Uitgelicht

Homerun

In The loudest Voice de serie over het leven van Roger Ailes de oprichter van Fox News, sprak een van zijn medewerkers over een homerun. De rol van Ailes wordt gespeeld door ‘gladiator’ Russell Crowe. Al zul je qua fysiek weinig gelijkenis zien tussen Crowe als generaal Maximus Decimus Meridius en Crowe als Ailes. Een homerun, de sensatie voor iedere slagman of -vrouw in het honk- en softbal.

Honkbal, Derde Honk, Spelen Op Derde, Duiken In Derde
Bron: pixabay

Uw ballonnendoorprikker wacht als softbalrecreant bij de Venlose Mustangs nog altijd op die sensatie. In mijn geval betekent dat ‘wachten tot ik een ons weeg’, zoals mijn moeder het zou zeggen. Ondanks alle pogingen van mijn teamgenoot Eric om mijn slagtechniek te verbeteren, zal dat er niet inzitten. Als ik de bal goed raak dan gaat hij best ver, maar nooit zo ver dat ik hem over ‘de hekken’ sla. En omdat mijn verre ballen meestal een flinke boog kennen, zijn ze in het buitenveld makkelijk te vangen. Dat weet ik dan weer vanuit mijn ervaring in het buitenveld. In tegenstelling tot sommige anderen, probeer ik het dan ook maar niet meer en probeer ik de bal strak te slaan in een gat tussen het binnen- en het buitenveld. Dat is meestal voldoende om het eerste honk te halen en dat is het begin tot een punt. De medewerker van Ailes had het echter niet over een homerun bij het honkbal. Hij gebruikte homerun als metafoor.

Voordat ik begin aan die andere homerun eerst even iets over Ailes. Ailes richtte midden jaren negentig met steun van de Australische mediatycoon Rupert Murdoch, Fox News op. Nu doet het woord News vermoeden dat het om een nieuwszender gaat, maar dat is niet wat Ailes voorstond. Ailes richtte een propagandakanaal op voor een rechts conservatieve boodschap. De serie laat zien dat hierbij de journalistiek en de feiten hooguit bijzaak zijn. Hooguit want vaak waren ze zelfs volledig afwezig. En in zo’n laatste geval komt de metafoor homerun ter sprake.

Ailes zag Obama als een ramp voor de Verenigde Staten en begon een oorlog tegen Obama en zijn regering. In die strijd richtte Ailes zijn aandacht op een door de regering gesubsidieerde instelling die voor hem een doorn in het oog was. Hoe verwijder je die ‘doorn’? Dan start je een lobby en probeer je de regering er met argumenten van te overtuigen dat de wereld erbij gebaat zou zijn als die ‘doorn’ wordt verwijderd. In dit geval dat de regering de subsidie stopzet.

Ailes deed het op een andere manier. Hij verklaarde de oorlog aan Obama en startte de strijd met het verspreiden van lasterlijke bericht over de organisatie die kant nog wal raakten. Geheel naar de uitspraak van de oud Griekse schrijver Aischylos: “In een oorlog sneuvelt de waarheid als eerste.” Die berichten werden opgepikt door conservatieve activisten op het internet. Die zorgden voor zoveel beroering en aandacht, dat serieuze media er aandacht aan gingen besteden. Dit leidde er vervolgens toe dat de regering onder druk van al die media de subsidie aan de organisatie stopte. Een ‘homerun’ volgens de medewerker. Door de inspanningen van Ailes en de zijnen werd het eerste honk bereikt. De internetactivisten zorgden ervoor dat het tweede honk werd bereikt waarna de serieuze media ervoor zorgden dat het derde honk werd bereikt. Toen de regering de subsidie stopte werd de thuisplaat bereikt: de ‘doorn in het oog’ was verwijderd.

Nu is Ailes niet de eerste die de kracht van de leugen gebruikte. De communicator van het ‘Dritte Reich’, Joseph Goebbels wist op dit gebied ook van wanten en ging nog een stapje verder dan Aischylos: ‘Wanneer je een grote leugen vertelt en deze vaak genoeg herhaalt, dan zullen de mensen hem uiteindelijk geloven.’ Ailes blijkt een goed leerling. Een leerling die middelen zoals de ‘online fabeltjesfuik’ zoals, Arjen Lubach het noem, ter beschikking heeft waar Goebbels alleen maar van kon dromen. 

De manier waarop Ailes opereert lijkt verdacht veel op de manier waarop de president Trump het Amerikaanse verkiezingsproces verdacht probeert te maken. Hij staat ‘aan slag’ en slaat een leugen ‘fraude met poststemmen’ het veld in. De leugen wordt opgepikt door zijn volgers op internet en door het Fox News van de inmiddels overleden Ailes. Vervolgens wordt de verdachtmaking voorgezet middels allerlei rechtszaken waarmee het ‘derde honk’ wordt bereikt waarna, zo was en is zijn bedoeling, zijn republikeinse vrienden in cruciale staten de verkiezingen ‘ongeldig’ verklaren en zelf de kiesmannen aanwijzen. Nu is dit niet vreemd omdat, als we de serie mogen geloven, Ailes achter Trumps kandidatuur voor het presidentschap en de slogan Make America Great Again zit.

Een bijzondere metafoor waaraan ik moest denken bij het lezen van een artikel in de Volkskrant met als titel Hoe de aandacht voor kindermisbruik verknoopt raakte met complottheorieën. Een artikel waarin enkele ‘influencers’ aan het woord komen: “Er is iets gaande. Ik denk niet dat het gaat om vrijheid of gezondheid. Het gaat om controle.” Woorden die wijzen op een ‘complot’ van de ‘elite’ die ‘het gewone volk’ eronder wil houden. Het wordt nog erger, want ze hebben ‘ontdekt’ dat er ook nog iets is met kindermisbruik waarbij de ‘politieke elite kinderen seksueel zou misbruiken in satanische rituelen’. Je zou denken dat vier jaar nadat er een Amerikaan met een wapen in de hand een pizzarestaurant in Washington DC kinderen uit de kelders wilden bevrijden terwijl het pand geen kelder had, deze hoax verleden tijd zou zijn. Niets is echter minder waar. De hoax verspreidt zich via het internet over de wereld. En nu besteedt een serieuze krant als de Volkskrant ook nog bijna een complete pagina aan mensen die in dergelijke complotten geloven. Complotten die het wantrouwen in de overheid aantasten. De serieuze media besteden aandacht aan de ‘leugenloper’. En de homerun ligt binnen handbereik omdat, zo is in het artikel te lezen: “half oktober een motie van de SP, GroenLinks en PvdA om onderzoek te doen naar ‘de aard en omvang van georganiseerd sadistisch misbruik van kinderen’, door de gehele Tweede Kamer aangenomen.” De weg naar de thuisplaat is ingezet en alleen de catcher kan een homerun voorkomen. En iedere honk- en softballer weet dat de catcher de laatste verdediger is. Wordt de bal gemist, valt de bal, wordt de loper te laat getikt of komt de bal te laat, dan is het punt binnen.

Dat de Kamer een motie met die strekking aanneemt, is te begrijpen. Immers als je tegenstemt laad je de verdenking op je dat het ‘sadistisch misbruik van kinderen’ je niet aan het hart gaat of zelfs erger. Het probleem ligt ervoor, de motie had nooit ingediend moeten worden. Dat wil niet zeggen dat politie en justitie geen onderzoek moeten doen naar kindermisbruik. In tegendeel, daarvoor zijn zij mede op aarde. Maar daar moeten we het ook bij laten. Dergelijke moties bevestigen de wanen van mensen. De Kamer, tenminste het gros van haar leden, zal deze motie steunen in de verwachting dat het onderzoek het verhaal van ‘politieke satanisch kindermisbruikende elite’ zal ontkrachten. Alleen is de schade al aangericht. De motie bevestigt de ‘complotdenkers’ in hun denken en de uitkomst van het onderzoek zal dat ook doen. Het onderzoek zal niets opleveren maar, zo zullen de complotdenkers redeneren, wat wil je, als ‘de slager zijn eigen vlees keurt’? Immers, aldus de wijsheid van Goebbels, als de leugen maar genoeg wordt herhaald, dan wordt ze vanzelf waar.

Nu zijn journalisten sinds Pim Fortuyn bang dat ze iets missen wat leeft onder het volk en komt ‘het gewone volk’ geregeld aan het woord in kranten en tv-programma’s. ‘Wanen en complotten’ onder ‘het volk’ kunnen we echter missen als kiespijn. Het verschil tussen een prettige open samenleving en barbarij is dat in de eerste, waarheden zijn gebaseerd op feiten. In de tweede, doen feiten er niet toe en is waarheid relatief. Journalisten vervullen een belangrijke rol in de ‘bewaking’ van die prettige open samenleving. Om in honkbal termen te spreken, ze vervullen de cruciale positie van korte stop. Een alerte speler met als belangrijke taak om de bal snel te verwerken, naar de juiste plek te werpen en indien nodig het tweede of derde honk over te nemen om de loper uit te maken. Zouden journalisten zoals Emma Curvers en Hessel van Piekartz niet beter na moeten denken en tot tien moeten tellen alvorens aandacht te besteden aan de wanen van deze ‘influencers’?

