Zeep en zelfredzaamheid

“Cijfers zijn als zeepjes, schrijft Sanne in haar boek: knijp er te hard in en ze glippen uit je handen. We zijn soms zo obsessief bezig met meten dat de cijfers hun doel voorbijschieten.” Een citaat uit de aankondiging van een podcast bij de Correspondent. Een podcast met Sanne Blauw, een econometrist die het als haar doel ziet om: “cijfers weer op hun plek (te) zetten. Niet op een voetstuk. Niet bij het vuilnis. Maar waar ze horen: naast de woorden.” Aan dit citaat moest ik deze week denken. Ik moest eraan denken toen ik met enkele collega’s sprak over het boek De verhuizing van de verzorgingsstaat. Een boek waar ik vorige week ook al over schreef.

Bron: Wikipedia

“Beleid wordt niet gemaakt door beleidsmakers maar door uitvoerders. Politici noch ambtenaren op ministeries en in gemeentehuizen bepalen het beleid, maar de zorgverleners aan het bed en de politieagenten op straat.” Met die zin begint het laatste hoofdstuk. Het boek doet verslag van een onderzoek onder de uitvoerders van de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Participatiewet en de de Jeugdwet. Hoe vullen zij hun werk in en hoe verhoudt zich dat tot het beleid en daarin geformuleerde doelen? De onderzoekers concluderen dat er drie verschillende werelden zijn. De eerste wereld van de beleidsnota’s, de echte wereld van de uitvoerders en de derde wereld van de ‘verantwoording van de resultaten’.

Ik moest aan het citaat denken omdat de auteurs van het boek het fenomeen zelfredzaamheid-matrix onder de loep nemen. Een instrument waarmee je kunt “bijhouden hoe de zelfredzaamheid van cliënten zich ontwikkelt.” Een instrument om te kunnen meten of het beleidsdoel: een toename van de zelfredzaamheid kan worden bereikt. Nu is er met dat begrip zelfredzaamheid iets bijzonders aan de hand, aldus de auteurs. In de beleidsdocumenten zien zij twee betekenissen die haaks op elkaar staan. Een de ene kant: “Individuele zelfstandigheid – ook wel ‘eigen kracht’ en ‘zelfzorg’ genoemd,” en aan de andere kant: “het vermogen om informele hulp te vragen aan en te ontvangen van naasten, in ‘eigen netwerken’.” De auteurs vragen zich af: “hoe ze beide onder de term ‘zelfredzaamheid’ kunnen vallen.” Gelukkig geven ze ook het antwoord: “Het antwoord schuilt in wat beide betekenissen in negatieve zin verbindt: ze staan tegenover een beroep doen op professionele hulp. Zelfredzaamheid wordt dus niet positief gedefinieerd maar vooral in termen van wat het niet is, namelijk geen beroep op professionele hulp.” Dit even als redelijk relevant terzijde. Redelijk relevant omdat je de vraag kunt stellen welke ‘zelfredzaamheid’ er wordt gemeten? De resultaten lijken daarmee al op de ‘zeepjes’.

Het wordt echter nog glibberiger. Uit hun veldonderzoek onder de uitvoerders blijkt dat: “Verslaglegging (…) het werk van professionals zwaarder (heeft) gemaakt en meer bureaucratische rompslomp met zich meegebracht. Dat hoeft hun speelruimte echter niet in te perken: ze kunnen hun verslaglegging toeschrijven naar wat het beleid wil horen.” Met hun voeten ‘onder de keukentafel’ hebben de uitvoerders nog een, redelijk logische betekenis toegevoegd aan zelfredzaamheid: “professionele hulp zoeken (teneinde in een later stadium alsnog het zelf te kunnen doen of het netwerk te kunnen vragen).” Deze extra categorie maakt dat: “Bijna alles wat een wijkteamlid of een Wmo- consulent doet, (…) als toename van zelfredzaamheid gescoord (kan) worden. En dus kan beleid op papier succesvol zijn, bijna ongeacht wat er in de praktijk gebeurt.”

De auteurs concluderen hieruit dat: “Als we accepteren dat beleidsplan en verantwoording enerzijds en praktijk anderzijds verschillende werelden zijn, dan kunnen we constateren dat het met beide werelden best goed gaat.” Alleen leidt dat tot drie problemen. Als eerste wordt het zelfredzaamheidsideaal: “niet serieus ter discussie (…) gesteld noch nader (…) gepreciseerd; wat in de praktijk geleerd wordt, leidt niet tot reflectie in beleid en politiek.” Als tweede vraagt dit: “veel rituele handelingen (…) van professionals die het al heel druk hebben en weinig baat hebben bij de eindeloze verantwoordingsformulieren.” En als laatste: “kan beleid wél emotionele schade veroorzaken bij cliënten, juist wanneer de professionals beleidsopdrachten heel getrouw uitvoeren en zich dus niet als straatbureaucraten gedragen.” 

De ‘cijfers en woorden’, om het doel van Blauw te parafraseren, komen niet naast elkaar te staan. Niet alleen wordt zo het ‘zelfredzaamheidsideaal’ niet ter discussie gesteld, ook de ideologie waarop de drie genoemde wetten zijn gebaseerd, wordt niet getoetst en ter discussie gesteld. En, zoals ik al eerder schreef, is die ideologie een ‘kaartenhuis’ gebaseerd op aannames.


Verdwalen tussen de kruispunten

In-ter-sec-tio-na-li-teit. Het klinkt ingewikkeld, onbekend en academisch.” De eerste zin van een artikel van Seada Nourhussen bij Oneworld. “ Intersectionaliteit erkent de macht of onmacht die de verschillende assen van identiteit met zich meebrengen.” Ze legt het uit: “Zo ben ik vrouw (geslacht), zwart (ras), migrant en heb ik een islamitische achtergrond (religie). Deze zaken stellen mij achter in een samenleving gedomineerd door witte mannen. Maar ik ben ook cis (mijn seksuele identiteit komt overeen met het geslacht waarin ik ben geboren), hetero (seksualiteit), theoretisch opgeleid en hoofdredacteur (klasse).Op dat vlak geniet ik weer meer privileges dan iemand die zich als non-binair persoon identificeert, praktisch opgeleid en financieel arm is.” Je identiteit is dus een optelling van al die zaken. 

