Uitgelicht

Bregmans grote vraag

Bij De Correspondent besteedt Rutger Bregman geregeld aandacht aan mensen die een belangrijke rol hebben gespeeld in de afschaffing van de slavernij. In zijn meest recente artikel is dat Anthony Bezenet. “Hij was een schrijver zonder bestsellers, een spreker zonder speeches, en een held zonder ego.” Aldus de beschrijving die Bregman van hem geeft. Als je wil weten waarom hij toch zo’n belangrijke rol heeft gespeeld, lees dan Bregmans artikel. Mij gaat het om de volgende vraag die Bregman in zijn artikel stelt: “Het blijft een van de grote vragen van de geschiedenis: hoe is het mogelijk dat zo lang, zo weinig mensen in opstand kwamen tegen de slavernij?” Nu loop ik niet weg voor grote vragen.

De aardappeleters van Vincent van Gogh. Bron: WikimediaCommons

Het antwoord op die vraag is, denk ik, eenvoudiger dan menigeen denkt. Voor het antwoord op die vraag is van belang om erachter te komen wat men vroeger wist van de situatie in de wereld. Als je vervolgens in oude boeken duikt dan blijkt, en dat laat Bregman in zijn serie artikelen zien, dat er veel informatie is over de omstandigheden van slaven. Als de informatie er is, waarom kwamen er dan niet meer mensen in opstand?

Daarvoor naar de basiswet van communicatie: de zender die een boodschap over wil brengen naar de ontvanger. Als een boodschap niet overkomt bij de ontvanger kan dat in de basis aan drie dingen liggen: aan de zender, aan de ontvanger of aan ruis die het overbrengen bemoeilijkt. In dit geval lag het, naar mijn idee, vooral aan de ontvanger. Die ontvanger viel grofweg uiteen in drie groepen. Aan de ene kant een hele kleine groep met belangen in de keten rond slavernij, de eigenaren van slavenschepen, de eigenaren van plantages, de handelaren in met slavenarbeid geproduceerde producten. Opstand tegen de slavernij betekende voor deze groep een opstand tegen hun belangen.

Aan de andere kant de overgrote meerderheid van onze voorouders. Deze groep was keuterboer, trekarbeider en later fabrieksarbeider en waren blij als ze de dag overleefden. De woon- en werkomstandigheden van die fabrieksarbeiders verschilden in niets en waren vaak nog slechter dan die van de plantageslaven in de VS. Om een voorbeeld te geven het wedervaren van Mary Anne Walkley, een twintigjarige Britse die bekend is geworden omdat Karl Marx de laatste dagen van haar leven beschrijft en hoe de omstandigheden rond haar verscheiden door de ‘heersende macht’ werden weggemoffeld. Wakley was: “werkzaam in een zeer achtenswaardige hofmodezaak, die werd geëxploiteerd door een dame met de gemoedelijke naam Elise. Het oude en al vaak vertelde verhaal weer nu opnieuw ontdekt: deze meisjes werken gemiddeld 16 1/2 uur, tijdens het seizoen vaak zelfs 30 zonder onderbreking, waarbij hun ‘arbeidskracht’ in stand wordt gehouden door hun af en toe sherry, port of koffie toe te dienen. En men zat juist in de drukste tijd. De pronkgewaden van de nobele ladies moesten in de kortst mogelijke tijd worden klaar getoverd voor het galabal, dat gegeven werd ter inhuldiging van de vers geïmporteerde prinses van Wales. Mary Anne Walkley had samen met zestig andere meisjes 261 uur onafgebroken gewerkt. Met dertigen zaten ze in één kamer, die nauwelijks de helft van de noodzakelijke kubieke meters lucht bevatte; ’s nachts moesten ze in een van de stinkholen, waarvan men slaapkamers had gemaakt door ze met verschillende tussenschotten te verdelen, met z’n tweeën één bed delen. En dit was een van de betere modezaken in Londen. Mary Ann Walkley werd op vrijdag ziek en overleed op zondag, en – tot grote verbazing van madame Elise – zonder het laatste kledingstuk te hebben afgemaakt. De te laat aan het sterfbed geroepen arts verklaarde bij de lijkschouwing voor de jury in droge bewoordingen: ´Mary Anne Walkley is gestorven door lange arbeidsuren in een te vol arbeidsvertrek en in een te klein en slecht geventileerd slaapvertrek.’ Om de arts een lesje in goede manieren te geven verklaarde de jury: ‘De overledene is gestorven aan apoplexie, maar er zijn redenen om te vrezen dat haar dood werd bespoedigd door overmatige arbeid in een te volle werkplaats enzovoorts.[1]

In die omstandigheden ga je je niet druk maken over hoe iemand aan de andere kant van de wereld wordt behandeld als je daar al weet van had. En dat laatste was niet het geval want onderwijs kregen ze niet. Kinderen van zes werkten al 12 uur of meer in de fabriek, als kind van een keuterboer, moest je op ‘meekeuteren’ en was er geen tijd voor school, leren, lezen of schrijven. Aan die kinderarbeid kwam bijna op de kop af 148 jaar geleden een einde, tien jaar na de afschaffing van de slavernij op 19 september 1874. Op die dag werd in Nederland de eerste wet tegen kinderarbeid aangenomen. De wet is bekend geworden als het Kinderwetje van Van Houten. Samuel van Houten was de liberale politicus achter deze wet. De wet was gericht tegen ‘overmatigen arbeid en verwaarlozing van kinderen’. Vanaf dat moment was het in fabrieken en werkplaatsen te werk stellen van kinderen tot twaalf jaar verboden. Van Houten wilde een algeheel verbod op arbeid door kinderen tot twaalf jaar maar de Kamer zwakte zijn voorstel af waardoor arbeid op het land door kinderen tot twaalf jaar geoorloofd bleef. Omdat mankracht voor toezicht op de nieuwe wet vooraleerst nog ontbrak, duurde het nog enige tijd voordat arbeid in fabrieken en werkplaatsen door kinderen tot twaalf jaar werkelijk tot het verleden behoorden. Deze groep was vooral bezig met overleven en met het verbeteren van de eigen woon-, leef- en werkomstandigheden.

Tussen beide groepen in een kleine groep ‘middenklasse’ die kon lezen en in opstand zou kunnen komen tegen slavernij. En laat nu de luiken van de achttiende en zeker de negentiende Nederlandse middenklasse steeds verder zijn gesloten. Na het verval van de Republiek en de Napoleontische oorlogen keek het gros van hen niet verder dan de eigen directe omgeving. Net zoals het huidige Nederland de luiken sluit voor de buitenwereld.

Wat mij het meest verwondert is dat historicus Bregman zich afvraagt waarom niet meer mensen in opstand kwamen. Bijna net zo verwonderlijk als historicus Thierry Baudet die beweert dat: “In a proper society, there’s an equilibrium there, a delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood,” dat het hoogtepunt bereikte: “in the eighteenth century, and was venerated in that great ‘swan song of aristocracy’, the nineteenth century,” en vervolgens de bourgeoisie ‘ordinary people’ noemt.


[1] Karl Marx, Het Kapitaal, pagina 237-238

Uitgelicht

Een lesje geschiedenis deel 2

“Er is echter nog op een ander punt dat Van der Galien nodig een lesje geschiedenis nodig heeft en dat is de uitspraak dat Nederland tot voorkort een natiestaat was. Dat lesje geschiedenis komt in deel twee van dit lesje geschiedenis.” Met die woorden sloot ik deel 1 van de les geschiedenis af. Een les naar aanleiding van een artikel van Michael van de Galien bij De Dagelijkse Standaard. In het artikel geeft hij ‘geschiedenisles’ aan Jesse Klaver. Klaver deed bij Jinek de uitspraak dat ‘migranten dit Nederland hebben opgebouwd’. In deel twee zoals gezegd de uitspraak dat Nederland tot voor kort een natiestaat was.

Daarvoor eerst even naar Wikipedia.“ Een natiestaat of nationale staat is een staat met één dominante natie waarmee een soeverein territorium wordt geboden aan een bepaalde natie en haar culturele identiteit.”  Om te weten wat hier staat moeten we eerst weten wat een natie is. Een natie is een: “groep van individuen van hetzelfde staatsburgerschap die in een begrensd gebied wonen.” Maar ook wat een culturele identiteit is. Een identiteit is het: “eigen karakter van een persoon of groep.” En cultuur: “het geheel van normen, waarden, tradities, regels, kunstuitingen enz. van een land, volk of groep.” En nu in mijn woorden. Een natiestaat is een staat waarvan de mensen tot eenzelfde culturele groep behoren.

Typisch katholiek. De Heiligdomsvaart in Maastricht van 1962. Bron WikipediaCommons

Volgens Van der Galien was Nederland tot voorkort een natiestaat, een staat met mensen die tot eenzelfde culturele groep behoren. Mensen met dezelfde normen en waarden, tradities, regels en kunstuitingen. Nu zagen we in deel 1 al dat migratie een permanent kenmerk was van het gebied dat nu Nederland is. Migranten met andere taal, gebruiken en tradities. Als ik van der Galien goed begrijp zijn al die immigranten goed geïntegreerd met de al aanwezige Friezen, Hollanders en Zeeuwen. Of ze hebben samen een ‘nieuwe cultuur’ ontwikkeld. Een van twee, maar wat zien we bij het bestuderen van de geschiedenis.

