Uitgelicht

Baudets idée fixe

De dag na Prinsjesdag is de dag van de algemene politieke beschouwingen. Tijdens deze beschouwingen geven de fractievoorzitters van de politieke partijen hun eerste reactie op de door het kabinet ingediende begroting en de erin opgenomen plannen voor het komende jaar. Het kabinet luister daarbij toe en antwoordt de volgende dag op de door diverse fractie ingebrachte zaken. Deze week gebeurde er iets bijzonders, het voltallige kabinet liep weg tijdens de bijdrage van FvD-leider Baudet. Baudet wil ons doen geloven in zijn idée fixe, een preoccupatie in zijn geest.

Bron: Flickr

Baudet terug wil naar het verleden: “… terugkeren naar een vrije samenwerking tussen soevereine natiestaten.”  Want de: “de natie en het gezin omdat het natuurlijke structuren zijn, die voortkomen uit het wezen van de menselijke natuur, en die dus niet het product kunnen zijn van menselijke planning.” Die woorden sprak Baudet niet uit in de Kamer omdat het kabinet midden in zijn bijdrage opstapte en hij zijn verhaal niet meer mocht afmaken. Baudet zat midden in een betoog waarin hij een wereldwijd elitair complot aan het ontmaskeren was. Want: “Volgens de diepste overtuiging van de elites die ons regeren, is de menselijke vrijheid een gevaar; is de menselijke natuur een gevaar. Inderdaad, de menselijke natuur moet worden veranderd en er moet een nieuwe mens worden geschapen.” Om die nieuwe mens te creëren: “willen ze ons controleren met sociaal krediet, QR-codes en algoritmes, zodat onze gevoelens en verlangens kunnen worden gemonitord en gemanipuleerd.” Om dat dus allemaal te voorkomen moeten ‘back tot he past’ toen ‘we’ nog leefden in die ‘natuurlijke orde’ van de ‘vrije samenwerking’ tussen ‘soevereine natiestaten zo wil hij ons doen geloven.

Een natiestaat: “of nationale staat is een staat met één dominante natie waarmee een soeverein territorium wordt geboden aan een bepaalde natie en haar culturele identiteit,” aldus Wikipedia. Om te weten wat hier staat moeten we eerst weten wat een natie is. Een natie is een: “groep van individuen van hetzelfde staatsburgerschap die in een begrensd gebied wonen.” Maar ook wat een culturele identiteit is. Een identiteit is het: “eigen karakter van een persoon of groep.” En cultuur“het geheel van normen, waarden, tradities, regels, kunstuitingen enz. van een land, volk of groep.” En nu in mijn woorden. Een natiestaat is een staat waarvan de mensen tot eenzelfde culturele groep behoren. Hoeveel naties zouden hieraan voldoen? Zo herkennen de Catalanen en Basken zich niet in natiestaat Spanje, hebben de Schotten moeite met de Britse om over culturele verschillen en verschillen in godsdienst maar te zwijgen. Nederland voldeed er nooit aan, zo liet ik in Een lesje geschiedenis deel 2 zien.

De natiestaat is, in tegenstelling tot wat Baudet ons wil doen geloven geen ‘natuurlijke structuur’. Van al die miljoenen jaren dat de mens, nee laat ik me beperken, van al die bijna 300.000 jaar dat ons soort, de Homo sapiens, op deze planeet rondloopt, is er pas een kleine 200 jaar sprake van natiestaten. Daarvoor even naar Francis Fukuyama’s boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek. Fukuyama: “De Europese samenleving maakte een reeks ingrijpende economische en sociale veranderingen door, die leidden tot de materiële omstandigheden waardoor zulke ideeën zich konden verbreiden.[1]” Welke veranderingen dat waren? “Toen markten groeiden als gevolg van technologische veranderingen, ontstonden er nieuwe beroepen en kwamen er andere sociale klassen op. Steden werden machtiger en onafhankelijker en ze dienden als toevluchtsoorden voor boeren die aan de tirannie van hun heer probeerden te ontkomen.” Die veranderingen betekenden dat: “de mensen opeens meer keuzen en kansen hadden in hun leven. In de oude samenleving bepaalden hun beperkte sociale keuzemogelijkheden wie zij voor zichzelf waren; nu de bestaande grenzen werden doorbroken werd de vraag ‘Wie ben ik?’ opeens relevanter, evenals het gevoel dat er een enorme kloof bestond tussen de innerlijke mens en de uitwendige realiteit. Ideeën vormden de materiële wereld, en de materiële wereld creëerde omstandigheden voor de verspreiding van bepaalde ideeën.”[2] 

Om het wat duidelijker te maken, introduceert Fukuyama Hans. “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.” Fukuyama vervolgt met een beschrijving van de ‘nieuwe wereld’ van Hans die naar het, in de negentiende eeuw snel industrialiserende, Ruhrgebied verhuisde. In die nieuwe wereld is alles anders. Hans komt mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk.[3]” Hans ziet in zijn ‘beeldscherm’ een hem onbekende wereld. Een onbekende wereld die bij hem de vraag oproept: hoe verhoud ik me tot die wereld? Wie ben ik en welke rol speel ik in deze nieuwe wereld? Die vraag stelden zich vele mensen in Europa.

Uiteindelijk kreeg Hans een antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’ Fukuyama haakt bij dat antwoord aan bij de negentiende-eeuwse socioloog Ferdinand Tönnies die de ontwikkelingen omschreef als een overgang van ‘Gemeinschaft’ naar ‘Gesellschaft’. Fukuyama: “De psychologische ontregeling als gevolg van de overgang van Gemeinschaft naar Gesellschaft vormde de grondslag voor een nationalistische ideologie, die gebaseerd was op een intense heimwee naar het denkbeeldige verleden van een sterke gemeenschap, waarin verdeeldheid en verwarring van een pluralistische moderne samenleving niet bestonden.” Het antwoord dat Hans kreeg: “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[4]” Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts. Bij dat antwoord werden ‘verhalen’ geschreven om die ‘erfelijke lijn’ naar die ‘oude cultuur’ te leggen. Hiervoor werden standbeelden opgericht voor personen die een belangrijke rol speelden in die verhalen. Voor wie erop let of er onderzoek naar doet, het overgrote deel van die beelden zijn in de negentiende en begin twintigste eeuw geplaats. Neem bijvoorbeeld het nu omstreden beeld van Coen in Hoorn. Geplaatst in 1893, meer dan 260 jaar na zijn overlijden. Bij dat antwoord behoorde ook het afzetten tegen andere staten dat leidde tot twee gruwelijke Wereldoorlogen.

Het antwoord dat Hans kreeg, is het antwoord dat Baudet nu ook weer geeft: ‘je bent een trotse Nederlander met een oude cultuur en geschiedenis enzovoorts’. Je kunt je bovendien afvragen of een antwoord uit het verleden past bij de uitdagingen van het heden? Het bijzondere is dat Baudet terugverlangt naar de periode waarin Hans in onzekerheid verkeerde. Of beter gezegd naar een beeld van die tijd dat alleen in zijn hoofd bestaat. Een tijd waarin het met de menselijke vrijheid, waar hij zich druk maakt, erg slecht was gesteld.


[1] Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 55

[2] Idem, pagina 57

[3] Idem pagina 89

[4] Idem pagina 91-92

Uitgelicht

Inconsequent, weg!

“Ze zijn bezig met de opbouw van Global Governance,” aldus Forum voor Democratieleider Thierry Baudet in een gesprek met Michael van der Galien van De Dagelijkse Standaard. Die ‘global governance wordt: “mondiaal socialistisch totalitarisme,” en: “Ze verhúllen het niet eens meer.” Verdorie dat zijn zware woorden. Wat is er aan de hand?

Volgens Baudet valt hier heel veel over te zeggen: “In de eerste plaats dat het weer een stap is naar meer globalisme, globalisering, mondiale regelgeving. Een wereldstaat. Ze verhúllen het niet eens meer. Je ziet het gewoon gebeuren.” Iets wat hij nog bevestigd ziet: “Want er staat in: ‘Tax optimisation.’ Dat wil dus zeggen, het optimaliseren van je belastingdruk. Dát willen ze dus gaan criminaliseren. Dit verraadt dus niet alleen een globalistische mindset, maar ook een socialistische mindset.” En dat is: “verschrikkelijk. Straks hebben ze een wereldwijd web gespannen, een netwerk gespannen waarin we vastzitten. Overal dezelfde regels, overal dezelfde belastingen die we moeten betalen waar we niet aan onderuit kunnen, waar we ook democratisch niets aan kunnen doen want het is internationaal vastgesteld.”  En als het begin is gemaakt dan: “gaan ze langzaam maar zeker de duimschroeven aandraaien. Het begint met een paar procent, dat je zegt: een paar procent, waar hebben we het over. Dat wordt alsmaar meer tot we ál onze vrijheid kwijt zijn.”

