Uitgelicht

‘K.. op Dirk’

“Nu kan het zijn dat jij een van de mensen bent die geloven dat het breken van de wet altijd fout is. Bedenk dan óók: de democratie kan het zodanig bij het verkeerde eind hebben dat geweldloos verzet niet alleen geoorloofd, maar zelfs onmisbaar wordt.” Dit schrijft Simon van Teutem in een artikel bij De Correspondent. In dat artikel bespreekt hij het recente fenomeen van zich aan schilderijen vastlijmende en met soep of puree bekogelende activisten die aandacht vragen voor de ernstige toestand waarin het klimaat zich bevindt en de rol die de mens hierin speelt. In zijn betoog vergelijkt Van Teutem deze acties met historische voorbeelden van geweldloos verzet en dat leidt tot een bijzondere vergelijking. Even voorop stellen. Wat ik hier schrijf en dat ik het schrijf wil niet zeggen dat ik de urgentie die de ‘plaktivisten’ drijft niet begrijp.

Bron: wikipedia

Terug naar Van Teutem. “De Amerikaanse essayist Henry David Thoreau, uitvinder van het begrip ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’, vertikte het om bij te dragen aan slavernij en weigerde daarom vanaf 1840 nog belasting te betalen. Zes jaar later sloeg de lokale sheriff hem in de boeien. Dat incident schrok hem niet af, maar zette hem aan tot het schrijven van zijn befaamde essay ‘On the Duty of Civil Disobedience’.” Hij vervolgt met: “68 jaar later werd precies die tekst gelezen in de gevangenis, door de Indiase vrijheidsstrijder Mahatma Gandhi. De burgerlijke ongehoorzaamheid van Gandhi – die mensen opriep te staken en mee te doen aan geweldloze marsen – bezielde weer een jonge Amerikaanse dominee. ‘We who engage in nonviolent direct action are not the creators of tension’, schreef Dr. Martin Luther King in zijn Letter from a Birmingham Jail. ‘We merely bring to the surface the hidden tension that is already alive.’” Daarmee plaatst hij de ‘plaktivisten’ in een rijtje met groten.

Gaat die vergelijking van de ‘plaktivisten’ met Thoreau, Gandhi en King niet heel erg ver en betreft het appels met peren vergelijken of het verkopen van knollen voor citroenen? Thoreau, Gandhi en King kwamen op voor mensen die werden onderdrukt en geen burgerlijke of politieke rechten hadden of waarvan die rechten flink werden beperkt. Die hun stem in de figuurlijke zin niet konden laten horen en waarvan de letterlijke stem vaak het zwijgen werd opgelegd. Die als ze toch hun stem lieten horen of zich verzetten in het gevang belandden of erger.

‘Maar deze activisten komen op voor toekomstige generaties die nog geen stem hebben’, kun je dan tegenwerpen. Maar werp ik dan tegen: ‘Iemand die het anders ziet kan met evenveel recht en rede beweren op te komen voor toekomstige generaties die hun stem nog niet kunnen laten horen. Daar hebben deze actievoerders niet het alleenrecht op.’

‘Maar ze doen het voor nobel doel en voor ons allemaal’, kun je dan weer tegenwerpen. Waarop ik weer tegenwerp: ‘De nobelheid van een doel is arbitrair. Het ene (schilderij plakken voor een beter milieu) en het andere (blokkeren van wegen, gier op straat laten lopen) zijn acties die je alleen maar ‘nobel’ vindt als het doel je nader aan het hart gaat. Acties voor een doel waar je sympathie voor hebt kunnen op meer sympathie rekenen dan soortgelijke acties voor een doel waar je geen sympathie voor hebt.’

Maar belangrijker. Thoreau, Gandhi en King verzetten zich tegen onrechtvaardige wetten. Rosa Parks ging in de bus op een plek zitten waar ze met haar huidskleur niet mocht zitten om zich tegen de regelgeving die dit onderscheid legitimeerde te verzetten. Gandhi spinde het garen voor zijn eigen kleren en riep iedereen op dit te doen om de Britse import van textiel en zo dus de beurs van de Britten te raken. Hij liep in 24 dagen vierhonderd kilometer om zout uit zee te winnen om het Britse zoutmonopolie aan de kaak te stellen. Thoreau betaalde geen belasting omdat een overheid die een deel van haar burgers rechteloos laat, geen overheid is. Nu was voor Thoreau, zoals voor bijna iedere Amerikaan: “That government is best which governs least;” and I should like to see it acted up to more rapidly and systematically. Carried out, it finally amounts to this, which also I believe—“That government is best which governs not at all,” zoals hij het in zijn On the Duty of Civil Disobedience verwoordde. En dat is precies wat overheden bij het bestrijden van de klimaatcrisis doen.

“I submit that an individual who breaks a law that conscience tells him is unjust, and who willingly accepts the penalty of imprisonment in order to arouse the conscience of the community over its injustice, is in reality expressing the highest respect for law.” Aldus Martin Luther King in zijn Letter from a Birmingham jail. Gandhi, King en Thoreau voerden actie om onrechtvaardige wetten en onrechtvaardig beleid aan de kaak te stellen en richtten hun acties op die wet of dat beleid. Welke onrechtvaardige wet of beleid, om King aan te halen, stel je aan de kaak door je aan een schilderij te plakken en/of er soep over te gooien? De enige wet die je overtreedt is de wet die het vernielen of beschadigen van eigendom van anderen verbiedt. Het lijkt mij niet dat de activisten de wet die het vernielen of beschadigen van andermans eigendom verbiedt, onrechtvaardig vinden. De ‘plaktivisten’ op deze manier naast Thoreau, Gandhi en King plaatsen slaat, om het cru uit te drukken, als ‘k.. op Dirk’.

Uitgelicht

Kapot nivelleren

In het Financieel Dagblad, houdt econoom Mathijs Bouman een pleidooi voor een voltijdsbonus. Eigenlijk wil hij liever een complete hervorming van het belastingstelsel maar dat zit er voorlopig niet in en dan is een voltijdsbonus nog niet zo slecht, aldus Bouman: “Juist in de huidige situatie wordt de deeltijder voorgetrokken, en niet zo’n beetje ook. Een voltijdsbonus zal dat een enigszins kunnen rechttrekken. Rijke voltijders betalen dan nog steeds veel meer belasting dan arme voltijders, maar de deeltijdsubsidie wordt minder.” Dat klinkt sympathiek. Maar even naar zijn analyse.

Heel in het kort is die verwoord in het tweede deel van de titel van het artikel: “Voer de voltijdsbonus in, want onze arbeidsmarkt is kapot genivelleerd.” Dat onderbouwt Bouman met een rekenvoorbeeld van een vol- en een deeltijder in voor de rest precies dezelfde situatie. Dan blijkt dat de deeltijder door allerlei toeslagen per gewerkt uur netto veel meer verdiend dan de voltijder, € 28,30 tegenover € 17,00. En als de deeltijder besluit om voltijds te gaan werken dan levert dat per gewerkt uur maar € 6,00 op aan extra koopkracht. Door het invoeren van een bonus bij voltijdswerken zou dat veel meer worden en zou voltijds gaan werken extra lonen en dus aantrekkelijker worden. Aangezien er een tekort is aan arbeidskrachten zouden die extra gewerkte uren zeer welkom zijn. Dus doen! Nou, niet zo snel.

Niet zo snel want wellicht zijn er meer manieren om hier iets aan te doen. Meer manieren waarbij het niet de belastingbetaler is die hiervoor opdraait want dat is de persoon die deze voltijdsbonus moet gaan betalen. Die bonus kan worden betaald door minder te nivelleren, dan betalen dus de armeren de rekening voor de rijken het kan ook door het benodigde extra geld bij hogere inkomens te halen en dan …. Is er sprake van nivellering. Nivelleren om ‘kapot nivellering’ te bestrijden? Een derde optie is om de belasting op winsten van bedrijven te verhogen. Daar is wat voor te zeggen omdat zij kunnen profiteren van die meerdere uren die er dan gewerkt worden. Dat betekent meer omzet en meer winst. Nou iets minder meer dan omdat ze die voltijdsbonus moeten betalen.