Als ik het goed begrijp ben ik dan een man en blank. Ik ben geen migrant want ik woon nog in de buurt van mijn geboorteplaats. Ik ben katholiek opgevoed maar geloof nergens in. Ik ben ook cis, zo begrijp ik nu, al vraag ik mij af of dat wat over mijn identiteit zegt omdat het begrip mij niets zegt en ik me afvraag wat het nut van dit begrip is. Ik ben een theoretisch opgeleide hetero die als zzp’er actief is in overheidsland en schrijf stukjes op mijn eigen site. 

Bron: Wikipedia

Hoe verhouden mijn ‘privileges’ zich nu tot die van Nourhussen? Omdat onze wereld, zo schrijft Nourhussen, wordt gedomineerd door ‘witte mannen’ zou ik meer privileges hebben. Zij is immers een zwarte vrouw met een migratie verleden. Qua opleving scoren we gelijk. Zij is hoofdredacteur en trad en treedt geregeld op in andere media. Die vragen mij nooit. Haar stem rijkt daardoor verder dan de mijne. Wie van ons tweeën heeft dan de meeste privileges?

Volgens Nourhussen is dat kruispuntdenken essentieel; “Wanneer je vecht tegen klimaatverandering, maar geen oog hebt voor racisme is je strijd niet inclusief en dus ook niet effectief. En als je strijdt tegen seksisme, maar geen oog hebt voor validisme (discriminatie van mensen met een functiebeperking) doe je alsnog aan uitsluiting. Een gebrek aan kruispuntdenken kan onderdrukking zo bestendigen bínnen bewegingen die vooruitgang pretenderen.” Volgens Nourhussen moeten we aan al die ‘kruispunten’ aandacht besteden als we de wereld beter willen maken en achterstelling van mensen bestrijden. Ze constateert dat: “de frontlinies van progressieve bewegingen nog zo ver uit elkaar liggen.”  

Gelukkig zijn er mooie voorbeelden: “In de ballroom culture in New York bijvoorbeeld, waar queer mensen van kleur hun eigen magische wereld creëren, waar ze beschermd zijn tegen de uitsluiting en onderdrukking van zowel de witte gay scene als cis hetero’s.”  Ik vraag me af wat er zo mooi aan een ‘eigen eiland’ is? Zo’n eiland dat anderen uitsluit omdat ze wit en gay of zwart en cis zijn.

Volgens Nourhussen komt alles samen op die verschillende kruispunten: “Daar moeten we elkaar zien te ontmoeten,” zo sluit ze haar artikel af.  Ik zie door al die kruispunten het bos niet meer. Bovendien zijn er kruispunten waar ik helemaal niet kan komen omdat ik niets heb met de betreffende ‘assen van identiteit’. Een bijzondere theorie die eerst de wereld en vooral de mens in kleine stukjes hakt en vervolgens iedere mens een aantal van die stukjes toedeelt en die toedeling ‘identiteit’ noemt. Stukjes die niet kunnen worden veranderd. 

Hoeveel zin heeft het om alle energie te verspillen aan indelen van mensen in categorieën die ze niet kunnen veranderen en daar vervolgens een belangrijk punt van maken. Kleine stukjes die alle energie op hun eigen eigenheid en problemen richten en zich daarbij afzetten tegen andere kleine stukjes.

Zou dat ‘ontmoeten’ niet veel makkelijker worden als er niet wordt verdeeld maar verbonden? Als er niet gezocht wordt naar verschillen, naar die kleine stukje, maar naar het geheel? Dat geheel heet mens en het streven wat al die verschillende groepjes delen is dat ze gelijk willen worden behandeld en gelijke kansen willen hebben in de wereld. Als dat de gemeenschappelijke deler is, waarom dan eerst verdelen en vervolgens elkaar proberen te vinden op kruispunten? Dan kan alle energie worden gericht om dat doel van een betere wereld te bereiken. 

“Daarom is kruispuntdenken ook cruciaal voor progressieve bewegingen,” schrijft Nourhussen. Ik denk inderdaad dat het cruciaal is. Cruciaal om ermee te stoppen zodat we niet verdwalen tussen de kruispunten, maar elkaar vinden in het geheel.

Reizen Waes

In diverse media heeft het KNMI het weer gedaan. Er zijn ‘hittegolven’ weggestreept in de eerste helft van de twintigste eeuw en daardoor lijkt het alsof er de laatste jaren steeds meer hittegolven zijn. De hele discussie gaat over het al dan niet terecht aanpassen van oude temperatuurgegevens voor meetstation De Bilt. Een groep onderzoekers noemt deze aanpassingen onterecht. Nu is kritiek op en discussie over de manier van meten onderdeel van de wetenschap. 

Bron: 27 vakantiedagen

Bij Opiniez besteedt Robert Bor hier aandacht aan. Bor gaat een stapje verder. Zijn kritiek richt zich op klimaatmodellen. Natuurlijk mag men kritiek leveren op klimaatmodellen. De Ballonnendoorprikker levert ook geregeld kritiek op modellen van welke soort dan ook. Modellen zijn immers een versimpeling van de werkelijkheid. 

Bor ziet opzet. “Het zaakje stinkt aan alle kanten.” Daarmee gaat Bor iets verder dan wetenschapskritiek. Bor suggereert opzet: “De ‘fout’ van het KNMI valt, net als de fouten van het Planbureau voor de Leefomgeving, precies uit ten faveure van het versterken van het beeld van klimaatopwarming door de mens en het nemen van klimaatmaatregelen. De overcorrectie van zeer specifieke gegevens is geen kwestie van slordigheid, daarvoor zijn ze te gericht. Het heeft alle schijn van moedwillige manipulatie van de meetgegevens.” Moedwillige manipulatie met als doel: “om door massage van de waarnemingen de publieke opinie te beïnvloeden en zich op het gladde ijs van politieke natuurkunde te begeven.” Nogal een stevig verwijt. Terecht of niet? 

Nu is er naast het gebruik van ‘theoretische modellen, ook een andere manier om wetenschap te bedrijven. Je kunt ook naar de werkelijkheid kijken en proberen te verklaren wat je ziet. Temperatuur meten is er daar een van. Op metingen moet je zuinig zijn. En met het aanpassen van oude gegevens, zoals de de KNMI heeft gedaan, moet je zeer terughoudend zijn. Beter kun je het niet doen. 

