Uitgelicht

Rechten voor de natuur

“De beste van alle mogelijke werelden is geen wereld waarin we zouden kunnen leven, want het begrip menselijke vrijheid veronderstelt beperkingen. Vrij handelen betekent handelen zonder voldoende kennis of macht, dat wil zeggen zonder alwetendheid of almacht.[1] Een passage uit het boek Het kwaad in het moderne denken van de filosoof Susan Neiman. Ik moest hieraan denken toen ik bij De Correspondent een artikel van Jessica den Outer las. Den Outer pleit voor rechten voor de natuur.

Amazon Rainforest | Aerial view of the Amazon Rainforest, ne… | Flickr
Bron: Flickr

Niet voor natuurrechten (H)et idee dat voor iedereen, ongeacht plaats of tijd, rechten gelden omdat ze door de ‘natuur’ zijn gegeven. Natuurrechten zijn aangeboren en onvervreemdbaar. Het natuurrecht wordt onderscheiden van positief recht, dat door nationale wetgevers wordt gemaakt en uitgevoerd.” Zoals Amnesty International het begrip natuurrecht omschrijft. Natuurrechten zijn een oud begrip. De oude Griekse filosofen spraken al over die ‘onveranderlijke rechtsregels’ die de mens van nature had. Rechten die het christendom als door god gegeven zag. Nee, voor rechten voor de natuur en niet alleen voor dieren, maar ook voor rivieren, bossen enzovoort. Hiermee moet de antropocentrische wereld worden beëindigd. De wereld waaraan de mens de doorslag geeft. Rechten voor de natuur is wat anders dan onze huidige milieuwetgeving want bij die wetgeving is, zo betoogt Outer: “de mens, als middelpunt van het bestaan, (…) het uitgangspunt van wet- en regelgeving. Dit uitgangspunt heeft ertoe geleid dat wij de natuur beschouwen als ons eigendom: iets wat we kunnen uitbuiten voor menselijk gewin. Wij, de mens, hebben als eigenaar onbeperkte macht over de natuur.” Door ook de natuur rechten te geven zou de mens van de troon worden gestoten waarop hij zichzelf heeft geplaatst.

Ik moest aan Neiman denken omdat zij in haar boek de deconfiture van God beschrijft. Of om het anders te zeggen, het plaatsen van de mens op de oude troon van god. De mens kreeg hiermee, zo betoogt Neiman, een steeds grotere verantwoordelijkheid voor het kwaad in deze wereld. Voor de moderne tijd was er maar één soort kwaad: alle kwaad was een straf van God of de uitvoering van de wil van God. God kende het grote plan en of het nu een aardbeving of een oorlog betrof, God had er een plan mee. Erg handig zo’n ‘imaginair construct’ dat alles verklaart. Zonder God moet er een andere oorzaak voor het kwaad zijn en als zijn plaatsvervanger moest dat wel de mens worden. Met de vrijheid, om het citaat waarmee ik begon aan te halen, komt immers ook verantwoordelijkheid. Nu kun je dat bij misdaden, moorden, oorlog en alle andere zaken waar de mens handelend optreedt goed volhouden. Bij een aardbeving of een orkaan wordt dat anders. De moderne denkers splitsten het kwaad daarom in tweeën. Aan de ene kant het morele kwaad waar de menselijke hand duidelijk een rol speelt. En aan de andere kant het natuurlijke kwaad van bijvoorbeeld de aardbevingen en orkanen. Alhoewel de mens tegenwoordig, via de door uitstoot van kooldioxide veroorzaakte opwarming van de aarde, ook al een hand heeft in die laatste.

Daarmee kom ik bij het artikel van Outer. Volgens Outer zit de mens hoog op zijn troon. Zij wil meer evenwicht in de wereld. Die is nu ‘antropocentrisch’ omdat wij: “als eigenaar onbeperkte macht over de natuur,” hebben. Outer pleit voor een ecocentrische benadering: “de overtuiging dat de mens deel uitmaakt van de aardse gemeenschap en leeft in een systeem van onderlinge afhankelijkheid. … In de ecocentrische benadering is de intrinsieke waarde van al het leven essentieel. Een opvatting die leeft bij verschillende inheemse volkeren. De natuur heeft waarde, simpelweg ‘omdat ze bestaat’. Je neemt verantwoordelijkheid voor je band met de natuur en denkt bij de keuzes die je maakt aan de belangen van alle vormen van leven en van toekomstige generaties.” Daarom wil zij de natuur rechten geven, net zoals de mens rechten heeft.

Hoe zou dat moeten? Als natuur een rechtspersoon is dan: “geniet ze een onafhankelijke juridische status die beschermd moet worden – en zo krijgt ze een stem in onze samenleving.” Die rechten moeten worden erkend door rechters of via de politiek. Daarbij kan het gaan om: “de natuur in het algemeen of om concrete entiteiten zoals rivieren, bossen of bergen, die rechten of eigen rechtspersoonlijkheid krijgen.” Zodat zij wordt meegenomen bij alle beslissingen die haar welzijn aangaan. Daarbij moeten: “Menselijke voogden (…) ervoor (zorgen) dat deze rechten worden gewaarborgd en nageleefd. In het ergste geval kunnen zij een rechtszaak aanspannen namens de natuur, zoals een voogd dat voor een kind kan doen.”

Dat de natuur waarde heeft omdat ze bestaat, staat voor mij buiten kijf. Net zoals het voor mij buiten kijf staat dat de mens geen eigenaar is van de wereld. En daarmee kom ik op mijn bedenkingen bij de rechten voor de natuur. Outer wil ‘de mens van de troon halen die hij, zoals Neiman laat zien, van God heeft overgenomen. Zij wil van de huidige antropocentrische naar een ecocentristische wereld. Maar hoe ‘intrinsiek’ is de waarde van natuur als ze rechten van de mens moet krijgen om gewaardeerd te worden? Hoe ecocentrisch is het als de mens die rechten moet toekennen? Hoe ecocentrisch is het om de mens de stem en voogd te laten zijn voor de natuur?


[1] Susan Neiman,  Het kwaad in het moderne denken, pagina 120

Uitgelicht

Vrijheid

Vandaag is het 5 mei en vieren we de vrijheid. Volgens sommigen hebben we in de strijd tegen het coronavirus onze vrijheid ingeleverd en krijgen we dat wat we hebben verloren nooit meer terug en zijn we in een dictatuur beland. Voor mij aanleiding om eens vanaf een afstandje, voor zover dat kan, naar vrijheid en het nu te kijken. Ik doe dat aan de hand van de State of the Union die de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt op 6 januari 1941 uitsprak[1].

Eerst even die ‘dictatuur’ waarin we volgens sommigen leven. Een bijzondere bewering die Alicja Gescinska in de Volkskrant van repliek voorziet met de woorden: “Alleen al het feit dat je zonder gevolgen kunt zeggen dat je in een dictatuur leeft, is het bewijs dat je niet in een dictatuur leeft. De gechargeerde kritiek op het beleid getuigt van een eenzijdig begrip van wat vrijheid en onvrijheid werkelijk betekenen.” Gescinska houdt vervolgens een pleidooi voor verbonden vrijheid: “Wanneer we als samenleving niet uiteen willen vallen in een strijd tussen hongerige wolven en verscheurde schapen, moeten we leren vrij zijn mét elkaar, niet ten koste van elkaar. Onze vrijheid is zoals onze menselijke natuur zelf: per definitie sociaal. We kunnen pas vrij zijn in onze verbondenheid met elkaar.” Een prachtig pleidooi voor broederschap.

File:Fietsers op de autosnelweg, Bestanddeelnr 926-8019.jpg - Wikimedia  Commons
Autoloze zondag. Bron: WikimediaCommons

Terug naar Roosevelts State of the Union. Roosevelt was net voor de derde keer gekozen als president van de Verenigde Staten. Het land was nog niet bij de oorlog betrokken, tenminste niet direct. Ondanks haar neutraliteit steunde de regering Roosevelt de Britten. Iets wat een kleine twee maanden later werd bekrachtigd in de Lend and Lease Act. De wet gaf de president de bevoegdheid om landen die voor de Verenigde Staten vitaal werden geacht te ondersteunen door hen materieel te lenen en verhuren. In zijn toespraak schetst Roosevelt een toekomstige wereld. Roosevelt schetst vier essentiële vrijheden die, als ze worden gewaarborgd, de wereld veiliger maken. Die vier zijn de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid om welke god op welke manier dan ook te aanbidden, de vrijheid of beter vrijwaring van gebrek en als laatste vrijheid of weer beter vrijwaring van vrees. Wat zien we als we onze huidige ‘coronamaatregelen wereld’ langs deze vier vrijheden leggen? Laat ik ze eens een voor een nalopen.

