonder gesprek onder een artikel van Vera Mulder bij De Correspondent met als titel Nog een blik, weer een opmerking: racisme is één plus één plus één. Een gesprek waarin ik Mulder vroeg naar haar definitie van racisme en die niet kwam, want: voor één alomvattende definitie is het onderwerp, het systeem, de ervaring te complex, maar het betrekken van systemisch en onbedoeld racisme in dit gesprek is onontbeerlijk in het ontmantelen ervan” Zonder een duidelijke definitie van is een zinvol gesprek onmogelijk omdat iedereen dan iets anders bedoeld. Dan wordt het zoiets als het partijtje ‘bunkertrefbal’ dat mijn aspiranten honkballers laatst speelden. Op mijn vraag wat ze het laatste half uur wilden doen, kwam het antwoord bunkertrefbal. Ik had geen idee wat het was, maar zij wisten precies wat er werd bedoeld. Totdat ze gingen spelen en er boze gezichten kwamen. Wat bleek, ze speelden met verschillende regels.

Feitelijke constatering twee: als jezelf, je ouders of grootouders van elders naar Nederland gekomen zijn, dan heb je niet dezelfde mogelijkheden als iemand bij wie dat wel het geval is. Als nieuwkomer mis ontbreekt het je aan kennis van de samenleving waar te naartoe migreert. Maar belangrijker dan het ontbreken van die kennis is het ontbreken van kennissen. Je mist een netwerk waardoor het zeer lastig wordt om een plek te vinden die bij je capaciteiten past. Dat laatste heb ik in een eerdere prikker ‘nieuwkomers nadeel’ genoemd. Het gebrek aan kennis is daarbij makkelijker op te lossen dan het gebrek aan die kennissen. Het ‘opklimmen in de rangen’ na migratie kost meerdere generaties tijd

Dan de vierde feitelijke constatering het feit dat Nederland koloniën had. Een feit dat niet is te ontkennen. Het woord kolonie kent een oud Griekse geschiedenis. Werd het te druk in een stad of gebied, dan trok een deel van de inwoners weg naar een leeg stuk land en stichtte daar een onafhankelijke ‘zusterstad’. Als er tegenwoordig over koloniaal verleden wordt gesproken, dan wordt vooral de periode na 1500 waarin Europa economisch en militair de wereld steeds meer ging overheersen[1]. Het streven naar een zo groot mogelijk rijk, was echter niets nieuws. Het enige nieuwe eraan was dat het op wereldschaal gebeurde. De diverse Chinese dynastieën, de Perzen, het Egypte van de farao’s, de Romein, de Magadha, de Olmeken, Inca’s, Azteken, het Islamitische rijk, de Mongoolse horden, allemaal streefden ze naar ‘werelddominantie’ in de hun bekende wereld. Dat Mongoolse rijk wordt qua omvang in de geschiedenis trouwens alleen overtroffen door het Britse Rijk. Tot de Russische inval in Oekraïne waren velen ervan overtuigd dat het veroveren van gebieden tot het verleden behoorde. Wat niet wil zeggen dat het streven naar ‘werelddominantie’ en als je die hebt het behoud ervan, tot het verleden behoort.

Als vijfde het feit dat slavernij is eeuwenlang een algemeen aanvaard maatschappelijk gebruik was. Wat hierbij onder invloed van het christendom en de islam ook geleidelijk algemeen gebruik werd, was dat je geloofsgenoten niet tot slaaf mocht maken. Algemeen aanvaard maar niet door iedereen. Vanaf het midden van de achttiende en versneld in de negentiende eeuw komt daar verandering in. Een bijzondere periode in de West-Europese geschiedenis. Bijzonder omdat heel veel zaken die tot de mores in vroeger eeuwen behoorden, ter discussie werden gesteld. Het is de periode dat Adam Smith zijn Theory of Moral Sentiment waarin hij de emoties en hoe die zich tot elkaar verhouden onderzocht en het beroemdste The Wealth of Nations waarin hij de economische ontwikkeling beschrijft. Met daarin de beroemde passage van de onzichtbare hand. De tijd waarin Immanuel Kant zijn drie ‘kritieken’ schreef[2] en Zum ewigen Frieden. Het tijdperk van de Verlichting, door diezelfde Kant omschreven als: “het uittreden van de mens uit zijn onmondigheid waaraan hij zelf schuldig is. Onmondigheid is het onvermogen gebruik te maken van zijn verstand zonder leiding van een ander. Aan deze onmondigheid is men zelf schuldig wanneer de oorzaak ervan niet ligt in gebrek aan verstand maar ligt in het gebrek aan beslissing en moed het verstand te gebruiken zonder leiding van een ander. ‘Sapere aude!’: ‘Heb de moed te weten’ (d.i. gebruik te maken van uw eigen verstand), is derhalve het devies van de Verlichting’.[3] De leiding van de ander waar de mens het zonder zou moeten doen, betrof vooral de religieuze dogma’s.

Dat ‘gebruik maken van het eigen verstand’ bleef niet zonder gevolgen. Smith, Kant en vele anderen schreven daardoor hun boeken. Het ‘door god gegeven recht’ van heersers werd ter discussie gesteld. Sterker nog, ze konden worden afgezet. Democratie’ werd onderdeel van het gesprek. Nadenken leidde tot de ‘stoommachine’ en ander uitvinding en via Smith tot het nadenken over en proberen te verklaren van iets wat we nu ‘de economie’ noemen. De verlichting leidde ertoe dat er zoiets als een ‘publieke ruimte’ ontstond alwaar over van alles en nog wat gedebatteerd kon worden, dat er kranten ontstonden. De Verlichting leidde tot het ter discussie stellen van god en de godsdienst. De Verlichting leidde er toe dat er allerlei emancipatie- en burgerrechtenbewegingen ontstonden en dus ook een beweging die de slavernij wilde beëindigen. Aan de andere kant leidde de Verlichting ook tot het nadenken over overeenkomsten en verschillen tussen mensen. Ze stond daarmee ook aan de wieg van wat we nu racisme noemen. Want zelf nadenken en willen weten, wil niet automatisch zeggen dat er hetzelfde wordt gedacht en dat voor fenomenen eenzelfde verklaring ‘gedacht’.

De Verlichting was een westers verschijnsel. Het deed zich niet voor in China, India of het Perzische Rijk. Dat slavernij nu in theorie overal is afgeschaft, is daarmee te danken het westen. Slavernij was geen ‘westerse’ uitvinding al zijn er mensen die lijken te geloven dat Europeanen slavernij uitvonden. Sterker nog, als je via google zoekt, kun je de bevestiging zien van die feitelijk onjuiste opvattingen zoals ik een klein half jaar geleden al schreef. Afrikanen, Arabieren, Chinzeen, Indiërs, authentieke Amerikanen, slavernij kwam overal voor. Het oudste ‘wetboek’ de Codex Hammurabi van zo’n 38 eeuwen geleden, spreekt op verschillende plekken over slaven. In de periode van 800 tot 1900 vonden minstens zoveel tot slaaf gemaakte Afrikanen hun weg naar de Arabische wereld. En nee, met die Codex werd slavernij niet ingevoerd. De Codex reguleerde de bestaande praktijk en gaf aan welke straf er op overtreding van die praktijk stond. De afschaffing ervan begon in Europa door het in wetboeken te verbieden en door het verbod ervan vervolgens ook in andere delen van de wereld af te dwingen.

Het wordt bijzonder als deze feitelijke constateringen worden gecombineerd tot een alles verklarende theorie. Die combinatie werd in 2021 beschreven door Fati Benkaddour in een artikel bij Joop: “Racisme is niet een gevolg van historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen die door de tijd heen at random gebeurden en die de politieke status quo, tegenovergestelde culturele waarden en scheve machtsverhoudingen tussen bevolkingsgroepen, in Nederland hebben veroorzaakt. Racisme ís er de oorzaak van. En dat niet alleen, racisme is een vorm van antisociale persoonlijkheidsproblematiek: narcisme.”  Racisme is in Nederland de oorzaak van historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging, aldus Bendakkour. Dus zonder racisme geen ‘geschiedenis’ in Nederland en ook geen kapitalisme, militarisme en economie. Zonder racisme zou het hier stilstaan. Zou dat alleen voor Nederland gelden? Zou er in andere delen van de wereld wel historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging mogelijk zijn zonder racisme? Nederland als een soort uitzondering op de regel? Ik probeer me een voorstelling te maken van hoe Nederland er dan uit zou hebben gezien, maar een echt beeld kan ik me er niet bij voor de geest halen. Zouden we hier dan nog in de Middeleeuwen leven? Zou een deel van het land dan nog steeds door de Romeinen bezet zijn? Allebei zou erg lastig zijn als Nederland die uitzondering was. Het Romeinse Rijk zou dan immers nog alleen in Nederland bestaan en alleen Nederland zou dan nog last hebben van invallen van Noormannen. Alhoewel, dat zou niet kunnen, die Noormannen hebben immers wel een geschiedenis, militarisme, kapitalisme en economische ontwikkeling. Dit lijkt mij een heel onwaarschijnlijk scenario.

Een andere mogelijkheid is dat Nederland geen uitzondering op de regel is. Dat zou betekenen dat racisme de oorzaak is van ‘historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen.’ Dat zou betekenen dat racisme de motor is achter alle menselijke ontwikkeling. Dan waren de Romeinen racisten net als de Qing-dynastie, de oude Egyptenaren, de Maya’s en de Azteken. Maar wacht eens, als we nog wat verder teruggaan in de geschiedenis van de homo sapiens dan zijn onze verre voorvaderen uit oost-Afrika weggetrokken en hebben ze zich over de hele wereld verspreid vanwege racisme. Ook dat lijkt mij heel onwaarschijnlijk want als we teruggaan naar de eerste afsplitsing van de eerste groep homo sapiens, dan was het familie die zich afsplitste. Zou racisme werkelijk ten grondslag liggen aan die eerste afscheiding? Ik was er, net als Benkaddour niet bij, maar ik waag het ernstig te betwijfelen.  Als Nederland geen uitzondering op de regel is en als de regel zelf vastloopt, dan rest er maar één andere mogelijkheid: Benkaddour verkoopt grote onzin. Haar bewering slaat als de welbekende tang op het varken.

