Uitgelicht

Klus gezocht

Ik ben nog steeds op zoek naar een opdrachtgever waarmee ik de volgende salarisafspraak kan maken voor een klus van dertig dagen. Voor de eerste dag een salaris van € 0,01 en dat verdubbelt iedere dag. Wellicht helpt deze Prikker bij het vinden van die opdrachtgever. Al denk ik dat die er na het lezen van deze Prikker anders over denkt. 

Ik moest hier weer aan denken na het lezen van het Commentaar van Sander van Walsum in de Volkskrant. Van Walsum: “Maar inmiddels kan ook worden vastgesteld dat de afbouw van preventieve maatregelen geen lineair proces is, maar een processie van Echternach: drie stappen vooruit, twee stappen achteruit.”  Zo wordt er de laatste dagen weer een stijging van het aantal ziekenhuisopnamen gemeld in Duitsland maar ook in Brabant. Dit terwijl de druk op de regering om de teugels te laten vieren, toeneemt. Die druk heeft er al toe geleid dat de basisscholen weer opengaan en dat kinderen weer mogen sporten.

“Om te kunnen voorzien in de toenemende behoefte aan meer bewegingsvrijheid heeft de Nederlandse overheid de testcapaciteit voor de vaststelling van corona al drastisch uitgebreid,” schrijft Van Walsum. Wat echt zou helpen: “handhaving of uitbreiding van de ic-capaciteit. Met het oog daarop zouden reservisten in de zorg moeten worden gerekruteerd, of zou bestaand zorgpersoneel moeten worden om- of bijgeschoold.” Dat lijkt een goed advies. De curve moest immers worden afgevlakt om de zorg niet te overbelasten en daarbij waren het aantal ic-bedden de beperkende factor. Meer bedden betekent dat er op een hoger niveau afgevlakt kan worden. Dan zou het kabinet zich, zo betoogt Van Walsum, meer rust in de besluitvorming kunnen veroorloven. Leveren meer ic-bedden werkelijk rust?

Meer ic-bedden betekent dat er meer corona-patiënten in een ic-bed kunnen. Op een ic-bed kom je als je er erg slecht aan toe bent, maar er nog wel hoop is dat je de ziekte overleeft. Als we er vanuit gaan dat onze zorg is gebouwd als een piramide met de ic-bedden als top. Dat de top en de basis in evenwicht zijn. Een evenwicht waarbij zelfs is gerekend met enige overcapaciteit. Dan leidt meer ic-bedden tot een veel grotere top die alleen in tijden van nood, zoals nu, gebruikt kan worden. In ‘normale tijden’ staan er dan, net zoals nu in Duitsland, veel ic-bedden onbenut. Wat gebeurt er dan in tijden van crisis, bijvoorbeeld een opleving van de corona-pandemie? 

Er is dan meer ic-capaciteit. De rest van het ziekenhuis ligt dan nog steeds vol met corona-patiënten. Meer corona-patiënten op de ic betekent immers dat er ook meer patiënten in de rest van het ziekenhuis liggen. Net zoals de afgelopen anderhalve maand het geval was, is dan de hele rest van de piramide nodig en ligt alle andere zorg stil. 

Als we even een week of vier, vijf terugkijken in de tijd. De periode dat het erom spande of er snel genoeg ic-bedden konden worden gecreëerd en het uiteindelijk net lukte om er voldoende beschikbaar te hebben. Op dat moment stierven er zo’n 180 mensen per dag. Tenminste volgens de RIVM cijfers. Volgens de berekeningen van het Centraal Bureau voor Statistiek waren dat er ongeveer het dubbele, dus zo’n 360. De ‘rust’ die een verdubbeling oplevert, betekent dat er wekelijks het dubbele aantal mensen sterven, dus ruimt 700 per dag.

Hoe ‘rustig’ zou een kabinet kunnen besluiten met een dubbelde ic-capaciteit? Rust die per dag het dubbel aantal mensen het leven kost. Die de complete Nederlandse zorginfrastructuur lam legt en die roofbouw pleegt op de medewerkers in de zorg. Het enige probleem wat met bijvoorbeeld een verdubbeling van de ic-capaciteit wordt opgelost is het keuzedilemma tussen twee patiënten voor één ic-bed. Alhoewel opgelost, het duurt langer voordat we dat punt bereiken.