Als eerste de vrijheid van meningsuiting. Die lijkt mij volledig onaangetast. Iedereen kan zeggen, roepen, beweren, schrijven en uitzenden wat hij of zij wil: “behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet ,” zoals in artikel 7 van de Grondwet is beschreven. ‘Maar de mainstreammedia zijn eenzijdig en negeren andere opvattingen?’ Een interessante maar niet relevante vraag. Dat een krant weigert om jou mening te publiceren, dat een talkshow jou niet uitnodigt om je verhaal te vertellen, tast jouw vrijheid om je mening te uiten niet aan. Jouw vrijheid om je mening te uiten betekent niet de plicht van die krant of talkshow om jou te publiceren of te laten spreken. Media hebben geen ‘publicatieplicht’, zij bepalen zelf welke informatie zij publiceren. Ook onze belangrijkste vorm van meningsuiting, de verkiezing van onze volksvertegenwoordiging kon gewoon plaatsvinden. Wel op een iets aangepaste manier maar zonder merkbaar effect op de opkomst.  

Nog even terug naar ieders ‘verantwoordelijkheid voor de wet’. De roeper moet wel oppassen met het aanprijzen van zichzelf of anderen want dat zou wel eens onder de handelsreclame kunnen vallen want die wordt in het vierde lid van het Grondwetsartikel uitgezonderd van de vrijheid van meningsuiting. Of de door Baudet en anderen gemaakte en verspreidde poster waarop de vrijheid in 2020 eindigde onder de handelsreclame valt, dat laat ik over aan juristen en rechters. Het zou wel een interessante zaak zijn. Zeker properganda.nl, een soort communicatiebureau, zou zich wel eens op glad ijs hebben begeven.

Dan de vrijheid om welke god op welke manier dan ook aan te hangen. Ook hieraan wordt niet getornd. Het staat iedereen nog steeds vrij welke god dan ook aan te hangen en te vereren, weer aldus artikel 6 van onze Grondwet: “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.”  In kerkgebouwen mag men zijn geloof belijden zoals men wil en met zoveel mensen als men wil. Of zoals de overheid het schrijft: “Mensen die samenkomen voor hun geloof of levensovertuiging zijn uitgezonderd van de maatregelen voor samenkomsten. Dit betekent dat er geen regels zijn voor het maximaal aantal personen in een kerk, moskee, synagoge of ander gebedshuis. Ook is er geen verbod op zingen.” Wel geeft de overheid op dit terrein adviezen.

Dan Roosevelts derde vrijheid, de vrijwaring van gebrek: “which, translated into world terms, means economic understandings which will secure to every nation a healthy peacetime life for its inhabitants, everywhere in the world,” aldus Roosevelt. Die is in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in artikel 25.1 vertaald in: “Everyone has the right to a standard of living adequate for the health and well-being of himself and of his family, including food, clothing, housing and medical care and necessary social services, and the right to security in the event of unemployment, sickness, disability, widowhood, old age or other lack of livelihood in circumstances beyond his control.” Deze ‘vrijheid’ verdeelt de schaarste en correspondeert met Gescinska’s pleidooi voor vrijheid in verbondenheid met broederschap en een rechtvaardige wereld. In tijden van crisis dienen op dit terrein altijd vrijheden tegen elkaar worden afgewogen.

Op dit gebied beperken de coronamaatregelen vrijheden. Neem de medische zorg, die komt door het vollopen van de IC’s met corona patiënten voor mensen met een andere ernstige aandoening in gevaar. Dit probleem is echter niet aan de coronamaatregelen te wijten. Zonder die maatregelen zouden de IC’s ook en hoogst waarschijnlijk zelfs nog veel sneller, zijn volgelopen. Ook wordt een deel van de bevolking door de maatregelen beperkt in het verwerven van hun inkomen (lack of livelihood). Die vrijheidsbeperkingen worden gecompenseerd. Om hen te ondersteunen zijn er allerlei maatregelen genomen om grote ellende te voorkomen. De manier waarop dat is gebeurd en dat het niet overal en altijd in voldoende mate lukt, kun je bekritiseren, dat heb ik ook gedaan. Ook over de effectiviteit van verschillende maatregelen kun je van mening verschillen. Een noodsituatie leent zich er echter niet voor om eerst wetenschappelijk te onderzoeken of iets effectief is. Soms moet je het doen, om premier Rutte aan te halen, met 50% van de kennis en nog minder, en een besluit nemen. Zonder maatregelen zou deze vrijheid echter ook onder druk staan. Dan zou de livelihood van de beperkten wellicht beter zijn maar dat dan wel ten koste van ‘health and wellbeing’ van anderen.

Als laatste de vrijwaring van vrees. Roosevelt spits die toe op landen en omschrijft vrijwaring van angst als: “a world-wide reduction of armaments to such a point and in such a thorough fashion that no nation will be in a position to commit an act of physical aggression against any neighbor—anywhere in the world.” Daar kunnen we in het kader van corona niets mee. Of toch wel? Als we het handelen van landen bekijken bij het verkrijgen van vaccins, dan zien we dat met name Westerse landen hun wapens (geld) gebruiken ten kosten van arme landen. Je zou dat kunnen zien als het ‘plegen van agressie tegen je buren.’

Wat als we ‘vrijwaring van angst’ vertalen naar het individuele niveau? Dan zou geen individu de mogelijkheid moeten hebben een ander agressief te benaderen en te bedreigen. Op dit punt zien we een duidelijke afname van de vrijheid. Mensen, politie-agenten, journalisten en politici om drie voorbeelden te noemen worden bedreigd. Dit is niet nieuw, ook voor de corona-pandemie gebeurde dit al. De corona-pandemie heeft wel voor een toename gezorgd. Maar belangrijker, ze worden niet bedreigd door de overheid, de instantie die vrijheid kan beperken, maar door andere individuen.

Met onze vrijheid in coronatijd gaat het dus nog bijzonder goed. ‘Maar de avondklok dan? Die beperkte onze vrijheid toch?’  Inderdaad beperkte die je vrijheid om op bepaalde tijdstippen buiten te zijn. Als een tijdelijke maatregel om een crisis te bezweren kan dat worden gezien als een legitiem maar tijdelijk middel. Dat de maatregel tijdelijk was, is inmiddels duidelijk. Of het middel effectief was, daarover kun je van mening verschillen. Net zoals de ‘autoloze zondagen’ in 1973 een tijdelijke beperking van de vrijheid was.


[1] Voor degenen die deze State of the Union willen beluistere. Op deze Wikipediapagina kan dat

Uitgelicht

Rutte en de leercirkel van Kolb

De leercirkel van Kolb. Van onbewust onbekwaam naar onbewust bekwaam met twee tussenstappen. Als eerste bewust onbekwaam: je weet dat je iets niet kunt en je kunt ervoor kiezen om het te leren. Als je ervoor kiest om het te leren en dat lukt dan kom je bij de tweede tussenstap: bewust bekwaam. Als het nieuwe je vervolgens zo vanzelf afgaat dat je er niet meer bij nadenkt ben je onbewust bekwaam. Waarom begin ik hierover? Ik moest hieraan denken in een gesprek onder een artikel van Marc Chavannes bij De Correspondent. Een artikel over de ‘notulen’ en dus de toeslagenaffaire.

brachiosaurus | At Dinosaur World in Cave City, KY | London looks | Flickr
Bron: Flickr

In dat gesprek schreef Patrick Ubags: “Waar het weinig over gaat is dat Rutte bewust geen visie wil formuleren. Zijn eigen extreem korte termijn “olifanten die het zicht belemmeren” houden echter oplossingen voor sociaal-maatschappelijke problemen tegen.” Inderdaad heeft Rutte in 2013 gezegd dat een visie als een olifant is die het uitzicht belemmert. In 2020 had hij er ‘spijt’ van. Hij bedoelde eigenlijk: “Ik wil voorkomen dat ik zo bezig ben met wat ik wil dat ik niet meer kan samenwerken met een ander. Je moet altijd in staat zijn iets te relativeren van je eigen standpunten en te zoeken naar compromissen.” Nu zijn dat twee heel verschillende zaken. Een compromis is immers een: “overeenkomst waarbij alle partijen iets toegeven.” Het hebben van een visie hoeft daarbij niet te hinderen. Het jammere is dat niemand sindsdien aan Rutte heeft gevraagd wat zijn visie dan wel is.

Volgens Ubags: “wordt weinig vooruitgang geboekt, er wordt zelden nog geacteerd vanuit een politieke lange termijn visie op de samenleving. Het is allemaal pragmatisch, de markt die het moet oplossen en vooral de status quo en het materiële welvaren van de grootste groep in stand houden. Weinig moed, veel afschuiven naar anderen en latere generaties. … Wat was eigenlijk het laatste constructieve project dat meer dan een kabinetsperiode duurde en/of gestoeld is op een visie van langer dan een paar jaar ?” Dat er veel wordt afgeschoven of beter gezegd doorgeschoven naar latere generaties, daar ben ik het mee eens. Dat zaken niet meerdere kabinetsperiodes worden volgehouden niet. Wat te denken van de aanleiding tot de toeslagenaffaire: de manier waarop er naar mensen wordt gekeken die een beroep doen op ondersteuning door de overheid als potentiele fraudeurs die met wantrouwen worden bejegend? Dat loopt al sinds Ruding in de jaren tachtig over ‘tante Truus’ begon.