Maar wacht eens? Als het de bedrijven zijn die ervan profiteren, waarom dan een voltijdsbonus via de belastingen? Waarom de kosten niet direct bij de bedrijven leggen? Als bedrijven moeite hebben om aan personeel te komen is loonsverhoging dan niet dé manier om deeltijders te verleiden om meer te werken? Ja, dan zullen ook die voltijders meer loon vragen want gelijk werk moet gelijk worden beloond. Laat ik net als Bouman ook eens met wat cijfers rekenen. Als we kijken naar modaal inkomen dan was dat in 1995 € 22.235 en in 2021 € 37.000, een stijging van ruim 66%. Kijken we naar de ontwikkeling van de economie als geheel (het bbp) dan groeide dat in dezelfde periode met net geen 105%, van € 655,5 miljard naar € 1.341,2 miljard. Dat betekent dat de werkenden een steeds kleiner deel van de totale koek kregen en bedrijven een steeds groter deel. Als je je daarbij bedenkt dat de prijzen in dezelfde periode met 70% zijn gestegen dan is de gemiddelde loontrekker er in die periode op achteruit gegaan en viel alle groei aan de factor kapitaal. Als je het van die kant bekijkt, dan kun je concluderen dat het ‘kapot nivelleren’ nodig was om te voorkomen dat mensen met lagere inkomens zouden verhongeren. Lijkt het er zo niet op dat er is genivelleerd om de bedrijven winstgevender te maken?

Als dat zo is, is dan loonsverhoging en optrekking van het minimumloon niet ineens ook een mogelijke optie? Want wordt ‘nivelleren’ hierdoor niet minder noodzakelijk omdat er voldoende inkomen is om van te leven? Naast de verminderde noodzaak tot nivelleren kent deze optie nog meer voordelen. Zo wordt arbeid duurder en dat maakt het aantrekkelijker om werk te automatiseren. Dat komt de arbeidsproductiviteit weer ten  goede. Ook zal bepaald soort werk verdwijnen omdat de producten of diensten die ermee worden geleverd te duur worden en niemand er meer voor wil betalen. Het eerste wat mij daar te binnenschiet zijn de vele maaltijdbezorgers. Daar zullen er veel van verdwijnen behalve als de gebruikers ervan bereid zijn om de hogere lonen te betalen.

Uitgelicht

De actieve herinneringen van Cliteur

“Een historicus moet verschijnselen die hij wil begrijpen en verklaren niet benaderen vanuit het eindpunt- dat hij wel kent, maar de tijdgenoten die hij bestudeert niet. Dat vernauwt de blik.[1]Patrick Dassen in de inleiding van zijn boek De Weimarrepubliek 1918 – 1933. Over de kwetsbaarheid van de democratie. Ik moest hieraan denken bij het lezen van een artikel van Paul Cliteur bij De Dagelijkse Standaard.

Zoals we nu weten eindigde de Weimarrepubliek met de machtsovername door Hitler maar tijdgenoten in 1920 en zelfs op de dag die nu wordt gezien als het einde van de Weimar Republiek, 10 januari 1933 het moment dat Hitler door rijkspresident Hindenburg tot rijkskanselier werd benoemd, wist men dat niet. Hitler was immers de zoveelste kanselier van een nieuwe regering en die zou ook wel weer verdwijnen net zoals al die eerdere sinds 1918. Tegenwoordig lijkt het mode om verschijnselen in het verleden te verklaren en te begrijpen vanuit het eindpunt. Dan concludeer je dat vijftiende-eeuwse Europese voorouders die per boot een weg zochten naar Indië, in en in racistisch en koloniaal waren. Of dan verbaas je je erover dat, zoals Rutger Bregman onlangs in een artikel bij De Correspondent, er zo lang zo weinig mensen in opstand kwamen tegen slavernij.

Eigen foto

Het bestuderen van de geschiedenis vanuit het eindpunt zou je een bijzondere vorm van historicisme kunnen noemen. Historicisme ziet: “het individu als een marionet, als een min of meer onbeduidend instrument in de algemene ontwikkeling van de mensheid. En de werkelijk belangrijke acteurs op het toneel van de geschiedenis zijn voor hem grote naties en hun leiders of eventueel de grote klassen of de grote ideeën. Wat daar ook van zij, hij zal de betekenis van het toneelstuk dat op het toneel van de geschiedenis wordt gespeeld, proberen te begrijpen; hij zal wetten van historische ontwikkeling trachten te begrijpen.[2] Een bijzondere vorm omdat het historicisme nog één stap verder gaat, dat voorspelt op basis van die gevonden wetmatigheid ook nog de toekomst. Maar terug naar Cliteur en waarom ik hieraan moest denken.

Cliteur reageert op een artikel van Robin te Sla in de Volkskrant. Te Sla stelt de vraag in hoeverre het Forum voor Democratie als fascistisch moet worden beschouwd en concludeert dat: “Alhoewel het door de gehanteerde dogwhistles en het verhullend taalgebruik niet voor iedereen te herkennen is, (…) Baudet en zijn partij onbetwistbaar bepaalde kenmerken van het fascisme,” vertonen. Volgens Cliteur zijn die ‘hondefluitjes’ een win-win voor de ‘nazi-jager: “De hondenfluitjestheorie heeft één heel groot voordeel. Als iemand iets zegt dat overduidelijk lijkt op iets dat we kennen uit de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw dan is die persoon een “nazi” of “fascist”, omdat hij dat zelf heeft aangegeven. Als iemand iets zegt dat niet zo erg lijkt op iets dat in de jaren dertig en veertig als nazistisch of fascistisch werd gepresenteerd dan hanteert die persoon een hondenfluitje. Hij is dat een stiekeme nazi of fascist.” Nu gaat het mij niet om het al dan niet fascistisch zijn van Baudet, noch om die ‘hondenfluitjestheorie’. Dit even als achtergrond.

In zijn betoog schrijft Cliteur het volgende: “Opvallend aan dit soort beschouwingen is vaak dat ze niet zeggen: “persoon die of die is een fascist”. Maar het is insinuerend: de persoon “heeft kenmerken”. Hij of zij “zinspeelt”. Het gaat niet om fascisme, maar om een iets afgezwakte vorm: “fascistoïde”. Een van de vragen die dit soort beschouwingen oproept is dan: waarom zou de van fascisme beschuldigde persoon zichzelf niet gewoon “fascist” noemen? Of de van nazisme beschuldigde persoon een “nazi”? Een “echte fascist” kwam daar toch wel voor uit, zou je zeggen. Mussolini zei toch niet: “Wat? Een fascist? Hoe kom je daarbij?” En met die vergelijking met Mussolini ben ik op het punt waar ik jullie mee naartoe wil nemen.

Inderdaad zei Mussolini vol trots dat hij een fascist was. Niet zo vreemd want hij was min of meer de uitvinder van het fascisme en in ieder geval de eerste fascistische leider van een land. Behalve voor zijn communistische en socialistische tegenstanders die al vrij snel werden geraakt door de fascistische knuppel, had fascisme geen negatieve connotatie. Die negatieve connotatie kwam pas na een wereldoorlog en een Holocaust. Dat bezorgde fascisme en de Duitse variant ervan, het nationaalsocialisme een zeer negatieve connotatie. Iets waarmee je, als je maatschappelijk en politiek iets wilt betekenen, niet geassocieerd wilt worden omdat je dan niet verder komt dan de kantlijn van de samenleving.

Waar het tegenwoordig gebruik is om historische verschijnselen te verklaren vanuit het eindpunt, doet Cliteur iets anders bijzonders. Cliteur bestudeert een verschijnsel en heeft geen ‘actieve herinneringen’ aan de historie ervan. Wellicht helpt het Cliteur als hij Dassens boek leest.


[1] Patrick Dassen, De Weimarrepubliek 1918 – 1933. Over de kwetsbaarheid van de democratie, pagina 16

[2] Karl Popper, De open samenleving en haar vijanden, pagina 35

Uitgelicht

Bijzondere crisisbestrijding

Sinds eind 2019 waart COVID 19 in verschillende vormen rond op deze aardbol. Een ziekmakend virus waarin in den beginne veel mensen stierven en dat de zorginfrastructuren van bijna alle landen overbelastte. Regeringen van verschillende landen namen daarbij verschillenede maatregelen in de hoop het virus te stoppen. Nou ja, niet alle regeringen. Er waren ook leiders van landen (zoals in de Verenigde Staten en Brazilië) die geen problemen zagen en de zaak op hun beloop lieten. Of, en zo ja hoe effectief iedere maatregel was, kon men vooraf niet weten. Dat er tijdens een crisis maatregelen worden genomen op basis weinig informatie is eigen aan een crisis. Zeker bij een pandemie met een zich exponentieel ontwikkelend virus, is snel actie geboden.

