Uitgelicht

Van uithoek tot hoeksteen

“De vergetelheid waaruit die machtige Republiek waarop je als Nederlander ook ‘trots’ moet zijn was opgekomen. Daarover meer in een volgende Prikker.” Zo schreef ik de Prikker met als titel Trots op je land. Die volgende Prikker is nu. Hoe die vergetelheid eruit zag? “Omstreeks het jaar 1000 krioelden ook hier ten lande allerlei min of meer feodale gebieden naast en door elkaar. Een duidelijk patroon ontbrak.[1] Zo omschrijft de historicus Peter W. Klein de politieke situatie in het gebied dat nu Nederland heet.

Het gebied lag aan de rand van het continent Europa en uit niets kon je opmaken dat het 600 jaar later zou zijn uitgegroeid tot het centrum van Europa. Sterker nog, geheel Europa lag in die tijd waar het altijd al had gelegen en dat was ‘aan de rand van de wereld’. Het centrum van de wereld dat was het gebied met aan het ene uiteinde wat we nu het Midden-Oosten of de Levant noemen en aan de andere kant het China langs de Yangtze. Het gebied, waarnaar Peter Frankonpan zijn bekende werk De zijderoutes heeft genoemd. De Romeinen waren erin geslaagd om ‘aan te haken’ bij dat centrum en zo het gebied wat te vergroten. Omdat het zuidelijke deel van het huidige Nederland vanaf het begin van onze huidige jaartelling bij dat Rijk behoorde, was het verbonden met het centrum van de wereld. Met de val van Rome en het afzetten van de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus op 4 september 476, kwam daaraan weer een einde.

File:Slag bij Vlaardingen.JPG
Het naspelen van de slag bij Vlaardingen. De slag die Dirk III in zijn voordeel besliste. Foto: ErfgoedZH

De ‘Nederlandse’ verbinding met ‘de wereld’ was al eerder verbroken, omdat de val van het Romeinse Rijk een geleidelijk proces was. Het verval van het ooit machtige Romeinse Rijk zette al veel eerder in en de wereld van na die val kondigde zich al meer dan twee eeuwen eerder aan. Germaanse en andere stammen begonnen te knibbelen aan de Romeinse macht. Een maaltijd begint met de eerste hap, niet met de laatste. Als we die metafoor op de scheiding tussen Oudheid en Middeleeuwen toepassen, dan kun je met recht en rede betogen dat de Middeleeuwen begonnen met de eerste Germaanse hap in het Romeinse Rijk. Een derde-eeuwse Romein zou bij die eerste hap aan de grenzen van het Rijk niet meteen spreken van een ‘nieuw tijdperk’. Er werd wel vaker ‘geknabbeld’ maar dat werd later wel weer hersteld. Voor de Germaan Odoakar stelde het afzetten van die laatste keizer niet zoveel meer voor. De macht van de keizer reikte niet veel verder dan de poorten van zijn paleis. Tenminste sinds de Visigotische leider Alarik I in 410 Rome plunderde, stelde het westelijk deel van het Romeinse Rijk al niet meer veel voor. Niemand kon zich zo rond het begin van onze jaartelling een wereld zonder Romeinse Rijk voorstellen. Net zo onvoorstelbaar was het in het jaar 1000 dat die uithoek van Europa tot het ‘centrum van de wereld’ zou uitgroeien.

In het jaar 1000 bestond Nederland nog niet. Van de later machtigste van de Verenigde Provinciën was ook nog geen sprake en zelfs ‘Holland bestond nog niet. Holland was vooral Fries. “Reeds vanaf de vroege middeleeuwen was de Maas-, Rijn-, en Schelde regio de operatiebasis van de Friezen voor hun verre handel tussen West-Europa en Scandinavië.[2] Toch gebeurde er in 1018 iets bijzonders. Een van de graven in West-Friesland Dirk III behaalde, zo beschrijft Klein het, de eerste militaire ‘Hollandse’ overwinning. Een ‘Hollandse’ overwinning avant la lettre want: “Deze Dirk was en bleef zijn leven lang namelijk niets anders dan een graaf ín (West)-Friesland. Zelfs tot graaf ván (West-)Friesland heeft hij het niet kunnen brengen.[3]  Dirks oorspronkelijke ‘rijk’ bestond uit: “twee losse West-Friese gebieden (…)  Kennemerland en Rijnland.” En Dirks prestatie bestond eruit dat hij daaraan: “bij stukjes en beetjes Neder-Maasland,” aan toevoegde. Tegenwoordig een zeer rijk gebied, in die tijd: “niet veel anders dan de moerassige zilte gronden aan de mond van de samenvloeiing van Maas en Merwede.[4] Uiteindelijk mocht een van zijn nazaten, Floris II, zich in 1101 echt graaf van Holland noemen. Dat had hij te danken aan de bisschop van Utrecht die bereid bleek om hem als leenman te aanvaarden. Daarmee zijn we honderd jaar verder in de tijd. Ook toen wees er niets op het succes van dat ‘Holland’. De eerste graaf van Holland, graaf van drassig land langs de monding van de Rijn en de Maas, ‘onderknuppel’ van de bisschop van Utrecht was iets meer dan niets en daarmee is alles gezegd.

Nu ontwaakte Europa zo rond de tijd van Dirks avonturen uit de donkere slaap die het met de val van West-Romeinse Rijk begon. Europa, en dan vooral Italiaanse steden zoals Genua en Venetië begonnen weer te handelen met de Levant, ze herstelden de verbroken verbinding met de Zijde route. “By the end of the tenth century, Venice was shipping grain, wine, and Lumber to Constantinople and receiving in return fine silken cloth that they sold to their north Italian Neighbors. Also by that time merchants from Amalfi had established extensive trading contacts with Cairo. The inland towns of northern Italy began to have some industry of their own, notably weaving of woolen cloth, but markets for this cloth were very limited at first.[5]Zo beschrijven Palmer en Colton in hun A History of the Modern World het Europa dat zich weer langzaam aansloot bij het centrum van de wereld.

Dirks’ gebied was nog niets maar iets ten Zuiden van zijn moerassige zilte gronden werd het al iets. Die opleving in Italië had zijn uitwerking op ‘staatjes’ die enkele eeuwen later de 17 provinciën werden genoemd. Voor de Friezen betekende ze een ‘nagel aan hun doodskist’ als dominante macht omdat: “De Friese handel (…) niet bij machte (was) op deze opleving in het zuiden in te haken.” Anderen wel: “De kooplieden van de Maas- en Scheldevallei daarentegen, die als stedelingen een meer moderne handelstechniek hadden ontwikkeld en die vanouds contacten met de het continentale achterland onderhielden, grepen de geboden kansen. Ze brachten een systematische verbinding tussen Noord-West Europa en het Middellandse-Zeegebied tot stand.” Die handel liep niet over zee en dan via de rivieren het land in met Rotterdam[6] als schakelpunt, zoals in onze tijd. “Het werd een overlandse handel op het zuiden, die steunde op het uitwisselen van luxe producten uit Italië, Noord-Afrika, de Levant en het Verre Oosten enerzijds en van industriële fabricaten uit eigen streek anderzijds[7].”

De Zuidelijke Nederlanden vervulden in toenemende mate een stapelmarktfunctie voor Noordwest Europa. Zo zie je maar weer dat de winnaars de geschiedenis bepalen want voor de Friezen, die al in de Romeinse tijd een belangrijke macht waren in het gebied dat grensde aan de Noord- en de Waddenzee, restte slechts een bijrol in de ‘trotse’ geschiedenis van het koninkrijk Nederland. De Graaf van Holland was echter niet de enige ‘onderknuppel’. Er waren er veel meer zoals de graaf (later hertog) van Gelre, de hertog van Brabant, de graaf van Zeeland die allemaal hun eigen rijkje stichtten en knibbelden aan de macht van de Friezen. Allemaal gebieden die niets met elkaar hadden. “The northern provinces felt no tie with each other and no sence of difference from the south. Each of the seventeen provinces was a small state or country in itself,[8]aldus Palmer en Colton in hun A history of the Modern World over de relatie tussen de verschillende provinciën in het midden van de zestiende eeuw en dat was in de eeuwen daarvoor niet anders.  Sterker nog, zelfs binnen een zo’n rijkje hadden mensen vaak al niet veel met elkaar behalve dan dat ze eenzelfde ‘onderknuppel’ boven hen hadden. Niets gezamenlijks.

In het begin van de zestiende eeuw werd het onrustig in het gebied van die zeventien provinciën. Trouwens ook in een groot deel van de rest van West-Europa. Drie ontwikkelingen kwamen samen. De eerste ontwikkeling heb ik hierboven al genoemd: de aantrekkende handel en het streven om de tussenhandel uit te schakelen. De handel en de ermee gepaard gaande nijverheid zoals de wol en lakennijverheid zorgde voor toenemende rijkdom waardoor er in steden een rijke burgerlijke bovenklasse ontstond. Een bovenklasse die de oude adel qua rijkdom in haar schaduw stelde. De tweede ontwikkeling: centraliseringsdrang van de vorsten en koningen. De strijd om de macht. Een strijd tussen de vorst, de hoge adel en die rijke burgerlijke bovenklasse. Vorsten die de macht naar zich toe wilde trekken stootten op verzet van de hoge adel en die burgerlijke bovenklasse. Wie er aan het langste eind trok, dat verschilde per gebied. De derde ontwikkeling die een rol speelde was het geloof.

Op 31 oktober 1517 spijkerde Maarten Luther zijn toen nog 93 stellingen op de deur van de slotkerk van Wittenberg. Dat is tenminste het populaire verhaal, alleen is niet te achterhalen of het ook werkelijk is gebeurd. Wel zeker is dat Luther op die dag zijn 93 stellingen verspreidde en dat daarmee een belangrijke stap werd gezet in wat we nu de Reformatie noemen. Later werden er nog twee stellingen een toegevoegd. Met die stellingen bond Luther de strijd aan met de kerk en vooral de paus. De strijd draaide vooral om de aflaten, kwijtscheldingen van straffen voor zonden. Die straffen zouden eerst moeten worden ondergaan voordat de zonde wordt vergeven. Met een aflaat was de zonde zonder straf vergeven. De kerk en de paus gebruikten aflaten om de kerkelijke kas te spekken. Een doorn in het oog van Luther. De paus antwoordde door Luther te excommuniceren. Achteraf kunnen we constateren en concluderen dat dit het welbekende lont in het kruitvat was. Dat kruitvat explodeerde en leidde tot een godsdienstoorlog die pas in 1648 met de Vrede van Westfalen werd beëindigd en naar sommigen menen eindigde die oorlog pas aan het einde van de zeventiende eeuw.

