Uitgelicht

Institutioneel racisme! Of toch niet?

“Ik zat in de afrondende fase van mijn opleiding en zou aan het werk zijn als verloskundige in dezelfde praktijk in de periode dat zij zou gaan bevallen. Haar eis om mijn ontslag kwam voort uit haar voorwaarde om niemand in haar buurt te willen die een hijab draagt.” Dit schrijft Pia Sophia in een artikel op de site Dipsaus. En liet dat volgen door: “Mijn opdrachtgever kwam niet voor me op en vertelde mij dat ik moest leren leven met het feit dat “discriminatie nou eenmaal voorkomt.”” Dit is, aldus Sophia, een van de voorbeelden van institutioneel racisme.  Een bijzondere casus waarbij ik alweer moest denken aan Hannah Arendt.

Beschuit, Muisjes, Geboorte, Kraamweek, Jongetje
Bron: Pixabay

In de bundel Verantwoordelijkheid en oordeel zijn toespraken en colleges van Arendt gebundeld die handelen over juist die twee woorden. Aan één van die artikelen moest ik denken bij het lezen de passage uit Sophia’s artikel. In de bundel een essay uit 1959 met als titel Overpeinzingen bij Little Rock. Even voor degenen die het niet weten. In 1957 moest een middelbare school in  Little Rock, de hoofdstad van de Amerikaanse staat Arkansas, negen zwarte leerlingen toelaten. Dit omdat de Hoge Raad had geoordeeld dat de school deze negen leerlingen niet mocht weigeren. Een uitspraak van de hoogste rechter, en dat is de Hoge Raad in de Verenigde Staten, moet gestand worden gedaan. Dat was echter tegen het zere been van gouverneur Faubus van de staat, die stuurde de Nationale Garde om dit te verhinderen. Daarop kon president Eisenhower niets anders dan ingrijpen. Hij stuurde de 101e luchtlandigsdivisie en gaf hen de opdracht de negen kinderen te beschermen en ervoor te zorgen dat ze de school konden bezoeken. Dit gebeuren was voor Arendt aanleiding tot haar overpeinzingen.

In haar overpeinzingen onderscheidt Arendt drie werelden of sferen: de privé sfeer, de sociale sfeer en de politieke sfeer. Binnen die drie werelden bekijkt ze de rol van gelijkheid. Over de privé sfeer zegt ze het volgende: “… -het gebied van het privé leven – wordt noch door gelijkheid noch onderscheid maken beheerst, maar door exclusiviteit. Hier kiezen we de mensen met wie we ons leven willen doorbrengen, namelijk persoonlijke vrienden en mensen van wie we houden; en onze keuze wordt niet bepaald door overeenkomst of kwaliteit die door een groep mensen worden gedeeld – ze wordt zelfs niet bepaald door welke objectieve maatstaven en regels dan ook – maar richt zich, onverklaarbaar en onfeilbaar, op één persoon in zijn of haar uniciteit, zijn anders zijn dan alle andere mensen die we kennen.” Als ik Arendt goed begrijp dan kan er in de privé sfeer geen sprake zijn van discriminatie. Een duidelijk en begrijpelijk betoog. In de privé sfeer zoekt een ieder zijn eigen passende begeleiding.

Dan het andere uiterste, de politieke sfeer. In de politieke sfeer is, zo betoogt Arendt, gelijkheid absoluut. Het is “haar innerlijke principe.” In het politieke domein: “daar zijn we allemaal gelijk.” Die gelijkheid wordt: “in de eerste plaats geconcretiseerd in het stemrecht; volgens dat recht staan het oordeel en de mening van de hoogst geplaatste burger op één lijn met het oordeel van de persoon die nauwelijks kan lezen en schrijven.” Integraal onderdeel van die gelijkheid is: “Passief kiesrecht of het recht voor een ambt te worden gekozen.” Ook dit is een duidelijk en begrijpelijk betoog.

Als laatste het sociale sfeer, de samenleving. Dit is het domein dat we instappen als we ons huis verlaten. De samenleving: “is dat merkwaardige, wat hybridische gebied tussen het politieke en het persoonlijke waarin sinds het begin van de moderne tijd de meeste mensen het grootste deel van hun leven hebben doorgebracht.” En wat gelijkheid is voor de politieke sfeer, is discriminatie voor de samenleving, zo betoogt Arendt. Discriminatie niet in haar betekenis van achterstellen, maar in haar betekenis van onderscheid maken. Naar die sfeer worden we gedreven: “door (de) noodzaak in ons onderhoud te voorzien, ertoe aangetrokken door het verlangen onze talenten te ontplooien of ertoe aangelokt door het genoegen van gezelschap.” Daarbij kiezen we ons gezelschap, daarbij worden we, zoals Arendt het schrijft: “onderworpen aan het aloude adagium ‘soort zoekt soort’, dat het gehele domein van de samenleving in zijn oneindige variëteit van groeperingen en sociale verbanden beheerst.” Je gaat op voetbal en wel bij die club omdat de mensen daar het beste bij je passen. Je gaat naar een concert van band x omdat die muziek bij je past. De spiegel daarvan is dat een vereniging je mag weigeren. Zo zul je bij de naaktzwemclub worden geweigerd als je per se een boerkini aan wilt. Net zoals je wordt geweigerd als je in je nakie bij de boerkinie zwemclub wilt. Zo mag, zoals enkele jaren geleden in Noord-Ierland, een bakker weigeren een taart met daarop de slogan ‘steun het homohuwelijk’ te bakken voor een huwelijk van twee mannen. Net zoals de bakker ook geen taart hoeft te bakken voor iemand die ‘eigen volk eerst’ erop wil. Dit weigeren gaat volgens Arendt niet op voor: “diensten die, of ze nu particulier of publiek eigendom zijn, in feite openbaar zijn, diensten die iedereen nodig heeft om zijn zaken te behartigen en zijn leven te leiden. Al behoren deze diensten niet strikt tot het politieke domein, ze bevinden zich wél in het publieke domein waar alle mensen gelijk zijn”. Daar waar de bakker mag weigeren een taart met spreuk te bakken, mag het busbedrijf niet weigeren iemand te vervoeren. Ook deze redenering kent een te begrijpen logica.

Als we met Arendts bril naar Sophia’s voorbeeld kijken, hoe zou Arendt dit voorbeeld beoordelen? Dan staat de zwangere vrouw in haar recht om Sophia te weigeren als verloskundige. De verloskundige betreedt immers de privé sfeer van de betreffende vrouw. Dat zij een publieke functie vervult doet daar niets aan af. Het is aan de patiënt om de arts te kiezen en dus ook aan de zwanger vrouw om een verloskundige te kiezen. Haar motieven, of die nu racistisch, godsdienstig of persoonlijk van aard zijn doen hierbij niet ter zaken. Sterker nog, de zwangere vrouw hoeft haar motieven niet eens te geven. ‘Jou niet’ is al voldoende. Dubieus is het verzoek van de zwangere vrouw om Sophia te ontslaan om zo te voorkomen dat Sophia toch bij de geboorte van het kind van de vrouw is. Een zwangere vrouw gaat niet over het personeelsbeleid van een verloskundigenpraktijk.

