Uitgelicht

De drogreden van Angela Davies

Een drogreden: “een bedrieglijke redenering” aldus de Van Dale, “een reden of redenering die niet correct is, maar wel aannemelijk lijkt,” aldus Wikipedia. Dat dacht ik bij het lezen van een gesprek met Angela Davies op de Belgische site De Wereld van morgen. Een gesprek in een serie van gesprekken met Angela Davies. Het eerste gesprek belicht een tegenwoordig populair onderwerp: institutioneel racisme.

De site omschrijft Davies als, “het boegbeeld van de burgerrechtenbeweging.” Davies heeft, zo lees ik op Wikipedia: “een groot gedeelte van haar werk gewijd aan het onderzoeken naar en het schrijven over vrouwen en feminisme, en dan vooral over de onderdrukking van zwarte vrouwen. Ze zag in dat de zwarte bevrijdingsbeweging niet voor de rechten van de zwarte vrouw opkwam, maar ook dat de feministische beweging zich niet voor de zwarte vrouw inzette.” Aan die strijd en haar inzet wil ik niets af doen. Wel op enkele opmerkelijke observaties en redenaties van haar.

Davies: Door het feit dat je in de VS, Europa en Zuid-Amerika in de gevangenis een onevenredig groot aantal zwarte mensen ziet, kan je een verband leggen tussen slavernij en het gevangenisinstituut. Dit heeft weer te maken met het feit dat dit instituut grotendeels was opgericht om het falen in het creëren van een rechtvaardige maatschappij, in de nasleep van de slavernij, aan te pakken. Want je kan niet gewoon zeggen dat het instituut van slavernij is afgeschaft, en ervan uitgaan dat het probleem dan is opgelost.” Nu heb ik menig  Middeleeuws kasteel bezocht en die hadden allemaal een ‘kerker’ alwaar misdadigers en iedereen die daarvoor werd aangezien in werden opgesloten. Een kerker was niets meer en niets minder dan het cachot, de gevangenis. Ons mooie Venlose stadhuis had ook een ‘gevangenis’ gesitueerd onder in de rechter ‘toren’ als je ervoor staat met je gezicht ernaartoe.                

De gevangenis was vooral een ruimte waar je zat te wachten tot het vonnis werd uitgevoerd. Dat vonnis bestond uit een lijfstraf, verbanning of de dood. Dat laatste eventueel voorafgegaan en soms zelfs nog gevolgd door het eerste. Voor wie daar een beeld bij wil krijgen, lees de opening van het eerste hoofdstuk van Foucaults Discipline, Toezicht en Straf. De geboorte van de gevangenis over de straf en de oplegging ervan die vadermoordenaar Damiens op twee maart 1757 ten deel viel[1]. Pas in de loop van de zestiende eeuw ontstonden de voorlopers van de huidige gevangenissen. Die waren in eerste instantie gericht op het opsluiten van bedelaars en landlopers. Die kregen er verplicht onderdak en eten. Iets wat werd gezien als een vorm van liefdadigheid. Aan het einde van de zestiende eeuw werd in Amsterdam vrijheidsberoving voor het eerst als straf opgelegd. Mannen gingen naar het rasphuis alwaar ze hout moesten raspen en vrouwen naar het spinhuis alwaar ze wol moesten spinnen. Vanuit Amsterdam verspreidde deze vorm van straf zich over Europa. Uiteindelijk heeft de gevangenisstraf de lijf- en doodstraf vervangen. Ten minste in de meeste landen van de wereld. Het gevangenissysteem is daarmee ouder dan de nasleep van de slavernij en die slavernij speelde hoegenaamd geen rol in het ontstaan van het Europese gevangeniswezen.  

Davies: “De gehele notie van veiligheid is volgens mij diep gelinkt aan racisme. Want wat voor instellingen zijn er opgericht om ‘veiligheid’ te garanderen in onze samenleving? De politie, die geweld gebruikt, dat zijn bewapende mensen. Wel, als je een samenleving veilig wil maken door meer geweld toe te voegen aan de samenleving, dat is voor mij een contradictio in terminis.” Twee bijzondere uitspraken. Als eerste ‘Veiligheid is diep gelinkt aan racisme’ en als tweede ‘de politie voegt geweld toe aan de samenleving’.

Eerst ‘veiligheid is diep gelinkt aan racisme’. Racisme zorgt inderdaad voor onveiligheid. Als ik weet dat iemand mij eigenlijk geen plek gunt om wie ik ben dan voel ik mij niet veilig. Dus ja, er is een link tussen racisme en veiligheid. Maar hoe ‘diep’ is die link? In de meest uiterste variant is die link één op één en dan komt alle gevoel van onveiligheid door racisme. In dat geval zou een einde aan racisme een einde aan onveiligheid betekenen. De werkelijkheid is echter anders. Het gros van het geweld en onveiligheid heeft geen verband met racisme. Dat zwarte mensen oververtegenwoordigd zijn in gevangenissen, waar Davies naar verwijst, heeft in onze contreien veeleer andere, sociaal economische oorzaken dan racisme. De moord van Damiens, waar het hierboven aangehaalde boek van Foucaults mee begint, had geen link met racisme. Net zoals de overgrote meerderheid van de geweldsdaden tot die tijd en ook in de periode erna, geen link had met racisme. De link tussen veiligheid en racisme speelde in de Middeleeuwen en eigenlijk tot het oplaaien van de huidige racismediscussie maar een zeer beperkte rol in het garanderen van onze veiligheid.   

Dan ‘de politie voegt geweld toe’. Om de veiligheid te bevorderen, en het geweld te beteugelen, richtten de inwoners van steden de schutterijen op die zich met de handhaving van de openbare orde en veiligheid bezighielden. Vaak onder toezicht van een schout of baljuw die weer belast was met de rechtspraak. Die schutterijen kun je in de termen van tegenwoordig, de vrijwillige politie noemen. Aan Napoleon hebben we de opkomst van de landelijke politie te danken en die nam ‘Willem I’ netjes over. Naast die landelijke politie bleven lokale ordehandhavers als de schout en de veldwachter actief.  Ja, deze waren bewapend en hadden het geweldsmonopolie. Een monopolie niet bedoeld om geweld toe te voegen maar om gewelddadige conflicten tussen burgers te voorkomen en te beëindigen.

Twee opmerkelijke observaties van Davies. Opmerkelijk aan deze opmerkelijke observaties is dat het lijkt alsof Davies een stukje specifieke geschiedenis uit de Verenigde Staten in het algemeen en de zuidelijke staten van dat land in het bijzonder, overplant naar in de basis de hele wereld maar Europa in het bijzonder. De Amerikaanse geschiedenis van de ‘nieuwe slavernij’ zoals Nijman het in haar boek Wat we van de Duitsers kunnen leren in navolging van de journalist Douglas Blackmore noemt: een systeem van gevangenissen met verplichte tewerkstelling: “In het nieuwe systeem waren de veroordeelden geen eigendom meer maar werden ze enkel door staatgevangenissen verhuurd aan private ondernemingen in de mijnbouw, de staalindustrie of de baksteenproductie.” Nog lucratiever dan slavernij omdat: “Onder het oude systeem (…) een slaaf ook werkelijk het eigendom (was) van zijn meester. Nadat hij een aanzienlijke investering had gedaan in een zwarte mens, had de slavenhouder er economisch belang bij om die investering niet verloren te laten gaan en toch in elk geval te voorzien in een minimum aan voedsel en gezondheidszorg.[2]Dat hoefde onder de ‘nieuwe slavernij’ niet meer en dat was daarom zo mogelijk nog wreder dan de oorspronkelijke slavernij, aldus Nijman. Een soort moderne versie van de spin- en rasphuizen die vanaf de zestiende eeuw ontstonden. Die ‘gratis gevangenen’ zorgden er vervolgens voor dat de lonen voor de zwarte arbeiders laag bleven, als ze al werk konden vinden. Een systeem dat mede mogelijk werd gemaakt door de politie in de Zuidelijke staten die hierbij samenwerkten met de eigenaren van de bedrijven.

Als laatste combineert Davies de twee voorgaande uitspraken: “… neem dus het feit dat wereldwijd een onevenredig aantal zwarte, bruine en inheemse mensen in de gevangenis zit en gevangenissen juist instituties zijn, ontworpen om ‘veiligheid’ te verzekeren. Dit weergeeft ook weer het rechtstreekse verband tussen veiligheid en racisme.”  Daarom  pleit Davies voor het opheffen van de politie en het gevangenissysteem. Haar redenering lijkt aannemelijk maar bij nadere beschouwing klopt ze wellicht voor het Zuiden van de Verenigde Staten. In de Europese situatie in het algemeen en de Nederlandse in het bijzonder, raakt ze kant nog wal. Een drogreden.


[1] Michel Foucault, Discipline, Toezicht en Straf. De geboorte van de gevangenis, zesde druk 2010, pagina 20 en verder.

[2] Susan Nijman, Wat we van de Duitsers kunnen leren, pagina 495.

