Beste staatssecretaris Van Ooijen,

Met veel aandacht en interesse heb ik uw Kamerbrief Hervorming Jeugdzorg gelezen. Zeven jaar na de decentralisatie van de jeugdzorg constateert u dat: “de belofte van de decentralisatie – passende hulp, dichtbij huis, gezinsbreed, efficiënter en met minder kosten – onvoldoende waargemaakt (is). Er wordt meer geld dan ooit aan jeugdzorg besteed.”  Ondanks: “de inzet die al door vele partijen is gepleegd om verbeteringen door te voeren,” en de: “mooie ontwikkelingen en initiatieven,” waar u op wilt voortbouwen, concludeert u dat er: “meer sturing nodig (is) om dit overal goed te regelen.”  Een om verschillende redenen bijzondere brief.

Bijzonder omdat het beeld dat uit uw brief naar voren komt er een is van een falend systeem en beleid. U constateert: “Het beroep op jeugdzorg is de afgelopen decennia sterk gestegen. Volgens de nieuwste CBS-cijfers ontving in 2021 ongeveer 1 op de 7,5 jongeren tot 18 jaar enige vorm van jeugdhulp. Ter vergelijking: in 2015 ontving 1 op de 10 jongeren jeugdhulp en in 1997 bedroeg dit grofweg 1 op de 27.” En: “Te veel kinderen die kampen met complexe problemen en specialistische zorg nodig hebben, komen op wachtlijsten terecht of ontvangen geen passende zorg. De meest passende vorm van zorg is niet altijd beschikbaar en/of er is gebrekkige samenwerking tussen partijen.” Beste meneer van Ooijen, dit hoeft u niet te verbazen. En anders dan u lijkt te betogen, denk ik dat dit geen gevolg is van falend beleid maar dat de jeugdhulp ten onder gaat aan de succes van jaren overheidsbeleid. Uw analyse van de situatie gaat niet diep genoeg. In deze brief zal ik dat nader onderbouwen.

Minister Ruding. Bron: WikimediaCommons

Hiervoor neem ik u even mee terug naar 1984. In dat jaar brachten twee interdepartementale werkgroepen die in 1978-1979 in het leven waren geroepen om (ook toen al) een einde te maken aan de willekeur in de jeugdhulp hun verslag uit. In hun rapporten concludeerden de beide werkgroepen dat: “hulp voortaan ‘zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’ moet plaatsvinden.” De toenmalige regering Lubbers onderschreef dit en vulde dit zogenaamde ‘zo-zo-zo-beleid’ aan met nog twee ‘zo’s’, namelijk zo tijdig mogelijk en, typisch Nederlands, zo goedkoop mogelijk. ‘Tijdig en licht’ om ‘lang en zwaar’ te voorkomen.

Ik neem u mee naar 2010 en de Kamerwerkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg. Het rapport van deze Kamerwerkgroep zal voor u een feest van herkenning zijn. In het rapport worden met andere, en soms dezelfde woorden, precies dezelfde problemen geconstateerd. Problemen zoals een toenemend beroep op hulp. Om die problemen op te lossen, moest er: “Uitgaande van het kind en zijn kansen en mogelijke bedreigingen, (…) vroegtijdige hulp en zorg worden geboden; zo dicht mogelijk bij het kind en zijn dagelijkse leefsituatie.” Eén gezin, één plan, één regisseur werd het nieuwe devies nog steeds met het doel om zo dicht mogelijk bij huis, zo kort mogelijk, zo licht mogelijk te helpen. Met dit rapport als basis werd de jeugdzorg, door de toenmalige regering Rutte, in 2015 naar de gemeenten geschoven. En net als bijna dertig jaar eerder moest het ook ‘zo goedkoop mogelijk’ want er werd flink in het budget gesneden. Over hoe dat precies ging kan premier Rutte u vast een en ander vertellen. Hij is de enige bewindspersoon die toen ook al aan de knoppen zat. Als hij hier tenminste de juiste actieve herinneringen aan heeft.

Die toename in jeugdigen met ondersteuning en hulp is een gevolg van dertig jaar beleid. ‘Zo tijdig mogelijk’ en ‘vroegtijdig’ betekent dat je gaat zoeken naar signalen bij kinderen en gezinnen die mogelijk tot een problemen in de toekomst kunnen leiden. Dan ga je kinderen en gezinnen problematiseren en, om een beladen woord te gebruiken, ‘profileren’ op kenmerken van de jeugdigen en gezinnen met echte problemen. Dit ‘profileren’ leidt er als vanzelf toe dat, zoals u schrijft: “‘gewoon’ gedrag sneller dan vroeger buiten de bandbreedte van wat wordt gezien als ‘normaal’ zowel op school als thuis” valt. Vertoont een kind of gezin een of meer van die kenmerken, dan ontkom je er niet aan om actie te ondernemen. ‘Kunnen leiden’ zegt het al, het kan maar hoeft niet maar door het te constateren moet je iets en dat iets leidt er als vanzelf toe dat meer kinderen hulp krijgen.

Er is meer en belangrijkers. Ook nu neem ik u weer mee naar de jaren tachtig van de vorige eeuw. Toevallig ook weer naar 1984. In dat jaar verscheen er een interview met minister Ruding van Financiën in Het Vrije Volk waarin hij de volgende woorden sprak: “Laten we eerlijk zijn. Veel werklozen maken er zich met een Jantje van Leiden van af. … Men blijft liever dicht bij Tante Truus wonen.” Die woorden geven het door het toenmalige kabinet Lubbers I omarmde neoliberale denken weer. Denken dat in beleid werd omgezet. Beleid dat de bijl zette in de wortel van onze verzorgingsstaat. Beleid dat door alle kabinetten sindsdien is voortgezet en dat op meerdere manieren erg succesvol is.

Het belangrijkste in het neoliberale denken is de vrije markt. Vanaf midden jaren tachtig werd het beleid om steeds meer zaken aan de markt over te laten in de overtuiging dat dit tot de beste dienstverlening tegen de goedkoopste prijs zou leiden. In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten beschrijven Hans Achterhuis en Nico Koning zes manieren waarop goederen en diensten in een samenleving worden verdeeld onder haar leden. Zes vormen van verwerving of toe-eigening waarbij vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt en die dus een steeds grotere samenleving kunnen ondersteunen. Als eerste de eigen productie van iemand. Als tweede, de gedurende eeuwen de belangrijkste vorm, de gemeenschappelijke huishouding. Als derde ‘toedeling’ waarbij de hoogst geplaatste toedeelt aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping. Met het nog groter worden van de wereld komen deze samenlevingen in aanraking met aangrenzende samenlevingen. De ‘schenking’ of gift is dan een vreedzame manier van verwerven of toe-eigening. Bij een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen. Een gearrangeerd huwelijk is een voorbeeld van ‘schenken’. De vijfde manier van verwerven is ‘handel’. Belangrijk kenmerk van handel is dat de beide betrokken partijen gelijk zijn en blijven. De laatste vorm is ‘roof’. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van toe-eigening voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen[1].

Het neoliberalisme stelt marktrelaties, handel, de transactie tussen ‘vraag’ en ‘aanbod’ centraal. Eigen aan marktrelatie is dat er geen verplichting of verzwaring, geen relatie’ tussen de partijen ontstaat. Neoliberaal beleid bouwt niet aan een ‘WIJ’ in de samenleving. Sterker, door steeds meer zaken als ‘handel’ te zien en vorm te geven, wordt het ‘WIJ’ in de samenleving steeds verder uitgehold. Er wordt juist gebouwd aan het ‘IK’. Een echte neoliberaal zal dat niet erg vinden want die zegt de Britse premier Thatcher na: “who is society? There is no such thing.” En laten we wel wezen, dit op het individu gerichte beleid is heel succesvol geweest en is het nog steeds.

“Aan dit wetsvoorstel ligt de visie op de pedagogische civil society ten grondslag waarin ieder kind een veilige omgeving om zich heen heeft, waarin de school, de naschoolse opvang, de sportclub en de buurt een belangrijke rol spelen. Investeren in een positieve opvoeding, talentontwikkeling, een succesvolle schoolloopbaan en doorstroom naar werk ligt aan de basis van welbevinden, economische zelfstandigheid en democratisch burgerschap. Algemene jeugdvoorzieningen zoals de kinderopvang, de jeugdgezondheidszorg, scholen, sportclubs, buurthuizen, jongerenwerk en vrijwillige inzet dragen bij aan een positief opgroei- en opvoedklimaat.[2] Aldus de memorie van toelichting op de Jeugdwet 2015. De wetgever legt hier de zorg voor de jeugd voor een belangrijk deel neer bij iets wat door de nadruk op het ‘IK’ en de afbraak van het ‘WIJ’ van meer dan dertig jaar neoliberaal beleid, een kwijnend bestaan leidt. Namelijk sociale netwerken zoals de wijk. En ja, geografisch bestaan wijken nog steeds, sociaal maatschappelijk zijn ze op sterven na dood. Een wijk is tegenwoordig niet meer dan een verzameling individuen die toevallig bij elkaar in de buurt wonen.

U doet hetzelfde als u in uw brief schrijft: “Opgroeien begint thuis en in de wijk. Ouders en bredere familie of het sociale netwerk spelen hierin vanzelfsprekend de belangrijkste rol. Tegenwoordig valt ‘gewoon’ gedrag sneller dan vroeger buiten de bandbreedte van wat wordt gezien als ‘normaal’, zowel op school als thuis. Strubbelingen bij opvoeden en opgroeien horen bij het normale leven en dienen daarom met voorrang in eigen kring binnen sterke sociale verbanden (thuis, op school, in de wijk, etc.) te worden opgepakt. Inzet van professionele hulp komt pas in beeld wanneer problemen de veerkracht, kennis en expertise van gezinnen en het sociale netwerk overstijgen.” U zoekt de oplossing in ‘sociale verbanden’ die door jarenlang gericht overheidsbeleid zijn afgebroken. Het ‘thuis’ en die ‘brede familie’ zijn uitgehold door gericht beleid om iedereen zoveel mogelijk aan het ‘betaald werk’ te krijgen. Dit allemaal om mensen ‘economisch zelfstandig’ te laten zijn en vooral om de economie te laten groeien. Te laten groeien door zaken die vroeger, om in de woorden van Achterhuis en Koning te spreken, via de ‘gemeenschappelijke huishouding’ werden verdeeld zoals de zorg voor kinderen en ouderen, nu als ‘handel’ (kinderopvang en thuiszorg) worden gezien. Die druk op ‘betaald werk’ neemt alleen maar toe nu er sprake is van een tekort aan arbeidskrachten.

De Belg Paul Verhaeghe wijst in zijn boek Identiteit op een ander gevolg van dertig jaar neoliberale nadruk op het ‘IK’. Hij noemt onze tijd ‘sociaal-darwinistisch’ maar dan van een nieuw soort. Een soort waarbij: “…het niet langer de soort, maar het individu (is) waarop ‘natuurlijke’ selectie plaatsgrijpt. Het is de sterkste man of vrouw die het haalt, ten koste van al die andere mannen of vrouwen, en het criterium is succes.[3]Met andere woorden, je bent zelf verantwoordelijk voor je eigen succes en dit heeft als keerzijde dat je ook zelf verantwoordelijk bent voor je eigen falen. Je hebt je ‘verlies’ op alle terreinen daarmee aan jezelf te danken. Of zoals Verhaeghe het treffend formuleert: “Omgekeerd: wie mislukt, heeft dat eveneens aan zichzelf te wijten, is bijgevolg een zwakke persoonlijkheid, vaak nog een profiteur ook, die een heel bedenkelijk normen-en-waardensysteem hanteert. Schorem, dat is, te lui of te dom om iets aan hun eigen situatie te veranderen.[4] Die verantwoordelijkheid voor het eigen succes (en falen) legt grote druk op het individu en dus ook het kind. Druk die stress kan veroorzaken die weer tot mentale problemen kan leiden. Problemen waarvoor hulp gezocht wordt en zie daar het toegenomen beroep op hulpverleners (en niet allen bij jeugdigen,) aan de ene kant en de wildgroei aan therapeuten en coaches om je te helpen aan de andere kant.

