Uitgelicht

Baudets idée fixe

De dag na Prinsjesdag is de dag van de algemene politieke beschouwingen. Tijdens deze beschouwingen geven de fractievoorzitters van de politieke partijen hun eerste reactie op de door het kabinet ingediende begroting en de erin opgenomen plannen voor het komende jaar. Het kabinet luister daarbij toe en antwoordt de volgende dag op de door diverse fractie ingebrachte zaken. Deze week gebeurde er iets bijzonders, het voltallige kabinet liep weg tijdens de bijdrage van FvD-leider Baudet. Baudet wil ons doen geloven in zijn idée fixe, een preoccupatie in zijn geest.

Bron: Flickr

Baudet terug wil naar het verleden: “… terugkeren naar een vrije samenwerking tussen soevereine natiestaten.”  Want de: “de natie en het gezin omdat het natuurlijke structuren zijn, die voortkomen uit het wezen van de menselijke natuur, en die dus niet het product kunnen zijn van menselijke planning.” Die woorden sprak Baudet niet uit in de Kamer omdat het kabinet midden in zijn bijdrage opstapte en hij zijn verhaal niet meer mocht afmaken. Baudet zat midden in een betoog waarin hij een wereldwijd elitair complot aan het ontmaskeren was. Want: “Volgens de diepste overtuiging van de elites die ons regeren, is de menselijke vrijheid een gevaar; is de menselijke natuur een gevaar. Inderdaad, de menselijke natuur moet worden veranderd en er moet een nieuwe mens worden geschapen.” Om die nieuwe mens te creëren: “willen ze ons controleren met sociaal krediet, QR-codes en algoritmes, zodat onze gevoelens en verlangens kunnen worden gemonitord en gemanipuleerd.” Om dat dus allemaal te voorkomen moeten ‘back tot he past’ toen ‘we’ nog leefden in die ‘natuurlijke orde’ van de ‘vrije samenwerking’ tussen ‘soevereine natiestaten zo wil hij ons doen geloven.

Een natiestaat: “of nationale staat is een staat met één dominante natie waarmee een soeverein territorium wordt geboden aan een bepaalde natie en haar culturele identiteit,” aldus Wikipedia. Om te weten wat hier staat moeten we eerst weten wat een natie is. Een natie is een: “groep van individuen van hetzelfde staatsburgerschap die in een begrensd gebied wonen.” Maar ook wat een culturele identiteit is. Een identiteit is het: “eigen karakter van een persoon of groep.” En cultuur“het geheel van normen, waarden, tradities, regels, kunstuitingen enz. van een land, volk of groep.” En nu in mijn woorden. Een natiestaat is een staat waarvan de mensen tot eenzelfde culturele groep behoren. Hoeveel naties zouden hieraan voldoen? Zo herkennen de Catalanen en Basken zich niet in natiestaat Spanje, hebben de Schotten moeite met de Britse om over culturele verschillen en verschillen in godsdienst maar te zwijgen. Nederland voldeed er nooit aan, zo liet ik in Een lesje geschiedenis deel 2 zien.

De natiestaat is, in tegenstelling tot wat Baudet ons wil doen geloven geen ‘natuurlijke structuur’. Van al die miljoenen jaren dat de mens, nee laat ik me beperken, van al die bijna 300.000 jaar dat ons soort, de Homo sapiens, op deze planeet rondloopt, is er pas een kleine 200 jaar sprake van natiestaten. Daarvoor even naar Francis Fukuyama’s boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek. Fukuyama: “De Europese samenleving maakte een reeks ingrijpende economische en sociale veranderingen door, die leidden tot de materiële omstandigheden waardoor zulke ideeën zich konden verbreiden.[1]” Welke veranderingen dat waren? “Toen markten groeiden als gevolg van technologische veranderingen, ontstonden er nieuwe beroepen en kwamen er andere sociale klassen op. Steden werden machtiger en onafhankelijker en ze dienden als toevluchtsoorden voor boeren die aan de tirannie van hun heer probeerden te ontkomen.” Die veranderingen betekenden dat: “de mensen opeens meer keuzen en kansen hadden in hun leven. In de oude samenleving bepaalden hun beperkte sociale keuzemogelijkheden wie zij voor zichzelf waren; nu de bestaande grenzen werden doorbroken werd de vraag ‘Wie ben ik?’ opeens relevanter, evenals het gevoel dat er een enorme kloof bestond tussen de innerlijke mens en de uitwendige realiteit. Ideeën vormden de materiële wereld, en de materiële wereld creëerde omstandigheden voor de verspreiding van bepaalde ideeën.”[2] 

Om het wat duidelijker te maken, introduceert Fukuyama Hans. “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.” Fukuyama vervolgt met een beschrijving van de ‘nieuwe wereld’ van Hans die naar het, in de negentiende eeuw snel industrialiserende, Ruhrgebied verhuisde. In die nieuwe wereld is alles anders. Hans komt mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk.[3]” Hans ziet in zijn ‘beeldscherm’ een hem onbekende wereld. Een onbekende wereld die bij hem de vraag oproept: hoe verhoud ik me tot die wereld? Wie ben ik en welke rol speel ik in deze nieuwe wereld? Die vraag stelden zich vele mensen in Europa.

Uiteindelijk kreeg Hans een antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’ Fukuyama haakt bij dat antwoord aan bij de negentiende-eeuwse socioloog Ferdinand Tönnies die de ontwikkelingen omschreef als een overgang van ‘Gemeinschaft’ naar ‘Gesellschaft’. Fukuyama: “De psychologische ontregeling als gevolg van de overgang van Gemeinschaft naar Gesellschaft vormde de grondslag voor een nationalistische ideologie, die gebaseerd was op een intense heimwee naar het denkbeeldige verleden van een sterke gemeenschap, waarin verdeeldheid en verwarring van een pluralistische moderne samenleving niet bestonden.” Het antwoord dat Hans kreeg: “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[4]” Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts. Bij dat antwoord werden ‘verhalen’ geschreven om die ‘erfelijke lijn’ naar die ‘oude cultuur’ te leggen. Hiervoor werden standbeelden opgericht voor personen die een belangrijke rol speelden in die verhalen. Voor wie erop let of er onderzoek naar doet, het overgrote deel van die beelden zijn in de negentiende en begin twintigste eeuw geplaats. Neem bijvoorbeeld het nu omstreden beeld van Coen in Hoorn. Geplaatst in 1893, meer dan 260 jaar na zijn overlijden. Bij dat antwoord behoorde ook het afzetten tegen andere staten dat leidde tot twee gruwelijke Wereldoorlogen.

Het antwoord dat Hans kreeg, is het antwoord dat Baudet nu ook weer geeft: ‘je bent een trotse Nederlander met een oude cultuur en geschiedenis enzovoorts’. Je kunt je bovendien afvragen of een antwoord uit het verleden past bij de uitdagingen van het heden? Het bijzondere is dat Baudet terugverlangt naar de periode waarin Hans in onzekerheid verkeerde. Of beter gezegd naar een beeld van die tijd dat alleen in zijn hoofd bestaat. Een tijd waarin het met de menselijke vrijheid, waar hij zich druk maakt, erg slecht was gesteld.


[1] Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 55

[2] Idem, pagina 57

[3] Idem pagina 89

[4] Idem pagina 91-92

Uitgelicht

Economische grenzen en het leven

“Wij leven in een tijd van tegenstrijdigheden en onzekerheid.” De eerste woorden uit de troonrede die afgelopen dinsdag, de derde van september, werd uitgesproken. Een rede, geschreven door de regering en uitgesproken door de koning waarin de toestand van het land en de maatregelen worden besproken die het kabinet onderneemt om hierop in te spelen of richting aan te geven. Een passage uit de rede bleef in mijn hoofd malen.

Inhuldiging koningin Juliana 1948. Bron: WikimediaCommons

Die passage kwam na een citaat uit de rede die Juliana uitsprak bij haar inhuldiging in 1948 over de onzekere tijden van toen. Die onzekere tijden vroegen toen om veerkrachten en die wordt nu ook weer gevraagd want, en nu komt de bijzondere passage: “Niemand kan voorspellen hoe de wereld eruitziet als de kinderen van nu zelf kinderen hebben. Maar het zal anders zijn, want onze huidige manier van leven stuit op economische, sociale en ecologische grenzen. Dat vergt een andere economie en arbeidsmarkt. Een andere omgang met ruimte en natuur. Andere manieren van wonen, werken, ondernemen en reizen. En andere vormen van samenleven.” Het bijzondere is dat niet dat je wel voorspellingen met betrekking tot de toekomst kunt doen, dat is wat veel mensen doen. Wat nu niet duidelijk is, is of één van die voorspellingen werkelijkheid wordt. Kijkend naar hun wereld en naar al die voorspellingen, zullen de kinderen van onze kinderen vast iemand vinden die het (bijna) goed had en die tot ‘groot denker’ bestempelen.

