Uitgelicht

In defence of democracy

Op de site van GroenLinks reflecteert de leider van die partij, Jesse Klaver, op de ontwikkelingen in Nederland een jaar na de bestorming van het Capitool in de Verenigde Staten. Hij stelt zich de vraag: “Hoe bescherm je de democratische rechtsstaat tegen hen die haar af willen schaffen?”  Een interessante vraag.

Hij ziet een partij in onze volksvertegenwoordiging die oproept tot het omverwerpen van onze democratie. Die partij is het Forum voor Democratie. Klaver: “Door te zeggen dat ‘het regime ten val’ gebracht moet worden, impliceert FvD dat we de democratische verkiezingsuitslag naast ons neer moeten leggen. Niet alleen een specifieke regel moet worden gewijzigd, het hele stelsel van democratische besluitvorming moet overboord. … Ze roept op tot de oprichting van nieuwe tribunalen. Tot nieuwe rechtbanken, die niet langer de regels van onze rechtsstaat volgen. Maar die achteraf, op basis van andere uitgangspunten bepalen wat legaal en illegaal is. Ook hier richt hun aanklacht zich niet tegen een specifieke regel. Ook hier wordt de remedie niet gezocht binnen ons democratische systeem. De hele rechtsstaat wordt ongeldig verklaard en moet worden vervangen.”

In een eerdere Prikker concludeerde ik hetzelfde als Klaver nu schrijft. Voor wat betreft de vraag met betrekking tot de bescherming van onze democratie, komt Klaver met meer dan Kamervoorzitter Bergkamp die een gesprek met de fractievoorzitters wilde voeren over de omgangsvormen in de Tweede Kamer. Klaver komt tot de volgende ‘beschermingsconstructies: “Door tegengeluid te geven. Door grenzen te trekken. Door niet alleen geschokt te reageren op incidenten, maar het monster in het gezicht te kijken en te zien voor wat het is: een doelbewuste en stelselmatige bedreiging van de maatschappelijke vrede.” Als tweede: “Door hard te zijn tegen politici met een gevaarlijke agenda. Door hen het woord te ontnemen als de plenaire zaal van het parlement gebruikt wordt om de rechtsstaat te ondermijnen.” Ten derde: “Door van social media-bedrijven te eisen dat ze hun verantwoordelijkheid nemen en hun platforms niet laten misbruiken voor een aanval op de democratie.” En als laatste door: “zacht te zijn voor elkaar. Door het ‘wij’ zo groot mogelijk te maken. Door onderling het gesprek te blijven zoeken en mensen met oprechte vragen en twijfels niet in het kamp van populisten te duwen. Door een krachtig verbond te vormen, van goedwillende burgers.” Laten we die verdedigingslinie eens nader beschouwen.

Tegengeluid geven en in de Kamer bij ondermijnende uitspraken het woord ontnemen. Nu is juist de Kamer een plek om dat tegengeluid te geven. Een mooi voorbeeld van hoe dat kan, gaf Pieter Omtzigt in een Kamerdebat in november toen hij FvD Kamerlid Van Meijeren aansprak op een van zijn uitspraken in een betoog. Een betoog dat aanleidingen bood voor meer van deze gesprekken dan de ene die Omtzigt koos. Omtzigt sprak Van Meijeren aan op de suggestie dat er sprake was van landverraad door de drie aanwezige bewindspersonen. Na een paar simpele vragen, bleek er sprake van ‘gebakken lucht’. Omtzigts voorbeeld vraagt om consequente navolging en de Kamervoorzitter moet dit faciliteren. Of beter nog, de Kamervoorzitter had dit gesprek moeten voeren. Bij een dergelijke beschuldiging moet de Kamervoorzitter vragen naar ‘man en paard’. Worden die niet genoemd dan eist de voorzitter die uitspraak terug te nemen. Bij weigering zou verwijdering uit de vergadering dienen te volgen en bij herhaling, schorsing voor langere tijd.

Als zijn collega Pepijn van Houwelingen in de Kamer roept dat er tribunalen komen, dan verwacht ik niet dat dat woord in de Kamer wordt verboden. Dan verwacht ik een voorzitter en als die het nalaat Kamerleden die vragen welk bijzonder misdrijf er is gepleegd dat het niet via de normale rechtsgang kan worden bestraft? Wat er zo bijzonder is aan dat misdrijf? Wat er schort aan ons rechtssysteem dat er een bijzondere rechtbank moet worden opgericht? Helaas gebeurt dat niet.

Een dergelijke werkwijze mogen we ook verwachten van de media. Als de leider van het FvD in een Zwitserse krant zegt dat in een goede samenleving: “there’s an equilibrium there, a delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood.’” En vervolgens zegt: “This reached its apex, I believe, in the eighteenth century, and was venerated in that great ‘swan song of aristocracy’, the nineteenth century.” Dat hij terug wil naar de verhoudingen in die tijd. Want wat er sinds die tijd is afgebroken de: “bourgeois society, bourgeois traditions, the bourgeois way of life of ordinary people.”  Dan verwacht ik dat de betreffende journalist, of een andere die het leest, Baudet vraagt of hij terug wil naar die achttiende eeuw? Of hij zich realiseert dat de gewone mensen in die tijd niet in die bourgeoisie te vinden waren? Of hij terug wil naar de elitaire en door de adel gedomineerde samenleving van de achttiende eeuw en dus het gros van de inwoners van het land het stemrecht wil ontnemen? Of hij de democratie wil afschaffen? Hoe dit streven zich verhoudt tot zijn strijd tegen de huidige elite die hij ‘het kartel’ noemt?

Dan komen we er echter niet met: “van social media-bedrijven te eisen dat ze hun verantwoordelijkheid nemen en hun platforms niet laten misbruiken,” zoals Klaver aandraagt. Dan moeten we de ‘wij, ‘waar Klaver over spreekt niet alleen zo groot mogelijk maken maar ook zo sterk mogelijk. En daarmee kom ik bij een gat in Klavers verdedigingslinie. Een gat waarop Martha Nussbaum in haar boek Not for Profit uit 2011 wees: “Hongerig naar winst, verwaarlozen landen en hun onderwijssystemen vaardigheden die nodig zijn om de democratie levend te houden. Als die trend doorzet, produceren landen van over de hele wereld generaties van bruikbare machines in plaats van complete burgers die zelf kunnen denken, tradities bekritiseren en die het belang inzien van andermans lijden en prestaties. De toekomst van de democratie staat op het spel (eigen vertaling).” Dat gat bestaat uit een hartstochtelijk pleidooi voor onderwijs gericht op het versterken van die democratische vaardigheden. Een pleidooi om het onderwijs te richten op het aanleren van vaardigheden die nodig zijn om, zoals Nussbaum schrijft, de democratie levend te houden in plaats van het opleiden van ‘bruikbare machines’ voor de ‘economie’. Het zou zomaar kunnen dat dergelijk onderwijs ook leidt tot ‘zelflerende en denkende machines’ waarvan naast de democratie ook onze samenleving en zelfs de economie profijt hebben.

Uitgelicht

Corona, Spinoza, vrijheid en de staat

Sinds 1999 wordt de laatste week van het jaar opgeluisterd door de TOP2000. De lijst met 2000 liedjes die door de luisteraars van Radio2 wordt samengesteld. En zoals ieder jaar staat ook Me and Bobby McGee van Janis Joplin in de lijst. Joplin behoort bij de beroemde club van 27, de lijst met popartiesten die niet ouder werden dan 27 jaar. Die lijst bevat naast Joplin illustere namen als Brian Jones de medeoprichter en gitarist van de Rolling Stones, de legendarische gitarist Jimi Hendrix, Doors voorman Jim Morrison, Nirvana voorman Kurt Cobain en Amy Winehouse. Terug naar Me and Bobby McGee en vooral naar het eerste refrein dat begint met de zin: “Freedom’s just another word for nothin’ left to lose. Nothin’, it ain’t nothin’ honey, if it ain’t free.”

File:Amsterdam - Zwanenburgwal - Amstel - View West on Statue of Benedictus  de Spinoza 2008 by Nicolas Dings.jpg - Wikimedia Commons
Beeld ter herdenking van Spinoza. Bron: WikimediaCommons

Vrijheid, een woord dat tegenwoordig te pas en te onpas wordt gebruikt. Zo vonden er verleden jaar, en op het moment dat ik deze woorden schrijf is er weer een aan de gang, veel demonstraties plaats waarin mensen werd opgeroepen om op te staan en te demonstreren ‘voor de vrijheid’. Ik schreef er al eerder over. Bij het voeren van een gesprek over vrijheid is het van belang om duidelijk te maken wat er met het begrip wordt bedoeld. Als er wordt gevraagd of je voor vrijheid bent, zal zo ongeveer iedereen JA zeggen. Als je de vraag toespitst op iets specifieks dan kan dat heel anders liggen. Zo leert de discussie rond het waardig levenseinde of abortus ons dat lang niet iedereen de vrijheid om je eigen einde te kiezen of de vrijheid van een vrouw om te kiezen voor een abortus ondersteund. Joplin geeft een definitie: “freedom is ( …) nothing left to lose.” Als je niets meer te verliezen hebt, ben je vrij. De ‘demonstranten voor de vrijheid’ denken daar anders over. Zij protesteren omdat ze iets verliezen waardoor hun vrijheid verloren gaat.