Uitgelicht

Vrijheid en een persoonlijk CO2 budget

Rabobankeconoom Barbara Baarsma schijnt zich de woede van half (of misschien wel meer) Nederland op de hals te hebben gehaald. In de strijd tegen de CO2 uitstoot kwam Baarsma met het idee om de maximale uitstoot van Nederland eerlijk te verdelen over alle Nederlanders. Kom je niet uit met het je toebedeelde deel, dan koop je bij van iemand die ‘over’ heeft. “Zo’n voorstel gaat natuurlijk lijnrecht in tegen zo’n beetje iedere gangbare opvatting over vrijheid en gelijkwaardigheid,” oordeelt Wout Willemsen bij De Dagelijkse Standaard. “ontzettend guitig klassenmaatschappij-ideetje hoor, maar je CO2-paspoort kan de tering krijgen zolang de Shells, BP’s en Tata Steels gestut door elke overheid van deze wereld doen wat ze doen,” aldus Tim Hofman die wordt geciteerd in een artikel bij Metronieuws. Is het wel zo’n slecht idee? Worden vrijheid en gelijkwaardigheid hierdoor aangetast?

Eerst even rekenen. Nederland stootte in 1990 163 miljard kilogram CO2 equivalent uit. Volgens de Parijse afspraken moet dit in 2030 49% minder zijn. Dan resteren een kleine 84 miljard kilogram. Delen we dat door 17,6 miljoen (het aantal Nederlanders) dan mag iedere Nederlander iets meer dan 47.700 kilogram uitstoten. De gemiddelde Nederlander stoot ruim 9.000 kilogram uit met zijn gedrag. Dat is dubbel zoveel als de gemiddelde aardbewoner. Bij een eerlijke verdeling van de hoeveelheid voor 2030 houdt de gemiddelde Nederland 38.000 kilogram over die verkocht kunnen worden. Als die gemiddelde Nederlander in 2030 ook 49% bespaart, dan kunnen nog 4.500 kilogram meer worden verkocht. Aangezien Shell geen persoon is krijgt het bedrijf geen budget, geen enkel bedrijf trouwens. Daarom zullen bedrijven in de rij staan om een deel van je budget te kopen. Immers zonder budget, geen uitstoot. Dat kan een aardige cent opleveren.

Shell en al die andere bedrijven zullen die aardige cent aan kosten voor CO2 inkoop verrekenen in hun productprijzen. De prijs van een liter benzine zal erdoor stijgen net als de prijs van een vliegticket, een auto, en eigenlijk de prijs van alles. Alles waar CO2 uitstoot voor nodig is, wordt duurder. Je kunt vervolgens kiezen hoe je dat geld besteedt. Voordeel van deze manier van werken is dat de kosten van de CO2 vervuiling in de prijs van producten wordt meegenomen. Dit maakt voor de koper duidelijk wat die vervuiling kost. Wil je vliegen, dan betaal je een flinke prijs voor de CO2 uitstoot. Zo koop je dan een deel van je verkochte CO2 weer terug. Als je dan als ‘privéjet bezitter’ een retourtje naar Ibiza wilt maken dan weet je wat je aan extra kosten voor je CO2 uitstoot moet betalen, het gemiddelde jaarlijks gebruik van een Europeaan. Je kunt dat geld natuurlijk ook steken in het isoleren van je huis en in zonnepanelen waardoor je nog minder CO2 voor jezelf nodig hebt. Het geeft de bedrijven de prikkel om te zoeken naar productiewijzen die de CO2 uitstoot verminderen. Dat maakt hun producten immers goedkoper. De ‘Shells en Tata Steels’ worden zo niet gestut, maar uitgedaagd. Vanuit dit oogpunt bekeken is het verdelen van de ‘uitstootruimte’ over de inwoners geen verkeerd idee.

Dan het ‘klassenmaatschappij’ en het ‘ingaan tegen opvattingen over vrijheid en gelijkwaardigheid’. Willemsen: “Het wordt leuk verpakt maar de gemiddelde Nederlander zou dan dus gewoon regelrecht worden beteugeld in zijn doen en laten, omdat D66’ers als Baarsma zo graag extra willen vliegen.” Bijzonder aan Willemsens betoog is dat het zichzelf in de staart bijt. Om dat uit te leggen neem ik de inaugurale rede van Isaiah Berlin erbij. Een rede met als titel Twee opvattingen over vrijheid.  Berlin ziet twee concepten van vrijheid. De ene noemt hij negatieve vrijheid, de vrijheid van dwang en inmenging door anderen en die anderen kan ook een overheid zijn. De tweede noemt hij positieve vrijheid en dat is de vrijheid om te doen wat de persoon wil. Die twee opvattingen zijn, zo betoogt Berlin, onverenigbaar.

Willemsen lijkt vrijheid te zien als ‘kunnen doen en laten wat je wilt’, positieve vrijheid en ziet Baarsma’s voorstel als een beperking hiervan. Met zijn betoog tegen deze inbreuk op de negatieve vrijheid, bereikt hij precies dat wat hij niet wil en dat is, om het in zijn woorden te zeggen dat: “Het (…) leuk (wordt) verpakt maar de gemiddelde Nederlander (wordt) regelrecht (…) beteugeld in zijn doen en laten, omdat D66’ers als Baarsma zo graag extra willen vliegen.” De ‘gemiddelde Nederlander’ wordt ook nu al ‘beteugeld in zijn doen en laten’ en dus in zijn positieve vrijheid. Zo kan de gemiddelde Nederlander ook nu al niet met een privéjet naar Ibiza vliegen. Daarvoor ontbreekt het geld. Het CO2 budget vergroot de financiële mogelijkheden van die gemiddelde Nederlander juist en dus zijn positieve vrijheid om te doen wat hij wil door het extra geld wat ter beschikking komt door de verkoop van het overschot van het CO2 budget. De mogelijkheden van die ‘D66ers die extra willen vliegen’ worden erdoor beperkt. Zij moeten extra CO2 budget kopen wat hun mogelijkheden beperkt.

Alleen door de negatieve vrijheid te beteugelen, wordt de positieve vrijheid voor iedereen vergroot. Vergroten van de negatieve vrijheid voor iedereen betekent het beperken van de positieve vrijheid voor velen. Het vergroten van de positieve vrijheid door het verbod op moord op te heffen, verkleint de positieve vrijheid van iedereen. Het verbod om slaven te houden verkleinde de negatieve vrijheid van slavenhouders maar vergrote de positieve vrijheid van iedereen omdat niemand meer in slavernij kon vervallen.

Uitgelicht

Zucht … (een hele diepe)

Zucht… . Dat is wat ik dacht toen ik een interview met Marvin Hokstam bij De Kantekening las. “Je hebt in het onderwijs islamitische scholen, hindoescholen, joodse scholen en westerse scholen. De afrocentrische identiteit ontbreekt veelal als het om educatie gaat. En die is essentieel voor de toekomst. Om sterk te staan, moet je weten wie je bent.” Daarom is hij blij dat er mensen zijn die zich inzetten voor dit soort onderwijs: “ Want daar zit de oplossing.”

“Discriminatie: als thema is het meer in de media dan ooit. Hoe gaan we met dit fenomeen om? Gaat het de goede of de slechte kant op? Tijd om de tijdgeest te toetsen.” Zo begint Gijs de Swarte zijn artikel en bij dat toetsen gaat hij in gesprek met journalist, onderwijsmanager en ervaringsdeskundige Hokstam. Een gesprek dat langs Keti Koti voert dat Hokstam niet viert want: “Hoe kun je vieren dat je iets terug kreeg dat nooit van je afgenomen had mogen worden?  … Waar het om gaat is dat we zaken definiëren met de hier dominante witte cultuur als uitgangspunt. Oké, de witte mensen in de koloniën kwamen er in 1863 eindelijk achter dat wat ze deden niet kon. De tot slaaf gemaakten in de eeuwen daarvoor waren daar, denk ik, al wat eerder aardig van op de hoogte.” Ja, die ‘witte mensen in de koloniën’ schaften in 1863 de slavernij af, tenminste in Nederland. De ‘witte Engelsen’ gingen in 1833 voor, de ‘witte Fransen’ schaften de slavernij in 1794 tijdens het schrikbewind van Robespierre af. Die afschaffing werd in 1802 door Napoleon weer ongedaan gemaakt en in 1848 werd slavernij weer afgeschaft. Die ‘witte Europeanen’ waren de eersten die slavernij afschaften. Ik kan een tweede zucht niet onderdrukken.

Nu kan het aan Google liggen dat menigeen niet lijkt te weten dat de trans-Atlantische slavenhandel niet de enige en zeker niet de eerste keer was dat mensen andere mensen als koopwaar beschouwden. Google op ‘afschaffing slavernij wereld’ of ‘slavernij wereldwijd’ en je krijgt flink wat hits. Je krijgt ook de categorie: ‘Mensen vragen ook’. Een van de vragen is “Welk land is begonnen met de slavernij”. Als je erop klikt krijg je het volgende te lezen: “Portugezen stichten in de vijftiende eeuw de eerste Europese kolonies gebaseerd op slavernij: in suikerplantages langs de Afrikaanse kust en later ook op grote schaal in Brazilië.” De gemakkelijke, luie lezer zal hieruit concluderen dat ‘die koloniale Europeanen de slavernij hebben uitgevonden.’ Zeker als het gros van de overige hits verwijst naar die trans-Atlantische slavenhandel en als het antwoord op de ook voorgekookte vraag “Hoe lang duurde de slavernij’” luidt: “De slavernij duurde zo’n tweehonderd jaar en in die tijd werden meer dan 12 miljoen Afrikanen uit hun land verscheept naar Curaçao, Suriname en Brazilië. Om te vergelijken: Nederland heeft 17 miljoen inwoners.”

