Uitgelicht

Homo economicus en belastingen (deel 2)

In deel 1 van Homo economicus en belastingen besprak ik het pleidooi van Johannes Vervloed op de site Opiniez om de belastingen te verlagen. In dit deel ga ik verder in op het neoliberale denken waarop deze theorie is gestoeld. In dit deel staat de homo economicus centraal.

De homo economicus

Een belastingtheorie die alleen wordt gebruikt om belastingverlagingen te bepleiten roept de vraag op of die theorie niet een doelredenering is. Een bedacht argument met een wetenschappelijk sausje om je doel, het verlagen van de belastingen, aantrekkelijker te maken. En, een stapje verder. Een doelredenering om te werken aan je ideale samenleving van vrije individuen die zelf op de vrije markt bepalen wat ze willen. Een samenleving met een zeer beperkte overheid. Een soort van pseudo-wetenschap. Laten we de denkwereld achter deze theorie eens nader beschouwen. Daarbij is er geen betere plek dan de belangrijkste veronderstelling in dat denken, en iets waarvan ik heb beloofd erop terug te komen, de mens als homo economicus.

Eigen foto

Een model of theorie is een schematische weergave van de werkelijkheid, een nabootsing op kleine schaal. Modellen zijn volgens Tomás Sedláček in zijn boek De economie van goed en kwaad. De zoektocht naar economische zingeving van Gilgamesh tot Wall Street, en ik onderschrijf dit van harte (pagina 213): “Systemen met interne inconsistenties, die gedeeltelijk in strijd zijn met de werkelijkheid, die vaak zijn gebaseerd op louter en doelbewust onrealistische veronderstellingen, en die in hun uiterste consequentie tot absurde conclusies leiden, worden desondanks met succes toegepast.” Een weergave of nabootsing die niet overeenkomt met de werkelijkheid. 

Zonder een model kunnen wij als mens de werkelijkheid niet bevatten. De wereld is te complex om te bevatten zonder hulpschema’s dat geldt voor de natuur en de natuurkunde, dat geldt voor onze leefomgeving en dat geldt ook voor onze samenleving en de economie als onderdeel hiervan. Nu zijn er twee manieren om modellen te hanteren, manieren die weer samenhangen met de manier waarop de ontwerper in het leven staat. Een empirist kijkt naar wat hij ziet en probeert de werkelijkheid vanuit de waarneming te beschrijven en maakt zo zijn model. Een rationalist ontwerpt een model en probeert de werkelijkheid daarin te stoppen. Deze manier van kijken maakt nogal een verschil in de sociale wetenschappen, zo beweert Sedláček. En economie is een sociale wetenschap (pagina 344): “Maar de economie in de praktijk wordt wel beïnvloed door de economische wetenschap. De economische theorie beïnvloedt bijvoorbeeld zowel de verwachtingen als het gedrag van mensen. Ook daarom is het relevant welke economische theorie wij kiezen.” De manier waarop wij naar de werkelijkheid kijken en het model of de theorie die wij hierbij gebruiken, beïnvloeden de werkelijkheid. Hierin verschillen sociale wetenschappen van de natuurwetenschappen. Ongeacht welke theorie of model we bedenken, de appel valt naar beneden en niet naar boven. De gekozen theorie heeft hierop geen invloed. In de interactie tussen mensen, heeft een theorie of een model wel invloed op de werkelijkheid.

Modellen doen er in de sociale wetenschappen dus toe. De homo-economicus is een model waarop het neoliberale denken zich baseert. Het neoliberalisme ziet de mens is een homo economicus die via rationele keuzes zijn eigen belang najaagt. Dit doet die mens via de vrije markt waar hij handelt met ander mensen die ook rationeel hun eigen belang najagen. En als we dat maar vrij laten dan wordt in alle wensen voorzien, krijgt ieder zijn deel en hebben we de perfecte samenleving. Dit moet zonder overheidsbemoeienis. 