Toch zijn er velen die deze tang toch in meer of mindere mate op een varken vinden lijken. Die noemen ‘racisme’ als verklaring voor het eerder behandelde nieuwkomers nadeel. Die zien slavernij doorwerken in de huidige sociale ongelijkheid in Nederland. Die zien overal racisme en institutioneel racisme en zien daarin een voorzetting van de ‘koloniale verhoudingen’. Die zijn als de welbekende hamer die in alles een spijker ziet. Die beweren in navolging van Gloria Wekker dat: West-Europese landen hebben eeuwen deelgehad aan een algemeen Europees ethos – een ‘cultureel archief,’ zoals Edward Said het noemt in zijn boek – waarbinnen ze de plicht hadden om zich buiten hun eigen gebied te begeven en andere volkeren aan zich te onderwerpen.”  Die betogen zoals Angélique Duindam in de Volkskrant dat er een: “systeem bedacht (is) waarin we andere mensen konden ontmenselijken.” Het ‘Risk- kaartje met Saids opdracht’ waar Wekker het overheeft en Duindams ‘bedenken’ verwijzen naar een ‘voorbedachte rade’ waarover mijn vorige prikker handelde. De feiten laten zien dat Europeanen zich over de wereld verspreidden, zich dus buiten hun ‘gebied’ begaven en daarbij volkeren aan zich onderwierpen. Wat Wekker hier doet, is vanuit het heden een ‘voorbedachte rade’ opleggen aan voorouders: ze bezitten koloniën en hebben de daar aanwezige mensen onderworpen dus dat zal dan wel de reden zijn dat ze de wijde wereld introkken. Een ‘voorbedachte rade’ waarvoor elk bewijs ontbreekt. Ze bevoeren de zeeën om de ‘tussenpersoon’ in de handel uit te schakelen en zoveel mogelijk rechtstreeks met de Chinese en Indische bron te handelen, niet omdat ze wilden ‘veroveren’. Dat veroveren en onderwerpen kwam er later bij en was in eerste instantie gericht op het uitschakelen van de ‘West-Europese concurrent’. Het bedachte ‘systeem’ van Duindam is een achterafverhaal om iets te beschrijven. Een achteraf verhaal waarin gebeurtenissen en keuzes van verschillende van onze voorouders op verschillende momenten in de tijd met elkaar in verband gebracht worden en worden gepresenteerd als een logische beschrijving en verklaring van iets. Deze verhalen zijn, om Tom Phillips aan te halen, het gevolg van problemen die ontstaan door short cuts in onze hersenen en dan vooral van de heen short cut  die altijd zoekt naar patronen. “Het probleem daarmee is dat onze hersenen daar zo op zijn gebrand dat ze overal patronen gaan zien, zelfs waar ze helemaal niet zijn.[4]


[1] Bij ‘Europa’ hoorden, na de onafhankelijkheid van Engeland, ook de Verenigde Staten

[2] Kritik der reinen Vernunft (1781), Kritik der praktischen Vernunft (1788) en Kritik der Urteilskraft (1790).

[3] Uit Immanuel Kant, Was ist Aufklärung. Geciteerd bij Historiek.net.

[4] Tom Phillips, De mens. Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups, pagina29

Uitgelicht

Wees wijs met water

Nog niet eens zolang geleden schreef ik over het idee van Rabobankeconoom Barbara Baarsma om te gaan werken met een persoonlijk CO2 quotum of budget. Een voorstel dat door menigeen de grond in werd geboord omdat het de rijken zou de belonen en de vrijheid van mensen zou aantasten. Nu schijnt er gedacht te worden over een basishoeveelheid water voor iedereen tegen een basisprijs. Gebruik je meer dan kost een liter van dat meerdere wel het dubbele van een liter uit de basis. Dat is tegen het zere been van Michael van der Galien die ertegen tekeergaat in een schrijven bij De Dagelijkse Standaard: “De gewone burger drinkt dan dus het minimale en doucht zo kort als maar mogelijk is, terwijl de rijken (inclusief politici) lekker zwembaden onderhouden en de tuin dagelijks besproeien in de zomer.”

Bron: pxhere

Van der Galien ziet dat niet zitten. “De achterlijke gladiolen kijken daarbij naar België. Consumenten betalen daar een basisprijs voor “de hoeveelheid die een gemiddeld huishouden per persoon nodig heeft.” Dat wordt dus even voor je bepaald, hoeveel jij nodig hebt. Daar betaal je een “basisprijs” voor. Maar als je meer gebruikt dan wat Vadertje Staat nodig vindt dan moet je een comfortprijs betalen. Die is het dúbbele van de basisprijs.” En dat is: “de zoveelste maatregel die eerst levensbehoeften bewust duurder maakt voor de burger – die het financieel toch al lastig heeft – én die ervoor zorgt dat er een extreme tweedeling komt in het land tussen haves en have-nots. Een tweedeling waarin de haves lekker kunnen blijven leven, terwijl de have-nots (99% van de bevolking) net kunnen rondkomen en dus totaal geen comfort meer kennen.” Mooi dat Van der Galien zich druk maak over de minderbedeelden. Maar is dat werkelijk zo?

Laten we het eens even doordenken. Recentelijk kreeg ik de jaarafrekening van mijn waterleverancier. Uit die afrekening blijkt dat een m3 water (1.000 liter) nu € 0,8024 kost, exclusief alle belastingen. Een alleenstaande Nederlander gebruikt ongeveer 50m3 per jaar en bij het groter worden van het huishouden wordt dat per persoon minder. Dat is meer dan de gemiddelde Belg verbruikt. In België zie je eenzelfde patroon maar de alleenstaande Belg verbruikt gemiddeld zo’n 39m3. Bij een prijs van € 0,80 is dat voor de gemiddelde Nederlander € 40 per jaar. Laten we die 50m3 als uitgangspunt nemen. Laten we de helft hiervan als ‘basis’ bestempelen en de andere helft als ‘luxe’. Dat betekent een basishoeveelheid van 25m3.

Dan hebben we een tweede vaste gegeven nodig, de basisprijs want de comfortprijs is het dubbele van de basisprijs. Laten we er hierbij van uitgaan dat de waterbedrijven niet meer hoeven te verdienen. Die gemiddeld 50m3 leveren bij een prijs van 80 eurocent met 17,5 miljoen Nederlanders, jaarlijks een omzet van € 700 miljoen. Dit bedrag blijft na het nemen van die maatregel gelijk. Bij de helft van de hoeveelheid water als basis, en de helft als luxe, kost 1m3 basis van € 0,53 en die basishoeveelheid van 25m3 kost dan € 13,33 en de ‘luxe 1m3 € 1,07. De tweede 25m3 tot het huidige gemiddelde gebruik kosten je dan in totaal € 26,67. Samen weer € 40,00 die er nu ook worden betaald en dan blijft de totale jaaromzet € 700 miljoen.

 Voor de gemiddelde gebruiker verandert er niets. Gebruik je minder dan gemiddeld dan spaar je per 1.000 liter € 1,07 tot dat je minder dan 25m3 gebruikt. Gebruik je nu 40m3 dan betaal je nu € 32. In de nieuwe situatie € 29,38 (€ 13,33 voor de eerste 25m3 + 16,05 voor de andere 15m3). Je bent dus goedkoper uit. Gebruik je meer dan die gemiddelde 50m3, dan ga je erop achteruit. 10m3 bovenop het gemiddelde kosten je dan € 10,70 tegen nu € 8,00. Die ‘tuin-sproeide’ en ‘zwembad-onderhoudende’ rijken gaan meer voor hun luxe betalen terwijl de gewone burger zonder dat zwembad goedkoper kan drinken en douchen. Is dit werkelijk een belabberd idee dat het leven voor de ‘gewone burger’ duurder maakt en de ‘elite’ spekt?

Uitgelicht

De zwaluw en de zomer

“There are three kinds of lies: lies, damned lies and statistics,” een uitspraak van, ja van wie? Daarover wordt van mening verschild. Was het de Amerikaanse schrijver Mark Twain, de Engelse politicus en twee keer premier Benjamin Disraeli, de first baron of Penwith lord Leonard Henry Courtney, of toch nog iemand anders? Hieraan moest ik denken bij het lezen van een artikel van Ferdinand Meeus bij Opiniez.

Toch klopt er iets niet aan de uitspraak. Die suggereert namelijk dat statistiek te overtreffende trap van liegen is en dat klopt niet. Het zijn niet de statistieken die ‘liegen’ maar de mensen die ze gebruiken en er een interpretatie bij geven. Een voorbeeld dat ik al eerder gaf, is het bekende ‘ijsjes’ voorbeeld van Ionica Smeets. Smeets vertelde dit enkele jaren geleden op het Venlose Zomerparkfeest. Je hebt een lijst met ‘verdrinkingsdoden’ in een jaar en een lijst met de ijsjesverkoop in datzelfde jaar. Wat blijkt, als er veel ijsjes worden verkocht, verdrinken er meer mensen. Een simpele oplossing: verbied de verkoop van ijsjes dan verdrinken niet zoveel mensen. Een oplossing waarbij correlatie wordt verwisseld met causaliteit. Zo wordt in de ‘klimaatdiscussie’ door tegenstanders van maatregelen om de CO2 uitstoot te beperken vaak aangedragen dat het Nederlandse aandeel, 163,23 miljoen ton in het niet valt bij het Chinese, 10.037,64 miljoen ton (cijfers 2016). Iets wat klopt als je het totaal bekijkt en ook logisch is. ‘Wij’ zijn immers maar met 17,6 miljoen en zij met ruim 1,4 miljard, dat is bijna 80 keer zoveel. Bekijk je het per hoofd van de bevolking, dan stoot de gemiddelde Nederlander 9.620 kg uit en de gemiddelde Chinees 7.180 kg. Dus ja, aan de ene kant is in China meer winst te behalen, maar aan de andere kant is bij de gemiddelde Nederlander meer winst te behalen dan bij de gemiddelde Chinees. Vergeleken met de gemiddelde Congolees is bij de gemiddelde Nederlander en trouwens ook de gemiddelde Chinees nog veel meer te halen. Die stoot slechts 30 kg uit.