Bron: Pix4free

Als leider roep je bij zo’n dreigende pandemie, de virologen bijeen en vraagt hen jou te adviseren wat te doen. Omdat er veel onbekend is aan het begin van de crisis vraag je hen drie scenario’s uit te werken: van grootste ellende, via ellende tot beperkte ellende en je vraagt hen welk scenario zij adviseren. Dat bespreek je met gedragsdeskundigen, economen, andere specialisten en communicatiedeskundigen. Dan neem je samen met je ministers een besluit. Dat moet binnen een periode van een week gepiept zijn

Er zijn echter politici of eigenlijk is er een, die een viruspandemie op een andere manier denken te bestrijden. Die zouden zich als leider van een land eerst twee weken opsluiten en 25 boeken lezen over virologie. Die zouden in diezelfde twee weken 200 gesprekken voeren met deskundigen. Nu vraag ik me af hoe je dat allemaal in die twee weken kunt doen Met 200 gesprekken van een uur zijn de eerste acht van die veertien dagen al helemaal opgegaan aan die gesprekken en heb je niet kunnen eten en slapen. Dan heb je nog net geen 6 dagen over om die boeken te lezen. Bij gemiddeld 500 pagina’s per boek,  250 woorden per pagina en een leessnelheid van ook 250 woorden, kost het iets meer dan acht dagen om die boeken te lezen. Dan heb ik er nog geen rekening mee gehouden dat het lezen van onbekende wetenschappelijk literatuur veel meer tijd kost om te lezen dan een boeketreeksboekje.

En daarmee is die politicus er nog niet want in die resterende tijd schrijft hij, het is een hij, ook nog een visie op de aanpak van die pandemie. Als je dat een beetje onderbouwd wilt doen dan kost dat schrijven je ook nog wel een dag of 5 onafgebroken werken. Onze politicus is daarmee zeker 22 dagen onafgebroken in touw. Als we bij die dagen 8 uur eten, slapen en jezelf verzorgen per dag tellen, dan komen er nog een dag of zeven bij.

Een visie die hij vervolgens via een referendum aan het volk wordt voorlegt. Om dat volk vervolgens ook nog de tijd te geven zich in de materie te verdiepen en er zich een oordeel over te vormen en omdat het referendum nog georganiseerd moet worden, ben je zeker nog een maand of twee verder voordat er duidelijk is of het volk de visie van die leider steunt. Als je dan van het positieve geval uitgaat dat het volk die visie steunt, dan kun je pas daarna aan de slag met het nemen van maatregelen. Al met al ruim dertien maanden voordat er ook maar iets gebeurt. Als het aantal besmettingen van het virus zich in een week verdubbeld, dan is iedere zieke er in de twaalf weken die deze ene politicus er meer over doet, uitgegroeid tot 2.048 zieken. Om maar te zwijgen over het scenario dat het volk de visie van deze politicus afwijst want dan gebeurt er na die dertien weken nog steeds niets en is die ene zieke een week later uitgegroeid tot 4.096 zieken.

Bijzonder aan deze politicus is dat hij, Baudet, in de eerste maanden van 2020 toen de pandemie uitbrak een heel andere toon uitsloeg. De Kamer kon hem toen niet snel genoeg bijeen worden geroepen om over de toen dreigende crisis te spreken. Hij trok zich niet terug om die 25 boeken te lezen en die 200 gesprekken met specialisten aan te gaan. Als deze aanpak die hij verkondigde in een interview bij Geopolitics&Empire1] de les is die hij heeft geleerd van de COVID 19 pandemie, maakt dat hem dan niet volledig ongeschikt als leider?


[1] https://www.bitchute.com/video/VI8I0rJjup8/  Zo rond minuut 15 verkondigd Baudet deze crisisaanpak

Uitgelicht

Europese vrijheden en waarden

De Oekraïners vechten voor onze vrijheid, voor de Europese waarden. Menig Europees en ook Nederlands politicus sprak die of soortgelijke woorden uit sinds de Russische inval in dat land. Dergelijke woorden gevolgd door iets als ‘want Poetin stopt niet bij Oekraïne’. Vormt Rusland werkelijk een bedreiging voor onze vrijheden en Europese waarden of zijn er andere, grotere bedreigingen voor die waarden?

Chileense vluchtelingen komen aan in Nederland in 1973. Bron: WikimediaCommons

Ik denk niet dat de Oekraïners voor onze vrijheid vechten. Ze vechten voor hun eigen vrijheid, dat is hun goed recht. Ook denk ik dat de Russische militaire dreiging schromelijk wordt overdreven. En nee, die gedachte is niet iets van de laatste weken waarin het Oekraïense leger successen boekt. Nee enkele dagen voor de Russische inval sprak ik al mijn twijfels uit over de Russische kansen Oekraïne te veroveren en vervolgens te bezetten. Twijfels gebaseerd op het aantal soldaten aan beide zijden. Nu zegt het aantal beschikbare troepen niet alles. Zo lukte het de troepen van de Korintische Bond onder leiding van Alexander de Grote om het Perzische leger onder leiding van Darius III te verslaan terwijl ze flink in de minderheid waren.

Sinds Poetin de mobilisatie heeft afgekondigd, vluchten Russen die het risico lopen opgeroepen te worden het land uit. Hierbij moeten we aantekenen dat het vooral de beter gesitueerden zijn die vluchten. Zij hebben middelen om een vlucht mogelijk te maken die het gros van de Russen niet heeft. Die vluchtende Russen vluchten ergens naar toe en dat leidt tot de vraag of we deze vluchtelingen op moeten vangen en asiel moeten verlenen. De regeringen van enkele lidstaten (Polen en de Baltische staten) van de Europese Unie geven NEE als antwoord. De Litouwse minister van buitenlandse zaken Gabrielius Landsbergis formuleerde het als volgt: “Russen moeten blijven en vechten tegen Poetin.”  Zijn Letse collega Rinkevics voegde eraan toe: “Er zijn genoeg landen buiten de EU om naar toe te gaan. Veel van de Russen die Rusland nu ontvluchten vanwege de mobilisatie, vonden het prima om Oekraïners te doden, ze protesteerden toen niet. Het is niet juist om ze te beschouwen als gewetensbezwaarde.”

Nu weet ik niet of veel Russen het prima vonden Oekraïners te doden. Hiervoor ontbreken betrouwbare opiniepeilingen. Zelfs als die er wel zijn, kun je je afvragen of ze betrouwbaar zijn in een land waar propaganda en indoctrinatie hoogtij vieren. Dit even terzijde.

Als Russen in Rusland moeten blijven om tegen Poetin te vechten en ze daarom niet als vluchteling mogen worden toegelaten, gaat dat dan niet ook op voor Oekraïners? Zouden die dan niet ook in Oekraïne moeten blijven om voor de vrijheid van hun land te vechten? Sterker nog, met dit argument hoeft er niemand als vluchteling te worden toegelaten. De politieke vluchteling uit Noord-Korea moet dan in Pyongyang blijven om te strijden tegen Kim Jong Un. De homo uit Iran moet daar blijven om te strijden tegen de ayatollahs en voor zijn recht om zichzelf te zijn.

Maar belangrijker, de andere kant, de vrijheden en waarden waar die leiders zich met woorden zo druk om maken. Wat zijn die waard als ze selectief worden toegepast? Als we ze gebruiken om anderen, zoals Rusland, China, Noord-Korea, mee om de oren te slaan maar ze, als puntje bij paaltje komt en we ernaar moeten handelen, negeren? Dat: “Er (..) aanzienlijke veiligheidsrisico’s als ze worden toegelaten,” zijn, zoals Rinkevics vreest, doet daar niets aan af. Vormt die selectieve toepassing niet een veel grotere bedreiging voor onze waarden en vrijheden?

Uitgelicht

Baudets idée fixe

De dag na Prinsjesdag is de dag van de algemene politieke beschouwingen. Tijdens deze beschouwingen geven de fractievoorzitters van de politieke partijen hun eerste reactie op de door het kabinet ingediende begroting en de erin opgenomen plannen voor het komende jaar. Het kabinet luister daarbij toe en antwoordt de volgende dag op de door diverse fractie ingebrachte zaken. Deze week gebeurde er iets bijzonders, het voltallige kabinet liep weg tijdens de bijdrage van FvD-leider Baudet. Baudet wil ons doen geloven in zijn idée fixe, een preoccupatie in zijn geest.