‘Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen.’ Als er een uitspraak is die de verhoudingen in de Nederlandse samenleving het beste weergeeft, dan is het wel deze uitspraak. En nee, die heeft geen betrekking op het christendom en de islam. In zijn De Lage Landen 1780/1980. Twee eeuwen Nederland en België deel II 1914-1980 beschrijft historicus Kossmann de Nederlandse samenleving aan het begin van de twintigste eeuw als volgt: “Verzuiling betekent dat de staat het de grote, in hun levensbeschouwing onderscheidende groepen van de bevolking mogelijk maakt om hun dagelijkse leven geheel volgens eigen inzicht en behoefte te organiseren, in eigen scholen, jeugdbewegingen, universiteiten, huizen, sportclubs, vak- en wekgeversbonden, met instellingen voor sociale verzekering en voor de culturele verzorging van de volksmassa in theaters, weekbladen, zangverenigingen, leesportefeuilles enz., en in Nederland zelfs eigen radioverenigingen. … Dit was geen vredelievend pluralisme, dit was strijd. De gedachten en de levenswijze van een rooms-katholiek en een protestant, van een liberaal en een socialist werden voorgesteld als zo totaal verschillend, hun doeleinden werden gezien als vijandig aan elkaar, dat niet alleen samenwerking tussen hen onmogelijk was, maar dat zij ook werden geacht elkaar voortdurend aan te vallen in het niets ontziende gevecht om de laatste waarheid.[1]

Nederland was een land van langs elkaar levende bevolkingsgroepen. Geen natiestaat maar een staat met erin verschillende naast elkaar heen levende naties. Was je katholiek dan kocht je je brood bij een katholieke bakker, voetbalde je bij een katholieke voetbalclub op de zondag. Als protestant ging je naar de protestantse bakker en voetbalde je bij een protestantse club maar dan op zaterdag. Zelfs de duiven vlogen gescheiden. Die ‘angst’ voor de ander zat er diep in en kende ook een ‘omvolkingstheorie’. De opdracht van de katholieke pastoor om ‘heen te gaan en je te vermenigvuldigen’ zorgde voor hoge katholieke geboortecijfers. Veel hoger dan de protestantse en dat leidde in protestantse kringen tot de vrees voor een katholieke meerderheid. Een meerderheid die er wel eens voor zou kunnen zorgen dat het gezag niet meer uit Den Haag maar uit Rome zou komen. Een van de laatste voorbeelden van de manier waarop de groepsdruk werd opgevoerd, betrof het Mandement van kardinaal De Jong uit 1954. Op straffe van het onthouden van de sacramenten werd het katholieken verboden om lid te zijn van de socialistische vakbond en socialistische vergaderingen bij te wonen, de socialistische pers te lezen of naar de VARA te luisteren.

De leden van Van der Galiens natiestaat zagen de Nederlandse staat in het geheel niet als één natie en behorend tot eenzelfde culturele groep.


[1] E.H. Kossmann, De Lage Landen  1780/1980. Twee eeuwen Nederland en België deel II 1914-1980, pagina 48-49

Uitgelicht

IQ + inspanning = verdienste?

In de Volkskrant las ik een recensie van het boek De opkomst van de meritocratie van Michael Young. Ietwat vreemd omdat Young het boek in 1958 schreef. Het boek was bedoeld als, zo lees ik in de aanhef: “een bijtende satire op de verdienstenmaatschappij.” Deze late recensie is te danken aan de Nederlandse vertaling ervan die pas is verschenen. De volgende passage uit de recensie trok mijn aandacht: “Young heeft in zijn essay ook oog voor de rechtvaardige kanten van de meritocratie, waarvan de simpele formule volgens hem ‘IQ + inspanning = verdiensteluidt.” Het waarom van die aandacht volgt zo. Eerst even iets over Youngs boek.

Finale van het Wereldkampioenschap 1974: West-Duitsland-Nederland. Johan Cruyff wordt in de eerste minuut in het strafschopgebied gevloerd door Uli Hoeness. Johan Neeskens benut vervolgens de strafschop. Bron: Nationaal Archief  

De vertaling is vast een gevolg van de aandacht die ‘meritocratie’ en de uitwerking ervan in de samenleving tegenwoordig krijgt. Young blijkt voorspellende gaven te hebben gehad: In zijn boek laat hij in 2033 in het Verenigd Koninklijk een woedende opstand uitbreken van de ‘populists’, een groep van ‘onverdienstelijken’ die de verliezers zijn in de verdienstenmaatschappij: winkelbedienden, huishoudelijk personeel, chauffeurs, huisvrouwen en ook de werkloze, overbodig geworden arbeiders. De fictieve ik-figuur vraagt zich af hoe het zover heeft kunnen komen en analyseert de ontwikkeling van de samenleving in de anderhalve eeuw ervoor.” In mijn prikkers schrijf ik vaker over boeken. Boeken die ik heb gelezen. Dat is met dit boek niet het geval. Het boek staat nu op de ‘nog te lezen’ lijst. In deze prikker gaat het mij om het rechtvaardige van “IQ + inspanning = verdienste.” Is je verdienste een gevolg van je IQ en je inspanningen?

Zoals wel vaker, eerst naar de betekenis van verdienste en dus naar de Van Dale. Die geeft drie betekenissen. Als eerste: “loon voor verricht werk,” als tweede: “winst” en als laatste “verdienstelijkheid: een man van verdienste die veel goeds heeft gedaan.” Wat zien we als we met deze betekenissen naar de formule van Young kijken?

Als je loon de som is van je intellectuele capaciteit en je inspanning dan zou dat betekenen dat een straatveger met een IQ van 140 bij gelijke inspanning en dus even snel en grondig vegend, meer zou moeten verdienen dan een straatveger met een IQ van 70. Is dat rechtvaardig? Is het rechtvaardig om gelijk werk anders te belonen puur vanwege de intellectuele vermogens van de ene persoon terwijl die voor het werk niet van belang zijn? Wat als die intellectuele vermogens er wel toe doen, leidt dat dan automatisch tot hogere verdiensten bij een gelijke inspanning?

Laten we een ander voorbeeld nemen: Messi. Youngs formule toegepast op Messi luidt dan: ‘Talent + Inspanning = Verdienste’. De doelpunten van Messi die we zo bewonderen, zijn die alleen de verdienste van Messi? Hoe zou een elftal met alleen maar Messi’s het doen? Messi kan niet zonder tien anderen die voorkomen dat de tegenstander een doelpunt maakt, de bal veroveren en op het juiste moment bij hem inleveren. Dat heeft hij nu in zijn tijd bij PSG wel ervaren. Is het talent dat hij heeft de verdienste van hemzelf? Niet echt. Dat heeft hij via zijn genen van zijn ouders gekregen. Ouders die vervolgens ook nog in de omstandigheid waren om hem de omgeving te bieden waarin hij dat talent kon ontwikkelen. Is het een verdienste van Messi dat hij in een tijd leeft waarin je juist met zijn talent zoveel kunt verdienen? Was hij tweehonderd of honderd jaar eerder geboren, dan was zijn talent waardeloos. Als we dit in ogenschouw nemen, zou een rechtvaardige formule dan niet zijn: ‘Verdienste = Inspanning – Omstandigheden – IQ (Talent)’? Waarbij bij ‘Omstandigheden’ staat voor de waardering van het talent op dat moment. Zou de formule bij toepassing op de waardering van een individu bij teamprestaties, zoals in het voetbal, niet nog uitgebreid moeten worden tot: ‘Verdienste = Inspanning – Omstandigheden – IQ(Talent) – Verdienste van je teamgenoten’?

Dan de stap van ‘loon’ naar ‘verdienstelijkheid, weldoen’, weer met voetbal en Messi als voorbeeld. Dat iets, voetbal in dit geval, nu zo belangrijk wordt gevonden, is dat een  verdienste van Messi? Of is dat een verdienste van al die mensen die het spelletje volgen en ernaar gaan kijken? Het bijzondere is dat die mensen niet worden beloond voor hun interesse. Die moeten steeds meer betalen aan abonnementen bij steeds meer verschillende zendgemachtigden maar ook door (zoals in de Nederlandse competitie) wedstrijden op ontijdige dagen en tijdstippen vanwege een tv uitzending, een wedstrijd of tien in januari en februari waarbij je verkleumt op de tribune, dit om plaats te maken voor de Champions League en de almaar met deelnemers uitbreidende E- en WK’s. Geldt voor muziek, film en wellicht ook nog andere zaken, niet hetzelfde?

Als laatste de vraag of wat we belangrijk vinden en goed belonen ook ‘goed’ is? ‘Doe je wel’ als je voetbalt? Is veel mensen plezier doen, want dat doet voetbal, weldoen? Of beter gezegd, is ‘veel mensen plezier doen’ gelijk aan weldoen? Is het belangrijker dan bijvoorbeeld vuilnis ophalen of het werk van een huisarts? Vuilnis ophalen geeft mij geen plezier maar als het niet wordt opgehaald geeft het wel verdomd veel ergernis. Rechtvaardig lijkt me iets ingewikkelder dan Youngs IQ + inspanning = verdienste.

Uitgelicht

Regeren is afschuiven

De Volkskrant publiceert geregeld cartoons van Bas van der Schot. Zo ook op 13 juni 2022. Een cartoon met als titel Het kabinet heeft een plan. De prent toont de oplossingen die het kabinet biedt voor een zestal problemen. De oplossing bestaat eruit dat anderen, de provincies (stikstofcrisis), gemeenten (asielopvang), de sectoren (corona) de woningcorporaties (woningnood), de burgers (inflatie) of een ambtelijke stuurgroep (toeslagenaffaire) het probleem moeten oplossen. Bij die prent moest ik denken aan een brief die staatssecretaris Van der Burg van Justitie en Veiligheid op 29 april aan de burgemeesters van de Nederlandse gemeenten schreef. Ik moest hieraan denken omdat ik bij een van mijn opdrachtgevers betrokken ben bij die opvang van Oekraïense oorlogsvluchtelingen.

De brief handelt over 25.000 extra opvangplekken die gerealiseerd moeten worden bovenop de al gerealiseerde 50.000. Van der Burg in de brief: “Eerder heb ik aan de Kamer geschreven dat vanaf de 50.000 opvangplekken het Rijk, in casu de Nationale Opvang Organisatie (NOO), verantwoordelijk is voor de eventuele extra noodzakelijke noodopvangplekken.” Maar nu het moet gebeuren ziet hij zich: “genoodzaakt om u (de gemeenten) bovenop het eerdere verzoek om 50.000 opvangplekken te realiseren het aanvullende verzoek te doen om 25.000 additionele noodopvangplekken te creëren.”  Waarom: “Voortschrijdend inzicht maakt mij duidelijk, dat dit gelet op de continue instroom aan vluchtelingen uit Oekraïne onverstandig is en tot afbreukrisico’s leidt. In de gemeenten zijn thans zeer veel mensen bezig met het organiseren van de noodopvang. Het is onmogelijk om op rijksniveau op korte termijn een dusdanig uitvoeringsapparaat op te zetten, die dat werk voortvarend zou kunnen overnemen. Daar komt bij dat een dergelijke overdracht tot complexe afspraken gaat leiden over taken en verantwoordelijkheden, omdat de locaties altijd in gemeenten gelegen zijn.”  Over dat laatste, dat alles uiteindelijk toch in een gemeente plaatsvindt. Als dat een reden is om een klus aan de gemeente te geven, dan kunnen we de Rijksoverheid wel opheffen. Alles gebeurt immers altijd ergens in een gemeente. Dit even terzijde.