In het redactioneel Commentaar van een van de eerste edities van De Andere Krant wordt een uitspraak van Spinoza aangehaald in relatie tot vrijheid. Die: “al in 1673 stelde dat het doel van de staat vrijheid is. De staat moet er alles aan doen om iedereen een zo vrij mogelijk leven te laten leiden.” Volgens de auteur van het Commentaar, Sander Compagner, gaat het daar mis want: “Bij iedere crisis is de reactie van de verschillende overheden om hun controle op de samenleving te vergroten. Dit gaat ten koste van onze vrijheid.” De staat die vrijheden inperkt in plaats van iedereen een zo vrij mogelijk leven te laten leiden. Precies dat wat nu, zo betoogt de auteur, bij de aanpak van de coronacrisis gebeurt. Met de definitie van Joplin zou je dat anders kunnen beoordelen: de controle van de staat zorgt ervoor dat je weer minder te verliezen hebt en je dus vrijer wordt.

Als we Joplin even vergeten en kijken naar Spinoza. Compagner ziet een overheid die de burger wil controleren. Hij zoekt daarbij steun bij de genoemde zeventiende-eeuwse filosoof die immers verkondigde dat het doel van de staat vrijheid is’. Dat Spinoza dat verkondigde is niet te ontkennen, maar wat bedoelde hij daarmee? Bedoelde hij daarmee dat de overheid ons allen niet mag beperken en ons vrij moest laten om onze hartstochten na te jagen? Met andere woorden wat verstaat Spinoza onder vrijheid?

Spinoza deed deze uitspraak in 1670 in een van zijn belangrijke werken het Tractatus theologico-politicus. Het werd anoniem gepubliceerd en dat wat niet voor niets omdat hij pleitte voor volledige vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid. Zaken die in de zeventiende eeuw nog lang geen gemeengoed waren. Hij sprak vooral over burgerlijke en politieke vrijheid. Over de manier waarop een staat bestuurd zou moeten worden en beschreef democratie als: “het meest natuurlijke staatsbestel, dat het dichtst in de buurt komt van die vrijheid die de natuur ieder mens schenkt. Want in een democratische staat draagt niemand zijn natuurlijk recht volledig aan een ander over zodat hij daarna niet meer hoeft te worden geraadpleegd; hij draagt het over aan de meerderheid van de volledige gemeenschap waar hij deel van uitmaakt. Op die manier blijven alle mensen gelijk, zoals ze waren in hun natuurlijke staat.[1]

Hij schreef niet over het ‘recht op de kroeg’ of de vrijheid een festival te bezoeken of op vakantie te gaan. Daar handelde zijn hoofdwerk Ethica dat na zijn dood verscheen over. Daarin zet hij vrijheid tegenover slavernij. En nee, niet slavernij in de zin van het bezitten van andere mensen, dat trouwens ook een manier is om vrijheid te beschrijven. Spinoza’s slaaf zit in ons allen. “Het menselijk onvermogen om de gevoelens te matigen en in te tomen noem ik slavernij.” En vervolgt met: “Een mens die aan zijn gevoelens onderworpen is, is immers niet onafhankelijk, maar afhankelijk van het lot; en hij is dusdanig in de macht van dat lot dat hij vaak gedwongen is het slechte te volgen, hoewel hij iets ziet wat beter voor hem is.[2] Voor Spinoza was en is een vrij mens een mens die volgens de rede leeft en niet volgens zijn hartstochten: “De mens die door de rede wordt geleid, is vrijer in de staat – waar hij volgens het gemeenschappelijk besluit leeft – dan in eenzaamheid, waar hij alleen zichzelf gehoorzaamt.[3]Wat betekent deze achtergrond voor de door Compagner aangehaalde uitspraak van Spinoza dat het doel van de staat derhalve in werkelijkheid de vrijheid is?


[1] Geciteerd bij Annelien de Dijn, Vrijheid. Een woelige geschiedenis, pagina 205

[2] Benedictus de Spinoza (vertaling Corinna Vermeulen), Ethica, pagina 179 (deel IV De slavernij van de mens of de kracht van de gevoelens)

[3] Idem, pagina 237

Uitgelicht

The inconvenient Truth

Het einde van een jaar is een moment om terug te kijken op dat afgelopen  jaar. Dat kan in de vorm van een eindejaarconference zoals menig cabaretier doet. Het kan in de vorm van lijstjes met de 10 belangrijkste, mooiste, bijzonderste, afschuwelijkste enzovoorts gebeurtenissen. Het kan in de vorm van boeken en films of personen die het jaar hebben getekend. Of aan de hand van bijzondere gebeurtenissen. Deze Prikker besteed ik aan de gebeurtenis die het jaar het beste weergeeft. Nee, dat is niet het vallen van het kabinet of de zin ‘functie elders’. Het is ook niet het wereldkampioenschap van Max Verstappen. Het is de in het Suezkanaal vastgelopen Ever Given. En nee, niet vanwege de rol die Nederlandse bedrijven speelden bij het weer vlottrekken van de kolos die ruim 18.000 containers kan vervoeren. Dat zal best een knap staaltje werk zijn waar je trots op kunt zijn en waar je als bedrijf dat het kunstje flikte een boek over kunt maken waaraan de Volkskrant een artikel wijdt.

De Ever Given was onderweg van China naar de Rotterdamse haven toen het op 23 maart door het Suezkanaal voer. Zoals een medewerker van berger Boskalis in het Volkskrantartikel het verwoordde: “een ‘varende wolkenkrabber’, die zich door het 300 meter smalle Suezkanaal moet wurmen.” Die varende wolkenkrabber: “heeft 18.350 containers aan boord met goederen ter waarde van 1 miljard euro.” Op die 23ste maart zat het qua weer wat tegen, er woedde een zandstorm en het schip belandde: “met de boeg en de achtersteven in de klei van de oostelijke en westelijke oever en blokkeert het Suezkanaal.” Het duurde vervolgens tot 29 maart voordat het schip weer vlot werd getrokken en het Suezkanaal weer gebruikt kon worden. In die bijna week dat de Ever Given het kanaal blokkeerde ontstond er een ‘schepenfile’ voor het kanaal.

Een schip dat meer dan 18.000 containers vervoert en een file van schepen aan beide zijden van het kanaal laten zien hoe verbonden de wereld is. Maar ze laten ook iets anders zien. Die blokkade verstoorde de wereldhandel en diverse Nederlandse bedrijven waren gedupeerd omdat er spullen voor hen op het schip stonden of op de schepen in de file. Toen het schip los werd getrokken was er dan ook sprake van opluchting. Als dat niet was gelukt: “was het een groot drama geworden,” zei een woordvoerder van ‘prularia-keten’ Action. Want stel je voor: “je wil geen tuinspullen pas in oktober,” aldus diezelfde woordvoerder. En daarmee ben ik bij het punt waarom dit voor mij deze gebeurtenis het jaar het beste weergeeft. Of beter gezegd de afgelopen dertig jaar.

‘Tuinspullen’ en de rest van de prularia die bij de Action te verkrijgen zijn die per boot uit China moeten komen? Hoe zijn we zover gekomen dat we een tuintafel en wat stoelen van de ene naar de andere kant van de wereld slepen? Dan moet er toch wel iets helemaal verkeerd zijn gegaan. En daarmee kom ik bij Van muur tot muur. De wereldpolitiek sinds 1989 een boek waarin Jonathan Holtslag het wedervaren van de wereld sinds de val van de muur beschrijft. Aan de hand van voorbeelden zoals Walmart, Ryanair, Amazon en Ikea beschrijft hij wat er fout is gegaan. “Ikea haalde spectaculaire groeicijfers. Overal verschenen enorme blauw met gele winkels, vaak met een uitgestrekte lap asfalt eromheen, zodat bezoekers zoveel mogelijk spullen in hun auto kunnen laden. Veel artikelen kwamen uit lage lonenlanden, maar ze werden met Scandinavische flair en duurzaamheid in de markt gezet. Goedkoop werd chic. Steden vonden het een eer als Ikea neerstreek. Net als bij Walmart kwamen de klanten vooral op de lage prijzen af. Daardoor hadden ze geen oog voor de hoge indirecte kosten van het verdienmodel van het bedrijf. Elke Ikea-vestiging die openging had negatieve gevolgen voor winkels die soortgelijke producten verkochten en het bedrijf bood nagenoeg geen kansen aan plaatselijke fabrikanten. Het grootste deel van wat Ikea verkoopt, komt uit China. Elk jaar gaan er voor Ikea naar schatting tussen de 300.000 en 400.000 containers uit Azië naar Europa. (…) Alleen al dat intercontinentale vervoer genereert een uitstoot van 700.000 ton kooldioxide. Ikea probeert uit te dragen dat het een bedrijf met hoge ethische normen is. De boekhouding vertelt een ander verhaal. De meeste winkels zijn indirect in handen van een in Nederland gevestigde non-profit stichting, die zich zegt te wijden aan ‘vernieuwing op het gebied van architectonisch en binnenhuisdesign. De stichting betaalt geen belasting. Door te shoppen bij Ikea dragen Europese consumenten bij aan de uittocht van kleinere winkels uit stadscentra, de teruggang van industriële productie in eigen land, het verdwijnen van ambachtelijke kwaliteit ten gunste van een monocultuur van producten als Ivar en Billy en de financiële problemen van hun overheid.[1] Voor Ikea kun je Amazon, Walmart en vele andere bedrijfsnamen en dus ook de Action invullen.

Om die ‘Ivar en Billy’ te maken, varen andere enorme schepen met ijzererts, hout en andere grondstoffen vanuit alle delen van de wereld naar China. Daarbij ook tonnen kooldioxide uitstotend. De arbeidsomstandigheden van de matrozen op zowel die container- als die andere schepen laat vaak te wensen over. En om zoveel mogelijk geld te verdienen en aan zo min mogelijk eisen te voldoen, varen die schepen onder de vlaggen van landen die het op die gebieden het minst nauw nemen.

