Uitgelicht

There are allways alternatives

No-nonsese politici zijn nodig om de stikstofcrisis aan te pakken, zo betoogt Simon van Teutem bij De Correspondent. Van Teutem: “De realiteit vereist no-nonsense politici die hun aandacht richten op de werkelijke mogelijkheden, niet om hofnarren die Europese samenwerking behandelen als een lopend buffet waar je enkel opschept wat je goed uitkomt.” Als iemand roept om ‘no-nonsense politiek’ dan gaan bij mij de alarmbellen rinkelen.

Het eerste kabinet Lubbers op het bordes op 4 november 1982. Bron: WikimediaCommons

Van Teutem vergelijkt in zijn artikel de Brexit met de stikstofcrisis en constateert dat beiden het gevolg zijn van wensdenken en loze beloftes: “De Brexit en de falende stikstofaanpak zijn beide mogelijk gemaakt door politici die populaire leugens verkochten om ongemakkelijke waarheden te omzeilen. Beide projecten beloofden een toekomst vol voorspoed, waarbij iedereen kon krijgen wat hij wilde – of kon blijven doen wat hij altijd deed – en niemand concessies hoefde te doen. Maar beide projecten worden nu ingehaald door de werkelijkheid, en normale mensen gaan daar de lasten van dragen.”  Daar kon jij wel eens een punt hebben. En daarom pleit hij voor no-nonsense politici want: “Het gaat hier niet om politieke keuzes, maar om een rechterlijk bevel.” Daarom de roep om ‘no-nonsense politici’.

De eerste keer dat ik kennismaakte met no-nonsese in combinatie met politiek, was in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Na de verkiezingen van 1982 formeerden het CDA en de VVD, ja toen kon het nog met twee partijen, een kabinet onder leiding van Ruud Lubbers. Dat kabinet presenteerde zich als ‘no-nonsense kabinet’ en betitelde de voorafgaande kabinetten daarmee als nonsens kabinetten. Bijzonder omdat beide partijen in de periode ervoor deel uitmaakten van de regering. Het CDA gaf via Van Agt leiding aan twee kabinetten waarvan het eerste samen met de VVD zat van december 1977 tot en met september 1981, het tweede met de PvdA en D’66 zat er maar een half jaar, van december 1981 tot eind mei 1982. De benaming ‘no-nonsense’ was echter meer gericht tegen de grootste oppositiepartij, de PvdA onder leiding van Joop den Uyl. ‘No-nonsense’ hield in dat de economie en alles wat die zou laten groeien, centraal kwam te staan. Het kabinet haakte hiermee aan bij de neoliberale wind die gedurende de jaren zeventig aan kracht had gewonnen en met de verkiezing van Thatcher in het Verenigd Koninkrijk en Reagan in de Verenigde Staten was uitgegroeid tot een storm. Beleid dat het beste is samen te vatten in twee uitspraken van Thatcher:  ‘who is society? There is no such thing’ en ‘there is no alternative.’

Gevolg van die ‘no-nonsense’ van Lubbers was dat alles werd versmald tot economie in het algemeen en economische groei in het bijzonder. De vrije markt moest voor die groei zorgen en de overheid was daarbij een hinderende factor. Of om de inaugurale rede van Reagan uit 1981 te citeren: “government is not the solution to our problem; government is the problem.” En eigenlijk is er sindsdien niets veranderd. Politiek in het algemeen en regeren in het bijzonder is nog steeds ‘economische groei’ en een terugtrekkende ‘kleine overheid’. En wat ‘economisch’ nodig is, dat bepalen economen. Maar dan wel economen die op de juiste manier denken.

Nu roept Van Teutum om ‘no-nonsense politici’ die aan de slag moeten met de stikstofcrisis. Die gewoon moeten doen wat nodig is want de rechter heeft een ‘bevel’ gegeven. Politieke keuzes zijn er niet. Van Teutem lijkt alles te versmallen tot klimaatcrisis in het algemeen en ‘stikstofdepositiecijfer’ in het bijzonder. Politici hoeven slecht uit te voeren wat wetenschappers aanbevelen. Maar dan wel wetenschappers die op de juiste manier naar de zaak kijken.

Nu behoor ik niet tot het slag mensen dat ontkent dat het klimaat verandert en dat wij als mens daar een hand in hebben. Ook zul je mij niet horen ontkennen dat veel stikstof tot andere natuur leidt. Planten en bijbehorende dieren die het goed deden op de schrale zandgronden krijgen het er moeilijk en worden verdrongen door soorten die het goed doen op rijkere grond. Als je de oude schrale natuur wilt behouden dan moet je iets doen aan de stikstofneerslag.

“Het onderscheid tussen het politieke beleid (la politique) en de ideologische legitimering ervan ((le politique) is … onophefbaar,  schrijft Donald Loose in zijn boek Democratie op wankele bodem. En verderop vervolgt hij met: “De pogingen om de democratische maatschappij in haar geheel te herleiden tot één allesbepalend beginsel (economie, taal, ethos of religie) lokt daarom het permanente weerwoord van alternatieve principes uit. [1]Van Teutem stelt, net als toen Lubbers, zijn politieke beleid (la politique) voor als neutraal, als realistisch, als ‘zinnig’. Hij ontkent of wil niet zien dat er meer ideologische motiveringen (le politique) zijn en dat die ideologische motiveringen tot ander politiek beleid kunnen leiden. Die zijn immers ‘onzinnig’ en niet ‘realistisch’. Bij beiden vallen le en la politique samen en zijn ‘no-nonsense politici gevraagd want nadenken is niet nodig.

Het is niet aan de rechter om de politiek te ‘bevelen’. De rechter is er om de wet te handhaven door recht te spreken. Dat heeft de rechter gedaan door de Programmatische Aanpak Stikstof te verbieden. Die was in strijd met de wet. De rechter heeft geen bevel gegeven wat te doen maar aangegeven wat niet mag. “Wil je niet voldoen aan Europese wetgeving? Vertel in dat geval het hele verhaal – dan kun je, net als Groot-Brittannië, beter vertrekken,” schrijft Van Teutem en ook dat is een politieke keuze. Niet willen voldoen aan Europese wetgeving kan echter ook nog tot andere politieke keuzes leiden naast uit de Europese Unie stappen. Je kunt alternatieven zoeken die wel binnen het kader van de wet passen. Daartoe heeft het kabinet een voorstel uitgewerkt maar er zijn vast nog andere voorstellen te bedenken binnen de grenzen van de wet en het is vervolgens aan de politiek om een keuze te maken uit die alternatieven of om een andere afweging te maken.  Een andere afweging zoals bijvoorbeeld een traject starten om de Europese wetgeving te herzien of te veranderen. Alternatieven zoals deels accepteren dat natuurgebieden van karakter veranderen. Je kunt ook de straf die wordt opgelegd accepteren en meenemen in je afweging van de voor- en nadelen. Een afweging die iedere inbreker maakt. Voor een overheid is dit een niet zo fraaie methode. Dat zijn allemaal politieke keuzes. Om die en eventueel andere mogelijkheden te zien is het wel nodig om je eigen ideologische opvatting te zien als wat ze zijn: ideologische opvattingen. There are allways alternatives


[1] Donald Loose, Democratie op wankele bodem. Over de politiek en het politieke, pagina 44

Uitgelicht

Neoliberale onderwijshomeopathie

“Wat gebeurt er als je tegen kinderen op school zegt: ga je gang, doe maar wat je zelf wilt?” Die vraag staat centraal in een artikel bij De Correspondent van Johannes Visser. In dat artikel bespreekt hij de DOE040 school. De letters zijn de afkorting van Democratisch Onderwijs Eindhoven en dan het kengetal van de stad. Een normale school, zo betoogt Visser: “bereidt leerlingen voor op de samenleving. Op DOE040 is het uitgangspunt dat leerlingen die samenleving al zijn, en dat ze zelf iets van hun leven willen maken.” Hij sluit het artikel af met de zin: “Eind 2020 gaven 1,2 miljoen werkende Nederlanders aan last te hebben van burn-outklachten. Zijn de leerlingen op DOE040 buitenbeentjes, of kanaries in de kolenmijn?” Een bijzondere school.

“DOE040 is geen gewone school. Er zijn geen naar leeftijd opgedeelde klassen. Er is geen dagvullend rooster dat de school voor de leerlingen opstelt. Leerlingen hoeven er geen diploma te halen,”  zo is te lezen. Hoe ze dat doen? (E)r wordt wel lesgegeven, maar die lessen beginnen op het moment dat een leerling op een leraar afstapt. Een leerling kan op DOE040 een diploma halen, maar alleen als zij daar zelf voor kiest. Leerlingen hebben wel een rooster, maar maken dat zelf – op papier of in hun hoofd. Er zijn geen van bovenaf opgelegde regels, maar er worden afspraken gemaakt.” Als ze willen, kunnen de kinderen wel op gaan voor een regulier diploma. Een bijzondere school waar Visser enigszins bewonderend over schrijft en ook reacties van de lezers onder het artikel zijn over het algemeen waarderend en bewonderend. Zo veel bewondering terwijl ik er een wat ongemakkelijk gevoel bij krijg.

Kinderen die mogen eten, drinken en bewegen wanneer ze dat willen, die zelf bepalen wat ze doen, dat gaat wel heel erg uit van het individu, van het IK. Het ik staat ook centraal in het neoliberale. Het denken dat door Thatcher werd samengevat met de woorden: “who is society? There is no such thing.” Denken waar Ayn Rand een belangrijke rol in speelt. Rand werd geboren in 1905, in wat nu weer Sint Petersburg heet, als Anna Rosenbaum. Het gezin Rosenbaum vluchtte in 1917 voor de revolutie naar de Verenigde Staten. Rand staat aan de basis van het objectivisme, een stroming die, zoals Wikipedia het goed omschrijft: “de mens (ziet) als een heroïsch wezen, met zijn eigen geluk als zijn hoogste ethische doel, productieve prestaties als zijn nobelste activiteit en de rede als zijn enige leidraad.” Nu is dit ‘objectivistisch denken’ natuurlijk net zo subjectief als alle andere denkrichtingen. Rands denken is precies het tegenovergestelde van het collectivistische denken waarvoor ze uit Rusland vluchtte.  “Maar vooral was ze een succesvol romanschrijfster die de dikste utopie schreef die ik ken: Atlas shrugged (1957). Dit boek is de kapitalistische utopie ten voeten uit,[1] aldus de filosoof en ‘utopiekenner’ Hans Achterhuis over Rand. Rands ‘objectivisme’ vormt met het onbegrensde vertrouwen in een ongebreidelde vrije markt, de ideologische basis van het neoliberalisme.

“DOE is een democratische school voor leerlingen van 4 t/m 21 jaar. Zij zijn vrij om individueel te beslissen hoe, wanneer, wat, waar en met wie ze willen leren. Zo wordt er continu van elkaar geleerd en leer je verantwoordelijkheid te nemen voor je eigen ontwikkel- en leerproces.” Zo is te lezen op de site van DOE040. En: “DOE volgt en beschrijft de ontwikkelingen van iedere leerling zonder oordeel en met vertrouwen. Het is onze missie om een inspirerende leeromgeving te bieden waarin jonge mensen zich op basis van gelijkwaardigheid ontwikkelen tot zelfbewuste, creatieve wereldburgers die op hun eigen manier bijdragen aan een steeds veranderende samenleving.” Het kind als dat nobele individuele wezen dat het eigen geluk najaagt met de eigen rede als enige leidraad. Rand had het niet beter kunnen formuleren.

