Uitgelicht

‘Koopt Nederlandsche waar…’

“Een fundamentele discussie is geboden over hoe Nederland verder wil als de Corona-epidemie voorbij is” Dit schrijft Johannes Vervloed aan het einde van een artikel bij Opiniez. Dit artikel haalde ik in mijn vorige Prikker ook al aan. Vervloed vraagt zich af: “hoe we onze samenleving kunnen beschermen tegen deze en een volgende pandemie.” Waaraan hij dan denkt: “We zouden meer zelfvoorzienend moeten worden waar het essentiële producten en diensten betreft.” Zoals ik mijn Prikker van gisteren eindigde, is het een: “goed idee om (…) actief te zoeken naar die meerdere wegen.” Dus hulde aan Vervloed. Toch knelt er iets.

Nadat hij zich afvraagt hoe we ons kunnen beschermen tegen een volgende pandemie, stelt hij de volgende vragen: “Moet Nederland niet weer baas in eigen huis worden en de grenzen kunnen sluiten als dat nodig is? En is het wel verstandig volledig afhankelijk te blijven van globale productieketens? Zijn sommige producten en diensten zo vitaal dat deze in ieder geval als back-up in eigen land geproduceerd en geleverd moeten kunnen worden?”  Deze vragen knellen. Hoe open zijn deze vragen? Laten we ze eens doorlopen.

Baas in eigen huis. “Als doordringt dat we in tijden van een crisis als de huidige van de EU geen antwoord hoeven te verwachten en de lidstaten op zichzelf worden teruggeworpen, verdient nationaal beleid een herwaardering.” Laat nu de gezondheidszorg juist een terrein zijn waar de landen van de Europese Unie volledig ‘baas’ zijn in het ‘eigen huis’. Dat maakt het niet meer dan logisch dat er geen EU antwoord komt. De EU heeft geen rol en dat maakt het cru om haar te verwijten dat zij geen ‘antwoord’ geeft. Behalve als je vindt dat de EU moet worden afgebroken. En dat is wat Vervloed vindt: “Wat mij betreft beperkt de EU zich tot de interne markt en de douane-unie, nodig voor een handelsland als Nederland.”

Dan die afhankelijkheid. Vervloed: “Sommige producten en diensten zijn zo vitaal dat je je niet volledig van buitenlandse toevoer afhankelijk moet willen maken. Voedselvoorziening is cruciaal voor ieder land.”  Vervloed trekt daaruit de volgende conclusie: “De Nederlandse boer zal dan ook weer in ere moeten worden hersteld en gepraat over halvering van de veestapel en verkoop van landbouwbedrijven moet ophouden.” Wacht eens. Die Nederlandse boeren en tuinders produceren vooral voor de buitenlandse markt. Nederland is een van de grootste exporteurs van landbouwproducten. Die boeren en tuinders varen wel bij de gratie van het buitenland. Voor eigen Nederlands gebruik kan die veestapel best worden gehalveerd. Kan best een fors deel van de tuinbouwbedrijven worden gesaneerd. Ook hier gebruikt Vervloed ‘corona’ op een zeer bijzondere manier om zijn eigen opvattingen kracht bij te zetten. 

Nog meer afhankelijkheid. “De eigen maakindustrie zal weer meer aandacht en ruimte moeten krijgen. We mogen het sprookje van Nederland als pure diensteneconomie die de meeste levensbehoeften uit het buitenland invoert niet meer blijven vertellen. We moeten onze eigen staal-, chemische en andere basisindustrie koesteren en voor lief nemen dat de CO2-uitstoot dan maar weer oploopt.” Wat Vervloed er niet bij vertelt, is dat de producten van die Nederlandse staal- en chemische industrie dan flink duurder worden. Of, en dan betalen we als inwoner de prijs op een andere manier, dat die fabrieken stevig gesubsidieerd moeten worden. ‘Koopt Nederlandsche waar, dan helpen we elkaar’, zo lijkt Vervloed te betogen.