Gelukkig zijn er ook nog andere manieren om klimaatverandering waar te nemen. Neem foto’s die door de jaren heen van een gletsjer zijn gemaakt en die laten zien dat het ijs zich steeds verder terugtrekt. Of de ijskap op de Noordpool die steeds kleiner wordt. Makkelijk waar te nemen omdat havens en gebieden die vroeger altijd dichtvroren dat nu niet meer doen. Zo bezocht de Belg Tom Waes, voor zijn programma Reizen Waes, Groenland.

De werkelijkheid laat smeltend ijs zien en dat duidt op een stijging van de temperatuur. Als dat over een langere periode gebeurt, dan kunnen we concluderen dat het klimaat verandert. Het klimaat is immers niets meer dan een langjarig gemiddelde. Zo zijn er vele waarnemingen die duiden op een klimaatverandering. Rest alleen de vraag of menselijke activiteit hiervan de oorzaak is. Aangezien koolstofdioxide voor een broeikaseffect zorgt en de menselijke activiteit veel van dat gas uitstoot, ligt het voor de hand dat die activiteit het in ieder geval niet voorkomt.

Bubbels en bellen blazen

“De geschiedenis van de mensheid is een bijzonder kronkelig pad. Soms lijkt het op een Echternach processie, soms op een sprintwedstrijd en dan weer een zeilregatta zonder wind. Soms zo spannend als het laatste kwartier van de wedstrijd tussen Ajax en Bayern München van 12 december 2018 en soms net zo saai als kijken naar het groeien van gras.”  Dit schreef in ik de Prikker Het leven wordt vooruit geleefd en achteruit verklaard. Een Prikker die is gewijd aan de het gebruiken of beter gezegd, het misbruiken van de geschiedenis voor doelen in het heden. Het kan echter nog erger. Je kunt die ‘misbruikers’ van de geschiedenis veel verwijten, dat ze selectief winkelen, dat ze met hedendaagse ogen, normen en waarden kijken. Wat je ze niet kunt verwijten is dat ze het verleden niet bestuderen. Bij anderen heb ik het idee dat ze de geschiedenis niet kennen.

Bron: Pixabay

Bij De Correspondent interviewde Karel Smouter hoogleraar bestuurskunde en VVD’er Casper van den Berg. “Vanuit Leeuwarden onderzoekt hij het effect van globalisering op burgers en bestuurders.” Zo wordt Van den Berg geïntroduceerd. En wat constateert Van den Berg: “Hier is lang de vraag geweest wat de nieuwe maatschappelijke ordening zou worden na de verzuiling. In de jaren negentig dachten we dat er een soort Veronica-consensus van vrijheid, blijheid was ontstaan, met alle neuzen ongeveer dezelfde kant op. Dat bleek een schijnconsensus. Waar je woont bepaalt voor een belangrijk deel in wat voor bubbel je zit en hoe je tegen de wereld aankijkt.” Vroeger, in de tijden van de verzuiling: “was er altijd een directe relatie tussen die twee groepen. Ze vormden als het ware een eenheid en kwamen elkaar ook op veel meer plekken tegen. Je had in Den Haag mensen zitten die namens jou en jouw zuil spraken. En in Amsterdam de redactie van een krant die jouw zuil vertegenwoordigde.” Daarvan is nu geen sprake meer: “Ik onderscheid de anywheres, degenen voor wie globalisering vooral voordelen heeft, in deze grafiek van de somewheres, die minder goed uit de voeten kunnen met de globalisering. Vervolgens kijk ik ook wáár deze mensen wonen. Dan valt op dat de anywheres in de bruisregio’s (14 procent) verhoudingsgewijs maar een klein deel van Nederland beslaan. Dat zijn de journalisten, de politici, de wetenschappers, die vanuit Den Haag en Amsterdam de toon zetten. De groepen onder in de grafiek zijn de bewoners van de oude wijken (21 procent), van middelgrote gemeentes (17 procent) en plattelandsregio’s (12 procent), die veel verder van de “macht” af zitten. De politieke instabiliteit die je op veel plekken in de wereld ziet, komt volgens mij uit dit verschil voort.”  Nu doet de plek waar je woont ertoe want: “De politieke scheidslijnen lopen steeds vaker tussen regio’s die bruisen en regio’s die krimpen.”

Politieke scheidslijnen tussen gebieden waar het goed gaat en waar dat niet het geval is, is dat nieuw? Liepen er in de oudheid geen politieke scheidslijnen tussen gebieden waar het goed ging en waar dat niet het geval was? Dat was de Egyptenaren, Babyloniërs of Atheners vreemd. Iedereen stond te juichen toen het de Romeinen zo goed ging dat ze zich spontaan bij hun ‘wereldrijk’ aansloten. Omgekeerd, die Farao, de koning van Babylonië, de vrije Atheners en de burgers van Rome keken niet neer op anderen. De rijkdom van Rome wekte geen afgunst of begerig verlangen. Dat speelde helemaal niet mee bij Alarik, de leider van de Visigoten, toen hij in 410 Rome binnenviel. Daarbij speelden politiek motieven als macht in het geheel geen rol. Dat had niets te maken met scheidslijnen tussen gebieden waar het goed ging en waar niet. Ook de Opstand van de Verenigde Provinciën tegen de Spanjaard had niets te maken met scheidslijnen tussen gebieden waar het goed ging en waar niet. Zelfs tussen die Provinciën, tussen de steden binnen een provincie en tussen steden en het ommeland speelde die scheidslijn geen enkele rol. Trouwens ook niet bij de Amerikaanse en Franse revolutie. Dat is echt iets van onze tijd. Gelooft u dat?

Zelfs in de korte glorietijd van de verzuiling liepen er ‘politieke scheidslijnen’ tussen bruisende regio’s en regio’s die niet zo goed mee konden komen. Korte glorietijd omdat de verzuiling slechts een kort intermezzo was in de geschiedenis. Een intermezzo waar we zo vanaf het einde van de negentiende eeuw in begonnen te rollen en dat een eeuw later alweer volledig was verdwenen. Vooral het einde van die hoogtijdagen, de jaren vijftig, kenmerkten zich door de wederopbouw en een flinke groei van de bevolking wat overal voor activiteiten zorgde. Ja, het einde van een oorlog is goed voor de economie. Wel waren er regio’s die harder bruisten dan andere. Ook kenmerkend voor deze glorietijd was dat alle politieke stromingen meewerkten aan de opbouw van een sociaal stelsel dat ervoor zorgde dat iedereen op een redelijk niveau kon leven. Dat echte armoede werd uitgebannen en dat de verschillen in inkomen en vermogen niet al te groot waren. Een periode waarin een samenleving meer was dan een verzameling individuen waaruit zij tegenwoordig lijkt te bestaan. 

