Uitgelicht

Zit de VVD in de weg?

We kunnen een probleem niet oplossen met de denkwijze die het heeft veroorzaakt, een van de beroemde uitspraken van Albert Einstein. Aan die uitspraak moest ik denken na het lezen van de Binnenhoflezing van VVD-fractievoorzitter Ruben Brekelmans.

Foto: Marina Noordegraaf. Bron Flickr

Brekelmans wil een krachtig Nederland: “Een land dat mensen veilig houdt, economisch meedoet in de wereld, mensen ruimte en vrijheid geeft, en een democratie heeft die levert.” Daarin speelt het bedrijfsleven een belangrijke rol: “Bij grote issues wordt vaak direct naar de overheid gekeken.” Wel dat ligt toch iets genuanceerder dan dat. Inderdaad wordt er bij grote vraagstukken naar de overheid gekeken. En dat is in onze democratische rechtsstaat niet meer dan terecht. Die overheid is ons grootste samenwerkingsverband en daarmee het belangrijkste en machtigste instrument dat we hebben. Alleen hebben ruim veertig jaar neoliberaal beleid dat instrument verzwakt. Verzwakt door die overheid een steeds kleinere rol te geven in de samenleving en private bedrijven een steeds grotere. De telefonie, de post, het openbaar vervoer, de energievoorziening, de woningbouw, de zorg overal trok de overheid zich terug omdat een uitspraak van de Amerikaanse president Reagan tot algemene neoliberale wet werd verklaard. In zijn eerste inaugurale toespraak sprak Reagan de woorden: “government is not the solution to our problem; government is the problem.” De paar woorden die Reagan ervoor sprak: “In this present crisis,” werden vergeten.

Brekelmans vervolgt met:“Maar wie ontwikkelt de nieuwste drones, medische technologie, huizen voor onze kinderen? Dat zijn ondernemers. Zij nemen de risico’s, investeren en creëren banen.” De bekende (neo)liberale lofzang op het bedrijfsleven als motor van innovatie waarbij tegenwoordig vooral Silicon Valley als voorbeeld wordt gegeven. Helaas is dat, uitzonderingen daargelaten, een vertekend beeld van de werkelijkheid. Of beter gezegd een geromantiseerde met ‘geniale mannen’ (vooral mannen) in de hoofdrol. De basis van het ‘technische’ deel van Silicon Valley is het resultaat van vooral overheidsinvesteringen. Overheidsinvesteringen in vooral defensie en ruimtevaart. Voor wie er meer over wil weten, lees De ondernemende staat van Mariana Mazzucato. Daarin laat ze zien dat de smartphone vol zit met door overheidsinvesteringen ontwikkelde technologie. De innovatie van Apple van Steve Jobs bestond uit twee, of eigenlijk vier zaken. Als eerste die verschillende vindingen bundelen in een klein apparaatje, als tweede de marketingcampagne, als derde het monopoliseren van de toegang tot het apparaat en als laatste het toe-eigenen van de gegevens van de gebruiker. Van die vier waren de laatste geen innovaties. Monopoliseren, marketing en uitbuiting zijn typische kenmerken van het kapitalisme.

Het kapitalisme heeft, zo betoogt Sven Beckert, vier kenmerken. Als eerste: “The reproduction of conditions that allow (…) accumulation to continue,” en dat is niets anders dan monopoliseren en marketing. Als tweede commodificatie, alles tot een product maken en: “one of the first commodities is Labor.” Dat kon in de vorm van slavernij en onze achttiende en begin negentiende eeuwse voorouders zagen ook loonarbeid, de tegenwoordige norm, als een vorm van slavernij. De moderne ‘slavernij’ bestaat uit de toe-eigening van data. Het derde kenmerk is, en dat zal Brekelmans verbazen dat: “Capitalism (…) conceptually unimaginable (is) without the state,” Kapitalisme heeft de staat nodig. Voor een goed voorbeeld daarvan hoeft Brekelmans alleen maar naar China te kijken. De plek waar volgens Brekelmans alle banen naartoe gaan: “Als we luisteren naar de FNV.”

Het vierde kenmerk is dat: “ Capitalism is demarcated by a constant redrawing of the boundaries between the spheres of life seen as subject to capitalist logic and those as outside it. Production and reproduction, economy and polity, human activity and nature.”1 Waarbij het neoliberalisme en het onder de techbro’s populaire libertarisme zo ongeveer het hele leven zien als productie, economie en menselijke activiteit. Brekelmans toont zich een goed leerling met zijn oproep om vijf dagen werken weer de norm te maken want, hij zegt het niet maar zijn hele betoog is er wel van doordrenkt, je leeft immers om te werken.

Brekelmans ziet de overheid als probleem: “Bij al mijn werkbezoeken zeggen ondernemers hetzelfde: we willen groeien, maar de overheid zit in de weg. Met regels, vergunningen, administratie en eindeloze procedures. De overheid als procesfabriek, met het proces belangrijker dan het resultaat. De formulieren zijn ingevuld, maar de banen verdwenen.” Weg met de regels dan maar? Natuurlijk moeten nut en noodzaak van regels goed worden afgewogen. Dat afwegen gebeurt in onze democratische rechtsstaat door de volksvertegenwoordigers. Brekelmans is er daar eentje van net als zijn collega’s in de Tweede- en Eerste Kamer en de leden van provinciale staten en de gemeenteraad. Zij zijn de democratie die moeten leveren. Laat nu Brekelmans partij van de laatste 41 jaar er 34 deel uitmaken van de regering en de VVD is de enige partij die sinds eind 2010 continu deel uitmaakt van de regering en dus de dienst mee uitmaakt bij de overheid.

Brekelmans begint over asiel: “de grootste bron van polarisatie,” volgens Brekelmans en vervolgt met: “Een grote meerderheid wil een lagere asielinstroom, vluchtelingen in de regio opvangen en alleen op uitnodiging naar Europa halen.” Hij vergeet hier voor het gemak dat de overgrote meerderheid van mensen op de vlucht altijd al in de regio worden opgevangen. Hij vervolgt: “Verdragen staan dit in de weg. … Vluchtelingenverdrag en het EVRM stammen uit de jaren vijftig. Door rechterlijke interpretaties is de werking veranderd, zonder dat een parlement daar expliciet voor heeft gekozen. Ik maak geen verwijt aan rechters: zij doen gewoon hun werk. Maar de politiek moet met verdragswijzigingen en wetgeving daarop bijsturen.” Beste meneer Brekelmans, de politiek dat bent u. Dus waar wacht u op als u dit zo graag wilt. Of beter gezegd waarom hebt u dat niet al geregeld? Uw partij heeft van de afgelopen veertig jaar driekwart van de tijd in de regering heeft gezeten.

In zijn hele betoog ontbreekt ook maar enige vorm van zelfreflectie. Zelfreflectie die ook bij zijn partij ontbreekt, zo constateerde ik bij de bespreking van Sterker uit de storm het verkiezingsprogramma waarmee de VVD de laatste parlementsverkiezingen inging. Als de overheid in de weg zit, zou het dan niet zo kunnen zijn dat de VVD in de weg zit? In de weg zit omdat het neoliberale denken waarmee de partij is doordrenkt, aan de basis ligt van de huidige problemen? In de weg zit omdat het de partij ontbreekt aan ook maar enige vorm van zelfreflectie. Om te eindigen met Einstein waarmee ik begon, kun je een probleem niet oplossen met de denkwijze die het heeft veroorzaakt. En daarbij aanvullend, ook niet met mensen zonder zelfreflectie die het hebben veroorzaakt.

1Sven Beckert, Capitalism. A Global History, pagina 19-21

Uitgelicht

Rechtsstaat voor dummies

Vijf boeren dreigen hun vergunning én daarmee hun bedrijf kwijt te raken. Dit kabinet heeft de mond vol van de rechtsstaat. Maar het eigendomsrecht van ondernemers hoort daar óók bij.” Aldus Mona Keijzer in een bericht op LinkedIn. Keijzer is niet de eerste die zich in dergelijke bewoordingen uitspreekt. Op het medium waar ik dit las, heb ik al veel soortgelijke uitspraken gezien. Keijzer is vast ook niet de laatste. Keijzer is Kamerlid en heeft Nederlands recht gestudeerd. Zij zou beter moeten weten.

Bron: loomahat.com

Ze zou beter moeten weten, omdat ze met deze drie zinnen een verkeerd beeld van de werkelijkheid schetst. Ze zou moeten weten dat een vergunning een door de overheid gegeven toestemming is om een bepaalde activiteit te mogen uitvoeren. Het geeft de vergunninghouder het recht tot iets. In het geval van de vijf boeren waar Keijzer over spreekt, het houden van kippen. Een vergunning is geen eigendom van de vergunninghouder, zoals Keijzer lijkt te suggereren. Ze is eigendom van de overheid die ze heeft afgegeven. Die heeft de vergunninghouders toestemming gegeven om een bepaalde activiteit uit te voeren.

