Uitgelicht

Windmolens

Wie kent Don Quichot niet? De hoofdrolspeler en naamgever van het beroemde boek van Cervantes. Het verhaal van een de dolende ridder Don Quichot die, om het plat te zeggen, de weg kwijt is. Hij ziet herbergen aan voor kastelen, geestelijken voor schurken, al moet je hem met de kennis van nu over de vele schandalen van kindermisbruik door priesters op dit punt wel gelijk geven, en windmolens voor reuzen. Ik moest aan Don Quichot denken toen ik bij De Dagelijkse Standaard las over een afgewezen motie van Forum voor Democratie Kamerlid Pepijn van Houwelingen. Aan Don Quichot en aan Gloria Wekker.

Bron: Pixabay

Wat is er aan de hand? Van Houwelingen wil voorkomen dat er in Nederland ooit een sociaalkredietsysteem ontstaat. Een wat? Een systeem waar in China aan gewerkt wordt waarbij de overheid je ‘punten’ toekent voor goed gedrag en je punten afneemt als je je niet goed gedraagt. En die ‘punten’ heb je nodig om te kunnen reizen of naar het theater te gaan. Dat moeten we niet willen. Dat ben ik meteen met Van Houwelingen eens. Toch heeft de Kamer de motie van Van Houwelingen verworpen en dus moeten we er, volgens Michael van der Galien van De Dagelijkse standaard: “ernstig rekening mee (..)houden (…) dat dit systeem er wél komt.” En sluit zijn betoog af met: “Zo. Dit is nog eens een ontmaskering van het kartel.

Laten we eens kijken of Van der Galiens zorgen terecht zijn en we de Kamermeerderheid die de motie verwierp iets moeten verwijten. Daarvoor even de tekst van de motie: “De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat China als eerste land in de wereld een sociaalkredietsysteem heeft ingevoerd; constaterende dat een dergelijk systeem een grove inbreuk maakt op privacy, lichamelijke integriteit en vrijheid; overwegende dat er door de coronacrisis steeds verdergaande inbreuken op bovengenoemde punten plaatsvinden; verzoekt de regering, om uit te sluiten dat er ooit een sociaalkredietsysteem of soortgelijk systeem in Nederland wordt ingevoerd, en gaat over tot de orde van de dag.”

Als ik naar mezelf kijk, dan zou ik ook niet kunnen instemmen met een dergelijke motie. De crux van de motie zit de ene tussenzin waarin wordt verwezen naar de coronacrisis. Deze motie suggereert dat de coronamaatregelen een stap zijn in de richting van de ontwikkeling van zo’n systeem en dat daar bewust op aan wordt gestuurd. Dat is ook wat Van Houwelingen toelichtend in het artikel beweert: “Natuurlijk is het partijkartel voor invoering van een sociaalkredietsysteem, want dat is precies wat ze met u van plan zijn. En dat hebben ze al bewezen door de invoering van die misdadige Apartheidspas.” Door nu deze motie aan te nemen stem je in met Van Houwelingens redenering. Je beweert daarmee dat de overheid welbewust aan zo’n systeem werkt. Zo worden dergelijke  hersenspinsel geloofwaardig. Zo probeert Van Houwelingen de complottheorie waar hij en zijn partijleider Baudet tegen vechten, geloofwaardig te maken. Hij probeert ons als een moderne Don Quichot mee te laten vechten tegen windmolens die niets anders zijn dan ‘hersenspinselige reuzen in zijn hoofd’.

Maar er is meer en daarmee kom ik bij Gloria Wekker. Nu zal je je afvragen wat heeft Gloria Wekker hiermee te maken? Van Houwelingen gebruikt dezelfde methode die Wekker gebruikt. Van Houwelingens motie is zo geformuleerd dat voor of tegen de motie zijn, niets uitmaakt. In beide gevallen stem je in met zijn ‘hersenspinsels’. Nu heeft een meerderheid van de Kamer NEE gezegd en kan hij zeggen dat die meerderheid zo’n sociaal kredietsysteem niet uitsluit. Dat is wat Van der Galien nu suggereert. Was de motie aangenomen, dan had Van Houwelingen staan orakelen dat was bewezen dat de overheid werkte aan zo’n sociaal krediet systeem en dat hij dat heeft verijdeld. En daarmee kom ik bij Wekker en haar theorie rond ‘witte fragiliteit, – onschuld, – superioriteit’ enzovoort. Een theorie die je, net als Van Houwelingens motie, zowel in de bevestiging als in de ontkenning bevestigt. Vraagtekens plaatsen bij Wekkers theorie of ze verwerpen, wordt gezien als een bevestiging van de theorie. Dan getuig je van ‘witte fragiliteit, – onschuld, – superioriteit’ enzovoort. Een dergelijke manier van denken is gevaarlijk.

Uitgelicht

Kastenmatroesjka

Bij OneWorld een goed artikel van Babet te Winkel over ‘uit de kast komen’. “Waarom zou ik mijn seksualiteit vast willen leggen in een identiteit, met het gevaar in die identiteit te worden opgesloten? Het wordt me steeds duidelijker waarom ik zo’n moeite heb met de vraag ‘wat ik nou eigenlijk ben’. Die vraag beperkt me in mijn handelingsvrijheid. Het zet mijn seksualiteit vast in een seksuele identiteit – wat je bént – terwijl seks toch vooral iets is wat je dóet.” Zo vraagt Te Winkel zich af. Interessante vragen. Na het lezen van het artikel vroeg ik me af of de reactie van OneWorld in de gaten heeft wat Te Winkel schrijft?