Dan de werkgever die haar, aldus Sophia, onvoldoende steunde en haar vertelde dat ze maar moest ‘leren leven met het feit dat discriminatie nou eenmaal voorkomt.’ Als ik het artikel goed begrijp, heeft de werkgever haar niet ontslagen en heeft Sophia de betreffende mevrouw niet geholpen bij de bevalling, maar heeft de werkgever daar een andere medewerker naartoe gestuurd. Ook de werkgever heeft niets verkeerd gedaan. Hij heeft de wens van de zwangere mevrouw gerespecteerd. Wat hij wat handiger had kunnen doen, is dit met Sophia bespreken. Daarbij had Arendts betoog hem zeker kunnen helpen.

Uitgelicht

‘Op de man spelen’

                Een docent aan de  Universiteit van Amsterdam schijnt zich te hebben misdragen in de richting van vrouwelijke studenten: “hij maakte namelijk opmerkingen over sperma en complimenteerde studentes met hun borsten.”  Zo lees ik in een artikel van student filosofie Tammie Schoots bij Joop. Dit leidde tot protesten. Protesten waarop anderen weer reageerden: “Zo maakte Sjoerd de Jong zich in NRC druk dat de naam van de docent te vinden was en stelde hoogleraar Han van der Maas in Universiteitskrant Folia dat het protest wel erg op een volksgericht tegen de desbetreffende docent leek.” Dit is tegen het zere been van Schoots. Daarbij gaat het er niet om wat de twee inbrengen, maar om wie het inbrengt: “Deze ‘adviesgevers’ en ‘opiniemakers’ hadden allemaal één ding gemeen: het waren stuk voor stuk witte heteroseksuele cis-gender mannen.”  En ‘witte heteroseksuele cis-gender mannen’ mogen niets zeggen als: “zij zelf impliciet onderdeel van het probleem zijn.”  Een bijzonder betoog om twee redenen.

Bron: WikimediaCommons

Bijzonder is dat als een ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ over de schreef gaat dan moeten alle andere mensen die aan deze omschrijving voldoen, zwijgen. Dus als een man van een andere huidskleur, sekse of gender hetzelfde had ingebracht, was het wel oké? Schoots’ redenering is een voorbeeld van ‘intersectioneel denken’. Er wordt niet naar het geval gekeken, maar naar bepaalde aspecten van de dader die in het betoog van de schrijver te pas komen en die worden veralgemeniseerd. Waarom kiest Schoots ervoor om juist die ‘kruispunten van identiteit’ eruit te pakken? Waarom moet alleen de ‘witte heteroseksuele cis-gender’ man zwijgen? Mannen met een andere huidskleur kunnen toch ook over de schreef gaan? Waarom alleen de ‘heteroseksuele man’, zijn er dan geen homoseksuele mannen die over de schreef kunnen gaan? Waarom alleen de cis-gender man’, zijn er dan geen trans-gender mannen die over de schreef kunnen gaan? Waarom trouwens alleen mannen, zijn er geen vrouwen die over de schreef kunnen gaan? Waarom worden niet alle docenten uitgesloten van deelname? De persoon die men verdenkt was immers docent Conservering en Restauratie van Cultureel Erfgoed. Waarom niet iedereen die conservator is? Of restaurateur? Of die iets heeft met industrieel erfgoed? Of die afkomstig is uit de woon- of geboorteplaats van de betreffende docent? Of mensen die een voorliefde hebben voor het favoriete vakantieland van de docent?

Nee, het moet specifiek deze combinatie zijn. De ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ is namelijk de favoriete zondebok van de aanhangers van deze theorie. Die heeft schuld aan zo ongeveer alles. Al vraag ik me trouwens af of het gros van de mensen die tot die categorie behoren, weten dat ze ertoe behoren. Buiten de aanhangers van die theorie ben ik nog niemand tegen gekomen die zichzelf als ‘cis-gender’ omschrijft. Terwijl die theorie toch is bedoeld om je ‘identiteit’ te bepalen. Die ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ moet van zijn troon bovenop de apenrots worden gestoten. Die moet flink wat toontjes lager zingen. Nu kent onze samenleving inderdaad veel gelijkenissen met die apenrots en inderdaad zitten er aan de top veel ‘witte heteroseksuele cis-gender mannen’. In deze contreien is de dominante huidskleur de blanke, dat maakt het logisch dat de top van de ‘rots’ vooral blank is. Omdat de overgrote meerderheid van de bevolking cis-gender is, is het ook logisch dat die top dominant cis-gender is. Het enige wat op deze manier niet logisch is aan de top van de rots, is dat de steeds kleiner wordende meerderheid man is. Dat is dan weer te verklaren vanuit de geschiedenis. Dat het zo is te verklaren maakt niet dat het zo goed is of moet blijven. Dat dit anders moet, daar ben ik het helemaal mee eens. Het gros van de ‘witte heteroseksuele cis-gender mannen’ behoort echter niet tot die top van de apenrots, die zitten lager in de hiërarchie en een flink deel bungelt aan de onderkant. Die apenrots is namelijk niet gebaseerd op kleur, sekse of gender, die is gebaseerd op macht. Om die macht eerlijker verdeeld te krijgen, helpt het niet om een groot gedeelte van je mogelijke bondgenoten, de ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ op de onderste helft van de rots, tot vijand te verklaren. Dan zou je wel eens kunnen bereiken wat je niet wilt, namelijk dat deze groep zich schaart achter die top die je juist wilt veranderen.

                 Het tweede bijzondere, of beter gezegd pijnlijke, aan haar betoog is dat het een van de zwakste manieren van het voeren van een maatschappelijke discussie is. Zo ongeveer het eerste treetje boven dreigen met geweld. Schoots ‘stelt’, om een Duits woord wat te verhaspelen, mensen ‘kalt’. Ze diskwalificeert ze in een gesprek om wie of wat ze zijn. Noem iemand fascist of racist en alles wat die persoon zegt, is bij voorbaat niet relevant. In dit geval noem iemand een ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ en alles wat de persoon zegt, is van geen waarde. Die doet niet meer mee. Als dit is wat studenten op de Universiteit van Amsterdam in het algemeen leren, dan maak ik mij grote zorgen om de toekomst van ons allen. Een schoolvoorbeeld van een ‘argumentum ad hominem’ om de Latijnse benaming te gebruiken. Al vrees ik dat dit bij Schoots een onbekende term is. En dat geeft te denken over de studie filosofie die Schoots volgt.

‘Until Death do us part’

“U hoort dat goed, wij dienen actief te eisen dat we als volwaardig Nederlander beschouwd worden en dat derhalve etnische registratie wordt afgeschaft.” Dit betoogt Karim Bettache bij Joop. Hierbij sluit ik mij van harte aan. Iedereen die voor de wet gezien een Nederlander is, is een Nederlander. Geen Nederlander met … afkomst, allochtoon, autochtoon of streepjes Nederlander. Nee, gewoon Nederlander. Het staat iedereen vervolgens erin om zichzelf te betitelen als een … Nederlander, Nederlander met … voorouders , gekleurde, witte of blanke Nederlander, Zeeuwse Nederlander of Venlose Nederlander. Dat is aan de persoon zelf, niet aan een ander en zeker niet aan de wetgever. 