Nu wil het geval dat het neoliberale denken sinds een jaar of veertig zo dominant is en zo ingeburgerd dat het vaak niet eens meer wordt herkend en gewoon als liberaal wordt gezien. Achterhuis geeft hier een sprekend voorbeeld van. Hij beschrijft een discussie in De Volkskrant tussen twee vooraanstaande liberalen. Een discussie naar aanleiding van het opzeggen van het lidmaatschap van de VVD door de Groningse filosoof en historicus Ankersmit. Ankersmit besloot hiertoe omdat de VVD met haar neoliberale politiek de klassieke liberale waarden zou verkwanselen. Daarop reageerde voormalig VVD-leider Bolkestein dat hij geen verschil zag tussen het klassieke liberalisme en het neoliberalisme. Waarop Ankersmit repliceerde dat het klassieke liberalisme een scherp onderscheid maakte tussen publiek en privaat, tussen staat en markt en dat het neoliberalisme alleen maar private belangen ziet. Het liberalisme ziet, volgens Ankersmit, de staat als de uitdrukking van de politieke wil en combineert het economische met politieke vrijheid. Ankersmit ziet dat het neoliberalisme het geloof aanhangt van de intrinsieke harmonie van alle (private) eigenbelangen op de vrije markt[2]

Veel van de grote problemen waar we nu mee kampen zijn een gevolg van die veertig jaar neoliberaal denken. In mijn Prikker in briefvorm aan staatssecretaris Van Ooijen over de problemen in jeugdhulp schreef ik er ook al over. Beleid dat het ‘IK’ centraal stelt en het ‘WIJ’ afbreekt en waarvan we nu de gevolgen ondervinden. Beleid waarbij iedereen op zichzelf wordt teruggeworpen. Waarbij ieder verantwoordelijk is voor het eigen geluk dat nagestreefd wordt met de eigen rede als leidraad en je eigen verantwoordelijkheid voor je ontwikkel- en leerproces, betekent ook verantwoordelijk voor het eigen ongeluk. Die verantwoordelijkheid legt grote druk op het individu en dus ook het kind. En laat nu echte maar vooral ook gevoelde druk een van de oorzaken zijn voor burn-outs. Zou deze neoliberale ‘onderwijshomeopathie’ je werkelijk ‘immuun’ maken voor de schade die het neoliberalisme aanricht?


[1] Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt, pagina 7

[2] Idem, pagina 23 – 33.

Uitgelicht

Moderne hiërogliefen

Mijn ouders voedden me op in dialect we deden de ‘aafwas met en schottelslet in de paolingstein’. Pas toen ik naar school ging leerde ik de afwas te doen met een vaatdoekje in de gootsteen. Ik leerde Nederlands als tweede taal. De wereld kent zeer veel talen en nog meer dialecten. Het worden er steeds minder, maar nog steeds zijn het er erg veel. Of je afwast met een ‘schottelslet’ of een vaatdoekje hangt af van de plek waar je wordt geboren en van de taal die je ouders tegen je spreken. Die verschillende talen maken het lastig communiceren met elkaar want de vertaling van woorden komt nogal precies en dat maakt dat vergissingen op de loer liggen. Zeker als gevoelens een rol spelen. Dat werd me duidelijk na het lezen van het Homo emoticus, een boek van Richard Firth-Godbehere.

Bron: Pixabay

Neem het Nederlandse woord zij. Het klinkt hetzelfde als zei, de verleden tijd in het enkelvoud van het werkwoord zeggen. Zij is de derde persoon vrouwelijk enkelvoud. Maar ook de derde persoon meervoud. Het is ook de korte vorm van ‘zijde’ en dan kan het een begrenzing van een lichaam of figuur zijn, de boven of onderkant van een dun vlak, het overgangsgedeelte tussen de voor en achterkant van het lichaam, of het betekent dat je iemands kant kiest. Maar het kan ook het spinsel van een zijderups zijn of de stof die ervan gemaakt kan worden.

Taal speelt een belangrijke rol in de geschiedenis van de mens. “Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in de biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie heel snel.[1]  Aldus Madeleine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier in hun boek Hoe we mensen werden. Spreken maakte het mogelijk belangrijke informatie door te geven. Zo konden onze voorouders elkaar waarschuwen voor een gevaarlijke situatie, bijvoorbeeld waar een leeuw uithing. Maar ook waar het goed vissen was: ‘hier rechtdoor, dan voorbij die bramenstruiken rechts af en na het derde rotsblok naar links …’.  Belangrijk, zo betoogt Yuval Noah Harari, is dat taal een grotere groep mogelijk maakte. En dat, zo betoogt Harari, kwam door de mogelijkheid om te roddelen: “Het is veel belangrijker voor ze om te weten wie er binnen hun stam een hekel heeft aan wie, wie het met wie doet, wie eerlijk is en wie juist niet. De hoeveelheid informatie die er verworven en opgeslagen moet worden om de o zo veranderlijke relaties tussen enkele tientallen individuen bij te houden, is verbijsterend. (In een groep van vijftig individuen is sprake van 1225 één-op-één-relaties en talloos veel meer complexe sociale combinaties.) Alle mensapen vertonen een sterke belangstelling voor dit soort sociale informatie, maar ze kunnen niet echt effectief roddelen. [2]” Hierdoor kon een groep, zo betoogt Harari, groeien tot wel 150 individuen.

Taal gaf een boost aan onze, cognitieve motor, ons voorstellingsvermogen, zo beweren Madeleine Böhme en haar coauteurs: “Misschien is de zwerflust, de drang om onbekende verten te verkennen en nieuwe milieus te veroveren veel ouder dan tot nu toe wordt aangenomen en zat het van meet af aan in onze genen? We zouden ons nu ook kunnen afvragen waarom willen mensen naar Mars? Misschien is het antwoord op beide vragen hetzelfde: niet omdat we het kunnen, want dat laatste kunnen we immers nog niet, maar omdat we het ons kunnen voorstellen. Omdat we dankzij ons verstand in staat zijn ons fictieve situaties in te beelden; in onze geest werelden, plaatsen en situaties te scheppen en daar emotionele en spirituele energie aan te verbinden. De voorstelling van wat aan gene zijde ligt, is misschien wel de voornaamste cognitieve motor van onze evolutie.[3] Taal maakt het veel makkelijker om je ‘voorstelling’ met anderen te delen en hen aan je kant te krijgen. De grootste kracht van de mens is zijn vermogen om verhalen te verzinnen die voor de verzinner en voor zijn soortgenoten net zo reëel zijn als een boom of een rivier. Of zoals Harari het beschrijft: “Sinds de cognitieve revolutie leven sapiens aldus in een dubbele realiteit. Aan de ene kant heb je de objectieve realiteit van rivieren, bomen en leeuwen en aan de andere kant de imaginaire realiteit van goden, naties en corporaties.[4]Twee realiteiten die sinds een jaar of twintig worden aangevuld met een derde, virtuele realiteit. Een realiteit die de andere twee combineert door je beelden voor te schotelen die je in toenemende mate niet van echt kunt onderscheiden, waarin je binnen de limieten van het programma ‘imaginair’ actief kunt zijn. Verhalen bedoeld om individuen te binden en te onderscheiden van andere groepen. Verhalen die dus tegelijk binden en scheiden.

Eeuwenlang, en nu nog, worden verhalen van mond tot mond gedeeld. Zwak punt bij dat delen, is dat ons geheugen ons wel eens in de steek laat en we iets vergeten, we ons iets herinneren wat er niet was of we andere woorden gebruiken, waardoor het verhaal verandert. In het vierde millennium voor onze jaartelling vonden onze voorvaderen iets uit waarmee dit risico werd verkleind. Of ze het om die reden uitvonden weet ik niet, maar het hielp er wel bij. Die uitvinding was het schrift. Spijkerschrift op kleitabletten in Mesopotamië, de hiërogliefen van het oude Egypte op muren maar ook op papyrus. Als je de tekens kent, dan begrijp je het verhaal. Dan lees je allemaal hetzelfde.

Nou, niet helemaal. Je leest dezelfde woorden, maar geeft iedereen die woorden dan ook dezelfde betekenis? Geven ze er allemaal dezelfde uitleg aan? Neem het meest verkochte boek uit de geschiedenis, de bijbel, dat wordt op veel verschillende manieren uitgelegd. Ieder kerkgenootschap dat zich erop baseert, legt het op een eigen manier uit. De een legt een tekst letterlijk uit, de ander doet dat in een historische of andere context en zelfs over de letterlijke uitleg kun je van mening verschillen. Het enige wat al die uitleggen gemeen hebben, is dat de uitleggers er allemaal van overtuigd zijn dat ze het bij het rechte eind hebben.

Bij dat uitleggen spelen emoties een belangrijke rol en emoties en de manier waarop ze al dan niet worden geuit, kan behoorlijk verschillen. Firth-Godbehere geeft hier een mooi voorbeeld van in zijn boek: “Ik ben bij concerten geweest in Barnsley, ook in Engeland, waar het publiek bewegingsloos en met uitgestreken gezicht het hele optreden aanhoorde. Maar toen de muziek eenmaal afgelopen was, stond er een rij mensen klaar om op de band  af te lopen, ze bier aan te bieden en te vertellen hoe fantastisch ze wel niet hadden gespeeld. De specifieke emotionele gemeenschap is er een waarin stoïcijnse stoerheid – ongeacht het geslacht – het soort gepassioneerde uitingen vermijdt die je ziet bij optredens elders, zelfs stadjes op een paar kilometer van Barnsley.[5] Een manier van ‘genieten’ die overeenkomst met het ‘Venlose swingen’ zoals Sef Derkx het in zijn wekelijkse column bij Omroep Venlo beschrijft en die ik bij mijn stadgenoten herken: “Bij het Venlose swingen zit je op een festivalbank en tik je met een voet op de grond. Het hoeft niet in de maot. Ritmegevoel is overbodig. Af en toe maak je schokkende bewegingen met je bovenlijf. Niet te enthousiast. We zijn geen Penny de Jager van Top Pop. Belangrijkste bij het Venlose swingen is, dat je altijd je beker met bier in de löcher houdt. Dat die niet omvalt door een bruuske dansante beweging. Het leven is ook zonder te dansen al duur genoeg en kloeke is allewiels gans onbetaalbaar geworden. Fijn van het Venlose swingen is bovendien, dat je je colbert aan kunt houden. Je zweet niet.” Als je dit als band niet weet, dan denk je dat in Barnsley en Venlo cultuurbarbaren wonen.