Die religieuze perikelen vermengden zich met de strijd tussen de vorst en zijn ‘onderknuppels’ en steden. Wilde je als ‘onderknuppel’ van je vorst af en zocht je naar ‘de zegen van boven’, dan werd je ‘protestants’. Die ‘godsdienstoorlog’ kun je zien als het laatste hoofdstuk in de investituurstrijd tussen de paus en de vorst met betrekking tot wereldlijke zaken. Door de reformatie kreeg een vorst de mogelijkheid om een ander ‘geloof’ te kiezen en met dat geloof ook de volledige macht op zijn grondgebied. Voor wie een ietwat geromantiseerd beeld wil krijgen van de periode van de godsdienstoorlogen en de vermenging van het politieke en religieuze, kan ik de trilogie van Hillary Mantel over het leven van Thomas Cromwell aanbevelen[9]. Die strijd om centralisatie, modernisering, het recht, het vormgeven van verantwoordelijkheid en de strijd tussen de vorst en de kerk, speelde al vanaf het begin van de elfde eeuw en kent eigenlijk eenzelfde oorzaak als waarom er op Indië werd gevaren: het uitschakelen van de tussenpersoon. En de strijd van die ‘tussenpersoon’ om de positie te behouden. En culmineerde in de zestiende eeuw tot die godsdienstoorlog waarbij het dus veel meer draaide om macht dan om het geloof.

In de Lage Landen, die 17 provinciën waar de handel sterk ontwikkeld was, trok die burgerlijke bovenklasse in de zeven noordelijke provincies de macht naar zich toe. In de Zuidelijke 10 provinciën lag dat anders . Daar overwon de kracht van de Spaanse vorst. De Noordelijke zeven provinciën verenigden zich en ontwikkelden wat Fukuyama verantwoordelijk bestuur noemt. Er ontwikkelde zich: “zowel een sterke rechtsorde als verantwoordelijk bestuur (…), terwijl ze tegelijk een sterke gecentraliseerde staat tot stand brachten die in staat was tot nationale mobilisatie en defensie.[10]” Dit gebeurde, zo betoogt Fukuyama, op verschillende manieren onder andere in monarchieën als Engeland, Zweden en Denemarken maar ook in Republieken zoals de Zeven Verenigde Nederlanden en de Zwitserse bondsstaat. Gebieden waar de ‘derde stand’ van handelslui en sterke lokale gemeenschappen tegenmacht boden aan de hoge adel en de ‘staatsmacht’. Tegenmacht die de staat, de vorst, dwong zich te onderwerpen aan het recht en tot verantwoording dwong. Verantwoording aan een parlement dat het volk vertegenwoordigde en wiens leden door een steeds groter deel van het volk werden gekozen en uiteindelijk het hele volk.

Nu viel het in die Republiek der Zeven Verenigende Nederlanden wel mee met die ‘gecentraliseerde staat’, of moeten we zeggen dat het tegen viel. Ja, die zeven provinciën waren verenigend in die Republiek. De Republiek blonk veel meer uit in ‘sterke lokale gemeenschappen’ met vooral ‘verantwoordelijk bestuur’. Als we de Republiek met iets hedendaags moeten vergelijken, dan komt de Europese Unie nog het meest in de buurt. Iedere ‘provincie’ kende eigen regels en bestuurlijke verhoudingen en zelfs in steden en gebieden binnen provincies waren er grote verschillen. Schöffer c.s. beschrijven het als volgt: “terwijl overal elders centralisatie en vorstenmacht zich schenen door te zetten, kende de Republiek dankzij de federatieve opbouw een sterke spreiding van macht en gezag. … Zelfs zaken van buitenlandse politiek en defensie – in het buitenland gewoonlijk de uitsluitende bevoegdheid van de vorst en zijn raadgevers – konden in de Republiek in stadhuizen en boerenhofsteden worden besproken en daarna in commissies of grotere vergaderingen beslist. Het stelsel is dan ook alleen te begrijpen wanneer het van ónderaf’ wordt beschreven: uitgaande van de stad, ambtsheerlijkheid (de bestuurseenheid op het platteland) of waterschap. Van die basis uit werden enerzijds afgevaardigden gestuurd naar gewestelijke en landelijke vergaderingen en waren anderzijds de directe bestuurscontacten met de bevolking het sterkst.[11] Alleen voor wat betreft de verdediging tegen het buitenland trokken de provincies samen op.

Vanaf het begin van de zeventiende eeuw werd die vergeten uithoek een machtige hoeksteen in de wereld. Voor nu rest slechts de verwondering dat die Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zo’n belangrijke rol vervult in het verhaal waar de Nederlander volgens menigeen ‘trots’ op moet zijn. Trots op een verleden dat staatkundig gezien moderner is dan het ‘koninklijke heden’.


[1] Peter W. Klein,  1000 jaar vaderlandse geschiedenis, pagina 33

[2] Schöffer, I c.s,  De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 15

[3] Idem, pagina 33

[4] Idem, pagina 34

[5] Brian Tierney, Sidney Painter, Western Europe in the Middle Ages 300-1475, pagina 268-269

[6] Rotterdam werd pas zo rond 1270 gesticht en haar bewoners leefden in eerste instantie van de visserij

[7] Schöffer, I cs, De Lage Landen van 1500 tot 1780 pagina 15

[8] Palmer, R.R en Joel Colton, A History of the Modern World, pagina 126

[9] De trilogie begint met Wolfhall gevolgd door Het boek Henry en wordt afgesloten met De spiegel & het licht.

[10] Idem, pagina 383 – 384

[11] I. Schöffer c.s. De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 184

Uitgelicht

Geschiedenis: historisme

In mijn vorige Prikker over geschiedenis en eigenlijk de geschiedenis van de studie van de geschiedenis, schreef ik over Herodotus, de vader van de geschiedenis. Nu maak ik een flinke stap in de tijd en gaan we van Herodotus naar de negentiende eeuw en wel naar Leopold von Ranke (1795-1886). Hij ontwikkelde de methode van de wetenschappelijke geschiedbeoefening.

Ranke was geïnteresseerd in de moderne Europese en dan vooral de politieke geschiedenis en niet zo zeer in de oude geschiedenis van de Grieken en Romeinen. Zijn wetenschappelijke methode komt overeen met de aanpak van Herodotus alleen had Ranke veel meer informatie tot zijn beschikking. In archieven werd en wordt zeer veel bewaard waaruit we informatie uit het verleden kunnen halen. Ranke bestudeerde en analyseerde die informatie uit al die bronnen kritisch en minutieus en probeerde zo tot een objectieve beschrijving van het verleden te komen. Hij wilde weten ‘hoe het werkelijk geweest is’. Een heilloze weg omdat objectieve geschiedenis niet mogelijk is. Daartoe ontwikkelde hij de wetenschappelijke geschiedenis, het bestuderen, analyseren en vergelijken van verschillende bronnen. De ‘methode Ranke’ houdt in dat je de hoogste prioriteit geeft aan oorspronkelijke bronnen[1]. Die bronnen laat je spreken waarbij je zo min mogelijk interpreteert en oordeelt noch er morele conclusies aan verbindt. Het verleden is niet ‘goed’ of ‘fout’ het is het verleden.

Bij het bestuderen van een bron stel je eerst standaard vragen: is de bron authentiek? Een belangrijke vraag want een niet authentieke bron vertekent het beeld van het verleden. Wat voor soort bron is het? Door wie is ze geschreven, aan wie, wanneer en waar? Was de schrijver een ooggetuige? Met welke bedoeling is de bron geschreven? Begrijpen we de bron zoals een tijdgenoot het begrepen zou hebben? Hoe betrouwbaar is de informatie in de bron? Pas daarna ga je aan de slag met je eigen vragen. Laat ik een voorbeeld geven: de zogenaamde ‘Protocollen van de wijzen van Zion.’ De bron pretendeert een verslag te zijn van een vergadering van joodse leiders in Bazel in 1897. Deze joodse leiders, de wijzen van Zion, zouden een plan hebben gesmeed om de christelijke maatschappij omver te werpen en een joodse wereldheerschappij te vestigen. Dit is geen authentieke geschreven bron omdat de vergadering nooit plaatsvond. Bovendien werd er in Rusland in 1895 al melding gemaakt van een handgeschreven versie van de Protocollen. Er is niet bekend wie de auteur ervan is. Nadere bestudering van de ‘Protocollen’ toonde aan dat het een samenraapsel is van stukken uit andere geschriften waarbij vooral is geput uit het boek Dialogue aux enfers entre Montesquieu et Machiavel: ou la politique de Machiavel au XIXe Siècle van Maurice Joly. Een boek dat het beleid van de toenmalige Frans keizer Napoleon III bekritiseerde. Die Russische tekst werd waarschijnlijk geschreven in opdracht van de chef van de Parijse afdeling van de Ochrana, de geheime dienst van tsaristisch Rusland, met als doel om de positie van de tsaar te versterken. Daarmee hebben we een antwoord op de vraag met welke bedoeling de bron is geschreven en is ook meteen duidelijk dat de informatie die de bron bevat volkomen onbetrouwbaar is[2]. Dus als een beschrijving van wat er werkelijk is gebeurd, is dit een niet authentieke bron. Dat ligt anders als je als historicus de behandeling van de joden in christelijk Europa sinds de Middeleeuwen bestudeert of de geschiedenis van complottheorieën .Dan vormen de ‘Protocollen’ een authentieke bron.

Rankes denken over de geschiedenis behoort tot een stroming die historisme wordt genoemd, een: “stroming die de nadruk legt op de historische dimensie bij de bestudering van maatschappelijke verschijnselen in heden en verleden, waarbij de individuele geaardheid van ontwikkelingen bijzondere aandacht krijgt, [3]aldus de omschrijving die Van der Dussen van dit begrip geeft. Historisme als denken kwam op als tegenwicht of verzet tegen het Verlichtingsdenken. Verlichtingsdenkers zoeken, in navolging van Newton in de natuurwetenschappen, naar altijd geldende wetten. In die zin ziet het Verlichtingsdenken de samenleving als statisch en ahistorisch. Of zoals de Schotse filosoof en historicus David Hume (1711-1776) het duidelijk maakte: “Men is het er algemeen over eens dat er grote regelmatigheid bestaat in de daden der mensen van alle naties en tijden, en dat is dat de menselijke natuur in haar beginselen en werking steeds dezelfde is gebleven. Dezelfde beweegredenen leiden altijd tot dezelfde daden; dezelfde gebeurtenissen volgen altijd uit dezelfde oorzaken (…) Wil men de gevoelens, de verlangens en de levensloop van de Grieken en Romeinen leren kennen? Men bestudere dan de aard en daden van de Fransen en Engelsen; men kan er dan niet ver naast zijn als men de meeste waarnemingen die men bij de laatstgenoemden gemaakt heeft overdraagt op de eerstgenoemden. De mensheid is in alle tijden en plaatsen zozeer gelijk dat de geschiedenis ons in dit opzicht niets nieuws verteld.[4]  Het historisme verzet zich hiertegen het gaat uit van het steeds en fundamenteel anders zijn van de mens in het heden en het verleden. Ieder volk heeft zijn eigen ‘Volksgeist’ en iedere tijd zijn eigen ‘Zeitgeist’ om de Duitse bewoordingen te gebruiken. Het historisme past omdat laatste Duitse woord te gebruiken, precies in de ‘Zeitgeist’ van de Romantiek.

