Uitgelicht

Wit privilege’ of ‘nieuwkomers nadeel’?

                “We moeten de oude dooddoeners opzij zetten die het gesprek over racisme zo lang hebben bemoeilijkt.” De laatste woorden van een artikel in de Volkskrant van historicus Karwan Fatah. Volgens Fatah helpt in de discussie niet: “alles, letterlijk, weg te maken met (economisch) cijferwerk of jij-bakken als ‘de Arabieren deden het ook’, hebben we omvattender analyses nodig. Niet alleen van de achtergrond van Zwarte Piet, ook van koloniale standbeelden.”  Zeker niet omdat die: “relativerende benadering, die ook sommige historici voorstaan, (…) bol (staat) van feitelijke onjuistheden en leidt niet tot historisch inzicht en nuance.” Even vooraf, met een gesprek voeren over racisme is niets mis. Ondanks de vele aandacht in de diverse media voor het onderwerp wordt er zelden of nooit een gesprek over gevoerd. Er wordt vooral gezonden, of beter gezegd naar elkaar geschreeuwd. Ik vraag me wel af of Fatah bereid is tot een werkelijk gesprek.

De fluyt, een schip dat de Hollanders gebruikten voor de handel met de Oostzee en het Baltisch gebied. Bron: Wikipedia

                Ik vraag me dat af omdat hij iemand die aangeeft dat de trans-Atlantische slavernij een loot is aan een veel bredere stam of iemand die aangeeft dat het beeld dat de westerse rijkdom is gebaseerd op die slavenhandel, allebei historische feiten, weg zet als een ‘dooddoener’, als een ‘jij-bakken bakker’. Als iemand die alles weg relativeert. Voor wat betreft de ‘slavenbasis’ van de economie is er meer voor te zeggen dat de Amsterdamse rijkdom is gebaseerd op het bloed, zweet en tranen van Poolse, Oost-Pruisische, Lijflandse en later Russische lijfeigenen, een andere term voor slaaf, en horigen, kleine boeren met een eigen stukje land en de plicht om een flink deel van hun tijd voor niets te werken op het land van de landheer. Die horigen mochten hun dorp trouwens vaak ook niet verlaten. Ze zaten net zo klem als de Pakistaanse bouwvakkers die nu in Qatar de voetbalstadions voor de komende wereldkampioenschappen bouwen. Die lijfeigenen en horigen produceerden namelijk de producten (onder andere het graan en hout) die de basis en bulk vormden van Amsterdam als stapelmarkt. Aan dat lijfeigenschap en horigheid kwam in het oosten van Europa pas zo rond 1860 een einde.

                Dergelijke geschiedenissen en ook ‘de Arabieren deden het ook’ verhalen, zijn niet bedoeld om het gesprek uit de weg te gaan. Ze zijn, net zoals het erop wijzen dat Afrikaanse heerser volop meededen en verdienden aan de handel in vooral leden van een ander volk, bedoeld om het tijdsbeeld te schetsen. En een tijdsbeeld is relevant omdat dit het kader is waarin ons aller voorvaderen leefden, moesten overleven en handelen. Ze geven context. Vreemd dat een historicus een gebeurtenis wil bezien zonder de context. Daardoor lijkt het alsof hij de trans-Atlantische slavernij een bijzondere en unieke plek in de geschiedenis wil geven. Een unieke plek in de geschiedenis die hij nodig heeft om in het heden iets te bereiken. 

Wat hij wil bereiken daarover is hij duidelijk. Hij wil het namelijk hebben over: “de doorwerking (van) deze geschiedenis,” in het heden. Fatah: “En daarover zijn de VN en de EU onverbiddelijk: de structurele achterstelling van mensen van Afrikaanse afkomst is het gevolg van racisme, voortkomend uit slavernij en kolonialisme.” Maar dat de EU en de VN iets zeggen, wil nog niet zeggen dat het ook werkelijk zo is. Beide organen zijn politieke organen. Waarbij de ‘waarheid’ wordt bepaald door het aantal stemmen dat men voor iets haalt. Dat even terzijde. Fatah wil alle context buiten beschouwing laten omdat die context zijn gedachtelijn verzwakt. Als kolonialisme en slavernij namelijk niet uniek westers zijn, maar iets van de mensheid in het algemeen, zoals ik onder andere in Veelkleurige geschiedenis betoog, dan moet er een andere verklaring zijn voor het racisme. Wellicht is er dan een andere verklaring dan racisme voor het feit dat mensen die pas twee of drie generaties in Nederland zijn, achterblijven bij mensen wiens voorvaderen al generaties lang hier wonen, zoals ik in mijn brief aan Sylvana Simons betoogde. Dan zou het wel eens kunnen zijn dat er geen sprake is van ‘wit privilege’ maar van een ‘nieuwkomers nadeel’. Een nadeel dat je in een vreemd land komt waar je niemand kent. En als het verleden iets laat zien dan is het dat het een generatie of vijf kost voor een dergelijk nadeel helemaal is verdwenen. Pas dan is er sprake van een gelijkwaardig netwerk in de samenleving.

Dan moeten we het gesprek misschien niet voeren over ‘racisme’ en ‘wit privilege’ maar over manieren om het ‘nieuwkomers nadeel’ sneller dan in vijf generaties weg te werken. Wellicht is dat een veel vruchtbaarder gesprek.

Uitgelicht

Veelkleurige geschiedenis

                In de Volkskrant stoort historicus Arie Wilschut zich aan de manier waarop er met de geschiedenis wordt omgegaan. Zoals hij terecht schrijft, zijn er twee dingen belangrijk in de omgang met het verleden: “ten eerste dat ‘één waarheid’ niet bestaat en dat er altijd meerdere kanten aan een zaak zitten. Ten tweede dat iedere tijd zijn eigen waarden- en normenpatroon heeft en dat het niet aangaat het normen- en waardenpatroon van onze tijd zonder meer als algemeen geldig aan alle tijden op te leggen.” Want zo schrijft hij: “Waar de nuance wordt bedreigd door één ideologische manier van denken, lopen vrijheid en democratie gevaar. Waar geen begrip bestaat voor het fundamentele verschil tussen verleden en heden, kunnen geen lessen meer worden geleerd uit de ervaringen van de mensheid, omdat men denkt alles al a priori te weten.”  Dat leidt tot: “de huidige zwart-witdiscussie waar niemand mee is gediend.” In een reactie op dit artikel adviseert Heleen Ronner, docent NT2, om de poster 10 keer meer geschiedenis te raadplegen. De poster is het antwoord van The Black Archives op de 10 tijdvakken die momenteel in het onderwijs worden gebruikt.

Slavenhandel tussen Russen (oorspronkelijk Noormannen) en de khazaren. Schilderij van Sergei Ivanov. Bron: Wikipedia

Nu is iedere indeling van de geschiedenis in tijdvakken arbitrair. Tijdens mijn studie geschiedenis waren er veel minder ‘tijdvakken’. We hadden de oudheid, die liep van 3500 BCE tot de afzetting van de laatste West-Romeinse keizer in 467 CE. Daarna begonnen de Middeleeuwen die eindigden midden vijftiende eeuw. Daarna begon de Nieuwe tijd en die liep zo rond 1860 over in de Nieuwste tijd. Welke indeling er wordt gekozen en welke ‘titel’ men een tijdvak geeft, zegt meestal meer over de tijd en vooral de persoon die de indeling maakt, dan over het betreffende tijdvak. Zo zou een Romein zijn tijd nooit de ‘oudheid ’noemen. ‘Hoezo oud, is er dan ook een nieuwheid’, zou hij vragen. Een middeleeuwer zou vragen: ‘midden waar tussen?’ Met het benoemen van tijdvakken, zij we al bezig met het opleggen van een ‘normen- en waardenpatroon’ om Wilschut te parafraseren.

Op de poster wordt ieder tijdvak gesymboliseerd door een plaatje met daaronder een korte uitleg en vervolgens links naar minder bekende zaken uit andere delen van de wereld. Jammer alleen dat verschillende links doodlopen. Zoals de Wikipedia -link naar Teotihuacan. Gelukkig is er ook een link naar School tv over hetzelfde onderwerp. Maar wacht eens. Als er een link naar School tv is, is er dan sprake van ‘Verzwegen geschiedenis op school’, van ‘verzwegen perspectieven’ waarmee de poster wordt aangekondigd?