Dit even terzijde. Terug naar Meeus en zijn artikel. De titel van het artikel trok mijn aandacht: “Er ligt meer ijs op de Noordpool dan tien jaar geleden” en dan vooral de ondertitel: “Metingen geven ander beeld dan modellen klimaatalarmisten.” In het artikel trekt hij van leer tegen die ‘alarmisten’ en geeft aan dat: “Wetenschappers met een kritische, meer neutrale blik worden weggezet als ‘klimaatontkenners’ en (ze) krijgen geen forum.” In die discussie wil ik me niet mengen. “Gelukkig”, zo lijkt hij te verzuchten, “bestaat echte wetenschap nog steeds voor het grootste deel uit feitelijke metingen om de voorspellingen uit theorieën te testen.” En die metingen laten dus iets anders zien en als bewijs voegt hij de grafiek hieronder toe en wat blijkt: “er was inderdaad met beginpunt 1980, een jaarlijks dalende trend in zee-ijs tot ongeveer tien jaar geleden. Maar die dalende trend is nu duidelijk gestopt. Oordeel zelf. De zwarte lijn toont de grootte van het ijsoppervlak in 2022, en die laat voor heel het jaar meer ijs zien dan de voorgaande tien jaar (geel-oranje lijn).” En inderdaad de zwarte lijn zit boven de geel-oranje lijn en dus heeft Meeus gelijk?   

 

Dat is toch even iets te snel geredeneerd. Meeus heeft de grafiek van de site van het Noors Metereologisch instituut dat sinds 1980 de dikte van het zee-ijs meet. De site van de Noren laat een veel genuanceerder beeld zien. Die bevat ook een grafiek met als titel Arctic Sea Ice Extent in August (zie hieronder). De grafiek laat zien er in augustus het ene jaar wel eens meer zee-ijs is dan in het andere en inderdaad is er dit jaar meer zee-ijs dan er sinds 2016 is geweest. De grafiek laat echter ook zien dat de trend sinds het begin van de metingen dalend is. Begin jaren tachtig was er in augustus zo’n 8,5 miljoen vierkante kilometer zee-ijs in het Arctisch gebied. In 2022 was dat net geen 6,5 miljoen vierkante kilometer. Een flinke afname en ja, het is meer dan de 5,5 miljoen vierkante kilometer in 2021 wat weer minder was dan in 2020. Voor 2021 had Meeus moeten concluderen dat er minder zee-ijs was dan de tien jaar ervoor. In 2021 was de hoeveelheid zee-ijs het kleinste sinds de start van de meting op één jaar na, 2012. In 32 van de jaren dat er werd gemeten, was er meer zee-ijs in augustus dan in 2022, in slechts 10 jaar minder en die tien jaar liggen allemaal in de periode sinds 2007.

De site bevat ook een tabel (zie hieronder) met de omvang van het zee-ijs per maand sinds 1979. Hoe meer zee-ijs, hoe donkerder blauw het vakje, hoe minder hoe donkerder rood. Bijna alle donkerblauwe vakjes hebben betrekking op de eerste jaren van de metingen. Bijna alle donkerrode op de laatste jaren van de meting.

Nee, Meeus liegt niet. Hij heeft de cijfers aan zijn zijde. Meeus roept de zomer uit op basis van een mogelijke zwaluw. Dezelfde cijfers laten echter ook een heel ander beeld zien. Een beeld dat tot een heel andere conclusie leidt. Een conclusie dat Meeus de laatste zwaluw zag die het einde van de zomer aankondigde.

Uitgelicht

Chickenshit Conformist

Zo eens in de zoveel tijd komt de punkband Dead Kennedys voor in een prikker. Vandaag is dat weer eens het geval. Aanleiding vormde het lezen van een artikel op de site OneWorld van Seada Nourhussen. Centraal in het artikel staat Maha Eljak, in de kop aangekondigd als: “moslim, model en punker.” Eljak is, zo lees ik: “het eerste zwarte model met hoofddoek in Nederland en bekend van Holland’s Next Top Model.” Een bijzondere combinatie en daarbij moest ik denken aan het nummer Chickenshit Conformist van Dead Kennedys. Ik moest denken aan dat nummer omdat dit nummer precies aangeeft wat er niet klopt aan het verhaal van Eljak.

Eigen foto

Eljak in het artikel: “Online vond ik als tiener meer aansluiting bij leeftijdsgenoten door fanaccounts te beginnen van popbands als One Direction. Toen is mijn liefde voor muziek en daarna punk ontstaan en ben ik zelfs Event Management gaan studeren, zodat ik wél naar concerten mocht van mijn vader.” Wat hier niet klopt wordt al duidelijk in de opening van het nummer van de Dead Kennedys: “Punk’s not dead, it just deserves to die when it becomes another stale cartoon. A closed minded, self-centered social club ideas don’t matter, it’s who you know.” Punk verzette zich tegen de gekunstelde en gemaakte popmuziek van de jaren zeventig, muziek voor commerciële doeleinden. Punk leverde stevige maatschappijkritiek. One Direction, een gemaakte boy band, is alles wat punk verafschuwde en ‘eventmanagement’ een studie waar een rechtgeaarde punker nog niet dood gevonden zou willen worden. Het is de ‘stale cartoon’, de nagel aan de doodskist van de punk waar het niet om je ideeën gaat maar om wie je kent. Het is goed in de markt gezette dertien in een dozijn muziek waarover het tweede couplet handelt: “If the music’s gotten boring, it’s because of the people who want everyone to sound the same.  Who drive the bright people out of our so-called scene til all that’s left is just a meaningless fad.”

Chickenshit Conformist stond op het vierde Kennedys album Bedtime for Democracy dat in 1986 verscheen. Een album dat in het teken stond van de tegen de band aangespannen rechtszaak. Aanleiding voor die rechtszaak was een afdruk van het kunstwerk Work 219: Landscape XX, ook bekend onder de naam Penis landscape van de Zwitserse kunstenaar Hans Ruedi Geiger dat de band bij hun derde album verspreidde. Dit was tegen het zere been van het Parents Music Resource Center een club opgericht door onder andere Tipper Gore (de vrouw van de latere vice-president All) en Susan Baker (de vrouw van de toenmalige minister van financiën James Baker). Het PMRC wilde kinderen beschermen tegen gewelddadige, drugs en seks gerelateerde onderwerpen. Onder invloed van het PMRC werd de rechtszaak aangespannen. Een zaak die glansrijk werd gewonnen door de Kennedys. De Frontman en zanger, Eric Reed Boucher, beter bekend onder zijn artiestennaam Jello Biafra, schreef de song omdat hij zag dat de muziekindustrie wel interesse had voor de harde muziek maar niet voor de maatschappijkritiek: “Hardcore formulas are dogshit. Change and caring are what’s real is this a state of mind, or is it just another label?” En daarbij sprak hij zijn zorgen uit over de motieven van de muziek labels: “When the thugs form bands, look who gets record deals from New York metal labels looking to scam. Who sign the most racist, queer-bashing bands they can find to make a buck revving kids up for war.”

Ik denk niet dat Eljak zich dat realiseert, maar punk verhield zich erg slecht tot niet tot de mode en modellenwereld. “The joy and hope of an alternative has become its own cliché. A hairstyle’s not a lifestyle.” Mode is een hairstyle geen lifestyle. Nu is het Eljak niet kwalijk te nemen dat ze dat niet weet. Voor haar is ‘punk’ een muziekgenre zoals er vele andere zijn: “Harder-core-than-thou for a year or two then it’s time to get a real job.” Of in het geval van Harry Styles, een van de leden van One Direction, een zeer succesvolle solocarrière.

Biaffra concludeerde hieruit: “The more things change, the more they stay the same. We can’t grow if we won’t criticize ourselves. The ’60s weren’t all failure, it’s the ’70s that stunk. As the clock ticks, we dig the same hole.” En dat zelfde gat wordt nog steeds gegraven. Want: “So eager to please, peer pressure decrees. So eager to please, peer pressure decrees. Make the same old mistakes again and again. Chickenshit conformist like your parents.”

Om toch positief af te sluiten, het artikel vormde een goede aanleiding om Bedtime for Democracy weer eens te draaien en te constateren hoe actueel Biafra’s maatschappijkritiek uit de jaren tachtig nog is. Sterker nog. Wellicht is die kritiek nu nog actueler dan in 1986. Daarover wellicht later meer.

Uitgelicht

De drogreden van Angela Davies

Een drogreden: “een bedrieglijke redenering” aldus de Van Dale, “een reden of redenering die niet correct is, maar wel aannemelijk lijkt,” aldus Wikipedia. Dat dacht ik bij het lezen van een gesprek met Angela Davies op de Belgische site De Wereld van morgen. Een gesprek in een serie van gesprekken met Angela Davies. Het eerste gesprek belicht een tegenwoordig populair onderwerp: institutioneel racisme.

De site omschrijft Davies als, “het boegbeeld van de burgerrechtenbeweging.” Davies heeft, zo lees ik op Wikipedia: “een groot gedeelte van haar werk gewijd aan het onderzoeken naar en het schrijven over vrouwen en feminisme, en dan vooral over de onderdrukking van zwarte vrouwen. Ze zag in dat de zwarte bevrijdingsbeweging niet voor de rechten van de zwarte vrouw opkwam, maar ook dat de feministische beweging zich niet voor de zwarte vrouw inzette.” Aan die strijd en haar inzet wil ik niets af doen. Wel op enkele opmerkelijke observaties en redenaties van haar.