Bron: Flickr

Baudet terug wil naar het verleden: “… terugkeren naar een vrije samenwerking tussen soevereine natiestaten.”  Want de: “de natie en het gezin omdat het natuurlijke structuren zijn, die voortkomen uit het wezen van de menselijke natuur, en die dus niet het product kunnen zijn van menselijke planning.” Die woorden sprak Baudet niet uit in de Kamer omdat het kabinet midden in zijn bijdrage opstapte en hij zijn verhaal niet meer mocht afmaken. Baudet zat midden in een betoog waarin hij een wereldwijd elitair complot aan het ontmaskeren was. Want: “Volgens de diepste overtuiging van de elites die ons regeren, is de menselijke vrijheid een gevaar; is de menselijke natuur een gevaar. Inderdaad, de menselijke natuur moet worden veranderd en er moet een nieuwe mens worden geschapen.” Om die nieuwe mens te creëren: “willen ze ons controleren met sociaal krediet, QR-codes en algoritmes, zodat onze gevoelens en verlangens kunnen worden gemonitord en gemanipuleerd.” Om dat dus allemaal te voorkomen moeten ‘back tot he past’ toen ‘we’ nog leefden in die ‘natuurlijke orde’ van de ‘vrije samenwerking’ tussen ‘soevereine natiestaten zo wil hij ons doen geloven.

Een natiestaat: “of nationale staat is een staat met één dominante natie waarmee een soeverein territorium wordt geboden aan een bepaalde natie en haar culturele identiteit,” aldus Wikipedia. Om te weten wat hier staat moeten we eerst weten wat een natie is. Een natie is een: “groep van individuen van hetzelfde staatsburgerschap die in een begrensd gebied wonen.” Maar ook wat een culturele identiteit is. Een identiteit is het: “eigen karakter van een persoon of groep.” En cultuur“het geheel van normen, waarden, tradities, regels, kunstuitingen enz. van een land, volk of groep.” En nu in mijn woorden. Een natiestaat is een staat waarvan de mensen tot eenzelfde culturele groep behoren. Hoeveel naties zouden hieraan voldoen? Zo herkennen de Catalanen en Basken zich niet in natiestaat Spanje, hebben de Schotten moeite met de Britse om over culturele verschillen en verschillen in godsdienst maar te zwijgen. Nederland voldeed er nooit aan, zo liet ik in Een lesje geschiedenis deel 2 zien.

De natiestaat is, in tegenstelling tot wat Baudet ons wil doen geloven geen ‘natuurlijke structuur’. Van al die miljoenen jaren dat de mens, nee laat ik me beperken, van al die bijna 300.000 jaar dat ons soort, de Homo sapiens, op deze planeet rondloopt, is er pas een kleine 200 jaar sprake van natiestaten. Daarvoor even naar Francis Fukuyama’s boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek. Fukuyama: “De Europese samenleving maakte een reeks ingrijpende economische en sociale veranderingen door, die leidden tot de materiële omstandigheden waardoor zulke ideeën zich konden verbreiden.[1]” Welke veranderingen dat waren? “Toen markten groeiden als gevolg van technologische veranderingen, ontstonden er nieuwe beroepen en kwamen er andere sociale klassen op. Steden werden machtiger en onafhankelijker en ze dienden als toevluchtsoorden voor boeren die aan de tirannie van hun heer probeerden te ontkomen.” Die veranderingen betekenden dat: “de mensen opeens meer keuzen en kansen hadden in hun leven. In de oude samenleving bepaalden hun beperkte sociale keuzemogelijkheden wie zij voor zichzelf waren; nu de bestaande grenzen werden doorbroken werd de vraag ‘Wie ben ik?’ opeens relevanter, evenals het gevoel dat er een enorme kloof bestond tussen de innerlijke mens en de uitwendige realiteit. Ideeën vormden de materiële wereld, en de materiële wereld creëerde omstandigheden voor de verspreiding van bepaalde ideeën.”[2] 

Om het wat duidelijker te maken, introduceert Fukuyama Hans. “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.” Fukuyama vervolgt met een beschrijving van de ‘nieuwe wereld’ van Hans die naar het, in de negentiende eeuw snel industrialiserende, Ruhrgebied verhuisde. In die nieuwe wereld is alles anders. Hans komt mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk.[3]” Hans ziet in zijn ‘beeldscherm’ een hem onbekende wereld. Een onbekende wereld die bij hem de vraag oproept: hoe verhoud ik me tot die wereld? Wie ben ik en welke rol speel ik in deze nieuwe wereld? Die vraag stelden zich vele mensen in Europa.

Uiteindelijk kreeg Hans een antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’ Fukuyama haakt bij dat antwoord aan bij de negentiende-eeuwse socioloog Ferdinand Tönnies die de ontwikkelingen omschreef als een overgang van ‘Gemeinschaft’ naar ‘Gesellschaft’. Fukuyama: “De psychologische ontregeling als gevolg van de overgang van Gemeinschaft naar Gesellschaft vormde de grondslag voor een nationalistische ideologie, die gebaseerd was op een intense heimwee naar het denkbeeldige verleden van een sterke gemeenschap, waarin verdeeldheid en verwarring van een pluralistische moderne samenleving niet bestonden.” Het antwoord dat Hans kreeg: “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[4]” Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts. Bij dat antwoord werden ‘verhalen’ geschreven om die ‘erfelijke lijn’ naar die ‘oude cultuur’ te leggen. Hiervoor werden standbeelden opgericht voor personen die een belangrijke rol speelden in die verhalen. Voor wie erop let of er onderzoek naar doet, het overgrote deel van die beelden zijn in de negentiende en begin twintigste eeuw geplaats. Neem bijvoorbeeld het nu omstreden beeld van Coen in Hoorn. Geplaatst in 1893, meer dan 260 jaar na zijn overlijden. Bij dat antwoord behoorde ook het afzetten tegen andere staten dat leidde tot twee gruwelijke Wereldoorlogen.

Het antwoord dat Hans kreeg, is het antwoord dat Baudet nu ook weer geeft: ‘je bent een trotse Nederlander met een oude cultuur en geschiedenis enzovoorts’. Je kunt je bovendien afvragen of een antwoord uit het verleden past bij de uitdagingen van het heden? Het bijzondere is dat Baudet terugverlangt naar de periode waarin Hans in onzekerheid verkeerde. Of beter gezegd naar een beeld van die tijd dat alleen in zijn hoofd bestaat. Een tijd waarin het met de menselijke vrijheid, waar hij zich druk maakt, erg slecht was gesteld.


[1] Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 55

[2] Idem, pagina 57

[3] Idem pagina 89

[4] Idem pagina 91-92

Uitgelicht

Inconsequent, weg!

“Ze zijn bezig met de opbouw van Global Governance,” aldus Forum voor Democratieleider Thierry Baudet in een gesprek met Michael van der Galien van De Dagelijkse Standaard. Die ‘global governance wordt: “mondiaal socialistisch totalitarisme,” en: “Ze verhúllen het niet eens meer.” Verdorie dat zijn zware woorden. Wat is er aan de hand?

Volgens Baudet valt hier heel veel over te zeggen: “In de eerste plaats dat het weer een stap is naar meer globalisme, globalisering, mondiale regelgeving. Een wereldstaat. Ze verhúllen het niet eens meer. Je ziet het gewoon gebeuren.” Iets wat hij nog bevestigd ziet: “Want er staat in: ‘Tax optimisation.’ Dat wil dus zeggen, het optimaliseren van je belastingdruk. Dát willen ze dus gaan criminaliseren. Dit verraadt dus niet alleen een globalistische mindset, maar ook een socialistische mindset.” En dat is: “verschrikkelijk. Straks hebben ze een wereldwijd web gespannen, een netwerk gespannen waarin we vastzitten. Overal dezelfde regels, overal dezelfde belastingen die we moeten betalen waar we niet aan onderuit kunnen, waar we ook democratisch niets aan kunnen doen want het is internationaal vastgesteld.”  En als het begin is gemaakt dan: “gaan ze langzaam maar zeker de duimschroeven aandraaien. Het begint met een paar procent, dat je zegt: een paar procent, waar hebben we het over. Dat wordt alsmaar meer tot we ál onze vrijheid kwijt zijn.”