Ze zou moeten weten dat vergunningen ingetrokken kunnen worden. Dat kan als de houder van de vergunning er structureel een potje van maakt en zich niet aan de voorwaarden houdt. De overheid zal dan eerst waarschuwen, vervolgens handhavend optreden, boetes opleggen en als de overtredingen aan blijven houden dan kan de vergunning worden ingetrokken. Dat kan ook als het maatschappelijk belang verandert. Als voortschrijdend inzicht duidelijk maakt dat een bepaalde vergunde activiteit schadelijk is voor mens en natuur, bijvoorbeeld het gebruik van een bepaalde stof of de lozing van een stof in het oppervlaktewater, dan is dat een reden en aanleiding om vergunningen in te trekken. Dus ja, ook de vergunningen van de vijf boeren kunnen worden ingetrokken als nieuwe opvattingen over de wenselijkheid van zaken daartoe aanleiding geven. Dit geheel binnen de kaders van de rechtsstaat. Dat zou Keijzer moeten weten.

Dat weet de in het Nederlands recht opgeleide Keijzer waarschijnlijk ook en dat is nog wel het meest schadelijke van die paar zinnen. Natuurlijk mag je het om inhoudelijke redenen belachelijk vinden dat de vergunningen van die vijf boeren wellicht worden ingetrokken. Dat kan en mag, maar kom dan wel met inhoudelijke argumenten waarom je het belachelijk vindt. Met haar woorden schetst Keijzer bewust een beeld van een min of meer corrupte overheid die eigendommen van mensen steelt. Ze wakkert wantrouwen in de overheid aan en dat als Kamerlid van het hoogste orgaan van die overheid. Als er iets de bijl aan de wortel van onze democratische rechtsstaat zet, dan is het dergelijk handelen van Kamerleden.

Uitgelicht

Don Quixote en asiel

Aan het begin van de zeventiende eeuw schreef Miguel de Cervantes zijn bekende boek over de dolende edelman Don Quixote de la Mancha.1 Don Quixote ziet herbergen aan voor kastelen, geestelijken voor schurken (op dit punt doolde hij wellicht niet) en windmolens voor reuzen. Ik moest aan dit verhaal denken toen ik in de NRC las dat de Nederlandse regering samen met de regeringen van Duitsland en Denemarken gesprekken voert met Rwanda om daar een terugkeerhub voor uitgeprocedeerde asielzoekers te realiseren.

Asielmigratie is de door de rechterkant van het politieke spectrum tot mythische en reusachtige proporties opgeblazen windmolen. In 2025 deden zo’n 600.000 mensen een eerste asielaanvraag in Europa. Op het hoogtepunt van de burgeroorlog in Syrië in 2015 waren dat er bijna 1,3 miljoen. Die 600.000 in 2025 betekent dat er op iedere 1.000 inwoners van Europa 1,3 asielzoeker binnenkomt. Een jaar eerder, in 2024 vroegen zo’n miljoen mensen asiel aan. Dat is iets meer dan een zesde deel van het totaal aantal immigranten naar de Europese Unie in dat jaar. Als immigranten het probleem zijn waarom dan alle aandacht op die tot mythische proporties opgeblazen asielwindmolen en wordt die net geen vijf zesde ongemoeid gelaten? Als immigratie al een probleem is want iedereen die met een beetje verstand van demografie naar de bevolkingspiramide van de Europese Unie kijkt, ziet dat bevolkingskrimp in de nabije toekomst in het verschiet ligt. Er zijn al landen waar die krimp een feit is. Sterker nog de bevolking van de Europese Unie groeide vorig jaar met 1,7 miljoen mensen. Zonder de asielzoekers en immigranten was er sprake van krimp.

De trend om de asielzoekers terug te duwen is al een oude. Een van mijn eerste prikker heeft als titel Opvang in de regio en handelde over het plan van toenmalige VVD-Kamerlid Malik Azmani om ‘vluchtelingen in de regio op te vangen.’ Dat ‘de regio’ als het overgrote deel van de vluchtelingen opving, liet hij even buiten beschouwing. Al snel werd dit gevolgd door het sluiten van ‘deals’ met ‘veilige landen’. Landen die door de EU werden betaald om vluchtelingen tegen te houden. Dat de EU hiermee chantabel werd, werd op de koop toegenomen en dat die ‘veilige landen’ het niet zo nauw namen met mensenrechten en niet zo veilig blijken te zijn, hoeft geen bezwaar te zijn. Om de Don Quixote analogie door te trekken, de herbergen werden verkocht als kastelen. En met dat verkopen wordt nu nog een stapje verder gegaan. Rwanda, een totalitaire dictatuur die onrust stookt in buurland Congo moet aan de rij met ‘kastelen’ worden toegevoegd.

Bij het opblazen van die windmolen en het verkopen van die herbergen als kastelen wordt vaak het argument gebruikt dat ‘het verdienmodel van gewetenloze mensenhandelaren die mensen uitbuiten en in de Middellandse zee laten verzuipen moet worden aangepakt.’ Toch bijzonder dat de Europese Unie zich voor het succes en falen afhankelijk maakt van gewetenloze dictators en autocraten. Die krijgen een prachtig ‘verdienmodel’ in de schoot geworpen. Met fraaie redeneringen verkopen de voorstanders van terugkeerhubs zaken die vloeken met de geest en langs de randen schuren van de Nederlandse wet- en regelgeving. Zo stelt artikel 273f van het Wetboek van strafrecht dat je schuldig bent aan mensenhandel als je: “een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met inbegrip van de wisseling of overdracht van de controle over die ander, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen.” Het oogmerk van de hubs is niet ‘uitbuiting of verwijdering van organen’, maar er is geen garantie dat de naar Rwanda gedeporteerde mensen daar niet het slachtoffer van worden. Wel wordt er misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van mensen en geeft de Nederlandse overheid de controle die zij over de een asielzoeker heeft, over aan een ander, in dit geval de Rwandese overheid.

Don Quixote zag geestelijken voor schurken aan, goed voor kwaad zo suggereert het verhaal. Nu laat de vroeg zestiende-eeuwse werkelijkheid zien dat die goede geestelijken in aflaten handelden en het van hoog (paus Leo X) tot laag met de regels die ze zelf verkondigden, niet zo nauw namen. Hier zag Don Quixote het dus eigenlijk goed. Nu wordt dit ‘terugkeerhub beleid’ geïnitieerd en uitgevoerd door partijen die met mooie woorden hun ‘liberale’ en ‘christelijke’ principes verkondigen. Die zich ‘geestelijk’ voordoen maar zich schurkachtig gedragen.

1 De originele titel van het boek luidt: El ingenioso hidalgo Don Quixote de la Mancha

Uitgelicht

Terreur in Engelen

Wat een lelijk vandalisme in Engelen. Samenleven is een van de kernwaarden van Nederland. Verschillende meningen mogen daarbinnen bestaan, daarover gaan we met elkaar in gesprek. Voor het intimideren van mensen die zich inzetten voor mensen die zijn gevlucht voor oorlog is geen enkele rechtvaardiging.” De reactie van minister-president Jetten op de bekladding van huizen van mensen in het Brabantse dorp Engelen. Inwoners die geen bezwaar hebben tegen de komst van 50 minderjarige asielzoekers. Mijn broek viel af van deze reactie.

Even voor premier Jetten. Vandalisme heeft twee betekenissen. De eerste is ‘barbaarse vernielzucht, oorspronkelijk vooral met betrekking tot cultuurgoederen’. De tweede is “zinloze, grove vernielzucht, baldadig vernielen van publiek eigendom, auto’s, winkelvensters enzovoorts’. De bekladding en vernielingen waren zinloos en barbaars. Dus er was sprake van vandalisme. Waarom viel dan toch mijn broek af?

Mijn broek viel af omdat er geen sprake was van ‘zinloze vernielzucht’. De daders hebben een doel met hun daden, ze hebben iets in de zin en dus is hun daad niet zinloos. De ‘zin’ van hun daad was om mensen angst aan te jagen. Mensen die het niet men hen eens zijn. Hier is sprake van ‘georganiseerde geweldpleging met een politiek doel om een deel van de bevolking angst aan te jagen’, het is een ‘bedreiging van personen in fysiek, psychisch en materieel opzicht’. Laat dat nu precies de betekenissen zijn van TERREUR. De plegers maken zich schuldig aan terreur, ze bedienen zich van terrorisme.

Terrorisme dus en de enige reactie van het Nederlandse kabinet is dit Twitterbericht van onze premier. Nog stiller is het vanuit de drie regeringspartijen. Echt bijzonder maakten de PVV- en FvD-fracties van Den Bosch, waar Engelen toe behoort. Beide partijen weigerden een verklaring te ondertekenen die, om de woorden van de verklaring die alle andere Bossche partijen wel hebben ondertekend te gebruiken: “het vandalisme dat afgelopen nacht in Engelen heeft plaatsgevonden,” veroordeelt en vervolgt met de woorden: “Het intimideren van inwoners heeft geen plaats in onze democratische samenleving.” De beide partijen wilden geen verklaring geven voor hun weigering. De enige conclusie die hieruit is te trekken is dat deze beide partijen terreur een legitiem politiek wapen vinden.