Davies: Door het feit dat je in de VS, Europa en Zuid-Amerika in de gevangenis een onevenredig groot aantal zwarte mensen ziet, kan je een verband leggen tussen slavernij en het gevangenisinstituut. Dit heeft weer te maken met het feit dat dit instituut grotendeels was opgericht om het falen in het creëren van een rechtvaardige maatschappij, in de nasleep van de slavernij, aan te pakken. Want je kan niet gewoon zeggen dat het instituut van slavernij is afgeschaft, en ervan uitgaan dat het probleem dan is opgelost.” Nu heb ik menig  Middeleeuws kasteel bezocht en die hadden allemaal een ‘kerker’ alwaar misdadigers en iedereen die daarvoor werd aangezien in werden opgesloten. Een kerker was niets meer en niets minder dan het cachot, de gevangenis. Ons mooie Venlose stadhuis had ook een ‘gevangenis’ gesitueerd onder in de rechter ‘toren’ als je ervoor staat met je gezicht ernaartoe.                

De gevangenis was vooral een ruimte waar je zat te wachten tot het vonnis werd uitgevoerd. Dat vonnis bestond uit een lijfstraf, verbanning of de dood. Dat laatste eventueel voorafgegaan en soms zelfs nog gevolgd door het eerste. Voor wie daar een beeld bij wil krijgen, lees de opening van het eerste hoofdstuk van Foucaults Discipline, Toezicht en Straf. De geboorte van de gevangenis over de straf en de oplegging ervan die vadermoordenaar Damiens op twee maart 1757 ten deel viel[1]. Pas in de loop van de zestiende eeuw ontstonden de voorlopers van de huidige gevangenissen. Die waren in eerste instantie gericht op het opsluiten van bedelaars en landlopers. Die kregen er verplicht onderdak en eten. Iets wat werd gezien als een vorm van liefdadigheid. Aan het einde van de zestiende eeuw werd in Amsterdam vrijheidsberoving voor het eerst als straf opgelegd. Mannen gingen naar het rasphuis alwaar ze hout moesten raspen en vrouwen naar het spinhuis alwaar ze wol moesten spinnen. Vanuit Amsterdam verspreidde deze vorm van straf zich over Europa. Uiteindelijk heeft de gevangenisstraf de lijf- en doodstraf vervangen. Ten minste in de meeste landen van de wereld. Het gevangenissysteem is daarmee ouder dan de nasleep van de slavernij en die slavernij speelde hoegenaamd geen rol in het ontstaan van het Europese gevangeniswezen.  

Davies: “De gehele notie van veiligheid is volgens mij diep gelinkt aan racisme. Want wat voor instellingen zijn er opgericht om ‘veiligheid’ te garanderen in onze samenleving? De politie, die geweld gebruikt, dat zijn bewapende mensen. Wel, als je een samenleving veilig wil maken door meer geweld toe te voegen aan de samenleving, dat is voor mij een contradictio in terminis.” Twee bijzondere uitspraken. Als eerste ‘Veiligheid is diep gelinkt aan racisme’ en als tweede ‘de politie voegt geweld toe aan de samenleving’.

Eerst ‘veiligheid is diep gelinkt aan racisme’. Racisme zorgt inderdaad voor onveiligheid. Als ik weet dat iemand mij eigenlijk geen plek gunt om wie ik ben dan voel ik mij niet veilig. Dus ja, er is een link tussen racisme en veiligheid. Maar hoe ‘diep’ is die link? In de meest uiterste variant is die link één op één en dan komt alle gevoel van onveiligheid door racisme. In dat geval zou een einde aan racisme een einde aan onveiligheid betekenen. De werkelijkheid is echter anders. Het gros van het geweld en onveiligheid heeft geen verband met racisme. Dat zwarte mensen oververtegenwoordigd zijn in gevangenissen, waar Davies naar verwijst, heeft in onze contreien veeleer andere, sociaal economische oorzaken dan racisme. De moord van Damiens, waar het hierboven aangehaalde boek van Foucaults mee begint, had geen link met racisme. Net zoals de overgrote meerderheid van de geweldsdaden tot die tijd en ook in de periode erna, geen link had met racisme. De link tussen veiligheid en racisme speelde in de Middeleeuwen en eigenlijk tot het oplaaien van de huidige racismediscussie maar een zeer beperkte rol in het garanderen van onze veiligheid.   

Dan ‘de politie voegt geweld toe’. Om de veiligheid te bevorderen, en het geweld te beteugelen, richtten de inwoners van steden de schutterijen op die zich met de handhaving van de openbare orde en veiligheid bezighielden. Vaak onder toezicht van een schout of baljuw die weer belast was met de rechtspraak. Die schutterijen kun je in de termen van tegenwoordig, de vrijwillige politie noemen. Aan Napoleon hebben we de opkomst van de landelijke politie te danken en die nam ‘Willem I’ netjes over. Naast die landelijke politie bleven lokale ordehandhavers als de schout en de veldwachter actief.  Ja, deze waren bewapend en hadden het geweldsmonopolie. Een monopolie niet bedoeld om geweld toe te voegen maar om gewelddadige conflicten tussen burgers te voorkomen en te beëindigen.

Twee opmerkelijke observaties van Davies. Opmerkelijk aan deze opmerkelijke observaties is dat het lijkt alsof Davies een stukje specifieke geschiedenis uit de Verenigde Staten in het algemeen en de zuidelijke staten van dat land in het bijzonder, overplant naar in de basis de hele wereld maar Europa in het bijzonder. De Amerikaanse geschiedenis van de ‘nieuwe slavernij’ zoals Nijman het in haar boek Wat we van de Duitsers kunnen leren in navolging van de journalist Douglas Blackmore noemt: een systeem van gevangenissen met verplichte tewerkstelling: “In het nieuwe systeem waren de veroordeelden geen eigendom meer maar werden ze enkel door staatgevangenissen verhuurd aan private ondernemingen in de mijnbouw, de staalindustrie of de baksteenproductie.” Nog lucratiever dan slavernij omdat: “Onder het oude systeem (…) een slaaf ook werkelijk het eigendom (was) van zijn meester. Nadat hij een aanzienlijke investering had gedaan in een zwarte mens, had de slavenhouder er economisch belang bij om die investering niet verloren te laten gaan en toch in elk geval te voorzien in een minimum aan voedsel en gezondheidszorg.[2]Dat hoefde onder de ‘nieuwe slavernij’ niet meer en dat was daarom zo mogelijk nog wreder dan de oorspronkelijke slavernij, aldus Nijman. Een soort moderne versie van de spin- en rasphuizen die vanaf de zestiende eeuw ontstonden. Die ‘gratis gevangenen’ zorgden er vervolgens voor dat de lonen voor de zwarte arbeiders laag bleven, als ze al werk konden vinden. Een systeem dat mede mogelijk werd gemaakt door de politie in de Zuidelijke staten die hierbij samenwerkten met de eigenaren van de bedrijven.

Als laatste combineert Davies de twee voorgaande uitspraken: “… neem dus het feit dat wereldwijd een onevenredig aantal zwarte, bruine en inheemse mensen in de gevangenis zit en gevangenissen juist instituties zijn, ontworpen om ‘veiligheid’ te verzekeren. Dit weergeeft ook weer het rechtstreekse verband tussen veiligheid en racisme.”  Daarom  pleit Davies voor het opheffen van de politie en het gevangenissysteem. Haar redenering lijkt aannemelijk maar bij nadere beschouwing klopt ze wellicht voor het Zuiden van de Verenigde Staten. In de Europese situatie in het algemeen en de Nederlandse in het bijzonder, raakt ze kant nog wal. Een drogreden.


[1] Michel Foucault, Discipline, Toezicht en Straf. De geboorte van de gevangenis, zesde druk 2010, pagina 20 en verder.

[2] Susan Nijman, Wat we van de Duitsers kunnen leren, pagina 495.

Cultureel cancelen

“Activisten noemen dit ‘cultural attribution’: als één onderdeel aan een hele cultuur wordt toegeschreven, zonder oog voor andere ontwikkelingen.” Een zin uit de verslaggeverscolumn van Margriet van Oostveen in de Volkskrant. Een heel bijzonder artikel. Als ‘activisten’ gecombineerd met ‘cultureel’ en ‘toeschrijving’, de letterlijke vertaling van ’attribution’, in één zin worden genoemd, dan wordt mijn brein wakker. Wakker omdat er dan meestal een wel erg bijzondere redenering volgt.

Bron: Pixabay

Wat behandelt Oostveen in haar column getiteld Over cancelcultuur en Afrikaanse studenten die een punt hebben? De universiteit van Wageningen heeft sinds kort een expositieruimte buiten. Die ruimte is bedoeld om: “discussie aan te jagen” en: “de dialoog te openen,” zo is te lezen. “En bij de eerste tentoonstelling Power of the Wasted barstte prompt een hevige discussie los. Nog geen twee weken later werd de tentoonstelling daarom ‘tijdelijk’ verwijderd. En nu heeft het universiteitsbestuur besloten dat die helemaal niet meer terugkeert.”  De expositie is om dat woord te gebruiken, gecanceld.

Die eerste tentoonstelling, Power of the Wasted bestond uit foto’s van Jurrian Veldhuizen onder de noemer. “Hero: “a person of distinguished courage or ability, admired for his or her brave deeds and noble qualities”. Everywhere and every day, we create waste. It keeps piling up. It goes to places that are unseen and it is being handled by people that we do not know. Their daily hard work remains unnoticed by us, which is not only unfair, it also leaves us unaware. It is time to see and recognize the efforts, struggles and bravery of those cleaning up our mess: the waste heroes.” Aldus de inleidende tekst bij de tentoonstelling. Een tentoonstelling over mensen in Ghana die leven van het vuilnis van anderen, ook van ons. De afvalrapers.  

