Uitgelicht

Kruitdampen in het hoofd

  In mijn vorige Prikker schreef ik over de vergelijking tussen drugs en vuurwerk van Wouter Roorda. Ik concludeerde dat die vergelijking mank ging. Vandaag nogmaals het thema vuurwerk. Dit naar aanleiding van een bijzonder betoog van Sid Lukkassen bij TPO. Volgens Lukkassen kunnen we zonder ‘vuurwerkvrijheid’ niet bestaan. “Vuurwerkvrijheid is existentieel,” schrijft hij. Dat lijkt me bijzonder. De mensheid geeft immers millennia lang goed kunnen bestaan zonder vuurwerk. Overdrijven is een kunst en het lijkt alsof Lukkassen er meester in is. Laten we zijn betoog eens volgen.

Bron: Pixabay

Vuurwerk is existentieel om drie redenen. “Ten eerste, alles wegreguleren wat jongens en mannen leuk en spannend vinden. Ten tweede worden we een norse brompotsamenleving die geen spektakel en risico’s meer aandurft: dit komt neer op het uitdoven van de levensfelheid. Ten derde, we noemen het beestje niet bij de naam – namelijk de specifieke overlastgevende groepen waar het in de kern om draait – maar spreken in termen van een algemeen verbod. Dit is niet alleen laf en een teken van karakterzwakte: het wijst op een regelmanie waarbij de goeden onder de kwaden lijden.” 

Om met dat laatste te beginnen. Lukkassen ziet twee groepen. Aan de ene kant de ‘goede vuurwerk afsteker’ en aan de andere kant de groepen die door middel van vuurwerk overlast bezorgen. Hij lijkt een groep te vergeten en dat zijn mensen die geen vuurwerk afsteken. Dit is geen homogene groep van alleen maar ‘tegenstanders’ van  vuurwerk. Die zullen er zeker ook en misschien zelfs wel veel, bij zitten. Nee, die groep bevat ook mensen die het niets kan schelen of het al dan niet verboden is en mensen die er zelf niets aan vinden maar die anderen het plezier wel gunnen. Dit is de groep die geen vuurwerk koopt, die wel belasting betaalt voor handhaving en het opruimen van de troep en die wellicht een hogere zorgpremie moet betalen om de schade door vuurwerk te vergoeden. Een verbod op vuurwerk treft deze groep niet. Een verbod treft alleen de andere twee groepen. Om dan te concluderen dat bij een verbod de goeden onder de kwaden lijden, is nogal een bewering. Of hoort deze groep niet bij de ‘goeden’?

Volgens Lukkassen is het: “hoe dan ook idioot om ook maar te overwegen ons eigen volksfeest af te schaffen, omdat er groepen zijn die zich kennelijk niet in de hand kunnen houden en we niet in staat blijken hen te bedwingen.” Maar beste meneer Lukkassen, de viering van de jaarswisseling wordt niet afgeschaft. Dat is het feest dat er wordt gevierd, niet ‘het afsteken van vuurwerk’. Een deel van de Nederlanders ‘viert’ dit door vuurwerk af te steken en ander deel viert op een andere manier met bijvoorbeeld een oudjaarsconference, een oliebol en een glaasje champagne. Of door gezellig met familie en/of vrienden bijeen te komen. 

(V)uurwerk verbroedert alle lagen en klassen van de samenleving. In mijn jeugd was het vuurwerk een van de weinige momenten waarop de allochtone en autochtone jeugd samen optrok.” Om even terug te gaan naar mijn jeugd. In de jaren zeventig van de vorige eeuw was ‘sintermerte’ een belangrijke gebeurtenis in mijn geboortedorp Velden. Na het verstrijken van de zomervakantie, die leek vroeger ‘eeuwig’ te duren, begonnen we met het verzamelen van dode takken uit de bossen die op een hoop werden gegooid. Na verloop van tijd kwamen daar pallets bij aangeleverd door een transportbedrijf van een van de ouders. En, nu helemaal niet meer voor te stellen, autobanden. Wij waren niet de enigen. Bij iedere boerderij en in iedere buurt, bouwde de jeugd een hoop. Een hoop die dan op de 10e november werd opgestookt. Die hoop verbroederde iedereen die eraan meebouwde en zorgde voor rivaliteit tussen de verschillende groepen. ‘Onze’ hoop moet het grootste worden, het laatste worden aangestookt en liefst ook het langste branden. Sommigen gingen de strijd ‘oneerlijk’ aan door spullen bij een andere hoop weg te halen. En soms werd een rivaliserende hoop zelfs een dag eerder al in brand gezet. Dat is nu verleden tijd. De jeugd in het dorp kent de traditie niet meer. Maar ik dwaal af. Vuurwerk afsteken, en ook andere van dergelijke activiteiten, zoals sintermerte, kunnen inderdaad verbroederen. Ze ‘verbroederen’ vooral binnen eigen groepen en wakkeren rivaliteit aan met hen die daar niet bijhoren. Net zoals sport, muziek en cultuur verbroederen maar ook kunnen aanzetten tot rivaliteit. Trouwens ook criminaliteit verbroedert. Dat iets ‘verbroedert’ is geen reden om het ‘heilig’ te verklaren.

Lukkassen: “Je moet natuurlijk veilig omgaan met vuurwerk en bijvoorbeeld een vuurwerkbril dragen. Maar sluipenderwijs en in de greep van angst voor risico’s zijn we alles aan het verbieden. Totdat er niets leuks overblijft.” Is angst werkelijk een van de redenen om voor een vuurwerkverbod te pleiten? Dat iemand zijn oog kwijtraakt of een halve hand vanwege verkeerd gebruik van vuurwerk, is voor een enkeling een reden om voor een vuurwerkverbod te pleiten. De schade aan het oog, de hand, de auto of het huis van een ander is echter een veel belangrijkere reden. De schade en overlast die de groep die zelf niets met vuurwerk heeft, is het argument voor een verbod. Een, zoals ik gisteren ook al aangaf, heel liberaal argument om rechten van mensen in te perken. Al lijken de huidige ‘liberalen’ daar heel anders over te denken.  

