Uitgelicht

Mens natuur(lijk) dier

“Door de bevolkingsgroei dringen mensen steeds verder door in leefgebieden van dieren.” Een uitspraak van viroloog Wim van der Poel in een interview in de Volkskrant. Een bijzondere zin. Bijzonder omdat deze zin de aarde verdeelt in twee werelden: aan de ene kant hebben we de leefwereld van de dieren, de ‘natuur’. Aan de andere kant de leefwereld van de mens, de ‘mensenwereld’. Dat zijn twee verschillende werelden die ‘toevallig’ eenzelfde planeet bewonen. En omdat ‘de mens’ zich steeds meer in ‘de natuur’ begeeft, kunnen nare ziektes van mens op dier worden overgedragen. Dat wordt zoönose genoemd. Zou het omgekeerde ‘mensonose’ ook kunnen? In deze wat langere Prikker bestudeer ik die ‘twee werelden’.

Als een van die twee ‘werelden’ al buitenaards zou zijn en we nemen de ondertitel van het boek Oorsprong. Hoe de aarde de mens heeft gevormd  van Lewis Dartnell als leidraad, dan is de natuur ‘buitenaards’. De Aarde vormde dan immers de mens. Het vreemde is dan wel dat de huidige en nu enige mens op deze aardbol, de Homo sapiens de ‘wijze, verstandige’ mens, volgens Duitse paleontoloog Madeleine Böhme, pas zo’n 300.000 jaar op deze aardbol rondloopt. De ‘natuur’ is al veel ouder. Bovendien: “was hij bij lange na niet de enige mensensoort. Hij deelde de wereld van Eurazië en Afrika volgens de huidige stand van de wetenschap met zeven andere mensensoorten” aldus Böhme in haar boek Hoe we mensen werden. Andere soorten zoals de Neanderthaler en de Denisovamens.

Dat leven, alle leven, een buitenaardse oorsprong heeft, kan kloppen. Want, zoals Lewis Dartnell schrijft, zonder water was het leven zoals we dat op aarde kennen, onmogelijk. En dat water: “is dus na de geboorte van de aarde op onze planeet terecht gekomen. Dat gebeurde door een bombardement van met ijs bedekte kometen en asteroïden uit de koudere, verder gelegen delen van het zonnestelsel, als een sneeuwballenregen uit de ruimte.”  Want: “toen uit een wervelende om de protonen draaiende schijf van stof en gas de aarde werd gevormd, was het er juist erg droog. De aarde stond zo dicht bij de zon dat de samenklontering van rotsachtig materiaal waaruit zij is ontstaan sowieso maar weinig water kan hebben bevat, en bij dat ontstaan werd het zo heet dat al het water en alle vluchtige stoffen moeten zijn verdampt.” Leven zonder water kan niet en het water heeft een buitenaardse oorsprong. 

Böhme gaat in haar boek op zoek naar de voorouders van ons, de Homo sapiens. En die: “speurtocht naar onze wortels leidt daarom ver terug in de ontwikkelingsgeschiedenis van de Hominoidae,” de mensachtigen. Een groep waartoe op dit moment naast de mens ook de gibbon, de orang-oetan, de gorilla, de bonobo en de chimpansee behoren. Die laatsten plaatsen we graag in ‘de natuur’ maar daarmee hebben we tussen de 95 en bijna 99% van ons DNA gemeen. De mens deelt echter nog veel meer met de natuur. Die Hominoidae zijn weer afstammelingen van de eerste ‘primaten’, zoogdieren die zo’n 56 miljoen jaar geleden ontstonden. Nee, de mens maakt onderdeel uit van de natuur. Een bijzonder onderdeel omdat hij die natuur deels naar zijn hand leerde zetten. Böhme vertelt, net als Dartnell, de geschiedenis van de mens als onderdeel van de natuur.

Een geschiedenis waarin drie zaken centraal staan: herseninhoud, rechtop, en dus op twee benen, lopen en communicatie. Drie zaken die elkaar versterken. Laat ik beginnen met herseninhoud. Van alle energie die een mens op een dag verbruikt gaat een kwart naar zijn hersenen. Dit terwijl die, als je niet bovenmatig dik bent, maar 2% van het lichaamsgewicht uitmaken. Hoe hebben die hersenen zich kunnen ontwikkelen?

“Als pure rauwkosteters zouden onze menselijke voorouders zulke uiterst productieve hersenen die in de loop van de evolutie zijn uitgegroeid tot een volume van 1300 kubieke centimeter, met meer dan 80 miljard zenuwcellen, niet eens hebben kunnen voeden. Als onze voorouders alleen maar van rauw vlees en rauwe planten hadden geleefd, waren onze hersenen nooit ontstaan.” Hoe hebben die hersenen zich kunnen ontwikkelen? Die hersenen hebben zo kunnen groeien omdat onze voorouders vuur leerden gebruiken waarmee ze kookten. Want door groenten te koken verliest het zetmeel in de planten: “zijn kristalstructuur en wordt het bijna volledig verteerbaar.” Door vlees te bakken komen de erin opgeslagen voedingsstoffen vrij. Toen onze verre voorgangers vuur leerden te gebruiken, creëerden zij de kans om meer energie te halen uit eenzelfde hoeveelheid voedsel. Dat schiep de randvoorwaarde voor het laten groeien van onze hersenen.

Op het punt van de herseninhoud legde de Homo sapiens het echter af tegen de Neanderthaler. Trouwens ook op het punt van lichaamskracht. Toch heeft dat de Neanderthaler niet gered. Dat heeft met de andere twee aspecten te maken. En daarmee kom ik bij het lopen. “Om hulp te vragen voor de op handen zijnde slag tegen de Perzen bij Marathon stuurde veldheer Miltiades hem (Pheidippides) in 490 v. Chr. van Athene naar Sparta. Volgens de overlevering legde Pheidippides de 246 kilometer lange afstand in nog geen twee dagen af – een bijna ongelooflijke prestatie. Waarom werd er geen bode te paard gestuurd?” vraagt Böhme zich af. Het antwoord geeft ze er meteen achteraan: “omdat geen enkel paard tot die prestatie in staat zou zijn geweest.” Böhme geeft dit voorbeeld om een van de sterke punten van de mens te laten zien: zijn uithoudingsvermogen zonder oververhit te geraken. Dit stelde ons Homo sapiens in staat om op veel snellere, grotere en sterkere dieren te jagen. Jagen door ze, net als wolven, op te jagen en uit te putten totdat ze niet meer verder kunnen. Omdat mens en wolf die eigenschap deelden, was de wolf waarschijnlijk ook het eerste dier dat de mens domesticeerde. 