Vanuit mijn eigen ervaring kan ik bevestigen dat er ‘thans bij gemeenten zeer veel mensen bezig zijn met het organiseren van de noodopvang.’ Ook bij mijn opdrachtgever, een kleine gemeente van nog geen 20.000 inwoners die het klaar heeft gespeeld om 150 opvangplekken te realiseren. Dit met inzet van mensen die hierdoor ander werk, werk ten behoeve van de inwoners van de gemeente, moeten laten liggen. Niet alles kan immers tegelijk. Voor de duidelijkheid, die opvang bestaat niet alleen uit de drie B’s: bed, bad en brood. Nee, ze omvat zorg, ondersteuning, onderwijs en nog veel meer zaken. Overal moet iets voor worden geregeld en georganiseerd. Wat voorbeelden.

Mensen opvangen in een gebouw lijkt makkelijk. Toch komt er heel wat geregel bij kijken. De mensen moeten eten, hoe organiseer je dat? Dat is makkelijk als iedereen een eigen keuken heeft maar als dat niet zo is, dan vraagt het meer. Trouwens ook met die eigen keuken is het niet zo eenvoudig. Om te kunnen koken heb je ingrediënten nodig en om die te kunnen kopen heb je geld nodig. Maar heeft iedere vluchteling geld nodig of zijn er die het zelf kunnen betalen? Hoe controleer of beoordeel je dat als je niets van de betreffende mensen weet en je niets kunt controleren? Hoeveel maatschappelijke en psychische ondersteuning is er nodig? En waar haal je die vandaan want er is een schreeuwend tekort aan sociaal- en maatschappelijk werkers?

Kinderen naar school, dat lijkt eenvoudig. De taal maakt een gewone school lastig. ‘Stuur ze naar de bestaande taalklassen voor nieuwkomers’, is de boodschap die van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap komt. Probleem opgelost. Dat ligt wat anders als je er dertig kinderen op de stoep wil zetten terwijl er voor dertig plek is en het overgrote deel van die plekken al bezet is door de groep waarvoor ze in eerste instantie zijn opgezet. Nieuwe klassen moeten worden opgezet en dat betekent nieuwe docenten en begeleiders waaraan al een tekort is. Bovendien kun je je afvragen of die klassen passend zijn voor deze kinderen. In die klassen staat het leren van de Nederlandse taal centraal omdat focus van ouders en kinderen gericht is op een toekomst in Nederland terwijl de focus van het gros van de vluchtelingen is gericht op een toekomst in Oekraïne. Bovendien liggen die klassen niet ‘om de hoek’. De kinderen moeten ernaartoe worden gebracht en gehaald. Dat betekent taxibusjes voor leerlingenvervoer laten rijden en ook daar een probleem: chauffeurs zijn ook schaars.

Deze en nog meer vragen stellen zich mensen in zo’n 340 gemeenten die Nederland kent. Allemaal verzinnen ze soortgelijke antwoorden en proberen ze een oplossing te vinden voor de puzzelstukjes. Die oplossingen moeten vervolgens worden uitgevoerd en de benodigde mensen, de locatie managers, maatschappelijk werkers enzovoorts moeten worden gezocht. Allemaal zitten ze een eigen maar toch erg vergelijkbaar ‘wiel’ uit te vinden. Allemaal zoeken ze een ‘huismeester’ want die moet er op iedere locatie zijn of er nu 25 of 500 mensen worden opgevangen. Allemaal hebben ze een ‘crisisteam’ geformuleerd om oplossingen te bedenken. Dus ja er zijn ‘thans bij gemeenten zeer veel mensen bezig zijn met het organiseren van de noodopvang’ en dat doen ze, tenminste dat is mijn ervaring, met grote geestdrift. Ik vraag me alleen af of die niet veel meer gedaan zouden krijgen als niet deel van hun tijd opging aan het uitvinden van die soortgelijke wielen?

Met zijn uitspraak dat ‘visie is als een olifant die het uitzicht belemmert’ zette de premier de uitdrukking ‘regeren is vooruitzien’ bij het grof vuil. Sindsdien is regeren in toenemende mate afschuiven.

Uitgelicht

Neoliberale onderwijshomeopathie

“Wat gebeurt er als je tegen kinderen op school zegt: ga je gang, doe maar wat je zelf wilt?” Die vraag staat centraal in een artikel bij De Correspondent van Johannes Visser. In dat artikel bespreekt hij de DOE040 school. De letters zijn de afkorting van Democratisch Onderwijs Eindhoven en dan het kengetal van de stad. Een normale school, zo betoogt Visser: “bereidt leerlingen voor op de samenleving. Op DOE040 is het uitgangspunt dat leerlingen die samenleving al zijn, en dat ze zelf iets van hun leven willen maken.” Hij sluit het artikel af met de zin: “Eind 2020 gaven 1,2 miljoen werkende Nederlanders aan last te hebben van burn-outklachten. Zijn de leerlingen op DOE040 buitenbeentjes, of kanaries in de kolenmijn?” Een bijzondere school.

“DOE040 is geen gewone school. Er zijn geen naar leeftijd opgedeelde klassen. Er is geen dagvullend rooster dat de school voor de leerlingen opstelt. Leerlingen hoeven er geen diploma te halen,”  zo is te lezen. Hoe ze dat doen? (E)r wordt wel lesgegeven, maar die lessen beginnen op het moment dat een leerling op een leraar afstapt. Een leerling kan op DOE040 een diploma halen, maar alleen als zij daar zelf voor kiest. Leerlingen hebben wel een rooster, maar maken dat zelf – op papier of in hun hoofd. Er zijn geen van bovenaf opgelegde regels, maar er worden afspraken gemaakt.” Als ze willen, kunnen de kinderen wel op gaan voor een regulier diploma. Een bijzondere school waar Visser enigszins bewonderend over schrijft en ook reacties van de lezers onder het artikel zijn over het algemeen waarderend en bewonderend. Zo veel bewondering terwijl ik er een wat ongemakkelijk gevoel bij krijg.

Kinderen die mogen eten, drinken en bewegen wanneer ze dat willen, die zelf bepalen wat ze doen, dat gaat wel heel erg uit van het individu, van het IK. Het ik staat ook centraal in het neoliberale. Het denken dat door Thatcher werd samengevat met de woorden: “who is society? There is no such thing.” Denken waar Ayn Rand een belangrijke rol in speelt. Rand werd geboren in 1905, in wat nu weer Sint Petersburg heet, als Anna Rosenbaum. Het gezin Rosenbaum vluchtte in 1917 voor de revolutie naar de Verenigde Staten. Rand staat aan de basis van het objectivisme, een stroming die, zoals Wikipedia het goed omschrijft: “de mens (ziet) als een heroïsch wezen, met zijn eigen geluk als zijn hoogste ethische doel, productieve prestaties als zijn nobelste activiteit en de rede als zijn enige leidraad.” Nu is dit ‘objectivistisch denken’ natuurlijk net zo subjectief als alle andere denkrichtingen. Rands denken is precies het tegenovergestelde van het collectivistische denken waarvoor ze uit Rusland vluchtte.  “Maar vooral was ze een succesvol romanschrijfster die de dikste utopie schreef die ik ken: Atlas shrugged (1957). Dit boek is de kapitalistische utopie ten voeten uit,[1] aldus de filosoof en ‘utopiekenner’ Hans Achterhuis over Rand. Rands ‘objectivisme’ vormt met het onbegrensde vertrouwen in een ongebreidelde vrije markt, de ideologische basis van het neoliberalisme.

“DOE is een democratische school voor leerlingen van 4 t/m 21 jaar. Zij zijn vrij om individueel te beslissen hoe, wanneer, wat, waar en met wie ze willen leren. Zo wordt er continu van elkaar geleerd en leer je verantwoordelijkheid te nemen voor je eigen ontwikkel- en leerproces.” Zo is te lezen op de site van DOE040. En: “DOE volgt en beschrijft de ontwikkelingen van iedere leerling zonder oordeel en met vertrouwen. Het is onze missie om een inspirerende leeromgeving te bieden waarin jonge mensen zich op basis van gelijkwaardigheid ontwikkelen tot zelfbewuste, creatieve wereldburgers die op hun eigen manier bijdragen aan een steeds veranderende samenleving.” Het kind als dat nobele individuele wezen dat het eigen geluk najaagt met de eigen rede als enige leidraad. Rand had het niet beter kunnen formuleren.

Nu wil het geval dat het neoliberale denken sinds een jaar of veertig zo dominant is en zo ingeburgerd dat het vaak niet eens meer wordt herkend en gewoon als liberaal wordt gezien. Achterhuis geeft hier een sprekend voorbeeld van. Hij beschrijft een discussie in De Volkskrant tussen twee vooraanstaande liberalen. Een discussie naar aanleiding van het opzeggen van het lidmaatschap van de VVD door de Groningse filosoof en historicus Ankersmit. Ankersmit besloot hiertoe omdat de VVD met haar neoliberale politiek de klassieke liberale waarden zou verkwanselen. Daarop reageerde voormalig VVD-leider Bolkestein dat hij geen verschil zag tussen het klassieke liberalisme en het neoliberalisme. Waarop Ankersmit repliceerde dat het klassieke liberalisme een scherp onderscheid maakte tussen publiek en privaat, tussen staat en markt en dat het neoliberalisme alleen maar private belangen ziet. Het liberalisme ziet, volgens Ankersmit, de staat als de uitdrukking van de politieke wil en combineert het economische met politieke vrijheid. Ankersmit ziet dat het neoliberalisme het geloof aanhangt van de intrinsieke harmonie van alle (private) eigenbelangen op de vrije markt[2]

Veel van de grote problemen waar we nu mee kampen zijn een gevolg van die veertig jaar neoliberaal denken. In mijn Prikker in briefvorm aan staatssecretaris Van Ooijen over de problemen in jeugdhulp schreef ik er ook al over. Beleid dat het ‘IK’ centraal stelt en het ‘WIJ’ afbreekt en waarvan we nu de gevolgen ondervinden. Beleid waarbij iedereen op zichzelf wordt teruggeworpen. Waarbij ieder verantwoordelijk is voor het eigen geluk dat nagestreefd wordt met de eigen rede als leidraad en je eigen verantwoordelijkheid voor je ontwikkel- en leerproces, betekent ook verantwoordelijk voor het eigen ongeluk. Die verantwoordelijkheid legt grote druk op het individu en dus ook het kind. En laat nu echte maar vooral ook gevoelde druk een van de oorzaken zijn voor burn-outs. Zou deze neoliberale ‘onderwijshomeopathie’ je werkelijk ‘immuun’ maken voor de schade die het neoliberalisme aanricht?


