Uitgelicht

Vrijheid

Vandaag is het 5 mei en vieren we de vrijheid. Volgens sommigen hebben we in de strijd tegen het coronavirus onze vrijheid ingeleverd en krijgen we dat wat we hebben verloren nooit meer terug en zijn we in een dictatuur beland. Voor mij aanleiding om eens vanaf een afstandje, voor zover dat kan, naar vrijheid en het nu te kijken. Ik doe dat aan de hand van de State of the Union die de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt op 6 januari 1941 uitsprak[1].

Eerst even die ‘dictatuur’ waarin we volgens sommigen leven. Een bijzondere bewering die Alicja Gescinska in de Volkskrant van repliek voorziet met de woorden: “Alleen al het feit dat je zonder gevolgen kunt zeggen dat je in een dictatuur leeft, is het bewijs dat je niet in een dictatuur leeft. De gechargeerde kritiek op het beleid getuigt van een eenzijdig begrip van wat vrijheid en onvrijheid werkelijk betekenen.” Gescinska houdt vervolgens een pleidooi voor verbonden vrijheid: “Wanneer we als samenleving niet uiteen willen vallen in een strijd tussen hongerige wolven en verscheurde schapen, moeten we leren vrij zijn mét elkaar, niet ten koste van elkaar. Onze vrijheid is zoals onze menselijke natuur zelf: per definitie sociaal. We kunnen pas vrij zijn in onze verbondenheid met elkaar.” Een prachtig pleidooi voor broederschap.

File:Fietsers op de autosnelweg, Bestanddeelnr 926-8019.jpg - Wikimedia  Commons
Autoloze zondag. Bron: WikimediaCommons

Terug naar Roosevelts State of the Union. Roosevelt was net voor de derde keer gekozen als president van de Verenigde Staten. Het land was nog niet bij de oorlog betrokken, tenminste niet direct. Ondanks haar neutraliteit steunde de regering Roosevelt de Britten. Iets wat een kleine twee maanden later werd bekrachtigd in de Lend and Lease Act. De wet gaf de president de bevoegdheid om landen die voor de Verenigde Staten vitaal werden geacht te ondersteunen door hen materieel te lenen en verhuren. In zijn toespraak schetst Roosevelt een toekomstige wereld. Roosevelt schetst vier essentiële vrijheden die, als ze worden gewaarborgd, de wereld veiliger maken. Die vier zijn de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid om welke god op welke manier dan ook te aanbidden, de vrijheid of beter vrijwaring van gebrek en als laatste vrijheid of weer beter vrijwaring van vrees. Wat zien we als we onze huidige ‘coronamaatregelen wereld’ langs deze vier vrijheden leggen? Laat ik ze eens een voor een nalopen.

Als eerste de vrijheid van meningsuiting. Die lijkt mij volledig onaangetast. Iedereen kan zeggen, roepen, beweren, schrijven en uitzenden wat hij of zij wil: “behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet ,” zoals in artikel 7 van de Grondwet is beschreven. ‘Maar de mainstreammedia zijn eenzijdig en negeren andere opvattingen?’ Een interessante maar niet relevante vraag. Dat een krant weigert om jou mening te publiceren, dat een talkshow jou niet uitnodigt om je verhaal te vertellen, tast jouw vrijheid om je mening te uiten niet aan. Jouw vrijheid om je mening te uiten betekent niet de plicht van die krant of talkshow om jou te publiceren of te laten spreken. Media hebben geen ‘publicatieplicht’, zij bepalen zelf welke informatie zij publiceren. Ook onze belangrijkste vorm van meningsuiting, de verkiezing van onze volksvertegenwoordiging kon gewoon plaatsvinden. Wel op een iets aangepaste manier maar zonder merkbaar effect op de opkomst.  

Nog even terug naar ieders ‘verantwoordelijkheid voor de wet’. De roeper moet wel oppassen met het aanprijzen van zichzelf of anderen want dat zou wel eens onder de handelsreclame kunnen vallen want die wordt in het vierde lid van het Grondwetsartikel uitgezonderd van de vrijheid van meningsuiting. Of de door Baudet en anderen gemaakte en verspreidde poster waarop de vrijheid in 2020 eindigde onder de handelsreclame valt, dat laat ik over aan juristen en rechters. Het zou wel een interessante zaak zijn. Zeker properganda.nl, een soort communicatiebureau, zou zich wel eens op glad ijs hebben begeven.

Dan de vrijheid om welke god op welke manier dan ook aan te hangen. Ook hieraan wordt niet getornd. Het staat iedereen nog steeds vrij welke god dan ook aan te hangen en te vereren, weer aldus artikel 6 van onze Grondwet: “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.”  In kerkgebouwen mag men zijn geloof belijden zoals men wil en met zoveel mensen als men wil. Of zoals de overheid het schrijft: “Mensen die samenkomen voor hun geloof of levensovertuiging zijn uitgezonderd van de maatregelen voor samenkomsten. Dit betekent dat er geen regels zijn voor het maximaal aantal personen in een kerk, moskee, synagoge of ander gebedshuis. Ook is er geen verbod op zingen.” Wel geeft de overheid op dit terrein adviezen.

Dan Roosevelts derde vrijheid, de vrijwaring van gebrek: “which, translated into world terms, means economic understandings which will secure to every nation a healthy peacetime life for its inhabitants, everywhere in the world,” aldus Roosevelt. Die is in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in artikel 25.1 vertaald in: “Everyone has the right to a standard of living adequate for the health and well-being of himself and of his family, including food, clothing, housing and medical care and necessary social services, and the right to security in the event of unemployment, sickness, disability, widowhood, old age or other lack of livelihood in circumstances beyond his control.” Deze ‘vrijheid’ verdeelt de schaarste en correspondeert met Gescinska’s pleidooi voor vrijheid in verbondenheid met broederschap en een rechtvaardige wereld. In tijden van crisis dienen op dit terrein altijd vrijheden tegen elkaar worden afgewogen.

Op dit gebied beperken de coronamaatregelen vrijheden. Neem de medische zorg, die komt door het vollopen van de IC’s met corona patiënten voor mensen met een andere ernstige aandoening in gevaar. Dit probleem is echter niet aan de coronamaatregelen te wijten. Zonder die maatregelen zouden de IC’s ook en hoogst waarschijnlijk zelfs nog veel sneller, zijn volgelopen. Ook wordt een deel van de bevolking door de maatregelen beperkt in het verwerven van hun inkomen (lack of livelihood). Die vrijheidsbeperkingen worden gecompenseerd. Om hen te ondersteunen zijn er allerlei maatregelen genomen om grote ellende te voorkomen. De manier waarop dat is gebeurd en dat het niet overal en altijd in voldoende mate lukt, kun je bekritiseren, dat heb ik ook gedaan. Ook over de effectiviteit van verschillende maatregelen kun je van mening verschillen. Een noodsituatie leent zich er echter niet voor om eerst wetenschappelijk te onderzoeken of iets effectief is. Soms moet je het doen, om premier Rutte aan te halen, met 50% van de kennis en nog minder, en een besluit nemen. Zonder maatregelen zou deze vrijheid echter ook onder druk staan. Dan zou de livelihood van de beperkten wellicht beter zijn maar dat dan wel ten koste van ‘health and wellbeing’ van anderen.

Als laatste de vrijwaring van vrees. Roosevelt spits die toe op landen en omschrijft vrijwaring van angst als: “a world-wide reduction of armaments to such a point and in such a thorough fashion that no nation will be in a position to commit an act of physical aggression against any neighbor—anywhere in the world.” Daar kunnen we in het kader van corona niets mee. Of toch wel? Als we het handelen van landen bekijken bij het verkrijgen van vaccins, dan zien we dat met name Westerse landen hun wapens (geld) gebruiken ten kosten van arme landen. Je zou dat kunnen zien als het ‘plegen van agressie tegen je buren.’

Wat als we ‘vrijwaring van angst’ vertalen naar het individuele niveau? Dan zou geen individu de mogelijkheid moeten hebben een ander agressief te benaderen en te bedreigen. Op dit punt zien we een duidelijke afname van de vrijheid. Mensen, politie-agenten, journalisten en politici om drie voorbeelden te noemen worden bedreigd. Dit is niet nieuw, ook voor de corona-pandemie gebeurde dit al. De corona-pandemie heeft wel voor een toename gezorgd. Maar belangrijker, ze worden niet bedreigd door de overheid, de instantie die vrijheid kan beperken, maar door andere individuen.