Het antwoord op de vragen welk land er begon met slavernij en hoe lang slavernij duurde, is niet te geven. De oudst bekende verwijzing naar slavernij is van zo’n 38 eeuwen geleden en is opgenomen in de Codex Hammurabi. Op verschillende plekken wordt hierin over slaven gesproken. Deze eerste vermelding wil niet zeggen dat Babyloniërs slavernij hebben geïntroduceerd. Slavernij was eeuwenlang, hoe lang weten we niet omdat niemand weet wanneer een eerste mens tot slaaf werd gemaakt, een normale praktijk. Normale praktijk wil niet zeggen dat er geen verzet tegen was.  

Dan die 12 miljoen (eigenlijk12,5 miljoen) dat zijn er veel. Voor de gevoeligen onder ons komt er nu wat kil rekenwerk. 12,5 miljoen in driehonderd jaar, dat zijn er net geen 42.000 per jaar. Dat zijn er veel. Het boek De Zijderoutes van Peter Frankonpan bevat een hoofdstuk met als titel De slavenroute. Dit hoofdstuk laat zien dat die 12,5 miljoen in 300 jaar, want zolang duurde de trans-Atlantische slavenhandel, en dus gemiddeld 42.000 per jaar, geen uitschieter was. Ik citeer: “Recent onderzoek lijkt erop te wijzen dat het Romeinse rijk op het hoogtepunt van zijn macht elk jaar zo’n 250.000 à 400.000 nieuwe slaven nodig had om het slavenbestand op peil te houden[1].” Dat zijn er tussen de zes en ruim negen keer meer dan er jaarlijks werden verscheept via de Atlantische slavenroute. Het toppunt van het Romeinse rijk besloeg ook ongeveer 3 eeuwen en met 250.000 slaven per jaar, komt dat neer op zo’n 75 miljoen verhandelde slaven. Inderdaad werden die niet allemaal in schepen verpakt. Om jaarlijks aan die hoeveelheid nieuwe slaven te komen, zullen er onderweg ook wel de nodigen zijn gesneuveld. Naast het Romeinse rijk op zijn hoogtepunt, lag ook nog het Perzische rijk en ook dat kende slaven. Slik! Nog meer!

Ook na de Romeinse tijd zette het gebruik zich voort. Zo vormde de slavenvangst en -handel een van de standaardpraktijken van de Noormannen en struinden de islamitische rijken de grenzen van hun gebieden af naar slaven. Het koninkrijk Mali dat grofweg van de 14e tot de 16e eeuw bestond, verdiende grof geld met slavenhandel, ook aan de trans-Atlantische slavenhandel. En nee, het zijn ook niet die ‘witte westerlingen’ die het intituut slavernij in de Amerika’s introduceerden. Het instituut was ook in die contreien al bekend. Graeber en Wengrow beschrijven, in hun Het begin van Alles, de slavernij onder de oorspronkelijke bewoners van de Amerika’s[2].

Aan die praktijk kwam vanaf het midden van de negentiende eeuw een einde. Dat einde begon toen ‘witte Europeanen’ het gingen verbieden. En nee, dit is niet: “definiëren met de hier dominante witte cultuur als uitgangspunt,” zoals Hokstam beweert. Het is een beschrijving van de feitelijke situatie. Op een punt na dan en dat is dat er tegenwoordig nog steeds mensen in slavernij leven. Volgens de site van Amnesty International zijn er tenminste 40 miljoen mensen die in een vorm van moderne slavernij leven. Dus dat is bij deze ook hersteld.

Tot zover de laatste zucht. Terug naar de eerste, de afrocentrische scholen die volgens Hokstam de oplossing zijn. Afrocentrische naast: “islamitische scholen, hindoescholen, joodse scholen en westerse scholen.” Als eerste de vraag wat ‘westerse scholen’ zijn? Zijn dat scholen op katholieke, hervormde, gereformeerde of welke andere christelijke stroming dan ook? Zijn dat de vrije scholen of de openbare? Wat is een westerse school? Nu is mijn zucht geen gevolg van deze vraag.

Die zucht is een gevolg van mijn verbazing dat een in Suriname geboren man die al jaren in Nederland woont, zijn heil zoekt in afrocentrisme. In een, om Wikipedia aan te halen: “culturele ideologie of wereldbeeld waarbij Afrika, zwarte Afrikanen en hun afstammelingen centraal worden geplaatst .” Een, zo lees ik verder, een: “Afrikaans-Amerikaans geïnspireerde ideologie die een bevestiging van zichzelf manifesteert in een eurocentristisch gedomineerde maatschappij …  In het algemeen is afrocentrisme vaak gemanifesteerd in een focus op Afrikaans-Amerikaanse cultuur en de geschiedenis van Afrika, en bevat dit vaak een Afrikaanse diaspora-versie van een rond Afrika gecentreerde kijk op de geschiedenis en cultuur om de prestaties en ontwikkelingen van gemarginaliseerde Afrikanen te portretteren.”  Zou dit, om Hokstams doel aan te halen kinderen helpen om te weten wie ze zijn, zodat ze sterk staan? Waarom moeten Nederlandse kinderen worden ondergedompeld in een Afrikaans-Amerikaanse ideologie die zich selectief geschiedenissen en gebeurtenissen, om het woord maar te gebruiken, toe-eigent van het Afrikaanse continent en daar een allegaartje van maakt? Waarom moeten Nederlandse kinderen een Afrikaan-Amerikaanse identiteit ontwikkelen om zichzelf te kennen? Voor welk probleem zou dit een oplossing zijn? Maar belangrijker. Als een eurocentrisme het wereldbeeld van mensen vertekent, zou dat dan niet ook gelden voor een afrocentristisch? Wordt het ene kwaad dan niet ingewisseld voor een ander?

Mijn grootste zucht betreft echter het klakkeloos overnemen van dit betoog als betrof het de waarheid door journalist Gijs de Swarte. Geen enkele kritische vraag. Zelfs niet als De Swarte de vraag stelt: “De in Nederland dominante witte cultuur als uitgangspunt. Waar zie je dat nog meer?” En Hokstam antwoordt met: “Het is overal aanwezig, natuurlijk. Maar om een groot voorbeeld te geven: denk aan het feit dat de slavenhouders door de Nederlandse staat werden gecompenseerd voor het bedrijfsmatige verlies dat het einde van de slavernij voor hen met zich meebracht.” Een gebeurtenis uit de jaren zestig van de  negentiende eeuw, inmiddels 160 jaar geleden. Een niet erg actueel voorbeeld van het centraal stellen van eigendom. Geen enkele kanttekening. Terwijl er toch de nodige te maken zijn zoals ik in deze prikker doe.


[1] Peter Frankonpan, De Zijderoutes, pagina 150

[2] David Graeber en David Wengrow, Het begin van Alles, pagina 206-213

Uitgelicht

IQ + inspanning = verdienste?

In de Volkskrant las ik een recensie van het boek De opkomst van de meritocratie van Michael Young. Ietwat vreemd omdat Young het boek in 1958 schreef. Het boek was bedoeld als, zo lees ik in de aanhef: “een bijtende satire op de verdienstenmaatschappij.” Deze late recensie is te danken aan de Nederlandse vertaling ervan die pas is verschenen. De volgende passage uit de recensie trok mijn aandacht: “Young heeft in zijn essay ook oog voor de rechtvaardige kanten van de meritocratie, waarvan de simpele formule volgens hem ‘IQ + inspanning = verdiensteluidt.” Het waarom van die aandacht volgt zo. Eerst even iets over Youngs boek.

Finale van het Wereldkampioenschap 1974: West-Duitsland-Nederland. Johan Cruyff wordt in de eerste minuut in het strafschopgebied gevloerd door Uli Hoeness. Johan Neeskens benut vervolgens de strafschop. Bron: Nationaal Archief  

De vertaling is vast een gevolg van de aandacht die ‘meritocratie’ en de uitwerking ervan in de samenleving tegenwoordig krijgt. Young blijkt voorspellende gaven te hebben gehad: In zijn boek laat hij in 2033 in het Verenigd Koninklijk een woedende opstand uitbreken van de ‘populists’, een groep van ‘onverdienstelijken’ die de verliezers zijn in de verdienstenmaatschappij: winkelbedienden, huishoudelijk personeel, chauffeurs, huisvrouwen en ook de werkloze, overbodig geworden arbeiders. De fictieve ik-figuur vraagt zich af hoe het zover heeft kunnen komen en analyseert de ontwikkeling van de samenleving in de anderhalve eeuw ervoor.” In mijn prikkers schrijf ik vaker over boeken. Boeken die ik heb gelezen. Dat is met dit boek niet het geval. Het boek staat nu op de ‘nog te lezen’ lijst. In deze prikker gaat het mij om het rechtvaardige van “IQ + inspanning = verdienste.” Is je verdienste een gevolg van je IQ en je inspanningen?

Zoals wel vaker, eerst naar de betekenis van verdienste en dus naar de Van Dale. Die geeft drie betekenissen. Als eerste: “loon voor verricht werk,” als tweede: “winst” en als laatste “verdienstelijkheid: een man van verdienste die veel goeds heeft gedaan.” Wat zien we als we met deze betekenissen naar de formule van Young kijken?

Als je loon de som is van je intellectuele capaciteit en je inspanning dan zou dat betekenen dat een straatveger met een IQ van 140 bij gelijke inspanning en dus even snel en grondig vegend, meer zou moeten verdienen dan een straatveger met een IQ van 70. Is dat rechtvaardig? Is het rechtvaardig om gelijk werk anders te belonen puur vanwege de intellectuele vermogens van de ene persoon terwijl die voor het werk niet van belang zijn? Wat als die intellectuele vermogens er wel toe doen, leidt dat dan automatisch tot hogere verdiensten bij een gelijke inspanning?