Dan even naar de aanleiding. Bij het artikel een twitterbericht van minister van Financiën Kaag met daarin de volgende tekst: “Nederland is een voorstander van een wereldwijde effectieve minimumbelasting. Daarom heb ik samen met Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje een verklaring getekend deze in 2023 in te voeren. Het kabinet zet zich er maximaal voor in om een akkoord te bereiken.”  Er ontbreekt echter iets bij het twitterbericht en dat is een bijlage die minister Kaag er wel bij heeft gevoegd op haar zakelijke twitterkanaal. Wat er ontbreekt is de gezamenlijke verklaring van Kaag en haar collega’s van Frankrijk, Spanje, Italië en Duitsland. Even een eigen vertaling: “Aangezien de inflatie de koopkracht van onze medeburgers zwaar treft, moeten bedrijven hun deel van de lasten betalen om de gevolgen van de wereldwijde energiecrisis te verlichten. Daarom herbevestigen we onze versterkte inzet om de wereldwijde minimale effectieve vennootschapsbelasting snel te implementeren. Het is een belangrijke hefboom voor verdere gerechtigheid door een efficiëntere strijd tegen belastingontwijking en -ontduiking.”

Een wereldwijde minimale vennootschapsbelasting voor bedrijven. Die belasting is bedoeld om ervoor te zorgen dat de Apples, Facebooks, Booking.com, de Shells en al die andere multinationale bedrijven tenminste ergens in deze wereld eenzelfde percentage vennootschapsbelasting betalen als de lokale winkelier die zijn bedrijf in een BV heeft ondergebracht. Dat lijkt mij geen verkeerd idee. ‘We’ hoeven die belasting niet te betalen. Sterker nog, ‘we’ gaan erop vooruit als wereldwijd een minimumtarief aan vennootschapsbelasting wordt geheven. Minimum want een individueel land kan zelf besluiten een hoger tarief te heffen, een lager niet.

Bijzonder dat Baudet hier tegen is. Want, om hemzelf te parafraseren in zijn bijdrage aan het debat over de mogelijke afschaffing van de dividendbelasting van 25 april 2018, door hier tegen te zijn geeft hij : ‘buitenlandse investeerders een overbodig cadeautje waar de Nederlanders niets mee opschieten. Je moet het een beetje vergelijken met het volgende. Thierry Baudet komt met een aantal makkers van Unilever een café binnen en bestelt joviaal en breed lachend drank voor iedereen, maar als het op afrekenen aankomt is hij via de achterdeur alweer vertrokken naar een volgend café terwijl wij de rekening moeten ophoesten. ‘[1] Iets wat hij premier Rutte in het debat over die dividendbelasting terecht verweet.  Om Theo Maassen aan te halen: Inconsequent, weg![2]


[1] Bekijk het dit filmpje van de partij. De parafrasering begint ongeveer na 1 minuut en 35 seconden, https://www.youtube.com/watch?v=mNuNBkAXXIU.

[2] Uit de voorstelling Met alle respect van Theo Maassen uit 2012 (https://www.youtube.com/watch?v=GumMnZE7dfs)

Uitgelicht

Boerenkunst of de kunst van het boeren?

Volgens Tom Saat, biologisch dynamische boer te Almere en een maand lang gastcolumnist in de Volkskrant, is landbouw: “een oeruiting van de mens. Dat is de les die de geschiedenis van de landbouw ons leert. Dat is ook hetgeen wat nu nog steeds tot uiting komt in de diepgewortelde sympathie voor de boer.” Zo is te lezen in zijn column. Want: “Dat wat onze verre voorouders met dier en plant deden was niets meer of minder dan de zelfverwerkelijking van de mens. In hedendaagse termen kan je het kunst noemen.” De boer als kunstenaar en: “als we iets daarvan moeten leren voor de toekomst, is het wel dat in die culturele dimensie de sleutel ligt voor de broodnodige transitie.” Een bijzondere redenering, ik zie even af van de suggestie van een diepgewortelde sympathie voor de boeren, waarbij de nodige kanttekeningen te plaatsen zijn. Want is het sympathie voor de boeren of antipathie tegen de huidige regering?

Restanten van het tempelcomplex Göbekli Tepe. Bron: WikimediaCommons

Saat gebruikt Sapiens van Yuval Noah Harari als contrapunt in zijn betoog. Harari versimpelt, zo betoogt Saat: “de geschiedenis van de landbouw tot een geschiedenis van technologie. Het lichaam vraagt om voedsel en om het wat makkelijker te maken in plaats van eindeloos te moeten jagen en eetbare planten zoeken, vindt de mens de landbouw uit.” Dit is: “Feitelijk helemaal juist, maar het zegt niets over wat mensen daarbij bewoog.” Want: “De mens van zeven millennia geleden keek niet met een technologische blik naar de natuur.” Saat lijkt wel te weten hoe de mens zeven millennia geleden naar de natuur keek, namelijk door: “de godenwereld als het natuurlijke, direct beleefbare verlengstuk van menselijk ‘denken’ en handelen (te zien), en de planten- en dierenwereld die net zo goed bij de lichamelijkheid van de mens hoorden als het eigen lichaam.”

Harari beweert nergens dat onze voorouders met een technologische blik naar de wereld keken. Net als Saat stelt ook Harari de godenwereld centraal in het handelen van onze verre voorouders. Volgens Harari zou die ‘godenwereld’ wel eens de aanzet zijn geweest tot de agrarische revolutie. Hij suggereert dit naar aanleiding van de vondst van Göbekli Tepe, een groot bouwwerk van versierde stenen zuilen dat zo’n 11.500 jaar geleden is gebouwd in het huidige Turkije in een streek waar een van de eerste gedomesticeerde soorten van tarwe (eenkoren) is ontstaan. Harari: “Dat kan bijna geen toeval zijn. … Er waren uitzonderlijk grote hoeveelheden voedsel nodig om de mensen te voeden die de monumenten bouwden en gebruikten,” aldus Harari, en hij vervolgt: “Het zou heel goed kunnen dat verzamelaars overstapten van het verzamelen van wilde tarwe op de intensieve tarweteelt, niet om hun normale voedselvoorraad te vergroten, maar om de bouw van een tempel en het runnen daarvan mogelijk te maken.[1]  Of Harari gelijk heeft? Dat weten we niet want we waren er niet bij. Wat we wel weten is dat de agrarische revolutie niet zozeer een revolutie was maar eerder een evolutie van eeuwen en wellicht wel millennia. We weten ook dat het geen rechte lijn was maar eerder een soort Echternach processie waarbij er, zoals David Graeber en David Wengrow in het boek het begin van Alles, schrijven, ook wel eens op schreden werd teruggekeerd en de landbouw weer vaarwel werd gezegd.

De landbouw als kunst’ van de mens van 7 millennia geleden: “Dat wordt je duidelijk wanneer je de kunstwerken van die tijd op je in laat werken. Dat waren geen kunstwerken die in steen, hout of verf werden gemaakt (die kwamen pas enkele millennia later), maar dat waren wat wij nu onze (landbouw)huisdieren en cultuurplanten noemen.”  Zo betoogt Saat. Wat we wel weten en dat laat Göbekli Tepe zien, is dat de mens al vele millennia voor die: “zeven millennia geleden,” met kunstwerken en cultuur bezig was. De oudste rotstekening, een tekening van een wrattenzwijn in een grot op het Indonesische eiland Sulawesi, is zo’n 45.000 jaar oud. In een grot in Nerja in Spanje zijn schilderingen van 42.000 jaar geleden te vinden. De schilderingen in de grotten van Lascaux zijn tussen de 10 en 15 duizend jaar oud. In tegenstelling tot hetgeen Saat beweert is de eerste menselijke kunst daarmee ouder dan de (landbouw)huisdieren en cultuurplanten.

Landbouw als kunst en zelfverwerkelijking van de mens, zoals Saat beweert of als voorwaarde om ‘kunst’ te kunnen bedrijven zoals Harari beweert. Tarwe als ‘kunst’ of als voedsel? Hoe zou het werkelijk gegaan zijn? Helaas weet niemand dat want het gebeurde ver voor onze tijd. Mij lijkt de redenering van Harari een stuk plausibeler dan Saats redenering. Niet de ‘boerenkunst’ maar de kunst van het boeren werd ontwikkeld.

Echter, als het sprookje van “die culturele dimensie,” van Saat nodig is als sleutel om de deur van de boeren tot de “broodnodige transitie” mee te openen, dan mag deze prikker best als ‘ketters’ en haar schrijver als ketter worden afgedaan. Een benaming die ik dan met trots zal dragen.