Inderdaad staan lokale overheden te juichen als zo’n bedrijf zich in hun stad vestigt. Op de lokale Venlose omroep staat geregeld een wethouder trotst te verkondigen dat een groot bedrijf vele hectares grond heeft gekocht om er een distributiecentrum te vestigen. Jullie weten wel zo’n grote, de omgeving vervuilende rechthoekige doos zonder enige architectonische kwaliteit. Want ja, je bent logistieke hot spot of niet. Daarbij wordt verteld dat de komst goed is voor de werkgelegenheid. Vervolgens wordt het gros van die werknemers met busjes van een van de vele uitzendbureaus vanuit hun tijdelijke woonplek naar die ‘schuur’ gereden en ‘logistikeren’ ze voor een habbekrats de rommel uit die containers. Van het salaris dat ze daarmee verdienen kunnen ze niets anders kopen dan de rommel die ze ompakken in die schuur. Op dezelfde Omroep Venlo staat ook geregeld een wethouder, en vaak is dat ook nog dezelfde, zijn bezorgdheid uit te spreken over de leegloop van winkels in de centra van Tegelen, Blerick en ook Venlo zelf en de gevolgen hiervoor voor de leefbaarheid van de Tegelen, Blerick en Venlo. Dat die ‘winkels en leefbaarheid’ worden bedreigd door de bedrijven die met gejuich worden binnengehaald, lijkt die wethouder te ontgaan.

Op landelijk niveau zien we hetzelfde. Een overheid die er alles aan doet om bedrijven met aanlokkelijke subsidies en met lage tot geen belastingen probeert te lokken. We moeten immers een ‘interessante vestigingsplek’ zijn voor grote multinationale bedrijven. Bedrijven die hier en ook elders weinig en liefst geen belasting betalen en daarmee alleen de lusten willen van onze samenleving en niet de lasten. Bedrijven die ervoor lobbyen voor zo min mogelijk en liefst hen beperkende regels op het gebied van salarissen, arbeidsomstandigheden en milieubescherming. Wel de baten niet de lasten.

Zoals Holtslag het in het al genoemde boek schrijft: “Het westers liberalisme werd materialisme. Vooruitgang werd niet afgemeten aan de mate waarin er verbetering werd geboekt op het gebied van de menselijke waardigheid, maar aan de mate waarin het consumentisme kon groeien.[2]  Een ontwikkeling die ervoor zorgt dat het samen in de samenleving steeds kleiner wordt, die de ongelijkheid vergroot en de klimaatverandering bevordert. Hij ziet in hoofdlijnen twee reacties op deze ontwikkeling. Aan de ene kant de reactie van partijen van het midden die met woorden spreken over deze ontwikkelingen maar met daden eraan bijdragen dat er niets aan wordt gedaan uit angst voor de tweede groep, de populistische nationalisten. Twee groepen die elkaar in een dodelijke omhelzing houden en daardoor precies dat bereiken wat ze allebei zeggen niet willen: “De pragmatische middenpartijen walgden van het groeiende koor van de rechtse populisten, maar hadden niet de kracht in huis die nodig was om de zwakke markt op te kalefateren, burgers op hun eigen verantwoordelijkheid te wijzen en grote bedrijven ervan te weerhouden om landen tegen elkaar uit te spelen teneinde steeds minder belasting te betalen. Dat pragmatische midden kreeg zelfs het verwijt dat het medeplichtig was aan het zoveel mogelijk winst bezorgen aan het bedrijfsleven, ten koste van het algemeen belang, terwijl het daar zelf van meeprofiteerde. De populisten waren gevaarlijk, wierp het midden tegen. Maar daarbij zag het bewust het destabiliserende effect van het eigen beleid over het hoofd. De samenleving wordt bedreigd door buitenstaanders, zeiden de populisten. Maar daarbij hadden ze weinig oog voor de bedreiging van hun manier van leven die van binnenuit kwam.[3]

 En met die bedreiging die van binnenuit kwam, kom ik bij de Ever Given en de ‘schepenfile. Dat schip met voor een miljard aan handelswaar aan boord en in de file een veelvoud daarvan. Die wel op tijd moeten aankomen zodat de ‘tuinspullen’ er niet pas in oktober zijn. Wij zijn de grootste bedreiging voor onze samenleving. Wij die groeiend consumentisme zien als vooruitgang. Wij die onze tuinmeubelen, ‘Billy’s en Ivars’ gemaakt in China kopen omdat ze zo goedkoop zijn. Wij die bestellen bij Amazon en AliExpress omdat het zo goedkoop is en alles door die onderbetaalde koerier thuis wordt gebracht.

Wij die de rommel bij de Action en de laatste ‘wegwerpmode’ bij de Primark kopen. Wegwerpmode zoals de gestonewashte spijkerbroek met voorgefabriceerde gaten en slijtplekken. Een broek waarvoor op een niet al te milieuvriendelijke manier katoen wordt geteeld. Katoen die wordt gewassen en waarvan draden worden gemaakt. Die draden worden tot stof geweven dat we laten krimpen om te voorkomen dat die wijd zittende broek die je in de winkel kocht na een wasbeurt in een skinny jeans verandert.
Dat stof wordt door een arbeider in een naaiatelier in Bangladesh gesneden en tot een broek genaaid door een arbeider die nog niet volwassen is, in of rond de fabriek woont en er meer dan tien uur per dag werkt. Die raw jeans wassen we vervolgens in een machine met stenen om het stof te verouderen en dus de levensduur ervan aanmerkelijk te bekorten. Bij dat wassen kunnen ook nog verschillende soorten chemicaliën worden toevoegen om speciale effecten te krijgen. Als laatste slijpen we er op wat plekken gaten in om de broek nog ouder te laten lijken. Gaten die er vervolgens voor zorgen dat de broek nog sneller slijt. De kans dat je er met je voet in blijft hangen of ergens achter haakt, neemt door die gaten immers flink toe. En dan na en paar keer dragen, verdwijnt de broek in de afvalbak omdat de nieuwste trend zegt dat de scheuren op een andere plek moeten zitten. Zo verspillen we kostbare grondstoffen en vervuilen het milieu voor een broek die we een paar keer dragen.

Zo dragen wij ook bij aan de migratiestromen. De katoen waar die broek van wordt gemaakt, wordt onder andere geteeld op plantages in West-Afrika. Daarvoor worden enorme arealen landbouwgrond gebruikt en is enorm veel water nodig. Honderdduizenden kleine boeren verloren hierdoor hun grond, bestaan en voedsel en migreerden naar de grote steden en daarna voor een deel ook naar Europa. Zij vormen een deel van migratiestroom die in de regio opgevangen moeten worden als het aan het gros van die pragmatische middenpartijen ligt en die daarvoor miljarden overmaken op de rekeningen autoritaire regimes. Maar waartegen ook de hekken worden gebouwd waar de populistische nationalisten zo op aandringen. En dat niet alleen door die spijkerbroek maar ook voor soja, hout en andere grondstoffen.

Miljarden aan belastinggeld om de gevolgen van ons consumentenkeuzes tegen te gaan. Producten, zoals die broek, waarvan we de werkelijke kosten afwentelen op het collectief want dat betaalt met geld of korter leven voor de slechte arbeidsomstandigheden, de vervuiling die met de productie en het vervoer van de grondstoffen en het eindproduct gepaard gaan en de kosten die migratie. Wordt het niet eens tijd om die op het collectief afgewentelde kosten door te berekenen in die spullen bij de Action of die ‘gestonewashte spijkerbroek’ van de Primark? Zouden ze dan nog zo goedkoop zijn? En nog een stap verder, zouden we (tuin)meubelen, kleren en veel andere producten niet lokaal moeten produceren en kopen? Dan zou die ‘onderbetaalde koerier’ als meubelmaker een goede boterham verdienen. Zouden we de lokale timmerman niet moeten vragen om een ‘Billy’ te maken? En bij de lokale kleermaker een broek gemaakt van hennep, vlas of brandnetels? Zou dat er niet leiden tot echter vooruitgang en dus verbetering op het gebied van de menselijke waardigheid? Menselijke waardigheid zowel hier als ook in China en bijvoorbeeld West-Afrika?

“Het migratievraagstuk kan niet worden opgelost, maar wel beter beheerst dan nu gebeurt. Europese leiders praten graag over opvang in de regio als een manier om vluchtelingen op afstand te houden. Maar de financiering van die opvang schiet vaak tekort. Ook in hun eigen belang zouden Europese landen zich genereuzer moeten tonen,” schrijft Peter Giessen in het Commentaar in de Volkskrant. Inderdaad is migratie eigen aan de mens, zonder migratie hingen we nog in de bomen in Oost-Afrika. Dat beheersen start echter bij de keuzes die we als consument maken. Dat is de boodschap die politici ons niet vertellen. Dat is, om All Gore te parafraseren: the inconvenient truth.


[1] Jonathan Holtslag, Van muur tot muur. De wereldpolitiek sinds 1989,  pagina 192-193

[2] Idem. Pagina 69

[3] Idem, pagina 194-195

Uitgelicht

Witte zwanen, zwarte zwanen

“De pandemie, zegt Gerritsen, is een voorbeeld van een ‘ongetemd probleem’. Ongetemde problemen zijn inhoudelijk complex, veranderen voortdurend van aard, hebben noch een duidelijk eindpunt noch heldere oplossingen.” Erik Gerritsen is de voormalig hoogste ambtenaar van het ministerie van VWS. Volgens Gerritsen heeft, zo lees ik in een interview bij De Correspondent, het ministerie een topprestatie geleverd in het aanpakken van de pandemie. Want: “je kunt de beheersing van zo’n crisis niet simpelweg beoordelen op het resultaat. ‘Wat je moet doen, is kijken of de mensen op dat moment, met de kennis die ze toen hadden, het maximale hebben gedaan. Hebben ze goed geïmproviseerd?’” Daar heeft hij een punt waar ook premier Rutte in het begin van de pandemie op duidde toen hij zei dat besluiten moesten worden genomen met maar 50% van de benodigde informatie. Al betwijfelt Gerritsen die 50%: “Het was eerder 5 procent.” Een complex probleem maar toch. Ik moest denke aan De Zwarte Zwaan. De impact van het hoogst onwaarschijnlijke, een boek van Nassim Nicholas Taleb.