Laten we een ander voorbeeld nemen: Messi. Youngs formule toegepast op Messi luidt dan: ‘Talent + Inspanning = Verdienste’. De doelpunten van Messi die we zo bewonderen, zijn die alleen de verdienste van Messi? Hoe zou een elftal met alleen maar Messi’s het doen? Messi kan niet zonder tien anderen die voorkomen dat de tegenstander een doelpunt maakt, de bal veroveren en op het juiste moment bij hem inleveren. Dat heeft hij nu in zijn tijd bij PSG wel ervaren. Is het talent dat hij heeft de verdienste van hemzelf? Niet echt. Dat heeft hij via zijn genen van zijn ouders gekregen. Ouders die vervolgens ook nog in de omstandigheid waren om hem de omgeving te bieden waarin hij dat talent kon ontwikkelen. Is het een verdienste van Messi dat hij in een tijd leeft waarin je juist met zijn talent zoveel kunt verdienen? Was hij tweehonderd of honderd jaar eerder geboren, dan was zijn talent waardeloos. Als we dit in ogenschouw nemen, zou een rechtvaardige formule dan niet zijn: ‘Verdienste = Inspanning – Omstandigheden – IQ (Talent)’? Waarbij bij ‘Omstandigheden’ staat voor de waardering van het talent op dat moment. Zou de formule bij toepassing op de waardering van een individu bij teamprestaties, zoals in het voetbal, niet nog uitgebreid moeten worden tot: ‘Verdienste = Inspanning – Omstandigheden – IQ(Talent) – Verdienste van je teamgenoten’?

Dan de stap van ‘loon’ naar ‘verdienstelijkheid, weldoen’, weer met voetbal en Messi als voorbeeld. Dat iets, voetbal in dit geval, nu zo belangrijk wordt gevonden, is dat een  verdienste van Messi? Of is dat een verdienste van al die mensen die het spelletje volgen en ernaar gaan kijken? Het bijzondere is dat die mensen niet worden beloond voor hun interesse. Die moeten steeds meer betalen aan abonnementen bij steeds meer verschillende zendgemachtigden maar ook door (zoals in de Nederlandse competitie) wedstrijden op ontijdige dagen en tijdstippen vanwege een tv uitzending, een wedstrijd of tien in januari en februari waarbij je verkleumt op de tribune, dit om plaats te maken voor de Champions League en de almaar met deelnemers uitbreidende E- en WK’s. Geldt voor muziek, film en wellicht ook nog andere zaken, niet hetzelfde?

Als laatste de vraag of wat we belangrijk vinden en goed belonen ook ‘goed’ is? ‘Doe je wel’ als je voetbalt? Is veel mensen plezier doen, want dat doet voetbal, weldoen? Of beter gezegd, is ‘veel mensen plezier doen’ gelijk aan weldoen? Is het belangrijker dan bijvoorbeeld vuilnis ophalen of het werk van een huisarts? Vuilnis ophalen geeft mij geen plezier maar als het niet wordt opgehaald geeft het wel verdomd veel ergernis. Rechtvaardig lijkt me iets ingewikkelder dan Youngs IQ + inspanning = verdienste.

Uitgelicht

Demagogisch discrimineren

Bij De Correspondent een artikel van Johannes Visser met als titel Hoe hogeropgeleiden discrimineren. Alleen voor die vorm van discriminatie is maar weinig aandacht, zo betoogt Visser. Voor die vorm van discriminatie munt hij de term diplomisme. Ik moest aan een ander woord denken: demagogie, “de kunst om de mensen te (mis)leiden, m.n. door retorische middelen,” aldus de Van Dale.

In het kort het betoog van Visser: “Leidt kennis tot beschaving? Ook hogeropgeleiden oordelen hard over anderen. Met één verschil: voor hun favoriete vorm van discriminatie is maar weinig aandacht.” Zo opent het artikel. Daarna wat voorbeelden: “Een Utrechts café weigert mbo-studenten. Universitair studenten en hbo’ers mogen naar binnen met een pasje Promovendum biedt verzekeringen voor hogeropgeleiden. Wie op het mbo heeft gestudeerd, betaalt meer. Want, zo redeneert Promovendum, mbo’ers rijden hun auto vaker in de prak. E-Matching biedt dating voor hbo-studenten en academici die niet langer in hun eentje hoogopgeleid willen zijn. En een socioloog stuitte in haar onderzoek op zwangerschapsgymnastiek voor hogeropgeleiden. (Je hoort het zo’n toekomstige moeder zeggen: ‘Mijn foetus is hoogbegaafd.’).” Hij gaat verder:“hogeropgeleiden zijn net mensen. Ze vormen een groep, om vervolgens neer te kijken op degenen die niet bij de groep horen.” Zo schrijft Visser. En waar ze op neer kijken: “In dit geval dus: de niet-zo-hoogopgeleiden. Elites, schrijft filosoof Michael J. Sandel in De tirannie van verdienste, zijn zo enorm veel waarde gaan hechten aan hun universitaire diploma dat het ze moeite kost om te begrijpen hoe hoogmoedig dat ze maakt, en hoe streng het oordeel is dat hun denken velt over iedereen die niet heeft gestudeerd.” Iets verderop haalt Visser een onderzoek aan onder middelbare scholieren. Hen werd een serie foto’s voorgelegd van mensen die ze moesten ordenen en wat bleek: “Van de vwo-leerlingen maakte ruim driekwart een indeling volgens een hiërarchie. Ze plaatsten mensen met veel status bovenaan en met weinig status onderaan. Bijna de helft van de vmbo-leerlingen maakte géén indeling op basis van hiërarchie, terwijl ze wel degelijk wisten dat zo’n maatschappelijke ladder bestond.” In een gesprek hierover met beide groepen bleek dat: “vwo’ers geregeld neerbuigend over mensen die niet naar het vwo waren geweest,” uitlieten. Niet allemaal wordt er meteen bij gezegd. Ook bepalen hogeropgeleiden voor een flink deel hun stemgedrag op een andere manier: “mensen die naar het hbo of de universiteit zijn geweest een sterke voorkeur voor politici met een soortgelijke opleiding.” De eerste reflex van velen zal zijn: schandalig die discriminerende hogeropgeleiden.

Ik dacht iets anders. Ik vroeg me af wat de voorbeelden van de verzekeraar, de ‘koppelsite’ en de ‘zwangerschapsgym zeggen over hogeropgeleiden? Ze zeggen iets over bedrijven die ergens een slaatje uit denken te kunnen slaan. Ze zeggen niets over hogeropgeleiden in het algemeen en zelfs niet over de hogeropgeleiden die er gebruik van maken. Ook het ‘deurbeleid’ van die kroeg zegt niets over hogeropgeleiden. Het onderzoek met de foto’s zegt iets over hoe mensen de wereld ordenen. Zelfs de VWO’ers die in vervolggesprekken denigrerend spreken over anderen, zeggen niets over hogeropgeleiden. Dat zij andere politici kiezen of beter gezegd politici op een andere manier, wil ook niet zeggen dat ze discrimineren. Het zegt alleen dat velen van hen op een andere manier politici kiezen. Echt bijzonder is het aanhalen van Sandel. Sandel spreekt inderdaad over een elite, alleen betwijfel ik ten zeerste of de elite waar hij het over heeft, iedereen omvat met een VWO-diploma zoals Visser lijkt te suggereren.

Demagogie. Wikipedia geeft vier vormen van demagogie: “Getalsdemagogie – het vergelijken van niet vergelijkbare grootheden. Valse autoriteit – zich baseren op de autoriteit van iemand die in het bediscussieerde onderwerp geen expert is. “Voor of tegen” – aannemen dat er slechts twee mogelijke meningen zijn over een bepaald onderwerp. Niet gerelateerde feiten – feiten te berde brengen die klinken alsof ze de mening van de spreker ondersteunen.” De voorbeelden van Visser en zijn gebruik van Sandel lijken van de laatste soort.  Om op basis van de voorbeelden hierboven te concluderen dat hogeropgeleiden zich schuldig maken aan diplomisme en dat: “al die hogeropgeleiden helemaal niet zo moreel verlicht zijn,” gaat wel heel erg ver en grenst aan demagogie.

 Er is nog iets wat mij aan demagogie doet denken. Dat is het gebruik van het woord discriminatie. Discriminatie is: “ongeoorloofd onderscheid dat gemaakt wordt op grond van bepaalde, m.n. aangeboren kenmerken zoals ras, geslacht, leeftijd, seksuele geaardheid.” Visser lijkt te suggereren dat alle onderscheid discriminatie is. Mag iemand zijn partner zoeken onder alleen hoogopgeleiden. Mag een kroeg deurbeleid voeren? Interessante vragen die mij aan het essay Overpeinzingen bij Little Rock van Hannah Arendt doen denken.

Even voor degenen die het niet weten. In 1957 moest een middelbare school in  Little Rock, de hoofdstad van de Amerikaanse staat Arkansas, negen zwarte leerlingen toelaten. Dit omdat de Hoge Raad had geoordeeld dat de school deze negen leerlingen niet mocht weigeren. Een uitspraak van de hoogste rechter, en dat is de Hoge Raad in de Verenigde Staten, moet gestand worden gedaan. Dat was echter tegen het zere been van gouverneur Faubus van de staat, die stuurde de Nationale Garde om dit te verhinderen. Daarop kon president Eisenhower niets anders dan ingrijpen. Hij stuurde de 101e luchtlandingsdivisie en gaf hen de opdracht de negen kinderen te beschermen en ervoor te zorgen dat ze de school konden bezoeken. Dit gebeuren was voor Arendt de aanleiding tot haar overpeinzingen.