De Homo sapiens was in dat lopen nog beter dan die andere zeven mensensoorten en dus ook dan de Neanderthaler. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat de sapiens als enigen zijn overgebleven. Dat en het derde aspect, de communicatie. Böhme: “Door de samenwerking van spraak en bewustzijn ontwikkelde zich nog een ander aspect van de menswording, die Homo sapiens definitief boven het dierenrijk uittilde: de mogelijkheid tot culturele evolutie. Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in een biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie uiterst snel.”  Dit vermogen had zonder die grote herseninhoud nooit ontwikkeld kunnen worden want : “Om duidelijk gearticuleerde, goed van elkaar te onderscheiden klanken te kunnen vormen is een fijn gereguleerd samenspel van middenrif, tong, tanden, gehemelte, neus, strottenhoofd, stembanden, lippen en meer dan honderd spieren nodig.”  En daarvoor heb je een flinke herseninhoud nodig. Die inhoud werd mogelijk gemaakt door gebruik van vuur.

Een culturele evolutie met volgens Dartnell de Aarde als belangrijkste vormgever. Een culturele evolutie, tenminste als je het bekijkt op een mensenleven. Als je het op evolutionaire schaal bekijkt, dan was het een revolutie. Een revolutie die het de Homo Sapiens mogelijk maakt om zich snel aan te passen aan veranderende omstandigheden. In eerste instantie door zich als jager-verzamelaars over een steeds groter gebied te verspreiden en door zich de planten en dierenwereld van die nieuwe gebieden eigen te maken. Die tocht begon zo’n 60.000 jaar geleden toen de Homo sapiens hun woongebied begonnen uit te breiden. Waarschijnlijk omdat het in het oorspronkelijke ‘thuis’ te druk werd. In die tijd, de laatste ijstijd, was het op Aarde een stuk kouder dan nu. De zeespiegel stond fors lager dan nu en de nu ondiepe zeeën stonden voor een groot deel droog. De Britse eilanden waren verbonden met Europa, net zoals Siberië en Alaska en de Indonesische eilanden met Azië. Om in Australië te komen hoefde je maar een klein stukje zee over te steken. Als eerste vestigden onze voorouders zich in gebieden waar het qua klimaat en landschap te vergelijken was met Oost Afrika, zoals het Zuiden van Azië en Australië. Zo’n 25.000 jaar geleden bereikten ze Alaska en 11.000 jaar geleden uiteindelijk het zuidelijkste deel van Zuid-Amerika. Inmiddels was de ijstijd voorbij. Op de evolutionaire schaal is dit heel snel en bewust, maar zoals Dartnell schrijft: “Het was eerder een soort verstrooiing. Kleine groepjes jagers-verzamelaars bestreken een groot gebied (de bevolkingsdichtheid was erg laag), en met de seizoenen en met de jaren schoven ze geleidelijk op. Als het klimaat ter plaatse veranderde zochten ze het verderop om kou en droogte te ontlopen en warmer en natter leefgebied te vinden waar meer voedsel was. Elke generatie trok daarbij weer een stukje verder. De gemiddelde snelheid waarmee de eerste mens van het Arabische schiereiland langs de zuidkust van Eurazië naar China zijn getrokken, lag op ongeveer een halve kilometer per jaar.”

In tweede instantie pasten onze voorvaderen de natuur in hun voordeel aan. Die wolf die werd gedomesticeerd omdat het beest goed van pas kwam bij de drijfjacht, was de eerste in een lange rij die binnenkort hopelijk ook een vaccin tegen COVID-19 bevat. Een rij die zich niet alleen tot de dieren beperkt. Nee, een enorm belangrijke stap in die evolutie was het ‘domesticeren’ van planten, dat wat we nu de landbouw noemen. Onze voorvaderen kregen in de gaten dat de zaden van verschillende grassoorten erg voedzaam waren. Door zaden te malen nam het lichaam ze beter op. Door ze te mengen met wat water en ze vervolgens te verhitten kon je er brood van maken. Zo’n 10.000 jaar geleden ontdekten onze voorouders dat een stuk vruchtbaar land: “Zelfs met primitieve landbouwtechnieken (…) tien keer meer voedsel (kan) opleveren dan als het wordt gebruikt voor jagen of verzamelen,” Ze gingen zich permanent vestigen. “Maar,” aldus Dartnell: “landbouw is ook een valkuil. Als een samenleving eenmaal op landbouw is overgestapt en de bevolking is gegroeid, is het onmogelijk om terug te keren naar een eenvoudigere levensstijl: de bevolking is te talrijk en volledig afhankelijk van landbouw om genoeg voedsel voor iedereen te kunnen  produceren.”  

Vanaf de eerste landbouwers tot nu ging het snel en ontstonden er steden. Zo’n 5000 jaar geleden begon de mens met metaalbewerking: de bronstijd was aangebroken en 2000 jaar later gevolgd door ijzer en nu? Dartnell: “Het zal je verbazen dat alleen al in een smartphone ruim zestig verschillende metalen zijn verwerkt.” Of zoals hij het ook beschrijft: “ tussen het moment waarop de eerste homininen stenen werktuigen begonnen te hakken en het moment waarop Homo sapiens koper begon te smelten, verstreken drie miljoen jaar; tussen de ijzertijd en de eerste ruimtereizen maar drie millennia.”

Die grotere hersenen en het communicatieve vermogen heeft de mens veel gebracht. Het is op dit moment de meest dominante diersoort. Ze hebben ervoor gezorgd dat de mens de natuur voor een deel naar zijn handen kan zetten. Ze hebben ervoor gezorgd dat de mens bewustzijn en zelfbewustzijn heeft. Zelfbewustzijn dat het de mens mogelijk maakt om, zoals ik in een eerdere Prikker schreef, ‘imaginaire constructen’ te verzinnen. Constructen zoals bedrijven en landen met grenzen die voor de mens betekenis hebben maar voor een vlieg onbekend zijn. Een van die ‘constructen’ is het zichzelf niet zien als dier en als ‘apart van de natuur’.

Keuzes na corona

‘Never waste a good crisis’. Een uitspraak die wordt toegekend aan Winston Churchill maar of hij deze of een soortgelijke uitspraak werkelijk heeft gedaan, daar woeden flinke discussies over. Ook wordt er in tijden van crisis vaak verwezen naar het Chinese teken voor crisis, dat zou bestaan uit twee delen. Een deel ‘gevaar’ en het tweede deel ‘kans’. Een, naar het schijnt want ik ben geen kenner van het Chinees, opvatting die berust op een verkeerde interpretatie. Dat een crisis kansen biedt, staat buiten kijf. Kansen om je ten koste van anderen te verrijken door de prijs van bijvoorbeeld mondkapjes fors te verhogen. Maar ook kansen om zaken die onaantastbaar lijken, te veranderen. In een recente Prikker citeerde ik Piketty die ervoor pleitte om belangrijke gebeurtenissen in het verleden te zien als momenten waarop het verschillende kanten op kon gaan. Ik sloot die Prikker af met de woorden: “Een goed idee om Piketty’s advies ter harte te nemen en actief te zoeken naar die meerdere wegen.” Laat ik eens een begin maken met dat actief zoeken.