Dit staat in zeer, zeer, zeer schril contrast met de reacties vanuit politiek rechts en de regeringspartijen op de gebeurtenissen in de Spaanse exclave Ceuta alwaar naar schatting 50.000 mensen zwemmend vanuit Marokko een kaartje naar Europa probeerden te krijgen. Een situatie die door de Spaanse regering snel werd opgelost. Vanuit de regeringspartijen werd Spanje opgeroepen om de grenzen te bewaken. JA21 wilde weten hoe het kabinet gaat voorkomen dat deze mensen naar Nederland komen. PVV-leider Wilders wilde onmiddellijk de Nederlandse grenzen sluiten en moest er een spoeddebat komen. Paniek alom.

Binnenlandse terreur wordt stilgezwegen: geen spoeddebat, geen zware woorden vanuit politiek rechts en de regeringspartijen. Een miserabel Twitterberichtje van de minister-president en geen verzoek om een spoeddebat terwijl daar toch alle aanleiding voor is want hier wordt de bijl aan onze democratische rechtsstaat gezet. Een gebeurtenis in Spanje en dezelfde personen staan op de achterste poten en een verzoek om een spoeddebat kreeg net niet voldoende steun.

De enige vergelijking die bij mij te binnen schiet is het kabinet als het orkest op de Titanic.

Uitgelicht

Kritiek op Israël en antisemitisme

“Nooit meer is geen slogan voor monumenten. Het is een opdracht voor vandaag. Sta op, spreek je uit!” Met die woorden eindigt een artikel van Gideon van der Sluis, zoon van een joodse onderduiker zoals hij zichzelf introduceert, op de site Opiniez. Waar we volgens Van der Sluis tegen op moeten staan is tegen Frans Timmermans. Die heeft zich, zo betoogt Van der Sluis Antisemitisch uitgelaten. Hij verbaast zich erover dat het “oorverdovend stil’ blijft na Timmermans’ uitspraak. Niet bij: “ Timmermans’ politieke tegenstanders, die stonden voorspelbaar klaar.” Nee bij Timmermans’ achterban en dan bedoelt Van der Sluis; “mediapersoonlijkheden, opiniemakers en influencers uit het linkse en het brede midden. Uit de hoek waar mijn vader zich thuisvoelde.” Laat ik al vast beginnen met te bevestigen dat ‘nooit meer’ geen slogan moet zijn voor op monumenten, maar dat het een opdracht is en dat iemand in deze affaire zich aan die opdracht houdt.

De ‘Gele lijn’ in Gaza. Bron: wikipedia

Wat heeft Timmermans gezegd? Als het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) hem goed heeft geciteerd dan is dat, zo lees ik bij het artikel van Van der Sluis het volgende: “In het Midden-Oosten wordt momenteel een heel volk uitgeroeid. We kijken ernaar en we zwijgen terwijl de Palestijnen letterlijk de zee in worden gedreven – en erger. De redenering van rechts en extreem rechts in Israël: wij joden kunnen alleen maar overleven als de Palestijnen weg zijn. Dat is exact dezelfde redenering als die van de nazi’s destijds: wij – het Duitse volk , het Arische ras – kunnen alleen maar overleven als de joden weg zijn. Dat vind ik ronduit verbijsterend. Hun grootouders en overgrootouders is in de nazitijd iets verschrikkelijks overkomen: de Holocaust, waarbij ze werden vernietigd, en nu doen zij precies hetzelfde met een ander volk. Ik ben nog beladen met de geschiedenis, maar mijn kinderen snappen hier helemaal niks van. Zij zeggen: ‘Hoezo het bestaansrecht van Israël staat op het spel? Je kunt uit het bestaansrecht van een volk toch niet afleiden dat het een ander volk mag uitroeien?’”

Dit was dus tegen het zere been van Van der Sluis en niet alleen zijn been. Ook tegen het been van het Centraal Joods Overleg (CJO). Volgens deze organisatie is dit: “geen kritiek op beleid meer, maar is het op één lijn stellen van de Joodse staat met het naziregime, en van Joden met de daders van de Holocaust. Wij noemen dat ontoelaatbaar en antisemitisch.” Want: “Het vergelijken van Israël met nazi-Duitsland, en het verwijt aan Joden dat zij de misdaden van de nazi’s herhalen, staan allebei genoemd in de internationale werkdefinitie van antisemitisme van de IHRA. Nederland heeft die definitie onderschreven.”

Even vooraf. Wat in alle verwijten aan Timmermans door elkaar loopt en voor velen in elkaar overloopt is het jodendom en de staat Israël. Trouwens niet alleen in dit geval. Dat speelt altijd op als er kritiek wordt geleverd op de staat Israël en vooral haar handelen. En dat speelt ook het IHRA en haar definitie parten.

Dan nu naar antisemitisme. Volgens de definitie van het IHRA waarnaar het CJO verwijst is antisemitisme: “een bepaalde perceptie van Joden die tot uiting kan komen als een gevoel van haat jegens Joden. Retorische en fysieke uitingen van antisemitisme zijn gericht tegen Joodse of niet-Joodse personen en/of hun eigendom en tegen instellingen en religieuze voorzieningen van de Joodse gemeenschap.” In Timmermans woorden is geen onvertogen woord over joden te ontdekken. Hij spreekt over rechts en extreemrechts in Israël, de stromingen die het nu in Israël voor het zeggen hebben.

Als dit de hele definitie was dan was de kous al af. Het wordt problematisch als de IHRA gaat toelichten en voorbeelden geeft. Een voorbeeld van antisemitisme dat niet wordt gegeven en op geen enkele manier in de definitie is te herkennen maar dat volgens het CJO wel antisemitisch is en waaraan Timmermans zich schuldig zou maken, is het joden ervan beschuldigen dat ze de misdaden van de nazi’s herhalen.

De definitie van het IHRA wordt fluïde als ze voorbeelden geeft van antisemitisme: “Er is bijvoorbeeld sprake van een uiting van antisemitisme wanneer de Staat Israël, opgevat als een Joods collectief gegeven, in het vizier wordt genomen. Let wel: een kritische houding tegenover Israël die vergelijkbaar is met de kritiek die wordt geuit tegen gelijk welke andere staat, is niet als antisemitisch te bestempelen.” Timmermans neemt, zoals gezegd rechts en extreemrechts Israël op de korrel en doet dat niet vanwege hun joods zijn maar vanwege de ideeën die ze uitdragen en in de praktijk brengen. Hij neemt een kritische houding tegenover rechts en extreem rechts in Israël aan en die kritische houding is meer dan terecht. Dat die stromingen de regering vormen, doet daar niets aan af. Deze kritische houding is meer dan terecht omdat deze stromingen het kleineren, terroriseren, vermoorden en verdrijven van Palestijnen aanmoedigen en toejuichen en als deelnemers in de Israëlische regering ondersteunen en bedrijven. Hun doel is de Palestijnen te verjagen omdat dit in hun ogen voor het overleven van Israël noodzakelijk is. Precies zoals Timmermans het beschrijft. Een manier van denken en handelen die ook in nazi-Duitsland opgeld deed maar dan met andere slachtoffers, daders en methoden maar met eenzelfde onderliggende redenering.

Sinds het opstellen van die definitie in 2016 is er iets bijzonders gebeurd. In 2018 heeft Israël haar basiswet gewijzigd. Die basiswet is te vergelijken met een grondwet. Sinds dat jaar definieert Israël zich als joodse staat en het ‘historische thuisland van het joodse volk’. Ze benoemde zichzelf, om de woorden van het IHRA te gebruiken tot ‘een joods collectief gegeven’ en wordt volgens dit voorbeeld iedere kritiek op Israël antisemitisme en die kaart speelt de Israëlische regering grif uit.

Dat wordt nog versterkt als het IHRA spreekt over gedaanten die antisemitisme kan aannemen en er voorbeelden worden genoemd. Een van die voorbeelden luidt: “Het huidige beleid van Israël vergelijken met het beleid van de nazi’s.” Op basis van dit voorbeeld zou Timmermans antisemitisme bedrijven. Toch bijzonder dat voor ieder ander land een dergelijke vergelijking gemaakt mag worden, maar niet voor Israël. Israël krijgt zo een status aparte. Het wordt zo het enige land dat nazi-praktijken mag bedrijven zonder dat die als zodanig benoemd mogen worden. Dat is meten met twee maten. Over meten met twee maten gesproken. Ook dat kan antisemitisme zijn als: “van de Staat Israël een bepaald gedrag wordt geëist dat niet van andere democratische naties wordt verwacht of verlangd.” Terecht dat van Israël geen ander gedrag wordt geëist dan van andere staten. Staten moeten hetzelfde worden behandeld. Dit verhoudt zich niet tot de hierboven genoemde status aparte. Gelijk behandelen betekent ook altijd gelijk behandelen.