Zouden ze niet beter de werkelijke problemen waarmee ‘het volk’ worstelt onder de aandacht kunnen brengen en die met mogelijke oplossingen van het tweede naar het derde honk begeleiden? Problemen zoals betaalbare huisvesting door een pleidooi te houden voor het ‘nationaliseren van woningcorporaties’ en vervolgens flink te investeren in betaalbare huurwoningen. Problemen zoals de inkomensonzekerheid door bijvoorbeeld het idee van een basisinkomen of liever nog een basisgift te onderzoeken op voor- en nadelen. Met andere woorden in plaats van in de waan van de dag mee te gaan in de wanen van een klein deel van het volk, aandacht besteden aan de werkelijke noden van ‘het volk’? Of om in honkbaltermen af te sluiten: door zelf een (positieve) homerun te slaan in plaats van mee te gaan in een negatieve van mensen als Ailes?

Uitgelicht

‘De bedoeling van het kapitalisme’

Volgend jaar in maart zijn er weer verkiezingen voor de Tweede Kamer. Alle partijen bereiden zich hierop voor. Bij die voorbereidingen hoort ook het schrijven van een verkiezingsprogramma. De ene partij , zoals de PVV van Wilders in 2017, doet dat met een A-viertje met wat losse kreten, de andere stelt een boekwerk samen. De VVD behoort tot de laatste groep. Het nieuwe verkiezingsprogramma is net geen honderd pagina’s dik. Voor een Ballonnendoorprikker zijn die programma’s een feest. Een feest omdat ze aanknopingspunten bieden om wat spelden in een ballon te prikken.

Bron: WikimediaCommons

Ik hoefde niet veel te lezen om een aanleiding te vinden. Sterker nog, de eerste zin vraagt al om wat spelden. “Het ging weer goed met Nederland.” Met die woorden begint het boekwerk om te vervolgen met: “Na een zware financiële crisis vonden steeds meer mensen een baan, stegen de lonen en daalden de belastingen. Op allerlei internationale lijstjes van waar mensen het meest welvarend, gelukkig, gezond en vrij waren stond Nederland in de top.” Nu meen ik me toch te herinneren dat er in geen tijden meer zoveel is geprotesteerd en gedemonstreerd als in 2019. Het klimaat baarde zorgen en leidde tot protesten om maatregelen te nemen. De voorgestelde maatregelen leidden weer tot protesten en boosheid bij boeren en bouwers. De leraren, de verpleegkundigen en de politieagenten klaagden over de vervallen staat van de publieke zaak. De affaire rond de kinderopvangtoeslag werd in volle omvang duidelijk en leidde tot een onderzoek naar alle uitvoerende diensten. Omdat er ook ‘affaires’ waren bij de Sociale Verzekeringsbank en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Je zou zomaar kunnen beweren dat het juist niet goed ging. Maar deze laat ik voor nu even passeren.

Ik wil het nu hebben over een zin bovenaan op de zevende pagina onder het kopje Hoe blijven we rechtvaardig? Daar is het volgende te lezen: “De overheid zal de rafelranden van het kapitalisme actief bij moeten schaven om ervoor te zorgen dat onze liberale markteconomie werkt zoals het kapitalisme bedoeld is.” Nu zul je je afvragen wat er zo bijzonder is aan deze zin. Wellicht ben je zelfs blij dat de VVD eindelijk erkent dat er geschaafd moet worden aan de, zoals de partij het noemt, ‘rafelranden van het kapitalisme.’ En ja, het doet ook mij deugd dat de VVD dat erkent. Toch is er iets met die zin. De reden waarom er, volgens de VVD geschaafd moet worden is, dat ‘onze liberale markteconomie’ moet werken ‘zoals het kapitalisme bedoeld is’.

Een bijzonder woord, de bedoeling. Theo Maassen besteedt er een paar minuten aan in zijn voorstelling Functioneel naakt. Wat is de bedoeling van iets? Meestal bepaalt degene die iets uitvind de bedoeling ervan. Zo beoogt de Ballonnendoorprikker, en beogen is een ander woord voor bedoelen: “kromme redeneringen en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak te stellen, door te prikken en de lezer aan het denken te zetten.”  Dat een uitvinder een bedoeling heeft met iets, is echter geen garantie dat de uitvinding ook ‘als bedoeld’ wordt gebruikt. Neem John Smith Pemberton. Wie? Zul je zeggen. Zelfs als deze naam je niets zegt, dan nog ken je zijn uitvinding. Pemberton is namelijk de geestelijk vader van coca cola de meest bekende frisdrank van de wereld. Hij vond het drankje echter niet uit als frisdrank. Pemberton was op zoek naar een pijnstiller, een geneesmiddel. Hij was gewond geraakt in de Amerikaanse burgeroorlog en door die wond verslaafd aan morfine. Hij zocht naar een ander middel dan het verslavende morfine en dat werd coca cola. Coca cola is niet het enige product dat anders wordt gebruikt dan de uitvinder het bedoelde. De uitvinders van viagra waren op zoek naar een middel tegen angina pectoris ook wel hartkrampen genoemd.

Terug naar het kapitalisme en de vermeende bedoeling ervan. De uitspraak in het VVD verkiezingsprogramma is bijzonder. Bijzonder omdat het kapitalisme kennelijk een bedoeling heeft. Dat er ooit iemand is geweest die het ‘kapitalisme’ uitvond en erbij zei: ‘en dit is de bedoeling ervan’. Nu kun je zoeken tot je een ons weegt, een ‘uitvinder’ van het kapitalisme zul je niet vinden. Wat je wel vindt, zijn mensen die over kapitalisme schreven. Mensen die de situatie in hun tijd beschreven en die dat wat ze zagen de naam ‘kapitalisme’ gaven. Die mensen schreven over wat wij nu ‘economie’ noemen en wat de Van Dale omschrijft als: “het geheel van de financiële voorzieningen, de handel en industrie van een land.” Ze schreven over iets wat ze zagen, gaven het een naam en kenden er een ‘bedoeling’ aan toe. En nog steeds zijn er mensen die dit doen. Alleen komen de ‘bedoelingen’ die ze eraan geven niet altijd overeen.  Zo ziet de ‘vader van de economie’ Adam Smith, een heel andere bedoeling dan Karl Marx. Hun ‘bedoeling’ is afhankelijk van hun kijk op de samenleving. Of om het anders te zeggen: de bedoeling die zij het kapitalisme geven, is afhankelijk van de bedoeling die zij met hun werk hebben.

Bedoelingen met iets heb je voordat je aan iets begint. Waarschijnlijk bedoelt de VVD dat de ‘liberale markt economie’ moet werken zoals zij vinden dat het ‘kapitalisme het bedoeld heeft’? Bijzonder is dan wel dat de VVD sinds 1977 bijna onafgebroken heeft gewerkt aan ‘kapitalisme zoals het niet was bedoeld’. Sinds dat jaar heeft de VVD, afgezien van een korte periode 1981-1982 en een iets langere periode tussen 2007 en 2010, permanent geregeerd. Trouwens vanaf 1945 tot 1977 zat de VVD meer dan de helft van de tijd in de regering. Heeft de partij al die tijd gewerkt aan iets wat niet de bedoeling was?

Uitgelicht

Goden, profeten, heiligen en mensen

Het zal jullie niet ontgaan zijn dat er een petitie is gehouden om het beledigen van profeten strafbaar te stellen. Die petitie is meer dan 120.000 keer ondertekend en speelde een belangrijke rol in een volledig ontspoort Kamerdebat over de vrijheid van meningsuiting. Dat Kamerdebat ging over van alles, behalve over de inhoud van de petitie. Over de commotie wil ik het niet hebben. Ook niet over het grondwettelijke: “recht verzoekschriften bij het bevoegd gezag in te dienen,” zoals artikel 5 van de Grondwet het omschrijft. Ik wil het over de inhoud hebben.

Psychics, Crystal Ball, Waarzegster, New Age, Rondje
Bron: Pixabay

Het recht om een verzoek in te dienen heeft iedereen, dus ook een oproep aan de overheid om: “het beledigen van de profeet (zelfs alle profeten) strafbaar te stellen.” Dit omdat het, volgens de opstellers en ondertekenaars van de petitie: “een tekort aan fatsoen (is) en leidt ook nog eens tot maatschappelijke spanningen alsook het structureel beledigen van moslims.” Het fatsoen en het beledigen van mensen in het algemeen, laat ik passeren. Het gaat mij puur om het verzoek om het: “beledigen van de profeet (zelfs alle profeten) strafbaar te stellen.”