Bron: Wikipedia

Inderdaad zaten er mensen in Den Haag die namens je zuil spraken. Alleen spraken mensen van verschillende zuilen niet veel met elkaar. Ze zaten, om het met een moderne uitdrukking te zeggen, in een eigen ‘bubbel’. Ja want ook ‘bubbels’ zijn niet nieuw. Voor een communist stond de waarheid in De Waarheid, voor een katholiek in de Volkskrant en zo kunnen we doorgaan. Ook voor de verzuiling zaten mensen in een ‘bubbel’ die bij hun denkwereld aansloot. Dat is allemaal niets nieuws immers de mens zoekt vooral naar bevestiging van zijn eigen gelijk en denkwereld. Dat geeft hem een zeker en veilig gevoel ook al kan dat ‘gelijk’ van de ene op de andere dag veranderen in ongelijk. Zo viel de Berlijnse muur bijna van de ene op de andere dag en met die muur ook het Oostblok en daarmee zag ‘het gelijk’ er ineens anders uit. 

Wat ook niets nieuws is, zijn wetenschappers die de wereld proberen te verklaren aan de hand van een model. Van den Bergs ‘anywhers en somewheres’ is ook zo’n model. En net zoals ieder model dat probeert het licht te laten schijnen op de werkelijkheid, is het een versimpeling ervan. Dat is niet erg, als dat er maar bij wordt verteld en er met twijfel over wordt gesproken. Van den Bergs model is wel een erg grote versimpeling. 14% van de Nederlanders zijn de ‘anywheres’ die voordeel hebben bij de globalisering en die wonen in Den Haag en Amsterdam en dat zijn: “de journalisten, de politici, de wetenschappers.” 14%, dat zijn bijna 2,4 miljoen mensen. Of eigenlijk nog groter want ook van de 21% in de oude wijken, woont er een flink deel in Amsterdam en Den Haag. Ik wist niet dat er zoveel mensen tussen de Amsterdamse grachtengordel en onder de Haagse kaasstolp pasten. 

Volgens Van den Berg is er: “weinig tot geen contact tussen de bubbel die het voor het zeggen heeft en de bubbel van de regio’s die er niet toe doen.” Ook dat is niets nieuws. Ten tijde van de Republiek was het niet zoveel anders. Amsterdam keek neer op de andere Hollandse en Zeeuwse steden. Die keken weer neer op de kleinere steden en dorpen en allemaal keken ze neer op de ‘Generaliteitslanden’. Zo ging het huidige Limburg er pas echt toe doen toen er steenkool werd gevonden en deed het er na de sluiting van de mijnen ineens veel minder toe. Nu zien we hetzelfde met Groningen gebeuren.

Met zijn ‘bubbel die het voor het zeggen heeft’ en de ‘bubbel van de regio’s die er niet toe doen’ creëert Van den Berg weer het onderscheid is tussen volk en elite. Het aambeeld waarop velen hameren en die velen situeren zich allemaal aan de kant van het volk. Dit terwijl hun posities in de samenleving alle kenmerken van elite hebben. Neem de in mijn woonplaats geboren Wilders, die claimt al jaren een positie buiten de elite terwijl hij zo ongeveer het langst zittende kamerlid is en zelfs een, zij het korte, periode mee aan de knoppen heeft gezeten. Sinds kort heeft hij concurrentie van Baudet, de ‘grootst intellectueel’ van Nederland. Enige verschil is dat Van den Berg de elite geografisch situeert in Den Haag en Amsterdam. Dit terwijl de eerdere ‘elite’ overal woonde. Een nieuwtje: winnaars en verliezers van de globalisering wonen overal. Ze wonen zelfs verspreider dan de leden van de zuilen uit eerste helft de vorige eeuw. 

“De politieke instabiliteit die je op veel plekken in de wereld ziet,” wordt volgens Van den Berg veroorzaakt door die ‘machtsbubbel’ en de regionale bubbels die er niet toe doen. Inderdaad speelt die ‘machtsbubbel’ daar een belangrijke rol in, alleen zou die machtsbubbel wel eens heel anders kunnen zijn samengesteld dan Van den Berg denkt. Als die bestaat uit de “journalisten, de politici, de wetenschappers” dan is die bubbel wel heel erg verdeeld over te nemen maatregelen. En als er al grote mate van overeenstemming is, zoals rond bijvoorbeeld klimaatproblematiek, dan leidt dat niet tot maatregelen die deze problemen aanpakken. Of neem de discussie rond de dividendbelasting. Grote overeenstemming onder journalisten, wetenschappers en zelfs politici dat deze belasting gehandhaafd moest worden, toch werd er besloten ze op te doeken. Pas toen duidelijk werd dat Unilever twee hoofdkantoren hield en dus niet één in Nederland, liet het kabinet de maatregel varen.

Bron: Flickr

Maken deze twee voorbeelden niet duidelijk dat de ‘machtsbubbel’ anders is samengesteld dan Van den Berg denkt? Maken ze niet duidelijk dat die ‘machtsbubbel’ maar een zeer beperkt aantal ‘bewoners’ kent. ‘Bewoners’ die vooral moeten worden gezocht bij de multinationals en superrijken van deze wereld? Komen we daarmee niet bij het eigenlijke probleem? Het probleem dat centraal staat in The Price of Inequality van Joseph Stiglitz, namelijk de 1% rijksten die bepalen wat er gebeurt omdat zij het geld en de macht hebben. Die 1% meest vermogenden hebben de mogelijkheid en gebruiken die ook om de zaken in hun voordeel te beïnvloeden. Dit doen zij door invloed te “kopen” bij politici. Zij zijn de financiers van de media, de belangrijke universiteiten en denktanks en via deze kanaal beïnvloeden zij de beeldvorming en de samenleving in een voor hun belangen gunstige richting. Als laatste kunnen zij met hun kapitaal ook hun ‘recht’ kopen ook als zij niet in hun recht staan. Met diepe zakken kun je iemand die er niet over beschikt immers ‘failliet’ procederen. Stiglitz spreekt over ‘one dolar, one vote’. De have’s, de 1% van Stiglitz, hebben de mogelijkheden en gebruiken die om de kansen in hun voordeel te buigen. Dit ten nadelen van de have nots die hun kansen op stijging zien vervliegen.