[1] Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt, pagina 7

[2] Idem, pagina 23 – 33.

Uitgelicht

Moderne hiërogliefen

Mijn ouders voedden me op in dialect we deden de ‘aafwas met en schottelslet in de paolingstein’. Pas toen ik naar school ging leerde ik de afwas te doen met een vaatdoekje in de gootsteen. Ik leerde Nederlands als tweede taal. De wereld kent zeer veel talen en nog meer dialecten. Het worden er steeds minder, maar nog steeds zijn het er erg veel. Of je afwast met een ‘schottelslet’ of een vaatdoekje hangt af van de plek waar je wordt geboren en van de taal die je ouders tegen je spreken. Die verschillende talen maken het lastig communiceren met elkaar want de vertaling van woorden komt nogal precies en dat maakt dat vergissingen op de loer liggen. Zeker als gevoelens een rol spelen. Dat werd me duidelijk na het lezen van het Homo emoticus, een boek van Richard Firth-Godbehere.

Bron: Pixabay

Neem het Nederlandse woord zij. Het klinkt hetzelfde als zei, de verleden tijd in het enkelvoud van het werkwoord zeggen. Zij is de derde persoon vrouwelijk enkelvoud. Maar ook de derde persoon meervoud. Het is ook de korte vorm van ‘zijde’ en dan kan het een begrenzing van een lichaam of figuur zijn, de boven of onderkant van een dun vlak, het overgangsgedeelte tussen de voor en achterkant van het lichaam, of het betekent dat je iemands kant kiest. Maar het kan ook het spinsel van een zijderups zijn of de stof die ervan gemaakt kan worden.

Taal speelt een belangrijke rol in de geschiedenis van de mens. “Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in de biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie heel snel.[1]  Aldus Madeleine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier in hun boek Hoe we mensen werden. Spreken maakte het mogelijk belangrijke informatie door te geven. Zo konden onze voorouders elkaar waarschuwen voor een gevaarlijke situatie, bijvoorbeeld waar een leeuw uithing. Maar ook waar het goed vissen was: ‘hier rechtdoor, dan voorbij die bramenstruiken rechts af en na het derde rotsblok naar links …’.  Belangrijk, zo betoogt Yuval Noah Harari, is dat taal een grotere groep mogelijk maakte. En dat, zo betoogt Harari, kwam door de mogelijkheid om te roddelen: “Het is veel belangrijker voor ze om te weten wie er binnen hun stam een hekel heeft aan wie, wie het met wie doet, wie eerlijk is en wie juist niet. De hoeveelheid informatie die er verworven en opgeslagen moet worden om de o zo veranderlijke relaties tussen enkele tientallen individuen bij te houden, is verbijsterend. (In een groep van vijftig individuen is sprake van 1225 één-op-één-relaties en talloos veel meer complexe sociale combinaties.) Alle mensapen vertonen een sterke belangstelling voor dit soort sociale informatie, maar ze kunnen niet echt effectief roddelen. [2]” Hierdoor kon een groep, zo betoogt Harari, groeien tot wel 150 individuen.

Taal gaf een boost aan onze, cognitieve motor, ons voorstellingsvermogen, zo beweren Madeleine Böhme en haar coauteurs: “Misschien is de zwerflust, de drang om onbekende verten te verkennen en nieuwe milieus te veroveren veel ouder dan tot nu toe wordt aangenomen en zat het van meet af aan in onze genen? We zouden ons nu ook kunnen afvragen waarom willen mensen naar Mars? Misschien is het antwoord op beide vragen hetzelfde: niet omdat we het kunnen, want dat laatste kunnen we immers nog niet, maar omdat we het ons kunnen voorstellen. Omdat we dankzij ons verstand in staat zijn ons fictieve situaties in te beelden; in onze geest werelden, plaatsen en situaties te scheppen en daar emotionele en spirituele energie aan te verbinden. De voorstelling van wat aan gene zijde ligt, is misschien wel de voornaamste cognitieve motor van onze evolutie.[3] Taal maakt het veel makkelijker om je ‘voorstelling’ met anderen te delen en hen aan je kant te krijgen. De grootste kracht van de mens is zijn vermogen om verhalen te verzinnen die voor de verzinner en voor zijn soortgenoten net zo reëel zijn als een boom of een rivier. Of zoals Harari het beschrijft: “Sinds de cognitieve revolutie leven sapiens aldus in een dubbele realiteit. Aan de ene kant heb je de objectieve realiteit van rivieren, bomen en leeuwen en aan de andere kant de imaginaire realiteit van goden, naties en corporaties.[4]Twee realiteiten die sinds een jaar of twintig worden aangevuld met een derde, virtuele realiteit. Een realiteit die de andere twee combineert door je beelden voor te schotelen die je in toenemende mate niet van echt kunt onderscheiden, waarin je binnen de limieten van het programma ‘imaginair’ actief kunt zijn. Verhalen bedoeld om individuen te binden en te onderscheiden van andere groepen. Verhalen die dus tegelijk binden en scheiden.

Eeuwenlang, en nu nog, worden verhalen van mond tot mond gedeeld. Zwak punt bij dat delen, is dat ons geheugen ons wel eens in de steek laat en we iets vergeten, we ons iets herinneren wat er niet was of we andere woorden gebruiken, waardoor het verhaal verandert. In het vierde millennium voor onze jaartelling vonden onze voorvaderen iets uit waarmee dit risico werd verkleind. Of ze het om die reden uitvonden weet ik niet, maar het hielp er wel bij. Die uitvinding was het schrift. Spijkerschrift op kleitabletten in Mesopotamië, de hiërogliefen van het oude Egypte op muren maar ook op papyrus. Als je de tekens kent, dan begrijp je het verhaal. Dan lees je allemaal hetzelfde.

Nou, niet helemaal. Je leest dezelfde woorden, maar geeft iedereen die woorden dan ook dezelfde betekenis? Geven ze er allemaal dezelfde uitleg aan? Neem het meest verkochte boek uit de geschiedenis, de bijbel, dat wordt op veel verschillende manieren uitgelegd. Ieder kerkgenootschap dat zich erop baseert, legt het op een eigen manier uit. De een legt een tekst letterlijk uit, de ander doet dat in een historische of andere context en zelfs over de letterlijke uitleg kun je van mening verschillen. Het enige wat al die uitleggen gemeen hebben, is dat de uitleggers er allemaal van overtuigd zijn dat ze het bij het rechte eind hebben.

Bij dat uitleggen spelen emoties een belangrijke rol en emoties en de manier waarop ze al dan niet worden geuit, kan behoorlijk verschillen. Firth-Godbehere geeft hier een mooi voorbeeld van in zijn boek: “Ik ben bij concerten geweest in Barnsley, ook in Engeland, waar het publiek bewegingsloos en met uitgestreken gezicht het hele optreden aanhoorde. Maar toen de muziek eenmaal afgelopen was, stond er een rij mensen klaar om op de band  af te lopen, ze bier aan te bieden en te vertellen hoe fantastisch ze wel niet hadden gespeeld. De specifieke emotionele gemeenschap is er een waarin stoïcijnse stoerheid – ongeacht het geslacht – het soort gepassioneerde uitingen vermijdt die je ziet bij optredens elders, zelfs stadjes op een paar kilometer van Barnsley.[5] Een manier van ‘genieten’ die overeenkomst met het ‘Venlose swingen’ zoals Sef Derkx het in zijn wekelijkse column bij Omroep Venlo beschrijft en die ik bij mijn stadgenoten herken: “Bij het Venlose swingen zit je op een festivalbank en tik je met een voet op de grond. Het hoeft niet in de maot. Ritmegevoel is overbodig. Af en toe maak je schokkende bewegingen met je bovenlijf. Niet te enthousiast. We zijn geen Penny de Jager van Top Pop. Belangrijkste bij het Venlose swingen is, dat je altijd je beker met bier in de löcher houdt. Dat die niet omvalt door een bruuske dansante beweging. Het leven is ook zonder te dansen al duur genoeg en kloeke is allewiels gans onbetaalbaar geworden. Fijn van het Venlose swingen is bovendien, dat je je colbert aan kunt houden. Je zweet niet.” Als je dit als band niet weet, dan denk je dat in Barnsley en Venlo cultuurbarbaren wonen.

Die verschillen waarop mensen emoties uiten, maken het voor kunstmatige, in dit verband ook affectieve, intelligentie zeer lastig en om emoties te herkennen en als ze al worden herkent, ze ook nog te interpreteren, zo betoogt Firth-Godbehere. Hij maakt dit duidelijk aan de hand van een foto van hemzelf met een gebalde vuist en een grimmig gezicht. Vervolgens vraagt hij de lezer: “Ben ik ziedend op andere weggebruikers? Of vier ik dat ik op de autoradio hoor dat mijn favoriete club heeft gescoord?”  Hij vervolgt: “Zelfs mensen hebben moeite zoiets te bepalen. Als we emotieherkennings-KI in zelfbesturende auto’s willen installeren zodat die de controle overneemt en de auto aan de kant laat stilstaan als ze mijn woede herkennen, dan kan mijn juichende vuist in de lucht betekenen – niet dat mijn club zo vaak scoort – dat ik stil kom te staan aan de kant van de weg en kwader en kwader word op mijn ergerlijke ‘intelligente’ auto.[6]

Firth-Godbehere ziet een gevaar in die pogingen om emoties via technologie te herkennen. “De westerse ideeën over emotie die ten grondslag liggen aan deze technologie, zullen culturele verschillen wreed vertrappen en het zal niemand interesseren. De teerling is geworpen en de technologie is westers-  en dat zullen alle emoties ook al snel zijn.” Dit omdat wij mensen bijzonder creatief in het ons aanpassen aan nieuwe omstandigheden en via de technologie zal dat de westerse uitleg van emoties zijn. Want: “Als regeringen denken dat ze de kostbare technologie die ze hebben gekocht misdadigers kan herkennen aan de hand van hun onvoorspelbare gedrag, dan zullen mensen zich domweg voorspelbaar gaan gedragen om te voorkomen dat ze in de problemen komen.[7]  Die technologie zorgt er dan wel voor, of anders gezegd, ze dwingt ons naar ‘uniform handelen’. Firth-Godbehere ziet nog een tweede manier waarop we naar ‘universele emoties’ worden geduwd, Die manier heeft te maken met een nieuwe manier waarop emoties worden geuit, de emoji’s: “Veel linguïsten die zich met dit verschijnsel bezig houden, lijken aan te nemen dat emoji’s een nieuw internationaal schrift gaan vormen en een nieuwe wereldwijde uitingsvorm van emoties.[8]

Een moderne variant van hiërogliefen schrift dat we allemaal begrijpen. Een uniforme taal. Zou dat een zegen zijn? Firht-Godbehere denkt er anders over: (Dat) de enorme diversiteit van manieren om emotie op te vatten en te uiten iets heerlijks is.  … Ik ben ook bang dat de wereld er niet beter of veiliger op zal worden als emotionele misverstanden, en ons vermogen die te herkennen en erkennen bij de ander, uiteindelijk zouden verdwijnen.[9]  Volgens Firth- Godbehere gaat het wel die kant op en dat zou jammer zijn. Denk daar maar eens aan als je me voor deze Prikker beloont met een duimpje of een smiley.