Dat brengt mij bij een punt van kritiek op de makers. De makers suggereren dat er iets wordt verzwegen, dat er iets ‘geheim’ wordt gehouden. Iets wat we niet mogen weten. Dat is nogal een beschuldiging. Dat iets niet in het curriculum zit, wil dat meteen zeggen dat het geheim wordt gehouden? Bij het opstellen van een curriculum moeten keuzes worden gemaakt. Het onderwijskundige probleem van ‘tien keer meer geschiedenis’ is dat het ‘in de hoofden krijgen’ ook tien keer meer tijd kost.

Tegen het probleem van ‘keuzes maken’ lopen de makers ook. De poster heeft 11 tijdvakken. Ze begint met ‘De tijd van de eerste mensen’. Een tijdvak dat loopt van 300.000 tot 10.000 BCE en dat duidelijk moet maken hoe de homo sapiens zich over de aarde heeft verspreid. Goed dat deze periode aandacht krijgt. Alleen één maar: zoals ik al eerder schreef, liepen er al veel eerder mensen over de aardbol, bijvoorbeeld de Neanderthaler, de homo denisovans en de homo floresiensis. De overige tien tijdvakken op de poster lopen qua periodisering één op één met de 10 tijdvakken die in het huidige geschiedenisonderwijs worden gehanteerd.

Nu is er nog iets bijzonders met de poster en dat brengt mij bij de Brief van de Dag in de Volkskrant van vrijdag 19 juni. In die Brief van de Dag reageert Henna Goudzand Nahar ook op het artikel van Wilschut. Een bijzondere brief omdat Nahar Wilschut zaken lijkt te verwijten die hij niet heeft betoogd. Volgens Nahar verdedigt Wilschut slavernij terwijl daarvan geen sprake is. Nahar: “Het is triest dat zelfs historici met dit argument komen aandragen om de slavernij te verdedigen. Zo schrijft ook historicus Arie Wilschut in zijn stuk ‘Hoog tijd dat historici zich mengen in debat over ‘foute’ helden’: ‘De handel op slavenkoloniën als Suriname was helemaal verwaarloosbaar, omdat die nog geen 2 procent heeft bijgedragen.’ Mocht dat al kloppen, dit doet niets af aan wat er is gebeurd. Het getuigt dan eerder van domheid om daarvoor zoveel mensen te vermoorden, te ontvoeren en er eeuwen mee door te gaan.” Wilschut voert dit niet aan als ‘verdediging’ van de slavernij, maar als perspectief bij het beeld dat is ontstaan dat de Nederlandse rijkdom afkomstig is van slavernij.  

Voor mijn betoog is het tweede verwijt dat Nahar Wilschut maakt belangrijker. Nahar: “Daarnaast noemt Wilschut als argument dat in de wereld voor 1800 slavernij een doodgewoon verschijnsel was. Dat was waar, maar de transatlantische slavernij ging gepaard met kolonialisme en is van een zodanige orde geweest dat dit tot vandaag enorme gevolgen heeft voor de relatie tussen wit en zwart. Het verdrijven of uitmoorden van de inheemse bevolking om vreemd land in bezit te nemen, gevolgd door de ontwikkeling van een wereldbeeld waarin de witte de zwarte de weg zal wijzen naar ‘verlichting’, maken de dimensies hiervan totaal anders.”  Het zal Nahar wellicht verbazen, maar ook kolonialisme en ermee gepaard gaande slavernij is geen ‘westerse’ uitvinding. En dat brengt mij bij de poster en tijdvak 6 (1600-1700 CE), de Tijd van Kolonialisme & handelskapitalisme met als ondertitel “Roof, handel en uitbuiting op wereldschaal.”  De eerste poster waar over slavernij, koloniën en imperialisme wordt gesproken en waarbij de Europese landen koloniseerden.

Dat laatste klopt. In die tijd waren het de Europese landen die anderen koloniseerden. Maar was dit zo bijzonder? Waren die ‘Grote rijken in Azië, Afrika en Amerika in periode 4 (1000-1500 CE) niet ook ontstaan doordat de ene groep de andere ging overheersen, domineren en koloniseren? Kwam in die grote rijken geen slavernij voor? Zou het Mongoolse rijk, terecht door de makers van de poster omschreven als een van de grootste rijken ooit, vreedzaam zijn ontstaan? Kijkers van de film Mongol weten wel beter. Dat ging gepaard met flink veel geweld waarbij de verslagene kans had om in slavernij te geraken. Nee, die rijken kwamen op precies dezelfde manier tot stand als de Europese landen hun imperia opbouwden. Dit met als enige verschil dat de Europeanen het als eerste echt op wereldschaal deden.

Zo kwamen trouwens ook het Romeinse rijk en het Chinese rijk onder de Han dynastie in periode 2 (3000 BCE en 500 CE) tot stand. Twee rijken die via wat wij nu de zijderoutes noemen, handel met elkaar dreven. Zijderoutes die volgens de posters pas in periode 3 (500-1000 CE) ten tonele verschijnen. Die routes ontstonden echter al zo’n 1500 jaar eerder. Via die routes werd van alles verhandeld waaronder ook slaven. Wie hierover meer wil weten, lees het boek De Zijderoutes van Peter Frankonpan. Slaven waarvan het Romeinse rijk er, volgens Frankonpan op haar hoogtepunt zo’n 250.000 tot 400.000 per jaar nodig had. Slaven die van heinde en verre kwamen. Uit Afrika, Azië en Europa. Dit terwijl slavernij pas op de poster pas een rol krijgt in periode 6 (1600-1700 CE). En dan ook nog alleen maar in de vorm van twee rode pijlen, één naar de Amerika’s en één naar Nederlands Indië, zoals het wordt genoemd. Een pijl naar het noorden, naar de Arabisch, Perzische en de Ottomaanse wereld ontbreekt. Bijzonder is de naam Nederlands Indië op een kaartje dat handelt over deze periode. Die benaming werd pas vanaf het begin van de negentiende eeuw (1816) voor dat gebied gebruikt.

Zo kunnen bij iedere tijdsperiode zowel van de poster als bij de standaard beschrijvingen van de tijdvakken kanttekeningen worden geplaatst. Ja, de poster 10x meer geschiedenis geeft een breder totaaloverzicht van wat er in de wereld allemaal is gebeurd. Dat was ook de bedoeling van de makers. Ze wilden: “de focus op geschiedenis buiten de bekende Europese kaders.” De makers van de 10 tijdvakken, hebben een ander doel. De tijdvakken zijn bedoeld om jonge inwoners van Nederland te laten zien hoe ons deel van de wereld zich heeft ontwikkeld. Die beperking is te begrijpen omdat het gros van die jonge inwoners hier zal blijven wonen en leven. Dan is het wel handig dat je een beetje weet waar zaken in de samenleving hier vandaan komen. Hierbij is de invloed van de Grieken, Romeinen, Kelten en Germanen op onze samenleving ‘need to know’. De beschaving van de Bantoe-volken of de Nazca’s is ’nice to know’. Zonder, zoals gezegd, meer tijd voor het vak geschiedenis, betekent een breder palet minder diepgang. Immers met het noemen van de Zapoteken en de Ban Chiang moet je er ook meer informatie over geven. Dan moet je hun cultuur beschrijven en dat gaat ten kosten van iets anders. Een keuze die ook weer leidt tot zaken die niet worden behandeld en wellicht tot een nieuwe groep die aandacht vraagt voor die ‘verzwegen geschiedenis’.

Volgens Heleen Ronner, die hem  aanbeveelt, maakt de poster: “de geschiedenis niet zwart-wit, maar juist veelkleurig.” De poster is niet zozeer kleurrijker als wel anders en dat andere heeft vooral te maken met het doel achter de poster. De makers van de poster lijken vooral ‘westers  exceptionalisme’, het uitzonderlijke van de westerse dominantie van de afgelopen paar honderd jaar aan te willen tonen. Zo exceptioneel was en is de manier waarop het westen opereerde en opereert echter niet. Het westerse optreden wijkt niet af van het optreden van eerdere dominante rijken. Een dominant rijk dat zich superieur voelt, de oude Romeinen en Chinezen weten er alles van. Gebieden veroveren overheersen en koloniseren, de Olmeken, Maya’s en Inca’s wisten ook wel hoe dat moest. Slavernij en slavenhandel? Wijd verbreid zowel geografisch als in tijd, zelfs tegenwoordig nog. Nee de geschiedenis kent meer constanten dan dat er wordt afgewisseld. Om een oud versje voor de poëziealbum te verhaspelen: ‘culturen verwelken, rijken vergaan, machtswellust blijft altijd bestaan.’

