Uitgelicht

Kastenmatroesjka

Bij OneWorld een goed artikel van Babet te Winkel over ‘uit de kast komen’. “Waarom zou ik mijn seksualiteit vast willen leggen in een identiteit, met het gevaar in die identiteit te worden opgesloten? Het wordt me steeds duidelijker waarom ik zo’n moeite heb met de vraag ‘wat ik nou eigenlijk ben’. Die vraag beperkt me in mijn handelingsvrijheid. Het zet mijn seksualiteit vast in een seksuele identiteit – wat je bént – terwijl seks toch vooral iets is wat je dóet.” Zo vraagt Te Winkel zich af. Interessante vragen. Na het lezen van het artikel vroeg ik me af of de reactie van OneWorld in de gaten heeft wat Te Winkel schrijft?

Ornament Matroesjka Baboesjka - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

Voordat ik hierop inga eerst de metafoor van de kast waar iemand uit moet komen. Te Winkel: “Waarom zijn er geen kasten waar hetero’s uit komen?” Het is inderdaad een bijzondere metafoor. Alleen mensen met een andere geaardheid dan de heteroseksuele komen uit de kast. Als je de metafoor letterlijk neemt dan zitten de heteroseksuelen dus met z’n allen in die kast. Ik weet niet of ik als heteroseksuele man zo blij ben met een leven in een kast. Maar nog even verder doordenken. Is er maar één kast waar mensen uit komen of zijn er kasten in kasten een beetje zoals een Russische Matroesjka waarin in iedere pop een kleiner poppetje zit? Als lesbienne stap je uit die ‘hetero-kast’ maar als je je vervolgens ook nog identificeert als een man, dan moet je uit de ‘Lesbo-kast komen’. Als heteroseksuele man begin ik me dan ernstig claustrofobisch te voelen. De grootste groep mensen, zit dan immers in de kleinste kast en omgekeerd, de kleinste groep heeft de grootste kast ter beschikking of is de enige groep die in geen enkele kast zit? Wat zo gebeurt is dat we onszelf en elkaar vast gaan leggen in ‘verondersteld gedrag’. En daar maakt, als ik haar goed begrijp, Te Winkel bezwaar tegen. Als  je het zo beziet, dan is die kast voor iedereen een slechte metafoor. Niemand zit in een kast en we zijn allemaal op reis in ons leven en gedurende die reis leren we onszelf en anderen kennen. Of zoals Te Winkel schrijft: “Seksualiteit vraagt om onderzoek en om het verzetten van innerlijk werk. Het betekent jezelf onder de loep nemen, verantwoordelijkheid nemen, omgaan met moeilijke emoties, moed tonen en groeien als mens. Het betekent niet het gebaande pad lopen, maar je eigen pad banen. Daarin ben je dan weer niet alleen, want dat doen we allemaal.”

En met die individuele reis in het betoog van Te Winkel, kom ik bij de vraag of de redactie van OneWorld in de gaten heeft wat Te Winkel schrijft. Te Winkel slaat in dit artikel het intersectioneel- of in beter Nederlands, kruispuntdenken aan gort. “Intersectionaliteit erkent de macht of onmacht die de verschillende assen van identiteit met zich meebrengen.” Zo omschreef Seada Nourhussen, hoofdredacteur van OneWorld, het in een artikel in 2019. Volgens Nourhussen: “is kruispuntdenken ook cruciaal voor progressieve bewegingen. Wanneer je vecht tegen klimaatverandering, maar geen oog hebt voor racisme is je strijd niet inclusief en dus ook niet effectief. En als je strijdt tegen seksisme, maar geen oog hebt voor validisme (discriminatie van mensen met een functiebeperking) doe je alsnog aan uitsluiting. Een gebrek aan kruispuntdenken kan onderdrukking zo bestendigen bínnen bewegingen die vooruitgang pretenderen.”

Voor kruispuntdenkers wordt de identiteit van iemand bepaald door zijn samenstellende delen. Delen zoals het zijn van man, hetero, cis-gender, zwart, universitair geschoold enzovoorts. Je identiteit wordt vervolgens bepaald door de respectievelijke ‘machtspositie’ van de verschillende delen. Man heeft meer macht dan vrouw en die weer meer dan een trans persoon. Hetero heeft meer macht dan homo, blank meer dan zwart enzovoorts. Het intersectionele denken zorgt ervoor dat wat Te Winkel op seksueel gebied bezwaarlijk vindt, op al die gebieden gebeurt: het wordt gepresenteerd als iets onveranderlijks. Mensen worden vastgezet in verwachtingen die door de onderdelen van hun identiteit worden verondersteld. Het maakt, identiteit onnodig zwaar. Het mag dan wel: “ordelijk en gemakkelijk om in hokjes te denken” zijn, zo schrijft Te Winkel: “maar door onszelf en anderen in hokjes in te delen, creëren we een schijnveiligheid.”  

Zou Nourhussen in de gaten hebben dat het mooie betoog van Te Winkel verder gaat dan het artikel waarvoor Amanda Govers iets meer dan een jaar geleden door OneWorld voor de trein werd gegooid? Govers kreeg de wind van voren en werd gecanceld door OneWorld omdat in haar artikel over voeding de ‘intersectionele blik’ ontbrak[1]. Te Winkel gaat veel verder. Zij legt met goede argumenten de bijl aan de wortels van de, volgens Nourhussen, voor de progressieve beweging cruciale boom van het kruispuntdenken.


[1] Ik schreef er een Prikker over met als titel Intersectionele Blik

Uitgelicht

Schaarste

Een boek dat me altijd bij is gebleven is Het rijk van de schaarste van de Nederlandse filosoof Hans Achterhuis. Nu heb ik dat met meer boeken van Achterhuis. “Schaarste wordt nog altijd aanwezig geacht in onontwikkelde en onderontwikkelde gebieden, zij wordt in verband gebracht met honger in de Sahel of armoede in India. Met technische middelen zou ze in de toekomst overwonnen kunnen worden,” schreef Achterhuis in 1988. Hij zag het echter anders: “In dit boek zal ik precies het tegenovergestelde trachten aan te tonen. De moderne maatschappij heeft de schaarste niet overwonnen maar juist gecreëerd. Mondiaal gezien zijn we niet op weg naar overvloed of zelfs naar een ‘genoeg’, maar breidt de schaarste zich steeds verder uit. Juist de Westerse ‘overvloedsmaatschappijen’ worden gekenmerkt door een zich tot op alle gebieden uitbreidende schaarste …. Alles is schaars geworden, welzijn, gezondheid, schoon water, schone lucht, ja zelfs tijd.[1] Die beschrijving uit het einde van de jaren tachtig van de vorige eeuw, leek mij nog steeds een adequate beschrijving van het nu.

Leek, omdat een de Duitser Andreas Reckwitz in zijn boek The society of singularities beweert dat er in de laat moderne tijd, zoals hij het noemt, eigenlijk maar aan één ding echt schaarste is. En nee, dat is niet aan frisse lucht, schoon water, welzijn, gezondheidszorg of zelfs tijd. Volgens Reckwitz was de moderne tijd een tijd van gestandaardiseerde producten gemaakt door verschillende fabrikanten en bedoeld voor alle consumenten. Die fabrikanten verdeelden de buit waarbij hun winst afhing van hun productiekosten. De prijs van standaardproducten wordt immers bepaalde door vraag en aanbod waarbij de vraag stabiel is.