In vroeger eeuwen kenden we, zoals Hans Achterhuis en Nico Koning het in hun boek De Kunst van het Vreedzame vechten noemen, een verticale beschavingsordening (pagina 190): “… een ‘van boven’ opgelegde orde. Dat die ordeningen ‘van boven’, moet – althans voor de meest oorspronkelijke vormen -opgevat worden in de dubbele betekenis van het woord: ze ontwikkelen zich in vaste hiërarchieën en ze komen van God of de goden.” In hun boek onderzoeken zij de oorzaken van geweld en de manier waarop de mens geweld door de eeuwen heen heeft beteugeld. Zij zien gelijkheid als een van de belangrijkste oorzaken van geweld. De verticale ordening was eeuwen lang de manier om het onderling geweld in een clan, stam, dorp, stad of rijk te beteugelen, beteugelen door ongelijkheid aan te brengen. Het gezag kwam van boven en was uiteindelijk gesanctioneerd door een god of de goden. In sommige culturen werd aan de hoogste leider zelfs een goddelijke status toegekend. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Egyptische farao’s maar ook de Chinese en Japanse keizers. Dit zorgde voor stabiliteit en meestentijds voor interne vrede, meestentijds maar niet altijd. Rebellie tegen een heerser betekende vaak ook rebellie tegen de heersende godsdienst en dat zorgden voor een flinke drempel. Maar te brute uitoefening van gezag, het ontstaan van een concurrerende religie, ideologie of identiteit of langdurige onvrede met de manier waarop de macht wordt uitgeoefend waren en zijn de drie hoofdoorzaken waarom mensen in opstand komen. 

Kijken we naar onze huidige westerse samenleving dan zien we dat gelijkheid samen met vrijheid de basis vormt van die samenleving. Onze samenleving kent, in de woorden van Achterhuis en Koning een horizontale beschavingsorde. De eerste artikelen van onze grondwet handelen over gelijkheid en vrijheid. Als gelijkheid een van de belangrijkste oorzaken van geweld is, hoe komt het dan dat samenleving die is gebaseerd op gelijkheid, dan toch relatief vreedzaam is? Dit is, zoals zij het noemen, een gevolg van een proces van modernisering. Dit moderniseringsproces heeft ervoor gezorgd dat in de westerse wereld de verticale ordening min of meer is verdwenen en is vervangen door horizontale vormen van beschavingsordening. We hebben manieren gevonden om zonder de hiërarchie toch geweld te beteugelen. 

Eigen foto

In de ogen van de beide auteurs was modernisering in het westen mogelijk door de demontage van oude systemen en de toegenomen beschikbaarheid van alternatieven, alternatieven die met name gericht zijn op de beheersing van confrontaties. Zij zien zes alternatieven (pagina 254): “… de rechtsorde, de marktorde, de wetenschap, de sport, de overlegcultuur en de democratische procedures.” Dit zijn, volgens de auteurs, manieren om de gevaren van gelijkheid te beteugelen en beheersen. 

Maar wat zien we als we naar onze huidige samenleving kijken? Dan lijkt er op verschillende gebieden een vorm van verticale ordening te groeien, dit in een samenleving die een horizontale ordening kent. Kijken we naar de marktorde dan zien we dat hier onder invloed van het neoliberalisme een veel verticalere ordening lijkt te ontstaat. De groeiende tweedeling tussen tussen de 1%, zoals Stiglitz ze noemt en de overige 99% gaat die richting op. En voor wat betreft de Verenigde Staten toont Stiglitz in The Price of Inequality aan dat die 1% ook de rechtsorde, de (economische en sociale) wetenschap, en de democratische procedures naar hun hand aan het zetten zijn. 

Lijkt Achterhuis en Konings horizontale ordening in de westerse wereld niet onder de grote druk van vooral de 1% te worden omgevormd tot een nieuwe verticale ordening? Een stap in de richting van het anti-moderne? Omdat de markt en het denken hierover de cruciale rol heeft gespeeld begin ik een reeks artikelen over het denken over economie. Want zoals Stiglitz schrijft (pagina XIV): “More than anything else, a sense that economic en political systems were unfair is what motivates the protest around the world.” Een reeks die ik in T-shirts, belastingen en liefdadigheid al aankondigde en waarvoor dit artikel een tweede aanleiding vormt.

Inderdaad maakt het uit op welke plek je wordt geboren. Staat je wieg in Nederland, zelfs in een ‘regionale bubbel’ die niets te zeggen heeft, dan heb je het objectief gezien nog altijd veel beter dan het grootste deel van de wereldbevolking. Zo maakt het ook uit of je in een Wassenaarse villa of in een arbeidershuisje in de Schilderwijk. Dat verschil wordt echter niet veroorzaakt door de locatie maar door het verschil in vermogen. Waarbij de Schilderwijk in de Haagse ‘machtsbubbel’ en Wassenaar ruim tien kilometer verderop ligt. Ik denk niet dat de inwoners van de Schilderswijk de idee hebben dat zij de ‘macht’ hebben. Niet de geografische locatie maar vermogenspositie is leidend. Maar ook dit is niet nieuw want al in de jaren tachtig van de twintigste eeuw zong Harry Jekkers: “Maar wat is nou die vrijheid, zonder huis, zonder baan? Zoveel Turken in Kreuzberg, die amper kunnen bestaan. Goed je mag demonstreren, maar met je rug tegen de muur. En alleen als je geld hebt dan is de vrijheid niet duur.” En Jekkers was daarin niet de eerste en enige. Marx schreef er zijn Das Kapital over. 