[1] Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian BreierHoe we mensen werden, Pagina 214

[2] Yuval Noah Harar, Spaiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid pagina 32

[3] Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier, Hoe we mensen werden. Een geheel nieuwe kijk op de oorsprong van de mensheid, pagina 192

[4] Idem, pagina 42

[5] Richard Firth-Godbehere, emoties. Hoe emoties de wereld hebben gevormd, pagina 15

[6] Idem, pagina 296-297

[7] Idem, pagina 294-295

[8][8] Idem, pagina 306.

[9] Idem pagina 295

Uitgelicht

Beste staatssecretaris Van Ooijen,

Met veel aandacht en interesse heb ik uw Kamerbrief Hervorming Jeugdzorg gelezen. Zeven jaar na de decentralisatie van de jeugdzorg constateert u dat: “de belofte van de decentralisatie – passende hulp, dichtbij huis, gezinsbreed, efficiënter en met minder kosten – onvoldoende waargemaakt (is). Er wordt meer geld dan ooit aan jeugdzorg besteed.”  Ondanks: “de inzet die al door vele partijen is gepleegd om verbeteringen door te voeren,” en de: “mooie ontwikkelingen en initiatieven,” waar u op wilt voortbouwen, concludeert u dat er: “meer sturing nodig (is) om dit overal goed te regelen.”  Een om verschillende redenen bijzondere brief.

Bijzonder omdat het beeld dat uit uw brief naar voren komt er een is van een falend systeem en beleid. U constateert: “Het beroep op jeugdzorg is de afgelopen decennia sterk gestegen. Volgens de nieuwste CBS-cijfers ontving in 2021 ongeveer 1 op de 7,5 jongeren tot 18 jaar enige vorm van jeugdhulp. Ter vergelijking: in 2015 ontving 1 op de 10 jongeren jeugdhulp en in 1997 bedroeg dit grofweg 1 op de 27.” En: “Te veel kinderen die kampen met complexe problemen en specialistische zorg nodig hebben, komen op wachtlijsten terecht of ontvangen geen passende zorg. De meest passende vorm van zorg is niet altijd beschikbaar en/of er is gebrekkige samenwerking tussen partijen.” Beste meneer van Ooijen, dit hoeft u niet te verbazen. En anders dan u lijkt te betogen, denk ik dat dit geen gevolg is van falend beleid maar dat de jeugdhulp ten onder gaat aan de succes van jaren overheidsbeleid. Uw analyse van de situatie gaat niet diep genoeg. In deze brief zal ik dat nader onderbouwen.

Minister Ruding. Bron: WikimediaCommons

Hiervoor neem ik u even mee terug naar 1984. In dat jaar brachten twee interdepartementale werkgroepen die in 1978-1979 in het leven waren geroepen om (ook toen al) een einde te maken aan de willekeur in de jeugdhulp hun verslag uit. In hun rapporten concludeerden de beide werkgroepen dat: “hulp voortaan ‘zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’ moet plaatsvinden.” De toenmalige regering Lubbers onderschreef dit en vulde dit zogenaamde ‘zo-zo-zo-beleid’ aan met nog twee ‘zo’s’, namelijk zo tijdig mogelijk en, typisch Nederlands, zo goedkoop mogelijk. ‘Tijdig en licht’ om ‘lang en zwaar’ te voorkomen.

Ik neem u mee naar 2010 en de Kamerwerkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg. Het rapport van deze Kamerwerkgroep zal voor u een feest van herkenning zijn. In het rapport worden met andere, en soms dezelfde woorden, precies dezelfde problemen geconstateerd. Problemen zoals een toenemend beroep op hulp. Om die problemen op te lossen, moest er: “Uitgaande van het kind en zijn kansen en mogelijke bedreigingen, (…) vroegtijdige hulp en zorg worden geboden; zo dicht mogelijk bij het kind en zijn dagelijkse leefsituatie.” Eén gezin, één plan, één regisseur werd het nieuwe devies nog steeds met het doel om zo dicht mogelijk bij huis, zo kort mogelijk, zo licht mogelijk te helpen. Met dit rapport als basis werd de jeugdzorg, door de toenmalige regering Rutte, in 2015 naar de gemeenten geschoven. En net als bijna dertig jaar eerder moest het ook ‘zo goedkoop mogelijk’ want er werd flink in het budget gesneden. Over hoe dat precies ging kan premier Rutte u vast een en ander vertellen. Hij is de enige bewindspersoon die toen ook al aan de knoppen zat. Als hij hier tenminste de juiste actieve herinneringen aan heeft.

Die toename in jeugdigen met ondersteuning en hulp is een gevolg van dertig jaar beleid. ‘Zo tijdig mogelijk’ en ‘vroegtijdig’ betekent dat je gaat zoeken naar signalen bij kinderen en gezinnen die mogelijk tot een problemen in de toekomst kunnen leiden. Dan ga je kinderen en gezinnen problematiseren en, om een beladen woord te gebruiken, ‘profileren’ op kenmerken van de jeugdigen en gezinnen met echte problemen. Dit ‘profileren’ leidt er als vanzelf toe dat, zoals u schrijft: “‘gewoon’ gedrag sneller dan vroeger buiten de bandbreedte van wat wordt gezien als ‘normaal’ zowel op school als thuis” valt. Vertoont een kind of gezin een of meer van die kenmerken, dan ontkom je er niet aan om actie te ondernemen. ‘Kunnen leiden’ zegt het al, het kan maar hoeft niet maar door het te constateren moet je iets en dat iets leidt er als vanzelf toe dat meer kinderen hulp krijgen.

Er is meer en belangrijkers. Ook nu neem ik u weer mee naar de jaren tachtig van de vorige eeuw. Toevallig ook weer naar 1984. In dat jaar verscheen er een interview met minister Ruding van Financiën in Het Vrije Volk waarin hij de volgende woorden sprak: “Laten we eerlijk zijn. Veel werklozen maken er zich met een Jantje van Leiden van af. … Men blijft liever dicht bij Tante Truus wonen.” Die woorden geven het door het toenmalige kabinet Lubbers I omarmde neoliberale denken weer. Denken dat in beleid werd omgezet. Beleid dat de bijl zette in de wortel van onze verzorgingsstaat. Beleid dat door alle kabinetten sindsdien is voortgezet en dat op meerdere manieren erg succesvol is.

Het belangrijkste in het neoliberale denken is de vrije markt. Vanaf midden jaren tachtig werd het beleid om steeds meer zaken aan de markt over te laten in de overtuiging dat dit tot de beste dienstverlening tegen de goedkoopste prijs zou leiden. In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten beschrijven Hans Achterhuis en Nico Koning zes manieren waarop goederen en diensten in een samenleving worden verdeeld onder haar leden. Zes vormen van verwerving of toe-eigening waarbij vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt en die dus een steeds grotere samenleving kunnen ondersteunen. Als eerste de eigen productie van iemand. Als tweede, de gedurende eeuwen de belangrijkste vorm, de gemeenschappelijke huishouding. Als derde ‘toedeling’ waarbij de hoogst geplaatste toedeelt aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping. Met het nog groter worden van de wereld komen deze samenlevingen in aanraking met aangrenzende samenlevingen. De ‘schenking’ of gift is dan een vreedzame manier van verwerven of toe-eigening. Bij een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen. Een gearrangeerd huwelijk is een voorbeeld van ‘schenken’. De vijfde manier van verwerven is ‘handel’. Belangrijk kenmerk van handel is dat de beide betrokken partijen gelijk zijn en blijven. De laatste vorm is ‘roof’. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van toe-eigening voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen[1].

Het neoliberalisme stelt marktrelaties, handel, de transactie tussen ‘vraag’ en ‘aanbod’ centraal. Eigen aan marktrelatie is dat er geen verplichting of verzwaring, geen relatie’ tussen de partijen ontstaat. Neoliberaal beleid bouwt niet aan een ‘WIJ’ in de samenleving. Sterker, door steeds meer zaken als ‘handel’ te zien en vorm te geven, wordt het ‘WIJ’ in de samenleving steeds verder uitgehold. Er wordt juist gebouwd aan het ‘IK’. Een echte neoliberaal zal dat niet erg vinden want die zegt de Britse premier Thatcher na: “who is society? There is no such thing.” En laten we wel wezen, dit op het individu gerichte beleid is heel succesvol geweest en is het nog steeds.

“Aan dit wetsvoorstel ligt de visie op de pedagogische civil society ten grondslag waarin ieder kind een veilige omgeving om zich heen heeft, waarin de school, de naschoolse opvang, de sportclub en de buurt een belangrijke rol spelen. Investeren in een positieve opvoeding, talentontwikkeling, een succesvolle schoolloopbaan en doorstroom naar werk ligt aan de basis van welbevinden, economische zelfstandigheid en democratisch burgerschap. Algemene jeugdvoorzieningen zoals de kinderopvang, de jeugdgezondheidszorg, scholen, sportclubs, buurthuizen, jongerenwerk en vrijwillige inzet dragen bij aan een positief opgroei- en opvoedklimaat.[2] Aldus de memorie van toelichting op de Jeugdwet 2015. De wetgever legt hier de zorg voor de jeugd voor een belangrijk deel neer bij iets wat door de nadruk op het ‘IK’ en de afbraak van het ‘WIJ’ van meer dan dertig jaar neoliberaal beleid, een kwijnend bestaan leidt. Namelijk sociale netwerken zoals de wijk. En ja, geografisch bestaan wijken nog steeds, sociaal maatschappelijk zijn ze op sterven na dood. Een wijk is tegenwoordig niet meer dan een verzameling individuen die toevallig bij elkaar in de buurt wonen.