Dan even naar de aanleiding. Bij het artikel een twitterbericht van minister van Financiën Kaag met daarin de volgende tekst: “Nederland is een voorstander van een wereldwijde effectieve minimumbelasting. Daarom heb ik samen met Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje een verklaring getekend deze in 2023 in te voeren. Het kabinet zet zich er maximaal voor in om een akkoord te bereiken.”  Er ontbreekt echter iets bij het twitterbericht en dat is een bijlage die minister Kaag er wel bij heeft gevoegd op haar zakelijke twitterkanaal. Wat er ontbreekt is de gezamenlijke verklaring van Kaag en haar collega’s van Frankrijk, Spanje, Italië en Duitsland. Even een eigen vertaling: “Aangezien de inflatie de koopkracht van onze medeburgers zwaar treft, moeten bedrijven hun deel van de lasten betalen om de gevolgen van de wereldwijde energiecrisis te verlichten. Daarom herbevestigen we onze versterkte inzet om de wereldwijde minimale effectieve vennootschapsbelasting snel te implementeren. Het is een belangrijke hefboom voor verdere gerechtigheid door een efficiëntere strijd tegen belastingontwijking en -ontduiking.”

Een wereldwijde minimale vennootschapsbelasting voor bedrijven. Die belasting is bedoeld om ervoor te zorgen dat de Apples, Facebooks, Booking.com, de Shells en al die andere multinationale bedrijven tenminste ergens in deze wereld eenzelfde percentage vennootschapsbelasting betalen als de lokale winkelier die zijn bedrijf in een BV heeft ondergebracht. Dat lijkt mij geen verkeerd idee. ‘We’ hoeven die belasting niet te betalen. Sterker nog, ‘we’ gaan erop vooruit als wereldwijd een minimumtarief aan vennootschapsbelasting wordt geheven. Minimum want een individueel land kan zelf besluiten een hoger tarief te heffen, een lager niet.

Bijzonder dat Baudet hier tegen is. Want, om hemzelf te parafraseren in zijn bijdrage aan het debat over de mogelijke afschaffing van de dividendbelasting van 25 april 2018, door hier tegen te zijn geeft hij : ‘buitenlandse investeerders een overbodig cadeautje waar de Nederlanders niets mee opschieten. Je moet het een beetje vergelijken met het volgende. Thierry Baudet komt met een aantal makkers van Unilever een café binnen en bestelt joviaal en breed lachend drank voor iedereen, maar als het op afrekenen aankomt is hij via de achterdeur alweer vertrokken naar een volgend café terwijl wij de rekening moeten ophoesten. ‘[1] Iets wat hij premier Rutte in het debat over die dividendbelasting terecht verweet.  Om Theo Maassen aan te halen: Inconsequent, weg![2]


[1] Bekijk het dit filmpje van de partij. De parafrasering begint ongeveer na 1 minuut en 35 seconden, https://www.youtube.com/watch?v=mNuNBkAXXIU.

[2] Uit de voorstelling Met alle respect van Theo Maassen uit 2012 (https://www.youtube.com/watch?v=GumMnZE7dfs)

Uitgelicht

Boerenkunst of de kunst van het boeren?

Volgens Tom Saat, biologisch dynamische boer te Almere en een maand lang gastcolumnist in de Volkskrant, is landbouw: “een oeruiting van de mens. Dat is de les die de geschiedenis van de landbouw ons leert. Dat is ook hetgeen wat nu nog steeds tot uiting komt in de diepgewortelde sympathie voor de boer.” Zo is te lezen in zijn column. Want: “Dat wat onze verre voorouders met dier en plant deden was niets meer of minder dan de zelfverwerkelijking van de mens. In hedendaagse termen kan je het kunst noemen.” De boer als kunstenaar en: “als we iets daarvan moeten leren voor de toekomst, is het wel dat in die culturele dimensie de sleutel ligt voor de broodnodige transitie.” Een bijzondere redenering, ik zie even af van de suggestie van een diepgewortelde sympathie voor de boeren, waarbij de nodige kanttekeningen te plaatsen zijn. Want is het sympathie voor de boeren of antipathie tegen de huidige regering?

Restanten van het tempelcomplex Göbekli Tepe. Bron: WikimediaCommons

Saat gebruikt Sapiens van Yuval Noah Harari als contrapunt in zijn betoog. Harari versimpelt, zo betoogt Saat: “de geschiedenis van de landbouw tot een geschiedenis van technologie. Het lichaam vraagt om voedsel en om het wat makkelijker te maken in plaats van eindeloos te moeten jagen en eetbare planten zoeken, vindt de mens de landbouw uit.” Dit is: “Feitelijk helemaal juist, maar het zegt niets over wat mensen daarbij bewoog.” Want: “De mens van zeven millennia geleden keek niet met een technologische blik naar de natuur.” Saat lijkt wel te weten hoe de mens zeven millennia geleden naar de natuur keek, namelijk door: “de godenwereld als het natuurlijke, direct beleefbare verlengstuk van menselijk ‘denken’ en handelen (te zien), en de planten- en dierenwereld die net zo goed bij de lichamelijkheid van de mens hoorden als het eigen lichaam.”

Harari beweert nergens dat onze voorouders met een technologische blik naar de wereld keken. Net als Saat stelt ook Harari de godenwereld centraal in het handelen van onze verre voorouders. Volgens Harari zou die ‘godenwereld’ wel eens de aanzet zijn geweest tot de agrarische revolutie. Hij suggereert dit naar aanleiding van de vondst van Göbekli Tepe, een groot bouwwerk van versierde stenen zuilen dat zo’n 11.500 jaar geleden is gebouwd in het huidige Turkije in een streek waar een van de eerste gedomesticeerde soorten van tarwe (eenkoren) is ontstaan. Harari: “Dat kan bijna geen toeval zijn. … Er waren uitzonderlijk grote hoeveelheden voedsel nodig om de mensen te voeden die de monumenten bouwden en gebruikten,” aldus Harari, en hij vervolgt: “Het zou heel goed kunnen dat verzamelaars overstapten van het verzamelen van wilde tarwe op de intensieve tarweteelt, niet om hun normale voedselvoorraad te vergroten, maar om de bouw van een tempel en het runnen daarvan mogelijk te maken.[1]  Of Harari gelijk heeft? Dat weten we niet want we waren er niet bij. Wat we wel weten is dat de agrarische revolutie niet zozeer een revolutie was maar eerder een evolutie van eeuwen en wellicht wel millennia. We weten ook dat het geen rechte lijn was maar eerder een soort Echternach processie waarbij er, zoals David Graeber en David Wengrow in het boek het begin van Alles, schrijven, ook wel eens op schreden werd teruggekeerd en de landbouw weer vaarwel werd gezegd.

De landbouw als kunst’ van de mens van 7 millennia geleden: “Dat wordt je duidelijk wanneer je de kunstwerken van die tijd op je in laat werken. Dat waren geen kunstwerken die in steen, hout of verf werden gemaakt (die kwamen pas enkele millennia later), maar dat waren wat wij nu onze (landbouw)huisdieren en cultuurplanten noemen.”  Zo betoogt Saat. Wat we wel weten en dat laat Göbekli Tepe zien, is dat de mens al vele millennia voor die: “zeven millennia geleden,” met kunstwerken en cultuur bezig was. De oudste rotstekening, een tekening van een wrattenzwijn in een grot op het Indonesische eiland Sulawesi, is zo’n 45.000 jaar oud. In een grot in Nerja in Spanje zijn schilderingen van 42.000 jaar geleden te vinden. De schilderingen in de grotten van Lascaux zijn tussen de 10 en 15 duizend jaar oud. In tegenstelling tot hetgeen Saat beweert is de eerste menselijke kunst daarmee ouder dan de (landbouw)huisdieren en cultuurplanten.

Landbouw als kunst en zelfverwerkelijking van de mens, zoals Saat beweert of als voorwaarde om ‘kunst’ te kunnen bedrijven zoals Harari beweert. Tarwe als ‘kunst’ of als voedsel? Hoe zou het werkelijk gegaan zijn? Helaas weet niemand dat want het gebeurde ver voor onze tijd. Mij lijkt de redenering van Harari een stuk plausibeler dan Saats redenering. Niet de ‘boerenkunst’ maar de kunst van het boeren werd ontwikkeld.

Echter, als het sprookje van “die culturele dimensie,” van Saat nodig is als sleutel om de deur van de boeren tot de “broodnodige transitie” mee te openen, dan mag deze prikker best als ‘ketters’ en haar schrijver als ketter worden afgedaan. Een benaming die ik dan met trots zal dragen.