Op dit moment zoeken onderzoekers met man, macht en waarschijnlijk ook muis naar een geneesmiddel en een vaccin tegen ‘corona’ of beter gezegd covid-19. Om dat te bespoedigen delen ze direct alle informatie die ze verzamelen en alle ideeën die ze hebben. Door zo samen te werken borduren ze voort op elkaars werk, ideeën en hypotheses. Dat voortborduren vergroot de kans dat het medicijn of het vaccin worden gevonden. 

Als we kijken naar de technologische ontwikkeling van de mens, dan is dat niets nieuws. Ooit vond een mens of mensachtige uit dat je met scherpe stenen kon snijden. Daarop borduurde een andere voort door er een steel aan te bevestigen en de bijl was geboren. Weer een ander bevestigde een kleinere variant van zo’n scherpe steen op een lange stok en de speer was geboren. Via het wiel, het bewerken van brons en ijzer en de molen vond James Watt de stoommachine uit. Dat laatste is wat de ‘volksmond’ ons wil doen geloven. Watt borduurde voort op een eerdere versie van Thomas Newcomen. Rudolf Diesel borduurde voort en vond de verbrandingsmotor uit. Zo kunnen we doorgaan en komen we ook bij ons huidige ‘onmisbare’ mobieltje. Zonder die ‘snijdende steen’ van de onbekende uitvinder, was dat mobieltje er wellicht nooit geweest. Al die stapjes hebben ons gebracht waar we nu staan. 

De uitvinder van de ‘snijdende steen’ had, samen met zijn clan, tijdelijk een voordeel op de andere clans die nog niet wisten welke steensoort ze moesten gebruiken. Zo was het steeds met nieuwe uitvindingen. De uitvinders van het bronzen zwaard stonden even bovenaan. Totdat anderen ook over bronzen zwaarden beschikten. Die hadden vervolgens allemaal het nakijken toen iemand het ijzeren zwaard uitvond. In de periode dat je de ‘enige’ bent die bepaalde kennis heeft, heb je een voordeel op alle anderen. Tegenwoordig kun je dat voordeel in patenten laten vastleggen. Dat patent geeft jou het exclusieve recht tot het maken of verkopen van het product. Zolang het patent loopt, geniet jij als patenthouder dat voordeel en kun je eraan verdienen. Dat verdienen wordt gerechtvaardigd met het argument dat dit de beloning is voor de uitvinder zijn investering en zijn harde werk. Zonder die bescherming zou een ander het na kunnen maken en produceren zonder de flinke investeringen die het jou heeft gekost. Op wereldschaal verwijten de Verenigde Staten, bij monde van president Trump, dat China dit doet. China kopieert en produceert en dat gaat ten koste van de ‘uitvindende Amerikanen’. Dat lijkt logisch maar is het wel zo logisch?

Zoals ik hierboven al schreef, werken wetenschapper nu met man en macht aan een vaccin en een medicijn. Hierboven schreef ik ook nog ‘met muis’ waarbij ‘muis’ staat voor eventuele dieren waarop kansrijke stoffen worden getest. Dat doen zij door kennis te delen. Uiteindelijk is er één de gelukkige uitvinder van het vaccin. Die zal de boeken in gaan als de nieuwe Alexander Fleming, de uitvinder van de penicilline. De Nobelprijs voor de geneeskunde zal zijn of haar deel zijn. Het bedrijf waarvoor de persoon werkt, zal zich kunnen verheugen op flinke omzet en winst. Werkt de persoon voor een universiteit, dan zal er vast een bedrijf klaar staan met een lonkende zak geld in ruil voor de kennis en vooral het patent. Het voorbeeld werd deze week al gegeven toen bekend werd dat de Amerikaanse president Trump probeerde de exclusieve rechten op een mogelijk vaccin tegen het virus van een Duits bedrijf te kopen. Het cashen kan beginnen. ‘The winner takes it all’, zoals ABBA, niet mijn soort muziek maar dat zullen mijn vaste lezers vast al wel weten, al zong. En dat past precies bij onze meritocratische samenleving. Een samenleving waar iedereen wordt beoordeeld op zijn verdienste.

Maar borduurt de ‘winner’ niet voort op de uitvindingen van zijn voorgangers? Zij of hij voegt iets toe aan het werk van vele voorgangers. En niet alleen aan het werk van de ‘winnaars’ onder die voorgangers. Ook al die wetenschappers en onderzoekers die, naar straks zal blijken, het ‘dode spoor’ op weg naar het vaccin onderzoeken. Ook die leveren een flinke bijdrage. Wat het ‘winnende spoor’ is, weet vooraf immers niemand. De investeringen in een ‘dood spoor’ zijn net zo hoog en misschien nog wel hoger dan in het ‘winnende spoor’. Alleen levert het aan het einde van de rit geen rendement op . ‘The loser’s standing small. Beside the victory. That’s her destiny.’  Zo vervolgt ABBA. Biedt covid-19 niet een uitgelezen kans om die ‘destiny’ eens te herzien? 

Dat kan door het systeem van patenten af te schaffen. Patenten belemmeren de technologische ontwikkelingen. Hoe? Laten we weer even dat vaccin nemen dat de winnaar ontwikkelt. Wellicht is dat door een uitvinding van een dood spoor te gebruiken wel veel efficiënter, sneller en goedkoper te produceren. Het patent van de ‘winnaar’ voorkomt dat de ‘verliezer’ verder kan experimenten met de vinding van de winnaar. Dat ‘recht’ komt alleen de winnaar toe. De ‘verliezer’ kan er alleen mee verder werken als er een flink bedrag aan de winnaar wordt betaald. Zonder patent kan iedereen met de nieuwe vinding aan de slag.

‘Maar wie betaalt dan al dat onderzoek naar nieuwe medicijnen’? Een goede vraag. Wie betaalt het nu? Nu wordt het betaald door de uiteindelijke gebruikers van het product maar vooral via de verzekeringspremie en de belastingen die wij betalen. En een flink deel van die premie en belastingcenten vloeit in de vorm van ‘winst’ in de zakken van de farmaceutische bedrijven. In mijn ‘nieuwe wereld’ zijn wij het die nog steeds dat onderzoek betalen. Dat doen we via onze belastingen en een kleine opslag op het medicijn of vaccin. Die opslag verdwijnt in een onderzoeksfonds net als een deel van de door ons betaalde premie. Uit dat onderzoeksfonds bekostigen we al het medische onderzoek. Daaruit betalen we de winnaar en de verliezers allemaal hetzelfde.

Wellicht vraag je je nu af: ‘En die farmaceutische industrie dan?’ Die worden gewoon ‘pillendraaiers’ en voor dat ‘pillen draaien’ krijgen ze een vergoeding die hun kosten dekt en hen een kleine winst bezorgt. Hoe we dat doen? Dat doen we door de diverse ‘pillendraaiers’ te vragen een offerte op te stellen voor de productie van het medicijn of vaccin. De opdracht gunnen we vervolgens aan de goedkoopste ‘draaier’ en we betalen hem de prijs die de op een na laagste ‘draaier’ offreerde. 