Als er geen maatregelen worden genomen dan verspreidt het corona-virus zich exponentieel. Omdat niet iedereen even ziek wordt en het zelfs kan zijn dat je al mensen kunt besmetten voordat je ook maar ziekteverschijnselen hebt, zijn er op het moment van de eerste geconstateerde besmette persoon, waarschijnlijk al meer personen besmet. We zagen bijvoorbeeld een verdubbeling van het aantal besmettingen, ziekenhuisopnamen en doden in ongeveer drie dagen. Dit betekent dat er drie weken na de eerste besmette persoon 32 mensen besmet zijn. Na zes weken zijn dat er al 1.024 en na twaalf weken zo’n 67.000.000. En daarmee kom ik terug bij mijn zoektocht naar een opdrachtgever waarmee ik deze Prikker begon. Die zes weken komen overeen met 28 dagen. Mijn salaris op die 28ste dag bedraagt dan € 671.088,64. Het salaris op de laatste van de dertig werkdagen is dus vier keer zoveel en wel € 2.684.354,56. En mijn totale beloning voor die dertig dagen het dubbele van dit bedrag minus 1 cent. 

We moeten dus verspreiding van het virus voorkomen. Dat kan door de mensen waarmee een besmette persoon in aanraking is gekomen in beeld te brengen, te testen op de ziekte en ze te adviseren (of verplichten) om gedurende een week of twee in quarantaine te verblijven. Die ‘drastische uitbreiding van de testcapaciteit’ is daarom belangrijk. Voor verdubbeling van de ic-bedden: “zouden reservisten in de zorg moeten worden gerekruteerd, of zou bestaand zorgpersoneel moeten worden om- of bijgeschoold,” aldus van Walsum. Het lijkt mij slimmer om te werven en om- of bij te scholen in dit ‘opsporingswerk’. Dan zijn die extra bedden niet nodig, voorkomen we dat de zorg-piramide overbelast raakt en als belangrijkste, worden er minder mensen ziek en sterven er minder aan de gevolgen van het virus. En, maar dat is van minder belang, kan het kabinet zich meer rust veroorloven in de besluitvorming.

Uitgelicht

Punt maken of paniekzaaien?

“Dit wordt een drama, mensen.” De laatste zin in een artikel bij De Dagelijkse Standaard van Michael van der Galien. Wat een drama wordt? De manier waarop, volgens Van der Galien in de medische wereld om wordt gegaan met corona-patiënten. Heeft Van der Galien een punt of zaait hij paniek?

Bron: https://pt.wikipedia.org

Wat is er aan de hand? In de Volkskrant een artikel waarin wordt vermeld dat driekwart van de mensen die aan corona zijn gestorven nooit op de Intensive Care hebben gelegen. “Dat komt deels doordat verpleeghuisartsen of huisartsen in samenspraak met betreffende patiënt en familie besluiten om de zieke gelet op leeftijd of toestand niet ‘in te sturen’ naar de ic.” Aldus Diederik Gommers de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care. Gommers: “Als de patiënt heel oud is, een slecht hart heeft en de afgelopen maanden al drie operaties heeft ondergaan, dan kan de arts soms in samenspraak met de familie besluiten dat het niet zinvol is om hem op de intensive care te gaan behandelen.”  

Dat is tegen het zere been van Van der Galien: “Soms? Soms? Je hebt het over driekwart van de sterfgevallen meneer Gommers. Dat is niet soms, dat is telkens weer! Oudere patiënten (met andere klachten) worden nu dus al opgegeven.” Nu worden er iedere dag mensen opgegeven. Dat is treurig voor de betreffende persoon en de naasten, het is echter onvermijdelijk. Sterven is namelijk de enige zekerheid die het leven biedt. Gelukkig zijn het in overgrote meerderheid ouderen die worden opgegeven. 

Omdat ‘corona’ nu hot is en het enige onderwerp waarover nog wordt geschreven en gesproken, komt dit in het nieuws. Het zijn echter niet alleen corona-patiënten. Als diezelfde oudere een gewone longontsteking zou hebben, dan zou er eenzelfde keuze gemaakt kunnen worden. Hetzelfde kan opgaan voor kankerpatiënten of patiënten met een onherstelbare herseninfarct. Als IC-opname niets toevoegt aan de zorg voor een patiënt, sterker nog als die opname een of twee dagen lijden toevoegt, waarom zou je iemand dan op de IC leggen? 