Zwaan Vogel Vijver Zwarte - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

Taleb denkt en schrijft vooral over de invloed van toeval, kans en willekeur in onze samenleving in het algemeen en in het bijzonder in de derivatenhandel want daar heeft hij jaren in gewerkt. In die handel staan modellen centraal. Een model of theorie is een schematische weergave van de werkelijkheid, een nabootsing. Modellen zijn volgens de econoom Tomáš  Sedláček, en ik onderschrijf dit van harte: “Systemen met interne inconsistenties, die gedeeltelijk in strijd zijn met de werkelijkheid, die vaak zijn gebaseerd op louter en doelbewust onrealistische veronderstellingen, en die in hun uiterste consequentie tot absurde conclusies leiden, worden desondanks met succes toegepast.[1]”  Een weergave of nabootsing die niet overeenkomt met de werkelijkheid. Sedláček vergelijkt het gebruik van modellen in de economische wetenschappen met de natuurkunde en ziet dat beide wetenschappen modellen op een andere manier gebruiken. Hij beschrijft dit als volgt: “De natuurkunde bedient zich van een volkomen andere hypothetische logica: die hypothesen worden opgetrokken als steigers, die het mogelijk maken het gebouw op te trekken, waarna de steigers met behulp van de gedachtenbouwsel weer worden afgebroken. … Als wij modellen bouwen dan moeten we wegkijken van de realiteit; maar zodra wij die modellen willen gaan toepassen op de realiteit, moeten we wegkijken van de modellen. Dan moeten de steigers als het ware worden afgebroken om te zien of het gebouw er nog staat.” In de sociale wetenschappen: “…lijken de veronderstellingen vaak niet weggenomen te kunnen worden – zelfs niet achteraf; het hele bouwwerk zou instorten.[2] Echter, zonder een model kunnen wij als mens de werkelijkheid niet bevatten. De wereld is te complex om te bevatten zonder hulpschema’s dat geldt voor de natuur en de natuurkunde, dat geldt voor onze leefomgeving en dat geldt ook voor onze samenleving.

Maar die sociaalwetenschappelijke modellen zijn slecht in het voorspellen van een crisis en ook slecht in het bepalen van de schade die een crisis veroorzaakt. Want deze modellen houden geen rekening met het onvoorspelbare en juist dat onvoorspelbare heeft de grootste gevolgen. Nassim Nicholas Taleb noemt deze gebeurtenissen Zwarte Zwanen (de hoofdletters zijn van hem overgenomen) en dat zijn gebeurtenissen met drie kenmerken: “Ten eerste is het een totaal onverwachte gebeurtenis, een uitschieter die buiten de normale gang der dingen valt omdat er vooraf geen duidelijke aanwijzingen waren dat zoiets kon gebeuren. Ten tweede heeft het zeer grote gevolgen (…). En ten derde zit de mens zo in elkaar dat we naderhand, ook al was het een totaal onverwachte gebeurtenis, verklaringen bedenken die de gebeurtenis begrijpelijk maken [3]Maar ook het tegenovergestelde, iets wat tegen alle verwachtingen in niet gebeurt, is een Zwarte Zwaan. Volgens Taleb is de geschiedenis van de mens te verklaren aan de hand van een klein aantal Zwarte Zwanen.

Zwarte Zwanen zijn niet te voorspellen extremen. We weten dat ze komen maar er is geen mogelijkheid om te voorspellen wanneer er een komt en al helemaal niet hoe die gebeurtenis eruit ziet. En met die Zwarte Zwaan ben ik waar ik wilde zijn. Of beter gezegd, ik ben er bijna. Dat we worden verrast door Zwarte Zwanen en dat die zeer veel schade kunnen veroorzaken, hoeft ons niet te verbazen. Gerritsen noemt de pandemie een ‘ongetemd probleem’, een Zwarte Zwaan om Taleb aan te halen.

Maar is een virusuitbraak wel een Zwarte Zwaan, een ongetemd probleem? Dat het Covid-19 virus uitbrak, was niet te voorzien. Dat er op enig moment een virus zou uitbreken dat een pandemie veroorzaakt, mag toch geen ‘totaal onverwachte gebeurtenis’ zijn. De recente en minder recente geschiedenis kent tal van virusuitbraken. Zo werden onze voorouders verschillende keren geteisterd door de pest, veroorzaakte de Spaanse griep ruim een eeuw geleden voor een pandemie en kenden we sindsdien verschillende uitbraken van vogelgriep. Dus dat er besmettelijk virus de kop op zou steken, was te verwachten. Een pandemie als gevolg van een virus is daarmee eerder een ‘Witte Zwaan’. Te verwachten maar dat betekent niet dat de gevolgen ervan niet zeer groot kunnen zijn, zoals we nu ervaren. Die gevolgen hadden veel minder ernstig kunnen zijn als we ons er goed op hadden voorbereid.

Daarmee kom ik op het punt waar Gerritsens betoog spaak loopt. Hij noemt bijvoorbeeld de mondkapjes en het dreigende tekort: “‘Toen gingen ze naar ons kijken’, zegt Gerritsen, die benadrukt dat mondkapjes niet tot het takenpakket van zijn ministerie behoorden. ‘Het was dus niet zo van: “Waar bemoeit het ministerie zich mee? Waarom laten ze het niet over aan de mensen die er verstand van hebben?” Nee, de zorg keek naar ons: VWS, help!’”  Dat bij een pandemie beschermingsmateriaal essentieel is om hulpverleners te bescherming, is geen verrassing. Dat er daarvan veel nodig is, hoeft ook niet te verrassen. Daar kun je je dus op voorbereiden door flinke voorraden aan te leggen. Een soort magazijn waar je bijvoorbeeld een voorraad hebt liggen voor een half jaar normaal gebruik. Om ‘bederf’ te voorkomen lever je in normale tijden aan de voordeur uit aan de ziekenhuizen en vul je die via de achterdeur weer aan. Voor ander bij de behandeling van een pandemie benodigd materiaal, zoals beademingsapparatuur, leg je ook een voorraad aan. Je kunt zelfs ziekenhuislocaties inrichten die alleen bij een pandemie of andere noodsituatie worden gebruikt.

De woorden van Gerritsen duiden nog op een ander gebrek aan voorbereiding. Discussies over verantwoordelijkheden en ‘kijken naar iemand om het op te lossen’, duiden erop dat er niet tevoren is nagedacht over wie er in geval van een pandemie waarvoor verantwoordelijk is. Onze ‘beschermingsinfrastructuur’ niet gebouwd op een langdurige crisis. En zeker geen crisis met een virus als oorzaak. Onze beschermingsinfrastructuur is van onderop geregeld terwijl een pandemie vraagt om centrale sturing. Ook op het gebied van voldoende handjes en hoofdjes om te helpen bij testen, vaccineren en allerlei ander werk, is voorbereiding mogelijk. Daarvoor zou een Bescherming Bevolking structuur zoals we die tijdens de Koude Oorlog kenden, een voorbeeld kunnen zijn.

Nu had de goede voorbereiding niet kunnen voorkomen dat er besluiten genomen hadden moeten worden op basis van 5 of 50% van de benodigde informatie. Ze had er wel voor gezorgd dat er andere keuzes mogelijk waren. Is de werkelijke Zwarte Zwaan van deze pandemie er niet een van een heel andere orde? Volgens Taleb neemt met het verstrijken van de geschiedenis en het complexer worden van de samenleving het aantal Zwarte Zwanen toe. Want: “Complexiteit leidt tot een opeenstapeling van ketens van onverwachte gevolgen,[4]aldus Taleb en hij pleit daarom voor eenvoud. Is het gebrek aan juist die eenvoud niet de werkelijke Zwarte Zwaan of om met Gerritsen te spreken het ‘ongetemde probleem’?


[1] Tomáš Sedláček, De economie van goed en kwaad, pagina 213 (Sedláček benadrukt in dit citaat twee woorden die hij cursiveert. Ik cursiveer citaten en om de nadruk van Sedláček te behouden schrijf ik deze woorden normaal).

[2]Tomáš Sedláček, De economie van goed en kwaad, pagina 346

[3] Nassim Nicholas Taleb, De Zwarte zwaan, pagina 2

[4] Nassim Nicholas Taleb, Antifragiel. Dingen die baat hebben bij wanorde, pagina 8

Uitgelicht

A modern Christmas Carol

“Waarin verschilt dat geld van ‘het kindje Jezus’? Is geld niet ook gewoon een geloof. Als ik geloof dat ik voor die euro een brood of een krop sla kan kopen, dan heeft die waarde. Als ik er niet in geloof, dan is de papieren versie weer goed om een vuurtje te stoken.” Dit schreef ik in mijn vorige Prikker. En nu ik het toch over geld heb, wil ik jullie meenemen in het denken over geld van Charles Eisenstein. In zijn boek Naar een economie van verbinding staat geld en de bijzondere eigenschappen ervan en wat dat betekent voor een samenleving, centraal.