Het CJO gaat verder en daarmee kom ik bij de ’nooit meer als opdracht voor vandaag’ waarmee Van der Sluis afsluit: “Wat Timmermans met deze uitspraak doet gaat nog verder. Hij ontkent de Holocaust niet, maar doet iets anders: door te stellen dat het “exact dezelfde redenering” is, plaatst hij het mechanisme van de Holocaust op één lijn met het handelen van de Joodse staat. Daarmee verkleint hij de systematische, industriële vernietigingsintentie van de nazi’s en holt hij de morele en historische uniciteit van de Shoah uit. Hij minimaliseert de Holocaust schromelijk.” Timmermans signaleert een denkwijze en redenering bij rechts en extreemrechts in Israël die gelijk is aan de redenering van de nazi’s. Met die constatering doet hij niets af aan de Holocaust noch minimaliseert hij de vernietigingspraktijken van de nazi’s. We weten nu welke denkwijze en redenering tot grote ellende leidt. Als die denkwijze en redenering wordt herkent dan is dat reden voor alarm. Zeker bij iedereen die ‘nooit meer als opdracht voor vandaag ziet’. Timmermans luidt hier de noodklok omdat hij constateert dat rechts en extreemrechts die in Israël aan de macht zijn, denkwijze en redenering van de nazi’s hanteren. En zo op het eerste, en ook het tweede, gezicht heeft hij goede gronden voor het luiden van die bel. De Holocaust was niet het begin van de ellende, dat was de denkwijze en redenering van de nazi’s. De vernietiging volgde veel later.

Het enige verwijt dat je Timmermans kunt maken is dat hij rijkelijk laat is met het luiden van de alarmbel. Rechts en extreem rechts in Israël is al een heel eind op streek met het verjagen, verdrijven en vermoorden van Palestijnen. Toen hij nog Kamerlid en fractieleider van GroenLinks-PvdA was had zijn bel luider geklonken. Timmermans staat daarmee in een Nederlandse traditie van staatslieden die na hun actieve carrière ineens het licht zien en zich inzetten voor zaken die ze als politicus liever lieten lopen.

Uitgelicht

Ideologische bril

Als u dat als beleidsadviseur niet begrijpt, dan hoort u de functie die u nu bekleedt niet te bekleden.” Met die reactie van Peter Elfrink en zijn aanbeveling om wat lessen bedrijfseconomie te volgen, kon ik het doen. Die reactie kreeg ik op een vraag die ik onder een bericht van Mona Keijzer op LinkedIn stelde. Een bijzondere reactie. Bijzonder om meerdere redenen. Keijzer schreef: “Wanneer ondernemers de rekening betalen, betaalt Nederland die ook. Want minder winst, minder belastingopbrengst, minder werkgelegenheid, minder innovatie. De bruggen zakken in. Er is hard geld nodig voor de wegen en bruggen. Dit land heeft duidelijk de verkeerde prioriteiten.” Op mijn vraag aan Keijzer om de relatie tussen winst, belastingopbrengst, werkgelegenheid en innovatie eens uit te leggen, kreeg ik de bovenstaande reactie.

Bron: Flickr

Voordat ik het bijzondere bespreek, moet me eerst iets van het hart. Ik ben het met Keijzer eens dat dit land de verkeerde prioriteiten heeft maar Keijzer is de laatste om anderen dat verwijt te maken. Keijzer kwam in 2012 voor het CDA in de Tweede Kamer. Tussen 2017 en 2021 was ze staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat namens het CDA. Tussen 2024 en 2026 was ze minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening namens de BBB in het kabinet Schoof. Ze zat mee aan de knoppen dus als ‘dit land duidelijk de verkeerde prioriteiten’ heeft, dan moet ze toch echt in de spiegel kijken. Dan heeft ze daar toch behoorlijk wat steken laten vallen. Daar komt bij dat ze een van de promotoren is van de belangrijkste ‘verkeerde prioriteiten’ : de asiel en de stikstof. Beide opgaven zijn uitgeroepen tot een ‘crisis’ om de echte crisis te maskeren: bestuurlijke onwil en onvermogen. Dit even terzijde. Terug naar het bijzondere van de reactie.

Een bijzondere reactie omdat mij altijd is geleerd dat er niets mis is met vragen stellen. Zelfs niet als je het antwoord op de betreffende vraag weet. Als dat niet mag dan horen leraren hun functie niet te bekleden, om Elfrinks woorden te gebruiken. Leraren stellen voortdurend vragen waarop ze het antwoord al weten.

Een bijzondere reactie omdat hoe mensen hun samenleven inrichten geen wet van Meden en Perzen is. De economie is geen motor die draait op de relatie tussen deze vier factoren, zoals Jeroen Koppenaal beweert in zijn bijdrage aan het gesprek onder het bericht. Die vergelijking gaat mank. Voor een motor geldt: als a dan volgt b. Voor de economie geldt dat niet. De economie is dat wat mensen met elkaar doen en daarbij heeft alles invloed op elkaar. Mensen passen hun gedrag aan waardoor b niet automatisch uit a volgt. Er is geen eenduidig antwoord op de vraag die ik Keijzer stel. Het antwoord dat iemand geeft is vooral een kwestie van ideologie. Een marxist geeft een ander antwoord op deze vraag dan een neoliberaal of een libertariër en die geven weer een ander antwoord dan een communitarist of een anarchistisch communist zoals Kropotkin waarover ik recentelijk schreef.

Het grote probleem is dat veel mensen zich niet bewust zijn van de ideologische bril waarmee ze naar de wereld kijken. Dat leidt ertoe dat ze metaforen als de motor gebruiken. Zo raakte ik ook op LinkedIn in gesprek met Marcel Melis, een investeerder zoals hij zichzelf noemt, die zich druk maakt om verhuurders die hun huizen verkopen en om de mogelijke veranderingen in Box 3 van ons belastingstelsel. Melis is, zo zegt hij zelf, een van de huizeneigenaren die hun bezit verkopen. Melis kijkt, naar eigen zeggen: “naar de feiten, niet naar motieven. Minder rendement leidt tot minder investeringen, minder nieuwbouw en minder huuraanbod. De rekening komt uiteindelijk terecht bij de woningzoekende. Dat zijn de feiten.” Want: “zonder rendement gebeurt er niets.” Hij vergeet dat dit vooral feiten zijn binnen een neoliberale marktideologie. Een anarchistisch communist zoals Kropotkin denkt niet in markttermen en rendement. Die stelt het recht op wonen centraal en ziet het als een taak van de gemeenschap om invulling te geven aan dat recht. Die maakt plannen voor de bouw van de benodigde huizen, vraagt de gemeenschap om de kosten ervan te dragen en bouwt die vervolgens. Die maakt zich ook niet druk om de grondprijs omdat de grond van de gemeenschap is en voor de gemeenschap wordt gebruikt. Voor de anarchistisch communist liggen ‘de feiten’ heel anders.

Dat veel mensen zich niet bewust zijn van de ideologische bril die ze dragen en het is meestal een neoliberale, beperkt de keuzemogelijkheden. Zo nam ik enkele jaren geleden deel aan een regionaal ambtenarenoverleg waar de opvang en hulp aan dak- en thuisloze mensen op de agenda stond. De deelnemende gemeente waren niet tevreden over de manier waarop het werd ingevuld. Dat gebeurde via een subsidie aan aan zorgorganisatie.’ Subsidie maakt sturing moeilijk,’ zo werd geconstateerd. Als oplossingsrichting werd aanbesteden voorgesteld. Dan kon er worden geselecteerd op innovatie want daaraan ontbrak het en zouden de gemeente beter kunnen sturen het. Toen ik voorstelde als gemeente de hiervoor benodigde mensen in dienst te nemen en de panden en benodigdheden zelf te organiseren als oplossingsrichting werd ik aangekeken alsof men water zag branden. ‘De gemeente is toch geen hulpverlener’, zo was de teneur. Nu kan ‘de gemeente ‘ alles zijn wat wij willen dat ze is. De andere deelnemers hadden niet in de gaten dat ze de wereld bekeken met de neoliberale ‘New Public Management’ bril op. Sterker, ze waren zich er niet van bewust dat ze ‘een bril droegen’. Dat er andere manieren zijn om naar de wereld te kijken.

Zo is communitarisme geen illusie of utopie. De mens leefde het grootste deel van haar geschiedenis in een of andere vorm van communitarisme. Onze huidige kapitalistische samenleving is vanaf de zestiende eeuw gegroeid. In tegenstelling tot ‘motor metafoor’ is kapitalisme : neither a state of nature nor a process whose internal logic determines its eventual outcome,” zoals Sven Beckert het terecht beschrijft in zijn boek Capitalism. A Global History. Kapitalisme: “is the result of a panoply of political choices and social conflicts, structured in miriad ways by society and state.”1 Kenmerk van het kapitalisme is dat het alles tot een handelsgoed maakt. Door ergens een ‘handelsgoed’ van te maken, wordt de mogelijkheid geschapen eraan te verdienen en zo kapitaal te vergaren. Het belangrijkste waar het kapitalisme een handelsgoed van heeft gemaakt is arbeid. Of we iets, bijvoorbeeld woningen, zien als aan handelsgoed, is een keuze, geen wetmatigheid of automatisme.

Dat is de reden waarom ik Keijzer vroeg naar de relatie tussen winst, belastingopbrengst, werkgelegenheid en innovatie. Een soort vraag die, in mijn ogen, ieder zichzelf respecterende beleidsadviseur zou moeten stellen. Helaas gebeurt dat tegenwoordig maar zelden want ook het gros van de beleidsambtenaren is zich er niet van bewust dat ze een ideologische bril dragen. Ik hoop dat deze Prikker dit verandert. Al is het maar een klein beetje.