‘Opwarming door verkoeling’

‘Een stukje vlees kan ik wel op mij buik schrijven.’ Dat was wat ik dacht toen ik net terug van vakantie las dat we, om het milieu te redden en de planeet leefbaar te houden, toch echt moeten stoppen met het eten van vlees. Kranten en televisie-uitzendingen, neem Jinek van 12 augustus, worden volgeschreven, gepraat en gefilmd over dit onderwerp. Enige redding voor mijn stukje vlees is, zoals Max Pam in de Volkskrant schrijft, de wetenschap: “Er dient een koe te komen die niet meer ruft en nauwelijks nog bruine vlaaien bakt. Een schone, duurzaam gemodificeerde koe, die nog slechts een enkele keutel in landschap achterlaat.” Als we maar geen vlees meer eten dan komt het wel goed. Dus laat die vleestax maar komen! Of… .

Absurditeit ten top indoor ski in Dubai. Bron Flickr

Nu is het ‘morgen’ al 2030 en het vraagt een flinke gedragsverandering om iedereen ‘van het vlees’ af te krijgen. En zoals we uit ervaring weten, is het veranderen van gedrag zeer lastig. Stoppen met roken, nooit meer een wijntje of een lekkere pils of Weizen, dat ligt lastig. Om voor 2030 iedereen van het vlees af te krijgen, dat vraagt een flinke inspanning. Maar stel dat het lukt, wat dan?

Als we de cijfers van het Planbureau voor de Leefomgeving erop naslaan dan zien we dat die uitstoot in 2017 op net geen 200 Mton CO2-equivalent uitkwam. De landbouw neemt daar bijna eenzevende deel,  zo’n 28 Mton van voor haar rekening. Hiervan komt 20 Mton voor rekening van methaan, het gas dat de koetjes uitboeren en -poepen. Dat is wat we als land maximaal besparen als we geen vlees meer eten en het ook niet meer ‘produceren’. Produceren is in deze een wat vreemd woord, we hebben het immers niet over auto’s maar over levende wezens. Om tot de in Parijs afgesproken 55% reductie in 2030 te komen, missen we dan nog zo’n 90 Mton. Dan moeten er op andere plekken nog flinke slagen worden geslagen. Dan is er toch nog iets anders nodig.

Even naar die andere uitstoot kijken. “In Nederland komt het grootste deel van de CO2-uitstoot voor rekening van de grotere bedrijven. Maar ook binnen die groep zijn de verschillen erg groot. Ruim 50 procent van die uitstoot wordt veroorzaakt door maar tien bedrijven: energiecentrales, Tata Steel, Chemelot, Yara en de raffinaderij van Shell.” Zo publiceerde de NOS vorig jaar.  Maar wacht eens even, waarom beginnen we dan niet bij deze bedrijven? Nee niet door hen het land uit te drijven of het werken onmogelijk te maken. Nee, helpen om hun uitstoot fors te verminderen. Een gerichte inspanning met onze universiteiten en kennisinstituten en zo samen zoeken naar manieren om die uitstoot fors te verminderen, liefst tot nul. Die manieren kunnen we vervolgens ook beschikbaar stellen aan kleinere bedrijven en aan bedrijven in andere landen.

Zou die weg niet veel sneller tot een veel groter succes leiden? Een succes waar ook andere landen nog wat aan hebben? Dat moet toch tot de mogelijkheden behoren. Zeker als je bedenkt dat de elektriciteitssector weer ongeveer de helft van die uitstoot voor haar rekening neemt. Een deel daarvan kan zo worden vervangen door zonnecellen en windmolens. ‘Maar als de zon dan niet schijnt?’ Ja, daarvoor moeten we aan een oplossing werken en waterstof is daarvoor een goede kandidaat, ik schreef er al eerder over. Met een gezamenlijke inspanning van bedrijven en kennisinstellingen en liefst niet per land maar met alle landen samen, moet het mogelijk zijn om deze techniek binnen de tien jaar die ons nu nog resten, tot een succes te maken. De geschiedenis laat zien dat zoiets kan.  Zo ontwikkelden Westerse wetenschappers in de Tweede Wereldoorlog, binnen drie jaar een atoombom. Lukte het de Sovjets om vrij snel een satelliet, hond en een mens de ruimte in te schieten en lukte het de Amerikanen als antwoord daarop om binnen een jaar of acht op de maan te lopen.

Zouden onze politici niet leiderschap moeten toen door niet alleen uit te spreken dit te willen bereiken, maar er ook de middelen voor beschikbaar te stellen. En vooral, door die bedrijven aan te spreken op hun verantwoordelijkheid, ook hun financiële verantwoordelijkheid. Maar ja, waar vind je dergelijke politici?

Moeten we dan als individu niets doen? Nee, natuurlijk moeten we verspilling voorkomen, kunnen een onsje minder vlees eten en kunnen we profiteren van de bovenstaande ontwikkeling. Die zorgt er immers ook voor dat we onze auto’s op waterstof kunnen laten rijden. En, als we wat verder in de uitstootcijfers duiken, dan zien we ook iets wat we kunnen laten. Naast CO2 en methaan dragen ook fluorhoudende gassen bij aan het broeikaseffect. En wat zien we daar? Het gebruik daarvan is sinds eind vorige eeuw fors afgenomen van bijna 14 Mton CO2-equivalent tot zo’n 2,5 Mton nu. Een succes, maar met een bijzonder randje. Het spul dat ervoor verantwoordelijk is, HFK of fluorkoolwaterstoffen, wordt gebruikt in de airco’s. Bijna de gehele tegenwoordige uitstoot komt voor rekening van ‘Gebruik koeling’ en de uitstoot hiervan groeit sinds begin deze eeuw fors. Bijzonder om te constateren dat we, om het erg cru te formuleren, ons individueel verkoelen door ons collectief te verhitten

The Game, de surfer en het klimaat

“Ondanks het overweldigende wetenschappelijke bewijs dat klimaatverandering wordt veroorzaakt door de mens, groeit het aantal klimaatsceptici. Wat gaat er in hun hoofd om?”  Die vraagt stelt Irene van den Berg zich bij OneWorld. Voor een antwoord op deze vraag gaat zij te rade bij enkele wetenschappers. 

Die zien verschillende oorzaken. Als eerste: “Achterdocht jegens wetenschappers komt (…) vaak ook voort uit een wantrouwen tegen de heersende elite.” Dan is er een meer op ideologie gebaseerde afkeer en dan vooral ideologische weerstand tegen collectieve maatregelen: “Veel Amerikanen hebben een diepgeworteld geloof dat overheidsbemoeienis hun vrijheden ernstig aantast.” Dan is er een groep die vertrouwt op de eigen intuïtie: “Mensen met een intuïtief wereldbeeld vertrouwen eerder op hun eerste ingeving en schuiven de wetenschap vervolgens terzijde. Wetenschap vereist slow thinking en daar zijn wetenschapsontkenners minder goed toe in staat. Zij scoren gemiddeld slechter op analytisch vermogen.”  Dan zijn er nog mensen die zoeken naar bewijs dat hun beeld bevestigt: “Veel klimaatsceptici zijn wel op zoek naar feiten. Zij produceren echter ándere feiten en trekken de bestaande in twijfel.”