Er worden iedere dag zo’n keuzes gemaakt. Als er één ambulance beschikbaar is en er zijn twee vragen, dan wordt er ook gekozen. Een keuze die nadelig uitvalt voor één van de twee. Als de ene een oude man van 85 is en de ander een baby, dan is de kans groot dat de 85-jarige de dupe is. Het zijn trouwens niet alleen ouderen die dit kan raken. Nu, in een tijd van een gezondheidscrisis met maar beperkte middelen, wordt het maken van keuzes nog belangrijker. Dat er daarbij naar de leeftijd, maar vooral naar de levenskansen en -kwaliteit wordt gekeken, is niet meer dan reëel. Dat is geen drama, dat is verstandig. Van der Galien zaait paniek.

Leren, accepteren, niet beleren

“Al deze veranderingen zijn een kleine stap voor de mensheid maar een reuzestap in de transformatie van jeugdzorgland. Laten we de aanbevelingen van de inspecties serieus nemen en adequate financiering voor de jeugdhulp regelen en geef de gemeenten een kans om te transformeren naar betere jeugdhulp met ‘zo thuis als mogelijk’.” Dit advies geeft lector Residentiële Jeugdzorg Peer van der Helm in een artikel op de site Sociale Vraagstukken. Een advies dat de Ballonnendoorprikker van harte ondersteunt. Toch is er iets in het artikel van Van der Helm dat om een kritische beschouwing vraagt.

Van der Helm ziet twee goede ontwikkelingen: “Als eerste is er, zonder dat iemand dat doorhad, een stille revolutie voltrokken binnen de jeugdzorg. Dat gaat over de dominantie van de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders), ook wel de ‘bijbel van de psychiatrie’ genoemd. Vroeger kreeg je alleen geld met een zogenaamde Diagnose Behandelcombinatie (DBC volgens de DSM).” Die DSM: “verliest steeds meer terrein in gemeenteland.”  Een positieve ontwikkeling: “want dat opent nieuwe mogelijkheden voor adequate behandeling en begeleiding. Er wordt in de plaats daarvan steeds meer gekeken naar een verklarende probleemanalyse.”  De tweede goede ontwikkeling is dat: “gemeenten vaak in staat zijn heel goed maatwerk te leveren in behoorlijk extreme en levensbedreigende casussen die vroeger in de gesloten jeugdzorg terecht zouden zijn gekomen.” Daarom moet er adequate financiering worden geregeld voor gemeenten. 

Van der Helm legt een verband tussen de gemeente en maatwerk: ‘gemeenten kunnen maatwerk leveren.’ En dat klopt. Het kan, maar het is geen een-tweetje dat laten gemeenten ook zien. Dat ‘gemeenten maatwerk leveren’ is een van de vooronderstellingen waarop het landelijk jeugdzorgbeleid is gebaseerd. Maar dat gemeenten dit kunnen, wil niet zeggen dat het Rijk dit niet zou kunnen. Ook een door het Rijk aangestuurde jeugdzorg kan ‘transformeren naar betere jeugdhulp met ‘zo thuis als mogelijk’.’ Dat ‘transformeren’ vraagt om vertrouwen. De verantwoordelijke overheid, welke dat ook is, moet erop vertrouwen dat de hulpverleners dát doen wat nodig is en hen ook de ruimte geven om het vervolgens te doen. Die hulpverleners hebben er immers voor doorgeleerd. Zij zijn de deskundigen. 

Dat wil niet zeggen dat zij geen fouten kunnen maken en er ongelukken kunnen gebeuren. Dat ‘transformeren’ vraagt dan om afstand. Het vraagt dan om leren en accepteren, niet beleren. Leren en accepteren door je te realiseren dat honderd procent succes een mooi streven is maar niet haalbaar. Niet beleren door geen protocollen en procedures in te voeren om de onvermijdelijke ongelukken te voorkomen.

