Uitgelicht

Kritiek op Israël en antisemitisme

“Nooit meer is geen slogan voor monumenten. Het is een opdracht voor vandaag. Sta op, spreek je uit!” Met die woorden eindigt een artikel van Gideon van der Sluis, zoon van een joodse onderduiker zoals hij zichzelf introduceert, op de site Opiniez. Waar we volgens Van der Sluis tegen op moeten staan is tegen Frans Timmermans. Die heeft zich, zo betoogt Van der Sluis Antisemitisch uitgelaten. Hij verbaast zich erover dat het “oorverdovend stil’ blijft na Timmermans’ uitspraak. Niet bij: “ Timmermans’ politieke tegenstanders, die stonden voorspelbaar klaar.” Nee bij Timmermans’ achterban en dan bedoelt Van der Sluis; “mediapersoonlijkheden, opiniemakers en influencers uit het linkse en het brede midden. Uit de hoek waar mijn vader zich thuisvoelde.” Laat ik al vast beginnen met te bevestigen dat ‘nooit meer’ geen slogan moet zijn voor op monumenten, maar dat het een opdracht is en dat iemand in deze affaire zich aan die opdracht houdt.

De ‘Gele lijn’ in Gaza. Bron: wikipedia

Wat heeft Timmermans gezegd? Als het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) hem goed heeft geciteerd dan is dat, zo lees ik bij het artikel van Van der Sluis het volgende: “In het Midden-Oosten wordt momenteel een heel volk uitgeroeid. We kijken ernaar en we zwijgen terwijl de Palestijnen letterlijk de zee in worden gedreven – en erger. De redenering van rechts en extreem rechts in Israël: wij joden kunnen alleen maar overleven als de Palestijnen weg zijn. Dat is exact dezelfde redenering als die van de nazi’s destijds: wij – het Duitse volk , het Arische ras – kunnen alleen maar overleven als de joden weg zijn. Dat vind ik ronduit verbijsterend. Hun grootouders en overgrootouders is in de nazitijd iets verschrikkelijks overkomen: de Holocaust, waarbij ze werden vernietigd, en nu doen zij precies hetzelfde met een ander volk. Ik ben nog beladen met de geschiedenis, maar mijn kinderen snappen hier helemaal niks van. Zij zeggen: ‘Hoezo het bestaansrecht van Israël staat op het spel? Je kunt uit het bestaansrecht van een volk toch niet afleiden dat het een ander volk mag uitroeien?’”

Dit was dus tegen het zere been van Van der Sluis en niet alleen zijn been. Ook tegen het been van het Centraal Joods Overleg (CJO). Volgens deze organisatie is dit: “geen kritiek op beleid meer, maar is het op één lijn stellen van de Joodse staat met het naziregime, en van Joden met de daders van de Holocaust. Wij noemen dat ontoelaatbaar en antisemitisch.” Want: “Het vergelijken van Israël met nazi-Duitsland, en het verwijt aan Joden dat zij de misdaden van de nazi’s herhalen, staan allebei genoemd in de internationale werkdefinitie van antisemitisme van de IHRA. Nederland heeft die definitie onderschreven.”

Even vooraf. Wat in alle verwijten aan Timmermans door elkaar loopt en voor velen in elkaar overloopt is het jodendom en de staat Israël. Trouwens niet alleen in dit geval. Dat speelt altijd op als er kritiek wordt geleverd op de staat Israël en vooral haar handelen. En dat speelt ook het IHRA en haar definitie parten.

Dan nu naar antisemitisme. Volgens de definitie van het IHRA waarnaar het CJO verwijst is antisemitisme: “een bepaalde perceptie van Joden die tot uiting kan komen als een gevoel van haat jegens Joden. Retorische en fysieke uitingen van antisemitisme zijn gericht tegen Joodse of niet-Joodse personen en/of hun eigendom en tegen instellingen en religieuze voorzieningen van de Joodse gemeenschap.” In Timmermans woorden is geen onvertogen woord over joden te ontdekken. Hij spreekt over rechts en extreemrechts in Israël, de stromingen die het nu in Israël voor het zeggen hebben.

Als dit de hele definitie was dan was de kous al af. Het wordt problematisch als de IHRA gaat toelichten en voorbeelden geeft. Een voorbeeld van antisemitisme dat niet wordt gegeven en op geen enkele manier in de definitie is te herkennen maar dat volgens het CJO wel antisemitisch is en waaraan Timmermans zich schuldig zou maken, is het joden ervan beschuldigen dat ze de misdaden van de nazi’s herhalen.

De definitie van het IHRA wordt fluïde als ze voorbeelden geeft van antisemitisme: “Er is bijvoorbeeld sprake van een uiting van antisemitisme wanneer de Staat Israël, opgevat als een Joods collectief gegeven, in het vizier wordt genomen. Let wel: een kritische houding tegenover Israël die vergelijkbaar is met de kritiek die wordt geuit tegen gelijk welke andere staat, is niet als antisemitisch te bestempelen.” Timmermans neemt, zoals gezegd rechts en extreemrechts Israël op de korrel en doet dat niet vanwege hun joods zijn maar vanwege de ideeën die ze uitdragen en in de praktijk brengen. Hij neemt een kritische houding tegenover rechts en extreem rechts in Israël aan en die kritische houding is meer dan terecht. Dat die stromingen de regering vormen, doet daar niets aan af. Deze kritische houding is meer dan terecht omdat deze stromingen het kleineren, terroriseren, vermoorden en verdrijven van Palestijnen aanmoedigen en toejuichen en als deelnemers in de Israëlische regering ondersteunen en bedrijven. Hun doel is de Palestijnen te verjagen omdat dit in hun ogen voor het overleven van Israël noodzakelijk is. Precies zoals Timmermans het beschrijft. Een manier van denken en handelen die ook in nazi-Duitsland opgeld deed maar dan met andere slachtoffers, daders en methoden maar met eenzelfde onderliggende redenering.

Sinds het opstellen van die definitie in 2016 is er iets bijzonders gebeurd. In 2018 heeft Israël haar basiswet gewijzigd. Die basiswet is te vergelijken met een grondwet. Sinds dat jaar definieert Israël zich als joodse staat en het ‘historische thuisland van het joodse volk’. Ze benoemde zichzelf, om de woorden van het IHRA te gebruiken tot ‘een joods collectief gegeven’ en wordt volgens dit voorbeeld iedere kritiek op Israël antisemitisme en die kaart speelt de Israëlische regering grif uit.

Dat wordt nog versterkt als het IHRA spreekt over gedaanten die antisemitisme kan aannemen en er voorbeelden worden genoemd. Een van die voorbeelden luidt: “Het huidige beleid van Israël vergelijken met het beleid van de nazi’s.” Op basis van dit voorbeeld zou Timmermans antisemitisme bedrijven. Toch bijzonder dat voor ieder ander land een dergelijke vergelijking gemaakt mag worden, maar niet voor Israël. Israël krijgt zo een status aparte. Het wordt zo het enige land dat nazi-praktijken mag bedrijven zonder dat die als zodanig benoemd mogen worden. Dat is meten met twee maten. Over meten met twee maten gesproken. Ook dat kan antisemitisme zijn als: “van de Staat Israël een bepaald gedrag wordt geëist dat niet van andere democratische naties wordt verwacht of verlangd.” Terecht dat van Israël geen ander gedrag wordt geëist dan van andere staten. Staten moeten hetzelfde worden behandeld. Dit verhoudt zich niet tot de hierboven genoemde status aparte. Gelijk behandelen betekent ook altijd gelijk behandelen.

Het CJO gaat verder en daarmee kom ik bij de ’nooit meer als opdracht voor vandaag’ waarmee Van der Sluis afsluit: “Wat Timmermans met deze uitspraak doet gaat nog verder. Hij ontkent de Holocaust niet, maar doet iets anders: door te stellen dat het “exact dezelfde redenering” is, plaatst hij het mechanisme van de Holocaust op één lijn met het handelen van de Joodse staat. Daarmee verkleint hij de systematische, industriële vernietigingsintentie van de nazi’s en holt hij de morele en historische uniciteit van de Shoah uit. Hij minimaliseert de Holocaust schromelijk.” Timmermans signaleert een denkwijze en redenering bij rechts en extreemrechts in Israël die gelijk is aan de redenering van de nazi’s. Met die constatering doet hij niets af aan de Holocaust noch minimaliseert hij de vernietigingspraktijken van de nazi’s. We weten nu welke denkwijze en redenering tot grote ellende leidt. Als die denkwijze en redenering wordt herkent dan is dat reden voor alarm. Zeker bij iedereen die ‘nooit meer als opdracht voor vandaag ziet’. Timmermans luidt hier de noodklok omdat hij constateert dat rechts en extreemrechts die in Israël aan de macht zijn, denkwijze en redenering van de nazi’s hanteren. En zo op het eerste, en ook het tweede, gezicht heeft hij goede gronden voor het luiden van die bel. De Holocaust was niet het begin van de ellende, dat was de denkwijze en redenering van de nazi’s. De vernietiging volgde veel later.

Het enige verwijt dat je Timmermans kunt maken is dat hij rijkelijk laat is met het luiden van de alarmbel. Rechts en extreem rechts in Israël is al een heel eind op streek met het verjagen, verdrijven en vermoorden van Palestijnen. Toen hij nog Kamerlid en fractieleider van GroenLinks-PvdA was had zijn bel luider geklonken. Timmermans staat daarmee in een Nederlandse traditie van staatslieden die na hun actieve carrière ineens het licht zien en zich inzetten voor zaken die ze als politicus liever lieten lopen.

Uitgelicht

Ideologische bril

Als u dat als beleidsadviseur niet begrijpt, dan hoort u de functie die u nu bekleedt niet te bekleden.” Met die reactie van Peter Elfrink en zijn aanbeveling om wat lessen bedrijfseconomie te volgen, kon ik het doen. Die reactie kreeg ik op een vraag die ik onder een bericht van Mona Keijzer op LinkedIn stelde. Een bijzondere reactie. Bijzonder om meerdere redenen. Keijzer schreef: “Wanneer ondernemers de rekening betalen, betaalt Nederland die ook. Want minder winst, minder belastingopbrengst, minder werkgelegenheid, minder innovatie. De bruggen zakken in. Er is hard geld nodig voor de wegen en bruggen. Dit land heeft duidelijk de verkeerde prioriteiten.” Op mijn vraag aan Keijzer om de relatie tussen winst, belastingopbrengst, werkgelegenheid en innovatie eens uit te leggen, kreeg ik de bovenstaande reactie.