Gift Economy | London Permaculture | Flickr
Bron: Flickr

Volgens Eisenstein, en daar zal bijna iedereen het mee eens zijn, vervult geld twee functies. Als eerste is het een middel om het ruilen van goederen te vergemakkelijken. Dit sluit aan bij het gebruikelijke verhaal over het ontstaan van geld. Ik heb melk van mijn twee koeien over en heb schoenen nodig. Jij hebt wel wat melk nodig maar niet die vijfhonderd liter die je paar schoenen waard zijn. Hoe krijg ik dan mijn schoenen en jij je vier liter melk? Geld maakt het mogelijk. Ik verkoop mijn melk voor vijftig cent per liter en spaar net zolang totdat ik de tweehonderd euro heb om een paar schoenen van jou te kopen. Jij koopt gewoon voor twee euro die vier liter melk van mij. Dat lijkt logisch maar hij vraagt zich af of het werkelijk zo was: “De geschiedschrijving van geld begint meestal met primitieve vormen van ruilhandel, maar onder jagers en verzamelaars komt ruilhandel juist zelden voor. De belangrijkste vorm van economische uitwisseling was het geschenk.[1]  Dat ‘helpen bij het ruilen’ was van ondergeschikt belang. Geven was het belangrijkste en, zo beweert Eisenstein, er werd gegeven aan mensen die nood aan iets hadden. Als ik schoenen nodig had en ze niet zelf kon maken, dan zou ik ze krijgen van iemand uit de groep die ze wel kon maken. En als die persoon melk nodig had, dan zou hij die gewoon van mij krijgen: “een gifttransactie heeft een open einde en schept (…) een blijvende band tussen de betrokkenen,”  ze versterkten de banden tussen de leden van de groep. Volgens Eisenstein: “ontstond geld om geschenken te kunnen geven, om dingen met elkaar te kunnen delen en om generositeit mogelijk te maken, of althans iets in die geest.[2] Geld maakte het mogelijk om de kringloop van betrokkenheid uit te breiden tot ver boven de eigen groep.

Die rol van het geld raakte door het groter worden van de kringloop van betrokkenheid, buitenbeeld, zo betoogt Eisenstein en werd echter overschaduwd door de tweede functie: “de ‘opslag’ van waarde.[3] Daarvoor werden in de vroege jaren ook andere zaken gebruikt zoals bijvoorbeeld een vaste hoeveelheid graan of andere zaken die aan bederf onderhevig waren. Wat geld voor had op die andere zaken, is dat het niet bedierf. Iets wat kan bederven moet je tijdig kwijtraken dus zorg je dat het circuleert zodat het tijdig bij een bakker of boer terechtkomt. Dat probleem kent geld niet. Het blijft waarde houden dus je kunt het oppotten en dat gebeurt dan ook. Daarmee gebeurde precies het tegenovergestelde als wat met de gift werd beoogd. Dat is dat het zich ophoopt bij mensen die het niet nodig hebben terwijl de gift juist ging naar mensen die het nodig hadden. Dat oppotten zorgt er, zo betoogt Eisenstein, op deze manier voor dat het schaars wordt terwijl er sprake is van overvloed. Of zoals Pink Floyd het zingt: “Money, get away. You get a good job with good pay and you’re okay. Money, it’s a gas. Grab that cash with both hands and make a stash.” Dit als volleerd navolgers van Ebenezer Scrooge uit de Kerstklassieker A Christmas Carol van Charles Dickins.

“Stel je voor dat je naar de bank gaat en zegt: “Ik wil graag geld lenen voor mijn bedrijf. Hier is mijn bedrijfsplan. Als jullie me een lening van geven van € 1.000.000,- kan ik in de loop van vier jaar € 900.000 verdienen. Verstrek mij dus maar die lening van € 1.000.000,- en ik betaal jullie verspreid over vier jaar € 900.000,- terug.” Daar zegt geen bank JA tegen want ze verliezen € 100.000,- dus dat is een slechte deal. Maar wat als dat geld van de bank ieder jaar bijvoorbeeld 7% minder waard wordt. Nee, niet door inflatie maar door er gewoon op af te stempelen. De euro van vandaag is volgend jaar nog maar 93 cent waard en over veertien jaar niets meer. Dit terwijl het brood gewoon ongeveer dezelfde prijs behoudt. Dan wordt oppotten van geld gestraft en zorg je er wel voor dat je er niet te veel van in bezit hebt. En dan het vervolg van Eisensteins voorbeeld “Wij vinden het een prima bedrijfsplan’, antwoordt de bank. ‘Hier heeft u uw geld.’ Waarom ze akkoord gaan? Omdat die € 1.000.000,- in deposito bij de bank nog veel sneller in waarde zou dalen – met bijvoorbeeld 7 procent, zodat er over vier jaar nog maar ongeveer € 740.000,- over zou zijn.[4]

Een interessante gedachte. Zeker omdat er de afgelopen jaren door de centrale banken miljarden in de economie zijn gepompt om die draaiende te houden in ruil voor vrij waardeloze slechte leningen. Het gros van dat geld is niet gebruikt voor consumptie en productie maar werd weer opgepot. Degenen die van hun slechte leningen af waren kochten er aandelen en vastgoed van en bliezen er zo grote bellen lucht in. Bellen die er ooit een keer uit moeten. Wat als de centrale banken die leningen hadden gekocht met ‘afstempelgeld’? Dan hadden die centrale banken die waardeloze onderpanden na, in dit voorbeeld veertien jaar van hun balansen kunnen schrijven. Zou het dan niet interessant worden om geld te lenen aan iemand die zijn eerste huis koopt voor bijvoorbeeld € 300.000, die je ieder jaar € 9.000 terugbetaalt gedurende een periode van 30 jaar? Zou er dan niet een einde komen aan de schaarste aan geld omdat het dan vloeit naar degenen die het nodig hebben en niet naar degenen die erin zwemmen? Een interessante gedachte. Interessant want zou dat ook op andere terreinen andere keuzes mogelijk maken? Andere carrière keuzes bijvoorbeeld omdat de ‘job with good pay’ dan wellicht minder interessant is dan iets voor anderen doen?


[1] Charles, Eisenstein, Naar een economie van verbinding, pagina 25

[2] Idem, pagina 31

[3] Idem, pagina 32

[4] Idem, pagina 243

Uitgelicht

Crypto’s, geld en ‘het kindje Jezus’

“Omdat we dankzij ons verstand in staat zijn ons fictieve situaties in te beelden; in onze geest werelden, plaatsen en situaties te scheppen en daar emotionele en spirituele energie aan te verbinden.” Dat is volgens Madeleine Böhme en haar twee coauteurs wat de Homo sapiens bijzonder maakt. Die: “voorstelling van wat aan gene zijde ligt, is misschien wel de voornaamste cognitieve motor van onze evolutie.[1]

Mozaïek, Kleurrijk, Kralen, Oud, Ontwerp, Patroon
Bron: Pixabay

Ik moest hieraan denken bij het lezen van een column van Peter de Waard in de Volkskrant over het beleggen in crypto-munten door jongeren. “Zo’n 1,2 miljoen vooral jonge Nederlanders blijken bitcoins of andere cryptomunten te hebben. En dat baart de toezichthouders zorgen. Het onderpand is iets ongrijpbaars of virtueels, niet een schuldpapier zoals een obligatie waarop rente wordt uitgekeerd of een ­mede-eigendomsbewijs van een bedrijf, zoals een aandeel dat bij winst dividend oplevert.” Het onderpand van een crypto-munt is iets ongrijpbaars. Daarom zijn ze, zoals De Waard schrijft: “puur voor de speculatie. Het is net als met het kindje Jezus, je gelooft erin of niet. Als betaalmiddel zijn ze totaal nutteloos, zo is na tien jaar wel gebleken.” Nu zijn er steeds minder mensen die nog in het kindje Jezus geloven en toch viert het gros van die mensen binnenkort het feest ter ere van zijn geboorte. Dus in hoeverre moet je in iets geloven om het je handelen te laten bepalen?

Dit even terzijde. Alhoewel terzijde, het raakt aan de kern. Dus nog er nog maar even op voortborduren. “In 1988 speelde het Nederlands elftal de finale van het Europees Kampioenschap voetbal tegen de Sovjet-Unie. Nederland won door doelpunten van Gullit en dat prachtige schot van Marco van Basten. Op dat moment was er niemand  die zich een wereld zonder Sovjet-Unie kon voorstellen. Een jaar later viel de Berlijnse muur en nog twee jaar later bezweek de Sovjet-Unie. Trouwens in 1914 en zelfs in 1917 kon niemand zich een wereld met Sovjet-Unie voorstellen.” Dit schreef ik enkele jaren geleden in een van mijn Prikkers. Bijzonder aan deze passage is dat zij een aantal voor ons als mens zeer reële zaken bevat die alleen voor ons mensen reëel zijn en dus bestaan. Voor ons is Nederland een reëel en werkelijk bestaand iets, net zoals de Sovjet Unie dat vanaf 1917 tot 1991 was. Nederland is voor ons zeer reëel. Net als Denemarken, Spanje en Finland. Als we ernaar toe gaan dan verandert er iets. In die landen spreken ze een andere taal en hebben ze vaak net wat andere gewoonten en soms moet je je paspoort laten zien anders kom je het land niet in. We kunnen ze op de kaart aanwijzen. Maar zoals Frits Bom in de jaren negentig in zijn programma De vakantieman liet zien, kan niet iedereen dat. Zelfs al kan iemand ze niet aanwijzen op de kaart, toch zijn die landen voor ons zeer reëel. Als je het elk ander dier op Aarde zou kunnen vragen, dan zou het je verdwaasd aankijken: ‘Frankrijk? Wat is dat?’ Of zoals het Klein Orkest zong: “Alleen de vogels vliegen van Oost- naar West-Berlijn. Worden niet teruggefloten ook niet neergeschoten. Over de muur, over het ijzeren gordijn. Omdat ze soms in het Westen soms ook in het Oosten willen zijn ” Landen zijn spinsels in onze menselijke fantasie maar wel spinsels die voor mensen zeer serieus en reëel zijn. Zo reëel dat het willen gaan van Oost- naar West-Berlijn je dood kon betekenen.