In de laat-moderne economie is dat, zo betoogt Reckwitz, anders. Die wordt gedomineerd door het unieke en bijzondere: unieke en bijzondere producten, gebeurtenissen, plaatsen en mensen. Reckwitz noemt dit singulariteit en de markt hiervoor singulariteitsmarkten. Dat bijzondere kan op verschillende gebieden betrekking hebben: op de esthetiek, het verhaal, het ontwerp, het originele en ludieke van iets. Alleen is niet van tevoren bekend wat ‘uniek’ gaat worden. Reckwitz vergelijkt het met de kunst, waar al sinds eind achttiende eeuw het unieke wordt beloond. Dat is nu het ‘model’ voor de hele economie en dat zorgt voor een overvloed aan, zoals Reckwitz ze noemt, ‘culturele goederen’. Goederen die niet worden gekocht om hun gebruikswaarde maar om dat ‘unieke’. Producten die de ‘unieke’ status bereiken, maken hun producent rijk, die heeft op dat gebied het grootste deel van de markt. Tenminste zolang als het product ‘uniek’ blijft. Culturele producten die deze status niet bereiken, rest de vergetelheid en hun makers een fors verlies. Alleen is niet van tevoren bekend welk cultureel product die ‘unieke’ status gaat bereiken. Een voorbeeld uit de kunstwereld maakt het duidelijk. Er worden per jaar honderden films gemaakt, waarvan er slechts een paar de bioscoop halen, nog minder enkele weken worden vertoond en slechts enkele worden kassuccessen. De rest verdwijnt in de vergetelheid. Waaruit ze ooit weer kunnen worden gehaald als ze onverhoopt toch weer iets ‘unieks’ krijgen.

Al die producten maar ook personen, plaatsen, evenementen zijn op zoek naar de status ‘uniek’ en vragen om juist dat ene iets wat volgens Reckwitz in de laat-moderne economie echt schaars is en dat is aandacht: “What caracterizes today’s singularity markets is the historically unprecedented dynamization and dispersion of attention, whose exact distribution is unpredictable on a case-by-case basis. In this case, the attention of the public has become a scarce resource. In general, if there is any sort of scarcety in late modernity, this is no langer a scarcety of goods but rather an scarcety of attention (and appreciation).[2] 

Een heel andere manier om naar de huidige samenleving te kijken. Een manier die een goede verklaring biedt voor de grote afvalstromen die we met z’n allen produceren. Wat niet ‘uniek’ wordt, wordt immers afval. En wat de status ‘uniek’ verliest, maakt ook grote kans om op die hoop terecht te komen. De productie van al dat naar de status ‘uniek’ strevende spul vraagt energie en kostbare grondstoffen die vervolgens op de vuilnisbelt belanden of, met een beetje geluk, gerecycled worden. Zou het helpen als we dit in ons achterhoofd houden als we weer worden verleid om die nieuwe iPhone 14 of 16 (waar zijn we inmiddels) aan te schaffen met die ‘unieke features’?


[1] Hans Achterhuis Het rijk van de schaarste, pagina 13

[2] Andreas Reckwitz, the society of singularities, pagina 113

Uitgelicht

Hood, James en Hoekstra

Jesse James vocht samen met zijn broer Frank als vrijschutter, een soort burgermilitie, in de Amerikaanse burgeroorlog. Toen hij na de oorlog naar huis ging, bleek dat zijn moeder dat huis onder dwang had moeten verkopen aan investeerders in de zich toen ontwikkelende spoorwegen. James was ontzet door dit onrecht en legde zich, samen met zijn broer Frank en zijn twee neven de broers Younger, toe op het beroven van die investeerders. Zo begon het tenminste. Alras werd het gewoon het beroven van treinen en banken. Ik moest hieraan denken toen ik las dat CDA-leider Wopke Hoekstra de verdiensten van zijn belegging in een schimmige brievenbusinvesteringsmaatschappij aan een goed doel heeft gegeven.

De eerste keer dat ik de naam van Jesse James tegenkwam, was als titel van een album van Lucky Luke. Een stripserie geschreven door de bekende Franse stripschrijver René Goscinny. Naast Lucky  Luke schreef hij ook de verhalen van Asterix. En als iets het werk van Goscinny kenmerkt dan is het dat de verhalen vaak een kern van de historische werkelijkheid bevatten. Om Jesse te arresteren huren de detectives van bureau Pinkerton Lucky Luke in. Na veel verwikkelingen slaagt Luke erin de bende uit het stadje Nothing Gulch te jagen en drijft ze in de armen van de politie. Helaas blundert de politie en weet James en zijn bende te ontsnappen. “Jesse James we understand. Has killed many a man. He robbed the Union trains. He stole from the rich and gave to the poor He’d a hand and a heart and a brain.” Zo begint de song Jesse James van The Poques. Dit na een vrolijke solo op de Ierse fluit. Een van de nummers die niet worden gezongen door frontman en bekend drankorgel Shane Macgowan. Jesse James wordt in dit lied afgeschilderd als een goede dief die de armen hielp door van de rijken te stelen. De misdadiger die steeds meer een heldenstatus krijgt. James heeft hiermee voor elkaar gekregen waar Robin Hood wat langer over deed, namelijk een ‘goede bandiet’ worden. Ten minste, als de in het lied van The Pogues bezongen versie door iedereen aanvaard wordt.

Waar er tot nu toe maar één film is verschenen over Jesse James, en die handelt over zijn dood door de hand van Robert Ford, is er over Robin Hood al een hele kast vol gemaakt. In 1908 werd Hoods verhaal voor het eerst verfilmd. Wie toen de rol van Robin Hood speelde, weet ik niet. In de versie van 1922 was het Douglas Fairbanks en 16 jaar later, in 1938, Errol Flynn, in 1991 Kevin Costner en in 2010 viel de rol toe aan Russel Crowe en daarmee heb ik alleen maar de bekendste vertolkers van de rol van Robin Hood genoemd. Of Robin Hood werkelijk heeft geleefd is niet duidelijk. Waarschijnlijk is de figuur een mix van het levensverhaal van verschillende personen. Verhalen die met het verstrijken van de tijd meer en meer met elkaar verknoopt zijn geraakt. Van Jesse James weten we zeker dat hij heeft geleefd. In die ene film, The assassination of Jesse Jame by the Coward Robert Ford speelt Brad Pitt trouwens de rol van Jesse James. De titel van de film over de dood van James sluit dan weer wel goed aan bij de versie die The Pogues bezingen: “Well the people held their breath. When they heard of Jesse’s death. They wondered how he came to fall. Well it was Robert Ford in fact who shot him in the back. While he hung a picture on the wall.”  Maar ik dwaal af, al is iedere reden goed om aandacht te besteden aan zowel Lucky Luke als The Pogues.

Terug naar de reden waarom ik aan Jesse James, Lucky Luke, The Pogues en Robin Hood moest denken en dat is de uitspraak van Wopke Hoekstra dat hij: “de waardevermeerdering van ca. 4800 euro overgemaakt (heeft) naar een Nederlands goed doel t.b.v. wetenschappelijk onderzoek naar kanker.” En dat hij die investering altijd in zijn belastingaangifte heeft meegenomen. Wat zegt Hoekstra met deze uitspraak? Wil hij hier beweren dat belastingontwijking moreel dan wellicht niet geheel of geheel niet door de beugel kan, maar dat dat morele gebrek ruimschoots is goed gemaakt door de opbrengsten ervan aan een goed doel te schenken? Wil hij hier zeggen: ‘Ik heb slecht gedaan maar met het goede als doel’? Of om een spreekwoord over de hel te verhemelen: ‘de weg naar de hemel ligt geplaveid met slechte bedoelingen’.