[1] Yuval Noah Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 104

Uitgelicht

Een lesje geschiedenis deel 1

Bij De Dagelijkse Standaard een artikel van Michael van de Galien. In het artikel geeft hij ‘geschiedenisles’ aan Jesse Klaver. Klaver deed bij Jinek de uitspraak dat ‘migranten dit Nederland hebben opgebouwd’. Een uitspraak die, zo betoogt, Van der Galien: “a) belachelijk is en b) beledigend ten opzichte van al die Nederlanders die door de jaren heen keihard hebben gewerkt om iets van ons land te maken.” Een idiote uitspraak want: “ Nederland was tot voor heel kort geen immigrantenland, maar een natiestaat. De ‘migranten’ zijn pas sinds de jaren 60/70 op significante schaal naar ons land gekomen; toen het economisch herstel van de Tweede Wereldoorlog zo groot was dat we ‘extra’ werkkrachten dachten nodig te hebben.” Een wel heel beperkte kijk op de geschiedenis van wat nu Nederland is. Daarom een lesje geschiedenis in twee delen. Vandaag deel 1 over de bewering dat Nederland tot voorkort geen migratieland was.

De eerste bewoners van het gebied dat nu Nederland is, waren waarschijnlijk Neanderthalers maar er zouden ook zomaar al eerdere mensensoorten in deze omgeving hebben kunnen geleefd. Als we daar even van afzien en ons concentreren op de laatste 10.000 jaar dan weten we dat de jager-verzamelaars die hier rondliepen zo’n 8.000 jaar geleden begonnen aan de overstap naar de landbouw. Hierdoor nam de bevolking toe en ontstonden de eerste culturen, de Bandkeramische en de Rössencultuur. Naast deze agrarische culturen leefden er ook nog steeds jager-verzamelaars. Zo rond 5.000 jaar geleden werden deze voorouders verrast door migranten van de Jamnacultuur die vanuit de steppen van wat nu Oekraïne en Zuid-Rusland is, naar het westen trokken. Aan hen hebben we onze taal te danken, net zoals bijna alle andere  Europese talen. Ze brachten ook het wiel en de wagen mee. Net zoals trouwens de lichte huidskleur en blonde haren. De tot dan toe hier levende mensen hadden een donkerdere huidskleur. Dus ja, ‘we’ hebben het een en ander te danken aan migranten.

Zo moet een Bandkeramische boerderij er naar archeologen denken, uitgezien hebben. Bron: WikimediaCommons

Genoeg oude geschiedenis. Op naar de Middeleeuwen. “Omstreeks het jaar 1000 krioelden ook hier ten lande allerlei min of meer feodale gebieden naast en door elkaar. Een duidelijk patroon ontbrak.[1]Zo omschrijft de historicus Peter W. Klein de politieke situatie in het gebied dat nu Nederland heet. Het gebied lag aan de rand van het continent Europa en uit niets kon je opmaken dat het 600 jaar later zou zijn uitgegroeid tot het centrum van Europa. Sterker nog, geheel Europa lag in die tijd waar het altijd al had gelegen en dat was ‘aan de rand van de wereld’. Het centrum van de wereld dat was het gebied met aan de ene uiteinde wat we nu het Midden-Oosten of de Levant noemen en aan de andere kant het China langs de Yangtze. Het gebied, waar Peter Frankonpan zijn bekende werk naar heeft genoemd, van De zijderoutes. De Romeinen waren erin geslaagd om ‘aan te haken’ bij dat centrum en zo het gebied wat te vergroten. Omdat het zuidelijke deel van het huidige Nederland vanaf het begin van onze huidige jaartelling bij dat Rijk behoorde, was het verbonden met het centrum van de wereld.

Na de val van Rome en het afzetten dan Romulus Augustulus de laatste West-Romeinse keizer op 4 september 476 kwam daaraan echter weer een einde. De ‘Nederlandse’ verbinding met ‘de wereld’ was al eerder verbroken omdat de val van het Romeinse Rijk een geleidelijk proces was. Het verval van het ooit machtige Romeinse Rijk zette al veel eerder in en de wereld van na die val kondigde zich al meer dan twee eeuwen eerder aan. Germaanse en andere stammen begonnen te knibbelen aan de Romeinse macht. Een maaltijd begint met de eerste hap, niet met de laatste. Als we die metafoor op de scheiding tussen Oudheid en Middeleeuwen toepassen, dan kun je met recht en rede betogen dat de Middeleeuwen begonnen met de eerste Germaanse hap in het Romeinse Rijk. Een derde-eeuwse Romein zou bij die eerste hap aan de grenzen van het Rijk niet meteen spreken van een ‘nieuw tijdperk’. Er werd wel vaker ‘geknabbeld’ maar dat werd later wel weer hersteld.

Voor de Germaan Odoakar stelde het afzetten van die laatste keizer niet zoveel meer voor. De macht van de keizer reikte niet veel verder dan de poorten van zijn paleis. Tenminste sinds de Visigotische leider Alarik I in 410 Rome plunderde, stelde het westelijk deel van het Romeinse Rijk al niet meer zoveel voor. Niemand kon zich zo rond het begin van onze jaartelling een wereld zonder Romeinse Rijk voorstellen. Net zo onvoorstelbaar was het in het jaar 1000 dat die uithoek van Europa tot het ‘centrum van de wereld’ zou uitgroeien.

In dat jaar 1000 bestond Holland, de later machtigste van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën nog niet. Het gebied was Fries. “Reeds vanaf de vroege middeleeuwen was de Maas-, Rijn-, en Schelde regio de operatiebasis van de Friezen voor hun verre handel tussen West-Europa en Scandinavië.[2] Onder de rivieren was het vooral Frankisch. Toch gebeurde er in 1018 iets bijzonders. Een van de graven in West-Friesland, Dirk III, behaalde in 1018, zo beschrijft Klein, de eerste militaire ‘Hollandse’ overwinning. Een ‘Hollandse’ overwinning avant la lettre want, zo beschrijft Klein het: “Deze Dirk was en bleef zijn leven lang namelijk niets anders dan een graaf ín (West-)Friesland. Zelfs tot graaf ván (West-)Friesland heeft hij het niet kunnen brengen.[3] Dirks oorspronkelijke ‘rijk’ bestond uit: “twee losse West-Friese gebieden (…) Kennemerland en Rijnland.” En Dirks prestatie bestond eruit dat hij daar “bij stukjes en beetjes Neder-Maasland,” aan toevoegde. Tegenwoordig een zeer rijk gebied, in die tijd: “niet veel anders dan de moerassige zilte gronden aan de mond van de samenvloeiing van Maas en Merwede.[4] Uiteindelijk mocht een van zijn nazaten, Floris II, zich in 1101 echt graaf van Holland noemen. Dat had hij te danken aan de bisschop van Utrecht die bereid bleek om hem als leenman te aanvaarden. Daarmee zijn we honderd jaar verder in de tijd. Ook toen wees er niets op het succes van dat ‘Holland’. De eerste graaf van Holland, graaf van drassig land langs de monding van de Rijn en de Maas,  ‘onderknuppel’ van de bisschop van Utrecht. Iets meer dan niets en daarmee is alles gezegd.

De Graaf van Holland was niet de enige ‘onderknuppel’. Er waren er veel meer zoals de graaf (later hertog) van Gelre, de hertog van Brabant, de graaf van Zeeland die allemaal hun eigen rijkje stichtten en knibbelden aan de macht van de Friezen en aan elkaars macht. Allemaal gebieden die niets met elkaar hadden. “The northern provinces felt no tie with each other and no sence of difference from the south. Each of the seventeen provinces was a small state or country in itself,[5]zo beschrijven Palmer en Colton in hun A history of the Modern World de relatie tussen de verschillende provinciën in het midden van de zestiende eeuw en dat was in de eeuwen daarvoor niet anders. Sterker nog, zelfs binnen een zo’n rijkje hadden mensen vaak al niet veel met elkaar behalve dan dat ze eenzelfde ‘onderknuppel’ boven hen hadden.

Nu ontwaakte Europa zo rond de tijd van Dirks avonturen uit de slaap die het met de val van West-Romeinse Rijk begon. Europa, en dan vooral Italiaanse steden zoals Genua en Venetië begonnen weer te handelen met de Levant, ze herstelden de verbroken verbinding met de Zijderoute. “By the end of the tenth century, Venice was shipping grain, wine, and Lumber to Constantinople and receiving in return fine silken cloth that they sold to her north Italian Neighbors. Allso by that time merchants from Amalfi had established extensive trading contacts with Cairo. The inland towns of northern Italy began to have some industry of their own, natably weaving of woolen cloth, but markets fort his cloth were very limited at first.[6]Dirks’ gebied was nog niets maar iets ten Zuiden van zijn moerassige zilte gronden werd het al iets. Die opleving in Italië had zijn uitwerking op ‘staatjes’ die enkele eeuwen later de 17 provinciën werden genoemd. Voor de Friezen betekende ze een ‘nagel aan hun doodskist’ als dominante macht omdat: “De Friese handel (…) niet bij machte (was) op deze opleving in het zuiden in te haken.”