Kijken we naar de gangbare neoliberale economische modellen dan zien we het rationele terug in de taal waarin deze modellen zijn geschreven, die taal is de wiskunde en die taal besteedt geen aandacht aan psychologische en sociale aspecten. De opmars van de wiskunde in de economie begon met de Engelse klassieke econoom Alfred Marshall. Marshall was de meest invloedrijke econoom aan het einde van de negentiende eeuw. Voor Marshall was economie, in tegenstelling tot de neoliberalen, veel meer dan wiskunde. Voor Marshall was economie een klein maar wel belangrijk onderdeel van de sociale wetenschappen. Van een klein maar belangrijk onderdeel van de sociale wetenschappen, heeft de economische wetenschap zich onder de neoliberale vlag ontwikkeld tot dé sociale wetenschap.

Door gebruik van wiskunde hebben de economische wetenschappen zich een aura aangemeten van een exacte, betrouwbare wetenschap en is wiskunde de dominante taal. Zo moeten verkiezingsprogramma’s door het Centraal Plan Bureau, de grote economische rekenmeesters van ons land, worden doorgerekend zodat we precies weten hoeveel tiende van procent groei een programma extra oplevert of kost en daar gaat de discussie in de campagne vervolgens over. Iets als een ‘Centraal Filosofen Bureau’ om verkiezingsprogramma’s en andere plannen op hun consistentie in denkwijze en maatschappelijke gevolgen te doordenken bestaat niet. Dat geeft aan hoe belangrijk cijfers en wiskunde in de economische wetenschappen en de samenleving gevonden worden. 

Wiskunde is een taal die heel goed past bij het neoliberale denkmodel. Een model dat uitgaat van mensen die rationeel handelend, hun eigen belang najagen, de mens als homo economicus. Dus voorspelbaar menselijk handelen op basis van argumenten omdat rationeel betekent dat mensen in gelijke omstandigheden dezelfde keuze zullen maken. Een mensbeeld dat het emotionele buiten beschouwing laat. Een dergelijke denkwijze past heel goed bij de wiskundige logica waar 1 plus 1 ook altijd 2 is. Wiskunde is rationeel en heeft een belangrijke eigenschap: het bestaat alleen in het denken van de mens. Sedláček vergelijkt de economische wetenschap met de natuurkunde en ziet dat beide wetenschappen modellen op een andere manier gebruiken. Hij beschrijft dit als volgt (pagina 346):“De natuurkunde bedient zich van een volkomen andere hypothetische logica: die hypothesen worden opgetrokken als steigers, die het mogelijk maken het gebouw op te trekken, waarna de steigers met behulp van de gedachtenbouwsel weer worden afgebroken. … Als wij modellen bouwen dan moeten we wegkijken van de realiteit; maar zodra wij die modellen willen gaan toepassen op de realiteit, moeten we wegkijken van de modellen. Dan moeten de steigers als het ware worden afgebroken om te zien of het gebouw er nog staat.” De economische wetenschappen handelen anders. Daar”…lijken de veronderstellingen vaak niet weggenomen te kunnen worden – zelfs niet achteraf; het hele bouwwerk zou instorten.” De wiskundige economische modellen kunnen het bestaan van de homo economicus niet aantonen, die veronderstelling kan niet worden weggenomen en daarmee staat het gehele model op drijfzand en is het maar zeer de vraag of wiskunde de juiste taal is voor een model.

Neoliberalen zijn, net als Marxisten, rationalisten. Zij proberen de werkelijkheid door die mal te persen en dat persen beïnvloedt datgene wat door de mal wordt geperst. ‘Voor een hamer ziet alles er als snel als een spijker uit’ is een bekende uitspraak. Als beleidsmakers en economen de mens steevast als een egoïstische homo-economicus benaderen en al het handelen van mensen door dat frame gaan beoordelen, dan zullen die mensen uiteindelijk ook dat gedrag gaan vertonen. En na meer dan 30 jaar als homo economicus te zijn behandeld, die alleen zijn eigen belang najaagt, zijn mensen ook veel meer op hun eigen welbevinden gefocust. Dit  heeft mede geleid tot onze huidige situatie. Als we dit, zoals ik het graag zie, anders willen dan biedt dit ook mogelijkheden om te veranderen. Benader mensen anders en ze zullen zich anders gaan gedragen. Dat geeft hoop maar vergt wel een lange adem.