De Romantiek ontstaat als een reactie op het Verlichte denken en vooral als reactie op de Franse revolutie van 1789. Die revolutie werd in haar revolutionaire fase gedreven door het rationalisme van de Verlichting en dat ‘rationalisme had geleid tot la Terreur met Maximillian Robespierre als een van haar belangrijkste vertolkers ervan. La terreur, letterlijk vertaald ‘Schrikbewind’, zo wordt de periode genoemd die het land van augustus 1792 tot juli 1794 in haar greep had en waarbij velen letterlijk hun hoofd verloren onder de guillotine. Doel van la Terreur was, zoals Palmer en Colton het in de zesde editie van hun boek A History of the Modern World beschrijven: “to bring about a democratic republic made up of good citizens and honest men.” Om zover te komen moest men af van ‘slechte burgers’ en ‘oneerlijke mensen.” Hoe doe je dat? “A Committee of General Security was created as a kind of supreme political police. Disigned to protect the Revolutionary Republic from it’s internal enemies, the Terror struck at those who were in league against the Republic, and those who were merely suspected of hostile activities.” En dat was een uitgebreid palet aan mensen: “It’s victims ranged from Marie Antoinette and other royalist to the former revolutionary colleagues of the Mountain, the Girondin leaders; and before the year 1793-1794 was over, some of the old Jacobins of the Mountain who had helped inaugurate the program went also to the guillotine.[5]in totaal verloren zo’n 40.000 mensen hun hoofd en honderdduizenden werden gearresteerd en vastgehouden.

Daar waar Verlichte denkers de rede en objectiviteit als uitgangspunt namen, namen Romantici de subjectieve ervaring als uitgangspunt. Voor die subjectieve ervaring is het verleden erg belangrijk want in dat verleden is, zo stellen de Romantici, het heden geworteld. Dat verklaart waarom het bestuderen van het verleden in de negentiende eeuw in zwang raakte en een hoge vlucht nam. Dit verklaart ook waarom Herodotus zo lang heeft moeten wachten op een opvolger. Het verleden stond vóór de negentiende eeuw niet in de belangstelling, het werd niet bestudeerd en er werd geen onderzoek naar gedaan. Die lacune werd ingevuld door de ‘historisten’. En omdat het eigene van volkeren uitgangspunt van het denken van het historisme was, werd vooral dat eigene van iedere ‘Volksgeist’ onderzocht en als je zoekt naar het ‘eigene’ van een groep of een volk, dan vind je dat eigene ook.

Dat ‘volkseigene’ werd vervolgens weer door de machthebbers gebruikt om het volkseigene te benadrukken en zo een volk te creëren, een volk waarop de leden van dat volk trots moesten zijn. Trots op het volk en de natie nu maar ook op het grootse verleden ervan. Om die trots te ontwikkelen en hoog op te kloppen, moest er nog meer onderzoek naar dat glorieuze en grootse eigen verleden worden gedaan, waardoor de nationale trots nog hoger kon worden opgeklopt. Opgeklopt door beelden van die ‘grote mannen’ te plaatsen. Beelden bedoeld om je ‘trots’ te laten zijn op de grootsheid van je volk en natie. Let maar eens op. De meeste beelden van ‘grote mannen’ zijn in de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw geplaatst. Zo is het beeld van Michiel de Ruyter in Vlissingen van 1841 en dus geplaatst zo’n 180 jaar na zijn dood. Jan Pieterszoon Coen is in Den Helder in 1893 op zijn sokkel gezet, bijna 270 jaar na zijn dood. Het beeld van schilder Rembrandt van Rijn werd in 1852 in Amsterdam onthult door koning Willem III en het plein waar het beeld staat werd in 1872 van Botermarkt ongedoopt in Rembrandtplein. Zo leidt het ‘objectief beschrijven van ‘hoe het geweest is’ toch weer tot het bevoordelen van de eigen groep.

In een volgende prikker in deze serie ‘geschiedenis van de studie geschiedenis’, een heel andere manier van het bestuderen van de geschiedenis.


[1] Ook wel primaire bronnen genoemd. Denk hierbij aan schriftelijke bronnen zoals Oorkonden, inscripties, annalen, processtukken, rapporten, notities, memoranda, verhandelingen, verslagen, notariële akten, doop-, trouw-, begraafboeken, kasboeken, egodocumenten, kranten, tijdschriften, vlugschriften, romans, brochures, verhalen, gedichten, toneelstukken, partituren. Maar ook niet-schriftelijke bronnen zoals gebruiksvoorwerpen, machines, meubels, gebouwen, wegen, stedenbouw, transportmiddelen, schilderijen, prenten, tekeningen, beeldhouwwerken, films, foto’s, geluidsopnames, kostuums, landschapsvormen, skeletten.

Naast primaire bronnen kennen we secundaire bronnen. Informatie uit tweede hand en/of van later datum dan het gebeurde dat je bestudeert. De Historiën van Herodotus zijn een secundaire bron bij de bestudering van de Perzische oorlogen.

[2] https://isgeschiedenis.nl/nieuws/de-geschiedenis-van-de-protocollen-van-de-wijzen-van-zion

[3] W.J. Van de Dussen, Filosofie van de geschiedenis pagina 104

[4] Geciteerd bij W.J. Van de Dussen, Filosofie van de geschiedenis pagina 105

[5] Palmer & Colton, A history of the modern World, pagina 376

Uitgelicht

Geschiedenis

“In de vijfde eeuw v.Chr. ontstond ook de geschiedschrijving. De ‘vader van de geschiedenis’ was Heródotus. Hij was afkomstig uit Halicarnássus op de Zuidwestpunt van Klein Azië, maar hij heeft een belangrijk deel van zijn leven in Athene gewoond. Hij schreef over de Perzische oorlogen en de voorgeschiedenis ervan en hij behandelde de zeden, gewoonten en geschiedenissen van allerlei volken en staten in Azië en Griekenland. Hij vertelde geen sagen, maar trachtte de waarheid te achterhalen en hij woog informatie kritisch af. Zijn werk kwam voort uit de Ionische traditie van land- en volkenkunde. Ionische kooplieden hadden reeds in de archaïsche tijd de behoefte gevoeld iets meer te weten over de landen en volken die zij bezochten.[1]

Met deze woorden wordt de eerste geschiedschrijver van de wereld geïntroduceerd in het boek Een kennismaking met de oude wereld. Als je over de geschiedenis van geschiedenis schrijft dan kun je niet om Herodotus heen. Nu is niet te achterhalen of Herodotus (die leefde tussen 485 en 425) werkelijk de eerste geschiedschrijver was. Wat we zeker weten is dat hij de geschiedschrijver is van het oudst bewaarde ‘geschiedenisboek’, zijn Historiën. Alles wat ik zag, hoorde en onderzocht. Het is daarmee een van de belangrijkste bronnen die ons inzicht geven in het denken in het oude Griekenland. Zijn Historiën is een echt geschiedenisboek omdat hij schreef over een gebeurtenis of beter een reeks gebeurtenissen die zich deels voor zijn geboorte en deels in zijn heel vroege jeugd afspeelden, de Perzische oorlogen aan het begin van de vijfde eeuw voor onze jaartelling en de aanloop ernaar. Oorlogen met drie bekende slagen. Iedereen die nu de marathon loopt, treedt in de voetsporen van Pheidippides. Volgens de bekende legende rende Pheidippides van Marathon naar Athene, sprak daar de woorden ‘gegroet, we hebben gewonnen’ en viel dood neer. Hiermee deed hij verslag van de slag bij Marathon in 490 alwaar de Grieken de Perzen in de eerste Perzische oorlog versloegen. Deze versie hebben we te danken aan Pioutarchos die deze bijna zes eeuwen nadien optekende. De tweede bekende slag is die bij Thermopylae in 480 alwaar een van de koningen van Sparta, Leonidas, met een kleine strijdmacht trachtte het ver in het overtal zijnde Perzische leger tegen te houden. De Perzen wonnen die slag maar leden er zeer grote verliezen. De film 300. Rise of an Empire verhaalt over deze slag. Als laatste de slag op zee bij Salamis vlak na die bij Thermopylae ook in 480 die de Perzen verloren en die koning Xerxes deden besluiten zijn poging om de Griekse gebieden te onderwerpen te staken.