Lukkassen haalt VVD-voorman Dijkhoff aan: “Fatsoenlijke vuurwerkliefhebbers ergeren zich ook kapot aan het tuig dat oud & nieuw elk jaar weer verpest, maar dreigen met een totaalverbod zelf gestraft te worden. Terwijl ze niets verkeerd doen. Zij vragen zich af waarom politici hun brave in Nederland gekochte sierpotten willen verbieden, terwijl net over de grens veel zwaarder spul gewoon in de winkels ligt.” Tja, die grens waarachter grotere ellende te koop is. Nu wil het geval dat de regels voor vuurwerk in onze buurlanden niet zoveel afwijken van de Nederlandse. Ook daar mag een particulier alleen f1 en f2 vuurwerk kopen en is het aan de verkoper om de leeftijd te controleren. Wat verder over de grens, via het Web, is veel meer te verkrijgen en is het toezicht afwezig of beperkt.

Vanwege dat ‘buitenland’ is een totaalverbod zinloos, zo betoogt Lukkassen en haalt CDA-kamerlid Chris van Dam aan: “Dat is niet te handhaven.” Het lijkt mij dat een totaalverbod makkelijker is te handhaven dan de huidige situatie. Nu hebben we legaal en illegaal vuurwerk. Ook zijn er tijden waarop het mag en tijden waarop niet. En, hoe toon je aan dat de ‘knal’ afkomstig was van illegaal vuurwerk? Bij een totaalverbod is immers iedere ‘knal’ of ‘pijl’ strafbaar. Dat lijkt mij stukken eenvoudiger te handhaven. 

Bron: PXhere

Nog bonter wordt het als Lukkassen VVD-burgemeester Antoinette Laan-Geselschap aanhaalt: “Dat er problemen zijn, ligt niet aan het vuurwerk, maar aan het gedrag van mensen. Een landelijk verbod is een te draconische maatregel. Het gedrag van een aantal klojo’s moet niet de maatstaf worden.” Woorden die zo afkomstig zouden kunnen zijn van Wayne LaPierre, de voormalig voorzitter van de Amerikaanse National Rifle Association: ‘geweren doden geen mensen, mensen doden mensen.’ Waarom dan niet meteen een pleidooi om alles toe te staan? Dat iemand wellicht een tankgranaat naar het Binnenhof schiet maakt toch nog niet dat de goedwillende ik niet meer in mijn M1 Abrams tank mag rijden! 

“Het is een reflex geworden om bij alles wat er misgaat de staat ter verantwoording te roepen en te pleiten voor een verbod. Dit is een zieke ontwikkeling die aantoont dat de sociale cohesie wegvalt en we er niet meer samen uitkomen: mensen ontwikkelen een afwachtende en staatsaanhankelijke basishouding.” Een wel heel bijzondere manier van redeneren. De overheid is juist het medium dat maakt dat we er samen uitkomen. De overheid is namelijk van de samenleving en is aan zet als de vrijheid van de een tegen de schade van de ander moet worden afgewogen. En de vrijheid van Lukkassen om rotjes af te steken, moet worden afgewogen tegen de overlast en de beperking van de keuze vrijheid van de tegenstander van vuurwerk. Want ja, het afsteken van vuurwerk kan de vrijheid van anderen beperken. Als mensen niet meer de straat op durven omdat ze als de dood zijn voor vuurwerk, dan beperkt Lukkassens recht om een rotje af te steken, de vrijheid van een ander. De overheid is er om juist dan de zaken tegen elkaar af te wegen.

Lukkassen vervolgt zijn betoog: “Ook de gedachte dat het volk zomaar bij kruit kan is voor de elite een beangstigende gedachte, zeker nu ze merken dat hun beleid steeds minder populair is. Mede hierom willen sommige bestuurders ervan af. Juist dit is een reden – voor wie wil dat het volk uiteindelijk de baas is in een land en niet een technocratische regentenklasse – om vóór vuurwerk te zijn.” En daar is ze weer; de tegenstelling tussen volk en elite. Alleen lijkt het alsof ‘het volk’ alleen maar bestaat uit ‘afstekers van vuurwerk’. Tegenstanders van vuurwerk behoren bij de ’elite’. Als we trouwens wat beter lezen, pleit Lukkassen dan voor het inzetten van ‘kruit’ om ‘minder populair beleid’ omver te ‘knallen’? Want zegt hij niet dat de toegang tot vuurwerk moet blijven om het volk de mogelijkheid te geven om het beleid van de ‘elite’ tegen te kunnen gaan?

Lukkassen sluit af met een advies: “als je huisdieren last hebben van vuurwerk, neem ze dan mee naar een vuurwerkvrije camping, of breng ze naar een opvang speciaal hiervoor. Ook dit is weer business voor kleine ondernemers.” Dus om u uw pleziertje te gunnen, moeten anderen extra kosten maken? En dat is volgens u niet erg want dat is ‘business voor kleine ondernemers’. Even terug naar de vrijheid van de een en de overlast voor de ander. Beste meneer Lukkassen, bent u bereid om de kosten voor die camping of die dierenopvang voor die mensen te betalen? U zult het toch vast niet erg vinden om de extra kosten die de dierenbezitters moeten maken, te vergoeden? Het is immers ‘business voor kleine ondernemers’? En dan nog vraagt u iets bijzonders van deze mensen. U vraagt hen namelijk om hun viering van het feest van de jaarwisseling aan te passen aan uw ‘vuurwerkplezier.’

Zou Lukkassen last hebben van kruitdampen in het hoofd?