Bettache strijdt tegen ‘systemisch racisme’ en in die strijd adviseert hij: “Gekleurde en multi-etnische Nederlanders (maar ook onze witte broeders en zussen) doen er goed aan financieel en sociaal niet meer bij te dragen aan de eigen onderdrukking.” Wat hij hiermee bedoelt? (G)een abonnementen meer op mainstream kranten/gidsen of andere media die weigeren diversiteit toe te laten boven het glazen plafond en daarnaast in hun berichtgeving een generaliserende (witte) kijk communiceren naar u en andere Nederlanders.” En ook niet meer stemmen op: “linkse partijen die enkel mooie praatjes verkopen maar qua beleid niets voor u doen. … Beter is het om op een pluriforme partij als Bij1 te stemmen.” 

Nu las ik bij dekantekening.nl iets bijzonders. In een artikel bespreekt Ewout Klei het al dan niet ‘wit’ zijn van de Nederlandse corona-aanpak. In het artikel staat de vraag centraal: “Worden Afro-Nederlanders harder getroffen door het coronavirus dan witte Nederlanders?” Vanuit het buitenland, en dan vooral Groot Brittannië en de Verenigde staten blijkt dat gekleurde mensen vaker sterven aan corona. Een voorbeeld: “In de stad Chicago is 30 procent van de bevolking Afro-Amerikaans, maar 70 procent van de coronadoden is zwart.” Voor Nederland kan die vraag niet worden beantwoord: “Nederland houdt niet bij wat de etniciteit van coronapatiënten en -doden is.” En dan komt het bijzondere: “BIJ1, de partij van Sylvana Simons, is om deze reden voor het registreren van etniciteit van coronaslachtoffers.” Dat is volgens woordvoerder Quinsy Gario wel nodig: “Deze gegevens zijn noodzakelijk voor het opstellen van een gemeenschappelijk plan van aanpak. Nu worden gemeenschappen buitengesloten van het plan dat is opgesteld omdat er geen gegevens zijn over de schade dat het virus bij hen aanricht. Als je de mogelijkheid om de schade te bepalen bemoeilijkt voor een bepaalde groep ben je bezig met ongelijkwaardige behandeling. En dat is in strijd met artikel 1 van onze grondwet.” 

Zou het werkelijk zo zijn dat ‘gemeenschappen worden buitengesloten omdat er geen gegevens zijn over de schade die het virus bij hen aanricht’? Ik waag het te betwijfelen. Het ‘plan’ is erop gericht de besmetting met het virus zo te controleren dat onze gezondheidszorg niet overbelast raakt. Belangrijk daarin is het voorkomen van besmetting. En als iemand toch besmet raakt, dan wordt die persoon zo goed mogelijk geholpen op basis van de beschikbare kennis. Dat het virus vooral schadelijk is voor mensen aan de onderkant van het loongebouw, is ondertussen al bekend. Dat is ook de oorzaak van de overmatige sterfte van gekleurde mensen in de VS en Groot Brittannië. Dit zal voor Nederland niet veel anders zijn. Een onvoorwaardelijk basisinkomen zou wel eens een middel kunnen zijn om dit, ongeacht de huidskleur, te bestrijden. Dit even terzijde. 

Bij1 wil de etniciteit van corona-doden registreren. Een registratie waar Bettache, met recht en reden, voor de levenden van af wil. Bij leven één bij sterven gescheiden: ‘Until death do us part’.  Wellicht toch even overwegen of Bij1 dan wel de juiste keuze is? 

‘Ellende-ladder’

Identiteit, ik schreef er eind vorig jaar een Prikker over met als titel Hans, en de vraag ‘Wie ben ik’?.  In die Prikker sloot ik me aan bij een uitspraak van Kwame Anthony Appiah: “Ik vind dat je identiteit licht moet dragen….” Omdat: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, (…) hoogst twijfelachtig” is. De afgelopen tijd waren we getuige van prachtige voorbeelden van die twijfelachtigheid. Voorbeelden geleverd door Henk Krol en de Kamerleden van Denk. Over die voorbeelden wil ik het niet hebben. Wel over redeneringen en hun gevolgen.

Correspondent Identiteit Valentijn de Hingh vraagt zich in een artikel bij De Correspondent af: “Hoe los je racisme, seksisme en homofobie op? Allemaal tegelijk.” Daarvoor onderzoekt hij ‘Identiteitspolitiek. “Identiteitspolitiek wil zorgen voor meer gelijkheid voor groepen die op basis van bijvoorbeeld ras, etniciteit, seksuele gerichtheid, sekse of genderidentiteit in een maatschappelijke minderheidspositie zitten, en die daardoor in hun dagelijks leven te maken krijgen met allerlei vormen van onrecht en onderdrukking.” In dit artikel komt hoofddocent Literaire en Culturele Analyse Murat Aydemir aan het woord. Volgens Aydemir is: “identiteitspolitiek oorspronkelijk wél bedoeld als brede systeemkritiek.”  Volgens Aydemir hebben we de term te danken aan: “het Combahee River Collective (CRC), een groep Afro-Amerikaanse lesbische feministen uit Boston.” Deze groep legde een relatie tussen ras, gender en klasse. Hun kritiek: “Het feminisme was in die tijd vooral een project van witte vrouwen, waardoor racisme vrijwel onbesproken bleef. De burgerrechtenbeweging had weinig aandacht voor seksisme en homofobie, terwijl de arbeidersbeweging voorbijging aan de manier waarop al deze vormen van onrecht invloed hadden op de economische positie van zwarte vrouwen.” Daaruit concludeerden ze: “If black women were free, it would mean that everyone else would have to be free since our freedom would necessitate the destruction of all the systems of oppression.” Dus: “Door solidair te zijn met zichzelf als zwarte vrouwen, waren de leden van het CRC dus in feite solidair met een heleboel: met vrouwen, personen van kleur, LHBTQIA’ers én mensen in een economische minderheidspositie – hun identiteit verbond ze aan al deze politieke belangen tegelijkertijd.” De Hingh concludeert hieruit: “Goede identiteitspolitiek richt zijn pijlen dus niet op één vorm van onrecht, maar op alle vormen tegelijkertijd. En gaat dus wel degelijk over breed gedragen maatschappelijke verandering.” Laten we deze hele redenering eens wat beter bestuderen.

Wat het CRC zegt is dat je, als je de wereld wilt verbeteren, moet beginnen met het verbeteren van de positie van de Afro-Amerikaanse lesbische feministen. Die worden immers het meest achtergesteld. Als zij het beter krijgen, krijgt iedereen het beter. Immers om hun positie te verbeteren moet je alle ‘systemen’ en ‘belemmerende’ factoren opruimen. De grote denker over rechtvaardigheid John Rawls zou zich hierin kunnen vinden. Zijn uitgangspunt is immers dat iedere maatregel de positie van hen die het slechtst af zijn, het meeste moet verbeteren. 