Anderen wel: “De kooplieden van de Maas- en Scheldevallei daarentegen, die als stedelingen een meer moderne handelstechniek hadden ontwikkeld en die vanouds contacten met de het continentale achterland onderhielden, grepen de geboden kansen. Ze brachten een systematische verbinding tussen Noord-West Europa en het Middellandse-Zeegebied tot stand.” Die handel liep niet over zee en dan via de rivieren het land in met Rotterdam[7] als schakelpunt, zoals in onze tijd. “Het werd een overlandse handel op het zuiden, die steunde op het uitwisselen van luxe producten uit Italië, Noord-Afrika, de Levant en het Verre Oosten enerzijds en van industriële fabrikaten uit eigen streek anderzijds[8].” De Zuidelijke Nederlanden vervulden in toenemende mate een stapelmarktfunctie voor Noord-West Europa.

Stadslucht mocht dan wel vrij maken naar een Middeleeuwse gebruik, de lucht in de stad was in ieder geval niet vrij van ziektekiemen. De steden in de Lage Landen, groeiden maar dat was geen natuurlijke groei: “Zij kwam tot stand ondanks een negatieve natuurlijke groei, dat wil zeggen ondanks het feit dat er veel meer mensen in steden stierven dan dat er geboren werden . … Met andere woorden, de groei van de steden was alleen maar mogelijk door massale immigratie,[9]aldus Leo en Jan Lucassen in hun boek Vijf eeuwen van migratie. Wie waren die migranten? Het waren: Duitsers als belangrijkste groep, maar in textielsteden zoals Leiden en Haarlem waren het, zeker aanvankelijk, vooral Zuid-Nederlanders uit het huidige België en Frans-Vlaanderen. Daar buiten waren Engeland, Schotland en Noorwegen de belangrijkste herkomstgebieden. … Daar waar het economisch leven in het teken stond van handel en scheepvaart, zoals in Amsterdam, maar ook Veere en Hoorn, kwamen de migranten overwegend uit verre streken.[10] Naast deze ‘vaste’ migranten was er de vlottende migranten, de trekarbeiders voor de landbouw, het huishouden, de scheepvaart en het leger. Op een schip was het eerder regel dan uitzondering dat de bemanning voor meer dan 50 procent uit buitenlanders bestond.

Door de eeuwen heen zijn er steeds mensen naar en van hier gemigreerd. In de ene tijdsperiode wat meer zoals met de komst van de Jamna of in de zeventiende eeuw. In een andere tijdsperiode wat minder. Migratie is echter een constant gegeven. Dus in tegenstelling tot wat Van der Galien beweert, is migratie niet iets van de periode: “sinds de jaren 60/70” . Het antwoord op de vraag of migranten Nederland hebben opgebouwd ligt daarmee genuanceerder dan Klaver, maar ook dan dat Van der Galien denkt. Successievelijke groepen migranten hebben wat nu Nederland is mee opgebouwd.

Er is echter nog op een ander punt dat Van der Galien nodig een lesje geschiedenis nodig heeft en dat is de uitspraak dat Nederland tot voorkort een natiestaat was. Dat lesje geschiedenis komt in deel twee van dit lesje geschiedenis.


[1] Peter W. Klein,  1000 jaar vaderlandse geschiedenis, pagina 33

[2] Schöffer, I c.s,  De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 15

[3] Idem, pagina 33

[4] Idem, pagina 34

[5] Palmer, R.R en Joel Colton, A History of the Modern World, pagina 126

[6] Brian Tierney, Sidney Painter, Western Europe in the Middle Ages 300-1475, pagina 268-269

[7] Rotterdam werd pas zo rond 1270 gesticht en haar bewoners leefden in eerste instantie van de visserij

[8] Schöffer, I cs, De Lage Landen van 1500 tot 1780 pagina 15

[9] Leo en Jan Lucassen, Vijf eeuwen migratie, pagina 19

[10] Idem, pagina 21

Uitgelicht

De benauwde blik van Blommestijn

Zo nu en dan, en tegenwoordig steeds vaker, roept er weer iemand dat Nederland ook uit de Europese Unie kan stappen. Deze keer is het Raisa Blommestijn, zo lees ik bij De Dagelijkse Standaard. Blommestijn in een tweet: “Laffe Rutte wil het migratieprobleem niet aanpakken en verschuilt zich achter de EU en internationale verdragen… Newsflash, je kunt uit de EU en je kunt die verdragen opzeggen – en tot die tijd je rug recht houden voor globalistische intimidatie, zoals Hongarije al jaren doet.”

Voor Blommestijn en voor veel voorstanders van zo’n Nexit zoals de FvD van Baudet, is Nederland het verhaal van Coen, de VOC en die sterke handelsnatie. Voor de toenmalige inwoners van bijvoorbeeld de huidige gemeente Venlo zag dat verhaal er heel anders uit. De Oost en zelfs Amsterdam en de VOC waren ver weg. Sterker nog, voor een groot deel van het grondgebied van de huidige gemeente Venlo gold dat het tot een heel ander land, of eigenlijk landen, behoorde. Zo hoorde Tegelen en Steyl bij het Graafschap Gulick en sloten zij pas in 1817 aan bij het koninkrijk der Nederlanden. Juist ja, toen de “Powers that Be’ daartoe besloten. Een van die ‘Powers’, de Pruisen, moest daar een veer laten want ook zij wilden de plaats erbij hebben. Dit gebeurde met het Traktaat van Aken. Hierin werd de grens tussen het koninkrijk en Pruisen bepaald door een kanonschot vanaf de oever van de Maas. Nederland zou dus een stuk groter zijn geweest als de kanonnen in die tijd wat verder hadden geschoten dan ongeveer 5 kilometer. Voor Arcen, Lomm en Velden ligt dat weer anders. Die behoorde eerst bij Spaans Gelre, na de Spaanse successieoorlog vielen ze toe aan Pruisen en sinds dat beruchte ‘kanonschot’ tot het koninkrijk der Nederlanden. 

Bron: WikimediaCommons

Wat voor alle dorpen gold, was dat er geregeld legers voorbij trokken. Legers op weg naar de ‘hoofdprijs’ de stad Venlo. Die stad wisselde gedurende de Tachtigjarige Oorlog geregeld van eigenaar. Dan weer  was het Spaans, dan weer Republikeins. Aan de Spanjaarden heeft de stad de restanten van het Spaanse fort Sint Michiel ten westen van de Maas te danken. Dat fort moest de stad beschermen tegen aanvallen vanaf de overkant (de westelijke kant) van de Maas. Met de Vrede van Utrecht in 1713 werd Venlo aan de Republiek toebedeeld, werd het een onderdeel van de Generaliteitslanden en zo min of meer een kolonie van de Republiek. Een kolonie omdat die Generaliteitslanden werden bestuurd door de Raad van State, een raad waarin ze zelf geen zeggenschap hadden. De Spaanse invloed tref je, zo betoogde de ‘Venloloog’ Sef Derks in een column op de site van Omroep Venlo, aan het Venlose dialect. Het Venlose woord voor hoofd: “kieëbus heeft een verrassende oorsprong. Het is afgeleid van het Spaanse cabeza.”

Sinds 1817 hoort het volledige grondgebied van de gemeente Venlo dus bij het Koninkrijk der Nederlanden en ging het op in de provincie Limburg. Of toch niet? Nee, inderdaad toch niet. In 1830 stonden de Zuidelijke Nederlanden op tegen het Koninkrijk en scheidden zich af. Limburg, exclusief de stad Maastricht, sloot zich aan bij de opstandelingen. Een afscheiding die pas in 1839 formeel werd maar dan zonder het huidige Nederlands-Limburg. Dat werd afgesplitst en viel toe aan het huidige Nederland. Viel toe want het werd niet veroverd of terugveroverd op de Belgen. Nee, ook hier beslisten weer de ‘Powers that Be’. De Fransen, die toen weer bij die ‘Powers’ hoorden, trokken hun steun aan de Belgen in en daarop werd Limburg gesplitst. De inwoners werd niets gevraagd. Als die zouden mogen stemmen, dan zou Venlo, nu waarschijnlijk Belgisch zijn. Limburg was dan wel, een provincie, voor de Hollandse koning, bleef het, net als de overige Zuidelijke Nederlanden, toch een soort Generaliteitsland, een soort kolonie.  