Met de CO2- uitstoot komen bij de werkelijke vijand; “Wat de energievoorziening betreft houden we kerncentrale Borsele voor de zekerheid maar langer open.” Nu produceren alle elektriciteitscentrales in Nederland bij elkaar, volgens wikipedia, ruim 20.500 Mega Watt. Dit is zonder de zonnepanelen en windmolens. Daarvan neemt de kerncentrale in Borsele er 435 voor rekening. Dat is zo’n 2%. Ook hier lijkt Vervloed ‘corona’ te gebruiken voor andere doeleinden. Die doeleinden worden in de zin erna duidelijk: “Megalomane en geldverslindende klimaat- en energieplannen zoals de Green Deal van EU-commissaris Timmermans moeten in de la verdwijnen.” 

Vervloed beziet, om het citaat uit het boek Kapitalisme en Ideologie van Thomas Piketty dat in die vorige Prikker centraal stond te gebruiken, de corona-crisis deterministisch. Determinisme is een leer die stelt dat dingen niet willekeurig gebeuren. Ze gebeuren met een reden. Die reden kan in het verleden of in de toekomst liggen. Bij Vervloed ligt die reden in het verleden. Hij wil terug naar, ja naar welke periode eigenlijk? In ieder geval een periode zonder de EU. Want die lijkt voor Vervloed, net als voor president Trump, de schuldig te zijn aan ‘corona’.

Een fundamentele discussie voeren over de periode na ‘corona’ is belangrijk. Belangrijk omdat we nu ervaren hoe de samenleving (op wereldschaal) wordt ontwricht en ervaren welke nadelen onze economische en politieke organisaties kennen in de aanpak van een grenzenloos virus. Maar dan wel een open fundamentele discussie op basis van grondige analyse waarbij de conclusies pas aan het eind komen en niet al aan het begin zoals bij Vervloed.

Uitgelicht

Piketty en de corona-pandemie

Ik ben begonnen met het lezen van Kapitalisme en Ideologie. Het nieuwe, stevig uitgevallen boek van de Franse econoom Thomas Piketty. Ik heb het boek nog (lang) niet uit dus verwacht hier geen beschouwing op het boek. Wat ik wel alvast wil verklappen is dat het helemaal niet gaat over ‘corona’. Toch moest ik tijdens het lezen denken aan de corona-pandemie.

Of eigenlijk aan de reacties van mensen erop. Van het niet schudden van handen, thuiswerken, geen voetbal tot het hamsteren van WC-papier. ‘Deskundigen’ die pleiten voor drastische maatregelen. Andere, zoals Ira Helsloot, pleiten juist voor ‘voorzichtigheid’ om de economie te ontzien: “Wat dat betreft is de economische prijs die we nu wereldwijd betalen om een groep kwetsbare ouderen te beschermen tegen vroegtijdig overlijden door het coronavirus buitensporig hoog.”  Politici, zoals Wilders, die zich normaal niets gelegen laten liggen aan wat andere landen in Europa doen, leveren nu kritiek omdat ‘Nederland veel minder’ doet. Trump heeft in de Verenigde Staten de noodtoestand uitgeroepen. Heel bijzonder is het commentaar van Raoul du Pré in de Volkskrant: “Ronduit zorgwekkend is het totale gebrek aan Europese coördinatie dat deze week zo duidelijk aan het licht kwam.” Een soort gelijke reactie is ook te lezen in een artikel van Johannes Vervloed bij Opiniez: “Als doordringt dat we in tijden van een crisis als de huidige van de EU geen antwoord hoeven te verwachten en de lidstaten op zichzelf worden teruggeworpen, verdient nationaal beleid een herwaardering. Waarom geld stoppen in EU-beleid dat niet werkt?” Hoezo zorgwekkend? Hoezo niet werken? De Europese Unie heeft geen rol op het terrein van de gezondheidszorg. Dat is iets van de landen zelf en dan moet je niet raar opkijken als ze het allemaal op hun eigen manier doen.