Wat was er zo schokkend aan die foto’s dat de tentoonstelling al na twee weken werd ‘gecanceld’? “Het geheel schiet de United Community of African Students (UCAS) aan de universiteit volkomen in het verkeerde keelgat. Zij vinden de foto’s stereotiep, schadelijk voor Afrika en scavengers net zo beledigend als het n-woord. Ze eisen dat de foto’s worden verwijderd en vernietigd.” Daarop vervangt Veldhuizen het woord scavenger. En dan valt: “cultural attribution: als één onderdeel aan een hele cultuur wordt toegeschreven, zonder oog voor andere ontwikkelingen.” Volgens de projectleider antiracisme, gelijk vermogen en gelijke behandeling, de de Amerikaans-Nederlandse Percy Cicilia Jr. had Veldhuizen de ‘hypermoderne recycle-installatie’ die bij de vuilnisbelt stond, moeten fotograferen, het moderne Afrika en niet “een afvalberg zoals die veertig jaar geleden al in het blad voor de rooms-katholieke missie Bijeen stonden.” Iets wat ook de ambassadeur van Oeganda in Brussel Mirjam Blaak-Sow aandraagt die een toespraak hield over: “manieren waarop Afrika het imago van ‘continent met problemen’ van zich afschudt.” Veldhuizen antwoordt dat het onderwerp van zijn serie de afvalrapers was, maakte geen indruk. De tentoonstelling geeft geen ‘beeld van Afrika’, maar een beeld van de vuilnisrapers in Kumasi in Ghana. Zo geeft de Volendamse klederdracht geen ‘beeld van Nederland’ en zeker niet van Europa, maar een beeld van een deel van Volendam. Als de UCAS het zo belangrijk vindt dat het moderne Afrika wordt getoond, dan staat niets hen in de weg om daar zelf een expositie van te maken. Dat is een productievere weg dan een fotograaf te ‘verbieden’ om foto’s van het in hun ogen ‘foute’ maar ook reële beeld van vuilnisrapers in Kumasi te maken.

Maar terug naar de term ‘culturele toeschrijving’. Blaak-Sow is de ambassadeur van Uganda. Veldhuizen nam de foto’s in Kumasi, de op een na grootste stad van Ghana. Als je met een auto van Kumasi naar Kampala, de hoofdstad van Uganda, wilt reizen dan ben je, als er geen ander verkeer is, je niet wordt opgehouden en je geen pauze neemt, bijna 90 uur onderweg om de bijna 5.500 kilometer af te leggen. Even ter vergelijking. Als ik in Venlo in mijn auto stap en 5.500 kilometer naar het oosten rijdt, dan strand ik na een uur of zeventig (onder dezelfde voorwaarden) net voor Novosibirsk. Rij ik naar het zuiden dan kom ik tot Kongoussi in Burkina Faso, het buurland van Ghana en ongeveer 1.000 kilometer noordelijker gelegen dan Kumasi. Steden en gebieden waar het leven heel anders is dan in Venlo. Waar mensen met heel andere gewoontes en gebruiken wonen. Zou dat voor Kumasi en Kampala niet ook gelden?

Heeft de ambassadeur van Uganda het mandaat om namens heel Afrika te spreken? Zouden de inwoners van Cassablanca, ook Afrika en onder dezelfde omstandigheden een autotocht van bijna 120 uur en ruim 8.200 kilometer van Kampala gelegen, of Kaapstad ruim 70 uur en bijna 5.400 kilometer van Kampala zich niet iets heel anders bij de Afrikaanse cultuur kunnen voorstellen? “This exhibition was authorized by Kumasi Metropolitan Assembly,” is te lezen site van de tentoonstelling. Dus daaruit blijkt dat er ook in Afrika, en vooral aan de culturele bron van de foto’s, anders over wordt gedacht. Wie doet er nu ‘culturele toeschrijving’? Wie doet de werkelijkheid geweld aan? Dus nee beste Oostveen, ze hebben geen punt.

“‘Ik vind dit niet meteen cancelcultuur. Híj is toch niet gecancelled?’” Met deze quote van Percy Cicilia Jr. eindigt het artikel. Nee Cicilia Jr., Veldhuizen is niet ‘gecanceld’ zijn tentoonstelling in de publieke ruimte wel. En dat op zeer dubieuze gronden.

Beste staatssecretaris Van Ooijen,

Met veel aandacht en interesse heb ik uw Kamerbrief Hervorming Jeugdzorg gelezen. Zeven jaar na de decentralisatie van de jeugdzorg constateert u dat: “de belofte van de decentralisatie – passende hulp, dichtbij huis, gezinsbreed, efficiënter en met minder kosten – onvoldoende waargemaakt (is). Er wordt meer geld dan ooit aan jeugdzorg besteed.”  Ondanks: “de inzet die al door vele partijen is gepleegd om verbeteringen door te voeren,” en de: “mooie ontwikkelingen en initiatieven,” waar u op wilt voortbouwen, concludeert u dat er: “meer sturing nodig (is) om dit overal goed te regelen.”  Een om verschillende redenen bijzondere brief.

Bijzonder omdat het beeld dat uit uw brief naar voren komt er een is van een falend systeem en beleid. U constateert: “Het beroep op jeugdzorg is de afgelopen decennia sterk gestegen. Volgens de nieuwste CBS-cijfers ontving in 2021 ongeveer 1 op de 7,5 jongeren tot 18 jaar enige vorm van jeugdhulp. Ter vergelijking: in 2015 ontving 1 op de 10 jongeren jeugdhulp en in 1997 bedroeg dit grofweg 1 op de 27.” En: “Te veel kinderen die kampen met complexe problemen en specialistische zorg nodig hebben, komen op wachtlijsten terecht of ontvangen geen passende zorg. De meest passende vorm van zorg is niet altijd beschikbaar en/of er is gebrekkige samenwerking tussen partijen.” Beste meneer van Ooijen, dit hoeft u niet te verbazen. En anders dan u lijkt te betogen, denk ik dat dit geen gevolg is van falend beleid maar dat de jeugdhulp ten onder gaat aan de succes van jaren overheidsbeleid. Uw analyse van de situatie gaat niet diep genoeg. In deze brief zal ik dat nader onderbouwen.

Minister Ruding. Bron: WikimediaCommons

Hiervoor neem ik u even mee terug naar 1984. In dat jaar brachten twee interdepartementale werkgroepen die in 1978-1979 in het leven waren geroepen om (ook toen al) een einde te maken aan de willekeur in de jeugdhulp hun verslag uit. In hun rapporten concludeerden de beide werkgroepen dat: “hulp voortaan ‘zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’ moet plaatsvinden.” De toenmalige regering Lubbers onderschreef dit en vulde dit zogenaamde ‘zo-zo-zo-beleid’ aan met nog twee ‘zo’s’, namelijk zo tijdig mogelijk en, typisch Nederlands, zo goedkoop mogelijk. ‘Tijdig en licht’ om ‘lang en zwaar’ te voorkomen.

Ik neem u mee naar 2010 en de Kamerwerkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg. Het rapport van deze Kamerwerkgroep zal voor u een feest van herkenning zijn. In het rapport worden met andere, en soms dezelfde woorden, precies dezelfde problemen geconstateerd. Problemen zoals een toenemend beroep op hulp. Om die problemen op te lossen, moest er: “Uitgaande van het kind en zijn kansen en mogelijke bedreigingen, (…) vroegtijdige hulp en zorg worden geboden; zo dicht mogelijk bij het kind en zijn dagelijkse leefsituatie.” Eén gezin, één plan, één regisseur werd het nieuwe devies nog steeds met het doel om zo dicht mogelijk bij huis, zo kort mogelijk, zo licht mogelijk te helpen. Met dit rapport als basis werd de jeugdzorg, door de toenmalige regering Rutte, in 2015 naar de gemeenten geschoven. En net als bijna dertig jaar eerder moest het ook ‘zo goedkoop mogelijk’ want er werd flink in het budget gesneden. Over hoe dat precies ging kan premier Rutte u vast een en ander vertellen. Hij is de enige bewindspersoon die toen ook al aan de knoppen zat. Als hij hier tenminste de juiste actieve herinneringen aan heeft.

Die toename in jeugdigen met ondersteuning en hulp is een gevolg van dertig jaar beleid. ‘Zo tijdig mogelijk’ en ‘vroegtijdig’ betekent dat je gaat zoeken naar signalen bij kinderen en gezinnen die mogelijk tot een problemen in de toekomst kunnen leiden. Dan ga je kinderen en gezinnen problematiseren en, om een beladen woord te gebruiken, ‘profileren’ op kenmerken van de jeugdigen en gezinnen met echte problemen. Dit ‘profileren’ leidt er als vanzelf toe dat, zoals u schrijft: “‘gewoon’ gedrag sneller dan vroeger buiten de bandbreedte van wat wordt gezien als ‘normaal’ zowel op school als thuis” valt. Vertoont een kind of gezin een of meer van die kenmerken, dan ontkom je er niet aan om actie te ondernemen. ‘Kunnen leiden’ zegt het al, het kan maar hoeft niet maar door het te constateren moet je iets en dat iets leidt er als vanzelf toe dat meer kinderen hulp krijgen.

Er is meer en belangrijkers. Ook nu neem ik u weer mee naar de jaren tachtig van de vorige eeuw. Toevallig ook weer naar 1984. In dat jaar verscheen er een interview met minister Ruding van Financiën in Het Vrije Volk waarin hij de volgende woorden sprak: “Laten we eerlijk zijn. Veel werklozen maken er zich met een Jantje van Leiden van af. … Men blijft liever dicht bij Tante Truus wonen.” Die woorden geven het door het toenmalige kabinet Lubbers I omarmde neoliberale denken weer. Denken dat in beleid werd omgezet. Beleid dat de bijl zette in de wortel van onze verzorgingsstaat. Beleid dat door alle kabinetten sindsdien is voortgezet en dat op meerdere manieren erg succesvol is.

