Uitgelicht

Goden, profeten, heiligen en mensen

Het zal jullie niet ontgaan zijn dat er een petitie is gehouden om het beledigen van profeten strafbaar te stellen. Die petitie is meer dan 120.000 keer ondertekend en speelde een belangrijke rol in een volledig ontspoort Kamerdebat over de vrijheid van meningsuiting. Dat Kamerdebat ging over van alles, behalve over de inhoud van de petitie. Over de commotie wil ik het niet hebben. Ook niet over het grondwettelijke: “recht verzoekschriften bij het bevoegd gezag in te dienen,” zoals artikel 5 van de Grondwet het omschrijft. Ik wil het over de inhoud hebben.

Psychics, Crystal Ball, Waarzegster, New Age, Rondje
Bron: Pixabay

Het recht om een verzoek in te dienen heeft iedereen, dus ook een oproep aan de overheid om: “het beledigen van de profeet (zelfs alle profeten) strafbaar te stellen.” Dit omdat het, volgens de opstellers en ondertekenaars van de petitie: “een tekort aan fatsoen (is) en leidt ook nog eens tot maatschappelijke spanningen alsook het structureel beledigen van moslims.” Het fatsoen en het beledigen van mensen in het algemeen, laat ik passeren. Het gaat mij puur om het verzoek om het: “beledigen van de profeet (zelfs alle profeten) strafbaar te stellen.”

Een discussie over het strafbaar stellen van beledigen van de profeet moet gaan over de vraag wat we strafbaar stellen als de petitie in een wet wordt vertaald. Wat mag dan niet meer? In dit geval dus het beledigen van ‘de profeet (zelfs alle profeten). Voordat we een antwoord geven op die vraag, moet eerst duidelijk zijn wie of wat een profeet is. Aangezien we in Nederland wonen en leven, is het eerste boek dat we hiervoor moeten raadplegen, het woordenboek. De Van Dale geeft twee betekenissen. Als eerste: “een door God geïnspireerd heilig man.” Nu lopen er veel door welke god dan ook geïnspireerde mensen rond. Het lijkt mij niet dat we alle aanbidders van welke god dan ook niet meer mogen beledigen.

Het kernwoord in deze betekenis is ‘heilig’. Daarom maar weer de Van Dale geraadpleegd. Vier betekenissen. Het wordt er daarmee niet makkelijker op. Dat is niet erg want als de geschiedenis ons iets leert dan is het dat we mensen met ‘simpele oplossingen’ moeten wantrouwen. De eerste betekenis van heilig is: “zonder zonde; rein, volmaakt.” Wie is er zonder zonde? Niemand als ik de twee gereformeerde docenten mag geloven waarover ik in mijn vorige Prikker schreef want iedereen is: “op de één of andere manier van Gods doel afgeweken.” Immers wat gods doel is, wordt door de aanhangers ervan zelden tot nooit eenduidig uitgelegd. Daarom kennen de grote godsdiensten ook zoveel verschillende stromingen.

Wellicht biedt de tweede betekenis van heilig aanknopingspunten: “eerbiedwaardig, verheven.” Nu zijn er zeer veel mensen die op een of andere manier boven anderen uitsteken. Zo steekt Usain Bolt boven iedereen uit omdat hij de snelste mens over honderd meter is. Alleen weten we dat niet zeker, want vroegere hardlopers, liepen niet onder dezelfde omstandigheden en met dezelfde materialen als Bolt. Bovendien konden we het gros van het menselijk bestaan op aarde de tijd niet meten en zeker niet zo nauwkeurig als tegenwoordig. Dus we weten niet zeker dat er niet ergens iemand heeft geleefd die sneller was dan Bolt. Napoleon stak boven alle andere veldheren uit. Tenminste in zijn tijd. Hoe hij het zou hebben gedaan tegen Dzjengis Khan, Caesar of Alexander de Grote zullen we nooit weten. Verheven zijn is daarmee arbitrair. Net zoals trouwens ‘eerbiedwaardig’. Want over wie eerbied waard is, kunnen we enorm van mening verschillen.

De derde betekenis van heilig is “heilig verklaard”.  Met daarbij “rooms-katholiek” en als toelichting: “als paus een uitspraak doen waardoor iemand in het vervolg als heilig wordt vereerd.” Als we deze verklaring volgen dan bepaalt de paus in Rome wie er heilig is en dus wie we niet mogen beledigen. Nu heeft de katholieke kerk een verleden waarin mensen die in iets anders geloofden, werden vervolgd en gedood. Daarmee zou ik het laten bepalen wie mag worden beledigd niet graag bij de paus laten.

Als laatste geeft de Van Dale: “onkreukbaar, onverbreekbaar,” als betekenis van heilig. Onze wereld kent veel rechtschapen en integere mensen, want dat is wat onkreukbaar betekent. Al zullen ook die allemaal wel eens een moment van zwakte hebben en, zoals de beide gereformeerde docenten uit mijn vorige Prikker het schreven, ‘van gods doel afwijken.’

Daarmee zijn de betekenissen van ‘heilig’ uitgeput en zijn we nog geen stap dichter bij het bepalen van wie een profeet is. Niet dichterbij omdat iedereen en niemand profeet kan zijn. Wellicht biedt de tweede betekenis van profeet betere aanknopingspunten: “iemand die de toekomst voorspeld.” Ah, Nostradamus en Karl Marx zijn profeten. De een voorspelt met zijn kwatrijnen, als je zijn aanhangers moet geloven, de toekomst. De andere ‘ontdekte’ de wetmatigheid in de geschiedenis die ons zal leiden naar een paradijs op aarde. Maar hoe zit het dan met economen en andere sociale wetenschappers die met hun modellen de toekomst voorspellen? En nog een stapje verder: de ‘glazenbollen voorspellers’ op kermissen en in de nachtelijke tv-uren?