Een discussie over het strafbaar stellen van beledigen van de profeet moet gaan over de vraag wat we strafbaar stellen als de petitie in een wet wordt vertaald. Wat mag dan niet meer? In dit geval dus het beledigen van ‘de profeet (zelfs alle profeten). Voordat we een antwoord geven op die vraag, moet eerst duidelijk zijn wie of wat een profeet is. Aangezien we in Nederland wonen en leven, is het eerste boek dat we hiervoor moeten raadplegen, het woordenboek. De Van Dale geeft twee betekenissen. Als eerste: “een door God geïnspireerd heilig man.” Nu lopen er veel door welke god dan ook geïnspireerde mensen rond. Het lijkt mij niet dat we alle aanbidders van welke god dan ook niet meer mogen beledigen.

Het kernwoord in deze betekenis is ‘heilig’. Daarom maar weer de Van Dale geraadpleegd. Vier betekenissen. Het wordt er daarmee niet makkelijker op. Dat is niet erg want als de geschiedenis ons iets leert dan is het dat we mensen met ‘simpele oplossingen’ moeten wantrouwen. De eerste betekenis van heilig is: “zonder zonde; rein, volmaakt.” Wie is er zonder zonde? Niemand als ik de twee gereformeerde docenten mag geloven waarover ik in mijn vorige Prikker schreef want iedereen is: “op de één of andere manier van Gods doel afgeweken.” Immers wat gods doel is, wordt door de aanhangers ervan zelden tot nooit eenduidig uitgelegd. Daarom kennen de grote godsdiensten ook zoveel verschillende stromingen.

Wellicht biedt de tweede betekenis van heilig aanknopingspunten: “eerbiedwaardig, verheven.” Nu zijn er zeer veel mensen die op een of andere manier boven anderen uitsteken. Zo steekt Usain Bolt boven iedereen uit omdat hij de snelste mens over honderd meter is. Alleen weten we dat niet zeker, want vroegere hardlopers, liepen niet onder dezelfde omstandigheden en met dezelfde materialen als Bolt. Bovendien konden we het gros van het menselijk bestaan op aarde de tijd niet meten en zeker niet zo nauwkeurig als tegenwoordig. Dus we weten niet zeker dat er niet ergens iemand heeft geleefd die sneller was dan Bolt. Napoleon stak boven alle andere veldheren uit. Tenminste in zijn tijd. Hoe hij het zou hebben gedaan tegen Dzjengis Khan, Caesar of Alexander de Grote zullen we nooit weten. Verheven zijn is daarmee arbitrair. Net zoals trouwens ‘eerbiedwaardig’. Want over wie eerbied waard is, kunnen we enorm van mening verschillen.

De derde betekenis van heilig is “heilig verklaard”.  Met daarbij “rooms-katholiek” en als toelichting: “als paus een uitspraak doen waardoor iemand in het vervolg als heilig wordt vereerd.” Als we deze verklaring volgen dan bepaalt de paus in Rome wie er heilig is en dus wie we niet mogen beledigen. Nu heeft de katholieke kerk een verleden waarin mensen die in iets anders geloofden, werden vervolgd en gedood. Daarmee zou ik het laten bepalen wie mag worden beledigd niet graag bij de paus laten.

Als laatste geeft de Van Dale: “onkreukbaar, onverbreekbaar,” als betekenis van heilig. Onze wereld kent veel rechtschapen en integere mensen, want dat is wat onkreukbaar betekent. Al zullen ook die allemaal wel eens een moment van zwakte hebben en, zoals de beide gereformeerde docenten uit mijn vorige Prikker het schreven, ‘van gods doel afwijken.’

Daarmee zijn de betekenissen van ‘heilig’ uitgeput en zijn we nog geen stap dichter bij het bepalen van wie een profeet is. Niet dichterbij omdat iedereen en niemand profeet kan zijn. Wellicht biedt de tweede betekenis van profeet betere aanknopingspunten: “iemand die de toekomst voorspeld.” Ah, Nostradamus en Karl Marx zijn profeten. De een voorspelt met zijn kwatrijnen, als je zijn aanhangers moet geloven, de toekomst. De andere ‘ontdekte’ de wetmatigheid in de geschiedenis die ons zal leiden naar een paradijs op aarde. Maar hoe zit het dan met economen en andere sociale wetenschappers die met hun modellen de toekomst voorspellen? En nog een stapje verder: de ‘glazenbollen voorspellers’ op kermissen en in de nachtelijke tv-uren?

Ook met de tweede betekenis van ‘profeet’ komen we niet verder. Die betekenis maakt het er ook niet makkelijker op om te bepalen welke profeten dan tegen belediging moeten worden beschermd door een wet. Als het niet lukt in het algemene, dan maar het bijzondere? De indieners van de petitie hebben één profeet in het bijzonder op het oog, ze spreken immers niet voor niets van ‘de profeet’. Nu is het vreemd om alleen die profeet te vrijwaren van beledigingen en niet profeten van andere religies. Dus iedere religie mag één profeet aandragen? Dat wordt dan een heel lange lijst. Want wie bepaalt wat een religie is en wie mag vervolgens bepalen wie die ene profeet is die namens die religie op de lijst moet? Bovendien word je te pas en te onpas toegeroepen dat je in jezelf moet geloven. Ik zal mezelf er dan ook maar meteen voor aanmelden. Als ‘diep gelovige in mezelf’, zie ik mezelf als een ‘belangrijk profeet’ voor mezelf. Nee, mezelf aanmelden lijkt mij geen goed idee. Ik ga mezelf niet ‘heilig’ verklaren.

In het verlengde daarvan wordt het onmogelijk om een wet aan te nemen die ‘profeten’ beschermt tegen belediging. Immers over tot de ‘profeten’ gerekend moeten worden, kun je hele (vooral heilige, al kan ik dat woord slecht plaatsen in dit kader) oorlogen voeren. Ik weet niet of we daarbij gebaat zijn. Ik vraag me trouwens af waarom fervente aanhangers van welk ‘almachtig opperwezen’ met bijbehorende profeten dan ook, bescherming zoeken bij de wetgever? Als dat opperwezen werkelijk almachtig is, zou dat dan niet voor de eigen belangen kunnen opkomen? Zou dat opperwezen bescherming nodig hebben van de aardse wetgevers en van aardse ‘rechtvaardigheidsridders’ die in naam van dat ‘opperwezen’ straffen? Sterker nog, als er werkelijk zo’n ‘almachtig opperwezen is’ zou dat dan niet ook de ‘beledigers’ die niet geloven aan een touwtje hebben? Zouden de ‘beledigende niet gelovigen’ geen middel kunnen van het almachtige opperwezen? Een middel om de kracht en het geloof van de gelovigen te testen. Om te testen of ze de barmhartige uitgangspunten van het geloof ook toepassen op ongelovigen?

Uitgelicht

God en vrijheid

 Ja. Dat is het korte en simpele antwoord op de vraag die G. van Veldhuizen en A. Heemskerk aan het eind van hun artikel in Trouw stellen. De auteurs zijn docenten in het voortgezet onderwijs en werken op een school met een reformatorische grondslag. De vraag waarop ja het antwoord is, luidt: “Als wij God en Zijn Waarheid maar mogen houden.” Jullie mogen ‘God en zijn Waarheid’ houden. Net zoals iedere andere persoon het recht op een eigen god met bijbehorende waarheid, of alleen een eigen waarheid mag hebben en houden. Ik vraag me af of de beide auteurs vinden dat mensen ook zonder god hun waarheid mogen hebben. Het lijkt erop alsof zij god boven de wet plaatsen. En vervolgens de wet vanuit hun god uitleggen.

God, De Heer, Oorlog, Harmonie, Verschijning
Bron: Pixabay

Ze schrijven: “Godsdienst is God dienen. Hem op de eerste plaats zetten.” Tot zo ver niets bijzonders. Iemand zonder god hoeft god niet op de eerste plaats te zetten. Dat wordt het als ze hun betoog vervolgen en van het individuele naar het algemene gaan: “Het spreken over ‘vrijheid van godsdienst’ kan alleen binnen die context.” Beweren de beide auteurs dat spreken over godsdienstvrijheid alleen kan door god te dienen en hem op de eerste plaats te zetten? Betekent dit dat iemand die geen god aanhangt geen godsdienstvrijheid heeft? Dat is wel een heel bijzondere uitleg van godsdienstvrijheid.