Als we de legende over Robin Hood mogen geloven, dan stal hij van de rijken om dit aan de armen te geven. Bij James lag dat wat anders, die stal van de rijken en het stukje geven aan de armen ontbrak. Hoe zit het dan met Hoekstra? Hoekstra investeerde in 2009 in een start-up voor ecotoerisme in Afrika. Een investering die liep via een brievenbusconstructie waarbij het de bedoeling is om zo min mogelijk belasting te betalen. In dit geval liep die constructie via de Britse Maagdeneilanden. Bijzonder hierbij is dat Hoekstra, toen hij in 2017 minister van Financiën werd, de investering verkocht met rendement en schonk, naar hij nu zegt, aan een goed doel. Investeren doe je met het doel om er rijker van te worden en dat mag, daar is niets verkeerds aan. Het wordt dubieus als er een constructie wordt gebruikt om belasting te ontwijken. Ontwijken mag dan niet verboden zijn, het is moreel wel laakbaar, zeker voor een politicus die van 2011 tot 2017 in een commissie van de Eerste Kamer zat om juist belastingontwijking via dergelijke brievenbusconstructies aan te pakken. Constructies die je kunt betitelen als ‘stelen van de armen en geven aan de rijken’. En dat is precies het omgekeerde wat van Robin Hood wordt beweerd. En in tegenstelling tot James die van de rijken stal en het zelf hield, onthoudt Hoekstra’s investering geld van de armen door geen belastingen te betalen. Zijn Hoekstra’s ‘gift aan de armen’, de schenking aan het goede doel, kan wellicht deels ook nog als ‘stelen van de armen’ worden gezien. Als Hoekstra die gift van € 4.800 aan onderzoek naar kanker netjes als zodanig heeft opgevoerd op zijn belastingaangifte over 2017, dan betalen de armen in hun rol als belastingbetalers hieraan een bijna even groot bedrag mee.

Uitgelicht

Naam, nummer en code

In 1988 kreeg ik mijn eerste brief van de Belastingdienst. Niet dat ik iets hoefde te betalen of iets terugkreeg. Nee, ik kreeg een brief die ik, zo stond erin, zeer goed moest bewaren want die brief bevatte iets belangrijks. Wat? Dat lezen jullie dadelijk. Ik moest denken aan deze brief na het lezen van een artikel van Raymond Taams bij Joop. “Dingen hebben een QR-code, niet mensen’, gromde ik inwendig.” Dit schrijft Raymond Taams. Hij gromde dit toen hij een fastfood restaurant binnen ging en er werd gevraagd naar zijn ‘coronastatus’. “Een QR-code is een embleem, een onderscheidingsteken, zoals reeds besprongen ooien gekleurde stippen op hun achterste dragen van het stempelkussen dat de boer de dekram omdeed. Wanneer je mensen als beesten behandelt, gedragen ze zich uiteindelijk als beesten. Mijn gele vaccinatiepaspoort met stempels van de GGD wil ik best laten zien, maar ik wil niet met een digitale sticker in mijn broekzak rondlopen.” Zo eindigt Taams zijn artikel.

Ik moest denken aan die brief waarmee ik begon. ‘Een mens is geen nummer’, werd er in die tijd geroepen en vervolgens werd ook verteld dat een nummer je zou ontmenselijken. Hierbij werd verwezen naar de concentratiekampen uit Nazi-Duitsland want iedereen in zo’n kamp kreeg een nummer op de arm getatoeëerd. En voor de Nazi’s was dit nummer echt bedoeld om je te ontmenselijken. Die discussie werd in de jaren tachtig twee keer gevoerd. Als eerste voor 1985 want in dat jaar voerde de Belastingdienst het fiscaalnummer in. Iedere belastingbetaler kreeg zo’n nummer want dat maakte het voor de Belastingdienst makkelijk om alle belastingzaken rond een persoon te bundelen. De discussie werd een paar jaar later nog eens dunnetjes over gedaan want per 1 januari 1989 werd het SoFi-nummer ingevoerd, het Sociaal Fiscaal nummer. Dit SoFi-nummer was de opvolger van het fiscaalnummer en dit nummer kreeg iedere Nederlander. Vanaf 1989 tot 7 januari 2014 kreeg iedere pasgeborene een brief met SoFi-nummer. Ook als je geen belasting betaalde. En dat SoFi-nummer was het belangrijks in de brief waarmee ik begon. Tot begin 2014 dus. Niet dat we sindsdien geen ‘nummer’ meer hebben. Nee, voor de overheid hebben we nog steeds een nummer. Het nummer leek de overheid niet alleen handig voor financiële zaken maar voor alle zaken tussen burger en overheid. Het SoFi-nummer werd opgewaardeerd. Sinds die zevende januari 2014 is dat SoFi-nummer namelijk Burger Service Nummer (BSN) geworden en is de verantwoordelijkheid ervoor verhuisd van het ministerie van Financiën naar het ministerie van Binnenlandse Zaken.

‘Ik ben toch geen nummer’, werd er in de jaren tachtig geroepen. En ‘ik heb een naam, als ze willen weten wie ik ben, dan vragen ze maar naar mijn naam’. Over ‘naam’ gesproken. Als we terug gaan naar het begin van de negentiende eeuw, dan komen we bij de Code Civil of in goed Nederlands de Burgerlijke stand. Die werd in 1811 ingevoerd door Napoleon Bonaparte. In die Burgerlijke Stand werd iedereen geregistreerd met voornaam en, nieuw voor die tijd, achternaam. Ook dat viel niet bij iedereen in goede aarde want niet iedereen meldde zich en soms meldden mensen zich met grappige namen om het systeem te saboteren. Helaas voor hen, bleef die naam aan hen en hun nakomelingen plakken. Dat ‘verzet’ stierf pas in de jaren twintig van de negentiende eeuw uit. Net zoals het ‘verzet’ tegen het SoFi-nummer uitstierf.

De Burgerlijke stand was, net als het SoFi-nummer en het Burger Service Nummer bedoeld om iedereen te registeren en te weten wie iemand was. En nu, zo’n tweehonderd jaar verder, is het de QR-code die verzet oproept. En je hoeft geen ‘complotaanhanger’ te zijn om te voorspellen dat die QR-code langzaam het Burger Service Nummer gaat vervangen. In deze ontwikkeling zie je de technologische voortgang in de overheidsadministratie. In de ‘voor computertijd’ moest de mens zelf zoeken en dat gaat makkelijker met letters en woorden. En de achternaam was de belangrijkste zoekterm in een gegevensbestand. In de jaren tachtig deed de computer zijn intrede en in digitale gegevensbestanden zoeken gaat sneller met unieke nummers. Met je naam alleen ging dat ook, maar was het lastiger. Een typefout in je naam in een bestand en informatie werd niet gevonden. Een nummer maakte dat makkelijker en de QR-code is niets meer en niets minder dan een op een andere manier vormgegeven nummer aan de hand waarvan je snel gegevens uit bestanden kunt halen.

Nu zijn we er zo aan gewend dat we een achternaam hebben, dat niemand zich er meer druk om maakt. Ja, soms om die naam maar niet om het gegeven dat we een achternaam hebben en dat die geregistreerd staat in de Burgerlijke stand. Ook maakt niemand zich meer er druk om dat we een ‘nummer’ hebben. Behalve als de overheid je, zoals bij de toeslagenaffaire, als een ‘nummer’ behandelt, dan wordt het een probleem. Dan is het makkelijk om alles wat de overheid van je weet te koppelen. Dat kon echter ook al met de Burgerlijke stand. Zo maakte Nazi-Duitsland grif gebruik van de Burgerlijke stand bij het vervolgen van joden. Daarin stond immers ook iemands religie geregistreerd.

Niet de ‘naam’, ‘nummers’ of QR-codes zijn hierbij het probleem. Problematisch zijn de intenties en het denken van de mensen die ‘het nummer’ oneigenlijk gebruiken.