Een andere Belg, Dirk De Wachter, gaat nog verder. Hij vergelijkt onze samenleving met de stoornis Borderline: “BPD of Borderline Personality Disorder is ‘een diepgaand patroon van instabiliteit en intermenselijke relatie, zelfbeeld en affecten en van duidelijke impulsiviteit, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situatie…’[5] Vervolgens noemt De Wachter de negen situaties uit de DSM IV (de bijbel voor psychische of psychosociale stoornissen) waarvan je er vijf moet vertonen om borderline gediagnostiseerd te worden. Hij legt onze samenleving vervolgens langs deze criteria en toont overtuigend aan dat onze neoliberale samenleving aan borderline leidt en daarmee ziek is en ziekmakend voor de mensen en dus ook de kinderen in de samenleving.

U maakt zich druk om de administratieve last. “Als we dat weten te halveren, scheelt dat een slok op een borrel,” zo vertelde u in een interview met de Volkskrant. Ook die administratieve last is een gevolg van dertig jaar neoliberaal beleid. Door zorg als ‘handel’ te zien, wordt ook het marktdenken geïntroduceerd. Een van de kenmerken van de markt is dat producten aan allerlei meetbare specificaties moeten voldoen omdat je de ander nu eenmaal niet kunt vertrouwen. En daar komt de bureaucratie om de hoek kijken. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is de New Public Management stroming dominant. Een stroming die in ‘producten en klanten’ denkt en die ‘het model van de private sector’ op de overheid toepast. Centraal staan: doeltreffendheid, doelmatigheid en zuinigheid (zo goedkoop mogelijk). Het model dat politieagenten bonnen laat schrijven omdat ze hun quotum moeten halen. En ook het model dat zorg in stukken hakt en er ‘producten’ van maakt of nog erger: diagnose behandel combinaties. Producten die vervolgens in de markt worden gezet. Maak ergens een markt van en je krijgt marktgedrag. Zoals iedereen die een beetje nadenkt kan bedenken, staat zodra je van zorg een product maakt dat product centraal en niet de mens. Het product moet worden geleverd (de bon moet worden geschreven) of de jeugdige er nu mee geholpen is of niet. Die producten moeten vervolgens ook worden gemeten en geadministreerd om verantwoording af te leggen. Want verantwoording moet in cijfers worden afgelegd: daling van dit, stijging van dat. Dergelijke verantwoording duidt op een gebrek aan vertrouwen of zelfs op wantrouwen.

Belangrijker nog, door zorg als ‘handel’ te zien verdwijnt de kritische succesfactor van ieder zorgtraject naar de achtergrond. ‘Handel’ gaat uit van gelijkwaardigheid tussen de bij een transactie betrokken partijen. Daarvan is bij zorg geen sprake. Die kritische factor in de zorg is vertrouwen en vertrouwen kun je alleen maar opbouwen door aan de relatie te werken en die te versterken. Als zorgverlener moet je het vertrouwen winnen van de zorgvrager. Zoals Achterhuis en Koning laten zien, bouw je bij ‘handel’ niet aan een relatie. En juist de kritische succesfactor vertrouwen is niet te meten. Een bewezen effectieve methode uitgevoerd door een hulpverlener die het vertrouwen ontbeert zal minder opleveren dan zorg die niet bewezen effectief is door een hulpverlener die wel het vertrouwen geniet. Vertrouwen is niet te meten, maar lijdt wel onder de meetdrift. Want die meetdrift ademt wantrouwen. 

U wilt: “Minder marktwerking, meer samenwerking en betere inkoop van zorg,” zo, luidt het derde leidende principe in uw brief. Daartoe stelt u allerlei maatregelen voor waaraan een flink deel van de gemeenten nu ook al werken. Maatregelen zoals minder aanbieders, standaardisatie, prestatiecodes. Die leiden echter niet tot ‘minder marktwerking’, ze leiden tot een meer gereguleerde markt. Daar komt bij dat marktwerking en samenwerking geen automatisme is. Sterker, een markt is gericht op concurrentie niet op samenwerking. Zou ‘geen marktwerking’ niet de oplossing kunnen zijn? En als u werkelijk wilt dat: “Ouders en bredere familie of het sociale netwerk,” de door u gewenste rol op kunnen pakken, zou het: “maatschappelijk debat over wat wordt verstaan onder het normale opgroeien en opvoeden en wat wordt verstaan onder gebruikelijke zorg,” dan niet moeten gaan over de vraag welke samenleving we willen? Willen we individuen op een ‘markt’ met alle wantrouwen van dien of een samenleving gebaseerd op vertrouwen? Nog duidelijker: is de economie er voor de mens of de mens voor de economie[6]? Een vraag die niet alleen de (jeugd)zorg raakt.

Daarmee kom ik aan het einde van mijn brief. Een brief waarin ik, hoop ik, heb aangetoond dat de situatie in de samenleving in het algemeen en de zorg in het bijzonder, een gevolg is van jarenlang neoliberaal overheidsbeleid. Succesvol overheidsbeleid omdat het de maatschappelijke werkelijkheid voor een flink deel naar de neoliberale theorie heeft vormgegeven. Het heeft de samenleving afgebroken zodat Thatcher woorden nu de werkelijkheid meer recht doen op het moment dat zij ze uitsprak en waarvan we ons moeten afvragen of dit is wat we willen.


[1] Hans Achterhuis en Nico Koning, De kunst van het vreedzaam vechten, pagina 406-412

[2] Memorie van toelichting Jeugdwet pagina 6

[3] Paul Verhaeghe, Identiteit, pagina 80

[4] Paul Verhaeghe, pagina 81

[5] Dirk de Wachter, Borderlinetimes. Het Einde van de Normaliteit, pagina1. Lannoo Campus 2013 zeventiende druk.

[6] https://ballonnendoorprikker.nl/2015/10/30/middel-of-doel/

Ik en de samenleving

Covid-19, het vaccin, maatregelen, het blijft de gemoederen bezig houden. Een tijdje geleden vroeg ik mij af of een 2G maatregel een schending van de grondrechten zou zijn. Mijn conclusie was dat als er iets wordt geregeld waardoor mensen die zich om medische redenen niet kunnen laten vaccineren mee kunnen doen als ze dat willen, dan is er geen sprake van aantasting van grondrechten. Nu zag ik bij De Correspondent vijf vragen van Eva Kremers over het onderwerp. Interessante vragen, interessant genoeg om een Prikker aan te wijden.

Kremers stelt de volgende vragen: “Is het normaal om een medicijn/vaccin aan iemand te forceren om een ander te beschermen? Willen we die kant op? Is het niet normaal om ‘egoïstisch’ te zijn wanneer het over je eigen lichaam gaat? Aan welke plichten onttrekt een ongevaccineerde zich dat het gerechtvaardigd is om zijn/haar recht om vrij te bewegen te schenden? Is het proportioneel om miljoenen gezonde mensen een vaccin op te dringen om er enkele honderden/duizenden(?) uit het ziekenhuis te houden? Is het de maatschappij die zich moet aanpassen aan de zorg, of zou de zorg aangepast moeten worden aan de maatschappij?” Kremers spitst de vragen toe op het vaccin tegen Covid-19. Ik behandel ze in het algemeen. In het algemeen omdat het algemene antwoord de vragen in een breder perspectief plaatst.

Als eerste de vraag of het normaal is om iemand een middel toe te dienen om anderen te beschermen. Dat is niet de normale praktijk maar wil niet zeggen dat het niet kan. Als degene aan wie je het medicijn wilt toedienen een gevaar is voor zichzelf en anderen, dan is het de plicht van de samenleving om de anderen te beschermen en dus die persoon tegen diens wil medicijnen toe te dienen. Dit is staande praktijk in Nederland.

Dan de vraag of je lichaam aan jou toebehoort en je er alleen zelf over kunt beschikken. Je lichaam is van jou en het is aan jou om erover te beschikken. Tot op zekere hoogte tenminste. Als je een gevaar bent voor jezelf of voor anderen, dan kan inbreuk worden gemaakt op je zelfbeschikkingsrecht over je lichaam. De samenleving kan echter ook nog op een andere manier over je lichaam beschikken. Neem de militaire dienstplicht, die regelt dat dienstplichtigen hun lichaam ter beschikking stellen voor de verdediging van het land. Die dienstplicht kan ertoe leiden dat dienstplichtigen hun leven moeten geven om de samenleving te beschermen.

Dan de plichten waaraan iemand die zich niet laat vaccineren onttrekt. Als duidelijk is dat iemand een gevaar oplevert voor de gezondheid van anderen, dan hebben die anderen het recht om die persoon te weren en zichzelf te beschermen. Dat gevaar hoeft niet direct te zijn het kan ook indirect zijn omdat iemands keuze, of de keuze van een groep de gezondheidszorg overbelast. Het is niet zo zeer dat die persoon of groep zich aan een plicht onttrekt, maar veeleer dat het recht om vrij te bewegen botst met het recht van anderen om in veiligheid en gezondheid te leven. Die anderen kunnen zichzelf beschermen door die persoon of groep te weren maar dat kan ook collectief door de overheid die dan de rechten tegen elkaar afweegt.

Als vierde de vraag of het proportioneel is om mensen iets op te dringen om anderen te beschermen. Ja, dat kan proportioneel zijn. Een overheid heeft de plicht om over ieders gezondheid en leven te waken en als dat waken betekent dat een deel iets moet doen om het andere deel te beschermen dan is dat gerechtvaardigd. Ook hier weer de dienstplicht als voorbeeld dat mensen iets wordt opgedrongen en dat ze in het uiterste geval hun leven kost ten faveure van anderen.

Als laatste de vraag of de maatschappij zich aan de zorg moet aanpassen of de zorg aan de maatschappij. Ook hierop een antwoord met een maar. In normale omstandigheden past de zorg zich aan de samenleving aan. Dat is wat er in Nederland vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw tot in extreme mate is gebeurd. De zorg werd ‘lean and mean’ en alle eventuele overcapaciteit werd eruit gesneden. Als er in normale tijden maximaal 800 mensen op de IC liggen, dan zorg je ervoor dat er hooguit een paar meer dan die 800 bedden zijn. En zelfs sinds het uitbreken van de Covid-19 pandemie werd de zorg aan de samenleving aangepast. Er waren meer IC bedden nodig en de meer speciale zorgvoorzieningen en daarop werd en wordt de gezondheidszorg aangepast. Aangepast door niet acute zorg uit te stellen en de zo vrijkomende middelen en mensen ten dienste te stellen aan die speciale voorzieningen en de IC’s. Als dat niet meer kan, en nu komt de maar, dan kan je de samenleving aan de zorg aanpassen. Kan, want je kunt ook verder gaan met wat je in normale omstandigheden doet, namelijk de zorg aan de samenleving aanpassen. Dat krijgt dan de vorm van triage bij de poort. Triage waarbij op zo rationeel mogelijke gronden een keuze wordt gemaakt wie zorg krijgt en wie niet.

Keiharde statistiek

Bij De Dagelijkse Standaard bericht Michael van der Galien over een botsing tussen FvD-leider Baudet en Nilüfer Gundogan van Volt. “Met name Sorospoppetje Nilüfer Gundogan (Volt) had zichzelf niet in de hand. Ze liep woedend naar de interruptiemicrofoon en ging vervolgens los.” Dit terwijl Baudet, zo schrijft Van der Galien: “alleen de feiten (deelt)”. En: “Uit de feiten blijkt dat er in twee coronaseizoenen net zoveel mensen zijn omgekomen als in twee recente griepseizoenen. Dat Gundogan daar een probleem mee heeft doet daar niets aan af. Cijfers zijn cijfers… zijn cijfers. Punt.” Dat zijn de ‘keiharde statistieken’ op het ontkennen waarvan Baudet minister De Jonge aansprak, zo schrijft Van der Galien. Hoe ‘hard’ is die statistiek?