U doet hetzelfde als u in uw brief schrijft: “Opgroeien begint thuis en in de wijk. Ouders en bredere familie of het sociale netwerk spelen hierin vanzelfsprekend de belangrijkste rol. Tegenwoordig valt ‘gewoon’ gedrag sneller dan vroeger buiten de bandbreedte van wat wordt gezien als ‘normaal’, zowel op school als thuis. Strubbelingen bij opvoeden en opgroeien horen bij het normale leven en dienen daarom met voorrang in eigen kring binnen sterke sociale verbanden (thuis, op school, in de wijk, etc.) te worden opgepakt. Inzet van professionele hulp komt pas in beeld wanneer problemen de veerkracht, kennis en expertise van gezinnen en het sociale netwerk overstijgen.” U zoekt de oplossing in ‘sociale verbanden’ die door jarenlang gericht overheidsbeleid zijn afgebroken. Het ‘thuis’ en die ‘brede familie’ zijn uitgehold door gericht beleid om iedereen zoveel mogelijk aan het ‘betaald werk’ te krijgen. Dit allemaal om mensen ‘economisch zelfstandig’ te laten zijn en vooral om de economie te laten groeien. Te laten groeien door zaken die vroeger, om in de woorden van Achterhuis en Koning te spreken, via de ‘gemeenschappelijke huishouding’ werden verdeeld zoals de zorg voor kinderen en ouderen, nu als ‘handel’ (kinderopvang en thuiszorg) worden gezien. Die druk op ‘betaald werk’ neemt alleen maar toe nu er sprake is van een tekort aan arbeidskrachten.

De Belg Paul Verhaeghe wijst in zijn boek Identiteit op een ander gevolg van dertig jaar neoliberale nadruk op het ‘IK’. Hij noemt onze tijd ‘sociaal-darwinistisch’ maar dan van een nieuw soort. Een soort waarbij: “…het niet langer de soort, maar het individu (is) waarop ‘natuurlijke’ selectie plaatsgrijpt. Het is de sterkste man of vrouw die het haalt, ten koste van al die andere mannen of vrouwen, en het criterium is succes.[3]Met andere woorden, je bent zelf verantwoordelijk voor je eigen succes en dit heeft als keerzijde dat je ook zelf verantwoordelijk bent voor je eigen falen. Je hebt je ‘verlies’ op alle terreinen daarmee aan jezelf te danken. Of zoals Verhaeghe het treffend formuleert: “Omgekeerd: wie mislukt, heeft dat eveneens aan zichzelf te wijten, is bijgevolg een zwakke persoonlijkheid, vaak nog een profiteur ook, die een heel bedenkelijk normen-en-waardensysteem hanteert. Schorem, dat is, te lui of te dom om iets aan hun eigen situatie te veranderen.[4] Die verantwoordelijkheid voor het eigen succes (en falen) legt grote druk op het individu en dus ook het kind. Druk die stress kan veroorzaken die weer tot mentale problemen kan leiden. Problemen waarvoor hulp gezocht wordt en zie daar het toegenomen beroep op hulpverleners (en niet allen bij jeugdigen,) aan de ene kant en de wildgroei aan therapeuten en coaches om je te helpen aan de andere kant.

Een andere Belg, Dirk De Wachter, gaat nog verder. Hij vergelijkt onze samenleving met de stoornis Borderline: “BPD of Borderline Personality Disorder is ‘een diepgaand patroon van instabiliteit en intermenselijke relatie, zelfbeeld en affecten en van duidelijke impulsiviteit, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situatie…’[5] Vervolgens noemt De Wachter de negen situaties uit de DSM IV (de bijbel voor psychische of psychosociale stoornissen) waarvan je er vijf moet vertonen om borderline gediagnostiseerd te worden. Hij legt onze samenleving vervolgens langs deze criteria en toont overtuigend aan dat onze neoliberale samenleving aan borderline leidt en daarmee ziek is en ziekmakend voor de mensen en dus ook de kinderen in de samenleving.

U maakt zich druk om de administratieve last. “Als we dat weten te halveren, scheelt dat een slok op een borrel,” zo vertelde u in een interview met de Volkskrant. Ook die administratieve last is een gevolg van dertig jaar neoliberaal beleid. Door zorg als ‘handel’ te zien, wordt ook het marktdenken geïntroduceerd. Een van de kenmerken van de markt is dat producten aan allerlei meetbare specificaties moeten voldoen omdat je de ander nu eenmaal niet kunt vertrouwen. En daar komt de bureaucratie om de hoek kijken. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is de New Public Management stroming dominant. Een stroming die in ‘producten en klanten’ denkt en die ‘het model van de private sector’ op de overheid toepast. Centraal staan: doeltreffendheid, doelmatigheid en zuinigheid (zo goedkoop mogelijk). Het model dat politieagenten bonnen laat schrijven omdat ze hun quotum moeten halen. En ook het model dat zorg in stukken hakt en er ‘producten’ van maakt of nog erger: diagnose behandel combinaties. Producten die vervolgens in de markt worden gezet. Maak ergens een markt van en je krijgt marktgedrag. Zoals iedereen die een beetje nadenkt kan bedenken, staat zodra je van zorg een product maakt dat product centraal en niet de mens. Het product moet worden geleverd (de bon moet worden geschreven) of de jeugdige er nu mee geholpen is of niet. Die producten moeten vervolgens ook worden gemeten en geadministreerd om verantwoording af te leggen. Want verantwoording moet in cijfers worden afgelegd: daling van dit, stijging van dat. Dergelijke verantwoording duidt op een gebrek aan vertrouwen of zelfs op wantrouwen.

Belangrijker nog, door zorg als ‘handel’ te zien verdwijnt de kritische succesfactor van ieder zorgtraject naar de achtergrond. ‘Handel’ gaat uit van gelijkwaardigheid tussen de bij een transactie betrokken partijen. Daarvan is bij zorg geen sprake. Die kritische factor in de zorg is vertrouwen en vertrouwen kun je alleen maar opbouwen door aan de relatie te werken en die te versterken. Als zorgverlener moet je het vertrouwen winnen van de zorgvrager. Zoals Achterhuis en Koning laten zien, bouw je bij ‘handel’ niet aan een relatie. En juist de kritische succesfactor vertrouwen is niet te meten. Een bewezen effectieve methode uitgevoerd door een hulpverlener die het vertrouwen ontbeert zal minder opleveren dan zorg die niet bewezen effectief is door een hulpverlener die wel het vertrouwen geniet. Vertrouwen is niet te meten, maar lijdt wel onder de meetdrift. Want die meetdrift ademt wantrouwen. 

U wilt: “Minder marktwerking, meer samenwerking en betere inkoop van zorg,” zo, luidt het derde leidende principe in uw brief. Daartoe stelt u allerlei maatregelen voor waaraan een flink deel van de gemeenten nu ook al werken. Maatregelen zoals minder aanbieders, standaardisatie, prestatiecodes. Die leiden echter niet tot ‘minder marktwerking’, ze leiden tot een meer gereguleerde markt. Daar komt bij dat marktwerking en samenwerking geen automatisme is. Sterker, een markt is gericht op concurrentie niet op samenwerking. Zou ‘geen marktwerking’ niet de oplossing kunnen zijn? En als u werkelijk wilt dat: “Ouders en bredere familie of het sociale netwerk,” de door u gewenste rol op kunnen pakken, zou het: “maatschappelijk debat over wat wordt verstaan onder het normale opgroeien en opvoeden en wat wordt verstaan onder gebruikelijke zorg,” dan niet moeten gaan over de vraag welke samenleving we willen? Willen we individuen op een ‘markt’ met alle wantrouwen van dien of een samenleving gebaseerd op vertrouwen? Nog duidelijker: is de economie er voor de mens of de mens voor de economie[6]? Een vraag die niet alleen de (jeugd)zorg raakt.

Daarmee kom ik aan het einde van mijn brief. Een brief waarin ik, hoop ik, heb aangetoond dat de situatie in de samenleving in het algemeen en de zorg in het bijzonder, een gevolg is van jarenlang neoliberaal overheidsbeleid. Succesvol overheidsbeleid omdat het de maatschappelijke werkelijkheid voor een flink deel naar de neoliberale theorie heeft vormgegeven. Het heeft de samenleving afgebroken zodat Thatcher woorden nu de werkelijkheid meer recht doen op het moment dat zij ze uitsprak en waarvan we ons moeten afvragen of dit is wat we willen.


[1] Hans Achterhuis en Nico Koning, De kunst van het vreedzaam vechten, pagina 406-412

[2] Memorie van toelichting Jeugdwet pagina 6

[3] Paul Verhaeghe, Identiteit, pagina 80

[4] Paul Verhaeghe, pagina 81

[5] Dirk de Wachter, Borderlinetimes. Het Einde van de Normaliteit, pagina1. Lannoo Campus 2013 zeventiende druk.

[6] https://ballonnendoorprikker.nl/2015/10/30/middel-of-doel/

Uitgelicht

Onbeheerste beheersbaarheid

In zijn column in de Volkskrant vraagt Peter de Waard zich af hoeveel tijd fietsenmaker VanMoof krijgt om winstgevend te worden: “In 2021 werd op een omzet van 90 miljoen euro een verlies van 70 miljoen euro geleden,”  zo schrijft hij. Nu gaat het mij niet om die winstgevendheid en de tijd die de fietsenmaker al dan niet moet krijgen. Het gaat mij om het volgende: “Van weigerende fietsbellen en spontaan loeiende diefstalbeveiligingen tot fietsen waarvan het niet lukt het slot met de smartphone te openen. En dat laatste is extra lastig als het traditionele sleuteltje er niet meer is. Ongeveer 10 procent van de verkochte fietsen moest worden teruggenomen.” Hierbij moest ik weer denken aan The Uncontrollability of the World  van Hartmut Rosa waarover ik in mijn vorige Prikker ook al schreef.