Met onze vrijheid in coronatijd gaat het dus nog bijzonder goed. ‘Maar de avondklok dan? Die beperkte onze vrijheid toch?’  Inderdaad beperkte die je vrijheid om op bepaalde tijdstippen buiten te zijn. Als een tijdelijke maatregel om een crisis te bezweren kan dat worden gezien als een legitiem maar tijdelijk middel. Dat de maatregel tijdelijk was, is inmiddels duidelijk. Of het middel effectief was, daarover kun je van mening verschillen. Net zoals de ‘autoloze zondagen’ in 1973 een tijdelijke beperking van de vrijheid was.


[1] Voor degenen die deze State of the Union willen beluistere. Op deze Wikipediapagina kan dat

Uitgelicht

Vernieuwen volgens Van Haga

‘Besteed er toch geen aandacht aan.’ Dat is wat mijn partner en eindredacteur zal zeggen als zij deze Prikker leest. Ik zal haar nogmaals zeggen dat ik het juist als mijn taak zie om wel aandacht te besteden aan mensen die iets zeggen wat ver bezijden de werkelijkheid is. Je bent immers Ballonnendoorprikker of je bent het niet.

Het zal jullie niet ontgaan zijn dat het deze politieke week draaide om ‘de notulen’. En nu we het daarover hebben, lees alsjeblieft de column van Bert Wagendorp in de Volkskrant hierover. Die verheugt zich al op een “debat over de kabinetsnótulen over het debat over de nótulen.”  Ja, sinds het vorige democratische hoogtepunt, het debat van 1 april waarin Rutte een motie van afkeuring aan zijn broek kreeg en Annemarie Jorritsma notulen uitsprak met de nadruk op de o, lijkt het alsof iedereen, vooral van VVD huizen, het woord zo uitspreekt en dus moet er een accent aigu op de o en wordt het een ó.

Garden from the 18th century (1st half) | Tuin uit de 18e ee… | Flickr
Bron: Flickr

Nu gaat het me niet om die ó. Het gaat mij zelfs niet om de notulen, ik neem de VVD ó niet over. Het gaat mij om een uitspraak die voormalig VVD-er en nu FvD stemmenkanon, corona-ontkenner en huisjesmelker Wiebren van Haga in het debat deed, zo lees ik bij De Dagelijkse Standaard. Van Haga tegen D66 leider Kaag: “Kom op Sigrid. Stap in de voetsporen van de grote vernieuwers zoals Hans van Mierlo, Frits Bolkestein, Pim Fortuyn en Thierry Baudet en zorg dat het systeem verandert.” En toen moest ik even lachen. Ik moest lachen om het lijstje met ‘grote vernieuwers’. 

Laat ik ze eens lans lopen. Hans van Mierlo. Een van de oprichters van Democraten 66, het huidige D66 van de door Van Haga aangesproken Kaag. Een partij die in die tijd democratische vernieuwing preekte. De partij ging voor ‘radicale democratische vernieuwing: de invoering van een referendum, het afschaffen van de Eerste Kamer, een direct gekozen minister president, direct gekozen burgemeesters en het ‘dualisme’. Het dualisme is ver te zoeken, het ‘notulendebat’ en alles wat eraan vooraf ging, laat dat duidelijk zien. Burgemeesters en de minister-president worden nog steeds niet gekozen en de Eerste Kamer is er ook nog steeds. Het enige wat je een beetje ‘vernieuwend’ zou kunnen noemen, is het paarse kabinet. Een kabinet waaraan voor het eerst sinds 1917 geen confessionele partij meedeed.

En daarmee komen we meteen ook bij de tweede ‘vernieuwer’ Bolkestein. Ook die was betrokken bij dat kabinet maar niet echt van harte. Dit niet van harte ondersteunde paarse kabinet, is dan ook meteen het enige waarbij je de naam van Bolkestein en vernieuwing wellicht in één zin kunt gebruiken. Voor het overige was en is Bolkestein vooral een conservatieve neoliberaal, al zal hij dat laatste ontkennen.

Dan Pim Fortuyn. Zijn vroegtijdige dood door de laffe moordaanslag maakt het lastig om te beoordelen hoe vernieuwend Fortuyn zou zijn. Het verkiezingsprogramma 2002 van zijn partij straalt de neoliberale tijdgeest uit. Met passages als: “De loon- en prijsspiraal zal moeten worden doorbroken door uiterste terughoudendheid met reële loonsverhogingen. De koopkracht van de Nederlandse burger zal moeten worden beschermd door verlaging van de sociale premies en waar mogelijk belastingen.” Niet erg vernieuwend en ook de ‘gekozen burgemeester en minister-president’ stond al twintig jaar op het lijstje van die eerste ‘vernieuwer’. Wel ‘vernieuwend’ is het grote ego en in het verlengde ervan de hoge dunk van zichzelf die Fortuyn meebracht. Om het stevig te zeggen Fortuyn vernieuwde de politiek door er narcisme in te brengen. Of we hem daar dankbaar voor moeten zijn, waag ik te betwijfelen. Zijn partijgenoten bleken in ieder geval niet zonder hem te kunnen. De partij implodeerde binnen een jaar en de verschillende leden gingen ruziënd over straat, in de kamer en in het kabinet. Het enige vernieuwende wat we er, via het ‘lijntje met Pim’ van Herben, aan over hebben gehouden is de Joint Strike Fighter. Of we daar nu zo blij mee moeten zijn?

Komen we bij de laatste ‘grote vernieuwer’ op het lijstje van Van Haga, zijn partijleider Thierry Baudet. Zijn narcisme kunnen we sinds Fortuyn niet meer vernieuwend noemen. Ook de ‘chaos en trammelant’ binnen zijn partij is niet echt vernieuwend. Dat deed in 1994 met het Algemeen Ouderen Verbond al haar intrede in politiek Nederland. Verder kan ik niets vernieuwend ontdekken. Voor Baudet ligt de vernieuwing in de achttiende eeuw.

Nee, de laatste ‘grote vernieuwing’ in het Nederlandse stelsel is inmiddels ook al meer dan honderd jaar oud en dateert van 1917. Het jaar van de introductie van artikel 23, de onderwijsvrijheid, in onze Grondwet. Maar voor deze Prikker belangrijker, het algemeen kiesrecht werd ingevoerd en het districtenstelsel, dat D66 in de jaren zestig van de vorige eeuw weer wilde invoeren, werd afgeschaft. Maar wat belangrijker is, een wijziging die het de leiders van de verschillende bevolkingsgroepen of zoals ze toen heetten zuilen, mogelijk maakte om ‘voor hun schaapjes, over hun schaapjes maar niet met hun schaapjes’ te regeren. En dat is precies het systeem dat er nu voor zorgt dat we als kiezer zeer weinig invloed hebben op wie ons regeert. Weten we meteen hoe ‘vernieuwend’ Van Haga is.

Uitgelicht

Bascule

Op de boerderij van mijn vader stond een bascule. Voor degenen die niet weten wat dat is, een bascule is een instrument waarmee je kunt bepalen hoe zwaar iets is. Nu heb je die in verschillende vormen. Op onze bascule kon je aan de ene kant, op het grote plateau, heel zware zakken leggen, bijvoorbeeld een gevulde zak graan. Door er aan de andere kant, op een zwevend plateautje, kleinere gewichten te leggen totdat het evenwicht was bereikt, kon je bepalen hoe zwaar die zak graan was. Op de foto hieronder zie je zo’n bascule. Waarom begin ik hierover? Ik begin hierover omdat ik eraan moest denken bij het lezen van een artikel van Antonie Kerstholt bij Joop over de politieke situatie in Nederland.

Bij bascule moet ik ook meteen denken aan het Veldense stamcafé uit mijn jeugd met die naam. Uitgebaat door Cocky van Genechten en vaak met de ongeëvenaarde barman Sjaak met de snor achter de bar. Bij binnenkomst stond je glas bier al klaar, ze hadden gezien dat je je fiets parkeerde en dat stond gelijk aan een eerste bestelling. Dit even tussendoor. Terug naar Kerstholt

Kerstholt schrijft, met als aanleiding het openbaar worden van kabinetsnotulen over de toeslagenaffaire, over macht en tegenmacht, tot nu toe het woordenpaar van het jaar van politiek Nederland. Kerstholt: “Een foute bestuurscultuur, het ontbreken van feitelijke tegenmacht, bewindslieden die liegen of aan selectief geheugenverlies lijden als hen dat uitkomt en het moeten openbaren van kabinetsnotulen omdat ministers niet meer worden vertrouwd, illustreren het immense verval van onze huidige democratie en rechtsstaat.”  Dit roep bij Kerstholt de vraag op of: “de kwaliteit van onze democratische samenleving hersteld (kan) worden door dezelfde bewindspersonen die verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor het verval van onze rechtsstaat? Die vraag rijst op dit moment over het aanblijven van Rutte, Kaag en Hoekstra.” Die vraag stellen velen zich, maar is het wel de juiste vraag?