Die verschillen waarop mensen emoties uiten, maken het voor kunstmatige, in dit verband ook affectieve, intelligentie zeer lastig en om emoties te herkennen en als ze al worden herkent, ze ook nog te interpreteren, zo betoogt Firth-Godbehere. Hij maakt dit duidelijk aan de hand van een foto van hemzelf met een gebalde vuist en een grimmig gezicht. Vervolgens vraagt hij de lezer: “Ben ik ziedend op andere weggebruikers? Of vier ik dat ik op de autoradio hoor dat mijn favoriete club heeft gescoord?”  Hij vervolgt: “Zelfs mensen hebben moeite zoiets te bepalen. Als we emotieherkennings-KI in zelfbesturende auto’s willen installeren zodat die de controle overneemt en de auto aan de kant laat stilstaan als ze mijn woede herkennen, dan kan mijn juichende vuist in de lucht betekenen – niet dat mijn club zo vaak scoort – dat ik stil kom te staan aan de kant van de weg en kwader en kwader word op mijn ergerlijke ‘intelligente’ auto.[6]

Firth-Godbehere ziet een gevaar in die pogingen om emoties via technologie te herkennen. “De westerse ideeën over emotie die ten grondslag liggen aan deze technologie, zullen culturele verschillen wreed vertrappen en het zal niemand interesseren. De teerling is geworpen en de technologie is westers-  en dat zullen alle emoties ook al snel zijn.” Dit omdat wij mensen bijzonder creatief in het ons aanpassen aan nieuwe omstandigheden en via de technologie zal dat de westerse uitleg van emoties zijn. Want: “Als regeringen denken dat ze de kostbare technologie die ze hebben gekocht misdadigers kan herkennen aan de hand van hun onvoorspelbare gedrag, dan zullen mensen zich domweg voorspelbaar gaan gedragen om te voorkomen dat ze in de problemen komen.[7]  Die technologie zorgt er dan wel voor, of anders gezegd, ze dwingt ons naar ‘uniform handelen’. Firth-Godbehere ziet nog een tweede manier waarop we naar ‘universele emoties’ worden geduwd, Die manier heeft te maken met een nieuwe manier waarop emoties worden geuit, de emoji’s: “Veel linguïsten die zich met dit verschijnsel bezig houden, lijken aan te nemen dat emoji’s een nieuw internationaal schrift gaan vormen en een nieuwe wereldwijde uitingsvorm van emoties.[8]

Een moderne variant van hiërogliefen schrift dat we allemaal begrijpen. Een uniforme taal. Zou dat een zegen zijn? Firht-Godbehere denkt er anders over: (Dat) de enorme diversiteit van manieren om emotie op te vatten en te uiten iets heerlijks is.  … Ik ben ook bang dat de wereld er niet beter of veiliger op zal worden als emotionele misverstanden, en ons vermogen die te herkennen en erkennen bij de ander, uiteindelijk zouden verdwijnen.[9]  Volgens Firth- Godbehere gaat het wel die kant op en dat zou jammer zijn. Denk daar maar eens aan als je me voor deze Prikker beloont met een duimpje of een smiley.


[1] Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian BreierHoe we mensen werden, Pagina 214

[2] Yuval Noah Harar, Spaiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid pagina 32

[3] Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier, Hoe we mensen werden. Een geheel nieuwe kijk op de oorsprong van de mensheid, pagina 192

[4] Idem, pagina 42

[5] Richard Firth-Godbehere, emoties. Hoe emoties de wereld hebben gevormd, pagina 15

[6] Idem, pagina 296-297

[7] Idem, pagina 294-295

[8][8] Idem, pagina 306.

[9] Idem pagina 295

Uitgelicht

Toegeëigende verhalen

Bij De Correspondent een aangrijpend artikel over Svitlana Matviyenko. “Matviyenko is als universitair docent Critical Media Analysis verbonden aan de Simon Fraser-universiteit in Canada. Daar woont ze, maar ze is nu in Kamjanets-Podilsky, haar geboorteplaats in het zuidwesten van Oekraïne. Ze huurt er een appartement vlak bij haar bejaarde ouders.”  Ze vraagt aandacht voor: “de manier waarop Rusland de Oekraïense cultuur altijd heeft ingelijfd en toegeëigend, ook in de westerse verbeelding. Je hoeft maar een westers kunstmuseum te bezoeken om dit te zien. Van de Oekraïense schilder Kazimir Malevich, die altijd als Russisch wordt aangemerkt, tot de ‘Russische dansers’ van Edgar Degas, die eigenlijk Oekraïense klederdracht dragen.” Nu ligt je iets toe-eigenen tegenwoordig erg gevoelig. Maar heeft ze een punt?

Schilderij ‘Het zwarte vierkant‘ door Malevitsj.

Ze noemt Malevitsj dus laten we haar bewering eens langs de casus Malevitsj leggen. Kazimir Severinovitsj Malevitsj werd, zo is te lezen op Wikipedia, op 23 februari 1879 geboren in Kiev. Zijn ouders waren Pools en zijn jeugd bracht hij door in Kiev en omgeving. In 1895-1896 studeerde hij in Kiev en na de dood van zijn vader in 1904 vertrok hij naar Moskou voor een studie aan de Hogeschool voor Schilderkunst, Plastiek en Architectuur. Hij gaf les in Vitebsk een plaats in het huidige Belarus en later in Petrograd, dat vervolgens Leningrad werd alwaar hij op 15 mei 1935 aan kanker overleed. Hij wilde, zo is te lezen op de genoemde Wikipedia-pagina: “dat zijn as onder een eik in de kunstenaarskolonie Nemchinovka zou worden bijgezet. Hij kwam graag in dit dorp op de rand van Moskou.”

Geboren in Kiev, dus Oekraïne? Eén probleem, op het moment van zijn geboorte noch in al die tijd ervoor, bestond er geen land dat Oekraïne heette. De stad behoorde tot het Russische tsarenrijk en dat als sinds 1686 toen het gebied werd veroverd op de Pools-Litouwse gemenebest die in 1569 ontstond. Voor die tijd was de stad vanaf 1362 een deel van het hertogdom Litouwen. Dat hertogdom nam de stad over na het wegtrekken van de Mongoolse horden. Die horden maakten een einde aan het Kiev Rus rijk of het Kievse rijk. Als we de geschiedenis van Kiev vanaf zijn geboorte naar het heden bekijken, dan is 1917 een belangrijk jaartal. In dat jaar werd eerst (met de Februarirevolutie van maart) een einde gemaakt aan tsaristisch Rusland en eind dat jaar (met de Oktoberrevolutie van november) viel het land uiteen en brak er een burgeroorlog uit en wisselde de stad geregeld van heersers. Respectievelijk de Roden, de Witten, de Duitsers, de Polen en uiteindelijk, de Oekraïense Socialistische Sovjetrepubliek die weer opging in de Unie van Socialistische Sovjet Republieken. Dat land viel in 1991 uiteen in 14 delen waarvan het huidige Oekraïne er een is. Is Malevitsj dan een Oekraïense, een Russische of een Sovjet-kunstenaar? Of toch Pools omdat zijn ouders Pools waren? In welke ‘cultuur’ is hij gevormd en van welke cultuur is hij een typische vertegenwoordiger? 

Bij zo’n ‘toe-eigening’ van personen, culturen of rijken uit het verleden en dus het ‘schrijven van die verhalen’, kunnen rare dingen gebeuren. Zo noemde ik hierboven het Kiev Rus rijk. Dit rijk kwam in de negende eeuw op, kende haar hoogtepunt in de zo tussen 970 en 1070 en verdween van de kaart toen Batu Khan, kleinzoon van Dzjengis, het gebied zo rond 1240 veroverde. Tegenwoordig eigenen drie van die ‘onze verhalen’ zich het Kiev Rus rijk toe, Oekraïne, Rusland en Belarus. Welk van die ‘verhalen’ is dan echt en welk is ‘toegeëigend’? Of zijn het allemaal pogingen om zich ‘iets toe te eigenen’ in pogingen om een ‘trots op ons’ verhaal te creëren. Van die gevaarlijke verhalen die leiden tot groepsvorming en je afzetten tegen anderen?

Uitgelicht

Zum kotzen!

Zum Kotzen! “Op zaterdag 30 april reed Rolling Thunder de Canadese hoofdstad Ottawa binnen: een konvooi van enkele honderden vrijheidslievende motorrijders. Het waren ditmaal niet de truckers, maar de veteranen die het voortouw namen in het verzet tegen het dictatoriale beleid van de regering Trudeau.” Dit las ik op de site Transitieweb Een site voor, zoals ze zelf zeggen: “Waarheidszoekers en toekomstbouwers”. Bij het artikel wat korte video’s van het gebeuren die dag met daarbij de woorden: “Ze waren hier niet in het nieuws te zien. Ook op het internet zijn ze nog maar met moeite te vinden. Zum Kotzen, omdat ik een oprisping eruit moest krijgen.

Bron: Flickr

In alle vrijheid, terwijl je geen strobreed in de weg wordt gelegd, protesteren voor vrijheid en tegen een ‘dictator’. Politieagenten kijken toe en zorgen ervoor dat de stoet ongehinderd kan doorrijden. Een Rus zou zich wensen zo te kunnen protesteren voor zijn vrijheid en tegen de dictatuur. Je kunt het niet eens zijn met de manier waarop de Canadese regering de coronapandemie bestrijdt, dat maakt de maatregelen nog niet ‘dictatoriaal’. Sterker nog, Trudeau won de verkiezingen van september 2021 en werd daarmee herkozen. Dit geheel volgens de regels van de Canadese democratie. De manier waarop zijn regering de coronapandemie bestrijdt, kan daarmee rekenen op de steun van het Canadese volk. Zouden de demonstranten maar ook de ‘waarheidszoekers en toekomstbouwers ’van Transitieweb weten hoe lang de strijd voor democratie heeft geduurd? Het lijkt erop dat ze zo verwend zijn met en door vrijheid dat ze onvrijheid niet herkennen. Een ‘toertochtje’ om te strijden voor vrijheid en tegen de coronamaatregelen, het ‘dictatoriale beleid’, van de regering Trudeau.

Vandaar die oprisping die eruit moest. Die oprisping werd flink vergroot en hoekiger. Daarvoor even wat jaren terug in de tijd. Naar 1963. In dat jaar bracht Bob Dylan het nummer Blowing in the Wind uit. Een protestnummer tegen de oorlog in Vietnam met daarin de volgende woorden: “And how many ears must one man have before he can hear people cry? Yes, and how many deaths will it take ‘til he knows that too many people have died?”  Dat was nog voordat het Amerikaanse leger startte met het bombarderen van Noord-Vietnam. Met deze bombardementen wilden de Amerikanen vier doelen bereiken. Als eerste het verzwakken van het moreel van de Noord-Vietnamese regering om deel te nemen aan de oorlog in Zuid-Vietnam. Nu lieten de ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog al zien dat bombardementen het moreel van de gebombardeerde versterken. Iets wat we nu ook weer in Oekraïne zien. Als tweede het moreel van de regering in Zuid-Vietnam opkrikken. Als derde moest het transportsysteem, de industriële basis en de luchtverdediging van Noord-Vietnam worden vernietigd. Nu waren de Sovjet Unie en China graag bereid om de voorraden van de Noord-Vietnamezen aan te vullen. Het vierde doel lag in het verlengde hiervan: de stroom mankracht en wapens naar Zuid-Vietnam moest worden gestopt. Ook deze doelen werden niet bereikt. Wat er in die driejarige campagne met ruim 300.000 aanvalsvluchten en 864.000 ton bommen op het Noord-Vietnam wel werd bereikt? Volgens de CIA werden hiermee bijna 28.000 Vietnamese soldaten en 48.000 burgers gedood. De Amerikaanse regering schatte het aantal burgers op 30.000 en onafhankelijke onderzoekers tot zo’n 180.000. Daarnaast sneuvelden nog zo’n 20.000 Chinezen die de Noord-Vietnamezen ondersteunden.

Waarom begin ik hierover? Een goede vraag. Ik begin hierover vanwege de naam van die driejarige campagne: Rolling Thunder. En nu bijna zestig jaar later gebruiken motorrijders die zich ‘vrijheidslievend’ noemen, deze naam voor hun ‘toertochtje’ naar de Canadese hoofdstad. Zum kotzen!

Uitgelicht

Onbeheerste beheersbaarheid

In zijn column in de Volkskrant vraagt Peter de Waard zich af hoeveel tijd fietsenmaker VanMoof krijgt om winstgevend te worden: “In 2021 werd op een omzet van 90 miljoen euro een verlies van 70 miljoen euro geleden,”  zo schrijft hij. Nu gaat het mij niet om die winstgevendheid en de tijd die de fietsenmaker al dan niet moet krijgen. Het gaat mij om het volgende: “Van weigerende fietsbellen en spontaan loeiende diefstalbeveiligingen tot fietsen waarvan het niet lukt het slot met de smartphone te openen. En dat laatste is extra lastig als het traditionele sleuteltje er niet meer is. Ongeveer 10 procent van de verkochte fietsen moest worden teruggenomen.” Hierbij moest ik weer denken aan The Uncontrollability of the World  van Hartmut Rosa waarover ik in mijn vorige Prikker ook al schreef.