Ornament Matroesjka Baboesjka - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

Voordat ik hierop inga eerst de metafoor van de kast waar iemand uit moet komen. Te Winkel: “Waarom zijn er geen kasten waar hetero’s uit komen?” Het is inderdaad een bijzondere metafoor. Alleen mensen met een andere geaardheid dan de heteroseksuele komen uit de kast. Als je de metafoor letterlijk neemt dan zitten de heteroseksuelen dus met z’n allen in die kast. Ik weet niet of ik als heteroseksuele man zo blij ben met een leven in een kast. Maar nog even verder doordenken. Is er maar één kast waar mensen uit komen of zijn er kasten in kasten een beetje zoals een Russische Matroesjka waarin in iedere pop een kleiner poppetje zit? Als lesbienne stap je uit die ‘hetero-kast’ maar als je je vervolgens ook nog identificeert als een man, dan moet je uit de ‘Lesbo-kast komen’. Als heteroseksuele man begin ik me dan ernstig claustrofobisch te voelen. De grootste groep mensen, zit dan immers in de kleinste kast en omgekeerd, de kleinste groep heeft de grootste kast ter beschikking of is de enige groep die in geen enkele kast zit? Wat zo gebeurt is dat we onszelf en elkaar vast gaan leggen in ‘verondersteld gedrag’. En daar maakt, als ik haar goed begrijp, Te Winkel bezwaar tegen. Als  je het zo beziet, dan is die kast voor iedereen een slechte metafoor. Niemand zit in een kast en we zijn allemaal op reis in ons leven en gedurende die reis leren we onszelf en anderen kennen. Of zoals Te Winkel schrijft: “Seksualiteit vraagt om onderzoek en om het verzetten van innerlijk werk. Het betekent jezelf onder de loep nemen, verantwoordelijkheid nemen, omgaan met moeilijke emoties, moed tonen en groeien als mens. Het betekent niet het gebaande pad lopen, maar je eigen pad banen. Daarin ben je dan weer niet alleen, want dat doen we allemaal.”

En met die individuele reis in het betoog van Te Winkel, kom ik bij de vraag of de redactie van OneWorld in de gaten heeft wat Te Winkel schrijft. Te Winkel slaat in dit artikel het intersectioneel- of in beter Nederlands, kruispuntdenken aan gort. “Intersectionaliteit erkent de macht of onmacht die de verschillende assen van identiteit met zich meebrengen.” Zo omschreef Seada Nourhussen, hoofdredacteur van OneWorld, het in een artikel in 2019. Volgens Nourhussen: “is kruispuntdenken ook cruciaal voor progressieve bewegingen. Wanneer je vecht tegen klimaatverandering, maar geen oog hebt voor racisme is je strijd niet inclusief en dus ook niet effectief. En als je strijdt tegen seksisme, maar geen oog hebt voor validisme (discriminatie van mensen met een functiebeperking) doe je alsnog aan uitsluiting. Een gebrek aan kruispuntdenken kan onderdrukking zo bestendigen bínnen bewegingen die vooruitgang pretenderen.”

Voor kruispuntdenkers wordt de identiteit van iemand bepaald door zijn samenstellende delen. Delen zoals het zijn van man, hetero, cis-gender, zwart, universitair geschoold enzovoorts. Je identiteit wordt vervolgens bepaald door de respectievelijke ‘machtspositie’ van de verschillende delen. Man heeft meer macht dan vrouw en die weer meer dan een trans persoon. Hetero heeft meer macht dan homo, blank meer dan zwart enzovoorts. Het intersectionele denken zorgt ervoor dat wat Te Winkel op seksueel gebied bezwaarlijk vindt, op al die gebieden gebeurt: het wordt gepresenteerd als iets onveranderlijks. Mensen worden vastgezet in verwachtingen die door de onderdelen van hun identiteit worden verondersteld. Het maakt, identiteit onnodig zwaar. Het mag dan wel: “ordelijk en gemakkelijk om in hokjes te denken” zijn, zo schrijft Te Winkel: “maar door onszelf en anderen in hokjes in te delen, creëren we een schijnveiligheid.”  

Zou Nourhussen in de gaten hebben dat het mooie betoog van Te Winkel verder gaat dan het artikel waarvoor Amanda Govers iets meer dan een jaar geleden door OneWorld voor de trein werd gegooid? Govers kreeg de wind van voren en werd gecanceld door OneWorld omdat in haar artikel over voeding de ‘intersectionele blik’ ontbrak[1]. Te Winkel gaat veel verder. Zij legt met goede argumenten de bijl aan de wortels van de, volgens Nourhussen, voor de progressieve beweging cruciale boom van het kruispuntdenken.


[1] Ik schreef er een Prikker over met als titel Intersectionele Blik

Uitgelicht

Wie zijn broeder haat

Soms vraag ik me af hoe mensen het verzonnen krijgen. Die vraag stelde ik me bij een artikel van Sander Heithuis bij OneWorld. “Misandrie heeft dus niet per se negatieve gevolgen voor mannen zelf,” zo schrijft Heithuis. Even voor de mensen die het woord misandrie niet kennen. Misandrie is mannenhaat en is de tegenhanger van misogynie, vrouwenhaat. Heithuis redeneert op een wel zeer bijzondere manier.

Love and Hate | Love and hate - 2 very strong feelings that … | Flickr
Bron: flickr

Even de achtergrond. Heithuis reageert op mensen die een artikel van Ruby Sanders, ook bij OneWorld, vonden getuigen van mannenhaat en ‘manbashing’. Sanders hield er in haar artikel ook een bijzondere redenering op na. Volgens Sanders niest een man namelijk niet om door middel van een harde stoot lucht een prikkeling in zijn neus weg te blazen, maar gaat het bij niezen om mannelijke dominantie in de publieke ruimte. Om Sanders’ betoog in mijn woorden samen te vatten, als een man niest dan koloniseert hij ruimte ten koste van anderen en die anderen zijn dan vooral vrouwen. Nu is hard niezen niet iets typisch mannelijks. Dit even terzijde. Het gaat erom dat velen vonden dat Sanders betoog van mannenhaat getuigde.

In het artikel stelt Heithuis de vragen: “hoe ver mag je gaan in het beschuldigen van mannen met privileges? Is er een grens? En zo ja, waar ligt die grens dan?” Bijzonder is echter dat Heithuis geen antwoord geeft op die vraag. Nou ja geen antwoord, Heithuis komt tot de conclusie waarmee ik begon: mannenhaat heeft niet per se negatieve gevolgen voor mannen. ‘Dus haat er maar op los’ zo zou je eruit kunnen concluderen maar die conclusie trekt Heithuis niet. Nee, Heithuis verlegt de aandacht: “Misandrie heeft dus niet per se negatieve gevolgen voor mannen zelf, maar des te meer voor het gevecht tegen het patriarchale systeem.” Want: “Manbashen kan als gevolg hebben dat mannen zichzelf als slachtoffer zien en dat idee verspreiden bij een groot publiek in bijvoorbeeld theaterstukken of bestsellers.” En dan zijn ze verloren voor een gezamenlijke strijd tegen het patriarchaat en mannen zijn: “essentieel om de strijd tegen het patriarchaat, dat vrouwen onderdrukt, een succes te maken. En dat is precies waar het pijnpunt rondom misandrie ligt. Mannen zijn belangrijke bondgenoten in het feminisme, maar woede jegens mannen, puur omdat ze man zijn, zal ze niet tot dat bondgenootschap aanzetten.” Dus als je als feministische vrouw mannen haat schiet je in je eigen voet en voor de man heeft het niet per se negatieve gevolgen.