Uitgelicht

Slavernijwetgeving

In de Volkskrant las ik een ingezonden brief waarin Annelies de Vries het volgende schrijft: “Het kolonialisme behoort ook tot de ­Nederlandse geschiedenis, waar racisme en discriminatie vaste onderdelen van waren. De wet- en regelgeving daarvoor werd gewoon door de Nederlandse regering en het parlement in Den Haag vastgesteld, nog niet eens zo lang geleden.” Ik dacht: niet lang geleden vastgestelde slavernij bij wet? Hoe komt ze daarbij? Daarop las ik een, naar blijkt, artikel van vorig jaar van Seada Nourhussen met als titel Met deze koloniale taal stoppen we. En dacht zou het daardoor komen?

Bron: Flickr

Misschien heb ik het vorig jaar gemist en nu stond het ineens weer prominent op de site. “Ook OneWorld heeft een verantwoordelijkheid om ons eigen taalgebruik tegen het licht te houden. Taal kan beeldvorming bepalen en machtsverhoudingen ontkrachten of bevestigen. De volgende termen zijn al uit ons woordenboek geschrapt – ‘Gouden Eeuw’ stond daar niet bij, en zo zijn er vast nog meer blinde vlekken. Denk je mee?” Eronder woorden en termen die volgens OneWorld niet meer kunnen. En ja, ik denk graag mee. In dit geval over het begrip moderne slavernij. OneWorld biedt “Extreme uitbuiting en/of gedwongen arbeid als alternatief. Nu lijkt mij ‘gedwongen arbeid’ toch echt hetzelfde als slavernij. De arbeider is immers niet vrij om te kiezen de arbeid wel of niet te verrichten. De rechten van de arbeider worden ernstig beknot en laat “iemand wiens vrijheden sterk beknot zijn” nu een van de twee omschrijvingen zijn die de Van Dale geeft voor het woord slaaf. De andere is “lijfeigene die geen persoonlijke rechten heeft.” Hierop kom ik straks nog terug.

Nu eerst de reden die OneWorld geeft om het begrip moderne slavernij niet te gebruiken. We lezen: “Het kenmerk van de trans-Atlantische slavernij was dat mensen in gevangenschap onbetaald werk verrichtten, geregeld bij wet. Wat tegenwoordig moderne slavernij wordt genoemd, is wel betaalde arbeid, maar dan extreem laag gehonoreerd. Vaak zijn er ook andere omstandigheden in het spel: de arbeid is doorgaans illegaal en dus strafbaar. Dat maakt het voor nazaten van tot slaaf gemaakten een oneerlijke vergelijking met het eeuwenlange, legale systeem waaronder hun voorouders leefden.” Nu is het ‘onbetaald’ zijn niet helemaal correct. Een slaaf kreeg onderdak en te eten in ruil voor zijn arbeid. Daarin verschilt hij niet zoveel van de extreem uitgebuite negentiende-eeuwse arbeider zoals is te lezen in Kapitaal van Karl Marx. Die kreeg een karig loon dat maar net en soms niet  voldoende was om onderdak en eten te betalen. Maar, hij kon na werktijd gaan en staan waar hij wilde en kon ook een andere baas kiezen. “Maar,” om Over de muur van het Klein Orkest aan te halen: “wat is nou die vrijheid zonder huis zonder baan. Zoveel Turken in Kreuzberg die amper kunnen bestaan. Goed, je mag demonstreren maar met je rug tegen de muur. En alleen als je geld hebt, dan is de vrijheid niet duur.” Geld had hij amper genoeg om te overleven en ook de vrije tijd was zeer beperkt. Want bij werkdagen van tussen de twaalf en soms wel achttien uur per dag was er niet zoveel tijd na het werk. De tijd was amper voldoende om te slapen en weer op krachten te komen voor de volgende dag. En bij een eventueel andere werkgever was het niet zoveel beter. Ik dwaal af. Of toch niet. Het antwoord komt straks.

Oneworld heeft wel een erg beperkt beeld van slavernij: de trans-Atlantische slavernij.  Slavernij kent een lange en ‘veelkleurige’ geschiedenis. Slavernij is geen zeventiende-eeuwse uitvinding. De trans-Atlantische slavernij was een nieuwe loot aan de slavernij-stam. Voor degenen die er meer over willen weten, lees bijvoorbeeld de Prikker Romeinen, Arabieren en Hollanders. Nu was ook een van de kenmerken van die andere vormen van slavernij dat er, uitzonderingen daargelaten, gewerkt moest worden. Slaaf werd je als je aan de verliezende kant in een oorlog had gevochten. Als je dorp was geplunderd en je gevangen was genomen. Dan kon je worden verhandeld net als een koe, geit of een aardewerken pot. Of je werd als kind van slaven geboren. En dan zijn we weer bij het begrip lijfeigene, de tweede betekenis van het woord slaaf. Dat is de naam die in het feodale stelsel in Europa voor slaaf werd gebruikt. Daarnaast had je nog horigen, die hadden hun eigen huis en stukje grond maar moesten verplicht een deel van hun tijd werken voor de landheer. Werk waarvoor ze niet betaald, nog te eten kregen. Die zijn bij OneWorld helemaal buitenbeeld.

Heel bijzonder is de bewering dat slavernij bij wet geregeld was. Er is in Nederland nooit een wet geweest die regelde wie slaaf kon zijn en wie niet. Een slaaf was eigendom en eigendom was heilig. Kinderen en vrouwen waren, om dezelfde redenen, trouwens ook ‘eigendom’ van de pater familas. De enige wetten die over slavernij zijn aangenomen, zijn wetten die het absolute eigendomsrecht beperkten. Zo werd er eind achttiende eeuw een wet van kracht die de verstrekking van voedsel, kleding en rusttijden voor slaven op Curaçao regelden. De wet van 1814 die de trans- Atlantische slavenhandel verbood en de wetten waarmee in de koloniën de slavernij werd verboden en dus afgeschaft. Het is dus precies andersom. Het was niet wetgeving die slavernij mogelijk maakte, het was wetgeving die slavernij onmogelijk maakte.

In  diezelfde periode, de jaren zeventig van de negentiende eeuw en daarmee zijn we weer bij Marx, werden ook de rechten van de ‘kapitalist’ op het lijf en vooral de tijd van de arbeider beperkt. Als eerste via het zogenaamde Kinderwetje van Van Houten waarmee in 1874 de arbeid van kinderen onder twaalf jaar werd verboden. Een wet die werd gevolgd door een hele serie wetten die de ‘rechten’ van de werkgever beperkten en het leven van de arbeider verbeterden. Wetten die de arbeidstijden regelden, de lengte van de werkdag en de werkweek, de omstandigheden waaronder gewerkt moest worden en uiteindelijk zelfs medezeggenschap. Net als de slavernijwetgeving is ook de wetgeving met betrekking tot arbeid wetgeving die de rechten van ‘kapitalisten’ en dus machtigen beperkt.

Ook tegenwoordig zijn er nog voldoende mensen wiens ‘vrijheden ernstig beknot’ zijn en die dus onder de categorie ‘slaaf’ vallen. Neem de arbeiders die in Qatar de voetbalstadions voor de WK bouwen. Ze krijgen wat betaald waarvan ze kunnen leven, maar hebben verdomd weinig vrijheden. Hun paspoorten zijn ingenomen en of ze hun loon krijgen is maar zeer de vraag. Of de vrouwen die met mooie verhalen worden verleid om naar hier te komen en waarvan het paspoort wordt afgenomen waarna ze in de prostitutie te werk worden gesteld. Dit om maar twee voorbeelden te noemen van wat ik toch echt gewoon bij de naam noem: moderne slavernij. Of beter nog, laat het woord modern weg: slavernij!