Het bijzondere is ook niet dat de wereld van de kinderen van onze kinderen er anders uit zal zien dan onze huidige wereld. Als we terugkijken naar de wereld van de ouders van onze ouders, dan zag die wereld er heel anders uit. Nu is dat iets van recente datum. Nou ja recent, het is iets van de laatste pakweg 200 jaar. Iemand uit de achtste eeuw zou zich vrij gemakkelijk kunnen herkennen in de zesde- of tiende-eeuwse wereld. Behalve dat er wellicht dat een ander landheer de scepter zwaaide, was er weinig veranderd aan de sociale ordening en de leefomstandigheden.

Het bijzonder zit hem in de passage dat onze huidige manier van leven op economische, sociale en ecologische grenzen stuit. De drie woorden in combinatie met ‘huidige manier van leven’ herken ik. Ik vraag me echter af of ze op deze manier in een zin gezet, een goed beeld geven van de huidige situatie? Ik vraag me af of de volgorde niet een andere moet zijn? Stuit onze huidige manier van leven op economische, sociale en ecologische grenzen of stuit de manier waarop we onze samenleving economisch hebben ingericht, de manier waarop we, om de definitie van economie aan te halen, ‘streven naar welvaart’, op sociale en ecologische grenzen?

Dezelfde woorden maar wel een heel ander beeld. Een beeld waarbij de vinger op de zere plek wordt gelegd, namelijk onze huidige economische ordening die leidt tot uitputting van de Aarde, sociale verdeeldheid en polarisatie. Een andere economische ordening binnen de ecologische grenzen van onze planeet en dat betekent automatisch op aan andere manier omgaan met ruimte, natuur, wonen, werken, ondernemen, reizen en vooral met elkaar. Een andere economische ordening niet gericht op concurrentie maar op samenwerking.

Uitgelicht

Tot op de bodem of erdoor gezakt?

Ik schrok me een hoedje bij het lezen van de volgende kop boven een artikel bij De Dagelijkse Standaard: “700% oversterfte onder kinderen.”  Als er veel meer kinderen van 0–14 jaar sterven dan normaal, dan zou dat de media toch wel hebben gehaald? Hoe kon ik dat gemist hebben? Na het lezen van het tweede deel van de kop, gingen alle alarmbellen rinkelen, maar wel om een andere reden: “FVD en AfD eisen antwoorden van Europese Commissie.”

Bron: CBS

FvD-Europarlementariër Marcel de Graaf in het artikel: “Een stijging van 700% is schokkend. Dit moet tot de bodem uitgezocht worden. We hebben het hier over onze kinderen.” Ik lees dat De Graaf is geïnteresseerd: “in het antwoord op de vraag of het mogelijk verband houdt met het Covid-19 vaccin. Daarom wil hij ook weten of en zo ja hoe hier onderzoek naar wordt gedaan. Natuurlijk eist hij volledige transparantie over deze overlijdens.” Immers: “Een nieuwe Covid-19 prikronde gaat weer van start,” gaat hij verder, “deze keer met een vaccin dat niet getest is op mensen. Welke risico’s lopen de mensen? Welk risico lopen onze kinderen?” Zolang daar geen duidelijkheid over is heeft hij “een dringend advies: Laat je niet prikken.”

Daarom maar een begin gemaakt met dat uitzoekwerk. Dus naar het CBS, dat houdt de sterfte en oversterfte in Nederland bij. Daar trof ik de bovenstaande grafiek aan. Er blijken in week 35 iets meer dan verwacht 0-65 jarigen te zijn gestorven (410) dan verwacht (374). Maar dit alles nog binnen de statistische marge waarin 95% van de waarnemingen worden verwacht, tussen de 328 en 419. Week 35 wijkt hiermee niet noemenswaardig af van andere weken sinds 2020. Het lijkt mij heel sterk dat hier een oversterfte van 700% onder de 0-14 jarigen onderdeel van uitmaakt.

Maar Europa is groter dan Nederland, dus toch nog maar verder gezocht. Het artikel bevat een link naar de site The Exposé en daar schrok ik nog meer omdat daar wordt gesproken van een toename van 700% tot 1.600%, zestien keer zoveel kinderen gestorven dan verwacht. In dat artikel tabellen die laten zien dat er in heel Europa tussen de 545 en 841 meer kinderen in die leeftijdsgroep zijn gestorven dan verwacht. Welk van de twee cijfers juist is, hangt af van de basis en die blijkt te zijn verhoogd. Bij een stijging van 700% en uitgaande van die 841 meer gestorven kinderen zou dit betekenen dat er naar verwachting tot week 35 in heel Europa zo’n 120 kinderen zouden sterven. Dat lijkt mij heel weinig. Zeker omdat er in Nederland zo rond de geboorte al ruim 1.200 kinderen per jaar sterven, dat zijn er 100 per maand.

Het artikel bij The Exposé baseert zich op cijfers van Euromomo. Dit is: “a European mortality monitoring activity, aiming to detect and measure excess deaths related to seasonal influenza, pandemics and other public health threats.” Dat is dan de bron om dit tot op de bodem uit te zoeken. Op de site vinden we de onderstaande grafiek. Een grafiek voor de 0-14 jarigen die min of meer hetzelfde laat zien dan de CBS -grafiek voor de 0-65 jarigen, namelijk scores wat aan de hoge kant binnen de te verwachten bandbreedte. Die grafiek biedt ons nog een tweede mogelijkheid en dat is het berekenen van het percentage oversterfte. Gemiddeld (de basislijn) sterven er in Europa zo’n 328 kinderen van 0-14 jaar per week. In de 36 weken die er nu in zijn opgenomen zouden dat 36 maal 328 is 11.808 sterftes in deze leeftijdscategorie zijn. Een oversterfte van 841 kinderen betekent dan 7% en een oversterfte van 545 betekent 4,6% en geen 700% en zeker geen 1.600%

Voor degenen die vinden dat dit nog steeds een stijging is die noopt tot nader uitzoekwerk. Hieronder de cumulatieve oversterfte tot in enige week over de jaren 2017 tot en met 2022. Cumulatief ligt 2022 sinds zo ongeveer het begin van de zomer aan kop maar dat wil niet zeggen dat dit aan het einde van het jaar nog steeds zo is. Dan blijkt dat er ook in 2019 meer kinderen stierven en toen werd de stormvlag niet gehesen. Van vaccins tegen Covid-19 was toen nog geen sprake. Maar wacht eens, wat is de overeenkomst tussen 2019 en 2022? 2019 was voor Europa het warmste jaar ooit gemeten. Dit jaar is nog niet op z’n eind maar wat we wel al weten is dat de zomer zeer vroeg begon. In Spanje en Frankrijk werden al zeer vroeg temperatuurrecords gemeten en steeg het kwik geregeld tot boven de 40° Celsius.

Volgens mij ben ik daarmee wel op de bodem van het uitzoekwerk. Over bodem gesproken. Wat kunnen we zeggen van Europarlementariërs als De Graaf en media als De Dagelijkse Standaard en The Exposé? Hoe beoordelen we het overdrijven van sterftecijfers met een factor 100, of in percentages uitgedrukt met 10.000%? Zijn zij niet door de bodem gezakt?

Uitgelicht

Bregmans grote vraag

Bij De Correspondent besteedt Rutger Bregman geregeld aandacht aan mensen die een belangrijke rol hebben gespeeld in de afschaffing van de slavernij. In zijn meest recente artikel is dat Anthony Bezenet. “Hij was een schrijver zonder bestsellers, een spreker zonder speeches, en een held zonder ego.” Aldus de beschrijving die Bregman van hem geeft. Als je wil weten waarom hij toch zo’n belangrijke rol heeft gespeeld, lees dan Bregmans artikel. Mij gaat het om de volgende vraag die Bregman in zijn artikel stelt: “Het blijft een van de grote vragen van de geschiedenis: hoe is het mogelijk dat zo lang, zo weinig mensen in opstand kwamen tegen de slavernij?” Nu loop ik niet weg voor grote vragen.