Bron: Flickr

Terug naar Vervloed en vooral naar de theorie van aanbodeconoom Laffer. Die theorie gaat uit van de mens als homo economicus. Die theorie gaat ervan uit dat hogere belastingen de prikkel om te gaan werken verminderen. Hoe verklaar je met een dergelijke theorie dat mensen vrijwilligerswerk doen of mantelzorg verlenen aan een naaste? Ze krijgen er geen geld voor en toch verrichten ze die inspanning en volgens de theorie van de homo economicus zouden ze dan eigenlijk ook niets doen. Er is immers geen geldelijke prikkel. En waarom werkten Amerikanen en Nederlanders die in de tweede helft van de vorige eeuw meer dan 70% belasting moesten betalen, stug door? Volgens de theorie van Laffer zouden ze dan juist, minder moeten gaan werken.

In het volgende deel van Homo economicus en belastingen kijk ik naar alternatieven voor de markt.

Uitgelicht

The Day after Tomorrow

“Mr. Gorbatshov, tear down this wall.” Een uitspraak van de voor de meeste Amerikaanse republikeinen ‘heilige’ president Ronald Reagan. Die muur dat was de Berlijnse muur en die moest weg omdat de muur mensen belemmerde in hun vrijheid. Nu, ruim dertig jaar later zit er weer een, bij een deel van de republikeinen ‘heilige’ president Donald Trump. In die dertig jaar is er veel veranderd. De huidige president wil een muur bouwen. Een muur die er deels al staat. Om het daarvoor benodigde geld te krijgen, ligt een deel van de Amerikaanse overheid al een week of twee plat. En zelfs de gedachte om hiervoor de noodtoestand uit te roepen heeft hij, zo is te lezen, overwogen en wijst hij niet categorisch af: “Ja, dat heb ik….We kunnen het doen. Ik heb het niet gedaan. Maar ik kan het doen.” 

Bron: Pixabay

Nu was die ene muur, de Berlijnse, bedoeld om mensen binnen te houden en wil Trump een muur om mensen buiten te houden. Een duidelijk verschil of toch niet? De Berlijnse muur beknotte de vrijheid van de Oost-Duitsers. Die konden niet vrij naar het Westen reizen en hun geluk aldaar beproeven. Zij zaten opgesloten in het Oosten. Trumps muur is juist bedoeld om mensen buiten te houden, niet om de vrijheid van de mensen binnen de muur te beknotten. Of is dit slechts een kwestie van semantiek? Even wat geschiedenis.

De bekendste muur is ongetwijfeld de Chinese muur. Een verdedigingslinie bestaande uit rivieren, heuvels bergen én muren. Die linie is niet in één keer gebouwd. Er is eeuwen aan gewerkt, grofweg tussen 700 voor onze jaartelling en de Mingdynastie die tot 1644 over China heerste. De muur was bedoeld om de ruitervolken van de steppen ten noorden van de muur, op afstand te houden. Om een paar van die steppenvolkeren te noemen, in de begintijd van de muur waren dat de Xiongnu een volk dat erg bedreven was in het boogschieten tijdens het paardrijden. In de dertiende eeuw de Mongolen onder Dzjengis Khan en in 1644 maakten de noordelijke Mantsjoe een einde aan de Mingdynastie. Voor al deze volkeren was de muur een lastige hindernis in hun opmars, meer niet. Lees Jonathan Holslags boek Vrede en Oorlog. Een wereldgeschiedenis er maar op na.

De Chinezen waren niet de enigen die zich verlieten op muren. Eeuwenlang beveiligde steden zich met vestingmuren tegen indringers. Vestingmuren met poorten waardoor je naar binnen kon als je tenminste binnen mocht. Om te voorkomen dat onverlaten naar binnen kwamen, werden die poorten bewaakt en de bewakers hielden toezicht op wie er naar binnen kwam. Een muur om de boze buitenwereld buiten te houden.

Niet dat die muren werkelijk effect hadden bij het buiten houden van de vijand. Al snel ontwikkelde de mens werktuigen om steden te belegeren. Als het daarmee niet lukte om de muren te slechten dan lukte het in ieder geval wel om het leven binnen de muren tot een ellende te maken. Bijzonder nadeel van vestingmuren is dat een eventuele belager van de stad ze ‘gratis’ kon gebruiken bij de belegering. Gratis gebruiken door ervoor te zorgen dat er niets meer de stad in kon gaan. Als je lang genoeg wachtte dan verhongerde iedereen binnen de muren omdat het eten op was. Dezelfde muur die de stad die ze bouwde veiligheid zou moeten bieden, zorgde voor ellende en onveiligheid. Met de introductie van het kanon bood de muur nog minder bescherming. 