1Sven Beckert,Capitalism. A Global History. Eerste citaat pagina 9-10, het tweede pagina 15

Uitgelicht

Productie of consumptie?

Vanuit welk perspectief bekijk je iets? Dat maakt nogal wat uit voor wat je ziet, hoe je dat interpreteert en wat dat vervolgens betekent voor je kijk op de werkelijkheid. Deze vraag kwam bij me op na het lezen van een column van Heleen Mees in De Volkskrant. Een column die eindigt met de volgende zin:Maar zoals een bekende econoom ooit schreef: ‘Productiviteit is niet alles, maar op de lange termijn is het bijna alles’.”

De column behandelt een discussie onder economen over de productiviteitsgroei in Europa en de Verenigde Staten. Conclusie, zo betoogt Mees: “Hoewel Europa de Verenigde Staten de afgelopen decennia heeft kunnen bijhouden in termen van koopkracht – ironisch genoeg dankzij het goedkoper en beter worden van Amerikaanse digitale technologie – blijven de productiviteit en innovatiekracht van de groeisectoren in Europa achter bij die in de Verenigde Staten.” En omdat productiviteit op langer termijn ‘bijna alles’ is, moeten we ons zorgen maken suggereert Mees. En inderdaad in de huidige economische wetenschap is productiviteit bijna alles. Als je koekjesbedrijf productiever is dan dat van de concurrent dan kun jij een goedkoper koekje aanbieden en heb jij werk en je concurrent niet. Ons denken over economie is gebaseerd op groei. Niet vreemd in een door kapitalisme gedomineerde wereld. Kern van het kapitalisme is immers de accumulatie, de groei of toename, van kapitaal. In een dergelijke wereld is productiviteit ‘bijna alles’.

Maar wat als je de wereld beschouwt vanuit consumptie? Als je je ten doel stelt om om zoveel te produceren als nodig is voor eenieders welzijn en dat probeert te bereiken met zo min mogelijk menselijke inspanning? Is een markt met erop concurrerende ondernemers dan nog steeds de beste manier om dat doel te bereiken? Is productiviteit dan nog steeds ‘bijna alles’ of is het dan een manier om de menselijke inspanning te verlagen? Interessante vragen. Vragen die centraal staan in het boek The Conquest of Bread van de negentiende-eeuwse Russische communistische anarchist Peter Kropotkin. Kropotkin werd geboren als prins ineen oudadelijke vooraanstaande Russische familie.

In dit boek uit 1892 beschrijft hij de ideaalwereld die zou moeten ontstaan na de volgende revolutie. Die wereld zou zich kenmerken door het centraal staan van het individu en afwezigheid van een overheid. Iets waar ook de neoliberalen en vooral de libertariërs van dromen. Maar voordat die in juichen uitbarsten: het voor hen heilige en in onze samenleving centraal staande eigendom bestaat niet in Kropotkins wereld. (I)ndividual ownership of the land and the instruments of labour,” ligt aan de basis van ongelijkwaardigheid en uitbuiting: It was the necessary condition for the development of capitalist production .”1 Kropotkins ideaalwereld kenmerkt zich door radicale gelijkwaardigheid van een ieder. In deze wereld is geen plek voor geld en dus ook niet voor loonarbeid. Loonarbeid is, zo betoogt Kropotkin, niets anders dan voortgezet feodalisme. Het is uitbuiting van arm door rijk op een andere manier dan als lijfeigene horige of slaaf.

Waar de revoluties van de achttiende en negentiende eeuw de mist ingingen, zo betoogt hij, was dat ze eigendom in stand hielden en dus ook de ermee gepaard gaande ongelijkwaardigheid. De bezitter kon zijn bezit blijven gebruiken om de bezitsloze uit te buiten. Loonarbeid bleef op een of andere manier in stand en omdat loonarbeid in revolutionaire tijden onzeker was en zelfs wegviel, ontbrak het de revolutionairen na verloop van tijd aan alles en vooral aan voedsel. Dan smoorde de revolutie want al die mooie woorden en verklaringen vulden geen magen en kreeg de contrarevolutie, zij die alles bij het oude wilden laten, de wind in de zeilen. Door bezit af te schaffen en gemeenschappen zichzelf te laten organiseren, zou een revolutie wel kunnen slagen. Dan zouden mensen met elkaar afstemmen wat er nodig was voor welvaart en welzijn voor allen en dat produceren. Dan zou dus de consumptie centraal staat. Want: “Was it not necessity that first drove man to hunt, to raise cattle, to cultivate land, to make implements, and later on to invent machinery. Is it not the study of needs that should govern production? To say the least, it would therefore be quite as logical to begin by considering the needs, and afterwards to discuss how production is, and ought to be, organized, in order to satisfy these needs.”2

En ‘to satisfy these needs, hoeft, zo berekent Kropotkin, iedereen in de leeftijd tussen 18 en 50 maar een uur of vijf per dag te werken. De rest van de tijd kan dan worden besteed aan persoonlijke ontwikkeling. Bijvoorbeeld muziek maken of wetenschap bedrijven. Dit deel van het boek lezend, moest ik aanhet essay Economic Possibilities for our Grandchildren van de econoom John Maynard Keynes denken. Die voorzag dat we in onze huidige tijd aan drie uur werk per dag genoeg zouden hebben om in onze behoeften te voorzien.3 Daar kon hij weleens gelijk in hebben, alleen staat productie centraal in onze maatschappij en niet de behoeften (consumptie). En als productie centraal staat wordt er geproduceerd en moet er altijd meer en sneller geproduceerd worden.

Een interessante gedachte. Zeker met in het achterhoofd de vraag: “Krijgt de mensheid er met de bevolkingskrimp een zoveelste crisis bij? “ die Koen Haegens stelt in een artikel In De Groene Amsterdammer: “De Verenigde Naties rekenen voor het einde van deze eeuw op 10,2 miljard mensen. De Nederlandse bevolking kan, in het uiterste geval dat de netto immigratie naar nul gaat, tegen die tijd gedaald zijn naar 12,7 miljoen.” Met een economisch wereldbeeld waarin groei en dus productie centraal staat, is krimp een ramp. Plaats je consumptie centraal dan ziet de wereld er heel anders uit, dan hoeft er minder gewerkt te worden om welvaart en welzijn voor iedereen te bereiken en houden we dus meer tijd over voor zaken die we leuk vinden, voor de eigen ontwikkeling en ontplooiing.

Bijkomend voordeel van het afschaffen van eigendom is ook dat het intellectuele eigendom, de patenten, wordt afgeschaft. Dat zou de innovatie wel eens een enorme boost kunnen geven. Zeker voor de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie zou dit een zegen kunnen zijn omdat de technologie dan van iedereen is en niemand er belang bij heeft die zo in te richten dat anderen er de dupe van zullen zijn. Daarmee is ook het probleem dat Pieter Klok in zijn Commentaar in de Volkskrant constateert opgelost en dat is dat: “Innovatie en arbeidsproductiviteitsgroei laten zich moeilijk afdwingen van boven.” Dan komt innovatie en de groei van de productiviteit te goede aan iedereen. Groeiende productiviteit betekent dan minder tij besteed aan arbeid en dus meer voor persoonlijke ontwikkeling.

1Peter Kropotkin,The conquest of Bread, pagina 30

2Peter Kropotkin,The conquest of Bread, pagina 169-170

3John Maynard Keynes, Economic Possibilities for our Grandchildren,pagina 5

Uitgelicht

Weten zonder kennen

“Ik hou er niet van om leed te vergelijken. Overal gebeuren altijd vreselijke dingen.” Schrijft Phaedra Haringsma bij De Correspondent i naar aanleiding van een reactie van een lezer op haar artikel. Haringsma vraagt zich in haar artikel af: “wat is herstel precies, en hoe ziet het eruit? “Immers: “Dat blijkt de trillion dollar question, waarop bewustwording en betalingen maar een deel van het antwoord zijn.” De lezer plaatst wat vraagtekens bij dat herstel want: “er is zoveel onrecht geweest in het verleden,” en: “Ik ben er niet zo zeker van dat slaven (vooral huisslaven) het altijd slechter hadden dan de landarbeiders in Zeeland of de sloppenbewoners van Amsterdam in de 19e eeuw.” Interessante vragen waarop het antwoord alleen maar via ‘leedvergelijking’ is te geven.