Een probleem. De hele redenering staat of valt met de ‘ellende-ladder’. De wat? De ‘ellende-ladder’, een woord dat me net te binnen schoot. De Afro-Amerikaanse lesbische feministen van het CRC vinden dat hun ellende het grootst is, dat zij bovenaan staan op de ‘ellende-ladder’. Zij combineren huidskleur, geslacht en klasse en constateren dat zij overal in het nadeel zijn. Zij bedienden zich van ‘intersectioneel denken’ avant la lettre. Denken dat de mens in stukjes hakt: gender, ras, geaardheid, religie, handicap en nog veel meer. Ik schreef er al eerder over naar aanleiding van een artikel van Seada Nourhussen. Of hun positie werkelijk de meest ellendige is, is maar helemaal de vraag. Hoe bepaal je welke groep in de meest ellendige situatie verkeert? Maar ook wie bepaalt dat? In het CRC-denken is dat van belang. Is er immers een groep die nog hoger op de ellende-ladder staat, bijvoorbeeld de zwarte lesbische moslima, dan moet daar de ‘wereldverbetering’ mee beginnen. Het wordt zo belangrijk om de bovenste positie op de ‘ellende-ladder’ in te nemen. En dat is precies wat er gebeurt. Iedere groep ziet zijn positie al meest ellendige.

“Maar uiteindelijk is het wel zaak dat identiteitspolitiek in de toekomst aanstuurt op een allesomvattende, radicale omwenteling van het systeem, zoals het Combahee River Collective het voor ogen had,” concludeert De Hingh. De energie gaat echter op aan de wedstrijd ‘ladder klimmen’ en niet aan het bereiken van een ‘breed gedragen verandering’. Misschien zou het helpen als  ‘identiteit’ een veel minder belangrijke positie zou innemen. Als we onze ‘identiteit’, om Appiah na te spreken, wat lichter dragen en wat meer zoeken naar gezamenlijkheid, naar overeenkomsten. We zijn allemaal mensen die met respect en gelijkwaardig behandeld willen worden. Zou dat niet een goed beginpunt zijn?

‘De nobele wilde’

Ik geloof sowieso niet dat radicale ideeën voor ‘een nieuwe wereld na corona’ uit de westerse wereld gaan komen, omdat wij ons geen andere identiteit kunnen voorstellen dan die van consument. Wij hebben nog teveel belang bij de status quo.” Dit schrijft Seada Nourhussen in een artikel bij OneWorld. Hoe het wel moet, weet ze ook: “Als we eens onze mond houden en voor oplossingen eindelijk ook gaan luisteren naar oorspronkelijke bewoners van ecologische epicentra zoals de Amazone, die niet van maar mét de natuur leven. Als we onze leiders dwingen om rechtvaardige keuzes te maken voor iedereen. En als we durven breken met het denken in natiestaten en landsgrenzen.” Nu sta ik altijd open voor oplossingen en ideeën van anderen. Waar ze ook wonen. Toch is er iets aan het opvoeren van de ‘oorspronkelijke bewoners’ en het om het in overdrijvende vorm te zeggen, hun ‘bijna-heiligverklaring’. Of eigenlijk de spiegel ervan: het alles wat ‘niet deugd’ een ‘Westerse uitvinding’ noemen.

In een ander artikel van Darko Lagunas bij OneWorld, worden ook oorspronkelijk bewoners opgevoerd. In dat artikel wordt Ariruma Kowii hoogleraar cultuurstudies en oorspronkelijke volkeren aangehaald: “Duurzaamheid is verbonden aan eeuwenoude roofzuchtige verlangens die de natuur zien als willoos, als iets wat maximaal benut moet worden. Dit ontwikkelingsdenken is sinds de kolonisatie van Noord- en Zuid-Amerika geïntroduceerd en sindsdien niet veranderd.” Zo daar kunnen we het meedoen. 

Luisteren naar de stemmen van de ‘oorspronkelijke bewoners’. De om het zo te zeggen ‘nobele wilde’. De ‘nobele wilde’ die we hebben te danken aan de Engelse dichter John Dryden in zijn The Conquest of Grenada en die meestal in verband wordt gebracht met de Fransman Jean Jacques Rousseau. Rousseau zag deze ‘wilde’ als een verre voorouder die eigenlijk het ideale leven leidde. Een leven zoals het altijd had moeten blijven. Een staat van leven die voor Rousseau de ‘jeugd’ van de mensheid vertegenwoordigde. De ‘oorspronkelijke bewoners’ staan, als wij Nourhussen en Lagunas mogen geloven, nog dicht bij die jeugd. Nog dicht bij dat ideale leven in balans met de natuur. Een balans die dus werd verstoord met de komst van Columbus, Pizarro en al die andere ‘conquistadores’. Die brachten het imperiale denken en zagen de natuur als een middel dat ten dienste staat van de mens. Alle ‘ellende’ komt van de West-Europeanen om het zo maar eens te zeggen.

Nu is niet te ontkennen dat de komst van die ‘conquistadores’ catastrofale gevolgen had voor de toenmalige bewoners van wat we nu de beide Amerika’s noemen. Die komst leidde door het geweld en vooral door  de besmettelijke ziektes die ze meenamen, tot een slagveld onder de Azteken , de Maya’s en de Inca’s. De drie grote rijken die de conquistadores in het Midden- en Zuid-Amerikaanse tegen kwamen. De toen machtige rijken met grote steden.

Machtige rijken met soms grote steden. Minder bekend voor de gemiddelde leek zijn waarschijnlijk de Olmeken. De voorgangers van de Maya’s. Een beschaving die zo’n 3500 jaar geleden opkwam in het zuiden van het huidige Mexico en daarmee een voorganger is van de stedelijke Maya-cultuur. In zijn boek Vrede en Oorlog schrijft Jonathan Holslag het volgende over de Olmeken (pagina 74-75): “De Olmeken ging het goed, niet alleen omdat ze manieren bedachten om de natuur te bedwingen – door middel van een uitgebreide infrastructuur voor irrigatie – maar ook omdat ze leerden te leven met de grillen van de natuur en hun landbouw aanpasten aan de specifieke omstandigheden. Sommige boeren verbouwden voedsel op kleine graslanden op rivieroevers. Anderen bewerkten land dat ze hadden ontgonnen door een stuk bos plat te branden, en vertrokken zodra de dunne laag vruchtbare grond was uitgeput. Landbouw werd gecombineerd met het verzamelen van voedsel: fruit en vlees uit het bos, vis en schaaldieren uit de rivieren en de zee. Gedomesticeerde honden waren een extra bron van eiwitten. Toen het eerste millennium aanbrak, waren de productiemethoden voor bonen, aardappelen en maïs inmiddels geperfectioneerd, zodat de bevolking gestaag groeide. Mensen begonnen zich te specialiseren in ambachten, en er ontstond een bloeiende handel.” Eigenlijk precies hetzelfde als in die tijd in China, het Midden-Oosten en India gebeurde en later in wat nu West-Europa is.