Uitgelicht

Rekenen en betalen

Ik reken zelf nog geregeld de prijzen van producten terug naar oude guldens. Vooral de prijs van ‘un lekker pilske oet de tap’ is daarbij favoriet omdat ik me de prijs van mijn eerste nog goed kan herinneren. Het glas kosten mij één hele gulden. Voor de jeugd van tegenwoordig, dat is € 0,45. Wat het nu, in corona-tijden is, weet ik nog niet maar tijdens de Venlose vastelaovend kostte het € 2,60. Een stijging van 577%. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de inhoud van het toen gebruikelijke ‘kleintje’ 0,16 cl was en het tegenwoordige ‘fluitje’ 0,25 cl bevat. Dat maakt de werkelijke prijsstijging een stuk geringer, zo’n 370%.  Alleen heb ik niets aan die wetenschap als ik de barman moet betalen. Ik moest hieraan denken na het lezen van een opiniestuk van André ten Dam in Elsevier.

Bron: Wikimedia Commons

Ten Dam pleit voor een ‘intelligente euro’. Hoe die eruit ziet omschrijft hij, aan het einde van zijn lange tirade tegen alles wat er nu niet goed gaat, als volgt: “Met een beetje creativiteit draaien we het ‘terug naar nationale munten’-scenario gewoon om. Dan worden ‘betaalmiddelen’ (de nationale munten/rekeneenheden) uitsluitend nationale ‘rekeneenheden’, en wordt, vice versa, de euro zowel overal het enige ‘betaalmiddel’ als de overkoepelende Europese ‘anker-rekeneenheid’. Dan krijgen we dus geen 19 nationale valuta’s en 19 nationale rekeneenheden met 1 overkoepelende Europese anker-rekeneenheid. Nee, dan krijgen we 19 nationale rekeneenheden met slechts 1 valuta annex overkoepelende Europese anker-rekeneenheid. En dat is dus véél eenvoudiger!” Om het simpel te zeggen, in Nederland rekenen we in guldens en betalen we in euro’s. De Italiaan rekent in lires en betaalt in euro’s. En hoeveel guldens of lires er in een euro gaan, kan per dag verschillen. Hij noemt dit The Matheo Solution. Helaas legt hij niet uit hoe dat zou moeten werken, daarom een poging.

Even terug naar 1998 voordat de euro werd ingevoerd. Toen hadden we in Nederland de gulden, in Duitsland de mark, in Italië de lire enzovoorts. Die zijn per 1 januari 1999 opgegaan in de euro. Op dat moment werden deze munten aan elkaar vastgeklonken. Dat gebeurde door voor iedere deelnemende munt te bepalen hoeveel van die nationale munten er in een euro gingen. Dat gebeurde op basis van de toenmalige wisselkoersen. Zo werd bepaald dat er 2,20371 gulden in één euro pasten en 1936,27 Italiaanse lires. Op dat moment gingen er zo’n 880 lires in een gulden. Daarmee werden de toenmalige economische verhoudingen in de munt ‘vereeuwigd’. Wat er niet veranderde, was dat de economische verhoudingen schommelen. Dat het ene gebied zich sterker ontwikkelt dan het andere.

Laten we het eens proberen aan de hand van een voorbeeld. Als we het heden vanuit de vroegere situatie zouden bekijken dan zou de gulden nu flink, bijvoorbeeld 60% in waarde zijn gestegen ten opzichte van de lire. In mijn voorbeeld bereiken we dit door de gulden op hetzelfde niveau te laten, dus er gaan nog steeds 2,20371 guldens in een euro. De lire is aangepast. Dat betekent dat er nu ruim 1.400 lires in een gulden zouden gaan. Als we nog in guldens en lires betaalden, dan was een vakantie naar Italië nu erg goedkoop. Dat is nu niet meer het geval en in Ten Dams intelligente oplossing ook niet.

Een Nederlandse fabrikant van espressomachines heeft een zó goed product dat een Italiaanse barista interesse in het ding heeft. Hij rekent er 2.203 guldens voor. Het apparaat kost dus, om het makkelijk te maken, het mooie ronde bedrag van € 1.000. De Italiaanse barista rekent, zoals Ten Dam voorstelt, in de rekeneenheid lire en ziet dat er 1,4 miljoen in die € 1.000 gaan. Een Italiaanse fabrikant heeft ook een puik apparaat en heeft in zijn rekeneenheid lires berekent dat er 1,8 miljoen in de prijs van het apparaat gaan en dat het dus € 1.285 kost. Dat is duurder dus besluit de barista om voor de Nederlandse fabrikant te kiezen en rekent de € 1.000 af. Wat voegt hierin dat rekenen in die ‘lokale’ rekeneenheid toe? Net zoals ‘ut pilske’ maakt het niet uit waarin ik reken al is dat de ‘gold pressed latinum’ van de Ferengi uit Star Trek: The Next Generation. Wat er toe doet is de munt waarmee ik werkelijk moet betalen.

Wat verandert een dergelijke tussenstap aan de realiteit? Die stap is niet nodig om de prijzen van de producten te vergelijken. Die tussenstap is voor de Italiaanse fabrikant ook niet nodig om te zien dat zijn product te duur is. Als hij wil concurreren kan hij de prijs verlagen. Dat kan als hij zijn productiekosten verlaagt. Dat kan door de salarissen te verlagen of door de productie zo te automatiseren dat hij met minder personeel uitkomt. Hij kan er echter ook voor kiezen om de kwaliteit van zijn product te vergroten. Dan is het misschien wel duurder maar heeft het iets extra’s. Als laatste kan hij via marketing zijn product ‘verbeteren’ door er een ‘gevoel’ aan te verbinden dat je als barista dát apparaat moet hebben. Net zoals Apple zijn computers jaren geleden verkocht met de slogan ‘think different’.

Wat hij niet kan is de euro devalueren zodat zijn product goedkoper wordt dan dat van zijn Nederlandse concurrent. Die euro is immers dezelfde als waarmee de Nederlander betaalt. Dus hoe dit, zoals Ten Dam schrijft, hetzelfde resultaat bereikt: “als bij het ‘terug naar nationale munten’-scenario, maar dan dus véél eenvoudiger en zónder alle nadelen, complicaties en obstakels ervan,” is mij een raadsel. Het basisprobleem, dat de euro voor Nederland eigenlijk in prijs moet stijgen en voor de Italiaan in prijs moet dalen, wordt er niet door opgelost. De eurozone is niet de enige munteenheid die met dit probleem te kampen heeft. Laten we wel wezen, dat probleem is inherent aan iedere moderne nationale munt. De gulden was bijvoorbeeld te sterk voor Zuid-Limburg en de noordelijke provincies en te zwak voor andere delen van het land. Italië kampte met hetzelfde probleem tussen het noorden en het zuiden van het land. De huidige dollar is waarschijnlijk te zwak voor Californië en te sterk voor veel van de fly-over staten. De Indiase roepie is waarschijnlijk te zwak voor Mumbai en te sterk voor de Punjab. Waarin deze voorbeelden verschillen van de euro is dat al deze landen een manier hebben om de gevolgen van dit probleem op te vangen. Die oplossing is vrij eenvoudig en heet herverdeling via belastingen. Die mogelijkheid kent de eurozone niet. Een Europese vennootschapsbelasting die de winsten van de Nederlandse en Duitse bedrijven afroomt en het geld investeert in de versterking van de economische structuur van de zwakkere delen, zou dit gat kunnen vullen.

Maar misschien ligt dat aan mij en ontbeer ik de benodigde herseninhoud om de ‘intelligentie’ van Ten Dams oplossing te zien.

Uitgelicht

Sigaar uit eigen doos

  “Wij kunnen geen instrumenten of maatregelen accepteren die leiden tot het opbouwen van gezamenlijke schulden of een wezenlijke verhoging van de EU-begroting.” Dit, zo is in de Volkskrant te lezen, schrijven de ‘vrekkige vier’ landen van de Europese Unie. Nederland is een van deze vier, de andere drie zijn Denemarken, Oostenrijk en Zweden. De vier landen hebben een eigen plan ontwikkeld waarmee de Europese Unie de economische ellende als gevolg van corona moet overwinnen.