Leonidas De Thermozuilen - Gratis foto op Pixabay
Koning Leonidas de Spartaanse koning die bij Thermopylae een nederlaag leed tegen de Perzen. Bron: Pixabay

Maar wat is geschiedenis? ‘Het verleden’ is het antwoord dat menigeen op die vraag geeft. En dat is ook precies een van de drie betekenissen die de Van Dale voor het woord geeft. In zijn Filosofie van de Geschiedenis is dat ook het antwoord dat Van der Dussen geeft, alleen dan iets uitgebreider maar dat is eigen aan filosofen: “Onder geschiedenis moeten immers in eerste instantie alle omstandigheden en gebeurtenissen uit het verleden worden verstaan.” De andere twee zijn: “voorval, gebeurtenis” en: “wetenschap die het verleden beschrijft.[2]In deze Prikker staat die laatste betekenis, de ‘wetenschap die het verleden beschrijft’ centraal, de ‘wetenschap die het verleden bestudeert’. Al het verleden? Nee, alleen de geschiedenis van de mens. Die van de natuur wordt buiten beschouwing gelaten. Studie van de natuur vraagt immers, zoals Van der Dussen aangeeft: “specifieke deskundigheid die tot het terrein behoort van bijvoorbeeld de geologie, paleontologie, klimatologie of astronomie.” Hij geeft echter ook een meer principiële reden: “de mens is zich op een unieke wijze bewust van zijn eigen geschiedenis, zoals hiervan in de natuur nergens sprake is.[3]

Met dat ‘bewust zijn van de eigen geschiedenis’ komen we bij een belangrijk punt. Geschiedenis is meer dan een relaas van gebeurtenissen in het verleden. “Het verleden is een gegeven waar niemand omheen kan.” Met die woorden opent Van der Dussen het tweede hoofdstuk van zijn Filosofie van de geschiedenis. Een hoofdstuk met als titel Rol van het verleden. Om het cru te zeggen: wij, als individu zijn ons verleden want dat is het enige wat wij hebben. Wie wij zijn wordt bepaald door de ervaringen die we hebben opgedaan. We hebben leren lopen, zwemmen, voetballen en muziek maken. We hebben een of meerdere talen geleerd waarmee we met anderen kunnen communiceren. Wij hebben geleerd van zaken die ons zijn overkomen en wij breiden onze ervaringen uit met die van anderen. En wij zijn onze verhalen en onze fantasieën. Of zoals Harari het in zijn Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid  beschrijft: “Sinds de cognitieve revolutie leven sapiens aldus in een dubbele realiteit. Aan de ene kant heb je de objectieve realiteit van rivieren, bomen en leeuwen en aan de andere kant de imaginaire realiteit van goden, naties en corporaties.[4]”  Twee realiteiten die sinds een jaar of twintig worden aangevuld met een derde, virtuele realiteit. Een realiteit die de andere twee combineert door je beelden voor te schotelen die je in toenemende mate niet van echt kunt onderscheiden, waarin je binnen de limieten van het programma ‘imaginair’ actief kunt zijn. Dit alles maakt ons wie wij zijn, het bepaalt onze identiteit en die is belangrijk als we onze persoonlijke geschiedenis beschrijven.

Echter niet alleen voor ons individueel, ook voor gemeenschappen: “Evenals bij een individu wordt de identiteit van een gemeenschap bepaald door het bewust zijn van haar verleden. Het betreft hier een collectieve herinnering en een geheel van collectieve ervaringen, onder meer voortlevend in tradities, die voor het heden van de gemeenschap in dezelfde zin bepalend zijn, als dit bij een individu ten aanzien van zijn individuele verleden het geval is.[5]Nu heb je geschiedenis, geschiedenis en geschiedenis. Aan de ene kant de geschiedenis van de grote verhalen. Een goed voorbeeld hiervan is het boek Sapiens van Harari. In nog geen 450 pagina’s beschrijft hij de 200.000 jaar geschiedenis van onze mensensoort, de homo sapiens en de rol die verhalen hierin speelden. Aan de andere kant heb je Stalingrad van Anthony Beevor die in ongeveer even veel pagina’s de in de Tweede Wereldoorlog belangrijke slag om Stalingrad beschrijft. Ergens hier tussenin kunnen we Richard Mills The politics of football in Yugoslavia plaatsen. Een boek van 300 pagina’s waarin de rol die het voetbal heeft gespeeld in het korte bestaan van het land Joegoslavië centraal staat. Aan de ene kant de grote lijnen, er tussenin een specifiek fenomeen en de ontwikkeling ervan in een bepaalde tijd, en aan de andere kant één gebeurtenis tot in detail. Alhoewel detail, en daarmee kom ik weer bij Van der Dussen: “Niet alleen is het ‘totale verleden’ dus nooit te omvatten, maar ook niet een ‘vaststaand’ of ‘objectief’ verleden: het gaat steeds om bepaalde aspecten van het verleden en bepaalde interpretaties ervan.[6] Hoe gedetailleerd ook, het schrijven van een geschiedenis betekent altijd gebeurtenissen en perspectieven weglaten en andere benadrukken. Voor wie op zoek is naar het objectieve verleden heb ik, in navolging van Van der Dussen een slecht bericht, het objectieve verleden bestaat niet. Iedere geschiedenis is een interpretatie van het verleden.

En daarmee kom ik weer bij de vader van de geschiedenis. Herodotus schrijft op basis van wat hij ziet tijdens zijn reizen maar vooral wat hij hoort in de verhalen van mensen die hij bevraagt. Daarbij belicht hij het gebeurde vanuit de verschillende betrokkenen. Spreken die zich tegen dan zoekt hij naar een voor hem best passende verklaring. Naast de genoemde conflicten en de personen die daarbij een rol speelden, geeft het boek ook een beschrijving van de levenswijzen en gebruiken van de verschillende volkeren. De beschrijving van die levenswijzen en gebruiken waarvan je je afvraagt welk deel ervan waar zou kunnen zijn geweest. Een voorbeeld: “Wanneer een Nasamoniër voor de eerste maal een huwelijk sluit, is het de gewoonte dat de bruid in de eerste nacht alle gasten langsgaat om gemeenschap met ze te hebben. Iedere man die dan gemeenschap met haar heeft, geeft haar een of ander geschenk, dat hij van huis heeft meegenomen.[7]Maar in een tijd waarin gebeurtenissen vooral in de vorm van verhalen worden verteld, is fantasie niet ver weg om wat gaten in te vullen of zaken aan te dikken. Iedereen die wel eens het spel heeft gespeeld waarbij een verhaal één op één moet worden doorverteld in een groep, weet dat het verhaal na een paar keer doorvertellen heel anders is.  

Een oude Griek of Pers zou het niet opvallen maar Herodotus lardeert zijn boek met wonderen, orakels en mythologische verhalen. Die gebruikt hij ter verklaring van wat er is gebeurd. Zij geven de gebeurtenissen een magische dimensie. Ook hier een voorbeeld ter verduidelijking. “Toen Grinnos, de koning van Thera, haar (het orakel van Delphi) over een andere kwestie raadpleegde gaf de Pythia hem als orakel dat hij een stad in Libye moest stichten.” Nu vond Grinnos zich te oud en hij wist de klus bij ene Battos in de schoenen te schuiven. Alleen vergaten ze het toen ze weer thuis waren. Dit ‘vergeten’ had drastische gevolgen: “Gedurende zeven jaar vanaf dat tijdstip viel er geen regen op Thera en daardoor verdorden in die tijd alle bomen op het eiland, op één na.[8]Omdat de Theranen wilden weten waarom hen dit overkwam, gingen ze weer naar Delfi en de Pythia herinnerde hen aan de eerdere uitspraak. Voor Herodotus was die ‘magie’ niets bijzonders omdat die in zijn tijd deel uitmaakte van de werkelijkheid.

De vader van de geschiedenis die, zoals De Blois en Van der Spek schrijven, de waarheid trachtte te achterhalen. Nu zal het een goede lezer van Herodotus Historiën opvallen dat de neutraliteit toch een klein bijsmaakje heeft. De Grieken komen er toch ietsjes beter vanaf dan de Perzen. De Grieken vochten voor hun vrijheid en tegen het despotisme van de Perzische vorsten. De Grieken staan, in zijn beschrijving, samen met de Egyptenaren op de hoogste trede van de ‘beschavingsladder’. Enige ‘vooringenomenheid’ is Herodotus niet vreemd en daarmee toont hij zich een kind van zijn tijd en eigenlijk een ‘kind van alle tijden’ want een voorkeur voor de eigen groep of het eigen land, is van alle tijden want zoals we zagen is alle geschiedenis een interpretatie en geen feitelijke beschrijving.

In een volgende Prikker meer over geschiedenis.


[1] L. de Blois en R.J. van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, pagina 103

[2] https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/geschiedenis#.YKu9uKgzb-g

[3] W.J. van der Dussen, Filosofie van de geschiedenis, pagina 37

[4] Yuval Noah Harari,  Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 42

[5] W.J. van der Dussen, Filosofie van de geschiedenis, pagina 27

[6] Idem, pagina 38

[7] Herodotus, Historiën. Alles wat ik zag, hoorde en onderzocht, boek 4 172

[8] Idem, boek 4 150-151

Uitgelicht

De broodrooster, de overheid en filantropie

Bij De Correspondent las ik een interessant artikel van Maurits Martijn met de bijzondere titel Hoe kwetsbaar Europa is, leer je van een broodrooster. Met zo’n titel heb je mij meteen te pakken. De kwetsbaarheid van Europa uitgelegd aan de hand van een broodrooster. Martijn spreekt in het artikel met Bert Hubert de man van de ‘broodrooster’. Bij het lezen van dit artikel moest ik meteen denken aan het veld waarin ik werk: de overheid.

Toaster Toast Brood - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

Eerst even de broodrooster. “Een broodrooster bestaat uit verschillende onderdelen. Vroeger maakten allround technologiebedrijven die allemaal zelf – van het omhulsel tot de schakelaar, en van de zekering tot het hitte-element. Nu is dat niet meer nodig. Broodroostermakers kunnen alle onderdelen over de hele wereld los inkopen – en dat doen ze dus ook.” Je kunt nog steeds geld verdienen maar je bent dan wel kwetsbaar: “omdat je geen broodroosters maakt, weet je ook niet precies hoe ze werken. Je verliest de beste broodroosterwizards als personeel, want hen boeit het werk bij jou niet meer. ‘Je komt op een punt dat je niemand meer in dienst neemt die iets kan, waardoor je als bedrijf niets praktisch meer zelf kunt.’ Weg expertise, weg innovatie.” Vervolgens maakt Hubert de sprong naar zijn werkveld, de telecom alwaar de grote spelers in Europa: “wat een ‘telco’ tot ‘telco’ maakt – de infrastructuur, het onderhoud, het personeel, de administratie – uitbesteedden aan andere partijen  ‘Ik zag ze allemaal veranderen in marketingbedrijven’.” De telecom sector is cruciaal voor een land en voor de Europese Unie en het uitbesteden van alle technische kennis en techniek aan derden maakt je kwetsbaar. Of zoals Hubert het zegt: “Als je nu ruzie krijgt met China, dan kun je denk ik nog precies één keer bellen. Ni hao, hoor je dan, vlak voordat er op wordt gehangen.” De coronapandemie liet zien dat al het uitbesteden ook op andere terreinen tot problemen kon leiden.