Kerstholt kijkt voor het herstel van het vertrouwen naar de macht, die moet anders, transparanter. Om het met de bascule en de zak graan te vergelijken: hij kijkt naar die zak graan op het grote plateau en vraagt zich af of daar niet minder of ander graan in moet worden gelegd. Of de zak niet van ander materiaal gemaakt moet worden, geen ouderwetse jutte zak zoals vroeger, maar plastic waar doorheen je kunt zien wat erin zit. Hij concentreert zich op het verzwakken van de macht.

Evenwicht, dat laat de bascule zien, kun je echter ook bereiken door de andere kant te verzwaren. Leg op het kleine zwevende plateau meer of zwaardere gewichten en de bascule komt in evenwicht. Nu hoeft de macht van de Tweede Kamer niet te worden uitgebreid. In theorie heeft die Kamer alle mogelijkheden om een regering in het gareel te houden. Op papier ziet het er goed uit, de praktijk laat te wensen over. In de praktijk zien we dat een deel van de gewichten op het kleine plateau als het eropaan komt, van het zwevende plateau springen. Ze leggen hun gewicht niet in de schaal.  Het probleem ligt niet bij de macht, die maakt gebruik van de ruimte die zij krijgt. Het probleem ligt bij de tegenmacht: onze volksvertegenwoordiging die haar rol niet pakt. Bij volksvertegenwoordigers die om partijpolitieke redenen van het ‘zwevende plateautje’ springen omdat anders het kabinet in de problemen komt.

Kerstholt schreef voordat die notulen openbaar werden. Nu ze openbaar zijn besteden de verschillende media weer ruim aandacht aan ministers die dit of dat zeiden in de betreffende kabinetsvergadering en maakt de Kamer zich weer op voor een debat met de betreffende bewindslieden. Allemaal leuk maar waar de Kamer zich voor moet opmaken is een debat met zichzelf. Zij moet eens reflecteren over haar rol en positie en over de manier waarop we nu onze democratie vormgeven. Een manier die, zoals ik recentelijk betoogde, is geënt op het Nederland van 150 jaar geleden en die dringend toe is aan een modernisering.

Uitgelicht

Demolition Man

In mijn vorige Prikker schreef ik, met Francis Fukuyama in het achterhoofd, over natievorming. Volgens Fukuyama voegt natievorming: “een morele component toe van gedeelde normen en een gedeelde cultuur en ondersteunt daarmee de legitimiteit van de staat.” Een proces dat ook een keerzijde kent: “Het is ook een potentiële bron van onverdraagzaamheid en agressie.[1] Ik schreef dit naar aanleiding van een artikel over het terugtrekken van de Amerikaanse en NAVO troepen uit Afghanistan. Die passage zette mij aan het denken.

Arcade cabinet - Demolition Man | at Free Gold Watch in San … | Flickr
Bron: Flickr

In Nederland zien we dat er door politieke partijen zoals de PVV wordt gehamerd op ‘gedeelde normen en een gedeelde cultuur’. Neem haar Verkiezingsprogramma 2021: “Wij houden van onze eigen cultuur, identiteit en tradities. Die willen we dan ook altijd op de eerste plaats zetten!” Die zet zij af tegen het ‘vreemde’: “Waarom moeten Nederlanders zich wel schamen voor de slavernijgeschiedenis, maar wordt onbesproken gelaten dat slavernij in de islamitische wereld een groot probleem was en nog steeds is? Waarom liggen de kerstboom en het paasfeest onder vuur, terwijl we wel hele tv-uitzendingen zien over de ramadan? Het is de wereld op zijn kop.” Het Forum voor Democratie doet hetzelfde in haar verkiezingsprogramma: “Wij koesteren ons (historisch) erfgoed en onze stedenbouw. De geschiedenis die onze cultuur kent en de verbeelding die daaruit is voortgekomen in de vorm van gebouwen en standbeelden, muziek, literatuur en religie: het is van onschatbare waarde. Dat erfgoed moet dan ook goed beschermd worden. Met oog voor de kijk van onze voorouders op de geschiedenis.” Alleen staat die cultuur onder druk: “ Op dit moment subsidieert de Nederlandse overheid segregatiebevorderende, weg-met-ons projecten; terwijl museumdirecteuren datgene waar we trots op mogen zijn, het mooiste en beste dat het Westen heeft voortgebracht, onderschoffelen.” Of in de openingszin van het programmapunt voor een Wet bescherming Nederlandse waarden die er zou moeten komen: “Door de komst van grote groepen (overwegend islamitische) immigranten zijn een aantal verworvenheden en kernwaarden van onze samenleving onder grote druk komen te staan.” Hier wordt in iedere geval de suggestie gewekt dat de islam strijdig is met kernwaarden van onze samenleving en dus dat moslims niet bij de samenleving horen. Hier wordt onverdraagzaamheid gepredikt. Ook bij de grootste partij, in het verkiezingsprogramma van de VVD is het hameren op maar vooral de angst voor ‘verlies’ van ‘onze cultuur’ te bespeuren: “Als wij willen dat nieuwkomers hun plek vinden in onze samenleving, moeten we ook duidelijk maken waar we voor staan. Dat vraagt om gepaste trots op onze cultuur en een actieve verdediging van onze waarden.”

Dit leidt tot, en dat zien we ook al in onze samenleving, een toenemende onverdraagzaamheid van mensen tegen anderen waarvan zij vinden dat die tot een andere groep behoren. Beter gezegd, waarvan zij vinden dat die niet tot de ‘Nederlanders’ behoren. Bekend voorbeeld is natuurlijk Geert Wilders die vindt dat mensen die het islamitische geloof aanhangen. Of zoals hij het in zijn Verkiezingsprogramma 2021 schreef: “Nederland is overbevolkt en de islam hoort niet bij Nederland.” Je zegt niet direct dat je islamieten het land uit wilt zetten, maar je bedoelt het wel. Baudet en zijn Forum voor Democratie zeggen het in nog meer bedekte woorden: “Stoppen met de alsmaar voortgaande immigratie. Waar integratie mislukt, helpen we mensen terugkeren naar hun landen van herkomst.” Nu is er altijd wel een haakje te vinden om ‘integratie’ mislukt te vinden en aan wie dat is te wijten, is duidelijk en daarom moet die ook terugkeren.

Deze partijen pogen een cultuur of identiteit te creëren die, om Kwame Anthony Appiah in een interview met de Volkskrant te citeren, iedereen omvat die: “al duizend jaar in Nederland woont.” Daarmee sluiten ze de ogen voor mensen: “die niet ergens anders naartoe zullen gaan.”  Ze prediken verdeeldheid in plaats van te zoeken naar gezamenlijkheid. Gezamenlijkheid door te zoeken naar gemeenschappelijkheid die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.” Ze zoeken gemeenschappelijkheid op de verkeerde plek. Ze kijken in het verleden in plaats van naar de toekomst. Een gemeenschappelijk verleden zullen ze niet vinden. Zou die zoektocht er niet toe kunnen leiden, en dan keer ik de redenatie van Fukuyama om, dat de legitimiteit van de staat wordt afgebroken? Zijn ze bezig met ‘nation demolition’?


[1] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek. Deel 2: Orde en verval, pagina 350

Uitgelicht

Nationbuilding

Er komt binnenkort een einde aan zo’n twintig jaar ‘oorlog in Afghanistan’. Tenminste als je vanuit het perspectief van Nederland en de NAVO kijkt. Zet je een andere bril op dan kun je met recht en reden betogen dat die periode tenminste 42 jaar heeft geduurd. En als je naar de werkelijke situatie kijkt dan kun je met evenveel recht en reden betogen dat die oorlog nog steeds niet is beëindigd. In een analyse in de Volkskrant van negentien jaar Nederlandse bemoeienis met deze oorlog wordt Rob Bauer, de afzwaaiend Commandant der Strijdkrachten aangehaald: “Het zijn deels nation- buildingoperaties en dat is iets van twintig-dertig jaar.“ Die uitspraak brengt me weer bij Francis Fukuyama en zijn boek De oorsprong van onze politiek waarover ik al eerder enkele Prikkers schreef. In dit geval deel twee met als ondertitel Orde en verval. Over het waarom zo meer.