Nu is het eigen aan gelovigen dat ze de wet van hun god het allerbelangrijkste vinden: die moeten ze volgen. In een land waar iedereen dezelfde god aanhangt en dat ‘aanhangen’ ook op eenzelfde manier doet, kan ‘godswet’ ook de ‘landswet’ zijn. Dat wordt alleen heel erg lastig in een land als Nederland waar mensen wonen die verschillende goden aanhangen en een heel grote groep zelfs geen god aanhangt. Trouwens niet alleen worden er verschillen goden aangehangen. Ook de aanhangers van eenzelfde god, hangen die op verschillende manieren aan. Als in zo’n land ieder de regels van zijn eigen god volgt, dan wordt het een puinhoop.

Onze grondwet bepaalt in artikel 6 in het eerste lid de godsdienstvrijheid: “Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” En in tegenstelling tot de dienst aan god, bepaalt dit artikel de context van de godsdienstvrijheid. Het artikel bepaalt dat iedereen zijn eigen god mag dienen maar dan wel binnen de door de overheid gestelde wetten. God, en vooral zijn aanhangers in dit land, hebben zich aan de wet te houden. Of zoals het in de toelichting op dit artikel staat: Het artikel staat toe dat de wetgever bepaalde ontoelaatbare gedragingen, ook indien die een uiting zijn van godsdienstig of levensbeschouwelijk belijden, strafbaar stelt.” Wat ontoelaatbare gedragingen zijn, bepaalt de wetgever, niet god of zijn vertegenwoordigers op deze aardkloot. Haat zaaiende en tot geweld oproepende dominees, pastoors, rabbijnen en imams kunnen worden aangepakt en kunnen zich niet verschuilen achter hun god.

“Als wij vrijheid van godsdienst hebben, mogen individuele ouders kiezen voor een school waar hun overtuiging vrij uitgedragen wordt. Nederland is geen dictatuur van de meerderheid.” Zo vervolgen ze hun betoog. Inderdaad is Nederland geen dictatuur van de meerderheid. Trouwens ook niet van de minderheid. En ja, ouders mogen zelf een school voor hun kind kiezen waar hun overtuigingen uitgedragen worden. Ik laat hier bewust één woord weg dat de beide auteurs wel gebruiken, namelijk het woord ‘vrij’. Overtuigingen mogen, zo zagen we hierboven, worden uitgedragen binnen de grenzen van de wet. Die wet begrenst het ‘vrij uitdragen’ van geloofsovertuigingen.

En dan komen we bij de aanleiding voor hun artikel: “Onze scholen zijn in het nieuws gekomen omdat homoseksualiteit daar afgewezen zou worden. Daar wordt veel omheen gedraaid, maar laten we maar even duidelijk zijn: dat klopt en dat wist iedereen allang.” Volgens de beide auteurs is dit geen discriminatie: “Wij wijzen namelijk nooit één enkele groep af, wij wijzen steeds weer zowel onszelf als ook alle anderen af, omdat we allemaal op de één of andere manier van Gods doel afgeweken zijn.” En daarom zien ze: “geen andere mogelijkheid dan om homoseksualiteit af te wijzen op grond van de Bijbel, maar op grond van datzelfde Woord wijzen we evenzogoed een kerkgang af die alleen maar vanuit gewoonte is, omdat die dan geen liefdedienst is.” Een bijzonder redenering: we discrimineren niet als we homo’s afwijzen omdat we iedereen afwijzen inclusief onszelf. Alsof er niet een verschil is tussen iets wat een keuze is, kerkgang uit gewoonte, en iets wat geen keuze is, homoseksualiteit. Dat de gereformeerde god homoseksualiteit afwijst en dat de beide auteurs dat ook doen, staat hen vrij. Dat zijn hun persoonlijke opvattingen. En een dominee mag dat zelfs vanaf de kansel prediken.

Dit afwijzen wordt echter een probleem als het op scholen wordt onderwezen in andere dan de godsdienstlessen. Het wordt dus een probleem als schoolbesturen dit afwijzen. Het staat scholen niet vrij te onderwijzen wat zij willen. En artikel 23 van de grondwet dan, dat regelt toch de vrijheid van onderwijs? Hoor ik al mensen roepen. Dat artikel wordt inderdaad gekoppeld aan de ‘vrijheid van onderwijs’. Dat is echter iets anders dan de ‘vrijheid om te onderwijzen wat je wilt’. Die vrijheid is er niet. Het eerste lid van dit artikel luidt niet voor niets: “Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.” In het tweede lid wordt die ‘zorg’ nader toegelicht: “Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.” Deze zorg betreft alle scholen. Openbare scholen moeten hierbij ‘ieders godsdienst of levensovertuiging eerbiedigen’ en bijzondere scholen, zoals de gereformeerde school van de beide auteurs, moeten voldoen aan ‘eisen van deugdelijkheid’. En die eisen worden door de wetgever bepaald. Als de wetgever bepaalt dat mensen afwijzen op basis van seksuele geaardheid niet mag, dan mogen scholen dat ook niet. Dan moeten zelfs de beide auteurs die homoseksualiteit afwijzen, onderwijzen dat het afwijzen van iemand op basis van zijn geaardheid niet mag.

Uitgelicht

Identiteit en de opdracht van het onderwijs

NEE. Nee? Ja, nee! Nee, atheïsme hoeft dan niet de voorgeschreven identiteit te worden van alle scholen. Dat is het korte antwoord op de vraag die hulpbisschop Rob Mutsaers in een artikel in de Volkskrant stelt. In mijn vorige Prikker schreef ik ook over dit artikel en concentreerde ik mij op de vrijheid van meningsuiting die voor iedereen geldt, maar niet voor een minister. In het artikel echter nog een bijzondere passage: “Verlos het onderwijs van religie’, aldus Bert Wagendorp. Moet dan het atheïsme dwingend de voorgeschreven identiteit van alle scholen worden? Hoe neutraal is dat?”  Met het antwoord op deze vraag begon ik.

File:Kinderen krijgen onderwijs in de school van het koninklijk Deens ballet, Bestanddeelnr 252-9215.jpg
Bron: WikimediaCommons

Bijzonder om de hulpbisschop het pleidooi voor het behoud van het bijzonder onderwijs te zien onderbouwen met een beroep op het begrip ‘identiteit’. Bijzonder omdat hij in zijn artikel, naar mijn mening terecht, betoogt dat identiteitspolitiek de dood in de pot is. Dit omdat mensen tegen elkaar worden opgezet. Zouden op ‘identiteit’ gebaseerde scholen daar dan niet een bijdrage aan leveren? Nu is ‘identiteit’ een bijzonder begrip. Ik schreef er eind vorig jaar een uitgebreide Prikker over. Het kwam er in het kort op neer dat ‘identiteit’ een verhaal is om mensen te binden. Maar dat wat mensen bindt, sluit anderen uit. En het wordt een probleem als mensen die verhalen zwaar en serieus nemen. In die Prikker citeerde ik Kwame Anthony Appiah omdat ik zijn opvatting over identiteit bijzonder waardevol vind: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” En daarmee kom ik weer terug bij de vraag van Mutsaers en mijn antwoord. Nee, atheïsme moet niet de ‘dwingend voorgeschreven identiteit’ van alle scholen worden. Wat dan wel? Misschien wel niets, is mijn antwoord. Misschien is het wel aan te bevelen om scholen in het geheel geen ‘identiteit’ te laten hebben?

Geen katholieke, protestantse, joodse, islamitische scholen. Nee allemaal openbare scholen. En nee, op die openbare scholen wordt niet ‘het atheïsme gepredikt’. Op die scholen krijgen onze kinderen wereldoriëntatie waarbij ze kennis maken met alle manieren waarop mensen naar de wereld kunnen kijken. Al die manieren worden op eenzelfde manier gebracht en wel zo dat ze de leerling uitnodigen om zelf na te denken. Om kritische vragen te stellen en de wereld om hen heen ter discussie te stellen. Scholen waar ze leren de kinderlijke nieuwsgierigheid te koesteren zodat ze steeds die ‘waarom-vraag’ blijven stellen waar je als ouder soms moe van wordt.

Sterker nog, en dan kom ik bij een interview van Samira Bouchibti in de Volkskrant, wereldoriëntatie moet het enige doel van het onderwijs zijn. Bouchibti: “Leerlingen moeten zich leren uiten … We moeten ze sociaal weerbaar maken, leren discussiëren. Hoe kom je met elkaar in gesprek? Hoe laat je iemand uitpraten? Hoe zeg je op een respectvolle manier dat je het niet eens bent met de ander?” Zij brengt dit in praktijk in de gastlessen die ze op scholen verzorgt. Terecht concludeert Bouchibti: “Scholen zouden veel meer tijd aan burgerschap moeten besteden. Met twee uurtjes maatschappijleer per week red je het niet. Burgerschap moet een thema worden dat verweven zit in het hele onderwijs, niet alleen in geschiedenis en maatschappijleer. Tijdens Nederlands kun je een boek pakken over de vrijheid van meningsuiting. De wiskundeleraar kan er een Arabische wiskundige bij pakken, zodat leerlingen niet denken dat alle Arabieren terroristen zijn.”