De aardappeleters van Vincent van Gogh. Bron: WikimediaCommons

Het antwoord op die vraag is, denk ik, eenvoudiger dan menigeen denkt. Voor het antwoord op die vraag is van belang om erachter te komen wat men vroeger wist van de situatie in de wereld. Als je vervolgens in oude boeken duikt dan blijkt, en dat laat Bregman in zijn serie artikelen zien, dat er veel informatie is over de omstandigheden van slaven. Als de informatie er is, waarom kwamen er dan niet meer mensen in opstand?

Daarvoor naar de basiswet van communicatie: de zender die een boodschap over wil brengen naar de ontvanger. Als een boodschap niet overkomt bij de ontvanger kan dat in de basis aan drie dingen liggen: aan de zender, aan de ontvanger of aan ruis die het overbrengen bemoeilijkt. In dit geval lag het, naar mijn idee, vooral aan de ontvanger. Die ontvanger viel grofweg uiteen in drie groepen. Aan de ene kant een hele kleine groep met belangen in de keten rond slavernij, de eigenaren van slavenschepen, de eigenaren van plantages, de handelaren in met slavenarbeid geproduceerde producten. Opstand tegen de slavernij betekende voor deze groep een opstand tegen hun belangen.

Aan de andere kant de overgrote meerderheid van onze voorouders. Deze groep was keuterboer, trekarbeider en later fabrieksarbeider en waren blij als ze de dag overleefden. De woon- en werkomstandigheden van die fabrieksarbeiders verschilden in niets en waren vaak nog slechter dan die van de plantageslaven in de VS. Om een voorbeeld te geven het wedervaren van Mary Anne Walkley, een twintigjarige Britse die bekend is geworden omdat Karl Marx de laatste dagen van haar leven beschrijft en hoe de omstandigheden rond haar verscheiden door de ‘heersende macht’ werden weggemoffeld. Wakley was: “werkzaam in een zeer achtenswaardige hofmodezaak, die werd geëxploiteerd door een dame met de gemoedelijke naam Elise. Het oude en al vaak vertelde verhaal weer nu opnieuw ontdekt: deze meisjes werken gemiddeld 16 1/2 uur, tijdens het seizoen vaak zelfs 30 zonder onderbreking, waarbij hun ‘arbeidskracht’ in stand wordt gehouden door hun af en toe sherry, port of koffie toe te dienen. En men zat juist in de drukste tijd. De pronkgewaden van de nobele ladies moesten in de kortst mogelijke tijd worden klaar getoverd voor het galabal, dat gegeven werd ter inhuldiging van de vers geïmporteerde prinses van Wales. Mary Anne Walkley had samen met zestig andere meisjes 261 uur onafgebroken gewerkt. Met dertigen zaten ze in één kamer, die nauwelijks de helft van de noodzakelijke kubieke meters lucht bevatte; ’s nachts moesten ze in een van de stinkholen, waarvan men slaapkamers had gemaakt door ze met verschillende tussenschotten te verdelen, met z’n tweeën één bed delen. En dit was een van de betere modezaken in Londen. Mary Ann Walkley werd op vrijdag ziek en overleed op zondag, en – tot grote verbazing van madame Elise – zonder het laatste kledingstuk te hebben afgemaakt. De te laat aan het sterfbed geroepen arts verklaarde bij de lijkschouwing voor de jury in droge bewoordingen: ´Mary Anne Walkley is gestorven door lange arbeidsuren in een te vol arbeidsvertrek en in een te klein en slecht geventileerd slaapvertrek.’ Om de arts een lesje in goede manieren te geven verklaarde de jury: ‘De overledene is gestorven aan apoplexie, maar er zijn redenen om te vrezen dat haar dood werd bespoedigd door overmatige arbeid in een te volle werkplaats enzovoorts.[1]

In die omstandigheden ga je je niet druk maken over hoe iemand aan de andere kant van de wereld wordt behandeld als je daar al weet van had. En dat laatste was niet het geval want onderwijs kregen ze niet. Kinderen van zes werkten al 12 uur of meer in de fabriek, als kind van een keuterboer, moest je op ‘meekeuteren’ en was er geen tijd voor school, leren, lezen of schrijven. Aan die kinderarbeid kwam bijna op de kop af 148 jaar geleden een einde, tien jaar na de afschaffing van de slavernij op 19 september 1874. Op die dag werd in Nederland de eerste wet tegen kinderarbeid aangenomen. De wet is bekend geworden als het Kinderwetje van Van Houten. Samuel van Houten was de liberale politicus achter deze wet. De wet was gericht tegen ‘overmatigen arbeid en verwaarlozing van kinderen’. Vanaf dat moment was het in fabrieken en werkplaatsen te werk stellen van kinderen tot twaalf jaar verboden. Van Houten wilde een algeheel verbod op arbeid door kinderen tot twaalf jaar maar de Kamer zwakte zijn voorstel af waardoor arbeid op het land door kinderen tot twaalf jaar geoorloofd bleef. Omdat mankracht voor toezicht op de nieuwe wet vooraleerst nog ontbrak, duurde het nog enige tijd voordat arbeid in fabrieken en werkplaatsen door kinderen tot twaalf jaar werkelijk tot het verleden behoorden. Deze groep was vooral bezig met overleven en met het verbeteren van de eigen woon-, leef- en werkomstandigheden.

Tussen beide groepen in een kleine groep ‘middenklasse’ die kon lezen en in opstand zou kunnen komen tegen slavernij. En laat nu de luiken van de achttiende en zeker de negentiende Nederlandse middenklasse steeds verder zijn gesloten. Na het verval van de Republiek en de Napoleontische oorlogen keek het gros van hen niet verder dan de eigen directe omgeving. Net zoals het huidige Nederland de luiken sluit voor de buitenwereld.

Wat mij het meest verwondert is dat historicus Bregman zich afvraagt waarom niet meer mensen in opstand kwamen. Bijna net zo verwonderlijk als historicus Thierry Baudet die beweert dat: “In a proper society, there’s an equilibrium there, a delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood,” dat het hoogtepunt bereikte: “in the eighteenth century, and was venerated in that great ‘swan song of aristocracy’, the nineteenth century,” en vervolgens de bourgeoisie ‘ordinary people’ noemt.


[1] Karl Marx, Het Kapitaal, pagina 237-238

Uitgelicht

Inconsequent, weg!

“Ze zijn bezig met de opbouw van Global Governance,” aldus Forum voor Democratieleider Thierry Baudet in een gesprek met Michael van der Galien van De Dagelijkse Standaard. Die ‘global governance wordt: “mondiaal socialistisch totalitarisme,” en: “Ze verhúllen het niet eens meer.” Verdorie dat zijn zware woorden. Wat is er aan de hand?

Volgens Baudet valt hier heel veel over te zeggen: “In de eerste plaats dat het weer een stap is naar meer globalisme, globalisering, mondiale regelgeving. Een wereldstaat. Ze verhúllen het niet eens meer. Je ziet het gewoon gebeuren.” Iets wat hij nog bevestigd ziet: “Want er staat in: ‘Tax optimisation.’ Dat wil dus zeggen, het optimaliseren van je belastingdruk. Dát willen ze dus gaan criminaliseren. Dit verraadt dus niet alleen een globalistische mindset, maar ook een socialistische mindset.” En dat is: “verschrikkelijk. Straks hebben ze een wereldwijd web gespannen, een netwerk gespannen waarin we vastzitten. Overal dezelfde regels, overal dezelfde belastingen die we moeten betalen waar we niet aan onderuit kunnen, waar we ook democratisch niets aan kunnen doen want het is internationaal vastgesteld.”  En als het begin is gemaakt dan: “gaan ze langzaam maar zeker de duimschroeven aandraaien. Het begint met een paar procent, dat je zegt: een paar procent, waar hebben we het over. Dat wordt alsmaar meer tot we ál onze vrijheid kwijt zijn.”

Dan even naar de aanleiding. Bij het artikel een twitterbericht van minister van Financiën Kaag met daarin de volgende tekst: “Nederland is een voorstander van een wereldwijde effectieve minimumbelasting. Daarom heb ik samen met Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje een verklaring getekend deze in 2023 in te voeren. Het kabinet zet zich er maximaal voor in om een akkoord te bereiken.”  Er ontbreekt echter iets bij het twitterbericht en dat is een bijlage die minister Kaag er wel bij heeft gevoegd op haar zakelijke twitterkanaal. Wat er ontbreekt is de gezamenlijke verklaring van Kaag en haar collega’s van Frankrijk, Spanje, Italië en Duitsland. Even een eigen vertaling: “Aangezien de inflatie de koopkracht van onze medeburgers zwaar treft, moeten bedrijven hun deel van de lasten betalen om de gevolgen van de wereldwijde energiecrisis te verlichten. Daarom herbevestigen we onze versterkte inzet om de wereldwijde minimale effectieve vennootschapsbelasting snel te implementeren. Het is een belangrijke hefboom voor verdere gerechtigheid door een efficiëntere strijd tegen belastingontwijking en -ontduiking.”

