Uitgelicht

La Guerre du Feu

(A)ls je echt oog hebt voor de ernst van de ene onrechtvaardigheid, dan moet je toch begrijpen dat je de andere onrechtvaardigheid niet moet bagatelliseren?” Die vraag stelt Floris Schleicher bij Joop in een artikel. Hij reageert op antiracisme activisten die naar zijn mening: “het leed van dieren uit de bio-industrie miskennen.” Schleicher: “Dieren worden op grote schaal opgesloten, verminkt, een martelend dieet opgedrongen, geforceerd geïnsemineerd, van hun familie gescheiden en vergast.” Daarop is maar een conclusie mogelijk volgens Schleicher: “Als je antiracist en feminist bent, zou je automatisch ook veganist moeten zijn. De processen van uitsluiting van vrouwen en niet witte-mensen berusten namelijk op dezelfde onderliggende structuren als die van dieren.”

neanderthals prehistoric mountains free photo
Bron: needpix.com

Als ik de redenering van Schleicher omkeer, dan kun ik geen antiracist zijn als je vlees eet of op leren schoenen loopt. Dat kan niet omdat uitsluiting van dieren en mensen op een zelfde onderliggende structuur berust. Nu eet ik zelf op z’n tijd graag een stukje vlees. Dus kan ik wel ophouden me in te zetten voor een rechtvaardige samenleving zoals ik het omschrijf. Een bijzondere redenering.

Dat het leven voor een dier in de bio-industrie geen pretje is, staat buiten kijf. Dit moet veranderen. Maar betekent dit dan ook meteen dat de mens geen vlees meer mag eten? Nu is de huidige mens, de Homo Sapiens, van nature een omnivoor. De manier waarop we zijn gebouwd maakt dat duidelijk. We hebben kiezen om voedsel te malen zoals ook herbivoren ze hebben. Maar we hebben ook redelijk scherpe hoektanden van een carnivoor. Voor een planteneter hebben we een vrij kort en beperkt darmstelsel. Maar ook voor het eten van rauw vlees is dat darmstelsel niet ideaal. Ons bijzondere gestel is een resultaat van een paar miljoen jaar evolutie.  

Het belangrijkste moment uit die evolutie, is het temmen van het vuur. Wie kent de film La Guerre du Feu nog een Frans-Canadese film uit 1981 in het Engels vertaald als ‘Quest for fire’. In de film heeft een stam cro-magnon mensen een kleine vlam die ze altijd brandend moeten houden. Dooft de vlam, dan hebben ze geen vuur meer omdat ze niet weten hoe ze vuur moeten maken. Als het vuur toch dooft, moeten ze eropuit om vuur bij een andere stam te stelen. De film speelt zich zo’n 80.000 geleden af, zo tegen het einde van het middenpaleolithicum (3000.000 tot 35.000 jaar geleden). Een periode dat meerdere mensensoorten de aarde bewoonden.

Op het belangrijkste punt gaat de film echter mank. Een ‘Guerre du Feu’ zullen de drie in de film figurerende mensensoorten niet hebben gevoerd. De kunst om vuur te maken, hadden de mensensoorten in die tijd al lang onder de knie. En met dat onder de knie krijgen van het vuur maken, zijn we aanbeland bij wellicht de belangrijkste innovaties uit de geschiedenis van de mensheid. “Een internationaal gezelschap van onderzoekers ontdekte achter in de grot – ongeveer dertig meter van de ingang en twee meter onder de bodem – talrijke overblijfselen van verschroeide botten en plantenresten, direct naast vuistbijlen en andere vroeg-menselijke werktuigen die van de vertegenwoordigers van de Homo eregaster afkomstig zouden kunnen zijn. Uit de ligging van de vondsten en de structuur van de achtergebleven asresten konden de archeologen aflezen dat het vuur in de grot niet door een bosbrand was veroorzaakt, maar aangestoken werd. Uit de dikte van de aslaag bleek bovendien dat er steeds opnieuw op dezelfde plek vuur werd gemaakt.” Een passage uit Hoe wij mensen werden van Madelaine Böhme, Rúdiger Braun en Florian Beier. Nu leefde de Homo eregaster in het vroege Pleistoceen, tussen de 1,9 en 1,4 miljoen jaar geleden. Dus die stammen uit La Guerre du Feu hebben nooit ‘gezocht’ noch ‘gevochten’ om vuur. Ze konden het zelf maken, die innovatie hadden ze te danken aan die Homo eregaster.

Zonder dat vuur waren wij er, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, niet geweest. Het temmen van vuur was cruciaal voor de ontwikkeling van de mens. Cruciaal omdat beheersing van het vuur de mens bescherming bood in de nacht. Vuur houdt immers dieren op afstand. Maar belangrijker omdat vuur ervoor zorgde dat onze verre voorouders het vuur leerden te gebruiken om te koken. Böhme c.s.: “Gegaard voedsel is (…) beter en sneller te verteren en heeft meer voedingswaarde. Daardoor valt er meer energie te halen uit een portie eten. Uit zetmeel houdende  voedingsmiddelen als granen en aardappelen komt door koken dertig tot vijftig procent meer energie ter beschikking en uit eieren meer dan veertig procent extra bruikbaar eiwit.”