Dat dit ‘visieloos’ gebeurt, dat vraag ik me af. En zo kwam ik bij de leercirkel van Kolb. Het gebrek aan visie bij Rutte en vasthoudendheid klopt niet helemaal. Of eigenlijk helemaal niet. Rutte mag het dan wel over een olifant die in de weg staat hebben als hij het over visie heeft, dat wil niet zeggen dat hij visieloos is. Rutte is duidelijk neoliberaal. Het kenmerk van neoliberalen is dat zij hun denken niet als ideologisch gedreven zien. Neoliberalen verkopen hun ideologie op een manier dat het lijkt alsof het geen ideologie is. Ze gebruiken woorden als praktisch, realistisch, normaal en zetten daarmee anderen weg als onpraktisch, idealistisch en abnormaal.

Inmiddels is die ideologie al zo lang dominant dat neoliberalen als Rutte de olifant van anderen hinderlijk in de weg zien staan maar hun brachiosaurus niet kunnen zien. Om de leercirkel erbij te halen hij is onbewust bekwaam neoliberaal. Het hoogst haalbare in de leercirkel. Of toch niet? Wellicht moeten we het precies omgekeerd zien. Een premier die de vernietigende uitwerking van de visie achter zijn beleid niet herkent, kun je natuurlijk ook onbewust onbekwaam noemen. Laat het voorbeeld van de toeslagenaffaire dat niet precies zien?

Uitgelicht

Vernieuwen volgens Van Haga

‘Besteed er toch geen aandacht aan.’ Dat is wat mijn partner en eindredacteur zal zeggen als zij deze Prikker leest. Ik zal haar nogmaals zeggen dat ik het juist als mijn taak zie om wel aandacht te besteden aan mensen die iets zeggen wat ver bezijden de werkelijkheid is. Je bent immers Ballonnendoorprikker of je bent het niet.

Het zal jullie niet ontgaan zijn dat het deze politieke week draaide om ‘de notulen’. En nu we het daarover hebben, lees alsjeblieft de column van Bert Wagendorp in de Volkskrant hierover. Die verheugt zich al op een “debat over de kabinetsnótulen over het debat over de nótulen.”  Ja, sinds het vorige democratische hoogtepunt, het debat van 1 april waarin Rutte een motie van afkeuring aan zijn broek kreeg en Annemarie Jorritsma notulen uitsprak met de nadruk op de o, lijkt het alsof iedereen, vooral van VVD huizen, het woord zo uitspreekt en dus moet er een accent aigu op de o en wordt het een ó.

Garden from the 18th century (1st half) | Tuin uit de 18e ee… | Flickr
Bron: Flickr

Nu gaat het me niet om die ó. Het gaat mij zelfs niet om de notulen, ik neem de VVD ó niet over. Het gaat mij om een uitspraak die voormalig VVD-er en nu FvD stemmenkanon, corona-ontkenner en huisjesmelker Wiebren van Haga in het debat deed, zo lees ik bij De Dagelijkse Standaard. Van Haga tegen D66 leider Kaag: “Kom op Sigrid. Stap in de voetsporen van de grote vernieuwers zoals Hans van Mierlo, Frits Bolkestein, Pim Fortuyn en Thierry Baudet en zorg dat het systeem verandert.” En toen moest ik even lachen. Ik moest lachen om het lijstje met ‘grote vernieuwers’. 

Laat ik ze eens lans lopen. Hans van Mierlo. Een van de oprichters van Democraten 66, het huidige D66 van de door Van Haga aangesproken Kaag. Een partij die in die tijd democratische vernieuwing preekte. De partij ging voor ‘radicale democratische vernieuwing: de invoering van een referendum, het afschaffen van de Eerste Kamer, een direct gekozen minister president, direct gekozen burgemeesters en het ‘dualisme’. Het dualisme is ver te zoeken, het ‘notulendebat’ en alles wat eraan vooraf ging, laat dat duidelijk zien. Burgemeesters en de minister-president worden nog steeds niet gekozen en de Eerste Kamer is er ook nog steeds. Het enige wat je een beetje ‘vernieuwend’ zou kunnen noemen, is het paarse kabinet. Een kabinet waaraan voor het eerst sinds 1917 geen confessionele partij meedeed.

En daarmee komen we meteen ook bij de tweede ‘vernieuwer’ Bolkestein. Ook die was betrokken bij dat kabinet maar niet echt van harte. Dit niet van harte ondersteunde paarse kabinet, is dan ook meteen het enige waarbij je de naam van Bolkestein en vernieuwing wellicht in één zin kunt gebruiken. Voor het overige was en is Bolkestein vooral een conservatieve neoliberaal, al zal hij dat laatste ontkennen.

Dan Pim Fortuyn. Zijn vroegtijdige dood door de laffe moordaanslag maakt het lastig om te beoordelen hoe vernieuwend Fortuyn zou zijn. Het verkiezingsprogramma 2002 van zijn partij straalt de neoliberale tijdgeest uit. Met passages als: “De loon- en prijsspiraal zal moeten worden doorbroken door uiterste terughoudendheid met reële loonsverhogingen. De koopkracht van de Nederlandse burger zal moeten worden beschermd door verlaging van de sociale premies en waar mogelijk belastingen.” Niet erg vernieuwend en ook de ‘gekozen burgemeester en minister-president’ stond al twintig jaar op het lijstje van die eerste ‘vernieuwer’. Wel ‘vernieuwend’ is het grote ego en in het verlengde ervan de hoge dunk van zichzelf die Fortuyn meebracht. Om het stevig te zeggen Fortuyn vernieuwde de politiek door er narcisme in te brengen. Of we hem daar dankbaar voor moeten zijn, waag ik te betwijfelen. Zijn partijgenoten bleken in ieder geval niet zonder hem te kunnen. De partij implodeerde binnen een jaar en de verschillende leden gingen ruziënd over straat, in de kamer en in het kabinet. Het enige vernieuwende wat we er, via het ‘lijntje met Pim’ van Herben, aan over hebben gehouden is de Joint Strike Fighter. Of we daar nu zo blij mee moeten zijn?

Komen we bij de laatste ‘grote vernieuwer’ op het lijstje van Van Haga, zijn partijleider Thierry Baudet. Zijn narcisme kunnen we sinds Fortuyn niet meer vernieuwend noemen. Ook de ‘chaos en trammelant’ binnen zijn partij is niet echt vernieuwend. Dat deed in 1994 met het Algemeen Ouderen Verbond al haar intrede in politiek Nederland. Verder kan ik niets vernieuwend ontdekken. Voor Baudet ligt de vernieuwing in de achttiende eeuw.

Nee, de laatste ‘grote vernieuwing’ in het Nederlandse stelsel is inmiddels ook al meer dan honderd jaar oud en dateert van 1917. Het jaar van de introductie van artikel 23, de onderwijsvrijheid, in onze Grondwet. Maar voor deze Prikker belangrijker, het algemeen kiesrecht werd ingevoerd en het districtenstelsel, dat D66 in de jaren zestig van de vorige eeuw weer wilde invoeren, werd afgeschaft. Maar wat belangrijker is, een wijziging die het de leiders van de verschillende bevolkingsgroepen of zoals ze toen heetten zuilen, mogelijk maakte om ‘voor hun schaapjes, over hun schaapjes maar niet met hun schaapjes’ te regeren. En dat is precies het systeem dat er nu voor zorgt dat we als kiezer zeer weinig invloed hebben op wie ons regeert. Weten we meteen hoe ‘vernieuwend’ Van Haga is.

Uitgelicht

Bascule

Op de boerderij van mijn vader stond een bascule. Voor degenen die niet weten wat dat is, een bascule is een instrument waarmee je kunt bepalen hoe zwaar iets is. Nu heb je die in verschillende vormen. Op onze bascule kon je aan de ene kant, op het grote plateau, heel zware zakken leggen, bijvoorbeeld een gevulde zak graan. Door er aan de andere kant, op een zwevend plateautje, kleinere gewichten te leggen totdat het evenwicht was bereikt, kon je bepalen hoe zwaar die zak graan was. Op de foto hieronder zie je zo’n bascule. Waarom begin ik hierover? Ik begin hierover omdat ik eraan moest denken bij het lezen van een artikel van Antonie Kerstholt bij Joop over de politieke situatie in Nederland.