Er zijn ook al mensen die ‘voorbij’ de corona-crisis kijken. Bij Joop ziet Han van der Horst ‘corona’ als de ‘zwanenzang’ van het kapitalisme zoals we het nu kennen: “Het kapitalisme faalt. De markt is geen garantie maar een gevaar voor de bestaanszekerheid van u en ik. Althans als we door gaan te blijven geloven in de dogma’s die ons dertig jaar geleden door Margaret Thatcher en Ronald Reagan zijn aangereikt, geïnspireerd als zij waren door hun heksenmeester Milton Friedman en zijn Chicago School of Economics.” Voor de toekomst zoekt Van der Horst, niet vreemd voor een historicus, inspiratie in het verleden. Bij de oorlogseconomie van de Tweede Wereldoorlog: “De werking van de markt en de uitgangspunten van het kapitalisme werden als het ware opgeschort.” Maar ook het naoorlogse Nederland waar: “Drees jaarlijks de loonruimte (bepaalde) en de overheid was verreweg de belangrijkste projectontwikkelaar.” 

Bij De Correspondent pleit Marc Chavannes tegen het neoliberalisme en voor deskundigheid bij de overheid. “Zoals premier Mark Rutte donderdag zei, moet nu met vijftig procent kennis honderd procent van de beslissingen worden genomen. Onvolmaakte maatregelen zijn beter dan geen. Dat kan alleen als ministers kunnen leunen op inhoudelijk deskundige ambtenaren.” En daaraan ontbreekt het. Waarom dat ontbreekt? “De neoliberale opvatting over wat de overheid is blijkt een doodlopende weg.” Vervolgens somt hij een reeks van debacles op van Fyra en fipronil tot de Groningse aardbevingen en de toeslagen crisis. “Deze crisis gaat over kennis, samenwerking, doortastend openbaar bestuur. En staat dus haaks op alles waar het demagogisch populisme het van moet hebben. Sorry jongens, even belangrijker dingen te doen.” Zo sluit Chavannes af.

Allebei geven ze een plausibele analyse van hoe het zo kon gebeuren. Een verhaal dat er ‘logisch’ toe leidt dat een gebeurtenis zoals de komst van het corona-virus, tot de huidige situatie moest leiden en dat die huidige situatie nu echt tot fundamentele veranderingen leidt. Dat gebeurde niet tijdens en na de economische crisis die in 2008 begon met de val van Lehman Brothers. Daarmee kom ik bij Piketty waarmee ik deze Prikker begon. Piketty pleit (pagina 141), in een heel andere context, ervoor om te kijken naar de: “eigen dynamiek van gebeurtenissen.” Om gebeurtenissen in het verleden: “niet deterministisch te bezien, maar juist te interpreteren als een beslissend moment waarop verschillende ideeën ingang konden vinden en meerdere wegen ingeslagen hadden kunnen worden.” 

Van der Horst en Chavannes zien, of hopen, dat de corona-pandemie zo’n gebeurtenis is. Of ze gelijk krijgen dat het virus zo’n gebeurtenis is, weten we pas over enkele jaren. Of het tot een ander soort economie leidt en/of tot het afscheid nemen van het demagogisch populisme, een ‘Robert Harris scenario’ waarover ik een tijdje geleden schreef of een heel ander scenario? Het kan allemaal. Het kan ook dat we gewoon op de oude voet verder gaan. Een goed idee om Piketty’s advies ter harte te nemen en actief te zoeken naar die meerdere wegen.

Uitgelicht

Opvoeden tot feminist?

“Hoe voed je je kinderen op tot feminist? (En drie andere belangrijke vragen voor feministen),” de kop boven een artikel bij De Correspondent. Een artikel, eigenlijk zijn het er vier in een. Vier correspondenten beantwoorden die vraag. Een interessante vraag. Laten we de antwoorden eens op een rij zetten.

De eerste, Nesrine Malik, schrijft: “Vrouwen zijn zwak omdat hun behoeften – of die nu professioneel, biologisch of moederlijk zijn – geen prioriteit krijgen. Echte empowerment gaat over het voorzien in die behoeften, en vrouwen de middelen en rechten te geven om vrij te kunnen zijn.”  En dat gaat met pijn gepaard: “Empowerment zoals we die vandaag de dag kennen gaat over het verdoven van deze pijn. Terwijl we haar juist wakker moeten maken.” Als ik het goed begrijp moet ik mijn kinderen pijn leren voelen en die pijn aanwakkeren. Ik neem niet aan dat zij hiermee fysiek geweld bedoelt. Als ik ze tenminste tot feminist wil opvoeden. Maar wie wil kinderen met pijn opvoeden?