Toch bleef men nog heel lang aan vestingen vasthouden. In haar boek Tegen terreur. Hoe Europa veilig werd na Napoleon besteedt Beatrice de Graaf veel aandacht aan de rol van forten in de verdediging van Europa tegen Frans geweld na de Napoleontische oorlogen. In die tijd dacht men dat een bedreiging alleen maar vanuit Frankrijk kon komen. Een eeuw later wist men wel beter. Het is trouwens heel normaal dat men de ‘vorige’ oorlog als maat neemt voor de volgende. Terug naar die forten. Napoleon had al laten zien dat een reeks forten weinig meer te betekenen had. Je kon ze gewoon links laten liggen, verder optrekken en het bewonende garnizoen negeren. Dat kon je in bedwang houden door een klein deel van je troepen achter te laten. Die les weerhield de Europese machten, de Powers that Be noemde ik ze in De schaduw van Baudet, niet om een fortuin te besteden aan de bouw van forten. De grote man in die tijd de hertog van Wellington, zag dat zelf ook in (pagina 323): “ De recente campagnes tijdens de revolutionaire oorlogen hebben laten zien dat versterkte plaatsen enigszins uit de de mode zijn geraakt… dat forten en vestingen weinig nut hebben en in ieder geval niet de investeringen waard zijn die ze kosten.” 

van het fort Eben Emael. Bron: Wikimedia Commons

Dat forten en vestingen weinig militaire waarde hadden, was al bekend. Dat betekende echter niet dat ze niet meer werden gebouwd. Neem het Belgische fort van Eben Emael. Na de redelijk snelle doortocht van de Duitse troepen in 1914 (redelijk snel, maar voor het Duitse keizerrijk te traag), trok de Belgische regering in de jaren twintig de conclusie dat de oude forten gemoderniseerd moesten worden. De zwakheden van 1914 moesten eruit en het zogenaamde ‘gat van Visé’ moest worden gedicht. De Duitsers hadden in 1914 gebruik gemaakt van dit gat tussen Visé en de Nederlandse grens. Hier verrees het ‘moeder aller forten’, het fort Eben Emael. Volgens de militaire experts was het fort onneembaar en daarmee waren de risico’s die de Belgen zagen, beheerst. Toch werd het fort op 10 mei 1940 binnen een kwartiertje door de Duitse troepen uitgeschakeld. De bekende risico’s waren beheerst, onbekende, vernieuwende risico’s niet. Laat de Duitsers nu net met het onbekende, gedurfde aan de slag zijn gegaan. Zweefvliegtuigen en paratroepen die ongezien op het fort landden en het zo van binnenuit uitschakelden. De Belgen waren trouwens niet de enige. Zo hadden de Fransen de Maginotlinie om een snelle Duitse opmars onmogelijk te maken, de Duitsers hun Westwall en investeerden diezelfde Duitsers veel geld en materiaal in de Atlantikwall die op D-Day niet in staat bleek om een geallieerde landing te voorkomen.

Toch wil de Amerikaanse president Trump een kapitaal besteden aan een muur. Hij is niet de enige en de eerste, zijn voorgangers hebben ook geïnvesteerd in grensbewaking en hekken. Dit tegen hoge kosten, met relatief weinig succes en veel ellende als resultaat. En niet te vergeten, goed gevulde beurzen van smokkelaars. Immers hoe lastiger het wordt, hoe hoger de prijs die de toch al arme sloebers moeten betalen om de grens over te steken. Iets wat we ook langs de Europese grenzen zien. Want we kunnen hier wel lachen om Trump en zijn muur, Europese landen en de Europese Unie doen hetzelfde. De geschiedenis laat echter zien dat alle muren gaten vertonen, dat je erover en eromheen kunt en dat ze het bij voldoende druk begeven.

Al lukt het Trump om langs de hele zuidgrens een muur te plaatsen, dan nog zullen er tunnels onder de muur worden gegraven. Dan zullen slimme smokkelaars een schip kopen, het vullen met mensen en koers zetten naar een haven of gebied ruim voorbij die muur. Nee, de geschiedenis laat zien dat forten en muren om mensen buiten te houden een slechte reputatie hebben. 