Maar beste Heithuis hoe moet het dan als die strijd tegen dat patriarchaat is gewonnen als mannen niet meer nodig zijn als bondgenoten? Is mannenhaat dan wel oké of wordt het dan schadelijk? Als het dan schadelijk wordt dan is het nogal een bijzonder ‘middel’ in een strijd. Ga je dan niet, om een parallel te leggen, al schietend met een mitrailleur de strijd aan tegen vuurwapens? Of blanken discriminerend de strijd tegen racisme?

Ik denk dat we niets gaan bereiken met een houding waarbij we medemensen zien als een middel voor ons eigen doel en niet als een wezen met intrinsieke waarde en eigen doelen. Een dergelijke manier van redeneren heeft negatieve gevolgen voor iedere mens. En: “in de pittige strijd van het feminisme tegen patriarchale machtsstructuren,” zo schrijft Heithuis of, en nu formuleer ik het op mijn manier, bij het werken aan samenleving waarin iedereen gelijkwaardig is, is elkaar haten precies wat we moeten voorkomen. Immers “wie zijn broeder haat, is in de duisternis en weet niet waar hij henengaat; want de duisternis heeft zijn ogen verblind. [1]


[1] 1 Johannes 2: 11

Uitgelicht

Problem, government, solution

In de Volkskrant pleiten drie gepensioneerde TU Delft ingenieurs, zoals ze zich noemen, ervoor: “een soort Deltacommissie in het leven te roepen om dit complexe project weg te trekken bij de politiek, want die heeft al laten zien dat ze geen resultaten kunnen boeken.” Het complexe project waar ze het over hebben betreft het klimaatneutraal maken van onze manier van leven. Want alles wat er nu gebeurt is ineffectief en kost veel geld zo betogen de ingenieurs. Niet vreemd want: “Politici zijn geen technici en kunnen derhalve niet beslissen over de optimale keuzes tussen voor- en nadelen van verschillende maatregelen.” Die keuze moet worden overgelaten aan specialisten want: “Dat is echt een technische en economische afweging.” Nu maak ik me ook zorgen om de klimaatverandering en mogen de maatregelen best wat forser en sneller. Toch maak ik me meer zorgen om dergelijke betogen.

File:Deltawerken - Osterschelde - Zeeland.jpg - Wikimedia Commons
Bron: Flickr

Mijn zorgen richten zich als eerste op hun gebrek aan historische en staatkundige kennis. De ingenieurs verwijzen naar de Deltacommissie die in 1953 werd ingesteld om te bekijken hoe Nederland kon worden beveiligd tegen overstromingen zoals die van de watersnoodramp van een jaar eerder. De commissie bestond uit ingenieurs, logisch want die hebben verstand van die zaken, een landbouwkundige en een econoom. Het was de politiek, de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat Jacob Algera, die deze commissie in het leven riep om hem en in het verlengde de regering en het parlement, te adviseren over te nemen maatregelen. Een staatscommissie binnen ons bestuurlijk bestel voor een specifiek onderwerp met een specifiek doel. Een adviescommissie want besluiten namen de regering en het parlement. Het complexe project waterveiligheid werd dus allerminst ‘weggetrokken van de politiek’. Nu is dit het minst belangrijke punt van zorg.

Grotere zorgen maak ik me om hun grote vertrouwen in technische maar vooral economische specialisten. Techneuten, de drie ingenieurs lijken daarop geen uitzondering te zijn, hebben groot vertrouwen in wat techniek vermag. Een terecht vertrouwen want techniek vermag veel. Zo kunnen we door technische vindingen energie opwekken door atomen te splitsen. Dat kan beheerst in een kerncentrale en onbeheerst via een atoombom. En die: “effectiefste oplossing” wordt, zoals de heren aangeven, onbenut gelaten. Maar misschien is de effectiefste manier wel te duur en is het ‘opslaan van koolstofdioxide’ iets minder effectief maar goedkoper. Bij dat uitrekenen van kosten komen economen dan weer van pas. Maar nu we het over economen hebben. Techneuten kunnen verschillende technieken aanbevelen als beste, en dus van opvatting verschillen. Economen hebben dat nog veel meer. Neem de gezondheidszorg, afhankelijk van de kijk op de wereld zal de ene, meer socialistisch georiënteerde, econoom een hartstochtelijk pleidooi voor publieke gezondheidszorg houden en de andere, neoliberale het als de grootste waanzin en economische dwaling afwijzen. Aan welke techneuten en economen laten we de oplossing van dit probleem over?

Nu ik het toch over neoliberaal heb, het denken van de ingenieurs vertoont overeenkomsten met het neoliberale denken. En daarmee kom ik op een volgende en grootste punt van zorg. De overeenkomst tussen de ingenieurs en het neoliberalisme betreft een stuitend gebrek aan vertrouwen in de overheid en ons democratische bestel. Neoliberalen zien de markt als oplossing voor alle problemen en de overheid als oorzaak van alle ellende. Om het met de woorden van wijlen voormalig president van de Verenigde Staten Ronald Reagan te zeggen: “Government is not the solution to our problem, government is the problem.” Met Reagan staan we aan het begin van de triomftocht van dat neoliberalisme. Sinds begin jaren tachtig werden overheidsdiensten zoals de post, de telefoon en het spoor geprivatiseerd want dat zou tot betere en goedkopere producten leiden. Sinds die tijd moest de overheid ‘steeds kleiner’ en werd ‘ambtenaar’ een besmet beroep. Daar waar John F. Kennedy ‘the best en brightest’ naar de overheid lokte, worden ze sinds Reagan verleidt om een algoritme te ontwerpen om snel winst op de beurs te maken of een app te ontwikkelen die zoveel mogelijk gegevens en dus geld uit mensen klopt. Kennedy liet ze bij NASA de eerste mens op de maan zetten. Dat doen ze nu ter meerdere eer, glorie en vooral de portemonnee van Musk en Bezos. Heren die hun rijkdom, om het zo te zeggen, te danken hebben aan Kennedy omdat hun bedrijven draaien op technieken die via overheidsinvesteringen tot stand zijn gekomen. Voor wie er meer over wil weten. Lees Mariana Mazzucato’s boek De ondernemende staat. Of voor wie een boek te lang is, deze Prikker.