Tot nu toe zijn er 19.414 (stand 1 december 2021) mensen gestorven aan Covid-19, zo blijkt uit het coronadashboard. Volgens de data van het Centraal Bureau voor Statistiek overlijden er in een gemiddeld griepseizoen zo’n ruim 6.400 mensen direct of indirect aan influenza. Soms zijn het er minder en soms meer. Als we met dat gemiddelde rekenen dan sterven er ongeveer 50% meer mensen aan Covid-19 dan er in een gemiddeld jaar aan influenza sterven. Voor de afgelopen twee winters klopt het niet omdat de sterfte door influenza toen veel lager was dan gemiddeld. In de winters 2016-2018 klopt het wel ongeveer. In die twee winters stierven zo’n 17.000 mensen aan infuenza en dat ligt iets lager dan de sterfte aan Covid-19 tot nu toe. En tot nu toe is een periode van een jaar en tien maanden. De feiten laten daarmee iets anders zien dan de ‘keiharde statistiek’, die Baudet aandraagt en die Van der Galien na toetert.

Er zit echter een verhaal achter die ‘cijfers, cijfers … cijfers‘ De boodschap die Baudet en in navolging Van der Galien willen uitdragen, is het verhaal dat Covid-19 niets meer is dan een eenvoudige griep en dat daarmee alle maatregelen die worden genomen om de verspreiding van Covid-19 te voorkomen, overbodig zijn. Nu zijn er wel maatregelen genomen: van afstand houden, handen wassen en thuiswerken tot een al dan niet ‘intelligente’ lockdown en veel er tussenin en uiteindelijk vaccinatie. Maatregelen die het aantal besmettingen en daarmee ook het aantal sterftegevallen omlaag brengen. Wat zou er zijn gebeurd als er geen maatregelen waren genomen en we Covid-19 hadden behandeld als zo’n gewone griep?

Dat zullen we nooit precies weten. Maar dat wil niet zeggen dat we er ons niet een beeld van kunnen proberen te vormen. Laten we, om ons daar een beeld van te vormen, eens vergelijken met een land waarvan de president vond dat er geen extra maatregelen nodig waren: Brazilië. In dat land stierven tot nu toe ruim 614.754[1] mensen aan Covid-19. In 2018 stierven in dat land 92.498 mensen aan influenza en longontsteking. Het griepvirus was in dat jaar als we naar Nederlandse cijfers kijken, mild. In Nederland stierven er 4.706 tegen de gemiddelde 6.400. Als we uitgaan van een even mild seizoen in Brazilië dan ligt de gemiddelde sterfte per jaar aan influenza in Brazilië op ruim 125.000 mensen (6.400 gedeeld door 4.706 vermenigvuldigd met 92.498). Dus terwijl er in Brazilië in twee jaar zo’n 250.000 mensen sterven aan influenza, stierven er in een periode van nog geen twee jaar meer dan 600.000 aan Covid-19, dat is tweeëneenhalf keer meer. Stel dat Nederland de door Baudet en Van der Galien voorgestane Braziliaanse aanpak had gekozen? Dan zouden er tot nu toe al zo’n 32.000 mensen aan Covid-19 zijn gestorven.

Die ‘keiharde statistiek’  waaruit moet blijken dat Covid-19 een gewone griep is, wijst een heel andere kant op. Aan Covid-19 sterven meer dan twee keer zoveel mensen dan er aan influenza sterven. Of er: “geen bodem van ethiek bij de FVD,” is, zoals Gundogan gezegd heeft, daarover doe ik geen uitspraak want dat weet ik niet. De kennisbodem van statistiek lijkt binnen de partij heel laag te liggen.


[1] Stand 1 december 2021

Rechten en vooral plichten

“2G is geen heilzame weg. Het maakt de polarisatie in de samenleving groter.” Een uitspraak van ChristenUnie voorman Gert-Jan Segers. Of het een nuttige maatregel is om besmetting met COVID-19 te voorkomen en of er geen andere maatregelen zijn waarmee je hetzelfde of meer kunt bereiken, weet ik niet. Dat de maatregel omstreden is, mag duidelijk zijn. Segers zit duidelijk in een tweestrijd: “We kunnen niet alleen maar nee zeggen tegen maatregelen. Dat is te makkelijk. Maar laten we alsjeblieft wel met voorstellen komen die de samenleving heel houden, en niet in de fik laten vliegen.”  Een van de bezwaren tegen de maatregel is dat die onze grondrechten aantast. Of zoals Correspondentlezer Lilian van Eijndhoven het schreef: “nota bene de grofste schending van grondrechten en vrijheden sinds WOII.” Zij is niet de enige, maar klopt die uitspraak?

Johannes Hendricus Brand. Bron: Wikipedia

Laten we die redenering eens wat uitgebreider beschrijven. Als je vanwege je levensovertuiging, gezondheid, godsdienst of op welke andere grond dan ook, niet wilt laten vaccineren, krijg je geen QR code. Zonder QR code mag je, bij invoering van de 2G maatregel, niet naar de kroeg, het theater of het voetbalstadion om een paar voorbeelden te noemen. Heb je die QR code wel, dan mag dat wel. Bij 3G is die er wel, namelijk een test. Ook bij 1G is die er omdat dan van iedereen eenzelfde toegangstest wordt gevraagd. Daarom discrimineert deze maatregel omdat mensen zonder QR code geen mogelijkheid hebben om toch deel te nemen. Tot zover de onderbouwing.

Onze Grondwet valt voor wat betreft discriminatie meteen met de deur in huis. Artikel 1 luidt: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan. [1] Laten ik de 2G maatregel eens langs dit artikel leggen. Als iedereen die naar ‘de kroeg’ wil wordt gevraagd naar de vaccinatiestatus en alleen gevaccineerde binnen mogen, is er dan sprake van discriminatie? De gelijke gevallen, zijn in dit geval twee mensen die naar de kroeg willen. De ene kan zijn vaccinatiebewijs tonen en de andere om welke reden dan ook niet. De ene komt binnen, de andere niet. Ja, er wordt onderscheid gemaakt en discrimineren is onderscheid maken, dus er wordt gediscrimineerd en dus aantasting van de grondrechten.

‘Dus het mag niet en de uitspraak klopt!’ Als ‘onderscheid maken’ discriminatie is en daarmee een aantasting van ons grondrecht, dan tast ik bijna iedere dag wel iemands grondrechten aan. Een voorbeeld. Ik ben jarig en wil dat vieren. Als onderscheid maken niet mag, dan is de enige mogelijkheid om mijn verjaardag te vieren, iedere mens op Aarde uitnodigen. Als ik alleen mijn vrienden of familie uitnodig, dan discrimineer ik immers. Er zal niemand zijn die ‘niet uitgenodigd worden’ zal zien als een aantasting van zijn grondrechten. Er zullen hooguit enkele mensen zijn die het als een aantasting van de vriendschap zullen zien. Dit zullen de auteurs van onze Grondwet niet bedoeld hebben.

Terug naar de Grondwet. Die spreekt over ‘gelijk behandelen in gelijke gevallen’. Laten we eens kijken naar de twee mensen voor de deur van de kroeg. Ja, er wordt onderscheid gemaakt, dat is zeker. Maar wordt de ene persoon anders behandeld dan de andere? Ja, het resultaat is niet hetzelfde maar is dat discriminatie? Als we kijken naar de behandeling, wat zien we dan? Dan zien we dat beiden dezelfde vraag wordt gesteld, ze worden hetzelfde behandeld. ‘Maar dat is ook het geval als ik selecteer op kleur en alleen mensen met blauwe ogen binnenlaat, dan behandel ik ook iedereen hetzelfde namelijk door te kijken naar de oogkleur,’ kun je tegenwerpen. En inderdaad lijkt dat hetzelfde. Dus een aantasting van de grondrechten!

Dan gaan we iets te snel. Laten we het woordenboek er eens bij pakken. Discriminatie is zoals de Van Dale het omschrijft: “ongeoorloofd onderscheid dat gemaakt wordt op grond van bepaalde, m.n. aangeboren kenmerken zoals ras, geslacht, leeftijd, seksuele geaardheid?” Onderscheid maken mag dus zolang het maar niet ongeoorloofd is. Bij het uitnodigen van mensen op mijn verjaardag is het geoorloofd, maar wanneer is het niet geoorloofd? Kunnen we spreken van discriminatie als het onderscheid dat er bij de deur van de kroeg wordt gemaakt, een gevolg is van een keuze die jezelf hebt gemaakt? Je wordt niet bij voorbaat uitgesloten, zoals het geval was bij de oogkleur. Ben jezelf de reden van je uitsluiting? In dat geval lijkt mij dat er geen sprake is van aantasting van de grondrechten!

Daarmee kom ik terug op iets wat ik eerder schreef toen ik ervoor pleitte om dit Grondwetsartikel te beperken tot: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie op welke grond dan ook, is niet toegestaan.” De auteurs van de Grondwet zagen het nog niet zo verkeerd. Zoals ik er nu over denk zou die laatste zin moeten luiden: Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid of welk aangeboren kenmerk dan ook, is niet toegestaan.” Dit even terzijde.

Terug naar mijn betoog. Geen aantasting van de grondrechten. Nou geen? Geldt voor een kleine groep niet dat deze maatregel hun grondrechten wel aantast? De groep mensen die geen keus hebben en dat is de groep mensen die om medische redenen niet gevaccineerd kunnen worden. Die medische reden is namelijk iets waar ze niet zelf voor hebben gekozen en ook geen afstand van kunnen doen. Ze is vergelijkbaar met de kleur van je ogen. Deze groep wordt bij voorbaat uitgesloten. Die groep wordt gediscrimineerd door de 2G maatregel. Dus daarmee aantasting van de grondrechten!

 JA, als het daarbij blijft wel. Maar NEE als er voor deze mensen een uitzondering wordt gemaakt waardoor ze wel de kroeg binnen kunnen, als ze dat willen. Dan wordt niemand bij voorbaat uitgesloten en heeft iedereen de toegang tot de kroeg in eigen hand. Dus geen aantasting van de grondrechten!

Dan gaan we weer iets te snel. Onze Grondwet geeft namelijk een iets uitgebreidere definitie. Die noemt ook niet aangeboren zaken als ‘godsdienst, levensovertuiging en politieke gezindheid.’ En er zijn mensen die zich vanwege hun geloof niet laten vaccineren. Worden die door de maatregel dan niet in hun grondrechten aangetast? Bij de kroegdeur worden ze echter niet tegengehouden vanwege hun geloof, maar vanwege hun vaccinatiestatus. ‘Maar omdat ze zich van hun god niet mogen vaccineren, worden ze toch bij voorbaat uitgesloten?’ Dat gelovigen iets geloven is hun grondwettelijk recht (artikel 6). Een grondwettelijk recht maar geen plicht. Niemand verplicht je immers om te geloven. Het is een keuze die iemand bewust maken. Wel een keuze met gevolgen. Zo sluit menig gelovige zich uit van sporten op zondag zonder dat de persoon daartoe wordt gedwongen. Ligt dit met niet vaccineren om religieuze reden niet precies hetzelfde en sluiten zij zichzelf niet buiten door een eigen keuze? Beperken ze niet zelf hun Grondrechten?

Er bestaat niet zoiets als ‘het recht op de kroeg’. Als dat wel zou bestaan, dan werd dat door zo’n maatregel aangetast. Zoals in de eerste alinea al aangegeven, twijfel ik eraan of de QR maatregel de juiste is om te nemen. Zou het bij het voorkomen van de verspreiding van het virus niet verstandiger zijn om ons te concentreren op de plicht die de spiegel is van de grondwettelijke rechten? De plicht die ook in de Grondwet is vastgelegd en als taak bij de overheid is neergelegd namelijk om te zorgen voor een veilige leef-, en werkomgeving (artikelen 19 en 22). Die plicht ligt bij de overheid maar zijn we zelf niet de overheid? Die plicht kunnen we invullen door afstand te houden, handen te wassen, bij klachten in quarantaine gaan, thuis te werken tenzij het niet anders kan, onze sociale activiteiten zoals het bezoeken van familie en vrienden drastisch te beperken tot alleen noodzakelijke bezoeken. Maar ook: vaccineren omdat dit de kans op infectie en de schade bij infectie verkleint. Of zoals een Zuid-Afrikaans spreekwoord luidt: “Alles sal reg kom as ons almal ons plig doen.[2]


[1] Zie de Nederlandse Grondwet

[2] Een uitspraak afkomstig van Johannes Hendricus Brand de vierde staatspresident van de Oranje Vrijstaat


Winnen door te verliezen

“Dat leidt tot een pleidooi voor ‘bescheidenheid’ aan het adres van politici, beleidsmakers en bestuurders. Durven zij te vertrouwen op een goed verloop van ontmoetingen tussen professionals en burgers? En kunnen ze accepteren dat hun normatieve aannames over wat een menswaardig bestaan is ook níet kunnen kloppen?” Met die vragen begint de laatste alinea van een artikel van Willemijn van der Zwaard op de site Sociale Vraagstukken. Van der Zwaard schrijft over de spanning in de verzorgingsstaat die: “vanwege zijn bureaucratische grondslag enerzijds goede papieren om niet te vernederen, maar (…) anderzijds risico’s van ‘institutionele vernedering,’ kent. In mijn dagelijkse praktijk als beleidsmaker in wat het sociale domein wordt genoemd, houdt de vraag over de bescheidenheid van politici en beleidsmakers mij ook al jaren bezig. In deze Prikker neem ik jullie mee in een ‘veranderkundige kijk’ op deze vraag. Dit doe ik aan de hand van het ‘kleurendenken’ van Leon de Caluwé en Hans Vermaak.