[1] Yuval Noah Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 104

Uitgelicht

Een lesje geschiedenis deel 1

Bij De Dagelijkse Standaard een artikel van Michael van de Galien. In het artikel geeft hij ‘geschiedenisles’ aan Jesse Klaver. Klaver deed bij Jinek de uitspraak dat ‘migranten dit Nederland hebben opgebouwd’. Een uitspraak die, zo betoogt, Van der Galien: “a) belachelijk is en b) beledigend ten opzichte van al die Nederlanders die door de jaren heen keihard hebben gewerkt om iets van ons land te maken.” Een idiote uitspraak want: “ Nederland was tot voor heel kort geen immigrantenland, maar een natiestaat. De ‘migranten’ zijn pas sinds de jaren 60/70 op significante schaal naar ons land gekomen; toen het economisch herstel van de Tweede Wereldoorlog zo groot was dat we ‘extra’ werkkrachten dachten nodig te hebben.” Een wel heel beperkte kijk op de geschiedenis van wat nu Nederland is. Daarom een lesje geschiedenis in twee delen. Vandaag deel 1 over de bewering dat Nederland tot voorkort geen migratieland was.

De eerste bewoners van het gebied dat nu Nederland is, waren waarschijnlijk Neanderthalers maar er zouden ook zomaar al eerdere mensensoorten in deze omgeving hebben kunnen geleefd. Als we daar even van afzien en ons concentreren op de laatste 10.000 jaar dan weten we dat de jager-verzamelaars die hier rondliepen zo’n 8.000 jaar geleden begonnen aan de overstap naar de landbouw. Hierdoor nam de bevolking toe en ontstonden de eerste culturen, de Bandkeramische en de Rössencultuur. Naast deze agrarische culturen leefden er ook nog steeds jager-verzamelaars. Zo rond 5.000 jaar geleden werden deze voorouders verrast door migranten van de Jamnacultuur die vanuit de steppen van wat nu Oekraïne en Zuid-Rusland is, naar het westen trokken. Aan hen hebben we onze taal te danken, net zoals bijna alle andere  Europese talen. Ze brachten ook het wiel en de wagen mee. Net zoals trouwens de lichte huidskleur en blonde haren. De tot dan toe hier levende mensen hadden een donkerdere huidskleur. Dus ja, ‘we’ hebben het een en ander te danken aan migranten.

Zo moet een Bandkeramische boerderij er naar archeologen denken, uitgezien hebben. Bron: WikimediaCommons

Genoeg oude geschiedenis. Op naar de Middeleeuwen. “Omstreeks het jaar 1000 krioelden ook hier ten lande allerlei min of meer feodale gebieden naast en door elkaar. Een duidelijk patroon ontbrak.[1]Zo omschrijft de historicus Peter W. Klein de politieke situatie in het gebied dat nu Nederland heet. Het gebied lag aan de rand van het continent Europa en uit niets kon je opmaken dat het 600 jaar later zou zijn uitgegroeid tot het centrum van Europa. Sterker nog, geheel Europa lag in die tijd waar het altijd al had gelegen en dat was ‘aan de rand van de wereld’. Het centrum van de wereld dat was het gebied met aan de ene uiteinde wat we nu het Midden-Oosten of de Levant noemen en aan de andere kant het China langs de Yangtze. Het gebied, waar Peter Frankonpan zijn bekende werk naar heeft genoemd, van De zijderoutes. De Romeinen waren erin geslaagd om ‘aan te haken’ bij dat centrum en zo het gebied wat te vergroten. Omdat het zuidelijke deel van het huidige Nederland vanaf het begin van onze huidige jaartelling bij dat Rijk behoorde, was het verbonden met het centrum van de wereld.

Na de val van Rome en het afzetten dan Romulus Augustulus de laatste West-Romeinse keizer op 4 september 476 kwam daaraan echter weer een einde. De ‘Nederlandse’ verbinding met ‘de wereld’ was al eerder verbroken omdat de val van het Romeinse Rijk een geleidelijk proces was. Het verval van het ooit machtige Romeinse Rijk zette al veel eerder in en de wereld van na die val kondigde zich al meer dan twee eeuwen eerder aan. Germaanse en andere stammen begonnen te knibbelen aan de Romeinse macht. Een maaltijd begint met de eerste hap, niet met de laatste. Als we die metafoor op de scheiding tussen Oudheid en Middeleeuwen toepassen, dan kun je met recht en rede betogen dat de Middeleeuwen begonnen met de eerste Germaanse hap in het Romeinse Rijk. Een derde-eeuwse Romein zou bij die eerste hap aan de grenzen van het Rijk niet meteen spreken van een ‘nieuw tijdperk’. Er werd wel vaker ‘geknabbeld’ maar dat werd later wel weer hersteld.

Voor de Germaan Odoakar stelde het afzetten van die laatste keizer niet zoveel meer voor. De macht van de keizer reikte niet veel verder dan de poorten van zijn paleis. Tenminste sinds de Visigotische leider Alarik I in 410 Rome plunderde, stelde het westelijk deel van het Romeinse Rijk al niet meer zoveel voor. Niemand kon zich zo rond het begin van onze jaartelling een wereld zonder Romeinse Rijk voorstellen. Net zo onvoorstelbaar was het in het jaar 1000 dat die uithoek van Europa tot het ‘centrum van de wereld’ zou uitgroeien.

In dat jaar 1000 bestond Holland, de later machtigste van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën nog niet. Het gebied was Fries. “Reeds vanaf de vroege middeleeuwen was de Maas-, Rijn-, en Schelde regio de operatiebasis van de Friezen voor hun verre handel tussen West-Europa en Scandinavië.[2] Onder de rivieren was het vooral Frankisch. Toch gebeurde er in 1018 iets bijzonders. Een van de graven in West-Friesland, Dirk III, behaalde in 1018, zo beschrijft Klein, de eerste militaire ‘Hollandse’ overwinning. Een ‘Hollandse’ overwinning avant la lettre want, zo beschrijft Klein het: “Deze Dirk was en bleef zijn leven lang namelijk niets anders dan een graaf ín (West-)Friesland. Zelfs tot graaf ván (West-)Friesland heeft hij het niet kunnen brengen.[3] Dirks oorspronkelijke ‘rijk’ bestond uit: “twee losse West-Friese gebieden (…) Kennemerland en Rijnland.” En Dirks prestatie bestond eruit dat hij daar “bij stukjes en beetjes Neder-Maasland,” aan toevoegde. Tegenwoordig een zeer rijk gebied, in die tijd: “niet veel anders dan de moerassige zilte gronden aan de mond van de samenvloeiing van Maas en Merwede.[4] Uiteindelijk mocht een van zijn nazaten, Floris II, zich in 1101 echt graaf van Holland noemen. Dat had hij te danken aan de bisschop van Utrecht die bereid bleek om hem als leenman te aanvaarden. Daarmee zijn we honderd jaar verder in de tijd. Ook toen wees er niets op het succes van dat ‘Holland’. De eerste graaf van Holland, graaf van drassig land langs de monding van de Rijn en de Maas,  ‘onderknuppel’ van de bisschop van Utrecht. Iets meer dan niets en daarmee is alles gezegd.

De Graaf van Holland was niet de enige ‘onderknuppel’. Er waren er veel meer zoals de graaf (later hertog) van Gelre, de hertog van Brabant, de graaf van Zeeland die allemaal hun eigen rijkje stichtten en knibbelden aan de macht van de Friezen en aan elkaars macht. Allemaal gebieden die niets met elkaar hadden. “The northern provinces felt no tie with each other and no sence of difference from the south. Each of the seventeen provinces was a small state or country in itself,[5]zo beschrijven Palmer en Colton in hun A history of the Modern World de relatie tussen de verschillende provinciën in het midden van de zestiende eeuw en dat was in de eeuwen daarvoor niet anders. Sterker nog, zelfs binnen een zo’n rijkje hadden mensen vaak al niet veel met elkaar behalve dan dat ze eenzelfde ‘onderknuppel’ boven hen hadden.