Het belangrijkste in het neoliberale denken is de vrije markt. Vanaf midden jaren tachtig werd het beleid om steeds meer zaken aan de markt over te laten in de overtuiging dat dit tot de beste dienstverlening tegen de goedkoopste prijs zou leiden. In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten beschrijven Hans Achterhuis en Nico Koning zes manieren waarop goederen en diensten in een samenleving worden verdeeld onder haar leden. Zes vormen van verwerving of toe-eigening waarbij vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt en die dus een steeds grotere samenleving kunnen ondersteunen. Als eerste de eigen productie van iemand. Als tweede, de gedurende eeuwen de belangrijkste vorm, de gemeenschappelijke huishouding. Als derde ‘toedeling’ waarbij de hoogst geplaatste toedeelt aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping. Met het nog groter worden van de wereld komen deze samenlevingen in aanraking met aangrenzende samenlevingen. De ‘schenking’ of gift is dan een vreedzame manier van verwerven of toe-eigening. Bij een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen. Een gearrangeerd huwelijk is een voorbeeld van ‘schenken’. De vijfde manier van verwerven is ‘handel’. Belangrijk kenmerk van handel is dat de beide betrokken partijen gelijk zijn en blijven. De laatste vorm is ‘roof’. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van toe-eigening voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen[1].

Het neoliberalisme stelt marktrelaties, handel, de transactie tussen ‘vraag’ en ‘aanbod’ centraal. Eigen aan marktrelatie is dat er geen verplichting of verzwaring, geen relatie’ tussen de partijen ontstaat. Neoliberaal beleid bouwt niet aan een ‘WIJ’ in de samenleving. Sterker, door steeds meer zaken als ‘handel’ te zien en vorm te geven, wordt het ‘WIJ’ in de samenleving steeds verder uitgehold. Er wordt juist gebouwd aan het ‘IK’. Een echte neoliberaal zal dat niet erg vinden want die zegt de Britse premier Thatcher na: “who is society? There is no such thing.” En laten we wel wezen, dit op het individu gerichte beleid is heel succesvol geweest en is het nog steeds.

“Aan dit wetsvoorstel ligt de visie op de pedagogische civil society ten grondslag waarin ieder kind een veilige omgeving om zich heen heeft, waarin de school, de naschoolse opvang, de sportclub en de buurt een belangrijke rol spelen. Investeren in een positieve opvoeding, talentontwikkeling, een succesvolle schoolloopbaan en doorstroom naar werk ligt aan de basis van welbevinden, economische zelfstandigheid en democratisch burgerschap. Algemene jeugdvoorzieningen zoals de kinderopvang, de jeugdgezondheidszorg, scholen, sportclubs, buurthuizen, jongerenwerk en vrijwillige inzet dragen bij aan een positief opgroei- en opvoedklimaat.[2] Aldus de memorie van toelichting op de Jeugdwet 2015. De wetgever legt hier de zorg voor de jeugd voor een belangrijk deel neer bij iets wat door de nadruk op het ‘IK’ en de afbraak van het ‘WIJ’ van meer dan dertig jaar neoliberaal beleid, een kwijnend bestaan leidt. Namelijk sociale netwerken zoals de wijk. En ja, geografisch bestaan wijken nog steeds, sociaal maatschappelijk zijn ze op sterven na dood. Een wijk is tegenwoordig niet meer dan een verzameling individuen die toevallig bij elkaar in de buurt wonen.

U doet hetzelfde als u in uw brief schrijft: “Opgroeien begint thuis en in de wijk. Ouders en bredere familie of het sociale netwerk spelen hierin vanzelfsprekend de belangrijkste rol. Tegenwoordig valt ‘gewoon’ gedrag sneller dan vroeger buiten de bandbreedte van wat wordt gezien als ‘normaal’, zowel op school als thuis. Strubbelingen bij opvoeden en opgroeien horen bij het normale leven en dienen daarom met voorrang in eigen kring binnen sterke sociale verbanden (thuis, op school, in de wijk, etc.) te worden opgepakt. Inzet van professionele hulp komt pas in beeld wanneer problemen de veerkracht, kennis en expertise van gezinnen en het sociale netwerk overstijgen.” U zoekt de oplossing in ‘sociale verbanden’ die door jarenlang gericht overheidsbeleid zijn afgebroken. Het ‘thuis’ en die ‘brede familie’ zijn uitgehold door gericht beleid om iedereen zoveel mogelijk aan het ‘betaald werk’ te krijgen. Dit allemaal om mensen ‘economisch zelfstandig’ te laten zijn en vooral om de economie te laten groeien. Te laten groeien door zaken die vroeger, om in de woorden van Achterhuis en Koning te spreken, via de ‘gemeenschappelijke huishouding’ werden verdeeld zoals de zorg voor kinderen en ouderen, nu als ‘handel’ (kinderopvang en thuiszorg) worden gezien. Die druk op ‘betaald werk’ neemt alleen maar toe nu er sprake is van een tekort aan arbeidskrachten.

De Belg Paul Verhaeghe wijst in zijn boek Identiteit op een ander gevolg van dertig jaar neoliberale nadruk op het ‘IK’. Hij noemt onze tijd ‘sociaal-darwinistisch’ maar dan van een nieuw soort. Een soort waarbij: “…het niet langer de soort, maar het individu (is) waarop ‘natuurlijke’ selectie plaatsgrijpt. Het is de sterkste man of vrouw die het haalt, ten koste van al die andere mannen of vrouwen, en het criterium is succes.[3]Met andere woorden, je bent zelf verantwoordelijk voor je eigen succes en dit heeft als keerzijde dat je ook zelf verantwoordelijk bent voor je eigen falen. Je hebt je ‘verlies’ op alle terreinen daarmee aan jezelf te danken. Of zoals Verhaeghe het treffend formuleert: “Omgekeerd: wie mislukt, heeft dat eveneens aan zichzelf te wijten, is bijgevolg een zwakke persoonlijkheid, vaak nog een profiteur ook, die een heel bedenkelijk normen-en-waardensysteem hanteert. Schorem, dat is, te lui of te dom om iets aan hun eigen situatie te veranderen.[4] Die verantwoordelijkheid voor het eigen succes (en falen) legt grote druk op het individu en dus ook het kind. Druk die stress kan veroorzaken die weer tot mentale problemen kan leiden. Problemen waarvoor hulp gezocht wordt en zie daar het toegenomen beroep op hulpverleners (en niet allen bij jeugdigen,) aan de ene kant en de wildgroei aan therapeuten en coaches om je te helpen aan de andere kant.

Een andere Belg, Dirk De Wachter, gaat nog verder. Hij vergelijkt onze samenleving met de stoornis Borderline: “BPD of Borderline Personality Disorder is ‘een diepgaand patroon van instabiliteit en intermenselijke relatie, zelfbeeld en affecten en van duidelijke impulsiviteit, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situatie…’[5] Vervolgens noemt De Wachter de negen situaties uit de DSM IV (de bijbel voor psychische of psychosociale stoornissen) waarvan je er vijf moet vertonen om borderline gediagnostiseerd te worden. Hij legt onze samenleving vervolgens langs deze criteria en toont overtuigend aan dat onze neoliberale samenleving aan borderline leidt en daarmee ziek is en ziekmakend voor de mensen en dus ook de kinderen in de samenleving.

U maakt zich druk om de administratieve last. “Als we dat weten te halveren, scheelt dat een slok op een borrel,” zo vertelde u in een interview met de Volkskrant. Ook die administratieve last is een gevolg van dertig jaar neoliberaal beleid. Door zorg als ‘handel’ te zien, wordt ook het marktdenken geïntroduceerd. Een van de kenmerken van de markt is dat producten aan allerlei meetbare specificaties moeten voldoen omdat je de ander nu eenmaal niet kunt vertrouwen. En daar komt de bureaucratie om de hoek kijken. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is de New Public Management stroming dominant. Een stroming die in ‘producten en klanten’ denkt en die ‘het model van de private sector’ op de overheid toepast. Centraal staan: doeltreffendheid, doelmatigheid en zuinigheid (zo goedkoop mogelijk). Het model dat politieagenten bonnen laat schrijven omdat ze hun quotum moeten halen. En ook het model dat zorg in stukken hakt en er ‘producten’ van maakt of nog erger: diagnose behandel combinaties. Producten die vervolgens in de markt worden gezet. Maak ergens een markt van en je krijgt marktgedrag. Zoals iedereen die een beetje nadenkt kan bedenken, staat zodra je van zorg een product maakt dat product centraal en niet de mens. Het product moet worden geleverd (de bon moet worden geschreven) of de jeugdige er nu mee geholpen is of niet. Die producten moeten vervolgens ook worden gemeten en geadministreerd om verantwoording af te leggen. Want verantwoording moet in cijfers worden afgelegd: daling van dit, stijging van dat. Dergelijke verantwoording duidt op een gebrek aan vertrouwen of zelfs op wantrouwen.

Belangrijker nog, door zorg als ‘handel’ te zien verdwijnt de kritische succesfactor van ieder zorgtraject naar de achtergrond. ‘Handel’ gaat uit van gelijkwaardigheid tussen de bij een transactie betrokken partijen. Daarvan is bij zorg geen sprake. Die kritische factor in de zorg is vertrouwen en vertrouwen kun je alleen maar opbouwen door aan de relatie te werken en die te versterken. Als zorgverlener moet je het vertrouwen winnen van de zorgvrager. Zoals Achterhuis en Koning laten zien, bouw je bij ‘handel’ niet aan een relatie. En juist de kritische succesfactor vertrouwen is niet te meten. Een bewezen effectieve methode uitgevoerd door een hulpverlener die het vertrouwen ontbeert zal minder opleveren dan zorg die niet bewezen effectief is door een hulpverlener die wel het vertrouwen geniet. Vertrouwen is niet te meten, maar lijdt wel onder de meetdrift. Want die meetdrift ademt wantrouwen. 