Eigen foto

Eerst ga ik wat nader in op de opgave waar gemeenten voor staan.  De wetgever, de rijksoverheid, heeft sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw steeds meer verantwoordelijkheden binnen dat sociaal domein naar de gemeenten verschoven, of met het hiervoor in overheidskringen gebruikte woord gedecentraliseerd. Na de Wet voorzieningen gehandicapten en de Algemene bijstandswet volgde begin deze eeuw de eerste Wet Maatschappelijke ondersteuning en in 2015 met een ‘grote klap’ een vernieuwde en uitgebreide Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet en de Participatiewet. Ik zie gemeenten, maar ook het rijk, worstelen met de diverse wetten maar vooral met de centrale opgave erachter die ‘transformatie’ wordt genoemd. “Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving. Wanneer mensen zelf vorm geven aan hun toekomst, voegen zij niet alleen waarde toe aan hun eigen leven, maar ook aan de samenleving als geheel. Zo blijven Nederlanders samen bouwen aan een sterk land van zelfbewuste mensen.[1]Deze woorden sprak koning Willem Alexander in zijn eerste troonrede in 2012. Dat is het doel: Nederland moet een ‘participatiesamenleving’ worden. Maar wat is een participatiesamenleving? En waarin verschilt die van hoe we het nu doen? Wachten mensen nu dan tot iemand anders (de overheid) verantwoordelijkheid neemt voor hun leven? Die vragen kun je je hierbij stellen maar die ga ik hier niet beantwoorden. Voor het gemak ga ik hierin mee. Want zelfs als het niet zo is dan zijn er wellicht goede redenen aan ‘maatschappijontwikkeling’ te doen en de kracht van de gemeenschap, want daar hebben we het dan over, te versterken.

Dan het ‘kleurendenken van De Caluwé en Vermaak. Voor degenen die er alles van willen weten, lees hun boek leren Veranderen. Een handboek voor veranderkunde. Voor wie iets minder tijd heeft, lees het artikel Denken over veranderen in vijf kleuren[2]. Een artikel waarin de kern van het model wordt uitgelegd. De Caluwé en Vermaak zien vijf mogelijke manieren om naar een organisatieverandering te kijken en voor dit artikel zie ik onze samenleving als een organisatie. Iedere manier geven ze een kleur die ik hieronder kort beschrijf.

Geeldrukdenken

Heeft te maken met de symboliek van macht (‘de zon’ ‘het vuur’) en van de aard van coalitievorming (broedprocessen bij de openhaard). Gele mensen gaan er vanuit dat er wordt veranderd als: belangen bij elkaar worden gebracht, als je mensen kunt dwingen tot het innemen van (bepaalde) standpunten/meningen, win-win situaties kunt creëren/coalities kunt vormen de voordelen kunt laten zien van bepaalde opvattingen (macht, status, invloed) de neuzen kunt richten. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als macht, haalbare oplossing, coalitie, win/win en onderhandelen.

Blauwdrukdenken

De uitkomst staat van tevoren vast, is goed te omschrijven en te garanderen. De blauwdruk staat voor het van tevoren gemaakte ontwerp/de tekening (vaak een ding/object) die vervolgens wordt gerealiseerd/geïmplementeerd. Blauwe mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je van tevoren een duidelijk resultaat/doel formuleert een goed stappenplan maakt van A naar B, de stappen goed monitort en op basis daarvan bijstuurt, alles zoveel mogelijk stabiel houdt en beheerst en de complexiteit zoveel mogelijk reduceert. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als rationeel, meten=weten, stappenplan, monitoren, projectmatige aanpak, ontwerpen en voorspelbaarheid.

Rooddrukdenken

Het gaat hier om de mens, met de kleur van menselijk bloed. De mens moet worden beïnvloed, verleid en uitgelokt. De ‘Rode’ Mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je ze op de juiste manier prikkelt, bijvoorbeeld door straf- of lokmiddelen, geavanceerde HRM-instrumenten inzet voor belonen, motiveren, promoveren. Als je mensen iets teruggeeft voor wat zij jou geven. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als ruilen, ‘fit’, relaties, belonen en straffen, sociale setting en HRM-systemen.

Groendrukdenken

Het gaat hier om ideeën, om mensen (met motivatie en leervermogen) aan het werk te krijgen, het ‘groene licht’ te geven. Het gaat hier om ‘groeien’ zoals het groen van de natuur. ‘Groene’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je ze bewust maakt van nieuwe zienswijzen/ eigen tekortkomingen (bewust onbekwaam), als je ze kunt motiveren om nieuwe dingen te zien/te leren/te kunnen, als je geschikte gezamenlijke leersituaties kunt creëren. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als leren, coachen, ontwikkelen, motivatie, leervermogen en bewust onbekwaam.

Witdrukdenken

Wit omvat alle kleuren, het vertegenwoordigt de zelforganisatie en het evolutie-denken. ‘Alles is nog open’ en biedt dus alle ruimte voor invulling. ‘Witte’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als het de wil en wens en de ‘natuurlijke weg’ van de mens zelf is, als het betekenis toevoegt, als het drijft op de eigen energie van mensen, als men de dynamiek/complexiteit wil zien en eventuele blokkades wegneemt. Als er symbolen en rituelen worden gebruikt. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als panta rhei, evolutie, dynamiek, complexiteit, zelforganisatie, creativiteit en exploratie.

Laten we eens kijken wat de opdracht vraagt. De opdracht vraagt om ruimte te geven om ‘duizend bloemen’ te laten bloeien ook al zullen verschillende van die bloemen wegkwijnen. De opdracht vraagt om ‘leren’ en nieuwe ‘betekenis ontwikkelen’ en dit ‘delen’ (groendruk) maar ze vraagt vooral om ‘loslaten’ en ‘dynamiek’ ontwikkelen (witdruk). Om de kracht van een ieder tot ontplooiing te laten komen ook al werken verschillende ‘krachten’ elkaar tegen. Dit vraagt om een ‘veranderaar (in dit geval een overheid) die ‘mensen in beweging’ wil krijgen (groendruk) en een stap verder, een veranderaar die ‘ruimte creëert voor verandering’ door onder andere de kracht van mensen, hun ‘innerlijke zekerheid’ aan te spreken (witdruk). Een veranderaar die ‘leersituatie kan creëren’ en die ‘mensen motiveert tot leren’ (groendruk). Maar die vooral niet bang of ‘onzeker wordt’ van ‘dynamiek’ (witdruk).

Als we kijken naar de overheid en haar opereren, wat zien we dan? Dat overheden en dus ook gemeenten een voorkeur hebben voor geel- en blauwdrukdenken hoeft niet te verbazen. Geeldrukdenken is politiek bij uitstek en gemeenten zijn politieke instituten. Politieke instituten waarbij, zeker sinds de dualisering van het gemeentebestuur begin deze eeuw, politiek handelen en opereren dominant is. Door het college geen onderdeel meer te laten zijn van de gemeenteraad is het politieke karakter van de gemeente versterkt. En politiek is, ondanks termen als win-win , compromis enzovoorts toch bij uitstek een slagveld waar de winst van de een het verlies van de ander is. De andere kant van ons bestuurlijke systeem is dat er verantwoording afgelegd moet worden en daarvoor is blauwdrukdenken uitermate geschikt. Maar er is meer.

Overheden denken in structuren omdat die zekerheid lijken te geven, ze stralen betrouwbaarheid uit. Structuren in de vorm van harkjes (organisatiestructuren), piramides, lijnen  0e, 1e en 2e lijn) zijn voorbeelden van blauwdruk denken. Structuren met duidelijke overgangs- en overdrachtsmomenten die worden gemarkeerd door documenten die je toelaten tot de volgende stap in de hark, piramide of lijn. Centraal in de decentralisaties stonden tot nu toe die structuren. Structuren om ‘zekerheid’ te bieden en risico’s te beperken maar ook tot bureaucratie leiden. De transformatieopgave vraagt, zoals we zagen, echter wat anders. Liggen de kritische succesfactoren niet ergens anders dan in structuren? Liggen die niet in wat we ‘cultuur’ noemen? In hoe mensen met elkaar omgaan, in hun houding. Neem als voorbeeld de ‘sociale wijkteams’ die als paddenstoelen uit de grond zijn geschoten. In Leeuwarden en Enschede begon men er meer dan tien jaar geleden mee om mensen met grote, complexe problemen te helpen. Te helpen buiten de toenmalige structuren omdat die hulp binnen de structuren niet werkte of zelfs niet mogelijk was. Hiermee werden successen geboekt en de club van creatieve mensen met pionierseigenschappen werd het ‘wijkteam’ genoemd. Vervolgens begon het wijkteam aan een opmars en werd het de nieuwe structuur om alle problemen op te lossen. Het ‘middel’ werd gekopieerd en het wijkteam werd de nieuwe structuur en werd de oplossing van het probleem. Maar of ook de creatieve pionierseigenschappen werden gekopieerd? Of werd oude wijn in een nieuwe zak geschonken?

Nu kunnen structuren helpen maar ook hinderen. Gesleutel aan structuren zorgt in ieder geval voor onzekerheid bij de betrokken mensen. In geval van een gemeente zullen burgers zich afvragen wat het voor de dienstverlening aan hen betekent. De betrokken medewerkers stellen zich andere vragen: heb ik nog werk, waar werk ik, wie stuurt mij aan, waar kan ik terecht voor … . Structuren ondersteunen als mensen er invloed op hebben, ze zelf dragen en uitdragen. Het Braziliaanse bedrijvenconglomeraat Semco van de ondernemer Ricardo Semler laat zien wat je kunt bereiken door medewerkers zelf verantwoordelijk te maken, door aan de cultuur te werken. Verantwoordelijk voor hun salaris, hoe ze het werk doen, wie hun leidinggevend is (of die wel nodig is), wanneer ze werken en wanneer niet[3]. Dit lukt Semco zelfs bij volcontinu draaiende productielocaties. Dichterbij, in Nederland en in de zorg, laat Jos de Blok met Buurtzorg zien dat ook de zorg zich leent voor hele lichte structuren die door medewerkers zelf worden gedragen. Besteden we niet veel te veel aandacht aan structuren en vergeten we niet juist de cultuur? Is transformatie niet juist cultuur en zou het kunnen dat we met een structuuraanpak en structuurdiscussies juist de cultuurveranderaars vervreemden?