Resultaat hiervan: “De verkleining van de gebitselementen, de aanwijzingen voor een verbeterde beschikbaarheid van energie, de aanwijzingen voor een korter spijsverteringskanaal en het vermogen om nieuwe milieus te exploiteren ondersteunen de gedacht dat het bereiden van voedsel beslissend was voor de evolutie van Homo erectus. En, als we iets verder vooruit kijken, ook voor het ontstaan van het grote hersenvolume van de moderne mens. De grote, complexe menselijke hersenen hebben zoveel energie nodig dat het lichaam daarvoor meer dan twintig procent van de dagelijkse energiebehoefte en zestig procent van de in het bloed opgeloste glucose gebruikt, ook al maken de hersenen maar ongeveer twee procent van ons lichaamsgewicht uit. Een dergelijk luxueus orgaan kan een organisme zich alleen veroorloven als het constant voldoende brandstof tot zijn beschikking heeft.”

Zonder koken en vuur, geen groot hersenapparaat: “Tot dat resultaat kwamen Braziliaanse onderzoeksters nadat ze het eetgedrag van moderne mensapen en de energiebehoefte van de hersenen van deze dieren nauwkeurig hadden bestudeerd. Een volwassen gorilla die zich hoofdzakelijk voedt met bladeren, bloemen en vruchten, zou dagelijks meer dan twee uur langer moeten eten om een in verhouding even grote hersenmassa als de onze te verzorgen. Omdat gorilla’s sowieso al bijna acht uur lang eten en voedsel verteren is dat vrijwel onmogelijk. De dagen zijn daarvoor eenvoudig niet lang genoeg.”

Terug naar Schleichers betoog, die zich, zo vat ik het samen, inzet voor een rechtvaardige wereld. Een wereld waarin ieder wezen de mogelijkheid heeft zich te ontwikkelen naar zijn natuurlijke mogelijkheden. Hoort daar voor de mens dan niet ook de keuzemogelijkheid bij om vlees te eten? Maar dan wel vlees van dieren die ook naar hun mogelijkheden hebben kunnen leven. Waarbij een van de mogelijkheden van het leven van ieder dier is, dat het als voedsel ten prooi valt aan een ander dier.

Leeftijd of loten?

                Volgens ethicus Fleur Jongepier, zo schrijft ze in de Volkskrant, rammelt het draaiboek ‘code zwart’. Dat draaiboek moet het medisch personeel helpen in het geval dat er gekozen moet worden wie er een ic-bed krijgt als alles vol ligt en er meerdere kandidaten zijn voor een bed. In het draaiboek wordt er dan eerst gekeken naar hoe lang iemand een ic-bed bezet houdt. Het bed gaat dan naar de persoon die er naar verwachting het kortst gebruik van maakt. Als er dan nog meerdere ‘kandidaten’ zijn, komt een persoon die onbeschermd in de zorg moest werken aan de beurt. Zijn er dan nog meerdere patiënten, dan wordt er naar leeftijd gekeken. Zo is tenminste het voorstel. Jongepiers bezwaar richt zich tegen de keuze voor leeftijd. Jongepier: “het morele fundament onder het draaiboek rammelt aan alle kanten.” Ze geeft vijf redenen waarom leeftijd geen goed criterium is. Nu ben ik geen ethicus, maar bij haar redenen zijn wat kanttekeningen te plaatsen.

Bron: Wikipedia

                Jongepiers eerste reden: “Het is niet alsof we allemaal een vooropgestelde levensduur hebben die wel of niet bijna ‘op’ is, of die we zouden ‘verdienen’ of waar we ‘recht’ op zouden hebben. Sowieso moet je levens niet met elkaar willen vergelijken of in de weegschaal leggen.” Een bijzonder argument. Inderdaad moet je levens niet met elkaar willen vergelijken of in de weegschaal leggen. Dat willen de opstellers van het draaiboek ook niet. Het draaiboek handelt echter over een situatie als we die luxe niet hebben. Dat wel twee of meer levens met elkaar vergeleken moeten worden. Dat we die luxe niet hebben omdat de middelen om iedereen te helpen er niet zijn. Dat er gekozen moet worden. Dat we niet allemaal een ‘vooropgestelde levensduur hebben’, is een waarheid als een koe. En, zoals Jongepier terecht stelt, de een sterft jong, de andere wordt 110. En als je van tevoren weet dat een persoon van 25 jaar, vijf jaar later sterft en de zeventigjarige uiteindelijk 110 wordt, dan zou je kiezen voor de zeventigjarige. Helaas weten we dat niet en moeten we het doen met statistische gegevens en die geven aan dat iemand van 25 naar verwachting nog meer levensjaren voor zich heeft dan iemand van 70. De enige zekerheid in het leven is dat het met de dood eindigt. En voor een jonger persoon ligt dat punt statistisch gezien verder weg. Dat maakt de keuze voor leeftijd te verdedigen.

                “ Als we het leeftijdscriterium consequent doorvoeren, dan heeft iemand die in januari 1940 is geboren voorrang op iemand die in februari van hetzelfde jaar is geboren. Dat is absurd. …Die keuze is arbitrair, en er wordt geen rechtvaardiging voor gegeven.” Dat in absurdum, de later geborene van een tweeling voor de eerder geborene gaat is inderdaad het gevolg van het hanteren van leeftijd als criterium. En ja, dat is absurd, maar is wel een gevolg daarvan. Leeftijd wordt echter op heel veel terreinen als criterium gebruikt. Zo ga je met 4 jaar naar school, niet met drie terwijl het ene kind er met drie aan toe is en het andere nog niet met vijf. In de sport wordt jeugd ingedeeld in leeftijdsgroepen bijvoorbeeld geboren in een bepaald jaar. Dat is in het algemeen in het voordeel van kinderen die in januari zijn geboren. Zij lopen gemiddeld immers bijna een jaar voor in ontwikkeling ten opzichte van in december geboren kinderen. Gevolg hiervan is dat er veel meer profvoetballers zijn die in de eerste helft, en vooral het eerste kwart van het jaar jarig zijn. Bij De Correspondent een mooi artikel hierover van Michiel de Hoog. Geen ethicus die zich hierover opwindt. Wat vreemder is, is dat Jongepier de opstellers van het handboek verwijt dat er geen rechtvaardiging voor wordt gegeven. Vreemd omdat het handboek juist is bedoeld als alle manieren om onderscheid te maken, zijn uitgeput. Als namelijk alle andere mogelijkheden om een keuze te maken, zijn uitgeput. Als schaarste moet worden verdeeld tussen gelijken.