Hiertegen helpt geen pleidooi zoals dat van Van den Berg voor: “een betere vertegenwoordiging van burgers uit héél Nederland in politiek Den Haag. Mijn eigen partij, de VVD, verplicht zichzelf om in de top 20 van de kandidatenlijst voor de Eerste Kamer tenminste één kandidaat uit elke provincie te plaatsen.” Want zou alleen het feit dat een kandidaat die tot die 1% behoort of onder invloed van die 1% staat en die uit Venlo komt, mij als Venlonaar het gevoel geven dat ik meer te zeggen heb? Iemand wiens leef en denkwereld mijlen ver van de mijne staat? Laat ik het zo zeggen, het feit dat Wilders in mijn woonplaats Venlo is geboren en in dezelfde periode dezelfde middelbare school bezocht, maakt nog steeds niet dat ik het idee heb dat hij mij vertegenwoordigt. Het zorgt er niet voor dat ik het gevoel heb dat mijn afstand tot de macht kleiner is geworden. Er zijn anderen, vanuit geheel andere regio’s die mij dat gevoel veel meer geven. Anderen die meer aansluiten bij mijn leef en denkwereld.


Homo economicus en belastingen (deel 1)

‘Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker’, het overbekende motto van de Nederlandse Belastingdienst. Zou het toeval zijn dat de dienst dit motto in 1994 introduceerde? Nee, toeval was het niet. Het was immers precies de periode dat er werd begonnen met de digitalisering van de belastingaangifte. Aangifte doen werd een stuk makkelijker omdat je je niet door die hele stapel papier hoefde te werken. Nee, geef antwoord op de vraag en je gaat automatisch naar de volgende relevante vraag. Alle irrelevante vragen die op de papieren versie tussen deze twee vragen stonden, hoefde je niet meer te lezen. Dat verklaart het tweede deel van het motto. Hoe zit het met het eerste deel?

Allegorie op de invoering van de tiende penning; de Nederlandse maagd geknield voor Alva temidden van verscheurde privileges. Bron: Picryl

Ik moest hieraan denken toen ik op de site Opiniez het pleidooi van Johannes Vervloed voor het overnemen van het economisch beleid van president Trump las. “Aan de vooravond van de verkiezing van Trump kampte de VS met een situatie, die vergelijkbaar is met Nederland nu. Een scheve verdeling van de welvaart, een groot en steeds groter wordend verschil tussen rijk en arm, een tweedeling van de samenleving. De VS kent na twee jaar Trumponomics weer een sterke economische groei, honderduizenden nieuwe banen zijn gecreëerd en vele laagbetaalde werknemers komen uit de armoedeval.” Hoe heeft Trump dat volgens Vervloed gedaan? “Door de belastingverlagingen van Trump zijn de kosten voor de werkgever gedaald en is de koopkracht van de werknemer toegenomen. Dit dubbele effect zwengelt de Amerikaanse economie aan en haalt de laagbetaalde werknemer uit de armoedeval.”  

Als we de geschiedenis erop naslaan, dan zien we dat ‘belastingen’ vaak een rol speelden in conflicten tussen soeverein en onderdanen. Neem de ‘Tiende penning van Alva’, de poging van Phillips II om de belastinginning te centraliseren. Een poging om een zestiende-eeuwse belastingdienst op te zetten.  Die ‘tiende penning’ was eigenlijk een verzameling van verschillende belastingen bestaande uit 10% belasting op roerende goederen (een soort BTW) 5% omzetbelasting bij de verkoop van onroerend goed (een voorloper van de huidige overdrachtsbelasting) en 1% belasting op onroerend goed (een voorloper van de huidige onroerende zaakbelasting). Dit leidde tot groot protest, die belasting was te hoog, maar vooral stak het de Provinciën van de Lage Landen dat het geld werd gebruikt om hen te ‘onderdrukken’. Die ‘tiende penning’ was een van de belangrijke oorzaken voor de opstand van die Provinciën. Een opstand waaruit uiteindelijk de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën groeide. Zo kun je zeggen dat hoge belastingen tot opstanden leiden. Bijzonder is dan wel dat de ‘opstandelingen’ zelf ook belastingen hieven om de strijd mee te betalen. In het geval van Willem van Oranje een belasting van 15% op roerende goederen, een hoger percentage dan Phillips II wilde heffen.

Belastingen speelden ook een belangrijke rol in het ontstaan van de Verenigde Staten. Het Engelse moederland probeerde de handel van de kolonie te reguleren. Dat hield vooral in dat er werd gezocht naar mogelijkheden om de revenuen ervan zoveel mogelijk in Engeland terecht te laten komen. Barbara Tuchman beschrijft dit beeldig in haar boek De mars der dwaasheid. Bestuurlijk onvermogen van Troje tot Vietnam. Dat reguleren gebeurde vooral door het invoeren van allerlei belastingen. De dertien Koloniën verzetten zich hiertegen met als leus: ‘No taxation without representation.’ De huidige Tea Party in de VS dankt haar naam nog een een reactie op een van die belastingen, namelijk de belasting op thee. Met deze Tea Act wilden de Engelsen de smokkel van thee tegengaan en gelijkertijd een monopolie op de theehandel vestigen voor de Engelse East India Company. De kolonisten waren dol op thee. De wet leidde tot een reactie vanuit een deel van de kolonisten die zich de Sons of Liberty noemden. Op 16 december 1772 gingen zij aan boord van de eerste schepen met thee die aangemeerd lagen in de haven van Boston. De actie kreeg daarom de naam de Boston Tea Party.

Een schilderij van de Boston Tea Party waarop te zien is dat de thee in het water wordt gegooid. Bron: Wikimedia Commons

Twee voorbeelden van belastingen die een rol speelden in opstanden. Wat hierbij opvalt is dat de hoogte van de belasting een ondergeschikte rol lijkt te spelen en het meer lijkt de gaan om wat er met de geïnde belasting gebeurt en vooral wie daarover beschikt. De opstandige Provinciën van de Lage Landen betaalden immers grif de hogere belasting van Willem van Oranje omdat die hun belangen beter vertegenwoordigden. De opstandige koloniën waren ook niet tegen het betalen van belastingen. Zij wilden alleen mee bepalen waaraan die werd besteed. Twee voorbeelden die laten zien dat belasting betalen wel leuker kan worden gemaakt. Leuker als je mee mag besluiten wat er met het belastinggeld gebeurd. 