Bron: Flickr

De fiets is een heel praktische uitvinding waarmee de spierkracht van de mens wordt omgezet in snelheid. Bij de allereerste versie waren de trappers rechtstreeks aan het voorwiel bevestigd. Een keer rond trappen betekende dat ook het wiel een keer rond ging. Om de snelheid op te voeren werd dat wiel al snel groter gemaakt en zo ontstond de hoge bi. De fiets met het grote voorwiel waarop de trappers waren bevestigd. Nadeel was dat je hoog zat waardoor de stabiliteit geringer was, zeker bij lage snelheden. Aan het leven van de hoge bi kwam al na korte tijd een einde. Hij werd uit de markt geconcurreerd door een geïnnoveerde versie. De innovatie bestond eruit dat de beide wielen weer even groot werden. Het voorwiel was om te sturen en de fiets werd indirect aangedreven via het achterwiel. Indirect omdat de trappers niet aan het wiel waren bevestigd maar aan een tandwiel. Via een ketting was dit tandwiel verbonden met een tandwiel dat aan het achterwiel was bevestigd. Het geheel was veel stabieler. Door met de grootte van beide tandwielen te spelen, kon je het aantal wielomwentelingen van één keer rondtrappen, vergroten of verkleinen. Meer tanden in het wiel voor betekent een zwaarder verzet en dus meer wielomwentelingen. Ook minder tanden op het tandwiel aan de achterwiel betekenen een groter verzet en meer omwentelingen. Hoe groter het verschil in tanden tussen voor en achter, hoe sneller de fiets.

Maar ik dwaal af. De fiets is een heel praktische uitvinding. De meest eenvoudige versies, zonder versnellingen, zijn bij een defect makkelijk te repareren. Dat lukt mij zelfsmet mij twee linkerhanden nog. De band van een VanMoof plakken zal me waarschijnlijk nog wel lukken, maar een ‘loeiende diefstal beveiliging’ of een ‘slot met de smartphone’ dat zal mij niet lukken. Nu is de fiets niet het enige gebruiksvoorwerp dat is ‘geICTiseerd’ om een niet bestaand woord te gebruiken maar wat wel duidelijk maakt wat ik bedoel. Voor auto’s geldt het zelfde. Vroeger kon een goede automonteur alle auto’s repareren omdat de basisprincipes van alle auto’s hetzelfde zijn. Nou ja alle, bijna alle. Citroënrijders deden er toch goed aan naar een garage van dat merk te gaan als er iets mis was met het ‘hydropneumatisch veersysteem’. Tegenwoordig moet je naar de merkgarage omdat de auto aan de computer wordt gelegd en alleen de merkdealer heeft de juiste software om de zaak ‘uit te lezen’. Al die technologie is erin gestopt om het ding en de deelname aan het verkeer veiliger te maken. Om de controle van de bestuurder te vergroten.

Met die controle kom ik bij Rosa. Volgens Rosa streeft de moderne mens naar twee zaken die zich slecht met elkaar verhouden. Aan de ene kant is dat beheersbaarheid van de wereld. Beheersbaarheid door kennis van de werking van zaken en door technieken om de wereld te beheersen. “The driving cultural force of that form of life we call ‘modern’ is the idea, the hope and desire, that we can make the world controllable.” Aan de andere kant zoekt de mens naar wat Rosa het onverwachte noemt, het niet beheersbare dat hem of haar in vervoering breng. Rosa: “Yet it is only in encountering the uncontrollable that we really experience the world . Only then do we feel touched, moved, alive.  …The drive in our lives unfold as the interplay between what we can control an that which remains outside our control, jet ‘concerns us’ in some way. Life happens, as it were, on the borderline.[1]

Al die nieuwe technieken in de auto zijn bedoeld om de beheersbaarheid te vergroten. Het alarmsysteem en het ‘slot met smartphone’ evenzeer. Maar ook, zo betoogt Rosa, al die apps en systemen om permanent je bloedwaarden, ademhaling, vetverbranding enzovoorts te meten. Allemaal bedoeld om de wereld te beheersen en dat lukt aan de ene kant ook. Maar die beheers zucht leidt tot frustratie, spanning en oncontroleerbaarheid overal in ons dagelijkse leven, zo schrijft Rosa in een hoofdstuk met als onheilspellende titel The Monstrous Return of the Uncontrollable. Dit is, aldus Rosa, een gevolg van: “the categoral gulf between theoretical control and actual control, the concurrence of controllability in theory and uncontrollability in practice.”  En dat niet beheersbare doet zich voor als het VanMoof-fietsalarm afgaat en je het niet uit kunt zetten. Of, zoals Rosa schrijft: “Anyone who has ever tried to roll down the windows or release the handbreake on their car when its electrical systems are jammed has expirenced this. Minor problems that only a few years ago could be resolved with a fwo flicks of the wrist or a hammer now require calling a tow truck and ordering expensive replacement parts that could take weeks to arrive.[2] En ‘weeks’ kan ook erger zo lees ik in een artikel in de Volkskrant. Een artikel over al het wapenmateriaal dat de Amerikanen moeten vervangen omdat ze het naar Oekraïne sturen: “Net als in andere industrietakken kampen de wapenfabrikanten door de pandemie met logistieke problemen en met tekorten aan materialen en personeel. Hierdoor zal het jaren duren voor de VS hun voorraad Javelins en Stingers hebben aangevuld.” En dat aanvullen wordt bemoeilijkt omdat: “ze een nieuwe leverancier (moeten) vinden voor titanium, dat veel wordt gebruikt in de militaire en luchtvaartindustrie. Rusland is een van de grootste producenten.”

Ons streven naar beheersbaarheid leidt tot onbeheersbaarheid. Het lijkt erop dat Rosa een punt heeft.


[1] Harmut Ros, The Uncontrollability of the World, pagina 2

[2] Idem. Pagina 110-111

Uitgelicht

Wat wil het volk?

“Democratische instituties versterken vaak de spanningen, omdat democratie altijd een zoektocht naar een meerderheid is.” Die zin uit een interview in de Volkskrant met Yascha Mounk liet mij niet los. Als dit het resultaat is van onze democratie, dan gaat er iets niet goed. Democratie zou toch juist die spanningen moeten wegnemen. Daarover straks meer. Eerst het betoog van Mounk.

Volgens Mounk zitten de Westerse samenlevingen in een groot experiment van de multi-etnische samenleving: “De situatie waarin we ons bevinden is nieuw: nog nooit woonden er zo veel immigranten in Europa en Noord-Amerika. Etnisch homogene landen zijn veranderd in multi-etnische democratieën waarin verschillende bevolkingsgroepen een manier van samenleven moeten vinden.” En nee, dit is: “niet het resultaat van een complot door een kwaadwillende elite, maar het onbedoelde gevolg van een reeks politieke, economische en humanitaire beslissingen.”  Volgens Mounk dreigt onze samenleving verscheurd te worden door nationalistisch rechts en de nadruk die een groot deel van de linkse politici leggen op identiteit: “Het doel is om te leren dat identiteit een van de belangrijkste aspecten van hun persoonlijkheid is. De bedoeling is ook om minderheden te stimuleren voor hun belangen en rechten te vechten. En de witte leerlingen moeten tot overtuigde antiracisten worden gemaakt. Maar wat we weten uit de psychologie: als je een sterke groepsidentiteit aanneemt, vecht je voor je eigen belangen en sluit je buitenstaanders uit.”  In Mounks analyse kan ik mij vinden. Ze komt overeen met wat ik in een eerdere Prikker schreef. Volgens Mounk hoeven we echter niet de somberen over de toekomst: “Een van de bronnen van mijn optimisme is de ontwikkeling van de samenleving. Die staat er veel beter voor dan de pessimisten van rechts of links willen doen geloven.   … In de meeste Europese landen wordt burgerschap niet meer gedefinieerd op de etnisch homogene manier van veertig jaar geleden. Veel Europeanen geloven dat immigranten volwaardige burgers kunnen worden.” Dat geeft hoop. Maar nu terug naar de zin waarmee ik begon en die mij niet losliet.

Democratische instituties die spanningen versterken omdat er een eeuwige zoektocht naar meerderheden is. Op het moment dat ik dit schrijf is die zoektocht gaande in Frankrijk. Daar kiest men een nieuwe president. Met het kiezen van die president wordt op vele terreinen de meerderheid voor de komende vijf jaar bepaald. En dan baart het zorgen als je, zoals Frank Kalshoven ook in de Volkskrant, schrijft dat Frankrijk een president krijgt die het volk niet wil: “Geen van beide kandidaten, de zittende president Emmanuel Macron noch uitdager Marie Le Pen, verovert de hoofden en harten van de Fransen.” Het Nederlandse systeem zit iets anders in elkaar, maar ook hier bepalen verkiezingen voor een zeer groot deel de ‘meerderheid’ voor een periode van vier jaar. En ook hier zitten we opgescheept met, om Kalshoven te parafraseren, een ‘meerderheid die het volk niet wilde.’ Die ‘niet gewilde meerderheid’ zorgt voor de spanningen die Mounk . Of zoals Kalshoven het omschrijft: “tot chagrijn, teleurstelling, woede. En onverschilligheid.”

De democratie afschaffen dan maar? Nou dat lijkt mij geen goede zaak. Om Churchill aan te halen: “Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.” Ook dictaturen, absoluut of verlicht, of een aristocratisch geregeerde landen zijn niet vrij van chagrijn, teleurstelling, woede en onverschilligheid. Een democratie heeft op de andere regeringsvormen voor dat er een andere manier is dan een opstand of revolutie om tot nieuwe leiders te komen.

Afschaffen valt daarmee af. Verbeteren dan maar. De noodzaak is er, zo betoogt Marc Chavannes bij De Correspondent: “Een opwarmende aarde (ja, nu), oorlog in Oekraïne (ja, die kan lang duren en overslaan naar NAVO-landen), een energiecrisis, woon- en leefarmoede, de ondemocratische uitholling van de Europese Unie en de Verenigde Staten …. Zo’n kruispunt van crises vraagt om overzicht en leiding, weloverwogen daadkracht, gestimuleerd en begrensd door een goed functionerend parlement. Juist in een wereld waarin autocratie om zich heen grijpt en democratie – ook van binnenuit – geloofwaardigheid verliest, is het van levensbelang de democratische rechtsstaat gezond en veerkrachtig te houden.” Daarom pleit hij voor het versterken en zoekt daarbij aansluiting bij het Rapport van de Staatscommissie parlementair stelsel (in de volksmond de commissie Remkes) die vorig jaar haar onderzoek presenteerde. De Staatscommissie beveelt van alles aan: het kiesstelsel aanpassen zodat er meer op een persoon wordt gestemd, een bindend correctief referendum, een gekozen formateur, het invoeren van een Constitutioneel Hof. Ik vraag me af of deze voorstellen het ‘spanningsprobleem’ oplossen.

Wat we via verkiezingen doen, is het kiezen van vertegenwoordigers die namens ons gaan besluiten. We delegeren onze bevoegdheden aan hen waarvan we denken dat ze het beste onze belangen en opvattingen vertegenwoordigen en ernaar handelen. Nu vul ik voor verkiezingen geregeld een of meer van die ‘kieswijzers’ in. Niet dat ik mijn stem daardoor laat bepalen. De uitslag ervan is een lijstje met percentages die aangeven hoeveel procent van je antwoorden overeenkomen met de standpunten van de betreffende partijen. Het komt bij mij zelden voor dat een partij meer dan 60% haalt. Dat betekent dat een partij me in zo’n 40% van de gevallen in meer of mindere mate teleurstelt. Ik verwacht dat mijn ervaringen hierin niet zoveel verschillen van de gemiddelde mens.