Bron: Wikipedia

Wat houdt dat plan in? (D)e vier (willen) de nieuwe Europese meerjarenbegroting vooral aan economisch herstel besteden. Dat zou ten koste gaan van de subsidies voor boeren en armere regio’s.” De vier willen namelijk niet dat de Europese begroting wordt verhoogd. Daarnaast moet er: “een tijdelijk (maximaal 2 jaar) herstelfonds,” komen dat: “is gebaseerd op leningen (tegen lage rente, lange looptijd) aan de getroffen landen.” Deze: “leningen worden ingezet voor economische vernieuwing en een steviger zorgsector. De lenende landen moeten zich vastpinnen op hervormingen en een gezond begrotingsbeleid. Ook mogen ze de rechtsstaat niet ondermijnen.” Laten we het plan eens doorlopen.

Dat de rechtsstaat niet mag worden ondermijnd lijkt mij evident. Alhoewel? De afgelopen tien weken is er flink geknibbeld aan de rechtsstaat. Vrijheden van inwoners zijn dramatisch ingeperkt. Pleidooien voor technieken die ons doen en laten volgen, kunnen op bijval rekenen. Als dit onderdelen van de nieuwe rechtsstaat worden, pleit ik voor ondermijning van die rechtsstaat.

De landen moeten zich vastpinnen op hervormingen en een gezond begrotingsbeleid. Tijdens de ‘Griekse crisis’ van enkele jaren geleden, werd hier ook om geroepen. Sterker nog, het land kreeg het opgelegd. De publieke sector werd in de uitverkoop gedaan en delen, zoals de gezondheidszorg, die niet werd verkocht, werden uitgeknepen. Gelukkig moet die gezondheidszorg nu buiten schot blijven. Sterker nog, die moet steviger worden. Een advies dat ook Nederland zich ter harte kan nemen. Alleen is dat niet gratis. Met het geld van een tijdelijke lening kun je een ziekenhuis bouwen. De exploitatie zal toch met belastinggeld moeten worden opgebracht. 

Vreemd wordt het bij het inzetten voor economische vernieuwing. Niet het aandringen op die vernieuwingen is vreemd. Vreemd is dat een deel van het herstel betaald moet worden door het afbouwen van subsidies aan de armere regio’s. Deze subsidies zijn juist bedoeld om de economische activiteit in die armere regio’s te stimuleren. Dus om bijvoorbeeld het welvarende Noord-Italië er bovenop te helpen, moet het arme zuidelijke deel van het land bloeden? 

Met dat ‘schuiven’ van geld van ‘landbouw en arm’ naar corona herstel kom ik bij het punt waarmee de vier het bijvoeglijk naamwoord ‘vrekkig’ eer aan doen. De inkomsten van, en dus de bijdragen van de landen aan de Unie veranderen niet. Wat er wel verandert, zijn de doelen waaraan het wordt uitgegeven. Die doelen liggen met name in de andere Europese landen. De ‘vrekkige vier’ ontvingen in 2018 samen zo’n 5% van de totale EU uitgaven. Dat is minder dan Italië (6,6%), Spanje (7,8%), Duitsland (7,6%) of koploper Polen (10,4%). De ‘last’ van de herverdeling wordt vooral door anderen gedragen. En als het ‘tijdelijke herstelfonds’ op z’n Europees wordt gevuld, dan zal ieder land naar grootte van van het bruto binnenlands product een bedrag in het fonds stoppen. Het Nederlands aandeel hierin is gering en het storten van dat bedrag in het fonds kost niets. Sterker nog, het levert geld op. Nederland kan haar deel tegen 0% lenen en de landen die aanspraak maken op het geld moeten rente betalen. De Italianen en Spanjaarden zullen dubbel rente moeten betalen. Eerst om het bedrag te lenen dat ze in het fonds moeten storten en vervolgens moeten ze rente betalen op de leningen die vanuit het fonds worden gefinancierd. Het plan van de ‘vrekkige vier’ lijkt verdacht veel op de welbekende sigaar uit eigen doos. 

Uitgelicht

Historische vergelijkingen en Cruijff

‘Besteed toch geen aandacht aan die man.’ Dat is het eerste wat mijn partner en ‘eindredacteur’ zal roepen al ze leest dat deze Prikker een gevolg is van een schrijfsel van Jan Roos bij De Dagelijkse Standaard. Weer zal ik haar antwoorden dat het mij niet om de persoon Roos gaat, maar om zijn uitspraken. Volgens Roos is: “Het narratief van de (Marokkanen als) nieuwe Joden (…) niet alleen geschiedkundig smakeloos en onjuist, het doet voornamelijk af aan de waarde van de lessen die we zouden moeten leren van Jodenhaat en de holocaust.”  

“Er is geen systematische institutionele Marokkanenhaat, er is geen georganiseerd geweld tegen Marokkanen, er worden geen Marokkaanse bedrijven gesloopt, er worden geen Marokkanen vermoord vanwege Marokkanenhaat, de overheid discrimineert Marokkanen niet, er zijn geen concentratiekampen voor Marokkanen, er zijn geen plekken waar Marokkanen niet mogen komen, er wordt niet gejaagd op Marokkanen, er zijn geen anti-Marokkanenwetten, er worden geen Marokkanen op transport gezet en bovenal is er geen plan tot uitroeiing van Marokkanen.” En Roos heeft daar een punt. Er is inderdaad geen systematische institutionele Marokkanen haat. Er is ook geen georganiseerd geweld tegen Marokkanen. Marokkaanse bedrijven worden niet gesloopt. Of er geen Marokkanen worden vermoord vanwege Marokkanen haat, is niet helemaal uit te sluiten. Inderdaad maakt de overheid zich niet schuldig aan discriminatie van Marokkanen. Tenminste, niet alleen Marokkanen zoals uit de ‘toeslagenaffaire’ bij de Belastingdienst bleek. Concentratiekampen voor Marokkanen zijn er ook niet. Er zijn ook geen plekken waar Marokkanen niet mogen komen, Marokkanenwetten zijn er niet, er worden geen Marokkanen op transport gezet en er is geen plan tot uitroeing van Marokkanen. Maar heeft Roos daarmee gelijk en dus een punt?

Laten we wel wezen. Tot de Wansseeconferentie van 1942 was er ook geen plan tot uitroeing van Joden. Tot eind jaren dertig van de vorig eeuw waren er ook geen concentratiekampen voor joden. Tot 15 september 1935 waren er ook geen ‘jodenwetten’. Tot de machtsovername door Hitler in 1933 maakte de Duitse overheid zich ook niet schuldig aan discriminatie van joden. Ja, er werden wel joden vermoord door mensen die joden haten en de geschiedenis kent voorbeelden van het verdrijven van joden. Alleen gebeurde dat niet op een ‘systematische institutionele’ manier. Die kwam er pas na Hitlers machtsovername.

Wel was er voor die tijd een retoriek die joden wegzette als zondebok. Zondebok voor de moord op Christus. Die moord zat met name christenen dwars en zorgde door de eeuwen heen voor geweld en haat tegen joden. In de jaren van het opkomende nationalisme vanaf de tweede helft van de Negentiende eeuw ontstond er een nieuwe dynamiek in het aanwijzen van de joden als zondebok. De nationalist zette vraagtekens bij het vaderlandslievende karakter van joden. Kon een jood wel een echte …. zijn? Net zoals er in die tijd in Nederland vraagtekens werden gezet bij het vaderlandslievende karakter van katholieken. In 1897 leidde die retoriek tot een heuse complottheorie. Een theorie waarbij joodse leiders een plan zouden hebben gesmeed om de christelijke maatschappij omver te werpen. De zogenaamde Protocollen van de wijzen van Sion. Een document dat waarschijnlijk uit de koker kwam van de Ochrana, de geheime dienst van Tsaristisch Rusland. Dit document werd daarna gebruikt als onderlegger om joden van alles de schuld te geven. 

Roos heeft een punt dat ‘Marokkanenhaat’ of ‘islamietenhaat’ niet tot industriële uitroeing van Marokkanen of joden heeft geleid. Dat is echter niet de vergelijking die Grunberg maakte. Grunberg vergelijkt de huidige retoriek tegen Marokkanen en in het verlengde daarvan islamieten, met de begin twintigste eeuwse retoriek tegen joden. Die historische vergelijking is wel te maken. Roos verwijt komt er op neer dat een talentvolle voetballer van veertien niet vergeleken mag worden met gearriveerde ster Johan Cruijff op z’n 30ste. Dat is appels met peren vergelijken. Het vergelijken van  dat talent met de veertienjarige Cruijff is echter een heel ander verhaal.