Eigen foto

Wat daaraan te doen? Jaron Harambam, een van de geraadpleegde wetenschappers: “Ik denk dat meer moet worden stilgestaan bij de emoties van de twijfelaars, in plaats van alsmaar op de feiten te gaan zitten.” Ook wil hij opzoek naar de krachten achter de ontkenning: “Er is een aantal sociale mediaplatformen waarop dat veel gebeurt. Ik wil graag weten door wie deze partijen worden betaald.” Daarbij helpt het, volgens Hrambam niet om de sceptici: “allemaal over één kam (te) scheren,” dat “leidt in ieder geval niet tot goede analyse, noch tot oplossingen.”

Bij het lezen van dit artikel moest ik denken aan het The Game, het laatste boek van de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco. Een zeer lezenswaardig boek dat je met andere ogen naar de huidige samenleving laat kijken en waarin Baricco verder gaat waar hij in zijn boek De Barbaren begon. In de Barbaren beschrijft hij het steeds oppervlakkiger worden van onze samenleving beschrijft. Hij doet dat aan de hand van boeken, wijn en voetbal. In een eerdere Prikker besteedde ik al eens aandacht aan Baricco. Er wordt meer wijn gedronken, maar kwaliteitswijn leidt een kwijnend bestaan. Net zoals de literatuur terwijl er veel meer boeken worden verkocht. Als voetballiefhebber betreurt hij het lot van Roberto Baggio de sierlijke specialist die steeds vaker op de bank zat omdat hij geen totaalvoetballer was. Die ‘barbaren’ leken zich niets aan te trekken van oude conventies. Ze leefden in een andere wereld. Met hun gedrag gaven de barbaren een inkijkje in de nieuwe wereld: “een lay-out van de wereld die is aangepast aan de ogen die we hebben, een mentaal ontwerp dat geschikt is voor onze hersenen, en een hoopvol plot dat is opgewassen tegen ons hart, bij wijze van spreken.”

In The Game onderzoekt hij als een soort archeoloog de onstaansgeschiedenis van die nieuwe wereld en probeert er als het ware aan landkaart van te maken of, zoals het op de kaft kort wordt omschreven: “In The Game onderzoekt hij de digitale revolutie en de gevolgen daarvan voor de mens.” Een interessant boek met bijzondere vergelijkingen. Zo ziet hij het Nederlandse totaalvoetbal uit de jaren zeventig als een van de voorgangers van het Web: “het Nederlands elftal heeft maar zelden een toernooi gewonnen …. .Niettemin was de roep ervan onweerstaanbaar, en dat had te maken met een zeker ontsluiten van horizonten, de verpulvering van de vele regels, de vernietiging van onbenullige mentale blokkades en het opeisen van een nieuwe gelijkheid.” Als je het zo leest dan zijn er wel wat parallellen met het Web. Baricco vergelijkt de digitale revolutie met een game, een computerspel, vandaar de titel. In een game gaat het om problemen en snelle oplossingen, om actie en reactie, en om een score. Die eigenschappen vormen, zo betoogt Baricco, de kern van de gehele digitale revolutie.

Baricco gaat terug naar de beginperiode van de die revolutie. Een revolutie die ontstond in de jaren zeventig in Californië door een: “aparte mensheid, waarin informatica-ingenieurs, hippies, politieke militanten en geniale nerds samenvielen onder de paraplu van een specifiek gemeenschappelijk sentiment: ergernis over de wereld zoals die was.” Zij wilden een andere wereld. Dat anders, en ook de manier waarop, werd kort maar krachtig samengevat in de woorden: “Veel mensen proberen de aard van de mens te veranderen, maar dat is echt tijdverspilling. Je kunt de aard van de mens niet veranderen, wat je wel kunt doen is de tools die ze gebruiken veranderen, de techniek veranderen. Dan verander je de samenleving.” Woorden van een van hen: Stewart Brand.

Woorden opgeschreven in een periode waarin ideologieën centraal stonden. Ideologieën die de mensen en dus mensheid wilden veranderen. Ideologieën die in de twintigste eeuw tot vernietigende oorlogen hadden geleid. Die ‘aparte mensheid’ liet de ideologie varen en concentreerde zich op de techniek, de tools. ‘In ieder huis een computer,’ voorspelde de al genoemde Brand in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Deze ‘aparte mensheid’ wilde dus weg van ideeën en hun bemiddelaars, de ideologen. Zij wilden de macht bij het volk.

Een van de belangrijkste eigenschappen van de tools de ze ontwikkelden was daarom dat iedereen ze makkelijk kan gebruiken. Je hebt geen ‘expert’ of ‘tussenpersoon’ nodig om een app te versturen. Je huis of auto verhuren kun je zelf, via Airbnb of Uber. Om je bankstel te verkopen hoef je het niet meer naar een handelaar in tweedehandsjes te brengen. Je kunt het rechtstreeks aan een geïnteresseerde verkopen. Als de digitale revolutie iets is, dan is het de uitschakeling van de ‘tussenpersoon’. Baricco: “Wanneer ik een systeem maak dat hen buitenspel zet en hen vervangt door beschermde omgevingen waarin ik mensen en dingen rechtstreeks met elkaar in contact breng, en iedereen aanzet om mee te drijven op getijdenstromingen veroorzaakt door een ondoorgrondelijke massa-intelligentie, dan heb ik iets episch verwezenlijkt: een wereld waarin ogenschijnlijk geen elites voorkomen, een planeet met directe aandrijving , waar de collectieve intentie en intelligentie wordt omgezet in actie zonder dat ze langs tussenliggende autoriteiten hoeven. Het onvermijdelijke gevolg is dat bij een aanzienlijk aantal mensen de overtuiging groeit dat ze het wel afkunnen zonder tussenkomst, zonder expert of insiders. … Ze kijken om zich heen, en bezield door een bepaalde, begrijpelijke zweem van rancune zoeken ze naar de volgende intermediair om te vernietigen, de volgende tussenstap om over te slaan, de volgende kaste der voorgangers om overbodig te maken.”

En daarmee kom ik bij de vraag die Van den Berg zich stelt en trouwens ook alle mogelijkheden om er wat aan te doen die in haar artikel worden geformuleerd. Is het niet begrijpelijk dat velen een klimaatwetenschapper, net als trouwens alle wetenschappers, ook zien als een ‘tussenpersoon’ die kan worden ‘uitgeschakeld’? Dan helpt het niet om: “klimaatontkenners die zich zorgen maken over de kosten van een duurzamere maatschappij … te overtuigen met een goede financiële onderbouwing.” Die onderbouwing wordt immers ook geleverd door een tussenpersoon.