Wat zien we als we hiermee naar de Franse presidentsverkiezingen kijken? In de eerste ronde dongen er meerdere kandidaten mee waarvan de twee de meeste stemmen kregen, Macron iets meer dan 25% en Le Pen iets minder dan 25%. Deze kiezers kunnen zich in een meerderheid, als ze met mij te vergelijken zijn zo’n 60%, van de standpunten van de beide kandidaten vinden. Vandaag gaat de race tussen deze beiden waarbij de keuze van die andere 50% de doorslag moet geven. Die 50% kiezers, moet kiezen voor een kandidaat die niet hun voorkeur heeft en in wiens standpunten ze zich in veel mindere mate zullen herkennen. In Nederland werkt het min of meer hetzelfde. We stemmen op een partij waar we ons het meest in herkennen. In de tweede ronde, de ronde waarin wij als kiezers buitenspel staan en die de formatie heet, worden uiteindelijke de belangrijke besluiten genomen. Als de partij van je keuze deelneemt, dan is dit het moment dat je herkenning in het uiteindelijke beleid achteruit holt. Om deel te nemen moeten er immers compromissen worden gesloten en/of zaken worden uitgeruild. De herkenning wordt hierdoor geringer en is het geringst voor de verliezers, in Frankrijk de stemmers op de verliezende kandidaat en in Nederland de stemmers op de partijen die buiten de regering vallen. Het belangrijkste instituut van de democratie, de verkiezingen, versterken de spanningen.

Zou het verminderen van die spanning dan ook niet daar moeten beginnen? En nee, niet door verkiezingen te vervangen door gelote landelijke burgerberaden die met belangrijke onderwerpen, zoals de klimaatcrisis, aan de slag gaan, waar Eva Rovers voor pleit. Een club van bijvoorbeeld 150 gelote burgers die voorstellen uitwerken die vervolgens aan de gekozen volksvertegenwoordiging worden voorgelegd. Nee, beginnen door de vertegenwoordiger er tussenuit te halen. Door als burger zelf de belangrijke besluiten te nemen en wetten vast te stellen. Door onze democratie door te ontwikkelen van een vertegenwoordigende naar een directe. En nee, geen directe democratie via referenda maar door samen het gesprek aan te gaan en samen naar oplossingen te zoeken. In een directe democratie: “voters don’t need the approval of others in order to cast their own votes, nor are they obliged to agree with others on a long list of issues in order to have an impact. If you want to be tough on crime but don’t include drug possession in that, that’s up to you,[1]aldus Roslyn Fuller terecht schrijft in haar boek In defence of democracy.

Ook in een directe democratie zal het gebeuren dat ik me niet kan vinden in hetgeen er is besloten. Ik heb er wel altijd invloed op kunnen uitoefenen. Via die directe democratie blijven we met elkaar in gesprek. Zou dat in gesprek blijven er niet voor zorgen dat we die nieuwe manier van samenleven vinden waar we volgens Mounk naar op zoek moeten?


[1] Roslyn Fuller, In defence of democracy, pagina 211

Uitgelicht

Bomber Harris

Op de site Joop een interessante bijdrage van historicus Han van der Horst met als titel In Oekraïne vindt nu geen genocide plaats. Dat er ook anders over wordt gedacht, laat de Amerikaanse president Biden zien die Rusland er van beticht genocide te plegen. “Russische soldaten plunderen, vernielen, verkrachten en moorden. Ook doen de strijdkrachten van Poetin weinig moeite de burgerbevolking te ontzien,” zo schrijft Van der Horst, maar: “Genocide betekent het systematisch uitroeien van grote groepen mensen vanwege hun etnische afstamming of hun levensbeschouwelijke overtuigingen terwijl mogelijke overlevenden van huis en haard worden verdreven.” Daarvan is geen sprake, aldus Van der Horst want Oekraïners: “worden niet om hun afkomst ten dode vervolgd.” En door het begrip oneigenlijk te gebruiken: “hol je een belangrijk begrip inhoudelijk uit. Je reduceert het tot een term die te pas en te onpas wordt gebruikt om de vijand verder te demoniseren. Je brengt het terug tot een scheldwoord.” Bij het lezen van zijn artikel moest ik denken aan ‘Bomber Harris’.

‘Bomber Harris’ was de bijnaam van de Brit Arthur Travers Harris. Harris werd geboren in 1892 in Cheltenham en overleed in 1984. Op zijn zestiende trok hij naar de Britse kolonie Rhodesië, het huidige Zimbabwe. Daar was hij nog steeds toen enkele jaren later de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Harris nam dienst in het First Rhodesian Regiment en nam deel aan de verovering van Duits Zuidwest Afrika, het tegenwoordige Namibië. In 1915 ging hij terug naar het moederland en ging in dienst bij het Royal Flying Corps. Na de oorlog bleef hij actief bij wat inmiddels de Royal Air Force heette en door de jaren heen klom hij op in de rangen van de RAF. Uiteindelijk kreeg hij in 1942 het bevel over ‘Bomber Command’, de hoogste post bij de Britse luchtmacht. Ik moest aan Harris denken door de volgende zin in het artikel van Van der Horst: “Er zijn redenen om de  geallieerde bombardementen op Duitse steden tijdens de Tweede Wereldoorlog als oorlogsmisdaad aan te merken maar genocide was het niet.”

Dresden na het bombardement. Bron: Wikipedia

Harris was namelijk verantwoordelijk voor het uitvoeren van de Area Bombing Directive en dus voor die bombardementen op de Duitse steden. Met de Area Bombing Directive van 1942 gaf de Britse regering haar luchtstrijdkrachten de opdracht om door middel van bombardementen de industrie, haar arbeiders en het moraal van de Duitse bevolking te vernietigen door de Duitse steden en haar inwoners te bombarderen. Aan het breken van het moraal van de Duitsers droegen de bombardementen niet zoveel bij. Dat nam eerder toe dan af. Dat hadden de Britten kunnen weten want de Duitse bombardementen op Engelse steden in het begin van de oorlog hadden het Engelse moraal juist een boost gegeven.

Waar ze wel aan bijdroegen was aan de vernietiging van steden en het aantal oorlogsslachtoffers. Vooral de bombardementen op de steden Keulen (30 en 31 mei 1942), Hamburg (24 juli-3 augustus 1943) en Dresden (13 en 14 februari 1944) waren bijzonder vernietigend. Harris ontwikkelde de techniek van het tapijtbombardement. Een techniek waarbij er een vuurstorm ontstaat. Die techniek bestond eruit dat de eerste stroom bommenwerpers luchtmijnen uitwierpen. Deze zorgden ervoor dat de daken, ramen en deuren werden vernietigd. De volgende stroom bommenwerpers gooiden brandbommen en brisantgranaten die de hele zaak in brand zetten. Die brand moest leiden tot een vuurstorm waarbij de temperatuur kon oplopen tot 800 graden Celsius en de wind snelheden bereikte van zo’n 240 kilometer per uur. Een brand die zo intens is dat zuurstof uit schuilkelders werd gezogen en rook erin waardoor je nergens veilig was. Daarnaast werden er bommen met een tijdsontsteking afgeworpen. Bommen die niet ontploft leken maar dat op een later moment alsnog zouden doen. Deze bommen bemoeilijkten het reddingswerk omdat men niet wist wanneer ze zouden ontploffen. In totaal stierven er in Hamburg en Keulen zo’n 42.000 mensen en in Dresden vielen 25.000 doden.

Alleen het bombardement op Dresden leidde na de oorlog tot enige ongerustheid bij de Bitse regering. Er gingen stemmen op dat er hier sprake was van een oorlogsmisdaad. Hier ontbraken de fabrieken die in de andere gebombardeerde steden wel in meer of mindere mate aanwezig waren. Bovendien zat de stad vol met vluchtelingen die uit het oosten van het voormalige Duitse rijk waren gevlucht. Die ongerustheid weerhield de Britse regering er niet van om Harris de hoogste rang bij de RAF te geven, Marshall of the Royal Air Force. Ook de andere bombardementen zou je als oorlogsmisdrijf kunnen betitelen. Hierbij moet de proportionaliteit van de 42.000 vooral burgerslachtoffers worden afgewogen tegen de militaire doelen. Een lastige afweging. Dresden maakte echter geen einde aan grootschalige bombardementen van steden in oorlogssituaties. Zo bombardeerden de Amerikanen in 1972 de Noord-Vietnamese stad Hanoi en werden Mosul en Aleppo recentelijk bijna met de grond gelijk gemaakt. Een lot dat nu in het verschiet ligt voor de Oekraïense stad Marioepol.

Tegenwoordig is die vuurstorm geperfectioneerd in één wapen, de vacuümbom is: “een tweetrapswapen en bevat twee explosieve ladingen. In de eerste fase, bij de inslag, verspreidt de bom een fijne nevel (gaswolk) van licht ontvlambare aerosolen bestaande uit nano-thermiet, een mengsel van metaalpoeder en fijn verdeeld metaaloxide. Die nevel verspreidt zich razendsnel rondom hindernissen en dringt overal binnen. Een fractie van een seconde later detoneert een tweede lading … waardoor een gigantische vuurbal, met temperaturen tot 3.000 graden Celsius en een langdurige drukgolf ontstaat,” aldus de uitleg op Wikipedia. De Britten en Amerikanen hebben deze bommen in Afghanistan ingezet, de laatste keer in 2017 onder president Trump. De Amerikaanse draagt de naam Massive Air Blast Bomb en in populaire benaming Mother Of All Bombs. Naast deze beide landen, heeft ook het Russische leger dit soort bommen in haar arsenaal. Of eigenlijk twee waarvan er eentje de ‘Vader van alle Bommen’ wordt genoemd. Naar het schijnt heeft het land ze ingezet in Oekraïne en dat is, zo zeggen deskundigen, een schending van het oorlogsrecht: “Volgens het oorlogsrecht mag geweld alleen worden gebruikt tegen noodzakelijke militaire doelwitten en met proportionele inzet van strijdkrachten. … Dat is absoluut niet het geval als je zo’n vacuümbom of klustermunitie gebruikt. Het probleem is dan dat iedereen in de buurt ook sterft.” Nu moet ik de eerste granaat of kogel nog tegenkomen die onderscheid maakt tussen een soldaat en een burger. Eenmaal afgevuurd volgt het projectiel een baan en als er iets in die baan staat, dan wordt dat geraakt en voor grotere bommen ook voor wie er in de buurt staat.

Daarmee kom ik terug bij Van der Horst zijn zorgen over het gebruik van woorden. In een oorlog zie je dat de daden van de ander meestal worden beschreven met woorden als: oorlogsmisdaad, genocide, misdaad tegen de menselijkheid, schending van oorlogsrecht, onrechtmatig, onschuldige burgerslachtoffers, barbaars en laffe aanvallen op steden en dorpen en de tegenstanders en hun leiders worden met woorden ontmenselijkt. Voor de eigen daden worden andere woorden gebruikt. De eigen partij is rechtvaardig en gerechtigd tot bepaalde acties. De burgerslachtoffers heten collateral damage of nevenschade en die kunnen het gevolg zijn van vergissingen. In de meest extreme variant kan dit leiden tot redenaties als: ‘it became necessary to destroy the town to save it’. Of zoals de Amerikaanse piloot James K. Gibson in de Vietnamoorlog het voor wat betreft het bombardement op dat stadje dat vernietigd moest worden om het te redden, formuleerde: “The way we selected these targets was determined by the VC. They chose the battleground and we really had no choice where we put the target.” De eigen soldaten en leiders worden heroïsche kwaliteiten toegedicht.