Bron: Flickr

Voordat ik het bijzondere bespreek, moet me eerst iets van het hart. Ik ben het met Keijzer eens dat dit land de verkeerde prioriteiten heeft maar Keijzer is de laatste om anderen dat verwijt te maken. Keijzer kwam in 2012 voor het CDA in de Tweede Kamer. Tussen 2017 en 2021 was ze staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat namens het CDA. Tussen 2024 en 2026 was ze minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening namens de BBB in het kabinet Schoof. Ze zat mee aan de knoppen dus als ‘dit land duidelijk de verkeerde prioriteiten’ heeft, dan moet ze toch echt in de spiegel kijken. Dan heeft ze daar toch behoorlijk wat steken laten vallen. Daar komt bij dat ze een van de promotoren is van de belangrijkste ‘verkeerde prioriteiten’ : de asiel en de stikstof. Beide opgaven zijn uitgeroepen tot een ‘crisis’ om de echte crisis te maskeren: bestuurlijke onwil en onvermogen. Dit even terzijde. Terug naar het bijzondere van de reactie.

Een bijzondere reactie omdat mij altijd is geleerd dat er niets mis is met vragen stellen. Zelfs niet als je het antwoord op de betreffende vraag weet. Als dat niet mag dan horen leraren hun functie niet te bekleden, om Elfrinks woorden te gebruiken. Leraren stellen voortdurend vragen waarop ze het antwoord al weten.

Een bijzondere reactie omdat hoe mensen hun samenleven inrichten geen wet van Meden en Perzen is. De economie is geen motor die draait op de relatie tussen deze vier factoren, zoals Jeroen Koppenaal beweert in zijn bijdrage aan het gesprek onder het bericht. Die vergelijking gaat mank. Voor een motor geldt: als a dan volgt b. Voor de economie geldt dat niet. De economie is dat wat mensen met elkaar doen en daarbij heeft alles invloed op elkaar. Mensen passen hun gedrag aan waardoor b niet automatisch uit a volgt. Er is geen eenduidig antwoord op de vraag die ik Keijzer stel. Het antwoord dat iemand geeft is vooral een kwestie van ideologie. Een marxist geeft een ander antwoord op deze vraag dan een neoliberaal of een libertariër en die geven weer een ander antwoord dan een communitarist of een anarchistisch communist zoals Kropotkin waarover ik recentelijk schreef.

Het grote probleem is dat veel mensen zich niet bewust zijn van de ideologische bril waarmee ze naar de wereld kijken. Dat leidt ertoe dat ze metaforen als de motor gebruiken. Zo raakte ik ook op LinkedIn in gesprek met Marcel Melis, een investeerder zoals hij zichzelf noemt, die zich druk maakt om verhuurders die hun huizen verkopen en om de mogelijke veranderingen in Box 3 van ons belastingstelsel. Melis is, zo zegt hij zelf, een van de huizeneigenaren die hun bezit verkopen. Melis kijkt, naar eigen zeggen: “naar de feiten, niet naar motieven. Minder rendement leidt tot minder investeringen, minder nieuwbouw en minder huuraanbod. De rekening komt uiteindelijk terecht bij de woningzoekende. Dat zijn de feiten.” Want: “zonder rendement gebeurt er niets.” Hij vergeet dat dit vooral feiten zijn binnen een neoliberale marktideologie. Een anarchistisch communist zoals Kropotkin denkt niet in markttermen en rendement. Die stelt het recht op wonen centraal en ziet het als een taak van de gemeenschap om invulling te geven aan dat recht. Die maakt plannen voor de bouw van de benodigde huizen, vraagt de gemeenschap om de kosten ervan te dragen en bouwt die vervolgens. Die maakt zich ook niet druk om de grondprijs omdat de grond van de gemeenschap is en voor de gemeenschap wordt gebruikt. Voor de anarchistisch communist liggen ‘de feiten’ heel anders.

Dat veel mensen zich niet bewust zijn van de ideologische bril die ze dragen en het is meestal een neoliberale, beperkt de keuzemogelijkheden. Zo nam ik enkele jaren geleden deel aan een regionaal ambtenarenoverleg waar de opvang en hulp aan dak- en thuisloze mensen op de agenda stond. De deelnemende gemeente waren niet tevreden over de manier waarop het werd ingevuld. Dat gebeurde via een subsidie aan aan zorgorganisatie.’ Subsidie maakt sturing moeilijk,’ zo werd geconstateerd. Als oplossingsrichting werd aanbesteden voorgesteld. Dan kon er worden geselecteerd op innovatie want daaraan ontbrak het en zouden de gemeente beter kunnen sturen het. Toen ik voorstelde als gemeente de hiervoor benodigde mensen in dienst te nemen en de panden en benodigdheden zelf te organiseren als oplossingsrichting werd ik aangekeken alsof men water zag branden. ‘De gemeente is toch geen hulpverlener’, zo was de teneur. Nu kan ‘de gemeente ‘ alles zijn wat wij willen dat ze is. De andere deelnemers hadden niet in de gaten dat ze de wereld bekeken met de neoliberale ‘New Public Management’ bril op. Sterker, ze waren zich er niet van bewust dat ze ‘een bril droegen’. Dat er andere manieren zijn om naar de wereld te kijken.

Zo is communitarisme geen illusie of utopie. De mens leefde het grootste deel van haar geschiedenis in een of andere vorm van communitarisme. Onze huidige kapitalistische samenleving is vanaf de zestiende eeuw gegroeid. In tegenstelling tot ‘motor metafoor’ is kapitalisme : neither a state of nature nor a process whose internal logic determines its eventual outcome,” zoals Sven Beckert het terecht beschrijft in zijn boek Capitalism. A Global History. Kapitalisme: “is the result of a panoply of political choices and social conflicts, structured in miriad ways by society and state.”1 Kenmerk van het kapitalisme is dat het alles tot een handelsgoed maakt. Door ergens een ‘handelsgoed’ van te maken, wordt de mogelijkheid geschapen eraan te verdienen en zo kapitaal te vergaren. Het belangrijkste waar het kapitalisme een handelsgoed van heeft gemaakt is arbeid. Of we iets, bijvoorbeeld woningen, zien als aan handelsgoed, is een keuze, geen wetmatigheid of automatisme.

Dat is de reden waarom ik Keijzer vroeg naar de relatie tussen winst, belastingopbrengst, werkgelegenheid en innovatie. Een soort vraag die, in mijn ogen, ieder zichzelf respecterende beleidsadviseur zou moeten stellen. Helaas gebeurt dat tegenwoordig maar zelden want ook het gros van de beleidsambtenaren is zich er niet van bewust dat ze een ideologische bril dragen. Ik hoop dat deze Prikker dit verandert. Al is het maar een klein beetje.

1Sven Beckert,Capitalism. A Global History. Eerste citaat pagina 9-10, het tweede pagina 15

Uitgelicht

Televisiecarrière

Staat het er echt? Ja, het staat er echt. Er is werkelijk iemand die het heeft gezegd. Die iemand is Jordi Versteegden ‘mediaverslaggever ‘ bij de Telegraaf. Wat hij heeft gezegd wat mij zo verbaast? Het volgende: “Moet je dan alleen maar intellectuelen aan tafel hebben?” Zo is te lezen in een artikel van Emma Vos in de NRC. De ‘tafel’ waar hij het over heeft dat zijn de vele talkshowtafels die ons land rijk is. Een uitspraak die laat zien hoe ver we in Nederland zijn afgegleden. Of beter gezegd, hoe ver de media in Nederland zijn afgegleden.

Bron: flickr.com

Even naar de aanleiding. Die aanleiding is oud-handbalster Estavana Polman. De partner van oud-voetballer en ‘mediapersoonlijkheid’ Rafael van der Vaart. Polman schijnt aan tafel te hebben gezeten van Vandaag Inside ter promotie van een boek over haar. Al snel ging het gesprek over een mogelijke televisiecarrière voor Polman. Daarbij werd de vraag gesteld wat ze eigenlijk kan: “Nou daar moet ik zelf ook achter komen.” Bij dat programma werd wel meteen aangegeven hoe hoog de lat voor een mediapersoon ligt, die ligt ter hoogte van de Vandaag Insidetafel aldus de vaste bewoners van die tafel. Aan die tafel vinden ze dat Polman die lat nog niet haalt: “Niemand weet wat ze daadwerkelijk kan. Het is een hartstikke leuke meid, ze heeft de uitstraling van Hélène Hendriks maar als het niet over handbal gaat of over haar man de ex-voetballer dan doet ze niet mee,” zo betoogt Johan Derksen. Voor een andere van die tafels, die van RTL Boulevard , is dit aanleiding om zich over de vraag te buigen hoe je Polman voorbereidt op een tv-carrière. Bijzonder trouwens dat niemand die vraag stelde toen de zoon van Van der Gijp een plek aan een tafel kreeg om over voetbal te praten, toen de familieleden van de De Mols een plek in het medialandschap kregen.

Voor wat betreft het gebrek aan inhoud van Polman, vult Daphne Bunskoek bij RTL Boelevard aan: “Het is wel waar dat Estavana geen verstand heeft van Gaza.” Of dat zo is, kan ik niet beoordelen want ik heb haar daar nooit over horen spreken. Gelukkig vervolgt Bunskoek met: “maar dat hebben die mannen natuurlijk ook niet.” En daar maakt ze een goed punt. Derksen heeft verstand van muziek en voetbal en Van der Gijp alleen van dat laatste. Al valt het met dat verstand ook behoorlijk tegen. Op dat gebied hebben Leonne Stentler en de Belgische Imke Courtois zinnigere zaken te vertellen. Trouwens ook zinniger dan Van der Vaart en Van Hooijdonk. Met dat punt kom ik bijna bij ‘alleen intellectuelen’ aan tafel. Eerst een ander ‘puntje van orde’, de functie van Versteegden: mediaverslaggever. Een verslaggever die voor een medium verslag doet over zaken waarover andere media verslag doen. Waar hebben we die aan te danken?