Nu was die grens in de beginjaren van dat Koninkrijk niet hard en hinderlijk. Als je van Venlo naar Straelen wilde, dan liep je er gewoon naartoe. Een paspoort was in theorie nodig, de praktijk was anders. Die praktijk veranderde tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen werden de grenzen gesloten. Je kon alleen de grens over als je in bezit was van een paspoort. Aan de grens stond de douane die je papieren controleerde. Aan de ene kant de Nederlandse die het verkeer vanuit Duitsland controleerden en aan de andere kant de Duitse die het verkeer dat vanuit Nederland het land inkwam, controleerden. Dat leidde toen al geregeld tot flink oponthoud aan de grenzen.  Nou ja, al het verkeer. Als opgroeiende puber ging ik, net als veel van mijn leeftijdsgenoten, in de zomer graag zwemen in Walbeck net over de grens met Duitsland. Zo’n mooi en groot zwembad met een zo’n lage entreeprijs lag er in Nederland in de wijde omgeving niet. Voor vijftien Duitse Marken, in Nederlandse guldens zo’n fl. 16,50, kocht je een tienrittenkaart. Maar om daar te komen moest je de grens over en dus je paspoort meenemen en soms lang wachten. En dat wachten daar hadden we het geduld niet voor. Dus zochten we onze weg via bospaadjes en gingen we illegaal de grens over. Een beetje zoals veel vluchtelingen nu. Maar ook die werden soms gecontroleerd en dat maakte het tot een spannende fietstocht. Diezelfde en andere paadjes, werden in de jaren vijftig en zestig gebruikt om spullen, zoals boter, de grens over te smokkelen. En dat bleef zo tot het Verdrag van Schengen hieraan een einde maakte.

Ieder jaar wordt de Atlas der Gemeenten uitgebracht. De lijst met meest aantrekkelijke Nederlandse steden. Al jaren staat Amsterdam bovenaan en al jaren bungelt Venlo, net als andere Limburgse steden, onderaan de lijst. Om die ranglijst te bepalen wordt er naar veel zaken gekeken zoals de beschikbaarheid van werk, de prijs van huizen, de aanwezige natuur, de nabijheid van zee en nog wat andere zaken. Venlo scoort slecht omdat het aan de grens ligt en alles wat over die grens ligt, daar wordt niet naar gekeken. Zo is de hoeveelheid natuur in de omgeving beperkt. Klopt, tussen de Maas en de grens is immers maar een kilometer of vijf plek en daar past niet veel op. Als je echter van de Groote Hei de grens over fietst of wandelt, dan loop je zo het bos in en niet veel verder kom je bij de prachtige Krickenbecker Seen. Voor degenen die geen Duits spreken, in Duitsland is een meer een ‘See’ en de zee een ‘Meer’. Op het grootste deel van zowel de Groote Hei als het Duitse natuurschoon, was in de Tweede Wereldoorlog trouwens het grootste Duitse militaire vliegveld van West Europa gevestigd: Fliegerhorst Venlo. De restanten ervan zie je nog links en rechts tussen het natuurschoon.

Nu wil het geval dat de onderzoekers achter de lijst ook eens hun ‘grenzen hebben verlegd’. En wat blijkt, dan stijgen de Limburgse steden ineens naar topposities in de lijst. Maastricht en Heerlen in de top tien en Venlo naar plek elf. Als ‘Venlonaer’ verbaast mij die hoge klassering niet. Het verbaast mij wel dat Heerlen en Maastricht hoger staan maar dat kan aan mij liggen. Het verbaast mij niet omdat er aan de andere kant van de grens een veel grotere wereld ligt dan aan deze kant. Als ik driekwartier autorijd vanuit Venlo dan ben ik aan de Nederlandse kant in Eindhoven, Nijmegen en nog niet eens in Maastricht. Ga ik de grens over dan ben ik in Duisburg, een stad met bijna een 500.000 inwoners en de grootste binnenhaven van Europa. Op weg daarnaartoe passeer ik Krefeld met 225.000 inwoners, net zo groot als Eindhoven en groter dan Maastricht en Nijmegen. Ook ben ik in Düsseldorf de hoofdstad van deelstaat Nordhein-Westfalen met ruim 600.000 inwoners. Daarbij passeer ik Mönchengladbach met bijna 260.000 inwoners. Maak ik er een uur en een kwartier van, dan ben ik aan de Nederlandse kant in Tilburg en Arnhem. Aan de Duitse kant in miljoenenstad Keulen, in Dortmund met meer dan 580.000 inwoners. Een gebied met veel inwoners waar, naast dat er op hoog niveau wordt gevoetbald (vijf clubs in de Bundesliga), vele musea te bezoeken zijn. Waar je naar pop- en andere concerten kunt. Waar je tegen een goede prijs, goed kunt eten. Een gebied waar je, als je de taal spreekt, goede kansen op een baan hebt en waar het prettig en goedkoper wonen is dan aan deze kant van de grens. Een Nexit zou daaraan abrupt een einde maken. Dan ligt Venlo weer ingesloten tussen de Maas en een ‘grenshek’. Dan worden de mogelijkheden van de Venlonaar ineens weer flink begrensd. Dan ligt het zwembad in Walbeck, het bestaat nog steeds, ineens weer veel verder weg en staat er een hek over het oude Fliegerhorst Venlo en kan ik niet meer naar de Krickenbecker Seen wandelen. Ook moet ik dan afscheid nemen van mijn softbal-teamgenoten van ‘euver de päöl’. 

Er is meer. Sinds mijn jeugd is het wagenpark in Nederland meer dan verdubbeld. Tussen mijn jeugd en 2007 nam het wagenpark met 70% toe en sinds 2007 is het wagenpark met weer zo’n 16% gegroeid. Dat zal voor onze buurlanden niet zoveel anders zijn. Als het toen al geregeld ‘stroopte’ aan de grens, hoe zal het dan zijn als er nu weer gecontroleerd gaat worden aan de grens? Voor de grote grensovergang op de A67 bij mijn woonplaats Venlo zou, gezien het aantal vrachtwagens dat er per dag over deze weg rijdt, een file kunnen ontstaan tot aan de Belgische grens. Een file die zich aan de Belgische kant zou voortzetten omdat ook daar gecontroleerd moet worden. Op Schiphol zullen lange rijen ontstaan voor de paspoortcontroles. Wat zal dit betekenen voor bijvoorbeeld de haven van Rotterdam? Een container voor Duitsland kan dan beter in Hamburg worden gelost, dat scheelt een grensovergang en dus veel tijd en controle. Wat betekent dit voor de nummer één logistieke hotspot Venlo? Als die container niet meer in Rotterdam komt, komt hij ook niet meer naar Venlo. Is er dan nog winst te behalen met het centraliseren van logistiek voor verschillende landen op één plek? Komen al die grote logistieke ‘dozen’ dan leeg te staan? Wat betekent dit voor de toenemende groep van grenswerkers?

“De waarheid is dat Rutte gewoon méér migratie wil. Hij wil méér globalisme. Hij wil minder nationale identiteit en minder democratie. Maar in plaats van dat gewoon toe te geven, “verschuilt” hij zich achter verdragen en de EU. Laf.” Voor wat betreft de lafheid van het huidige kabinet in de omgang met het onderwerp migratie, ben ik het met Blommestijn eens. Hierbij de oplossing zoeken in een sentimenteel beeld van het verleden van Nederland en de ‘identiteit’ van ‘de Nederlander’, lijkt mij geen goed idee. Naast douanier is smokkelaar dan de enige beroepsgroep, als je smokkelaar een beroep mag noemen, die er wel bij vaart. Trouwens, met uit de EU stappen verdwijnen migranten en vluchtelingen niet zoals de Britten nog steeds ervaren.

Uitgelicht

Onssoortmensenrechten

“Vrij,” zo heet het boek van de van oorsprong Albanese hoogleraar politieke theorie en hoofddocent filosofie Lea Ypi. Een boek met als ondertitel “ Opgroeien aan het einde van de geschiedenis.” In het boek beschrijft ze haar jeugd in Albanië. Een jeugd waarin de val van de Berlijnse muur en het een jaar later instorten van de Albanese eenpartijstaat centraal staat. Een verwarrende jeugd zo blijkt uit het boek omdat veel niet bleek te zijn zoals het leek te zijn. De jonge Ypi dacht in het meest vrije land van de wereld te wonen en dat land bleek van de ene op de andere dag een openluchtgevangenis te zijn geweest. Ik moest hieraan denken bij het lezen van het Commentaar van Bert Lanting in de Volkskrant.