De tweede Irene Caselli wil inzetten op de heel vroege kindertijd: “de vroege kindertijd kan een nieuw terrein voor actie worden. Als we feministische kinderen hebben die uitgroeien tot feministische volwassenen, dan hebben we straks misschien minder moeders en vaders die in een traditionele genderspecifieke rol terechtkomen.” Hierbij vervullen de moeders een belangrijke rol: “Voor zover het mogelijk is de houding van een adolescent terug te voeren op een familiale bron, blijkt uit een studie dat moeders de primaire bron zijn van seksistische houdingen van hun kinderen.” Dat wordt wel lastig omdat vaders en moeders bij de geboorte van hun kroost: “meer dan op enig ander moment in hun leven – de neiging (hebben) om in geslachtsgebonden rollen te vervallen.” Jammer voor mij. Mijn kinderen hebben de vroege kindertijd al jaren achter zich gelaten.

Valentijn De Hingh stelt dat eerst een antwoord moet worden gegeven op de vraag: “wie we precies bedoelen met het woord ‘vrouw.’ Vinden we bijvoorbeeld dat transgender personen ook vrouwen kunnen zijn? En zo ja, vechten feministen dan ook voor hen?” Wat het antwoord ook is, allemaal hebben ze baat bij de: “vernietiging van het patriarchale systeem.” Maar als daardoor een nieuw uitsluitend systeem ontstaat: “Als we de gelijkwaardigheid van vrouwen bewerkstelligen door trans personen te vernederen en uit te sluiten,” aldus De Hingh: “wat betekent die gelijkwaardigheid dan nog?” Een terechte vraag. Alleen ben ik er nog niet uit hoe dit handen en voeten te geven in de opvoeding van kinderen. 

OluTimehin Adegbeye adviseert om af te stappen van het ‘gelijkheidsfeminisme’. Adegbeye: “gelijkheid is een goed doel als je simpelweg wil veranderen wie er allemaal misbruik mag maken van macht, of de planeet en haar bewoners mag uitbuiten. En dat doel is vrij simpel te behalen: leer alle mensen om zich te gedragen als sociopaten.”  Wat er wel moet gebeuren, is dat het feminisme: “haar ogen (opent) voor wat het patriarchaat en verwante onderdrukkingssystemen veroorzaken. Denk aan de onderdrukking van lichamelijke integriteit van alle sekses en seksuele geaardheden, armoede, alle vormen van geweld, racisme, arbeidsuitbuiting, niet-duurzame economieën.”  De aandacht moet verlegd worden: “van de vraag hoe vrouwen macht kunnen vergaren naar hoe we macht kunnen transformeren ten gunste van iedereen.”

Interessante bespiegelingen, maar ik zie niet hoe deze vier adviezen mensen helpen bij de opvoeding van hun kinderen. Laat staan bij het opvoeden van kinderen tot feminist. Daarbij, en die vraag riep de titel van het artikel al bij me op, vraag ik me af waarom we kinderen moeten opvoeden tot feminist? Net zoals ik me afvraag waarom we kinderen zouden moeten opvoeden tot socialist, nationalist, christen, jood, moslim of hindoe? Of het goed gelukt is moeten anderen maar beoordelen, maar ik probeer mijn kinderen op te voeden tot mens met respect voor andere mensen. Tot kritische en vragende mensen die niets voor zoete koek slikken. Tot mensen met de mogelijkheid om zelf te kiezen wat ze willen en hoe ze hun leven willen vormgeven.

Uitgelicht

Afhankelijk onafhankelijk of onafhankelijk afhankelijk

Een van mijn laatste Prikkers schreef ik naar aanleiding van het boek De Tweede Slaap van Robert Harris. Een geromantiseerde thriller met de risico’s van een hoog technologische samenleving als achtergrond. Ik eindigde die Prikker met de verwachting dat de huidige ‘primitieve mens’ waarschijnlijk een grotere kans heeft om te overleven na een instorting van onze hoog technologische samenleving. Een paar dagen na het schrijven van die Prikker moest ik denken aan een ander opvallend kenmerk van onze huidige Westerse samenleving. Of eigenlijk twee opvallende kenmerken. 