Diepgang, toelichting, onderbouwing  zijn iets van vóór de eenentwintigste eeuw. Om een vergelijking uit Baricco’s De barbaren aan te halen. Het zijn vormen van diepzeeduiken, van een uitgebreide en zware studie van een heel klein deel van de zee. Dit terwijl de eenentwintigste eeuw vooral bestaat uit surfers. Mensen die scheren over een groot deel van het zeeoppervlak zonder te weten wat er onder de waterspiegel gebeurt. Soms komt er iets aan de oppervlakte en dat wordt aan die oppervlakte oppervlakkig bestudeerd en dan vooral in relatie met het oppervlak en het surfen. Zouden wetenschappelijke analyses en berekeningen over het koraal op tien meter diepte de surfer bereiken? Zouden berekeningen over de kosten en nog grondigere analyses door een wetenschapper, een tussenpersoon, de ‘surfer’ overtuigen? 

In een van de laatste paragrafen van The Game besteedt Baricco aandacht aan de waarheid. Hij gebruikt het begrip ‘snelwaarheid’, dat is: “een waarheid die om naar de oppervlakte van de wereld te komen – dat wil zeggen, om begrijpelijk te worden voor de meeste mensen, en ieders aandacht te krijgen – zichzelf een aerodynamisch design heeft aangemeten, waarbij ze onderweg aan nauwkeurigheid en precisie inboette, maar wel aan beknoptheid en snelheid won.” Een waarheid die ergens op iets waars is gebaseerd maar toch niet helemaal. “Een snelwaarheid wint als ze eerder en beter dan andere waarheden aan de oppervlakte weet te komen.” Daarbij: doet het er niet eens zoveel toe hoe stevig ze op feiten steunt: het is haar aerodynamische uitrusting die over haar lot beslist.” Het succes van die aerodynamische uitrusting wordt, zo betoogd Baricco, bepaald door ‘storytelling’: “Storytelling is niet iets wat de realiteit verpakt, of vermomt, of verfraait: het is iets dat deel uitmaakt van de realiteit, het is een deel van alle dingen die zijn. Wil je een formuletje om dat concept makkelijk te metaboliseren? Komt-ie: ONTDOE DE REALITEIT VAN DE FEITEN, EN WAT ER DAN OVERBLIJFT IS STORYTELLING.” 

Zou, om werkelijk de hoofden van de klimaatsceptici te bereiken, de boodschap in een goed en pakkend verhaal worden verpakt? Een verhaal dat moet staan als een huis, los van welk feit, cijfer of onderbouwing dan ook? Moet hierbij niet de vraag worden gesteld die een politicus in een voorbeeld van Baricco stelt als hem wordt gevraagd om een keuze te maken tussen verschillende oplossingen van een probleem: “welke zouden we het beste kunnen vertellen?”  Dus niet geen verhaal verzinnen bij de beste oplossing maar de best te vertellen oplossing kiezen omdat daarmee de scepticus wordt bereikt? En vanuit dat eerste succes kun je verder werken. “Want een perfecte oplossing die ik niet aan mensen kan uitleggen is gedoemd te mislukken,” aldus Baricco.

Dat is niet iets wat wetenschappers normaal doen, die kiezen de beste oplossing en maken daar een verhaal bij. Dat is ook de richting die Van den Berg en de door haar geraadpleegde wetenschappers op lijken te gaan. Toch maar eens contact opnemen met enkele goede storytellers?

Afhankelijk of onafhankelijk

“Power to the people!” De laatste zin van een artikel van Maurits Kreijveld op de site Oneworld. Het is trouwens ook de kop erboven. Kreijveld breekt een lans voor de introductie van blockchain op de energiemarkt. Nu brak ik in mijn vorige Prikker een lans voor investeringen in nieuwe technologieën, zoals de battolyser. Dus eens even zijn redenering volgen. 

Illustratie: Pixabay

Kreijveld: “Blockchain maakt de energiemarkt transparant en toegankelijk voor kleinere spelers. Door de gedeelde boekhouding wordt het netwerk intelligenter. Hierdoor kunnen alle componenten in het energienetwerk beter op elkaar inspelen: wanneer energie schaars wordt, of juist overvloedig. De apparatuur aan het netwerk zou voortdurend met elkaar kunnen onderhandelen over levering op basis van een variabele prijs die voortdurend wordt vastgesteld op basis van vraag en aanbod.” Hij vervolgt: “Wil je de vele partijen die nu investeren allemaal een eerlijke vergoeding kunnen geven voor hun investering, dan heb je een enorme boekhouding nodig, waarin alles wordt bijgehouden: de geleverde als verbruikte stroom, hoe groen deze is, de batterijen en netwerken waar deze (tijdelijk) is opgeslagen en hoe zij is getransporteerd. Blockchain kan deze boekhouding verzorgen.” En concludeert: “Een systeem zoals de blockchain kan de essentiële katalysator zijn voor de energietransitie door ervoor te zorgen dat niet alleen enkele grote (steeds groter wordende) energieproducenten, maar ook heel veel kleinere producenten, zoals jij en ik, mee kunnen doen.” Interessant, maar … .

Zit ik te wachten op een enorme boekhouding van welke energie in welke batterij zit en door wie die is geproduceerd? Zit ik te wachten op een: “wasmachine die pas gaat wassen bij een bepaalde lage energieprijs?”  En op die apparaten die met elkaar gaan onderhandelen? Wat als mijn koelkast te duur inkoopt? Of de prijs waarbij mijn wasmachine gaat draaien nog vier weken op zich laat wachten? Zit ik te wachten op een boekhoudsysteem waar ik geen touw aan vast kan knopen en dat ik niet kan controleren?

Zit de werkelijke kracht van zonnecellen en windmolens niet juist in de mogelijkheid om los te komen van het net en dus de markt? Los als individu of als groep. In de mogelijkheid om mijn eigen energie op te slaan in batterijen of waterstofgas en dit te gebruiken als ik het zelf nodig heb? Zit de kracht in afhankelijkheid of onafhankelijkheid? 

Gekkigheid, mogelijkheid en werkelijkheid

Bij DDS een artikel van iemand die zich RPML noemt. In het artikel ergert deze persoon zich aan het gebrek aan beta’s in de politiek. “Gisteren werd bekend dat men in 2030 maar liefst 65% van het autoverkeer elektrisch wil hebben… een techneut gaat dan rekenen…. 65% van 9 miljoen auto’s zijn 5.850.000 voertuigen die vanaf dan gemiddeld 30 kWh per dag (133 km, 0,225 kWh per km) gaan gebruiken… dat is 175 miljoen kWh per dag… een gemiddeld huishouden verbruikt 4.400 kWh per jaar, 12 kWh per dag… 175 miljoen kWh staat dus voor een equivalent van 14.5 miljoen huishoudens. Er zijn in Nederland op dit moment 7 miljoen huishoudens (…) en we gaan het energieverbruik van twee keer zoveel huishoudens aan de elektrische auto hangen… en die stroom komt zeker allemaal van windmolens?”  ‘Totale gekkigheid’ aldus de kop boven het artikel. De rekensom klopt, maar klopt daarmee ook de conclusie dat het een onhaalbare missie is?