Uitgelicht

De tang en het varken

Vuurwerk en het al dan niet geheel of gedeeltelijk verbieden ervan houdt de gemoederen flink bezig. De eerste twee weken van het nieuwe jaar ging er geen dag voorbij zonder dat het ‘vuurwerk’ ter sprake kwam. Volgens Wouter Roorda is de ellende met vuurwerk een uitwas van een dieper liggend probleem. “Niet alleen rond Oud en Nieuw wordt ongewenst gedrag niet gecorrigeerd, maar het hele jaar door.” Of dat het werkelijke probleem is, daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om een vergelijking die hij in zijn artikel bij Opiniez maakt tussen vuurwerk en (soft)drugs en een uithaal naar ‘politiek links’. Want dat wenst: “het gebruik van drugs te gedogen (en voor alle criminele activiteiten daaromheen de andere kant op te kijken) en vuurwerk te verbieden.” Zo die kan ‘links’ in haar zak steken. Of …?

Bron: Wikipedia

Eerst de redenering van  Roorda: “Net als met illegaal vuurwerk is de werking hiervan (van (soft)drugs) steeds sterker geworden, zodat het verschil tussen de gedoogde softdrugs en de verboden harddrugs steeds vager is geworden. Ook op de afzetkanalen van verdovende middelen hebben de autoriteiten nooit grip kunnen krijgen. Maar voor de doorsnee drugsgebruiker is het begrip bij met name linkse politici een stuk groter, al was het maar omdat de mening in die kringen wijdverbreid is dat je aan een verslaving weinig kunt doen.”

Eerst de draai om de ‘linkse oren’. De door Roorda veronderstelde (daarover later meer) inconsequentie, of  hypocrisie zoals hij het zelf noemt, in het denken van ‘linkse politici’ met betrekking tot vuurwerk en drugs. Zijn het alleen de ‘linkse politici’ die hypocriet zijn? In het politieke spectrum aan de rechterkant lopen veel politici en partijen rond die tegen een vuurwerkverbod zijn en voor het verbieden van drugsgebruik. Sterker nog. Van deze politici pleit er, op een wellicht verdwaalde eenling na, geen enkele voor een algeheel verbod op alcohol en tabak. Dit terwijl dat toch de verslavende middelen zijn die de gebruiker het meeste schade toebrengen. 

Nu het deel ‘veronderstelling’, in hypocrisie. Drugs richten zich op de gebruiker, die heeft er ‘plezier’ van. Iemand die niet gebruikt ondervindt schade nog overlast van het pilletje xtc dat een ander persoon gebruikt. Behalve natuurlijk als die persoon onder invloed een auto-ongeluk veroorzaakt. Dat is,  juist om dat te voorkomen, dan ook bij wet verboden. De afsteker van een Thunderstrike heeft zelf plezier van het afsteken. De knal die het veroorzaakt kan en wordt door een ander als (geluids)overlast ervaren. De vuurpijl die ik afschiet, kan brand veroorzaken in jou huis. Als je die Thunderstrike naar de politie of in de brievenbus van de buren gooit, dan kan dat tot flinke schade leiden. Dat krijg je met een zakje met vijf gram Rode Libanon niet voor elkaar. Gebruik van vuurwerk veroorzaakt directe overlast of schade. Drugsgebruik alleen indirect.

Wellicht dat dit de vermeende hypocrisie van Roorda verklaart waarom ‘linkse politici’ drugs anders willen behandelen dan vuurwerk. Nu is het ‘schade aan de ander’ beginsel niet iets wat  typisch links is. Het is in de basis typisch liberaal. Omdat Frank Kalshoven dat vorige week al in de Volkskrant heeft uitgelegd, ga ik daar hier niet verder op in en verwijs er slechts naar. 

Als je ver zoekt vind je altijd wel iets overeenkomstig tussen twee zaken. Zo bevatten een tang en een varken allebei ijzer. Daarnaast maken ze allebei deel uit van een spreekwoord dat uitdrukt dat iets onzin is. Vuurwerk en (soft)drugs zijn verschillende grootheden. Niet zo verschillend als de tang en het varken maar toch. De vergelijking gaat mank.

Uitgelicht

‘Feestzaal Nederland’

Volgens Constanteyn Roelofs gaat het slecht met de traditie. Bij Elsevier schrijft hij: “Over de nationale mythes hoeven we het niet eens te hebben: een systeembombardement van postmoderne ideologen heeft verklaard dat alles wat waarde, structuur en zingeving geeft racistisch, koloniaal, imperialistisch en seksistisch is.” In zijn artikel maakt Roelofs zich zorgen over die tradities maar vooral over het conservatisme. Conservatisme is: “het behouden, doorgeven en versterken van deze elementen.” Gevolg hiervan: “Nederlanders zijn eenzamer dan ooit, in toenemende mate ongeletterd en hoewel de bevolking hoger is opgeleid dan ooit leest niemand meer een boek.” En dat conservatisme hangt in de touwen. Dit terwijl het conservatieve verhaal nodig is: “het liberalisme vertelt maar het halve verhaal, namelijk dat van vrijheid en economie, maar niet van de zaken die een natie bindt.”

Jocushaan. Bron Wikipedia

Nu is er net een nieuw jaar begonnen. De dagen lengen weer en we kunnen verlangend uitkijken naar wat er komen gaat. In de Volkskrant schrijft Iñaki Oñorbe Genovesi over de stortvloed aan themadagen die het jaar 2020 ons te bieden heeft. Zo er een Internationale Herdenkingsdag van de Slachtoffers van Slavernij en de trans-Atlantische Slavenhandel. Goed dat we hier aandacht aan besteden al vraag ik me wel af waarom de trans-Atlantische slavenhandel apart wordt genoemd? Dan lijkt het alsof er slaven en slaven waren. Ik zou liever aandacht besteden aan hedendaagse slavernij. Want, ondanks dat slavernij in de hele wereld is afgeschaft, zijn er nog zo’n 21 miljoen slaven. Tenminste, dat las ik in het boek Het kwaad van Julia Shaw. Daarin las ik ook dat een slaaf tegenwoordig zo’n $ 90 kost en zijn eigenaar gemiddeld  $ 36.000 oplevert. Dan hebben we meteen ook de reden waarom slavernij nog bestaat. Naast nuttige zaken om aandacht aan te besteden zijn er ook volkomen nutteloze zaken die met een dag worden ‘gevierd’. Neem Wereld Nutelladag (5 februari) of de dag van de komkommer (1 juli). 