                Als derde, aldus Jongepier: “het leeftijdscriterium is onliberaal.” Daarbij haalt ze de verdediging die Diederik Gommers gaf voor de keuze van leeftijd dat: “je het iemand ‘gunt om van het leven te mogen genieten.’” Maar: “het is niet aan Gommers, noch aan medisch ethici, en al helemaal niet aan de overheid, om burgers te vertellen wat ze anderen wel en niet moeten gunnen – vooral niet als dat het opofferen van hun eigen leven betreft.” Volgens Jongepier: ‘ondermijnt het draaiboek zoals dat er nu ligt dus de mogelijkheid om zelf beslissingen hierover te maken.” Dat Gommers zich ongelukkig uitdrukt maakt nog niet dat de overheid of medici iemand vragen het leven op te offeren. Het draaiboek is niet bedoeld om mensen te ‘vragen zich op te offeren.’ In die zin heeft Jongepier gelijk: het is onliberaal omdat er voor individuen wordt bepaald. Het is bedoeld om schaarse middelen te verdelen omdat de liberale keuze de schaarste niet kan verdelen. De overgebleven personen zijn niet bereid zichzelf ‘op te offeren’. Het is een oplossing voor het moment dat de vrije keuze het probleem niet oplost.

                Als vierde is: “het draaiboek (…) moreel instabiel.”  Dit omdat: “ het draaiboek eerst het leeftijdscriterium hanteert en vervolgens overspringt op twee andere principes. Wanneer het leeftijdscriterium geen nut heeft (bijvoorbeeld omdat iedereen die op de ic binnenkomt, 80-plus is), dan wordt in zo’n geval gekozen voor ofwel ‘wie het eerst komt, eerst maalt’ ofwel loting.” Een terecht punt van kritiek dat is op te lossen door die ‘overstap’ eruit te halen en alleen leeftijd te hanteren. Jongepier redeneert echter de andere kant op en stelt ‘loting’ voor.

                En daarmee komen we bij de vijfde reden van Jongepier: “ de weerstand tegen loting is onvoldoende gefundeerd.” Volgens Jongepier is loting minder pijnlijk en: “vaak beter te verteren. Te horen krijgen dat je vader, moeder of partner het verkeerde ic-lot had, is gruwelijk maar misschien minder gruwelijk dan te horen krijgen dat ze te oud waren, of dat er net iemand die een jaar jonger was binnengereden werd.” Dat klinkt logisch, maar wat als je te horen krijgt dat je kind van tien moet sterven omdat een tachtigjarige het ‘winnende lot’ had? Is het dan nog steeds zo goed te verteren? Aan wie laten we trouwens de controle op het ‘eerlijke verloop’ van de loting over? Moeten we dan een notaris toevoegen aan een ic om het eerlijke verloop van de loting te garanderen zodat er geen claims komen over gestuurde loting?

                Laten we hopen dat het nooit zover hoeft te komen dat het draaiboek ingezet moet worden. Maar als het dan toch moet, dan liever via leeftijd dan door loting.

Corona en etnisch profileren

Data-gedreven werken. ‘We moeten niet zomaar iets doen, we moeten ons baseren op data,’ Dat is het credo dat ik bij veel gemeenten hoor. Inderdaad moet je niet ‘zomaar’ iets doen. Dat ‘data-gedreven werken’ is een nieuwe wijn in oude zakken. Het is een nieuwe versie van wat eind jaren tachtig en begin jaren negentig ‘New Public Management’ werd genoemd. Een stroming die het bedrijfsmodel van de private sector toepast op de overheid. Burgers en patiënten werden klanten en cliënten. De ambtenarij moet denken en werken in ‘producten’ en op zoek naar zo efficiënt en goedkoop mogelijk het doel bereiken en daarbij is ‘meten weten’. Dus moet alles worden bijgehouden en gemeten. En tegenwoordig is ‘meten’ vooral grasduinen door ‘big data’ en zoeken naar correlatie. Waarbij vaak wordt vergeten dat correlatie niet betekent dat er sprake is van causaliteit zoals ik recentelijk schreef. Met dat efficiënt en goedkoop is niets mis, behalve als je vergeet dat de overheid draait op vertrouwen en draagvlak. En laat vertrouwen en draagvlak nu te paard gaan en te voet komen en op gespannen voet staan met efficiënt en goedkoop. Laten we wel wezen, een democratie is geen bedrijf.