Illustratie: wikimedia commons

Een rekensom begint met de cijfers waarmee je rekent. Neem het gebruik van een elektrische auto, 0,225kWh per kilometer volgens de auteur. Dat is iets meer dan een Tesla Model S verbruikt. Er zijn echter auto’s die veel zuiniger zijn. Neem de Renault ZOE, die verbruikt gemiddeld 0,162 kWh per kilometer. reken je met dit verbruik, dan is er al een kwart minder elektriciteit nodig om die 65% te laten rijden. Het is niet uit te sluiten dat de beta’s erin slagen om dit verbruik nog verder terug te dringen.

Als we kijken naar de andere kant, de energieproductie, de windmolens en zonnecellen. De windmolens worden steeds groter en krachtiger. Eén molen wekt steeds meer energie op. En neem de zonnecellen. De eerste zonnecel uit 1883 kende een rendement van 1%. In 1954 was dat al 6% en tegenwoordig is dat zo’n 16,6% voor de gangbare zonnecellen. Er zijn er echter al met een rendement van 44,7%. Deze zijn nu nog onbetaalbaar zo ontdekte ik na wat googelen. Nu nog, maar ervaringen uit het verleden leren dat prijzen snel kunnen dalen. 

Resteert één probleem: de opslag van de gewonnen energie. De zon schijnt niet altijd en en het waait ook niet altijd. Hoe brengen we vraag en aanbod van elektriciteit voor al die auto’s in evenwicht? Dat kan door deze op te slaan in accu’s. Iets waar met namen Tesla flink in investeert. Een beproefde en efficiënte techniek. Zou het omzetten van opgewekte elektriciteit in waterstofgas niet een op termijn veel praktische oplossing zijn. Het maakt het opladen van je accu overbodig. Je gaat gewoon naar een tankstation en tankt waterstofgas net zoals je nu benzine tankt. De infrastructuur hiervoor ligt er al. Een veel belovende mogelijkheid? 

Elektrolyse, zoals dat heet, is lastig maar veelbelovend met interessante ontwikkelingen zoals de battolyser: “Deze kan elektriciteit opslaan of leveren op een manier die net zo efficiënt is als een batterij. Bovendien kan hij water splitsen in waterstof en zuurstof door elektrolyse.” Als de overheid iets kan doen, dan is het flink investeren in dergelijk onderzoek. Dan klopt de rekensom van RPML en wordt die wellicht  65% toch werkelijkheid.

Landbouwsubsidies

“Dat zijn de prioriteiten van 30, 40 jaar geleden.” Een uitspraak van minister Blok van Buitenlandse Zaken naar aanleiding van de conceptbegroting van de Europese Commissie. De commissie wil de Europese begroting met €200 miljard laten stijgen en dat is zeer tegen het zere been van minister Blok en premier Rutte, zo valt te lezen bij nos.nl. Tegen het zere been omdat de inkomsten met het Britse vertrek teruglopen en dan zouden de uitgaven dat ook moeten doen aldus Blok en Rutte. Beide heren zijn ook tegen het schrappen van de korting die Nederland krijgt. Daarnaast vindt minister Blok dat er minder geld naar landbouw moet en daarom sprak hij de openingszin van deze prikker. Het gaat mij nu niet om die toename van de begroting, het schrappen van de korting of het verzet van de beide bestuurders, maar om die openingszin.

agricultural-2935273_960_720

Foto: Pixabay

Na te zijn gestart als gemeenschap voor kolen en staal werd landbouwbeleid al snel speerpunt van het Europees beleid en dat is het nog steeds. Na de steun voor de armere regio’s gaat het grootste deel van de  begroting op aan landbouwsubsidies. Je zou, zoals Blok, kunnen betogen dat dit nu maar eens afgelopen moet zijn en dat de landbouwsector maar eens op eigen benen moest gaan staan. Als je kijkt naar de reguliere landbouw, dan is dat een redelijk terecht punt. 

Dus dan de prioriteiten maar verleggen naar andere sectoren dan de landbouw, bijvoorbeeld naar hightech start-ups? Hightech start-ups steunen kan best een goed idee zijn. De successen van de techbedrijven in Silicon Valley is immers ook gebaseerd op overheidsinvesteringen (subsidies) zoals Mariana Mazzucato in haar boek De ondernemende staat laat zien.  

Toch even terug naar die goede oude landbouw. Of eigenlijk niet die goede oude, maar innoverende duurzame nieuwe. Die goede oude draagt immers flink bij aan de vervuiling van het milieu en moet worden vervangen door innoverende nieuwe klimaatneutrale en diervriendelijke landbouw. Zou die vernieuwende landbouw niet ook een goed doel zijn om de subsidie van de ‘oude landbouw’ aan te besteden? 

 

 

Democratisch experiment

“De versplintering van de gemeenteraad in steeds meer fracties biedt een kans tot vernieuwing en daarmee tot andere vormen van overleg, samenwerking en coalitievorming.” De eerste zin van een artikel van Hans Bekkers bij Binnenlandsbestuur. Dit is de conclusie uit een rapport dat de bestuurskundigen Paul Frissen en Martin Schulz schreven in opdracht van de provincie Overijssel. De beide onderzoekers concluderen dat het: “systeem van politiek bedrijven via gedisciplineerde coalitievorming met strakke binding (…) door de versplintering van het politieke landschap in steeds meer en kleinere fracties ‘lastiger (wordt), zo niet onmogelijk’. Daarom is een nieuwe, verruimende politiek nodig.”

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Foto: Wikimedia Commons

Bij het lezen van dit artikel moest ik denken aan het boek Counter-Democracy. Politics in an age of distrust van de Fransman Pierre Rosanvallon dat ik momenteel aan het lezen ben. Voor Rosanvallon is democratie veel meer dan ‘verkiezingen’. Democratie versterkt door op hoofdlijnen drie vormen van tegen-democratie: waakzaamheid, aanklacht en beoordeling. Waakzaamheid in de vorm van bijvoorbeeld de pers of actiegroepen die de volksvertegenwoordigers kritisch volgen en beslissingen beïnvloeden. Gebeurt er iets dat niet door de beugel kan, dan wordt de verantwoordelijke voor die keuze aangeklaagd, Halbe Zijlstra kan erover meepraten. Als laatste beoordeling, beoordeling door onderzoek en evaluatie maar ook door de verantwoordelijke voor de rechter te dagen. De Urgenda-zaak is een mooi voorbeeld hiervan. Vormen van tegen-democratie die de democratie versterken maar die risico’s inhouden.