Haringsma is niet van de leedvergelijking: “Maar vanwege uw vergelijking met Zeeland en Amsterdam, waar slavernij verboden was, vind ik het nodig om Anton de Koms passage uit 1934 met u te delen: ‘Claas Badouw, directeur van de plantage La Rencontre, beschuldigde zijn slaaf Pierro ten onrechte een poging gedaan te hebben hem te vergiftigen. Pierro werd in het kookhuis gebracht, waar men hem de tien vingers en de tien tenen afhakte met een scherpe beitel. Vervolgens dwong men hem deze op te eten. Badouw nam daarop zelf een mes en sneed een oor van de slaaf af, dat hij eveneens op moest eten. Toen sneed de blanke gentleman met een scheermes Pierro’s tong af en gelastte hem deze in te slikken. Stervende van de pijn stamelde Pierro met het stompje van zijn tong enkele klanken. Badouw geraakte hierdoor in een zodanige woede, dat hij met een nijptang ook het overige stuk van zijn tong uitrukte. Men bracht Pierro vervolgens naar de kade van de rivier, bond hem aan een oude tentboot vast en poogde hem levend te verbranden door droge kantras in brand te steken. Daar de kantras geen vlam wilde vatten, gaf Badouw het bevel om de arme slaaf los te maken, goed te geselen en hem levend in een kuil te begraven, hetgeen dan ook volgens de orders van deze beschavingsbrenger is geschied. Als enige straf werd Badouw als directeur ontslagen en uit het land verbannen.’”

Iedereen die dit leest zal oordelen dat de behandeling die Pierro kreeg gruwelijk was. Dit is echter geen historische vergelijking. Want waarmee wordt de behandeling van Pierro vergeleken? Niet met de manier waarop de landarbeiders in Zeeland of de sloppenbewoners in Amsterdam werden behandeld. Haringsma geeft een anekdote maar wat zegt dit ene geval over de behandeling van slaven? Handelt de behandeling van Pierro wel over de omgang met slaven? Dat Pierro een slaaf was, wil niet zeggen dat de behandeling die hij kreeg kwam vanwege die hoedanigheid. Pierro werd door zijn eigenaar beschuldigd van een poging tot vergiftiging (moord). Wat zien we als we de behandeling van Pierro vergelijken met de omgang met van misdaad verdachte personen? Nu is mij niet precies duidelijk in welke tijd Pierro werd mishandeld en dat maakt een goede vergelijking lastig. Pierro was slaaf en dan moet het voor 1863 zijn geweest.

Op twee maart 1757 wordt Damiens veroordeeld tot ‘openbare schuldbelijdenis voor het hoofdportaal van de Notre-Dame van Parijs: daarheen zal hij worden gevoerd, gereden op een kar, slechts gekleed in een hemd, met een brandende, twee pond zware toorts in zijn hand’ Daarna: ‘ op genoemde kar, en op een schavot dat op de Place de Grève is opgericht, zal met tangen het vlees van zijn borst, zijn armen, dijen en kuiten worden gerukt; zijn rechterhand met daarin het mes waarmee hij de vadermoord heeft begaan, zal met brandende zwavel worden verschroeid; de plekken die met de tangen zijn bewerkt, zullen met gesmolten lood, kokende olie, gloeiende spiegelharsen een mengsel van gesmolten zwavel en was worden overgoten; zijn lichaam zal vervolgens door vier paarden uiteen getrokken en in stukken gereten worden, zijn romp en leden door vuur verteerd en zijn as in de wind verstrooid.” Met deze passage opent Discipline, toezicht en straf. De geboorte van de gevangenis van Michel Foucault. Damiens was Robert-François Damiens. De ‘vadermoord’ die hij had begaan bestond uit een mislukte aanslag op het leven van koning Lodewijk XV. Het mes dat Damiens had gebruik om op de koning in te steken was amper door de zware kledij van de koning gedrongen. Dat de Franse koning het slachtoffer was, zal hebben meegewogen in de strafmaat. Dat maakt dat dit voorbeeld niet maatgevend is voor straffen in de achttiende eeuw.

Voor een meer algemeen beeld het volgende. In die achttiende eeuw, en ook de eeuwen ervoor, bestond het strafproces uit een verhoor. Nee dat bestond niet uit een rechercheur die je een kopje koffie aanbood en vervolgens verschillende keren op een andere manier naar hetzelfde vroeg. Dat bestond uit een ‘tortuur’ of te wel een foltering met als doel om je een bekentenis af te dwingen. Je werd en soms ook echt letterlijk op de pijnbank gelegd. Na die bekentenis kreeg je een straf opgelegd. Als dat nog nodig was want geregeld overleefde iemand het verhoor niet. Die strafoplegging kon bestaan uit, van licht naar zwaar: de schandpaal, geseling, brandmerking, verminking (het afhakken van ledematen, het uitsteken van ogen. Hierbij werd vaak ‘oog om oog’ toegepast) en als laatste de doodstraf (via verwurging, onthoofding). Het tortuur werd in de Republiek in 1798 afgeschaft. Lijfstraffen (met uitzondering van geseling) werden in Nederland pas in 1854 afgeschaft.

Zonder slavernij of de bestraffing van misdadigers te plaatsen in haar historische context vel je op basis van je huidige referentiekader een oordeel over een fenomeen in het verleden. Alleen als je handelingen van onze voorouders in hun tijd beziet, kun je erover oordelen en kun je begrijpen waarom ze handelden zoals ze handelden. Daarvoor moet je ‘leed vergelijken’. ‘Leed vergelijken’ of zoals de filosoof R.G. Collingwood het noemt ‘her-denken’. Collingwood wilde het verleden begrijpen. Begrijpen, niet om er onvermijdelijke wetmatigheden in te ontdekken en zo de toekomst te voorspellen. Nee, hij wilde begrijpen waarom mensen in het verleden handelden zoals ze handelden. Voor Collingwood is alle geschiedenis, geschiedenis van denken, van gedachten. Hoe dat werkt? Collingwood: “De historicus van de filosofie probeert bij het lezen van Plato te weten wat Plato dacht toen hij zichzelf in bepaalde woorden uitdrukte. De enige manier waarop hij dat kan doen, is door het zelf te denken. Dit is in feite wat we bedoelen als we spreken van het ‘begrijpen’ van de woorden. Zo probeert de historicus van de politiek of oorlogvoering die een verslag van bepaalde handelingen van Julius Caesar onder ogen krijgt, deze handeling te begrijpen, dat wil zeggen door te ontdekken welke gedachten in Caesars geest hem ertoe brachten ze te verrichten. Dit houdt in dat hij voor zichzelf de situatie onder ogen ziet waarin Caesar zich bevond en voor zichzelf te denken wat Caesar omtrent de situatie dacht en de mogelijke manieren om zich ermee in te laten. De geschiedenis van gedachten en daarom alle geschiedenis, is de heropvoering van verleden gedachten in de eigen geest van de historicus.”1

Zonder een leedvergelijking zoals de betreffende lezer het voorstelt, kun je niet oordelen over het verleden. Zonder de bestraffing van Pierro in de context van de tijd waarin ze plaatsvond te bezien, is een oordeel over die behandeling niet mogelijk. Hetzelfde geldt voor de behandeling van slaven. Ook die moet je bezien in haar tijd en dus in bijvoorbeeld de verhouding tot de manier waarop er naar arbeid en de arbeidsverhoudingen werd gekeken. Zo werd loonarbeid eeuwenlang als onvrije arbeid gezien, als slavernij in een iets andere vorm. Alleen als je echt geen andere keus had dan verhuurde je jezelf voor loon. Want als je voor loon werkte dan was je van de ‘baas’. Die kon je geselen als je in diens ogen niet hard genoeg werkte of iets verkeerd deed. Zonder leedvergelijking weet je iets maar ken je niets.

1R.G. Collingwood, The idea of history, pagina 215 (vertaling Van der Dussen, Filosofie van de geschiedenis. Een inleiding, pagina 147)

Uitgelicht

‘Fouten’ uit het verleden herhalen

“Er moest veel gebeuren om die teruggaven daadwerkelijk te laten plaatsvinden, er moest veel veranderen om alleen al het bestaan van inheemse Amerikanen te erkennen, na decennia van uitwissing en geïnstitutionaliseerd vergeten die waren gevolgd op eeuwen van genocide.’,” Aldus Rebecca Solnit in een artikel bij De Correspondent. In het artikel wordt beschreven hoe een gebied van 190 hectare ten noorden van San Francisco wordt teruggegeven aan vertegenwoordigers van de oorspronkelijke bewoners van het gebied. ‘Laten we dat ook in Nederland gaan doen’, was het eerste wat mij te binnen schoot.

Nu hoor ik jullie schreeuwen; ‘in Nederland is het land toch van de inheemsen?’ Daarbij wordt iets vergeten. Hetzelfde wat met de grond van de inheemsen in de VS is gebeurd, is ook in Nederland en de rest van Europa gebeurd en gebeurt nu nog in Afrika en Azië. Dat gebeurde wordt met een Engelse term enclosure genoemd. Letterlijk omheining, het zetten van een hek om grond. En die grond die werd omheind was gemeenschappelijke grond. Grond die mensen van een dorp gezamenlijk gebruikten om te overleven.

Wachten op het kanonschot van de Oklahoma Land Rush.Bron: Pinterest

Gemene of gemeenschappelijke gronden speelden gedurende lange tijd een belangrijke rol in het leven en overleven van onze voorouders. Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de “gebruiksgerechtigden”. Bijvoorbeeld de inwoners van een dorp of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruik maken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of een andere functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het gebruik van de gemene gronden naast hun eigen kleine stukje grond zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot.