U wilt: “Minder marktwerking, meer samenwerking en betere inkoop van zorg,” zo, luidt het derde leidende principe in uw brief. Daartoe stelt u allerlei maatregelen voor waaraan een flink deel van de gemeenten nu ook al werken. Maatregelen zoals minder aanbieders, standaardisatie, prestatiecodes. Die leiden echter niet tot ‘minder marktwerking’, ze leiden tot een meer gereguleerde markt. Daar komt bij dat marktwerking en samenwerking geen automatisme is. Sterker, een markt is gericht op concurrentie niet op samenwerking. Zou ‘geen marktwerking’ niet de oplossing kunnen zijn? En als u werkelijk wilt dat: “Ouders en bredere familie of het sociale netwerk,” de door u gewenste rol op kunnen pakken, zou het: “maatschappelijk debat over wat wordt verstaan onder het normale opgroeien en opvoeden en wat wordt verstaan onder gebruikelijke zorg,” dan niet moeten gaan over de vraag welke samenleving we willen? Willen we individuen op een ‘markt’ met alle wantrouwen van dien of een samenleving gebaseerd op vertrouwen? Nog duidelijker: is de economie er voor de mens of de mens voor de economie[6]? Een vraag die niet alleen de (jeugd)zorg raakt.

Daarmee kom ik aan het einde van mijn brief. Een brief waarin ik, hoop ik, heb aangetoond dat de situatie in de samenleving in het algemeen en de zorg in het bijzonder, een gevolg is van jarenlang neoliberaal overheidsbeleid. Succesvol overheidsbeleid omdat het de maatschappelijke werkelijkheid voor een flink deel naar de neoliberale theorie heeft vormgegeven. Het heeft de samenleving afgebroken zodat Thatcher woorden nu de werkelijkheid meer recht doen op het moment dat zij ze uitsprak en waarvan we ons moeten afvragen of dit is wat we willen.


[1] Hans Achterhuis en Nico Koning, De kunst van het vreedzaam vechten, pagina 406-412

[2] Memorie van toelichting Jeugdwet pagina 6

[3] Paul Verhaeghe, Identiteit, pagina 80

[4] Paul Verhaeghe, pagina 81

[5] Dirk de Wachter, Borderlinetimes. Het Einde van de Normaliteit, pagina1. Lannoo Campus 2013 zeventiende druk.

[6] https://ballonnendoorprikker.nl/2015/10/30/middel-of-doel/

Crypto’s, geld en ‘het kindje Jezus’

“Omdat we dankzij ons verstand in staat zijn ons fictieve situaties in te beelden; in onze geest werelden, plaatsen en situaties te scheppen en daar emotionele en spirituele energie aan te verbinden.” Dat is volgens Madeleine Böhme en haar twee coauteurs wat de Homo sapiens bijzonder maakt. Die: “voorstelling van wat aan gene zijde ligt, is misschien wel de voornaamste cognitieve motor van onze evolutie.[1]

Mozaïek, Kleurrijk, Kralen, Oud, Ontwerp, Patroon
Bron: Pixabay

Ik moest hieraan denken bij het lezen van een column van Peter de Waard in de Volkskrant over het beleggen in crypto-munten door jongeren. “Zo’n 1,2 miljoen vooral jonge Nederlanders blijken bitcoins of andere cryptomunten te hebben. En dat baart de toezichthouders zorgen. Het onderpand is iets ongrijpbaars of virtueels, niet een schuldpapier zoals een obligatie waarop rente wordt uitgekeerd of een ­mede-eigendomsbewijs van een bedrijf, zoals een aandeel dat bij winst dividend oplevert.” Het onderpand van een crypto-munt is iets ongrijpbaars. Daarom zijn ze, zoals De Waard schrijft: “puur voor de speculatie. Het is net als met het kindje Jezus, je gelooft erin of niet. Als betaalmiddel zijn ze totaal nutteloos, zo is na tien jaar wel gebleken.” Nu zijn er steeds minder mensen die nog in het kindje Jezus geloven en toch viert het gros van die mensen binnenkort het feest ter ere van zijn geboorte. Dus in hoeverre moet je in iets geloven om het je handelen te laten bepalen?

Dit even terzijde. Alhoewel terzijde, het raakt aan de kern. Dus nog er nog maar even op voortborduren. “In 1988 speelde het Nederlands elftal de finale van het Europees Kampioenschap voetbal tegen de Sovjet-Unie. Nederland won door doelpunten van Gullit en dat prachtige schot van Marco van Basten. Op dat moment was er niemand  die zich een wereld zonder Sovjet-Unie kon voorstellen. Een jaar later viel de Berlijnse muur en nog twee jaar later bezweek de Sovjet-Unie. Trouwens in 1914 en zelfs in 1917 kon niemand zich een wereld met Sovjet-Unie voorstellen.” Dit schreef ik enkele jaren geleden in een van mijn Prikkers. Bijzonder aan deze passage is dat zij een aantal voor ons als mens zeer reële zaken bevat die alleen voor ons mensen reëel zijn en dus bestaan. Voor ons is Nederland een reëel en werkelijk bestaand iets, net zoals de Sovjet Unie dat vanaf 1917 tot 1991 was. Nederland is voor ons zeer reëel. Net als Denemarken, Spanje en Finland. Als we ernaar toe gaan dan verandert er iets. In die landen spreken ze een andere taal en hebben ze vaak net wat andere gewoonten en soms moet je je paspoort laten zien anders kom je het land niet in. We kunnen ze op de kaart aanwijzen. Maar zoals Frits Bom in de jaren negentig in zijn programma De vakantieman liet zien, kan niet iedereen dat. Zelfs al kan iemand ze niet aanwijzen op de kaart, toch zijn die landen voor ons zeer reëel. Als je het elk ander dier op Aarde zou kunnen vragen, dan zou het je verdwaasd aankijken: ‘Frankrijk? Wat is dat?’ Of zoals het Klein Orkest zong: “Alleen de vogels vliegen van Oost- naar West-Berlijn. Worden niet teruggefloten ook niet neergeschoten. Over de muur, over het ijzeren gordijn. Omdat ze soms in het Westen soms ook in het Oosten willen zijn ” Landen zijn spinsels in onze menselijke fantasie maar wel spinsels die voor mensen zeer serieus en reëel zijn. Zo reëel dat het willen gaan van Oost- naar West-Berlijn je dood kon betekenen.

Geldt dat niet ook voor dat: “schuldpapier zoals een obligatie waarop rente wordt uitgekeerd of een ­mede-eigendomsbewijs van een bedrijf, zoals een aandeel dat bij winst dividend oplevert?” Waarin verschilt een obligatie of een aandeel van het kindje Jezus? Als je erin gelooft dan vertegenwoordigen ze waarde, geloof je er niet in, dan kun je er een vuurtje mee stoken. Maar dan moet je ze wel op papier hebben anders lukt zelfs dat niet. Een stapje verder. De waarde van dat aandeel, die obligatie en ook die crypto worden uitgedrukt in geld, afhankelijk van waar je woont in bijvoorbeeld euro’s of dollars. Waarin verschilt dat geld van ‘het kindje Jezus’? Is geld niet ook gewoon een geloof. Als ik geloof dat ik voor die euro een brood of een krop sla kan kopen, dan heeft die waarde. Als ik er niet in geloof, dan is de papieren versie weer goed om een vuurtje te stoken. Aan de digitale heb je dan helemaal niets. En is ook de waarde die we toekennen aan goud en edelstenen niet ook gewoon een ‘geloof’? Geloof je er niet in dan heb je er niets aan. Dan zijn die edelstenen niet meer dan wat kleurrijke kralen.

Bijzonder dat de toezichthouders waarschuwen voor die ongrijpbare en volgens De Waard als betaalmiddel nutteloze crypto’s en verwijzen naar even zo ongrijpbare zaken als aandelen en obligaties. Is het niet vergelijkbaar met een aanhanger van ‘het kindje Jezus’ die een aanhanger van de islam verwijt dat zijn god niet echt is?


[1] Böhme, Madeleine, Braun, Rüdiger en Breier, Florian, Hoe we mensen werden. Een geheel nieuwe kijk op de oorsprong van de mensheid, pagina 192

De nobele wilde

“Natuurlijk staan we nu, in het antropoceen, voor andere uitdagingen dan de jagers-verzamelaars. Maar zij wisten in veel opzichten vergelijkbare uitdagingen millennialang het hoofd te bieden. Hun geheim? Alle ruimte geven aan de intrinsiek androgyne kern van de mens. Dat maakt ons optimaal wendbaar en innovatief. Dat geheim ligt nu ook weer binnen ons handbereik.” De afsluitende alinea van een artikel van Laurens Buijs bij De Correspondent. Die ‘zij’ waar Buijs over spreekt, zijn onze voorouders die leefden als jager-verzamelaars. Onze voorouders die, zo betoogt Buijs, leefden in een gelijkwaardige samenleving waarin ze geen verschil maakten tussen man en vrouw als voorbeeld. Dat onze huidige samenleving qua gelijkwaardigheid diverse verbeterpunten kent, staat voor mij buiten kijf. Maar de ‘nobele wilde’ als voorbeeld?

Jacht Klopjacht Stone Age - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

Bij mij gaan de alarmbellen rinkelen als het verleden ons ten voorbeeld wordt gesteld. Dat belooft meestal niet veel goeds. Meestal wordt het verleden dan gebruikt, of beter misbruikt, om doelen in het heden te bereiken. Politici die terug willen naar de jaren vijftig, zoals Wilders of nog verder terug naar de achttiende eeuw, zoals Baudet, willen dat meestal om mensen uit te sluiten. ‘Jullie kleur, religie of iets anders was er toen niet, dus jullie horen er niet bij’. Dit is bij Buijs niet het geval.