Met welke woorden je dat omschrijft en welk moreel oordeel je eraan verbindt, wordt dus bepaald door je positie in het conflict. Voor een objectieve waarnemer verschilt Marioepol niet zoveel van Ben Tré, het stadje dat vernietigd moest worden om het te redden en trouwens ook niet van Mosul, Aleppo, Keulen, Hamburg en Dresden. Dergelijke gebeurtenissen zijn eigen aan de logica van een oorlog. Een schone oorlog bestaat niet, iedere oorlog, welke partijen er ook bij betrokken zijn, is smerig. Voor degene die in de baan van die kogel of granaat staat, maken de woorden waarmee de ‘afvuurder’ zich rechtvaardigt, niet uit. Voor het gevoel en het resultaat van die kogel of granaat op die persoon maakt het niet uit af het projectiel afgeschoten wordt ‘om democratie te brengen’ of dat het door een dictator wordt afgevuurd.

Uitgelicht

Perspectieven

“Ik zou ze willen aanraden: kijk ook naar het ­Oekraïense perspectief. Dan heeft Merkel in relatie tot Poetin waarschijnlijk meer kwaad dan goed gedaan.” Met deze woorden eindigt Arie Elshout zijn column in de Volkskrant. Elshout bespreekt de rol die Merkel heeft gespeeld in het ontstaan van de huidige oorlog in Oekraïne. Volgens een deel van de ‘meningenmensen’ in de wereld was de Duitse politiek ten aanzien van Rusland onder Merkel niet krachtig genoeg: “Merkel liet de strijdkrachten versloffen, deed niets tegen de afhankelijkheid van Russisch gas, bleef ook na de Russische inlijving van de Krim in 2014 balanceren tussen sancties tegen en samenwerking met Poetin en koos voor de totale dialoog.” Met de kennis van nu, is daar wat voor te zeggen.

Legendarische foto van het plaatsen van de Amerikaanse vlag op het hoogste punt van het eiland Iwo Jima. Bron: Flickr

“De wereldkaart volgens China.” Zo luidt de titel van een aflevering van het VPRO-programma Tegenlicht. “De komende twintig jaar zal het zwaartepunt van de wereldeconomie verschuiven naar de Indo-Pacific regio, de landen rond de Indische en Stille Oceaan. Hoe ziet de wereld eruit als China straks de economische wereldleider is?” Zo wordt de uitzending ingeleid. De uitzending opent met een beeld geschetst door de Nederlandse journalist Maarten Schinkel: “Stel je voor je bent het Chinese staatshoofd. Je staat op het strand van China. Je kijkt de oceaan op. Wat zie je dan? Dan zie je een heel benauwend beeld. Recht tegenover je zie je Taiwan. Je ziet de Filipijnen daar. Je ziet Japan daar. Je ziet eigenlijk gewoon een soort cordon om je heen. Een omstrengeling eigenlijk. Het is voornamelijk psychologie. Wij zijn een wereldmacht maar moet je kijken aan alle kanten zijn we gewoon ingesnoerd. Dat is eigenlijk vergelijkbaar met hoe het Russische staatshoofd naar het Westen kijkt. Die ziet ook een soort omsingeling.” Zeker als je naar militaire presentie van je grote tegenstrever kijkt.

In de Volkskrant een interview met Robert Kaplan. “Kaplan (New York, 1952) reisde in zijn meer dan 45 jaar omspannende carrière de hele wereld rond, waarbij hij meer dan twintig boeken schreef, meestal geopolitieke analyses over gebieden die op barsten stonden. Beroemd is bijvoorbeeld het boek Balkanschimmen uit 1993, waarin hij voorspelde dat het voormalige Joegoslavië een tijd van burgeroorlogen tegemoet zou gaan.” Zo introduceert de krant Kaplan. Een interessant interview omdat Kaplan niet denkt in karikaturen. Zo is het nu bijna algemeen aanvaard dat Poetin al vanaf de start van zijn presidentschap een plan heeft om Rusland weer groot te maken en dat uitwerkt. Kaplan ziet dat anders: “In het vroege begin was hij nog een soort hervormer, inmiddels is hij vooral een voorvechter van een soort mystiek Russisch nationalisme. Daarom kun je niet zeggen dat politici die dit niet zagen aankomen, tekort zijn geschoten.” Toch slaat hij op één punt de plank mis. Kaplan: “Zijn uiteindelijke doel was altijd om verdeeldheid binnen het Westen te zaaien. Dat ging lange tijd erg goed, maar op het moment dat hij Oekraïne binnenviel, werd hij in een klap een militair gevaar, met als gevolg dat alle Navolanden zich weer herinneren waarom het instituut in 1949 werd opgericht: de wereld verdedigen tegen Rusland.” Op dat laatste punt gaat hij de fout in. Daarmee kom ik bij het perspectief van Schinkel.

Voor het waarom van de NAVO moeten we terug naar het einde van de Tweede Wereldoorlog. Nazi-Duitsland, de gezamenlijke vijand, was bijna verslagen. Dat kon nog niet worden gezegd van de strijd tegen Japan. Ja, dat land zat in het defensief maar het verdedigde zich fel. Op 29 februari 1945 landden de Amerikanen voor het eerst op Japanse bodem, op het eiland Iwo Jima, een klein eiland van 7 bij maximaal 3 kilometer midden in de Pacific op zo’n 1250 kilometer van Tokyo. De Amerikanen vielen met 70.000 man het eiland binnen alwaar zich 22.000 Japanse soldaten bevonden. Op 26 maart toen alle Japanners op 200 na dood waren, werd het eiland veilig verklaard. Hierbij sneuvelden 7.000 Amerikanen en raakten er 19.000 gewond. Op dezelfde 26ste maart landden de Amerikanen op Okinawa, een veel groter eiland maar nog steeds ver in de Grote Oceaan  zo’n 600 kilometer verwijderd van de Japanse hoofdeilanden. Hier duurden de gevechten tot de 23ste juni. Het eiland werd verdedigd door zo’n 130.000 Japanners waarvan er 110.000 sneuvelden. Van de bijna 550.000 Amerikanen die deelnamen aan de slag om het eiland sneuvelden er 12.500 en raakten er 71.000 gewond. De Japanners vochten zich letterlijk dood.

Na de conferentie van Jalta in februari 1945 kwamen de grote drie, Stalin, Truman, de nieuwe Amerikaanse president die de inmiddels overleden Roosevelt was opgevolgd en Churchill die nog tijdens de conferentie werd vervangen door Labourleider Attlee omdat Churchill de verkiezingen had verloren, in Potsdam bijeen. De drie landen zaten met verschillende belangen aan tafel. Stalin wilde de winst verzilveren en de na de Eerste Wereldoorlog verloren gebieden toevoegen aan de Sovjet Unie en daarvoor een buffer van hem vriendelijk gezinde staten. De grootste tegenstand kwam hierbij van Churchill maar die verdween zoals we zagen. Truman had een ander belang en dat was een Russische aanval op de Japanse troepen in het Oosten van Azië. De ‘sterren’ stonden hierdoor gunstig voor Stalin. Die kreeg de verloren gebieden terug en hem werd geen strobreed in de weggelegd bij het vormen van hem vriendelijke communistische regeringen in de door hem bevrijde of veroverde landen. Bevrijd of veroverd afhankelijk van het gezichtspunt van waaruit je kijkt. In Potsdam werden de scheuren in het bondgenootschap die zich al in Jalta openbaarden, groter. De oude bondgenoten kwamen hierdoor vijandig tegenover elkaar te staan. In 1946 beschreef Churchill de situatie in een toespraak die hij in het  Westminster College in Fulton gaf:“ From Stettin in the Baltic, to Trieste in the Adriatic, an iron curtain has descended across the continent.” Churchill formuleerde hierop het volgende antwoord: “The safety of the world, ladies and gentlemen, requires a new unity in Europe from which no nation should be permanently outcast.”

De NAVO is een antwoord op die gewenste ‘unity in Europe’ om de Sovjet Unie, die ideologische vijand, buiten de deur te houden. Doel van die Europese samenwerking was om de Britten ‘in’ de Sovjets ‘out’ en de Duitsers ‘down’ te houden. De Britten de Fransen en de Benelux-landen startten in 1947 gesprekken over meer economische en militaire samenwerking, dit resulteerde in het Pact van Brussel. De vijf zochten hierbij ook toenadering tot de Verenigde Staten. Nu waren de VS tot die tijd niet erg happig op het sluiten van verdragen met andere landen. Het land had een lange isolationistische traditie. Er was echter wat veranderd. President Truman had in 1947 zijn befaamde containment-doctrine geformuleerd waarin het communisme als vijand was bestempeld die ingedamd moest worden. Om dit te bereiken zou het land in het vervolg economische en militaire steun verlenen aan niet-communistische landen als die bedreigd werden door de Sovjet Unie. Zo werd in 1949 de NAVO geboren.

De Britten waren een van de ondertekenaars, dus die waren ‘in’. Om de Sovjets ‘out’ te houden werd artikel 5 in het verdrag opgenomen: “De Partijen komen overeen, dat een gewapende aanval tegen een of meer van haar in Europa of Noord-Amerika als een aanval tegen haar allen zal worden beschouwd; zij komen bijgevolg overeen, dat, indien zulk een gewapende aanval plaats vindt, ieder van haar de aldus aangevallen Partij of Partijen zal bijstaan, in de uitoefening van het recht tot individuele of collectieve zelfverdediging erkend in Artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties, door terstond, individueel en in samenwerking met de andere Partijen, op te treden op de wijze, die zij nodig oordeelt — met inbegrip van het gebruik van gewapende macht — om de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied te herstellen en te handhaven.”  Om de Duitsers ‘down’ te houden werd artikel 2 opgenomen: “De Partijen zullen bijdragen tot een verdere ontwikkeling van vreedzame en vriendschappelijke internationale betrekkingen door haar vrije instellingen te versterken, door een beter begrip te wekken voor de grondslagen waarop deze instellingen berusten en door stabiliteit en welvaart te bevorderen. Zij zullen trachten tegenstellingen in haar internationale economische politiek uit de weg te ruimen en zij zullen economische samenwerking aanmoedigen tussen enige of alle Partijen.” Het werkgebied van de organisatie werd in de aanhef bepaald: “Zij zullen zich beijveren de stabiliteit en de welvaart in het Noord-Atlantisch gebied te bevorderen.” Dus niet de ‘wereld te verdedigen’ maar de deelnemende landen tegen de Sovjetdreiging.

Het ijzeren gordijn: de Duits -Duitse grens. Bron: WikimediaCommons

Die ideologische vijand, de Sovjet Unie, viel in 1991 met donderend geraas uiteen en er ontstonden 15 nieuwe landen, precies zoveel republieken als die Unie had. Dit nadat de bedreigende communistische ideologie al eerder min of meer was afgezworen en Churchills ‘iron curtain’ al was geopend. Met het ‘openen’ van het ijzeren gordijn, het instorten van het communisme en het wegvallen van de Sovjet Unie viel de reden waarom de NAVO was opgericht weg. Er was geen ideologische tegenstander meer dus de organisatie zou zich kunnen opheffen. Dat gebeurde niet omdat ook hier de ‘wet van de verdubbeling van doelen’ geldt. Die wet luidt als volgt. ‘We willen een doel bereiken. Om dat doel te bereiken, richten we een organisatie op. Dan is er naast het doel waarvoor de organisatie is opgericht ineens ook het doel van de organisatie en de mensen die ervoor werken.’ Met het wegvallen van de Sovjet Unie resteerde alleen het organisatiedoel van de NAVO: het voorbestaan van de organisatie. Om dat doel veilig te stellen, moest de organisatie op zoek naar een ‘nieuwe vijand’. Dat werd Rusland, de grootste republiek die uit de voormalige Sovjet Unie voortkwam. Om die vijand als een geloofwaardige vijand voor te stellen, moeten er tegenstellingen worden gecreëerd en moest de vijandschap worden opgepookt. Het steeds naar het Oosten uitbreiden van de NAVO zou je kunnen zien als het ‘oppoken’ van vijandschap. Hoe zou dat oppoken eruit hebben kunnen zien?