Bij bascule moet ik ook meteen denken aan het Veldense stamcafé uit mijn jeugd met die naam. Uitgebaat door Cocky van Genechten en vaak met de ongeëvenaarde barman Sjaak met de snor achter de bar. Bij binnenkomst stond je glas bier al klaar, ze hadden gezien dat je je fiets parkeerde en dat stond gelijk aan een eerste bestelling. Dit even tussendoor. Terug naar Kerstholt

Kerstholt schrijft, met als aanleiding het openbaar worden van kabinetsnotulen over de toeslagenaffaire, over macht en tegenmacht, tot nu toe het woordenpaar van het jaar van politiek Nederland. Kerstholt: “Een foute bestuurscultuur, het ontbreken van feitelijke tegenmacht, bewindslieden die liegen of aan selectief geheugenverlies lijden als hen dat uitkomt en het moeten openbaren van kabinetsnotulen omdat ministers niet meer worden vertrouwd, illustreren het immense verval van onze huidige democratie en rechtsstaat.”  Dit roep bij Kerstholt de vraag op of: “de kwaliteit van onze democratische samenleving hersteld (kan) worden door dezelfde bewindspersonen die verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor het verval van onze rechtsstaat? Die vraag rijst op dit moment over het aanblijven van Rutte, Kaag en Hoekstra.” Die vraag stellen velen zich, maar is het wel de juiste vraag?

Kerstholt kijkt voor het herstel van het vertrouwen naar de macht, die moet anders, transparanter. Om het met de bascule en de zak graan te vergelijken: hij kijkt naar die zak graan op het grote plateau en vraagt zich af of daar niet minder of ander graan in moet worden gelegd. Of de zak niet van ander materiaal gemaakt moet worden, geen ouderwetse jutte zak zoals vroeger, maar plastic waar doorheen je kunt zien wat erin zit. Hij concentreert zich op het verzwakken van de macht.

Evenwicht, dat laat de bascule zien, kun je echter ook bereiken door de andere kant te verzwaren. Leg op het kleine zwevende plateau meer of zwaardere gewichten en de bascule komt in evenwicht. Nu hoeft de macht van de Tweede Kamer niet te worden uitgebreid. In theorie heeft die Kamer alle mogelijkheden om een regering in het gareel te houden. Op papier ziet het er goed uit, de praktijk laat te wensen over. In de praktijk zien we dat een deel van de gewichten op het kleine plateau als het eropaan komt, van het zwevende plateau springen. Ze leggen hun gewicht niet in de schaal.  Het probleem ligt niet bij de macht, die maakt gebruik van de ruimte die zij krijgt. Het probleem ligt bij de tegenmacht: onze volksvertegenwoordiging die haar rol niet pakt. Bij volksvertegenwoordigers die om partijpolitieke redenen van het ‘zwevende plateautje’ springen omdat anders het kabinet in de problemen komt.

Kerstholt schreef voordat die notulen openbaar werden. Nu ze openbaar zijn besteden de verschillende media weer ruim aandacht aan ministers die dit of dat zeiden in de betreffende kabinetsvergadering en maakt de Kamer zich weer op voor een debat met de betreffende bewindslieden. Allemaal leuk maar waar de Kamer zich voor moet opmaken is een debat met zichzelf. Zij moet eens reflecteren over haar rol en positie en over de manier waarop we nu onze democratie vormgeven. Een manier die, zoals ik recentelijk betoogde, is geënt op het Nederland van 150 jaar geleden en die dringend toe is aan een modernisering.

Uitgelicht

De tang en het varken

“Wellicht ontgaat het de meeste mensen, maar er is een psychologische reden waarom racisme bestaat. Racisme is niet een gevolg van historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen die door de tijd heen at random gebeurden en die de politieke status quo, tegenovergestelde culturele waarden en scheve machtsverhoudingen tussen bevolkingsgroepen, in Nederland hebben veroorzaakt. Racisme ís er de oorzaak van. En dat niet alleen, racisme is een vorm van antisociale persoonlijkheidsproblematiek: narcisme.”  Zo begint een artikel van Fati Benkaddour bij Joop. Een bijzondere bewering.

Racism - Free of Charge Creative Commons Keyboard image
Bron: Picpedia

Laten we deze uitspraak eens bekijken. Racisme is in Nederland de oorzaak van historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging. Dus zonder racisme geen ‘geschiedenis’ in Nederland en ook geen kapitalisme, militarisme en economie. Zonder racisme zou het hier stilstaan. Zou dat alleen voor Nederland gelden? Zou er in andere delen van de wereld wel historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging mogelijk zijn zonder racisme? Nederland als een soort uitzondering op de regel?

Stilstaan op welk moment? Ik probeer me een voorstelling te maken van hoe Nederland er dan uit zou hebben gezien, maar een echt beeld kan ik me er niet bij voor de geest halen. Zouden we hier dan nog in de Middeleeuwen leven? Zou een deel van het land dan nog steeds door de Romeinen bezet zijn? Allebei zou erg lastig zijn als Nederland die uitzondering was. Het Romeinse Rijk zou dan immers nog alleen in Nederland bestaan en alleen Nederland zou dan nog last hebben van invallen van Noormannen. Alhoewel, dat zou niet kunnen, die Noormannen hebben immers wel een geschiedenis, militarisme, kapitalisme en economische ontwikkeling. Dit lijkt mij een heel onwaarschijnlijk scenario.

Een andere mogelijkheid is dat Nederland geen uitzondering op de regel is. Dat zou betekenen dat racisme de oorzaak is van ‘historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen.’ Dat zou betekenen dat racisme de motor is achter alle menselijke ontwikkeling. Dan waren de Romeinen racisten net als de Qing-dynastie, de oude Egyptenaren, de Maya’s en de Azteken. Maar wacht eens, als we nog wat verder teruggaan in de geschiedenis van de homo sapiens dan zijn onze verre voorvaderen uit oost-Afrika weggetrokken en hebben ze zich over de hele wereld verspreid vanwege racisme. Ook dat lijkt mij heel onwaarschijnlijk want als we teruggaan naar de eerste afsplitsing van de eerste groep homo sapiens, dan was het familie die zich afsplitste. Zou racisme werkelijk ten grondslag liggen aan die eerste afscheiding? Ik was er, net als Benkaddour niet bij, maar ik waag het ernstig te betwijfelen.  

Als Nederland geen uitzondering op de regel is en als de regel zelf vastloopt, dan rest er maar één andere mogelijkheid: Benkaddour verkoopt grote onzin. Haar bewering slaat als de welbekende tang op het varken.

Wat erger is, en daarmee kom ik bij de titel en het eigenlijke betoog van Bendakkour, is dat ze op basis van die bewering bijna iedere Nederlander en in het verlengde daarvan iedere bewoner van deze planeet, wegzet als racist. “Nederlands narcisme en racisme: tot welk van de drie types behoor jij? Zo luidt de titel van haar betoog. Een betoog waarin ze semi psychologisch begint te leuteren over drie soorten racisten: de ‘narcistische racist, die: “acht zichzelf superieur of extreem belangrijk en onaantastbaar.” Als tweede de ‘stress-afhankelijke racist’: “een individu die pas narcistische en racistische kenmerken vertoont wanneer zijn bestaanszekerheid onder druk komt te staan.” En als laatste de ‘informatiearme racist’: “die het niet heeft gewusst. Hij is geboren met een zilveren, met privileges gevulde, lepel in zijn mond en kent geen noodzaak zich druk te maken over de sociale, financiële en emotionele pijn van een minderheid.” En vervolgens concludeert ze: “Als je echt-niet-behoort tot de drie bovengenoemde categorieën, dan ben je waarschijnlijk een minderheid of actief anti-racist. In een systeem waar een specifieke groep mensen constant wordt gekwetst, gemarginaliseerd, gecriminaliseerd, geïsoleerd, het bestaansrecht ervan wordt bediscussieerd, bestaan geen onschuldige toeschouwers. Iedereen heeft in dit systeem een rol.”

Alle bewoners van deze planeet want tenzij Benkaddour kan aantonen dat de Nederlander een bijzonder soort homo sapiens is, ga ik er vanuit dat die drie soorten onder alle mensen voorkomen. Tenminste als je het semi psychologisch geleuter van Benkaddour voor waar aanneemt en net als haar overal ‘racisme’ ziet.

Uitgelicht

Money, money, money

Als jongetje van twaalf jaar droomde ik van een carrière als voetballer. Ik droomde ervan omdat ik heel graag voetbalde, niet omdat er zoveel geld mee te verdienen was. In die tijd, in de jaren zeventig, bestond het ‘gilde van profvoetballers’ vooral uit semiprofs die eerst de post bezorgden of een huis schilderden en daarna gingen trainen. Tegenwoordig is dat wel anders. Neem Messi, die verdient in één maand meer dan het totale budget van mijn clubje VVV. Sterker nog, voor de ongeveer € 5 miljoen in de maand die hij dan nog overhoudt, moet iemand met een modaal salaris ongeveer 135 jaar werken.