Ook met de tweede betekenis van ‘profeet’ komen we niet verder. Die betekenis maakt het er ook niet makkelijker op om te bepalen welke profeten dan tegen belediging moeten worden beschermd door een wet. Als het niet lukt in het algemene, dan maar het bijzondere? De indieners van de petitie hebben één profeet in het bijzonder op het oog, ze spreken immers niet voor niets van ‘de profeet’. Nu is het vreemd om alleen die profeet te vrijwaren van beledigingen en niet profeten van andere religies. Dus iedere religie mag één profeet aandragen? Dat wordt dan een heel lange lijst. Want wie bepaalt wat een religie is en wie mag vervolgens bepalen wie die ene profeet is die namens die religie op de lijst moet? Bovendien word je te pas en te onpas toegeroepen dat je in jezelf moet geloven. Ik zal mezelf er dan ook maar meteen voor aanmelden. Als ‘diep gelovige in mezelf’, zie ik mezelf als een ‘belangrijk profeet’ voor mezelf. Nee, mezelf aanmelden lijkt mij geen goed idee. Ik ga mezelf niet ‘heilig’ verklaren.

In het verlengde daarvan wordt het onmogelijk om een wet aan te nemen die ‘profeten’ beschermt tegen belediging. Immers over tot de ‘profeten’ gerekend moeten worden, kun je hele (vooral heilige, al kan ik dat woord slecht plaatsen in dit kader) oorlogen voeren. Ik weet niet of we daarbij gebaat zijn. Ik vraag me trouwens af waarom fervente aanhangers van welk ‘almachtig opperwezen’ met bijbehorende profeten dan ook, bescherming zoeken bij de wetgever? Als dat opperwezen werkelijk almachtig is, zou dat dan niet voor de eigen belangen kunnen opkomen? Zou dat opperwezen bescherming nodig hebben van de aardse wetgevers en van aardse ‘rechtvaardigheidsridders’ die in naam van dat ‘opperwezen’ straffen? Sterker nog, als er werkelijk zo’n ‘almachtig opperwezen is’ zou dat dan niet ook de ‘beledigers’ die niet geloven aan een touwtje hebben? Zouden de ‘beledigende niet gelovigen’ geen middel kunnen van het almachtige opperwezen? Een middel om de kracht en het geloof van de gelovigen te testen. Om te testen of ze de barmhartige uitgangspunten van het geloof ook toepassen op ongelovigen?

Uitgelicht

God en vrijheid

 Ja. Dat is het korte en simpele antwoord op de vraag die G. van Veldhuizen en A. Heemskerk aan het eind van hun artikel in Trouw stellen. De auteurs zijn docenten in het voortgezet onderwijs en werken op een school met een reformatorische grondslag. De vraag waarop ja het antwoord is, luidt: “Als wij God en Zijn Waarheid maar mogen houden.” Jullie mogen ‘God en zijn Waarheid’ houden. Net zoals iedere andere persoon het recht op een eigen god met bijbehorende waarheid, of alleen een eigen waarheid mag hebben en houden. Ik vraag me af of de beide auteurs vinden dat mensen ook zonder god hun waarheid mogen hebben. Het lijkt erop alsof zij god boven de wet plaatsen. En vervolgens de wet vanuit hun god uitleggen.

God, De Heer, Oorlog, Harmonie, Verschijning
Bron: Pixabay

Ze schrijven: “Godsdienst is God dienen. Hem op de eerste plaats zetten.” Tot zo ver niets bijzonders. Iemand zonder god hoeft god niet op de eerste plaats te zetten. Dat wordt het als ze hun betoog vervolgen en van het individuele naar het algemene gaan: “Het spreken over ‘vrijheid van godsdienst’ kan alleen binnen die context.” Beweren de beide auteurs dat spreken over godsdienstvrijheid alleen kan door god te dienen en hem op de eerste plaats te zetten? Betekent dit dat iemand die geen god aanhangt geen godsdienstvrijheid heeft? Dat is wel een heel bijzondere uitleg van godsdienstvrijheid.

Nu is het eigen aan gelovigen dat ze de wet van hun god het allerbelangrijkste vinden: die moeten ze volgen. In een land waar iedereen dezelfde god aanhangt en dat ‘aanhangen’ ook op eenzelfde manier doet, kan ‘godswet’ ook de ‘landswet’ zijn. Dat wordt alleen heel erg lastig in een land als Nederland waar mensen wonen die verschillende goden aanhangen en een heel grote groep zelfs geen god aanhangt. Trouwens niet alleen worden er verschillen goden aangehangen. Ook de aanhangers van eenzelfde god, hangen die op verschillende manieren aan. Als in zo’n land ieder de regels van zijn eigen god volgt, dan wordt het een puinhoop.

Onze grondwet bepaalt in artikel 6 in het eerste lid de godsdienstvrijheid: “Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” En in tegenstelling tot de dienst aan god, bepaalt dit artikel de context van de godsdienstvrijheid. Het artikel bepaalt dat iedereen zijn eigen god mag dienen maar dan wel binnen de door de overheid gestelde wetten. God, en vooral zijn aanhangers in dit land, hebben zich aan de wet te houden. Of zoals het in de toelichting op dit artikel staat: Het artikel staat toe dat de wetgever bepaalde ontoelaatbare gedragingen, ook indien die een uiting zijn van godsdienstig of levensbeschouwelijk belijden, strafbaar stelt.” Wat ontoelaatbare gedragingen zijn, bepaalt de wetgever, niet god of zijn vertegenwoordigers op deze aardkloot. Haat zaaiende en tot geweld oproepende dominees, pastoors, rabbijnen en imams kunnen worden aangepakt en kunnen zich niet verschuilen achter hun god.

“Als wij vrijheid van godsdienst hebben, mogen individuele ouders kiezen voor een school waar hun overtuiging vrij uitgedragen wordt. Nederland is geen dictatuur van de meerderheid.” Zo vervolgen ze hun betoog. Inderdaad is Nederland geen dictatuur van de meerderheid. Trouwens ook niet van de minderheid. En ja, ouders mogen zelf een school voor hun kind kiezen waar hun overtuigingen uitgedragen worden. Ik laat hier bewust één woord weg dat de beide auteurs wel gebruiken, namelijk het woord ‘vrij’. Overtuigingen mogen, zo zagen we hierboven, worden uitgedragen binnen de grenzen van de wet. Die wet begrenst het ‘vrij uitdragen’ van geloofsovertuigingen.