Uitgelicht

Een moderne Herodotus

Lezen is een van mijn hobby’s. Af en toe een roman maar het liefst werk van filosofen, economen, sociologen en historici. De boeken die ik lees komen geregeld voor in de Prikkers die ik schrijf. Op dit moment ben ik een heel eind gevorderd in Historiën geschreven door Herodotus. Het boek is geschreven in de vijfde eeuw voor de start van onze jaartelling en beschrijft de gewelddadige conflicten tussen Grieken en niet Grieken een eeuw eerder. De Romein Cicero noemde Herodotus de vader van de geschiedschrijving. Tijdens het lezen van het boek moet ik vaak denken aan de huidige fantasten en complotdenkers. 

Herodotus schrijft op basis van wat hij ziet tijdens zijn reizen maar vooral wat hij hoort in de verhalen van de mensen die hij bevraagt. Daarbij belicht hij het gebeurde vanuit de verschillende betrokkenen. Spreken die zich tegen dan zoekt hij naar een voor hem best passende verklaring. Naast de genoemde conflicten en de personen die daarbij een rol speelden, geeft het boek ook een beschrijving van de levenswijzen en gebruiken van de verschillende volkeren. De beschrijving van die levenswijzen en gebruiken waarvan je je afvraagt welk deel ervan waar zou kunnen zijn geweest. Een voorbeeld: “Wanneer een Namasoniër voor de eerste maal een huwelijk sluit, is het de gewoonte dat de bruid de eerste nacht alle gasten langs gaat om gemeenschap met ze te hebben. Iedere man die dan gemeenschap met haar heeft, geeft haar een of ander geschenk, dat hij van huis heeft meegenomen.” Maar in een tijd waarin gebeurtenissen vooral in de vorm van verhalen worden verteld, is fantasie niet ver weg om wat gaten in te vullen of zaken aan te dikken. Iedereen die wel eens het spel heeft gespeeld waarbij een verhaal één op één moet worden doorverteld in een groep, weet dat het verhaal na een paar keer doorvertellen heel anders is.

Een oude Griek of Pers zou het niet opvallen maar Herodotus lardeert zijn boek met wonderen, orakels en mythologische verhalen. Die gebruikt hij ter verklaring van wat er is gebeurd. Zij geven de gebeurtenissen een magische dimensie. Ook hier een voorbeeld ter verduidelijking. “Toen Grinnos, de koning van Thera, haar (het orakel van Delfi) over een andere kwestie raadpleegde gaf de Pythia hem als orakel dat hij een stad in Libye moest stichten.” Nu vond Grinnos zich te oud en hij wist de klus bij ene Battos in de schoenen te schuiven. Alleen vergaten ze het toen ze weer thuis waren. Dit ‘vergeten’ had drastische gevolgen: “Gedurende zeven jaar vanaf dat tijdstip viel er geen regen op Thera en daardoor verdorden in die tijd alle bomen op het eiland, op één na.” Omdat de Theranen wilden weten waarom hen dit overkwam, gingen ze weer naar Delfi en de Pythia herinnerde hen aan de eerdere uitspraak.

Daarmee kom ik bij het heden. Het covid-19 virus dat wordt ‘veroorzaakt’ door 5G straling. Pizzagate tijdens de vorige Amerikaanse verkiezingen. President Trump die als een ‘orakel’ staat te verkondigen dat het ‘inspuiten van ontsmettingsmiddelen’ en na wat kritiek vertelt dat het ‘sarcastisch’ bedoeld was. Baudet die terug wil naar de ‘gewone man’ van de Achttiende eeuw en die ‘gewone man’ situeert in de bourgeoisie. Het ‘kartel’ van Baudet en zijn sympathisant Sid Lukkassen. Een moderne Herodotus zou er een boek mee kunnen vullen. 

Uitgelicht

Pinautomaten

“Een grote sprong richting een Federale Staat van Europa zou tot opstand leiden in de noordelijke landen, omdat we dan de pinautomaat voor de rest van Europa worden, en in de zuidelijke landen omdat ze niet aan de daarbij horende strenge eisen aan hun staatsuitgaven en werkethos zullen willen voldoen.” Dit is, volgens Theo Wolters bij Opiniez een van de drie kwaden zoals hij ze noemt voor de “opdoemende volgende eurocrisis.” De andere twee zijn ‘voortmodderen’ en de ‘muntunie ontvlechten’. Gelukkig is er volgens Wolters ook een vierde mogelijkheid: “De beste oplossing is niet het ontvlechten van de euro-muntunie (alle landen terug naar een eigen munt), maar het flexibiliseren ervan (de euro behouden maar devalueren en revalueren per land weer mogelijk maken). Hierdoor wordt het weer mogelijk om per land de juiste waarde van de euro te bepalen.” Een bijzondere oplossing. 

Even terug naar 1998 voordat de euro werd ingevoerd. Toen hadden we in Nederland de gulden, in Duitsland de mark , in Italië de lire enzovoorts. Die zijn per 1 januari 1999 opgegaan in de euro. Op dat moment werden deze munten aan elkaar vastgeklonken. Dat gebeurde door voor iedere deelnemende munt te bepalen hoeveel van die nationale munten er in een euro gingen. Dat gebeurde op basis van de toenmalige wisselkoersen. Zo werd bepaald dat er 2,20371 gulden in één euro pasten en 1936,27 Italiaanse lires. Daarmee werden de toenmalige economische verhoudingen in de munt ‘vereeuwigd’. Wat er niet veranderde, was dat de economische verhoudingen schommelen. Dat het ene gebied zich sterker ontwikkelt dan het andere. Tussen landen met verschillende munten worden die schommelingen opgevangen door de munt te de- of revalueren waardoor het speelveld weer gelijk werd getrokken. 

Dit laatste kan sinds 1 januari 1999 niet meer en dat zorgt nu voor problemen. Want zoals Wolters terecht schrijft: “Onze exporterende bedrijven worden slapende rijk met producten die door de te goedkope euro al gauw 30% te goedkoop zijn.” En als je het vanuit Italië bekijkt dan is die euro waarschijnlijk al gauw 30% te duur waardoor het land niets kan maken wat kan concurreren met de noordelijke landen. Wolters’ voorstel komt erop neer dat we moeten doen alsof die oude munten er nog zijn en moeten bepalen hoeveel van die oude munten er met de huidige economische verhoudingen in de euro passen. Dan zouden er nu bijvoorbeeld nog maar anderhalve gulden in de euro passen en ongeveer 2600 lires. Dat zou de verhoudingen weer rechttrekken.

Dat klinkt mooi alleen krijg ik maar niet bedacht welk voordeel dit heeft. Die oude munten bestaan niet meer dus wat schiet een Italiaan ermee op dat er meer niet meer bestaande lires in zijn euro gaan? Hij krijgt zijn salaris in euros en alles wat hij betaalt moet hij in euro’s betalen. Zijn espresso van € 1,50 wordt er niet goedkoper door. Die zal niet ineens maar €1 kosten. De Nederlandse machine die de Italiaanse industrieel koopt, zal ook niet ineens  60% duurder worden waardoor de Italiaanse producent ineens goedkoper is. Dat kan alleen als de salarissen van de Italianen met 30% dalen en de Nederlandse met 30% stijgen. Dat zal allebei niet gebeuren. Blijven de drie ‘kwaden’ over. “Voortmodderen kan niet meer, de toch al wanhopige toestand in Italië is onhoudbaar geworden door de Corona-crisis,” zo schrijft Wolters en daar heeft hij een punt. Dus blijven er nog twee opties over.

Als eerste het ontvlechten van de euro. Dan worden de ‘oude munten’ opnieuw ingevoerd en kan het oude de- en revaluatie-mechanisme zijn werk doen. Wolters: “Nadeel is dat de zwakke landen in een zeer ingrijpende crisis terecht dreigen te komen.” Niet alleen die zwakke landen, ook de ‘sterke’. De export vanuit de ‘sterke’ naar de ‘zwakke’ landen zal fors afnemen.  Het ‘slapend rijk worden’ zit er dan niet meer in voor de noordelijke landen. Trouwens niet alleen de export naar de zuidelijke landen. Ook de export naar de rest van de wereld zal een fikse dreun krijgen omdat de de nieuwe Nederlandse gulden in waarde zal stijgen ten opzichte van de dollar, het pond en de Chinese yuan. Minder export betekent minder werkgelegenheid en meer werkloosheid. Die kant van de medaille vergeet Wolters te schetsen.