Waarom ik hierover begin? Om twee redenen. Op de site dekantekening.nl las ik een artikel van Kaja Bouwman over ‘institutioneel racisme’. In dat artikel komt de casus ‘Belastingdienst’ aan de orde. Die profileert etnisch. Etnisch profileren is terecht verkeerd en verboden. Zou dat ‘profileren’ niet een gevolg zijn van het gebruik van die ‘big data’? Hoe meer gegevens je hebt, hoe meer correlaties je aantreft en bij gebrek aan kennis, hoe meer verbanden er worden gelegd. Zo typ ik deze Prikkers sinds kort op een nieuw apparaat. En het bedrijf van Bill Gates levert er gratis wat spelletjes bij. Zo af en toe speel ik dan patience en dan komt er af en toe reclame voorbij. Het valt me op dat ik in het kleine reclamevakje vaak berichten krijg als: ‘Vind vrouwen van boven de 50 jaar in de buurt van Arcen’, of: ‘In dit huis woont Paul McCartney’ of een of andere oude beroemdheid. Verwijzingen naar bijvoorbeeld het huis van Ariana Grande ontbreken. Of verwijzingen naar calcium gebrek en problemen met traplopen. ‘Bill’ weet op een of andere manier mijn leeftijd en woonplaats en waarschijnlijk nog veel meer en daarom krijg ik zaken waarvan hij denkt dat een man van boven de vijftig op zit te wachten. Hij ‘profileert mij’ en omdat de plaatjes van die vrouwen in de buurt van Arcen allemaal blank zijn, zal die profilering ook wel een etnische component bevatten.

Nu ik dit schrijf, vraag ik me af  waarom ‘Bill’ Arcen noemt . Zouden daar veel alleenstaande vrouwen van boven de vijftig wonen? Of ben ik nu een verband aan het zoeken dat er niet is? Maar ik dwaal af.

Als je ‘data gedreven’ wilt werken, dan profileer je. Dan maak je ‘klantenprofielen’ en liefst zo nauwkeurig mogelijk door zoveel mogelijk data te zoeken die correleren. Dan doe je net als ‘Bill’ en probeer je je acties af te stemmen op die profielen. Dat is precies wat de Belastingdienst doet. Ze maken ‘profielen’ op basis van correlatie tussen gegevensbestanden. Daarin is er geen verschil tussen de Belastingdienst en Google, Facebook en al die andere ‘Big Data bedrijven’. Big data nodigen uit tot het zoeken naar correlaties en dus tot ‘profileren’ en computers zijn daar heel goed in. Zonder profileren heb je niets aan ‘big data’. Dan zijn het slechts verzamelingen gegevens.

Echt bijzonder maakt socioloog Dirk Geldof het in een artikel in de Volkskrant. De tweede aanleiding voor deze Prikker. Geldof pleit juist voor etnisch profileren in de gezondheidszorg: “Nu het aantal besmettingen en doden in België en Nederland gelukkig dalen, is het hoog tijd om te onderzoeken of corona ook bij ons landgenoten met een migratieachtergrond zwaarder treft, zoals in Engeland, Zweden en de VS.” Dit is volgens Geldof van belang omdat: “Algemene maatregelen dreigen vaak kleurenblind te zijn, maar het virus is dat niet.” In de Verenigde Staten doen ze dit al, zo schrijft Geldof: “Begin juni beslisten de Centers for Disease Control and Prevention in de VS om bij testen ook systematisch de herkomst te registreren om deze ongelijkheid op te sporen.” Ik vrees dat ook in Nederland de uitkomst zal zijn dat migranten en mensen met een ‘migratie-achtergrond’ grotere kans hebben om slachtoffer van Covid-19 te worden. Gaan we dan het virus voor de rechter dagen vanwege racisme en discriminatie? Welke specifieke maatregelen kunnen we dan nemen die niet kleurenblind zijn? Of zitten we dan op het verkeerde spoor en verwart ook Geldof correlatie met causaliteit?

Dat er een correlatie is tussen ‘migrant’ en ‘migratie-achtergrond’ en slachtofferschap van het virus, geloof ik meteen. Daar is geen registratie voor nodig. Die registratie zal, net als de ‘daderprofielen’ bij de politie en de Belastingdienst, leiden tot discriminerende maatregelen. Precies datgene waar Black Lives Matter en alle ander bestrijders van institutioneel racisme zich zorgen om maken. Covid-19 correleert er dan wel mee, voor het beter voorkomen van uitbraken, moeten we toch echt zoeken naar causaliteit. Naar eigenschappen van het virus. Eigenschappen zoals de manier waarop het zich verspreidt. Dat de arbeiders, arbeidsmigranten, van de slachterij in Groenlo erdoor werden getroffen, werd niet veroorzaakt door hun ‘arbeidsmigrantschap’. Dat werd veeleer veroorzaakt door hun werk en leefomstandigheden. Migranten en mensen met een migratie-achtergrond zijn oververtegenwoordigd in vooral de sectoren die cruciaal zijn maar slecht betaald worden. Eigenlijk de enige cruciale sector waar ze ondervertegenwoordigd zijn, is de ‘effectenhandel’ en daarvan kun je je, zoals ik in een eerdere Prikker deed, afvragen waarom die cruciaal is. Zaken die een ‘(bedrijfs)economische’ oorzaak hebben. Of kijken naar de kenmerken en problematieken van de mensen die sterven of op de IC belanden door het virus. Naar de onderliggende problematiek en vooral naar de oorzaak van die onderliggende problematiek.