En dan komen we bij de aanleiding voor hun artikel: “Onze scholen zijn in het nieuws gekomen omdat homoseksualiteit daar afgewezen zou worden. Daar wordt veel omheen gedraaid, maar laten we maar even duidelijk zijn: dat klopt en dat wist iedereen allang.” Volgens de beide auteurs is dit geen discriminatie: “Wij wijzen namelijk nooit één enkele groep af, wij wijzen steeds weer zowel onszelf als ook alle anderen af, omdat we allemaal op de één of andere manier van Gods doel afgeweken zijn.” En daarom zien ze: “geen andere mogelijkheid dan om homoseksualiteit af te wijzen op grond van de Bijbel, maar op grond van datzelfde Woord wijzen we evenzogoed een kerkgang af die alleen maar vanuit gewoonte is, omdat die dan geen liefdedienst is.” Een bijzonder redenering: we discrimineren niet als we homo’s afwijzen omdat we iedereen afwijzen inclusief onszelf. Alsof er niet een verschil is tussen iets wat een keuze is, kerkgang uit gewoonte, en iets wat geen keuze is, homoseksualiteit. Dat de gereformeerde god homoseksualiteit afwijst en dat de beide auteurs dat ook doen, staat hen vrij. Dat zijn hun persoonlijke opvattingen. En een dominee mag dat zelfs vanaf de kansel prediken.

Dit afwijzen wordt echter een probleem als het op scholen wordt onderwezen in andere dan de godsdienstlessen. Het wordt dus een probleem als schoolbesturen dit afwijzen. Het staat scholen niet vrij te onderwijzen wat zij willen. En artikel 23 van de grondwet dan, dat regelt toch de vrijheid van onderwijs? Hoor ik al mensen roepen. Dat artikel wordt inderdaad gekoppeld aan de ‘vrijheid van onderwijs’. Dat is echter iets anders dan de ‘vrijheid om te onderwijzen wat je wilt’. Die vrijheid is er niet. Het eerste lid van dit artikel luidt niet voor niets: “Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.” In het tweede lid wordt die ‘zorg’ nader toegelicht: “Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.” Deze zorg betreft alle scholen. Openbare scholen moeten hierbij ‘ieders godsdienst of levensovertuiging eerbiedigen’ en bijzondere scholen, zoals de gereformeerde school van de beide auteurs, moeten voldoen aan ‘eisen van deugdelijkheid’. En die eisen worden door de wetgever bepaald. Als de wetgever bepaalt dat mensen afwijzen op basis van seksuele geaardheid niet mag, dan mogen scholen dat ook niet. Dan moeten zelfs de beide auteurs die homoseksualiteit afwijzen, onderwijzen dat het afwijzen van iemand op basis van zijn geaardheid niet mag.

Uitgelicht

Kerkgebouw en godsdienstvrijheid

 Op de site van de NOS las ik het bericht dat er in verschillende kerken in het land meer dan dertig mensen aanwezig waren. Soms wel meer dan 200. “Wij willen ons aan Gods woord houden om de onderlinge bijeenkomsten niet na te laten,” aldus een bestuurder van een kerk en vervolgt:“ Wij hebben zo’n grote kerk. Met tweehonderd man erin heb je bijna een verrekijker nodig om elkaar te zien.” Kerken beroepen zich hierbij op de vrijheid van godsdienst. Hierbij krijgen ze bijval van onze regering. Dat de overheid zich niet mag bemoeien met jouw godsbeleving, staat buiten kijf. Een niveau hoger mag de overheid zich niet bemoeien met de leer van een godsdienst en met de benoeming of aanwijzing van voorgangers. Of dit zich ook uitstrekt tot hoeveel mensen er in een kerkgebouw mogen, waag ik ernstig te betwijfelen.

File:Kerk - Venlo - 20241198 - RCE.jpg - Wikimedia Commons
Joriskerk Venlo. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed via WikimediaCommons

Ik ben geen rechtsgeleerde en ook geen specialist Grondwet. Dus wellicht kan een specialist op dit gebied, mij aanvullen, corrigeren of verklaren dat ik grote onzin verkondig. De maatregel om maar dertig man in een gesloten ruimte toe te laten ter bestrijding van het coronavirus, bemoeit zich niet met de inhoud van de godsdienst. Ze bemoeit zich alleen met het gebruik van het gebouw. En laat dat nu iets zijn waar een overheid zich al mee bemoeit. Tot medio 2010 moest iedereen die een gebouw wil (gaan) gebruiken waarin mensen komen, een gebruiksvergunning hebben. In die vergunning werd geregeld hoe het gebouw gebruikt mocht worden, wat er wel en niet mocht en hoeveel mensen erin mochten. Nu is deze vergunning onderdeel geworden van een omgevingsvergunning. Ook kerken ontkomen hier niet aan. Hoeveel mensen mogen erin en hoe zit het met vluchtroutes? Voor de bouw van een nieuwe kerk of moskee moet je ook een omgevingsvergunning aanvragen.

Als VVV-gelovige zou ik de kerkbestuurder na kunnen zeggen dat ‘wij onderlinge bijeenkomsten niet willen nalaten om de voetbalgoden te eren’. Waarna een voetbalhater Karl Marx kan parafraseren maar de geest van diens uitspraak wel in ere houdend kan zeggen: voetbal is opium voor het volk. Mijn voetbalclubje VVV heeft voor haar activiteiten ook zo’n vergunning om haar wedstrijden te kunnen spelen in stadion De Koel. In die vergunning staan vast ook hoeveel bezoekers en maximaal in het stadion mogen. Alleen heeft de club er nu niets aan omdat gebruik, zoals in die vergunning is opgenomen, nu niet mag. Er mag wel gevoetbald worden, maar ik en met mij alle andere fans mogen er niet bij zijn. Het ‘gebruik’ van De Koel is tijdelijk niet mogelijk zoals het in die vergunning is opgenomen. Zo kan ook het ‘gebruik’ van een kerk tijdelijk worden aangepast. Er wordt een dienst gehouden waarbij nog dertig mensen mogen zijn. De vrijheid van godsdienst wordt hierdoor niet aangetast. Het enige wat wordt beperkt is het gebruik van het gebouw.