Geldt dat niet ook voor dat: “schuldpapier zoals een obligatie waarop rente wordt uitgekeerd of een ­mede-eigendomsbewijs van een bedrijf, zoals een aandeel dat bij winst dividend oplevert?” Waarin verschilt een obligatie of een aandeel van het kindje Jezus? Als je erin gelooft dan vertegenwoordigen ze waarde, geloof je er niet in, dan kun je er een vuurtje mee stoken. Maar dan moet je ze wel op papier hebben anders lukt zelfs dat niet. Een stapje verder. De waarde van dat aandeel, die obligatie en ook die crypto worden uitgedrukt in geld, afhankelijk van waar je woont in bijvoorbeeld euro’s of dollars. Waarin verschilt dat geld van ‘het kindje Jezus’? Is geld niet ook gewoon een geloof. Als ik geloof dat ik voor die euro een brood of een krop sla kan kopen, dan heeft die waarde. Als ik er niet in geloof, dan is de papieren versie weer goed om een vuurtje te stoken. Aan de digitale heb je dan helemaal niets. En is ook de waarde die we toekennen aan goud en edelstenen niet ook gewoon een ‘geloof’? Geloof je er niet in dan heb je er niets aan. Dan zijn die edelstenen niet meer dan wat kleurrijke kralen.

Bijzonder dat de toezichthouders waarschuwen voor die ongrijpbare en volgens De Waard als betaalmiddel nutteloze crypto’s en verwijzen naar even zo ongrijpbare zaken als aandelen en obligaties. Is het niet vergelijkbaar met een aanhanger van ‘het kindje Jezus’ die een aanhanger van de islam verwijt dat zijn god niet echt is?


[1] Böhme, Madeleine, Braun, Rüdiger en Breier, Florian, Hoe we mensen werden. Een geheel nieuwe kijk op de oorsprong van de mensheid, pagina 192

Uitgelicht

Racisme

Op de site OneWorld een artikel over het al dan niet met een hoofdletter schrijven van zwart als daarmee de huidskleur van iemand wordt bedoeld. En dan meteen ook de vraag erbij of dat bij wit dan ook weer moet als het woord wordt gebruikt om iemand huidskleur te beschrijven. Een bijzondere discussie. De in Accra geboren mensenrechtenactivist W.E.B. Du Bois (1868-1963) schijnt ervoor te hebben gepleit om het nu verfoeide n-woord met een hoofdletter te schrijven, zo lees ik in het artikel. Nu schijnt er dus een roep te zijn om zwart als het om huidskleur gaat, met een hoofdletter te schrijven.

Waarom zwart met hoofdletter om de huidskleur van iemand aan te duiden? Volgens de auteur van het artikel, Olave Nduwanje, is dat al een heel oude discussie: “In 1878 gaf de Zwarte Amerikaanse advocaat, schrijver en oprichter van het weekblad Chicago Conservator Ferdinand Lee Barnett zijn redactioneel commentaar de titel: ‘Spell It With a Capital’. Hij schreef dat het woord ‘negro’ (destijds een gebruikelijke aanduiding voor Zwarte mensen) met een kleine letter Zwarte mensen stigmatiseert en vernedert. Immers: ‘De Fransen, Duitsers, Ieren, Nederlanders, Japanners en andere nationaliteiten worden geëerd met een hoofdletter, maar de arme zonen van Ham moeten de last dragen van een kleine n.” Een bijzondere redenering want als we die volgen dan zou er een Zwartland moeten zijn, net zoals er een Finland of Frankrijk is. Zo zie je maar weer dat woorden tijdsgevoelig zijn. Du Bois en Barnett waren als lid van de groep zo trots op het n-woord dat ze er een N-woord van wilden maken. Nu zit het woord, hoofdletter of niet, in de taboehoek

De roep om een hoofdletter is niet onomstreden: “De meest diverse etnische groep op aarde onder één geschiedenis, gevoel en gemeenschap scharen, stuitte Zwarte schrijvers als Vilna Bashi Treitler, Claudia Rankine, Richard J. Powell, Badia Ahad-Legardy, Ayanna Thompson tegen de borst. Zij werpen op dat de meeste Afrikanen en mensen in de diaspora zich juist identificeren aan de hand van hun specifieke etniciteit. Ze noemen zich bijvoorbeeld Yoruba, Igbo, Burundees, Masai, Peul, Wolof, Zulu of Banyamulenge.”

Bovendien leidt de discussie om zwart met een hoofdletter te schrijven als het een verwijzingen naar iemands huidskleur is, ook tot te vraag: ‘en hoe doen we dat dan met ‘wit’ als je iemands huidskleur wilt aanduiden?’ Ook daarover wordt weer van mening verschild. “Wit met een hoofdletter is beladen omdat Amerikaanse ‘white supremacy’-groeperingen zoals de Ku Klux Klan en het Stormfront wit al heel lang met een hoofdletter schrijven. Zij hebben het over White power, White supremacy, White race. Kun je wit met een hoofdletter schrijven zonder geassocieerd te worden met groepen en individuen die menen dat witte mensen behoren tot een ‘superieur ras’?” Zo betoogt de ene kant. De andere kant werpt tegen: “’Wit’ geen ras noemen is in feite een anti-Zwarte daad waarmee je Witheid neerzet als neutraal en als de standaard. Wij vinden het belangrijk om de aandacht te vestigen op Wit als ras om zo te begrijpen en ruchtbaarheid te geven aan hoe Witheid functioneert.”

Het denken in kleuren en rassen blijft actueel. Amma Asante schrijft in een column bij De Kanttekening: “Racisme is geen mening en heeft met vrijheid al helemaal niets te maken.” Zij schrijft dit naar aanleiding van walgelijke uitspraken van FvD Kamerlid Freek Jansen die beweerde dat ‘Nederlanders een minderheid worden in hun eigen land’ en dat mensen die hiernaartoe zijn gemigreerd, terug moeten naar hun eigen land: “Ze moeten gewoon weg.” Terecht ergert Asante zich aan de manier waarop deze politici met fluwelen handschoenen worden aangepakt: “Wanneer xenofobe, islamofobe en racistische politici, die de stem van ‘de hardwerkende Nederlander’ vertolkten, te gast waren in televisieprogramma’s, dan werden hun abjecte ideeën niet getoetst langs kritische vragen. Nee, uit angst dat hun kiezers boos werden en zouden wegzappen, werd alles uit de kast gehaald om hen zo normaal en menselijk mogelijk neer te zetten. Er werd gezellig op los gekeuveld over koetjes en kalfjes en hun huisdieren, zoals de poes van Wilders door Eva Jinek.”  Dit heeft ervoor gezorgd dat: “Racisme (…) normaal (is) geworden. Racisme (…)een podium (heeft) gekregen. Racisme (…) politieke macht” heeft, zoals Asante schrijft. We hebben: “racisme onvoldoende een halt durven toe te roepen. De geest is uit de fles en moet er weer in terug. Door vanaf nu keihard de norm te stellen.”

In de strijd tegen discriminatie moet inderdaad een harde norm worden gesteld en gehandhaafd. Daar vindt Asante mij aan haar zijde. Toch wringt er iets in haar betoog. ‘Racisme is geen mening’, schrijft Asante. Als racisme iets is, dan is het een mening. Een mening gebaseerd op compleet verkeerde informatie en een mening die geuit mag worden. Maar, en daar kom ik bij de ‘fluwelen handschoenen’ en de angst voor ‘wegzappen’, niet iedere mening hoeft gehoord te worden. Er is niets mis met het weren van meningen van de kijkbuis ook al voelen mensen zich dan gepasseerd. Compleet verkeerde informatie omdat alle mensen op deze Aarde behoren tot één en hetzelfde ras, namelijk de Homo sapiens. Of de roman Ze zijn er nog  van de Venlose auteur Fons Wijers moet op waarheid berusten, dan loopt er nog een tweede mensenras, de Neanderthaler, op aarde en die vrezen de Sapiens vanwege juist hun onderlinge haat en wreedheid.

En daarmee kom ik bij de Duitse filosoof Marcus Gabriel. In zijn boek Morele vooruitgang in duistere tijden besteedt hij ook aandacht aan de illusionaire identiteitspolitiek van zowel links als rechts. Gabriel: “Het doel van morele voortuitgang op het gebied van racisme is het volledig overwinnen van de indruk dat er moreel relevante verschillen tussen mensen bestaan die in termen van ras zouden kunnen worden gemeten …. Er bestaat alleen racisme, rassen bestaan niet, net zoals er een heksenjacht bestond, maar geen heksen.[1] Zouden we racisme werkelijk overwinnen door te blijven hameren op ras, zoals met de ‘letterdiscussie’ gebeurt? Zorgt dat er niet voor dat racisme normaliseert, een podium en politieke macht blijft krijgen?


[1] Marcus Gabriel, Morele vooruitgang in duistere tijden, pagina 224

Uitgelicht

Asielmachine

“Vijftien jaar geleden werd er nog schande gesproken van Fort Europa, nu is het overheersende thema in Brussel bewaakbare grenzen. Von der Leyen complimenteerde de Grieken zelfs met hun ‘schild’, een hek van 40 kilometer op de grens met Turkije. In Nederland hebben we het nog niet in de gaten, maar een geloofwaardig asielbeleid begint met geloofwaardige grenzen.” Dit schrijft Martin Sommer in zijn column in de Volkskrant. Daarom moet Europa en dus ook Nederland veel meer geld uitgeven aan het versterken van de grenzen suggereert Sommer. Ook moet het asielrecht worden herzien want dat: “is volstrekt onwerkbaar en ondermijnt het draagvlak. In theorie mag iedereen asiel aanvragen; wie wordt afgewezen, vertrekt.” Geen groot kamp, desnoods militair veroverd zoals Van Acker, maar een groot fort waar je niet binnen kunt.