File:VVV Venlo (1956), ANEFO Rousel, Bestanddeelnr 157-0521.jpg - Wikimedia  Commons
Uit de oude doos: VVV in 1956. Bron: WikimediaCommons

Toch schijnt dat niet genoeg te zijn. Het betaald voetbal stevent op haar ondergang af, er moet meer geld bij anders gaat het absoluut fout. “Met de inkomsten uit de Champions League gaan we er allemaal aan: de grote clubs, de middelgrote en de kleine.’ Wat het voetbal nodig heeft, zegt de Super League-preses, is Federer tegen Nadal. ‘Elke dinsdag en woensdag.” Zo lees ik in de Volkskrant. Daarom ging Perez met zijn collega’s van elf andere Europese top- en sommige wat meer dure flopclubs op zoek naar nog meer geld en wilden ze de Superleague beginnen.

De Champions League is nu het mekka waar het grote geld is te verdienen, de hele grote kers met slagroom op de landelijk taart. Alleen moet je je daarvoor kwalificeren via de landelijke taart en dat kan wel eens mislukken en dan is Leiden in last. Nou, Leiden niet want daar wordt niet professioneel gevoetbald, maar Madrid, Barcelona, Londen, Turijn en Manchester. Om dat te voorkomen mogen er uit bijvoorbeeld Engeland en Spanje al vier clubs deelnemen. Bij die Spaanse vier zit steevast het Real van Perez. Toch is dit nog ‘te onzeker’ en daarom willen Perez c.s. een Super League waaraan zij gegarandeerd deelnemen en minimaal € 300 miljoen per jaar krijgen. Een bedrag waar mijn VVV 35 jaar op kan draaien.

Maar beste meneer Perez, als het heel vele geld van de Champions League niet genoeg is om het voetbal ‘te redden’, zou nog meer geld dan de oplossing zijn? Zou nog meer geld dan tot iedere dinsdag en woensdag ‘Nadal tegen Federer’ leiden? En dan moet ik u teleurstellen, de grote voorspelbaarheid van de Champions League maakt dat ik er steeds minder naar kijk. Steeds weer ‘Nadal tegen Federer’ gaat behoorlijk vervelen. Het wordt pas interessant als het spannend is, als mijn VVV bijvoorbeeld van PSV wint. Of op ‘uw niveau’, als Ajax uw Real in de achtste finale uit de Champions League knikkert door met 1 – 4 te winnen in Bernabeu zoals in 2019. Iets waar u wellicht nog buikpijn van krijgt omdat u in uw begroting had geteld op minstens een halve finale. Spanning, dat is wat voetbal mooi en interessant maakt en dat is waar het in toenemende mate aan ontbreekt. En daar ontbreekt het aan omdat u en die elf vrienden van u de beste spelers elders wegkopen en bij u op de bank of tribune zetten. Neem Manchester City dat, zoals René van der Gijp het gekscherend maar met een kern van waarheid zegt, met drie vliegtuigen naar een uitwedstrijd moeten vliegen om alle spelers mee te nemen.

Beste meneer Perez, blijft u vooral zoeken naar nog meer geld zodat u de Messi’s van deze wereld € 135 miljoen per jaar kunt betalen. Ik blijf me inzetten voor een andere wereld. Een wereld waarin de Messi’s goed worden beloond maar niet exorbitant zoals nu het geval is. Een wereld waarin we op Europees niveau, zo schreef ik een jaar geleden ook al in relatie tot het voetbal: “komen tot een zelfde systeem van sterk progressieve inkomstenbelastingen, een systeem met een tarief van bijvoorbeeld 85% voor inkomen boven de € 150.000,” En naar ik nu denk, zou zelfs 99% bij een inkomen boven € 1 miljoen nog beter zijn. Dan zorgen we er op die manier voor dat bijna € 133,5 miljoen van het salaris van Messi kan worden besteed aan het betalen van de Spaanse verpleegsters en politieagenten. Messi houdt dan nog iets meer dan € 1,5 miljoen, 40 keer een modaal Nederlands salaris, over en daar kun je best riant van leven.

Uitgelicht

Demolition Man

In mijn vorige Prikker schreef ik, met Francis Fukuyama in het achterhoofd, over natievorming. Volgens Fukuyama voegt natievorming: “een morele component toe van gedeelde normen en een gedeelde cultuur en ondersteunt daarmee de legitimiteit van de staat.” Een proces dat ook een keerzijde kent: “Het is ook een potentiële bron van onverdraagzaamheid en agressie.[1] Ik schreef dit naar aanleiding van een artikel over het terugtrekken van de Amerikaanse en NAVO troepen uit Afghanistan. Die passage zette mij aan het denken.

Arcade cabinet - Demolition Man | at Free Gold Watch in San … | Flickr
Bron: Flickr

In Nederland zien we dat er door politieke partijen zoals de PVV wordt gehamerd op ‘gedeelde normen en een gedeelde cultuur’. Neem haar Verkiezingsprogramma 2021: “Wij houden van onze eigen cultuur, identiteit en tradities. Die willen we dan ook altijd op de eerste plaats zetten!” Die zet zij af tegen het ‘vreemde’: “Waarom moeten Nederlanders zich wel schamen voor de slavernijgeschiedenis, maar wordt onbesproken gelaten dat slavernij in de islamitische wereld een groot probleem was en nog steeds is? Waarom liggen de kerstboom en het paasfeest onder vuur, terwijl we wel hele tv-uitzendingen zien over de ramadan? Het is de wereld op zijn kop.” Het Forum voor Democratie doet hetzelfde in haar verkiezingsprogramma: “Wij koesteren ons (historisch) erfgoed en onze stedenbouw. De geschiedenis die onze cultuur kent en de verbeelding die daaruit is voortgekomen in de vorm van gebouwen en standbeelden, muziek, literatuur en religie: het is van onschatbare waarde. Dat erfgoed moet dan ook goed beschermd worden. Met oog voor de kijk van onze voorouders op de geschiedenis.” Alleen staat die cultuur onder druk: “ Op dit moment subsidieert de Nederlandse overheid segregatiebevorderende, weg-met-ons projecten; terwijl museumdirecteuren datgene waar we trots op mogen zijn, het mooiste en beste dat het Westen heeft voortgebracht, onderschoffelen.” Of in de openingszin van het programmapunt voor een Wet bescherming Nederlandse waarden die er zou moeten komen: “Door de komst van grote groepen (overwegend islamitische) immigranten zijn een aantal verworvenheden en kernwaarden van onze samenleving onder grote druk komen te staan.” Hier wordt in iedere geval de suggestie gewekt dat de islam strijdig is met kernwaarden van onze samenleving en dus dat moslims niet bij de samenleving horen. Hier wordt onverdraagzaamheid gepredikt. Ook bij de grootste partij, in het verkiezingsprogramma van de VVD is het hameren op maar vooral de angst voor ‘verlies’ van ‘onze cultuur’ te bespeuren: “Als wij willen dat nieuwkomers hun plek vinden in onze samenleving, moeten we ook duidelijk maken waar we voor staan. Dat vraagt om gepaste trots op onze cultuur en een actieve verdediging van onze waarden.”

Dit leidt tot, en dat zien we ook al in onze samenleving, een toenemende onverdraagzaamheid van mensen tegen anderen waarvan zij vinden dat die tot een andere groep behoren. Beter gezegd, waarvan zij vinden dat die niet tot de ‘Nederlanders’ behoren. Bekend voorbeeld is natuurlijk Geert Wilders die vindt dat mensen die het islamitische geloof aanhangen. Of zoals hij het in zijn Verkiezingsprogramma 2021 schreef: “Nederland is overbevolkt en de islam hoort niet bij Nederland.” Je zegt niet direct dat je islamieten het land uit wilt zetten, maar je bedoelt het wel. Baudet en zijn Forum voor Democratie zeggen het in nog meer bedekte woorden: “Stoppen met de alsmaar voortgaande immigratie. Waar integratie mislukt, helpen we mensen terugkeren naar hun landen van herkomst.” Nu is er altijd wel een haakje te vinden om ‘integratie’ mislukt te vinden en aan wie dat is te wijten, is duidelijk en daarom moet die ook terugkeren.

Deze partijen pogen een cultuur of identiteit te creëren die, om Kwame Anthony Appiah in een interview met de Volkskrant te citeren, iedereen omvat die: “al duizend jaar in Nederland woont.” Daarmee sluiten ze de ogen voor mensen: “die niet ergens anders naartoe zullen gaan.”  Ze prediken verdeeldheid in plaats van te zoeken naar gezamenlijkheid. Gezamenlijkheid door te zoeken naar gemeenschappelijkheid die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.” Ze zoeken gemeenschappelijkheid op de verkeerde plek. Ze kijken in het verleden in plaats van naar de toekomst. Een gemeenschappelijk verleden zullen ze niet vinden. Zou die zoektocht er niet toe kunnen leiden, en dan keer ik de redenatie van Fukuyama om, dat de legitimiteit van de staat wordt afgebroken? Zijn ze bezig met ‘nation demolition’?