Dit handhaven hoeft geen probleem te zijn. Daarvoor hoeft de kerk niet te worden betreden. Daarvoor hoeft alleen maar te worden gecontroleerd hoeveel mensen er naar binnen of naar buiten gaan. Zijn dat er meer dan dertig, dan wordt de uitbater van het gebouw, het kerkbestuur, beboet. Dit is geen boete op het uitoefen van een religie maar op het overtreden van de regels voor gebruik van het gebouw. Bij herhaaldelijke overtreding, kan het gebouw voor bezoekers worden gesloten. Let wel voor bezoekers, de pastoor of dominee kan er nog steeds een dienst in verzorgen. Een dienst die via een livestream kan worden uitgezonden.

Uitgelicht

Democratie en tegendemocratie

Democratie is, zoals we in de vorige Prikker hebben gezien, een complexe en lastige manier van besturen en ordenen. In die vorige Prikker besprak ik vijf spanningen die, volgens Pierre Rosanvallon, inherent zijn aan een democratie. Hoe kunnen we hiermee omgaan? Ook in deze Prikker staat het werk van Rosanvallon centraal en dan vooral de Spinozelezing uit 2012.

“Het lijkt mij sterk dat een burgerberaad de vijf door Rosanvallon benoemde punten oplost.” Met die woorden eindigde ik mijn vorige Prikker. Dit naar aanleiding van een pleidooi van Jelmer Mommers en Eva Rovers in de Volkskrant voor het in het leven roepen van een  burgerberaad over de klimaatmaatregelen en mijn twijfel of het door hen voorgestelde burgerberaad een verrijking is van onze democratie. Die vijf spanningen zijn de twee verschillende kwaliteiten (nabijheid en geschiktheid) van een volksvertegenwoordiger. Als tweede de twee verschillende definities van het begrip ‘volk’. Als derde de asymmetrie tussen de twee functies (aan de ene kant het legitimeren van bestuurders en aan de andere kant het beschermen van de bestuurden) van de democratie. Als vierde dat we democratie plaats en tijd gebonden moeten zien en als laatste is een democratie meer dan een politiek stelsel, het is ook een burgeractiviteit.

Eigen foto

Deze vijf punten maken, zo betoogt Rosanvallon dat: “de democratie (…) structureel problematisch en derhalve structureel onvoltooid is.” Waarschijnlijk is dit ook wat de Britse staatsman Winston Churchill bedoelde toen hij zei dat: “Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.” Om met dat structureel problematische en onvoltooide om te kunnen gaan wordt er vooral gezocht naar ‘vereenvoudiging’ of zoals Rosanvallon het schrijft naar: “Pathologiën (die) kunnen begrepen worden als reducerende vormen van de complexiteit, van polarisatie of het vergeten van de structurele spanningen van haar verschillende figuren.” Rosanvallon ziet hierbij aan de ene kant versimpelingen: “van de vertegenwoordiging, berustend op een zogenaamde versimpeling van de relatie macht/samenleving.” Versimpelingen die: “het handelen van de macht de adequate uitdrukking van de algemene wil maken … die het kamp dat als winnaar uit de stembus tevoorschijn komt gelijkstellen aan de stem van het volk; waan voorstellingen van één volk.” Deze versimpelingen kunnen in milde en extreme vorm (“Alleenheerschappij, populisme, totalitarisme”) voorkomen. Aan de andere kant ziet hij versimpelingen zoals: “De reductie van de democratie tot verkiezingen, de reductie tot haar liberale dimensie of de reductie tot haar institutionele definitie.”

Het is menselijk om een complex en zeer moeilijk te omvatten probleem te versimpelen en terug te brengen tot behapbare brokken. Het terugbrengen van democratie tot ‘verkiezing’ of ‘referendum’ maakt het eenvoudig. Net zoals een beperking van ‘het volk’ tot de winnaar van de verkiezingen een versimpeling is. Zeker als die winnaar, zoals in Nederland de afgelopen decennia het geval is, nooit meer dan dertig procent van de stemmen kreeg. En sterker, de winnaar (grootste partij) ook wel tot de verliezers (minder zetels dan na de vorige verkiezingen) kan behoren. ‘Versimpeling’ is volgens Rosanvallon niet de manier. Volgens hem moet we: “De democratie compliceren om haar te voltooien.”

“Als het volk in de democratie structureel nergens te vinden is, hoe dan de structurele crisis van de vertegenwoordiging te boven te komen die eruit voortvloeit en onze gevoelens van in de steek gelaten zijn aanwakkert, die de ontgoocheling en het wantrouwen tegenover de instituties voeden?” Deze vraag stelt hij zich op het eerste gebied dat hij verder wil compliceren, het gebied van dat belangrijke begrip dat op meerdere manieren gedefinieerd wordt. Hij ziet vijf dimensies van het volk. Als eerste het ‘rekenkundige volk’, dat bezit : “een beslissende, zowel sociale als procedurele consistentie.” Immers: “We kunnen eindeloos discussiëren over de definitie van het algemeen belang, over wat de beste politiek is om op dit of dat gebied te voeren, maar het feit dat 51 meer is dan 49 maakt een einde aan alle discussies.” “Maar het volk manifesteert zich ook als een historische constructie,” en daarmee zijn we bij de tweede dimensie van het volk. De principes van deze dimensie zijn vooral vastgelegd in de grondwet: “Dit volk/principe laten leven betekent dus een juridisch volk laten leven, en niet slechts een electoraal of rekenkundig volk. Vandaar de rechtvaardiging van de superioriteit van de constitutionele orde boven de orde van de kortstondige meerderheid.” Als we in onze huidige wereld om ons heen kijken dan zien we dat op verschillende plekken wordt getornd aan de superioriteit van de constitutionele orde. De extreme politisering van de benoeming van rechters in de Verenigde Staten en de politisering van de rechtspraak in Polen zijn hiervan voorbeelden. Een derde dimensie van het begrip ‘volk’ is: “de figuur van de verwachtingen, ontgoochelingen, betwistingen of beproevingen van het gemeenschappelijke leven, dat op een gegeven moment over een stuk uit het collectieve leven vertelt of het tot uitdrukking brengt.” Dit volk bestaat volgens, Rosanvallon: “ofwel via instituties die handelen leiden – bijvoorbeeld syndicaten -, ofwel via zijn directie manifestatie in de revolutionaire momenten die verlengd worden door het verhaal dat ze vergezelt.” De vierde dimensie: “is het volk bestaande uit ‘willekeurige individuen’.” Dit volk drukt zich uit: “via peilingen of van het toeval afhangende uitingen, waarderingsmechanismes van de een of ander.” De laatste dimensie is: “het volk zowel als belofte als herinnering, het volk als bouwer van een toekomstige geschiedenis en als erfgenaam van een traditie.” Dit volk wordt vertegenwoordig door: “de kunst, de literatuur, de sociale wetenschappen, de onderzoeken en allerlei getuigenissen.” Daarmee is de vraag waarmee deze alinea begon nog niet beantwoord. Dat antwoord begint met het accepteren van de complexheid: “We moeten het volk dus begrijpen als een structureel onbepaald object, maar een waarvan de bepaling benaderd kan worden door vergroting van de erkenning van zijn verschillende vormen.” Accepteren want: “in deze vermeerdering ontstaat het leven, en niet simpelweg in het zoeken naar een enkel principe dat alle mogelijkheden ervan uitputtend zou bevatten. ‘Het volk’ spreekt zich op zeer veel verschillende manier uit. Zeer veel verschillende manieren, met veel verschillende stemmen en veel verschillende inhouden. Daar moet ruimte voor zijn, dat moeten we koesteren en niet versimpelen.  