Bij het lezen van het artikel moest ik, zoals gezegd, denken aan onze overheid en vooral het fenomeen ‘regiegemeente’. In de kern komt het erop neer dat een regiegemeente bepaalt wat er moet gebeuren en het vervolgens via opdrachten laat uitvoeren. Dat vraagt, zo adviseert de Vereniging van Nederlandse Gemeenten haar leden, om goed opdrachtgeverschap en daarbij draait het om drie punten. Als eerste: “De gemeente beschikt over voldoende kennis en kunde om andere partijen aan te sturen (sturings- kwaliteiten).” Het tweede punt betreft inhoudelijke expertise:  “Er blijft voldoende inhoudelijke expertise bij de gemeente achter om niet alleen opdrachten te verlenen maar ook om te kunnen beoordelen of opdrachten volgens afspraak zijn uitgevoerd. Medewerkers dienen zich van een inhoudelijk professional tot een regisserende opdrachtgever te ontwikkelen. Dit vereist een cultuurverandering, opleidingstrajecten en ook wel het aannemen van meer commercieel geschoold personeel.” En als derde draait het dan om relatiebeheer: “Het is bovenal een proces waarin de relatie tussen deze partners moet worden onderhouden. Er zijn verschillende sturings- en verantwoordingsrelaties tussen de samenwerkingspartners en de uitvoerende organisaties.”

Hoe beoordeel je nu die geregisseerde ‘broodrooster’? Dat lijkt eenvoudig, je stopt er brood in en als het er geroosterd uitkomt, dan heb je een broodrooster en is aan de opdracht voldaan. ‘The proof of the pudding’ is immers ‘the eating’ zouden de Engelsen zeggen. Maar wat als je een paar uur na het eten van die toch heerlijke pudding met diarree op de wc zit? Of erger nog met voedselvergiftiging in het ziekenhuis ligt? Of in het geval van de broodrooster, als die het na drie keer begeeft. Of enorm veel stroom gebruikt of een op de vier keer voor kortsluiting zorgt of je keuken erdoor in de hens vliegt? En nu vertaald naar gemeentelijke taken, als die balkons van een flat vallen zoals in Maastricht gebeurde? Als er zich een gezinsdrama voordoet zoals in Roermond twintig jaar geleden. Als je gegevens worden gehackt en vergrendeld zoals de gemeente Hof van Twente overkwam. Of erger nog, een ICT drama zoals tien jaar geleden in Amsterdam.

Je kunt die ‘broodrooster’ net als pudding, de balkons, hulp aan gezinnen en ICT-systemen beoordelen door er allerlei kwaliteitseisen aan te stellen. Dat is de weg die gemeenten vaak kiezen. Echter om de goede eisen te stellen en vooral om erop toe te zien dat het werk ook aan de gestelde eisen voldoet, heb je mensen nodig die van de hoed en de rand weten. Die op de vraag wat 5G is, om een voorbeeld van Hubert aan te halen, antwoorden: “het is een snellere mobiele verbinding en je kunt het netwerk ook opsplitsen in verschillende delen.” En niet beginnen over: “zelfrijdende auto’s en medische operaties die nu via robots uitgevoerd kunnen worden.” Die hoed de rand, vragen om meer dan ‘voldoende inhoudelijke expertise’, die vragen om een expert. Maar waarom zou die expert voor een gemeente gaan werken als medewerkers zich: “zich van een inhoudelijk professional tot een regisserende opdrachtgever (dienen) te ontwikkelen?”  Waarom zou die top ICT-er voor de overheid kiezen als zijn salaris gemaximeerd is en nooit boven de ‘Balkenendenorm’ uitkomt terwijl er bij de Tech-bedrijven veel meer is te verdienen? Net zoals belastingspecialisten veel meer kunnen verdienen als ze niet in dienst van de overheid zijn.

Daarmee kom ik bij een TED-Talk waar Rutger Bregman op wees in de discussie onder zijn artikel over altruïsme waarover ik mijn vorige Prikker schreef. Bregman gebruikt die TED-Talk omdat die zijn ogen opende over de hoge salarissen van directeuren van goede doelen waarover hij zich vroeger druk maakte: “maar ik ben erg van mening veranderd na het kijken van deze TED Talk.” In die TED-Talk verdedigt Dan Pallotta de hoge overheadkosten van goede doelen mits ze leiden tot een flinke stijging van de inkomsten voor het goede doel. Als die leiden tot vergroting van het marktaandeel van het goede doel en beter nog, tot vergroting van het totale marktaandeel van alle goede doelen. Dat schijnt in de Verenigde Staten al jaren 2 procent van het BBP te bedragen. ‘Wat als we dat laten toenemen naar 3 procent’, vraagt Pallotta zich af. Een goed punt. Immers een organisatie met 40 procent overhead besteedt aan kwalitatief goede mensen, die 100 miljoen ophaalt, kan meer gedaan krijgen dan een organisatie met 5 procent overhead die 10.000 ophaalt.

En via Pallotta weer bij de overheid. Laat de overheid nu, en dat klinkt raar met de ‘toeslagenaffaire’ in gedachte, in de basis de grootste ‘goede doelenorganisatie’ zijn. In artikel 20 van onze Grondwet is immers vastgelegd dat: “De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart (…) voorwerp (zijn) van zorg der overheid.”  Op grond van artikel 22 treft de overheid “maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid,” bevordert zij voldoende woongelegenheid en: “schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.” Dit allemaal gevolgd door artikel 23 die het onderwijs tot: “de aanhoudende zorg der regering,” maakt.

Zouden we er, Pallotta volgend, niet voor moeten zorgen dat de kwaliteit van de overheid toeneemt? Moeten we in het verlengde daarvan niet anders kijken naar de betaling van overheidspersoneel? Niet als een kostenpost maar als een investering in een goede overhead. Een investering in het binnenhalen en houden van de beste belastingspecialisten, ICT-ers, bruggenbouwers en ook jeugdhulpverleners? Een overheid die voor hen een interessante werkgever is niet omdat ze ‘regisserend opdrachtgever’ zijn maar omdat zelf die brug bouwen, publieke ict-voorzieningen ontwikkelen en kinderen en vooral hun ouders met problemen helpen? Zou daarmee de kans op een tweede “Siewert-zaak’ niet veel kleiner worden? Zou de kans op kostenoverschrijding van een infrastructureel of ICT project niet veel kleiner worden? Zou de kans op een gezinsdrama daarmee niet veel kleiner worden? Zou dan de kans dat ‘Wopke Hoekstra zijn tanden eens gaat poetsen en zijn handen wassen’ zoals Frank Kalshoven in de Volkskrant schrijft toenemen waardoor er vele miljoenen en waarschijnlijk zelfs miljarden aan onterechte belastingkortingen niet worden uitgekeerd en aftrekposten, vrijstellingen en teruggaven geen zoals Kalshoven schrijft: “paradijs voor mensen die er de weg in weten (zijn), want er is niets meer of minder dan een ‘wildgroei’ ontstaan in de belastinguitgaven in Nederland”? Zou die investering in kwaliteit zich niet dubbel en dwars terugbetalen?

To greek or not to greek

Spek met eieren. Dat zou ik in een normaal jaar eten op het moment dat deze Prikker wordt gepubliceerd. Spek met eieren als goede bodem voor een dagje Vastelaovend in Venlo. Door corona is dit jaar alles anders. Dat alles anders is, wil echter niet zeggen dat ook echt alles anders is dan op een normale zondag met Vastelaovend.

Eigen foto

De Jocusvlag met ballonnen hangt gewoon aan de gevel. Uit de boxen schalt ‘ozze Venlose vasteloavesmeziek’. Liedjes als ‘Vastelaovend in Venlo’ en‘Veur altied eine Venlonaer’ en het prachtige‘As de sterre dao baove Straole’ met het prachtige couplet: “Beej edere baum, beej edere brum. Dao huërste ein hoëge en liëge stum. De liëge is hae, de hoëge is het. Ik zeg ut maar det geej det  wet.” En het de lente aankondigende Lekker Zunke met het geweldige openende couplet: “Nog efkes en dan zit alweer de linte in de lôch. Dan ligge de jônge flotse weer te piëpe in den bôch. Dan plôkke weej weer veldboeketjes. En de Maedjes laupe lôchtig in eur zomerkledjes. Nog efkes en dan zien we weer zoë wiëd. Dan zien we weer ôs wintertiëne kwiët.”. En ja, zelfs al moet ik thuis blijven de spek met eieren smaken toch goed. Net zoals ‘kerboët met eppelkes’ en ‘boeremoos met wors’ de komende dagen.

Wat er vandaag helaas niet inzit, is een bezoek aan Motown alwaar normaal op deze dag Minsekinder zou spelen. De reünie met mensen die ik voor het grootste deel één keer per jaar zie, namelijk met ‘vastelaoveszondaag’. Een reünie die vooral bestaat op het zo hard mogelijk meezingen van de liedjes die de band ten gehore brengt en tussendoor even de stembanden smeren. Wat we dus ook niet kunnen, is samen even degenen herdenken die er niet meer bij kunnen zijn. Dat gedenken concentreert zich rond de legendarische voormalige ‘hofzenger van Jocus’, Sjraar Peetjes. Peetjes was door Minsekinder een beetje uit de vergetelheid gehaald door hem enkele liedjes op de voor hem bekende staccatowijze te laten zingen in hun set.

Nee, dat zit er vandaag allemaal niet in. Maar dat wil niet zeggen dat er niets gebeurt. De hele programmering van Omroep Venlo ademt Vastelaovend. Zo zijn de makers van het in Venlo legendarische programma Café Chantant na een jaar of tien weer bijeen gekomen en zo gebeurt er veel meer.

Veel meer vooral kleine initiatieven die op een of andere manier aandacht besteden aan ‘ozze Venlose Vastelaovend’. Een van die bijzondere initiatieven, wil ik jullie, mijn lezers, niet onthouden. Een filmpje van ‘Vastelaovesgezelschap De Greek’. Voor iedereen die het dialect niet machtig is, ‘enne greek’ is geen Griek en het handelt dus niet over de Giorgos Giakoumakis, de veel scorende Griekse spits van VVV. Nee ‘enne greek’ is een zeur, een zanikerd. En daarmee kom ik bij de kern: to ‘greek’ or not to ‘greek’, that’s the question!

‘Schokgolven van de actualiteit’

“Als het aan het kabinet ligt, kiezen we straks om de drie jaar de helft van de senatoren in de Eerste Kamer. De senaat is dan iedere zes jaar helemaal ververst en is zo beter bestand tegen de schokgolven van de politieke actualiteit,” zo is te lezen in het commentaar bij Trouw. Nieuwsgierig naar het probleem waarvoor dit een oplossing is, dook ik in de brief die het kabinet hierover naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Ik werd er niet vrolijk van.