[1] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek. Deel 2: Orde en verval, pagina 350

Uitgelicht

Nationbuilding

Er komt binnenkort een einde aan zo’n twintig jaar ‘oorlog in Afghanistan’. Tenminste als je vanuit het perspectief van Nederland en de NAVO kijkt. Zet je een andere bril op dan kun je met recht en reden betogen dat die periode tenminste 42 jaar heeft geduurd. En als je naar de werkelijke situatie kijkt dan kun je met evenveel recht en reden betogen dat die oorlog nog steeds niet is beëindigd. In een analyse in de Volkskrant van negentien jaar Nederlandse bemoeienis met deze oorlog wordt Rob Bauer, de afzwaaiend Commandant der Strijdkrachten aangehaald: “Het zijn deels nation- buildingoperaties en dat is iets van twintig-dertig jaar.“ Die uitspraak brengt me weer bij Francis Fukuyama en zijn boek De oorsprong van onze politiek waarover ik al eerder enkele Prikkers schreef. In dit geval deel twee met als ondertitel Orde en verval. Over het waarom zo meer.

Eerst over die ten minste 42 jaar oorlog. In 1979 viel de Sovjet Unie Afghanistan binnen. Of in de Sovjet beleving: ze werden gevraagd door een bevriende regering in moeilijkheden om een handje te komen helpen. Vele Afghanen zagen dat niet zitten en namen de wapens op. Die strijders tegen de Sovjets werden Mudjahedien genoemd. De Verenigde Staten ondersteunden de Mujahedien met training, wapens en inlichtingen, dit om hun aartsvijand de Sovjet Unie dwars te zitten. Met het aloude adagium: de vijand van mijn vijand is mijn vriend. Die Mudjahedien kregen steun vanuit de Arabische wereld met als bekendste exponent Osama Bin Laden. Sinds die Sovjet inval is het nooit meer rustig geweest. En je kunt je afvragen of die ‘oorlog’ wordt beëindigd door het met de staart tussen de benen weglopen van de Amerikanen en de NAVO. Een veel reëler toekomstscenario is dat de strijd een volgende fase ingaat.

Dan naar Fukuyama. “In verschillende gebieden op de wereld is tribalisme nog steeds dominant ondanks dat wij in het westen denken in staten en de wereld ook uit staten bestaat. Staten die lid zijn van de Verenigde Naties. Veel landen, zoals Afghanistan, maar ook verschillende Afrikaanse landen, zijn echter geen natie, het zijn stammen die binnen een tijdens de koloniale periode getrokken grens wonen.” Dit schreef ik in het eerste deel in een serie over de boeken van Fukuyama. In een hoofdstuk met als titel Instellingen, van eigen bodem of geïmporteerd besteed hij aandacht aan ‘staatsvorming’ door druk van buitenaf en zijn conclusie is duidelijk: “De resultaten van staatsvorming zijn heel teleurstellend.” Voor een verklaring hiervoor kijkt hij naar de koloniale ervaringen. Hij kijkt hierbij vooral naar het Engelse en Franse koloniale bestuur in Sub-Saharisch Afrika: “… omdat hiervoor weinig financiële middelen beschikbaar waren, het niet gepaard ging met de grootscheepse vestiging van Europeanen en er in latere jaren ontwikkelingsdoelen werden nagestreefd.” Wat leren die voorbeelden ons? Fukuyama: “Om succes te hebben moeten instellingen aansluiten op de plaatselijke zeden en tradities. Zo worden vanuit het buitenland geïmporteerde wetboeken vaak niet geaccepteerd, omdat ze geen weerspiegeling zijn van de plaatselijke waarden. [1]

Maar met staatsvorming zijn we er nog niet. Natievorming vraagt nog iets meer. Volgens Fukuyama: “… is het niet genoeg om formele staatsinstellingen te creëren, ongeacht of die op ontleende of inheemse modellen gebaseerd zijn. Staatsvorming moet vergezeld gaan van een parallel proces van natievorming, wil zij effectief zijn. Natievorming voegt een morele component toe van gedeelde normen en een gedeelde cultuur en ondersteunt daarmee de legitimiteit van de staat.” Alleen kent die ‘natievorming’ ook een keerzijde: “Het is ook een potentiële bron van onverdraagzaamheid en agressie.”Fukuyama noemt Indonesië en Tanzania twee voorbeelden waar dat succesvol gebeurde. Wat die voorbeelden gemeen hadden in de bestrijding van die onverdraagzaamheid en agressie is dat ze met autoritaire middelen tot stand zijn gebracht[2].

Het Westen formuleerde hoge ambities voor Afghanistan. “Je had bijvoorbeeld een heel ander Amerikaans beleid in Afghanistan kunnen voorstellen na de nederlaag van de Taliban in het najaar van 2001. In plaats van proberen om een nieuwe gecentraliseerde, democratische eenheidsstaat te vestigen, hadden de Verenigde Staten kunnen proberen om een coalitie van stamhoofden, krijgsheren en andere invloedrijke figuren op de been te brengen die onderling zouden kunnen overeenkomen om de vrede te handhaven en Al-Qaida en andere terroristische groepen de kop in te drukken.[3]Een veel realistischer doel.


[1] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek. Deel 2: Orde en verval, Pagina 344-345

[2] Idem, pagina 350

[3] Idem pagina 346

Uitgelicht

McDonalds en de jeugdhulp

“Door terug te gaan naar de eenvoud, redden we mensenlevens. En wat mij betreft maken we haast. Of wachten we ook hier ‘gewoon’ op een parlementaire enquête? “ Dit schrijft Linda Terpstra in een column voor het Friesch Dagblad die mij via LinkedIn bereikte. Het ‘hier’ waar Terpstra het over heeft is de jeugdzorg. Want daar gaat wat goed fout. En door terug te gaan naar de eenvoud, de menselijke maat, moet dat worden opgelost. Inderdaad gaat er het nodige niet goed in de jeugdzorg. Dat kan ik als beleidsadviseur werkzaam op dat terrein beamen en eenvoud klinkt sympathiek en zo ‘eenvoudig’.

De roep om terug te gaan naar die ‘ouderwetse eenvoud’, komt feitelijk neer op een gebrekkige of zelfs ontbrekende kennis van de situatie in het verleden. Zo ‘eenvoudig’ is het verleden ook voor wat betreft de jeugdhulp, nooit geweest. En als die jeugdhulp in het verleden al eenvoudig was, dan kun je hele grote vraagtekens zetten bij de kwaliteit ervan. Denk alleen maar aan de misbruikaffaires en dat is nog niet eens zo heel lang geleden. Voor wie een beeld wil krijgen van dat verleden, kan ik het boek 1000 jaar vaderlandse geschiedenis  van Peter W. Klein aanbevelen. In een hoofdstuk met als titel Het hemd, de rok en de mantel van Sint-Maarten besteedt hij aandacht aan de armenzorg. Niet precies de jeugdzorg, maar het geeft wel een goed beeld over hoe er met hulpbehoevenden werd omgegaan. Die geschiedenis laat zien dat we die ‘eenvoud’ uit het verleden zwaar overschatten en dat die ‘eenvoud’ verschrikkelijke gevolgen had voor de mensen die het betrof. ‘Terug naar de eenvoud’ sluit wel aan bij de trend om een verleden dat nooit is geweest te verheerlijken. Een trend waaraan Wilders en Baudet zich ook schuldig maken en die er bij hun volgelingen ingaat als gods woord in een ouderling.

Mansfield Reformatory | Row of prison cells | Becker1999 | Flickr
Een cellengang inMansfield Reformatory de locatie waar The Shawshank Redemption werd opgenomen. Bron: Flickr

Niet veel later las ik een artikel van PvdA’ers Marleen Barth en Nicole Teeuwen in de Volkskrant. “Na zes jaren van oplopende problemen is volgens ons de onontkoombare conclusie dat de decentralisatie van de gespecialiseerde jeugdzorg is mislukt.” Aldus de beide auteurs. Daarom hopen zij van harte: “dat de partijen die gaan onderhandelen voor een nieuw kabinet, besluiten de jeugdzorg terug te brengen naar een landelijke regeling.”  Immers: “Een beschaafd land heeft altijd voldoende geld voor kinderen in de knel, en een nieuw kabinet zal over de brug moeten met extra geld. Maar dat zal doeltreffender en doelmatiger worden gebruikt als er slechts een kader voor inkoop en kwaliteit van jeugdzorg zou bestaan.”  Even terzijde vrees ik dan dat er dan weinig tot geen beschaafde landen zijn. Beiden hebben spijt van het enthousiasme waarmee ze eerder die decentralisatie hebben gesteund.