Dan toch naar mijn eigenlijke punt. Zat er maar eens een intellectueel aan een van die tafels. Iemand die echt ergens verstand van heeft, die heeft doorgeleerd. Iemand die gehakt maakt van de goedkope one-liners van politici en vaste tafelbewoners zoals Van der Gijp en Derksen. Iemand die de halve waarheden van Brekelmans waarover ik eerder dit jaar schreef, ontmaskert. Die zorgt dat feiten centraal staan en niet oprispingen van voormalig voetballers, volkszangers en andere ‘mediapersoonlijkheden’. Iemand die Kamerleden fileert omdat ze een kwartiertje eerder pauze vanwege een Iftar opblazen tot mythische proporties. Iemand die politici als Mona Keijer en Geert Wilders, erop wijst dat zij met hun kritiek dat de Raad van State ‘politiek bedrijft’ en ‘links’ of ‘D66’ is,de grondwettelijke orde ondermijnen. Helaas zitten er geen intellectuelen aan tafel want een argument dat uit meer dan twee zinnen bestaat ‘doet het niet goed’ in hun format. Dan ‘haken de kijkers af’.

In het ‘talkshow tafel circuit is de intellectueel de spreekwoordelijk speld in de hooiberg. Dat circuit draait om ‘bekende Nederlanders’ die van de ene naar de andere tafel hoppen en daar over van alles en nog wat een scheet laten en vervolgens de lucht ervan gaan bewieroken. Vroeger had je een hofnar tegenwoordig een narrenhof.

Uitgelicht

Productie of consumptie?

Vanuit welk perspectief bekijk je iets? Dat maakt nogal wat uit voor wat je ziet, hoe je dat interpreteert en wat dat vervolgens betekent voor je kijk op de werkelijkheid. Deze vraag kwam bij me op na het lezen van een column van Heleen Mees in De Volkskrant. Een column die eindigt met de volgende zin:Maar zoals een bekende econoom ooit schreef: ‘Productiviteit is niet alles, maar op de lange termijn is het bijna alles’.”

De column behandelt een discussie onder economen over de productiviteitsgroei in Europa en de Verenigde Staten. Conclusie, zo betoogt Mees: “Hoewel Europa de Verenigde Staten de afgelopen decennia heeft kunnen bijhouden in termen van koopkracht – ironisch genoeg dankzij het goedkoper en beter worden van Amerikaanse digitale technologie – blijven de productiviteit en innovatiekracht van de groeisectoren in Europa achter bij die in de Verenigde Staten.” En omdat productiviteit op langer termijn ‘bijna alles’ is, moeten we ons zorgen maken suggereert Mees. En inderdaad in de huidige economische wetenschap is productiviteit bijna alles. Als je koekjesbedrijf productiever is dan dat van de concurrent dan kun jij een goedkoper koekje aanbieden en heb jij werk en je concurrent niet. Ons denken over economie is gebaseerd op groei. Niet vreemd in een door kapitalisme gedomineerde wereld. Kern van het kapitalisme is immers de accumulatie, de groei of toename, van kapitaal. In een dergelijke wereld is productiviteit ‘bijna alles’.

Maar wat als je de wereld beschouwt vanuit consumptie? Als je je ten doel stelt om om zoveel te produceren als nodig is voor eenieders welzijn en dat probeert te bereiken met zo min mogelijk menselijke inspanning? Is een markt met erop concurrerende ondernemers dan nog steeds de beste manier om dat doel te bereiken? Is productiviteit dan nog steeds ‘bijna alles’ of is het dan een manier om de menselijke inspanning te verlagen? Interessante vragen. Vragen die centraal staan in het boek The Conquest of Bread van de negentiende-eeuwse Russische communistische anarchist Peter Kropotkin. Kropotkin werd geboren als prins ineen oudadelijke vooraanstaande Russische familie.

In dit boek uit 1892 beschrijft hij de ideaalwereld die zou moeten ontstaan na de volgende revolutie. Die wereld zou zich kenmerken door het centraal staan van het individu en afwezigheid van een overheid. Iets waar ook de neoliberalen en vooral de libertariërs van dromen. Maar voordat die in juichen uitbarsten: het voor hen heilige en in onze samenleving centraal staande eigendom bestaat niet in Kropotkins wereld. (I)ndividual ownership of the land and the instruments of labour,” ligt aan de basis van ongelijkwaardigheid en uitbuiting: It was the necessary condition for the development of capitalist production .”1 Kropotkins ideaalwereld kenmerkt zich door radicale gelijkwaardigheid van een ieder. In deze wereld is geen plek voor geld en dus ook niet voor loonarbeid. Loonarbeid is, zo betoogt Kropotkin, niets anders dan voortgezet feodalisme. Het is uitbuiting van arm door rijk op een andere manier dan als lijfeigene horige of slaaf.

Waar de revoluties van de achttiende en negentiende eeuw de mist ingingen, zo betoogt hij, was dat ze eigendom in stand hielden en dus ook de ermee gepaard gaande ongelijkwaardigheid. De bezitter kon zijn bezit blijven gebruiken om de bezitsloze uit te buiten. Loonarbeid bleef op een of andere manier in stand en omdat loonarbeid in revolutionaire tijden onzeker was en zelfs wegviel, ontbrak het de revolutionairen na verloop van tijd aan alles en vooral aan voedsel. Dan smoorde de revolutie want al die mooie woorden en verklaringen vulden geen magen en kreeg de contrarevolutie, zij die alles bij het oude wilden laten, de wind in de zeilen. Door bezit af te schaffen en gemeenschappen zichzelf te laten organiseren, zou een revolutie wel kunnen slagen. Dan zouden mensen met elkaar afstemmen wat er nodig was voor welvaart en welzijn voor allen en dat produceren. Dan zou dus de consumptie centraal staat. Want: “Was it not necessity that first drove man to hunt, to raise cattle, to cultivate land, to make implements, and later on to invent machinery. Is it not the study of needs that should govern production? To say the least, it would therefore be quite as logical to begin by considering the needs, and afterwards to discuss how production is, and ought to be, organized, in order to satisfy these needs.”2

En ‘to satisfy these needs, hoeft, zo berekent Kropotkin, iedereen in de leeftijd tussen 18 en 50 maar een uur of vijf per dag te werken. De rest van de tijd kan dan worden besteed aan persoonlijke ontwikkeling. Bijvoorbeeld muziek maken of wetenschap bedrijven. Dit deel van het boek lezend, moest ik aanhet essay Economic Possibilities for our Grandchildren van de econoom John Maynard Keynes denken. Die voorzag dat we in onze huidige tijd aan drie uur werk per dag genoeg zouden hebben om in onze behoeften te voorzien.3 Daar kon hij weleens gelijk in hebben, alleen staat productie centraal in onze maatschappij en niet de behoeften (consumptie). En als productie centraal staat wordt er geproduceerd en moet er altijd meer en sneller geproduceerd worden.

Een interessante gedachte. Zeker met in het achterhoofd de vraag: “Krijgt de mensheid er met de bevolkingskrimp een zoveelste crisis bij? “ die Koen Haegens stelt in een artikel In De Groene Amsterdammer: “De Verenigde Naties rekenen voor het einde van deze eeuw op 10,2 miljard mensen. De Nederlandse bevolking kan, in het uiterste geval dat de netto immigratie naar nul gaat, tegen die tijd gedaald zijn naar 12,7 miljoen.” Met een economisch wereldbeeld waarin groei en dus productie centraal staat, is krimp een ramp. Plaats je consumptie centraal dan ziet de wereld er heel anders uit, dan hoeft er minder gewerkt te worden om welvaart en welzijn voor iedereen te bereiken en houden we dus meer tijd over voor zaken die we leuk vinden, voor de eigen ontwikkeling en ontplooiing.

Bijkomend voordeel van het afschaffen van eigendom is ook dat het intellectuele eigendom, de patenten, wordt afgeschaft. Dat zou de innovatie wel eens een enorme boost kunnen geven. Zeker voor de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie zou dit een zegen kunnen zijn omdat de technologie dan van iedereen is en niemand er belang bij heeft die zo in te richten dat anderen er de dupe van zullen zijn. Daarmee is ook het probleem dat Pieter Klok in zijn Commentaar in de Volkskrant constateert opgelost en dat is dat: “Innovatie en arbeidsproductiviteitsgroei laten zich moeilijk afdwingen van boven.” Dan komt innovatie en de groei van de productiviteit te goede aan iedereen. Groeiende productiviteit betekent dan minder tij besteed aan arbeid en dus meer voor persoonlijke ontwikkeling.

1Peter Kropotkin,The conquest of Bread, pagina 30

2Peter Kropotkin,The conquest of Bread, pagina 169-170

3John Maynard Keynes, Economic Possibilities for our Grandchildren,pagina 5

Uitgelicht

‘Fouten’ uit het verleden herhalen

“Er moest veel gebeuren om die teruggaven daadwerkelijk te laten plaatsvinden, er moest veel veranderen om alleen al het bestaan van inheemse Amerikanen te erkennen, na decennia van uitwissing en geïnstitutionaliseerd vergeten die waren gevolgd op eeuwen van genocide.’,” Aldus Rebecca Solnit in een artikel bij De Correspondent. In het artikel wordt beschreven hoe een gebied van 190 hectare ten noorden van San Francisco wordt teruggegeven aan vertegenwoordigers van de oorspronkelijke bewoners van het gebied. ‘Laten we dat ook in Nederland gaan doen’, was het eerste wat mij te binnen schoot.