Machtige rijken ontstaan niet ‘vanzelf’. Die ontstaan meestal als de ene stam of het ene volk, het andere verovert en aan zich onderwerpt. Op die manier groeiden het Romeinse rijk en het Chinese keizerrijk ten tijden van de Olmeken. Maar ook in latere tijden ontstonden nieuwe rijken. Neem de Inca’s die vanuit hun oorspronkelijke woongebied, de omgeving van Cuzco in het huidige Peru, een rijk opbouwden van zo’n 4.000 kilometer langs de Grote Oceaan. Een rijk met steden, bijzondere bouwwerken zoals de Machu Picchu en geplaveide wegen. De Maya’s kenden een stedelijke cultuur die was gebaseerd op intensieve landbouw. Want ja, ook in de Amerika’s konden steden alleen opkomen als er een surplus aan voedsel werd geproduceerd. Dus na de opkomst van de landbouw. Van alleen jagen en verzamelen kon je immers geen leger op pad sturen, laat staan wegen aanleggen en tempels bouwen. 

Machtige rijken ontstaan via imperialisme en kolonialisme. Imperialisme en kolonialisme zijn geen ‘Europese’ uitvinding. Dat het met de slachtoffers van dat imperialisme en kolonialisme minder goed af kan lopen is ook niet ‘typisch’ Europees.’ Dat er door de besmettelijke ziektes die de ‘Europeanen’ meebrachten extra veel slachtoffers vielen in de Amerika’s, kun je Pizarro en Cortez niet verwijten. Dat deze ziekten in de Amerika’s onbekend waren en dus voor zeer veel slachtoffers zorgden was hen niet bekend.

Ook het gebruiken en naar de hand zetten van de natuur voor menselijke doeleinden is geen ‘Europese’ uitvinding. Dat plaatst de bewering dat het (maximaal) benutten van de natuur “ontwikkelingsdenken is (dat) sinds de kolonisatie van Noord- en Zuid-Amerika geïntroduceerd,” werd in een heel ander, veel genuanceerder daglicht. Die “eeuwenoude roofzuchtige verlangens,” zijn dus niet specifiek ‘Europees’.

Proletariërs aller landen …

Mijn identiteit? Witte cis-gender man, 40-er, hetero, geen beperking, ongelovig, ‘gewone achternaam’, uit een arbeidersgezin. Doorsnee, eigenlijk. Ik heb werk, een mening en ben niet op m’n mondje gevallen. Makkelijk.” Zo beschrijft SP-raadslid Martijn Tonies uit Oss zich in een artikel bij Joop. Een artikel waarin hij pleit voor: “meer aandacht voor identiteit graag, de klassenstrijd kan niet zonder!” Ook binnen een vakbond.

Bron: Wikimedia Commons

Ik zou mijn ‘identiteit’ of,  zoals ik het zelf noem mijn persoonlijkheid, anders omschrijven dan de manier waarop Tonies de zijne beschrijft, maar dat laat ik even passeren. Waar het mij om gaat is zijn roep om meer aandacht voor identiteit in de klassenstrijd. Nu hebben we het begrip Klassenstrijd te danken aan de Fransman, historicus en politicus François Guillaume Guizot en is het bekend geworden omdat Karl Marx en zijn kompaan Friedrich Engels het gebruikten in hun Communistisch manifest. Voor beiden is het een strijd tussen de door Baudet aanbeden bourgeoisie en het proletariaat, een strijd tussen en om productiemiddelen en productieverhoudingen. Een strijd die uiteindelijk via een proletarische revolutie zou leiden tot een klasseloze maatschappij.

Die revolutie is nog steeds niet uitgebroken. Sterker nog, de multimiljardair en ‘super belegger’ Warren Buffet ziet, tot zijn spijt, een heel andere uitkomst: ‘Er is wel degelijk een klassenstrijd gaande, maar het is mijn klasse die de strijd voeren en we zijn aan de winnende hand.’ Tot zijn spijt omdat Buffet pleit voor een eerlijker belastingstelsel. Een belastingstelsel waarin hij, om hem te parafraseren ‘wel meer belasting betaalt dan zijn secretaresse’. Ik neem aan dat Tonies de strijd tegen die door Buffet bedoelde ‘winnende klasse‘ wil aangaan. 

Tonies wil daarbij ‘meer aandacht voor identiteit’. Hij wil dat omdat tot welke klasse je hoort: “grotendeels (wordt) bepaald door je identiteit. Wie anders beweert, sluit opzettelijk de ogen voor de effecten van politieke keuzes en bijhorende systemen in onze maatschappij.” Ik vraag me af of dat zo is. Inderdaad kun je in de klassenstrijd een: “fatsoenlijk loon,” voor jongeren regelen. Ook het voorkomen dat: “je eruit geknikkerd wordt omdat je ‘te oud bent’” kan een onderdeel van de klassenstrijd zijn. De Klassenstrijd handelt immers over productiemiddelen en productieverhoudingen en beide voorbeelden handelen over de kosten van arbeid. Maar is een klassenstrijd werkelijk het aangewezen ‘slagveld’ om iets te regelen: “Als jouw achternaam er voor zorgt dat je kans op werk op voorhand al lager is dan iemand met een strafblad”? Vakbonden kunnen zich inzetten voor betere arbeidsvoorwaarden, een hoger loon en gelijke behandeling en beloning bij gelijk werk, voor een betere behandeling en beloning van het productiemiddel arbeid en dus voor een andere verhouding tussen de productiemiddelen kapitaal en arbeid. 

Zijn de kleur van iemands huid, de achternaam of seksuele geaardheid, anders dan wellicht in de prostitutie, een productiemiddel? Doet de geaardheid van een glazenwasser ertoe? Inderdaad kan je achternaam, je huidskleur of je seksuele geaardheid ervoor zorgen dat je kans op een baan kleiner is en dat zou niet mogen. Daartegen moeten we strijden en daarbij staan we: “schouder aan schouder, respecteren de ander en zijn elkaars steun in de rug: we zijn solidair met elkaar. Jouw strijd is mijn strijd,” schrijft Tonies en daarin steun ik hem. 

Alleen moet de strijd op het juiste ‘slagveld’ worden geleverd. De klassensstrijd is de strijd tussen productiemiddelen en productieverhoudingen. Een ‘strijd’ waar het nog steeds belangrijk is dat de ‘proletariërs aller landen zich verenigen’. Iets wat erg lastig is omdat die ‘vereniging’ net als in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog, nog steeds wordt belemmerd door nationalistische belangen. Of om het in moderne termen te zeggen ‘identiteiten’. De strijdt voor gelijke kansen moet worden gestreden op het politieke slagveld. En dan vooral door het geven van het goede voorbeeld want bij wet heeft iedereen al gelijke kansen. Maar ook in de handhaving van die wetgeving. Dus het optreden tegen, en bestraffen van overtredingen.

Zou het bij de strijd voor gelijke kansen helpen als iedere groep haar eigenheid benadrukt? Om net als de proletariërs vóór de Eerste Wereldoorlog te kiezen voor de eigen ‘identiteit’? Leg je zo niet de nadruk op verschillen? Zou die nadruk op de eigenheid werkelijk de strijd om gelijke kansen verder helpen? Is het wedervaren van de proletariërs van voor de Eerste Wereldoorlog niet een goed voorbeeld van wat er dan kan gebeuren? Namelijk dat je door die nadruk op de ‘eigenheid’ juist het risico loopt om, wellicht niet letterlijk zoals de proletariërs, op het ‘slagveld’ tegen elkaar uitgespeeld te worden? 