Een stukje van het fort Eben Emael. Bron: Wikimedia Commons

Nu leert de geschiedenis ons er tot op heden forten vroeg of laat toch door de vijand worden veroverd. Door belegering kon je de bewoners van een fort uithongeren. Je kon er gangen onder graven en zo de muren ervan ondermijnen. Of je kon het gewoon binnen een kwartiertje uitschakelen zoals de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog deden bij het fort van Eben Emael in België, het ‘moeder aller forten’. Dit fort stond op een strategische plek. Na de redelijk snelle doortocht van de Duitse troepen in 1914 (redelijk snel, maar voor het Duitse keizerrijk te traag), trok de Belgische regering in de jaren twintig de conclusie dat de oude forten gemoderniseerd moesten worden. De zwakheden van 1914 moesten eruit en het zogenaamde ‘gat van Visé’ moest worden gedicht. De Duitsers hadden in 1914 gebruik gemaakt van dit gat tussen Visé en de Nederlandse grens. Hier verrees het ‘moeder aller forten’, het fort Eben Emael. Volgens de militaire experts was het fort onneembaar. Toch werd het fort op 10 mei 1940 binnen een kwartiertje door de Duitse troepen uitgeschakeld. Duitse zweefvliegtuigen en paratroepen landden ongezien op het fort en zo werd het van binnenuit uitgeschakeld. De Belgen waren trouwens niet de enige. Zo hadden de Fransen de Maginotlinie om een snelle Duitse opmars onmogelijk te maken. Zou ‘fort Europa’ hier een uitzondering op blijken te zijn?

Ik schrijf vaker over de vluchtelingenproblematiek en vraag daarbij altijd aandacht voor ‘het probleem van de vluchteling. Wat maakt dat iemand huis en haard verlaat? Die vraag kun je trouwens ook stellen bij migratie; waarom wil iemand naar een andere plek. ?“Het Nederlandse beleid rond vluchtelingen maakt een maatschappelijk probleem, een probleem van de wereldgemeenschap, tot een probleem van anderen: die moet zijn eigen ellende oplossen en ‘ons’ er niet mee lastig vallen. Of die ander nu een Syriër is die een veilig heenkomen zoekt voor de burgeroorlog in zijn land of een land als Griekenland dat ‘toevallig’ in de regio ligt en dus de ellende maar moet oplossen,” schreef ik ruim een jaar geleden. Het lijkt er echter op dat die vraag nog steeds niet wordt gesteld.

Daarom een andere invalshoek. In zijn boek Morele voortuitgang in duistere tijden, ja dit boek gaat over nu, betoogt Markus Gabriel dat er universele morele waarden zijn. Nu kan Gabriel dat wel zeggen maar: “’waarheid’ is een subjectief begrip en als we het in een democratie niet meer normaal kunnen hebben over elkaars waarheden, hoe uitzinnig die ook kunnen klinken in oren die iets anders geloven, dan hébben we geen democratie.” Aldus Ines van Bokhoven bij Opiniez. Om aan te tonen dat niet alle waarheden waar zijn, of in Gabriels termen dat sommige morele waarden universeel zijn, geeft hij het voorbeeld van de ‘nazimachine’. “Stel we geven een overtuigde neonazi toegang tot een tijdmachine waarmee hij terug kan reizen naar 1941, om in het toenmalige Derde Rijk te gaan wonen. Daarmee doen we hem allicht een groot plezier, en misschien zal hij onmiddellijk in de machine willen stappen. Die tijdmachine heeft echter één klein nadeel: onze neonazi zal niet zomaar als zichzelf naar het verleden worden gestuurd, maar wordt daar iemand die in tijd heeft geleefd. Wie hij zal zijn, weet hij van tevoren niet.” Dat maakt de tijdreis toch wel een hachelijke zaak. Anders dan bij de ‘teletijdmachine’ van professor Barabas waar de striphelden zichzelf blijven, kan onze overtuigd nazi immers ook zomaar slachtoffer worden van die door hem aanbeden ideologie. Immers: “Hij zou Adolf Hitler, Ernst Röhm of Martin Heidegger kunnen zijn, maar ook Anne Frank, Hannah Arendt, Primo Levi of een van de miljoenen slachtoffers van de nationaalsocialistische dictatuur.[1]  De historici onder ons zullen Gabriel erop wijzen dat je in 1941 geen Ernst Röhm meer kon worden. Die vurige nationaalsocialist was in 1934 tijdens de zogenaamde ‘nacht van de lange messen’ immers al het slachtoffer geworden van het Hitlerregime. Filosofen onder ons zullen de ‘sluier van onwetendheid’ van John Rawls herkennen in de nazimachine. En dat klopt, daar is het voorbeeld ook op gebaseerd. Rawls gebruikt die sluier om zijn theorie van rechtvaardigheid op te bouwen. De sluier houdt in dat we niet weten in wie we in de samenleving zijn en in welke tijd als we beoordelen of een samenleving rechtvaardig is.

Zou een ‘asielmachine’ ons niet kunnen helpen bij het opstellen van rechtvaardig asiel- en  migratiebeleid? Zouden we daarmee kunnen voorkomen dat we kapitalen steken in het bouwen van een ‘fort’ dat toch ‘veroverd’ gaat worden of waarin we weleens gevangen kunnen zitten?


[1] Markus Gabriel, Morele vooruitgang in duistere tijden, pagina 65

Uitgelicht

De ‘armen van geest’

Mattheüs 5:3: “Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.”. Over wie die ‘armen van geest’ zijn, kun je hele bijbelstudies ophangen die vaak ook nog van elkaar verschillen. Zo volgt op de site bible.nl na een heel epistel de verklaring dat de ‘armen van geest’ de ‘nederigen van hart’ zijn. Op de site bijbelwoord.nl zijn de armen van geest: “degenen die begrijpen dat Jezus Christus hun enige hoop is, in leven en in dood. Ze hebben niets goeds om aan God te geven. Omdat ze geen gerechtigheid hebben, kunnen ze God die ook niet geven. Ze zijn hopeloos op zoek naar een Redder.” Ik moest aan deze spreuk denken na het lezen van een artikel van Juliaan van Acker bij ThePostOnline. Aan deze spreuk maar dan volgens de tweede uitleg.

Volgens Van Acker stelt: “de Europese Unie ons niet in staat (…) onze veiligheid te verzekeren.” En die veiligheid wordt op twee punten bedreigd. Als eerste: “weet men geen antwoord op de massa-immigratie.” Het tweede probleem dat Brussel niet kan oplossen is corona. Gelukkig weet Van Acker wel hoe je die twee problemen moet oplossen. Om het vluchtelingenprobleem op te lossen: “wordt met een land in het Midden-Oosten een overeenkomst gesloten om daar een groot opvangcentrum te bouwen waar alle immigranten direct naar toe gebracht worden.”  Een oplossing die lijkt op Baudetland, het land waar Forum voor Democratie aan werkt maar waarvan niemand precies weet waar het ligt. Trouwens Baudet is niet de eerste die met zo’n idee komt. De ‘vrije jongens’ van De Tegenpartij gingen hem in de jaren tachtig van de vorige eeuw al voor toen ze constateerden dat ‘het buiteland naast je leg’. Programma punt 2 van hun verkiezingsprogramma Rug op 81 ‘reorganiseerde’ Nederland in twintig nieuwe provincies met voor iedere immigrantengroep een apart land, van Grieksel en Turkenburg tot Blankstad. Maar ik dwaal af, terug naar Van Acker.

Welk land in het Midden-Oosten zou bereid zijn om te gaan fungeren  als ‘vluchtelingendepot’ voor Europa? Daarbij ‘vergeten’ we voor het gemak maar even dat het Midden-Oosten het gros van de vluchtelingen uit het Midden-Oosten al opvangt. Wereldwijd wordt ongeveer driekwart van de vluchtelingen in een buurland opgevangen. Als we zien hoeveel moeite het kost om in Nederland een asielzoekerscentrum voor bijvoorbeeld 600 mensen te realiseren, hoe realistisch is het dan om te verwachten dat een land zegt: ‘kom haar hier met al die vluchtelingen, die kunnen er bij ons nog wel bij’.

Het lijkt erop dat Van Acker zich dat ook realiseert en daarom heeft hij een noodscenario ontwikkeld: “Is een overeenkomst niet mogelijk, dan moeten we  daar een gebied militair bezetten.” Ah, we zijn eindelijk van onze koloniën af (behalve dan zes eilandjes in de West) en we stichten gewoon een nieuwe kolonie. Nu zijn ‘we’, het Westen, al meer dan 200 jaar militair actief in het Midden-Oosten. Napoleon ondernam een veldtocht tegen Egypte. De Engelsen vielen in 1882 hetzelfde land binnen om hun ‘investering’ (het Suezkanaal) te beschermen. Na de Eerste Wereldoorlog deelden Frankrijk en Engeland het Midden-Oosten onder zich op. Aan die bemoeienis kwam geen einde toen er na de Tweede Wereldoorlog onafhankelijke staten ontstonden. In 1956 vielen de Fransen en Engelsen samen met de Israëliërs Egypte binnen. In 1953 orkestreerden de Amerikanen (de CIA) een coup in Iran die de Sjah de absolute macht gaf en de Amerikanen de olie. De Westerse landen stonden ook vooraan om Irak van wapens te voorzien in de oorlog met Iran. Een oorlog die het Irak onder Saddam Hoessein zelf was begonnen. Dezelfde Saddam die door bemoeienis van Westerse troepen in 1991 werd verdreven uit het in 1990 door zijn troepen veroverde Koeweit. Dezelfde Saddam die in 2003 door Amerikaanse en Britse troepen werd verjaagd omdat hij massavernietigingswapens zou hebben. Wapens die tot op heden nog steeds niet zijn gevonden. De Amerikaanse troepen zitten nu nog steeds in Irak. Net zoals ze tot voor kort ook nog in Afghanistan zaten, een land dat in ze in 2002 binnenvielen. En vanaf 2011 bemoeiden ze zich ook steeds meer met buurland Syrië. In dat gebied moeten we dan ‘militair binnenvallen’ en een vluchtelingenkamp beginnen?  Zou al die Westerse militaire bemoeienis niet hebben bijgedragen aan die vluchtelingenstroom? Volgens de UNHCR komt 68% van de vluchtelingen uit vijf landen. Van die vijf heb ik er twee net genoemd, Syrië en Afghanistan.