Als eerste de zeer ver gaande specialisatie. Arbeidsdeling is van alle tijden. Onze voorvaderen de jager-verzamelaars kenden al een, zij het beperkte, arbeidsdeling: de mannen joegen, de vrouwen verzamelden. Dat deden ze in kleine groepen. In die groep konden ze overleven. Alleen zouden ze het lastig hebben. Tegenwoordig gaat die deling veel verder. Die deling maakt ons veel productiever en vergroot de welvaart. Adam Smith beschreef dit goed in zijn boek De Welvaart van Landen. Laat ik mezelf als voorbeeld nemen. Het beleidsadvies dat ik produceer is niet te eten, het beschermt me niet tegen de kou en ik kan er niet in wonen. De jager-verzamelaars zouden mij met wantrouwen aankijken en waarschijnlijk wegjagen. Aan dat ‘beleidsadvies’ daar hadden ze niets aan. Voor hen zou ik geen meerwaarde hebben. Ik zou worden gezien als een profiteur. In onze moderne samenleving is het gevraagd en zijn er mensen die mij ervoor betalen. Met dat geld kan ik eten en kleren kopen en voor onderdak zorgen. Met die steeds groeiende arbeidsdeling groeit ook het aantal mensen waarvan je afhankelijk bent. Alleen zou ik met mijn ‘beleidskennis’ niet overleven.

De tweede ontwikkeling is de nog steeds groeiende individualisering. Opgroeien is ‘jezelf ontdekken’ en erachter komen ‘wie je bent’ en ‘onafhankelijk’ worden. Zelfs als volwassene ben je er nog niet. Het aantal trainingen en workshops om jezelf te ‘vinden’ is overweldigend. Nog overweldigender is het aantal ‘coaches’ dat je helpt. Je hebt lifestyle coaches, loopbaan coaches, kleding coaches, personal coaches, talent coaches. Het lijkt wel alsof er meer coaches zijn dan mensen om te coachen. Allemaal helpen ze je bij het worden van dat ‘unieke individu’, die ‘krachtige onafhankelijke persoon’.

Twee ontwikkelingen die in een tegengestelde richting wijzen. De een in de richting van afhankelijkheid en de andere in de richting van onafhankelijkheid. Hoe verklaren we dit? Als we ze combineren zijn er twee mogelijkheden. Als eerste hoe afhankelijker we van elkaar worden, hoe onafhankelijker we willen zijn. Of het omgekeerd, hoe onafhankelijker we willen zijn hoe afhankelijker we van elkaar worden. Welke van de twee zou het zijn?

Uitgelicht

Logica van de koude grond

“Je zou verwachten dat als een van de grootste nettobetalende leden van een vereniging vertrekt, de contributie aan het bestaande budget ook omlaag gaat.” Een zin uit een schrijven van Derk Jan Eppink op de site van Forum voor Democratie. De vereniging waarover Eppink schrijft is de Europese Unie en het nettobetalende lid dat vertrekt is Groot Brittannië. Ik moest toch even achter mij oren krabbelen toen ik dit las. Het vertrek van een lid moet ertoe leiden dat de contributie voor de andere leden omlaag gaat. Hoe zou de penningmeester van een amateurvoetbalclub dit zien?

De club heeft een aantal velden, kleedlokalen en een kantine die moeten worden onderhouden. Wellicht moet er nog een lening op die gebouwen worden afgelost. Ze moet betalen voor gas, water en licht, maar ook voor ballen en andere materialen. Dit alles wordt betaald uit de contributie die de leden betalen. Zouden die kosten dalen en dus de contributie kunnen worden verlaagd als er een lid vertrekt? Ik vrees eerder dat het omgekeerde het geval is. 