Zoals hierboven al een paar keer geschreven, is het makkelijker om mensen binnen een muur te houden. Gedetineerden ontsnappen relatief zelden uit een gevangenis. Dat zal er ook mee te maken hebben dat het hen aan de middelen ontbreekt om gewapende bewakers te overmeesteren of de muren te slechten. Wellicht is dat ook de reden dat de Berlijnse muur zeer succesvol was in het voorkomen van een vlucht naar het Westen. 

Dit schrijvend, moet ik denken aan de ‘rampenfilm’ The Day after Tomorrow. In de film staat klimaatverandering centraal. Daar waar het klimaat in de werkelijkheid tot nu toe langzaam verandert, gaat dat in de film anders. In een paar dagen verandert het grootste deel van het noordelijk halfrond in één ijsmassa. Voor de inwoners van het noordelijke deel van de Verenigde Staten gaat dat te snel om nog te vluchten naar warmer oorden. Het Zuidelijke deel heeft nog een kans en vlucht naar …. Mexico. Ik laat het aan een creatieve scenarist en regisseur om eenzelfde film te maken maar dan met Trumps muur. Dat zou het voor de vluchtende Amerikanen een stuk moeilijker maken om de grens met Mexico over te steken. Het zou het voor Mexico een stuk makkelijker maken om de stoet Amerikanen tegen te houden. Je hoeft alleen maar de poorten in de muur dicht te houden. Net als bij die oude forten. Zou Trump daar al eens over hebben nagedacht?


Uitgelicht

Pijlen op het verkeerde doel

Het afgeven op de Europese Unie lijkt volkssport nummer één in Nederland. Vorige week schreef ik een ’Prikker’ naar aanleiding van een artikel van twee SP-ers. Deze week viel mijn oog op een artikel van Tomas Vanheste van De Correspondent. Volgen Vanheste lijkt de Europese Unie op het ‘Hotel California’ uit het lied van The Eagles: ‘ You can check out any time you like but you can never leave.’ Dit concludeert hij uit de Brexit-perikelen. Vanheste wil meer: “Verlost van lastpak VK zou de EU eindelijk de kans moeten grijpen voor het stichten van de Verenigde Staten van Europa.” Maar ja: “de EU (is) nog steeds te veel los zand”. Of dat zo is, daar gaat het mij nu niet om, of eigenlijk toch wel. 

Illustratie: Picryl.com

Volgens Vanheste is de EU van de ‘regelpolitiek’ terwijl we in een tijdperk leven van de gebeurtenissenpolitiek. De EU is: “vooral een machine geweest die regels uitspuwt voor de interne markt. Ze smoort politieke conflicten in juridische regelpolitiek. Regels stelt ze niet als de uitkomst van politieke keuzes voor, maar als de door experts uitgedokterde oplossingen voor technische problemen.”  Alleen worden we de laatste jaren niet geconfronteerd met ‘technische problemen’ maar met gebeurtenissen als de financiële – en de vluchtelingencrisis. Dan helpen technische oplossingen en regeltjes niet. Dan is visie en leiderschap gevraagd. Een zeer interessante analyse die veel verklaart.

Maar toch. Is het niet cru om dit de Europese Unie te verwijten? De Unie is een samenwerkingsverband van landen en kan alleen iets uitvoeren en ‘regels uitspuwen’ als die landen en hun regeringen het willen. Als die bevoegdheden overdragen aan de Unie. Op het gebied van de interne markt zijn bevoegdheden overgedragen en dan kun je een overheid niet verwijten dat ze op dat terrein haar werk doet en ‘regels uitspuwt’. Het ‘uitspuwen’ van regels om het verkeer tussen mensen te regelen is immers de kerntaak van elke overheid.

In de Nederlandse politiek is ‘geen bevoegdheden naar Brussel’ het adagium. Sterker nog, een flink deel wil liever bevoegdheden ‘terughalen’. In verschillende andere landen is het van hetzelfde laken een pak. Zit daar niet juist het probleem? Als je naar een politieke unie toe wilt, zoals Vanheste, dan zullen de leden die de unie moeten gaan vormen, wel eerst bevoegdheden aan die unie moeten overdragen. 