Een tweede vorm van blauwdruk betreft de risicobeheersing. Een klein stukje geschiedenis over risicobeheersing. Het Belgische fort van Eben Emael. Na een redelijk snelle doortocht van de Duitse troepen in 1914 trok de Belgische regering in de jaren twintig de conclusie dat de oude forten gemoderniseerd moesten worden. Nu is redelijk snel een relatief begrip omdat het voor de troepen van het Duitse keizerrijk te traag was, dit even terzijde. Moderniseren dus en de zwakheden van 1914 eruit halen. Een van die zwakheden was het zogenaamde ‘gat van Visé’. De Duitsers waren in 1914 via dit gat tussen het Belgische Visé en de Nederlandse grens door België ingetrokken. Dit gat werd gedicht met het fort van Eben Emael. Het ‘moeder aller forten’ was volgens militaire experts onneembaar en daarmee hadden de Belgen alle bekende risico’s beheerst. Toch werd dat onneembare fort in 1940 binnen een kwartier uitgeschakeld. De Belgen hadden er niet mee gerekend dat Duitse paratroepen en zweefvliegtuigen wel eens op het fort konden landen om het zo van binnenuit uit te schakelen. Het ontbrak aan luchtafweergeschut. Laat de Duitsers nu juist op dat idee zijn gekomen. Dit voorbeeld laat zien dat overheden risico’s het liefst willen uitsluiten en als dat niet lukt dan ze toch op zijn minst beheersen. Risico’s in het sociale domein worden ook beheerst via ‘forten’ zoals handelingsprotocollen, verantwoordingssystemen, volgsystemen, waarschuwingssystemen (zoals de Verwijsindex) en productbeschrijvingen. Alleen kunnen die de risico’s nooit helemaal voorkomen en zelfs niet beheersen. Bovendien worden hiermee alleen bekende risico’s ‘beheerst’. Die protocollen en procedures compleet met hun prikkels vormen het denk- en handelingskader van zorgorganisaties en zorgprofessionals maar ook van de overheden, hun medewerkers en voor een belangrijk deel ook voor de burgers.

De opgave vraagt echter wat anders. Die vraagt niet om ‘geel-blauw’ maar ‘wit-groen’. De nu dominante ‘geel- blauwe’ aanpak is een voorbeeld van wat John Cassidy in zijn boek Wat als de markt faalt rationele irrationaliteit noemt: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigenbelang op de markt tot resultaten leidt die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.[4] Vanuit het gele en blauwe denkkader van de gemeenten wordt er heel rationeel gehandeld en is alles logisch te verklaren, maar maakt dat het resultaat ook ‘rationeel? De overheid probeert te transformeren via wetgeving die zich vooral bemoeit met de structuur. Het Rijk schuift verantwoordelijkheden van de ene naar de andere overheid en stuurt via de voor– en de achterkant. Via de voorkant door zaken vast te leggen in wet- en regelgeving en via de achterkant via benchmarks en verantwoordingsinstrumenten. Dus op een geel, blauwe manier.

Een groot probleem omdat geel en blauw dominant zijn en andere kleuren overheersen. Geel en blauw spelen, volgens De Caluwé en vermaak, een andere wedstrijd. “Geel en blauw zijn gebaseerd op de ‘oorlogs’-metafoor, waarbij er maar twee uitkomsten zijn: winnaars en verliezers. Als je niet wint, ben je een verliezer.” De andere kleuren zien de wereld heel anders, die: “zijn meer gebaseerd op de harmoniemetafoor, waarbij wordt getracht te voorkomen dat er verliezers zijn en er wordt gestreefd naar groei en zorg. De boodschap is dat iedereen mee moet kunnen, dat we niemand achterlaten, dat mensen gesteund worden en zo verder.” Op een geel, blauw strijdperk staan de andere kleuren op een onoverbrugbare achterstand.

Voor mensen die geel en blauw denken is het een hele stap om te erkennen dat hun in eigen ogen rationeel gedrag (mede) verantwoordelijk is voor irrationele resultaten. Om tot de passende witte en groene aanpak te komen, moeten ze in feite hun nederlaag erkennen. Ze moeten ‘verliezen’ en dat doet pijn want dan ‘wint’ een ander omdat winst immers altijd gepaard gaat met verlies. Zij moeten inzien dat het transformatiedoel dat ze zich hebben gesteld alleen is te bereiken en dus in ‘winst’ is om te zetten als zij ‘verliezen’. Iets wat voor hen voelt als afstand doen van hun toppositie op de ‘apenrots’. Daarbij kan het helpen dat die overheid nooit bedoeld is als ‘apenrots’ maar als een instituut dat ten diensten staat aan de burger. De dienstbare overheid pakt zaken op die burgers niet zelf kunnen of waarbij samenwerking tot betere resultaten leidt. Daarbij kan het helpen als ze zich realiseren dat het om de gezamenlijke winst van de samenleving gaat, om harmonie en niet om hun politieke winst of verlies. Dat het om ‘WIJ’ gaat en niet om ‘IK’.


[1] https://www.binnenlandsbestuur.nl/Uploads/2013/9/troonrede-2013.pdf pagina 2

[2] http://www.decaluwe.nl/articles/DenkenOverVeranderenInVijfKleuren.pdf

[3] https://www.vpro.nl/programmas/tegenlicht/kijk/afleveringen/2012-2013/semler.html

[4] John Cassidy, Wat als de markt faalt?  Pagina 159

Jeugdzorg en geld

“En weer gaat er extra geld naar de jeugdzorg… Prima, als je informatievoorziening beperkt is tot de steeds terugkerende berichten dat de wachtlijsten wéér langer zijn geworden. Maar het verhaal is iets ingewikkelder dan dat men met geld de wachttijden probeert te verkorten.” Aldus psychiater en publicist Bram Bakker in een artikel bij Joop. Over die eerste zin moeten we het eens hebben. Maar eerst het betoog van Bakker.

Free Images : stack, brand, cash, font, art, currency, bill, games, many,  finance, out of focus, banknote, pay, bank note, paper money, financial  world, 10 euro, 20 euro, euro sign, 100 euro,
Bron: PxHere

In zijn artikel geeft Bakker een redelijk accurate analyse van het probleem: “Niet enkel in de jeugdzorg, maar ook in de volwassenen-GGZ verdwijnt buitenproportioneel veel geld naar bijzaken. De overhead laat zich lastig exact berekenen, maar is immens.”  Zijn oplossing gaat op sommige punten misschien wat te ver maar is als denkrichting interessant: “Schrap al dat management, geef instellingen minder vergoeding naarmate mensen langer moeten wachten op hulp. Er is genoeg te bedenken dat niet eens extra geld kost. Het gaat om een herijking van het systeem, het schrappen van organisatievormen die niet meer van deze tijd zijn.” Hoe de zorg er dan uit moet zien omschrijft hij helder: “Goede zorg is kleinschalig, flexibel en proactief. Wordt verleend door multidisciplinaire teams, die zoveel mogelijk zelfsturend zijn. We weten het allemaal al lang, maar waarom doen we het niet?”

Dan nu naar die eerste zin. Als je de kranten de afgelopen weken hebt gelezen en de berichten in de media hebt gevolgd, dan kan ik me voorstellen dat je die zin schrijft. Op 3 juni een artikel bij de NOS met als titel: “Kabinet trekt 1,3 miljard extra uit voor jeugdzorg in 2022.”  Of EenVandaag: “Extra geld voor jeugdzorg heel welkom, ‘maar kijk goed hoe dat geld wordt ingezet” Alleen is het beeld dat er extra geld naar de jeugdhulp gaat niet correct. Er gaat extra geld naar de gemeenten om het gat te dichten tussen het geld dat de gemeenten van het rijk krijgen om de jeugdhulp te verzorgen en het veel grotere bedrag dat ze eraan uitgeven. Geld dat gemeenten niet meer kunnen besteden aan bibliotheken, zwembaden, gemeenschapshuizen, cultuurpodia subsidie voor sportclubs en lantaarnpalen. Sterker nog, als het gaat zoals de minister het wil, dan gaat er in 2022 € 214 miljoen minder naar jeugdhulp dan nu het geval is. Voorwaarde voor dat extra geld voor gemeenten is namelijk dat de gemeenten maatregelen moeten nemen die tot dit bedrag besparing op de jeugdhulp leiden.

De zin schetst een verkeerd beeld. Namelijk dat extra geld de problemen in de jeugdhulp kan oplossen en dus die wachtlijsten wegwerkt. Geld is echter niet het probleem zoals Bakker redelijk accuraat laat zien. De bijzaken zijn het probleem en dat probleem is al meer dan vijftig jaar oud en wordt in stand gehouden door ideologie en verkeerde aannames. Dit verkeerde beeld organiseert de volgende teleurstelling; ‘hebben we 1,3 miljard extra in de jeugdhulp gestort en nog zijn er wachtlijsten.’

McDonalds en de jeugdhulp

“Door terug te gaan naar de eenvoud, redden we mensenlevens. En wat mij betreft maken we haast. Of wachten we ook hier ‘gewoon’ op een parlementaire enquête? “ Dit schrijft Linda Terpstra in een column voor het Friesch Dagblad die mij via LinkedIn bereikte. Het ‘hier’ waar Terpstra het over heeft is de jeugdzorg. Want daar gaat wat goed fout. En door terug te gaan naar de eenvoud, de menselijke maat, moet dat worden opgelost. Inderdaad gaat er het nodige niet goed in de jeugdzorg. Dat kan ik als beleidsadviseur werkzaam op dat terrein beamen en eenvoud klinkt sympathiek en zo ‘eenvoudig’.

De roep om terug te gaan naar die ‘ouderwetse eenvoud’, komt feitelijk neer op een gebrekkige of zelfs ontbrekende kennis van de situatie in het verleden. Zo ‘eenvoudig’ is het verleden ook voor wat betreft de jeugdhulp, nooit geweest. En als die jeugdhulp in het verleden al eenvoudig was, dan kun je hele grote vraagtekens zetten bij de kwaliteit ervan. Denk alleen maar aan de misbruikaffaires en dat is nog niet eens zo heel lang geleden. Voor wie een beeld wil krijgen van dat verleden, kan ik het boek 1000 jaar vaderlandse geschiedenis  van Peter W. Klein aanbevelen. In een hoofdstuk met als titel Het hemd, de rok en de mantel van Sint-Maarten besteedt hij aandacht aan de armenzorg. Niet precies de jeugdzorg, maar het geeft wel een goed beeld over hoe er met hulpbehoevenden werd omgegaan. Die geschiedenis laat zien dat we die ‘eenvoud’ uit het verleden zwaar overschatten en dat die ‘eenvoud’ verschrikkelijke gevolgen had voor de mensen die het betrof. ‘Terug naar de eenvoud’ sluit wel aan bij de trend om een verleden dat nooit is geweest te verheerlijken. Een trend waaraan Wilders en Baudet zich ook schuldig maken en die er bij hun volgelingen ingaat als gods woord in een ouderling.

Mansfield Reformatory | Row of prison cells | Becker1999 | Flickr
Een cellengang inMansfield Reformatory de locatie waar The Shawshank Redemption werd opgenomen. Bron: Flickr

Niet veel later las ik een artikel van PvdA’ers Marleen Barth en Nicole Teeuwen in de Volkskrant. “Na zes jaren van oplopende problemen is volgens ons de onontkoombare conclusie dat de decentralisatie van de gespecialiseerde jeugdzorg is mislukt.” Aldus de beide auteurs. Daarom hopen zij van harte: “dat de partijen die gaan onderhandelen voor een nieuw kabinet, besluiten de jeugdzorg terug te brengen naar een landelijke regeling.”  Immers: “Een beschaafd land heeft altijd voldoende geld voor kinderen in de knel, en een nieuw kabinet zal over de brug moeten met extra geld. Maar dat zal doeltreffender en doelmatiger worden gebruikt als er slechts een kader voor inkoop en kwaliteit van jeugdzorg zou bestaan.”  Even terzijde vrees ik dan dat er dan weinig tot geen beschaafde landen zijn. Beiden hebben spijt van het enthousiasme waarmee ze eerder die decentralisatie hebben gesteund.

Na het lezen van dit pleidooi moest ik denken aan een wethouder van een kleine gemeente. Begin 2017 verzuchtte hij dat we het voor de hulpverleners en ouders niet makkelijk hebben gemaakt. Zo was hem gebleken na gesprekken met ouders en jeugdhulpverleners. Ik moest hieraan denken omdat ik toen op zijn verzoek een praatpapier schreef met een analyse van de situatie in de jeugdhulp. Omdat mijn analyse uit dat praatpapier nog steeds actueel is, neem ik jullie erin mee.

Een praatpapier dat begon met een kleine studie van de geschiedenis van de jeugdhulp in Nederland. Een studie die ik recentelijk met jullie heb gedeeld in een Prikker met als titelJeugdzorg, wijn, zakken en druiven. Die wordt goed samengevat met de volgende zin eruit: “En daarmee werd de ‘oude wijn’ overgegoten in alweer nieuwe zakken.’  Alweer omdat dezelfde ‘oude wijn’ al vaker in een nieuwe zak is gegoten.”  In die Prikker komt ook de Kamerwerkgroep toekomstverkenning jeugdzorg voor, een soort lichte parlementaire enquête uit 2010 op basis waarvan de jeugdzorg over de heg van de gemeenten werd gekieperd. Die korte geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar laat zien dat alle overheden behalve de waterschappen de jeugdzorg al eens op hun bordje hadden. Dus zou nu weer ‘nationaliseren’ dan de oplossing zijn?