Als we naar het recente verleden kijken, dan valt op dat de belastingtarieven flink zijn gedaald. Neem de VS, in 1943 betaalde de Amerikaan over iedere dollar die hij boven de $ 200.000 verdiende 94% belasting. Dit waren natuurlijk buitengewone omstandigheden. Echter, tot de verkiezing van Reagan als president lag dit percentage steevast boven de 70%. Reagan verlaagde het naar 50% en nu ligt het op 40,8%. In Nederland zien we iets soortgelijks. Van het hoogtepunt van 72% is het vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw gedaald naar 51,95% nu. In die periode van daling, komt de Belastingdienst met het motto ‘leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker.’ Precies de periode dat de neoliberale boodschap de boventoon is gaan voeren. Een boodschap die er in het kort op neer komt dat de vrije markt heilig is en dat de overheid zich daar niet mee moet bemoeien. Want dat bemoeien hindert vrije mensen en bedrijven in hun doen en laten. Daarom moet de overheid zo klein mogelijk zijn. Een neoliberale boodschap die belastingen hooguit als een noodzakelijk kwaad ziet, als iets niet leuks. De Amerikaanse president Trump denkt er ook zo over. Hij heeft de belastingen verder verlaagd en Vervloed wil dat Nederland dat ook gaat doen. 

Als het je opvatting is dat de overheid in de weg loopt en dat die zo klein mogelijk moet zijn, dan kan ik me voorstellen dat je voor belastingverlaging pleit. Van minder geld kun je immers minder overheid overeind houden. Toch ontkom je er dan niet aan om te bepalen wat die minimale omvang moet zijn. En bij die minimale omvang hoort een bepaald bedrag. Vervloed ziet dat anders en volgt hierbij de theorie van aanbodeconoom Arthur Laffer. Die theorie gaat niet uit van wat nodig is om die minimale overheid te kunnen betalen, maar dat we moeten bepalen wat de ‘optimale belastingdruk is. Vervloed: “Bij 100% belastingdruk is de motivatie om te werken nul.”  Dan werkt niemand en zijn er geen belastinginkomsten volgens deze theorie. De mens is immers een homo-economicus. Hier kom ik later nog op terug. Ook bij een belastingpercentage van 0% zijn er geen belastinginkomsten. Tussen de 0 en de 100, zit er ergens een percentage waarbij de belastingopbrengst maximaal is en mensen nog steeds maximaal willen werken. 

Volgens Vervloed is dat bij het huidige belastingpercentage niet het geval. De belastingen moeten dus omlaag. Dat betekent wel dat bij gelijkblijvende overheidsuitgaven, de staatsschuld toeneemt. Geen probleem, de tijd lost dat op volgens Vervloed: “In eerste instantie derft de overheid belastinginkomsten. De belastingverlaging kost geld en doet de staatsschuld toenemen. Door de met de belastingverlaging gecreëerde economische groei krijgt de overheid binnen enkele jaren meer belastinginkomsten en kan de staatsschuld daarmee weer worden afgebouwd.”

Laten we de redenering achter die theorie eens volgen. Het begint met het verlagen van de belastingen zonder dat er een verlaging van de overheidsuitgaven tegenover staat. Dat zorgt ervoor dat de belastingbetaler meer geld over heeft. Dat geld wordt vervolgens besteed aan spullen of vakanties. Omdat er meer spullen en diensten worden verkocht, groeit het nationaal inkomen. Aan de andere kant, moet de overheid lenen om het gat dat hierdoor in haar financieel huishouden ontstaat te dichten. Laten we aannemen dat het gat 1.000 is. De overheid moet dan 1.000 lenen om dat gat te dichten. Alleen ‘geld lenen kost geld’ ook voor de overheid. De kosten van de lening (de rente) moeten ook worden betaald. Stel die kosten bedragen 25. Dat betekent dat de overheid 1.025 moet lenen om dat gat te vullen. Als we uitgaan van een gemiddelde belastingdruk in de VS in 2017 van 27,1%, dan moet het nationaal inkomen met bijna 3.800 groeien wil de overheid het gat kunnen dichten. Nu in echt geld: iedere euro of dollar belastingverlichting moet leiden tot 3,7 euro of dollar aan economische groei. Die euro of dollar moet zich dus bijna verviervoudigen.

Alleen heb je als overheid geen garantie dat de belastingbetaler dat geld ook werkelijk uitgeeft. Als het op de bank wordt gezet, er wordt een lening bij de bank van afbetaald of er worden aandelen gekocht, dan heeft het helemaal geen effect. Trouwens, als je ervan op vakantie gaat, dan heeft het alleen effect als die vakantie in eigen land is. Ga je naar een buitenland, dan lekt dat voordeel weg naar je vakantieland. In een open handelseconomie als de Nederlandse is de kans dat een deel weglekt redelijk groot.

Bron: Wikimedia Commons

Een prachtige theorie en een mooi betoog. Alleen is dit al ruim drie decennia staand beleid. Ja, het leverde nieuwe banen op, maar dan wel banen met een minder salaris dan de banen die er verdwenen. Dit beleid heeft er in de Verenigde Staten voor gezorgd, dat Jo Sixpack nu minder te besteden heeft dan zijn grootvader begin jaren zeventig. Om een beetje te kunnen leven heeft Jo nu samen met zijn vrouw meerdere baantjes nodig terwijl zijn grootvader genoeg verdiende om met één baan zijn gezin te verzorgen. Ook heeft dat beleid ervoor gezorgd dat de Amerikaanse staatsschuld alleen maar is opgelopen. Dat de ongelijkheid in de Amerikaanse samenleving flink is toegenomen. Dat de top 1% van de Amerikanen hun vermogen zag groeien. En zoals we zagen, heeft Nederland dit beleid ook in meer of mindere mate overgenomen en ook hier zien we dat Jan Modaal tegenwoordig minder luxe van zijn modale inkomen kan leven dan vroeger. Vroeger kon een postbode van zijn salaris een gezin onderhouden, tegenwoordig kan hij zichzelf niet eens onderhouden. We zien we de ongelijkheid toenemen en loopt ook de staatsschuld steeds verder op. Bijzonder aan deze theorie is trouwens dat ze nooit wordt gebruikt om belastingverhoging mee te onderbouwen. 

In de volgende Prikker ga ik verder en komt de homo economicus om de hoek kijken.