Een wereldwijde minimale vennootschapsbelasting voor bedrijven. Die belasting is bedoeld om ervoor te zorgen dat de Apples, Facebooks, Booking.com, de Shells en al die andere multinationale bedrijven tenminste ergens in deze wereld eenzelfde percentage vennootschapsbelasting betalen als de lokale winkelier die zijn bedrijf in een BV heeft ondergebracht. Dat lijkt mij geen verkeerd idee. ‘We’ hoeven die belasting niet te betalen. Sterker nog, ‘we’ gaan erop vooruit als wereldwijd een minimumtarief aan vennootschapsbelasting wordt geheven. Minimum want een individueel land kan zelf besluiten een hoger tarief te heffen, een lager niet.

Bijzonder dat Baudet hier tegen is. Want, om hemzelf te parafraseren in zijn bijdrage aan het debat over de mogelijke afschaffing van de dividendbelasting van 25 april 2018, door hier tegen te zijn geeft hij : ‘buitenlandse investeerders een overbodig cadeautje waar de Nederlanders niets mee opschieten. Je moet het een beetje vergelijken met het volgende. Thierry Baudet komt met een aantal makkers van Unilever een café binnen en bestelt joviaal en breed lachend drank voor iedereen, maar als het op afrekenen aankomt is hij via de achterdeur alweer vertrokken naar een volgend café terwijl wij de rekening moeten ophoesten. ‘[1] Iets wat hij premier Rutte in het debat over die dividendbelasting terecht verweet.  Om Theo Maassen aan te halen: Inconsequent, weg![2]


[1] Bekijk het dit filmpje van de partij. De parafrasering begint ongeveer na 1 minuut en 35 seconden, https://www.youtube.com/watch?v=mNuNBkAXXIU.

[2] Uit de voorstelling Met alle respect van Theo Maassen uit 2012 (https://www.youtube.com/watch?v=GumMnZE7dfs)

Uitgelicht

Boerenkunst of de kunst van het boeren?

Volgens Tom Saat, biologisch dynamische boer te Almere en een maand lang gastcolumnist in de Volkskrant, is landbouw: “een oeruiting van de mens. Dat is de les die de geschiedenis van de landbouw ons leert. Dat is ook hetgeen wat nu nog steeds tot uiting komt in de diepgewortelde sympathie voor de boer.” Zo is te lezen in zijn column. Want: “Dat wat onze verre voorouders met dier en plant deden was niets meer of minder dan de zelfverwerkelijking van de mens. In hedendaagse termen kan je het kunst noemen.” De boer als kunstenaar en: “als we iets daarvan moeten leren voor de toekomst, is het wel dat in die culturele dimensie de sleutel ligt voor de broodnodige transitie.” Een bijzondere redenering, ik zie even af van de suggestie van een diepgewortelde sympathie voor de boeren, waarbij de nodige kanttekeningen te plaatsen zijn. Want is het sympathie voor de boeren of antipathie tegen de huidige regering?

Restanten van het tempelcomplex Göbekli Tepe. Bron: WikimediaCommons

Saat gebruikt Sapiens van Yuval Noah Harari als contrapunt in zijn betoog. Harari versimpelt, zo betoogt Saat: “de geschiedenis van de landbouw tot een geschiedenis van technologie. Het lichaam vraagt om voedsel en om het wat makkelijker te maken in plaats van eindeloos te moeten jagen en eetbare planten zoeken, vindt de mens de landbouw uit.” Dit is: “Feitelijk helemaal juist, maar het zegt niets over wat mensen daarbij bewoog.” Want: “De mens van zeven millennia geleden keek niet met een technologische blik naar de natuur.” Saat lijkt wel te weten hoe de mens zeven millennia geleden naar de natuur keek, namelijk door: “de godenwereld als het natuurlijke, direct beleefbare verlengstuk van menselijk ‘denken’ en handelen (te zien), en de planten- en dierenwereld die net zo goed bij de lichamelijkheid van de mens hoorden als het eigen lichaam.”

Harari beweert nergens dat onze voorouders met een technologische blik naar de wereld keken. Net als Saat stelt ook Harari de godenwereld centraal in het handelen van onze verre voorouders. Volgens Harari zou die ‘godenwereld’ wel eens de aanzet zijn geweest tot de agrarische revolutie. Hij suggereert dit naar aanleiding van de vondst van Göbekli Tepe, een groot bouwwerk van versierde stenen zuilen dat zo’n 11.500 jaar geleden is gebouwd in het huidige Turkije in een streek waar een van de eerste gedomesticeerde soorten van tarwe (eenkoren) is ontstaan. Harari: “Dat kan bijna geen toeval zijn. … Er waren uitzonderlijk grote hoeveelheden voedsel nodig om de mensen te voeden die de monumenten bouwden en gebruikten,” aldus Harari, en hij vervolgt: “Het zou heel goed kunnen dat verzamelaars overstapten van het verzamelen van wilde tarwe op de intensieve tarweteelt, niet om hun normale voedselvoorraad te vergroten, maar om de bouw van een tempel en het runnen daarvan mogelijk te maken.[1]  Of Harari gelijk heeft? Dat weten we niet want we waren er niet bij. Wat we wel weten is dat de agrarische revolutie niet zozeer een revolutie was maar eerder een evolutie van eeuwen en wellicht wel millennia. We weten ook dat het geen rechte lijn was maar eerder een soort Echternach processie waarbij er, zoals David Graeber en David Wengrow in het boek het begin van Alles, schrijven, ook wel eens op schreden werd teruggekeerd en de landbouw weer vaarwel werd gezegd.

De landbouw als kunst’ van de mens van 7 millennia geleden: “Dat wordt je duidelijk wanneer je de kunstwerken van die tijd op je in laat werken. Dat waren geen kunstwerken die in steen, hout of verf werden gemaakt (die kwamen pas enkele millennia later), maar dat waren wat wij nu onze (landbouw)huisdieren en cultuurplanten noemen.”  Zo betoogt Saat. Wat we wel weten en dat laat Göbekli Tepe zien, is dat de mens al vele millennia voor die: “zeven millennia geleden,” met kunstwerken en cultuur bezig was. De oudste rotstekening, een tekening van een wrattenzwijn in een grot op het Indonesische eiland Sulawesi, is zo’n 45.000 jaar oud. In een grot in Nerja in Spanje zijn schilderingen van 42.000 jaar geleden te vinden. De schilderingen in de grotten van Lascaux zijn tussen de 10 en 15 duizend jaar oud. In tegenstelling tot hetgeen Saat beweert is de eerste menselijke kunst daarmee ouder dan de (landbouw)huisdieren en cultuurplanten.

Landbouw als kunst en zelfverwerkelijking van de mens, zoals Saat beweert of als voorwaarde om ‘kunst’ te kunnen bedrijven zoals Harari beweert. Tarwe als ‘kunst’ of als voedsel? Hoe zou het werkelijk gegaan zijn? Helaas weet niemand dat want het gebeurde ver voor onze tijd. Mij lijkt de redenering van Harari een stuk plausibeler dan Saats redenering. Niet de ‘boerenkunst’ maar de kunst van het boeren werd ontwikkeld.

Echter, als het sprookje van “die culturele dimensie,” van Saat nodig is als sleutel om de deur van de boeren tot de “broodnodige transitie” mee te openen, dan mag deze prikker best als ‘ketters’ en haar schrijver als ketter worden afgedaan. Een benaming die ik dan met trots zal dragen.


[1] Yuval Noah Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 104

Uitgelicht

De koning(in) en de nar

Bij De Correspondent verwijst Jan Bruin naar een artikel van de Amerikaanse hoogleraar theologie Alan Levinovitz. Bruin: “Volgens Levinovitz speelde de hofnar vroeger een belangrijke rol in het opwekken van verbijstering, en daarmee in het aanjagen van waardevolle discussies. Zijn favoriete hofnarren van tien jaar geleden, Jon Stewart en Stephen Colbert, zijn in Levinovitz’ ogen helaas gestopt met het opwekken van verbijstering. Ze zijn nu eerder predikanten.” Een interessante gedachte.