Dan naar de overpeinzingen. Arendt onderscheidt drie werelden of sferen: de privé sfeer, de sociale sfeer en de politieke sfeer. Binnen die drie werelden bekijkt ze de rol van gelijkheid. Over de privé sfeer zegt ze het volgende: “… -het gebied van het privé leven – wordt noch door gelijkheid noch onderscheid maken beheerst, maar door exclusiviteit. Hier kiezen we de mensen met wie we ons leven willen doorbrengen, namelijk persoonlijke vrienden en mensen van wie we houden; en onze keuze wordt niet bepaald door overeenkomst of kwaliteit die door een groep mensen worden gedeeld – ze wordt zelfs niet bepaald door welke objectieve maatstaven en regels dan ook – maar richt zich, onverklaarbaar en onfeilbaar, op één persoon in zijn of haar uniciteit, zijn anders zijn dan alle andere mensen die we kennen.[1]” Als ik Arendt goed begrijp dan kan er in de privé sfeer geen sprake zijn van discriminatie.

Dan het andere uiterste, de politieke sfeer. In de politieke sfeer is, zo betoogt Arendt, gelijkheid absoluut. Het is “haar innerlijke principe.” In het politieke domein: “daar zijn we allemaal gelijk.” Die gelijkheid wordt: “in de eerste plaats geconcretiseerd in het stemrecht; volgens dat recht staan het oordeel en de mening van de hoogst geplaatste burger op één lijn met het oordeel van de persoon die nauwelijks kan lezen en schrijven.” Integraal onderdeel van die gelijkheid is: “Passief kiesrecht of het recht voor een ambt te worden gekozen.[2]  In deze sfeer geldt artikel 1 van de Grondwet: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

Als laatste de sociale sfeer, de samenleving. Dit is het domein dat we instappen als we ons huis verlaten. De samenleving: “is dat merkwaardige, wat hybridische gebied tussen het politieke en het persoonlijke waarin sinds het begin van de moderne tijd de meeste mensen het grootste deel van hun leven hebben doorgebracht.” En wat gelijkheid is voor de politieke sfeer, is discriminatie voor de samenleving, zo betoogt Arendt. Discriminatie niet in haar betekenis van achterstellen, maar in haar betekenis van onderscheid maken. Naar die sfeer worden we gedreven: “door (de) noodzaak in ons onderhoud te voorzien, ertoe aangetrokken door het verlangen onze talenten te ontplooien of ertoe aangelokt door het genoegen van gezelschap.” Daarbij kiezen we ons gezelschap, daarbij worden we, zoals Arendt het schrijft: “onderworpen aan het aloude adagium ‘soort zoekt soort’, dat het gehele domein van de samenleving in zijn oneindige variëteit van groeperingen en sociale verbanden beheerst.[3] Je gaat op voetbal en wel bij die club omdat de mensen daar het beste bij je passen. Je gaat naar een concert van band x omdat die muziek bij je past. De spiegel daarvan is dat een vereniging je mag weigeren. Zo zal je bij de naaktzwemclub worden geweigerd als je per se een boerkini aan wilt. Net zoals je wordt geweigerd als je in je nakie bij de boerkini zwemclub wilt. Zo mag, zoals enkele jaren geleden in Noord-Ierland, een bakker weigeren een taart met daarop de slogan ‘steun het homohuwelijk’ te bakken voor een huwelijk van twee mannen. Net zoals de bakker ook geen taart hoeft te bakken voor iemand die ‘eigen volk eerst’ erop wil. Dit weigeren gaat volgens Arendt niet op voor: “diensten die, of ze nu particulier of publiek eigendom zijn, in feite openbaar zijn, diensten die iedereen nodig heeft om zijn zaken te behartigen en zijn leven te leiden. Al behoren deze diensten niet strikt tot het politieke domein, ze bevinden zich wél in het publieke domein waar alle mensen gelijk zijn.[4]” Daar waar de bakker mag weigeren een taart met spreuk te bakken, mag het busbedrijf niet weigeren iemand te vervoeren.

Als we Arendts betoog in het achterhoofd houden, rekt Visser discriminatie dan niet erg ver op? Ver door onderscheid dat mensen in de privésfeer maken zoals met wie je date en op wie je stemt eronder te laten vallen? Ja, de stemkeuze heeft gevolgen voor de politieke sfeer, maar dat maakt niet dat de stemkeuze tot de politieke sfeer behoort. Ver door onderscheid dat mensen in de sociale sfeer maken, de zwangerschapsgym- en verzekeringskeuze tot ongeoorloofd te bestempelen. Ver door onderscheid dat van ondernemers die niet tot het publieke domein behoren, die kroeg en verzekeraar, ongeoorloofd te noemen. Je kunt, de keuze van die kroeg en verzekeraar, naar mijn idee terecht, niet fraai vinden,  je kunt de keuze verzekeraar al is het alleen maar een reclame-uiting, naar mijn idee ook terecht, schadelijk vinden, het is geen discriminatie in de zin van ongeoorloofd onderscheid maken.

Bedrijft Visser geen demagogie door, om het cru te formuleren, alle onderscheid tot discriminatie te bestempelen?


[1] Hannah Arendt, Verantwoordelijkheid en Oordeel, pagina 234

[2] Idem, pagina 230

[3] Idem, pagina 231

[4] Idem, pagina 233

Uitgelicht

Boerenverstand

‘Boerenverstand’ en dan nog het liefst met het woord ‘gezond’ ervoor. Die woorden hebben we de afgelopen weken vaak gehoord. Bij de Correspondent een column van Tessa Sparreboom over ‘boerenverstand’. Sparreboom plaatst het tegenover ‘vernuft’: “Nodeloos ingewikkeld doen versus één-en-één-is-twee-denken. In die tegenstelling is vernuft bijna valsig, met alle gedachtekronkels en omwegen die erbij horen, en heeft de rechtlijnigheid van het boerenverstand juist iets eerlijks.” Hieraan moest ik denken bij het lezen van het interview in de Volkskrant van twee pagina’s met de sinds deze week beroemdste boerenzoon Jouke Hospes en zijn familie.

Bron: pixabay

“De broers hebben hun toekomst altijd al gezien op de boerderij waar ze wonen. Maar nu de stikstofplannen naar buiten zijn gebracht, en blijkt dat hun boerderij met meer dan de helft moet inkrimpen, voelt het alsof hun leven van hen af wordt genomen.” Zo lees ik in het artikel. “‘We wilden onze stem laten horen’, zegt Sytse. Vader Jan: ‘Als je dat nu niet doet, ben je te laat. Want over twee jaar houdt het op deze manier voor ons gewoon op.’” Als je mij als kind tot een jaar of twaalf, dertien vroeg wat ik wilde worden, dan kreeg je boer als antwoord. Ik ben het niet geworden omdat ik in begon te zien dat het overnemen van het bedrijf van mijn vader erg lastig zou gaan worden. Mijn vader kon overleven omdat hij niet meeging in de met geleend geld gefinancierde schaalvergroting van de jaren zeventig. Hij deed het tegenovergestelde. Hij betaalde de lening af en kon met zijn kleine bedrijf zijn gezin goed onderhouden omdat hij zijn kosten laag hield. Het op dezelfde voet voortzetten van het bedrijf was voor mij onmogelijk omdat ik het eerst zou moeten kopen en dat kon alleen maar door een lening af te sluiten. Ook mijn tweede carrière voorkeur werd het niet. Het ontbrak me aan voldoende talent om het werkelijk tot profvoetballer te schoppen.

 Nu waren er begin de jaren zeventig ook boerenprotesten. Ook toen zagen boeren en boerenzoons hun ‘manier van leven’ ophouden. Toen door de schaalvergroting. De overgrote meerderheid van die boeren en boerenzoons hebben daarna een andere bezigheid gevonden. Net zoals ik een andere bezigheid heb gevonden toen eerst het boeren en later het voetbal om verschillende redenen niet voor me waren weggelegd.

Maar terug naar dat ‘boerenverstand’ waarmee ik begon. “‘Ik ben ook niet boos op de politie’, zegt hij. ‘Maar wel op die man die schoot. Die mankeert wat.’ Jan: ‘We hebben in Friesland met de demonstraties heel goede contacten met de politie gehad. Veel agenten balen hier ook heel erg van.’ Tjitske: ‘Maar tegen deze agent gaan we wel aangifte doen, die moet niet meer in het veld.’”  Zo lees ik in het interview dat begeleid gaat met een foto met erop de lachende leden van het gezin aan de, ik neem aan, keukentafel. Nu is het niet aan de familie Hospes om te bepalen of een agent wel of niet meer het veld in moet. En of die agent wat mankeert of dat het verhaal toch iets anders ligt dan de zestienjarige Jouke het verteld, weet ik niet.