Maar ook als gemeente ‘leren en accepteren’ dat je het niet alleen kunt. Dat je andere gemeenten nodig hebt om bijvoorbeeld die gesloten jeugdzorg waar je niet wilt dat kinderen naar toe gaan maar die soms toch nodig is, te kunnen organiseren. Dat samenwerking vraagt dat je verder kijkt dan je eigen gemeentelijke belang. 

‘De vettigen Handdook’

Toen ik het ouderlijk huis verliet betrok ik een klein zolderappartement in Venlo. Een appartement met bijzondere buren. Aan de ene kant had groenteboer Janssen zijn zaak. Een echt familiebedrijf. Iedere dag verse groenten en vers fruit. Ik kwam er tenminste iedere week en vaak nog wel vaker. Aan de andere kant, en meteen ook de andere kant van het gezondheidsspectrum, zat een frietzaak. Daar kwam ik af en toe. Die frietzaak stond bekend als ‘De Vettigen Handdook’. Ik moest hieraan denken toen ik bij Binnenlandsbestuur een stukje van de verdediging van gemeentebestuurders las tegen het alweer ‘centraliseren’ van een deel van de jeugdzorg: “Het is in Oost-Groningen echt een ander vraagstuk dan in Amsterdam, Goes of Enschede.” Dit naar aanleiding van de problemen in de jeugdzorg waarover ik gisteren ook schreef. 

Bron: Wikipedia

Inderdaad is Oost Groningen anders dan Amsterdam, Goes of Enschede, daar heeft de Enschedese bestuurder Eelco Eerenberg, die deze uitspraak doet, een punt. Toch vraag ik me af of dit wel het punt is? Hoe ‘anders’ is het probleem van een kind dat in Oost Groningen of Goes vanwege de thuissituatie uithuis moet worden geplaatst? Wat is de specifiek Amsterdamse of Enschedese component aan de situatie van dat kind en het betreffende gezin? Als Eerenberg gelijk heeft dan is de vraag die Goes of iedere andere gemeente, zich moet stellen: hoe ziet specifiek Goes’ huiselijk geweld eruit? Geeft Eerenberg hier niet een voorbeeld van verkeerde veronderstelling of een kromme redenering?

En zelfs als Eerenberg het bij het rechte eind heeft en het probleem van een kind dat uit huis moet worden geplaatst afhankelijk is van de woonplaats en er zoiets bestaat als specifiek Enschedees huiselijk geweld, wil dat dan meteen ook zeggen dat de gemeente dan ook de juiste schaal is om de jeugdzorg te organiseren? Waarom zou het met een vanuit het rijk aangestuurde jeugdzorg onmogelijk zijn  om: “problemen op (te) lossen (…) in combinatie met sportclubs, scholen, huisartsen en veel andere partijen”? 

Laat McDonalds niet zien dat het goed mogelijk is om vanuit Oak Brook het ‘hongerprobleem’ lokaal aan te pakken? Het bedrijf geeft haar basismenu een ‘lokale twist’: in Nederland de McKroket, in Japan de Teriyaki burger enzovoorts. Het bedrijf sluit daarmee veel beter aan bij de wensen van het gros van de klanten dan  mijn oude buren van ‘De Vettigen Handdook’. Die zaak is jaren geleden opgedoekt.

Jeugdzorg en ‘New Public Management’

Al eerder schreef ik over vooronderstellingen waarop de ‘decentralisaties’ zijn gebaseerd. Voor de niet kenner, decentralisatie is als het rijk een taak belegt bij een lagere overheid. In 2015 gebeurde dat op drie terreinen. Eentje daarvan was de zorg voor de jeugd. Veronderstellingen zoals dat de gemeente de ‘meest nabije’ overheid is en dat dit dan ook de schaal is waarop je zorg het beste kunt organiseren. De veronderstelling dat ‘de markt’ het wel oplost. Over kromme redeneringen die werden gebruikt ter verdediging ervan. Redeneringen zoals die ene overheid die er plotseling bijna vierhonderd blijken te zijn. Over hoe de roep om een gevoel, nabijheid, als ‘structuur’ wordt georganiseerd. En als laatste over hoe het altijd op een structuurverandering uitdraait terwijl er iets aan de cultuur moet veranderen. Dat dreigt nu ook weer te gebeuren. In de Volkskrant lees ik: “De overheid moet onmiddellijk zorgen voor meer geld en personeel. Op de langere termijn moet het jeugdstelsel op de schop.” Het Rijk en de provincie zijn al verantwoordelijk geweest, voor de jeugdzorg, nu is het de gemeente dan rest er nog één andere mogelijke overheid: de waterschappen.  