Koffiequota

Op het gemengd bedrijf van mijn vader liepen kippen. Tenminste toen ik een jaar of vijf was. De eieren werden verkocht voor ongeveer fl 0,12. Voor de jeugd van tegenwoordig, dat is ongeveer € 0,05. Dit is ruim 45 jaar geleden. Mijn vader stopte met eieren. Dit was te weinig om er iets aan te verdienen. Tegenwoordig krijgt de kippenboer, als hij geluk heeft, nog steeds die vijf cent. In de winkel liggen ze voor het drie tot zesvoudige. Hieraan moest ik denken toen ik in de Volkskrant een artikel over Afrikaanse koffieboeren las. Die zitten een een crisis, ze krijgen te weinig voor hun koffiebonen. De koffieboer krijgt maar 10% van de winkelprijs van koffie. Iets minder dan de kippenboer. 

Foto:  Flickr

Wat voor het ei geldt, gaat voor bijna alle agrarische producten op. De prijs ervan is de afgelopen veertig jaar amper gestegen. De gemiddelde Nederlander besteedt nu iets meer dan tien cent van iedere Euro aan voedsel. Begin jaren zeventig was dat bijna 25 cent. Ter vergelijking. Mijn eerste pilsje in de kroeg kostte mij fl 1,00,= oftewel € 0,45. Als ik er nu eentje bestel, moet ik al snel € 2,50 aftikken.

De oplossing voor de koffieboer: “Het is echt aan de grote retailers om met elkaar een minimumprijs af te spreken. Er hoeft maar één grote speler op te staan om de echte verandering in gang te zetten,” aldus hoogleraar Ruben in het artikel. Een goed idee, een minimumprijs zodat de koffieboer er nog iets aan overhoudt? De kippenboer zou dat ook wel willen. Net als trouwens de varkenshouder, de tomatenteler en zijn collega’s die paprika’s en komkommers telen. Ook zij gaan geregeld gebukt onder prijzen waarmee zij niet uit de kosten komen.

Even terug naar mijn vader. Van de Boerenleenbank kreeg hij te horen dat hij moest groeien en zij konden hem wel een lening verschaffen. Vele boeren en tuinders kregen dit verhaal te horen en gingen erin mee, groeiden groter. Zou de bankier dan niet ook de koffieboer verleiden met zo’n verhaal? Ze liepen ook naar de Nederlandse veehouders toen er een minimumprijs voor melk was. Lopen we dan niet immers het risico dat de minimumprijs tot een forse overproductie gaat leiden? Die leidt immers niet tot een prijsdaling, maar tot inkomensstijging. Zou die overproductie vervolgens leiden tot de roep om de productie te beperken? Tot ‘koffiequota’ die vervolgens weer verhandeld worden net zoals de vroegere melkquota? 

Mijn vader deed trouwens het tegenovergestelde. In plaats van lenen om te groeien, betaalde hij zijn lening in een keer af. Dit tot grote verontwaardiging van de plaatselijk bankdirecteur. Mijn vader richtte zich op zijn zestien melkkoeien, teelde per jaar een hectare graan en evenveel suikerbieten. Hij bleef klein en verdiende door zijn lage kosten, hard werken en wat ‘kinderarbeid’ van zijn kinderen, een fatsoenlijke boterham.

Pilarczyk en succes

Als mijn droom was uitgekomen, dan hadden jullie nu allemaal naar mijn winnende doelpunt op het Europees kampioenschap van 1988 gekeken, of naar die schitterde pas in de finale van het Wereldkampioenschap van 1990. Helaas is het bij een droom gebleven. Ik geloofde toen ik een jaar of veertien was, dat ik profvoetballer kon worden. Dat geloof combineerde ik met mijn niet aflatende inzet en overgave. Zelfs bij een 8-0 achterstand bleef ik doorgaan en strijden voor een beter resultaat. Dat laatste zorgde ervoor dat iemand mij ‘dorpsgek’ noemde. Dat geloof en die inzet zorgden er echter niet voor dat ik mijn brood kon verdienen als voetballer. Het hebben van talent bleek toch ook nog een rol te spelen.

Unknown

Foto: Wikipedia

Na het lezen van een post van ene Michael Pilarczyk die ik op LinkedIn voorbij zag komen, weet ik waarom. Die post begon met de zin: “Je wordt wat je gelooft. Niet wat je hoopt, wat je wenst, of wat je wilt. Je wordt waar je diep vanbinnen echt van overtuigd bent. What you imagine you become.” Mijn geloof en verbeeldingsvermogen waren blijkbaar niet goed genoeg. Immers: “Alles begint met een gedachte, alles is mindset.” Blijkbaar zat er ergens een ‘overtuiging’ in mij die wat anders zei: “Want die overtuigingen controleren hoe jij denkt en wat je doet. Ze bepalen je gedrag en de resultaten in je leven.” 

Natuurlijk bepalen je gedachten en overtuigingen de manier waarop je in het leven staat. Een optimistisch iemand zal blij de volle helft van het glas benadrukken, een pessimist legt bedroefd de nadruk op het lege deel. Als het de pessimist lukt om zijn negatieve gedachten terzijde te zetten, dan zal hij wat blijer kijken en zich wat beter voelen, Dat verandert echter niets aan het nog steeds half gevulde glas. Als dat optimisme ertoe leidt dat hij meer risico’s gaat nemen, dan neemt de kans toe dat hij meer gaat bereiken. De andere kant van die medaille is dat de kans op minder bereiken ook toeneemt. Bij het ‘verklaren’ van dat succes zal hij, net als Pilarczyk de nadruk leggen op zijn ‘positieve’ gedachten. Diezelfde positieve gedachte kan ook tot falen leiden. ‘Niet hard genoeg geloofd,’ luidt Pilarczyks verklaring. 

Gelukkig voor Pilarczyk zijn het vooral de succesvollen die zich een ‘Life & Business coach’ kunnen veroorloven en voor hen is het prettig om te horen dat hun succes hun eigen verdienste is. Dat het niets te maken heeft met de plaats waar en de omstandigheden waarin ze geboren zijn. Dus dat al die arme lui het ook aan zichzelf hebben te danken: ze geloven immers niet genoeg in hun eigen succes. 

“Dus die miljoenen armelui in Afrika en Azië hebben het aan zichzelf te danken? Eigen schuld dikke bult, moeten ze maar wat anders geloven? Dat ze in de drek zitten en iedere dag veertien uur moeten ploeteren om misschien genoeg te hebben om die dag te eten, speelt geen rol?” Ik kon het niet laten deze reactie te plaatsen onder deze post.