Dit is ook waar het bij een of andere gemeente die ‘data gedreven’ werkt een keertje fout gaat. Dan is er beleid gemaakt op basis van correlatie tussen gegevens en blijken die niets met elkaar vandoen te hebben. Want wat een computer niet kan, is interpreteren, causaliteit bepalen. Dat is nog steeds mensenwerk. En dat werk moet gebeuren voordat je gaat zoeken naar correlaties. Naar verbanden. Waar het fout gaat bij het gebruik van big data is dat er niet wordt gedacht voordat de computer aan het werk wordt gezet. Dan krijg je zaken zoals nu bij de belastingdienst en ‘Bill’ die mij een ‘vrouw in de buurt van Arcen’ probeert aan te smeren. Dit terwijl ik al tevreden en gelukkig ben met mijn vrouw en ‘in de buurt van Arcen woon’. Dan krijg je zaken waar mensen boos om worden.

‘Madammen met ‘nen bontjas’

            “Het kwaad wordt beloond, zou mijn grootmoeder zaliger – een boerin – hebben gezegd.”  Woorden waarmee August Hans den Boef het compenseren van nertsenfokkers beschrijft in een artikel bij Joop. Deze fokkers ontvangen compensatie voor de schade die zij lijden door het doden van de nertsen in hun stallen. Die dieren worden nu vroegtijdig gedood om de verspreiding van het corona-virus te voorkomen waardoor de pels niets of veel minder opbrengt dan normaal het geval zou zijn geweest. Die: “financiële compensatie voor vergaste nertsen is belonen van ongewenst gedrag,” vindt Den Boef en zo luidt de titel boven zijn artikel.

            Nu hoeven nertsenfokkers ook niet op mijn sympathie te rekenen. Om een bekend lied van Urbanus aan te halen: “Nee, ik hou niet van madammen met ‘nen bontjas. Madammen met een bontjas zijn gemeen. ‘K Moet niets hebben van madammen met ‘nen bontjas. Tegen madammen met ‘nen bontjas zeg ik neen.” Gebrek aan sympathie wil echter niet automatisch zeggen dat de fokkers de schade die hen door anderen wordt opgelegd dan ook maar zelf moeten ophoesten. “Bouwden de fokkers dus af? Neen, velen meenden nog even een paar jaar te kunnen scoren. Met de zegen van de boerenpartijen, CDA, ChristenUnie en SGP en de ondernemerspartij VVD. Dat scoren viel tegen. De weerstand bleef groeien – ook internationaal – en de pelsprijzen daalden. … Want een fokker die elf jaar de tijd heeft om zijn bedrijf af te bouwen, maar dat weigert, tegen allerlei maatschappelijke en economische ontwikkelingen in, neemt welbewust een… hoe heet dat ook weer? Een ondernemersrisico!” Inderdaad is de nertsenfokkerij sinds 15 januari 2013 verboden. Dat roept meteen de vraag op waarom er dan nog nertsenfokkers zijn?

Het antwoord daarop is heel Nederlands. Omdat ‘we’ met zijn allen in 2013 te beroerd waren om het meteen goed te regelen en de fokkers schadeloos te stellen, is er een overgangstermijn opgenomen voor bestaande fokkerijen. Die krijgen tot en met 31 december 2023 de gelegenheid om hun investering terug te verdienen. Het ligt dus net iets anders dan Den Boef beweert. Het was een ‘welbewuste keuze’ van de samenleving om de nertsenfokkers nog ‘een paar jaar te laten scoren’. Dat was nodig om ze hun eigen sanering te laten verdienen zodat het zonder schadevergoeding kon. Dat plaatst een schadevergoeding nu in een ander daglicht.

            Daar komt bij dat Nederland wel meer ‘kwaad beloont’ om Den Boefs grootmoeder aan te halen. Bedrijven die miljarden winst maken en belastingen ontwijken, zoals booking.com, maar niet reserveren voor tegenvallers, kunnen eten uit de staatsruif.

‘Life’s not fair …

Gisteren schreef ik over de ‘intersectionele blik’ die OneWorld in al haar artikelen wil hebben. Dit naar aanleiding van een bijsluiter bij een artikel waarin de auteur, Amanda Govers, werd verweten dat die blik in haar artikel ontbrak. Ik moest aan die bijsluiter denken toen ik bij OneWorld een artikel las van Tamar Doorduin.

Bron: Public Domain Pictures

Bij het opheffen van de tegen de verspreiding van het coronavirus genomen maatregelen pleit Doorduin voor containment. Bij contaiment wordt: “éérst (…) ingezet op het zoveel mogelijk indammen van het virus en pas daarná op het versoepelen van maatregelen. Vlamt het virus toch weer ergens op, dan wordt het brandje zo snel mogelijk geblust door middel van bron- en contactonderzoek en een striktere vorm van quarantaine dan in Nederland nu gangbaar is.” Dit duurt langer: “Maar het is wel de eerlijkste strategie.”… Het doel van containment is immers om tot een situatie te komen waarin het voor iederéén veilig is om het huis te verlaten en mee te doen – dus ook voor mensen uit de risicogroepen.” Immers: “rampen vergroten de ongelijkheid niet, dat doen mensen. Het komt niet door het virus zélf dat zieke en gehandicapte mensen nog verder worden buitengesloten, maar door de politieke keuzes die het kabinet maakt.” Doorduin ziet het gebeuren dat de nu stikte maatregelen langzaam worden versoepeld: “Oudere, zieke en gehandicapte mensen moeten voor onbepaalde tijd thuis blijven.” Terwijl de ‘gezonde Nederlander’ al weer de straat en het terras op mag. Daardoor: “líjkt (het) misschien alsof het kabinet op deze manier rekening houdt met mensen die meer risico lopen: er wordt immers gesproken over het ‘beschermen van de kwetsbaren’. In de praktijk blijkt die bescherming neer te komen op opsluiting en uitsluiting.” Dit is niet eerlijk naar mensen die meer risico’s lopen, containment is dat, volgens haar wel. Het klinkt inderdaad eerlijk en democratisch om te wachten tot er een situatie is waarin het voor iedereen veilig is om het huis te verlaten. En vooral lijkt het artikel geschreven met een ‘intersectionele blik’. Doorduin maakt zich immers druk om mensen voor wie het virus extra gevaarlijk is.