Ald weishoës Venlo. Bron: Wikipedia

Zonder gekheid, de waterschappen dat lijkt mij geen goed idee. De zaken die nu worden geconstateerd spelen al jaren. Even, via de site Canonsociaalwerk, terug in de tijd: “Begin jaren zeventig zijn jeugdhulpverlening en kinderbescherming in ons land sterk verzuild en verkokerd. Er bestaat grote willekeur waar een hulpbehoevend kind terechtkomt. Een vernieuwingsbeweging in de jeugdbescherming bekritiseert inhoud en effect van hulp en opvang. Tijd voor verandering en mede daarom stelt de regering in 1974 de Gemengde Interdepartementale Werkgroep Jeugdwelzijnsbeleid in. Die adviseert twee jaar later om de hulpverlening regionaal en in samenhang te organiseren en het recht op adequate hulp en een klachtrecht vast te leggen.” Helaas deed de regering toen niets met die aanbeveling. Er werd een werkgroep ingesteld. Die werkgroep kwam in 1984 tot de uitgangspunten dat jeugdhulp: “zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’ moet plaatsvinden.” En om het te completeren kwamen daar nog twee keer ‘zo’ bij: zo tijdig mogelijk en zo goedkoop mogelijk. Een tijdje later, in 2010, kwam de Kamerwerkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg in haar rapport tot soortgelijke conclusies. Eén gezin, één plan, één regisseur werd het nieuwe devies nog steeds met het doel om zo dicht mogelijk bij huis, zo kort mogelijk, zo licht mogelijk te helpen. En natuurlijk ook zo tijdig en goedkoop mogelijk bij. Bijzonder dat we al jaren weten ‘wat’ er moet gebeuren en dat het steeds fout gaat bij het ‘hoe’. 

Alhoewel, eigenlijk is dat niet zo bijzonder. Niet zo bijzonder omdat ook sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw de New Public Management stroming dominant is. Een stroming die in ‘producten en klanten’ denkt en die ‘het model van de private sector’ op de overheid toepast. Centraal staan: doeltreffendheid, doelmatigheid en zuinigheid (zo goedkoop mogelijk). Het model dat politieagenten bonnen laat schrijven omdat ze hun quotum moeten halen. En ook het model dat zorg in stukken hakt en er ‘producten’ van maakt of nog erger: diagnose behandel combinaties.

Producten die vervolgens in de markt worden gezet. Maak ergens een markt van en je krijgt marktgedrag. Zoals iedereen die een beetje nadenkt kan bedenken staat, zodra je van zorg een product maakt, het product centraal en niet de mens. Het product moet worden geleverd (de bon moet worden geschreven) of de jeugdige er nu mee geholpen is of niet. Die producten moeten vervolgens ook worden gemeten en geadministreerd om verantwoording af te leggen. Want verantwoording moet in cijfers worden afgelegd: daling van dit, stijging van dat. Dergelijke verantwoording duidt op een gebrek aan vertrouwen of zelfs op wantrouwen.

Iedereen die in de (jeugd)zorg werkt weet dat het vertrouwen dat de patiënt in zijn behandelaar heeft de belangrijkste bepalende succesfactor is. Daarom was ‘vertrouwen in de professional’ ook een van de kreten waarmee de laatste systeemverandering werd verkocht. Alleen is dat vertrouwen er niet zoals het ‘productdenken’ en het ‘gestolde wantrouwen’ van de verantwoording laten zien.

Wat als we zorg nu eens inrichten op basis van vertrouwen? We vertrouwen de mensen die in de zorg werken en geven hen de middelen om dat te doen wat zij denken dat nodig is. Dat doen ze zonder dat ze alles in systemen moeten verwerken en zonder dat ze met ‘protocollen’ en dergelijke moeten werken. Het enige wat we van hen vragen, is dat ze, ernaar gevraagd, kunnen onderbouwen waarom ze voor een bepaalde behandeling hebben gekozen en niet voor een andere. Geen zorginkoop, geen beschikkingen of verwijzingsbriefjes, geen ‘protocollen’. Geen concurrentie tussen zorgaanbieders. Dus ook niet het in je achterhoofd knagende ’krijgt mijn werkgever nog wel opdrachten’?