Eerst over die ten minste 42 jaar oorlog. In 1979 viel de Sovjet Unie Afghanistan binnen. Of in de Sovjet beleving: ze werden gevraagd door een bevriende regering in moeilijkheden om een handje te komen helpen. Vele Afghanen zagen dat niet zitten en namen de wapens op. Die strijders tegen de Sovjets werden Mudjahedien genoemd. De Verenigde Staten ondersteunden de Mujahedien met training, wapens en inlichtingen, dit om hun aartsvijand de Sovjet Unie dwars te zitten. Met het aloude adagium: de vijand van mijn vijand is mijn vriend. Die Mudjahedien kregen steun vanuit de Arabische wereld met als bekendste exponent Osama Bin Laden. Sinds die Sovjet inval is het nooit meer rustig geweest. En je kunt je afvragen of die ‘oorlog’ wordt beëindigd door het met de staart tussen de benen weglopen van de Amerikanen en de NAVO. Een veel reëler toekomstscenario is dat de strijd een volgende fase ingaat.

Dan naar Fukuyama. “In verschillende gebieden op de wereld is tribalisme nog steeds dominant ondanks dat wij in het westen denken in staten en de wereld ook uit staten bestaat. Staten die lid zijn van de Verenigde Naties. Veel landen, zoals Afghanistan, maar ook verschillende Afrikaanse landen, zijn echter geen natie, het zijn stammen die binnen een tijdens de koloniale periode getrokken grens wonen.” Dit schreef ik in het eerste deel in een serie over de boeken van Fukuyama. In een hoofdstuk met als titel Instellingen, van eigen bodem of geïmporteerd besteed hij aandacht aan ‘staatsvorming’ door druk van buitenaf en zijn conclusie is duidelijk: “De resultaten van staatsvorming zijn heel teleurstellend.” Voor een verklaring hiervoor kijkt hij naar de koloniale ervaringen. Hij kijkt hierbij vooral naar het Engelse en Franse koloniale bestuur in Sub-Saharisch Afrika: “… omdat hiervoor weinig financiële middelen beschikbaar waren, het niet gepaard ging met de grootscheepse vestiging van Europeanen en er in latere jaren ontwikkelingsdoelen werden nagestreefd.” Wat leren die voorbeelden ons? Fukuyama: “Om succes te hebben moeten instellingen aansluiten op de plaatselijke zeden en tradities. Zo worden vanuit het buitenland geïmporteerde wetboeken vaak niet geaccepteerd, omdat ze geen weerspiegeling zijn van de plaatselijke waarden. [1]

Maar met staatsvorming zijn we er nog niet. Natievorming vraagt nog iets meer. Volgens Fukuyama: “… is het niet genoeg om formele staatsinstellingen te creëren, ongeacht of die op ontleende of inheemse modellen gebaseerd zijn. Staatsvorming moet vergezeld gaan van een parallel proces van natievorming, wil zij effectief zijn. Natievorming voegt een morele component toe van gedeelde normen en een gedeelde cultuur en ondersteunt daarmee de legitimiteit van de staat.” Alleen kent die ‘natievorming’ ook een keerzijde: “Het is ook een potentiële bron van onverdraagzaamheid en agressie.”Fukuyama noemt Indonesië en Tanzania twee voorbeelden waar dat succesvol gebeurde. Wat die voorbeelden gemeen hadden in de bestrijding van die onverdraagzaamheid en agressie is dat ze met autoritaire middelen tot stand zijn gebracht[2].

Het Westen formuleerde hoge ambities voor Afghanistan. “Je had bijvoorbeeld een heel ander Amerikaans beleid in Afghanistan kunnen voorstellen na de nederlaag van de Taliban in het najaar van 2001. In plaats van proberen om een nieuwe gecentraliseerde, democratische eenheidsstaat te vestigen, hadden de Verenigde Staten kunnen proberen om een coalitie van stamhoofden, krijgsheren en andere invloedrijke figuren op de been te brengen die onderling zouden kunnen overeenkomen om de vrede te handhaven en Al-Qaida en andere terroristische groepen de kop in te drukken.[3]Een veel realistischer doel.


[1] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek. Deel 2: Orde en verval, Pagina 344-345

[2] Idem, pagina 350

[3] Idem pagina 346

Uitgelicht

Wendbare democratie

“In een land van minderheden zijn coalities levensnoodzaak. Willen partijen met vaak tegengestelde opvattingen op allerlei punten kunnen samenwerken, dan moet iedereen water bij de wijn doen. Compromissen zijn onvermijdelijk en vergen veel woorden.” Dit is het antwoord van Marc Chavannes bij De Correspondent op de vraag waarom we in Nederland regeerakkoorden hebben. Volgens Chavannes is: “de invloed van het volk op de inhoud van regeerakkoorden (…) reëel en verdedigbaar, maar niet bijster groot en allerminst direct.”  Een antwoord met een kern van waarheid, Kunnen we ons ‘land van minderheden’ ook anders besturen?

File:Nederlandse Democratie v1.0.png
Ons huidige 170 jaar ouder staatsbestel. Bron: WikimediaCommons

Eerst even terug in de tijd. Onze Grondwet stamt uit een tijd waarin het gros van het volk nog niet mocht stemmen. Om te kunnen stemmen moest je voldoende belasting betalen. Als je ’s morgens om 8 uur in Amsterdam vertrok dan mocht je hopen om voor vijven in Utrecht aan te komen. Onderwijs, zelfs de lagere school, was voor het gros van de jeugd niet weggelegd. De gemiddelde levensverwachting van de man lag toen rond de 38 en voor vrouwen rond de 40. Vrouwen werden ook toen al ouder. Gemiddeld want als je geboren werd, was de kans groot dat je de twintig niet haalde. Sterker nog, 3 op de tien baby’s haalden het eerste levensjaar niet.

Ons huidige politieke stelsel stamt uit 1848. Toen werd de huidige Grondwet met daarin onze parlementaire democratie, opgesteld onder leiding van de liberaal Johan Rudolph Thorbecke. Nu werd er al veel langer gepoogd om de toen geldende Grondwet te wijzigen maar dat stuitte steeds op verzet van koning Willem II die bang was dat zijn macht werd ingeperkt. In 1848 lukte het. In dat jaar stond de Europese orde die na de nederlaag van Napoleon was ontstaan, onder zeer grote druk van opstandige volkeren die de macht eisten. Bang om zijn positie en wellicht zijn hoofd te verliezen, accepteerde Willem II in 1848 de huidige Grondwet die het koningschap symbolisch maakte. Daarom werd hij, zoals hij het zelf gezegd schijnt te hebben, in één nacht van conservatief tot liberaal.

Dat ‘volk’ dat de macht moest krijgen, bestond echter vooral uit de gegoede burgerij, niet uit de keuterboer of de glasblazer in de glasfabriek, die betaalden geen of te weinig belasting om te mogen stemmen. Onze democratie is niet opgezet om het gehele volk de macht te geven. Ze is opgezet om de machtigen, die gegoede burgerij, de macht te laten krijgen en behouden. Te krijgen van de koning die tot dan naar eigen goeddunken ministers benoemde. die macht moest worden gebroken en dat deed Thorbecke door die macht bij naar het parlement te trekken waarin die gegoede burgerij was vertegenwoordigd. Die indirecte manier paste bij die tijd omdat de belangen van ‘het volk’ niet zoveel uiteenliepen. Geen dictatuur van het proletariaat, waar Marx in die tijd voor pleitte, maar een ‘dictatuur van de fabrieksdirecteuren’.    

Nu zijn we 150 jaar verder. Hebben we algemeen kiesrecht. Rijdt er om de 10 minuten een trein van Amsterdam naar Utrecht die er een halfuurtje over doet. En via Zoom of Teams doe je er maar een paar seconden over om iemand aan de andere kant van de wereld in de ogen te kunnen kijken. Nu is ongeveer 40% van de bevolking hoger opgeleid. En zitten we nog steeds met een systeem dat het een kleine groep mogelijk maakt om door een meerderheid gewenste veranderingen tegen te houden. Je hoeft alleen maar onmisbaar te zijn om een regering te vormen.

Als we werkelijk transparantie willen met betrekking tot het regeerakkoord, dan moeten we de regering kiezen op basis van een programma. Of beter gezegd, de premier en die moet een meerderheid van de kiezers achter zich hebben. Dan weten we wat we na de verkiezingen kunnen verwachten omdat er voor de verkiezingen is ‘geformeerd’. Op deze manier wordt er op open en transparante manier met grote betrokkenheid van de kiezers, een meerderheid gecreëerd in dit land van minderheden.

Alleen moeten we daarvoor de Grondwet veranderen. En de Grondwet veranderen is nog lastiger. Dat moet volgens een procedure die het bijna onmogelijk maakt om er iets wezenlijks aan te veranderen. Twee keer behandelen in de Tweede Kamer, eerst met een normale meerderheid en na verkiezingen met een twee derde meerderheid. Met een dergelijke procedure is het wijzigen van bijvoorbeeld artikel 23 onmogelijk. Daarom hangen we nog aan een 170 jaar oud bestel vast. Tijd voor een Grondwetgevende vergadering om te komen tot een bij de huidige tijd passende Grondwet. Dan kunnen we daar meteen in opnemen dat er iedere 25 jaar zo’n Grondwetgevende vergadering wordt gehouden. Dat geeft iedere generatie de kans om de bestuurlijke orde aan te passen aan de eisen van de tijd. Zo maken we onze democratie veel wendbaarder dan zij nu is.