Wat was en IS (deel 2)

Vandaag deel 2 in de serie Wat was en IS. Deel 1 nog niet gelezen? Klik dan hier.

Het gesol gaat door 

Zelf gedaan, maar daarmee was Iran nog niet verlost van het gesol. In de jaren tachtig van de vorige eeuw vocht Irak een bloedige oorlog uit met de nieuwe islamitische republiek Iran. Het Irak van Saddam Hoessein wilde van de chaos na de Iraanse revolutie gebruik maken en viel op 22 september 1980 Iran aan met als doel de Iraanse olievelden te veroveren. In deze oorlog kon Irak op steun van het Westen en de Arabische golfstaten rekenen. Ze waren die nieuwe islamitische republiek liever kwijt dan rijk omdat het een bedreiging vormde voor de koninkrijken, emiraten en de oliestroom naar het westen. De seculiere Saddam leek minder gevaarlijk en kon op flinke financieel steun in de vorm van leningen rekenen. Irak kocht hiervoor moderne westerse wapens zoals Franse Mirage vliegtuigen. Dit met medeweten en ondersteuning van de westerse landen. De oorlog werd geen succes voor Irak en eindigde op 20 juli 1988 met een wapenstilstand. Irak had zich flink in de schulden gestoken en moest die afbetalen. Daarvoor had het medewerking van de andere olieproducerende landen binnen de OPEC nodig. En juist buurman en belangrijke ‘oorlogsfinancier’ Koeweit, produceerde veel meer olie dan het volgens de afspraken mocht. Meer aanbod zorgt voor lagere prijzen en door die lagere prijzen kwam Irak in betalingsproblemen. Daar kwam bij dat Koeweit, volgens Irak, oliebronnen aan de Iraakse zijde van hun gezamenlijke grens had aangeboord. Onderhandelingen hierover liepen uiteindelijk op niets uit. En met Irak komen we bij een derde belangrijk moment.

Operatie Desert Storm. Bron Wikimedia Commons

Op 2 augustus 1990 viel Irak Koeweit binnen en na een paar uur was de weerstand van het Koeweitse leger gebroken. Saddam Hoesein verklaarde daarop dat Koeweit een Iraakse provincie was. De Verenigde Naties (VN) veroordeelden de inval en bezetting, legde Irak sancties op en stelde een ultimatum in. Vóór 15 januari 1991 moest Irak zich onvoorwaardelijk terugtrekken uit Koeweit. Het gesol in het Midden-Oosten ging hiermee een nieuwe fase in.

Saoedie-Arabië schrok van de Iraakse inval in Koeweit en was bevreesd het volgende slachtoffer te worden van de Iraakse agressie. Het land vroeg daarop bescherming van de Verenigde Staten onder leiding van president George Bush sr. Die kwam in de vorm van schepen, vliegtuigen en ruim 500.000 soldaten met hun materieel. In hoeverre de angst van de Saoediërs gerechtvaardigd was, is twijfelachtig. Irak beschikte wel over een groot leger, maar was na de lange oorlog met Iran behoorlijk uitgeput. Bovendien beschikte Saoedie-Arabië over een moderne bij de Verenigde Staten ingekochte, luchtmacht. Een luchtmacht waartegen de Irakezen het zwaar zouden hebben. Argumenten voor het zenden van Amerikaanse troepen waren onder andere de massa-vernietigingswapens die Irak had, mosterdgas en Antrax. Tijdens de oorlog met Iran had Irak de middelen en techniek om deze wapens te maken, via het westen (onder andere Nederland) gekregen. Een ander argument betrof een verhaal dat de Irakezen pas geboren kindjes uit couveuses haalden, ze op de grond wierpen en ze lieten sterven. Dit verhaal leidde tot grote verontwaardiging onder de Amerikanen. Het bleek later uit een ‘koninklijke’ Koeweitse duim te zijn gezogen. Irak wilde niet aan het ultimatum voldoen en twee dagen na het verlopen ervan werd begonnen met het bombarderen van de Iraakse troepen, de commando- en infrastructuur. Op 24 februari 1991 volgde een grondoffensief en op 27 februari waren de Irakezen verdreven uit Koeweit. De VN namen een resolutie aan waaraan Irak moest voldoen. Die omvatte wapeninspecties om die massa-vernietigingswapens op te sporen, economische sancties en in het noorden en zuiden werd een no-flyzone ingesteld voor de Iraakse luchtmacht. Dit moest voorkomen dat Saddam Hoessein wraak zou nemen op de Koerden in het noorden en de sjiieten in het Zuiden. Die waren, aangemoedigd door de VS, in opstand gekomen maar veel te zwak om Saddams leger te verslaan. Saddam bleef verzwakt in het zadel en dat tot ongenoegen van ook veel gezaghebbende Amerikanen. Die hadden liever gezien dat Saddam zou zijn verdreven. Het VN mandaat stond dit echter niet toe.

War on terror

Die onvrede etterde nog vele jaren door. Etter in diverse vormen zoals aanvullende sancties voor Irak, een verbod om olie te verkopen behalve dan als het geld aan voedsel werd besteed. De zoektocht naar die massa-vernietigingswapens leverde niets op. In 1998 beëindigde Irak die inspecties eenzijdig en wees de inspecteurs het land uit. De VS gesteund door Groot-Brittannië (VK) bombardeerden daarop plekken waarvan zij dachten dat er mogelijk massa-vernietigingswapens waren opgeslagen.

Daarmee komen we bij de aanslagen van 11 september 2001 en ‘war on Terror’. In Buitenhof van 27 maart 2016 sprak Paul Witteman met David van Reybrouck en Willem Schinkel over de aanslagen in Brussel. Onvermijdelijk ging het in dit gesprek ook over de ‘oorlog tegen het terrorisme’. Het frame gemunt door voormalig president George Bush van de Verenigde Staten. De aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon werden al meteen een ‘act of war’, een oorlogsdaad, genoemd. De NAVO activeerde artikel 5: een gewapende aanval tegen een lid, is een aanval tegen allen. Aangezien de NAVO een militair bondgenootschap is, zit je meteen in het militaire. Zo ontstond een dynamiek gebaseerd op oorlog en dan kom je al snel bij een ‘oorlog tegen terrorisme’. Dat is daarvan een rationeel gevolg. 

Aanslag op de Twin Towers 9 september 2001. bron: Flickr

Eenmaal in de oorlogsratio wordt er gebombardeerd, worden er troepen gestuurd naar landen en ben je ‘voor of tegen ons’. Ben je voor ‘ons’ dan krijg je wapens en steun, ook al zou ’je’ onder normale omstandigheden geen vriend van ons zijn. Maar een vijand van ‘onze’ vijand, is een vriend. Ben je tegen ‘ons’ dan krijg je, afhankelijk van je sterkte, te maken met sancties en internationale uitsluiting, zoals Iran en Noord-Korea, met bombardementen en drone-aanvallen. De echt ongelukkigen worden getroffen door een volledige oorlog, zoals Afghanistan en Irak. In dat laatste geval geheel ten onrechte omdat er geen sprake was van banden tussen Al Qaida en het Irak van Saddam Hoessein. Maar stond daar niet nog een rekening open? Het verwijt dat de eerste president Bush kreeg dat het karwei niet was afgemaakt.