Nu hoor ik jullie schreeuwen; ‘in Nederland is het land toch van de inheemsen?’ Daarbij wordt iets vergeten. Hetzelfde wat met de grond van de inheemsen in de VS is gebeurd, is ook in Nederland en de rest van Europa gebeurd en gebeurt nu nog in Afrika en Azië. Dat gebeurde wordt met een Engelse term enclosure genoemd. Letterlijk omheining, het zetten van een hek om grond. En die grond die werd omheind was gemeenschappelijke grond. Grond die mensen van een dorp gezamenlijk gebruikten om te overleven.

Wachten op het kanonschot van de Oklahoma Land Rush.Bron: Pinterest

Gemene of gemeenschappelijke gronden speelden gedurende lange tijd een belangrijke rol in het leven en overleven van onze voorouders. Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de “gebruiksgerechtigden”. Bijvoorbeeld de inwoners van een dorp of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruik maken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of een andere functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het gebruik van de gemene gronden naast hun eigen kleine stukje grond zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot.

Gemene of gemeenschappelijke gronden, in het Engels Commons, kwamen in 1968 weer in de belangstelling met een artikel van de Amerikaanse ecoloog Garraty Hardin. Een artikel met als titel The Tragedy of the Commons. Hierin geeft Hardin zijn verklaring voor het verdwijnen van die gemene gronden. Hardin gebruikt hier het voorbeeld van een stuk weidegrond dat door de plaatselijke herders wordt gedeeld. De weide heeft een beperkte omvang en er kunnen dus slechts een beperkt aantal schapen op grazen. Overbegrazing zorgt ervoor dat de hele weide onbruikbaar wordt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Een schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever een schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn een schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is uitputting onvermijdelijk. Herder A, en met hem de andere herders, zit vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt. Het welbekende prisoners dilemma zorgde er dus voor dat de gemene gronden verdwenen.

Iedere herder maakt, volgens Hardin, de enige rationele keuze vanuit de individuele positie. Maar bekijk je het vanuit het totaal dan handelen ze allemaal irrationeel. Ze verwoesten zo immers de weide die hen voedt. Echter, Hardin veronderstelt dat de gebruikers van de gemene gronden deelnamen aan het economisch verkeer van vraag en aanbod en dat ze allemaal streefden naar meer inkomen. Dit op een manier die vergelijkbaar is met de tijd waarin Hardin zijn artikel schreef. Hij kijkt met zijn bril (zijn en de huidige kijk op de wereld) naar het verleden en dat is meestal niet de bril die men in het verleden droeg. Voor veel van onze voorouders was de wereld niet veel groter dan de streek waarin zij woonden. In die streek probeerden zij te overleven en dat deden zij voor het overgrote deel door in hun eigen behoeften te voorzien. Zij produceerden niet voor de markt en waren niet bezig met inkomen vergaren laat staan rijk worden. Overleven lukte hen onder andere door het gebruik van de gemene gronden. Het gebruik van de gemene gronden was goed gereguleerd in het gewoonterecht. Dit voorkwam, zo daar al aanleiding toe was, misbruik en vooral over gebruik van deze gronden.

Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet wilden veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren (en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren). De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele enclosure acts. Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten ze graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg. Op het eerste oog een positief iets. Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud. Die kant wordt door Karl Polanyi treffend omschreven: “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.”1 Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er zo voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en maakte zo de industriële revolutie mogelijk.

Ik heb hier voornamelijk de Engelse situatie beschreven, die is het best gedocumenteerd. In andere landen op latere tijdstippen gebeurde iets soortgelijks op verschillende manieren. In de Verenigde Staten eigende de overheid zich via Appropriation Acts de grond toe en gaf die vervolgens op verschillende manier in eigendom van particulieren. Een voorbeeld hiervan is de Oklahoma Land Rush van 1889. Toenmalig president Benjamin Harrison verklaarde op dat 22 april 1889 om twaalf uur ‘s middags het ‘niet toegewezen land’ zou worden geopend voor vestiging. Op dat moment klonk een kanonsschot en stoven mensen het land in om het te claimen. Voor stripliefhebbers, het Lucky Luke album De trek naar Oklahoma handelt over deze gebeurtenis.

Ook in Nederland, net als in de rest van Europa, werden gemeente gronden op een of andere manier particulier. In het ene deel van Nederland, het gebied tussen de rivieren, gebeurde dit eerder dan in de zandgronden. Bij het inpolderen van land gebeurde het meteen. Eerder of later, de gevolgen waren hetzelfde als in de VS, de inheemsen werden van hun land verdreven.

Door het wegvallen van die gemeenschappelijke gronden, viel de mogelijkheid om in hun eigen levensbehoeften te voorzien weg. Voor hen restte niets anders dan zich als ‘loonslaaf’ te verhuren. Eerst als zzp-er avant la lettre door naast het bebouwen van hun eigen kleine stukje land, te spinnen of weven voor een koopman. Met de industrialisering viel ook dit weg en restte niets anders dan hun stukje land te verkopen, naar de stad te trekken en zich aan te sluiten bij het proletariaat en loonarbeider worden. Loonarbeid werd eeuwenlang als onvrije arbeid gezien, als slavernij in een iets andere vorm. Andere tijd, ander land hetzelfde mechanisme. Enige verschil met de VS is dat hier de ‘inheemsen ’ werden verdreven door ‘inheemsen’. In de Verenigde Staten wordt nu dus grond teruggegeven. Trouwens niet alleen in de Verenigde Staten ook in Nederland wordt grond teruggegeven aan ‘inheemsen’ zoals Natuurmonumenten of het Limburgs Landschap om de natuur te versterken. Alleen het gebruiksrecht is veranderd naar recreatief.

Dat kun je toejuichen maar realiseer je dan dat hetzelfde mechanisme nog steeds werkzaam is. Ik vrees dat deze geschiedenis ‘institutioneel’ maar ook ‘niet-institutioneel’ is vergeten. Dat is jammer omdat ‘inheemsen’ nog steeds van ‘grond’ worden gejaagd. Dat die grond wordt ‘omheind’ met als doel om het tot een product te maken en de opbrengst ervan in de zakken van individuen te laten verdwijnen. ‘Inheemse’ maar vaak ook nog steeds ‘uitheemse’ individuen. Daar waar grote bedrijven die op fabrieksmatige wijze agrarische producten voor de wereldmarkt willen produceren, grote gebieden opkopen van de overheid en zo de kleine lokale boeren verdringen die deze grond vaak al generaties lang in gebruik hadden. Die rest dan niets anders dan naar de steden te trekken en daar proberen te overleven. Ook dit leidt tot een stijging van de productie en een toename van armoede en vaak ook honger. Want ook hier wordt met name voor de wereldmarkt geproduceerd en verkocht aan de best betalende en dat is meestal een buitenlandse partij. De laatste jaren wordt dit nog versterkt door het opkopen van gronden en bossen ter compensatie van koolstofdioxide uitstoot. Naomi Klein geeft een goede beschrijving van deze ontwikkeling in haar boek No Time, verander nu voor het klimaat alles verandert.2 En niet alleen om landbouw op te bedrijven, ook de grondstoffen in de bodem toe te eigenen of een mooie kuststrook toeristisch te vermarkten. Maar ook door het toe-eigenen van kennis over de geneeskrachtige eigenschappen van planten en deze te patenteren. De meest recente vormen van ‘enclosure’ betreft het vermarkten van onze gemeenschappelijke data en het gebruik van alles wat de mensheid heeft geproduceerd, wellicht ook deze Prikker, om algoritmen voor artificiële intelligentie te trainen. Dit zonder daarvoor een vergoeding te betalen maar er wel flink geld mee te verdienen. Nu heb ik er niets op tegen dat mensen mijn schrijfsels gebruiken om hun eigen brein of een algoritme te trainen. Ik heb er wel moeite mee dat zij vervolgens geld aan mij vragen voor het resultaat van hun werk.

Ik hoop dat deze Prikker bijdraagt aan het, al dan niet institutioneel, vergroten van de kennis van het ‘omheinen’ van gemeenschappelijk bezit. Want het teruggeven van 180 hectare grond aan de oorspronkelijke bewoners van dat stukje Californië is mooi. Voorkomen dat er over honderd jaar iets terug moet worden gegeven aan bijvoorbeeld inheemse Cambodjanen lijkt mij effectiever.

1Karl Polanyi, The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time, pagina 37

2 Naomi Klein, No Time. Verander nu, voor het klimaat alles verandert. Pagina 246 – 259

Uitgelicht

Een middagje fröbelen

De ingekorte procedure van de ind is dan ook niet zomaar een technische ingreep om zijn straatje schoon te vegen. Het past in een ontwikkeling waarbij rechters verantwoordelijk worden gemaakt voor de dingen waar de politiek vanaf wil. Zozeer zelfs dat de ind zich al op voorhand afmeldt voor de rechtszaken die komen.” Dit concluderen Doris Janssen en Sascha Pimentel in een artikel in de Groene Amsterdammer. Een stevige conclusie maar niet stevig genoeg. In een recente prikker betoogde ik dat er bij het asielbeleid sprake is van rationele irrationaliteit. Dat er beleid wordt gemaakt en maatregelen genomen die binnen het denkframe van de makers rationeel zijn maar die tot irrationale resultaten leiden, namelijk tot een samenleving die in groepen uiteenvalt terwijl het doel is om segregatie tegen te gaan. Die resultaten leiden tot boosheid, radeloosheid en fanatisme en dat de Wildersen, De Vossen, Markuszowers en Keijzers van tegenwoordig die boosheid, de radeloosheid en het fanatisme opstoken voor eigen gewin. De nieuwe plannen van de IND waar De Groene Amsterdammer over schrijft, getuigen nog steeds van dezelfde rationele irrationaliteit. Maar het gaat nog verder: de regering zet de sloophamer in de fundamenten van de rechtsstaat.

Die recente Prikker was een derde in een reeks over het asielvraagstuk. In de eerste toonde ik aan dat VVD-fractievoorzitter Brekelmans maar de halve waarheid vertelt en het deel dat niet in zijn kraam te pas komt verzwijgt. In de tweede bekritiseerde ik de prioriteiten die er met betrekking tot asiel worden gesteld. Zo wordt er veel tijd besteed aan ‘het sneller ongewenst verklaren’ van criminele asielzoekers. Dit terwijl de echte problemen die de asielketen verstoppen niet worden aangepakt.