Bijeenkomsten,_kernenergie,_energiebeleid,_Bestanddeelnr_932-5355.jpg (3633×2425)
De Brede maatschappelijke discussie kernenergie. Foto Nationaal Archief via WikimediaCommons

Het begon goed: “Het kabinet deelt de visie van de staatscommissie dat een waardevolle rol voor de senaat is weggelegd in met name het beschermen van de democratische rechtsstaat en de daaraan ten grondslag liggende waarden. De Eerste Kamer is kortom een institutie die past in het stelsel van checks and balances dat één van de fundamenten is van de Nederlandse staatsinrichting.”  Helaas komt, volgens het kabinet: “De potentiële meerwaarde van de Eerste Kamer voor het stelsel als geheel (…) onvoldoende uit de verf.” Om daar wat aan te doen meent het kabinet: “dat het in dit licht beter is om terug te keren naar het systeem van vóór 1983. De langere zittingsperiode van de Eerste Kamerleden, hun indirecte verkiezing en de vertraagde doorwerking van wijzigingen in de politieke krachtsverhoudingen in de Eerste Kamer passen beter bij de rol en positie van de Eerste Kamer als chambre de réflexion. Het kan dan ook niet meer voorkomen dat de Eerste Kamer (in zijn geheel) over een recenter politiek mandaat van de kiezer beschikt dan de Tweede Kamer.” Dus door eens per drie jaar de helft van de Eerste Kamer te kiezen, wordt de ‘reflectieve positie’ van de Eerste Kamer versterkt en is ze, om Trouw aan te halen, ‘beter bestand tegen de schokgolven van de politieke actualiteit’.

Het kabinet wijkt hier af van het advies van de ‘commissie Remkes’, Deze commissie had als opdracht: “de regering te adviseren over de toekomstbestendigheid van het parlementair stelsel.” In 2018 bracht zij haar advies uit met het rapport Lage drempels hoge dijken. Democratie en rechtsstaat in balans. De commissie erkent ook de reflectieve waarde van de Eerste Kamer. Die reflectie-functie is, zo schrijft de commissie, gebaat bij distantie: “ het (is) belangrijk dat ook de senatoren van coalitiepartijen niet gebonden zijn (of worden) aan het regeerakkoord. Ook zou het goed zijn als de Eerste Kamer zo veel mogelijk voorkomt dat zij al vooraf betrokken raakt bij wetgevingsprocessen. Dergelijke betrokkenheid vooraf bemoeilijkt een enigszins afstandelijke heroverweging van het uiteindelijke wetsvoorstel. Daarom moet de Eerste Kamer ook terughoudendheid betrachten met actuele beleidsdebatten met de regering.” Dit komt in gevaar als: “De politieke samenstelling van de Kamers verschilt,” want zo wordt het: “steeds moeilijker om regeringscoalities te vormen die een meerderheid hebben (en houden) in beide Kamers. De staatscommissie onderkent de problematische kanten van deze ontwikkeling.”  De commissie ziet hierin geen reden om de manier waarop de leden van de Eerste Kamer worden gekozen te veranderen. Wel adviseert zij om de Eerste Kamer het recht te geven wetsvoorstellen gewijzigd terug te zenden naar de Tweede Kamer. Nu kan de Eerste Kamer alleen instemmen of afwijzen. Een advies dat het kabinet in haar brief overneemt. Waarom word ik hier niet vrolijk van? Mijn ‘niet vrolijk zijn’ kent een inhoudelijke kant maar ook een procedurele.

Ik begin met de inhoudelijke kant, de positie van de Eerste Kamer in ons bestel. Als de reflectieve waarde van de Eerste Kamer zo belangrijk is. Als het van belang is dat de Eerste Kamer niet in de, zoals Trouw het noemt, de “schokgolven van de actualiteit’ wordt gezogen. Zou het recht om wetsvoorstellen gewijzigd terug te zenden dan daarbij helpen? Als er iets is dat de Eerste Kamer in die ‘schokgolven’ laat komen, dan is het wel dit voorstel. Want wordt de Eerste Kamer daarmee niet juist in ‘actuele beleidsdebatten’ met de regering gezogen? In ons bestel initieert de regering immers de overgrote meerderheid van alle voorstellen van wet. Ja, het is de Tweede Kamer die over die teruggezonden gewijzigde wet, moet stemmen. Alleen kan de Tweede Kamer het voorstel vervolgens ook weer wijzigen en zo ontstaat er een debat tussen de kamers. Worden die ‘schokgolven’ zo niet al snel een ‘orkaan van actualiteit’?

Kan het in twee keer door Provinciale Staten laten kiezen van de Kamer daarbij helpen? Eens in de drie jaar de helft kiezen, kan er nog steeds voor zorgen dat de politieke samenstelling van beide kamers verschilt. Ook voorkomt het niet dat er momenten zijn dat de volledige samenstelling van de Eerste Kamer wordt gekozen door leden van Provinciale Staten die zijn verkozen tijdens dezelfde verkiezingen. Toch grijpt het kabinet terug op de manier waarop we vóór 1983 de Eerste Kamer kozen omdat het dan: “niet meer (kan) voorkomen dat de Eerste Kamer (in zijn geheel) over een recenter politiek mandaat van de kiezer beschikt dan de Tweede Kamer.”  Als reflectie het belangrijke kenmerk is, als het van belang is dat de leden van de Eerste Kamer niet gebonden zijn aan een regeerakkoord en als de Eerste Kamer ‘gedepolitiseerd’ moet worden, waarbij we politiek waarschijnlijk als partijpolitiek en dus smal moeten zien omdat in de basis alle menselijke activiteit politiek is, waarom dan niet gezocht naar een manier leden van die Kamer te vinden? Waarom de leden niet aanwijzen via loting?

De commissie Remkens rept daar kort over en serveert die mogelijkheid af: “In theorie kan via een loting een betere afspiegeling van de bevolking worden gerealiseerd dan via verkiezingen. Daar zou dan wel een veel grotere senaat voor nodig zijn. Bovendien is het de vraag hoe voorkomen moet worden dat via zelfselectie toch weer een niet-representatieve groep ontstaat. Sommige burgers staan nu eenmaal meer te popelen om Kamerlid te worden dan andere. Dit effect uitschakelen door alle ingelote burgers te dwingen lid te worden van het parlement is niet acceptabel omdat dit een onaanvaardbare inbreuk is op de vrijheid van burgers. Het is ook geen oplossing om te blijven loten tot er een representatieve groep is ontstaan, want dan zou van tevoren al bekend moeten zijn hoe een volledig representatieve groep eruit zou zien.”  Een analyse met een kern van waarheid. Zo’n analyse kun je echter ook ophangen met betrekking tot verkiezingen. Immers als er bij loting voor ‘echte representatie’ meer leden nodig zijn, dan kun de vraag stellen hoe afspiegelend of representatief 75 gekozen leden zijn. Daar gaat het mij nu even niet om. De vraag die de commissie niet stelt, is of het voor de reflectiefunctie nodig is dat de Eerste Kamer ‘representatief’ is. Daarvoor is het van belang om de reflectieve functie goed te definiëren. In mijn ogen richt die reflectie zich op drie aspecten. Als eerste op de doelmatigheid van een wetsvoorstel. Hierbij moet de vraag worden beantwoord of het wetsvoorstel in voldoende mate het doel dat ermee wordt beoogd, bereikt. Als tweede de rechtmatigheid. Hier moet de vraag worden beantwoord of de beperkingen die het wetsvoorstel oplegt, passen binnen het Nederlandse rechtsbestel. Hierbij moet, wat mij betreft, ook de nu ontbrekende toetsing aan de Grondwet worden meegenomen. Als laatste moet een wetsvoorstel worden getoetst op de uitvoerbaarheid ervan. Met andere woorden het toetsen van de kwaliteit van het wetsvoorstel en niet het nut of de noodzaak ervan. Dat is het domein van de Tweede Kamer.

Als de Eerste Kamer een dergelijke functie heeft, hoe noodzakelijk is dan de representativiteit ervan? Een dergelijke invulling wordt niet geraakt door de ‘schokgolven van de actualiteit’? Afkeuring van een wetsvoorstel zegt immers niets over de doelstelling noch over nut en noodzaak van het wetsvoorstel. Met een dergelijke functie zou de Eerste Kamer best geloot kunnen worden en uit niet meer dan de huidige vijfenzeventig leden kunnen bestaan. Zeker als zij bij haar werk kan rekenen op een gedegen ambtelijke ondersteuning en de plicht om ten minste bij drie verschillende onafhankelijke instanties advies op te vragen. Instanties zoals de Raad van Staten.  

Dan het procedurele deel van mijn ‘niet vrolijk’ zijn. Die spitst zich toe op twee zaken die in elkaars verlengde liggen. Dat begon al met het instellen van de ‘commissie Remkes’. De beide Kamers vroegen de minister-president een dergelijke commissie in te stellen via een brief aan de minister-president. Dat is gebeurd en de commissie leverde haar rapport op aan het kabinet, dat was immers de opdrachtgever. Het kabinet stuurde vervolgens het rapport met een brief met haar ideeën en voorstellen over de vormgeving van onze democratische vertegenwoordiging naar de Tweede Kamer. Zou het niet meer aan de Kamer zelf zijn om hierover na te denken? Had de Kamer dit niet zelf moeten onderzoeken? En dan kom ik bij het tweede procedurele punt. Zou de volksvertegenwoordiging hier niet zelf een soort brede maatschappelijke discussie over moeten voeren? Een brede discussie met het Nederlandse volk? Want is het uiteindelijk niet aan het volk om te bepalen hoe het zich wil laten vertegenwoordigen? Een brede maatschappelijke discussie die uiteindelijk zou kunnen leiden tot een grondwetgevende vergadering. Een vergadering met als doel en mandaat om onze Grondwet en de inrichting van ons vertegenwoordigende stelsel opnieuw vorm te geven op basis van de uitkomsten van die brede maatschappelijke discussie? Het resultaat van dit werk kan vervolgens weer per referendum aan het totale volk worden voorgelegd.

Burgerberaad

“Een nationaal burgerberaad geeft gewone mensen echte verantwoordelijkheid. Het is geen referendum en ook geen veredelde inspraakavond. Het komt niet in plaats van lokale burgerparticipatie, maar als aanvulling daarop. Het maakt de ‘Haagse tekentafels’ niet overbodig, maar vult die aan en vergroot de kans op een succesvolle transitie.” Jelmer Mommers en Eva Rovers willen zo’n burgerberaad in het leven roepen en dat moet zich buigen over het klimaat, zo betogen ze in een artikel bij de Volkskrant. Inderdaad een belangrijk onderwerp dat alle aandacht van iedereen vraagt. Toch knaagt er iets en dat is niet het enthousiasme van de beide auteurs.