Uitgelicht

In het verleden behaalde resultaten…

“Het is tijd voor opstand. Een regering die op zoveel fronten faalt en bezopen maatregelen uitvaardigt teneinde haar eigen incompetentie te verbloemen, verdient het niet om gehoorzaamd te worden.” Dit schrijft iemand die zich Me, myself and I noemt, onder een artikeltje bij Joop. Het artikel handelt over de dwangsom van € 2.500 die de gemeente Haarlem heeft opgelegd aan theater De Liefde. In dat theater bezochten teveel mensen een try-out van cabaretier Theo Maassen. Toen ik dit las moest ik denken aan het gesprek dat ik vlak voordat ik dit las, had met mijn vrouw.  Als ‘eindredacteur’ leest mijn vrouw al mijn Prikkers als eerste en ze haalde na het lezen van mijn laatste prikker aan dat het al de derde keer was dat ik schreef dat we zuinig moeten zijn op onze overheid en democratie en dat we beiden zelfs moeten versterken. ‘Wat verliezen we dan?’ Schrijf daar maar eens over’. Een mooie koe om bij de hoorns te vatten.

Tiananmen Square protests of 1989 | As seen on en.wikipedia.… | Flickr
Bron: flickr

Hoe ziet die koe die we kunnen verliezen eruit? Daarvoor een uitstapje naar De oorsprong van onze politiek een boek in twee delen van de Amerikaan Francis Fukuyama. Hij geeft een ‘geschiedenis van de ‘wereldpolitiek’. Hij beschrijft die geschiedenis aan de hand van drie eigenschappen. De eerste eigenschap is de moderniteit van de staat. De tweede eigenschap betreft de rechtsorde en als laatste de verantwoordelijkheid. Als we Nederland langs de drie eigenschappen van Fukuyama leggen, wat zien we dan?

Dan zien we een moderne staat en overheid. Een overheid die haar dienaren selecteert op basis van hun kwaliteiten en kennis en niet op basis van hun ouders of kennissen zoals in patrimoniale en tribale samenlevingen om twee andere samenlevingsvormen die Fukuyama onderscheidt te noemen. Dat we een moderne staat zijn is veel waard want dat is niet overal in deze wereld zo. In een moderne staat spelen nog steeds ‘tribale’ en vooral familiaire krachten een belangrijke rol en vooral in tijden van crisis worden die sterker. Dan vertrouwen we onze ‘eigen stam’ meer en de eigen familie nog meer. Dat Nederland een moderne staat is, biedt geen garantie dat dit altijd zo zal blijven. Want ‘in het verleden behaalde resultaten …’. Zo kun je beargumenteren dat Turkije onder president Erdogan van een moderne een patrimoniale staat aan het worden is en ook de Verenigde Staten onder Trump kregen trekken van een patrimoniale staat. Trouwens, over dat verleden gesproken, de ‘moderniteit’ van onze samenleving is pas de laatste paar honderd jaar gegroeid en dus van vrij recente datum.

Dan de tweede eigenschap. Nederland is een rechtsstaat met een sterke rechtsorde waaraan iedere inwoner, bedrijf, instelling maar ook de overheid ondergeschikt is. Iets wat niet vanzelfsprekend is en wat ook niet als vanzelf samen gaat met het zijn van een moderne staat. Zo was de eerste moderne staat, het Qin China van 2.200 jaar geleden. Een rechtsorde was het echter niet omdat de wil van de keizer wet was. Het verschilt hierin niet van het huidige communistische China. Dat heeft dan wel een grondwet en wetten maar die binden de nieuwe keizer, de communistische partij, niet. Die staat boven de wet. Dat Nederland nu een rechtsorde is heeft het, zo betoogt Fukuyama, te danken aan de strijd tussen de kerk en de staat. Maar hier ook geen garantie dat het altijd zo zal blijven. Ook hier weer: ‘in het verleden behaalde resultaten…’. Een rechtsorde kan worden afgebroken en ondermijnd. Zo kun je beargumenteren dat de activiteiten van Erdogan in Turkije, Orbán in Hongarije en de Poolse PiS partij de rechtsorde ondermijnen.

Daarmee komen we bij de derde eigenschap de verantwoordelijkheid of beter gezegd: de verantwoordelijke overheid. “Verantwoordelijk bestuur betekent dat de heersers menen dat ze zich moeten verantwoorden tegenover het door hen geregeerde volk en de belangen van het volk boven die van zichzelf moeten stellen.[1] aldus Fukuyama. ‘Nogal logisch’ is een eerste reactie vanuit een luie stoel in Nederland. Toch is dat niet zo logisch. Inderdaad zijn we in Nederland gewend dat de regering zich voor het volk, vertegenwoordigd in de Tweede Kamer, verantwoordt en regelmatig, in ieder geval een keer per vier jaar, voor het gehele volk. Ook de landen om ons heen kennen een soortgelijke manier van verantwoorden. Toch zijn dit uitzonderingen. Uitzonderingen omdat het overgrote deel van de heersers in het verleden, maar ook in het heden er heel anders over dachten en denken. Een Egyptische Farao, de Chinese keizer of Genghis Khan dacht niet in termen van verantwoording. Het volk werkte voor hen, niet omgekeerd. Ook die verantwoordelijke overheid is van recente datum. Ze ontwikkelde zich zo vanaf 1500. Al moeten we ons bij ‘het volk’ in die begintijd niet al te veel voorstellen. Dat bestond uit de hoge adel. Pas in de negentiende eeuw ging het grotere delen van de bevolking omvatten en pas sinds begin twintigste eeuw (in Nederland sinds 1917) omvatte het volk alle volwassen mannen en vrouwen. Maar ook hier bieden de ‘in het verleden behaalde resultaten, …’.

Wij mogen ons gelukkig prijzen met een moderne overheid in een land met een rechtsorde waar de regerenden verantwoording afleggen en weggestuurd kunnen worden door de geregeerden. En alhoewel niet perfect, het mag voor ons dan vanzelfsprekend zijn, dat is het niet. Dit hele huis is gebaseerd op jaren en op sommige gebieden eeuwenlang opgebouwd vertrouwen. En zoals het spreekwoord luidt: vertrouwen komt te voet en gaat te paard. En het lijkt het erop het vertrouwen gestopt is met lopen en bezig is het paard te zadelen. Een burger die oproept tot een opstand is tot daaraantoe. Maar partijleiders die niet verliezen bij de volgende verkiezingen belangrijker vinden dan het besturen van het land en daarom het vormen van een nieuwe regering traineren maar onderwijl wel gewoon door regeren, vormen wel een bedreiging. En nog veel erger PVV-leider en enigst lid die al jaren roept dat onze rechtspraak een farce is en de Kamer een ‘nepparlement. Kamerleden zoals Gideon van Meijeren van het FvD die onze democratie dood verklaart en goedkeurend wordt gadegeslagen door zijn politiek leider Baudet.’ Dit draagt niet bij aan het versterken van vertrouwen. Het lijkt erop dat het vertrouwen al op het paard zit en de draf versnelt.

Een moderne overheid kan nog zonder vertrouwen, maar ik weet niet of dat zo’n prettige landen zijn om in te wonen. Zonder vertrouwen echter geen verantwoordelijke overheid. Zonder vertrouwen geen rechtsorde. En als het vertrouwen eenmaal weg is, dan is het zomaar nog niet terug. Een moderne democratische rechtstaat met een verantwoordelijke overheid afbreken is snel gedaan, er eentje opbouwen is veel lastiger zoals de casus Afghanistan laat zien. Dat vergt een lange, heel lange wandeling zonder garantie op succes. Immers ‘in het verleden behaalde resultaten …’.