Uitgelicht

Lukkassens Götterdämmerung

“Geert Wilders, Martin Bosma, Thierry Baudet, DENK, Sylvana Simons, een mevrouw van de Moslimbroederschap pardon GroenLinks, de kosmopolitische technocraten van VOLT, de boerenbeweging en zelfs voormalig Europarlementariër Derk Jan Eppink is naar Den Haag gekomen (terwijl de macht zich van Den Haag naar Brussel en Straatsburg verplaatst). Kortom iedereen komt samen om zijn of haar rol te vervullen in dit tragische slotstuk: de godenschemering van onze democratie.” Aldus Sid Lukkassen in een artikel bij ThePostOnline. Dat klinkt onheilspellend.

Sir Winston Chutchill | "Indeed, it has been said that democ… | Flickr
Bron: Flickr

Nu zijn er wel vaker verkondigers van ‘onheilspellende’ toekomsten. Zo verkondigde Oswald Spengler honderd jaar geleden al de ondergang van het Avondland oftewel het Westen. Spengler vergeleek culturen met een levende wezens: ze worden geboren, groeien op, komen in bloei, takelen vervolgens af en sterven en het westen stond op het punt om te sterven, zo betoogde Spengler honderd jaar geleden. Spengler was niet de eerste en ook niet de enige. Er zijn altijd wel weer mensen die het einde van de beschaving en de wereld voorspellen. Zo zou de wereld op 21 mei 2012 volgens ‘aanhangers van de Maya-kalender vergaan, een hierop gebaseerde film werd gisteravond, bijna negen jaar na dato, weer vertoond. Ook kennen de grote religies allemaal een ‘einde der tijden’ dat door de eeuwen heen al geregeld is voorspeld. Een ‘einde’ dat de uitverkorenen naar het hemelse eeuwigdurende rijk zou leiden. Ook seculiere ‘religies’ kennen iets soortgelijks. Zo zou de proletarische revolutie via de dictatuur van het proletariaat uiteindelijk leiden tot de klasseloze hemel op aarde en zou Hitlers nationaalsocialisme na de strijd uiteindelijk leiden tot het gelukzalige Duizendjarige Rijk, waarbij we duizend moeten uitleggen als eeuwig.

Lukkassen trekt een parallel met Wagners vierdelige opera Der Ring des Nibelungen. Waarvan het laatste deel Götterdämmerung vertaald als Godenschemering heet. In dat deel gaat de godenwereld in vlammen op waardoor de mensheid in het vervolg op zich zelf is aangewezen. Wagner haakte aan bij de Germaanse en Noorse mythologie. Lukkassens boodschap komt er dus op neer dat onze democratie op het punt van instorten staat.

Lukkassen ziet twee problemen in onze huidige democratie. Als eerste is: “identiteit een bepalend verkiezingsthema,” geworden. En: “Omdat veel kiezers identificatie en nabijheid prioriteit geven boven ‘het beleidsmatig oplossen van problemen’, krijgen we een Wagneriaanse saga waarin de apocalyptische slotscène – een dramatisch Götterdämmerung – in ons parlement wordt uitgespeeld.” Aldus Lukkassen in de zin die voorafgaat aan het citaat waarmee ik deze Prikker begon. Problemen worden niet opgelost omdat er wordt gehamerd op ‘verschillen’ en op het ‘gelijk van de eigen groep’. Een conclusie waarvoor de huidige situatie voldoende argumenten geeft.

Als tweede de rol van de grote techbedrijven. Lukkassen: “De democratie is geboren uit de wens van de liberale burgerij om hun stem te laten horen en hun eigen vrijheid van denken op te eisen tegenover adel, kerk en koningshuis. Maar nu – nu deze vrijheid wordt overvleugeld door corporaties die via algoritmes en datamining méér informatie hebben over burgers dan waar Lenin en Stalin ooit van droomden, en die globaal georganiseerd zijn en hiermee ook nog eens niet zijn gebonden aan nationale democratieën – hoor je diezelfde liberaal-democratische krachten niet. Ze lijken het op een akkoord te hebben gegooid met de Techreuzen. Zolang die laatsten de uitdagers van het bestel, ‘populisten’ als Wilders en Farage, niet al te groot laten worden, vinden de liberaal-democraten het wel best.” Gevolg hiervan is: “dat parlementair succes wordt afgemeten aan hoeveel views en likes (die) een partij scoort met een video waarin hun politici een politieke tegenstander affakkelen in een debat. Echter, diverse partijen maken van één debat verschillende video’s. Dikwijls worden daarin hun eigen ‘doelpunten’ sterk belicht terwijl de voltreffers van de tegenstander geen aandacht krijgen. Hiermee drijven de belevingswerelden van politiek geëngageerden steeds verder uiteen, waarin Hobbesiaanse pre-burgeroorlog voorschemering te herkennen zijn.” Ook voor deze scoringsdrang zonder echte doelpunten is bewijs te vinden.

Gelukkig weet Lukkassen ook de oplossing: “Daarom is het belangrijk dat links en rechts inhoudelijk in dialoog blijven.” Hij vervolgt: “Een stabiele Leitkultur is een onontbeerlijke voorwaarde om een fragmentarisch uiteendrijven van het electoraat tot rivaliserende stammen te voorkomen. We moeten zorgen dat burgers een bezield verband blijven ervaren, verbonden aan een gedeelde identiteit.” Identiteit als oplossing voor identiteitsproblemen, een bijzondere oplossing, zou dit werkelijk onze democratie redden? Zelf ziet hij het ook niet gebeuren: “Echter liberalen vinden dit te beknellend en links verwerpt het principe van een leidende cultuur als ronduit fascistisch en imperialistisch. Zodoende is onze democratie inderdaad gedoemd te versplinteren tot een steeds agressievere stammenstrijd” Vandaar die Götterdämmerung van onze democratie. Lukkassen capituleert en geeft de democratie op.

Maar wat dan? Daarop geeft hij in dit artikel geen antwoord. Dat antwoord gaf hij al eerder: een burgeroorlog. Na die Götterdämmerung moet zijn Nieuwe Zuil, waarover ik eerder schreef, klaar staan en: “voldoende ‘hardheid’ bezitten, oftewel standvastigheid, om deze totalitaire besluiten naast zich neer te kunnen leggen en weerbare tegendruk te kunnen bieden.”  Want: “(O)p dat moment verlaten we het gesprek en treden we toe tot de natuurtoestand. Dan is het conflict niet meer met woorden, maar wordt het conflict fysiek. In Oud-Nederlands: wie niet horen wil, moet maar voelen.” Om in marxistische termen, die Lukkassen te pas en te onpas gebruikt, te spreken: dan gaan we via die burgeroorlog naar de ‘dictatuur van de echte Nederlander’ wie dat dan ook mogen zijn. Een dictatuur die moet terugleiden naar het ‘Nederland uit een denkbeeldig verleden’ waar Lukkassens vriend Baudet over spreekt. Denkbeeldig omdat het Nederland waarnaar terug moet worden gegaan, nooit heeft bestaan.

Op basis van een goede analyse geeft Lukkassen de democratie op omdat we nooit tot die door hem gewenste ‘Leitkultur’ komen. Hij zoekt de oplossing in een van de oorzaken van het probleem, in ‘identiteit’. Waarom niet gezocht naar andere vormen van democratie? Vormen die beter passen bij onze huidige samenleving. ‘Nationale identiteiten’ ontstonden in de negentiende eeuw, zoals ik al eerder schreef. Ze zijn van recente datum, als mensheid hebben we heel lang zonder gekund. In bijna al die landen ging het construct ‘nationale identiteit’ aan de democratie vooraf. Daarom kan het lijken alsof een democratie niet zonder ‘nationale identiteit’ kan. Democratie is: “een staats(vorm) die aan het hele volk invloed op de regering toekent,” aldus de Van Dale. Een bestuursvorm die je op verschillende manieren kunt vormgeven. De manier waarop ze nu is vormgegeven, is gebaseerd op onze verzuilde samenleving van het grootste deel van twintigste eeuw. Onze structuur met partijen die ieder een ‘zuil’ vertegenwoordigde, paste daar goed bij. Die zorgde voor grote stabiliteit waardoor problemen met het oog op de toekomst konden worden opgelost. Als politicus wist je immers dat je niet zou worden afgestraft door je loyale achterban. Sinds het begin van dit millennium ontbreekt die stabiliteit en ligt de focus op de korte termijn. Andere vormen zijn mogelijk, recentelijk beschreef ik er een.