File:Plenaire zaal Tweede Kamer - panorama.jpg - Wikimedia Commons
Bron: Husky via WikimediaCommons

De auteurs willen het burgerberaad via loting samenstellen en: “Het kabinet geeft burgers een mandaat om voorstellen te doen die verdere CO2-reductie realiseren. Het kabinet belooft de aanbevelingen van de burgers serieus te nemen en aan de Kamer voor te leggen. Het parlement kan aanbevelingen afwijzen, maar moet dan duidelijk uitleggen waarom.” Ik vraag me af waarom iemand of een groep mensen een ‘mandaat van het kabinet’ nodig heeft om voorstellen te doen. Volgens mij staat het iedereen vrij om iets voor te stellen en moeten alle voorstellen serieus worden genomen en moet worden uitgelegd waarom ze worden aangenomen of afgewezen. Lopen we, door dit voor dit burgerberaad expliciet van het kabinet te vragen, niet het risico dat andere voorstellen niet serieus of zelfs helemaal niet behandeld worden?

Bij haar werk wordt de burgerberaad: “begeleid door een onafhankelijke partij. De deelnemers krijgen informatie van experts en belanghebbenden en nodigen zelf sprekers uit om meer kennis te verzamelen.” Nu kun je je afvragen wie er in een kwestie ‘onafhankelijk’ is. In het geval van de auteurs, wie heeft er geen belang bij het onderwerp klimaatverandering? Voor wie verandert er niets als het klimaat verandert en voor wie verandert er niets als men maatregelen voorstelt om klimaatverandering tegen te gaan? Is niet iedereen belanghebbende? En over experts kun je veel zeggen, maar niet dat ze allemaal hetzelfde vinden. Als de huidige coronacrisis iets laat zien, dan is het dat kennis tijdelijk is en door nieuwe informatie kan veranderen en dat er veel informatie is die door experts verschillend wordt beoordeeld. Toch is dit niet de belangrijkste punt waarom het knaagt. Dat punt ligt op een ander vlak

In mijn  werk hoor ik geregeld soortgelijke oproepen. Gemeenten die gaan voor burgerparticipatie of daarvoor het nog ‘newspeakere’ ‘overheidsbetrokkenheid’ gebruiken of zelfs ‘emancipatie’. Als we kijken naar onze staatsinrichting dan is deze in de basis georganiseerd als een burgerberaad. Wij kiezen iedere vier jaar nieuwe Kamer-, Staten en raadsleden en Kamerleden soms zelfs nog vaker. We kiezen dan mensen die ons vertegenwoordigen. Die vertegenwoordigers zijn in de basis ‘gewone mensen’. ‘Gewone mensen’ die van ons: “een mandaat (hebben) om voorstellen te doen.” En in tegenstelling tot het door de auteurs beoogde ‘burgerberaad’, hebben deze ‘gewone mensen’ het mandaat om namens ons te besluiten. Waarom thematische ‘burgerberaden’ toevoegen naast de al bestaande territoriale ‘burgerberaden’. ‘Territoriale burgerberaden’ die namens ons het mandaat hebben om voorstellen te doen én te besluiten over die voorstellen. Die experts kunnen uitnodigen en horen. Die themawerkgroepen en commissies in het leven kunnen roepen om zaken namens hen uit te zoeken?

Volgens de auteurs is: “Het nationale burgerberaad (…) geen vervanging van de parlementaire democratie, maar een verrijking ervan,” ‘Verrijken’ klinkt positief. Toch vraag ik me af of het een verrijking is.

Eenoog of vijftien pakken koekjes

“Je hoeft voorlopig geen koekjes meer mee te nemen. Er liggen nog vijftien pakken in de kast.” Dit krijg ik soms te horen. Nee, niet altijd over koekjes, het onderwerp kan variëren. Ik krijg dat te horen omdat ik in ons huishouden meestal de wekelijkse boodschappen doe. Hiervoor maak ik nooit lijstjes, ik neem iedere week ongeveer hetzelfde mee. Alleen bijzondere zaken staan op een lijstje. Nou ja lijstje, een foto van ons memobord waarop we die zaken, zoals afwasmiddel of koffie, schrijven. Ik moest hieraan denken toen ik de kop van een advertentie las die in de Volkskrant voorbij kwam: ‘Kinderen zullen niet eens weten dat Internet of Things bestaat’. Met een op het internet aangesloten voorraadkast, zou dat nooit gebeuren.

Eigen foto

‘Internet of Things’ met hoofdletters geschreven om het nog belangrijker te maken. Wikipedia geeft de volgende omschrijving: “Het internet der dingen (Engels: Internet of Things (IoT)) refereert aan de situatie dat door mensen bediende computers (desktops, laptops, tablets, smartphones) in de minderheid zullen zijn op het internet. De meerderheid van de internetgebruikers zal in deze visie bestaan uit semi-intelligente apparaten, zogenaamde embedded systems. Alledaagse voorwerpen worden hierdoor een entiteit op het internet, die kunnen communiceren met personen en met andere objecten, en die op grond hiervan autonome beslissingen kunnen nemen.”  De promotors van het Internet of Things laten het woord semi voor intelligent weg en verengelsen het tot ‘smart’. Een ‘smart’ voorraad- en koelkast die samen het boodschappenlijstje maken en het naar mij zenden, dat zou handig zijn. Of nog een stap verder. Die het lijstje naar de supermarkt, slager en bakker stuurt die de boodschappen dan thuis komen bezorgen. Of niet?

Dat ‘thuisbezorgen’ zou me tijd schelen. Tijd waarin ik een Prikker kan schrijven. Nu is tijd vinden om een Prikker te schrijven niet zo’n probleem. Als het idee er is, volgt de tijd vanzelf. Bij dat thuisbezorgen zou ik het contact en de gesprekken met winkelmedewerkers missen. De leuke gesprekken met de medewerkers bij Scharrelslagerij Hamans of met de medewerkers van Bakkerij Rutten. En ook de gesprekjes met de andere klanten. Gesprekjes die ervoor zorgen dat ik ‘weet wat er binnen de ‘stam’ leeft’ om een citaat van Yuval Noah Harari dat ik in een recente Prikker gebruikte, te parafraseren. Gesprekjes die trouwens ook soms stof leveren om over te schrijven. Als ik de plus van de tijdwinst afzet tegen deze sociale winst, dan kies ik voor de sociale winst. Wat dat betreft ben ik het met ‘oma Muriel’ uit de serie Years and Years eens, waarover ik in de vorige Prikker schreef, dat ‘wij verantwoordelijk zijn voor de wereld die we bouwen.’

Dan het lijstje maar naar mezelf sturen zodat alles er is en er geen ‘vijftien pakken koekjes’ meer in de kast liggen? Dat zou enige meerwaarde kunnen hebben. Al vraag ik me wel af of die ‘vijftien pakken koekjes’ opwegen tegen een apparaat dat gegevens over ons huishouden verzamelt en waarvan ik niet weet met wie die gegevens allemaal gedeeld worden. Ik weet niet of ik erop zit te wachten dat de fabrikant van de koelkast en de maker van de erin verwerkte hard- en software te weten komt welke zaken ik eet en drink en deze vervolgens doorverkopen aan anderen. Nee, dan liever eens per maand een boodschap dat er nog ‘vijftien ….’ liggen en dat ik die voorlopig niet meer mee hoef te nemen.

Zo zit ik ook niet te wachten op andere ‘smart’ apparaten die mij ‘adviseren’ en ondertussen mijn leven volgen en delen met bedrijven en overheden. Een ‘smart’ wc-pot die je grote en kleine boodschap analyseert en je in een vroegtijdig stadium meldt dat je iets mankeert, klinkt geweldig en kan levens redden. Toch zie ik ervan af omdat ik niet weet wie die gegevens nog meer krijgt. En al wist ik het, dan weet ik nog niet of ik alles wil weten. Ik weet niet of ik nog rustig op het toilet zou zitten als er een kans is dat je kleine of grote boodschap wordt gevolgd door een minder prettige boodschap. Nee, een ‘smart home’, ja ook de woorden achter ‘smart’ worden bij voorkeur verengelst, waarin allerlei apparaten verbonden zijn met internet en ik van afstand kan inloggen op het beveiligingssysteem, de temperatuur kan regelen en alvast de wasmachine kan aanzetten, is niets voor mij. Of sterker nog, een huis dat dit allemaal al zelf doet, is aan mij niet besteed. Liever een slim mens in een dom huis dan een dom mens in een slim huis.

Nu zijn het niet alleen dingen en huizen die ‘smart’ moeten worden. Ook hele steden willen ‘smart cities’ worden. Weer verengelst al kan ik me voorstellen dat het Nederlands hier, zeker als het wordt afgekort, verkeerde beelden oproept. ‘Smart cities’ die technologie gebruiken om het verkeer goed te laten doorstromen, aan ‘crowd control’ doen, de afvalinzameling verbeteren om zomaar een paar voorbeelden te noemen. Om, het in beleidstermen te formuleren ‘de stad en de dienstverlening duurzamer en efficiënter’ in te richten. De technologie die hiervoor wordt gebruikt is dezelfde die in China wordt gebruikt: camera’s, data, locatiegegevens van mobiele telefoons. De Chinese versie wordt vaak aangeduid met de Orwell term Big Brother. Nu laat de corona-pandemie zien dat efficiënt in crisistijd niet even efficiënt is. Als burger van Nederland en inwoner van Venlo zit ik niet te wachten op ‘smart Venlo’, veel liever zie ik dat ‘smarte’ Venlonaren hun ding doen.

Nu word je op school bij het vak economie geleerd dat vraag van de consument aanbod creëert. Als we dit op het Internet of Things toepassen: welke consument heeft om dit aanbod gevraagd? Wie heeft er om het ‘Internet of Things’ gevraagd? Als die er niet zijn, waarom wordt het ‘aanbod’ dan toch uitgerold? Misschien ben ik de enige die niet om dat ‘Internet of Things’ vraagt. Al lijkt me dat sterk. Om terug te grijpen op de kop van de advertentie, het is geen pré dat ‘onze kinderen niet zullen weten dat het bestaat’. En het zijn niet alleen ‘onze kinderen’ die het niet zullen weten, het gros van ‘ons’ weet ook niet dat het bestaat en wat het inhoudt en betekent.

‘In het land der blinden is eenoog koning’ aldus een bekend spreekwoord. Al die ‘smart’ zaken, dat hele ‘Internet of Things’ maakt enkelen (de bedrijven en op andere plekken de overheid) eenoog. Eenoog omdat ze ook niet weten hoe het werkelijk uit gaat pakken. Wij, de eenvoudige inwoner/consument zijn de ‘blinden’ omdat we helemaal niet weten hoe het werkt en wie er wat mee kan. Dat is precies wat de advertentietekst zegt. Kiezend tussen ‘eenoog’ en ‘vijftien pakken koekjes’, kies ik voor het laatste. Het laatste en een flinke investering in kennis om te voorkomen dat het ‘huis’ slimmer wordt dan haar ‘bewoners’.