Een tweede vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op het gebied van de soevereiniteit. Hij wil: “van de idee van directe volkssoevereiniteit over (…) stappen op de idee van een complexe soevereiniteit. De complexe soevereiniteit bestaat in het gelijktijdig vormgeven van de verschillende manieren waarop ze uitgeoefend wordt, namelijk de benoeming of de keuze, de beslissing, de controle en het toezicht, de evaluatie en het oordeel.” Op dit punt komt hij met het begrip ‘tegendemocratie’. ‘Tegendemocratie’ dat hij in de inleiding van zijn boek La contre-démocratie als volgt omschrijft: “Deze tegendemocratie is niet het tegendeel van de democratie; zij is eerder de vorm van de democratie die de andere als een steunboog versterkt, de democratie van de in het sociale lichaam verstrooide indirecte machten, de permanente democratie van het wantrouwen tegenover de wisselende democratie van de electorale legitimering. Deze democratie vormt op die manier één geheel met de wettige democratische instituties.” De media, onderzoekcollectieven, wetenschappers, vakbonden, actiegroepen enzovoorts die elk vanuit hun belang en interesse controleren, toezicht houden en evalueren. Die naar de rechter stappen om iets af te dwingen zoals Urgenda. Die aandacht vragen voor groot en klein recht en onrecht. De luizen in de pels van bestuurders en politici maken deel uit van deze voor de democratie onmisbare tegendemocratie. Tegendemocratie als: “institutionalisering van het begrip ‘wantrouwen’. Die complexheid moeten we koesteren, niet versimpelen. Zij houden ons scherp zorgen ervoor dat het volk in al zijn verschillende dimensies uit de vorige alinea, zich kan uitspreken.

Een derde vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op de scheiding der machten. Die is nog steeds gebaseerd op de Montesquieu en zijn drie te onderscheiden machten: de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht. Volgens Rosanvallon is die driedeling niet meer steekhoudend voor onze huidige tijd. Rosanvallon: “In alle moderne samenlevingen wordt het begrip ‘macht’ voortaan steeds in het enkelvoud opgevat. Er is overal maar een werkelijke sturende macht: de uitvoerende macht. Aan deze komen alle initiatieven en wezenlijke beslissingen toe.” Als we naar de Nederlandse praktijk kijken, dan zien we dit ook. We hebben een wetgevende macht, de Tweede Kamer, maar hoeveel initiatieven van wet komen er vanuit die kamer en halen de eindstreep? De overgrote meerderheid van alle wetten en voorstellen daartoe worden opgesteld door de regering, de uitvoerende macht. Zelfs de begroting, een belangrijk ‘machtsinstrument’ van het parlement, wordt opgesteld door de regering waarna het parlement nog wat in de marge kan schuiven. De uitvoerende macht bindt de wetgevend al bij de kabinetsformatie omdat de coalitiepartijen zich binden aan een regeerakkoord en daarmee alle wezenlijke discussie beslechten waarna de kamer het kan ‘afstempelen’. Volgens Rosanvallon bestaat ook de derde, de rechterlijke, macht: “als zodanig allang niet meer… Omdat zijn rol voortaan uitsluitend de contentieuze jurisdictie is.”  Rosanvallon concludeert: “De term ‘scheiding der machten’ volgens de oude driedeling is dus niet meer gegrond.” Toch is het: “noodzakelijker dan ooit om in te gaan tegen de voortdurende neiging van de (uitvoerende)macht in het algemeen om zich zonder tegenwicht uit te oefenen en zich op te werpen als enige legitieme macht.” Het complexe evenwicht van drie machten is versimpeld tot een dominante (uitvoerende) macht. Dit moet, zo betoogt hij, weer complexer en dat kan op verschillende manieren. Als eerste: “moeten we de uitdrukkingsvormen van de algemene wil vermeerderen. De huidige politieke macht ontleent haar legitimiteit aan verkiezingen. Daarbij worden twee verschillende dimensies vermengt: ‘een rechtvaardigheidsprincipe en een beslissingstechniek.” Een beslissingstechnische uitspraak (51 -49) valt niet automatisch samen: “met het idee van een legitimering die naar een grotere maatschappelijke consensus verwijst.” Voor dit laatste zijn andere instituties nodig. Instituties: “die vereenzelvigd worden met de principes van onpartijdigheid (de onafhankelijke autoriteit, het recht) en reflexiviteit (de constitutionele gerechtshoven die het volk/principe in de tijdsduur uitdrukken). Als democratisch geldt dan een stelsel dat die drie samenwerkende en complementaire uitdrukkingsvormen van de algemene wil in zich verenigd.”  Hierbij spelen handelen (regering) en controle (oppositie) een onderscheidende rol waarbij met name de positie van ‘controle’ versterkt moet worden. Compliceren betekent niet verzwakken maar: “voortdurend dwingen uitleg te geven, rekenschap af te leggen, te evalueren en te controleren. Compliceren betekent ook afscheid nemen van de idee van simpele en directe democratie. De belangen van de macht en de samenleving zijn op de volgende manier met elkaar verbonden: om sterk te zijn zal een macht voortaan democratischer moeten zijn.”