Eenmaal in oorlog elimineer je, mogelijke, vijanden. Dan is een drone die een ‘hellfire’ door de brievenbus’ schiet om iemand uit te schakelen een passende actie. Ook al ‘sneuvelt’ de hele familie en de buren van die ‘vijand’. Dat wordt ‘collateral damage’ genoemd en is acceptabel. Ze ‘sneuvelen’ en dat klinkt minder ernstig dan dat ze worden vermoord. En dan worden aanslagen zoals die in Brussel en Parijs ‘aanvallen of attacks‘ genoemd.

Eenmaal in oorlog kun je alleen maar terug als je hebt gewonnen of verloren. Een oorlog is traditioneel een gewapende strijd tussen volken of staten. Daar is bij de ‘oorlog tegen terrorisme’ geen sprake van. Een oorlog kent een duidelijk eindpunt, de overwinning van een partij of een bestand waarmee het conflict wordt bevroren. Zou het mogelijk zijn om terrorisme te overwinnen? IS kan worden verslagen, maar is daarmee het terrorisme verslagen? Of iets beperkter, het jihadistisch terrorisme? De Britse filosoof John Gray noemt, in zijn boek Zwarte mis. Apocalyptische religie en de moderne utopieën een oorlog om het terrorisme uit te roeien een waandenkbeeld. Een frame dat tegenwoordig door zo ongeveer iedereen wordt gebruikt. Wanneer eindigt deze oorlog? Omdat dit niet duidelijk is:“Geef je jezelf kennelijk een mandaat tot permanent ogenschijnlijk eindeloos geweld”, zoals Willem Schinkel het in Buitenhof noemde. En niet alleen eindeloos geweld, ook een reden om eindeloos nieuwe ‘preventieve’ bevoegdheden te vragen. Steeds meer ‘bevoegdheden’ die onze vrijheden beperken.

Die aanslagen van 11 september 2001 creëerden voor de VS, nu onder leiding van president George W. Bush jr. (de zoon van), een gelegenheid om weer tegen Irak in actie te komen. Het bewerkte andere landen en kreeg de VN veiligheidsraad zover om een resolutie aan te nemen die Irak een laatste kans bood om inspecties toe te staan. Zou het dat niet doen dan zouden er ‘serious consequences’ volgen. Wat die waren was niet duidelijk. Schoorvoetend ging Irak hiermee akkoord, maar het ging de VS en het VK te langzaam. Op 20 maart 2003 vielen zij aan. De aanval werd onderbouwd met als argument dat:

  • Irak massa-vernietigingswapens bezat. Na de oorlog bleken die er, zoals de inspecteurs ook al hadden geconstateerd, niet te zijn. Dit ondanks een ronkende presentatie van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, voor de Verenigde Naties. 
  • Irak het internationaal terrorisme zou steunen, met name Al Qaida. Nu zal Irak best enkele verzetsorganisatie, die door de betreffende landen als terroristisch werden beschouwd, hebben gesteund. Internationaal terrorisme is echter een groot woord dat het doet lijken alsof er sprake is van een groot internationaal netwerk. Dat Saddam Al Qaida zou steunen, lijkt heel ver gezocht. Hiervoor werden ook geen harde bewijzen geleverd. Sterker nog, Colin Powell gaf later toe dat er geen bewijzen waren.
  • hij zijn bevolking zou onderdrukken en vermoorden. Een goede reden maar waarom dan alleen Saddam? Assad van Syrië, Mubarak van Egypte, de koning van Saoedie-Arabië en zo zijn er meer die hun bevolking onderdrukten en indien nodig vermoorden.
  • Saddam Hoessein het zelfmoordterrorisme tegen Israeliërs steunde door de nabestaanden van de zelfmoordenaar financieel te ondersteunen. Niet leuk natuurlijk, maar daarin was Irak niet de enige en om dat als een casus bello te zien, is wel erg zwaar.
  • Irak negeerde keer op keer resoluties van de VN veiligheidsraad. Iets waar meer landen, waaronder Israel, een handje van hadden. 

Militair werd die oorlog een groot succes, Irak werd verslagen en het regime van Saddam Hoessein werd grondig verwijderd. Alle regeringsfunctionarissen van de Baath partij met inbegrip van politie-agenten, onderwijzend personeel aan universiteiten en scholen, verpleegkundigen en artsen werden ontslagen en het leger werd ontbonden.

Morgen deel 3 in deze reeks.


#denkzelfna

Ik wilde me er dit jaar verre van houden. Waarvan? Van het schrijven van een stukje over zwarte piet. Dat gaat me ook lukken want dit stukje gaat niet over zwarte piet, maar over de rechtszaak naar aanleiding van ‘de slag bij Dokkum’. Of beter nog om een stukje dat Jan Gajentaan erover publiceerde bij Opiniez. Als je, zoals de Ballonnendoorprikker, kromme redeneringen en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak wilt stellen, dan moet je er iets van zeggen.

Demonstratie_op_het_Binnenhof_in_Den_Haag_tegen_de_komst_van_de_centrumpartij_in_de_Tweede_Kamer._In_beeld_een_groot_spa_-_SFA007001062

Foto: Wikipedia

Dat Gajentaan boos is dat zijn heldin Jenny Douwes en haar kornuiten een stevige straf krijgen opgelegd, is tot daaraan toe. Ook mag je vinden dat de rechter de plank mis heeft geslagen. Maar met zijn betoog ligt het wat anders. “Het is duidelijk dat de bezorgdheid van de alleenstaande moeder Jenny Douwes ordeverstoringen tijdens de intocht in Dokkum betrof, uitgelokt door burgemeester Marga Waanders die zich het vuur uit de sloffen liep om de agressieve links-identitairen van KOZP naar Dokkum te halen, nadat deze al de landelijke intochten van Meppel en Maassluis grondig hadden verpest en die van Gouda in een veldslag hadden veranderd.”  En iets verderop: “Ik kan niet anders dan droevig constateren dat de rechterlijke macht volledig van het padje is in Nederland. Want natuurlijk gaat dit niet over de vrijheid van demonstratie of meningsuiting, het gaat om de bescherming van kinderen en hun recht op een ongestoord feest!.” En in de afsluitende alinea: “… de agressieve activisten die al jaren niets in de weg gelegd wordt en die zelfs de rode loper krijgen uitgerold door burgemeesters en in de media ….” 

Een wel zeer bijzondere onderbouwing. Douwes en haar ‘helden’ worden vervolgd omdat ze een kinderfeest beschermen, want dat moet ongestoord door kunnen gaan. Burgemeesters die allerlei partijen uitlokken om te komen demonstreren en zich daarvoor het vuur uit de sloffen lopen en nog erger ‘de rode loper uitrollen.’ En die activisten wordt niets in de weg gelegd. Het lijkt wel een complot.