Genoeg over vluchtelingen. Hoe wil Van Acker het tweede probleem, de coronapandemie, bestrijden. Heel eenvoudig: grenzen dicht en niemand binnenlaten. “Een voorbeeld van goed beleid biedt Puerto Rico, een territorium van de Verenigde Staten. Op 15 november dit jaar was de positiviteitsgraad in Puerto Rico tussen de 5 en 7.9 procent, net boven het percentage dat de WHO beschouwt als de maat om het virus als onder controle te beschouwen. Strenge regels werden er in een vroeg stadium ingevoerd. Wie de regels overtrad mocht kiezen tussen een boete van 5000 dollar of een gevangenisstraf van zes maanden. De regels werden niet verlicht toen in de VS de lockdown werd opgegeven. Vreemdelingen kwamen niet binnen, ook niet met een vaccinatiebewijs.” Maar helaas dat lukt in Europa niet vanwege: “het wegvallen van onze soevereiniteit.” Die is naar de Europese Unie gegaan en daarmee werd: “de verantwoordelijkheid doorgeschoven naar de EU, maar er kwam geen antwoord.” Bijzonder is echter dat het gezondheidsbeleid en de bestrijding van pandemieën geen Europese bevoegdheid is. Die soevereiniteit ligt bij de landen en in sommige landen niet eens bij de nationale regering maar bij een lagere bestuurseenheid. Bijzonder om de EU iets te verwijten waar ze geen bemoeienis mee heeft.

De toon die Van Acker in zijn artikel aanslaat over vluchtelingen: “oncontroleerbare massa-immigratie van illegalen, van mensen die hier niets te zoeken hebben, die geen kans maken op asiel en ook van potentiële terroristen,” getuigt niet van een ‘nederig hart’. Hopeloos als hij is, zoekt hij wel naar een redder: “Stel dat Duitsland een machtig leger zou opbouwen, niet om een blitzkrieg te voeren tot aan Madrid, maar om ten eerste onze grenzen te beschermen. Dat leger zou een gebied in het Midden-Oosten tijdelijk kunnen bezetten en dit leger zou de tirannen in het Midden-Oosten kunnen afzetten zodat de miljoenen vredelievende, rechtvaardige en talentvolle moslims in een land kunnen wonen waar vrede, welzijn en welvaart heerst.” Ik zou nu bijna een vergelijking maken met vroeger, maar dat doe ik maar niet.

Uitgelicht

De nobele wilde

“Natuurlijk staan we nu, in het antropoceen, voor andere uitdagingen dan de jagers-verzamelaars. Maar zij wisten in veel opzichten vergelijkbare uitdagingen millennialang het hoofd te bieden. Hun geheim? Alle ruimte geven aan de intrinsiek androgyne kern van de mens. Dat maakt ons optimaal wendbaar en innovatief. Dat geheim ligt nu ook weer binnen ons handbereik.” De afsluitende alinea van een artikel van Laurens Buijs bij De Correspondent. Die ‘zij’ waar Buijs over spreekt, zijn onze voorouders die leefden als jager-verzamelaars. Onze voorouders die, zo betoogt Buijs, leefden in een gelijkwaardige samenleving waarin ze geen verschil maakten tussen man en vrouw als voorbeeld. Dat onze huidige samenleving qua gelijkwaardigheid diverse verbeterpunten kent, staat voor mij buiten kijf. Maar de ‘nobele wilde’ als voorbeeld?

Jacht Klopjacht Stone Age - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

Bij mij gaan de alarmbellen rinkelen als het verleden ons ten voorbeeld wordt gesteld. Dat belooft meestal niet veel goeds. Meestal wordt het verleden dan gebruikt, of beter misbruikt, om doelen in het heden te bereiken. Politici die terug willen naar de jaren vijftig, zoals Wilders of nog verder terug naar de achttiende eeuw, zoals Baudet, willen dat meestal om mensen uit te sluiten. ‘Jullie kleur, religie of iets anders was er toen niet, dus jullie horen er niet bij’. Dit is bij Buijs niet het geval.

Laten we het betoog van Buijs eens volgen. Buijs gaat, zoals hij het noemt: “op zoek naar de nodige nuance,” in het maatschappelijk debat over gender, omdat, zo betoogt hij: “want denken in tegenstellingen in gender en seksualiteit beperkt ons allemaal.” Daarom zoekt hij naar: “de stand van de wetenschap als het over gender gaat.” En dat onderzoek, zo betoogt hij: “laat zien dat de mens in de kern androgyn is: elke man is ook vrouwelijk, en elke vrouw is ook mannelijk. Dat maakt genderfluïditeit voor iedereen relevant, of we nou zelf lhbt’er of cisgender heteroseksueel zijn.”  En zo komt hij uit bij de jager-verzamelaars, die een veel gelijkwaardigere samenleving hadden en volgens Buijs kwam dat door de androgyne kern van de mens. Die androgyne kern werd naar de achtergrond gedrongen, zo betoogt hij, na de neolithische revolutie, de uitvinding van de landbouw. Want toen: “werden de rollen steeds meer langs de lijnen van gender verdeeld. Mannen namen de fysieke taken op zich, terwijl de vrouwen zich gingen toeleggen op zorgen en opvoeden. Zij leefden niet langer in grote beweeglijke groepen samen, maar steeds meer in klein familieverband met een vader, een moeder en kinderen. Zo ontstond het kerngezin, en daarmee de heteronorm.” En nu moeten we dus weer terug naar die androgyne kern die ons ‘optimaal wendbaar en innovatief’ maakt.

Een groep jager-verzamelaars bestond uit een beperkt aantal mensen, meestal tussen de 25 en de 50 mannen, vrouwen en kinderen. Als we kijken naar hun dagelijkse leven, dan waren er slechts een beperkt aantal taken die moesten worden vervuld en al die taken waren behoorlijk arbeidsintensief. Het jagen gebeurde met het grootste deel van de groep. Het hert, laat staan de mammoet kon alleen worden gevangen door met z’n allen samen te werken. En alleen door allemaal bessen te plukken en noten te verzamelen, kon er voldoende worden verzameld voor de hele groep. Bovendien was iedereen nodig om de belangrijke zaken steeds mee te verhuizen. Dus inderdaad qua rol was de groep gelijkwaardig. Zou dat door het ‘geheim van Buijs’ die androgyne kern van de mens komen of een resultaat zijn van noodzaak?

Gelijkwaardig wil echter niet zeggen dat er geen hiërarchie was in de groep. Die zal er zeker zijn geweest. Als we kijken naar onze meest naaste diersoorten, de mensapen. Ook die kennen een hiërarchie en een hiërarchie duidt op machtsverschillen. En dat is nu nog steeds zo. Zet een groep willekeurige mensen bij elkaar en er ontstaat een soort hiërarchie en ook een strijd om de ‘bovenste plek’ in die hiërarchie en gekonkel om die plek te bemachtigen. Vrouwen verschillen daarin niet zoveel of vrijwel niet van mannen. Ook vrouwen doen aan hiërarchie. Kijk gewoon naar een willekeurige schoolklas en je kunt het zien. Of als je meer van de TV bent, kijk naar al die ‘real life’ tv-programma’s als Big Brother en Expeditie Robinson. Ook daar zie je dit gedrag. Dit is menselijk, niet mannelijk en niet iets van sinds de eerste agrarische revolutie.

Dan die neolithische revolutie. Die vroeg om andere zaken en maakte ook andere zaken mogelijk. Om met dat laatste te beginnen. Die revolutie maakte het mogelijk en zelfs aanlokkelijk om meer kinderen te krijgen. Mogelijk omdat het kind niet steeds meegesleept hoefde te worden om er toezicht op te hebben. Het werd hierdoor makkelijker om extra kinderen te krijgen. Makkelijker en belonend omdat ieder kind dat overleefde een extra paar handen betekende en die handen maakten meer werk mogelijk. En als er dan toch iemand in de buurt moet blijven om een oogje in het zijl te houden, dan is het toch handiger omdat iemand te laten zijn die de kleinsten gelijk kan zogen. Hieruit is inderdaad het moderne kerngezin gegroeid alleen gingen daar nog vele eeuwen en zelfs millennia overheen want dat ‘kerngezin’ was onderdeel van een band waar ook grootouders en broers en zussen deel van uitmaakten. Een band die weer onderdeel was van een extended family, een grootfamilie of clan. Ook de keuzes die onze voorvaderen de eerste boeren maakten, kenden een praktische reden en geen op ideologie of op macht gebaseerde reden.

Dat die praktische keuze uiteindelijk hebben geleid tot een samenleving waarin mannen de baas spelen, is wat anders. Nu laat de geschiedenis zien dat er ook vrouwen zijn die de baas spelen, neem Hatsjepsoet, Nefertiti, Cleopatra of de Chinese Keizerinnen Wu Zeitan en Cixi, de Engelse koninginnen Mary, Elizabeth I en II (de huidige) en Victoria, de Russische Tsarina’s Elizabeth en Catharina. Om daaraan een einde te maken is het echter niet nodig om je gelijk in het verleden te gaan zoeken en dat verleden te buigen naar de theorie waarmee je je strijd in het heden voert.