Bron: Flickr

De fiets is een heel praktische uitvinding waarmee de spierkracht van de mens wordt omgezet in snelheid. Bij de allereerste versie waren de trappers rechtstreeks aan het voorwiel bevestigd. Een keer rond trappen betekende dat ook het wiel een keer rond ging. Om de snelheid op te voeren werd dat wiel al snel groter gemaakt en zo ontstond de hoge bi. De fiets met het grote voorwiel waarop de trappers waren bevestigd. Nadeel was dat je hoog zat waardoor de stabiliteit geringer was, zeker bij lage snelheden. Aan het leven van de hoge bi kwam al na korte tijd een einde. Hij werd uit de markt geconcurreerd door een geïnnoveerde versie. De innovatie bestond eruit dat de beide wielen weer even groot werden. Het voorwiel was om te sturen en de fiets werd indirect aangedreven via het achterwiel. Indirect omdat de trappers niet aan het wiel waren bevestigd maar aan een tandwiel. Via een ketting was dit tandwiel verbonden met een tandwiel dat aan het achterwiel was bevestigd. Het geheel was veel stabieler. Door met de grootte van beide tandwielen te spelen, kon je het aantal wielomwentelingen van één keer rondtrappen, vergroten of verkleinen. Meer tanden in het wiel voor betekent een zwaarder verzet en dus meer wielomwentelingen. Ook minder tanden op het tandwiel aan de achterwiel betekenen een groter verzet en meer omwentelingen. Hoe groter het verschil in tanden tussen voor en achter, hoe sneller de fiets.

Maar ik dwaal af. De fiets is een heel praktische uitvinding. De meest eenvoudige versies, zonder versnellingen, zijn bij een defect makkelijk te repareren. Dat lukt mij zelfsmet mij twee linkerhanden nog. De band van een VanMoof plakken zal me waarschijnlijk nog wel lukken, maar een ‘loeiende diefstal beveiliging’ of een ‘slot met de smartphone’ dat zal mij niet lukken. Nu is de fiets niet het enige gebruiksvoorwerp dat is ‘geICTiseerd’ om een niet bestaand woord te gebruiken maar wat wel duidelijk maakt wat ik bedoel. Voor auto’s geldt het zelfde. Vroeger kon een goede automonteur alle auto’s repareren omdat de basisprincipes van alle auto’s hetzelfde zijn. Nou ja alle, bijna alle. Citroënrijders deden er toch goed aan naar een garage van dat merk te gaan als er iets mis was met het ‘hydropneumatisch veersysteem’. Tegenwoordig moet je naar de merkgarage omdat de auto aan de computer wordt gelegd en alleen de merkdealer heeft de juiste software om de zaak ‘uit te lezen’. Al die technologie is erin gestopt om het ding en de deelname aan het verkeer veiliger te maken. Om de controle van de bestuurder te vergroten.

Met die controle kom ik bij Rosa. Volgens Rosa streeft de moderne mens naar twee zaken die zich slecht met elkaar verhouden. Aan de ene kant is dat beheersbaarheid van de wereld. Beheersbaarheid door kennis van de werking van zaken en door technieken om de wereld te beheersen. “The driving cultural force of that form of life we call ‘modern’ is the idea, the hope and desire, that we can make the world controllable.” Aan de andere kant zoekt de mens naar wat Rosa het onverwachte noemt, het niet beheersbare dat hem of haar in vervoering breng. Rosa: “Yet it is only in encountering the uncontrollable that we really experience the world . Only then do we feel touched, moved, alive.  …The drive in our lives unfold as the interplay between what we can control an that which remains outside our control, jet ‘concerns us’ in some way. Life happens, as it were, on the borderline.[1]

Al die nieuwe technieken in de auto zijn bedoeld om de beheersbaarheid te vergroten. Het alarmsysteem en het ‘slot met smartphone’ evenzeer. Maar ook, zo betoogt Rosa, al die apps en systemen om permanent je bloedwaarden, ademhaling, vetverbranding enzovoorts te meten. Allemaal bedoeld om de wereld te beheersen en dat lukt aan de ene kant ook. Maar die beheers zucht leidt tot frustratie, spanning en oncontroleerbaarheid overal in ons dagelijkse leven, zo schrijft Rosa in een hoofdstuk met als onheilspellende titel The Monstrous Return of the Uncontrollable. Dit is, aldus Rosa, een gevolg van: “the categoral gulf between theoretical control and actual control, the concurrence of controllability in theory and uncontrollability in practice.”  En dat niet beheersbare doet zich voor als het VanMoof-fietsalarm afgaat en je het niet uit kunt zetten. Of, zoals Rosa schrijft: “Anyone who has ever tried to roll down the windows or release the handbreake on their car when its electrical systems are jammed has expirenced this. Minor problems that only a few years ago could be resolved with a fwo flicks of the wrist or a hammer now require calling a tow truck and ordering expensive replacement parts that could take weeks to arrive.[2] En ‘weeks’ kan ook erger zo lees ik in een artikel in de Volkskrant. Een artikel over al het wapenmateriaal dat de Amerikanen moeten vervangen omdat ze het naar Oekraïne sturen: “Net als in andere industrietakken kampen de wapenfabrikanten door de pandemie met logistieke problemen en met tekorten aan materialen en personeel. Hierdoor zal het jaren duren voor de VS hun voorraad Javelins en Stingers hebben aangevuld.” En dat aanvullen wordt bemoeilijkt omdat: “ze een nieuwe leverancier (moeten) vinden voor titanium, dat veel wordt gebruikt in de militaire en luchtvaartindustrie. Rusland is een van de grootste producenten.”

Ons streven naar beheersbaarheid leidt tot onbeheersbaarheid. Het lijkt erop dat Rosa een punt heeft.


[1] Harmut Ros, The Uncontrollability of the World, pagina 2

[2] Idem. Pagina 110-111

Inter arma enim silent leges

“The way we selected these targets was determined by the VC. They chose the battleground and we really had no choice where we put the target.” Deze woorden sprak majoor James K. Gibson een Amerikaanse piloot die deelnam aan de slag om Ben Tré, een Vietnamees stadje ingeklemd tussen twee takken van de Mekong. Het stadje dat: “became necessary to destroy the town to save it.”  Volgens de woorden die de toen nog jonge journalist Peter Arnett in 1968 optekende uit de mond van een Amerikaanse officier. Die officier stond uit te leggen waarom de Amerikaanse troepen stadje hadden gebombardeerd ondanks de aanwezigheid van vele burgers in de stad. Ik moest hieraan denken bij het lezen van een artikel van Rosan Smits bij De Correspondent met als titel: “In Poetins oorlog wordt alles een wapen. Zelfs een humanitaire corridor.”

Ben Tré na de bombardementen. Bron: Flickr

Smits lijkt zich te verwonderen over de Russische manier van oorlog voeren. “De kern: Rusland zet álles in om te winnen. Van een nieuw wapenarsenaal tot clustermunitie, van cyberaanvallen tot economische druk. Zelfs humanitaire corridors en vredesbesprekingen zijn voor Poetin militaire tactieken. Of anders gezegd: Rusland maakt geen onderscheid tussen diplomaten en soldaten.”  Ik verbaas me over Smits verwondering hierover. Ik verbaas me over de, in mijn ogen, naïviteit die hieruit blijkt. Naïviteit dat er zoiets zou zijn als een ‘schone oorlog’ zonder burgerslachtoffers.

Als je een oorlog begint, doe je er immers altijd alles aan om te winnen. Dan gebruik je alle middelen die tot je beschikking staan. En ja, daar horen sinds twee decennia ook cyberaanvallen bij. En ja, dan zet je ook clusterbommen in. Nu zul je denken: ‘maar die zijn toch verboden?’ En ja inderdaad is er een verdrag waarin wordt gesteld dat het inzetten van clusterbommen verboden is. Dat verdrag is ook getekend door een honderdtal landen, ook door Nederland. Zij hebben zich met dat verdrag gebonden. De andere landen niet, en bij die landen hoort Rusland. Ook onder andere de Verenigde Staten, China, India, Pakistan, Turkije en Israël hebben het verdrag niet getekend. De Russen hebben zich niet gebonden en kunnen die spullen gebruiken. Ook economische druk op de vijand en landen die de vijand steunen is niet verbazingwekkend.

Daar hoort ook bij dat je de strijd probeert de voeren op plekken waar je de grootste kans hebt om de tegenstander te verslaan. Iets dat Saddam Hoessein niet goed leek te begrijpen. Die probeerde in 1992 de tegenstander te verslaan door de confrontatie in open terrein aan te gaan door de vijand met zijn tanks tegemoet te treden. Dodelijk als de tegenstander over beter en meer materieel beschikt. Dat doen de Oekraïners slimmer, ze hebben de les van Gibson geleerd. Die vermijden de directe aanval en voeren strijd op plekken waar het materiele overwicht van de tegenstander het minste gewicht in de schaal legt. Dat zijn precies ook de plekken waar de kans op burgerslachtoffers het grootste is, namelijk de bebouwde omgeving. En hoe grotere en onoverzichtelijker die omgeving, hoe gelijker het speelveld. Sterker nog, hoe groter de puinhoop, hoe gelijker het speelveld. De eerste granaten op een flatgebouw tasten de structurele integriteit van het gebouw aan. Als het gebouw is vervallen tot een hoop beton en steen met hier en daar een ruimte waarin zich iemand kan verschuilen, richten granaten niet zoveel schade meer aan. Ter vergelijking. Een kogel doorboort gemakkelijk een pagina van een krant. Je erachter verschuilen heeft niet zoveel zin. Dat wordt anders als het een ouderwets telefoonboek betreft.

Strijden in steden heeft in deze moderne tijd nog een ander voordeel. Een van de manieren om steun voor je kant te verwerven, is via de publieke opinie in landen die niet aan de strijd deelnemen. Daarvoor zijn beelden die de gruwelijke daden van je tegenstander laat zien een goed middel. In de moderne tijd met een camera op elke straathoek en in iedere broekzak, zijn er beelden te over die de gruwelijkheid van de tegenstander laten zien. Beelden zoals de auto op een kruispunt die wordt getroffen door granaten uit een Russische pantserwagen. Of een door granaten getroffen ziekenhuis. Als ik ‘baas’ van Oekraïne was, dan zou ik het ook zo doen als ik werd aangevallen door een veel sterkere tegenstander zoals de Russen. Al die zaken zou ik breed uitmeten. Dat zouden mijn ‘kogels’ in de strijd om de ‘harts and minds’ van de rest van de wereld zijn.