In die eerste twee Prikkers schreef ik dat de IND er nu gemiddeld 97 weken over doet om een besluit te nemen. Dit terwijl de wet er een termijn voor stelt van 26 weken. Dit is een belangrijke reden waarom er zoveel opvangplekken voor asielzoekers nodig zijn. Volgens de nieuwe plannen gaat die beslistermijn terug naar twee weken. De oude procedure is te rigide en gedetailleerd, aldus Sander Kalwij van de IND: “Die was tot in de puntjes vastgelegd in de wet’. Wij wilden meer flexibiliteit.” De aanpassingen behelzen onder meer dat de asielzoeker zelf zijn aanvraag via een tablet indient. Een prachtige vinding. Probleem is alleen dat als de aanvragers van asiel een beetje op de Nederlander lijken, dan hebben ongeveer 3 miljoen mensen in de leeftijd tussen 17 en 75 beperkte basisvaardigheden voor wat betreft, lezen, schrijven en digitale vaardigheden. Dit ondanks het feit dat (bijna) iedereen in Nederland tot en met het zestiende levensjaar onderwijs heeft gevolgd. Dat kan niet worden gezegd van de landen waar de asielaanvragers vandaan komen. Of dan ‘zelf invullen op een tablet’ de beste manier is om een aanvraag in te dienen, is uiterst twijfelachtig.

Als tweede wordt het aantal gesprekken (de zogenaamde gehoren) met de IND teruggebracht van twee naar één. In zo’n gehoor moet de aanvrager onderbouwen waarom hij of zij gevaar loopt in het land van herkomst. Ook wordt de voorbereiding van het gehoor, dat bestond uit voorlichting door Vluchtelingenwerk en begeleiding door een asieladvocaat net als de medische controle om te zien of de aanvrager medisch wel in staat is tot het voeren van zo’n gesprek, geschrapt. Zaken die juist waren toegevoegd om zorgvuldigheid van de procedure te verbeteren. Dat is vragen om ellende. Het gaat dus zo worden dat de aanvrager op kantoor komt bij de beslismedewerker van de IND. Alleen weet de aanvrager niet wat de rol en functie van die medewerker is, wat het doel van het gesprek is, wat er van hem of haar wordt verwacht, welke zaken meegenomen moeten worden als mogelijk bewijsmateriaal enzovoort. Dit moet ertoe leiden dat er binnen twee weken op een aanvraag wordt beslist. Om dat te kunnen halen, moet het ‘voornemen’ worden geschrapt. Het voornemen is dat de beslisser de aanvrager verteld wat het besluit gaat worden en op basis van welke informatie. Mocht de informatie niet kloppen of er aanvullende informatie zijn, dan kon die nog worden ingebracht en dat zou tot een ander besluit kunnen leiden. Dat is vragen om ellende.

Wie het niet eens is met het krakkemikkig genomen besluit, kan de gang naar de rechter maken. Die zal de IND eerst op de vingers tikken omdat ze de wettelijke procedure niet heeft gevolgd. De Algemene wet bestuursrecht, en dan vooral artikel 4:7, verplicht de overheid om, voordat een aanvraag geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, de aanvrager in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen als de afwijzing steunt op gegevens over feiten en belangen die de aanvrager betreffen, en die gegevens afwijken van gegevens die de aanvrager ter zake zelf heeft verstrekt. De rechter zal hieraan toetsen en zal concluderen dat er geen sprake is van een besluit als bedoeld in het vierde hoofdstuk van de Algemene wet bestuursrecht. Hij zal de IND de opdracht geven om eerst maar eens een besluit te nemen volgens de juiste procedure.

Als de IND dan in tweede instantie wel een besluit heeft genomen volgens de wettelijke procedure en het komt weer voor de rechter, dan zal de rechter gaan bekijken of de aanvrager wel voldoende op de hoogte is van wat er in de verschillende stappen van het proces van hem of haar wordt verwacht. Of de aanvrager wel in (medisch) staat was voor een ‘gehoor’. De asieladvocaat zal de rechter hierop attenderen als dat in de ogen van hem of haar niet het geval was. De kans is dan groot dat de rechter het genomen besluit nietig verklaart en de IND opdraagt om de zaak nog maar eens opnieuw te beoordelen en het gehoor opnieuw te voeren.

“Of als een asielzoeker ons wil attenderen op iets dat we niet goed hebben onderzocht, of met een document komt dat we niet hebben betrokken,” dat gesprek kan volgens Kalwij best in de rechtbank worden gevoerd. “Veel mensen zien het als een stap terug, maar wij denken dat het meer snelheid brengt. Wij hoeven gewoon een stap minder te doen.” Ja, de IND vraagt een ander om die stap voor haar te zetten. Iemand anders moet het werk doen. De IND gaat, zo zegt ze, dossiers die aan de rechter worden voorgelegd nog eens goed beoordelen op het goed beargumenteren van de afwijzing. Mocht dat niet het geval zijn, dan trekt de IND de beslissing in. Alleen hebben de rechtbank en de asieladvocaat dan wel al tijd en energie in de zaak gestopt.

Het afschaffen van het voornemen was al lang een wens van ons. Geen enkel ander EU-land heeft een voornemen,” zo betoogt Kalwij. Dat geen enkel land het heeft, is geen reden om het af te schaffen. Net zoals een ‘wens’ van de uitvoeringsdienst geen reden is om iets af te schaffen. Dan toch even voor Kalwij, de IND en het kabinet: jullie kunnen het voornemen niet afschaffen. Jullie moeten de wet volgen en de wet met betrekking tot overheidshandelen is de Algemene wet bestuursrecht en het erin opgenomen ‘voornemen’. Wat jullie willen kan alleen als jullie die wet aanpassen. Dat kan, maar dat heeft grote gevolgen voor alle overheidsbesluiten. Daarmee wordt zorgvuldigheid van besluiten geofferd. Maar geofferd voor wat? Afschaffing van dit artikel zal leiden tot een flinke toename aan bezwaren en dus veel meer werk voor de rechterlijke macht.

De IND zal bij veel van die rechterlijke zittingen verstek laten gaan. Dat doet ze nu ook al niet maar dat zal met meer zittingen alleen maar vaker voorkomen. Gevolg hiervan is dat de voorgang van een zaak bij bij de rechter wordt gefrustreerd omdat vragen aan de IND niet direct worden beantwoord. “De rechter kan dan bijna niet anders dan de zaak weer terugsturen naar de ind,” zo lees ik in het artikel, waarna het nog een keer bij de rechter komt. De rechter zou er natuurlijk ook voor kunnen kiezen om in zo’n geval de bezwaarmaker in het gelijk te stellen dat de aanvraag onterecht is afgewezen en dus de aanvrager de verblijfstatus te geven.

De uitvoerende macht verzaakt haar werk en wil dat de rechtsprekende macht dat verzaken oppakt. De uitvoerende macht wil zich niet aan de door de wetgevende macht opgestelde wet houden en de kans is groot dat een flink deel van de wetgevende macht het daar ook nog mee eens is. Hier wordt de sloophamer gezet in de fundamenten van onze rechtsstaat. Rechtsstaten zijn er grofweg in twee soorten. In de Rule by Law vorm en in de Rule of Law vorm. Wat de beide vormen gemeen hebben is dat de wet centraal staat. Waarin ze verschillen is dat in de Rule of Law rechtsstaat ook de overheid zich aan de wet moet houden en je een overheidsbesluit door de rechter kunt laten toetsen. Nederland kent een Rule by Law rechtsstaat. Maar dat was niet altijd het geval. Dat is een traject geweest wat jaren heeft gekost. Afwijkingen van regels hebben de neiging om ‘regels’ te worden. ‘Dat ene geval’ wordt een precedent waarop in een volgend geval een beroep wordt gedaan en zo raken we van de regen in de drup. De regering wil die kant en zet onze Rule by Law rechtsstaat op het spel vanwege een, om oud-premier Schoof aan te halen, ‘gevoelde crisis’ opgeofferd.

Dezelfde ratio die tot de huidige irrationele situatie heeft geleid, wordt nog steeds gevolgd. De resultaten zullen irrationeel zijn en nog schadelijker dan ze nu al zijn. En de Wildersen, De Vossen, Markuszowers, Keijzers en ik voeg er ook maar de Eerdmansen aan toe, zullen in hun handen knijpen want de reeds gezaaide boosheid, de radeloosheid die ze voor eigen gewin hebben opgestookt, kunnen ze verder blijven opstoken en onze samenleving zal verder uit elkaar vallen.

“‘We hebben een middag op het ministerie bij elkaar gezeten over wat er sneller en beter kon. Daarna hebben wij een ontwerp gemaakt dat al snel is overgenomen.” Ik weet niet met wie Kalwij die middag samen zat, maar als dit het resultaat is, dan is deelname aan dat middagje fröbelen reden voor ontslag.

Uitgelicht

Brekelmans angst en halve waarheden

Het komt wel eens voor, best wel vaak eigenlijk, dat ik zou willen ingrijpen in een gesprek aan een talkshowtafel. Dit omdat ik me stoor aan de leugens en halve waarheden. Gisteren, 4 mei, was het weer zover. Bron van leugens en vooral halve waarheden was dit keer VVD-fractievoorzitter Ruben Brekelmans die aan tafel zat bij Pauw & De Wit. Zoals zo ongeveer iedere dag kwam het gesprek daarbij op het tot crisis van gigantische proporties opgeblazen vraagstuk rond asiel.