Wat ik me met mijn verstand van een boerenzoon wel afvraag, is of er bij de ouders van de jongen niet iets mankeert aan het boerenverstand? Trouwens niet alleen de ouders, ook de journalisten Maud Effting en Willem Feenstra die het interview afnemen. In het interview mis ik een cruciale vraag: welke ouder staat het zijn minderjarige kind van zestien toe om met een tractor met aanhanger naar een demonstratie te gaan? Een kind waaraan een kroegbaas nog geen pilsje mag serveren maar van de ouders wel met de tractor mag gaan demonstreren? En niet in dit interview, ook door al die ‘pratende hoofden’ in de talkshows die hier deze week uitgebreid aandacht aan schonken, werd die vraag niet gesteld. Mankeert er iets aan mijn boerenzonenverstand omdat ik de enige lijk die zich dit afvraagt of is die vraag en dus mijn manier van denken ‘nodeloos ingewikkeld’?

Uitgelicht

Leugens en halve waarheden

‘Besteed daar toch geen aandacht aan’, dat zal mijn partner zeggen als ze de aanleiding voor deze Prikker leest. Zoals altijd antwoord ik haar dan met de woorden dat ik mezelf de opdracht heb gegeven om ‘kromme redeneringen en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak te stellen’ en dat hier sprake is van meer dan dat.

Bij De Dagelijkse Standaard kwam ik een bericht tegen met als kop erboven: Pepijn van Houwelingen: de ware aard van de Tweede Kamer is totalitair en enorm griezelig. Stevige woorden die mijn aandacht trokken. “De Kamer heeft altijd grote woorden over het belang van burgerrechten, democratie, diversiteit, de integriteit van het menselijk lichaam. Maar hoe stemmen ze nou als puntje bij paaltje komt?” Zo lees ik in het artikel en hoor ik Kamerlid Van Houwelingen zeggen als je op het erin opgenomen twitterberichtje klikt. Gelukkig, zo zouden we moeten constateren, is daar de ‘ridder op het witte paard’ de ‘prins die sneeuwwitje wakker kust’ in de vorm van het Forum voor Democratie. Die dwingt de ander partijen en dus de Kamer om via stemming hun ware gezicht te laten zien. En dat gezicht is, als we Van Houwelingen mogen geloven, een ‘inhumaan en totalitair gelaat’. Dat is nogal een beschuldiging.

Bron: pxhere

Van Houwelingen: “Als het bijvoorbeeld gaat over dezelfde rechten voor gevaccineerden en ongevaccineerden, dan stemt de Kamer daar tegen. Dat willen ze niet garanderen” Dat is nogal een bewering. Je vaccinatiestatus mag, daar komt Van Houwelingens betoog in de basis op neer, niet gebruikt mogen worden om je de toegang tot een kroeg of voetbalstadion te weigeren. Want als je dat doet, dan is er sprake van discriminatie. Bij die redenering plaatste ik eind vorig jaar de nodige kritische kanttekeningen door onder andere te constateren dat er niet zoiets  bestaat als ‘het recht op de kroeg.’  Dat ga ik hier niet nog een keer overdoen.

Op de achtergrond een foto van de uitslag van de stemming en inderdaad stemde een meerderheid tegen de motie. Als je goed kijkt, dan zie je dat er boven die uitslag net iets anders staat dan Van Houwelingen beweert en dan in de motie is opgenomen. De motie: “verzoekt de regering om de rechten van ongevaccineerden te allen tijde te garanderen, opdat zij niet gediscrimineerd worden.”  Dat is net iets anders dan van Houwelingen beweert. De Kamer stemt niet tegen gelijke rechten voor de beide groepen, maar tegen het te allen tijde garanderen van de rechten van één groep.

Er is meer. Want wat niet in beeld staat, maar wat een integraal onderdeel is van de motie, is de overweging die eraan vooraf gaat, die luidt bij deze motie: “De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat het kabinetsbeleid het afgelopen jaar voor discriminatie van ongevaccineerden heeft gezorgd.” Voor Van Houwelingen een ‘altijd-prijs-motie’. Hadden de tegenstemmers ermee ingestemd dan had Van Houwelingen daar de trom over geroerd. Dan hadden de partijen die met veel kritische kanttekeningen met het coronabeleid hebben ingestemd, het verwijt gekregen dat ze zich schuldig hebben gemaakt aan discriminatie.

Dan een tweede motie. Ook daar stemde de Kamer met eenzelfde verdeling tegen. Nu is die motie zodanig geformuleerd dat je haar op verschillende manieren kunt uitleggen. Lees mee: “De Kamer, gehoord de beraadslaging, spreekt uit dat ongevaccineerden vanwege hun vaccinatiestatus nooit beboet of opgesloten mogen worden, en gaat over tot de orde van de dag.”  Wat staat hier? Staat hier dat de vaccinatiestatus nooit een reden mag zijn voor een boete of gevangenschap? Of staat hier dat ongevaccineerden nooit een boete mogen krijgen of gevangen mogen worden gezet? Vaccinatiestatus is geen reden om iemand te straffen, het is echter ook geen reden om iemand te vrijwaren van straf.

Maar laten we van het eerste uitgaan. Dat lijkt een redelijke eis. De vraag  is echter of er geen omstandigheden kunnen zijn waarbij een boete of straf nodig is. Het aannemen van deze motie maakt dat onmogelijk. Het niet aannemen van deze motie houdt deze mogelijkheid open. Maar het openhouden van deze mogelijkheid betekent niet dat je vaccinatiestatus nu een reden is voor een boete. Voordat het zover is, als die specifieke omstandigheid zich ooit voordoet, stroomt er nog het nodige water door de Maas en zal de Kamer dan een afweging moeten maken of een boete of gevangenschap passend is. De motie betekent niet dat de rechten van ongevaccineerden daarmee niet veilig zijn. Ze zijn net zo veilig als de rechten van gevaccineerden. Het aannemen van die motie zou juist ongelijke behandeling mogelijk maken. De motie laat namelijk het beboeten en gevangenzetten van gevaccineerden open.

Dan een derde motie die Van Houwelingen in zijn korte filmpje aanhaalt. Een motie waarin de regering wordt verzocht: “om bij het samenstellen van het OMT rekening te houden met meerdere perspectieven en ervoor te zorgen dat «tegendenkers» ook vertegenwoordigd zijn.”  Dit omdat, zo is in de overweging te lezen: “uiteenlopende meningen belangrijk zijn om tot een weloverwogen besluit te komen.”  Ook deze motie werd met eenzelfde stemverdeling verworpen. Nu gaan mijn haren recht overeind staan als ik lees dat ‘uiteenlopende meningen’ belangrijk zijn om tot een weloverwogen besluit te komen. Een besluit moet worden genomen op basis van argumenten en kanttekeningen bij de verschillende keuzemogelijkheden. Argumenten en kanttekeningen die zo goed als kan worden onderbouwd met feiten en de wetenschappelijke inzichten. Niet op meningen. Dit even terzijde.

Het bijzondere aan deze motie is dat er wordt uitgegaan van een niet onderbouwde vooronderstelling. De vooronderstelling dat er geen ‘tegendenkers’ in het OMT zitten. Het aannemen van deze motie zou de leden van het OMT diskwalificeren tot ‘eenheidsdenkers’. Tot weinig kritische personen die allemaal precies hetzelfde over zaken denken. Tot personen die slechts vanuit één perspectief denken. Dat het OMT uiteindelijk met een advies komt, wil niet zeggen dat alle leden van de club de zaak hetzelfde zien, dat er geen andere perspectieven zijn binnen het OMT, dat er niet ‘tegen wordt gedacht’. Bovendien lijkt het me lastig omdat je van tevoren niet weet wie voor- en wie tegendenkt. Je weet immers niet wat je voor je kiezen gaat krijgen en hoe de anderen erover denken.

Als laatste een motie waarin de regering wordt verzocht om: “om de ic-capaciteit te verdubbelen om een lockdown te voorkomen.”  Dit: “overwegende dat de ic-capaciteit het grootste pijnpunt is gebleken de afgelopen twee jaar.” Dit verzoek kon op nog minder steun rekenen dan de vorige drie moties terwijl het zo redelijk lijkt. Bijzonder dat een partij die COVID 19 maar een ‘gewoon griepje’ vindt, pleit voor het verdubbelen van de ic-capaciteit. Zou dat griepje dan toch niet zo ‘gewoon’ zijn? Dit, net zoals de vraag hoe Van Houwelingen de relatie tussen burgererechten en een verdubbeling van de ic-capaciteit ziet, even terzijde.

Terug naar die verdubbeling van de ic. Als de afgelopen twee jaar iets hebben geleerd dan is het dat er grote schaarste is aan voldoende verplegend personeel. De intensive care is het einde van de zorgketen. In geval van COVID 19 kom je er pas terecht als het heel erg met je is gesteld. Dat betekent dat je eerst de rest van de keten door moet voordat je er terecht komt. Nu kan ook een verdubbelde ic zo vol raken dat er andere maatregelen genomen moeten worden. Dus ook met deze maatregel is een lockdown niet uitgesloten. Het overgrote deel van alle mensen die op die verdubbelde ic komen, komen eerst terecht op de reguliere verpleegafdeling. Als er twee keer zoveel mensen met COVID 19 op de ic liggen, dan liggen er ook twee keer zoveel mensen op de reguliere verpleegafdelingen. Dan zijn er ook twee keer zoveel mensen die met de ziekte kampen. Dan zijn er twee keer zoveel onderwijzers, leraren, politieagenten enzovoorts ziek. Maar ook minstens twee keer zoveel zieke zorgmedewerkers. Wellicht kan die verdubbelde ic het dan aan, de rest van de zorgketen in ieder geval niet.