Jester and Monkey van Giovanni Boccaccio

In zijn artikel houdt Levinovitz een pleidooi voor ‘bewilderment’, Bruin vertaalt het met verbijstering, maar Levinovitz geeft aan het einde een synoniem dat de portee van zijn pleidooi beter weergeeft, namelijk verwondering. Verwondering zorgt voor flexibiliteit in de samenleving omdat het mensen de kans biedt om met elkaar in gesprek te gaan. Want zonder verwondering: “we become like tyrants: inflexible, certain, over-confident. Rigid oppositional binaries reign supreme. Religion vs. Science, Left vs. Right, Us vs. Them. Change is nearly impossible—the only way it can happen is through intensification of what we already believe, which isn’t really change so much as acceleration.”

De nar had in vroeger eeuwen een bijzondere positie aan de hoven van koningen en koninginnen. Wikipedia geeft een goede beschrijving van de rol en positie van de nar. “De nar had een bijzondere sociale positie. Enerzijds wekte hij de indruk onderaan de sociale ladder te staan, anderzijds was hij in de positie leden en gasten van het hof te doorgronden en hen voor de gek te houden. Hij kon ingaan tegen de heersende opvattingen, zonder dat hij ervoor gestraft werd. In die zin had hij juist een hoge sociale status.” De nar kon wijzen op gevolgen van keuzes van de koning of koningin en zo de ogen openen. De nar zorgde voor verwondering. Helaas hebben de narren van Levinovitz: “Stephen Colbert, Jon Stewart—(…) their calling,” verraden: “by turning into preachers.” En als predikanten iets bewerkstelligen, dan is het dat ze door hun stelligheid geen verwondering wekken. Zoals gezegd een interessante gedacht. Meer narren die voor verwondering zorgen. Die ons en vooral de huidige machthebbers een spiegel voorhouden. Ik zou er een andere gedachte tegenover willen zetten.

Als je naar onze huidige werkelijkheid kijkt, kun je dan niet betogen dat onze politici zich als narren gedragen? Narren die ons een karikatuur van de werkelijkheid voorhouden? Baudet met zijn ‘uilen van Minerva’, zijn boreale vergezichten en complotten. Wilders die ons wil laten geloven dat iedere moslim een terrorist is die achter iedere boom (en lantaarnpaal) verschuilt kan staan. Sylvana Simons die ons oproept tot zelfgeseling vanwege de brute misdaden van onze voorvaderen. Politici die, zoals FvD-Kamerlid Van Meijeren begrip kunnen opbrengen voor mensen die anderen bedreigen of die dat zelf doen, zoals zijn collega Van Houwelingen. Een premier zonder visie maar met selectief geheugenverlies en een gebrek aan lerend vermogen. Politici die problemen oplossen door door de ‘drenkeling’ niet te zien of hem te laten verdrinken omdat het reddingsvest dat we kunnen toewerpen niet het perfecte is. Zo zou ik nog wel even door kunnen gaan.

Hoe speel je nar als de koning of koningin zich de rol van nar aanmeet? Zou je de door Levinovitz beschreven houding van Colbert en Stewart niet kunnen zien als een positiewisseling? De nar die zich naar de rol van koning of koningin beweegt? Echter, om die rol serieus te kunnen vervullen, moeten ze van habitat verwisselen. Het theater en de tv-studio verlaten en de partijcongressen en bijeenkomsten bezoeken en daar de rol van koning of koningin spelen door anderhalf uur serieus en inhoudelijk te praten over belangrijke zaken? Door daar een cursus staatsrecht of een college rechtvaardigheid te verzorgen? Door een weloverwogen voorstel te doen voor het vlottrekken van een vastgelopen onderwerp? Dit zonder de ultieme stap te zetten en politiek actief te worden zoals de Oekraïense president Zelenski en de Italiaanse komiek Beppe Grillo deden omdat de nar dan echt koning wordt.

Uitgelicht

Een lesje geschiedenis deel 2

“Er is echter nog op een ander punt dat Van der Galien nodig een lesje geschiedenis nodig heeft en dat is de uitspraak dat Nederland tot voorkort een natiestaat was. Dat lesje geschiedenis komt in deel twee van dit lesje geschiedenis.” Met die woorden sloot ik deel 1 van de les geschiedenis af. Een les naar aanleiding van een artikel van Michael van de Galien bij De Dagelijkse Standaard. In het artikel geeft hij ‘geschiedenisles’ aan Jesse Klaver. Klaver deed bij Jinek de uitspraak dat ‘migranten dit Nederland hebben opgebouwd’. In deel twee zoals gezegd de uitspraak dat Nederland tot voor kort een natiestaat was.

Daarvoor eerst even naar Wikipedia.“ Een natiestaat of nationale staat is een staat met één dominante natie waarmee een soeverein territorium wordt geboden aan een bepaalde natie en haar culturele identiteit.”  Om te weten wat hier staat moeten we eerst weten wat een natie is. Een natie is een: “groep van individuen van hetzelfde staatsburgerschap die in een begrensd gebied wonen.” Maar ook wat een culturele identiteit is. Een identiteit is het: “eigen karakter van een persoon of groep.” En cultuur: “het geheel van normen, waarden, tradities, regels, kunstuitingen enz. van een land, volk of groep.” En nu in mijn woorden. Een natiestaat is een staat waarvan de mensen tot eenzelfde culturele groep behoren.

Typisch katholiek. De Heiligdomsvaart in Maastricht van 1962. Bron WikipediaCommons

Volgens Van der Galien was Nederland tot voorkort een natiestaat, een staat met mensen die tot eenzelfde culturele groep behoren. Mensen met dezelfde normen en waarden, tradities, regels en kunstuitingen. Nu zagen we in deel 1 al dat migratie een permanent kenmerk was van het gebied dat nu Nederland is. Migranten met andere taal, gebruiken en tradities. Als ik van der Galien goed begrijp zijn al die immigranten goed geïntegreerd met de al aanwezige Friezen, Hollanders en Zeeuwen. Of ze hebben samen een ‘nieuwe cultuur’ ontwikkeld. Een van twee, maar wat zien we bij het bestuderen van de geschiedenis.

‘Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen.’ Als er een uitspraak is die de verhoudingen in de Nederlandse samenleving het beste weergeeft, dan is het wel deze uitspraak. En nee, die heeft geen betrekking op het christendom en de islam. In zijn De Lage Landen 1780/1980. Twee eeuwen Nederland en België deel II 1914-1980 beschrijft historicus Kossmann de Nederlandse samenleving aan het begin van de twintigste eeuw als volgt: “Verzuiling betekent dat de staat het de grote, in hun levensbeschouwing onderscheidende groepen van de bevolking mogelijk maakt om hun dagelijkse leven geheel volgens eigen inzicht en behoefte te organiseren, in eigen scholen, jeugdbewegingen, universiteiten, huizen, sportclubs, vak- en wekgeversbonden, met instellingen voor sociale verzekering en voor de culturele verzorging van de volksmassa in theaters, weekbladen, zangverenigingen, leesportefeuilles enz., en in Nederland zelfs eigen radioverenigingen. … Dit was geen vredelievend pluralisme, dit was strijd. De gedachten en de levenswijze van een rooms-katholiek en een protestant, van een liberaal en een socialist werden voorgesteld als zo totaal verschillend, hun doeleinden werden gezien als vijandig aan elkaar, dat niet alleen samenwerking tussen hen onmogelijk was, maar dat zij ook werden geacht elkaar voortdurend aan te vallen in het niets ontziende gevecht om de laatste waarheid.[1]

Nederland was een land van langs elkaar levende bevolkingsgroepen. Geen natiestaat maar een staat met erin verschillende naast elkaar heen levende naties. Was je katholiek dan kocht je je brood bij een katholieke bakker, voetbalde je bij een katholieke voetbalclub op de zondag. Als protestant ging je naar de protestantse bakker en voetbalde je bij een protestantse club maar dan op zaterdag. Zelfs de duiven vlogen gescheiden. Die ‘angst’ voor de ander zat er diep in en kende ook een ‘omvolkingstheorie’. De opdracht van de katholieke pastoor om ‘heen te gaan en je te vermenigvuldigen’ zorgde voor hoge katholieke geboortecijfers. Veel hoger dan de protestantse en dat leidde in protestantse kringen tot de vrees voor een katholieke meerderheid. Een meerderheid die er wel eens voor zou kunnen zorgen dat het gezag niet meer uit Den Haag maar uit Rome zou komen. Een van de laatste voorbeelden van de manier waarop de groepsdruk werd opgevoerd, betrof het Mandement van kardinaal De Jong uit 1954. Op straffe van het onthouden van de sacramenten werd het katholieken verboden om lid te zijn van de socialistische vakbond en socialistische vergaderingen bij te wonen, de socialistische pers te lezen of naar de VARA te luisteren.