Nu is de Europese Unie een bijzondere vereniging. Zij probeert iedereen, ieder land en iedere streek binnen haar vereniging ‘op te stoten in de vaart der volkeren’ om het zo te noemen. De totale uitgaven voor dat ‘opstoten’, moeten worden betaald door alle leden. Dat gebeurt, door ieder land te laten bijdragen. Het ene gebied, Nederland bijvoorbeeld, is al verder ‘opgestoten’ dan het andere, bijvoorbeeld Roemenië. Dit betekent dat de Unie meer investeert in Roemenië dan in Nederland. Roemenië krijgt dan meer geld dan het bijdraagt en Nederland minder. Nederland is, zoals dat wordt genoemd, een ‘netto-betaler’, Roemenië een ‘netto-ontvanger’. Groot-Brittannië was ook zo’n ‘netto-betaler’ en die verlaat de club. Daarmee vervallen alle ‘investeringen’ van de Unie in Groot-Brittannië en ook de bijdrage van de Britten aan de Unie. Omdat de Britten een ‘netto-betaler’ zijn, ontstaat er een gat in de begroting van de Europese Unie. De vraag die Eppink helemaal buiten beschouwing laat, is de vraag achter het ‘netto-betalerschap’ Als ‘opstoten in de vaart der volkeren’ het doel is van de Unie, moeten we in Nederland dan niet blij zijn dat we ‘netto-betaler’ zijn? Dat betekent immers dat we het verst zijn ‘opgestoten’. 

Zou dat gat opgevuld kunnen worden door een verlaging van de contributie  voor de overige leden? Zoals iedere penningmeester van een vereniging weet, is het erg lastig om een tekort te dekken door de inkomsten te verlagen. Het enige wat er dan gebeurt is dat het tekort verder oploopt.

Het gat kan op drie manieren worden gedicht. Als eerste door in de uitgaven te snijden en de inkomsten gelijk te houden. Een eenvoudige en pijnloze manier van ‘snijden’ heeft de Unie al laten liggen. Namelijk het snijden in parlementsleden. De ‘stoeltjes’ die de Britten verlaten, worden verdeeld over de andere landen. Eppinks partij profiteert hiervan, ze krijgen er een stoeltje bij. Ware het niet dat die toevalt aan een aanhanger van ‘ketter’ Otten. Hierover heb ik geen partij gehoord. Snijden betekent dat er minder ‘opgestoten kan worden in de vaart der volkeren’. Als je dat rechtvaardig wilt doen dan snijd je in steun aan gebieden die het verst zijn ‘opgestoten’, bijvoorbeeld Nederland en ontzie je gebieden, zoals Roemenië die nog wel wat ‘opstoting’ kunnen gebruiken. Gevolg hiervan zal zijn dat de ‘netto-betalers’ nog grotere ‘netto-betalers’ zullen worden. De uitgaven aan de Unie blijven immers gelijk en de inkomsten uit de Unie dalen. De Roemenen zullen er niets van merken. Hun inkomsten en uitgaven blijven gelijk. 

De tweede manier om het gat te dichten is door, bij gelijkblijvende uitgaven, de inkomsten te verhogen. Ieder land betaalt dan meer contributie bij gelijkblijvende bijdragen uit de Unie. Nederland wordt ook dan een grotere ‘netto-betaler’. Roemenië betaalt meer contributie bij gelijkblijvende inkomsten uit de Unie. De pijn wordt op deze manier verdeeld over alle leden. De derde manier om uitgaven en inkomsten weer in evenwicht te brengen, is een combinatie van de eerste twee manieren. Ook in dat geval zal ‘netto-betaler’ Nederland meer gaan bijdragen. Welke variant het meest eerlijk en rechtvaardig is, laat ik graag aan anderen over. Helder mag zijn dat Nederland in alle drie de scenario’s meer moet betalen. Hoeveel meer, geen idee. 

Laten we blij zijn dat Eppink geen ‘penningmeester’ is. Wat meer zorgen baart, is dat dergelijke ‘logica van de koude grond’ er bij het Forum voor Democratie in lijkt te gaan als gods woord in een ouderling. 