Het gesprek kwam op een ‘bestuurscultuur’ die ertoe heeft bijgedragen dat, zoals een andere tafelgast historicus Geerten Waling, betoogde, monumenten worden beklad, snelwegen worden bezet en universiteiten worden vernield. Waling ‘vergat’ in zijn opsomming het veel verdergaand geweld van tegenstanders van ‘AZC’s’ te noemen, dit even maar niet helemaal terzijde. Niet helemaal omdat het mij opvalt dat zo ongeveer iedereen selectief is in het benoemen van ‘protesten die men te ver vindt gaan’. Dat ‘Waling die vergat, viel ook Jelle Postma op, een andere tafelgast. Die bracht terecht in dat er een gesprek moet worden gevoerd over het demonstratierecht en het beschermen van de democratie en de rechtsstaat. Via nog wat omwegen vertelde Brekelmans dat het vervolgens aan politici in de Tweede kamer is om ‘kleur te bekennen’ maar dat een deel van zijn collega’s niet thuis geeft als er vervolgens wetten liggen om het demonstratierecht in te perken. Dat daarvoor geen nieuwe wetten nodig zijn, maar handhaving van de bestaande, vergat hij voor het gemak. Handhaving van de bestaande, want het bekladden van een monument is geen demonstratie maar vernieling net zoals het bekladden en vernielen van gebouwen. Het gebruiken van geweld bij een demonstratie is strafbaar. Daarvoor zijn geen ‘nieuwe wetten’ nodig.

Via een kleine omweg over zorgen bracht Brekelmans het gesprek bij het thema asiel: “We moeten wel oppassen als mensen legitieme zorgen hebben want er is geen sociaal huurhuis en naast me zie ik migranten die er wel een krijgen. Daar mag je het best mee oneens zijn en daar mag je best tegen demonstreren.” En vervolgens nog wat over dat de grens bij geweld ligt want dat is onaanvaardbaar. Gespreksleider Pauw vroeg vervolgens waar die grens gelegd wordt. Daarop reageerde Postma: “ In de Kamer. Precies wat ik nu hoor is precies waar het probleem ligt. Is het creëren, het accepteren van het creëren eigenlijk van een angstbeeld rond een bepaald fenomeen of een bepaalde groep. Waarbij je uiteindelijk dan zegt: ja, maar dat er geweld over ontstaat, dat is niet onze verantwoordelijkheid. Het probleem is wel dat er een arena wordt gecreëerd waarbij er angst wordt gecreëerd rond een bepaalde bevolkingsgroep die blijkbaar dan recht als privilege krijgen in plaats van de bescherming die ze verdienen.”

Dat was tegen het zere been van Brekelmans: “Wij creëren toch geen angst tegen een bevolkingsgroep. Kijk, ben je wel eens in Ter Apel geweest? … Ik ben er een keer of vijf zes geweest. Als je daar met mensen spreekt omdat er een specifieke groep is die daar echt overlast en criminaliteit veroorzaakt, dan is dat echt heel ernstig. Dus als mensen die verhalen uit Ter Apel en uit Budel horen en zien en die denken van ‘ja gebeurt dat bij mij ook’. Dat is een legitieme discussie die je in een gemeente mag voeren. Alleen je moet niet iedereen over een kam scheren.” Wat Brekelmans doet is precies wat hij zegt niet te doen: angst creëren tegen een groep. Nederland kent 321 locaties waar asielzoekers worden opgevangen. Van al die 321 halen twee locaties geregeld het nieuws: Ter Apel en Budel. Dit omdat die ‘specifieke groep’ niet in al die andere locaties zit. Locaties waar zonder noemenswaardige problemen mensen worden opgevangen.

Echt bijzonder werd het toen Brekelmans te spreken kwam over het aantal opvangplekken. Brekelmans: “Je moet even goed naar de aantallen kijken. Jarenlang hebben we ongeveer dertigduizend opvangplekken in Nederland gehad en dat gebeurde op basis van vrijwilligheid. En in die zin ging dat best goed. Ik woon zelf in een gemeente waar sinds jaar en dag een asielzoekerscentrum is, vierhonderd mensen, gaat best wel goed. Alleen wat je nu ziet is dat we tachtigduizend inmiddels richting de honderdduizend plekken gaan. En dat nu dus ook gemeenten waar dat draagvlak er niet is en nu bij de gemeenteraadsverkiezingen partijen hebben die massaal zeiden nee tegen een AZC hebben gewonnen en nu toch gedwongen mogelijk worden, een AZC te creëren. En dat laat wat mij betreft alleen maar zien dat als wij het draagvlak voor asielopvang willen behouden en dat je niet allerlei uitwassen krijgt, dan zullen we toch die aantallen weer en die asielinstroom naar omlaag moeten brengen. Want dan kan het gewoon op basis van vrijwilligheid.” Een prachtig en feitelijk verhaal met een te begrijpen logica. Maar toch is het de halve waarheid. Een halve waarheid waarin de asielzoeker tot probleem wordt benoemd en waardoor de angst verder wordt aangewakkerd.

Dat er nu ‘tachtigduizend en binnenkort honderdduizend’ nodig zijn, zoals Brekelmans beweert, klopt. Maar het is de halve waarheid. De halve waarheid want we hebben inderdaad jarenlang zo’n dertigduizend opvangplekken en dat was voldoende. En dat zou nu nog steeds voldoende zijn. De afgelopen drie jaar dienden er respectievelijk 38.375, 32.175 en 24.075 mensen een eerste asielverzoek in. Bekijken we de periode sinds 2013 dan waren dat er het minste in 2013, 9.840 en het meeste in 2015 namelijk 43.095.

Er vragen meer mensen asiel aan. Of beter gezegd, er wordt voor meer mensen asiel aangevraagd, De zogenaamde nareizigers. Met een nareisaanvraag kan een asielzoeker en machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinsleden aanvragen (echtgenoot, partner, kind, pleegkind of ouders als de aanvragen op het moment van zijn aanvraag jonger was dan 18 jaar. Dat waren er in dezelfde periode tussen de 3.630 als minste in 2013 en 16.495 in 2025. Op grond van de wet, want in tegenstelling tot wat er aan die talkshowtafel wordt beweerd, is asiel wel wettelijk geregeld, heeft de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) een half jaar om te besluiten op een aanvraag. Dat besluit kan zijn: een asielstatus of geen status en het land verlaten. Hoe sneller je weet of je kunt blijven, hoe eerder je je leven weer kan oppakken. Die beslistermijn kan met negen maanden worden verlengd als een aanvraag complex is. Met een beslistermijn van een half jaar zou het aantal aanvragen niet tot problemen in de opvang hoeven te leiden. Sterker nog, een flink deel van de opvangplekken zou een gedeelte van het jaar onbezet moeten zijn.

Brekelmans heeft gelijk dat er nu 80.000 en binnenkort 100.000 plekken nodig zijn. Hij heeft gelijk want er gaat iets niet goed en dat is niet, om de woorden van Wilders te gebruiken, de ‘asieltsunami’. Dat is niet de ‘instroom’. Wat Brekelmans erbij vergeet te vertellen is dat het grote aantal plekken dat nodig is een gevolg is van keuzes die de respectievelijke kabinetten de afgelopen tien jaar hebben gemaakt of juist niet hebben gemaakt. In september 2022 heeft de regering besloten om de termijn standaard met die 9 maanden te verlengen. Dit vanwege een verhoogde instroom en personeelstekort bij de IND. Het aantal in 2023 was vergelijkbaar met 2022 en ongeveer 10.000 meer dan het gemiddelde over de afgelopen tien jaar. En daarmee komen we bij het eerste probleem: personeelstekort bij de IND. Personeelstekort dat ertoe leidde dat de termijn van een halfjaar zeer vaak overschreden werd en dat leidde er weer toe dat er dwangsommen voor te laat besluiten moesten worden uitbetaald. Niet dat dit verlengen enig effect had. De doorlooptijd van een asielaanvraag ging omhoog van 41 weken in 2022 naar 97 weken in 2025.1 Bijna twee jaar die een aanvrager in een AZC moet verblijven. Dat betekent dat er 60.000 opvangplekken moeten zijn om alle aanvragers op te vangen en dat komt ongeveer overeen met het aantal asielzoekers in opvang dat op een besluit wacht. Dat zijn er op het moment van schrijven van deze prikker namelijk 63.432. En dat is dus niet omdat er zoveel aanvragen zijn maar omdat ervoor is gekozen om niet te investeren in capaciteit om binnen de wettelijke termijn van een half jaar te besluiten op een aanvraag.

Daarnaast zitten er op dit moment nog iets meer dan 19.000 mensen die in Nederland mogen blijven in de asielopvang. De zogenaamde statushouders. Deze mensen moeten uitstromen naar een woning en een gemeente maar binnen die gemeente is nog geen geschikte woning gevonden. En daarmee komen we bij het tweede probleem: woningnood. Een probleem waar niet alleen statushouders mee te maken hebben. Statushouders behoren tot de groep waarvan een flink deel van de Tweede Kamer wil dat die niet meer tot de urgentiecategorie behoren, mensen die door bijzondere omstandigheden snel een woning toegewezen moeten krijgen. Zonder urgentie zullen deze mensen achteraan moeten aansluiten in de rij woningzoekenden en zullen ze nog veel langer in een AZC verblijven. Daarvoor zullen nog meer AZC’s nodig zijn. Wat toch nog meer protesten zal leiden.

Het tekort aan woningen wordt ook niet veroorzaakt door asielzoekers. Dat die persoon uit Brekelmans voorbeeld zich afvraagt waarom hij niet en die asielzoeker wel, is ook een gevolg van keuzes van de achtereenvolgende kabinetten. In 2010 schafte het eerste kabinet Rutte het ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordeningen Milieu af. Een ministerie dat in het begin van de twintigste eeuw werd opgericht om aan de schrijnende huisvesting van het gros van de bevolking een einde te maken. Dat kon wel naar de provincies. Dit omdat, zoals de ervoor verantwoordelijke minister Stef Blok beweerde dat de ‘woningmarkt als een zonnetje draaide en het woningbeleid af was’. Dezelfde Blok die als minister verantwoordelijk was voor de invoering van de verhuurdersheffing voor woningcorporaties. Een heffing waardoor zij minder kapitaal hadden om nieuwe woningen te bouwen. Hoe ‘af’ de woningmarkt was dat bleek de afgelopen jaren toen duidelijk werd dat er veel te weinig woningen werden gebouwd.