Eigen foto

Volgens Bert Lanting is een visumverbod voor Russen onverstandig, zo schrijft hij in “Het is de vraag of dat het gewenste effect zal hebben. Waarschijnlijk zal het alleen maar voedsel geven aan Poetins mythe dat het Westen erop uit is Rusland en de Russen te vernederen.” Belangrijker is echter dat het dan: “voor tegenstanders van Poetin moeilijker zal worden aan zijn greep te ontsnappen.”  Wel: “moeten de EU-landen strenger worden bij het selecteren van de Russen die wél, zoals Kallas het uitdrukte, het ‘voorrecht’ om Europa te bezoeken verdienen.” Nu gaat het mij in deze column niet om dat visum, maar om het voorrecht. Dat voorrecht is een uitspraak van de Estse premier Kaja Kallas die de ‘nuchtere vaststelling’ deed: “Europa bezoeken is een voorrecht, geen mensenrecht.”

Nederland en ook de andere Europese landen protesteren terecht tegen landen, zoals Noord-Korea, die reizen naar andere landen onmogelijk maken. Zo’n land is in de basis één grote openluchtgevangenis waarbij grensbewaking vooral gevangenenbewaking is en minder het voorkomen van ongeoorloofd binnentreden. Dergelijke protesten waren ook voor het vallen van de Berlijnse muur te horen ten opzichte van de Sovjet Unie en de andere landen van het voormalige Oostblok. Deze landen maakten het hun burgers onmogelijk om naar het Westen te reizen en op mensen die ‘over de muur’ wilden vluchten werd zelfs geschoten. Dit zijn duidelijke schendingen van artikel 13 tweede lid van de Universele Verklaring voor de rechten van de Mens. Dit artikel stelt dat iedereen: “het recht (heeft) welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten en naar zijn land terug te keren.” Dus ook iedere Rus heeft het recht zijn land te verlaten. Nu is een land verlaten iets anders dan een land bezoek. Of toch niet?

Ik schreef al vaker over negatieve vrijheid, de vrijheid van onderdrukking en dwang en positieve vrijheid, de vrijheid om iets te kunnen doen. Een land dat haar inwoners belemmert om naar een ander land te reizen, beperkt de (negatieve) vrijheid van haar inwoners. Het belemmert hen in hun handelen en in dit geval zelfs in handelen dat tot de mensenrechten behoort, namelijk het recht om je land te verlaten.

De Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens bevat geen artikel dat bepaalt dat iedereen het recht heeft om naar de Europese Unie te komen. De spiegel van ‘het verlaten van welk land ook, met inbegrip van het zijne’ is echter het bezoeken van een ander land. Om bezoek te reguleren, te weten wie er op bezoek komt, is onder andere het visumsysteem in het leven geroepen. Het ‘verlaten’ van een land wordt onmogelijk als andere landen je niet toelaten. Dan heb je niets aan je negatieve mensenrecht om je land te kunnen verlaten omdat de andere landen je positieve vrijheid, je mogelijkheid om je land te verlaten, beperken. Dus ja, het negatieve mensenrecht van de Russen wordt met een visumverbod niet aangetast, hun positieve mensenrecht, de mogelijkheid om hun land te verlaten, echter wel.

En daarmee kom ik bij de reden waarom ik aan Ypi moest denken. In hoofdstuk 13 met als titel Iedereen wil weg schrijft ze over Albanezen die hun land willen verlaten om elders een beter bestaan op te bouwen. De eersten lukt dat, maar al snel doen zich hierbij onverwachte problemen voor. Symbool voor de eersten staat het schip de Partizani dat met een groep vluchtelingen aan boord wordt verwelkomt in Italië. Een ander schip, de Vlora, dat iets later en volgepakt met mensen de overtocht maakt, staat centraal voor de moeilijkheden. De vluchtelingen worden in Italië in een stadion ondergebracht  en van daaruit moeten ze weer terug. Ze zijn niet meer welkom. Wat was er veranderd in die korte tijd? Ypi: “In het stadion verspreidde zich het gerucht dat, omdat ons land technisch gezien geen communistische staat meer was, verzoeken om politiek asiel waarschijnlijk zouden worden afgewezen. In plaats daarvan zouden de nieuw aangekomenen beschouwd worden als economische migranten. Dit was een nieuwe, onbekende categorie.[1]Een nieuwe, nu zeer bekende categorie die nu door menigeen gelukszoekers worden genoemd. En dan concludeert ze: “Misschien was bewegingsvrijheid wel nooit echt belangrijk geweest. Het was gemakkelijk om die te verdedigen als iemand andere het vuile werk van gevangenschap opknapte. Maar welke waarde heeft het recht om te vertrekken als het recht om elders binnen te komen ontbreekt? Waren grenzen en muren alleen maar verwerpelijk als ze dienden om mensen binnen, in plaats van buiten te houden?[2]  

Terechte vragen. De antwoorden die Europa en het Westen er met hun daden op geven zijn niet erg fraai en doen hun ‘morele woorden’ over diezelfde rechten geen goed. Hoe mooi Kallas het ook formuleert, mensen weigeren omdat ze Rus zijn, is een schending van de mensenrechten.


[1] Lea Ypi, Vrij. Opgroeien aan het einde van de geschiedenis, pagina 198

[2] Idem, pagina 203

Uitgelicht

Wees wijs met water

Nog niet eens zolang geleden schreef ik over het idee van Rabobankeconoom Barbara Baarsma om te gaan werken met een persoonlijk CO2 quotum of budget. Een voorstel dat door menigeen de grond in werd geboord omdat het de rijken zou de belonen en de vrijheid van mensen zou aantasten. Nu schijnt er gedacht te worden over een basishoeveelheid water voor iedereen tegen een basisprijs. Gebruik je meer dan kost een liter van dat meerdere wel het dubbele van een liter uit de basis. Dat is tegen het zere been van Michael van der Galien die ertegen tekeergaat in een schrijven bij De Dagelijkse Standaard: “De gewone burger drinkt dan dus het minimale en doucht zo kort als maar mogelijk is, terwijl de rijken (inclusief politici) lekker zwembaden onderhouden en de tuin dagelijks besproeien in de zomer.”

Bron: pxhere

Van der Galien ziet dat niet zitten. “De achterlijke gladiolen kijken daarbij naar België. Consumenten betalen daar een basisprijs voor “de hoeveelheid die een gemiddeld huishouden per persoon nodig heeft.” Dat wordt dus even voor je bepaald, hoeveel jij nodig hebt. Daar betaal je een “basisprijs” voor. Maar als je meer gebruikt dan wat Vadertje Staat nodig vindt dan moet je een comfortprijs betalen. Die is het dúbbele van de basisprijs.” En dat is: “de zoveelste maatregel die eerst levensbehoeften bewust duurder maakt voor de burger – die het financieel toch al lastig heeft – én die ervoor zorgt dat er een extreme tweedeling komt in het land tussen haves en have-nots. Een tweedeling waarin de haves lekker kunnen blijven leven, terwijl de have-nots (99% van de bevolking) net kunnen rondkomen en dus totaal geen comfort meer kennen.” Mooi dat Van der Galien zich druk maak over de minderbedeelden. Maar is dat werkelijk zo?

Laten we het eens even doordenken. Recentelijk kreeg ik de jaarafrekening van mijn waterleverancier. Uit die afrekening blijkt dat een m3 water (1.000 liter) nu € 0,8024 kost, exclusief alle belastingen. Een alleenstaande Nederlander gebruikt ongeveer 50m3 per jaar en bij het groter worden van het huishouden wordt dat per persoon minder. Dat is meer dan de gemiddelde Belg verbruikt. In België zie je eenzelfde patroon maar de alleenstaande Belg verbruikt gemiddeld zo’n 39m3. Bij een prijs van € 0,80 is dat voor de gemiddelde Nederlander € 40 per jaar. Laten we die 50m3 als uitgangspunt nemen. Laten we de helft hiervan als ‘basis’ bestempelen en de andere helft als ‘luxe’. Dat betekent een basishoeveelheid van 25m3.

Dan hebben we een tweede vaste gegeven nodig, de basisprijs want de comfortprijs is het dubbele van de basisprijs. Laten we er hierbij van uitgaan dat de waterbedrijven niet meer hoeven te verdienen. Die gemiddeld 50m3 leveren bij een prijs van 80 eurocent met 17,5 miljoen Nederlanders, jaarlijks een omzet van € 700 miljoen. Dit bedrag blijft na het nemen van die maatregel gelijk. Bij de helft van de hoeveelheid water als basis, en de helft als luxe, kost 1m3 basis van € 0,53 en die basishoeveelheid van 25m3 kost dan € 13,33 en de ‘luxe 1m3 € 1,07. De tweede 25m3 tot het huidige gemiddelde gebruik kosten je dan in totaal € 26,67. Samen weer € 40,00 die er nu ook worden betaald en dan blijft de totale jaaromzet € 700 miljoen.