Uitgelicht

Leren, accepteren, niet beleren

“Al deze veranderingen zijn een kleine stap voor de mensheid maar een reuzestap in de transformatie van jeugdzorgland. Laten we de aanbevelingen van de inspecties serieus nemen en adequate financiering voor de jeugdhulp regelen en geef de gemeenten een kans om te transformeren naar betere jeugdhulp met ‘zo thuis als mogelijk’.” Dit advies geeft lector Residentiële Jeugdzorg Peer van der Helm in een artikel op de site Sociale Vraagstukken. Een advies dat de Ballonnendoorprikker van harte ondersteunt. Toch is er iets in het artikel van Van der Helm dat om een kritische beschouwing vraagt.

Van der Helm ziet twee goede ontwikkelingen: “Als eerste is er, zonder dat iemand dat doorhad, een stille revolutie voltrokken binnen de jeugdzorg. Dat gaat over de dominantie van de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders), ook wel de ‘bijbel van de psychiatrie’ genoemd. Vroeger kreeg je alleen geld met een zogenaamde Diagnose Behandelcombinatie (DBC volgens de DSM).” Die DSM: “verliest steeds meer terrein in gemeenteland.”  Een positieve ontwikkeling: “want dat opent nieuwe mogelijkheden voor adequate behandeling en begeleiding. Er wordt in de plaats daarvan steeds meer gekeken naar een verklarende probleemanalyse.”  De tweede goede ontwikkeling is dat: “gemeenten vaak in staat zijn heel goed maatwerk te leveren in behoorlijk extreme en levensbedreigende casussen die vroeger in de gesloten jeugdzorg terecht zouden zijn gekomen.” Daarom moet er adequate financiering worden geregeld voor gemeenten. 

Van der Helm legt een verband tussen de gemeente en maatwerk: ‘gemeenten kunnen maatwerk leveren.’ En dat klopt. Het kan, maar het is geen een-tweetje dat laten gemeenten ook zien. Dat ‘gemeenten maatwerk leveren’ is een van de vooronderstellingen waarop het landelijk jeugdzorgbeleid is gebaseerd. Maar dat gemeenten dit kunnen, wil niet zeggen dat het Rijk dit niet zou kunnen. Ook een door het Rijk aangestuurde jeugdzorg kan ‘transformeren naar betere jeugdhulp met ‘zo thuis als mogelijk’.’ Dat ‘transformeren’ vraagt om vertrouwen. De verantwoordelijke overheid, welke dat ook is, moet erop vertrouwen dat de hulpverleners dát doen wat nodig is en hen ook de ruimte geven om het vervolgens te doen. Die hulpverleners hebben er immers voor doorgeleerd. Zij zijn de deskundigen. 

Dat wil niet zeggen dat zij geen fouten kunnen maken en er ongelukken kunnen gebeuren. Dat ‘transformeren’ vraagt dan om afstand. Het vraagt dan om leren en accepteren, niet beleren. Leren en accepteren door je te realiseren dat honderd procent succes een mooi streven is maar niet haalbaar. Niet beleren door geen protocollen en procedures in te voeren om de onvermijdelijke ongelukken te voorkomen.

Maar ook als gemeente ‘leren en accepteren’ dat je het niet alleen kunt. Dat je andere gemeenten nodig hebt om bijvoorbeeld die gesloten jeugdzorg waar je niet wilt dat kinderen naar toe gaan maar die soms toch nodig is, te kunnen organiseren. Dat samenwerking vraagt dat je verder kijkt dan je eigen gemeentelijke belang. 

Uitgelicht

Deskundige leerkrachten

‘Heb je ‘de strijdt’ alweer met dt geschreven?’ Die woorden hoor ik geregeld van mijn ‘eindredacteur’. Die leest bijna al mijn Prikkers voordat ze online gaan. Soms niet en dan krijg ik achteraf te horen dat ik toch enkele storende foutjes heb gemaakt. Ik ben blij met die ‘eindredacteur’. Hieraan moest ik denken toen ik in de Volkskrant het lezersdilemma las: “Met enige regelmaat krijgen we briefjes en mailtjes van haar (de juf van groep 4 van de basisschool) met d/t-fouten en verkeerd gebruik van als/dan en die/dat. Het wekt geen vertrouwen. … Moet ik dit bespreken? Met haar? De schoolleiding? Het is nogal wat om haar deskundigheid ter discussie te stellen, natuurlijk.” Natuurlijk moet de leerkracht op die foutjes worden gewezen, denk ik dan. Toch zijn er lezers die er anders over denken.