Daar komt, voor wat betreft de bouw van woningen de stikstofproblematiek bij. Een al bijna vijftig jaar oud probleem dat door alle regeringen vooruit is geschoven door via geitenpaadjes naar oplossingen te zoeken die de kool en de geit sparen. Het laatste geitenpaadje, de Programma Aanpak Stikstof (PAS), werd in 2019 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste bestuurlijke rechter nietig verklaard. Het doel van de PAS was de stikstof uitstoot te verminderen. Echter om daar te komen mocht de uitstoot worden verhoogd als die verhoging in de toekomst tot een verlaging zou kunnen leiden. De rechter verklaarde het vooruitlopen op mogelijk toekomstige verminderde uitstoot in strijd met de wet. Iets waarvoor onder andere de adviestak van de Raad van State al had gewaarschuwd. Zonder geitenpaadje kwamen veel bouwprojecten op losse schroeven te staan. Iets wat nog steeds het geval is want dit probleem is nog steeds niet opgelost.

Dat zijn de feiten die Brekelmans ongenoemd laat, Feiten waarvoor zijn partij, de VVD in hoge mate verantwoordelijk is want zijn partij is de enige zie sinds oktober 2010 onafgebroken regeringsverantwoordelijkheid heeft gedragen. Net zoals zijn partij tussen 2012 en de start van het kabinet Jetten, met uitzondering van de korte periode van PVV-minister ‘ik ben beleid’ Faber, verantwoordelijk was voor het asielbeleid.

Jammer genoeg zat er niemand aan de talkshowtafel met voldoende kennis om hem hiermee om de oren te slaan. Dan was namelijk duidelijk geworden dat Postma gelijk heeft met zijn verwijt dat Brekelmans ‘angstbeelden creëert rond een bepaald fenomeen of een bepaalde groep. Dan was duidelijk geworden dat zijn partij beleid inzet om angst te creëren.

1 Deze cijfers zijn te vinden via: https://ind.nl/nl/over-ons/cijfers-en-publicaties/jaarcijfers-en-tertaalcijfers

Uitgelicht

Onbegrijpelijk begrip

Onbegrijpelijk begrip! Dat was mijn eerste reactie toen ik las wat de nieuwe minister van buitenlandse zaken Tom Berendsen te berde bracht met betrekking tot de Amerikaans-Israëlische oorlogsdaad tegen Iran. “Het kabinet heeft begrip voor de Amerikaanse en Israëlische aanvallen op Iran, zegt minister Tom Berendsen (Buitenlandse Zaken). Wel zijn er “terechte vragen” of die volgens het internationaal recht gebeuren, maar dat is niet het enige “kader” voor de situatie.” Zo is te lezen bij nu.nl. Soms bedriegt de eerste indruk. Deze keer niet: onbegrijpelijk begrip.

Bron: Flickr

De kersverse minister beweert hier dat er naast het internationaal recht nog andere ‘kaders’ zijn om de actie langs af te wegen. Nee, beste minister, er is geen ander kader voor deze situatie. Er is een kader, en dat is het internationaal recht of er is geen kader en dan kloot iedereen maar wat aan. Dat zijn in deze de twee smaken. Beweren dat er een ander kader is is beweren dat het internationaal recht ‘ook maar een mening’ is. De Nederlandse rechter ziet mij aankomen als ik iemand voor de harsens heb geslagen en ik beweer dat mijn daad toch echt langs het kader van de lelijkheid van het hoofd of de stinkende adem van de ander, moet worden afgewogen en dat die kaders mijn daad rechtvaardigen.

Dat het: “bewind in Iran (…) een moorddadig regime,” is, is geen reden om een oorlog te beginnen. Zeker niet voor het Israëlische ‘regime’ dat qua moorddadigheid met Iran kan wedijveren. Trouwens ook niet voor het Amerikaanse regime onder Trump dat in korte tijd ook al een aardig trackrecord op dit gebied aan het opbouwen is en daarbij kan voortbouwen op enkele van zijn voorgangers.

Het Iraanse gevaar wordt, net als vijfentwintig jaar geleden het Iraakse gevaar, tot mythische proporties opgeblazen. Als we het dan toch over: “grote risico’s voor de regio,” hebben en: “het kernwapenprogramma,” dan mag de blik toch zeker ook op Israël worden gericht. Dat land is een kernmogendheid en laat zich daarbij door niets of niemand controleren. Het land heeft het non-proliferatieverdrag niet ondertekend en bombardeert naar believen landen in de regio. Gedrag waarbij het op de onvoorwaardelijke steun van de Verenigde Staten kan rekenen. Israël heeft, net als de Verenigde Staten onder Trump, volkomen lak aan mensenrechten en het internationaal recht. Bijzonder daarbij is dat Trump in zijn eerste termijn een overeenkomst met Iran over nucleaire zaken in de prullenbak gooide. Het is dan nogal een gotspe om van Iran te eisen dat zie zich wel aan de regels moeten houden waar Israël en de Verenigde Staten hun achterste mee afvegen.

De vraag of er sprake is van een actie in strijd met het internationaal recht, die durven Berendsen en het kabinet niet te beantwoorden: “De vragen beantwoorden is aan de VS en Israël. Niet alle informatie is nu beschikbaar.” Bijzonder want beweert hij nu werkelijk dat de misdadiger de rechter is in zijn eigen strafzaak? Dat het aan de dader is om te beoordelen of er sprake is van een misdaad? Dat lijkt mij het recht op z’n kop. Dat het internationaal recht hier wordt geschonden is evident. Er wordt een land aangevallen. Toen Rusland hetzelfde deed met Oekraïne was de wereld te klein en oordeelde de Nederlandse regering onmiddellijk dat het internationaal recht was geschonden. Toen werd het oordeel niet uitbesteed aan dader Rusland.

“We geloven en hopen op een wereldorde die gebaseerd is op het internationaal recht. Tegelijkertijd zullen we moeten constateren dat de wereldorde en het internationaal recht onder druk staan,” aldus Berendsen op de vraag of het kabinet het internationaal recht deels heeft verlaten. Hij ziet geen ‘blauwdruk voor hoe om te gaan met het internationaal recht: “We zien gewoon dat de wereld in beweging is. Welke kant dat uiteindelijk zal worden, is nu lastig te beoordelen. Tegelijkertijd zien we een aantal grootmachten die de taal van de macht spreken. Wij als Nederland zullen een manier moeten vinden om ons te verhouden tot de wereldorde die zich om ons heen vormt.” Een bijzonder antwoord op een bijzondere vraag.

Een bijzondere vraag omdat je gelooft in het internationaal recht, of je gelooft er niet in. Er deels in geloven staat gelijk aan er niet in geloven. Dat maakt het internationaal recht tot een soort keuzemenu en dus ‘ook maar een mening’ en dus waardeloos. Een bijzonder antwoord omdat ‘geloven in een wereldorde op basis van internationaal recht’ je juist wel een ‘blauwdruk’ voor je handelen geeft. Die blauwdruk bestaat eruit om iedere schendig ervan krachtig te veroordelen en via de daartoe ingerichte internationale organisaties, zoals de Verenigde Naties en het Internationaal Strafhof, aan te kaarten. Door die veroordeling vergezeld te laten gaan van strafmaatregelen tegen de overtreder. Die blauwdruk doet de: “mist van de nieuwe wereldorde,” waar we volgens Berendsen door moeten varen, verdwijnen. Die blauwdruk is precies daarop gericht waar we ons volgens Berendsen op moeten richten en dat is: “ op het Nederlands belang in het buitenland.”

Het ‘begrip’ van Berendsen en de Nederlandse regering kan alleen maar met onbegrip worden bekeken. Het getuigt van onnavolgbare gedachtekronkels. Het ontbeert elke vorm van zuiver argumenteren en logica.

Uitgelicht

Verholen antisemitisme?

“Zo voel ik mij ongemakkelijk bij het voortdurende gehamer op het woord genocide, als het om het optreden gaat van Israël in de Gazastrook. … Daarbij valt mij wel het eigenaardige fenomeen op dat je voor een protest tegen Israël met gemak 250 duizend man op de been krijgt, maar dat er geen demonstrant met een bord staat als ik op het Museumplein langs het Russische consulaat fiets … Hoe komt dat? Het is misschien vervelend om te zeggen, maar dat komt – zo vermoed ik – omdat het toch Joden zijn die in Gaza tekeergaan. En die zouden eigenlijk beter moeten weten. Waarmee je naar mijn gevoel raakt aan een verholen soort antisemitisme: we moeten die arrogante lui eens een lesje in moraal geven.” Aldus Max Pam in een column in de Volkskrant over het gebruik van de woorden genocide en fascisme. Ik viel bijna van mijn stoel. Ik word beschuldigd van ‘verholen antisemitisme’.

“Versta mij goed: ik vind dat optreden verwerpelijk. De Israëlische regering van vrome zeloten kan beter nog vandaag dan morgen ophoepelen en wat mij betreft mag Netanyahu wegens algehele corruptie in de gevangenis worden gegooid. Maar genocide is nog wat anders, zeker in het licht bezien van de Joodse geschiedenis,” aldus Pam. Uit zijn betoog maak ik op dat er eigenlijk alleen de Holocaust genocide mag heten want, en daarbij zegt hij de historicus Simon Schama na: “elke vergelijking met de Holocaust voor hem ‘een stuitende verloedering betekent van het woord genocide’.” Is dan in vergelijking met een groepsverkrachting van drie jonge vrouwen door twintig personen, een groepsverkrachting van een vrouw door twee personen ook een ‘stuitende verloedering’ van het woord groepsverkrachting? Met zo’n onderbouwing, kan het begrip genocide wel worden afgeschaft. Dan is het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide overbodig. Dit even terzijde. Terug naar die ‘250.000 verholen antisemieten’ om met Pam te spreken.

Zou het kunnen dat die mensen de straat op gaan omdat Israël het internationaal recht en de internationale rechtsorde met voeten treedt? Dat het land de bevolking van Gaza laat verhongeren en de mensenrechten van deze mensen schendt? Dat het duizenden mensen, waaronder veel kinderen vermoordt en daarbij grof geweld inzet? Dat het daarbij zelfs zover gaat dat het ambulance personeel vermoordt en met ambulance en al begraaft? Dat het land er alles aan doet om Gaza onleefbaar te maken waarschijnlijk in de hoop dat de Gazanen dan zelf wegtrekken? Dat het land gebieden bezet houdt en dat het een track record heeft van het vestigen van nederzettingen in dat bezette gebied waarvoor het de bewoners van dat gebied op allerlei manier het leven onmogelijk maakt? Dat het land alle buurlanden tenminste een keer en de meeste wel vaker, heeft aangevallen?