Een vierde vlak waarop we de complexiteit moeten aanvaarden betreft wat Rosanvallon noemt de ‘verschillende figuren van de democratie’: “Want er zijn vier complementaire definities van democratie: zij is een burgeractiviteit, een politiek stelsel, een samenlevingsvorm en een politieke kwaliteit. Als burgeractiviteit impliceert zij het openbare debat en: “Ze vereist ook de organisatie van onafhankelijkheid van de macht, publiek, toezicht, kritiek, de uitdrukking van burgers in al haar vormen.” Als politiek stelsel is zij: “een verzameling van procedures en instituties.” Ook is zij de manier waarop het gemeenschappelijke wordt ingericht, de democratie als samenlevingsvorm. Als politieke kwaliteit definieert zij de handelswijzen en het gedrag.

‘De democratie compliceren om haar te voltooien, dat is wat Rosanvallon wil. Als we haar al ooit kunnen voltooien want, zoals hij betoogt (zie de vorige Prikker) is één van de zaken die democratie complex maken dat we haar moeten zien in ‘tijd’ en ‘ruimte’ en de tijd schrijdt voort en de democratische ruimte kan veranderen. En daarmee hebben we Rosanvallons laatste complicering van de democratie te pakken.

Nu terug naar het burgerberaad, de aanleiding voor deze en de twee voorgaande Prikkers. Met het ‘burgerberaad’ willen de initiatiefnemers komen tot ‘gedragen voorstellen’ en zo de ‘kloof’ tussen mensen dichten. Ik hoop in deze en de twee eraan voorafgaande Prikkers te hebben aangetoond dat we blij moeten zijn met die kloof. Die kloof is namelijk een wezenlijk kenmerk van onze en iedere democratie. Die kloof laat namelijk zien dat we de vrijheid en de mogelijkheden hebben om van elkaar te verschillen. Om anders over zaken te denken. Om het niet eens te zijn met besluiten en daar tegen te blijven ageren. Ageren om de ‘macht’ scherp te houden, om uitleg te vragen. Ageren door te evalueren en te onderzoeken. Ik, de Ballonnendoorprikker, benader iedere poging om die kloof te dichten met wantrouwen. Wantrouwen omdat het dichten van die kloof eerder tot minder dan tot meer democratie leidt. Omdat de kans groot is dat het uitloopt op: “all those other forms that have been tried from time to time,” waar Churchill over sprak.

Uitgelicht

Eenoog of vijftien pakken koekjes

“Je hoeft voorlopig geen koekjes meer mee te nemen. Er liggen nog vijftien pakken in de kast.” Dit krijg ik soms te horen. Nee, niet altijd over koekjes, het onderwerp kan variëren. Ik krijg dat te horen omdat ik in ons huishouden meestal de wekelijkse boodschappen doe. Hiervoor maak ik nooit lijstjes, ik neem iedere week ongeveer hetzelfde mee. Alleen bijzondere zaken staan op een lijstje. Nou ja lijstje, een foto van ons memobord waarop we die zaken, zoals afwasmiddel of koffie, schrijven. Ik moest hieraan denken toen ik de kop van een advertentie las die in de Volkskrant voorbij kwam: ‘Kinderen zullen niet eens weten dat Internet of Things bestaat’. Met een op het internet aangesloten voorraadkast, zou dat nooit gebeuren.

Eigen foto

‘Internet of Things’ met hoofdletters geschreven om het nog belangrijker te maken. Wikipedia geeft de volgende omschrijving: “Het internet der dingen (Engels: Internet of Things (IoT)) refereert aan de situatie dat door mensen bediende computers (desktops, laptops, tablets, smartphones) in de minderheid zullen zijn op het internet. De meerderheid van de internetgebruikers zal in deze visie bestaan uit semi-intelligente apparaten, zogenaamde embedded systems. Alledaagse voorwerpen worden hierdoor een entiteit op het internet, die kunnen communiceren met personen en met andere objecten, en die op grond hiervan autonome beslissingen kunnen nemen.”  De promotors van het Internet of Things laten het woord semi voor intelligent weg en verengelsen het tot ‘smart’. Een ‘smart’ voorraad- en koelkast die samen het boodschappenlijstje maken en het naar mij zenden, dat zou handig zijn. Of nog een stap verder. Die het lijstje naar de supermarkt, slager en bakker stuurt die de boodschappen dan thuis komen bezorgen. Of niet?

Dat ‘thuisbezorgen’ zou me tijd schelen. Tijd waarin ik een Prikker kan schrijven. Nu is tijd vinden om een Prikker te schrijven niet zo’n probleem. Als het idee er is, volgt de tijd vanzelf. Bij dat thuisbezorgen zou ik het contact en de gesprekken met winkelmedewerkers missen. De leuke gesprekken met de medewerkers bij Scharrelslagerij Hamans of met de medewerkers van Bakkerij Rutten. En ook de gesprekjes met de andere klanten. Gesprekjes die ervoor zorgen dat ik ‘weet wat er binnen de ‘stam’ leeft’ om een citaat van Yuval Noah Harari dat ik in een recente Prikker gebruikte, te parafraseren. Gesprekjes die trouwens ook soms stof leveren om over te schrijven. Als ik de plus van de tijdwinst afzet tegen deze sociale winst, dan kies ik voor de sociale winst. Wat dat betreft ben ik het met ‘oma Muriel’ uit de serie Years and Years eens, waarover ik in de vorige Prikker schreef, dat ‘wij verantwoordelijk zijn voor de wereld die we bouwen.’

Dan het lijstje maar naar mezelf sturen zodat alles er is en er geen ‘vijftien pakken koekjes’ meer in de kast liggen? Dat zou enige meerwaarde kunnen hebben. Al vraag ik me wel af of die ‘vijftien pakken koekjes’ opwegen tegen een apparaat dat gegevens over ons huishouden verzamelt en waarvan ik niet weet met wie die gegevens allemaal gedeeld worden. Ik weet niet of ik erop zit te wachten dat de fabrikant van de koelkast en de maker van de erin verwerkte hard- en software te weten komt welke zaken ik eet en drink en deze vervolgens doorverkopen aan anderen. Nee, dan liever eens per maand een boodschap dat er nog ‘vijftien ….’ liggen en dat ik die voorlopig niet meer mee hoef te nemen.