De leden van Van der Galiens natiestaat zagen de Nederlandse staat in het geheel niet als één natie en behorend tot eenzelfde culturele groep.


[1] E.H. Kossmann, De Lage Landen  1780/1980. Twee eeuwen Nederland en België deel II 1914-1980, pagina 48-49

Uitgelicht

Een lesje geschiedenis deel 1

Bij De Dagelijkse Standaard een artikel van Michael van de Galien. In het artikel geeft hij ‘geschiedenisles’ aan Jesse Klaver. Klaver deed bij Jinek de uitspraak dat ‘migranten dit Nederland hebben opgebouwd’. Een uitspraak die, zo betoogt, Van der Galien: “a) belachelijk is en b) beledigend ten opzichte van al die Nederlanders die door de jaren heen keihard hebben gewerkt om iets van ons land te maken.” Een idiote uitspraak want: “ Nederland was tot voor heel kort geen immigrantenland, maar een natiestaat. De ‘migranten’ zijn pas sinds de jaren 60/70 op significante schaal naar ons land gekomen; toen het economisch herstel van de Tweede Wereldoorlog zo groot was dat we ‘extra’ werkkrachten dachten nodig te hebben.” Een wel heel beperkte kijk op de geschiedenis van wat nu Nederland is. Daarom een lesje geschiedenis in twee delen. Vandaag deel 1 over de bewering dat Nederland tot voorkort geen migratieland was.

De eerste bewoners van het gebied dat nu Nederland is, waren waarschijnlijk Neanderthalers maar er zouden ook zomaar al eerdere mensensoorten in deze omgeving hebben kunnen geleefd. Als we daar even van afzien en ons concentreren op de laatste 10.000 jaar dan weten we dat de jager-verzamelaars die hier rondliepen zo’n 8.000 jaar geleden begonnen aan de overstap naar de landbouw. Hierdoor nam de bevolking toe en ontstonden de eerste culturen, de Bandkeramische en de Rössencultuur. Naast deze agrarische culturen leefden er ook nog steeds jager-verzamelaars. Zo rond 5.000 jaar geleden werden deze voorouders verrast door migranten van de Jamnacultuur die vanuit de steppen van wat nu Oekraïne en Zuid-Rusland is, naar het westen trokken. Aan hen hebben we onze taal te danken, net zoals bijna alle andere  Europese talen. Ze brachten ook het wiel en de wagen mee. Net zoals trouwens de lichte huidskleur en blonde haren. De tot dan toe hier levende mensen hadden een donkerdere huidskleur. Dus ja, ‘we’ hebben het een en ander te danken aan migranten.

Zo moet een Bandkeramische boerderij er naar archeologen denken, uitgezien hebben. Bron: WikimediaCommons

Genoeg oude geschiedenis. Op naar de Middeleeuwen. “Omstreeks het jaar 1000 krioelden ook hier ten lande allerlei min of meer feodale gebieden naast en door elkaar. Een duidelijk patroon ontbrak.[1]Zo omschrijft de historicus Peter W. Klein de politieke situatie in het gebied dat nu Nederland heet. Het gebied lag aan de rand van het continent Europa en uit niets kon je opmaken dat het 600 jaar later zou zijn uitgegroeid tot het centrum van Europa. Sterker nog, geheel Europa lag in die tijd waar het altijd al had gelegen en dat was ‘aan de rand van de wereld’. Het centrum van de wereld dat was het gebied met aan de ene uiteinde wat we nu het Midden-Oosten of de Levant noemen en aan de andere kant het China langs de Yangtze. Het gebied, waar Peter Frankonpan zijn bekende werk naar heeft genoemd, van De zijderoutes. De Romeinen waren erin geslaagd om ‘aan te haken’ bij dat centrum en zo het gebied wat te vergroten. Omdat het zuidelijke deel van het huidige Nederland vanaf het begin van onze huidige jaartelling bij dat Rijk behoorde, was het verbonden met het centrum van de wereld.

Na de val van Rome en het afzetten dan Romulus Augustulus de laatste West-Romeinse keizer op 4 september 476 kwam daaraan echter weer een einde. De ‘Nederlandse’ verbinding met ‘de wereld’ was al eerder verbroken omdat de val van het Romeinse Rijk een geleidelijk proces was. Het verval van het ooit machtige Romeinse Rijk zette al veel eerder in en de wereld van na die val kondigde zich al meer dan twee eeuwen eerder aan. Germaanse en andere stammen begonnen te knibbelen aan de Romeinse macht. Een maaltijd begint met de eerste hap, niet met de laatste. Als we die metafoor op de scheiding tussen Oudheid en Middeleeuwen toepassen, dan kun je met recht en rede betogen dat de Middeleeuwen begonnen met de eerste Germaanse hap in het Romeinse Rijk. Een derde-eeuwse Romein zou bij die eerste hap aan de grenzen van het Rijk niet meteen spreken van een ‘nieuw tijdperk’. Er werd wel vaker ‘geknabbeld’ maar dat werd later wel weer hersteld.

Voor de Germaan Odoakar stelde het afzetten van die laatste keizer niet zoveel meer voor. De macht van de keizer reikte niet veel verder dan de poorten van zijn paleis. Tenminste sinds de Visigotische leider Alarik I in 410 Rome plunderde, stelde het westelijk deel van het Romeinse Rijk al niet meer zoveel voor. Niemand kon zich zo rond het begin van onze jaartelling een wereld zonder Romeinse Rijk voorstellen. Net zo onvoorstelbaar was het in het jaar 1000 dat die uithoek van Europa tot het ‘centrum van de wereld’ zou uitgroeien.

In dat jaar 1000 bestond Holland, de later machtigste van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën nog niet. Het gebied was Fries. “Reeds vanaf de vroege middeleeuwen was de Maas-, Rijn-, en Schelde regio de operatiebasis van de Friezen voor hun verre handel tussen West-Europa en Scandinavië.[2] Onder de rivieren was het vooral Frankisch. Toch gebeurde er in 1018 iets bijzonders. Een van de graven in West-Friesland, Dirk III, behaalde in 1018, zo beschrijft Klein, de eerste militaire ‘Hollandse’ overwinning. Een ‘Hollandse’ overwinning avant la lettre want, zo beschrijft Klein het: “Deze Dirk was en bleef zijn leven lang namelijk niets anders dan een graaf ín (West-)Friesland. Zelfs tot graaf ván (West-)Friesland heeft hij het niet kunnen brengen.[3] Dirks oorspronkelijke ‘rijk’ bestond uit: “twee losse West-Friese gebieden (…) Kennemerland en Rijnland.” En Dirks prestatie bestond eruit dat hij daar “bij stukjes en beetjes Neder-Maasland,” aan toevoegde. Tegenwoordig een zeer rijk gebied, in die tijd: “niet veel anders dan de moerassige zilte gronden aan de mond van de samenvloeiing van Maas en Merwede.[4] Uiteindelijk mocht een van zijn nazaten, Floris II, zich in 1101 echt graaf van Holland noemen. Dat had hij te danken aan de bisschop van Utrecht die bereid bleek om hem als leenman te aanvaarden. Daarmee zijn we honderd jaar verder in de tijd. Ook toen wees er niets op het succes van dat ‘Holland’. De eerste graaf van Holland, graaf van drassig land langs de monding van de Rijn en de Maas,  ‘onderknuppel’ van de bisschop van Utrecht. Iets meer dan niets en daarmee is alles gezegd.

De Graaf van Holland was niet de enige ‘onderknuppel’. Er waren er veel meer zoals de graaf (later hertog) van Gelre, de hertog van Brabant, de graaf van Zeeland die allemaal hun eigen rijkje stichtten en knibbelden aan de macht van de Friezen en aan elkaars macht. Allemaal gebieden die niets met elkaar hadden. “The northern provinces felt no tie with each other and no sence of difference from the south. Each of the seventeen provinces was a small state or country in itself,[5]zo beschrijven Palmer en Colton in hun A history of the Modern World de relatie tussen de verschillende provinciën in het midden van de zestiende eeuw en dat was in de eeuwen daarvoor niet anders. Sterker nog, zelfs binnen een zo’n rijkje hadden mensen vaak al niet veel met elkaar behalve dan dat ze eenzelfde ‘onderknuppel’ boven hen hadden.