 Voor de gemiddelde gebruiker verandert er niets. Gebruik je minder dan gemiddeld dan spaar je per 1.000 liter € 1,07 tot dat je minder dan 25m3 gebruikt. Gebruik je nu 40m3 dan betaal je nu € 32. In de nieuwe situatie € 29,38 (€ 13,33 voor de eerste 25m3 + 16,05 voor de andere 15m3). Je bent dus goedkoper uit. Gebruik je meer dan die gemiddelde 50m3, dan ga je erop achteruit. 10m3 bovenop het gemiddelde kosten je dan € 10,70 tegen nu € 8,00. Die ‘tuin-sproeide’ en ‘zwembad-onderhoudende’ rijken gaan meer voor hun luxe betalen terwijl de gewone burger zonder dat zwembad goedkoper kan drinken en douchen. Is dit werkelijk een belabberd idee dat het leven voor de ‘gewone burger’ duurder maakt en de ‘elite’ spekt?

Uitgelicht

De zwaluw en de zomer

“There are three kinds of lies: lies, damned lies and statistics,” een uitspraak van, ja van wie? Daarover wordt van mening verschild. Was het de Amerikaanse schrijver Mark Twain, de Engelse politicus en twee keer premier Benjamin Disraeli, de first baron of Penwith lord Leonard Henry Courtney, of toch nog iemand anders? Hieraan moest ik denken bij het lezen van een artikel van Ferdinand Meeus bij Opiniez.

Toch klopt er iets niet aan de uitspraak. Die suggereert namelijk dat statistiek te overtreffende trap van liegen is en dat klopt niet. Het zijn niet de statistieken die ‘liegen’ maar de mensen die ze gebruiken en er een interpretatie bij geven. Een voorbeeld dat ik al eerder gaf, is het bekende ‘ijsjes’ voorbeeld van Ionica Smeets. Smeets vertelde dit enkele jaren geleden op het Venlose Zomerparkfeest. Je hebt een lijst met ‘verdrinkingsdoden’ in een jaar en een lijst met de ijsjesverkoop in datzelfde jaar. Wat blijkt, als er veel ijsjes worden verkocht, verdrinken er meer mensen. Een simpele oplossing: verbied de verkoop van ijsjes dan verdrinken niet zoveel mensen. Een oplossing waarbij correlatie wordt verwisseld met causaliteit. Zo wordt in de ‘klimaatdiscussie’ door tegenstanders van maatregelen om de CO2 uitstoot te beperken vaak aangedragen dat het Nederlandse aandeel, 163,23 miljoen ton in het niet valt bij het Chinese, 10.037,64 miljoen ton (cijfers 2016). Iets wat klopt als je het totaal bekijkt en ook logisch is. ‘Wij’ zijn immers maar met 17,6 miljoen en zij met ruim 1,4 miljard, dat is bijna 80 keer zoveel. Bekijk je het per hoofd van de bevolking, dan stoot de gemiddelde Nederlander 9.620 kg uit en de gemiddelde Chinees 7.180 kg. Dus ja, aan de ene kant is in China meer winst te behalen, maar aan de andere kant is bij de gemiddelde Nederlander meer winst te behalen dan bij de gemiddelde Chinees. Vergeleken met de gemiddelde Congolees is bij de gemiddelde Nederlander en trouwens ook de gemiddelde Chinees nog veel meer te halen. Die stoot slechts 30 kg uit.

Dit even terzijde. Terug naar Meeus en zijn artikel. De titel van het artikel trok mijn aandacht: “Er ligt meer ijs op de Noordpool dan tien jaar geleden” en dan vooral de ondertitel: “Metingen geven ander beeld dan modellen klimaatalarmisten.” In het artikel trekt hij van leer tegen die ‘alarmisten’ en geeft aan dat: “Wetenschappers met een kritische, meer neutrale blik worden weggezet als ‘klimaatontkenners’ en (ze) krijgen geen forum.” In die discussie wil ik me niet mengen. “Gelukkig”, zo lijkt hij te verzuchten, “bestaat echte wetenschap nog steeds voor het grootste deel uit feitelijke metingen om de voorspellingen uit theorieën te testen.” En die metingen laten dus iets anders zien en als bewijs voegt hij de grafiek hieronder toe en wat blijkt: “er was inderdaad met beginpunt 1980, een jaarlijks dalende trend in zee-ijs tot ongeveer tien jaar geleden. Maar die dalende trend is nu duidelijk gestopt. Oordeel zelf. De zwarte lijn toont de grootte van het ijsoppervlak in 2022, en die laat voor heel het jaar meer ijs zien dan de voorgaande tien jaar (geel-oranje lijn).” En inderdaad de zwarte lijn zit boven de geel-oranje lijn en dus heeft Meeus gelijk?   

 

Dat is toch even iets te snel geredeneerd. Meeus heeft de grafiek van de site van het Noors Metereologisch instituut dat sinds 1980 de dikte van het zee-ijs meet. De site van de Noren laat een veel genuanceerder beeld zien. Die bevat ook een grafiek met als titel Arctic Sea Ice Extent in August (zie hieronder). De grafiek laat zien er in augustus het ene jaar wel eens meer zee-ijs is dan in het andere en inderdaad is er dit jaar meer zee-ijs dan er sinds 2016 is geweest. De grafiek laat echter ook zien dat de trend sinds het begin van de metingen dalend is. Begin jaren tachtig was er in augustus zo’n 8,5 miljoen vierkante kilometer zee-ijs in het Arctisch gebied. In 2022 was dat net geen 6,5 miljoen vierkante kilometer. Een flinke afname en ja, het is meer dan de 5,5 miljoen vierkante kilometer in 2021 wat weer minder was dan in 2020. Voor 2021 had Meeus moeten concluderen dat er minder zee-ijs was dan de tien jaar ervoor. In 2021 was de hoeveelheid zee-ijs het kleinste sinds de start van de meting op één jaar na, 2012. In 32 van de jaren dat er werd gemeten, was er meer zee-ijs in augustus dan in 2022, in slechts 10 jaar minder en die tien jaar liggen allemaal in de periode sinds 2007.

De site bevat ook een tabel (zie hieronder) met de omvang van het zee-ijs per maand sinds 1979. Hoe meer zee-ijs, hoe donkerder blauw het vakje, hoe minder hoe donkerder rood. Bijna alle donkerblauwe vakjes hebben betrekking op de eerste jaren van de metingen. Bijna alle donkerrode op de laatste jaren van de meting.

Nee, Meeus liegt niet. Hij heeft de cijfers aan zijn zijde. Meeus roept de zomer uit op basis van een mogelijke zwaluw. Dezelfde cijfers laten echter ook een heel ander beeld zien. Een beeld dat tot een heel andere conclusie leidt. Een conclusie dat Meeus de laatste zwaluw zag die het einde van de zomer aankondigde.

Uitgelicht

‘Dictator’ Van der Galien

Bij De Dagelijkse Standaard maakt Michael van der Galien zich druk omdat bemiddelaar, of gespreksleider in de stikstofcrisis, Johan Remkes gaat spreken met natuurorganisaties in het algemeen en met Natuurmonumenten in het bijzonder. “Je zou denken dat het die organisaties geen reet aangaat aangezien Nederland iets van een democratie pretendeert te zijn, maar nee. Blijkbaar leven we in een natuurdictatuur en moeten natuurorganisaties eerst hun oké geven alvorens de regering kan toegeven aan de wensen van burgers.” Ik word argwanend als iemand namens het volk of ‘de burgers’ spreekt, dit terzijde. Een bijzondere redenering.

Bijzonder om meerdere redenen. Als eerste omdat boeren grond bezitten, gebruiken en exploiteren en ook Natuurmonumenten bezit, gebruikt en exploiteert grond en wel zo’n 110.000 hectare. Veel meer dan de grootste boer. Het gebruik en de exploitatie van die grond is anders dan de gemiddelde boer en zeker dan de gemiddelde boer die lid is van Farmers Defence Force. De manier waarop veel boeren hun grond gebruiken en exploiteren, hindert Natuurmonumenten bij hun gebruik en exploitatie. Dat maakt dat het die organisatie wel ‘een reet aangaat’ en die ‘reet’ is vergelijkbaar met de ‘reet’ van de boeren en hun organisaties. Als die voor de eigen belangen op mogen komen, dan mag Natuurmonumenten ook voor de eigen belangen opkomen.