Na die geschiedenis van de jeugdhulp. Een stukje perspectief dat begint met een stukje geschiedenis van de mensheid. In zijn boek Een kleine geschiedenis van de mensheid speculeert Yuval Noah Harari over de landbouwrevolutie, het moment dat de mensheid overstapte van het zijn van jager-verzamelaar naar landbouwer. Harari verwondert zich over die overstap omdat het leven van de jager- verzamelaars eigenlijk veel meer voordelen bood dan de landbouwsamenleving. De jager-verzamelaars hoefden veel minder te ‘werken’ voor eenzelfde hoeveelheid calorieën, ze aten veel gevarieerder waardoor ze veel gezonder waren en door dat gevarieerde eten, waren ze minder kwetsbaar voor hongersnood. Als de notenoogst een jaar slecht was, dan werd dat opgevangen door ander voedsel wat het dat jaar wel goed deed, bijvoorbeeld konijnen of appels. Terwijl in een landbouwsamenleving het mislukken van de bijvoorbeeld de aardappeloogst midden negentiende eeuw, tot massale hongersnood en sterfte leidde waarbij in Ierland (waar het fenomeen bekend staat als an Gorta Mór) meer dan één miljoen mensen stierven en evenveel mensen emigreerden. De ellende in Ierland werd extra vergroot door het optreden van de overheid. ‘Waarom hebben onze voorvaderen hun luxe leventje opgegeven voor een veel slechter leven als landbouwer?’ Harari geeft als verklaring dat dit een geleidelijk proces is geweest dat enkele generaties heeft geduurd. Een proces waarbij het steeds moelijker werd om terug te komen op de ingeslagen weg. Moeilijker, omdat de benodigde kennis en vaardigheden voor die teruggang verloren gingen en omdat er meer mensen waren, meer dan er via jagen en verzamelen gevoed konden worden.

Of er een ideale beginsituatie was in de jeugdzorg, waag ik te betwijfelen. Waar ik minder over twijfel is dat het zeer lastig is om zaken weg te denken. De wereld van de zorg is een flink beschreven vel, er is op doorgekrast, in de kantlijn zijn opmerkingen geplaatst, er zijn tekeningen toegevoegd. Met een schone lij te beginnen en dan een ideaalplaatje tekenen, is zeer lastig. We nemen immers allemaal onze ervaringen met het huidige systeem mee. Hieronder de duiding bij een vijftal vlekken op dat flink beschreven papier. Vlekken staan hierbij voor onderwerpen waarbij we ons de vraag kunnen stellen of  we het juiste goed doen. Of we ons niet bezondigen aan rationele irrationaliteit, een begrip dat de John Cassidy munt in zijn boek Wat als de markt faalt? en als volgt omschrijft: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigenbelang op de markt tot resultaten leidt die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.” Als we dit naar de zorg voor de jeugd vertalen, zijn we niet bezig om op een rationele manier ons eigen belang (van de individuele gemeente, de individuele zorgorganisatie enzovoorts) vorm te geven en levert dat voor het geheel, de maatschappij zaken op die irrationeel en inferieur zijn? Eigenlijk deden onze voorvaderen hetzelfde toen zij langzaam overstapten van jagerverzamelaar naar landbouwer, iedere stap leek rationeel in hun belang toen de stap werd gezet. Alleen kun je je afvragen of die stapt ooit zou zijn gezet als het resultaat al van te voren bekend was?

Als eerste een ‘structuurvlek’. Overheden denken in structuren, die lijken zekerheid te geven, die stralen betrouwbaarheid uit. Structuren in de vorm van harkjes (organisatiestructuren), piramides , lijnen (0de, 1ste , 2de lijn). Structuren met duidelijk overgangs- en overdrachtsmomenten die worden gemarkeerd met documenten die je toelaten tot de volgende stap in de hark, piramide of lijn. Maar liggen de kritische succesfactoren voor het slagen niet in de cultuur? In hoe mensen met elkaar omgaan, in hun houding. Zo zijn sociale wijkteams een gevolg van problemen in Leeuwarden. Problemen die men besloot om zoveel als mogelijk buiten de structuren en bureaucratie aan te pakken. Hiermee werden successen geboekt en de groep die ermee aan de slag ging, werd wijkteam genoemd. De vraag is alleen of het succes in Leeuwarden en van andere ‘pionierende’ wijkteams een resultaat was van het middel wijkteam, de structuur, of van de kwaliteiten van de medewerkers, de cultuur. Wordt nu niet het middel gekopieerd maar dan met mensen die de ‘pionierende’ capaciteiten ontberen? En wordt het middel nu niet als dé oplossing voor alle problemen gepositioneerd en in structuren gegoten terwijl het juist was bedoeld om structuren te breken? Gebeurt er met de wijkteams en haar leden dan niet precies wat gevangene Red gespeeld door Morgan Freeman in  de film The Shawshank Redemption ‘institutionalized’ noemt: “These walls are funny. First you hate ‘em, then you get used to ‘em. Enough time passes, you get so you depend on them. That’s institutionalized.”

Structuren kunnen helpen of hinderen. Het continue gesleutel aan structuren zorgt in ieder geval voor onzekerheid bij medewerkers: heb ik nog werk, waar werk ik, wie stuurt mij aan, waar kan ik terecht voor … Structuren ondersteunen als mensen er invloed op hebben, ze zelf dragen en uitdragen. Het Braziliaanse bedrijvenconglomeraat Semco van de ondernemer Ricardo Semler laat zien wat je kunt bereiken door de medewerkers zelf verantwoordelijk te maken: door aan de cultuur te werken. Verantwoordelijk voor hun salaris, hoe ze het werk doen, wie hun leidinggevende is (of die wel nodig is), wanneer ze werken en wanneer niet (zie hiervoor Tegenlicht). Dit lukt Semco zelfs bij volcontinu draaiende productielocaties. Dichterbij, in Nederland en in de zorg, laat Jos de Blok met Buurtzorg zien, dat ook de zorg zich leent voor hele lichte structuren die door de medewerkers zelf worden gedragen. Besteden we niet veel te veel aandacht aan structuren en vergeten we niet juist de cultuur? Is transformatie niet juist cultuur en zou het kunnen dat we met onze structuuraanpak en structuurdiscussie juist de cultuurveranderaars van ons vervreemden?

Als tweede de ‘nabijheidsvlek’. Gemeenten willen ‘dichtbij de burger’ zijn en staan’, dat was ook een ‘argument’ waarmee werd gepleit voor de decentralisatie: gemeenten staan het dichtst bij de burger en zijn dus het beste instaat om passende ondersteuning te bieden. Ik zet argument hier bewust tussen haakjes want is dit een feit of zijn het twee aannames? Veel gemeenten werken met (sociale)wijkteams. In de wijk zijn ze immers dichtbij de burger. Iemand kan fysiek dichtbij je zijn maar emotioneel mijlen ver van je verwijderd.  Over welke vorm van dichtbij zou het in de zorg moeten gaan? Gaat het in de zorg en ondersteuning niet vooral over het slechten van die emotionele afstand? Wordt succes niet bepaald door het overbruggen van de emotionele afstand? Voor veel jeugdigen is McDonalds heel nabij terwijl deze multinational vanuit Oak Brooks, een plaats bij Chicago dat de meeste jeugdigen (en ook volwassenen) niets zal zeggen, wordt aangestuurd en geleid. Gaat het bij dichtbij niet veeleer om een gevoel dan een organisatievorm? Overbruggen wij de emotionele afstand door buurman te worden?

Als derde de ‘samenwerkingsvlek’. De Kamerwerkgroep toekomstverkenning jeugdzorg concludeerde datde versnipperde financiering een van oorzaken was van de problemen in de jeugdzorg. Dit zorgde voor verschillende wettelijke regimes en opdrachtgevers. Er moest één overheid verantwoordelijk worden: de gemeenten. Klein probleem, daar hebben we er bijna vierhonderd van. De versnippering die eruit moest is bestreden door? Juist ja door verder te versnipperen! Zorgverleners die eerst met één provincie te maken hadden of met één of twee zorgkantoren, moeten nu in de clinch met vele gemeenten. Landelijke instellingen die met bijna vierhonderd gemeenten in de slag moeten. Een in heel Brabant werkende instelling heeft te maken met 64 gemeenten, gemeenten die niet allemaal hetzelfde willen en vragen. Dit vraagt van samenwerkingspartners en instellingen veel, zowel in menskracht als in geld en dat geldt ook voor de gemeenten. Instelling moeten zich verhouden tot de ‘çouleur locale’ van iedere gemeente. Maar wat is er lokaal aan een eetstoornis of kindermishandeling? Het is de vraag of het kind werkelijk centraal staat zoals we pretenderen. Zijn kind, ouders en opvoeders werkelijk beter geholpen? ‘L’union fait la force’ of in het Nederlands Eendracht maakt macht, aldus het Belgische devies, al lijkt een deel van de Vlamingen daar anders over te denken. Zijn wij werkelijk eendrachtig en maken we macht? Of volgt iedere gemeente het Nederlandse devies voor zichzelf: ‘Je Maitiendrai’ of in het Nederlands met een kleine twist: ik zal (mijn eigenzinnigheid) handhaven? Staat ‘couleur locale’ niet eigenlijk voor: ik wil niet samenwerken en doe mijn eigen ding? Vertrouwen we elkaar? Werken we samen of maken wij van samenwerken zo dicht mogelijk langs elkaar heen werken?

Als vierde de ‘risicovlek’. Weer een klein stukje geschiedenis maar dan op een ander vlak, trouwens weer Belgisch. Het Belgische fort van Eben Emael. Na de redelijk snelle doortocht van de Duitse troepen in 1914 (redelijk snel, maar voor het Duitse keizerrijk te traag), trok de Belgische regering in de jaren twintig de conclusie dat de oude forten gemoderniseerd moesten worden. De zwakheden van 1914 moesten eruit en het zogenaamde ‘gat van Visé’ moest worden gedicht. De Duitsers hadden in 1914 gebruik gemaakt van dit gat tussen Visé en de Nederlandse grens. Hier verrees het ‘moeder aller forten’, het fort Eben Emael. Volgens de militaire experts was het fort onneembaar en daarmee waren de risico’s die de Belgen zagen, beheerst. Toch werd het fort op 10 mei 1940 binnen een kwartiertje door de Duitse troepen uitgeschakeld. De bekende risico’s waren beheerst, onbekende, vernieuwende risico’s niet en laat de Duitser nu net met het onbekende, gedurfde aan de slag zijn gegaan. Zweefvliegtuigen en paratroepen die ongezien op het fort landden en het zo van binnenuit uitschakelden.

Risico’s in de (jeugd)zorg worden beheerst via ‘de forten van de jeugdzorg’, de (handelings)protocollen, verantwoordingssystemen, volgsystemen, waarschuwingssystemen, zoals de Verwijsindex. Alleen voorkomen die niet dat er zaken fout gaan. En na een fout komt er een ‘Pieter van Vollenhoven’ langs die pleit voor ‘nog meer systemen’. Proberen wij met al die instrumenten niet precies hetzelfde als de ‘Belgische’ militaire planners? Het beheersen van risico’s die we toch niet helemaal uitgesloten kunnen krijgen? Die protocollen en procedures compleet met hun perverse prikkels vormen het denk- en handelingskader van de zorgorganisaties en de professionals. Vraagt transformatie niet om buiten de protocollen, procedures, denk- en handelingskaders te treden, om flexibiliteit om verandering en vernieuwing, om ‘Duits’ denken? Vraagt moderne risicobeheersing daar trouwens niet ook om?