Is het niet vreemd om het samenwerkingsverband van landen te verwijten dat de landen niet willen samenwerken? Richt Vanheste zijn pijlen niet op het verkeerde doel?

Uitgelicht

Woede workshop

“Wij waren niet gewend om onze boosheid te uiten. Toen we dat voor het eerst wel deden bij één van die workshops, voelden we zo’n kracht en ontspanning. Dat was nieuw voor ons. We leerden om in onze kracht te staan, wat het betekent om man te zijn. Het was zo speciaal dat we het met anderen wilden delen.” We, dat zijn Peter Adema en Frits Duursma die de workshop ‘omgaan met woede en opgelegde mannelijkheid’ gaan geven, zo lees ik bij Oneworld. Mannen zijn het volgens hen verleerd om hun boosheid op een goede manier te uiten. Interessant.

Foto: Wikimedia Commons

 Waarom ze dat gaan doen? “Woede heeft een negatief imago in onze samenleving. Als je als kind boos bent willen je ouders dat zo snel mogelijk oplossen. Eigenlijk wordt ons dus geleerd om die emotie niet te laten zien. Daardoor gaat het vastzitten. Als je geen manier hebt om die boosheid in beweging te brengen, uit zich dat door stress, ziekte en pijn in je lichaam. Wat ook gebeurt is dat mensen gaan klagen. Ook dat is een uiting van lichamelijke stress. Het is een maatschappelijk probleem dat we met deze workshops op willen lossen.” 

Je kunt voor de cursus betalen, maar je kunt er ook gratis naar toe als je zegt dat je een pro-zwarte-piet-demonstrant bent: “We zijn heel erg geraakt door de intensiteit van de boosheid van de demonstranten. Het zou fantastisch zijn als we die groep kunnen bereiken, omdat zij met hun boosheid een grote impact op de maatschappij hebben.” Vreemd dat ze de workshop aanbieden aan mensen die juist geen problemen hebben met het uiten van hun woede. En ook weer niet. De heren leren mannen hun woede op een ‘veilige manier’ te uiten. Daar schort het bij een deel van de ‘pro-pieten’ aan.

Hoe gaan ze dat doen? “Bij onze workshop gaan we alle opgekropte woede eruit laten door middel van zwaardvechten. We gaan de woede herkennen, en zullen vervolgens accepteren dat het er is en dat het welkom is. We leren de deelnemers om op een positieve, constructieve manier om te gaan met woede, in plaats van het op te kroppen.” Zo worden de onvolwassen mannen, volwassen. Een onvolwassen man kenmerkt zich door: “competitief, machogedrag, breed en sterk zijn, geen gevoelens tonen, agressief zijn.” Een volwassen man: “is authentiek en laat zijn emoties zien. Hij is vastberaden, heeft richting en neemt initiatief.”

Wat ze uiteindelijk willen bereiken bij die ‘pro-pieten’: “We willen laten zien dat het uiten van die boosheid ook in een workshop kan, in plaats van op straat. … We hopen dat ze de woede in onze workshops uiten, in plaats van volgend jaar tijdens de intocht.” Nu begrijp ik het even niet meer. Het was toch de bedoeling om mannen te leren om op een constructieve manier met woede om te gaan? De goede manier van het uiten van woede is dus in de ‘beslotenheid’ van de workshop. Hoe constructief is dat? 

De enige manier om beiden te combineren is van de intocht van volgend jaar een ‘workshop’ te maken. Dan moeten ze, net als de sint, wel een beroep doen op ‘hulptrainers’.

Uitgelicht

Intersectionaliteit en rotondes

 “De koppeling tussen gender en etniciteit is belangrijk om de positie van zwarte vrouwen te begrijpen.” Een uitspraak van Nancy Jouwe die door Trouw wordt geïnterviewd. Jouwe is onderzoeker op het gebied van ras, gender en intersectionaliteit. Wat? ‘Intersectioneel’ of kruispuntdenken gaat ervan uit dat: “Een identiteit bestaat uit verschillende elementen, … In hoeverre mensen gediscrimineerd, bedreigd, racistisch of seksistisch worden bejegend, is afhankelijk van meerdere factoren die op elkaar inwerken: denk aan ras, gender, seksuele voorkeur of sociaal-economische positie.”