Fantasierijke fictie en de feiten

“2,7 miljard om #AOW op 65 jaar te houden was veel te duur en niet houdbaar, maar 21 miljard #Belastinggeld gratis naar Zuid #Europa overmaken, zodat de #Fransen, #Italianen en #Spanjaarden rond hun 60ste met  #Pensioen kunnen kan wel, volgens de #VVD.” Dit bericht kwam in mijn LinkedIn tijdlijn voorbij. Duidelijk van iemand die niet blij was met het akkoord dat de regeringsleiders over de begroting en het ‘corona-noodfonds’ hebben gesloten. Maken we werkelijk 21 miljard over naar Zuid -Europa?

Vergrootglas, Feiten, Onderzoeken, Onderzoek
Bron: Pixabay

Nu kun veel vinden van de het begrotingsakkoord, zo lijkt het mij interessant om de mogelijkheden voor een Europese belasting op bedrijfswinsten geheven door de EU te onderzoeken. Dit omdat iedere overheid haar eigen belastinggebied moet hebben waarmee zij in haar inkomsten voorziet. Nu is de EU daarvoor van de landen afhankelijk. Maar daar gaat het mij nu niet om. Het gaat mij om die 21 miljard en volgens een reactie op het bericht zelfs om 30 miljard.

Waar alle regeringsleiders het over eens waren is dat er een noodfonds komt van € 750 miljard. Dat lijkt veel, maar even voor het perspectief. Het binnenlands product van alle EU landen samen is ongeveer € 15.000 miljard. Dan bedraagt het fonds zo’n 5 procent van het jaarlijkse Europese bbp. Het fonds kent echter een looptijd van drie jaar en bij een evenredige verdeling over die drie jaar is er per jaar een bedrag ter grootte van 1,67% van het Europese bbp beschikbaar.

Alle landen kunnen aanspraak maken op het fonds, ook Nederland. Alleen is, zo is op europa.nu te lezen: “De verdeling van alle subsidies en leningen (…) opgehangen aan een aantal criteria zoals de werkloosheidscijfers in de jaren voor de crisis, de verwachte daling van het BNP en het gemiddelde inkomen per inwoner. Zo krijgen hard getroffen lidstaten en lidstaten die het economisch moeilijker hebben het meeste geld, en welvarende landen juist minder.”  

Om een beroep te kunnen doen op het fonds, moet een aanvraag worden ingediend: “Een lidstaat die gebruik wil maken van geld uit het Herstelfonds moet een plan inleveren bij de Commissie. De Commissie beoordeelt de plannen en legt haar bevindingen voor aan de lidstaten. Voorwaarde voor een positief oordeel is dat plannen moeten bijdragen aan de klimaatdoelen en de digitale transitie. … Uitbetaling van de gelden hangen niet alleen af van de plannen, maar ook van wat er van terecht is gekomen.” Een deel van het fonds € 390 miljard komt beschikbaar als subsidie. Als de resultaten worden bereikt, dan hoeft het bedrag niet terug te worden betaald. Als het via een lening, het andere deel van het fonds, gebeurt, dan moet die wel worden terugbetaald. Dit terugbetalen moet uiterlijk in 2058 gebeuren.

Waar het geld vandaan komt?. “Het Herstelfonds zal worden gefinancierd door de Europese Commissie zelf. De Commissie mag geld ophalen op de kapitaalmarkten. De Europese begroting, gefinancierd door de lidstaten, is het onderpand.” Om die leningen die daarvoor worden afgesloten te kunnen betalen krijgt de Europese Unie een eigen belastinggebied: “In 2021 komt er een belasting op plastic afval, in 2023 volgen er een belasting op digitale activiteiten, inkomsten uit het – mogelijk verder uitgebreide – emissiehandelssysteem én nog verder uit te werken plannen.” Mocht de Europese Unie uiteindelijk die leningen niet terug kunnen betalen, dan staan de landen van de Europese Unie daarvoor garant. Pas dan komt Nederland in beeld en dan gaat het geld niet naar Zuid-Europa en zelfs niet naar de Europese Unie maar naar de financiers van die leningen, de banken en (institutionele) beleggers. Dan komt niet alleen Nederland in beeld, maar dan komen alle landen van de Unie in beeld. Die staan namelijk allemaal garant. Voor hoeveel wordt berekend door het aandeel van het bbp van het betreffende land in het totale Europese bbp. Het Nederlandse bbp is ongeveer € 800 miljard of te wel zo’n 5,33% van het Europese bbp. Dit betekent dat Nederland garant staat voor zo’n 5,33% van het fonds en dat is zo’n € 40 miljard. Dat bedrag is Nederland kwijt als alles fout loopt. Dat is veel. Alleen niet zoveel als dat Italië dan verliest. Het Italiaanse bbp is ongeveer twee keer zo hoog, de Italianen moeten in dat geval dus zo’n € 80 miljard ophoesten en Duitsland zo’n € 160 miljard.

Er gaan dus geen Nederlandse miljarden naar Zuid-Europa zodat men daar vroeg met pensioen kan. Het LinkedIn-bericht is daarmee een ‘fantasierijke fictie’ die het heel goed zal doen aan de borreltafel. Feitelijk klopt er niets van.

Schuld en verantwoordelijkheid

“Er bestaat zoiets als verantwoordelijkheid voor dingen die je niet hebt gedaan: je kunt ervoor aansprakelijk worden gesteld. Maar er bestaat niet zoiets als schuldig zijn aan of je schuldig voelen over dingen die zijn gebeurd zonder dat je daar zelf actief aan hebt deelgenomen. Dit is een belangrijk punt, waard om luid en duidelijk te worden gesteld op een tijdstip waarop zoveel weldenkende progressieve blanken bekennen dat ze zich schuldig voelen ten aanzien van de problemen van zwarten.” Een zeer actuele uitspraak. Toch zijn dit de eerste zinnen van een lezing die de filosofe Hannah Arendt op 27 december 1968 gaf op een conferentie van de American Philosophical Society. Een lezing met als titel Collectieve verantwoordelijkheid. Een ook nu, nu er flink wordt gedebatteerd over racisme, slavernij en kolonialisme, een zeer actuele lezing.

De bundel waarin de toespraak Collectieve verantwoordelijkheid is opgenomen. Eigen foto

Arendt maakt onderscheid tussen schuld en verantwoordelijkheid. Schuldig ben je alleen voor daden die jezelf hebt begaan. Schuld “zondert (…) je altijd af; zij is strikt persoonlijk.” Als iedereen schuldig is dan is er niemand schuldig, zo betoogt Arendt: “We zijn allemaal schuldig,” zo was, aldus Arendt, de eerste reactie van de Duitsers op hetgeen het nazi-regime de joden had aangedaan. Die uitspraak, zo betoogt zij: “die op het eerste gehoor zo aanlokkelijk klonk,” heeft: “in feite alleen maar gediend om mensen die werkelijk schuldig waren in aanzienlijke mate van blaam te zuiveren. Waar iedereen schuldig is treft niemand blaam.”  

Je kunt wel verantwoordelijk zijn voor daden die je niet hebt begaan. Er is dan sprake van collectieve verantwoordelijkheid. Van collectieve verantwoordelijkheid is sprake als er aan twee voorwaarden is voldaan: “ik moet verantwoordelijk worden gehouden voor iets wat ik niet heb gedaan en de reden van mijn verantwoordelijkheid moet mijn lidmaatschap zijn van een groep (een collectief) dat door geen enkel vrijwillig ingrijpen van mezelf tenietgedaan kan worden, dat wil zeggen een lidmaatschap dat in niets lijkt op een zakelijk partnerschap dat ik naar believen kan beëindigen.” Om duidelijk te maken wat collectieve verantwoordelijkheid niet is, geeft Arendt een voorbeeld van duizend geoefende zwemmers op een strand die een verdrinkende man niet te hulp schieten. Die duizend zijn niet collectief verantwoordelijk omdat er geen sprake is van een groep waarvan zij lid zijn. Toch kunnen zij schuldig zijn aan het verdrinken. Daarover kan een rechter in een rechtszaak beslissen, maar dan moet die schuld per individu worden aangetoond.

Collectieve verantwoordelijkheid is daarmee, zo betoogt Arendt, altijd politiek van aard: “of het zich nu voordoet in de oudere vorm, waarbij een gemeenschap de verantwoordelijkheid op zich neemt voor wat een van haar leden gedaan heeft, of in vormen waarin een gemeenschap verantwoordelijk wordt gehouden voor wat in haar naam is gedaan.” Deze laatste vorm kennen we als de politieke verantwoordelijkheid van een minister of de hele regering voor daden van eerdere ministers en regeringen.

Wat zien we, als we met de ogen van Arendt naar de huidige discussie kijken? Als eerste is er niemand in het huidige Nederland schuldig aan de trans-Atlantische slavenhandel. Dat wil niet zeggen dat er niemand schuldig is aan slavernij. Ook tegenwoordig kennen we immers nog slavernij en mensenhandel en als we die nog kennen, dan maken er zich ook mensen aan schuldig.

Wat we ook zien is dat activisten rond Sylvana Simons en Gloria Wekker spreken van schuld. Door te spreken over ‘wit privilege’ en ‘witte onschuld’ leggen zij een collectieve schuld neer bij blanken. Zij wijzen iedereen met een blanke huidskleur als schuldig aan racisme aan. Als Arendt het bij het rechte eind heeft, dan helpen ze daar de echte racisten mee. Die kunnen zo schuilen in de groep ‘blanken’. En die groep voelt zich, voor het overgrote deel terecht, niet aangesproken. Zij maken zich niet ‘schuldig’ aan racisme en zijn niet geïndoctrineerd met een ‘cultureel archief van witte superioriteit’. Daarom verzetten zij zich terecht tegen deze beschuldiging en in dat verzet kunnen de echte racisten veilig schuilen. En daarmee lijkt Arendt gelijk te krijgen.

Wat als er niet over schuld, maar over verantwoordelijkheid zou worden gesproken? En nee, niet over verantwoordelijkheid voor het ‘racistische kolonialisme dat de oorzaak zou zijn van het huidige racisme’, maar over verantwoordelijkheid voor een samenleving waarin iedereen als persoon van gelijke waarde wordt behandeld. Zou dat tot een echt gesprek leiden? Een gesprek dat ons allemaal verder helpt?