Zo zit ik ook niet te wachten op andere ‘smart’ apparaten die mij ‘adviseren’ en ondertussen mijn leven volgen en delen met bedrijven en overheden. Een ‘smart’ wc-pot die je grote en kleine boodschap analyseert en je in een vroegtijdig stadium meldt dat je iets mankeert, klinkt geweldig en kan levens redden. Toch zie ik ervan af omdat ik niet weet wie die gegevens nog meer krijgt. En al wist ik het, dan weet ik nog niet of ik alles wil weten. Ik weet niet of ik nog rustig op het toilet zou zitten als er een kans is dat je kleine of grote boodschap wordt gevolgd door een minder prettige boodschap. Nee, een ‘smart home’, ja ook de woorden achter ‘smart’ worden bij voorkeur verengelst, waarin allerlei apparaten verbonden zijn met internet en ik van afstand kan inloggen op het beveiligingssysteem, de temperatuur kan regelen en alvast de wasmachine kan aanzetten, is niets voor mij. Of sterker nog, een huis dat dit allemaal al zelf doet, is aan mij niet besteed. Liever een slim mens in een dom huis dan een dom mens in een slim huis.

Nu zijn het niet alleen dingen en huizen die ‘smart’ moeten worden. Ook hele steden willen ‘smart cities’ worden. Weer verengelst al kan ik me voorstellen dat het Nederlands hier, zeker als het wordt afgekort, verkeerde beelden oproept. ‘Smart cities’ die technologie gebruiken om het verkeer goed te laten doorstromen, aan ‘crowd control’ doen, de afvalinzameling verbeteren om zomaar een paar voorbeelden te noemen. Om, het in beleidstermen te formuleren ‘de stad en de dienstverlening duurzamer en efficiënter’ in te richten. De technologie die hiervoor wordt gebruikt is dezelfde die in China wordt gebruikt: camera’s, data, locatiegegevens van mobiele telefoons. De Chinese versie wordt vaak aangeduid met de Orwell term Big Brother. Nu laat de corona-pandemie zien dat efficiënt in crisistijd niet even efficiënt is. Als burger van Nederland en inwoner van Venlo zit ik niet te wachten op ‘smart Venlo’, veel liever zie ik dat ‘smarte’ Venlonaren hun ding doen.

Nu word je op school bij het vak economie geleerd dat vraag van de consument aanbod creëert. Als we dit op het Internet of Things toepassen: welke consument heeft om dit aanbod gevraagd? Wie heeft er om het ‘Internet of Things’ gevraagd? Als die er niet zijn, waarom wordt het ‘aanbod’ dan toch uitgerold? Misschien ben ik de enige die niet om dat ‘Internet of Things’ vraagt. Al lijkt me dat sterk. Om terug te grijpen op de kop van de advertentie, het is geen pré dat ‘onze kinderen niet zullen weten dat het bestaat’. En het zijn niet alleen ‘onze kinderen’ die het niet zullen weten, het gros van ‘ons’ weet ook niet dat het bestaat en wat het inhoudt en betekent.

‘In het land der blinden is eenoog koning’ aldus een bekend spreekwoord. Al die ‘smart’ zaken, dat hele ‘Internet of Things’ maakt enkelen (de bedrijven en op andere plekken de overheid) eenoog. Eenoog omdat ze ook niet weten hoe het werkelijk uit gaat pakken. Wij, de eenvoudige inwoner/consument zijn de ‘blinden’ omdat we helemaal niet weten hoe het werkt en wie er wat mee kan. Dat is precies wat de advertentietekst zegt. Kiezend tussen ‘eenoog’ en ‘vijftien pakken koekjes’, kies ik voor het laatste. Het laatste en een flinke investering in kennis om te voorkomen dat het ‘huis’ slimmer wordt dan haar ‘bewoners’.

Over vrijheid en vrije markten

“Dat daarbij de economie en de vrije samenleving gebukt gaan onder een knoet die bepaalt wat goede en wat foute ondernemers zijn,” en dat: “nemen de cabaretiers, de schrijvers en de rest van de ondertekenaars op de koop toe.” De laatste zinnen van een column van Roderick Veelo bij RTL Z. Een ‘staatsknoet’ die bepaalt wat de goede en foute ondernemers zijn. Dat klinkt ‘communistisch’. Een politbureau dat bepaalt wat goed en fout is. Dat moeten we niet willen. Toch?

Veelo reageert op de oproep van een grote groep mensen in de Volkskrant Een oproep om alleen bedrijven te steunen als ze aan drie eisen voldoen. Ze moeten: “de afgelopen tien jaar (sinds de vorige crisis) in binnen- en buitenland hun aandeel hebben bijgedragen als het gaat om het betalen van belastingen.” Als tweede moeten de bedrijven blijk geven van: “sociale rechtvaardigheid, richten zich op langetermijnduurzame economische groei en begrijpen dat ze daarvoor de belangen van alle stakeholders moeten dienen.” Als laatste: “De producten en diensten van het bedrijf dragen in toenemende mate bij aan een veilige en duurzame toekomst.” Heel sympathieke eisen alleen, zo betoogt Veelo, moeten we dat niet willen. Dat beperkt onze economie en vrije samenleving. Die, en dus de vrije markt, moet bepalen wat goed en fout is. 

Bij uitspraken zoals die van Veelo moet ik altijd denken aan het boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme van de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang. Een boek waarin Chang de economische wetenschap voor een leek begrijpbaar beschrijft. Want economie is, zo schrijft Chang: “…voor 95 procent gezond verstand dat ingewikkeld gemaakt is, en zelfs voor de resterende 5 procent geldt dat de essentie van de redenering , zo niet alle technische details, in eenvoudige termen kan worden uitgelegd.” En vervolgens voegt Chang de daad bij het woord en legt aan de hand van 23 populaire opvattingen uit hoe het zit. Zo ook de vrije markt.