Zou het kunnen dat deze mensen de straat opgaan omdat ze zien dat de Nederlandse regering behalve ‘het overbrengen van zorgen’ geen enkele maatregel neemt tegen Israël? Dit terwijl Rusland door de Nederlandse regering terecht flink de maat wordt genomen? Dat er allerlei strafmaatregelen en sancties tegen Rusland zijn ingesteld en dat de getroffen partij op veel steun in allerlei vormen kan rekenen? Zou het kunnen dat dat de reden is waarom 250.000 mensen de straat op gingen om een rode lijn te trekken? Dat dat de reden is en niet ‘verholen antisemitisme om die arrogante lui eens een lesje te leren’?

Voor in ieder geval één van die 250.000 wel.

Uitgelicht

Gegijzelde gevangenen en gevangen gegijzelden

Gisteren, maandag 13 oktober, was een heuglijke dag. Twintig Israëliërs en tweeduizend Palestijnen werden herenigd met hun families. Of dit werkelijk het begin van een nieuw glorieus tijdperk is zoals de Amerikaanse president Trump betoogt, is nog zeer de vraag. Deze oorlog is al meer dan honderd jaar aan de gang en kende al eerder momenten dat de vrede leek uit te breken. Daar gaat het me nu niet om. Het gaat mij om het gebruik van woorden en beelden die dit oproept.

“Met blijdschap en ongeloof zetten de nog levende gijzelaars twee jaar na hun ontvoering door Hamas weer voet op Israëlische bodem. Maandag kwamen de laatste 20 gijzelaars vrij,“ zo lees ik in de Volkskrant en deze krant is niet de enige die deze woorden gebruikt. Vervolgens een portret van deze twintig mensen waarvan het goed is dat ze weer zijn herenigd met hun familie. “De Israëlische gijzelaars maakten deel uit van de naar schatting 250 mensen die Hamas op 7 oktober 2023 ontvoerde tijdens de terreuraanval in Israël,” is verderop te lezen. In ruil daarvoor: “ laat Israël bijna tweeduizend Palestijnse gevangenen vrij.” Van deze 2.000 ontbreekt een portret. Wel is te lezen dat: “ het vredesakkoord op fel verzet van rechtse coalitiepartijen, die zich keren tegen elke vorm van ruil met Hamas,” stuit.

In een ander artikel in dezelfde krant staat iets meer over de 2.000 Palestijnen. Of eigenlijk meer over die ene Palestijn die niet is vrijgelaten, maar daarover later meer. “De vrijgelaten gevangenen zijn grofweg in te delen in twee groepen: het gaat allereerst om 1.700 van de ongeveer 6.000 Gazanen die de afgelopen twee jaar tijdens de vernietigingscampagne zijn opgepakt en zonder vorm van proces in een Israëlische cel zijn verdwenen. … De andere groep gevangenen is veel kleiner. In totaal 250 Palestijnen die tot levenslang zijn veroordeeld.” De vrijlating van deze laatsten ligt in Israël gevoelig omdat: “de gevangenen aanslagen hebben gepleegd of bij de organisatie daarvan betrokkenen waren.”

Op deze laatste groep kom ik later terug, tegelijk met die ene Palestijn waarover het artikel handelt. Nu eerst die eerste groep. Deze eerste groep zat zonder vorm van proces in een Israëlische gevangenis. Een situatie die is te vergelijken met het niet militaire deel van de Israëliërs waarvan gisteren de laatsten zijn vrijgelaten. Een wederrechtelijke gevangenneming ook door een overheid, is in Nederland een strafbaar feit dat gijzelen wordt genoemd (artikel 282a Wetboek van strafrecht). Ook deze 1.700 Palestijnen waren gegijzeld. Gegijzeld door de staat Israël. Door hen ‘gevangenen’ te noemen ontstaat het beeld dat zij een misdaad hebben gepleegd terwijl dat niet het geval is. Het beeld dat er zo ontstaat is dat er onschuldigen tegen misdadigers worden uitgeruild. Een beeld dat in ieder geval voor deze 1.700 niet het juiste is.

Dan naar die ene Palestijn en in zijn kielzog die andere groep van 250. Marwan Barghouti: “die al 23 jaar achter de tralies zit, wordt door het overgrote deel van de Palestijnen beschouwd als hun gedroomde president. Zodra hij vrijkomt, zal hij worden gezien als het gezicht van de toekomstige Palestijnse staat en is hij de grote hoop op een einde aan de bezetting.” Een man die na de akkoorden van Oslo: “werd gekozen in het nieuwe parlement van de Palestijnse Autoriteit,” en: “voorstander (was) van de vredesonderhandelingen en maakte zich mateloos populair door zijn verzet tegen corruptie binnen de top van het Palestijnse bestuur.” Door het traineren van dat proces vanuit Israëlische kant: “verloor (hij) in de loop der jaren echter zijn vertrouwen in Israël als partner voor vrede en koos voor het gewapende verzet. Tijdens de Tweede Intifada (2000-2005) leidde hij de gewapende tak van Fatah.” Hij, zo is te lezen: “weigerde zich te laten verdedigen uit protest tegen het Israëlische juridische systeem, maar liet herhaaldelijk weten dat hij fel tegenstander is van het doden van onschuldige burgers.” Hij werd uiteindelijk veroordeeld: “tot vijf keer levenslang, plus nog eens 40 jaar cel voor vijf moorden, meerdere pogingen tot moord en samenzwering.” Hij wordt niet vrijgelaten. Maar laten we eens kijken naar zijn, in de ogen van Israël gepleegde misdaden.

Moord, pogingen tot moord en samenzwering. Om met die laatste beschuldiging te beginnen. Samenzwering tegen de staat Israël. Barghouti verzet zich tegen de bezetting van zijn land door Israël. Er is geen wet die het verzet tegen bezetting legitimeert. Maar is het daarmee verboden? Er is een basis voor verzet tegen een bezetter. Die basis vormt de Universele verklaring voor de rechten van de mens. De aanhef van dit verdrag – de preambule zoals dat in juridische termen wordt genoemd – biedt die basis. Die begint met de woorden: “dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld.” Gevolgt door: “dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan en dat de komst van een wereld, waarin de mensen vrijheid van meningsuiting en geloof zullen genieten, en vrij zullen zijn van vrees en gebrek, is verkondigd als het hoogste ideaal van iedere mens.” En dan het voor dit betoog belangrijke: “dat het van het grootste belang is, dat de rechten van de mens beschermd worden door de suprematie van het recht, opdat de mens niet gedwongen wordt om in laatste instantie zijn toevlucht te nemen tot opstand tegen tirannie en onderdrukking.” Als een heerser deze rechten aan de laars lapt, dan mag de mens in opstand komen tegen tirannie en onderdrukking.

Verzet tegen een tirannie en overheersing is geoorloofd. Iets wat iedere Nederlander zou moeten weten want de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën, de voorloper van ons huidige land, ontstond uit eenzelfde daad van verzet. Een daad die werd gelegitimeerd met het Plakkaat van Verlatinghe waarin we een soortgelijke tekst lezen als in de Universele verklaring voor de rechten van de mens. Volgens het Plakkaat is het: “aan ieder bekend dat een vorst, als dienaar van God, geacht wordt zijn onderdanen te beschermen tegen alle onrecht, overlast en geweld, zoals een herder zijn schapen beschermt. De onderdanen zijn niet door God geschapen om de vorst in alles wat hij beveelt onderdanig te zijn en hem als slaven te dienen. De vorst regeert bij de gratie van zijn onderdanen en moet met recht en reden over hen regeren, hen beschermen en liefhebben zoals een vader zijn kinderen liefheeft en zoals een herder met hart en ziel zijn schapen beschermt. Als een vorst zijn plichten niet nakomt, maar, in plaats van zijn onderdanen te beschermen, hen probeert te onderdrukken als slaven, dan is hij geen vorst, maar een tiran. In dat geval mogen zijn onderdanen, na beraadslaging in de Staten-Generaal, hem afzweren en een andere leider kiezen.” Ook de Amerikaanse Declaration of Indepence begint met een soortgelijke passage: “Wanneer het in de loop van menselijke gebeurtenissen noodzakelijk wordt voor een volk om de politieke banden die hen met een ander volk verbonden hebben te verbreken en onder de machten van de aarde de afzonderlijke en gelijke positie in te nemen waartoe de wetten van de natuur en van de God van de natuur hen recht geven, vereist een gepast respect voor de mening van de mensheid dat zij de redenen bekendmaken die hen tot de afscheiding hebben gedreven.”

Barghouti verzet zich tegen een bezetter die de inherente waardigheid, gelijke en onvervreemdbare rechten van de Palestijnen aan de laars lapt. Een bezetter die deze rechten voor Palestijnen minacht en wiens handelen tot barbaarsheid leidt. Barbaarsheid waardoor hij in laatste instantie zijn toevlucht zocht tot opstand tegen tirannie en onderdrukking. Bij die opstand richtte hij zich, als we zijn uitspraken mogen geloven, op de staat en de organen ervan die zich schuldig maken aan die tirannie en onderdrukking en niet op de bevolking van die staat. Of dat altijd lukte en er niet burgers stierven door zijn acties, weet ik niet. Maar zelfs als dat laatste gebeurde, dan nog zijn die verzetsdaden geen misdaad. De gedode burgers zijn dan onbedoelde nevenschade. Of dit voor al de 250 vrijgelaten Palestijnen ook opgaat, weet ik niet. Iedere oorlog en bezetting kent zijn ‘slagers’, mensen die doden om het doden.

Wat ik wel weet is dat dit het door de Volkskrant en trouwens bijna alle media voor deze Palestijnen gebruikte woord ‘gevangenen’ in een ander daglicht stelt.