Het ‘New Public Management’ en de zorg gaan slecht samen. Trouwens ‘het model van de private sector’ waarop het is gebaseerd, is voor de samenleving als geheel ook niet al te best, zo laat de bankencrisis zien. En, maar dat laat ik aan een ander over om te betogen, het zou zo maar eens kunnen dat ook de klimaatcrisis een gevolg is van dat ‘model van de private sector’.  

Meervoudige persoonlijkheidsstoornis

Ik weet het even niet meer. Ik ben in de war en vraag me af of het aan mij ligt? Waar het over gaat? Over het gebruik van verdovende middelen of met een andere term stimulerende middelen want de een gebruikt ze om zijn ellende te verdoven en de ander om in een ‘ vrolijke’ bui te komen. Ze zijn er in soorten en maten maar wat ze allemaal gemeen hebben, is dat je eraan verslaafd kunt geraken. En nu ik dit schrijf en denk over wat er nog komen gaat, weet ik dat ik niet in de war ben, maar ‘iemand’ anders. ‘Wie’ dat volgt later. 

Bron: Wikipedia

De meest gebruikte verdovende of stimulerende middelen zijn alcohol en tabak. Dan heb je wiet (cannabis), heroïne, cocaïne, qat en nu vergeet ik vast nog wel wat middelen die zijn gemaakt van natuurlijke producten`. De laatste twee decennia zijn ‘chemische’ middelen in opkomst. Middelen zoals XTC die in een laboratorium in elkaar worden geknutseld en in pilletjes worden gestanst. Als laatste heb je ‘doe-het-zelf-drugs zoals GHB. Middelen die je zelf in elkaar kunt knutselen met spullen, zoals gootsteenontstopper, die je in de winkel kunt kopen. Allemaal hebben ze in meer of mindere mate een stimulerend en/of verdovend effect, afhankelijk van wat de gebruiker ermee wil. Allemaal zijn ze verslavend en kunnen ze een mens ten gronde richten.

Tabak en alcohol zijn gewoon in supermarkt en speciaalzaak te koop. Zo kocht ik vandaag een fles Ouzo bij de plaatselijke slijter. Even ‘for the record’, alcohol is het enige van al die middelen die ik soms nuttig. Alcohol heb je, net als tabak, in verschillende soorten zwaarte. Je hebt lichte, milde en zware tabak, sigaren, sigaretten, pijp- en pruimtabak. In een pilsje zit 5% alcohol, maar je hebt ook bieren met 8 en zelfs 15%. Wijn zit ook rond die 15% en in rum en andere sterke dranken zit 40% of meer alcohol.

Wiet heb je ook in verschillende soorten en maten. Het is illegaal maar het gebruik en bezit van een kleine hoeveelheid wordt gedoogd. Het spul produceren is verboden. Dit leidt tot de bizarre situatie dat een ‘slijter van wiet’ wel een kleine hoeveelheid in bezit mag hebben en verkopen, maar  het niet mag inkopen. Het wordt dus in de illegaliteit (criminaliteit) geproduceerd en verhandeld. Het geld dat ermee wordt verdiend moet door de ‘witwasser’. Nu start onze regering een experiment om aan deze bizarre situatie iets te veranderen. In 10 gemeenten start een proef met het legaal telen van wiet (hennep) voor inwoners van die stad die er behoefte aan hebben.  

Komen we bij de harddrugs. Daaronder vallen alle chemische drugs en ook heroïne en cocaïne. Het gebruik ervan is niet strafbaar. Bezitten, verhandelen of het maken ervan wel. Je mag iets dat je niet mag hebben wel gebruiken. De handel en productie gebeurt ook hier in de illegaliteit en is dus in handen van criminelen die er sloten met geld mee verdienen. Sloten die, zoals een Amsterdams rapport duidelijk maakt, weer een weg zoeken naar de bovenwereld. Sloten die bovendien tot openbare geweldpleging leiden en een devaluatie van de prijs van een moord. Of zoals RTL Nieuws het formuleert: “Achter de schermen zouden de criminele handelaren aan de top van de piramide zich ongehinderd kunnen verrijken. In de onderlinge strijd tussen de ‘bazen’ in de drugscriminaliteit worden concurrerende zaken beschoten of handgranaten achtergelaten.” Om daar wat aan te doen wordt de drugsgebruiker aangesproken: zijn gebruik maakt die criminele activiteiten mogelijk. De gebruiker van het spul kan dat pareren door te zeggen: ‘mijn gebruik is niet het probleem, het probleem is dat jullie het illegaal hebben gemaakt.’