[1] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 369

Uitgelicht

Een lesje staatsrecht

“Het kabinet is demissionair en dus zonder politiek mandaat. Het invoeren van een nieuwe controversiële #coronapas is dus illegaal. Het is onnodig bovendien en pure drang tot vaccinatie. Onacceptabel dus. Hulde aan de horeca-ondernemers die dit niet handhaven.” Dit schrijft PVV-leider en enigst lid Geert Wilders in een tweet die ik bij De Dagelijkse Standaard las. De tweet kon op steun rekenen van Michael van der Galien de auteur van het artikel en de grote man achter het medium. “Dit klopt natuurlijk honderd procent. Het is ongelooflijk dat een demissionair kabinet zelfs maar de moed heeft om dit te doen. Want een demissionair moet zogenaamd “op de zaak passen.” Meer kan en mag zo’n regering niet doen. Zwaar controversiële beslissingen mag het niet maken. Het mág echt niet.” Zo voegt Van der Galien eraan toe. Menigeen zal instemmend knikken met de redenering maar is dat terecht?

Illegaal betekent in strijd met de wet. Onze staatshuishouding wordt geregeld in de Grondwet. In de Grondwet komt het woord ‘demissionair’ niet voor. De Grondwet kent een regering, de koning en de ministers, en een ministerraad, de vergadering van ministers met de premier als voorzitter. Die zijn er altijd. Wat ze mogen is geregeld in de diverse wetten. Wetten waarin je ook tevergeefs zult zoeken naar het woord ‘demissionair’. Tevergeefs omdat er altijd regering moet zijn die besluiten neemt en geen halve of voorwaardelijke besluiten. Juridisch gezien heeft een demissionair kabinet precies dezelfde bevoegdheden als een missionair kabinet. Dat die bevoegdheden in demissionaire staat terughoudend worden toegepast, is een gebruik, geen wettelijk vereiste. Het handelen van het kabinet is daarmee legaal.

Inderdaad is het in bestuurlijk Nederland gebruikelijk dat een demissionaire regering geen nieuw beleid inzet en ‘op de winkel’ of zoals Van der Galien het noemt ‘de zaak’ past en geen besluiten neemt om de zaak uit te breiden, grondig te verbouwen, of in te krimpen. Nee, de zaak laten zoals ze is totdat er een nieuwe regering is om ‘de zaak’ over te nemen. Laten we de metafoor van ‘de winkel’ even wat verder doordenken. Stel ‘de winkel’ wordt bedreigd door een overstromende rivier en zandzakken en zand zouden de het water kunnen beletten om de winkel binnen te stromen. Helaas zijn die er niet, zou het de demissionaire winkelier dan kwalijk worden genomen als hij een deel van het geld van de winkel zou besteden aan de aanschaf van zand en zakken om zo de winkel te beschermen? Als we de winkel vergelijken met Nederland, dan is de regering de winkelier en de coronapandemie de overstromende rivier, moeten we de regering dan kwalijk nemen dat ze maatregelen neemt om te voorkomen dat de pandemie de ziekenhuizen overstroomt, om in de metafoor te blijven, met patiënten en de zaak lamlegt zoals vorig jaar gebeurde en begin dit jaar dreigde te gebeuren?

Natuurlijk kun je een discussie voeren over welke maatregelen er genomen moeten worden om de ‘overstroming’ van onze ziekenhuizen met Covid patiënten te voorkomen. Natuurlijk kun je de vraag stellen of, zoals anderen doen, declameren dat het de verkeerde maatregelen zijn. Vragen over nut en noodzaak stel ik me ook geregeld. Wat we niet moeten doen, is de bevoegdheid van de regering om dergelijke maatregelen te nemen ter discussie stellen. Door het woord ‘illegaal’ te gebruiken, ondermijnt Wilders onze democratische rechtstaat en dat is schadelijk. Als een burger, zoals Van der Galien, dit roept of denkt kan dat een gevolg zijn van onwetendheid. Dat een kamerlid dit roept is schadelijk en kan geen gevolg zijn van onwetendheid. Kamerleden dienen dit te weten. Zoals ik in een eerdere Prikker schreef is ons gedurende honderden jaren opgebouwde bestuurlijke systeem me daarvoor te kostbaar.

Uitgelicht

Problem, government, solution

In de Volkskrant pleiten drie gepensioneerde TU Delft ingenieurs, zoals ze zich noemen, ervoor: “een soort Deltacommissie in het leven te roepen om dit complexe project weg te trekken bij de politiek, want die heeft al laten zien dat ze geen resultaten kunnen boeken.” Het complexe project waar ze het over hebben betreft het klimaatneutraal maken van onze manier van leven. Want alles wat er nu gebeurt is ineffectief en kost veel geld zo betogen de ingenieurs. Niet vreemd want: “Politici zijn geen technici en kunnen derhalve niet beslissen over de optimale keuzes tussen voor- en nadelen van verschillende maatregelen.” Die keuze moet worden overgelaten aan specialisten want: “Dat is echt een technische en economische afweging.” Nu maak ik me ook zorgen om de klimaatverandering en mogen de maatregelen best wat forser en sneller. Toch maak ik me meer zorgen om dergelijke betogen.

File:Deltawerken - Osterschelde - Zeeland.jpg - Wikimedia Commons
Bron: Flickr

Mijn zorgen richten zich als eerste op hun gebrek aan historische en staatkundige kennis. De ingenieurs verwijzen naar de Deltacommissie die in 1953 werd ingesteld om te bekijken hoe Nederland kon worden beveiligd tegen overstromingen zoals die van de watersnoodramp van een jaar eerder. De commissie bestond uit ingenieurs, logisch want die hebben verstand van die zaken, een landbouwkundige en een econoom. Het was de politiek, de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat Jacob Algera, die deze commissie in het leven riep om hem en in het verlengde de regering en het parlement, te adviseren over te nemen maatregelen. Een staatscommissie binnen ons bestuurlijk bestel voor een specifiek onderwerp met een specifiek doel. Een adviescommissie want besluiten namen de regering en het parlement. Het complexe project waterveiligheid werd dus allerminst ‘weggetrokken van de politiek’. Nu is dit het minst belangrijke punt van zorg.

Grotere zorgen maak ik me om hun grote vertrouwen in technische maar vooral economische specialisten. Techneuten, de drie ingenieurs lijken daarop geen uitzondering te zijn, hebben groot vertrouwen in wat techniek vermag. Een terecht vertrouwen want techniek vermag veel. Zo kunnen we door technische vindingen energie opwekken door atomen te splitsen. Dat kan beheerst in een kerncentrale en onbeheerst via een atoombom. En die: “effectiefste oplossing” wordt, zoals de heren aangeven, onbenut gelaten. Maar misschien is de effectiefste manier wel te duur en is het ‘opslaan van koolstofdioxide’ iets minder effectief maar goedkoper. Bij dat uitrekenen van kosten komen economen dan weer van pas. Maar nu we het over economen hebben. Techneuten kunnen verschillende technieken aanbevelen als beste, en dus van opvatting verschillen. Economen hebben dat nog veel meer. Neem de gezondheidszorg, afhankelijk van de kijk op de wereld zal de ene, meer socialistisch georiënteerde, econoom een hartstochtelijk pleidooi voor publieke gezondheidszorg houden en de andere, neoliberale het als de grootste waanzin en economische dwaling afwijzen. Aan welke techneuten en economen laten we de oplossing van dit probleem over?