Bij verlangend vooruit kijken denk ik echter meer aan Vastelaovend en het Venlose Zomerparkfeest. Gebeurtenissen die een jaar kleur en vooral vaste ankerpunten geven. Je verheugt je erop. Nadeel van dat ‘verlangen’ is dat de tijd er sneller door lijkt te gaan. Twee gebeurtenissen die mij en met mij vele andere mensen ‘waarde, structuur en zingeving’ bieden. Het Zomerparkfeest sinds 1977. De Vastelaovend wordt al heel lang gevierd. Als we ‘osse Venlose Jocus’ mogen geloven werd het al 1349 gevierd. Het is dus al eeuwen oud.

Geen ‘nationale myhen’ want de feesten worden niet in het gehele land gevierd. Bovendien zou ‘nationale mythe’ geen juiste benaming zijn voor Vastelaovend omdat de ‘mythe’ ruim aan de ‘natie’ vooraf ging. Nu is dat laatste niet uitzonderlijk. Veel tradities die binnen een natie worden gevierd, zijn ouder dan de natie. Naties zijn trouwens niet de enigen die deze ‘techniek’ gebruiken. Het christendom is groot geworden door deze ‘culturele toe-eigening’ avant la lettre. Zo is de kerstboom die we nu weer het huis uit kieperen, overgenomen van de Germanen en Romeinen. “De groene boom kondigde ook de nieuwe lente aan, een tijd van bloei. Daarom zetten de Germanen tijdens de midwinternacht, de kortste dag van het jaar, een groene boom neer. Vaak in het midden van het dorp. Deze werd dan versierd met appeltjes en andere attributen, die het begin van een nieuw seizoen aanduidden.” Zo is te lezen op de site Historiek. Of neem de naamdagen van katholieke heiligen die ‘toevallig’ samenvielen met een ‘heidens feest’. Dat maakte het accepteren van het geloof wat makkelijker.

Als er iets bijzonder is aan ‘tradities’ dan zijn het wel de ontwikkelingen die ze door maken. Een traditie die zich niet aanpast, is gedoemd te verdwijnen. Neem de Vastelaovend. Die is in de basis nog steeds hetzelfde maar als er niets aan was veranderd, toegevoegd dan was uitgekomen wat in het liedje 2011 uit 1998 werd bezongen: “2011 – Ik bin de nieje prins, ik bin de ganse raod. D’n optoch bin ik ouk, en staon ik langs de straot, dan speul ik muzikant en bin ik mien publiek. Ik lach en böëk as kloon, det mak mich gans allein uniek. 2011, Vastelaovend bin ik zelf.” Het lied werd geschreven in een tijd dat de traditie werd ‘bedreigd’. De schrijver vreesde dat hij in 2011 de enige was die nog Vastelaovend viert.- Daarvan is nu geen sprake meer, de traditie heeft zich vernieuwd zonder het oude te verwerpen. Nieuwe activiteiten waarvan het lijkt alsof ze al ‘eeuwen’ worden gevierd, hebben hun plek gekregen. De muziek vernieuwde zich naar de smaak van de jeugd zonder oude helden als de vorig jaar overleden Sjraar Peetjens te vergeten. We zullen hem zondag 23 februari 2020 missen. Dan verzamelen we ons weer bij Motown om te luisteren naar, maar vooral mee te zingen (of wat daarvoor door moet gaan) met Minsekinder. 

En ja, alle verwijten: “racistisch, koloniaal, imperialistisch en seksistisch” worden ook over deze traditie uitgestort. Die begrijpen echter de kern van de Vasteloavend niet. Twee jaar geleden liep er een hele reeks ‘prinsessen’ mee in de optocht. Zij vonden het tijd worden voor een ‘prinses’ als leider van de de Venlose Vasteloavend. Dan kun je twee dingen doen. Je proberen ‘in te vechten’ om de woorden van premier Rutte aan te halen. Dan zou het kunnen dat je op weerstand stuit. De tweede optie is veel eenvoudiger. Niets weerhoudt hen ervan om een ‘prinses’ uit te roepen en zo de traditie uit te breiden en te vernieuwen. De deelname van de groep prinsessen zou hier een eerste stap in kunnen zijn. Het ‘nieuwe’ en het ‘oude’ zullen zich dan tot elkaar moeten verhouden en dat zal de traditie verrijken.

Het Zomerparkfeest laat zien dat “de xtc-festivals van de D66-liberalen van nu,” uit kunnen groeien tot veel meer dan dat. Het is een evenement van verbroedering en ‘samen’. De hele zaak draait op vrijwilligers en laat zien wat je door samen te werken kunt bereiken. Begonnen als een klein feestje in de Heutszstraat. Ja ook in Venlo is een straat vernoemd naar Heutsz. Het feest verhuisde al snel naar het Julianapark alwaar wat ‘obscure’ bandjes ‘herrie’ maakten op een oplegger. De woorden ‘obscuur’ en ‘herrie’ werden gebezigd door het overgrote deel van de ‘Venlonaere’. Die moesten in de beginjaren niets hebben van dat feest voor ‘hanenkammen’ en ‘losgeslagen’ jeugdigen. Inmiddels is het niet meer weg te denken en zal het park vanaf 13 augustus 2020 weer vier dagen volstromen en zal ‘jong en oud’ genieten van muziek, dans, theater, literatuur, film en natuurlijk een hapje en een drankje. Maar vooral genieten van elkaar omdat we elkaar weer zullen ontmoeten. Ik verheug me al op de zondag onder die grote boom aan die tafel met vrienden. In die veertig jaar heeft het Zomerparkfeest zich ontwikkeld tot een ‘traditie’ die Venlo (ver)bindt. Van een ‘xtc-festival van D66-liberalen’ naar iets van en voor iedereen.