Twee keer zo veel zieken betekent dat er ook meer mensen zullen sterven. Meer mensen die blijvende gezondheidsschade oplopen. Hoe humaan is dit? Mensen die rechten hebben en een van die rechten is dat zij van de overheid mogen verwachten dat die maatregelen treft ter bevordering van de volksgezondheid (artikel 22 van de Grondwet). Het bevorderen van de volksgezondheid betekent onder andere het bestrijden van besmettelijke infectieziekten. Bescherming tegen ziek worden, dus liefst het voorkomen dat ze besmet raken. Daar helpen ic’s niet bij. Daar helpen vaccinaties, afstand houden en soms een lockdown bij.

Een ‘inhumaan en totalitair gelaat’ van de Kamer of halve waarheden en hele leugens?

Uitgelicht

Kindslaven

19 september 1874. Een bijzondere dag in de geschiedenis van Nederland. Slavernij was tien jaar eerder afgeschaft en ook de periode dat de voormalige slaven nog verplicht moeten uitwerken bij hun voormalige slavenhouder was al voorbij. Op die dag werd de eerste wet tegen kinderarbeid aangenomen. De wet is bekend geworden als het Kinderwetje van Van Houten. Samuel van Houten was de liberale politicus achter deze wet. De wet was gericht tegen ‘overmatigen arbeid en verwaarlozing van kinderen’. Vanaf dat moment was het in fabrieken en werkplaatsen te werk stellen van kinderen tot twaalf jaar verboden. Van Houten wilde een algeheel verbod op arbeid door kinderen tot twaalf jaar maar de Kamer zwakte zijn voorstel af waardoor arbeid op het land door kinderen tot twaalf jaar geoorloofd bleef. Omdat mankracht voor toezicht op de nieuwe wet vooraleerst nog ontbrak, duurde het nog enige tijd voordat arbeid in fabrieken en werkplaatsen door kinderen tot twaalf jaar werkelijk tot het verleden behoorden. Ik moest aan Van Houtens wetje denken bij het lezen van een interview met Humphry Lamur op de site OneWorld.

Een groepje arm geklede kinderen juicht Van Houten toe vanwege ‘Het kinderwetje van Van Houten’ . Hij drukt een vrouw met een baby op de arm de hand. Plaat verschenen bij het weekblad De Nederlandsche Spectator, nr. 27, 1874. Bron: Rijksmuseum

Lamur is emeritus-hoogleraar culturele antropologie. Hij: “was in de jaren 70 een van de eerste Nederlandse academici die onderzoek deed naar het Nederlandse slavernijverleden in Suriname, “ zo is in het artikel te lezen. Lamur heeft een negentigtal publicaties op zijn naam staan, voor een groot deel gewijd aan levens van slaven in Suriname en de wreedheden op plantages, zo lees ik. “Ik heb het idee dat de gemiddelde Nederlander, ook Afro-Surinamers, de gruwelijke details van de slavernij niet kent,” zo betoogt Lamur en daar kon hij wel eens gelijk in hebben. Kennis van het verleden is dun gezaaid in dit land. Lamur zelf geeft daarvan een mooi voorbeeld als hij verhaalt over zijn overgrootmoeder Eliza Lamur. “Jullie spelen alleen maar. Ik moest als kind werken, ik was een werkslavin,” zo sprak zij haar spelende achterkleinkinderen toe. Lamurs overgrootmoeder was zeven toen de slavernij in 1863 werd afgeschaft zo ontdekte hij toen hij als student in de Amsterdamse archieven op onderzoek uitging. Eliza Lamur bleek als ‘werkcreool’ te boek te staan. “Hoe kon zij als vijf- of zesjarige al slaaf zijn? …  Ik kon het me daarvoor niet voorstellen, dat de Nederlanders zo wreed waren om zulke kleine kinderen uit te buiten.”

Zo wreed waren die Nederlanders dus wel. En niet alleen voor slaven onder de twaalf jaar. Het zou bijzonder zijn als slavenkinderen tot twaalf vrijgesteld zouden zijn van arbeid. Dat veranderde dus pas in 1874. Tenminste voor wat betreft het werken in een fabriek of werkplaats, in de landbouw werkten de kinderen daarna nog gewoon door. Daar kwam pas in 1901 een einde aan met de invoering van de leerplicht. Nou ja alleen een einde voor de tijd dat ze op school zaten. Na schooltijd konden ze nog steeds aan het werk en de schoolvakanties waren zo gepland dat de kinderen in de drukke zomerperiode gewoon beschikbaar waren voor de arbeid op het land. Lamurs verbazing in zijn jonge jaren laat zien dat niet alleen de ellende van slaven maar ook de ellende van de overgrote meerderheid van de bevolking van Nederland onbekend is. Zo wreed waren ze voor alle kinderen onder twaalf totdat Van Houtens wetje daar een einde aan maakte. Trouwens niet alleen de Nederlanders. Over de hele wereld was het gewoon dat kinderen werkten zodra ze daar fysiek toe in staat waren want ja, wat moesten ze anders doen?

Zo wreed was het verleden. Als je er echter met de ogen van een zestiende- of zeventiende-eeuwer naar kijkt dan zal die heel goed begrijpen dat kinderen moesten werken. Het was immers van alle tijden dat kinderen mee gingen helpen op de keuterboerderij zodra ze iets konden. Pas in de negentiende eeuw werd dat onderwerp van discussie en dan vooral als gevolg van de opkomende industrie. Vooral de erbarmelijke arbeidsomstandigheden en de lange arbeidstijden in de fabrieken maakte kinderarbeid wreed. En dat wakkerde verzet ertegen aan. In Het Kapitaal van Karl Marx zijn veel beschrijvingen van de schrijnende arbeidsomstandigheden van arbeiders in het algemeen en kinderen in het bijzonder te lezen. Marx beschreef vooral de Engelse situatie en laat daarbij zien hoe wetten ter bescherming van kinderen werden omzeild. De situatie in Nederland was niet anders, zo laat het geschrift Kinderarbeid uit 1863 van de schrijver en kunstenaar Jacobus Johannes Cremer zien. Een aanklacht tegen respectievelijk de ouders, maar die weten niet beter omdat ze zelf zo zijn opgegroeid, maar vooral tegen de fabrikanten, de politici en de koning omdat die er niets tegen doen.

Lamur vraagt terecht aandacht voor de menselijke verhalen van slaven. Die zijn: “belangrijker dan excuses of het economische verhaal. Dat er over de ruggen van mensen is verdiend, is slecht. Maar belangrijker vind ik: wat hebben de vernederingen veroorzaakt? De slavernij is voorbij, maar ik ben er nog. Wat heeft het gedaan met mij? Met de generatie van mijn vader, grootvader? Ik denk dat het mentaal doorwerkt in huidige generaties.” Bij het schrijven van dergelijke verhalen is het wel belangrijk dat die verhalen wel in hun tijd worden geplaatst. Die tijd was heel anders dan de huidige en vooral heel anders dan wij denken dat hij was. Dat de overgrootmoeder van Lamur moest werken, was niet bijzonder in die tijd. Daarin verschilde ze niet van de overgrote meerderheid van kinderen in Nederland. Het bijzondere was dat ze eigendom van iemand was en dat anderen dan haar ouders zeggenschap over haar hadden.

Uitgelicht

Flagellanten

Flagellanten. Nu zal menig lezer zich afvragen Wat? Wie? Flagellanten of geselbroeders kwamen op in de tweede helft van de dertiende eeuw en deden het vooral goed in tijden van crisis. Tijdens de pestepidemieën van de veertiende eeuw nam het ‘flagellantisme’ als dat een goed woord is, een grote vlucht. Groepen flagellanten trokken van plek naar plek en voerden daar steeds hetzelfde ritueel uit. Ik moest hieraan denken bij de boerenprotesten.

Carl von Marr: Die Flagellanten, 1889, Museum of Wisconsin Art. Bron: https://jenikirbyhistory.getarchive.net/media/carl-von-marr-flagellanten-4add32

Eerst het flagellantenritueel. Vaak voorafgegaan door kaarsendragers gingen ze in het wit gekleed naar de plaatselijke kerk. Daar ontdeden ze zich van hun bovenkleding en bedekten hun onderlijf met witte doeken en liepen zichzelf geselend rondjes. Ze begonnen geselliederen te zingen en zweepten zich op het ritme van de muziek af. Na zo’n eerste ronde vielen ze op hun knieën en geselden ze zich nog wat meer. Dit herhaalde zich daarna nog twee keer vaak met nog pijnlijkere voorwerpen. Het geheel werd afgesloten met de ‘geselaarspreek’ die rechtstreeks van god zou komen en voor de toehoorders was bedoeld. Daarna vertrokken ze weer naar de volgende plek en daar herhaalde het ritueel zich de volgende dag. Ze waren populair bij een flink deel van het volk omdat ze zich niets van de kerkelijke hiërarchie aantrokken en omdat men geloofde dat hun zelfkastijding god gunstig zou stemmen waardoor er een einde zou komen aan de crisis. Zo waren de flagellanten en ook grote delen van het volk ervan overtuigd dat deze manier van boetedoening de pest een halt zou toeroepen. Het tegendeel was echter het geval. Hun trektocht maakte het de pest makkelijker om zich te verspreiden.