Nu ik het toch over neoliberaal heb, het denken van de ingenieurs vertoont overeenkomsten met het neoliberale denken. En daarmee kom ik op een volgende en grootste punt van zorg. De overeenkomst tussen de ingenieurs en het neoliberalisme betreft een stuitend gebrek aan vertrouwen in de overheid en ons democratische bestel. Neoliberalen zien de markt als oplossing voor alle problemen en de overheid als oorzaak van alle ellende. Om het met de woorden van wijlen voormalig president van de Verenigde Staten Ronald Reagan te zeggen: “Government is not the solution to our problem, government is the problem.” Met Reagan staan we aan het begin van de triomftocht van dat neoliberalisme. Sinds begin jaren tachtig werden overheidsdiensten zoals de post, de telefoon en het spoor geprivatiseerd want dat zou tot betere en goedkopere producten leiden. Sinds die tijd moest de overheid ‘steeds kleiner’ en werd ‘ambtenaar’ een besmet beroep. Daar waar John F. Kennedy ‘the best en brightest’ naar de overheid lokte, worden ze sinds Reagan verleidt om een algoritme te ontwerpen om snel winst op de beurs te maken of een app te ontwikkelen die zoveel mogelijk gegevens en dus geld uit mensen klopt. Kennedy liet ze bij NASA de eerste mens op de maan zetten. Dat doen ze nu ter meerdere eer, glorie en vooral de portemonnee van Musk en Bezos. Heren die hun rijkdom, om het zo te zeggen, te danken hebben aan Kennedy omdat hun bedrijven draaien op technieken die via overheidsinvesteringen tot stand zijn gekomen. Voor wie er meer over wil weten. Lees Mariana Mazzucato’s boek De ondernemende staat. Of voor wie een boek te lang is, deze Prikker.

Een kleinere overheid die zich met steeds minder zaken ‘moest bemoeien’ en wat ze nog wel deed en doet, moet volgens de New Public Managent. Een manier van denken waarbij de burger een klant is en de overheid een bedrijf en ook op die manier aangestuurd moet worden. Een overheid waar steeds meer op neer werd en wordt gekeken. En dat neerkijken is terecht en niet terecht. Het is terecht omdat de prestaties van die overheid de laatste jaren niet om over naar huis te schrijven zijn. Het is niet terecht omdat dit een gevolg is van die neoliberale manier van kijken naar de overheid. Als je de overheid als een bedrijf ziet, moet je niet verbaasd opkijken als Kamerlidmaatschap en het ministerschap een carrièrestap wordt. Een opstapje om uiteindelijk te cashen bij een bank, zoals Zalm en Kok, of bij een lobbyfirma zoals recentelijk VVD-minister Van Nieuwenhuizen en Kamerlid van dezelfde partij Lodders. Dan hoeft het ook niet te verbazen dat we een premier hebben die ‘visie een olifant in de kamer’ vindt en die op z’n best opereert als manager. Dan moet je niet verbaasd kijken als ‘the best and brigthest’ niet voor de overheid kiezen, want wie wil er nu voor een ‘probleem’ werken. Als je iets als ‘probleem’ bestempelt en het op de manier behandelt zoals de overheid sinds Reagan is behandeld, dan moet je niet verbaast opkijken als het uiteindelijk een probleem wordt.

Het is echter wel ‘het probleem’ dat namens ons besluiten moet nemen welke technische oplossing de voorkeur krijgt en welke economische argumenten de doorslag geven. Die bevoegdheid uit handen geven aan ‘een Deltacommissie’ los van de politiek komt op hetzelfde neer als Facebook het privacy-beleid laten ontwerpen. Dit betekent namelijk het verder verzwakken van onze overheid en vooral onze democratie. Als we iets niet moeten doen dan is het dat wel. We moeten de overheid juist versterken van de afbraak van de afgelopen veertig jaar. Om Reagans woorden in een wat andere volgorde te zetten: government is not the problem, government is the solution to our problem!

Uitgelicht

Moral high ground

“Either you are with us or you are with the terrorists.” Die keuze legde president George Bush de jongere op 20 september 2001 voor aan de naties van de wereld. Een simpele en eenvoudige keuze, zo op het eerste gezicht want wie wil er nu bij ‘de terroristen’ horen? Ik in ieder geval niet. Toch was die keuze niet zo eenvoudig want ondanks de tragedie van negen dagen eerder, was ook een keuze voor de ‘us’ van Bush allerminst voor de hand liggend. Dit omdat niet duidelijk was wat ‘with us’ zijn precies inhield. Ik moest hieraan denken bij enkele berichten die ik recentelijk voorbij zag komen.

Calvin and Hobbes | taking the moral high ground | J Mark Dodds | Flickr
Bron: Flickr

Zo kwam het bijgevoegde bericht via mijn tijdlijn op LinkedIn voorbij: “Mijn naam is Wesley en vanaf 25 september zijn ik en mijn kinderen niet meer welkom in horeca, de culturele sector, bij evenementen en een bezoek aan professionele sportwedstrijden. En dit allemaal omdat ik weiger mee te doen aan deze QR maatschappij. Gelukkig heb ik al deze dingen niet nodig om gelukkig te zijn maar ik wil mijn kids ook nog zoveel meegeven. Wat een verschrikkelijke tijd leven we in en bizar dat dit demissionair kabinet dit soort beslissingen tegen alle soorten protest in doorvoert. Ik accepteer dit niet en ik ben benieuwd wie in mijn netwerk dit normaal vindt. Die wil ik vragen mij als connectie te verwijderen. Ik bouw graag een netwerk waar verbinding een rol speelt en waar we met respect met elkaar om gaan. Liefdevol. Dus nogmaals, zie je mij en mijn kinderen liever buiten staan omdat ik moet meedoen, het mijn eigen schuld is óf omdat ik jou kan besmetten? Ik neem graag afscheid van je. Het liefst per direct. Wil je samen met mij iets gaan bouwen om elkaar te motiveren en te inspireren en elkaar te respecteren dan hoor ik graag van je. Dat doe ik met alle respect en alle liefde (1).” Dit vergezeld van een foto van Wesley met zijn kinderen.

Nee, de maatregelen zijn niet ‘normaal’, daar ben ik het meteen mee eens en ik denk dat dit voor bijna iedereen geldt. Het is ‘niet normaal’ dat je een vaccinatiebewijs moet tonen om een voetbalwedstrijd te bezoeken. Ondanks dat ik het ‘niet normaal’ vind, doe ik het toch. Afgelopen vrijdag nog, toen ik de wedstrijd tussen VVV en FC Den Bosch bezocht. De omstandigheden zijn echter ‘niet normaal’ en zoals de Engelsen zeggen ‘desperate times call for desperate measures’. Om een ontwrichting van onze samenleving door Covid-19 te voorkomen moet er wat gebeuren. Wat daarbij precies de juiste maatregelen zijn, daar kun je over discussiëren. Om ze te nemen moet er uiteindelijk een besluit worden genomen door het daartoe bevoegde orgaan en dat is de regering. De status van die regering, missionair of demissionair, doet daarbij niet ter zake.

Een van die maatregelen is dat bezoekers van professionele sportwedstrijden, theaters enzovoorts een vaccinatiebewijs of een recent negatief testresultaat moeten overleggen voordat ze binnen mogen. Een maatregel om de maatschappelijke ontwrichting door het vastlopen van onze ziekenhuizen te voorkomen. Die maatregel biedt iedereen de mogelijkheid om het voetbalstadion, theater, de horeca of een evenement te bezoeken. Iedereen heeft die gelegenheid en niemand wordt ervan uitgesloten. Wesley en zijn kinderen zijn van harte welkom alleen wil hij niet aan de voorwaarden voldoen. Dat is zijn eigen keuze en zoals de Engelsen het zo mooi zeggen ‘actions have consequences’. De reden dat hij niet meer naar de horeca, het theater of voetbalstadion kan, is het gevolg van zijn eigen keuze. Dus nee, ik zie hem en zijn kinderen niet graag ‘buiten staan’. Hij besluit echter zelf om ‘buiten’ te blijven staan. Om dan degenen die ‘binnen zitten’ min of meer de schuld te geven van zijn ‘buiten staan’ is vreemd. Maar dat is nog tot daaraantoe.