Zomerparkfeest 2016. Eigen foto

Tradities beginnen ergens en ontwikkelen zich of ze worden vergeten. Ze behouden dat wat goed wordt gevonden, hun kern, want die vervult een behoefte. Ze passen hun ‘uiterlijk vertoon’ aan aan de tijd. Doen ze dat niet dan verworden ze tot een anachronisme. Dan verdwijnen ze en worden ze vervangen door iets nieuws wat de achterliggende behoefte vervult. Met tradities die verdwijnen hoeven we geen medelijden te hebben. Nu zijn het Zomerparkfeest en ook Vastelaovend tradities die mensen binden, maar niet alle mensen. Lang niet alle ‘Venlonaere’ hebben iets met deze ‘tradities’. 

Terug naar Roelofs. Hij mist ‘zaken die de natie binden’. Hij lijkt het ‘bindmiddel’ van een natie in het verleden en in ‘gedeelde tradities’ te zoeken. In een gezamenlijke geschiedenis en het ‘samen’ dezelfde feestjes op steeds dezelfde manier vieren. Nu zijn naties van zeer recente datum. De meeste zijn nog geen tweehonderd jaar oud. Als je hun verhalen hoort, lijken ze echter al eeuwen oud. Alles wat er ooit op het grondgebied is gebeurd, zeker als dat groots is of positief, wordt al snel tot de ‘geschiedenis’ van de natie gerekend. Zo maakt het ‘VOC-gebeuren’ een belangrijk deel uit van de geschiedenis van Nederland. Dit terwijl de VOC al was opgeheven voordat Nederland als huidige natie ontstond. Die verhalen en erbij horende ‘rituelen’ zijn bedoeld om mensen te binden en liefst nog ‘trots’ te laten zijn op de natie. En ja, die verhalen staan onder druk. Tegenover die positieve verhalen worden negatieve verhalen verteld. Heutsz, van die straat waar het eerste Zomerparkfeest werd gehouden, werd van held een volkerenmoordenaar. Iets soortgelijks als Coen overkwam. Een ‘natie’ baseren op dergelijke verhalen, maakt haar kwetsbaar en ‘uitsluitend’ en is dat niet wat er nu gebeurt? Door te hameren op de ‘leidende joods-christelijke’ cultuur worden mensen buiten gesloten. Mensen die hier al lang wonen, deel uitmaken van de samenleving en ook niet meer weg willen. Bovendien wordt daarbij vergeten dat de grootste vervolgers van de joden christelijke wortels hadden.

Een paar Prikkers geleden schreef ik over identiteit. Ik haalde daar de filosoof Kwame Anthony Appiah aan. Appiah adviseerde landen om een ‘productieve identiteit’ te formuleren. Een identiteit die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.” Een ‘nationaal bindend verhaal’ dat niet is gebaseerd op ‘duizend jaar geschiedenis’ en ‘tradities’ maar op waarden. Appiah noemde er een: “Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.” Een waarde die rechtstreeks uit onze Grondwet (artikel 6) komt. En laat er daarin nog een paar meer staan. In Nederland is iedereen gelijk (artikel 1), komt iedereen in aanmerking voor een publieke functie (artikel 3), heb je stemrecht om volksvertegenwoordigers te kiezen (artikel 4)), mag iedereen vrij zijn mening uiten (artikel 7), mag je je eigen ‘clubje’ beginnen (artikel 8) en kijken we naar elkaar om (artkel 20). Zouden dit niet betere aanknopingspunten zijn om een ‘natie te binden’? Betere aanknopingspunten dan een geïdealiseerd en geromantiseerd verleden en een feestje als ‘koningsdag’, een feestje zonder verdere inhoudt. Zijn deze waarden niet eigenlijk de kern van de ‘traditie Nederland’? Onder deze waarden kan iedereen zijn ‘naaldboom’ het huis in slepen om iets te vieren. Kerstmis, chanoeka, het suikerfeest en de Venlose Vastelaovend, het kan allemaal in ‘ons land’. Net zoals het ook kan dat je je tot geen van die ‘feesten’ verhoudt. Nederland als een ‘feestzaal’, die iedereen de ruimte biedt om ‘zijn eigen feestje’ te vieren.  Maar wel verwacht dat iedereen zijn eigen ‘slingers’ ophangt.

Uitgelicht

‘It doesn’t make it alright’

Je moet je doodschamen, gast.” Met die zin eindigt een ‘briefje’ van Jan Dijkgraaf bij TPO aan Arjen Lubach. Waarvoor moet Lubach zich schamen? Daarvoor moeten we naar de uitzending van Lubach op Zondag van 20 oktober 2019. Lubach behandelde de ‘stikstofcrisis’. Op een eenvoudige manier maakt hij duidelijk wat het probleem is. Wat hij vooral duidelijk maakt, is de bijzondere houding van politieke partijen en politici die eerst instemden met alle regels, vervolgens de boeren paaiden door die belachelijk te noemen en de schuld van die crisis bij anderen in de schoenen te schuiven en geen alternatieve oplossingen hebben.

In Lubachs item speelt boer Arjen Schuiling een rolletje. Schuiling sprak tijdens het Groningse protest de woorden: “Hier wordt niemand opgepakt, niemand. En anders halen we die gewoon weer uit de cel. En als er dan een trekker door de pui daar moet, dan doen we het. Wij bepalen vandaag wat er gebeurt, niet de overheid, niet het O.M. Wij bepalen nu het beleid, niet de overheid.” Lubach gebruikte deze uitspraak, naast allerlei andere voorbeelden van ‘humor’ zoals doodskisten met namen van politici erop, om te laten zien dat er bij de protesterende boeren ook wat ‘rare vogels’ rondliepen. Dat Lubach het fragment met Schuilings uitspraak gebruikt, is tegen het zere been van Jan Dijkgraaf.