Terug naar het heden. Wie in dit land niets heeft meegekregen van de protesten van de boeren, heeft onder de welberoemde steen gelegen of lag in coma. Je kunt geen krant openslaan, geen nieuwsitem of actualiteiten programma aanklikken of er zijn tractoren te zien. Ze staan, in een toenemende mate van minder fraaiheid en de goeden niets te na gelegd, voor provincie- en gemeentehuizen op wegen en pleinen om zo het verkeer te hinderen en zelfs voor woonhuizen van bestuurders en politici. Dit opgeschilderd met ludieke, serieuze maar ook beledigende en bedreigende teksten op spandoeken. Er zijn poppen opgehangen en mensen bedreigd waaronder ook een ondernemer die in opdracht van de politie een tractor wegsleepte. Er zijn hooibalen in brand gestoken, bomen omgezaagd, giertanks geleegd en politieauto’s vernield. Politici, meningenmensen en media geven afhankelijk van hun opvattingen de ene of de andere partij de schuld. Anderen die voor voor gekke Jetje, marionet van deze of gene, voor dictator of de duivel in eigen persoon uitgemaakt. En er wordt in (burger)oorlogstermen gesproken.

Vorig jaar werd er ook geregeld gedemonstreerd en gereld. Toen vooral tegen coronamaatregelen. Afgezien van de tractoren, zag dat er hetzelfde uit. Verwensingen en bedreigingen aan het adres van politici, bestuurders, journalisten en wetenschappers. Geweld tegen de politie en vaak ook nog tegen brandweermensen en ambulancepersoneel. En ook weer politici, meningenmensen en media die, afhankelijk van hun opvattingen, de ene of de andere partij de schuld gaven en voor gekke Jetje, voor marionet van deze of gene, voor dictator of de duivel in eigen persoon uitmaakten.

De overheid moet het hierbij steevast ontgelden en fungeert als kop-van-Jut. En wat doet die overheid? In plaats van problemen aan te pakken verzandt ze in onderzoeken naar hoe het zo is gekomen en in het zich ver-excuseren voor zaken die met de kennis van nu in het verleden fout zijn gegaan. Laat je je als bestuurder uit het verleden niet verleiden tot een mea culpa over je met de kennis van nu fouten van toen, maar probeer je gewoon uit te leggen hoe er toen met de kennis van toen werd gehandeld, dan kun je, zoals voormalig minister Annemarie Jorritsma voor de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen overkwam, op weinig bijval en zelfs ergernis rekenen. In plaats van de problemen aan te pakken verzandt ze in overleggen met en het betrekken van alles en iedereen om maar iedereen tevreden te krijgen. Polderend voor draagvlak verzandt alles in één grote brei. Al polderend worden er bakken met geld uitgegeven aan bijvoorbeeld een ‘vluchtelingenboot’ in Velsen-Noord om een halfjaar lang asielzoekers in onder te brengen. Daarna moet ‘de boot’ maar vooral het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) op zoek naar een andere ‘ankerplaats’ alwaar het hele poldercircus opnieuw begint en stort de omgeving van de nieuwe ‘ankerplaats’ de kar met stront weer uit over de burgemeester aldaar en de man van het COA die de boodschap moet komen brengen. Al polderend ontstaat er vooral weerstand en weinig draagvlak

De overheid, en daarom moest ik aan de flagellanten denken, geselt zich als een flagellant die in plaats van godsbarmhartigheid zoekt naar een blijk van goedkeuring van de burger. Het flagellantisme van de overheid nu lijkt daarbij eenzelfde effect te hebben als het Middeleeuwse in de tijden van de pest. Hoe meer zij zich geselt met mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa, hoe meer de hedendaagse ‘wantrouwenspest’ zich verspreidt.

Politici die hun standpunt baseren op peilingen of nog erger, uitspraken in de asociale media. Politici die, zoals FvD-Kamerlid Van Meijeren begrip kunnen opbrengen voor mensen die anderen bedreigen of die dat zelf doen, zoals zijn collega Van Houwelingen. Burgers die denken dat hun mening de waarheid is. Die denken dat hun belang meteen het algemeen belang is en dat hierdoor alles geoorloofd is. Burgers, zoals FDF voorman Van den Oever, die zeggen niet uit eigen belang te handelen maar die ‘voor een goede prijs te koop is.’ Media die, bang om de aansluiting met ‘het volk’ te missen, een platform geven aan zo ongeveer iedereen die ergens ontevreden over is. Zo kreeg Michel Reijinga, de man van twaalf ambachten en dertien ongelukken vijf pagina’s in de Volkrant om zijn ‘verhaal’ te verkondigen en zichzelf op de borst te kloppen. En de al genoemde Van den Oever kreeg alle ruimte om de kinderen van staatsecretaris Van der Wal voor ‘pussy’ uit te maken.

Recentelijk las ik het boek Democratie op wankele bodem van Donald Loose. Een zeer interessant boek waarin de inherente spanningen in een democratische samenleving worden behandeld. Spanningen vanwege de onoplosbare zoektocht tussen vrijheid en gelijkheid. Spanningen waardoor democratie een werkwoord is. Ze is nooit af of klaar maar altijd ‘under construction’. Bij de boerenprotesten moest ik denken aan de volgende passage: “Juridische regels, rechten en plichten zijn niet voldoende om een democratie overeind te houden. Zonder morele verantwoordelijkheid bij politici en burgers is de democratie een gevaarlijk spel. Ze kan zichzelf vernietigen en bij meerderheid opheffen.” Als het ergens aan lijkt te schorten dan is het aan morele verantwoordelijkheid. Onze democratie is in last. Looses oplossing: ‘Opvoeding – Bildung bij regeerders en burgers – is vereist om burgerzin draagvlak te kunnen bezorgen in de samenleving.[1] Maar ja, zolang burgerzin wordt vertaald in Wilhelmuskunde waar voormalig CDA-leider Buma voor pleitte en zolang ‘burgerschap’ maar een vak is en niet het doel is van het algemeen vormend onderwijs vrees ik dat er van die Bildung weinig terecht komt. En wordt de ‘wankele bodem’, om de titel van Looses boek aan te halen, onder onze democratie er niet steviger op.


[1] Donald Loose, Democratie op wankele bodem. Over de politiek en het politieke, pagina 347

Uitgelicht

Oorlogsmisdaad

Als middel in de strijd blokkeert Rusland de Oekraïense havens. Die blokkade belemmert de uitvoer van Oekraïens graan en daardoor dreigen er voedseltekorten en hongersnood vooral in delen van Afrika. Die dreigende hongersnood is natuurlijk zeer ernstig en we moeten er bijna alles aan doen om die te voorkomen. Bijna alles omdat ik niet denk dat de hongerenden gebaat zijn bij een nucleair conflict tussen Rusland en de Verenigde Staten. In het commentaar van Michael Persson in de Volkskrant las ik dat de Europese commissaris voor het buitenland Joseph Borell de blokkade van de Oekraïense havens door de Russische marine: “Een echte oorlogsmisdaad,” noemde. Een blokkade van havens een oorlogsmisdaad?

Tribunaal van Nürnberg. Bron https://www.nationaalarchief.nl/

Wat is een oorlogsmisdaad? Daarvoor maar eens even de site van het Openbaar Ministerie bezocht. Op die site een pagina over Internationale misdrijven. De volgende internationale misdrijven worden genoemd. Als eerste genocide. Ook daarvan beschuldigen Oekraïne en Rusland elkaar. De beschuldiging aan het adres van Rusland wordt door westerse landen overgenomen. Van genocide is, zo is te lezen: “alleen sprake (…) als iemand bepaalde misdrijven heeft begaan met het oogmerk om een bepaalde groep uit te roeien.” Of er in deze oorlog sprake is van genocide is zeer twijfelachtig. Maar dit terzijde. De andere internationale misdrijven zijn oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, foltering en gedwongen verdwijningen.

Borell beschuldigt Rusland van oorlogsmisdrijven. Dus laten we daar eens wat verder naar kijken. “Oorlogsmisdrijven zijn schendingen van de ‘wetten en gebruiken van oorlog’. In deze ‘wetten en gebruiken’ is vastgelegd op welke manier geweld mag worden gebruikt in een oorlog (‘gewapend conflict’). Deze regels zijn bedoeld om personen die niet meedoen aan een oorlog te beschermen.” Het inzetten van wapens die onnodig lijden veroorzaken, het vernietigen van steden en dorpen zonder militaire noodzaak, het aanvallen of bombarderen van onverdedigde objecten, het bezetten, of beschadigen van gebouwen met religieuze, wetenschappelijke of culturele functie en plundering worden omschreven als oorlogsmisdrijven. Oorlogsmisdrijven kunnen daarmee alleen maar worden gepleegd ten opzichte van personen en objecten die zich in het gebied waar de oorlog woedt, bevinden. Het lijkt mij dat het blokkeren van een haven daar niet onder valt.

Wat het verder bijzonder maakt is dat Borell de Russische blokkade van Oekraïense uitvoer een oorlogsmisdaad noemt terwijl de Europese Unie Rusland ‘blokkeert’ met allerlei sanctie. Het kan niet zo zijn dat het ene een oorlogsmisdaad is en het andere een legitiem middel. Vlak voor de Russische inval in Oekraïne schreef ik een Prikker met als titel Een westerse droom over de begrippen ‘territoriale integriteit’ en ‘zelfbeschikking’. Over deze begrippen concludeerde ik dat het: “gelegenheidsargumenten die al naar gelang het eigen inzicht en vooral het eigen belang worden gebruikt om dat inzicht en belang goed te praten.” Maakt Borell zich hier niet ook schuldig aan?