Het wordt bijzonder als Wesley aangeeft te willen bouwen aan een netwerk van respect en verbinding. Daarmee lijkt hij te suggereren dat mensen die het anders zien dan hij, niet werken aan een netwerk van respect en verbinding, dat ze respectloos en verdelend zijn. Hij lijkt, om de Engelse term te gebruiken: ‘the moral high ground’ te claimen voor zijn positie. De ene positie is moreel echter niet beter of slechter dan de andere, ze is alleen anders. Hij zegt in navolging van Bush: als je voor mij bent, dan behoor je tot de goeden en werk je vanuit ‘respect en verbinding’, ben je het niet met mij eens dan ben je respectloos en verdelend. In feite zegt hij met veel worden hetzelfde als Hans Christiaanse die de volgende twee zinnen in een LinkedIn-post boven een filmpje van de demonstratie van 5 september jongstleden plaatste waarover ook mijn vorige Prikker handelde: “Gevaccineerd of niet: sluit je aan! Of sluit je liever mensen uit?”  

In een reactie onder zijn post gaf Wesley aan dat hij zijn zorgen uit met deze post. Dat doe ik ook. Daarom schrijf ik Prikkers. Dergelijke reacties baren mij om twee redenen zorgen. Als eerste omdat ze verdelen: je bent voor ons of tegen ons! Het hebben van een andere opvatting is reden om je uit te sluiten van de groep, dan hoor je er niet meer bij. Als we tweedeling willen voorkomen dan moeten we ons onthouden van dergelijke redeneringen en uitspraken. Als tweede maak ik me zorgen omdat je van mening kunt verschillen of de genomen maatregelen de juiste zijn. We hebben in dit land echter afgesproken op welke manier we maatregelen nemen en wie het uiteindelijke besluit voor ons allemaal neemt. Als deze maatregelen conform die afspraken tot stand zijn gekomen, dan hebben we het ermee te doen. Omdat ik dat systeem hooglijk waardeer, accepteer ik ook maatregelen waarmee ik het niet eens ben. Dat systeem vind ik belangrijker dan welke coronamaatregel dan ook. Immers de nemers van die maatregelen kunnen we bij volgende verkiezingen daarop afrekenen. Dit systeem afbreken is geen kunst en heel snel gedaan, zo’n systeem of iets beters opbouwen niet. Het heeft eeuwen gekost om tot dit systeem te komen. Dergelijke uitspraken ondermijnen dit systeem en dat baart mij meer zorgen dan welke coronamaatregel dan ook.

(1) Ik ben benieuwd of de link bij jullie werkt. Een paar uur na het schrijven van deze Prikker liep de link dood en kon ik het bericht niet meer vinden.

Uitgelicht

‘De gewone man’

Henk Spaan en Harry Vermeegen kenden in de jaren tachtig, tenminste wat mij betreft, hun televisiehoogtepunt met het programma Pisa. Het programma was, geloof ik, vernoemd naar de eerste buitenlandse club van Wim Kieft maar dat doet er niet toe. Naast de reeks met ‘Popie Jopie’ waarin het bezoek van paus Johannes Paulus II aan Nederland op de hak werd genomen, staat mij vooral de serie over de gewone man bij. Aan die ‘gewone man’ moest ik denken bij het lezen van het artikel De sociale wetenschap kan wel wat meer subjectiviteit gebruiken van Ashley Chin bij De Correspondent.

Royalty-free Opel, Kadett photos free download | Pxfuel
Bron: Pxfuel

“Omdat ik mij niet herkende in onderzoeken naar migrantenfamilies, tekende ik het migratieverhaal van mijn Chinees-Surinaamse familie op. En voor zulke persoonlijke perspectieven zou meer ruimte moeten zijn in de sociale wetenschap.” Zo begint Chens artikel. En omdat Chen zich niet herkent, kunnen de sociale wetenschappen meer subjectiviteit gebruiken. Chens familie komt oorspronkelijk uit de regio Guangdong in het zuiden van China. Haar voorvaderen trokken in 1858 van daaruit naar Suriname om te gaan werken op de plantages. Door de afschaffing van de slavernij moesten er immers nieuwe arbeidskrachten komen. Toen Chen dit verhaal aan haar Nederlandse schoolklas vertelde, werd ze ongelovig aangekeken: “Zocht ik in mijn schoolboeken het hoofdstuk over de Nederlandse koloniale geschiedenis, stond er geen woord geschreven over Chinese, Javaanse of Hindostaanse ‘contractarbeiders’. Het was alsof dit specifieke stukje koloniale geschiedenis niet bestond buiten mijn gemeenschap.”

Ik kan zowel haar verwondering als het ongeloof van haar klasgenoten begrijpen. De geschiedenisboeken op school zijn immers een kleine selectie uit het onuitputtelijke en met de seconde groeiende historische vat. Daar kan onmogelijk alles in worden behandeld. Zeker in onze tijd waarin de klaslokalen worden bevolkt door kinderen uit alle windstreken en landen, is het onmogelijk om iedereen zich te laten herkennen. Daar is het geschiedenisonderwijs ook niet voor bedoeld. Dat is bedoeld om kinderen wegwijs te maken in onze samenleving. Bij dat wegwijs maken hoort een beeld van het ontstaan van onze huidige samenleving. Daarbij is kennis van het verleden van de Ashanti of de Hmong en hun samenleving minder belangrijk. Het leven van het grootste deel van de kinderen zal zich immers hier afspelen en niet in Afrika of Zuidoost-Azië. Dus dat een Ashanti in Nederland zich niet ‘herkent’ in de onderwezen geschiedenis is niet vreemd. Net zoals de verwondering van die Ashanti dat de rest van de klas het Ashanti-verhaal in het algemeen en het leven van de betreffende persoon in het bijzonder niet kent, is te begrijpen. Dat maakt de subjectieve geschiedenissen van een Ashanti en ook van Chen in Nederland niet onbelangrijk. Ze bieden andere perspectieven en die zijn altijd welkom.

Wat mij verwondert, is de bijzondere interpretatie die Chen geeft aan wetenschap in het algemeen en sociale wetenschap in het bijzonder. Uit het artikel concludeer ik dat Chen het begrip objectief een heel andere betekenis geeft, dan het in de sociale wetenschappen heeft. Dat concludeer ik uit de aanhalingstekens waartussen zij het woord steeds plaatst. Voor een wetenschapper is iets objectief als het onafhankelijk is of met andere woorden, losstaat van een individuele waarneming of voorkeur. Het komt op mij over dat Chen objectief interpreteert (als de enige) waarheid en dat is niet wat een wetenschapper met objectief bedoeld. Een wetenschapper begint met een theorie een mogelijke verklaring van het fenomeen dat wordt onderzocht. Die theorie is objectief, ze is zonder waarnemingen te begrijpen. Vervolgens onderzoekt de wetenschapper of die theorie de werkelijkheid kan verklaren door ze te toetsen aan vele ‘individuele geschiedenissen’, die geschiedenissen zijn subjectief. Immers ieder individueel verhaal is anders. Uit die individuele verhalen haalt de wetenschapper grote lijnen en overeenkomsten waaraan een groot deel van de waarnemingen voldoet. Een individuele geschiedenis, zoals die van Chens familie zal daarom nooit één op één lopen met de geschiedenis van migratie. Het is er wel een onderdeel van. En als de wetenschapper een aanhanger is van de Oostenrijkse filosoof Popper, dan wordt er gezocht naar ontkrachting van de theorie.