Laten we het betoog van Buijs eens volgen. Buijs gaat, zoals hij het noemt: “op zoek naar de nodige nuance,” in het maatschappelijk debat over gender, omdat, zo betoogt hij: “want denken in tegenstellingen in gender en seksualiteit beperkt ons allemaal.” Daarom zoekt hij naar: “de stand van de wetenschap als het over gender gaat.” En dat onderzoek, zo betoogt hij: “laat zien dat de mens in de kern androgyn is: elke man is ook vrouwelijk, en elke vrouw is ook mannelijk. Dat maakt genderfluïditeit voor iedereen relevant, of we nou zelf lhbt’er of cisgender heteroseksueel zijn.”  En zo komt hij uit bij de jager-verzamelaars, die een veel gelijkwaardigere samenleving hadden en volgens Buijs kwam dat door de androgyne kern van de mens. Die androgyne kern werd naar de achtergrond gedrongen, zo betoogt hij, na de neolithische revolutie, de uitvinding van de landbouw. Want toen: “werden de rollen steeds meer langs de lijnen van gender verdeeld. Mannen namen de fysieke taken op zich, terwijl de vrouwen zich gingen toeleggen op zorgen en opvoeden. Zij leefden niet langer in grote beweeglijke groepen samen, maar steeds meer in klein familieverband met een vader, een moeder en kinderen. Zo ontstond het kerngezin, en daarmee de heteronorm.” En nu moeten we dus weer terug naar die androgyne kern die ons ‘optimaal wendbaar en innovatief’ maakt.

Een groep jager-verzamelaars bestond uit een beperkt aantal mensen, meestal tussen de 25 en de 50 mannen, vrouwen en kinderen. Als we kijken naar hun dagelijkse leven, dan waren er slechts een beperkt aantal taken die moesten worden vervuld en al die taken waren behoorlijk arbeidsintensief. Het jagen gebeurde met het grootste deel van de groep. Het hert, laat staan de mammoet kon alleen worden gevangen door met z’n allen samen te werken. En alleen door allemaal bessen te plukken en noten te verzamelen, kon er voldoende worden verzameld voor de hele groep. Bovendien was iedereen nodig om de belangrijke zaken steeds mee te verhuizen. Dus inderdaad qua rol was de groep gelijkwaardig. Zou dat door het ‘geheim van Buijs’ die androgyne kern van de mens komen of een resultaat zijn van noodzaak?

Gelijkwaardig wil echter niet zeggen dat er geen hiërarchie was in de groep. Die zal er zeker zijn geweest. Als we kijken naar onze meest naaste diersoorten, de mensapen. Ook die kennen een hiërarchie en een hiërarchie duidt op machtsverschillen. En dat is nu nog steeds zo. Zet een groep willekeurige mensen bij elkaar en er ontstaat een soort hiërarchie en ook een strijd om de ‘bovenste plek’ in die hiërarchie en gekonkel om die plek te bemachtigen. Vrouwen verschillen daarin niet zoveel of vrijwel niet van mannen. Ook vrouwen doen aan hiërarchie. Kijk gewoon naar een willekeurige schoolklas en je kunt het zien. Of als je meer van de TV bent, kijk naar al die ‘real life’ tv-programma’s als Big Brother en Expeditie Robinson. Ook daar zie je dit gedrag. Dit is menselijk, niet mannelijk en niet iets van sinds de eerste agrarische revolutie.

Dan die neolithische revolutie. Die vroeg om andere zaken en maakte ook andere zaken mogelijk. Om met dat laatste te beginnen. Die revolutie maakte het mogelijk en zelfs aanlokkelijk om meer kinderen te krijgen. Mogelijk omdat het kind niet steeds meegesleept hoefde te worden om er toezicht op te hebben. Het werd hierdoor makkelijker om extra kinderen te krijgen. Makkelijker en belonend omdat ieder kind dat overleefde een extra paar handen betekende en die handen maakten meer werk mogelijk. En als er dan toch iemand in de buurt moet blijven om een oogje in het zijl te houden, dan is het toch handiger omdat iemand te laten zijn die de kleinsten gelijk kan zogen. Hieruit is inderdaad het moderne kerngezin gegroeid alleen gingen daar nog vele eeuwen en zelfs millennia overheen want dat ‘kerngezin’ was onderdeel van een band waar ook grootouders en broers en zussen deel van uitmaakten. Een band die weer onderdeel was van een extended family, een grootfamilie of clan. Ook de keuzes die onze voorvaderen de eerste boeren maakten, kenden een praktische reden en geen op ideologie of op macht gebaseerde reden.

Dat die praktische keuze uiteindelijk hebben geleid tot een samenleving waarin mannen de baas spelen, is wat anders. Nu laat de geschiedenis zien dat er ook vrouwen zijn die de baas spelen, neem Hatsjepsoet, Nefertiti, Cleopatra of de Chinese Keizerinnen Wu Zeitan en Cixi, de Engelse koninginnen Mary, Elizabeth I en II (de huidige) en Victoria, de Russische Tsarina’s Elizabeth en Catharina. Om daaraan een einde te maken is het echter niet nodig om je gelijk in het verleden te gaan zoeken en dat verleden te buigen naar de theorie waarmee je je strijd in het heden voert.

Kastenmatroesjka

Bij OneWorld een goed artikel van Babet te Winkel over ‘uit de kast komen’. “Waarom zou ik mijn seksualiteit vast willen leggen in een identiteit, met het gevaar in die identiteit te worden opgesloten? Het wordt me steeds duidelijker waarom ik zo’n moeite heb met de vraag ‘wat ik nou eigenlijk ben’. Die vraag beperkt me in mijn handelingsvrijheid. Het zet mijn seksualiteit vast in een seksuele identiteit – wat je bént – terwijl seks toch vooral iets is wat je dóet.” Zo vraagt Te Winkel zich af. Interessante vragen. Na het lezen van het artikel vroeg ik me af of de reactie van OneWorld in de gaten heeft wat Te Winkel schrijft?

Ornament Matroesjka Baboesjka - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

Voordat ik hierop inga eerst de metafoor van de kast waar iemand uit moet komen. Te Winkel: “Waarom zijn er geen kasten waar hetero’s uit komen?” Het is inderdaad een bijzondere metafoor. Alleen mensen met een andere geaardheid dan de heteroseksuele komen uit de kast. Als je de metafoor letterlijk neemt dan zitten de heteroseksuelen dus met z’n allen in die kast. Ik weet niet of ik als heteroseksuele man zo blij ben met een leven in een kast. Maar nog even verder doordenken. Is er maar één kast waar mensen uit komen of zijn er kasten in kasten een beetje zoals een Russische Matroesjka waarin in iedere pop een kleiner poppetje zit? Als lesbienne stap je uit die ‘hetero-kast’ maar als je je vervolgens ook nog identificeert als een man, dan moet je uit de ‘Lesbo-kast komen’. Als heteroseksuele man begin ik me dan ernstig claustrofobisch te voelen. De grootste groep mensen, zit dan immers in de kleinste kast en omgekeerd, de kleinste groep heeft de grootste kast ter beschikking of is de enige groep die in geen enkele kast zit? Wat zo gebeurt is dat we onszelf en elkaar vast gaan leggen in ‘verondersteld gedrag’. En daar maakt, als ik haar goed begrijp, Te Winkel bezwaar tegen. Als  je het zo beziet, dan is die kast voor iedereen een slechte metafoor. Niemand zit in een kast en we zijn allemaal op reis in ons leven en gedurende die reis leren we onszelf en anderen kennen. Of zoals Te Winkel schrijft: “Seksualiteit vraagt om onderzoek en om het verzetten van innerlijk werk. Het betekent jezelf onder de loep nemen, verantwoordelijkheid nemen, omgaan met moeilijke emoties, moed tonen en groeien als mens. Het betekent niet het gebaande pad lopen, maar je eigen pad banen. Daarin ben je dan weer niet alleen, want dat doen we allemaal.”

En met die individuele reis in het betoog van Te Winkel, kom ik bij de vraag of de redactie van OneWorld in de gaten heeft wat Te Winkel schrijft. Te Winkel slaat in dit artikel het intersectioneel- of in beter Nederlands, kruispuntdenken aan gort. “Intersectionaliteit erkent de macht of onmacht die de verschillende assen van identiteit met zich meebrengen.” Zo omschreef Seada Nourhussen, hoofdredacteur van OneWorld, het in een artikel in 2019. Volgens Nourhussen: “is kruispuntdenken ook cruciaal voor progressieve bewegingen. Wanneer je vecht tegen klimaatverandering, maar geen oog hebt voor racisme is je strijd niet inclusief en dus ook niet effectief. En als je strijdt tegen seksisme, maar geen oog hebt voor validisme (discriminatie van mensen met een functiebeperking) doe je alsnog aan uitsluiting. Een gebrek aan kruispuntdenken kan onderdrukking zo bestendigen bínnen bewegingen die vooruitgang pretenderen.”

Voor kruispuntdenkers wordt de identiteit van iemand bepaald door zijn samenstellende delen. Delen zoals het zijn van man, hetero, cis-gender, zwart, universitair geschoold enzovoorts. Je identiteit wordt vervolgens bepaald door de respectievelijke ‘machtspositie’ van de verschillende delen. Man heeft meer macht dan vrouw en die weer meer dan een trans persoon. Hetero heeft meer macht dan homo, blank meer dan zwart enzovoorts. Het intersectionele denken zorgt ervoor dat wat Te Winkel op seksueel gebied bezwaarlijk vindt, op al die gebieden gebeurt: het wordt gepresenteerd als iets onveranderlijks. Mensen worden vastgezet in verwachtingen die door de onderdelen van hun identiteit worden verondersteld. Het maakt, identiteit onnodig zwaar. Het mag dan wel: “ordelijk en gemakkelijk om in hokjes te denken” zijn, zo schrijft Te Winkel: “maar door onszelf en anderen in hokjes in te delen, creëren we een schijnveiligheid.”  

Zou Nourhussen in de gaten hebben dat het mooie betoog van Te Winkel verder gaat dan het artikel waarvoor Amanda Govers iets meer dan een jaar geleden door OneWorld voor de trein werd gegooid? Govers kreeg de wind van voren en werd gecanceld door OneWorld omdat in haar artikel over voeding de ‘intersectionele blik’ ontbrak[1]. Te Winkel gaat veel verder. Zij legt met goede argumenten de bijl aan de wortels van de, volgens Nourhussen, voor de progressieve beweging cruciale boom van het kruispuntdenken.


[1] Ik schreef er een Prikker over met als titel Intersectionele Blik