“Ik zou dat zeker niet doen. Gelukkig begrijpt u dat het bij docent zijn om veel meer gaat dan spelling alleen. Het is toch immers veel belangrijker dat u haar deskundigheid zult zien op het gebied van de sfeer in de klas, de aandacht die het kind van de juf krijgt? Misschien heeft ze geweldige kwaliteiten op dit gebied.” Aan deze lezer zou ik de volgende vraag willen stellen. Uw kind komt thuis met het punt van een proefwerk. U ziet dat de leerkracht een fout heeft gemaakt bij de berekening van dat punt in het nadeel van uw kind. Bespreekt u dit met de leerkracht? Door dit te bespreken kunt u immers gaan twijfelen aan haar deskundigheid. Het is immers veel belangrijker dat u haar deskundigheid ziet op het gebied van ‘sfeer in de klas’. Ik vrees dat u naar school loopt om de leerkracht op de fout te wijzen. De belangrijkste opgave van een basisschool is kinderen goed leren lezen, schrijven en rekenen. Dat is de basis voor hun verdere schoolcarrière en hun leven. Die goede sfeer in groep 4 daar heb je een paar maanden van je leven wat aan.

Een volgende lezer: “Ik zou helemaal niets doen. De leraar van uw kind heeft veel meer taken en verantwoordelijkheden dan alleen foutloos schrijven. En een foutje is zo gemaakt. Zeker na een lange, drukke werkdag. Ik vind het van de zotte als een ouder ‘de juf’ op het matje zou roepen of – erger nog – haar deskundigheid ter discussie zou stellen. … de leraar loodst mijn zoon vol liefde door de basisschool.” Door iemand te wijzen op een fout, roep je die persoon op het matje en stel je de deskundigheid ter discussie? Wat is er mis met iemand erop wijzen dat hij een fout maakt? Zou het niet ook voor leerkrachten gelden dat ze leren van hun fouten en dat leren met vallen en opstaan gaat? 

Wat betreft het ter discussie stellen van de deskundigheid van de leerkracht, zou ik zeggen: welkom in de echte wereld. De wereld waar steevast wordt getwijfeld aan de deskundigheid van de ander. Neem de arts die van de patiënt te horen krijgt dat het toch echt iets anders is omdat Internet dit zegt. Zelf werk ik in een sector, de gemeentelijke overheid, waar het lijkt alsof men er vanuit gaat dat er alleen maar ‘onkundigen werken. We zitten in ‘een ivoren toren’, kunnen ons niet ‘inleven in de burger’ krijgen steeds vaker te horen dat de ‘burger de deskundige’ is. Dit terwijl ze zelf ook gewoon burger zijn.

Weer een andere lezer: “In dit geval zou ik enige terughoudendheid willen voorstellen. In groep 4 worden de beginselen van taal behandeld. De kinderen maken zich letters en de eerste woorden en zinnetjes eigen. Van hen wordt in dit stadium nog geen beheersing of diepere kennis van grammatica verlangd.” Maar beste lezer, deze leerkracht kan volgend jaar zomaar voor groep 8 staan en dan wordt het een heel ander verhaal. Dan is die beheersing en diepere kennis wel belangrijk. Dan is die deskundigheid van de leerkracht wel van belang. Als diezelfde leerkracht immers adviseert dat je kind het beste naar het vmbo kan, dan wordt de deskundigheid van die leerkracht wel ter discussie gesteld en dan zijn ook die sfeer en liefde van ondergeschikt belang.

Nee, ik ben blij met een ‘eindredacteur’ die mij teleurgesteld aankijkt als ik die ’t’ weer achter de strijd heb geplaatst. Die zorgt voor hogere kwaliteit en ik kijk uit naar een compliment als ik geen fout heb gemaakt. En helemaal als ik ‘strijd’ nu eindelijk goed spel. Zou dat voor een leerkracht niet ook kunnen gelden?