Toch vreemd dat verschillende soorten verdovende/stimulerende middelen zo verschillend worden benaderd terwijl hun schadelijk effect op de gezondheid overeenkomt. Alcohol en tabak zijn legaal, harddrugs illegaal en softdrugs hangt er tussenin en lijken steeds legaler te worden. Vanwaar dit verschil?  Waarom is het ene toegestaan en het andere verboden? Is de overheid in de war of is het erger en lijdt zij aan een meervoudige persoonlijkheidsstoornis?


Overheidstaak

Voor degenen die het nog niet wisten in Venlo ligt de Brightlands Campus Greenport. Op de campus zitten start-ups, ondernemers, kennisinstellingen en onderzoeksinstituten die zich richten op de voedselsector. Ze werken samen aan, zoals het op de site van de campus staat beschreven: “innovaties op het gebied van gezonde voeding, future farming en bio-circular economy.” De campus is gevestigd in de twee blikvangers van het voormalige Floriade-terrein: de Innovatoren en Villa Flora. En het is een succes.

Innovatoren. Bron Wikipedia

Ja, want die gebouwen zitten vol. Daarom wordt er op de campus een Brighthouse gebouwd. “Op dit moment zijn er op de Venlose campus zestig organisaties en zestien R&D-faciliteiten gevestigd. Er werken ruim 650 mensen,” zo lees ik op de site van Omroep Venlo. Dat is: “een kopie van de twee Bright Houses die in het voorjaar in gebruik zijn genomen op de  Brightlands Chemelot Campus in Geleen. Door die gebouwen te kopiëren zijn de kosten lager, is er minder kans op fouten en kan de bouw sneller plaatsvinden.” Met dat Brighthouse: “moet er ruim 8.600 vierkante meter vloeroppervlakte worden toegevoegd .” Dat allemaal voor € 22 miljoen en daar kunnen dan weer nieuwe bedrijven en start-ups in. Tot zover niets bijzonders.

“De Provincie Limburg levert de grootste bijdrage: 17,6 miljoen euro. De gemeente Venlo draagt 4,4 miljoen bij aan de ontwikkeling.” Wat? Gaan we dat bedrijfsverzamelgebouw, want dat is het, met overheidsgeld bekostigen? Is het een taak van de overheid om bedrijfsgebouwen te betalen en ‘huurbaas’ te worden voor bedrijven? Als er werkelijk vraag is voor meer bedrijfsterrein op die plek, dan moet er toch vast wel een projectontwikkelaar zijn die er brood in ziet. Dan moet het toch niet zo moeilijk zijn om een investeerder te vinden die het zaakje wil betalen? Is dit een gat waar de overheid in moet springen? Zeker een overheid die zo slecht bij kas zit als de gemeente Venlo. Een gemeente met forse tekorten oude zorg van jeugdigen en ouderen die ondersteuning nodig hebben.

A propos zorg en jeugdigen. Een groot probleem voor veel jeugdigen is het vinden van een woning. Vooral voor jeugdigen die hierbij extra ondersteuning en begeleiding nodig hebben, is er geen woonruimte te vinden. Jeugdigen die zonder die woning of in te dure zorgvoorzieningen blijven hangen of op straat wonen en leven. Behalve ellende voor de jeugdigen kost dit de samenleving in het algemeen en de gemeenten in het bijzonder veel geld. De ‘woningmarkt’ voor jeugdigen wordt vooral overgelaten aan huisjesmelkers zoals onze race-prins-van-Oranje, die woningen opsplitsen en er kamers van maken. Kamers die ze duur verhuren.

Zouden de twee overheden en vooral de gemeente Venlo hun geld niet beter kunnen investeren in het bouwen van goede betaalbare woningen voor jeugdigen in het algemeen en voor jeugdigen die extra ondersteuning nodig hebben?