Inderdaad geven: “veel kiezers identificatie en nabijheid prioriteit (…) boven ‘het beleidsmatig oplossen van problemen’,” dat hoeft echter geenszins de Götterdämerung van democratie te betekenen. Als we de uitdaging aannemen kan dit ook een groeistuip van de democratie worden. Dit omdat, zoals Winston Churchill ooit sprak: “Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.”

Uitgelicht

Vier Europese politieke geschiedenissen

Terugkijken met Francis Fukuyama’s boek De oorsprong van onze politiek als leidraad: “aan de hand van de drie ingrediënten (staat, rechtsorde en verantwoordelijke overheid) te verklaren hoe verschillende landen zich hebben ontwikkeld en waarom.” Zo eindigde ik de vorige Prikker. Waarom ontstond er in het ene land een goed functionerende staat die is onderworpen aan het recht en die verantwoording aflegt aan het volk en ook door dat volk kan worden weggestemd? Waarom in het andere land een onderdrukkende dictatoriale staat die zichzelf boven de wet plaatst? En waarom weer elders een slecht werkende corrupte maar wel democratisch gekozen en weg te stemmen overheid? Interessante vragen.

File:King William III of England, (1650-1702).jpg
Stadhouder Willem III en koning Willem van Engeland. Geschilderd door Godfrey Kneller in bezit van de
National Galleries of Scotland
Bron: WikimediaCommons

“In wat bekend is geraakt als de Whig-geschiedenis wordt de ontwikkeling van vrijheid, welvaart en representatief staatsbestuur beschouwd als een onontkoombare ontwikkeling van de menselijke instellingen, die begint met de Griekse democratie en het Romeinse recht, reeds vroeg in de Magna Carta vastgelegd, vervolgens wordt bedreigd door de vroege Stuarts, naar verdedigd en gerehabiliteerd tijdens de Engelse Burgeroorlog en de Glorieuze Revolutie. Die instellingen verspreiden zich vervolgens naar de rest van de wereld via de Engelse kolonisatie van Noord-Amerika.” Zo beschrijft Fukuyama het populaire: “vanuit het oogpunt van de winnaars, gebaseerd op de ervaringen van Engeland en haar koloniale nazaat de Verenigde Staten,[1]succesverhaal van de democratie van een sterke democratische rechtstaat met een effectieve overheid in Engeland en de Verenigde Staten. Nu kennen die twee landen qua politieke ontwikkeling grote verschillen. Daar kom ik later nog op terug Het beeld dat ermee wordt geschetst is er een van onvermijdelijkheid: het moest zo wel lopen en dat culmineert uiteindelijk in het grandioze heden. Over die ‘vermeende onvermijdelijkheid’ schreef ik al eerder[2], dat ga ik hier niet overdoen.

Dat er andere mogelijke uitkomsten waren, laat ook Fukuyama zien: “zeven jaar na de Magna Carta werd de Hongaarse Koning Andreas door zijn baronnen gedwongen om de Gouden Bul te ondertekenen, een document dat wel de Oost-Europese Magna Carta is genoemd. De Gouden Bul beschermde de baronnen tegen bepaalde willekeurige acties van de koning en verleende hun het recht om zich te verzetten als de koning zich niet aan zijn belofte hield.” Dezelfde zaken die ook de Magna Carta regelde die ‘onvermijdelijk’ leidde tot het Engeland en de Verenigde Staten van nu.. “In plaats van een politiek systeem te ontwikkelen waarin een sterke uitvoerende macht een tegenwicht vond in de dominerende wetgevende macht, voorkwam de grondwet die de Hongaarse adel afdwong de opkomst van een sterke centrale uitvoerende macht, zelfs zodanig dat het land zich niet tegen buitenlandse vijanden kon verdedigen.[3] Een overeenkomstig beginpunt dat tot twee heel verschillende resultaten leidde laat zien dat er van ‘onvermijdelijkheid’ geen sprake was. Al zullen er ook mensen zijn die de ontstane verschillen verklaren uit de ‘aard van het volk’. Daarbij vergeten ze vervolgens dat die verschillende aard in het verleden tot eenzelfde situatie leidde namelijk twee ‘grondwetten’ die hetzelfde regelden.

Volgens Fukuyama was de uitkomst afhankelijk van het spel tussen de verschillende machten in een gebied. Hij onderscheidt vijf groepen: als eerste de staat (in het begin gevormd door de koning), als tweede de hoge adel, vervolgens de lage adel en als laatste de handelslui in de steden. De laatste groep, waartoe het gros van de mensen behoorde, de boeren, kon geen ‘macht’ ontwikkelen omdat vandaag eten en zo overleven tot de dag van morgen alle aandacht vroeg. Tot welke uitkomst het leidde hing af van de macht die de verschillende standen konden ontwikkelen. Sterke hoge adel gecombineerd met een zwakke koning en handelslui leverde een ander resultaat op dan in een gebied waar de verhoudingen anders lagen.

Fukuyama onderscheidt in hoofdlijnen vier richtingen waarin Europese landen zich vanaf de dertiende eeuw ontwikkelden. Richtingen die mede bepalend zijn voor de huidige politieke situatie in de betreffende landen. Als eerste landen die de zwak absolutistische richting insloegen:  “De Spaanse en Franse monarchieën in de zestiende en zeventiende eeuw waren destijds toonbeelden van de nieuwe absolutistische staat, en in bepaalde opzichten waren ze meer gecentraliseerd en dictatoriaal dan, bijvoorbeeld, hun Nederlandse en Engelse pendant. Aan de andere kant was geen van beide in staat om de machtige elites in hun respectievelijke samenlevingen volledig te domineren, en legden zij de zwaardere last van de belastingen op de schouders van diegenen die zich daar het minste tegen konden verzetten.[4] Zwak absolutisme omdat een stevige centrale vorst en sterke hoge adel die elkaar in evenwicht hielden, de poet verdeelden op kosten van de lage adel, de traditionele derde stand, de kooplui en de boerenbevolking. Zo werd de lage adel langzaam gemarginaliseerd. De koning verkocht belangrijke posities en rechten (zoals het recht op het innen van belastingen) aan hoge edelen. Zo kon hij op korte termijn extra inkomsten verwerven op een manier die de inkomsten op lange termijn maar vooral de kwaliteit van het bestuur niet ten goede kwamen. Maar ook zwak absolutisme vanwege een door het katholicisme afgedwongen rechtsorde waaraan ook de koning en de hoge adel was gebonden. Er moest eerst iets gebeuren voordat in deze landen iets ontstond wat op een moderne staat leek. Dat iets was in Frankrijk de Revolutie van 1789. Pas toen ontwikkelde zich in Frankrijk een moderne staat. In Spanje duurde het nog langer, en ontstond er pas iets wat op een moderne staat na de winst van Franco in de Burgeroorlog en eigenlijk pas na de dood van Franco in 1975.

De tweede richting is het succesvol absolutisme in Rusland. “De Russische monarchie slaagde erin zowel de hoge als de lage adel in te lijven en er een dienende adel van te maken, die volledig afhankelijk was van de staat. Dat konden ze deels doen door een gemeenschappelijk belang dat de drie partijen hadden om de boeren aan het land te binden en hun meedogenloos de hoogste belastingen op te leggen. Tot een laat moment bleef de overheid patrimoniaal wat de Russische vorst er echter niet van weerhield om de adel in veel grotere mate te terroriseren en te controleren dan de Franse en Spaanse koning.[5]De andere twee elementen, de rechtsorde en de ‘verantwoordelijke overheid’ speelden in Rusland geen rol. Daar waar er in Frankrijk na de Revolutie van 1789 een moderne staat ontstond, gebeurde dat in Rusland na de Russische Revolutie niet, de autocratie van de tsaar werd vervangen door die van Stalin en later die van de Communistische Partij. Nu kent het land het: “corrupte en warrige electorale autoritarisme[6]onder Poetin. Als we Fukuyama’s definitie van moderne staat hanteren: “een veel onpersoonlijker vorm van bewind waarin de staat centraal stond,[7] dan kun je je afvragen of het huidige Rusland hieraan voldoet. Het land lijkt meer op een patrimoniale staat.