“Viel het jou ook op dat hij op dat moment wat emotioneel was?” Vraagt Dijkgraaf aan Lubach? Nu waren er wel meer emotionele boeren dus dat was niet zo bijzonder. Toch was hier iets bijzonders aan de hand en dat had het ‘forse redactieteam’ van Lubach moeten en kunnen weten als ze de rest van het interview met Schuiling helemaal hadden bekeken. In dat interview vertelde: “de geëmotioneerde akkerbouwer en paardenpensionhouder (…) dat zijn vader zich acht jaar geleden juist die dag ophing vanwege het toen ook al gekmakende landbouwbeleid. En dat hij wat later bij het Groningse protest aansloot, omdat hij eerst een bloemetje op zijn vaders graf ging leggen.” Een tragedie voor Schuiling en zijn familie en begrijpelijk dat hij daar geëmotioneerd van raakt. Tussen emotioneel zijn en oproepen tot geweld (een trekker door de pui) en het uitroepen van een  ‘boerendictatuur’ uitroepen, want dat is wat Schuiling doet, zit echter een wereld van verschil.

In je emotie doe je soms dingen die niet zo handig zijn. Dat weet iedereen. Het is de vraag of het handig is om je in je emotie te laten interviewen. Dat is een afweging die Schuiling zelf moet maken. Wat zou Dijkgraaf zeggen als de persoon uit de toeterende bruiloftstoet, die in Rotterdam een agent neersloeg, zich verontschuldigde met ‘het is mijn lieveling nichtje en vandaag vijftien jaar geleden overleed mijn tante waarnaar ze is vernoemd’? Dat rechtvaardigt geen geweld. Die emotionele toestand vergoelijkt de uitspraken niet. Net zoals een zelfmoord van je vader het oproepen tot geweld en ‘revolutie’ niet rechtvaardigt.

Of om The Specials te citeren: “Some people think they’re really clever. To smash your head against the wall. Then they say “you got it my way.” They really think they know it all. It doesn’t make it alright. It doesn’t make it alright. It’s the worst excuse in the world. And it, it doesn’t make it alright.”  Als je trouwens meer van punk houdt, de Noord- Ierse band Stiff Little Fingers heeft het nummer ook op hun repertoire staan.

Uitgelicht

Vrijheid door regels

“Als we kijken naar de samenstelling van de Nederlandse wet- en regelgeving dan kan men ook niet anders dan concluderen dat minimaal de helft kan worden geschrapt. Een sanering van de Rijksoverheid en haar ambtenarij met ten minste 50% zou een zegen voor het land zijn.” Zo die zit! Moet Teunis Dokter hebben gedacht toen hij deze regels schreef in zijn korte artikeltje bij De Dagelijkse Standaard. Nu is Dokter niet de eerste die roept dat ‘de helft’ van de regels en overheid overbodig zijn. Ronald Reagan riep het ook al. En dan vaak ook gevolgd door woorden gelijk aan die van Dokter dat: “de economie gestimuleerd (wordt) en (…) mensen de vrijheid  zullen krijgen die ze ook verdienen.” Een paar vragen en opmerkingen bij dergelijke oproepen.

Bron: Wikipedia

Als eerste de vraag, welke regels behoren tot die overbodige? Omdat de roep van Dokter al zo oud is en deregulering al jaren overheidsbeleid is, zou ondertussen toch al wel duidelijk moeten zijn welke regels overbodig zijn. Dat die duidelijkheid er naar al die jaren nog niet is, zou dat kunnen betekenen dat er toch veel minder overbodige regels zijn dan Dokter suggereert? Dokter zal best veel regels kunnen aanwijzen die hij overbodig vindt. Zijn betoog lezend, denkt hij vooral aan milieuwetten. Alleen vinden anderen die regels juist belangrijk en dringen ze aan op naleving. Dat is precies wat Urgenda heeft gedaan. Dat is ook wat die, zoals Dokter ze noemt, “schimmige juristenkartels” hebben gedaan met de ‘stikstofregels’. Ze hebben aangedrongen op naleving van wetgeving.

Waarom investeren bedrijven graag in het volgens Dokter, ‘over gereguleerde’ Nederland en Duitsland maar niet in Congo, Liberia of Eritrea? In zijn boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme schrijft de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang hierover: “regulering die de vrijheid van individuele bedrijven beperkt, het collectieve belang van het hele bedrijfsleven kan dienen, om nog maar te zwijgen van de natie als geheel. … Veel regulering helpt gemeenschappelijke hulpbronnen beschermen die alle bedrijven delen, terwijl andere het bedrijfsleven helpen door bedrijven te dwingen dingen te doen die op den duur hun productiviteit verhogen.”

‘En China dan?’ Kun je tegen werpen. Chang: “De Chinese economie werd de afgelopen drie decennia van snelle groei op soortgelijke wijze zwaar gereguleerd. Daarentegen hadden veel ontwikkelingslanden in Latijns-Amerika en Afrika bezuiden de Sahara in deze drie decennia hun economieën gedereguleerd in de hoop dat dit de zakelijke activiteiten zou stimuleren en hun groei zou versnellen. Maar op raadselachtige wijze groeiden zij trager dan in de voorafgaande twee decennia, toen werd aangenomen dat ze belemmerd werden door excessieve regulering.” De ‘soortgelijke wijze’ waar Chang het over heeft, verwijst naar Zuid-Korea, Taiwan en Japan die China voorgingen.

Dan de vrijheid van de individuele mens. Zou het voor een individu niet precies hetzelfde zijn als voor een bedrijf? Zijn de regels die de vrijheid van het individu beperken niet juist bedoeld om het collectieve belang van de hele samenleving te dienen? Verplicht rechts rijden beperkt het individu maar dient het belang van de samenleving en daarmee ook het belang van het individu. Immers als iedereen voor zich zelf bepaalde op welke manier wordt gereden dan stond het verkeer voornamelijk stil. 