Nu ontwaakte Europa zo rond de tijd van Dirks avonturen uit de slaap die het met de val van West-Romeinse Rijk begon. Europa, en dan vooral Italiaanse steden zoals Genua en Venetië begonnen weer te handelen met de Levant, ze herstelden de verbroken verbinding met de Zijderoute. “By the end of the tenth century, Venice was shipping grain, wine, and Lumber to Constantinople and receiving in return fine silken cloth that they sold to her north Italian Neighbors. Allso by that time merchants from Amalfi had established extensive trading contacts with Cairo. The inland towns of northern Italy began to have some industry of their own, natably weaving of woolen cloth, but markets fort his cloth were very limited at first.[6]Dirks’ gebied was nog niets maar iets ten Zuiden van zijn moerassige zilte gronden werd het al iets. Die opleving in Italië had zijn uitwerking op ‘staatjes’ die enkele eeuwen later de 17 provinciën werden genoemd. Voor de Friezen betekende ze een ‘nagel aan hun doodskist’ als dominante macht omdat: “De Friese handel (…) niet bij machte (was) op deze opleving in het zuiden in te haken.”

Anderen wel: “De kooplieden van de Maas- en Scheldevallei daarentegen, die als stedelingen een meer moderne handelstechniek hadden ontwikkeld en die vanouds contacten met de het continentale achterland onderhielden, grepen de geboden kansen. Ze brachten een systematische verbinding tussen Noord-West Europa en het Middellandse-Zeegebied tot stand.” Die handel liep niet over zee en dan via de rivieren het land in met Rotterdam[7] als schakelpunt, zoals in onze tijd. “Het werd een overlandse handel op het zuiden, die steunde op het uitwisselen van luxe producten uit Italië, Noord-Afrika, de Levant en het Verre Oosten enerzijds en van industriële fabrikaten uit eigen streek anderzijds[8].” De Zuidelijke Nederlanden vervulden in toenemende mate een stapelmarktfunctie voor Noord-West Europa.

Stadslucht mocht dan wel vrij maken naar een Middeleeuwse gebruik, de lucht in de stad was in ieder geval niet vrij van ziektekiemen. De steden in de Lage Landen, groeiden maar dat was geen natuurlijke groei: “Zij kwam tot stand ondanks een negatieve natuurlijke groei, dat wil zeggen ondanks het feit dat er veel meer mensen in steden stierven dan dat er geboren werden . … Met andere woorden, de groei van de steden was alleen maar mogelijk door massale immigratie,[9]aldus Leo en Jan Lucassen in hun boek Vijf eeuwen van migratie. Wie waren die migranten? Het waren: Duitsers als belangrijkste groep, maar in textielsteden zoals Leiden en Haarlem waren het, zeker aanvankelijk, vooral Zuid-Nederlanders uit het huidige België en Frans-Vlaanderen. Daar buiten waren Engeland, Schotland en Noorwegen de belangrijkste herkomstgebieden. … Daar waar het economisch leven in het teken stond van handel en scheepvaart, zoals in Amsterdam, maar ook Veere en Hoorn, kwamen de migranten overwegend uit verre streken.[10] Naast deze ‘vaste’ migranten was er de vlottende migranten, de trekarbeiders voor de landbouw, het huishouden, de scheepvaart en het leger. Op een schip was het eerder regel dan uitzondering dat de bemanning voor meer dan 50 procent uit buitenlanders bestond.

Door de eeuwen heen zijn er steeds mensen naar en van hier gemigreerd. In de ene tijdsperiode wat meer zoals met de komst van de Jamna of in de zeventiende eeuw. In een andere tijdsperiode wat minder. Migratie is echter een constant gegeven. Dus in tegenstelling tot wat Van der Galien beweert, is migratie niet iets van de periode: “sinds de jaren 60/70” . Het antwoord op de vraag of migranten Nederland hebben opgebouwd ligt daarmee genuanceerder dan Klaver, maar ook dan dat Van der Galien denkt. Successievelijke groepen migranten hebben wat nu Nederland is mee opgebouwd.

Er is echter nog op een ander punt dat Van der Galien nodig een lesje geschiedenis nodig heeft en dat is de uitspraak dat Nederland tot voorkort een natiestaat was. Dat lesje geschiedenis komt in deel twee van dit lesje geschiedenis.


[1] Peter W. Klein,  1000 jaar vaderlandse geschiedenis, pagina 33

[2] Schöffer, I c.s,  De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 15

[3] Idem, pagina 33

[4] Idem, pagina 34

[5] Palmer, R.R en Joel Colton, A History of the Modern World, pagina 126

[6] Brian Tierney, Sidney Painter, Western Europe in the Middle Ages 300-1475, pagina 268-269

[7] Rotterdam werd pas zo rond 1270 gesticht en haar bewoners leefden in eerste instantie van de visserij

[8] Schöffer, I cs, De Lage Landen van 1500 tot 1780 pagina 15

[9] Leo en Jan Lucassen, Vijf eeuwen migratie, pagina 19

[10] Idem, pagina 21

Uitgelicht

De benauwde blik van Blommestijn

Zo nu en dan, en tegenwoordig steeds vaker, roept er weer iemand dat Nederland ook uit de Europese Unie kan stappen. Deze keer is het Raisa Blommestijn, zo lees ik bij De Dagelijkse Standaard. Blommestijn in een tweet: “Laffe Rutte wil het migratieprobleem niet aanpakken en verschuilt zich achter de EU en internationale verdragen… Newsflash, je kunt uit de EU en je kunt die verdragen opzeggen – en tot die tijd je rug recht houden voor globalistische intimidatie, zoals Hongarije al jaren doet.”

Voor Blommestijn en voor veel voorstanders van zo’n Nexit zoals de FvD van Baudet, is Nederland het verhaal van Coen, de VOC en die sterke handelsnatie. Voor de toenmalige inwoners van bijvoorbeeld de huidige gemeente Venlo zag dat verhaal er heel anders uit. De Oost en zelfs Amsterdam en de VOC waren ver weg. Sterker nog, voor een groot deel van het grondgebied van de huidige gemeente Venlo gold dat het tot een heel ander land, of eigenlijk landen, behoorde. Zo hoorde Tegelen en Steyl bij het Graafschap Gulick en sloten zij pas in 1817 aan bij het koninkrijk der Nederlanden. Juist ja, toen de “Powers that Be’ daartoe besloten. Een van die ‘Powers’, de Pruisen, moest daar een veer laten want ook zij wilden de plaats erbij hebben. Dit gebeurde met het Traktaat van Aken. Hierin werd de grens tussen het koninkrijk en Pruisen bepaald door een kanonschot vanaf de oever van de Maas. Nederland zou dus een stuk groter zijn geweest als de kanonnen in die tijd wat verder hadden geschoten dan ongeveer 5 kilometer. Voor Arcen, Lomm en Velden ligt dat weer anders. Die behoorde eerst bij Spaans Gelre, na de Spaanse successieoorlog vielen ze toe aan Pruisen en sinds dat beruchte ‘kanonschot’ tot het koninkrijk der Nederlanden. 

Bron: WikimediaCommons

Wat voor alle dorpen gold, was dat er geregeld legers voorbij trokken. Legers op weg naar de ‘hoofdprijs’ de stad Venlo. Die stad wisselde gedurende de Tachtigjarige Oorlog geregeld van eigenaar. Dan weer  was het Spaans, dan weer Republikeins. Aan de Spanjaarden heeft de stad de restanten van het Spaanse fort Sint Michiel ten westen van de Maas te danken. Dat fort moest de stad beschermen tegen aanvallen vanaf de overkant (de westelijke kant) van de Maas. Met de Vrede van Utrecht in 1713 werd Venlo aan de Republiek toebedeeld, werd het een onderdeel van de Generaliteitslanden en zo min of meer een kolonie van de Republiek. Een kolonie omdat die Generaliteitslanden werden bestuurd door de Raad van State, een raad waarin ze zelf geen zeggenschap hadden. De Spaanse invloed tref je, zo betoogde de ‘Venloloog’ Sef Derks in een column op de site van Omroep Venlo, aan het Venlose dialect. Het Venlose woord voor hoofd: “kieëbus heeft een verrassende oorsprong. Het is afgeleid van het Spaanse cabeza.”