Dan de optie waarmee ik begon: de sprong naar een federaal Europa. Het noorden wordt dan, als we Wolters mogen geloven, de ‘pinautomaat’ voor het zuiden. Daar kunnen we tegenover zetten dat ‘onze exporterende bedrijven’ nog steeds ‘slapend rijk’ worden. Dat ‘slapend rijk worden’ plaatst die ‘pinautomaat’ in een heel ander daglicht: het noorden ‘pint’ in het zuiden. En met die ‘pinautomaten’ metafoor komen we waar we moeten zijn. Volgens Wolters is: “Een muntunie tussen landen met verschillende groei (…) rampzalig voor alle betrokken landen: de producten uit landen met hoge groei (Nederland) worden steeds goedkoper ten opzichte van die met lage groei (Italië) en zo concurreren we al twintig jaar Zuid-Europa steeds verder kapot.”  Dit plaats dan weer het ‘zuiniger’ moeten zij en ‘harder moeten werken’ van het zuiden in een ander perspectief. Als de wereld na de kredietcrisis iets laat zien dan is dat je nog zo hard kunt werken en zuinig zijn, tegen die ongelijkheid kun je niet op besparen en werken. Dit plaatst de ‘kwade’ federale oplossing in een ander perspectief. Wellicht is die optie toch niet zo ‘kwaad’? Misschien zelfs wel ‘goed’.

Dat een muntunie tussen staten met verschillende groei niet rampzalig hoeft te zijn laten de Verenigde Staten zien. Een federatie bestaande uit 52 staten die allemaal verschillend zijn. Toch betalen ze allemaal met dezelfde dollar. Of het nu het economisch zeer sterke Californië is of het economisch zwakkere Tennessee. Trouwens ook India kent deelstaten met verschillende economische ontwikkeling en toch eenzelfde munt. Wat maakt dat het daar wel werkt? Het antwoord op deze vraag zou wel eens heel eenvoudig kunnen zijn: herverdeling via belastingen. Via een Europese belasting op bedrijfswinsten,- waarvoor ik in een recentelijke Prikker pleitte, romen we geld af te van de ‘slapend rijk’ wordende noordelijke exporteurs. Dat geld wordt geïnvesteerd in het versterken van de economische structuur van het ‘zwakke’ zuiden. Dat kan dan laten zien dat het niet ‘lui en verspillend’ is. 

IJzer smeden

“Verdere verdieping vraagt om een democratisch debat, omdat het gaat over enorme overdracht van soevereiniteit naar Europees niveau. En dat democratisch debat kan in crisistijd niet goed gevoerd worden.” Dit schrijven SP-Tweede Kamerlid Renske Leijten en SP-senator Bastiaan van Apeldoorn  op de site Joop. Ze schrijven dit naar aanleiding van de discussie over ‘Eurobonds’. Een vreemde uitspraak.

De auteurs: “Georganiseerde solidariteit is in Nederland, maar ook in Europa en de wereld het antwoord op deze crisis. Regeringen en parlementen dragen nu overal de verantwoordelijkheid om te doen wat nu nodig is. Internationale georganiseerde solidariteit biedt ook hier een uitweg. Daarom moet de Nederlandse regering nu snel eerlijke afspraken maken met alle andere lidstaten van de Europese Unie om de zwaarst getroffen landen onmiddellijk de steun te geven die zij nu nodig hebben.” Dat ik schulden aangaan niet de weg vindt, heb ik in een eerdere Prikker al betoogd. Dus daarin kan ik de beide SP-ers volgen. Geen ‘Europese schulden’ maar dat hoeft geen probleem te zijn want: “ Er zijn vele manieren om financieel getroffen landen te steunen,” zo schrijven de auteurs. Hoe die vele manieren eruit zien, blijft een raadsel. Ze noemen er geen. Daardoor blijft hun betoog in de lucht hangen. Dat is jammer, maar daar gaat het mij nu niet om. 

Het gaat mij om de opmerking dat er nu geen goed democratisch debat gevoerd kan worden. Inderdaad is onze samenleving voor een deel ‘stilgelegd’ omdat we elkaar niet niet meer lijfelijk kunnen ontmoeten. Als dit in het oude Athene zou zijn gebeurd, dan was het democratische debat inderdaad niet mogelijk. De Atheners hadden nog geen krant, radio en TV laat staan Internet. Het democratische debat werd immers gevoerd op het plein in de stad. Waarom zou er nu in Nederland geen goed democratisch debat gevoerd kunnen worden? 

Zoals ze terecht schrijven legt: “Deze crisis (…) overal ter wereld vele mankementen in de organisatie van onze maatschappijen en economieën bloot.” Laten we het daar nu over hebben en niet zoals ze betogen dat we: “afspreken dat hetgeen we nu zien, straks niet vergeten maar zullen gebruiken om duurzame maatschappelijke verbeteringen te bewerkstelligen, om zodoende een komende crisis beter het hoofd te kunnen bieden.” Zoals een bekend Nederlands spreekwoord luidt, moet je het ijzer smeden als het heet is. Het is nu heet en er moet nu dus gesmeed worden. Als we het nu laten lopen, wordt het weer ‘koud’, gaat de druk eraf en schieten we weer in een modus van alledag. 

Laten we juist wel nu het debat voeren want ook zonder dat debat wordt er ijzer gesmeed dat de ‘na-coronese periode’ mee vorm geeft. Besluiten die nu worden genomen en zaken die nu in gang worden gezet, zijn straks lastig weer terug te draaien. Als de ‘apps’ waarover nu wordt gesproken, worden ingevoerd, dan is de kans groot dat ze blijven ook al is er geen crisis meer. Dus nu ook het debat over Europa, de Euro, al dan niet Eurobonds of een Europese belasting op bedrijfswinsten. Laten we nu het ijzer heet is, alle mogelijke oplossingen bestuderen en bespreken op hun voor- en nadelen en dan een keuze maken. 

Zo werd het debat over de wereld na de Tweede Wereldoorlog al tijdens die oorlog vormgegeven. Al in augustus 1941, toen de VS nog niet eens in oorlog waren, stelde het samen met de Britten het Atlantisch handvest vast. De belangrijke conferentie in Bretton Woods over de financiële wereld na de oorlog werd al in 1944 met een akkoord bezegeld.

Beste SP-ers, jullie en je collega’s voeren al enkele weken debatten over mondkapjes en beademingsapparatuur. In die debatten willen jullie ‘harde toezeggingen’ over het aantal IC plekken. Alsof de minister en zijn ambtenaren niet alles binnen hun mogelijkheden doen om die zaken te regelen. Mogelijkheden die beperkt zijn omdat de hele wereld op mondkapjes en beademingsapparatuur jaagt. Laat dat maar aan de ministers en de uitvoerders over. Ga alsjeblieft NU aan de slag met smeden. Als jullie dat niet doen, dan zijn jullie geen knip voor de neus waard.

Terug naar een basisinkomen

“In de afgelopen weken klonk de roep om een basisinkomen luider dan ooit. En terecht: de wereldwijde coronacrisis vraagt om radicale maatregelen. Zelfs de Amerikaanse overheid deelt geld uit. Zeven jaar geleden schreef ik voor het eerst voor De Correspondent over een bijna vergeten idee dat nu overal weerklank vindt: gratis geld voor iedereen.” De aanheft boven een opnieuw gepubliceerd oud artikel van Rutger Bregman bij De Correspondent. Onder het artikel opnieuw een levendige discussie over nut, noodzaak en herkomst van het idee ‘basisinkomen’. Bregman noemt de neoliberale goeroes Friedrich Hayek en Milton Friedman als aanhangers van het idee en gaat zelfs terug tot Thomas More’s Utopia. Even wat historisch perspectief.