Foto: Wikimedia Commons

Intersectionaliteit is een sociologische theorie. Een manier om zicht op en inzicht in de werkelijkheid van discriminatie en onderdrukking te krijgen. Deze theorie probeert een beschrijving te geven van iemands identiteit door de mens in te delen: man of vrouw, zwart of wit, hetero of lhbtqia++, hoog- of laag opgeleid. De identiteit van iemand wordt dan bepaald door de kruispunten van al deze ‘assen’ en dat geeft dan inzicht in de achterstandspositie van iemand. Een interessante theorie om inzicht te krijgen in discriminatie en achterstelling. Als het over identiteit gaat, heb ik meer met een andere manier van kijken. Eentje die meer naar de persoon achter de kleur, sekse en dergelijke kijkt, naar het karakter van de betreffende persoon.

Wat opvalt bij veel aanhangers van deze theorie, is dat zij kleur en sekse als dominant zien. Zo ook Jouwe: “Traditioneel hebben witte mannen de meeste macht. Vrouwen hebben minder macht en zwarte mannen ook. Ben je zwart en vrouw dan treedt er op meerdere fronten machtsongelijkheid op.” Volgens Jouwe verklaart dat ook de bagger die Sylvana Simons en recentelijk columnisten Nourhussen en Gargard over zich heen kregen: “Als een zwarte vrouw vanuit een machtspositie spreekt en ook nog een mening heeft, dan kunnen mensen dat vaak niet goed aan. Dat roept een enorme weerstand op, omdat ze niet de rol speelt die we gewend zijn.” Zou het ook anders kunnen liggen? 

Volgens Jouwe, moeten we allemaal: “nadenken over onze privileges. Dat is toch een interessant intellectueel debat? Als je je rekenschap geeft van je eigen positie, kun je een zinnige bijdrage leveren aan het debat. Meer empathie, dat zou al enorm helpen.” Laten we dat eens doen. Je bent een blanke, hetero man van een jaar of veertig, getrouwd met twee kinderen en probeert die zo goed mogelijk op te voeden van je loon als heftruckchauffeur. Hoeveel macht heb je dan? Hoe zou het dan voelen als je van Gargard, Jouwe of Simons te horen krijgt dat je moet nadenken over je geprivilegieerde positie als witte man? Dames die de kranten en televisie halen en een veel machtigere en invloedrijkere positie bekleden dan jij?

Dat er racistische bagger over mensen wordt uitgestort, mag niet en is niet goed te praten. Maar, wordt het niet eens tijd dat de ‘intersectionalisten’ ook eens afslaan van hun ‘rotondes’ van kleur en sekse op weg naar andere kruispunten? Dat zou huidige ‘tegenstanders’ wel eens kunnen omtoveren tot medestanders.

Uitgelicht

In het zweet des aanschijns

Tja, het leven van een belegger is zwaar, als ik tenminste Janneke Willemse bij RTLZ mag geloven. Willemse belegt haar spaargeld, dat is haar keuze en dat mag ze gelukkig zelf bepalen. Wel heeft ze daarbij soms last van paniek. Zo ook afgelopen week: “mijn jaarrendement naar beneden, van bijna 14 naar bijna 10 procent.” En dat viel haar zwaar. Ja ze realiseert zich dat de beurs ook kan dalen: “Maar die gedachten kalmeren je niet hoor, als je je eigen zuurverdiende geld voor je ogen ziet verdampen.” Natuurlijk is het niet leuk als je ziet dat de veertien cent die je op iedere Euro erbij kreeg, er maar tien blijken te zijn. Ik zeg bewust ‘erbij kreeg’ want daar gaat het mij om het om het woord ‘zuurverdiend’.

zweet

Foto: Flickr

Hoe ‘zuurverdiend’ zijn die veertien of tien cent op iedere Euro die Willemse belegt? Zijn die centen een verdienste van Willemse? Om even terug te gaan naar de bijbel (Genesis 3:19) waar, zo leert het geloof als je erin gelooft, god Adam en Eva uit het paradijs verjaagt vanwege het eten van de appel. God veroordeelt hen tot werken voor de kost met de woorden: “In het zweet des aanschijns zult gij uw brood eten.” Heeft Willemse moeten zweten voor de centen die ze erbij krijgt? Die initiële Euro die ze inlegde heeft ze wellicht ‘ in het zweet des aanschijns’ verdiend. Voor de centen die ze erbij krijgt, heeft ze geen zweet druppel hoeven laten. Ja, misschien druppels ‘angstzweet’ als gevolg zijn haar ‘beleggerspaniek’ maar geen ‘zweet’ waar deze bijbelpassage het over heeft.