Sinds 1817 hoort het volledige grondgebied van de gemeente Venlo dus bij het Koninkrijk der Nederlanden en ging het op in de provincie Limburg. Of toch niet? Nee, inderdaad toch niet. In 1830 stonden de Zuidelijke Nederlanden op tegen het Koninkrijk en scheidden zich af. Limburg, exclusief de stad Maastricht, sloot zich aan bij de opstandelingen. Een afscheiding die pas in 1839 formeel werd maar dan zonder het huidige Nederlands-Limburg. Dat werd afgesplitst en viel toe aan het huidige Nederland. Viel toe want het werd niet veroverd of terugveroverd op de Belgen. Nee, ook hier beslisten weer de ‘Powers that Be’. De Fransen, die toen weer bij die ‘Powers’ hoorden, trokken hun steun aan de Belgen in en daarop werd Limburg gesplitst. De inwoners werd niets gevraagd. Als die zouden mogen stemmen, dan zou Venlo, nu waarschijnlijk Belgisch zijn. Limburg was dan wel, een provincie, voor de Hollandse koning, bleef het, net als de overige Zuidelijke Nederlanden, toch een soort Generaliteitsland, een soort kolonie.  

Nu was die grens in de beginjaren van dat Koninkrijk niet hard en hinderlijk. Als je van Venlo naar Straelen wilde, dan liep je er gewoon naartoe. Een paspoort was in theorie nodig, de praktijk was anders. Die praktijk veranderde tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen werden de grenzen gesloten. Je kon alleen de grens over als je in bezit was van een paspoort. Aan de grens stond de douane die je papieren controleerde. Aan de ene kant de Nederlandse die het verkeer vanuit Duitsland controleerden en aan de andere kant de Duitse die het verkeer dat vanuit Nederland het land inkwam, controleerden. Dat leidde toen al geregeld tot flink oponthoud aan de grenzen.  Nou ja, al het verkeer. Als opgroeiende puber ging ik, net als veel van mijn leeftijdsgenoten, in de zomer graag zwemen in Walbeck net over de grens met Duitsland. Zo’n mooi en groot zwembad met een zo’n lage entreeprijs lag er in Nederland in de wijde omgeving niet. Voor vijftien Duitse Marken, in Nederlandse guldens zo’n fl. 16,50, kocht je een tienrittenkaart. Maar om daar te komen moest je de grens over en dus je paspoort meenemen en soms lang wachten. En dat wachten daar hadden we het geduld niet voor. Dus zochten we onze weg via bospaadjes en gingen we illegaal de grens over. Een beetje zoals veel vluchtelingen nu. Maar ook die werden soms gecontroleerd en dat maakte het tot een spannende fietstocht. Diezelfde en andere paadjes, werden in de jaren vijftig en zestig gebruikt om spullen, zoals boter, de grens over te smokkelen. En dat bleef zo tot het Verdrag van Schengen hieraan een einde maakte.

Ieder jaar wordt de Atlas der Gemeenten uitgebracht. De lijst met meest aantrekkelijke Nederlandse steden. Al jaren staat Amsterdam bovenaan en al jaren bungelt Venlo, net als andere Limburgse steden, onderaan de lijst. Om die ranglijst te bepalen wordt er naar veel zaken gekeken zoals de beschikbaarheid van werk, de prijs van huizen, de aanwezige natuur, de nabijheid van zee en nog wat andere zaken. Venlo scoort slecht omdat het aan de grens ligt en alles wat over die grens ligt, daar wordt niet naar gekeken. Zo is de hoeveelheid natuur in de omgeving beperkt. Klopt, tussen de Maas en de grens is immers maar een kilometer of vijf plek en daar past niet veel op. Als je echter van de Groote Hei de grens over fietst of wandelt, dan loop je zo het bos in en niet veel verder kom je bij de prachtige Krickenbecker Seen. Voor degenen die geen Duits spreken, in Duitsland is een meer een ‘See’ en de zee een ‘Meer’. Op het grootste deel van zowel de Groote Hei als het Duitse natuurschoon, was in de Tweede Wereldoorlog trouwens het grootste Duitse militaire vliegveld van West Europa gevestigd: Fliegerhorst Venlo. De restanten ervan zie je nog links en rechts tussen het natuurschoon.

Nu wil het geval dat de onderzoekers achter de lijst ook eens hun ‘grenzen hebben verlegd’. En wat blijkt, dan stijgen de Limburgse steden ineens naar topposities in de lijst. Maastricht en Heerlen in de top tien en Venlo naar plek elf. Als ‘Venlonaer’ verbaast mij die hoge klassering niet. Het verbaast mij wel dat Heerlen en Maastricht hoger staan maar dat kan aan mij liggen. Het verbaast mij niet omdat er aan de andere kant van de grens een veel grotere wereld ligt dan aan deze kant. Als ik driekwartier autorijd vanuit Venlo dan ben ik aan de Nederlandse kant in Eindhoven, Nijmegen en nog niet eens in Maastricht. Ga ik de grens over dan ben ik in Duisburg, een stad met bijna een 500.000 inwoners en de grootste binnenhaven van Europa. Op weg daarnaartoe passeer ik Krefeld met 225.000 inwoners, net zo groot als Eindhoven en groter dan Maastricht en Nijmegen. Ook ben ik in Düsseldorf de hoofdstad van deelstaat Nordhein-Westfalen met ruim 600.000 inwoners. Daarbij passeer ik Mönchengladbach met bijna 260.000 inwoners. Maak ik er een uur en een kwartier van, dan ben ik aan de Nederlandse kant in Tilburg en Arnhem. Aan de Duitse kant in miljoenenstad Keulen, in Dortmund met meer dan 580.000 inwoners. Een gebied met veel inwoners waar, naast dat er op hoog niveau wordt gevoetbald (vijf clubs in de Bundesliga), vele musea te bezoeken zijn. Waar je naar pop- en andere concerten kunt. Waar je tegen een goede prijs, goed kunt eten. Een gebied waar je, als je de taal spreekt, goede kansen op een baan hebt en waar het prettig en goedkoper wonen is dan aan deze kant van de grens. Een Nexit zou daaraan abrupt een einde maken. Dan ligt Venlo weer ingesloten tussen de Maas en een ‘grenshek’. Dan worden de mogelijkheden van de Venlonaar ineens weer flink begrensd. Dan ligt het zwembad in Walbeck, het bestaat nog steeds, ineens weer veel verder weg en staat er een hek over het oude Fliegerhorst Venlo en kan ik niet meer naar de Krickenbecker Seen wandelen. Ook moet ik dan afscheid nemen van mijn softbal-teamgenoten van ‘euver de päöl’. 

Er is meer. Sinds mijn jeugd is het wagenpark in Nederland meer dan verdubbeld. Tussen mijn jeugd en 2007 nam het wagenpark met 70% toe en sinds 2007 is het wagenpark met weer zo’n 16% gegroeid. Dat zal voor onze buurlanden niet zoveel anders zijn. Als het toen al geregeld ‘stroopte’ aan de grens, hoe zal het dan zijn als er nu weer gecontroleerd gaat worden aan de grens? Voor de grote grensovergang op de A67 bij mijn woonplaats Venlo zou, gezien het aantal vrachtwagens dat er per dag over deze weg rijdt, een file kunnen ontstaan tot aan de Belgische grens. Een file die zich aan de Belgische kant zou voortzetten omdat ook daar gecontroleerd moet worden. Op Schiphol zullen lange rijen ontstaan voor de paspoortcontroles. Wat zal dit betekenen voor bijvoorbeeld de haven van Rotterdam? Een container voor Duitsland kan dan beter in Hamburg worden gelost, dat scheelt een grensovergang en dus veel tijd en controle. Wat betekent dit voor de nummer één logistieke hotspot Venlo? Als die container niet meer in Rotterdam komt, komt hij ook niet meer naar Venlo. Is er dan nog winst te behalen met het centraliseren van logistiek voor verschillende landen op één plek? Komen al die grote logistieke ‘dozen’ dan leeg te staan? Wat betekent dit voor de toenemende groep van grenswerkers?

“De waarheid is dat Rutte gewoon méér migratie wil. Hij wil méér globalisme. Hij wil minder nationale identiteit en minder democratie. Maar in plaats van dat gewoon toe te geven, “verschuilt” hij zich achter verdragen en de EU. Laf.” Voor wat betreft de lafheid van het huidige kabinet in de omgang met het onderwerp migratie, ben ik het met Blommestijn eens. Hierbij de oplossing zoeken in een sentimenteel beeld van het verleden van Nederland en de ‘identiteit’ van ‘de Nederlander’, lijkt mij geen goed idee. Naast douanier is smokkelaar dan de enige beroepsgroep, als je smokkelaar een beroep mag noemen, die er wel bij vaart. Trouwens, met uit de EU stappen verdwijnen migranten en vluchtelingen niet zoals de Britten nog steeds ervaren.