De derde richting die Fukuyama onderscheidt is de mislukte oligarchie van Hongarije en Polen. “In beide landen wist de aristocratie de koninklijke macht al vroeg grondwettelijke beperkingen op te leggen, waarna de koning zwak bleef en niet in staat was om een moderne staat tot stand te brengen. De zwakke monarchie kon de belangen van boeren niet beschermen tegen de adel, die hen meedogenloos uitbuitte. Ook kon zij niet aan voldoende middelen komen om een staatsapparaat te bouwen dat  sterk genoeg was om agressie van buitenaf te weerstaan. Geen van deze staten slaagde erin een moderne niet-patrimoniaal bestuur tot stand te brengen.[8]”  De hoge adel greep dus de macht en benutte die ten eigen voordeel zonder ook maar aan iemand verantwoording af te leggen maar diende wel rekening te houden met de door de kerk afgedwongen rechtsorde. Alleen bleek dat voordeel op termijn om te slaan in een nadeel. Polen werd in de achttiende eeuw in drie delingen opgedeeld onder de buurlanden Rusland en Pruissen. Met Hongarije gebeurde al eerder iets soortgelijks. Als we kijken naar hedendaags Polen en Hongarije dan zien we recente maar moderne staten waarbij de huidige heersers knibbelen aan die moderniteit en de macht van de staat en die in patrimoniale richting duwen en vooral handelen in eigen belang en een ‘adel van bedrijfsoligarchen’. Knibbelen door de rechtsorde naar hun hand te zetten en verantwoording met een korreltje zout te nemen door tegenspraak te bemoeilijken. Precies zoals de vroeger hoge adel.

De laatste richting noemt Fukuyama verantwoordelijk bestuur. “Sommige Europese staten konden zowel een sterke rechtsorde als verantwoordelijk bestuur ontwikkelen, terwijl ze tegelijk een sterke gecentraliseerde staat tot stand brachten die in staat was tot nationale mobilisatie en defensie.[9]  Dit gebeurde op verschillende manieren onder andere in monarchieën als Engeland, Zweden en Denemarken maar ook in Republieken zoals de Zeven Verenigde Nederlanden en de Zwitserse bondsstaat. Gebieden waar de ‘derde stand’ van handelslui en sterke lokale gemeenschappen die tegenmacht boden aan de hoge adel en de ‘staatsmacht’. Tegenmacht die de staat dwong zich te onderwerpen aan het recht en tot verantwoording dwong. Verantwoording aan een parlement dat het volk vertegenwoordigde en wiens leden door een steeds groter deel van het volk werden gekozen en uiteindelijk het hele volk.

Tot zover de vier richtingen die de politieke orde in Europa nam. In een volgend deel ga ik, weer aan de hand van Fukuyama in op de uitdagingen voor de Europese Unie die door deze verschillende geschiedenissen worden veroorzaakt.


[1] Francis Fukutama, De oorsprong van onze politiek. Deel I, pagina 374

[2] https://ballonnendoorprikker.nl/2018/12/23/het-leven-wordt-vooruit-geleefd-en-achteruit-verklaard/

[3] Francis Fukutama, De oorsprong van onze politiek. Deel I,  Pagina 375

[4] Idem, pagina 383

[5] Idem, pagina 383

[6] Idem, Pagina 456

[7] [Idem, pagina 144

[8] Idem, pagina 383

[9] Idem, pagina 383 – 384

Uitgelicht

Sterke overheid

“En dit monster moet ‘sterker’?” Die vraag stelt Kustaw Bessems zich in de Volkskrant. In die column onderzoekt hij het: “populair beeld: de overheid heeft burgers in de steek gelaten, dat komt doordat de publieke sector is uitgeknepen en dus moet de overheid een grotere rol krijgen.” Een beeld dat zelfs opstijgt uit het verkiezingsprogramma van de VVD. Een partij die tot voor kort pleitte voor minder overheid, behalve dan als ze een (vooral blauw) uniform dragen. Een sterkere overheid terwijl die overheid: “zich juist verschrikkelijk met burgers bemoei(t) en hen soms vermalen, zoals in het toeslagenschandaal.”  Nee, niet sterker, aldus Bessems: “Eerst maar eens glasheldere, directe verantwoordelijkheden bepalen en democratische controle herstellen. Geen schimmige semi-overheid meer: je bent ergens wel van of je bent er niet van. Als die basis een beetje op orde is, kunnen we verder praten. Intussen zullen we nog alles op alles moeten zetten om ons die sterke overheid van het lijf te houden.”

En dat brengt mij weer bij De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama. In het vorige deel kondigde ik aan te beginnen met het beschrijven van de ‘gerechten’ die je van de ingrediënten staat, rechtsorde en ‘verantwoordelijke overheid’ kunt bereiden. In zijn column stelt Bessems in feite de vraag of meer ‘staat’ nu het juiste ingrediënt is om aan het recept toe te voegen. Hij pleit voor meer ‘verantwoordelijke overheid’. En wellicht zou ook een pleidooi voor meer ‘rechtsorde’ een antwoord kunnen bieden. Laten we deze ingrediënten eens behandelen met de huidige situatie in Nederland in het achterhoofd.

Als eerste de optie waarvoor we volgens Bessems moeten uitkijken, meer staat vertaald als een sterkere overheid. Bessems heeft een punt als ‘sterker’ wordt vertaald in ‘bemoeizucht’ dan is dit geen aanlokkelijk perspectief. Als we naar de recente geschiedenis kijken dan zijn er signalen van toenemende bemoeizucht. Met een beroep op ‘veiligheid’ en in de ‘strijd tegen terrorisme’ wordt een vergaande inbreuk op onze privacy door de ‘Sleepwet’ gesanctioneerd. En ‘om erger te voorkomen’ zoals bijvoorbeeld bij de Jeugdwet probeert de overheid achter de voordeur te komen. En ook de door Bessems aangehaalde ‘toeslagenaffaire’ waarbij het ‘voorkomen van fraude’ voor grote ellende zorgde. Wat alle drie deze voorbeelden gemeen hebben is dat ze met goede bedoelingen zijn ingevoerd: het land veilig maken, kinderen snel helpen als dat nodig is en werk en kind combineren. Nu is de weg naar de hel, volgens het spreekwoord, geplaveid met goede bedoelingen en deze voorbeelden liggen in dat plaveisel. Zou het kunnen dat die ‘bemoeizucht’ voortkomt uit wantrouwen? Een overheid die haar burgers niet vertrouwt en, om het cru te formuleren, achter ieder boom een ‘terrorist’, achter iedere voordeur een jeugddrama en in iedere burger een fraudeur ziet?

Meer ‘staat’ en dus een sterke overheid kun je op verschillende manieren invullen. ‘Sterk’ ingevuld als bemoeizucht is een manier waarop vooral autoritaire heersers hun ‘staat’ vormgeven. Neem het Rusland onder Poetin of het Turkije onder Erdogan als voorbeeld. Landen die de staatmacht gebruiken om de inwoners te controleren. Een democratische samenleving met een ‘verantwoordelijke overheid’[1] kan (en moet in mijn ogen) andere keuzes maken. Want zou de kracht van de staat in een land met een ‘verantwoordelijke overheid’ niet juist toenemen als zij voorwaarden schept vanuit vertrouwen in en op haar inwoners? Het bijzondere aan vertrouwen is immers dat je het pas krijgt als je het geeft. Maar ook sterk in te vullen als ‘schild voor de zwakkeren’. Door: “in de huidige mobile kapitalistische ondernemerseconomie (…)de staatsmacht (te) gebruiken om de kant van de werknemer en consument te kiezen en hen via wetgeving te beschermen door de multinationals aan banden te leggen.” In plaats van te: “kiezen voor de multinationals waardoor die de werknemer en consument verder kunnen uitbuiten.[2]  

Een sterke staat? Ja, graag maar dan wel ook meteen de ‘verantwoordelijke overheid’ en de rechtsorde versterken want een sterke overheid zonder ‘verantwoordelijke overheid’ en sterke rechtsorde is vragen om problemen zoals Bessems betoogt. Maar dan wel in formele wet- en regelgeving vastgelegde verantwoordelijkheid die het de ‘geregeerden’ mogelijk maakt om de leiding van die sterke overheid te vervangen als die er een potje van maakt. Of zoals Bessems schrijft: “ je bent ergens wel van of je bent er niet van.”  Dat ‘wegsturen’ kun je op verschillende manieren vormgeven. In Nederland doen we dat nu via de Tweede Kamer. Als de regering het vertrouwen van de Kamer verspeeld, dan wordt ze naar huis gestuurd. Als inwoner hebben we er geen directe invloed op. Dat kan ook anders. In andere landen, bijvoorbeeld Frankrijk en Verenigde Staten kiezen ze de president die vervolgens een regering samenstelt. Die president kan, behalve als hij de wetten overtreedt, alleen door de kiezer naar huis worden gestuurd.