Als laatste een vraag? Waarom willen zovelen van elders naar hier komen? Zo graag dat ze het risico op dood door verdrinking en slavernij in Libië voor lief nemen?  Waarom komen ze liever naar hier dan dat ze hun geluk beproeven in Saoedie Arabië of Koeweit? Landen met een hoger bruto nationaal product dan Nederland. Als het om de welvaart zou gaan, dan zouden de deuren van die Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten worden platgelopen door migranten. Of zou dat een gevolg zijn van die ‘ veel te veel’ regels die onze vrijheid ‘belemmeren’?

Natuurlijk moeten wetten en regels iets toevoegen, moeten ze zo eenduidig mogelijk te handhaven zijn. Daar zal iedereen het mee eens zijn. Zou het echter niet kunnen dat regulering hand in hand gaat met vrijheid en (economische) ontwikkeling?

Let’s talk about money, money …

Geld. Wie het heeft uitgevonden daar zullen er nooit achter komen. Dat maakt ook niet uit. Wat we er in ieder geval over kunnen zeggen is dat het op vertrouwen is gebaseerd en dat het meerdere functies vervult. 

Zo is het een middel dat het ruilen van goederen vergemakkelijkt. Door geld te gebruiken wordt het voor mij makkelijk om een broek of schoenen te verkrijgen. Zonder geld zou ik in gesprek moeten met de kleer- of schoenmaker en moeten uitvinden of zij een ‘beleidsadvies’ kunnen gebruiken, want dat is het product waarin ik in mijn werkzame leven handel. Nu is de kans klein dat zij behoefte hebben aan zo’n advies. Dat zou het voor mij heel omslachtig maken om een broek of schoenen te verkrijgen. Geld maakt dat makkelijk, het maakt ‘uitgesteld’ ruilen mogelijk. De schoen- of kleermaker ruilt het paar schoenen of de broek tegen geld en van dat geld kunnen zij op het moment dat zij dat willen iets anders verkrijgen. Dan ruilen zij bijvoorbeeld het geld tegen een brood bij de bakker. Bijkomend voordeel hierbij is dat geld ook een rekenmiddel is. Dat voorkomt dat de schoen- of kleermaker bij de bakker moet onderhandelen hoeveel broden een broek of en paar schoenen waard zijn. 

Romeinse munten. Bron: Pixabay

Eeuwenlang bestond geld uit materialen (goud en zilver) die als waardevol werden gezien. Een munt bevatte een bepaalde hoeveelheid van het materiaal en daardoor kon je er overal mee betalen. Zo kon er bijvoorbeeld in het oude India worden betaald met munten uit het Romeinse Rijk. Die hoeveelheid edelmetaal gaf vertrouwen. Tegenwoordig bestaat geld uit vrij waardeloze materialen. Het papier waarop dollars en euros worden gedrukt is veel minder waard dan het bedrag dat erop staat. Toch accepteren we het. We accepteren het zolang we het vertrouwen hebben dat het zijn waarde behoudt of in ieder geval slechts zeer langzaam verliest. Dat wordt anders als ik voor mijn euro morgen nog maar voor een halve euro boodschappen kan doen. Als dat gebeurt dan zal ik vragen om iets wat wel waarde behoudt. Dan vraag ik om goud, zilver of geld uit een ander land dat wel ‘waarde vast’ is. 

Nu hebben we voor grote delen van Europa een en dezelfde munt, de euro. Dat was vroeger wel anders. Als je in de beurs van een laat Middeleeuwse koopman keek, dan trof je diverse soorten munten aan. Veel steden sloegen hun eigen munt maar omdat die munt die hoeveelheid goud of zilver bezat, kon je er toch overal mee betalen. Het kwam geregeld voor dat de hoeveelheid goud of zilver naar beneden werd bijgesteld. Dan zat je met twee munten die er hetzelfde uitzagen (bijvoorbeeld dezelfde ‘koning’ erop) maar die toch verschilden in waarde. Dan maakt die ene euro voor veel landen het betalen een stuk makkelijker. 

Toch wordt aan dat gemak getornd en dan bedoel ik niet door mensen als Baudet die willen dat Nederland de euro verlaat en weer een eigen munt invoert. Nee, het tornen komt van een geheel andere kant. Van de kant van cryptomunten. Digitale munten uitgegeven door …, ja door wie eigenlijk. Nou bijvoorbeeld door Facebook. Dat bedrijf maakte bekend dat het vanaf 2020 een eigen cryptomunt uitbrengt, de libra. Al is uitbrengen een vreemd woord voor iets wat je niet vast kunt pakken. Nu zijn we er tegenwoordig al aan gewend dat je geld niet meer vastpakt. Het meeste geld is immers giraal en bestaat alleen op papier of eigenlijk als ‘nullen en enen’ in een computerbestand. Alleen kan ik die ‘nullen en enen’ uit de muur trekken in de vorm van een briefje van twintig euro.

Een goede ontwikkeling? Een late Middeleeuwer zal, afgezien van het digitale aspect ervan, niet vreemd opkijken dat een machthebber, zoals Facebook, een eigen munt gaat uitgeven. Dat is hij immers gewend.  En, in tegenstelling tot in zijn tijd, zal het omrekenen van de ene naar de andere munt makkelijk zijn. Dat zal zijn ‘mobieltje’ voor hem doen. Alleen zal die  late Middeleeuwer nog ergens van opkijken. Hij zal opkijken van een andere functie van geld. Hij zal ‘betoverd’ staan te kijken hoe geld zich tegenwoordig magisch lijkt te vermenigvuldigen. Geld verdienen met geld, dat is nieuw voor hem. Voor hem was geldlenen en uitlenen een zonde. Een goed christen mocht zich daar niet aan bezondigen. Voor een lening moest je bij niet-christenen zijn en dan vooral bij joden want ook in de islam ligt rente in rekening brengen lastig.