Een kleinere overheid die zich met steeds minder zaken ‘moest bemoeien’ en wat ze nog wel deed en doet, moet volgens de New Public Managent. Een manier van denken waarbij de burger een klant is en de overheid een bedrijf en ook op die manier aangestuurd moet worden. Een overheid waar steeds meer op neer werd en wordt gekeken. En dat neerkijken is terecht en niet terecht. Het is terecht omdat de prestaties van die overheid de laatste jaren niet om over naar huis te schrijven zijn. Het is niet terecht omdat dit een gevolg is van die neoliberale manier van kijken naar de overheid. Als je de overheid als een bedrijf ziet, moet je niet verbaasd opkijken als Kamerlidmaatschap en het ministerschap een carrièrestap wordt. Een opstapje om uiteindelijk te cashen bij een bank, zoals Zalm en Kok, of bij een lobbyfirma zoals recentelijk VVD-minister Van Nieuwenhuizen en Kamerlid van dezelfde partij Lodders. Dan hoeft het ook niet te verbazen dat we een premier hebben die ‘visie een olifant in de kamer’ vindt en die op z’n best opereert als manager. Dan moet je niet verbaasd kijken als ‘the best and brigthest’ niet voor de overheid kiezen, want wie wil er nu voor een ‘probleem’ werken. Als je iets als ‘probleem’ bestempelt en het op de manier behandelt zoals de overheid sinds Reagan is behandeld, dan moet je niet verbaast opkijken als het uiteindelijk een probleem wordt.

Het is echter wel ‘het probleem’ dat namens ons besluiten moet nemen welke technische oplossing de voorkeur krijgt en welke economische argumenten de doorslag geven. Die bevoegdheid uit handen geven aan ‘een Deltacommissie’ los van de politiek komt op hetzelfde neer als Facebook het privacy-beleid laten ontwerpen. Dit betekent namelijk het verder verzwakken van onze overheid en vooral onze democratie. Als we iets niet moeten doen dan is het dat wel. We moeten de overheid juist versterken van de afbraak van de afgelopen veertig jaar. Om Reagans woorden in een wat andere volgorde te zetten: government is not the problem, government is the solution to our problem!

Uitgelicht

‘De gewone man’

Henk Spaan en Harry Vermeegen kenden in de jaren tachtig, tenminste wat mij betreft, hun televisiehoogtepunt met het programma Pisa. Het programma was, geloof ik, vernoemd naar de eerste buitenlandse club van Wim Kieft maar dat doet er niet toe. Naast de reeks met ‘Popie Jopie’ waarin het bezoek van paus Johannes Paulus II aan Nederland op de hak werd genomen, staat mij vooral de serie over de gewone man bij. Aan die ‘gewone man’ moest ik denken bij het lezen van het artikel De sociale wetenschap kan wel wat meer subjectiviteit gebruiken van Ashley Chin bij De Correspondent.

Royalty-free Opel, Kadett photos free download | Pxfuel
Bron: Pxfuel

“Omdat ik mij niet herkende in onderzoeken naar migrantenfamilies, tekende ik het migratieverhaal van mijn Chinees-Surinaamse familie op. En voor zulke persoonlijke perspectieven zou meer ruimte moeten zijn in de sociale wetenschap.” Zo begint Chens artikel. En omdat Chen zich niet herkent, kunnen de sociale wetenschappen meer subjectiviteit gebruiken. Chens familie komt oorspronkelijk uit de regio Guangdong in het zuiden van China. Haar voorvaderen trokken in 1858 van daaruit naar Suriname om te gaan werken op de plantages. Door de afschaffing van de slavernij moesten er immers nieuwe arbeidskrachten komen. Toen Chen dit verhaal aan haar Nederlandse schoolklas vertelde, werd ze ongelovig aangekeken: “Zocht ik in mijn schoolboeken het hoofdstuk over de Nederlandse koloniale geschiedenis, stond er geen woord geschreven over Chinese, Javaanse of Hindostaanse ‘contractarbeiders’. Het was alsof dit specifieke stukje koloniale geschiedenis niet bestond buiten mijn gemeenschap.”

Ik kan zowel haar verwondering als het ongeloof van haar klasgenoten begrijpen. De geschiedenisboeken op school zijn immers een kleine selectie uit het onuitputtelijke en met de seconde groeiende historische vat. Daar kan onmogelijk alles in worden behandeld. Zeker in onze tijd waarin de klaslokalen worden bevolkt door kinderen uit alle windstreken en landen, is het onmogelijk om iedereen zich te laten herkennen. Daar is het geschiedenisonderwijs ook niet voor bedoeld. Dat is bedoeld om kinderen wegwijs te maken in onze samenleving. Bij dat wegwijs maken hoort een beeld van het ontstaan van onze huidige samenleving. Daarbij is kennis van het verleden van de Ashanti of de Hmong en hun samenleving minder belangrijk. Het leven van het grootste deel van de kinderen zal zich immers hier afspelen en niet in Afrika of Zuidoost-Azië. Dus dat een Ashanti in Nederland zich niet ‘herkent’ in de onderwezen geschiedenis is niet vreemd. Net zoals de verwondering van die Ashanti dat de rest van de klas het Ashanti-verhaal in het algemeen en het leven van de betreffende persoon in het bijzonder niet kent, is te begrijpen. Dat maakt de subjectieve geschiedenissen van een Ashanti en ook van Chen in Nederland niet onbelangrijk. Ze bieden andere perspectieven en die zijn altijd welkom.