Na het lezen van dit pleidooi moest ik denken aan een wethouder van een kleine gemeente. Begin 2017 verzuchtte hij dat we het voor de hulpverleners en ouders niet makkelijk hebben gemaakt. Zo was hem gebleken na gesprekken met ouders en jeugdhulpverleners. Ik moest hieraan denken omdat ik toen op zijn verzoek een praatpapier schreef met een analyse van de situatie in de jeugdhulp. Omdat mijn analyse uit dat praatpapier nog steeds actueel is, neem ik jullie erin mee.

Een praatpapier dat begon met een kleine studie van de geschiedenis van de jeugdhulp in Nederland. Een studie die ik recentelijk met jullie heb gedeeld in een Prikker met als titelJeugdzorg, wijn, zakken en druiven. Die wordt goed samengevat met de volgende zin eruit: “En daarmee werd de ‘oude wijn’ overgegoten in alweer nieuwe zakken.’  Alweer omdat dezelfde ‘oude wijn’ al vaker in een nieuwe zak is gegoten.”  In die Prikker komt ook de Kamerwerkgroep toekomstverkenning jeugdzorg voor, een soort lichte parlementaire enquête uit 2010 op basis waarvan de jeugdzorg over de heg van de gemeenten werd gekieperd. Die korte geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar laat zien dat alle overheden behalve de waterschappen de jeugdzorg al eens op hun bordje hadden. Dus zou nu weer ‘nationaliseren’ dan de oplossing zijn?

Na die geschiedenis van de jeugdhulp. Een stukje perspectief dat begint met een stukje geschiedenis van de mensheid. In zijn boek Een kleine geschiedenis van de mensheid speculeert Yuval Noah Harari over de landbouwrevolutie, het moment dat de mensheid overstapte van het zijn van jager-verzamelaar naar landbouwer. Harari verwondert zich over die overstap omdat het leven van de jager- verzamelaars eigenlijk veel meer voordelen bood dan de landbouwsamenleving. De jager-verzamelaars hoefden veel minder te ‘werken’ voor eenzelfde hoeveelheid calorieën, ze aten veel gevarieerder waardoor ze veel gezonder waren en door dat gevarieerde eten, waren ze minder kwetsbaar voor hongersnood. Als de notenoogst een jaar slecht was, dan werd dat opgevangen door ander voedsel wat het dat jaar wel goed deed, bijvoorbeeld konijnen of appels. Terwijl in een landbouwsamenleving het mislukken van de bijvoorbeeld de aardappeloogst midden negentiende eeuw, tot massale hongersnood en sterfte leidde waarbij in Ierland (waar het fenomeen bekend staat als an Gorta Mór) meer dan één miljoen mensen stierven en evenveel mensen emigreerden. De ellende in Ierland werd extra vergroot door het optreden van de overheid. ‘Waarom hebben onze voorvaderen hun luxe leventje opgegeven voor een veel slechter leven als landbouwer?’ Harari geeft als verklaring dat dit een geleidelijk proces is geweest dat enkele generaties heeft geduurd. Een proces waarbij het steeds moelijker werd om terug te komen op de ingeslagen weg. Moeilijker, omdat de benodigde kennis en vaardigheden voor die teruggang verloren gingen en omdat er meer mensen waren, meer dan er via jagen en verzamelen gevoed konden worden.

Of er een ideale beginsituatie was in de jeugdzorg, waag ik te betwijfelen. Waar ik minder over twijfel is dat het zeer lastig is om zaken weg te denken. De wereld van de zorg is een flink beschreven vel, er is op doorgekrast, in de kantlijn zijn opmerkingen geplaatst, er zijn tekeningen toegevoegd. Met een schone lij te beginnen en dan een ideaalplaatje tekenen, is zeer lastig. We nemen immers allemaal onze ervaringen met het huidige systeem mee. Hieronder de duiding bij een vijftal vlekken op dat flink beschreven papier. Vlekken staan hierbij voor onderwerpen waarbij we ons de vraag kunnen stellen of  we het juiste goed doen. Of we ons niet bezondigen aan rationele irrationaliteit, een begrip dat de John Cassidy munt in zijn boek Wat als de markt faalt? en als volgt omschrijft: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigenbelang op de markt tot resultaten leidt die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.” Als we dit naar de zorg voor de jeugd vertalen, zijn we niet bezig om op een rationele manier ons eigen belang (van de individuele gemeente, de individuele zorgorganisatie enzovoorts) vorm te geven en levert dat voor het geheel, de maatschappij zaken op die irrationeel en inferieur zijn? Eigenlijk deden onze voorvaderen hetzelfde toen zij langzaam overstapten van jagerverzamelaar naar landbouwer, iedere stap leek rationeel in hun belang toen de stap werd gezet. Alleen kun je je afvragen of die stapt ooit zou zijn gezet als het resultaat al van te voren bekend was?

Als eerste een ‘structuurvlek’. Overheden denken in structuren, die lijken zekerheid te geven, die stralen betrouwbaarheid uit. Structuren in de vorm van harkjes (organisatiestructuren), piramides , lijnen (0de, 1ste , 2de lijn). Structuren met duidelijk overgangs- en overdrachtsmomenten die worden gemarkeerd met documenten die je toelaten tot de volgende stap in de hark, piramide of lijn. Maar liggen de kritische succesfactoren voor het slagen niet in de cultuur? In hoe mensen met elkaar omgaan, in hun houding. Zo zijn sociale wijkteams een gevolg van problemen in Leeuwarden. Problemen die men besloot om zoveel als mogelijk buiten de structuren en bureaucratie aan te pakken. Hiermee werden successen geboekt en de groep die ermee aan de slag ging, werd wijkteam genoemd. De vraag is alleen of het succes in Leeuwarden en van andere ‘pionierende’ wijkteams een resultaat was van het middel wijkteam, de structuur, of van de kwaliteiten van de medewerkers, de cultuur. Wordt nu niet het middel gekopieerd maar dan met mensen die de ‘pionierende’ capaciteiten ontberen? En wordt het middel nu niet als dé oplossing voor alle problemen gepositioneerd en in structuren gegoten terwijl het juist was bedoeld om structuren te breken? Gebeurt er met de wijkteams en haar leden dan niet precies wat gevangene Red gespeeld door Morgan Freeman in  de film The Shawshank Redemption ‘institutionalized’ noemt: “These walls are funny. First you hate ‘em, then you get used to ‘em. Enough time passes, you get so you depend on them. That’s institutionalized.”

Structuren kunnen helpen of hinderen. Het continue gesleutel aan structuren zorgt in ieder geval voor onzekerheid bij medewerkers: heb ik nog werk, waar werk ik, wie stuurt mij aan, waar kan ik terecht voor … Structuren ondersteunen als mensen er invloed op hebben, ze zelf dragen en uitdragen. Het Braziliaanse bedrijvenconglomeraat Semco van de ondernemer Ricardo Semler laat zien wat je kunt bereiken door de medewerkers zelf verantwoordelijk te maken: door aan de cultuur te werken. Verantwoordelijk voor hun salaris, hoe ze het werk doen, wie hun leidinggevende is (of die wel nodig is), wanneer ze werken en wanneer niet (zie hiervoor Tegenlicht). Dit lukt Semco zelfs bij volcontinu draaiende productielocaties. Dichterbij, in Nederland en in de zorg, laat Jos de Blok met Buurtzorg zien, dat ook de zorg zich leent voor hele lichte structuren die door de medewerkers zelf worden gedragen. Besteden we niet veel te veel aandacht aan structuren en vergeten we niet juist de cultuur? Is transformatie niet juist cultuur en zou het kunnen dat we met onze structuuraanpak en structuurdiscussie juist de cultuurveranderaars van ons vervreemden?

Als tweede de ‘nabijheidsvlek’. Gemeenten willen ‘dichtbij de burger’ zijn en staan’, dat was ook een ‘argument’ waarmee werd gepleit voor de decentralisatie: gemeenten staan het dichtst bij de burger en zijn dus het beste instaat om passende ondersteuning te bieden. Ik zet argument hier bewust tussen haakjes want is dit een feit of zijn het twee aannames? Veel gemeenten werken met (sociale)wijkteams. In de wijk zijn ze immers dichtbij de burger. Iemand kan fysiek dichtbij je zijn maar emotioneel mijlen ver van je verwijderd.  Over welke vorm van dichtbij zou het in de zorg moeten gaan? Gaat het in de zorg en ondersteuning niet vooral over het slechten van die emotionele afstand? Wordt succes niet bepaald door het overbruggen van de emotionele afstand? Voor veel jeugdigen is McDonalds heel nabij terwijl deze multinational vanuit Oak Brooks, een plaats bij Chicago dat de meeste jeugdigen (en ook volwassenen) niets zal zeggen, wordt aangestuurd en geleid. Gaat het bij dichtbij niet veeleer om een gevoel dan een organisatievorm? Overbruggen wij de emotionele afstand door buurman te worden?