In theorie kent Nederland de scheiding der machten zoals Montesquieu die in zijn beroemde werk De l’esprit des lois omschrijft. De regering regeert, het parlement maakt wetten en de rechter spreekt recht. De praktijk ziet er echter wat anders uit. Inderdaad regeert de regering, maar dat doet zij samen met de meerderheid van het parlement. De regering steunt immers op een meerderheid in de Tweede Kamer en liefst ook in de Eerste want anders komen er problemen. De Tweede en Eerste Kamer stellen de wetten vast. Alleen wordt het gros van de voorstellen voor wetten ingediend door de regering. Als laatste, en daarmee komen we op het terrein van de rechtsorde, werden de mogelijkheden van de rechterlijke macht de afgelopen jaren beperkt. Aan de ene kant beperkt door striktere wetgeving die geen maatwerk meer mogelijk maakt zoals ook in de toeslagenaffaire het geval was. Aan de andere kant door bezuinigingen op die rechterlijke macht. Bezuinigingen die ertoe leiden dat het heel lang duurt voordat een zaak voor de rechter komt, dat zaken verjaren maar ook dat veel wordt afgedaan zonder tussenkomst van de rechter via een ‘bestuurlijke strafbeschikking’. Maar als belangrijkste mag de rechter niet toetsen aan onze Grondwet.

Zou de overheid niet sterker worden als die drie machten beter worden gescheiden? Gescheiden door bijvoorbeeld de uitvoerende macht, de regering, eens per vier jaar te kiezen via premiersverkiezingen. Te kiezen op basis van een programma en de mensen met wie de plannen uitgevoerd gaan worden. De kiezers hebben directe invloed op de begroting: de kandidaat premier presenteert de plannen met het financiële kader erbij. Daarin zit dus ook hoeveel belastinggeld er naar wat gaat. En door de regering, in tegenstelling tot nu, geen medewetgever meer te maken, maar te laten opereren binnen de kaders van de wetten. Een regering die geen verantwoording schuldig is aan het parlement maar aan de kiezer. Daarbij kun je in de wet het aantal termijnen voor een premier limiteren.

De machten scheiden en versterken door de wetgevende macht via loting samen te stellen. Bijvoorbeeld 301 Kamerleden met een zittingstermijn van zes jaar waarbij ieder jaar een zesde deel wordt vervangen door nieuwe. Kamerleden die niet hoeven te werken aan hun ‘herverkiezing’ maar die zich volledig op het werk als Kamerlid kunnen concentreren en dat werk is het evalueren van bestaande en het maken van nieuwe wetten. Kamerleden zonder partij- en fractiedruk omdat er geen partijen en dus fracties zijn. Kamerleden die worden ondersteund door een stevig ambtelijk apparaat dat niet adviseert maar verheldert, doordenkt, doorrekent en spiegelt. De huidige adviestak van de Raad van Staten, het CPB het SCP het PBL enz. maken onderdeel uit van dit ambtelijk apparaat.

En als laatste door de rechterlijke macht op verzoek van burgers het beleid van de regering te laten toetsen aan de wet en de grondwet. Rechters die voor het leven (dat kan ook de pensioengerechtigde leeftijd zijn) te laten benoemen door de gelote volksvertegenwoordiging. Voor het leven omdat dit voorkomt dat ze zich zorgen moeten maken over ‘hun volgende baan’. Want onzekerheid over je bestaanszekerheid maakt dat je anders handelt. De financiering van de volksvertegenwoordiging en de rechterlijke macht, maken geen onderdeel uit van de begroting. Die worden bij wet geregeld door de Volksvertegenwoordiging.

Zou dat geen recept kunnen zijn met de drie ingrediënten van Fukuyama? Een recept voor de toekomst geworteld in het Nederlandse verleden. In een volgend deel pak ik Fukuyama’s betoog weer op door terug te kijken en aan de hand van de drie ingrediënten te verklaren hoe verschillende landen zich hebben ontwikkeld en waarom.


[1] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/11/verantwoordelijke-overheid/

[2] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

Uitgelicht

Verantwoordelijke overheid

Na de rol van de rechtsorde[1] rest er nog een onderwerp dat voor het verklaren van de politieke orde van belang is. Dat is, zoals Francis Fukuyama betoogt in zijn boek De oorsprong van onze politiek het noemt, de ‘verantwoordelijke overheid’. “Verantwoordelijk bestuur betekent dat de heersers menen dat ze zich moeten verantwoorden tegenover het door hen geregeerde volk en de belangen van het volk boven die van zichzelf moeten stellen.[2] aldus Fukuyama. ‘Nogal logisch’ is een eerste reactie vanuit een luie stoel in Nederland. Toch is dat niet zo logisch.

File:God roept Kaïn ter verantwoording nadat hij Abel heeft gedood,  RP-P-1878-A-851.jpg - Wikimedia Commons
God roept Kaïn ter verantwoording na de moord op Abel. Van Louis De Deyster. Bron Rijksmuseum via WikimediaCommons

Inderdaad zijn we in Nederland gewend dat de regering zich voor het volk, vertegenwoordigd in de Tweede Kamer, verantwoordt en geregeld, in ieder geval een keer per vier jaar en volgende week weer, voor het gehele volk. Ook in de landen om ons heen kennen een soortgelijke manieren van verantwoorden. Toch zijn dit uitzonderingen. Uitzonderingen omdat het overgrote deel van de heersers in het verleden, maar ook in het heden er heel anders over dachten en denken. Een Egyptische Farao, de Chinese keizer of Genghis Khan dacht niet in termen van verantwoording. Het volk werkte voor hen, niet omgekeerd.

Fukuyama onderscheidt twee soorten verantwoording morele en formele. “Formele verantwoording is procedureel: de overheid gaat ermee akkoord zich te onderwerpen aan bepaalde mechanismen die haar macht om te doen wat zij wil beperken. Uiteindelijk stellen deze procedures (die doorgaans nauwkeurig in een grondwet worden omschreven) de burgers van een samenleving in staat om de hele overheid te vervangen in geval van ambtsmisdrijf, incompetentie of machtsmisbruik.” In onze democratische samenleving ‘vervangen’ we via verkiezingen. Het kan ook anders: “In Engeland werd al vroeg verantwoordelijk bestuur geëist uit naam van het recht, omdat de burgers vonden dat de koning zich daaraan moest onderwerpen.” De koning moest zich onderwerpen aan: “een traditioneel rechtscorpus dat werd beschouwd als de belichaming van de consensus van de gemeenschap.” Iets soortgelijks speelde ook in de Lage Landen ten tijden van de Tachtigjarige Oorlog. De ‘consensus van de gemeenschap’ zijnde die in de Staten Generaal vertegenwoordigde edelen, vonden dat de landsheer, de koning van Spanje, zijn ambt misbruikte. Via het Plakkaat van Verlatighe werd Phillips II afgezet. In de loop van de tijd werd in West Europa en de Verenigde Staten de groep die behoorde tot dit ‘traditionele rechtscorpus’ steeds groter en uiteindelijk is hieruit onze democratie ontstaan met een door het gehele volk gekozen volksvertegenwoordiging.

Bij morele verantwoording daarentegen, ligt het initiatief bij degene die van zichzelf vindt dat er verantwoording moet worden afgelegd. Het initiatief ligt bij de heerser zelf. Fukuyama geeft een sprekend vergelijkend voorbeeld: “morele verantwoordelijkheid heeft een reële betekenis in de manier waarop autoritaire samenlevingen bestuurd worden, zoals blijkt uit de tegenstelling tussen het hasjemitische Jordanië en het ba’athistische Irak onder Saddam Hoessein. Geen van beide landen was een democratie, maar Irak was een wrede indringende dictatuur die voornamelijk de belangen van het kleine kliekje vrienden en familieleden van Saddam diende. De Jordaanse koningen daarentegen hoeven zich niet formeel te verantwoorden tegenover hun volk behalve door middel van een parlement met zeer beperkte bevoegdheden; niettemin hebben zij goed geluisterd naar de eisen van diverse groepen in de Jordaanse samenleving. [3]

De staat in zijn verschillende vormen[4], de rechtsorde[5] en de ‘verantwoordelijke overheid’, drie ingrediënten voor een politieke orde. Iedere kok weet dat je met dezelfde ingrediënten heel verschillende gerechten kunt maken. Dat geldt ook voor de drie ingrediënten voor een politieke orde. Welke ‘gerechten’ daar kom ik in een volgend deel in deze serie op terug.


[1] Zie hiervoor https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/07/us-and-the-king/ en  https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/07/us-and-the-king/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 369

[3] Idem, pagina 369-370

[4] Zie de delen:  https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/21/de-oorsprong-van-onze-politiek-tribalisme/ , https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/25/de-patrimoniale-staat/ en

https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

[5] Zie voetnoot1