Wat mij verwondert, is de bijzondere interpretatie die Chen geeft aan wetenschap in het algemeen en sociale wetenschap in het bijzonder. Uit het artikel concludeer ik dat Chen het begrip objectief een heel andere betekenis geeft, dan het in de sociale wetenschappen heeft. Dat concludeer ik uit de aanhalingstekens waartussen zij het woord steeds plaatst. Voor een wetenschapper is iets objectief als het onafhankelijk is of met andere woorden, losstaat van een individuele waarneming of voorkeur. Het komt op mij over dat Chen objectief interpreteert (als de enige) waarheid en dat is niet wat een wetenschapper met objectief bedoeld. Een wetenschapper begint met een theorie een mogelijke verklaring van het fenomeen dat wordt onderzocht. Die theorie is objectief, ze is zonder waarnemingen te begrijpen. Vervolgens onderzoekt de wetenschapper of die theorie de werkelijkheid kan verklaren door ze te toetsen aan vele ‘individuele geschiedenissen’, die geschiedenissen zijn subjectief. Immers ieder individueel verhaal is anders. Uit die individuele verhalen haalt de wetenschapper grote lijnen en overeenkomsten waaraan een groot deel van de waarnemingen voldoet. Een individuele geschiedenis, zoals die van Chens familie zal daarom nooit één op één lopen met de geschiedenis van migratie. Het is er wel een onderdeel van. En als de wetenschapper een aanhanger is van de Oostenrijkse filosoof Popper, dan wordt er gezocht naar ontkrachting van de theorie.

Ter verduidelijking ‘de gewone man’ van Spaan en Vermeegen waarmee ik begon. In hun programma gaan ze op zoek naar ‘de gewone man’. Die ‘gewone man’ kun je zien als de ‘gemiddelde Nederlander’ en die reed in die tijd een Opel Kadett (best verkochte auto), waste op maandag, at woensdag gehakt, had twee kinderen en zo waren er veel meer kenmerken. De zoektocht was tevergeefs want elke Kadett-rijder had wel iets wat niet ‘gewoon’ is bijvoorbeeld vier kinderen, hij eet geen vlees of draagt een jurk. En loslopende mannen die gewoon lijken, rijden geen Kadett of een Kadett met spoiler. Spaan en Vermeegen bedrijven geen wetenschap maar laten op een humoristische wijze zien dat je de objectieve ‘gewone man’ nooit subjectief tegen het lijf zult lopen. De kans dat een man op alle aspecten precies overeenkomt met de gemiddelde, en dus dé gewone man is te verwaarlozen. Vanuit al die ‘net niet’ gewone mannen kun je echter wel een objectieve schets van de ‘gewone man’ maken. En als twee mensen dat op eenzelfde moment doen dan kan het tot twee verschillende objectieve schetsen leiden. Net zoals twee economen eenzelfde fenomeen anders objectief kunnen beschrijven en in de subjectieve waarnemingen een bevestiging van hun gelijk kunnen vinden. Behalve dan als ze allebei de Popper-methode’ gebruiken want dan zullen ze allebei de ontkenning van hun objectieve theorie beschrijven.

“Want wat is de waarde van sociaalwetenschappelijke kennis wanneer de mensen over wie het gaat, zichzelf niet meer herkennen? En wat leert die kennis ons nog over de werkelijkheid waarin we leven wanneer de sociale wetenschap generatie op generatie belangrijke verhalen onverteld laat?” Zo sluit Chen haar artikel af. De waarde van de sociale wetenschap zit nu juist in inzichten die het individuele overstijgen. En als antwoord op de laatste vraag, de wetenschap is niet bedoeld om verhalen te vertellen maar om de wereld te begrijpen.  

Niet dat die verhalen niet verteld mogen worden. Er is niets tegen meer van die persoonlijke beschrijvingen waar Chen om vraagt. Maar dan als niet meer dan dat, een persoonlijke beschrijving. Immers Chens beschrijving van de familiegeschiedenis kan en zal een andere zijn dan die van een ander lid van haar familie.

Uitgelicht

Uitdagend en uitgedaagd

“Tot iets uitnodigen of verleiden; = tarten,” de betekenis die de Van Dale geeft aan het woord uitdagend. Ik wist het wel maar toch heb ik het maar even opgezocht omdat het de komende tijd belangrijk wordt. Minister Slob geeft namelijk extra geld aan scholen met ‘veel uitdagende leerlingen’ zo lees ik in de Volkskrant. “Deze scholen, volgens Slob zo’n 15 procent van alle schoolvestigingen, voelen het lerarentekort het meest: leraren vertrekken eerder en vacatures blijven langer onvervuld.”  Leuk voor het personeel van de betreffende scholen want die krijgen: “de komende twee schooljaren 8 procent extra loon” Dit roept vragen op.

Lagere-schoolklas in Oeffelt / Primary school class in Oef… | Flickr
Bron: Flickr

Op een van die vragen, of het werkelijk helpt tegen het lerarentekort, geeft Thijs Roovers van de Algemene Onderwijsbond al een antwoord: “Deze maatregel heeft een waterbedeffect tot gevolg: leraren worden weggehaald bij de ene school en gaan naar een andere, waar weer nieuwe tekorten ontstaan.” Geen structurele oplossing maar symptoombestrijding volgens de: “beproefde systematiek van de minister. Er wordt een pleister op een gapende wond geplakt. Vervolgens wordt dat verkocht alsof er plastische chirurgie is toegepast.” Door dat waterbed is de kans groot dat scholen met leerlingen die nu niet ‘uitdagend’ zijn, dat binnenkort wel zijn.

En daarmee kom ik bij het punt waarvoor ik de Van Dale raadpleegde: hoe bepaal je of een leerling uitdagend is? Welke leerling ‘verleidt’ jou? Welke leerling ‘nodigt tot iets uit’? Of om het nog anders te stellen, welke leerling doet “een beroep op al je capaciteiten”, om de betekenis die de Van Dale geeft van: “een uitdagende functie.” Of welke groep leerlingen bewerkstelligt dit om het te betrekken en dus de klas en school te betrekken: welke mix van leerlingen. Doen alleen ‘achterstandsleerlingen’ een beroep op al je capaciteiten? Of zouden ook leerlingen met een voorsprong ‘uitdagend’ kunnen zijn voor een docent? Of zou het uitdagende per docent verschillen? Het lijkt mij een ‘uitdaging’ om te definiëren wat ‘uitdagende leerlingen’ zijn.