Nu ontwaakte Europa zo rond de tijd van Dirks avonturen uit de slaap die het met de val van West-Romeinse Rijk begon. Europa, en dan vooral Italiaanse steden zoals Genua en Venetië begonnen weer te handelen met de Levant, ze herstelden de verbroken verbinding met de Zijderoute. “By the end of the tenth century, Venice was shipping grain, wine, and Lumber to Constantinople and receiving in return fine silken cloth that they sold to her north Italian Neighbors. Allso by that time merchants from Amalfi had established extensive trading contacts with Cairo. The inland towns of northern Italy began to have some industry of their own, natably weaving of woolen cloth, but markets fort his cloth were very limited at first.[6]Dirks’ gebied was nog niets maar iets ten Zuiden van zijn moerassige zilte gronden werd het al iets. Die opleving in Italië had zijn uitwerking op ‘staatjes’ die enkele eeuwen later de 17 provinciën werden genoemd. Voor de Friezen betekende ze een ‘nagel aan hun doodskist’ als dominante macht omdat: “De Friese handel (…) niet bij machte (was) op deze opleving in het zuiden in te haken.”

Anderen wel: “De kooplieden van de Maas- en Scheldevallei daarentegen, die als stedelingen een meer moderne handelstechniek hadden ontwikkeld en die vanouds contacten met de het continentale achterland onderhielden, grepen de geboden kansen. Ze brachten een systematische verbinding tussen Noord-West Europa en het Middellandse-Zeegebied tot stand.” Die handel liep niet over zee en dan via de rivieren het land in met Rotterdam[7] als schakelpunt, zoals in onze tijd. “Het werd een overlandse handel op het zuiden, die steunde op het uitwisselen van luxe producten uit Italië, Noord-Afrika, de Levant en het Verre Oosten enerzijds en van industriële fabrikaten uit eigen streek anderzijds[8].” De Zuidelijke Nederlanden vervulden in toenemende mate een stapelmarktfunctie voor Noord-West Europa.

Stadslucht mocht dan wel vrij maken naar een Middeleeuwse gebruik, de lucht in de stad was in ieder geval niet vrij van ziektekiemen. De steden in de Lage Landen, groeiden maar dat was geen natuurlijke groei: “Zij kwam tot stand ondanks een negatieve natuurlijke groei, dat wil zeggen ondanks het feit dat er veel meer mensen in steden stierven dan dat er geboren werden . … Met andere woorden, de groei van de steden was alleen maar mogelijk door massale immigratie,[9]aldus Leo en Jan Lucassen in hun boek Vijf eeuwen van migratie. Wie waren die migranten? Het waren: Duitsers als belangrijkste groep, maar in textielsteden zoals Leiden en Haarlem waren het, zeker aanvankelijk, vooral Zuid-Nederlanders uit het huidige België en Frans-Vlaanderen. Daar buiten waren Engeland, Schotland en Noorwegen de belangrijkste herkomstgebieden. … Daar waar het economisch leven in het teken stond van handel en scheepvaart, zoals in Amsterdam, maar ook Veere en Hoorn, kwamen de migranten overwegend uit verre streken.[10] Naast deze ‘vaste’ migranten was er de vlottende migranten, de trekarbeiders voor de landbouw, het huishouden, de scheepvaart en het leger. Op een schip was het eerder regel dan uitzondering dat de bemanning voor meer dan 50 procent uit buitenlanders bestond.

Door de eeuwen heen zijn er steeds mensen naar en van hier gemigreerd. In de ene tijdsperiode wat meer zoals met de komst van de Jamna of in de zeventiende eeuw. In een andere tijdsperiode wat minder. Migratie is echter een constant gegeven. Dus in tegenstelling tot wat Van der Galien beweert, is migratie niet iets van de periode: “sinds de jaren 60/70” . Het antwoord op de vraag of migranten Nederland hebben opgebouwd ligt daarmee genuanceerder dan Klaver, maar ook dan dat Van der Galien denkt. Successievelijke groepen migranten hebben wat nu Nederland is mee opgebouwd.

Er is echter nog op een ander punt dat Van der Galien nodig een lesje geschiedenis nodig heeft en dat is de uitspraak dat Nederland tot voorkort een natiestaat was. Dat lesje geschiedenis komt in deel twee van dit lesje geschiedenis.


[1] Peter W. Klein,  1000 jaar vaderlandse geschiedenis, pagina 33

[2] Schöffer, I c.s,  De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 15

[3] Idem, pagina 33

[4] Idem, pagina 34

[5] Palmer, R.R en Joel Colton, A History of the Modern World, pagina 126

[6] Brian Tierney, Sidney Painter, Western Europe in the Middle Ages 300-1475, pagina 268-269

[7] Rotterdam werd pas zo rond 1270 gesticht en haar bewoners leefden in eerste instantie van de visserij

[8] Schöffer, I cs, De Lage Landen van 1500 tot 1780 pagina 15

[9] Leo en Jan Lucassen, Vijf eeuwen migratie, pagina 19

[10] Idem, pagina 21

Uitgelicht

De benauwde blik van Blommestijn

Zo nu en dan, en tegenwoordig steeds vaker, roept er weer iemand dat Nederland ook uit de Europese Unie kan stappen. Deze keer is het Raisa Blommestijn, zo lees ik bij De Dagelijkse Standaard. Blommestijn in een tweet: “Laffe Rutte wil het migratieprobleem niet aanpakken en verschuilt zich achter de EU en internationale verdragen… Newsflash, je kunt uit de EU en je kunt die verdragen opzeggen – en tot die tijd je rug recht houden voor globalistische intimidatie, zoals Hongarije al jaren doet.”

Voor Blommestijn en voor veel voorstanders van zo’n Nexit zoals de FvD van Baudet, is Nederland het verhaal van Coen, de VOC en die sterke handelsnatie. Voor de toenmalige inwoners van bijvoorbeeld de huidige gemeente Venlo zag dat verhaal er heel anders uit. De Oost en zelfs Amsterdam en de VOC waren ver weg. Sterker nog, voor een groot deel van het grondgebied van de huidige gemeente Venlo gold dat het tot een heel ander land, of eigenlijk landen, behoorde. Zo hoorde Tegelen en Steyl bij het Graafschap Gulick en sloten zij pas in 1817 aan bij het koninkrijk der Nederlanden. Juist ja, toen de “Powers that Be’ daartoe besloten. Een van die ‘Powers’, de Pruisen, moest daar een veer laten want ook zij wilden de plaats erbij hebben. Dit gebeurde met het Traktaat van Aken. Hierin werd de grens tussen het koninkrijk en Pruisen bepaald door een kanonschot vanaf de oever van de Maas. Nederland zou dus een stuk groter zijn geweest als de kanonnen in die tijd wat verder hadden geschoten dan ongeveer 5 kilometer. Voor Arcen, Lomm en Velden ligt dat weer anders. Die behoorde eerst bij Spaans Gelre, na de Spaanse successieoorlog vielen ze toe aan Pruisen en sinds dat beruchte ‘kanonschot’ tot het koninkrijk der Nederlanden. 

Bron: WikimediaCommons

Wat voor alle dorpen gold, was dat er geregeld legers voorbij trokken. Legers op weg naar de ‘hoofdprijs’ de stad Venlo. Die stad wisselde gedurende de Tachtigjarige Oorlog geregeld van eigenaar. Dan weer  was het Spaans, dan weer Republikeins. Aan de Spanjaarden heeft de stad de restanten van het Spaanse fort Sint Michiel ten westen van de Maas te danken. Dat fort moest de stad beschermen tegen aanvallen vanaf de overkant (de westelijke kant) van de Maas. Met de Vrede van Utrecht in 1713 werd Venlo aan de Republiek toebedeeld, werd het een onderdeel van de Generaliteitslanden en zo min of meer een kolonie van de Republiek. Een kolonie omdat die Generaliteitslanden werden bestuurd door de Raad van State, een raad waarin ze zelf geen zeggenschap hadden. De Spaanse invloed tref je, zo betoogde de ‘Venloloog’ Sef Derks in een column op de site van Omroep Venlo, aan het Venlose dialect. Het Venlose woord voor hoofd: “kieëbus heeft een verrassende oorsprong. Het is afgeleid van het Spaanse cabeza.”