Als vijfde de ‘neoliberale vlek’. De afgelopen decennia heeft de marktwerking een belangrijke rol gekregen in de zorg: ‘Laat het aan de markt over, die zorgt voor efficiënte, goedkope oplossingen’. Een aanname waarbij de nodige vraagtekens zijn te zetten. Zo laat de Amerikaanse econoom Robert J. Gordon (lees zijn boek The Rise and Fall of American Growth) zien dat die marktwerking in de Verenigde Staten tot de duurste zorg van de wereld heeft geleid, de VS geven per hoofd van de bevolking het meeste geld uit aan gezondheidszorg en tot grote verspillingen en vooral tot een voor vele Amerikanen onbereikbare zorg. Kijken we naar Nederland dan hebben wij bijna de duurste zorg per hoofd van de bevolking in Europa. Nederland is ook heel ver gegaan met marktwerking in de zorg en probeert, in tegenstelling tot de VS, die markt te reguleren waardoor de ergste excessen worden voorkomen. Excessen zoals twee volledig uitgeruste ziekenhuizen bijna naast elkaar die allebei half leeg staan)

We geven veel geld uit aan zorg. Toch zijn veel mensen bezorgd of ze de benodigde zorg nog wel kunnen krijgen of kunnen betalen vanwege de eigen bijdrages en de stijgende premies. Niet alleen zorgvragers maken zich zorgen ook zorgmedewerkers maken zich zorgen of ze ‘morgen nog wel werk hebben’. De ‘bedrijven’ waarvoor zij werken, maken zich zorgen of ze de volgende ‘aanbesteding’ wel overleven. Gemeenten kopen de zorg voor de jeugd immers in op de markt. Hiervoor worden dure (Europese)aanbestedingstrajecten opgezet die tot veel papierwerk en bureaucratie leiden. Zo wordt er veel geld uitgegeven voor zorg zonder dat het wordt besteed aan zorg. Het wordt door zowel de gemeenten als de aanbieders besteed aan inkopers, juristen en beleidsmensen.

Een voorbeeld uit een andere sector, het openbaar vervoer. In Limburg is er pas weer opnieuw gegund (in 2016) na een traject met veel ophef en fraude, tsja die Limburgers. Er rijden nu nieuwe bussen en treinen met de oude chauffeurs in nieuwe uniformen want de winnaar moet het personeel van de verliezer overnemen. Zou het in de zorg anders zijn? Moet ook daar de ‘winnaar’ niet het personeel van de ‘verliezer’ overnemen? Geluk voor het personeel zou je kunnen zeggen, ze behouden hun baan. Toch geeft dit onrust en onzekerheid want meestal wordt niet alles en iedereen overgenomen, moet je weer wennen aan een nieuwe organisatie met andere regels en gebruiken. Je kunt je afvragen waarom we dit doen als het resultaat toch is dat dezelfde mensen hetzelfde werk moeten doen? Zeker als we ons bedenken dat de zorgsector kampt met een tekort aan mensen die het werk kunnen en willen doen. Een gebeuren dat aan alle kanten voor onrust zorgt. Is dit niet, als je het vanuit een wat abstracter niveau bekijkt, ‘a lot of fuss about nothing’? Maar wel fuss die veel tijd, geld en energie kost.

Tot zover mijn analyse uit 2017. Deze hele mêlee gaan we niet oplossen door te zoeken naar vroegere eenvoud die nooit heeft bestaan. Die gaan we ook niet oplossen door het hele systeem maar weer eens overhoop te gooien en het centraal te regelen. Dat zou trouwens wel passen in het ritme uit het verleden. Ieder tien tot vijftien jaar een nieuwe wet over de zorg voor de jeugd. Dat gaat ook niet automatisch lukken met de petitie die de FNV samen met de denktank Jeugdsprong heeft opgezet. In  prachtige woorden beschrijven ze een visie op de jeugdhulp die mij verdomd bekend voorkomt van het visietraject jeugdzorg van de gemeente waar ik vóór de decentralisatie van 2015 werkte. En die een van de oudere deelnemers aan dat traject uit de jeugdhulp deed terugdenken aan begin jaren negentig van de vorige eeuw waarna hij iets zei als: ‘en hoe zorgen we ervoor dat het nu wel gaat lukken?’

Ik denk, en daarbij haak ik aan bij wat ik gekscherend op LinkedIn aan Maaike van der Aar, de landelijk bestuurder Jeugdzorg van de FNV die het artikel van de beide PvdA’ers op dat medium schreef, dat we: “eens bij McDonalds (moeten) kijken, die doen iets heel goed. Ze worden centraal aangestuurd vanuit Chicago maar weten toch nabijheid op te wekken. Ze doen zaken op wereld schaal maar andere zaken laten ze aan lokale franchisers over omdat dit vanuit Chicago niet te regelen is.”

Jeugdzorg, wijn, zakken en druiven

In de Volkskrant een column van huisarts Danka Stuijver. Stuijver laat aan de hand van een voorbeeld zien: “hoe makkelijk het mis kan gaan in deze leeftijdsfase.” Waar het fout is gegaan, daar geeft ze ook een antwoord op: “Sinds de verschuiving van het Rijk naar de gemeenten in 2015 bestaan er in de jeugdzorg, jeugdbescherming en jeugd-GGZ grote problemen. Verhalen van overbelast personeel, bezuinigingen, bureaucratie, wachtlijsten en wantoestanden zijn alom bekend.” Zo, dat weten we dan ook weer. Maar klopt het wel?

Wijngaarden Foto's - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Laten we eens ruim tien jaar teruggaan in de tijd, naar 2010. Vijf jaar vóór de decentralisatie waarnaar Stuijver verwijst. Dat prachtige jaar waarin ‘we’ bijna wereldkampioen werden. Bijna want na een prachtige pass van de op dat moment in topvorm zijnde Wesley Snijder stoof Robben op het Spaanse doel af. Helaas voor ‘ons’ zat ‘de teen van Casillias’ er nog tussen. Dat was ook het jaar dat de Tweede Kamerwerkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg verslag uitbracht. De werkgroep erkent en herkent de knelpunten die er momenteel zijn, vijf jaar na de invoering van de Wet op de jeugdzorg. Problemen als van het kastje naar de muur verwezen worden, lange wachttijden, teveel hulpverleners die werken binnen één gezin, te weinig tijd voor daadwerkelijke zorg aan het kind, nog te weinig bewezen effectieve behandelmethoden die worden toegepast, grote regel- en verantwoordingsdruk.” En: “De problemen in de jeugdzorg worden veroorzaakt door de steeds geringere acceptatie van risico’s en afwijkend gedrag door samenleving en ouders, door de hieruit voortvloeiende stijging van het beroep op jeugdzorg, door hardnekkige problematiek van Multi probleemgezinnen, door de verantwoordingsdruk en indekcultuur in de jeugdzorg en door de versnipperde financiering en organisatie van de jeugdzorg.” De ‘toestanden’ die deze commissie beschrijft, lijkt verdacht veel op de ‘wantoestanden’ van Stuijver.

Laten we nog eens wat verder teruggaan in de tijd, naar 2005. Toen werd de voorganger van de huidige Jeugdwet 2015 aangenomen, de Wet op de jeugdzorg. Een wet die er lang over deed om uiteindelijk wet te worden, want het wetsvoorstel werd in 2001 ingediend. Die wet was nodig, zo is te lezen in de memorie van toelichting omdat de toen geldende wet, de Wet op de jeugdhulpverlening van 1989, onvoldoende: “mogelijkheden voor een eenduidige aansturing en financiering,” bood. “Ter bevordering van de samenhang op uitvoeringsniveau geeft de Wet op de jeugdhulpverlening regels omtrent de samenwerking tussen uitvoerders van voorzieningen,” aldus de memorie van toelichting. Toen mankeerde er dus ook al wat aan de samenwerking. De wet moest invulling geven aan vier doelstellingen: “het versterken van de voorliggende voorzieningen, de totstandkoming van één centrale herkenbare, bekende, laagdrempelige toegang tot de jeugdzorg, zijnde het bureau jeugdzorg, de totstandkoming van een passend en samenhangend zorgaanbod en het versterken van de positie van de cliënt.” Het was aan de provincies om het Bureau Jeugdzorg vorm te geven. De ‘toestanden’ waaraan de Wet op de jeugdzorg een einde moest maken, waren dezelfde die de Kamerwerkgroep in 2010 beschreef en de ‘wantoestanden’ van Stuijver.

Nu waren de provincies al langer verantwoordelijk voor een deel van de jeugdzorg. Namelijk sinds in 1989 de al eerder genoemde Wet op de jeugdhulpverlening in werking trad. Die wet moest een einde maken aan de sterk verzuilde en verkokerde jeugdhulpverlening. Die ‘sterke verzuiling en verkokering’ werd in de jaren zeventig geconstateerd. En een Gemengde Interdepartementale Werkgroep Jeugdwelzijnswerk adviseerde in 1976 om de jeugdhulp ‘regionaal en in samenhang’ te organiseren. Dit advies werd niet meteen door de regering overgenomen. Twee nieuwe werkgroepen moesten verder onderzoek doen. Die werkgroepen namen er hun tijd voor en in 1984 publiceerden zij hun bevindingen. En wat adviseerden de werkgroepen: hulp moet zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm[1]. Drie keer ‘zo’ maar eigenlijk vijf, want ook zo tijdig mogelijk en zo goedkoop mogelijk. Dit leidde uiteindelijk tot die Wet op de jeugdhulpverlening van 1989.

En daarmee is de cirkel rond. De ‘5 keer zo’ van 1984 werden dertig jaar later verwerkt in de volgende uitgangspunten voor het inrichten van de jeugdhulp. Normaliseren: problemen met opvoeden en opgroeien horen erbij en daarbij hulp en ondersteuning vragen en krijgen is normaal. Je helpt elkaar en als je er samen niet uitkomt, dan komt iemand je helpen met specifieke kennis en vaardigheden. Dichtbij: hulp moet dichtbij zijn. Ont-bureaucratiseren: een hulpverlener is er om hulp te verlenen en niet om lijstjes in te vullen. Alleen dat wat voor zijn werk nodig is, wordt bijgehouden. Eigenkracht: vertrouw en versterk de kracht van kind en opvoeder. En als laatste vertrouwen in de professional. En zo’n vijf jaar later constateert Stuijver in feite dat er niets is veranderd.

Het maakt het onwaarschijnlijk dat Stuijvers wantoestanden een gevolg zijn van de nieuwe wet die in 2015 de gemeenten verantwoordelijk maakte. Dan moet de oorzaak elders liggen. Laten we voor een mogelijke verklaring eens teruggaan naar die ‘verkokering en verzuiling’ van de jaren zeventig. Wat is er dan sindsdien veranderd? De verzuiling zit nog steeds in de huidige wet. In artikel 2.3: “Het college houdt bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening met: de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.” En in artikel 2.4 derde lid: het college draagt er zorg voor dat bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en van de jeugdreclassering redelijkerwijs rekening wordt gehouden met: behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.” Hier staat dat gemeenten die ‘verzuiling’ die in de jaren zeventig al als probleem werd gezien, moeten handhaven.

Bij iedere nieuwe wet komt er een nieuwe ‘koker’ bij. De verf in de kantoren van de Bureaus Jeugdzorg was bij wijze van spreken nog niet droog of minister Rouvoet begon zijn Centrum voor Jeugd en Gezin over de gemeenten uit te strooien. Veel van de instellingen die toen die ‘verzuilde en verkokerde’ zorg vormgaven, bestaan nog steeds. Ze zijn van naam veranderd en vaak gefuseerd, maar ze bestaan nog steeds. Neem de Mutsaersstichting in Venlo alwaar men ze ook wel ‘de Muts ’noemt. Een van oorsprong katholieke instelling uit 1930. Ze heeft alle ‘wetten’ overleefd. En zij is niet de enige. Het oude bleef bestaan er werd iets nieuws aan toegevoegd en vervolgens hoopte men dat de wereld ineens zou veranderen. Zo moesten de gemeenten in 2013 een Transitiearrangement Jeugd afsluiten met de toenmalige aanbieders van jeugdhulp. Dit met als doel om continuïteit van zorg voor jeugdigen en van de zorginfrastructuur bij de decentralisatie naar de gemeenten te garanderen voor een periode van drie jaar. Naast de continuïteit van zorg voor de jeugdige werd zo ook de ‘continuïteit van omzet en bedrijfsvoering’ voor de instellingen geregeld.