In dit deel van de wereld, en misschien ook in andere maar daar weet ik het niet van, was een ‘basisinkomen’ eeuwenlang de normaalste zaak van de wereld. Nee, niet zoals Bregman het beschrijft een beurs met munten, maar het gezamenlijk gebruik van grond, een vijver, een bos, een weide. In goed Nederlands noemden ze dat de meent. Het woord gemeente is ervan afgeleid. De meent was een stuk grond, bos, vijver, rivier, dat de inwoners van het dorp konden gebruiken om de opbrengst van hun eigen kleine stukje grond aan te vullen. Het was meestal niet de beste of makkelijkst te bewerken grond. Aanvullen door er een konijn of vis te vangen, door hout te sprokkelen of bramen te plukken. De bewoners van een dorp hadden het gebruiksrecht, de grond was in eigendom van de landheer. Die landheer was niet bij machte om die rechten aan te tasten. Dit was een onderdeel van het feodale systeem.

In goed Engels noemen ze de meent commons. En wellicht gaat er nu bij een enkeling een belletje rinkelen: er was toch iets met Tragedy of the Commons? Een enkeling zal het begrip kennen van het pamflet In ons belang van Albert Jan Kruiter en Eelke Blok uit 2011. De munter ervan is echter de Amerikaanse ecoloog Garrett Hardin. Hardin schreef in 1968 een artikel met als titel The Tragedy of the Commons.

Hardin gebruikt hier het voorbeeld van een stuk weidegrond dat door de plaatselijke herders wordt gedeeld. De weide heeft een beperkte omvang en er kunnen dus slechts een beperkt aantal schapen op grazen. Overbegrazing zorgt ervoor dat de hele weide onbruikbaar wordt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Eén schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever één schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn één schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is overbeweiding onvermijdelijk. Herder A en met hem de andere herders zitten vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt.

Vervang de herders en de weide door zee en vissers, of schone lucht en olie- en kolencentrales of een extra kind erbij in een gezin en je hebt de moderne versies van The Tragedy of the Commons. Veel vrijemarkteconomen en vooral vrijemarktideologen betogen dat een dergelijke tragedie alleen te voorkomen is via privé eigendom en dus privatisering van het gemeenschappelijk bezit. Deze economen en ideologen hebben de afgelopen dertig jaar de wind flink in de zeilen gehad. Dit met als gevolg een grote privatiseringsgolf: openbaar vervoer, energie, telecom, water, gezondheidszorg enzovoort. Je zou hieruit kunnen concluderen dat omdat vroeger het ‘basisinkomen’ niet werkte vanwege het egoïsme van de boeren, ook nu het basisinkomen gedoemd is te falen. 

Er is echter iets met deze ‘tragedie’. Dit is namelijk niet hoe het in werkelijkheid is gegaan. Gemene of gemeenschappelijke gronden speelden gedurende lange tijd een belangrijke rol in het leven en overleven van onze voorouders. Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de “gebruiksgerechtigden”. Bijvoorbeeld de inwoners van een dorp of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruik maken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of een andere functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het  gebruik van de gemene gronden zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot.

Iedere herder maakt, volgens Hardin, de enige rationele keuze vanuit de individuele positie. Maar bekijk je het vanuit het totaal dan handelen ze allemaal irrationeel. Ze verwoesten zo immers de weide die hen voedt. Hardin veronderstelt dat de gebruikers van de gemene gronden deelnamen aan het economisch verkeer van vraag en aanbod en dat ze allemaal streefden naar meer inkomen. Dit op een manier die vergelijkbaar is met de tijd waarin Hardin zijn artikel schreef. Hij kijkt met zijn bril (zijn en de huidige kijk op de wereld) naar het verleden en dat is meestal niet de bril die men in het verleden droeg. Voor veel van onze voorouders was de wereld niet veel groter dan de streek waarin zij woonden. In die streek probeerden zij te overleven en dat deden zij voor het overgrote deel door in hun eigen behoeften te voorzien. Zij produceerden niet voor de markt en waren niet bezig met inkomen vergaren, laat staan rijk worden. Overleven lukte hen onder andere door het gebruik van de gemene gronden. Het gebruik van de gemene gronden was goed gereguleerd in het gewoonterecht. Dit voorkwam, zo daar al aanleiding toe was, misbruik en vooral overgebruik van deze gronden. Geld speelde maar een zeer marginale rol. Dit heeft eeuwenlang goed gefunctioneerd. 

Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet wilden veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren (en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren). De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele ‘enclosure acts’. Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten zij graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg. Op het eerste oog een positief iets.

Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. 

Bijzonder schril voorbeeld hiervan is An Gorta Mór. De Ierse hongersnood van 1845-1849. De arme Ieren leefden in die tijd op aardappelen die ze zelf verbouwden. Dat ging jarenlang goed waardoor de bevolking was gegroeid. in 1845 begon het fout te gaan. Een beruchte aardappelziekte deed haar intrede: Phytophthora infestans. Dat er bijna geen aardappelen meer waren, wilde niet zeggen dat er niets te eten was in Ierland. Er was nog voldoende, alleen was dat in handen van Engelse landeigenaren die de beschikbare  producten, onder andere boter en vlees, verkochten op de wereldmarkt omdat ze daar een ‘betere prijs’ konden krijgen. De arme Ieren hadden het nakijken. Niets te eten en ook geen opbrengst om de pacht voor dat kleine stukje grond aan die Engelse landheer te betalen. Die landheer maakte het vervolgens nog erger door de pachters hun land en huis af te nemen. Dit alles zorgde ervoor dat de bevolking terugliep van 8 miljoen naar 3,5 miljoen. Een flink deel door sterfte en het grootste deel omdat ze emigreerden naar de Verenigde Staten.

De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud omdat hen de toegang tot de gemene gronden werd ontzegd. Die kant wordt door Karl Polanyi in zijn boek The Great Transformation treffend omschreven: “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.” Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en vergemakkelijkten zo de industriële revolutie.

Ik heb hier voornamelijk de Engelse situatie beschreven, die is het best gedocumenteerd. In andere landen op eerdere of latere tijdstippen gebeurde iets soortgelijks. Sterker nog, dit is een ontwikkeling die tot op de dag van vandaag doorgaat in bijvoorbeeld Afrikaanse landen. Waar grote bedrijven die op fabrieksmatige wijze agrarische producten voor de wereldmarkt willen produceren, grote gebieden opkopen van de overheid en zo de kleine lokale boeren verdringen die deze grond vaak al generaties lang in gebruik hadden. Die rest dan niets anders dan naar de steden te trekken en daar proberen te overleven. Ook dit leidt tot een stijging van de productie en een toename van armoede en vaak ook honger. Want ook hier wordt met name voor de wereldmarkt geproduceerd en verkocht aan de best betalende en dat is meestal een buitenlandse partij. De laatste jaren wordt dit nog versterkt door het opkopen van gronden en bossen ter compensatie van koolstofdioxide uitstoot. Naomi Klein geeft een goede beschrijving van deze ontwikkeling in haar boek No Time. Zo zijn we via een kort uitstapje in de geschiedenis alweer in het heden beland.  

Dus ja, de markt en hebzucht maakten een einde aan de eerdere vormen van een ‘basisinkomen’. Niet de ‘hebzucht’ van de kleine boeren, maar de hebzucht van de landheren, de ‘rijken’. En daarmee zijn we aanbeland bij Bregmans pleidooi voor een basisinkomen en waarom het een hele strijd wordt om het ingevoerd te krijgen, als het al lukt. De vroegere rijken en machtigen eigenden zich het vroegere ‘basisinkomen’ toe en de huidige rijken en machtigen zullen een nieuw basisinkomen moeten betalen. Betalen op twee manieren. Als eerste door meer belasting te betalen en als tweede omdat ze hun goedkope arbeidskrachten verliezen. Verliezen niet omdat mensen met een basisinkomen te lui zijn om te werken. Nee verliezen omdat ze, zoals Bregman in dit artikel laat zien, eigen keuzes maken hoe ze hun leven willen invullen. Keuzes die wel eens een andere kunnen zijn dan in het magazijn bij Amazon, Bol.com of het aspergeveld. Of misschien juist wel daar, maar dan op een gelijkwaardige voet. Een basisinkomen vraagt, om Polyani te parafraseren ‘a revolution of the poor against the rich.’