Nu heb ik, als het over eerlijk gaat, de neiging om Scar uit The Lion King te citeren. Scar zit te mokken in een grot omdat Simba is geboren en die heeft hem verstoten van de positie als eerste gegadigde om koning Mufasa op te volgen. Tijdens dat mokken vangt hij een muis die hij wil verorberen en dan spreekt hij de woorden: “Life’s not fair you see. For I will never be king and you will never see the light of another day.” Een pijnlijke waarheid maar wel een waarheid als een koe. Trouwens ook een waarheid die van toepassing is op het opheffen van de beperkende maatregelen. Welke manier van ‘opheffen’ er ook wordt gekozen.

Inderdaad is het ‘not fair’ dat er: “een tweedeling ontstaa(t). In de meerderheid zijn de jonge, gezonde mensen voor wie de samenleving langzaam maar zeker weer opengaat. Oudere, zieke en gehandicapte mensen moeten voor onbepaalde tijd thuis blijven.” Maar maakt dat het alternatief van Doorduin, allemaal thuis totdat het voor iedereen veilig is, wel tot ‘fair’? Hoe ‘fair’ is zo’n ‘one size fits all’ oplossing? Hoe ‘fair’ is het voor ouders en kinderen om op drie hoog in een flatje opgesloten te zitten met drie kinderen? Hoe ‘fair’ is het om als kind opgesloten te zitten in een huis waar je ouders of verzorgers je fysiek of emotioneel mishandelen? Hoe ‘fair’ is het überhaupt om kinderen op te sluiten in een huis? Hoe ‘fair’ is het dat langer ‘opsluiten’ tot meer werkloosheid en verlies van inkomen leidt wat weer tot gezondheidsschade en sterfte kan leiden? Ook Doorduins oplossing vergroot ongelijkheid.

Welke oplossing er ook wordt gekozen, er zullen altijd mensen de dupe zijn. Er zullen altijd mensen zijn waarvoor de gekozen oplossing niet ‘fair’ is. Helaas komen deze ’intersecties’ in het artikel niet aan de orde en dat roept de vraag op hoe het zit met de ‘intersectionele blik’ van dit artikel maar ook van OneWorld.

‘Met dille tussen de billen …’

Binnenkort moeten we, als we met het openbaar vervoer willen reizen, gebruik maken van mondkapjes. Een effectief middel om de verspreiding van het corona-virus te voorkomen zegt de ene groep. ‘Het helpt niet’ zegt de andere groep en gaat verder: ‘het vergroot de schijnveiligheid’. Beide kampen beroepen zich op wetenschappelijk onderzoek. Reizend met het openbaar vervoer moet je er binnenkort dus echt een op. Alleen liefst niet van de betere, die moeten we ‘bewaren’ voor de zorg. We moeten immers niet met z’n allen gaan ‘concurreren met minister Van Rijn’. Na iedere reis moet je het kapje wassen. Lukt dat niet, dan moet je een tweede meenemen voor de reis naar huis. Dat lijkt me lastig te controleren.

Bron: wikipedia

Al sinds half maart horen we dat we anderhalve meter afstand van elkaar moeten houden. Nu denken de Fransen daar anders over. Daar is die anderhalve meter maar één meter. De Britten echter maken er twee van. Maurice de Hond, sinds de virusuitbraak naast opiniepeiler en ex-voetbalscheidsrechter ook viroloog, wil er van af en vindt het een: “wurgslang van anderhalve meter,” zo is te lezen bij De Dagelijkse Standaard. Volgens hem gaat het virus door de lucht en daarom is het niet nodig om afstand te houden.

Moeten we nu wel of niet chloroquine of hydroxychloroquine slikken? Een bekend viroloog woonachtig in een wit huis in Washington zweert erbij. Hij slikt het zelf. Maar of het werkt? “Zo blijkt uit een onderzoek onder 368 coronapatiënten in Amerikaanse veteranenziekenhuizen dat patiënten die met hydroxychloroquine werden behandeld relatief vaker overleden dan patiënten die alleen reguliere zorg kregen; 28 om 11 procent. In Brazilië liet een onderzoek grotere sterfte door chloroquine zien.” Zo is in het AD te lezen. Het kan in ieder geval ernstige bijwerkingen hebben. Inspuiting met een desinfectiemiddel zou volgens deze ‘’viroloog’ ook effectief zijn.

Al dit doet mij terugverlangen naar een bekende persoon uit de jaren negentig van de vorige eeuw. Naar het kruidenvrouwtje Berendien uut Wisp dat regelmatig optrad in Keek op de Week. In een legendarische uitzending over de werking van dille. Dille geeft je energie en houdt je wakker aldus Berendien. Het is ‘tegen de moe en de lusteloosheid.” In de uitzending wordt ze geconfronteerd met de mening van twee andere ‘kruidenvrouwtjes’. Als eerste de even bekende Klazien uut Zalk. Volgens Klazien wekt dille juist slaap op. Volgens een derde ‘kruidenvrouwtje, Rosalien uut Dost is dille een afrodisiacum. Ter onderbouwing haalt ze een, volgens haar, oud gezegde aan: “Met Dille tussen de billen zou zelfs Metusalem weer willen.”