Ter verduidelijking ‘de gewone man’ van Spaan en Vermeegen waarmee ik begon. In hun programma gaan ze op zoek naar ‘de gewone man’. Die ‘gewone man’ kun je zien als de ‘gemiddelde Nederlander’ en die reed in die tijd een Opel Kadett (best verkochte auto), waste op maandag, at woensdag gehakt, had twee kinderen en zo waren er veel meer kenmerken. De zoektocht was tevergeefs want elke Kadett-rijder had wel iets wat niet ‘gewoon’ is bijvoorbeeld vier kinderen, hij eet geen vlees of draagt een jurk. En loslopende mannen die gewoon lijken, rijden geen Kadett of een Kadett met spoiler. Spaan en Vermeegen bedrijven geen wetenschap maar laten op een humoristische wijze zien dat je de objectieve ‘gewone man’ nooit subjectief tegen het lijf zult lopen. De kans dat een man op alle aspecten precies overeenkomt met de gemiddelde, en dus dé gewone man is te verwaarlozen. Vanuit al die ‘net niet’ gewone mannen kun je echter wel een objectieve schets van de ‘gewone man’ maken. En als twee mensen dat op eenzelfde moment doen dan kan het tot twee verschillende objectieve schetsen leiden. Net zoals twee economen eenzelfde fenomeen anders objectief kunnen beschrijven en in de subjectieve waarnemingen een bevestiging van hun gelijk kunnen vinden. Behalve dan als ze allebei de Popper-methode’ gebruiken want dan zullen ze allebei de ontkenning van hun objectieve theorie beschrijven.

“Want wat is de waarde van sociaalwetenschappelijke kennis wanneer de mensen over wie het gaat, zichzelf niet meer herkennen? En wat leert die kennis ons nog over de werkelijkheid waarin we leven wanneer de sociale wetenschap generatie op generatie belangrijke verhalen onverteld laat?” Zo sluit Chen haar artikel af. De waarde van de sociale wetenschap zit nu juist in inzichten die het individuele overstijgen. En als antwoord op de laatste vraag, de wetenschap is niet bedoeld om verhalen te vertellen maar om de wereld te begrijpen.  

Niet dat die verhalen niet verteld mogen worden. Er is niets tegen meer van die persoonlijke beschrijvingen waar Chen om vraagt. Maar dan als niet meer dan dat, een persoonlijke beschrijving. Immers Chens beschrijving van de familiegeschiedenis kan en zal een andere zijn dan die van een ander lid van haar familie.

Uitgelicht

Die goeie ouwe tijd

Vroeger was Nederland een geweldig land waar iedereen goed met elkaar kon opschieten. Tenminste als ik Juliaan van Acker mag geloven. Dat vroeger is van voor de tijd van de massa-immigratie. In die goede ouwe tijd werden: “Mensen (…) beoordeeld op basis van hun karakter, hun talenten en hun moraal. Nederlanders voelden zich Nederlander,” aldus Van Acker in een artikel bij TPO. Een wel erg rooskleurig beeld van het verleden. Nu is Van Acker al in de tachtig en geboren in Vlaanderen dus wellicht kent hij de Nederlandse geschiedenis onvoldoende.

The Good Old Days / Dystopia | Brewery Green, Leeds | Tim Green | Flickr
Bron: Flickr

Nu is hij niet de enige met een rooskleurig beeld van het verleden. Zo verlangt ook Baudet terug naar een mythisch verleden van de deugdzame bourgeoisie waarnaar hij terug wil, dit even terzijde. Terug naar Van Acker. Wellicht is dit gebrek aan kennis van het Nederlandse verleden terug te voeren op zijn eigen verleden. Hij werd in 1940 geboren in Vlaanderen. Toch kan dit niet echt als excuus gelden want behoort Vlaanderen niet tot België? Een land waar mensen al sinds de oprichting in 1830 worden beoordeeld op de taal die ze spreken en niet op de ‘hun karakter, talenten en moraal’?

Nu is Van Acker niet de eerste en zeker niet de enige Vlaming die naar het ‘noorden’ trok. In de zestiende en zeventiende eeuw gingen veel Vlamingen hem voor in een golf van massamigratie vanuit Vlaanderen naar Zeeland en Holland. Ik denk echter niet dat Van Acker die periode van massa-immigratie bedoeld. Ik denk dat hij het heeft over de periode vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw. De komst van arbeiders, eerst vanuit Italië en Spanje en later vanuit Marokko en Turkije. Dat ‘gelukkige Nederland’ waar ‘karakter, talent en moraal’ centraal stonden, moeten we dus zoeken voor de jaren zeventig van de vorige eeuw. Laten we die tijd eens wat nader beschouwen.

Het eerste wat opvalt aan die periode is dat ‘karakter, talent en moraal’ van de vrouwelijke helft van de bevolking er helemaal niet toe deed. Daar werd niet naar gekeken. Sterker nog, tot en met 1956 werden ze niet handelingsbekwaam geacht. Hun vader of man hadden die macht. Als ze trouwden, dan was dat een wettelijke reden voor ontslag. Iets wat een jaar later werd afgeschaft. En die afschaffing veranderde de mores maar geleidelijk.

Het was ook de periode waarin wat we, in navolging van de politicoloog Arend Lijphart, de ‘pacificatie-politiek noemen, hoogtij vierde. “De pacificatie-politiek was het proces, waarin de problemen die in de onderlinge betrekkingen tussen de zuilen grote spanningen opleverden, toch op vreedzame manier werden opgelost. Het was een proces van vredestichting en de schepping van een zekere mate van consensus tussen de zuilen, waar oorspronkelijk weinig consensus bestond.” De tijd waarin: “Het nationaal saamhorigheidsgevoel in Nederland (niet) sterk (was), maar sterk genoeg om aan de centrifugale neigingen van de zuilen weerstand te bieden.[1] Nu zet Lijphart het scherp weg. Nederland dreigde nooit echt uit elkaar te vallen. Veel met elkaar hadden de verschillende bevolkingsgroepen niet. Als katholiek ging je naar een katholieke school. Lag je in een katholiek ziekenhuis. Voetbalde je katholiek. Was je bij een katholieke vakbond of werkgeversvereniging. Vlogen je duiven katholiek. En stemde je katholiek. Dat in 1954 zelf bij mandement van de Nederlandse bisschoppen. Voor protestanten gold, afgezien van dat mandement, hetzelfde. Je ‘karakter, talent en moraal’ deden er hooguit binnen ‘je eigen zuil’ toe. Als protestant kreeg je geen werk bij een katholieke werkgever. Huwelijken met andersgelovigen waren zeer zeldzaam. Immers: twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen.

We zijn er echter nog niet. Zelfs als man binnen je eigen zuil draaide het niet om je ‘karakter, talent en moraal’. Als arbeiderskind was je gedoemd om na je leerplichtige periode als arbeider in de fabriek te belanden alwaar je vader ook werkte. Alleen als je op exceptionele kwaliteiten werd ‘betrapt’, de schoolmeester je gunstig gezind was en je ouders als niet als lastig bekend stonden, maakte je kans op een vervolg van je schoolloopbaan en dus op een andere carrière dan arbeider in de fabriek waar pa ook werkte. Bij het opbouwen van die carrière zat je verleden als arbeiderskind je wel dwars. Je ouders misten immers het netwerk dat het kind van de fabrieksdirecteur of notaris wel had. Iets waar veel nieuwkomers nu ook last van hebben.

Nee, die goeie ouwe tijd waarnaar Van Acker terugverlangt is vooral oud.


[1] A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, pagina 99