Als derde de ‘samenwerkingsvlek’. De Kamerwerkgroep toekomstverkenning jeugdzorg concludeerde datde versnipperde financiering een van oorzaken was van de problemen in de jeugdzorg. Dit zorgde voor verschillende wettelijke regimes en opdrachtgevers. Er moest één overheid verantwoordelijk worden: de gemeenten. Klein probleem, daar hebben we er bijna vierhonderd van. De versnippering die eruit moest is bestreden door? Juist ja door verder te versnipperen! Zorgverleners die eerst met één provincie te maken hadden of met één of twee zorgkantoren, moeten nu in de clinch met vele gemeenten. Landelijke instellingen die met bijna vierhonderd gemeenten in de slag moeten. Een in heel Brabant werkende instelling heeft te maken met 64 gemeenten, gemeenten die niet allemaal hetzelfde willen en vragen. Dit vraagt van samenwerkingspartners en instellingen veel, zowel in menskracht als in geld en dat geldt ook voor de gemeenten. Instelling moeten zich verhouden tot de ‘çouleur locale’ van iedere gemeente. Maar wat is er lokaal aan een eetstoornis of kindermishandeling? Het is de vraag of het kind werkelijk centraal staat zoals we pretenderen. Zijn kind, ouders en opvoeders werkelijk beter geholpen? ‘L’union fait la force’ of in het Nederlands Eendracht maakt macht, aldus het Belgische devies, al lijkt een deel van de Vlamingen daar anders over te denken. Zijn wij werkelijk eendrachtig en maken we macht? Of volgt iedere gemeente het Nederlandse devies voor zichzelf: ‘Je Maitiendrai’ of in het Nederlands met een kleine twist: ik zal (mijn eigenzinnigheid) handhaven? Staat ‘couleur locale’ niet eigenlijk voor: ik wil niet samenwerken en doe mijn eigen ding? Vertrouwen we elkaar? Werken we samen of maken wij van samenwerken zo dicht mogelijk langs elkaar heen werken?

Als vierde de ‘risicovlek’. Weer een klein stukje geschiedenis maar dan op een ander vlak, trouwens weer Belgisch. Het Belgische fort van Eben Emael. Na de redelijk snelle doortocht van de Duitse troepen in 1914 (redelijk snel, maar voor het Duitse keizerrijk te traag), trok de Belgische regering in de jaren twintig de conclusie dat de oude forten gemoderniseerd moesten worden. De zwakheden van 1914 moesten eruit en het zogenaamde ‘gat van Visé’ moest worden gedicht. De Duitsers hadden in 1914 gebruik gemaakt van dit gat tussen Visé en de Nederlandse grens. Hier verrees het ‘moeder aller forten’, het fort Eben Emael. Volgens de militaire experts was het fort onneembaar en daarmee waren de risico’s die de Belgen zagen, beheerst. Toch werd het fort op 10 mei 1940 binnen een kwartiertje door de Duitse troepen uitgeschakeld. De bekende risico’s waren beheerst, onbekende, vernieuwende risico’s niet en laat de Duitser nu net met het onbekende, gedurfde aan de slag zijn gegaan. Zweefvliegtuigen en paratroepen die ongezien op het fort landden en het zo van binnenuit uitschakelden.

Risico’s in de (jeugd)zorg worden beheerst via ‘de forten van de jeugdzorg’, de (handelings)protocollen, verantwoordingssystemen, volgsystemen, waarschuwingssystemen, zoals de Verwijsindex. Alleen voorkomen die niet dat er zaken fout gaan. En na een fout komt er een ‘Pieter van Vollenhoven’ langs die pleit voor ‘nog meer systemen’. Proberen wij met al die instrumenten niet precies hetzelfde als de ‘Belgische’ militaire planners? Het beheersen van risico’s die we toch niet helemaal uitgesloten kunnen krijgen? Die protocollen en procedures compleet met hun perverse prikkels vormen het denk- en handelingskader van de zorgorganisaties en de professionals. Vraagt transformatie niet om buiten de protocollen, procedures, denk- en handelingskaders te treden, om flexibiliteit om verandering en vernieuwing, om ‘Duits’ denken? Vraagt moderne risicobeheersing daar trouwens niet ook om?

Als vijfde de ‘neoliberale vlek’. De afgelopen decennia heeft de marktwerking een belangrijke rol gekregen in de zorg: ‘Laat het aan de markt over, die zorgt voor efficiënte, goedkope oplossingen’. Een aanname waarbij de nodige vraagtekens zijn te zetten. Zo laat de Amerikaanse econoom Robert J. Gordon (lees zijn boek The Rise and Fall of American Growth) zien dat die marktwerking in de Verenigde Staten tot de duurste zorg van de wereld heeft geleid, de VS geven per hoofd van de bevolking het meeste geld uit aan gezondheidszorg en tot grote verspillingen en vooral tot een voor vele Amerikanen onbereikbare zorg. Kijken we naar Nederland dan hebben wij bijna de duurste zorg per hoofd van de bevolking in Europa. Nederland is ook heel ver gegaan met marktwerking in de zorg en probeert, in tegenstelling tot de VS, die markt te reguleren waardoor de ergste excessen worden voorkomen. Excessen zoals twee volledig uitgeruste ziekenhuizen bijna naast elkaar die allebei half leeg staan)

We geven veel geld uit aan zorg. Toch zijn veel mensen bezorgd of ze de benodigde zorg nog wel kunnen krijgen of kunnen betalen vanwege de eigen bijdrages en de stijgende premies. Niet alleen zorgvragers maken zich zorgen ook zorgmedewerkers maken zich zorgen of ze ‘morgen nog wel werk hebben’. De ‘bedrijven’ waarvoor zij werken, maken zich zorgen of ze de volgende ‘aanbesteding’ wel overleven. Gemeenten kopen de zorg voor de jeugd immers in op de markt. Hiervoor worden dure (Europese)aanbestedingstrajecten opgezet die tot veel papierwerk en bureaucratie leiden. Zo wordt er veel geld uitgegeven voor zorg zonder dat het wordt besteed aan zorg. Het wordt door zowel de gemeenten als de aanbieders besteed aan inkopers, juristen en beleidsmensen.

Een voorbeeld uit een andere sector, het openbaar vervoer. In Limburg is er pas weer opnieuw gegund (in 2016) na een traject met veel ophef en fraude, tsja die Limburgers. Er rijden nu nieuwe bussen en treinen met de oude chauffeurs in nieuwe uniformen want de winnaar moet het personeel van de verliezer overnemen. Zou het in de zorg anders zijn? Moet ook daar de ‘winnaar’ niet het personeel van de ‘verliezer’ overnemen? Geluk voor het personeel zou je kunnen zeggen, ze behouden hun baan. Toch geeft dit onrust en onzekerheid want meestal wordt niet alles en iedereen overgenomen, moet je weer wennen aan een nieuwe organisatie met andere regels en gebruiken. Je kunt je afvragen waarom we dit doen als het resultaat toch is dat dezelfde mensen hetzelfde werk moeten doen? Zeker als we ons bedenken dat de zorgsector kampt met een tekort aan mensen die het werk kunnen en willen doen. Een gebeuren dat aan alle kanten voor onrust zorgt. Is dit niet, als je het vanuit een wat abstracter niveau bekijkt, ‘a lot of fuss about nothing’? Maar wel fuss die veel tijd, geld en energie kost.

Tot zover mijn analyse uit 2017. Deze hele mêlee gaan we niet oplossen door te zoeken naar vroegere eenvoud die nooit heeft bestaan. Die gaan we ook niet oplossen door het hele systeem maar weer eens overhoop te gooien en het centraal te regelen. Dat zou trouwens wel passen in het ritme uit het verleden. Ieder tien tot vijftien jaar een nieuwe wet over de zorg voor de jeugd. Dat gaat ook niet automatisch lukken met de petitie die de FNV samen met de denktank Jeugdsprong heeft opgezet. In  prachtige woorden beschrijven ze een visie op de jeugdhulp die mij verdomd bekend voorkomt van het visietraject jeugdzorg van de gemeente waar ik vóór de decentralisatie van 2015 werkte. En die een van de oudere deelnemers aan dat traject uit de jeugdhulp deed terugdenken aan begin jaren negentig van de vorige eeuw waarna hij iets zei als: ‘en hoe zorgen we ervoor dat het nu wel gaat lukken?’

Ik denk, en daarbij haak ik aan bij wat ik gekscherend op LinkedIn aan Maaike van der Aar, de landelijk bestuurder Jeugdzorg van de FNV die het artikel van de beide PvdA’ers op dat medium schreef, dat we: “eens bij McDonalds (moeten) kijken, die doen iets heel goed. Ze worden centraal aangestuurd vanuit Chicago maar weten toch nabijheid op te wekken. Ze doen zaken op wereld schaal maar andere zaken laten ze aan lokale franchisers over omdat dit vanuit Chicago niet te regelen is.”