En daarmee werd de ‘oude wijn’ overgegoten in alweer nieuwe zakken.’  Alweer omdat dezelfde ‘oude wijn’ al vaker in een nieuwe zak is gegoten. Zou die ‘oude wijn’ die in de jaren zeventig al wrang smaakte, beter gaan smaken door hem eens per tien, vijftien jaar in ‘nieuwe zakken’ te gieten? Als we werkelijke beter ‘jeugdzorgwijn’ willen, zouden we dan niet beter druiven kunnen gaan plukken om nieuwe wijn te maken?


[1] https://www.canonsociaalwerk.eu/nl_jz/details_verwant.php?cps=2&verwant=251

Zoekt en gij zult vinden!

“Waarom neemt het aantal jongeren dat jeugdhulp ontvangt zo enorm toe?” Die vraag stelt hoogleraar gezondheidseconomie Wim Groot in een blog op de site zorgvisie.nl. Volgens Groot moeten de gemeenten hiervoor en dus ook voor de stijgende kosten jeugdhulp, toch echt naar zichzelf kijken: “Een belangrijke reden daarvoor is het ‘open armen’-beleid van de gemeenten.”  Moeten de gemeente werkelijk naar zichzelf kijken?

beest, dier, kameleon
Bron: Pexels.com

Om zijn betoog kracht bij te zetten gaat Groot verder: “ Google op ‘opvoedvragen’ en je komt vrijwel direct op sites met als kop ‘Opvoedvragen? Kijk hier voor online advies’ en ‘Opvoed Adviespunt voor al uw opvoedvragen’. De eerste is de site van het centrum voor Jeugd en Gezin van de gemeente Maastricht, het tweede is dat van de gemeente Rijswijk. De gemeente Heemskerk heeft als titel voor haar site: ‘Met al uw opvoedvragen naar het Centrum voor Jeugd en Gezin’. Dit zijn maar een paar voorbeelden; andere gemeenten hebben vergelijkbare wervende teksten.” Met dat ‘Centrum voor Jeugd en Gezin’ dat bij het zoeken naar voren komt, komen we bij een ander inzicht. Een van de belangrijke punten van het kabinet Balkenende IV was opgroeien en opvoeden. Dat was zo belangrijk, vooral voor coalitiepartij ChristenUnie, dat er zelfs een minister van Jeugd en Gezin kwam. Dat werd André Rouvoet, de toenmalige leider van de ChristenUnie.

“Een brede aanpak van zorg voor en bescherming van kinderen en jeugd wordt in een project vormgegeven. De gedachte daarachter is: de kokers voorbij, rekening houdend met de aanbevelingen van de Operatie ‘Jong’. Er komen Centra voor Jeugd en Gezin, waarin jeugdzorg en opvoedondersteuning en andere organisaties elkaar vinden en de handen ineen slaan.” Zo schreven ze in hun Coalitieakkoord op pagina 10. Daarop werd een bestuursakkoord gesloten met de gemeenten, want die moesten het gaan uitvoeren. In een van de hulpmiddelen, de Wegwijzer Centrum Jeugd en Gezin wordt aangegeven wat de bedoeling is: “Het CJG moet voor álle kinderen en gezinnen ondersteuning en hulp bieden bij het opvoeden en opgroeien. Dat betekent dat zij er met al hun vragen over opgroeien gemakkelijk terecht moeten kunnen: dicht bij huis en laagdrempelig.” Waarom? Ook daarop geeft het document antwoord:  “Op die manier wordt voorkomen dat de problemen zwaarder en complexer worden en daardoor moeilijker aan te pakken. Met het CJG kunt u dus winst pakken!” Die ‘open armen’ zijn expliciet onderdeel van de beleidskeuzes van de toenmalige regering.

Sterker nog, die ‘open armen’ kregen een expliciete plek in de Memorie van toelichting bij de Jeugdwet 2015. Daarin wordt onder andere als doel van de wet geformuleerd: “eerder de juiste hulp op maat te bieden om het beroep op dure gespecialiseerde hulp te verminderen.” Want: “Door deze manier van organiseren en interveniëren kan het beroep op specialistische en gedwongen hulp worden verminderd. In deze opzet ligt een prikkel besloten voor de gemeente om extra te investeren in preventie, vroeghulp en hulp tot zelfhulp.” 

Bijzonder om dit ‘open-armen’-beleid zoals Groot het noemt, de gemeenten te verwijten. De gemeenten voeren de opdracht uit die de wetgever hen heeft gegeven. Waar de wetgever geen rekening mee heeft gehouden is dat die keuze tot meer jeugdhulp zou leiden. Sterker nog, de wetgever kortte op het budget: ‘vroeger signaleren’ zou immers tot eerder ingrijpen leiden. En eerder ingrijpen zou, zo luidde de redenering, goedkoper zijn.

Nu kent het Nederlands het spreekwoord ‘Zoekt en gij zult vinden!’ Vroeg signaleren betekent dat je meer gaat zoeken. Als je gaat zoeken, aldus het spreekwoord, ga je vinden. Dan vind je zaken die eerst geen probleem opleverden. Dan kan het best zijn dat het aantal jongeren dat hulp krijgt, sinds 2015 met 18,5% is gestegen zoals Groot betoogt. Wat zeker niet altijd niet één op één loopt, is dat iets vroeger ontdekken uiteindelijk tot goedkopere zorg leidt. Een voorbeeld. Het eerder ontdekken bij een kind van een stoornis in het autistische spectrum, zal leiden tot het eerder inzetten van hulp en ondersteuning. Eerdere inzet leidt niet per definitie tot in totaal kortere duur van de inzet. Noch noodzakelijkerwijs tot minder zware zorg of ondersteuning. Een heel cru voorbeeld. Het ontdekken van een dodelijke vorm van kanker op een moment dat de situatie al hopeloos is, levert minder kosten op dan dat deze vroegtijdig wordt ontdekt. Bij vroegtijdige ontdekking is de kans groot dat al het mogelijke wordt geprobeerd om het tij te keren dan wel de resterende tijd van leven te verlengen. Een operatie, chemotherapie, bestraling. Al dit gebeurt niet meer als de situatie hopeloos is bij ontdekking.

Klus gezocht

Ik ben nog steeds op zoek naar een opdrachtgever waarmee ik de volgende salarisafspraak kan maken voor een klus van dertig dagen. Voor de eerste dag een salaris van € 0,01 en dat verdubbelt iedere dag. Wellicht helpt deze Prikker bij het vinden van die opdrachtgever. Al denk ik dat die er na het lezen van deze Prikker anders over denkt. 

Ik moest hier weer aan denken na het lezen van het Commentaar van Sander van Walsum in de Volkskrant. Van Walsum: “Maar inmiddels kan ook worden vastgesteld dat de afbouw van preventieve maatregelen geen lineair proces is, maar een processie van Echternach: drie stappen vooruit, twee stappen achteruit.”  Zo wordt er de laatste dagen weer een stijging van het aantal ziekenhuisopnamen gemeld in Duitsland maar ook in Brabant. Dit terwijl de druk op de regering om de teugels te laten vieren, toeneemt. Die druk heeft er al toe geleid dat de basisscholen weer opengaan en dat kinderen weer mogen sporten.

“Om te kunnen voorzien in de toenemende behoefte aan meer bewegingsvrijheid heeft de Nederlandse overheid de testcapaciteit voor de vaststelling van corona al drastisch uitgebreid,” schrijft Van Walsum. Wat echt zou helpen: “handhaving of uitbreiding van de ic-capaciteit. Met het oog daarop zouden reservisten in de zorg moeten worden gerekruteerd, of zou bestaand zorgpersoneel moeten worden om- of bijgeschoold.” Dat lijkt een goed advies. De curve moest immers worden afgevlakt om de zorg niet te overbelasten en daarbij waren het aantal ic-bedden de beperkende factor. Meer bedden betekent dat er op een hoger niveau afgevlakt kan worden. Dan zou het kabinet zich, zo betoogt Van Walsum, meer rust in de besluitvorming kunnen veroorloven. Leveren meer ic-bedden werkelijk rust?

Meer ic-bedden betekent dat er meer corona-patiënten in een ic-bed kunnen. Op een ic-bed kom je als je er erg slecht aan toe bent, maar er nog wel hoop is dat je de ziekte overleeft. Als we er vanuit gaan dat onze zorg is gebouwd als een piramide met de ic-bedden als top. Dat de top en de basis in evenwicht zijn. Een evenwicht waarbij zelfs is gerekend met enige overcapaciteit. Dan leidt meer ic-bedden tot een veel grotere top die alleen in tijden van nood, zoals nu, gebruikt kan worden. In ‘normale tijden’ staan er dan, net zoals nu in Duitsland, veel ic-bedden onbenut. Wat gebeurt er dan in tijden van crisis, bijvoorbeeld een opleving van de corona-pandemie? 

Er is dan meer ic-capaciteit. De rest van het ziekenhuis ligt dan nog steeds vol met corona-patiënten. Meer corona-patiënten op de ic betekent immers dat er ook meer patiënten in de rest van het ziekenhuis liggen. Net zoals de afgelopen anderhalve maand het geval was, is dan de hele rest van de piramide nodig en ligt alle andere zorg stil. 

Als we even een week of vier, vijf terugkijken in de tijd. De periode dat het erom spande of er snel genoeg ic-bedden konden worden gecreëerd en het uiteindelijk net lukte om er voldoende beschikbaar te hebben. Op dat moment stierven er zo’n 180 mensen per dag. Tenminste volgens de RIVM cijfers. Volgens de berekeningen van het Centraal Bureau voor Statistiek waren dat er ongeveer het dubbele, dus zo’n 360. De ‘rust’ die een verdubbeling oplevert, betekent dat er wekelijks het dubbele aantal mensen sterven, dus ruimt 700 per dag.

Hoe ‘rustig’ zou een kabinet kunnen besluiten met een dubbelde ic-capaciteit? Rust die per dag het dubbel aantal mensen het leven kost. Die de complete Nederlandse zorginfrastructuur lam legt en die roofbouw pleegt op de medewerkers in de zorg. Het enige probleem wat met bijvoorbeeld een verdubbeling van de ic-capaciteit wordt opgelost is het keuzedilemma tussen twee patiënten voor één ic-bed. Alhoewel opgelost, het duurt langer voordat we dat punt bereiken.

Als er geen maatregelen worden genomen dan verspreidt het corona-virus zich exponentieel. Omdat niet iedereen even ziek wordt en het zelfs kan zijn dat je al mensen kunt besmetten voordat je ook maar ziekteverschijnselen hebt, zijn er op het moment van de eerste geconstateerde besmette persoon, waarschijnlijk al meer personen besmet. We zagen bijvoorbeeld een verdubbeling van het aantal besmettingen, ziekenhuisopnamen en doden in ongeveer drie dagen. Dit betekent dat er drie weken na de eerste besmette persoon 32 mensen besmet zijn. Na zes weken zijn dat er al 1.024 en na twaalf weken zo’n 67.000.000. En daarmee kom ik terug bij mijn zoektocht naar een opdrachtgever waarmee ik deze Prikker begon. Die zes weken komen overeen met 28 dagen. Mijn salaris op die 28ste dag bedraagt dan € 671.088,64. Het salaris op de laatste van de dertig werkdagen is dus vier keer zoveel en wel € 2.684.354,56. En mijn totale beloning voor die dertig dagen het dubbele van dit bedrag minus 1 cent. 

We moeten dus verspreiding van het virus voorkomen. Dat kan door de mensen waarmee een besmette persoon in aanraking is gekomen in beeld te brengen, te testen op de ziekte en ze te adviseren (of verplichten) om gedurende een week of twee in quarantaine te verblijven. Die ‘drastische uitbreiding van de testcapaciteit’ is daarom belangrijk. Voor verdubbeling van de ic-bedden: “zouden reservisten in de zorg moeten worden gerekruteerd, of zou bestaand zorgpersoneel moeten worden om- of bijgeschoold,” aldus van Walsum. Het lijkt mij slimmer om te werven en om- of bij te scholen in dit ‘opsporingswerk’. Dan zijn die extra bedden niet nodig, voorkomen we dat de zorg-piramide overbelast raakt en als belangrijkste, worden er minder mensen ziek en sterven er minder aan de gevolgen van het virus. En, maar dat is van minder belang, kan het kabinet zich meer rust veroorloven in de besluitvorming.