Gemene of gemeenschappelijke gronden, in het Engels Commons, kwamen in 1968 weer in de belangstelling met een artikel van de Amerikaanse ecoloog Garraty Hardin. Een artikel met als titel The Tragedy of the Commons. Hierin geeft Hardin zijn verklaring voor het verdwijnen van die gemene gronden. Hardin gebruikt hier het voorbeeld van een stuk weidegrond dat door de plaatselijke herders wordt gedeeld. De weide heeft een beperkte omvang en er kunnen dus slechts een beperkt aantal schapen op grazen. Overbegrazing zorgt ervoor dat de hele weide onbruikbaar wordt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Een schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever een schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn een schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is uitputting onvermijdelijk. Herder A, en met hem de andere herders, zit vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt. Het welbekende prisoners dilemma zorgde er dus voor dat de gemene gronden verdwenen.

Iedere herder maakt, volgens Hardin, de enige rationele keuze vanuit de individuele positie. Maar bekijk je het vanuit het totaal dan handelen ze allemaal irrationeel. Ze verwoesten zo immers de weide die hen voedt. Echter, Hardin veronderstelt dat de gebruikers van de gemene gronden deelnamen aan het economisch verkeer van vraag en aanbod en dat ze allemaal streefden naar meer inkomen. Dit op een manier die vergelijkbaar is met de tijd waarin Hardin zijn artikel schreef. Hij kijkt met zijn bril (zijn en de huidige kijk op de wereld) naar het verleden en dat is meestal niet de bril die men in het verleden droeg. Voor veel van onze voorouders was de wereld niet veel groter dan de streek waarin zij woonden. In die streek probeerden zij te overleven en dat deden zij voor het overgrote deel door in hun eigen behoeften te voorzien. Zij produceerden niet voor de markt en waren niet bezig met inkomen vergaren laat staan rijk worden. Overleven lukte hen onder andere door het gebruik van de gemene gronden. Het gebruik van de gemene gronden was goed gereguleerd in het gewoonterecht. Dit voorkwam, zo daar al aanleiding toe was, misbruik en vooral over gebruik van deze gronden.

Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet wilden veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren (en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren). De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele enclosure acts. Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten ze graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg. Op het eerste oog een positief iets. Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud. Die kant wordt door Karl Polanyi treffend omschreven: “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.”1 Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er zo voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en maakte zo de industriële revolutie mogelijk.

Ik heb hier voornamelijk de Engelse situatie beschreven, die is het best gedocumenteerd. In andere landen op latere tijdstippen gebeurde iets soortgelijks op verschillende manieren. In de Verenigde Staten eigende de overheid zich via Appropriation Acts de grond toe en gaf die vervolgens op verschillende manier in eigendom van particulieren. Een voorbeeld hiervan is de Oklahoma Land Rush van 1889. Toenmalig president Benjamin Harrison verklaarde op dat 22 april 1889 om twaalf uur ‘s middags het ‘niet toegewezen land’ zou worden geopend voor vestiging. Op dat moment klonk een kanonsschot en stoven mensen het land in om het te claimen. Voor stripliefhebbers, het Lucky Luke album De trek naar Oklahoma handelt over deze gebeurtenis.

Ook in Nederland, net als in de rest van Europa, werden gemeente gronden op een of andere manier particulier. In het ene deel van Nederland, het gebied tussen de rivieren, gebeurde dit eerder dan in de zandgronden. Bij het inpolderen van land gebeurde het meteen. Eerder of later, de gevolgen waren hetzelfde als in de VS, de inheemsen werden van hun land verdreven.

Door het wegvallen van die gemeenschappelijke gronden, viel de mogelijkheid om in hun eigen levensbehoeften te voorzien weg. Voor hen restte niets anders dan zich als ‘loonslaaf’ te verhuren. Eerst als zzp-er avant la lettre door naast het bebouwen van hun eigen kleine stukje land, te spinnen of weven voor een koopman. Met de industrialisering viel ook dit weg en restte niets anders dan hun stukje land te verkopen, naar de stad te trekken en zich aan te sluiten bij het proletariaat en loonarbeider worden. Loonarbeid werd eeuwenlang als onvrije arbeid gezien, als slavernij in een iets andere vorm. Andere tijd, ander land hetzelfde mechanisme. Enige verschil met de VS is dat hier de ‘inheemsen ’ werden verdreven door ‘inheemsen’. In de Verenigde Staten wordt nu dus grond teruggegeven. Trouwens niet alleen in de Verenigde Staten ook in Nederland wordt grond teruggegeven aan ‘inheemsen’ zoals Natuurmonumenten of het Limburgs Landschap om de natuur te versterken. Alleen het gebruiksrecht is veranderd naar recreatief.

Dat kun je toejuichen maar realiseer je dan dat hetzelfde mechanisme nog steeds werkzaam is. Ik vrees dat deze geschiedenis ‘institutioneel’ maar ook ‘niet-institutioneel’ is vergeten. Dat is jammer omdat ‘inheemsen’ nog steeds van ‘grond’ worden gejaagd. Dat die grond wordt ‘omheind’ met als doel om het tot een product te maken en de opbrengst ervan in de zakken van individuen te laten verdwijnen. ‘Inheemse’ maar vaak ook nog steeds ‘uitheemse’ individuen. Daar waar grote bedrijven die op fabrieksmatige wijze agrarische producten voor de wereldmarkt willen produceren, grote gebieden opkopen van de overheid en zo de kleine lokale boeren verdringen die deze grond vaak al generaties lang in gebruik hadden. Die rest dan niets anders dan naar de steden te trekken en daar proberen te overleven. Ook dit leidt tot een stijging van de productie en een toename van armoede en vaak ook honger. Want ook hier wordt met name voor de wereldmarkt geproduceerd en verkocht aan de best betalende en dat is meestal een buitenlandse partij. De laatste jaren wordt dit nog versterkt door het opkopen van gronden en bossen ter compensatie van koolstofdioxide uitstoot. Naomi Klein geeft een goede beschrijving van deze ontwikkeling in haar boek No Time, verander nu voor het klimaat alles verandert.2 En niet alleen om landbouw op te bedrijven, ook de grondstoffen in de bodem toe te eigenen of een mooie kuststrook toeristisch te vermarkten. Maar ook door het toe-eigenen van kennis over de geneeskrachtige eigenschappen van planten en deze te patenteren. De meest recente vormen van ‘enclosure’ betreft het vermarkten van onze gemeenschappelijke data en het gebruik van alles wat de mensheid heeft geproduceerd, wellicht ook deze Prikker, om algoritmen voor artificiële intelligentie te trainen. Dit zonder daarvoor een vergoeding te betalen maar er wel flink geld mee te verdienen. Nu heb ik er niets op tegen dat mensen mijn schrijfsels gebruiken om hun eigen brein of een algoritme te trainen. Ik heb er wel moeite mee dat zij vervolgens geld aan mij vragen voor het resultaat van hun werk.

Ik hoop dat deze Prikker bijdraagt aan het, al dan niet institutioneel, vergroten van de kennis van het ‘omheinen’ van gemeenschappelijk bezit. Want het teruggeven van 180 hectare grond aan de oorspronkelijke bewoners van dat stukje Californië is mooi. Voorkomen dat er over honderd jaar iets terug moet worden gegeven aan bijvoorbeeld inheemse Cambodjanen lijkt mij effectiever.

1Karl Polanyi, The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time, pagina 37

2 Naomi Klein, No Time. Verander nu, voor het klimaat alles verandert. Pagina 246 – 259

Uitgelicht

Een middagje fröbelen

De ingekorte procedure van de ind is dan ook niet zomaar een technische ingreep om zijn straatje schoon te vegen. Het past in een ontwikkeling waarbij rechters verantwoordelijk worden gemaakt voor de dingen waar de politiek vanaf wil. Zozeer zelfs dat de ind zich al op voorhand afmeldt voor de rechtszaken die komen.” Dit concluderen Doris Janssen en Sascha Pimentel in een artikel in de Groene Amsterdammer. Een stevige conclusie maar niet stevig genoeg. In een recente prikker betoogde ik dat er bij het asielbeleid sprake is van rationele irrationaliteit. Dat er beleid wordt gemaakt en maatregelen genomen die binnen het denkframe van de makers rationeel zijn maar die tot irrationale resultaten leiden, namelijk tot een samenleving die in groepen uiteenvalt terwijl het doel is om segregatie tegen te gaan. Die resultaten leiden tot boosheid, radeloosheid en fanatisme en dat de Wildersen, De Vossen, Markuszowers en Keijzers van tegenwoordig die boosheid, de radeloosheid en het fanatisme opstoken voor eigen gewin. De nieuwe plannen van de IND waar De Groene Amsterdammer over schrijft, getuigen nog steeds van dezelfde rationele irrationaliteit. Maar het gaat nog verder: de regering zet de sloophamer in de fundamenten van de rechtsstaat.