Maar als die activisten niets in de weg wordt gelegd, hoe komt het dan dat de intochten in Meppel en Maasluis grondig werden verstoord en het in Gouda op een ‘veldslag’ uitliep? Hoe kan het dan dat er ‘activisten’ door de politie werden opgepakt? Dan heb ik zeker gedroomd toen ik diverse Haagse politici begrip hoorde tonen voor de intenties achter de actie van Douwes? Als burgemeesters rode lopers uitleggen, hoe komt het dan dat de demonstranten bijna altijd ergens in een hoekje worden wegegemoffeld?

“De Nederlandse bevolking laat zich niet langer in de hoek zetten door een lawaaierige minderheid. Desnoods worden we allemaal #blokkeerfriezen,” zo sluit Gajentaan af. Nu ontbeer ik zijn gave om voor de Nederlandse bevolking te spreken, maar als Nederlander kan ik alleen maar zeggen dat ik me niet door zo’n baarlijke nonsens om de tuin laat leiden. En ik voeg eraan toe dat iedereen het recht heeft om zijn mening te uiten en te demonstreren. Demonstreren bij een ‘kinderfeest’, maar ook bij een moskee, door daar te gaan barbecuen. Dat recht heb je, of je het ook moet doen, is een andere zaak. Ik beveel iedereen aan, #denkzelfna.

Probleemwijk en integratie

De plannetjes van VVD-fractievoorzitter Dijkhoff om misdrijven in probleemwijken harder te bestraffen, zijn door iedereen inclusief het kabinet, naar de prullenbak gewezen. Doel van Dijkhoff was, zo lees ik in de Volkskrant: “mensen in probleemwijken ‘zo vrij maken als we allemaal horen te zijn’. Niet alleen moet criminaliteit daar strenger gestraft worden, ook wil Dijkhoff afdwingen dat jonge kinderen die onvoldoende Nederlands leren al op vroege leeftijd naar de kinderopvang gaan en taalles krijgen. Ouders die niet meewerken moeten gekort worden op uitkeringen en bijstand.” Behoorlijk dwingend voor liberalen die normaal gesproken individuele vrijheid hoog in het vaandel hebben staan. 

Dijkhoff

Foto: Wikimedia Commons

Het siert Dijkhoff dat hij zich druk maakt om mensen in probleemwijken, mensen die het moeilijk hebben. Bijzonder is dat hij alleen denkt in termen van straf. Dubbele straf voor de crimineel, korten op de bijstand. Hoe draagt dit bij aan het bestrijden van de problemen van de mensen in die wijken? Als hij ‘onvoldoende Nederlands’ wil bestrijden, zou verhogen van de bijstand bij het volgen van taalles dan niet kunnen helpen? Of het verdubbelen van de bijstand in probleemwijken? Zou daardoor de noodzaak om te vervallen tot criminaliteit niet af kunnen nemen?

Premier Mark Rutte wil wel gaan bekijken of Nederland iets kan leren van de aanpak in andere landen om integratie te bevorderen, ‘zolang dat rechtsstatelijk kan’.” Wordt hier gezegd dat problemen in wijken hun oorzaak vinden in de integratie van mensen in die wijk?

Bijzonder aan de ‘probleemwijken’ is dat bijna iedereen die voldoende middelen heeft om elders een plek te vinden, de wijk verlaat. Zouden economische omstandigheden niet ook een rol spelen? Zou dan een gebrek aan voldoende inkomen niet ook een belangrijke rol spelen? Als we zien dat Mohammed met dezelfde papieren als Max minder kans maakt op eenzelfde baan, zou er dan niet iets anders moeten gebeuren? Sterker, zou er dan niet iemand anders ‘gestraft’ moeten worden dan de bijstandstrekker die zijn kind niet naar de peuterspeelzaal doet? Of nog beter ‘verleid’ moeten worden?

Gooit Rutte hier niet het plannetje van Dijkhoff in de ‘prullenbak’ en neemt hij gelijktijdig de redenering erachter over? Heeft Dijkhoff zo niet de slag om het plannetje verloren, maar de oorlog om de ideeën erachter gewonnen?

Normale proporties

Als voetballer op bescheiden niveau kan ik me een voorval herinneren waarbij ik zeer boos werd om een in mijn ogen onrechtvaardige beslissing. Wat gebeurde er? Als rechtsbuiten ging ik een bal halen die de achterlijn ver had overschreden. Ik gooide die in de richting van de keeper van de tegenstander. Die moest immers de doeltrap nemen. De keeper liet de bal doorrollen en op mijn weg terug naar mijn plek als rechtsbuiten, trapte ik de bal weer in de richting van de keeper. Die liet de bal weer passeren zodat die weer over de achterlijn rolde. Daarop stuurde de scheidsrechter me eruit met de woorden: ‘Ga de bal maar achterna.’ Ik begreep er niets van en daarop kwamen allerlei verwensingen uit mijn mond. Daarvoor heb ik na de wedstrijd overigens mijn excuses aan de scheidsrechter aangeboden.

Wimbledonchair_frontview

Foto: Wikimedia Commons

Ik kan me dan ook heel goed inleven in de boosheid van tennisster Serena Williams en haar gevoel dat ze werd bestolen. Haar coach gaf haar aanwijzingen maar of zij die heeft gezien, weet alleen Williams. Als dat niet het geval was, dan is haar boosheid zeer begrijpelijk. De straf die de scheidsrechter haar gaf, is ook te begrijpen. Williams ging immers flink tekeer en slingerde diverse verwijten naar het hoofd van de scheidsrechter. Een gemiddelde voetbalscheidsrechter had er een rode kaart voor getrokken.

Wat mij verbaast is de commotie er omheen. In de Volkskrant lees ik: “De scène raakte echter een gevoelige snaar bij sommige zwarte vrouwen in de VS. Zij nemen het op voor de zwarte tennisster en zien de handelwijze van de scheidsrechter en sommige publieke reacties op Williams’ tirade als bevestiging van een stereotype dat teruggaat tot de tijd van de slavernij: de ‘angry black woman’ als redeloze, hysterische heks.” Bij het artikel een stukje van een Amerikaanse tv-show waarin er van alles bij wordt gehaald door Williams en diverse duiders van het voorval. Seksisme omdat dit ‘nooit’ bij de mannen gebeurt. Racisme: angry black woman, een beeld of stereotype dat ik niet ken. Dat de scheidsrechter begrip moet hebben voor de situatie van Williams als moeder en voorvechtster voor de rechten van vrouwen.

Zien we niet een tennisspeelster die zich onheus bejegend voelt, boos wordt en verbaal zwaar over de schreef gaat? In de emotie van het spel kan dat gebeuren, maar dat kan ook gevolgen hebben. Die gevolgen liggen vast in de regels. Het is aan de scheidsrechter om de regels toe te passen. De scheidsrechter is er immers om ervoor te zorgen dat de wedstrijd eerlijk verloopt. Niet om zijn ‘fluiten’ af te laten handen van de psyche van de spelers. Dat scheidsrechters daar niet allemaal even consequent in zijn, is een gegeven. 

Zou het niet verstandig zijn om dit voorval terug te brengen tot deze, normale proporties?