Zouden we niet nog een stap verder moeten gaan dan ‘burgerschap’ tot een thema maken? Moet ‘Burgerschap’ of zoals ik het hierboven noemde, wereldoriëntatie, niet hét doel of met andere woorden de maatschappelijke opdracht van in ieder geval het primair en voortgezet onderwijs worden? Niet zoals nu op de site van de PO-raad is te lezen: “Van scholen wordt meer en meer verwacht dat zij niet alleen maar lesgeven en leerlingen voorbereiden op de arbeidsmarkt, maar ook aandacht besteden aan bijvoorbeeld sociale problemen en gezondheidsissues.”  ‘Voorbereiden op de arbeidsmarkt’ suggereert dat arbeid de belangrijkste bezigheid van een mens is. Daar werd vroeger heel anders over gedacht. Neem de oude Grieken, voor hen begon het leven pas echt als je niet hoefde te werken. Ook de katholieken van bisschop Mutsaers dachten er anders over, je bent immers op aarde om god te dienen en daardoor in de hemel te komen.

‘Voorbereiden op de arbeidsmarkt’ klinkt een beetje hetzelfde als de ‘oude afspraak’ die Karl Marx zag tussen de kapitalist en de pastoor: ‘hou jij ze dom, dan hou ik ze arm.” Iets wat ook de filosofe Martha Nussbaum constateert in haar pamflet Not for Profit  waar zij de ‘armoede van het onderwijs’ aan de kaak stelt. Volgens haar is het onderwijs gericht op het verkeerde doel: “Hongerig naar winst, verwaarlozen landen en hun onderwijssystemen vaardigheden die nodig zijn om de democratie levend te houden. Als die trend doorzet, produceren landen van over de hele wereld generaties van bruikbare machines in plaats van complete burgers die zelf kunnen denken, tradities bekritiseren en die het belang inzien van andermans lijden en prestaties. De toekomst van de democratie staat op het spel (eigen vertaling). Nussbaum schreef dit pamflet in 2010. Als we de ontwikkelingen in democratische landen bekijken, zie de Verenigde Staten, dan lijkt die toekomst waar Nussbaum zich zorgen over maakt nu voor de deur te staan. Trouwens niet alleen in de Verenigde Staten, ook in Nederland wordt het normale bijzonder gemaakt waardoor het bijzondere wordt genormaliseerd zoals ik in een recente Prikker schreef.

‘Van scholen wordt verwacht dat de natuurlijke nieuwsgierigheid van kinderen stimuleren en hen begeleiden bij hun ontwikkeling naar nieuwsgierige, (zelf)kritische volwassenen.’ Zou dat niet de maatschappelijke opdracht van het onderwijs moeten zijn? Zou onze democratie en in het verlengde ervan onze samenleving daar niet bij gebaat zijn? Zou de ‘arbeidsmarkt’ trouwens niet ook beter van worden van nieuwsgierige kritische medewerkers? Want is nieuwsgierigheid niet de belangrijkste motor achter innovatie en ontwikkeling?

Daarom scholen zonder ‘identiteit’. Scholen zonder identiteit omdat die het risico vergroten dat, om Appiah te parafraseren, mensen zich vastbijten in één verhaal wat het risico om onnodige polarisatie tussen groepen vergroot.

Uitgelicht

De persoon, de minister en de opvattingen

“Waarom geldt voor Slob en de zijnen niet de vrijheid van meningsuiting?” Die vraag stelt hulpbisschop Rob Mutsaerts in een artikel in de Volkskrant. Dit naar aanleiding van Slobs later schielijk ingetrokken uitlating dat christelijke scholen ouders een verklaring mogen laten tekenen waarin ze homoseksualiteit afwijzen. In het artikel redeneert Mutsaers op bijzondere wijze.

Bron: WikimediaCommons

De hulpbisschop houdt een tirade tegen identiteitspolitiek. Identiteitspolitiek is, zo citeert hij Wikipedia: “het bedrijven van politiek vanuit de sociale identiteit van een bepaalde groep en de door deze groep gedeelde ervaring van maatschappelijk onrecht.” En dat is, zo beweert hij, de dood in de pot: “Identiteitspolitiek wordt bedreven op grond van huidskleur, seksuele oriëntatie, afkomst en geslacht. Er valt niks te kiezen. Het wordt je kwalijk genomen als je er een gesprek over wil aangaan. Ja, de mate van schuld is hooguit onderwerp van gesprek, maar tegenspraak wordt niet geduld. Een discussie wordt bij voorbaat de nek omgedraaid: terstond wordt de discriminatiekaart getrokken. Je mag er gewoon niet genuanceerd over denken.” Nu kan ik mij daar goed in vinden. Of het nu de op het giftige intersectionele denken gebaseerde identiteitspolitiek van BIJ1 is, of de op ‘eng nationalisme’ gebaseerde variant van de PVV en het FvD of welke andere variant dan ook. Ze zetten om Mutsaers woorden te gebruiken: “mensen alleen maar tegenover elkaar.” Want van welke kant ook, aanhangers van identiteitspolitiek houden: “er eenzelfde soort redenering op na: een verbeten strijd die eist dat iedereen zich aan hun opvatting onderwerpt.” Tot zover kan ik hem goed volgen. En ook in zijn conclusie dat: “Het gezamenlijk verdedigen van de grondwet van onze democratische rechtsstaat,” de enige toekomst bestendige optie is.

Dan maakt hij de sprong naar minister Slob. Mutsears: “ Van minister Arie Slob wordt geëist dat hij zich conformeert aan de heersende seculiere opvatting. Hij mag zich niet beroepen op de Bijbel.” De identiteitspolitiek is daaraan debet, zo betoogt hij. En daarmee komen we bij de vraag of voor Slob en de zijnen de vrijheid van meningsuiting niet geldt.

Het antwoord op die vraag is: JA, Slob en de zijnen mogen, net als ieder ander mens, een eigen mening hebben en die mag best zijn dat christelijke scholen zo’n verklaring mogen vragen. Slob en de zijnen mogen dat. Waar zit dan het probleem? Het probleem is dat dit niet geldt voor de minister van onderwijs. Een minister, en niet alleen die van onderwijs, heeft geen eigen mening. Zij spreken en handelen namens de overheid. Bij dat spreken en handelen moeten ze zich aan de wet houden. De verklaring die Slob eerst geen probleem vond, staat op gespannen voet, en is waarschijnlijk strijdig met de wet. De wet verbiedt immers discriminatie en zo’n verklaring heeft discriminatoire kanten. “Wat christenen overigens prima kunnen onderscheiden is de persoon en zijn opvattingen,” schrijft hij iets verderop in zijn betoog. Trouwens bijzonder knap dat hij meent dat alle christenen dit kunnen. Hij zelf lijkt geen onderscheid te kunnen maken tussen de persoon Slob en de minister Slob. Als privé persoon en zelfs als politicus mag Slob dat vinden en ook uiten. Hij is echter ook minister en de minister mag dat niet. Slob werd er als minister om gevraagd en dan moet hij het ministeriele antwoord geven. Als hij dat niet kan of wil, moet hij aftreden. Zo werkt de op onze grondwet gebaseerde democratische rechtsstaat.

Uitgelicht

Het bijzondere normaal

Het zal niemand ontgaan zijn dat er in de Verenigde Staten presidentsverkiezingen zijn gehouden. Het zal ook niemand zijn ontgaan dat de ene kandidaat, Joe Biden, volgens de regels van het spel gewonnen heeft. Het zal ook niemand zijn ontgaan dat de andere kandidaat, zittend president Donald Trump, zijn nederlaag niet lijkt te erkennen. Het zal ook niemand zijn ontgaan dat die verkiezingen mensen verleiden tot zeer bijzondere redeneringen. Bijzondere maar ook gevaarlijke. Neem Robert Raupach bij Opiniez.