Laten we de zaak eens van een andere kant bekijken. Als die extra centen werkelijk ‘verdiend’ zijn, zijn het dan niet gewoon inkomsten? Als dat zo is, moet er dan niet gewoon inkomstenbelasting over worden betaald? Die bedraagt al snel 41% van die tien of veertien cent en wellicht zelfs bijna 52%. Dan betaalt zij vier of vijf cent belasting over deze inkomsten. Nu betaalt Willemse belasting van 30% in Box 3 over het ‘gemiddelde rendement’ van haar vermogen. Dat gemiddelde is fors lager dan de veertien of tien procent rendement die Willemse maakt. Dat gemiddelde bedraagt maximaal 5,39% maar dan moet ze wel een vermogen van bijna één miljoen hebben anders is het nog lager. Ze betaalt nu maximaal 1,8 cent belasting over die tien cent.

Hoeveel medelijden moeten we nu werkelijk hebben met het ‘beleggerspaniek’ van Willemse en haar eventuele angstzweet?

Hoeveel ruimte komt je toe?

Kennen jullie het begrip Manspreading? Ik tot nu toe niet. Als je wat breed gaat zitten met de knieën van elkaar verwijderd, dan doe je eraan. Aan de taal te zien is het uit de Verenigde Staten overgewaaid. Een tijdje geleden schreef de site Joop erover naar aanleiding van een filmpje van een vrouw die bleekwater over de broek van een jongen gooide omdat die met z’n benen wijd zat. 

32875085176_855df2e0d1_b

Foto: Flickr

Nu blijkt dat het hele filmpje in scene is gezet voor een heel ander doel, namelijk om de Russische man los te laten gaan tegen het asociale gedrag van de betreffende vrouw. Om zijn ‘misser’ goed te praten legt Van Jole uit hoe de redactie van Joop normaal te werk gaat. Als laatste geeft hij zijn ‘misser’ een positieve draai: “Zo bezien: wie weet hoeveel mannen zich door de video bewust zijn geworden van hun asociale gedrag en er voortaan op letten niet aan manspreading te doen. Het ov wordt daar beter van. Moskou, bedankt.” Dat Van Jole in de kuil van een Rus is gevallen en het vervolgens zo draait dat het lijkt alsof hij een berg heeft beklommen, sla ik voor het gemak even over.

Even terug naar dat ‘asociale gedrag’ om als man wat wijdbeens te zitten. Of zoals Van Jole schrijft: “de gewoonte van sommige mannen om wijdbeens te zitten en zo veel meer ruimte in te nemen dan hen toekomt.” Deze passage roept de vraag op wie bepaalt hoeveel ruimte iemand toekomt? In het originele in scene gezette filmpje is te zien dat er in de betreffende tram nog veel lege plekken waren. Er was daarmee plek genoeg voor iedereen. Is het dan aan die vrouw om te bepalen dat de betreffende man veel meer ruimte innam dan hem toekwam? Als dat zo is, kan dan iemand mij vertellen hoeveel ruimte iemand toekomt?

Hoeveel ruimte mag iemand innemen, wanneer neem je ‘meer ruimte in dan je toekomst’ en vooral wie bepaalt die ‘hoeveelheid ruimte’? Dat je teveel ruimte inneemt in een volle bus of trein als je twee plaatsen bezet, daar kan iedereen inkomen. Alleen hoe zit het met een dik persoon die er twee nodig heeft? Mag die dan wel twee plekken innemen of neemt die altijd al meer ruimte in dan hem of haar toekomt? 

Neem je ook teveel ruimte in als je bellend over straat loopt? Hoe zit het dan met zingend over straat gaan? Wordt er dan onderscheid gemaakt tussen goede en slechte zangers? Neemt iemand met een flinke laag parfum of aftershave op ook te veel plek in of hangt dat van de geur af? 

Nog een stap verder. Hoeveel ruimte komt iemands ego toe? En een paar stappen terug: moet je overal een punt van maken?