Die andere manier van gebruiken en exploiteren maakt dat Natuurmonumenten het gesprek ingaat met een heel andere insteek dan de boerenorganisaties. Natuurmonumenten formuleert haar insteek als volgt: “De hoeveelheid stikstof die op natuurgebieden neerkomt moet echt snel aanzienlijk omlaag. Decennialang heeft falend overheidsbeleid de problematiek voort laten bestaan. Dat betekent dat de natuur in al die tijd zwaar overbelast is geraakt met stikstof. Daar moet nu echt een eind aan komen. De rek is eruit.” Volgens Van der Galien leven we daarmee in een ‘natuurdictatuur’ en daar past volgens hem maar één reactie op: “flikker op met je angstzaaierij. Oh, en er past ook nog een tweede reactie op: wie denken jullie eigenlijk dat jullie zijn? Deze geschifte organisaties denken werkelijk dat ze zo moreel verheven zijn, dat ze zulk goddelijk werk doen, dat ze gewoon kunnen besluiten dat boeren maar even onteigend moeten worden.

De boerenorganisaties zitten, net als Van der Galien, op de lijn dat er geen stikstofprobleem is en dat zij niet in hun bedrijfsdoelstellingen belemmerd mogen worden. Van der Galien zit ook op die lijn en adviseerde Farmer Defence Force  in een ander schrijven op dezelfde site de om door te gaan met harde acties: “nu een stap terugdoen is het domste wat je kunt doen. Iedereen die ook maar een beetje verstand heeft van actievoeren weet dat je op zo’n moment niet op de handrem gaat staan, maar er een schepje boven op moet doen.” Belachelijk aldus Van der Galien want: “het betekent nog steeds dat a) het kabinet net doet alsof stikstof een probleem is en b) dat het kabinet het recht heeft boeren te vertellen dat ze hun stikstof terug moeten brengen.”  Daar waar Van der Galien een ‘natuurdictatuur’ niet ziet zitten, lijkt hij een fervent aanhanger van een ‘boerendictatuur’ al zal hij dat zelf anders zien. Hij en in zijn verlengde ‘de boeren’ zijn immers ‘de burgers’ en dus het volk aan wiens wensen de regering tegemoet moet komen.

Gelukkig leven we in geen van beide dictaturen. Noch de natuurorganisaties noch de boeren hoeven eerst hun oké te geven voordat de regering en het parlement maatregelen kunnen afkondigen. Parlement en regering hebben die bevoegdheid wel.

Uitgelicht

Vrijheid en een persoonlijk CO2 budget

Rabobankeconoom Barbara Baarsma schijnt zich de woede van half (of misschien wel meer) Nederland op de hals te hebben gehaald. In de strijd tegen de CO2 uitstoot kwam Baarsma met het idee om de maximale uitstoot van Nederland eerlijk te verdelen over alle Nederlanders. Kom je niet uit met het je toebedeelde deel, dan koop je bij van iemand die ‘over’ heeft. “Zo’n voorstel gaat natuurlijk lijnrecht in tegen zo’n beetje iedere gangbare opvatting over vrijheid en gelijkwaardigheid,” oordeelt Wout Willemsen bij De Dagelijkse Standaard. “ontzettend guitig klassenmaatschappij-ideetje hoor, maar je CO2-paspoort kan de tering krijgen zolang de Shells, BP’s en Tata Steels gestut door elke overheid van deze wereld doen wat ze doen,” aldus Tim Hofman die wordt geciteerd in een artikel bij Metronieuws. Is het wel zo’n slecht idee? Worden vrijheid en gelijkwaardigheid hierdoor aangetast?

Eerst even rekenen. Nederland stootte in 1990 163 miljard kilogram CO2 equivalent uit. Volgens de Parijse afspraken moet dit in 2030 49% minder zijn. Dan resteren een kleine 84 miljard kilogram. Delen we dat door 17,6 miljoen (het aantal Nederlanders) dan mag iedere Nederlander iets meer dan 47.700 kilogram uitstoten. De gemiddelde Nederlander stoot ruim 9.000 kilogram uit met zijn gedrag. Dat is dubbel zoveel als de gemiddelde aardbewoner. Bij een eerlijke verdeling van de hoeveelheid voor 2030 houdt de gemiddelde Nederland 38.000 kilogram over die verkocht kunnen worden. Als die gemiddelde Nederlander in 2030 ook 49% bespaart, dan kunnen nog 4.500 kilogram meer worden verkocht. Aangezien Shell geen persoon is krijgt het bedrijf geen budget, geen enkel bedrijf trouwens. Daarom zullen bedrijven in de rij staan om een deel van je budget te kopen. Immers zonder budget, geen uitstoot. Dat kan een aardige cent opleveren.

Shell en al die andere bedrijven zullen die aardige cent aan kosten voor CO2 inkoop verrekenen in hun productprijzen. De prijs van een liter benzine zal erdoor stijgen net als de prijs van een vliegticket, een auto, en eigenlijk de prijs van alles. Alles waar CO2 uitstoot voor nodig is, wordt duurder. Je kunt vervolgens kiezen hoe je dat geld besteedt. Voordeel van deze manier van werken is dat de kosten van de CO2 vervuiling in de prijs van producten wordt meegenomen. Dit maakt voor de koper duidelijk wat die vervuiling kost. Wil je vliegen, dan betaal je een flinke prijs voor de CO2 uitstoot. Zo koop je dan een deel van je verkochte CO2 weer terug. Als je dan als ‘privéjet bezitter’ een retourtje naar Ibiza wilt maken dan weet je wat je aan extra kosten voor je CO2 uitstoot moet betalen, het gemiddelde jaarlijks gebruik van een Europeaan. Je kunt dat geld natuurlijk ook steken in het isoleren van je huis en in zonnepanelen waardoor je nog minder CO2 voor jezelf nodig hebt. Het geeft de bedrijven de prikkel om te zoeken naar productiewijzen die de CO2 uitstoot verminderen. Dat maakt hun producten immers goedkoper. De ‘Shells en Tata Steels’ worden zo niet gestut, maar uitgedaagd. Vanuit dit oogpunt bekeken is het verdelen van de ‘uitstootruimte’ over de inwoners geen verkeerd idee.

Dan het ‘klassenmaatschappij’ en het ‘ingaan tegen opvattingen over vrijheid en gelijkwaardigheid’. Willemsen: “Het wordt leuk verpakt maar de gemiddelde Nederlander zou dan dus gewoon regelrecht worden beteugeld in zijn doen en laten, omdat D66’ers als Baarsma zo graag extra willen vliegen.” Bijzonder aan Willemsens betoog is dat het zichzelf in de staart bijt. Om dat uit te leggen neem ik de inaugurale rede van Isaiah Berlin erbij. Een rede met als titel Twee opvattingen over vrijheid.  Berlin ziet twee concepten van vrijheid. De ene noemt hij negatieve vrijheid, de vrijheid van dwang en inmenging door anderen en die anderen kan ook een overheid zijn. De tweede noemt hij positieve vrijheid en dat is de vrijheid om te doen wat de persoon wil. Die twee opvattingen zijn, zo betoogt Berlin, onverenigbaar.

Willemsen lijkt vrijheid te zien als ‘kunnen doen en laten wat je wilt’, positieve vrijheid en ziet Baarsma’s voorstel als een beperking hiervan. Met zijn betoog tegen deze inbreuk op de negatieve vrijheid, bereikt hij precies dat wat hij niet wil en dat is, om het in zijn woorden te zeggen dat: “Het (…) leuk (wordt) verpakt maar de gemiddelde Nederlander (wordt) regelrecht (…) beteugeld in zijn doen en laten, omdat D66’ers als Baarsma zo graag extra willen vliegen.” De ‘gemiddelde Nederlander’ wordt ook nu al ‘beteugeld in zijn doen en laten’ en dus in zijn positieve vrijheid. Zo kan de gemiddelde Nederlander ook nu al niet met een privéjet naar Ibiza vliegen. Daarvoor ontbreekt het geld. Het CO2 budget vergroot de financiële mogelijkheden van die gemiddelde Nederlander juist en dus zijn positieve vrijheid om te doen wat hij wil door het extra geld wat ter beschikking komt door de verkoop van het overschot van het CO2 budget. De mogelijkheden van die ‘D66ers die extra willen vliegen’ worden erdoor beperkt. Zij moeten extra CO2 budget kopen wat hun mogelijkheden beperkt.

Alleen door de negatieve vrijheid te beteugelen, wordt de positieve vrijheid voor iedereen vergroot. Vergroten van de negatieve vrijheid voor iedereen betekent het beperken van de positieve vrijheid voor velen. Het vergroten van de positieve vrijheid door het verbod op moord op te heffen, verkleint de positieve vrijheid van iedereen. Het verbod om slaven te houden verkleinde de negatieve vrijheid van slavenhouders maar vergrote de positieve vrijheid van iedereen omdat niemand meer in slavernij kon vervallen.