Maar iets anders. Wie moet er in het onderwijs eigenlijk uitgedaagd worden? In deze hele discussie lijkt het erop alsof het de leerlingen zijn die de leraar moeten uitdagen. Zou het niet precies omgekeerd moeten zijn? Moeten de docenten niet juist de leerlingen uitdagen? Is het niet juist de taak van een docent om uit te dagen, om kinderen te verleiden om hun kennis en vaardigheden te ontwikkelen? Is het niet de docent die leerlingen moet verleiden om tot het leren van nieuwe zaken en zo het verleggen van hun grenzen? Is het niet juist het uitdagende van de functie van docent om via dat ‘beroep op al je capaciteiten’ de ontwikkeling van kinderen te stimuleren?

Uitgelicht

Covid-fascisme?

Als ik Michael van der Galien, de grote man achter De Dagelijkse Standaard, goed begrijp dan is Frankrijk veranderd in een dictatuur. Nu denk ik dat veel inwoners uit echte dictaturen zoals Belarus en Noord-Korea graag in dat ‘dictatoriaal’ Frankrijk zouden willen wonen, dit even terzijde. Wat is er aan de hand? “Vanaf vandaag is het verplicht om te bewijzen dat je recent gevaccineerd bent of onlangs hersteld van een coronabesmetting. Kun je dat niet, dan moet je een negatief testbewijs overhandigen. Wil je daar niet aan meedoen, dan word je letterlijk uitgesloten van het sociale leven.” Zo schrijft hij in een artikel. Resultaat hiervan: “in Frankrijk is de vrijheid afgeschaft.” Opruiend sluit hij af met de woorden: “Als mensen nu nog niet in verzet komen tegen dit nieuwe fascisme weet ik het ook niet meer. Als je dít als burger tolereert ben je echt geen knip voor de neus waard. En de term “burger” verdien je dan al helemaal niet. Slaaf!” Zo dat is duidelijke taal. Maar toch.

Bron: pxhere

Laat ik er eens een licht op schijnen. Dit voorjaar lagen de ziekenhuizen en vooral de intensive care afdelingen vol met covid-patiënten. Zo vol dat planbare zorg, zoals het vervangen van een heup maar ook operaties om kwaadaardige tumoren te verwijderen, moesten worden uitgesteld. Ons zorgsysteem dreigde te bezwijken. Iets wat ook in het voorjaar van 2020 al dreigde te gebeuren. Voldoende aanleiding om ons zorgstelsel te herzien en meer capaciteit te organiseren. Alleen is dat iets wat niet van vandaag op morgen is geregeld. Ja, de bedden, de apparatuur en mocht het nodig zijn zelfs de gebouwen zijn vrij snel te organiseren. Het ‘organiseren’ van het benodigde personeel vergt echter een langere adem. Van dit alles zie ik nog weinig en dat baart mij zorgen want totdat we dit georganiseerd hebben, blijven we kwetsbaar en moeten we ‘noodmaatregelen’ nemen en dat is wat Frankrijk nu doet. Het neemt ‘noodmaatregelen om te voorkomen dat de gezondheidszorg vastloopt door de kans op verspreiding van het virus te beperken.

En ja, die noodmaatregelen beperken de mogelijkheden van mensen. Van der Galien neemt hierbij de positie in van iemand die zich niet wil laten vaccineren of testen. Laten we het eens bekijken vanuit het perspectief van iemand die zich wel heeft laten vaccineren. Die persoon heeft zich laten vaccineren omdat het vaccin de kans op besmetting verkleint en mocht de persoon toch besmet raken, de kans op ernstige ziekte na besmetting drastisch verkleint. De persoon doet er alles aan om zichzelf te beschermen en besmetting van anderen te voorkomen. Dit met redelijk succes. Het aantal besmettingen is flink verminderd en de druk op de ziekenhuizen en vooral de intensive care is flink verminderd. Van een welingelichte bron werkzaam op een IC van een ziekenhuis, kreeg ik de informatie dat de Covid-patiënten die nu de IC halen, voor het overgrote deel niet-gevaccineerd en vooral weigeraars, zijn. 

Wat zou die gevaccineerde ervan vinden als onze zorg weer overbelast raakt door Covid patiënten die voor het overgrote deel ongevaccineerd zijn en daardoor worden er aan alle inwoners weer beperkingen opgelegd? Dan zou ik me zomaar voor kunnen stellen dan deze gevaccineerde zich afvraagt waarom ook de gevaccineerde mensen moeten ‘boeten’ voor het gedrag van de mensen waar Van der Galien zich hard voor maakt. Mensen die het vaccin en het testen weigeren. Dan zou het zomaar kunnen dat deze gevaccineerde gaat protesteren tegen deze maatregelen. Ik kan me heel goed voorstellen dat er dan maatregelen worden genomen die alleen de ongevaccineerden die zich niet willen laten testen raken. Dat doen we ook op andere terreinen. Zo mag iemand zonder rijbewijs niet autorijden op de openbare weg. Als je hebt gedronken mag je zelfs met rijbewijs niet rijden. Dat doen we om de overige deelnemers aan het verkeer te beschermen. Daar is niets ‘dictatoriaals’ aan. Dat heeft niets met fascisme te maken.

Uitgelicht

Radicale dwaasheid

Beste meneer Baudet. U herkent zich niet in het beeld dat u en het Forum voor Democratie ‘geradicaliseerd’ zijn, zo lees ik in uw essay bij DeDagelijkseStandaard. Ik weet niet waarom tegenwoordig een opiniërend artikel ‘essay’ wordt genoemd. De enige reden die ik hiervoor kan verzinnen is om er wat ‘status’ aan te geven. Een bijzonder ‘essay’ trouwens. Maar laat ik beginnen met u gerust te stellen. U bent, zoals u het zelf terecht zegt, “al jaren stabiel” voor wat betreft uw standpunten.