Die recente Prikker was een derde in een reeks over het asielvraagstuk. In de eerste toonde ik aan dat VVD-fractievoorzitter Brekelmans maar de halve waarheid vertelt en het deel dat niet in zijn kraam te pas komt verzwijgt. In de tweede bekritiseerde ik de prioriteiten die er met betrekking tot asiel worden gesteld. Zo wordt er veel tijd besteed aan ‘het sneller ongewenst verklaren’ van criminele asielzoekers. Dit terwijl de echte problemen die de asielketen verstoppen niet worden aangepakt.

In die eerste twee Prikkers schreef ik dat de IND er nu gemiddeld 97 weken over doet om een besluit te nemen. Dit terwijl de wet er een termijn voor stelt van 26 weken. Dit is een belangrijke reden waarom er zoveel opvangplekken voor asielzoekers nodig zijn. Volgens de nieuwe plannen gaat die beslistermijn terug naar twee weken. De oude procedure is te rigide en gedetailleerd, aldus Sander Kalwij van de IND: “Die was tot in de puntjes vastgelegd in de wet’. Wij wilden meer flexibiliteit.” De aanpassingen behelzen onder meer dat de asielzoeker zelf zijn aanvraag via een tablet indient. Een prachtige vinding. Probleem is alleen dat als de aanvragers van asiel een beetje op de Nederlander lijken, dan hebben ongeveer 3 miljoen mensen in de leeftijd tussen 17 en 75 beperkte basisvaardigheden voor wat betreft, lezen, schrijven en digitale vaardigheden. Dit ondanks het feit dat (bijna) iedereen in Nederland tot en met het zestiende levensjaar onderwijs heeft gevolgd. Dat kan niet worden gezegd van de landen waar de asielaanvragers vandaan komen. Of dan ‘zelf invullen op een tablet’ de beste manier is om een aanvraag in te dienen, is uiterst twijfelachtig.

Als tweede wordt het aantal gesprekken (de zogenaamde gehoren) met de IND teruggebracht van twee naar één. In zo’n gehoor moet de aanvrager onderbouwen waarom hij of zij gevaar loopt in het land van herkomst. Ook wordt de voorbereiding van het gehoor, dat bestond uit voorlichting door Vluchtelingenwerk en begeleiding door een asieladvocaat net als de medische controle om te zien of de aanvrager medisch wel in staat is tot het voeren van zo’n gesprek, geschrapt. Zaken die juist waren toegevoegd om zorgvuldigheid van de procedure te verbeteren. Dat is vragen om ellende. Het gaat dus zo worden dat de aanvrager op kantoor komt bij de beslismedewerker van de IND. Alleen weet de aanvrager niet wat de rol en functie van die medewerker is, wat het doel van het gesprek is, wat er van hem of haar wordt verwacht, welke zaken meegenomen moeten worden als mogelijk bewijsmateriaal enzovoort. Dit moet ertoe leiden dat er binnen twee weken op een aanvraag wordt beslist. Om dat te kunnen halen, moet het ‘voornemen’ worden geschrapt. Het voornemen is dat de beslisser de aanvrager verteld wat het besluit gaat worden en op basis van welke informatie. Mocht de informatie niet kloppen of er aanvullende informatie zijn, dan kon die nog worden ingebracht en dat zou tot een ander besluit kunnen leiden. Dat is vragen om ellende.

Wie het niet eens is met het krakkemikkig genomen besluit, kan de gang naar de rechter maken. Die zal de IND eerst op de vingers tikken omdat ze de wettelijke procedure niet heeft gevolgd. De Algemene wet bestuursrecht, en dan vooral artikel 4:7, verplicht de overheid om, voordat een aanvraag geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, de aanvrager in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen als de afwijzing steunt op gegevens over feiten en belangen die de aanvrager betreffen, en die gegevens afwijken van gegevens die de aanvrager ter zake zelf heeft verstrekt. De rechter zal hieraan toetsen en zal concluderen dat er geen sprake is van een besluit als bedoeld in het vierde hoofdstuk van de Algemene wet bestuursrecht. Hij zal de IND de opdracht geven om eerst maar eens een besluit te nemen volgens de juiste procedure.

Als de IND dan in tweede instantie wel een besluit heeft genomen volgens de wettelijke procedure en het komt weer voor de rechter, dan zal de rechter gaan bekijken of de aanvrager wel voldoende op de hoogte is van wat er in de verschillende stappen van het proces van hem of haar wordt verwacht. Of de aanvrager wel in (medisch) staat was voor een ‘gehoor’. De asieladvocaat zal de rechter hierop attenderen als dat in de ogen van hem of haar niet het geval was. De kans is dan groot dat de rechter het genomen besluit nietig verklaart en de IND opdraagt om de zaak nog maar eens opnieuw te beoordelen en het gehoor opnieuw te voeren.

“Of als een asielzoeker ons wil attenderen op iets dat we niet goed hebben onderzocht, of met een document komt dat we niet hebben betrokken,” dat gesprek kan volgens Kalwij best in de rechtbank worden gevoerd. “Veel mensen zien het als een stap terug, maar wij denken dat het meer snelheid brengt. Wij hoeven gewoon een stap minder te doen.” Ja, de IND vraagt een ander om die stap voor haar te zetten. Iemand anders moet het werk doen. De IND gaat, zo zegt ze, dossiers die aan de rechter worden voorgelegd nog eens goed beoordelen op het goed beargumenteren van de afwijzing. Mocht dat niet het geval zijn, dan trekt de IND de beslissing in. Alleen hebben de rechtbank en de asieladvocaat dan wel al tijd en energie in de zaak gestopt.

Het afschaffen van het voornemen was al lang een wens van ons. Geen enkel ander EU-land heeft een voornemen,” zo betoogt Kalwij. Dat geen enkel land het heeft, is geen reden om het af te schaffen. Net zoals een ‘wens’ van de uitvoeringsdienst geen reden is om iets af te schaffen. Dan toch even voor Kalwij, de IND en het kabinet: jullie kunnen het voornemen niet afschaffen. Jullie moeten de wet volgen en de wet met betrekking tot overheidshandelen is de Algemene wet bestuursrecht en het erin opgenomen ‘voornemen’. Wat jullie willen kan alleen als jullie die wet aanpassen. Dat kan, maar dat heeft grote gevolgen voor alle overheidsbesluiten. Daarmee wordt zorgvuldigheid van besluiten geofferd. Maar geofferd voor wat? Afschaffing van dit artikel zal leiden tot een flinke toename aan bezwaren en dus veel meer werk voor de rechterlijke macht.

De IND zal bij veel van die rechterlijke zittingen verstek laten gaan. Dat doet ze nu ook al niet maar dat zal met meer zittingen alleen maar vaker voorkomen. Gevolg hiervan is dat de voorgang van een zaak bij bij de rechter wordt gefrustreerd omdat vragen aan de IND niet direct worden beantwoord. “De rechter kan dan bijna niet anders dan de zaak weer terugsturen naar de ind,” zo lees ik in het artikel, waarna het nog een keer bij de rechter komt. De rechter zou er natuurlijk ook voor kunnen kiezen om in zo’n geval de bezwaarmaker in het gelijk te stellen dat de aanvraag onterecht is afgewezen en dus de aanvrager de verblijfstatus te geven.

De uitvoerende macht verzaakt haar werk en wil dat de rechtsprekende macht dat verzaken oppakt. De uitvoerende macht wil zich niet aan de door de wetgevende macht opgestelde wet houden en de kans is groot dat een flink deel van de wetgevende macht het daar ook nog mee eens is. Hier wordt de sloophamer gezet in de fundamenten van onze rechtsstaat. Rechtsstaten zijn er grofweg in twee soorten. In de Rule by Law vorm en in de Rule of Law vorm. Wat de beide vormen gemeen hebben is dat de wet centraal staat. Waarin ze verschillen is dat in de Rule of Law rechtsstaat ook de overheid zich aan de wet moet houden en je een overheidsbesluit door de rechter kunt laten toetsen. Nederland kent een Rule by Law rechtsstaat. Maar dat was niet altijd het geval. Dat is een traject geweest wat jaren heeft gekost. Afwijkingen van regels hebben de neiging om ‘regels’ te worden. ‘Dat ene geval’ wordt een precedent waarop in een volgend geval een beroep wordt gedaan en zo raken we van de regen in de drup. De regering wil die kant en zet onze Rule by Law rechtsstaat op het spel vanwege een, om oud-premier Schoof aan te halen, ‘gevoelde crisis’ opgeofferd.

Dezelfde ratio die tot de huidige irrationele situatie heeft geleid, wordt nog steeds gevolgd. De resultaten zullen irrationeel zijn en nog schadelijker dan ze nu al zijn. En de Wildersen, De Vossen, Markuszowers, Keijzers en ik voeg er ook maar de Eerdmansen aan toe, zullen in hun handen knijpen want de reeds gezaaide boosheid, de radeloosheid die ze voor eigen gewin hebben opgestookt, kunnen ze verder blijven opstoken en onze samenleving zal verder uit elkaar vallen.

“‘We hebben een middag op het ministerie bij elkaar gezeten over wat er sneller en beter kon. Daarna hebben wij een ontwerp gemaakt dat al snel is overgenomen.” Ik weet niet met wie Kalwij die middag samen zat, maar als dit het resultaat is, dan is deelname aan dat middagje fröbelen reden voor ontslag.