Schrijfmachine, Papier, Bericht, Woord, Verkiezingen
Bron: Pixabay

Raupach: “Gevierd voormalig burgemeester van New York, Rudy Giuliani, werd zaterdag tijdens een persconferentie geconfronteerd met het feit dat de grote Amerikaanse medianetworks Biden al snel als winnaar hadden aangewezen. Terecht wees hij de aanwezige reporters erop dat niet de nieuwsmedia een winnaar uitroepen, maar officiële instanties dat behoren te doen.” Hij heeft gelijk, officiële instanties moeten de winnaar aanwijzen en niet nieuwsmedia. Dus een redelijke opmerking. Alleen lijkt hij hier te suggereren dat er iets bijzonders gebeurd terwijl het niet afwijkt van andere verkiezingen. Neem de verkiezingen van 2016. De nieuwsmedia riepen Trump uit tot winnaar en twee dagen later zat de president-elect al in overleg met de toenmalige president Obama. Op dat moment hadden de officiële instanties Trump nog niet tot winnaar uitgeroepen. Dat gebeurt in de Verenigde Staten altijd geruime tijd na de verkiezingen. Pas dan komen de kiesmannen in de verschillende staten bijeen en bepalen wie in die staat heeft gewonnen en pas dan wordt de uitslag officieel. De manier waarop Giuliani en in zijn verlengde Raupach het presenteren, lijkt het normale iets bijzonders waardoor het bijzondere normaal lijkt.

Rapauch gaat verder: “Biden leidt momenteel met 14.767 stemmen in Arizona, 20.540 in Wisconsin, 36.186 in Nevada en 11.413 stemmen in het nog niet gecallde Georgia. Deze 82.885 stemmen vertegenwoordigen maar 0,06% van de in totaal meer dan 137 miljoen uitgebrachte stemmen. Mag zo’n flinterdunne marge een zo belangrijke verkiezing beslissen?” Of de aantallen nu nog hetzelfde zijn, weet ik niet maar ik geloof meteen dat ze klopten toen Raupach zijn artikel schreef. Waar, maar niet de hele waarheid. Als je dan toch resultaten in staten bij elkaar optelt, dan moet je ze ook van alle staten optellen en niet slechts van die paar waar het spannend is. Tel je ze allemaal dan heeft Biden op het moment dat ik dit schrijf ruim vijf miljoen meer stemmen op zijn naam dan Trump. Dat is niet echt een ‘smalle marge’. Als je deze verkiezingen dan toch, zoals Raupach doet: “een referendum over Trump,” noemt, dan is de uitslag duidelijk. En zelfs al is het verschil in totaal 0,06% van de stemmen of nog minder, dan nog is dat voldoende om iemand als winnaar uit te roepen. Sterker nog. In de Verenigde Staten worden winnaars uitgeroepen die minder stemmen hebben dan de verliezer. Trump weet daar alles van. In 2016 stemden er bijna drie miljoen mensen minder op hem dan op verliezer Hilary Clinton en toch won hij eerlijk volgens de regels van het Amerikaanse spel. Ook hier presenteert Raupach het normale als iets bijzonders waardoor het bijzondere normaal lijkt.

Raupach vervolgt: “Hertelling in enkele staten en verder onderzoek naar mogelijke fraude of onregelmatigheden zijn op z’n plaats en zijn een logische stap van het Trump-kamp. Je zomaar neerleggen na zo’n 5,5 jaar vechten (voorverkiezingen en campagne meegerekend) zit niet alleen niet in de aard van het beestje, dat simpelweg ook niet tegen zijn verlies kan, maar zou ook bij de zeer loyale achterban tot onvrede leiden.”Inderdaad zal het best een logische stap zijn in het kamp Trump en het kan best zijn dat neerleggen bij verlies tot onvrede bij de zeer loyale achterban leidt. Je neerleggen bij een eerlijke nederlaag is echter ook een van de kenmerken van een democratie. En ja, ook mogelijke fraude moet worden onderzocht. Het is niet Biden die moet aantonen dat hij eerlijk heeft gewonnen, maar Trump die moet aantonen dat er gefraudeerd is. Ook hier wordt het bijzondere gepresenteerd als normaal waardoor het normale bijzonder lijkt te worden.

“Het journalistentrucje om in elk nieuwsbulletin de bijzin te vermelden: “Er zijn geen bewijzen voor fraude” gaat in de hoofden van het weinig kritische grote publiek zitten en wordt op die manier vanzelf een waarheid.” Zo gaat Raupach verder. Maar beste meneer Raupach, als er geen bewijzen zijn, zijn er geen bewijzen. En wat betreft die ‘hoofden’. Wie begon er ook al weer ver voor de verkiezingen te roepen dat hij alleen kon verliezen als er gefraudeerd werd? Wie begon er met het verdacht maken van poststemmen en procedures hieromtrent? Zou het niet kunnen dat dit in de hoofden is gaan zitten van een flink deel van het weinig kritische iets kleinere publiek van fervente Trumpaanhangers? En weer wordt iets normaals als bijzonder gepresenteerd waardoor het bijzondere normaal lijkt.

Waarin deze verkiezingen echt afwijken van eerdere is dat de verliezende kandidaat zijn nederlaag niet erkent. Vier jaar geleden erkende Hilary Clinton na een dag haar nederlaag terwijl ze meer stemmen haalde dan haar tegenstander. Trump weigert dit en vecht de uitslag, het proces, de stembiljetten en alles eromheen aan. Sterker nog, hij wist al weken zo niet maanden tevoren dat er ‘fraude was gepleegd’. Dat is zijn goed recht, maar maakt het nog niet ‘normaal’.

Het normale bijzonder laten lijken en het bijzondere normaal is een gevaarlijke ontwikkeling.

Uitgelicht

Trump, Adam Smith en Alejandro Valverde

“Een jong kind heeft geen zelfbeheersing. Welke emoties het ook heeft, vrees, verdriet of boosheid, altijd tracht het door zo hard mogelijk te schreeuwen de aandacht van zijn kindermeisje of ouders te trekken.”  Toen ik deze zin gisteren las, moest ik denken aan de eerste toespraak van Trump na de verkiezingen van afgelopen dinsdag de derde november. Ik zag een bang, boos, verdrietig of combinaties van deze drie, persoon die om aandacht vroeg. Alleen was het geen kind maar een man van vierenzeventig die al vier jaar president is van het machtigste land van de wereld. Een man die door velen wordt gezien als een krachtige persoonlijkheid en leider. Zou Smith dat ook zo zien?

Eigen foto

Deze zin schreef de Schotse moraalwetenschapper en vader van de economische wetenschappen Adam Smith in zijn andere belangrijke maar veel minder bekende werk in 1759. Dit boek is recentelijk voor het eerst in het Nederlands vertaald met als titel De Theorie over morele gevoelens. In dit boek gaat Smith op zoek naar het ontstaan en functioneren van de moraal. Moraal is, om het heel kort samen te vatten, het evenwicht tussen de behoefte aan sympathie en de angst voor afkeuring of onbegrip. Kinderen hebben nog geen besef van moraal, ze kennen het evenwicht nog niet. Dat leren ze terwijl tijdens het opgroeien. “Zolang het kind onder de hoede is van deze partijdige beschermers, is boosheid de eerste en wellicht ook enige gemoedsaandoening die het geleerd wordt te beteugelen,” zo vervolgt Smith de zin waarmee ik opende. Hoe het kind dat leert, zo was het tenminste in het midden van de Achttiende eeuw: “Die zijn vaak omwille van hun gemak genoodzaakt om het met luidruchtige dreigementen vrees aan te jagen en zodoende tot bedaren te brengen en de gemoedsaandoening die het kind bij wijze van spreken aanzet tot de aanval, wordt nu in toom gehouden door de gemoedsaandoening die het kind leert om zich te bekommeren om de eigen veiligheid.” Een moderne opvoedkundige zal daar anders over denken en betogen dat ‘vrees aanjagen’ niet de beste strategie is in de opvoeding van een kind. Dat een kind moet leren om boosheid, maar ook vrees en verdriet te beteugelen, staat buiten kijf. Mensen die om niets in woede of om een klein sneetje in hun duim in huilen uitbarsten zijn niet de meest prettige mensen om mee in gezelschap te verkeren en blinken niet uit in stabiliteit.

Smith vergelijkt vervolgens hoe zwakke en krachtige persoonlijkheden met tegenslag omgaan. Iemand met een zwakke persoonlijkheid geeft zich: “eerder over aan zuchten, tranen en geweeklaag, en tracht als een kind dat nog niet naar school gaat een bepaalde harmonie tot stand te brengen tussen zijn eigen verdriet en het medelijden van de bezoeker – niet door zijn verdriet te matigen, maar door opdringerig te appelleren aan dat medelijden.” Een sterke persoonlijkheid daarentegen: “tracht zoveel als het kan zijn aandacht te richten op het beeld dat zijn omgeving vermoedelijk heeft van zijn situatie. Tegelijkertijd voelt hij de achting en goedkeuring die men natuurlijkerwijs voor hem koestert wanneer hij aldus zijn kalmte bewaart, en hoewel de last van deze of gene recente en grote calamiteit nog steeds op hem rust, lijkt hij voor zichzelf niet méér te voelen dan de mensen om hem heen werkelijk voor hem voelen.” Als we met Smiths bril naar Trump kijken, zien we dan iemand die zijn kalmte bewaart en niet méér voor zichzelf voelt dan voor anderen? Of zien we iemand waarbij de emoties de overhand hebben en die opdringerig appelleert aan ‘medelijden’?