Op de vraag van Bie waar die verschillende opvattingen over de werking van dille vandaan komen, geeft Berendien het simpele antwoord. “Ut zijn beunhaz’n. Ze zijn jaloers op mijn succes bij Keek op de Week.”

Punt maken of paniekzaaien?

“Dit wordt een drama, mensen.” De laatste zin in een artikel bij De Dagelijkse Standaard van Michael van der Galien. Wat een drama wordt? De manier waarop, volgens Van der Galien in de medische wereld om wordt gegaan met corona-patiënten. Heeft Van der Galien een punt of zaait hij paniek?

Bron: https://pt.wikipedia.org

Wat is er aan de hand? In de Volkskrant een artikel waarin wordt vermeld dat driekwart van de mensen die aan corona zijn gestorven nooit op de Intensive Care hebben gelegen. “Dat komt deels doordat verpleeghuisartsen of huisartsen in samenspraak met betreffende patiënt en familie besluiten om de zieke gelet op leeftijd of toestand niet ‘in te sturen’ naar de ic.” Aldus Diederik Gommers de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care. Gommers: “Als de patiënt heel oud is, een slecht hart heeft en de afgelopen maanden al drie operaties heeft ondergaan, dan kan de arts soms in samenspraak met de familie besluiten dat het niet zinvol is om hem op de intensive care te gaan behandelen.”  

Dat is tegen het zere been van Van der Galien: “Soms? Soms? Je hebt het over driekwart van de sterfgevallen meneer Gommers. Dat is niet soms, dat is telkens weer! Oudere patiënten (met andere klachten) worden nu dus al opgegeven.” Nu worden er iedere dag mensen opgegeven. Dat is treurig voor de betreffende persoon en de naasten, het is echter onvermijdelijk. Sterven is namelijk de enige zekerheid die het leven biedt. Gelukkig zijn het in overgrote meerderheid ouderen die worden opgegeven. 

Omdat ‘corona’ nu hot is en het enige onderwerp waarover nog wordt geschreven en gesproken, komt dit in het nieuws. Het zijn echter niet alleen corona-patiënten. Als diezelfde oudere een gewone longontsteking zou hebben, dan zou er eenzelfde keuze gemaakt kunnen worden. Hetzelfde kan opgaan voor kankerpatiënten of patiënten met een onherstelbare herseninfarct. Als IC-opname niets toevoegt aan de zorg voor een patiënt, sterker nog als die opname een of twee dagen lijden toevoegt, waarom zou je iemand dan op de IC leggen? 

Er worden iedere dag zo’n keuzes gemaakt. Als er één ambulance beschikbaar is en er zijn twee vragen, dan wordt er ook gekozen. Een keuze die nadelig uitvalt voor één van de twee. Als de ene een oude man van 85 is en de ander een baby, dan is de kans groot dat de 85-jarige de dupe is. Het zijn trouwens niet alleen ouderen die dit kan raken. Nu, in een tijd van een gezondheidscrisis met maar beperkte middelen, wordt het maken van keuzes nog belangrijker. Dat er daarbij naar de leeftijd, maar vooral naar de levenskansen en -kwaliteit wordt gekeken, is niet meer dan reëel. Dat is geen drama, dat is verstandig. Van der Galien zaait paniek.

CRISPR-Cas

Gemeenten krijgen een sterkere regierol bij het beleid rond laaggeletterdheid. Een viertal bewindslieden heeft hierover een brief naar de Tweede Kamer gestuurd. “Volgens een schatting van de Algemene Rekenkamer gaat het om een nog grotere groep, namelijk ruim 2,5 miljoen mensen, wanneer ook 65-plussers en mensen met lage rekenvaardigheden worden meegeteld. Een groot deel van deze groep heeft bovendien beperkte digitale vaardigheden. Het tekort aan deze basisvaardigheden vormt voor hen een barrière om zelfstandig mee te doen in onze maatschappij, online én offline.” Zo is te lezen in de brief en daarom voelen: “Wij, de ministers van OCW en VWS en de staatssecretarissen van SZW en BZK, (…)  de urgentie om stevig in te zetten op een vaardiger Nederland.” Goed dat de bewindslieden laaggeletterdheid te lijf willen gaan. Toch is er iets bijzonders met de brief.

Bron: Public Domain Pictures

Want wat lees ik in de achtentwintig pagina’s tellende brief? “Ook de kwaliteit van het ondersteuningsaanbod, zowel bij de preventieve aanpak als bij het tegengaan van achterstanden op latere leeftijd, vergt aandacht, zodat de impact en effectiviteit van het aanbod verder kunnen verbeteren.” Bij het verhelpen van laaggeletterdheid kan ik me iets voorstellen. Maar wat moet ik me voorstellen bij een ‘preventieve aanpak’ bij laaggeletterdheid? 

Preventie is, volgens de Van Dale: “voorkoming.” Een mens wordt ongeletterd geboren. Welke maatregelen zouden we kunnen bedenken om te bereiken dat iedere baby die wordt geboren al op een goed niveau kan lezen en schrijven? Hoe voorkom je laaggeletterdheid al bij de geboorte? Dat lijkt me een hele uitdaging. Wellicht biedt CRSIPR-Cas een uitkomst en wordt het mogelijk om het DNA aan te passen zodat baby’s al bij hun geboorte kunnen lezen en schrijven. In de brief kom ik echter geen voorstellen in die richting tegen. Of zouden de bewindslieden de betekenis van het woord preventie niet kennen? 