Als ik daarentegen ‘baas van Rusland’ was. Dat ben ik niet want als ik het was geweest dan was er nu geen oorlog, maar even fort he sake of the argument. Als ik ‘baas van Rusland’ was, dan zou ik er in de strijd om diezelfde ‘harts and minds’ alles aan doen om de ander zo schadelijk mogelijk te laten overkomen. Dan zou ik ook reppen over biologische en chemische wapens en vooral een link leggen met de VS. Dat land heeft immers een verleden met het liegen over dergelijke wapens[1]. Dan zou ik de bom op dat ziekenhuis betreuren maar erop wijzen dat de tegenstander de stad en dus ook het ziekenhuis en die moskee gebruikt als een menselijk schild. Je geeft, geheel in lijn met majoor Gibson, de tegenstander de schuld. Die koos er uit ‘lafheid’ immers voor om Ben Tré en nu Marioepol tot de plek te maken om het gevecht aan te gaan en niet te kiezen voor een ‘eerlijke strijd’ op de open vlakte. En ja, dan kunnen er burgers sneuvelen en dan kan het wel eens noodzakelijk zijn om een stadje te vernietigen om het te redden uit handen van die laffe vijand.

Bij het winnen van die oorlog, hoort ook het ‘spelen’ met vredesbespreking. Als het voorspoedig gaat, dan heb je er geen behoefte aan en traineer je ze. Zit je in het nauw dan is het aantrekkelijk om ze tot een succes te maken. Probleem is dan dat de ander aan de ‘voorspoedige kant’ zit en er geen behoefte aan heeft. Vredesbesprekingen hebben de meeste kans op succes als er evenwicht is. Als voor beide partijen verdere inspanning meer kost dan het oplevert.

Humanitaire hulp en corridors zijn iets van recente datum. De Romeinen en Dzjengis Kahn kenden ze niet. Een land was in oorlog en dat betekende dat alle inwoners in oorlog waren. Rusland gebruikt humanitaire corridors, zo schrijft Smit: “Niet zozeer om burgers in veiligheid te brengen, maar om de inname van de stad te vergemakkelijken.” Dat zou betekenen dat ook dit nieuwe al een middel wordt om het doel, het winnen van een oorlog, te bereiken. Dat kun je next level, cynisch of misdadig noemen, verbazen hoeft het niet. Alles wordt in een oorlog gebruikt om hem te winnen.

Dat kun je vervelend vinden en daarbij vind je mij aan je zijde. Het verandert er echter niets aan. ‘Inter arma enim silent leges’, of in Nederlands: ‘In tijden van oorlog zijn de wetten stil.’ Hoe graag we het ook anders zouden willen.


[1] Voor de VN betoogde de VS in 2003 dat Irak ‘weapons of mass destruction’ had, waaronder chemische en biologische. Dit terwijl jarenlange inspectie onder auspiciën van de VN er geen had gevonden. De VS gebruikte de aanwezigheid van die wapens om het land binnen te vallen. Na die inval zijn dergelijke wapens niet aangetroffen.  

Si vis pacem, para bellum?

Si vis pacem, para bellum’Ofwel: als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog. Die spreuk heb ik de afgelopen weken al verschillende keren voorbij zien komen. Ik moest hierbij denken aan het vak polemologie dat ik tijdens mijn studie geschiedenis volgde. Polemologie is de studie naar de oorzaken van oorlog en vrede. Ik moest vooral denken aan de docent die het vak gaf, Leon Wecke. Die trok tijdens een van de colleges een pistool, richtte het op de zaal en zei iets als: ‘als je dreigt moet je ook geloofwaardig overkomen, dan moet je je dreigement ook waar durven maken.’ Waarna hij de trekker overhaalde en een losse flodder afvuurde. Hij deed dat ieder jaar weer en gelukkig is het nooit fout gegaan. Dat zoiets fout kan gaan, laat het incident rond Alec Baldwin zien.

‘Si vis pacem, para bellum’ dus, als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog. En nog weer wat anders geformuleerd: er is geen vrede zonder effectieve afschrikking. Zo is hij tegenwoordig bekend. Flavius Vegetius Renatus schreef de spreuk in het jaar 390 net iets anders: ‘Qui desiderat pacem, bellum praeparet.’Een Latijnse spreuk die terug gaat op De Wetten van de Athener Plato. ‘Si vis pacem, para bellum’ en dan steeds gevolgd door zoiets als ‘Europa (of Nederland) is naïef geweest door haar defensie te verwaarlozen. Daarom zijn we nu een speelbal van de grote machten die zich wel op oorlog voorbereiden’. Het was ook het motto van de in 1896 opgerichtte Deutsche Waffen und Munitionsfabriken zo is te lezen op Wikipedia.

Een oude Latijnse spreuk met Antiek Atheense wortels heeft al snel iets waars. En inderdaad komt het geregeld voor dat landen (vroeger rijken) zich door een oorlog lieten verrassen. Dus voorbeelden genoeg van ‘naïeve landen’. Neem Nederland in de jaren dertig. Voorbereiden op een oorlog was niet nodig want we waren een neutraal land. Die gebrekkige voorbereiding maakte dat de Duitsers maar vijf dagen nodig hadden om de zaak onder de voet te lopen. En nu heeft bijna heel West-Europa zich laten verrassen door het Rusland van Poetin. Er is teveel ‘vredesdividend’ genoten. Dus als je vrede wilt, moet je je op oorlog voorbereiden zodat je eventuele aanvallers afschrikt. Als je de stappen rondt een oorlog beziet, voorbereiden, beginnen, winnen en de naoorlogse vrede, dan richt de Romeinse spreuk zich in de basis op die voorbereiding, die moet voorkomen dat je wordt getroffen door stap twee. Mocht je dan toch worden getroffen dan betreed je goed voorbereid het slagveld.

Als de Romeinen ergens goed in waren, dan was het om zich voor te bereiden op oorlog. Alleen leidde die voorbereidingen pas tot vrede na een oorlog. Dan werd het veroverde gebied onder de Pax Romana, de Romeinse orde gebracht. Afgezien wellicht van de Mongoolse horden onder de grote Khan Dzjengis en zijn opvolgers, heeft de wereld geen oorlogszuchtiger volk gekend dan de Romeinen. Je werd geen groot rijk omdat anderen bij je wilden horen maar door anderen te veroveren en de veroverden in slavernij af te voeren. Ik ken maar één rijk waar anderen graag bij willen horen en dat noemt zichzelf geen rijk. Een rijk waar je zelfs uit kunt treden en waar inwoners van de onderdelen daar ook hartstochtelijk voor pleiten. Dat rijk is de Europese Unie. De geschiedenis laat zien dat landen en rijken die zich voorbereiden op oorlog krijgen waarop ze zich voorbereiden en dat is oorlog. Neem de hegemoniale macht van de afgelopen dertig jaar, de VS. Dat land was en is zo machtig dat geen enkel ander land het in het hoofd zal halen er een oorlog tegen te beginnen. De VS bereiden zich nog steeds voor op oorlog en voeren die ook met grote regelmaat. Vooral tegen landen die een bedreiging vormen voor de Pax Americana. Dat maakt het twijfelachtig of de strategie om vrede na te streven door je voor te bereiden op oorlog een goede is. Je gaat immers al snel op iemands tenen staan.

Op dezelfde Wikipedia-pagina is ook te lezen dat als Napoleon een kenner van het Latijn was geweest, hij er ‘si vis bellum, para pacem’ van zou hebben gemaakt zo schreef zijn biograaf De Bourienne. Of te wel ‘als je oorlog wilt, bereid je voor op vrede.’ Nu kun je hier op twee manieren naar kijken. Als eerste als een ironische versie van het origineel: zoiets als een naïeveling die vrede wil en zich ontwapent of niet bewapent, krijgt oorlog.

Interessanter is de tweede manier: bereid je voor op de wereld na de oorlog. Die voorbereiding kent twee kanten en daarvoor weer even terug naar de stappen in een oorlog en dan vooral de derde stap. De tweede stap is niet interessant in deze. Een oorlog beginnen is makkelijk. Je valt een ander aan en je hebt oorlog. De derde stap, de oorlog winnen is wat moeilijker. Beste voorbeeld hiervan is de Eerste Wereldoorlog. Alle strijdende partijen dachten dat ze een makkelijke en snelle overwinning zouden halen. In alle betrokken landen werd afscheid genomen van de soldaten die naar het front moesten in de veronderstelling dat ze voor de Kerst weer thuis zouden zijn met de overwinning op zak. En bij die Kerst werd niet gedacht aan de Kerst 1918, maar die van 1914. Bovendien kwam niet iedereen als winnaar uit het strijdperk. Je voorbereiden op de vrede na de oorlog betekent dat je voorbereid moet zijn op winst maar ook op verlies.

Dat laatste zal zelden (ik denk zelfs nooit) gebeuren, dat staat immers gelijk aan defaitisme en daarvan wil je niet worden beschuldigd. Bovendien stond in het grootste deel van de geschiedenis vast wat er met je gebeurde als je verloor, dan werd je gebied geplunderd en werden de overlevenden in slavernij afgevoerd en als het vrouwen waren vaak ook nog verkracht. Het veroverde gebied werd eigendom van de winnaar en die gaf zijn getrouwen er delen van voor hun bewezen en in de toekomst nog te leveren diensten. Zo betaalden de overwonnenen de kosten van de oorlog. Tegenwoordig ligt dat wat gecompliceerder. Slavernij is afgeschaft en bevolkingen zijn zo talrijk dat het afvoeren naar andere delen van je gebied een lastige optie is. Waar vind je ruimte om ze te hervestigen? Dat betekent dat je je moet voorbereiden op bezetting van het gebied dat je verovert.

De recente geschiedenis laat zien dat bezetting geen stabiele situatie oplevert. Sterker nog, de verloren oorlog en het opgelegde bezettende regime leiden onder de bevolking van het overwonnen gebied al snel tot haat tegen de bezetter en/of diens vertegenwoordigers. Haat die zich uit in tegenwerking en al dan niet gewapend verzet. De Israëliërs kunnen erover meepraten en ook de ervaringen van de Amerikanen in Vietnam, Irak en Afghanistan en de Sovjets in hetzelfde Afghanistan spreken voor zich. Trouwens ook de Nederlandse koloniale ervaring laat, net als die van andere voormalige koloniale mogendheden, zien dat bezetten geen garantie is voor stabiliteit en rust.

Wie er ook wint, het winnen van de vrede na het einde van oorlog in Oekraïne zal een gigantische opgave zijn. Ik hoop dat de leiders in Rusland, maar ook in het Westen zich realiseren dat het winnen van vrede na de oorlog lastiger is dan het winnen van een oorlog. Ik hoop dat ze zich hierbij niet laten leiden door een Latijnse spreuk die teruggaat op het denken van een oude Athener en zelfs niet van de Napoleontische variatie erop. Ik hoop dat ze duurzame vrede willen en zich daar ook op voorbereiden. Oftewel: si vis pacem, para pacem.