Smith: “In een bestendige situatie, waarin geen verandering te verwachten valt, keert vroeg of laat de geest van ieder mens terug naar zijn natuurlijke en gebruikelijke toestand van kalmte.” Een ingrijpende gebeurtenis slaat ieder mens even uit het veld ongeacht de kracht van de persoonlijkheid. Alleen een zwakke persoonlijkheid doet er veel langer over om het evenwicht weer te vinden. Dus Trump zal weer een keer bij zinnen komen? Dat zou kunnen, maar er is iets wat zorgen baart. Iets verderop schrijft Smith namelijk nog iets interessants: “De grote bron van de ellende en de ontreddering van het menselijk leven lijkt te ontspringen uit de overschatting van het verschil tussen de ene bestendige situatie en de andere. Hebzucht overschat het verschil tussen armoede en rijkdom; ambitie dat tussen het privéleven en een openbaar ambt; eerzucht dat tussen onbekendheid en wijdverbreid aanzien. Iemand die onder invloed is van deze buitensporige gemoedsaandoeningen voelt zich niet alleen ellendig in zijn gegeven omstandigheden, maar is vaak ook geneigd de vrede van de maatschappij te verstoren om te bereiken wat hij zo dwaselijk bewondert.” Zou Trump aan deze ‘buitensporige gemoedsaandoening lijden? Zijn acties en uitspraken na de verkiezingen, wijzen die kant op. Sterker nog, niet alleen de acties na de verkiezingen. Als iets zijn presidentschap kenmerkt, dan is het precies dat ‘verstoren van de vrede van de maatschappij’.

Afbraak zonder opbouw. Wat zou het dan zijn wat Trump ‘zo dwaselijk bewondert’ en dus wil bereiken dat al die afbraak waard is? Het enige wat ik hier kan bedenken is zijn zelfbeeld als ‘onoverwinnelijke winnaar’. En dan moet ik denken aan de wielrenner Alejandro Valverde Belmonte. Inmiddels veertig fiets hij op de dag dat ik dit schrijf nog de laatste etappe van de Vuelta. Valverde heeft als bijnaam ‘El Imbatido’, in goed Nederlands ‘De Onverslagene’. Valverde heeft veel gewonnen maar onverslagen is hij zeker niet. In de meeste koersen waar hij aan de start stond, won hij niet. Sterker nog, ‘veelwinnaar’ Valverde heeft dit jaar nog niets gewonnen. Als Valverde, net als Trump, was gaan geloven in zijn onoverwinnelijkheid, dan had hij al lang niet meer gefietst en niet zoveel gewonnen als hij heeft gewonnen. Het lijkt erop dat Trump denkt dat een sterke man niet kan verliezen, verliezen is iets voor de zwakken en hij ziet zich als een sterke man. De Theorie over morele gevoelens lezend denk ik dat Smith daar anders over zou denken.  

Uitgelicht

Tirannie van de meerder- of minderheid?

“Ik heb niet eerder een grondrecht zo misbruikt zien worden om de eigen machtspositie te demonstreren.” Dit schrijft Jaswina Elahi bij De Kanttekening. Welk grondrecht wordt volgens Elahi misbruikt? Het recht op de vrije meningsuiting. Elahi: “Want het systematisch kwetsen en beledigen van groepen mensen in de samenleving is geen vrijheid van meningsuiting, maar een kwaadaardige behoefte van de machtigste partij om te kwetsen.” Hierdoor zijn we: “in een vicieuze cirkel terecht gekomen van provocatie en terreur, waarin het Westen terreur bestrijdt met satirische vernederingen onder het mom van vrijheid van meningsuiting.” Resultaat hiervan: “Verstand is ver te zoeken, nu de tirannie van de meerderheid is omgeslagen in een Europese hysterie.” We leven, als we Elahi mogen geloven, in een ‘tirannie van de meerderheid’ die een minderheid, de moslims, bestrijdt met ‘satirische vernedering’. Een bijzondere redenering.

File:Spotprent op de onwillige rol van John Bull in de Belgische Revolutie, 1832 The Dutch War (titel op object), RP-P-1982-277.jpg
Spotprent uit de 19e eeuw. Bron: WikimediaCommons

Dat mensen, religies en politieke stromingen het slachtoffer kunnen zijn van satire, is onomstotelijk waar. Je hoeft de afleveringen van Saturday Night Live, John Oliver en Lubach op Zondag om er een paar te noemen, maar op na te kijken om te ontdekken dat satire een middel is om een boodschap over de bühne te brengen. Satire: “hekelende voorstelling, spottend geschrift,” aldus de Van Dale en Wikipedia vult aan: “een kunstvorm waarbij vaak op humoristische wijze maatschappijkritiek of kritiek op personen wordt gegeven. De kritiek kan geleverd worden via parodie, ironie, sarcasme, pastiche en karikatuur.” Waarbij, zo vervolgt Wikipedia: “Niet alle satire (….) uitsluitend humoristisch (is) bedoeld. Sommige satires zijn zo agressief en scherp dat ze vooral willen provoceren of tot actie aanzetten. Hierom zijn door de geschiedenis heen veel satirici vervolgd door de overheid.” Dus ja, het kan gebeuren dat een satiricus mensen of groep beledigd. En zelfs als dit niet de bedoeling is van de satiricus dan nog kan het dit effect hebben.

Dus Elahi heeft een punt? Ja, ze heeft een punt dat satire beledigend kan zijn voor iemand of een groep. En ja, het kan ook zijn dat een satiricus of een groep satirici dat structureel doet en zo dus een groep structureel beledigt. Elahi gaat echter nog een stap verder met haar bewering. Zij betoogt dat de ‘meerderheid’ satire gebruikt om een bepaalde groep structureel te kwetsen en zelfs te vernederen. Zij komt tot deze conclusie omdat protesten tegen die belediging door die minderheid structureel worden beantwoord met een beroep op de vrijheid van meningsuiting. Hieruit concludeert zij dat die meerderheid het vernederen van die minderheid goedkeurt.

Maar zou die ‘meerderheid’ niet op eenzelfde manier in elkaar zitten als de manier waarop Elahi de ‘minderheid’ beschrijft: “Sommige moslims zijn van mening dat wanneer je de profeet beledigt zij ‘gerechtigd’ zijn om alles te doen om deze beledigingen te laten stoppen. In het uiterste geval leidt dit tot terreur, zoals we in Frankrijk zagen. Maar tegenover het extremisme van de dader staat een veel grotere groep moslims die zich van al het geweld distantieert en zich ook waardig opstelt onder het systematisch kwetsen en beledigen door de satire. Deze groep hoor je en zie je echter niet of nauwelijks in de media.”

Dat een overgrote meerderheid van de inwoners van Nederland vindt dat satire onder de vrijheid van meningsuiting valt en dus moet kunnen, wil niet zeggen dat die overgrote meerderheid die betreffende satire ook goedkeurt en een minderheid wil ‘vernederen’. Dat zijn twee verschillende zaken. Dat er een ‘tirannie is van de meerderheid’ die een ‘minderheid structureel vernedert’ daar geloof ik niets van. Die ‘tirannieke meerderheid’ die Elahi ziet, is waarschijnlijk een kleine minderheid en zij projecteert de opvatting van die minderheid op de grote groep mensen die dergelijke satire niet goedkeurt maar er wel pal voor staat dat die satire mogelijk is. Als er al ‘tirannie’ is, dan is het ‘tirannie’ van kleine minderheden die zich in een ‘vicieuze cirkel’ gevangen houden en de hysterie bij elkaar tot grote hoogten doen stijgen en zo de meerderheid ‘tiranniseren’. 

Uitgelicht

De toeslagenaffaire en de Walkman

Deze week startte de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties met haar verhoren. De Tweede Kamer heeft deze commissie in het leven geroepen. Die commissie moet op zoek naar de oorzaken van de problemen bij uitvoeringsorganisaties. Verschillende van die uitvoeringsorganisaties kampen met problemen bij de uitvoering van hun taken. Problemen die voor veel ophef zorgden maar vooral ellende voor mensen die een beroep op deze organisaties deden. Zo kampt de Belastingdienst met wat de ‘toeslagenaffaire’ is komen te heten. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft al jaren problemen rond de persoonsgebonden budgetten en ook het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen heeft problemen met het uitvoeren van haar taak. Zou de commissie de oorzaken vinden?