Ik moest denken aan die tegen-democratie toen ik het artikel van Bekkers en de uitspraken van Frissen en Schulz las. Zou de aanwezigheid van deze inmiddels sterke tegen-democratische krachten ook gebruikt kunnen worden voor een gedurfder experiment? Een experiment met een andere vorm van democratische vertegenwoordiging, namelijk loting van volksvertegenwoordigers en dus maximale ‘versplintering’? Volksvertegenwoordiging als een democratische plicht. Het loten van raadsleden gecombineerd met de verkiezing van de burgemeester? Een burgemeester die via zijn uitverkiezing het mandaat krijgt om zijn beleid uit te voeren maar daarvoor wel de middelen en de goedkeuring van de gelote raadsleden moet verkrijgen? Raadsleden die zonder last en ruggespraak hun werk kunnen doen en niet bezig hoeven te zijn met hun herverkiezing. De kans dat ze voor een volgende termijn worden geloot is immers bijzonder klein.

Het kiezen van de bestuurlijk verantwoordelijke en het loten van de controlerende en regelgevende macht, zouden we een dergelijk experiment aandurven?

Niets boven Groningen

De Rijksuniversiteit Groningen heeft grote ambities in China. Maar de twijfel slaat toe nu de academische vrijheid in het geding dreigt te komen. Want de partijsecretaris kijkt straks wel graag mee.” De aanhef van een artikel in de Volkskrant over de activiteiten van de Groningse universiteit in China. De universiteit heeft daar een ‘dependance’ opgericht of zoals ze het zelf noemt een ‘zusteruniversiteit’. De machthebbers in China hebben bepaald, of eigenlijk is dat wettelijk verplicht, dat er een partijsecretaris aan het bestuur wordt toegevoegd. De Groningse Universiteitsraad dreigt nu de plannen voor de oprichting van die ‘zuster’ tegen te houden omdat met de komst van die partijsecretaris de academische vrijheid in het geding is.

GroningenFoto: Flickr

Met die secretaris krijgt de Chinese communistische partij invloed in het bestuur en dat ligt gevoelig. In het Commentaar concludeert Carlijne Vos hierover dat: “Nederland (…) het zich niet (kan) veroorloven die boot te missen en zal de Chinese mores daarvoor tot op zekere hoogte moeten accepteren. De uitwisseling van internationale studenten is zowel goed voor het imago van de universiteit als voor de BV Nederland. Bovendien liggen in China miljarden te wachten voor nieuw onderzoek.” En oh ja: “Door internationale samenwerking kunnen bovendien hopelijk iets van de Westerse vrijheden en normen, op het gebied van mensenrechten bijvoorbeeld, worden overgedragen.” Zouden die ‘miljarden’ die liggen te wachten werkelijk naar Nederland stromen of zouden die in China aan onderzoek worden besteed? Als die miljarden niet naar Nederland stromen, hoe profiteert de Groningse Universiteit er dan van? Moet die Chinese ‘zuster’ geld over maken voor de naam? Krijgt de Groningse universiteit de rechten en patenten die dat onderzoek oplevert? Dat zou opmerkelijk zijn want dat lukt zelfs in Nederland niet. Hier worden succesvolle onderzoeken opgekocht door bedrijven.

Er is niets mis mee dat Chinese en andere buitenlandse studenten hier onderwijs komen volgen. Gaat een buitenlands filiaal oprichten niet iets te ver? Zou de Groningse universiteit de tijd en energie die in de Chinese zuster in oprichting wordt gestoken, niet beter kunnen besteden in Groningen, aan de kwaliteit van het onderwijs en dus de Nederlandse en ook buitenlandse studenten die in Groningen komen studeren? Het is immers de Nederlandse belastingbetaler die het gros van het geld voor de universiteit ophoest. Er gaat immers niets boven Groningen, zoals ze dat zelf zeggen. Of zou de Groningse universiteit daaraan twijfelen en daarom naar China uitwijken?

Kosten en baten

“Het is ontstaan uit pure frustratie. Ik kon hier gewoon geen goede kok vinden.” Woorden waarmee Dick van Ostaden, eigenaar van een restaurant, uitlegt hoe het bemiddelingsbedrijfje K.U.S . is ontstaan, Koks Uit Spanje. Van Ostaden kon geen Nederlandse koks vinden en hij moest iets, zo valt te lezen bij RTLZ . In het artikel doet ook Doekle Terpstra voorzitter van de brancheorganisatie van installateurs een duit in het zakje: “Er is sprake van een mismatch. Vraag en aanbod sluiten totaal niet op elkaar aan.” Daarom moeten de werkgevers wel uitwijken naar het buitenland. Maar Terpstra is de kwaadste niet: “Als ze goede ideeën hebben dan graag. We betalen op dit moment de prijs voor het slechte imago dat we het vmbo hebben gegeven als maatschappij. Dat moet veranderen. Op de lange termijn is dat een oplossing. Maar voor de korte termijn hoor ik het graag van het CNV.” 

kok

Foto: Vance Air Force Base

Nu is het flauw om erop te wijzen dat Terpstra in zijn carrière voordat hij vertegenwoordiger van ondernemers werd, voorzitter was van diezelfde CNV, dat hij voorzitter was van de onderwijskoepel HBO-raad en bestuursvoorzitter van hogeschool InHolland en in die hoedanigheid toch wel de gelegenheid moet hebben gehad om iets te doen aan die slechte aansluiting. Dat is immers geen probleem van de laatste jaren, daarover wordt al heel lang geklaagd. Bovendien ‘jaagt’ hij sinds 2014 het Nationaal Techniekpact 2020 ‘aan’. Een pact dat wil dat meer jeugdigen een technische opleiding volgen en in een technisch beroep aan de slag gaan. Zou de huidige CNV-voorzitter Lemmen dan toch gelijk hebben als hij zegt dat: “gejammer over krapte op de arbeidsmarkt (…) vooral (komt) uit sectoren die er zelf alles aan hebben gedaan om het werken in die sector zo onaantrekkelijk mogelijk te maken. Werkgevers hebben de arbeidsvoorwaarden volledig naar de gallemiezen geholpen.”

Zou het dan misschien een idee zijn als die bedrijven die zo zitten te jammeren dat ze geen vakmensen kunnen vinden, zelf vakmensen gaan opleiden? Als ze hiervoor wat minder naar de overheid en het onderwijs kijken? Als ze een werkloze met potentie in hun sector in dienst nemen? Als ze deze werkloze samen met het onderwijsveld, de benodigde kennis en vaardigheden gaan bijbrengen? Dat zou Terpstra met zijn ervaringen bij de vakbond, in het onderwijs en nu bij de werkgevers toch moeten kunnen organiseren. Maar ja, dat is lange termijn denken en kost geld en dus winst op de korte termijn. Is het probleem niet dat de kosten voor de baten gaan en de werkgevers de kosten liever door anderen laten betalen?