File:Thierry Baudet (2).JPG
Foto Elekes Andor. Bron: WikimediaCommons

U signaleert allerlei zaken rond de corona-pandemie en vraagt zich vervolgens af: “waarom gebeurt dit dan allemaal? Wat is er nou toch aan de hand?” Daarvoor ziet u twee mogelijke verklaring. Aan de ene kant, om Ferry Mingelen aan te halen: “stupiditeit, massapsychose, groupthink, complete breindoodheid bij de politiek,” en aan de andere kant: “een plan, een bedoeling, een dieper liggende agenda.” Wat het antwoord is weet u niet, zo schrijft u en vervolgens beschrijft u uitgebreid het vermeende ‘masterplan’ en de mensen achter dit vermeende ‘masterplan’. Dit doet u niet voor die ‘stupiditeit’ en daardoor ontstaat de indruk dat u in zo’n ‘masterplan’ gelooft. Dit wordt versterkt door passages zoals: “Ze schrijven rapporten waarin ze dit alles aanprijzen, uitwerken, voorkauwen. En natuurlijk is het – theoretisch – ook mogelijk dat hun denkbeelden louter per ongeluk samenvallen met de huidige gebeurtenissen.” Dus u weet het antwoord wel. Wel vreemd trouwens dat die ‘samenzweerders’ hun ‘samenzwering’ publiceren. U sluit af met een pleidooi voor radicaliteit: “‘radicaal voor de vrijheid’ zijn. Radicaal voor de rechten, de ratio, de restricties op de staatsmacht!”

Maar nu even een vraag. Hoe wilt u dat: “Waar mondiale spelers, miljardairs, futuristen, machtswellustelingen al decennia van dromen — een centraal bestuurde wereld, transhumanisme, totale controle,” tegengaan? Hoe wilt u: “Bill Gates, Elon Musk, Peter Thiel, George Soros, Klaus Schwab, enzovoorts, al die miljardairs en mondiale spelers,” belemmeren in hun drang om te komen tot die: “The Matrix-achtige controlemaatschappij (…) bestuurd vanuit mondiale centra, met semi-verplichte, geïmplanteerde chips die het leven reguleren en sanctioneren (inclusief toegang tot, en gebruik van, het internet)?” Hoe wilt u mensen als Thiel, die kiezen voor kapitalisme als ze een keuze moeten maken tussen democratie en kapitalisme, stoppen? Denkt u dat uw streven naar ‘radicale vrijheid’ hen stopt? Thiel hoort u lachend aan. Hij kiest, immers ook voor radicale vrijheid van het individu. Voor de radicale vrijheid van dat individu om met een bedrijf of zelfs als individu, uw gegevens te verzamelen en die te gebruiken naar eigen goeddunken. Hoe anders dan door staatsmacht en dan liefst nog staatsmacht van landen gecombineerd, bijvoorbeeld in EU verband, wilt u dat voorkomen? Als ‘radicaal vrij’ individu slaat u tegen deze miljardairs en hun bedrijven geen deuk in een pakje boter. ‘Radicale vrijheid’ is goed voor de machtigen, niet voor de machtelozen.

Daarbij gaat terugkeren naar de achttiende eeuw de tijd van de bourgeoisie, waarvoor u enkele jaren geleden in een Zwitsterse krant pleitte, niet helpen. Uw uitspraken in dat interview dat het ‘evenwicht’, zoals ik uw woorden vertaal: die ‘delicate balans die culmineerde in (…) het echte welbegrepen individu’ waarvan u betoogt dat dit in de achttiende eeuw haar ‘hoogtepunt bereikte’ en uw uitspraak dat de ‘bourgeoisie manier van leven, het leven van de gewone mensen’ was, zegt veel over uw kijk op de wereld. Die achttiende eeuw was voor de gewone mensen helemaal niet zo’n fijne tijd. Met hun vrijheid, laat staan de radicale vrijheid, was het toen zeer slecht gesteld. En van een ‘bourgeois manier van leven’ konden ‘gewone mensen’ alleen maar dromen. De bourgeoisie dat waren de rijke handelaren en de bankiers, de Musken en Gatesjes van die tijd. Nog geen vijf procent van de bevolking. Hoe verhoudt die ‘radicale vrijheid’ zich trouwens met uw uitspraak in die Zwitserse krant dat, ik vertaal: ‘de samenleving een elite nodig heeft die de weg wijst?’ Of geldt die ‘radicale vrijheid’ waarvoor u nu pleit alleen maar voor wat u ziet als ‘gewone mensen’? De ‘nieuwe’ elite waartoe u zichzelf graag rekent maar waartoe het gros van de inwoners van dit land nooit zullen behoren?

Zoals ik in de eerste alinea al schreef u bent niet geradicaliseerd. U verkocht altijd al radicale, onsamenhangende dwaasheid en dat doet u nog steeds. Dus daarin is niets veranderd.

Uitgelicht

Intersectioneel profileren

Gelukkig mag ik, als ik dat zou willen, juichen over de ruzie in BIJ1, de partij van Kamerlid Sylvana Simons. De partij wil lid en tweede man op de kieslijst van afgelopen maart, Quincy Gario, uit de partij zetten. De reden blijft in het duister en Gario is het er ook niet mee eens. Het lijkt erop alsof beide zijden in het conflict elkaar van hetzelfde beschuldigen. Binnen de partij zeggen mensen zich niet veilig te voelen met Gario in de buurt. Die zou anderen op een of andere manier pesten. Gario beweert dat hij juist ‘pestgedrag en machtsmisbruik’  binnen de partij aan de kaak wil(de) stellen, zo valt te lezen in Trouw. Gario over het hele gebeuren: “Het laatste wat ik wil is dat racistisch Nederland gaat juichen over ruzie in de partij.”

Aangezien ik mezelf niet tot ‘racistisch Nederland’ reken, zou mijn eventueel gejuich wel acceptabel zijn? Nu sta ik niet te juichen maar dat ik van verbazing van mij stoel val, kan ik ook niet zeggen. Als er iets kenmerkend is voor nieuwe partijen in dit tijdsgewricht, dan is het wel dat er in de ‘kindertijd’ van een partij wel eens geruzied wordt. Dat geruzie wordt in de puberteit van de meeste partijen trouwens gewoon voortgezet en als we nu naar het CDA kijken zelf tot in het bejaardenhuis. Dus daar hoeven we niet van op te kijken. In een tijd waarin het eigen gelijk en vooral het eigen ego belangrijker is dan wat ook, hoeft het niet te verbazen dat op plek waar ego’s zich verzamelen, en dat zijn politieke partijen, ruzie uitbreekt.