Bron: WikimediaCommons

Laten we de opdracht van de commissie eens bestuderen. Die opdracht is verwoord in een brief van het Presidium aan de Tweede Kamer. In die brief wordt het drieledige doel van het onderzoek geformuleerd. Als eerste: “Inzicht krijgen in de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties («rode draden» oorzaken en problemen).” Als tweede: “Inzicht krijgen in de wijze waarop de Tweede Kamer geïnformeerd wordt over de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties (informatiepositie Kamer).” En als derde en laatste: “Inzicht krijgen in de wijze waarop de Tweede Kamer haar controlerende taak uitvoert bij problemen bij uitvoeringsorganisaties (controlerende taak / rol Kamer).” De antwoorden op die vragen moeten ervoor zorgen dat: “De uitvoerbaarheid van beleid in het parlementaire proces (beter) gewaarborgd wordt en «de menselijke maat» niet uit het oog verloren wordt.” In een artikel bij Joop vat Fons Burger deze opdracht kort samen met de woorden: “Wat gaat er mis tussen het beleid en de balie?” Een redelijk accurate samenvatting want daarop spitsen de vragen zich toe zeker als we de deelvragen bekijken.

Bij de eerste vraag worden drie deelvragen gesteld waarbij vooral de eerste deelvraag bijzonder is: “Welke problemen zijn zichtbaar geworden afgelopen vijf jaar?”  Daarmee wordt het tijdbestek dat wordt onderzocht beperkt tot de laatste vijf jaar. Wat als de problemen al ruim voor die tijd zijn veroorzaakt? Iets wat niet is uit te sluiten.

Het onderzoek wordt echter niet alleen in tijd beperkt, ook de scope van het onderzoek. In de toelichting bij de vraag worden mogelijke oorzaken van de problemen geformuleerd: “De organisatiecultuur (onder andere goed werkgeverschap) en personeel; Governance en sturingsrelaties; Uitvoeringsproblemen (waardoor er geen passende dienstverlening aan de burger geleverd kan worden); Het niet aanwezig zijn of niet optimaal werken van een interne signaalfunctie / checks & balances; ICT en digitalisering.” De ‘plek’ waar het fout gaat wordt daarmee beperkt tot de uitvoerende organisatie en wellicht een klein beetje, via de ‘Governance’ bij de regering.

Bij de tweede onderzoeksvraag worden twee deelvragen geformuleerd. Als eerste: “Hoe wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties (informatiepositie Kamer).” Bij deze vraag ligt de verantwoordelijk minister onder het vergrootglas: informeert hij de Kamer tijdig en juist? De tweede deelvraag luidt: “Hoe voert de Tweede Kamer haar controlerende taak uit bij problemen bij uitvoeringsorganisaties (controlerende taak / rol Kamer)?” Een interessante vraag, maar wat als het probleem niet aan de achterkant ligt, maar aan de voorkant, bij de wetgevende en beleidmakende kant van de Kamer? Gelukkig is er nog de derde onderzoeksvraag. Daar komt dit aspect aan de orde. Namelijk bij de eerste deelvraag: “Wat betekent hetgeen de onderzoeksvragen 1 en 2 hebben opgeleverd voor de verschillende rollen, taken en verantwoordelijkheden van de drie genoemde partijen? Welke rol spelen uitvoeringstoetsen hierbij (wat verwacht de Kamer en op basis van welke indicatoren)?”

We hoeven ons dus geen zorgen te maken. De commissie vindt de oorzaken van de problemen bij de uitvoeringsorganisaties. Nou, dat gaat mij iets te snel. Het onderzoek focust vooral op de uitvoeringsorganisaties. Dat is waarschijnlijk ook waarom Burger tot zijn korte samenvatting komt. Dat lijkt logisch omdat het fout gaat in de uitvoering. Toch is dat veel te beperkt. De uitvoeringsorganisatie is slechts de uitvoerder van een opdracht. Zij geeft de opdracht niet. Dat doet een minister. Wat als de minister een onduidelijke of verkeerde opdracht geeft? Bij een verkeerde opdracht ligt de verantwoordelijkheid voor de fout bij de opdrachtgever. Als een winkelier zoutarme koekjes besteld terwijl de markt vraagt om koekjes met zout, moet hij zich niet gaan beklagen bij de fabrikant als bijna niemand de geleverde koekjes koopt. Bij een onduidelijke opdracht is het de taak van de uitvoerende organisatie om verduidelijking te vragen bij de opdrachtgever, dus bij de minister. Die verduidelijking moet uiteindelijk leiden tot een duidelijke opdracht. Duidelijk wil niet zeggen dat het ook de juiste opdracht is. Voor de juistheid is de opdrachtgever verantwoordelijk. Een onderzoek naar de oorzaken moet op zijn minst ook een hoofdvraag bevatten die zich specifiek richt op de opdrachtgever, de minister(s).

Daarmee zijn we er nog niet. Die opdrachtgever heeft ook een ‘opdrachtgever’ en dat is de Tweede Kamer. De Kamer bepaalt wat er moet gebeuren. Dat doet zij via de wetten die zij aanneemt. Zo heeft de Kamer in de Wet kinderopvang bepaalt dat de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag moet uitbetalen en aan wie. Maar ook dat de Sociale Verzekeringsbank de persoonsgebonden budgetten moet afhandelen. Persoonsgebonden budgetten voor een vijftal wetten met verschillende opdrachtgevers. In een goed onderzoek vraagt die rol veel meer dan de deelvraag bij de derde vraag. Zeker omdat die deelvraag moet worden beantwoord met de uitkomsten van de eerste twee vragen. Vragen die alleen handelen over de uitvoering en de informatievoorziening over de uitvoering. Als de oorzaken of als er oorzaken liggen “tussen het beleid en de balie,” om deze woorden van Burger te gebruiken, dan zal dit onderzoek ze opsporen. Of oorzaken in het proces om te komen tot beleid worden gevonden? Ik waag het te betwijfelen.

Wat ik ernstig betwijfel is of het onderzoek echt tot de kern komt. En daarmee kom ik bij mijn vorige Prikker die handelde over manieren waarop ‘de koek’ wordt verdeeld en de twee rollen van de overheid hierin: als eerste het voorkomen van ‘roof en uitbuiting’ door de markt te reguleren en als tweede: “het organiseren en legitimeren van ‘wederkerige sociale verplichtingen’ die het ‘samen’ in de samenleving versterken.” Over die sociale verbanden concludeerde ik: “ Als je die inricht op basis van een soort ‘handelstransactie’ hoeft het niet te verbazen dat die sociale (ver)banden zwak zijn.” En laat de overheid nu heel veel van haar dienstverlening hebben ingericht op basis van ‘handelstransacties’. Van je persoonsgebonden budget of je kinderopvangtoeslag ‘koop’ je zorg en opvang in.

Door dit inrichten op basis van handelstransacties versterken twee zaken elkaar. Die twee zaken zijn zwakke sociale verbanden en wantrouwen. Een handelstransactie creëert geen of slechts een zwakke sociale band. Er ontstaat geen ‘WIJ’ en het ontbreken van die ‘WIJ’ betekent dat ‘IKKEN’ vooral aan zichzelf denken. En omdat de andere ‘IKKEN’ dat ook doen, moeten de “IKKEN’ op hun hoede zijn: wantrouwen. Wantrouwen dat wordt versterkt omdat er ‘IKKEN’ zijn die misbruik maken van de situatie. Binnen het ‘handelstransactie frame’ is voorkomen van fraude de enige manier om wantrouwen te bestrijden en iets van een ‘WIJ’ te behouden. Iedere ontdekte fraude zorgt voor verlies aan ‘WIJ’. Om fraude te voorkomen worden regels zo gemaakt dat de te voorkomen uitzondering de regel gaat bepalen en gaat de ‘menselijke maat’ verloren.  

Dat inrichten op basis van ‘handelstransacties’ is een uitvloeisel van het steeds individualistischer worden van onze samenleving. Een trend die eind jaren vijftig van de vorige eeuw inzette en die vanaf de jaren tachtig, met het neoliberalisme van Thatcher en Reagan, dominant werd. Een trend waarvan de Walkman, wat mij betreft, het symbool is. Een apparaat waarmee je je op straat van de buitenwereld afsluit en je je eigen wereld creëert. Niet toevallig werd het apparaat in 1979 door Sony op de markt gebracht en begon het aan de ‘verovering’ van de wereld. Net als bij het individualisme werd het apparaat veel eerder ‘geboren’. Een jaar of zestien eerder vond Philips een soortgelijk apparaat uit, maar zoals wel vaker was Philips goed in uitvinden maar niet in vermarkten. Inmiddels is het apparaat vervangen, eerst door iPod-achtige apparaten en nu door het mobieltje. Ik waag het ernstig te betwijfelen of de commissie op basis van de geformuleerde opdracht tot een dergelijke conclusie komt. Maar… ik laat me graag verrassen.