In 2008 vergaderde de NAVO in Boekarest. Op de agenda stond onder andere het toekennen van een Membership Action Plan(MAP) aan Oekraïne en Georgië. Besloten werd om: “Oekraïne en Georgië vooralsnog geen MAP (te verlenen), waarbij tegelijkertijd het open deur-beleid is ingekleurd in de zin dat beide landen te gelegener tijd lid van het Bondgenootschap zullen worden,” aldus de brief waarmee de Nederlandse regering het parlement informeerde. Op dat moment was al bekend dat Rusland de uitbreiding van de NAVO niet zomaar zou slikken. Dat hadden de Russen drie keer eerder wel gedaan omdat het aan mogelijkheden ontbrak om er iets tegen te doen. Een eerste keer toen het accepteerde dat het verenigde Duitsland lid werd, een tweede keer in 1999 toen het slikte dat voormalig Warschaupact landen Tsjechië, Hongarije en Polen toetraden en in 2005 bij de toetreding van Bulgarije, Roemenië, Slovenië, Slowakije en de drie Baltische landen die tot de voormalige Sovjet Unie behoorden. De Russen gaven al bij de eenwording van Duitsland aan dat uitbreiding van de NAVO door hen als een bedreiging werd gezien. “Opnieuw een slag voor Bush en een doorn in het oog van Rusland.” zo omschreef de Belgische site MO in het NAVO besluit in een artikel uit 2008. Een artikel waarin het flinke problemen voorzag: “De NAVO maakt hiermee een hoop delicate interne problemen tot zijn eigen problemen. Oekraïne is een verdeeld land en een meerderheid van de bevolking is tegen NAVO-lidmaatschap. Georgië is eigenlijk een tweede Joegoslavië, al zijn de conflicten niet tot even bloedige hoogtepunten geëscaleerd. Na het uiteenvallen van de Sovjetunie leidde Georgisch nationalisme tot conflicten met interne minderheden voor wie Georgië tot dan toe louter een administratieve eenheid binnen de Sovjet Unie was geweest. Een snel NAVO-lidmaatschap voordat deze interne problemen opgelost zijn, leidt tot verdere polarisatie.” Het bloedige hoogtepunt in Georgië liet niet lang op zich wachten in augustus 2008. Het conflict tussen de Georgische regering en de opstandige regio’s Abchazië en Zuid-Ossetië escaleerde en Rusland schoot de beide regio’s te hulp. In Oekraïne duurde het wat langer totdat het conflict uitbarstte, dat gebeurde in 2014.

Maar, zo zal menigeen tegenwerpen, het is toch aan een land zelf of het lid wil worden? Dat ligt net iets anders. Artikel 10 van het NAVO-verdrag stelt het volgende: “De Partijen kunnen eenstemmig elke andere Europese Staat, welke de verwezenlijking van de beginselen van dit Verdrag kan bevorderen en kan bijdragen tot de veiligheid van het Noord-Atlantisch gebied, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden.” Het initiatief om lid te mogen worden van de NAVO ligt daarmee bij de NAVO en/of haar leden, niet bij landen die er graag bij willen horen. Nu dachten de NAVO-landen in 2008 verschillend over het potentiële lidmaatschap van Oekraïne en Georgië. Er waren landen, waaronder het Duitsland van Merkel, die dezelfde problemen voorzagen als onder andere de Belgische site MO. Er waren ook landen, in Oost Europa maar vooral de Verenigde Staten, die sterk aandrongen op het lidmaatschap van beide landen. Met name onder de Amerikaanse druk nam de NAVO het genoemde besluit. Als Kaplan gelijk heeft dat de Poetin van van twintig jaar geleden een andere was dan de huidige, zou het dan niet kunnen dat de manier waarop Rusland door de NAVO is benaderd, eraan heeft bijgedragen dat Poetin zo is geworden zoals hij nu is? Als je vanuit Oekraïens perspectief hiernaar kijkt, heeft dan NAVO uitbreidingspolitiek onder leiding en druk van de Verenigde Staten, Oekraïne dan niet meer kwaad dan goed gedaan?

Uitgelicht

De luxevalkuil

In zijn boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid spreekt de historicus Yuval Noah Harari over de luxevalkuil. Ik moest hieraan denken tijdens het lezen van het artikel Op naar het tijdperk van negatieve vooruitgang van Thalia Verkade bij De Correspondent. Waarbij ze het boek The Retro Future van de Amerikaan John Michael Greer als denkkader gebruikt. Verkade: “Greer beargumenteert overtuigend dat je de huidige tijd, waarin we vrijwel ongelimiteerd energie gebruiken, heel goed kan zien als een anomalie.  Een uitzonderlijke fase voor de mensheid, tussen het pre-industriële tijdperk en gede-industrialiseerde tijdperk in.”

Colossus. Foto: Wikipedia

Als ik Verkade en Greer goed begrijp, dan moet de huidige tijd een anomalie blijven. “Wat doet Greer? Die vraagt zijn lezer om zich voor te stellen dat we teruggaan naar de jaren vijftig, als een vorm van vrijwillige technologische regressie. Computers waren zeldzaam, vliegen was onbetaalbaar, sommige nare ziekten konden nog niet worden genezen, maar antibiotica waren er wel al en bibliotheken barstten uit hun voegen.” Dit niet om terug te gaan naar die tijd, maar om te begrijpen dat we met minder ook prima kunnen leven. Een interessante vraag met als antwoord: inderdaad kunnen we met minder ook goed leven. Daarvoor hoeven we niet terug naar de jaren vijftig, maar moeten we kiezen welke technologie wel en welke niet: “Technologische regressie. De-industrialisatie. Daarvoor durven kiezen: daar is het Greer om te doen. Niet om de jaren vijftig terug te halen, of het Victoriaanse tijdperk, maar om te durven begrijpen dat we dertig jaar geleden ook prima zonder e-mail en smartphones konden. Dat het idee dat we daar nu niet meer zonder kunnen, een geloof is, en geen gegeven.”

Inderdaad heeft de mensheid het gros van haar tijd op deze planeet geleefd zonder industrie en met een heel laag energie gebruik. Als je die hele bijna 300.000 jarige geschiedenis van de Homo sapiens bekijkt en de nog langere geschiedenis van de andere mensensoorten die onze planeet hebben bevolkt, dan lijkt onze huidige ‘energieslurpende industriële samenleving’ een uitzondering. Maar is onze huidige tijd wel een anomalie?

Wat bestudering van het verleden laat zien, is dat de mens steeds meer energie is gaan gebruiken, steeds naar manieren heeft gezocht om de beschikbare energie efficiënter te gebruiken. En dat is niet iets van de laatste honderd jaar. Het begon al bij Lucy, een van onze verre voorouders. De journalist en cabaretier Tom Phillips (hij studeerde archeologie, antropologie en geschiedenis) beschrijft het in zijn boek De Mens. Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups op een komische wijze het leven van Lucy. “Lang, lang geleden, toen de zon op een dag opging boven de weidse rivierdalen en vlakten van Ethiopië, hing een jonge mensaap wat rond in een boom. Wat ze die dag precies dacht of deed zullen we wel nooit weten. Waarschijnlijk zat ze te bedenken hoe ze iets te eten kon vinden, of een partner, of misschien tuurde ze nieuwsgiering naar de boom ernaast om te kijken of dat een betere boom was. Ze wist hoe dan ook niet dat de gebeurtenissen van die dag haar het beroemdste lid van haar soort zouden maken, en zelfs als je haar dat op een of andere manier kon vertellen, dan nog zou het concept ‘roem’ haar niets zeggen. Ze wist ook niet dat ze in Ethiopië zat, want dit alles gebeurde miljoenen jaren voordat iemand op het lumineuze idee kwam om lijnen op een kaart te tekenen en de aldus ontstane vormen namen te geven waar we oorlog om konden voeren.” Wat die jonge mensaap zo bijzonder maakte, was dat zij en haar soortgenoten iets andere heupen en benen hadden dan andere mensapen. Dit maakte het mogelijk om te lopen. Waarom werd deze mensaap zo beroemd? Phillips vervolgt: “Toen viel ze uit de boom en was op slag dood.”  Dat maakt haar niet speciaal. Het volgende wel: “Pak ‘m beet 3,2 miljoen jaar later zou een andere groep mensapen – deels inmiddels in bezit van een doctorstitel – haar gefossiliseerde botten opgraven. Omdat het in de jaren zestig gebeurde en ze op dat een moment luisterden naar een populair liedje van een tamelijk stonede groep Liverpoolers, besloten ze haar Lucy te noemen. Ze was een gloednieuw soort – de soort die we nu Australopithecus afarensis noemen  – en ze werd ingehaald als de ‘missing link’ tussen mensen en apen.[1]Nou ja gloednieuw. De soort was al miljoenen jaren geleden uitgestorven, ze was wel ‘nieuw’ in de keten van de menselijke soorten waarvan er tot dan toe resten waren gevonden.

Bron: Flickr

Nu zal je je afvragen wat dit met energie en het efficiënter gebruiken ervan te maken heeft. Er waren nog een paar miljoen jaar evolutie nodig om die heupen, benen en de rest van het lichaam zo ‘aan te passen’ voor we ons ‘hemerodromen’ konden noemen. Een woord dat Madeleine Böhme en haar coauteurs gebruiken in hun boek Hoe wij mensen werden. Een geheel nieuwe kijk op de oorsprong van de mens. Een woord waarmee zij uitlegt wat dit met energie te maken heeft. ““Hemerodromen of ‘daglopers’ heetten in het klassieke Griekenland de ijlbodes die in enkele uren grote afstanden konden afleggen om belangrijke berichten over te brengen. De beroemdste ijlbode was Pheidippides. Om hulp te vragen voor de op handen zijnde slag tegen de Perzen bij Marathon stuurde veldheer Miltiades hem in 490 v. Chr. van Athene naar Sparta. Volgens de overlevering legde Pheidippides de 246 kilometer lange afstand in nog geen twee dagen af – een bijna ongelofelijke prestatie. Waarom werd er geen paard gestuurd?[2]Een interessante vraag: waarom geen bode te paard gestuurd? Een paard rent veel sneller.  Gelukkig geven ze ook het antwoord op deze vraag. De mens is de meest efficiënte duurloper op deze aardbol. Pheidippides liep 246 kilometer in twee dagen door bergachtig terrein. Topatleten leggen tegenwoordig nog grotere afstanden af dan Pheidippedes: “Simpel gezegd is hardlopen een soort voortdurend naar voren vallen en het lichaam steeds weer opvangen. De vorm van rennen met hogere snelheid is verrassend energetisch efficiënter dan het pendelsysteem van gewoon lopen.[3]Een voorbeeld van efficiënter energiegebruik. Dit maakte onze voorouders tot succesvolle jagers en maakte het mogelijk dat ze zich over de Aarde verspreidden en in omvang groeiden.