  Met dat nieuwe zijn we aangekomen bij het scheppen van geld. Vroeger was dat voorbehouden aan de centrale bank van een land. Die bepaalde hoeveel geld er in omloop was. Daar kwamen later de normale banken bij. Die creëren snel geld door mij bijvoorbeeld een hypotheek of een lening te verstrekken. Tegenwoordig  scheppen ook gewone bedrijven zoals autoproducenten maar ook de Wehkamp, op diezelfde manier geld. Gevolg hiervan is aan de ene kant dat de hoeveelheid geld enorm is toegenomen en aan de andere kant dat de schuldenberg gigantische proporties heeft aangenomen. 

Daar zijn de afgelopen tien jaar de ‘cryptomunten’ bijgekomen en nu start Facebook met haar eigen munt, de libra. En, als dat een beetje loopt dan volgen vast nog andere bedrijven. Ik begon ermee dat geld is gebaseerd op vertrouwen. Dat vertrouwen in de oude munten zat in het erin verwerkte  goud of zilver. Bij ons huidige geld biedt de overheid dat vertrouwen. Moet ik bij de libra vertrouwen op Facebook? Wat als het slecht gaat met het bedrijf, zelfs zo slecht dat het failliet gaat? Dan zullen de bezitters hun libra omruilen in goud, zilver, euros of dollars. Trouwens hoe kom ik aan een libra? Moet ik die niet kopen met mijn zuur verdiende euros? Euros die Facebook, maar vooral Zuckerberg en de andere aandeelhouders, dan alvast in bezit hebben. Die hebben zo toch maar weer mooi een manier gevonden om zich ten koste van de Jan Modaal en Jo Sixpack te verrijken.

Bron: Flickr

Een bijzondere naam trouwens libra. Die suggereert iets van vrij zijn van vrijheid. Welke vrijheid die ik nu niet heb, biedt die libra mij? De enige die er ‘vrijheid’ bij krijgen in de vorm van euros en dollars zijn Zuckerberg en zijn aandeelhoudersvrienden.

Bezetten en/in vrijheid

“(V)reemd om de Russen de rol van ‘bevrijders’ toe te dichten. Want eerlijk is eerlijk: dat waren ze helemaal niet. De Russen heetten toen het Rode Leger en waren gewoon een veroveringstroepenmacht, die in naam van de Sovjet-Unie het nazisme kwamen vervangen door het marxisme-leninisme.” Deze woorden schrijft Tim Engelbart Bij DDS in een reactie op een tweet van Thierry Baudet. Baudet vroeg in een tweet aandacht voor de rol die de Russen hebben gespeeld bij het bevrijden van Europa van het juk van Nazi-Duitsland en dat was tegen het zere been van Engelbart. Niet om het voor Baudet op te nemen, maar er mankeert toch wel iets aan de redenering van Engelbart.

Mariniers van het Rode Leger steken de Wolga over bij Stalingrad.
Bron: Wikipedia

Volgens Engelbart, kun je pas van bevrijding spreken als ‘vrijheid’ regeert en dat was na de komst van de Rode Legers in Oost-Europa niet het geval. Dit terwijl we met D-Day en alle andere herdenkingen die volgen de bevrijding van de nazi-Duitse bezetting herdenken.

Hoewel ze inderdaad niet in Normandië aan land gingen, hebben de Russen een enorme bijdrage geleverd aan de bevrijden van Europa van het nazi-Duitse juk. Sterker nog, zonder de Russische bijdrage zou naar alle waarschijnlijkheid geen D-Day zijn geweest. Zoals iedereen kan nazoeken, bond het Rode Leger het gros van de Duitse legers. Zonder die binding zou de landing op de Franse stranden waarschijnlijk niet eens zijn overwogen. Sterker nog, het waren vooral de Russen die aandrongen op het openen van een westelijk front. Dit ter ontlasting van de Russische troepen. Als je het zo bekijkt, dan hebben de Russen flink bijgedragen aan het verdrijven van het nazi juk in Nederland. 

Zonder er fysiek bij te zijn, waren de Russen er toch bij. Eigenlijk precies omgekeerd aan de situatie tot die tijd. Tot D-Day waren de Westerse geallieerden fysiek vrij afwezig op het belangrijkste slagveld. Ja, ze vochten succesvol tegen Rommel in de’ Afrikaanse periferie’ gevolgd door een landing op de Italiaanse laars. Lastig voor de nazi’s maar niet onoverkomelijk. Om vanuit Italië werkelijk de rest van Europa te bevrijden dat zou toch bijzonder lastig zijn.

Het Rode Leger dat tegen de Duitsers vocht, een ‘veroveringstroepenmacht’ noemen is nogal cru. Die ‘verovering’ startte immers voor de poorten van Leningrad (voor de jongeren onder ons, die stad heet nu Sint Petersburg), Moskou en Stalingrad (nu Wolgograd). Steden die diep in Russisch grondgebied liggen. Het Rode Leger vocht daar tegen het nazi-Duitse veroverings- en bezettingsleger. Dat leger werd eerst van het eigen Sovjetgrondgebied verjaagd en om te voorkomen dat het terug zou komen, werd het achterna gezeten totdat het zich in Berlijn eindelijk gewonnen gaf.

Pas toen het Rode Leger zich na het verslaan van de Duitsers niet terugtrok, werd het een ‘bezettingsleger’. Nu is het ‘niet terugtrekken’ uit het gebied van een verslagen vijand heel gebruikelijk in de geschiedenis van de mensheid. Sterker nog, eeuwenlang was oorlog dé manier om je gebied en dus je aanzien te vergroten. Vervolgens zet je er wat handlangers op de ‘troon’ die namen jou de zaak in het gareel houden. Trouwens, als we de zaak in West-Europa van een ‘afstandje’ bekijken, dan zou je dat op eenzelfde manier kunnen beoordelen. De bezettende machten legerden troepen op Duits grondgebied en trouwens ook op het Nederlandse. Vervolgens worden er ‘marionettenregimes’ geïnstalleerd die de zaak in het gareel houden. En, in tegenstelling tot dat ‘Rode Leger’, zijn die Amerikaanse troepen er nog steeds.