Lucratieve voortplantingsstrategie

Bij De Correspondent een artikel van Tamar Stelling over het op steeds latere leeftijd krijgen van (eerste) kinderen. Omdat dit soms op natuurlijke wijze niet lukt, is er een hele industrie ontstaan gericht op voortplanting compleet met: “boze donorkinderen, troosteloze Indiase baarmoederverhuur en de eicelverkoop der werkloze Oostblokvrouwen.”  Met succes want: Die combinatie van kinderwens en embryotech levert absoluut baby’s op.” Nadelen zijn er ook, Stelling geeft er vier: grotere risico’s op complicaties en babysterfte, embryotech kinderen die worstelen met hun onbekende afkomst, een arbeidsmarkt die zich nog minder hoeft aan te passen op de biologische klok van de vrouw en: “Een voortplantingsindustrie waarbij de rijken der aarde zich in toenemende mate voortplanten ten koste van de armen. (Neem vrouwen die hun eitjes verkopen.)” Bijzonder, dat laatste nadeel, Stelling noemt het trouwens als eerste.

bevruchting

Foto: Pixabay

Bijzonder want laten we aannemen dat een arme vrouw eitjes verkoopt aan een rijk stel. Die eitjes worden bevrucht met het sperma van de rijke man. Wie planten zich dan voort? De rijke man en de arme vrouw, want het kind krijgt van ieder van hen de helft van de genen. De rijke vrouw niet. Haar lichaam wordt (alhoewel zeer gewenst) gebruikt als, om het oneerbiedig te zeggen, ‘productieloods’ voor een kind van een eicel van een andere vrouw. Haar zorgen, aandacht en geduld voeden het kind mee op. Behalve natuurlijk als daarvoor een nanny uit een arm land wordt ingeschakeld. 

Als we puur naar de voortplanting kijken, zijn dan niet vooral de rijke vrouwen de dupe van deze markt? Zij kunnen zich zo immers niet voorplanten. De arme man kan dat wel als zijn arme vrouw niet al haar eicellen verkoopt, blijven er nog genoeg kansen voor de arme man om zich. De rijke man, komt ook aan zijn trekken, zijn zaad wordt immers gebruikt. En als de rijke vrouwen de grote verliezers zijn in dit ‘voorplantingsspel’, is dan de arme vrouw die eicellen verkoopt niet de grote winnaar? Haar genen worden door haar zelf én door de rijke vrouw voortgebracht.

Als we met deze bril naar Stellings bewering kijken dat de ‘rijken der aarde zich voortplanten ten koste van de armen’, zouden we dan niet met veel meer recht het omgekeerde kunnen beweren? Dat de eicel-markt ervoor zorgt dat in ieder geval de arme vrouwen die hun eicellen verkopen, zich voorplanten niet ten koste van, maar op kosten van de rijken? Genetisch, en wellicht ook financieel, een ‘lucratieve’ strategie van de arme vrouw.

Creperen op de wachtlijst?

Volgende week stemt de Eerste Kamer over het Donorwetsvoorstel ingediend door D66-kamerlid Pia Dijkstra en deze week spreken de leden van de Eerste Kamer erover. In het Commentaar geeft Volkskrant-redacteur Hans Wansink zijn mening. Het wetsvoorstel behelst dat iedereen automatisch orgaandonor is tenzij de persoon expliciet aangeeft dit niet te willen zijn. Tot nu toe ben je geen donor tenzij je expliciet aangeeft het wel te willen zijn. Met de huidige methode is er een tekort aan donoren en “Daardoor lijden veel patiënten onnodig en sterven mensen die gered kunnen worden.” Dus ontkomen we volgens Wansink niet: “aan de vraag of wij zieke medemensen willen laten creperen op de wachtlijst.” Wansink antwoord is NEE en: “Dan biedt de wet-Dijkstra uitkomst. Die garandeert voldoende donoren.”

donor

Illustratie: Flickr

Nu is dat laatste twijfelachtig. “Het aanbod van organen voor transplantatie zal nooit voldoen om àlle mensen op de wachtlijsten te helpen.” Een uitspraak van de Belgische transplantatie-expert Luc Colenbie op de Belgische site HLN. Het aantal donoren is dan wel hoger, toch sterven er ook in België nog steeds mensen op de wachtlijst. Dus de ‘Wet Dijkstra’ zal het probleem van ‘creperen’ op de wachtlijst niet oplossen.

Is het beeld dat ‘Wansink schetst dat we’ die mensen laten ‘creperen op de wachtlijst’ eigenlijk wel een goed beeld? Ja, er is een wachtlijst voor donororganen. Ja, er gaan mensen dood die wachten op een donororgaan en die mensen lijden. Dat maakt nog niet dat ‘we’ hen ‘laten’ creperen’. Deze mensen hebben een niet of zeer slecht functionerend orgaan en dat kan verholpen worden als er een geschikt donororgaan beschikbaar is. ALS dat orgaan beschikbaar is. Moet er om dat orgaan beschikbaar te krijgen niet iemand sterven? Worden de mensen in de tijd dat ze op die wachtlijst staan niet optimaal verzorgd?

Als we de Belgische cijfers mogen geloven, dan overlijden er ook met de ‘Wet Dijkstra’ nog steeds mensen op de wachtlijst. Als Wansink dat onacceptabel vindt, wat stelt hij dan voor vervolgmaatregelen voor? Sterven op een wachtlijst is triest en zwaar voor de nabestaanden, het is echter onoverkomelijk. Of wil Wansink overgaan tot het doden van geschikte donoren om organen te oogsten zodat de mensen op de wachtlijst niet ‘creperen’?