Dan La Guerre du Fue. De titel van een Frans-Canadese film uit 1981 in het Engels vertaald als Quest for fire. In de film heeft een stam cro-magnon mensen een kleine vlam die ze altijd brandend moeten houden. Dooft de vlam, dan hebben ze geen vuur meer omdat ze niet weten hoe ze vuur moeten maken. Als het vuur toch dooft, moeten ze eropuit om vuur bij een andere stam te stelen. De film speelt zich zo’n 80.000 geleden af zo tegen het einde van het midden paleolithicum (3000.000 tot 35.000 jaar geleden). Een periode dat meerdere mensensoorten de aarde bewoonden. Op het belangrijkste punt gaat de film echter mank. “Een internationaal gezelschap van onderzoekers ontdekte achter in de grot – ongeveer dertig meter van de ingang en twee meter onder de bodem – talrijke overblijfselen van verschroeide botten en plantenresten, direct naast vuistbijlen en andere vroeg-menselijke werktuigen die van de vertegenwoordigers van de Homo eregaster afkomstig zouden kunnen zijn. Uit de ligging van de vondsten en de structuur van de achtergebleven asresten konden de archeologen aflezen dat het vuur in de grot niet door een bosbrand was veroorzaakt, maar aangestoken werd. Uit de dikte van de aslaag bleek bovendien dat er steeds opnieuw op dezelfde plek vuur werd gemaakt.[4] Een passage uit Hoe wij mensen werden van Madelaine Böhme, Rúdiger Braun en Florian Beier. Nu leefde Homo eregaster in het vroege Pleistoceen, tussen de 1,9 en 1,4 miljoen jaar geleden. Dus die stammen uit La Guerre du Feu hebben nooit ‘gezocht’ noch ‘gevochten’ om vuur. Ze konden het zelf maken, die innovatie hadden ze te danken aan die Homo eregaster. Met dat onder de knie krijgen van het vuur maken, zijn we aanbeland bij wellicht de belangrijkste innovaties uit de geschiedenis van de mensheid. Vuur geeft energie. Zonder deze innovatie zouden wij, de Homo sapiens waarschijnlijk niet hebben bestaan. Die innovatie was cruciaal voor de ontwikkeling van de mens. Cruciaal omdat beheersing van het vuur de mens bescherming bood in de nacht. Vuur houdt immers dieren op afstand.

Belangrijker echter, vuur zorgde ervoor dat onze verre voorouders gingen koken. “Gegaard voedsel is (…) beter en sneller te verteren en heeft meer voedingswaarde. Daardoor valt er meer energie te halen uit een portie eten. Uit zetmeel houdende voedingsmiddelen als granen en aardappelen komt door koken dertig tot vijftig procent meer energie ter beschikking en uit eieren meer dan veertig procent extra bruikbaar eiwit.”[5] Want toen de mens het koken van voedsel onder de knie had, veranderde er wat in zijn biologie: “De verkleining van de gebitselementen, de aanwijzingen voor een verbeterde beschikbaarheid van energie, de aanwijzingen voor een korter spijsverteringskanaal en het vermogen om nieuwe milieus te exploiteren ondersteunen de gedachte dat het bereiden van voedsel beslissend was voor de evolutie van Homo erectus. En, als we iets verder vooruit kijken, ook voor het ontstaan van het grote hersenvolume van de moderne mens. De grote, complexe menselijke hersenen hebben zoveel energie nodig dat het lichaam daarvoor meer dan twintig procent van de dagelijkse energiebehoefte en zestig procent van de in het bloed opgeloste glucose gebruikt, ook al maken de hersenen maar ongeveer twee procent van ons lichaamsgewicht uit. Een dergelijk luxueus orgaan kan een organisme zich alleen veroorloven als het constant voldoende brandstof tot zijn beschikking heeft.[6]Die brandstof kwam vrij door het koken van voedsel en dan vooral van groenten. Koken dat werd mogelijk gemaakt door het kunnen maken van vuur.

Zonder koken en vuur, geen groot hersenapparaat. Maar ook omgekeerd: een groot hersenapparaat betekent dat er meer energie nodig is en dat er gekookt moet worden. Want zonder koken zouden we met onze huidige herseninhoud veel langer moeten eten: “Tot dat resultaat kwamen Braziliaanse onderzoeksters nadat ze het eetgedrag van moderne mensapen en de energiebehoefte van de hersenen van deze dieren nauwkeurig hadden bestudeerd. Een volwassen gorilla die zich hoofdzakelijk voedt met bladeren, bloemen en vruchten, zou dagelijks meer dan twee uur langer moeten eten om een in verhouding even grote hersenmassa als de onze te verzorgen. Omdat gorilla’s sowieso al bijna acht uur lang eten en voedsel verteren is dat vrijwel onmogelijk. De dagen zijn daarvoor eenvoudig niet lang genoeg.[7]  

En die hersens werden gebruikt. De eigen spierkracht werd al snel aangevuld met hulpmiddelen waardoor er met die spierkracht meer gedaan kon worden. De vuistbijl maakte het ontvellen van het hert makkelijker. Een speer maakte het doden van dat hert makkelijker en de pijl en boog betekende een volgende verbeterslag. De spierkracht van de hond, os, ezel en het paard werden ingeschakeld. Het wiel maakte dat met de spierkracht van zowel mens als deze dieren meer materiaal verplaatst kon worden. Een zeil om de wind te gebruiken om een boot te laten varen. Dezelfde wind of stromen en vallend water om een molen aan te drijven.

De stoommachine van Heron. Bron: Wikipedia

En toen was daar de stoommachine. Nee, die werd niet uitgevonden door James Watt maar door de Griekse wetenschapper Heron van Alexandrië: “Zijn uitvinding bestond uit een holle metalen bal die op een eveneens holle metalen as gemonteerd was. De as eindigde aan beide kanten in een waterreservoir, dat door middel van een vuurtje verhit werd. De bal had aan twee kanten gebogen pijpjes, waardoor de stoom naar buiten blies. Hierdoor werd de bol, net als een raket, voortgestuwd en ging deze draaien.”  Enigst probleem: “Heron had echter geen praktische toepassing aan zijn vinding kunnen koppelen. Daarnaast waren er in de 1e eeuw na Christus voldoende slaven beschikbaar om werk te verzetten, waardoor zijn uitvinding nooit in de praktijk gebruikt werd.” Dus raakte zijn vinding in de vergetelheid. Vanaf de zestiende eeuw werkte de Spanjaard Blasco de Garay aan een met stoom aangedreven schip maar of dat een succes werd is niet duidelijk. In 1690 ging de Fransman Denis Papin ermee aan de slag en vond de zuigerstoommachine uit. De Engelsman Thomas Savery vond een stoommachine uit om water uit de mijnen te pompen: “Helaas werkte zijn machine zeer inefficiënt en verbruikte deze bijna meer kolen dan dat het apparaat opleverde.” Thomas Newcomen combineerde die twee en James Watt verbeterde die weer en maakte er een bruikbaar apparaat van[8]. Het apparaat was veel efficiënter en praktische dan de voorgangers: Met minder energie kreeg je meer resultaat. Positief, maar dat leidde er wel toe dat er veel meer werden gebruikt en dat leidde weer tot meer energiegebruik.

Na de stoommachine ging het snel. In 1806 ontwikkelde de Zwitser Isaac de Rivaz de verbrandingsmotor met als brandstof een mengsel van waterstof en zuurstof. En aan het einde van de eeuw kenden we de benzinemotor van Gottlieb Daimler en de dieselmotor van Rudolf Diesel[9]. Motoren die een transportrevolutie ontketenden wat zorgde voor een forse toename van het energiegebruik. Energiegebruik dat ook toenam door allerlei andere uitvindingen die gebruikmaken van elektriciteit zoals bijvoorbeeld de gloeilamp. Elektriciteit ook een oude uitvinding waarvoor in de negentiende-eeuw praktische toepassingen werden gevonden. In het midden van de twintigste eeuw ontplofte de eerste atoombom waarmee er een nieuw hoofdstuk werd toegevoegd aan het opwekken van energie. Al die energie werd gebruikt om steeds meer zaken te vergemakkelijken en door dat vergemakkelijken werd er juist weer steeds meer energie gevraagd. Elektriciteit maakt een wasmachine mogelijk en door het wasplank te vervangen door die machine schoot het energie verbruik omhoog. Een auto maakt reizen makkelijker, wat weer tot meer reizen leidt en dus meer energiegebruik. De computer maakte zaken makkelijker, dus gingen we meer computers gebruiken en dat ging zo ver dat we er nu een in onze broekzak hebben. Die in onze broekzak gebruikt veel minder energie dan Colossus, de eerste elektronische computer uit 1943, alleen zijn er zoveel ‘broekzakken’ dat ze samen veel meer energie gebruiken.

Een pleidooi om de auto of die ‘computer uit de broekzak’ weer te ‘ont-uitvinden’ lijkt mij gezien onze geschiedenis, erg lastig. En bij dat ‘ont-uitvinden’ moest ik aan de ‘luxevalkuil van Harari denken. In een hoofdstuk over de uitvinding van de landbouw, die hij: “de grootste zwendel van de geschiedenis,” formuleert hij: “Een van de weinige ijzeren wetten van de geschiedenis.” Namelijk: “dat luxe zich vaak ontwikkelt tot noodzaak en dan weer nieuwe verplichtingen schept. Zodra mensen gewend raken aan een bepaalde luxe, gaan ze die voor lief nemen. Daarna gaan ze erop rekenen. Uiteindelijk bereiken ze het punt dat ze niet meer zonder kunnen.[10]  Zo is het volgens Harari ook met de landbouw gegaan. “De agrarische revolutie luidde geen nieuw tijdperk van het goede leven in, maar gaf boeren een leven dat doorgaans zwaarder en onbevredigender was dan dat van verzamelaars. Jager-verzamelaars brachten hun dagen op interessantere, gevarieerdere manier door en liepen minder kans op honger en ziekte. Het staat buiten kijf dat de agrarische revolutie de beschikbare hoeveelheid voedsel voor de mensheid vergrootte, maar al dat extra eten vertaalde zich niet in een beter voedingspatroon of meer vrije tijd. Integendeel, het vertaalde zich in bevolkingsexplosies en verwende elites. De gemiddelde boer werkte harder dan de gemiddelde verzamelaar en kreeg daar ook nog eens slechtere voeding voor terug.[11] Dit ging niet in één slag, maar was een geleidelijk proces waarbij, wat eerst een verbetering van de levensomstandigheden leek, later toch wat negatieve kanten bleek te hebben. Alleen was teruggaan was niet meer mogelijk vanwege de toegenomen bevolking en het verloren gaan van specifieke kennis. De vuistbijl en pijl en boog maakten het jagen makkelijker, maar ook de oorlogsvoering.

Dus nee, de huidige tijd is geen anomalie, ze past in het pad dat de mensheid al een paar miljoen jaar volgt. Namelijk het pad van toenemend energieverbruik. Maar aan energie is geen gebrek. De Aarde krijgt dagelijks 9.000 keer meer nieuwe energie dan we nu gebruiken. Die energie komt van een bron die voorlopig nog lang niet is uitgeput, de zon. Als we erin slagen om die goed te benutten dan hebben we de veelal ‘oude energie’ die we nu gebruiken, niet meer nodig. Vooral echter past onze huidige tijd in het pad van de luxevalkuil. Van verbeteringen die later flinke nadelen blijken te hebben maar dan is het te laat.


[1] Tom Phillips, De Mens. Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups, pagina 11-12

[2] Böhme c.s, Hoe we mensen werden. Een geheel nieuwe kijk op de oorsprong van de mensheid, pagina 193

[3] Idem, pagina 194

[4] Idem,pagina 201

[5] Idem, pagina 203

[6] Idem, pagina 203-204

[7] Idem, Pagina 205

[8] https://isgeschiedenis.nl/nieuws/historie-van-de-stoommachine

[9] https://www.historamarond1900.nl/uitvindingen/aandrijving/verbrandingsmotor

[10] Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 100

[11] Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 91-92