Sinds 1817 hoort het volledige grondgebied van de gemeente Venlo dus bij het Koninkrijk der Nederlanden en ging het op in de provincie Limburg. Of toch niet? Nee, inderdaad toch niet. In 1830 stonden de Zuidelijke Nederlanden op tegen het Koninkrijk en scheidden zich af. Limburg, exclusief de stad Maastricht, sloot zich aan bij de opstandelingen. Een afscheiding die pas in 1839 formeel werd maar dan zonder het huidige Nederlands-Limburg. Dat werd afgesplitst en viel toe aan het huidige Nederland. Viel toe want het werd niet veroverd of terugveroverd op de Belgen. Nee, ook hier beslisten weer de ‘Powers that Be’. De Fransen, die toen weer bij die ‘Powers’ hoorden, trokken hun steun aan de Belgen in en daarop werd Limburg gesplitst. De inwoners werd niets gevraagd. Als die zouden mogen stemmen, dan zou Venlo, nu waarschijnlijk Belgisch zijn. Limburg was dan wel, een provincie, voor de Hollandse koning, bleef het, net als de overige Zuidelijke Nederlanden, toch een soort Generaliteitsland, een soort kolonie.  

Nu was die grens in de beginjaren van dat Koninkrijk niet hard en hinderlijk. Als je van Venlo naar Straelen wilde, dan liep je er gewoon naartoe. Een paspoort was in theorie nodig, de praktijk was anders. Die praktijk veranderde tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen werden de grenzen gesloten. Je kon alleen de grens over als je in bezit was van een paspoort. Aan de grens stond de douane die je papieren controleerde. Aan de ene kant de Nederlandse die het verkeer vanuit Duitsland controleerden en aan de andere kant de Duitse die het verkeer dat vanuit Nederland het land inkwam, controleerden. Dat leidde toen al geregeld tot flink oponthoud aan de grenzen.  Nou ja, al het verkeer. Als opgroeiende puber ging ik, net als veel van mijn leeftijdsgenoten, in de zomer graag zwemen in Walbeck net over de grens met Duitsland. Zo’n mooi en groot zwembad met een zo’n lage entreeprijs lag er in Nederland in de wijde omgeving niet. Voor vijftien Duitse Marken, in Nederlandse guldens zo’n fl. 16,50, kocht je een tienrittenkaart. Maar om daar te komen moest je de grens over en dus je paspoort meenemen en soms lang wachten. En dat wachten daar hadden we het geduld niet voor. Dus zochten we onze weg via bospaadjes en gingen we illegaal de grens over. Een beetje zoals veel vluchtelingen nu. Maar ook die werden soms gecontroleerd en dat maakte het tot een spannende fietstocht. Diezelfde en andere paadjes, werden in de jaren vijftig en zestig gebruikt om spullen, zoals boter, de grens over te smokkelen. En dat bleef zo tot het Verdrag van Schengen hieraan een einde maakte.

Ieder jaar wordt de Atlas der Gemeenten uitgebracht. De lijst met meest aantrekkelijke Nederlandse steden. Al jaren staat Amsterdam bovenaan en al jaren bungelt Venlo, net als andere Limburgse steden, onderaan de lijst. Om die ranglijst te bepalen wordt er naar veel zaken gekeken zoals de beschikbaarheid van werk, de prijs van huizen, de aanwezige natuur, de nabijheid van zee en nog wat andere zaken. Venlo scoort slecht omdat het aan de grens ligt en alles wat over die grens ligt, daar wordt niet naar gekeken. Zo is de hoeveelheid natuur in de omgeving beperkt. Klopt, tussen de Maas en de grens is immers maar een kilometer of vijf plek en daar past niet veel op. Als je echter van de Groote Hei de grens over fietst of wandelt, dan loop je zo het bos in en niet veel verder kom je bij de prachtige Krickenbecker Seen. Voor degenen die geen Duits spreken, in Duitsland is een meer een ‘See’ en de zee een ‘Meer’. Op het grootste deel van zowel de Groote Hei als het Duitse natuurschoon, was in de Tweede Wereldoorlog trouwens het grootste Duitse militaire vliegveld van West Europa gevestigd: Fliegerhorst Venlo. De restanten ervan zie je nog links en rechts tussen het natuurschoon.

Nu wil het geval dat de onderzoekers achter de lijst ook eens hun ‘grenzen hebben verlegd’. En wat blijkt, dan stijgen de Limburgse steden ineens naar topposities in de lijst. Maastricht en Heerlen in de top tien en Venlo naar plek elf. Als ‘Venlonaer’ verbaast mij die hoge klassering niet. Het verbaast mij wel dat Heerlen en Maastricht hoger staan maar dat kan aan mij liggen. Het verbaast mij niet omdat er aan de andere kant van de grens een veel grotere wereld ligt dan aan deze kant. Als ik driekwartier autorijd vanuit Venlo dan ben ik aan de Nederlandse kant in Eindhoven, Nijmegen en nog niet eens in Maastricht. Ga ik de grens over dan ben ik in Duisburg, een stad met bijna een 500.000 inwoners en de grootste binnenhaven van Europa. Op weg daarnaartoe passeer ik Krefeld met 225.000 inwoners, net zo groot als Eindhoven en groter dan Maastricht en Nijmegen. Ook ben ik in Düsseldorf de hoofdstad van deelstaat Nordhein-Westfalen met ruim 600.000 inwoners. Daarbij passeer ik Mönchengladbach met bijna 260.000 inwoners. Maak ik er een uur en een kwartier van, dan ben ik aan de Nederlandse kant in Tilburg en Arnhem. Aan de Duitse kant in miljoenenstad Keulen, in Dortmund met meer dan 580.000 inwoners. Een gebied met veel inwoners waar, naast dat er op hoog niveau wordt gevoetbald (vijf clubs in de Bundesliga), vele musea te bezoeken zijn. Waar je naar pop- en andere concerten kunt. Waar je tegen een goede prijs, goed kunt eten. Een gebied waar je, als je de taal spreekt, goede kansen op een baan hebt en waar het prettig en goedkoper wonen is dan aan deze kant van de grens. Een Nexit zou daaraan abrupt een einde maken. Dan ligt Venlo weer ingesloten tussen de Maas en een ‘grenshek’. Dan worden de mogelijkheden van de Venlonaar ineens weer flink begrensd. Dan ligt het zwembad in Walbeck, het bestaat nog steeds, ineens weer veel verder weg en staat er een hek over het oude Fliegerhorst Venlo en kan ik niet meer naar de Krickenbecker Seen wandelen. Ook moet ik dan afscheid nemen van mijn softbal-teamgenoten van ‘euver de päöl’. 

Er is meer. Sinds mijn jeugd is het wagenpark in Nederland meer dan verdubbeld. Tussen mijn jeugd en 2007 nam het wagenpark met 70% toe en sinds 2007 is het wagenpark met weer zo’n 16% gegroeid. Dat zal voor onze buurlanden niet zoveel anders zijn. Als het toen al geregeld ‘stroopte’ aan de grens, hoe zal het dan zijn als er nu weer gecontroleerd gaat worden aan de grens? Voor de grote grensovergang op de A67 bij mijn woonplaats Venlo zou, gezien het aantal vrachtwagens dat er per dag over deze weg rijdt, een file kunnen ontstaan tot aan de Belgische grens. Een file die zich aan de Belgische kant zou voortzetten omdat ook daar gecontroleerd moet worden. Op Schiphol zullen lange rijen ontstaan voor de paspoortcontroles. Wat zal dit betekenen voor bijvoorbeeld de haven van Rotterdam? Een container voor Duitsland kan dan beter in Hamburg worden gelost, dat scheelt een grensovergang en dus veel tijd en controle. Wat betekent dit voor de nummer één logistieke hotspot Venlo? Als die container niet meer in Rotterdam komt, komt hij ook niet meer naar Venlo. Is er dan nog winst te behalen met het centraliseren van logistiek voor verschillende landen op één plek? Komen al die grote logistieke ‘dozen’ dan leeg te staan? Wat betekent dit voor de toenemende groep van grenswerkers?

“De waarheid is dat Rutte gewoon méér migratie wil. Hij wil méér globalisme. Hij wil minder nationale identiteit en minder democratie. Maar in plaats van dat gewoon toe te geven, “verschuilt” hij zich achter verdragen en de EU. Laf.” Voor wat betreft de lafheid van het huidige kabinet in de omgang met het onderwerp migratie, ben ik het met Blommestijn eens. Hierbij de oplossing zoeken in een sentimenteel beeld van het verleden van Nederland en de ‘identiteit’ van ‘de Nederlander’, lijkt mij geen goed idee. Naast douanier is smokkelaar dan de enige beroepsgroep, als je smokkelaar een beroep mag noemen, die er wel bij vaart. Trouwens, met uit de EU stappen verdwijnen migranten en vluchtelingen niet zoals de Britten nog steeds ervaren.