De ruzie in BIJ1 verbaast mij om nog een andere reden niet en die heeft te maken met de filosofie van de partij, het ‘intersectioneel denken’. Op haar site heeft  de partij heel veel woorden nodig om uit te leggen wat het is en dan nog is het niet duidelijk. Zoveel woorden heb ik er niet voor nodig. Het ‘intersectionalisme’ is een machtstheorie die ‘macht’ bepaalt aan de hand van iemands identiteit. Die identiteit wordt op een zeer bijzondere manier bepaald. Daarvoor hakt ze mensen in stukken en die stukken bij elkaar opgeteld vormen iemand ‘identiteit’. Maar die stukken staan ook op een as. Zo staat blank’ op een as met ‘zwart’ en ‘blank’ heeft meer macht dan ‘zwart.‘ Man’ staat op een as tegenover ‘vrouw’ en ‘man’ heeft meer macht. ‘ En zo kun je nog meer assen maken zoals ‘homo’ versus ‘heteroseksueel’, ‘’hoog’ versus ‘laagopgeleid’. En hoe meer je hakt, hoe onduidelijker het wordt en hoe onduidelijker de ‘macht’ wordt. Want hoe vergelijk je mijn ‘identiteit’, man, middelbare leeftijd, hoog opgeleid, werkzaam voor de overheid en schrijver van Prikkers, met de macht van bijvoorbeeld Sylvana Simons. Op de voor de theorie belangrijke ‘assen’ kleur en geslacht heeft zij, volgens deze theorie minder ‘macht’ dan dat ik heb. In de praktijk heeft zij echter veel meer macht. Ze is Kamerlid, als zij iets schrijft komt het in diverse kranten terwijl mijn Prikkers mijn eigen site halen. De theorie hangt macht aan die ‘stukken identiteit’ en niet aan de persoon .

Als je deze theorie als filosofie van je partij beschouwt, dan is de kans zeer groot dat er een strijd om de toppositie op de ‘ellende-ladder’, zoals ik het eerder noemde, uitbreekt. Degene met de minste ‘macht’ moet in deze theorie centraal staan. Die moet de ‘macht’ krijgen. Die strijd lijkt nu los gebarsten zo lees ik bij deKanttekening. En het hoeft niet te verbazen wie als schuldigen worden aangewezen. Daarvoor hoef je alleen maar naar de assen te kijken en vooral naar de, volgens de theorie belangrijkste kleuren-as. Of die personen werkelijk de meeste macht hebben, doet er niet toe. Geen beste beurt voor een partij die streeft naar radicale rechtvaardigheid en waarbij de strijd tegen racisme topprioriteit is en etnisch profileren aangepakt en voorkomen moet worden. Zouden de partij en haar aanhangers zich wel eens afvragen hoe het ‘aanpakken en voorkomen van ethisch profileren’ zich verhoudt tot hun filosofie van ‘intersectioneel profileren’?

Uitgelicht

Een hutje op de hei

 “In de Middeleeuwen waren er meer verschillende manieren van wonen dan nu. Er waren begijnhofjes, kloosters en oudemannenhuizen. Tegenwoordig moeten de meeste mensen het doen met een rijtjeshuis of appartement.” Deze uitspraak is, zo schrijft Josta van Bockxmeer bij De Correspondent, van Rijksbouwmeester Floris van Alkemade. Een uitspraak in de categorie ‘vroeger was alles beter. Al denk ik niet dat Van Alkemade dat bedoelde met die uitspraak. Hij zal bedoelen dat er tegenwoordig zo weinig gevarieerd wordt gebouwd. Van Bockxmeer interpreteert het ook op die manier. Toch een bijzondere uitspraak.

Royalty-free medieval construction photos free download | Pxfuel
Bron: Pxfuel

Een vergelijking tussen twee tijdperken wordt wel vaker gebruikt in een debat. Als dat gebeurt dan spits ik als historicus altijd mijn oren. Inderdaad, in de Middeleeuwen waren er oudemannenhuizen, begijnenhofjes en kloosters alwaar je kon gaan wonen. Je had echter ook nog kastelen en in de latere Middeleeuwen in steden ook patriciërswoningen, de huizen van de rijke kooplui. Veel keus zo lijkt het.

Inderdaad is tegenwoordig: “Het grootste deel van de huizen (…) een eengezinswoning, terwijl 40 procent van de huishoudens uit één persoon bestaat.” Maar daarnaast heb je ook nog de villa, de woonboerderij, de aanleunwoning, het verzorgingshuis, de studentenflat en oh ja, kloosters en kastelen bestaan ook nog steeds. Toch moet het gros van de mensen het doen met een eengezinswoning of een flatje omdat de villa of woonboerderij te duur is, ze niet voldoen aan de criteria voor een verzorgingshuis en ze de studentenflat ontgroeid zijn. Dus die Middeleeuwer was beter af.

Maar wacht even, ik ben nog één huistype vergeten, het hutje op het platteland alwaar het gros van de Middeleeuwers woonden. Samen onder één dak met die ene koe, dat varken, de geit en de kippen. Ze woonden daar omdat ze zich geen ‘kasteel’ of later patriciërswoning konden veroorloven. Omdat niet iedereen in een klooster of begijnenhofje terecht kon en ze te jong waren voor dat ‘oudemannenhuis’. Bovendien waren die er enkel in de steden en daar kon je zomaar niet naartoe, gebonden als je was aan dat stukje grond en de ‘bijbehorende feodale landeigenaar’.  Dat ‘hutje’ was waar het gros van de Middeleeuwers het mee moesten doen. Trouwens niet alleen de Middeleeuwers, tot ver in de negentiende eeuw was het hutje, en een ‘stadskrot’, de negentiende-eeuwse stedelijke variant voor arbeiders, de dominante woonvorm.

Van Alkemades historische vergelijking gaat mank. De gemiddelde Middeleeuwer had qua wonen niet meer keus dan de mens van tegenwoordig. Die kon kiezen uit een hutje of een hutje of dat nu op de hei stond of niet. Bovendien is de kwaliteit van wonen van dat rijtjeshuis of die flat oneindig veel beter dan het Middeleeuwse hutje.