Dat is het eerste ‘ding’ dat Chang behandelt in een hoofdstuk met als titel De vrije markt bestaat niet. En met die titel wordt al een heel ander licht geworpen op de brief van de groep en Veelo’s reactie. Chang: “De vrije markt bestaat niet. Elke markt kent wel regels en grenzen die de keuzevrijheid beperken. Een markt lijkt alleen maar vrij doordat we de beperkingen die eraan ten grondslag liggen zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Zo is slavernij verboden. Dat vinden we nu niet meer dan logisch. Eeuwenlang lag dat echter anders en was slavernij een onderdeel van het leven. Hetzelfde geldt voor kinderarbeid. Ook dat was heel gewoon totdat de overheid er paal en perk aan stelde. De wetgeving rond arbeidstijden en arbeidsomstandigheden, ook die beperkt de ‘economie en de vrije samenleving’. Net zoals wetgeving rond ruimtelijke ordening en milieu. Net zoals de wetgeving ter bescherming van de consument en het contractrecht.

Allemaal beperkingen van de ‘economie en vrije samenleving’ die we, om met Chang te spreken: “zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Als dat op deze punten kan, waarom dan niet ook op andere punten, zoals de drie ‘eisen’ van de ‘Volkskrant-groep’? 

De ‘vrije samenleving’ beperken, gebeurt niet alleen op het economische vlak. Op vele terreinen wordt onze vrijheid beperkt. Zo beperken de verkeersregels onze vrijheid. Iets wat recentelijk door de VVD groot werd uitgevent toen de maximum snelheid werd verlaagd van 130 naar 100. Nee onze ‘vrije samenleving’ kent veel wettelijke beperkingen om haar leefbaar te houden. Die beperkingen zijn nodig om te voorkomen dat mijn vrijheid jou ellende wordt of andersom. Of zoals John Stuart Mill het in zijn boek Over vrijheid formuleerde: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.” Zonder die ‘knoet’ die bepaalt wat goed en fout is’, zou het leven ‘eenzaam, arm, onaangenaam, bruut en kort’ zijn om Thomas Hobbes aan te halen.

Corona en de Wilde Weldoeners

Ook in deze corona-tijd zijn ze er weer. De filantropische miljardairs die geld geven voor de zoektocht naar een geneesmiddel, een vaccin of voor medische hulpmiddelen voor ziekenhuizen. Neem Melissa en Bill Gates die via hun foundation $100 miljoen geven. “The organization will immediately direct $20 million to groups including the US Centers for Disease Control and Prevention and the World Health Organization, which last week declared the coronavirus outbreak a global public health emergency.” En zo ontvangen verschillende landen verspreid over de wereld geld. Menigeen zal denken ‘wat goed van die Gatesjes’. Laten we dat eens wat nader bekijken. Dat nader bekijken doe ik aan de hand van het boek Doing Good Better. A Radical New Way to Make a Difference van William Macaskill. Sommige lezers zal het deels bekend voorkomen en dat kan. Ik schreef al eerder over Macaskills boek. Dit is een lang artikel maar de moeite van het lezen waard. Al zal iedere schrijver dat over zijn werk zeggen.

Macaskill geeft een leidraad voor een altruïstisch leven. Een leven waarbij je zoveel mogelijk probeert andere mensen te helpen. Zoveel mogelijk voor andere mensen te doen. Hij biedt een interessante manier om naar hulp te kijken. Een manier die hij aan de hand van voorbeelden toelicht. Centraal in het boek staan de vragen, hoe kan ik zoveel mogelijk effect bereiken voor het geld wat ik inzet? En hoe kan ik mijn leven en carrière zo inrichten dat die het meeste effect hebben?

In de eerste helft van het boek gaat hij in op de vraag hoe je het meeste effect voor je geld krijgt. Deze vraag valt uiteen in vijf deelvragen. Als eerste hoeveel mensen profiteren ervan en hoe groot is het profijt? Bij het beantwoorden ervan staat het begrip QALY centraal: Quality-Adjusted Life-Year. Mijn goede daad kan ervoor zorgen dat iemand langer leeft, maar het kan ook dat de kwaliteit van zijn leven verbetert. Deze maatstaf combineert beiden. Stel er is een persoon die, als we niets doen, 60 jaar leeft met een tevredenheid van 70%. En nu kan ik iets voor hem betekenen en dat kan op twee manieren. Als mijn actie ervoor zorgt dat iemand 10 jaar langer leeft, ook met 70% tevredenheid, dan voegt mijn daad 7 QALY’s toe (10 jaar x 70%). Als mijn actie ervoor zorgt dat de kwaliteit van leven van 70% naar 90% gaat in de 60 jaar dat hij leeft, dan voegt die daad 12 QALY’s toe (60 jaar x 20%). Ik zou dan voor het laatste moeten kiezen, omdat mijn daad dan het meeste resultaat oplevert.

De tweede deelvraag luidt: is dit het meest effectieve wat ik kan doen? Er zijn vele manieren om te helpen. Macaskill pleit ervoor om die manier te kiezen die het meeste QALY’s per geïnvesteerde euro oplevert. Als ik €10.000 te besteden heb en ik kan daarvoor 2.000 malarianetten distribueren die per 1.000 netten één persoon het leven redden en die persoon leeft gemiddeld 30 jaar langer met 80% tevredenheid, dan voegt die actie 2.000 : 1000 = 2 en vervolgens 2 x 30 x 80% = 48 QALY’s toe. Dat is €10.000 : 48 = €208 per QALY. Als ik voor dat bedrag één AIDS patiënt van medicijnen kan voorzien waardoor de kwaliteit van dat leven gedurende de 40 jaar die hij nog leeft toeneemt met 25%, dan voegt die actie 40 x 25% = 10 QALY’s toe. Dat is €10.000 : 10= €1.000 per QALY. Ik zou dus netten moeten kopen.

Als derde de vraag of het terrein of werkveld wordt verwaarloosd. Even doorbordurend op de netten. Stel dat er zoveel geld is voor netten, dat ieder bed in malariagebied kan worden ‘behangen’ met twee netten? We zagen dat de netten veel meer QALY per euro opleveren, maar als er voldoende geld is voor netten, wat voegt mijn bijdrage dan nog toe?

Als vierde de vraag wat er zou gebeuren als we niets doen op het gekozen terrein? Macaskill geeft hier het voorbeeld van een TV-programma waarbij jonge crimineeltjes een tour door een echte gevangenis krijgen.  Het Amerikaanse programma heet Scared Straight en was in Nederland ook te zien via FOX te zien. Een tour waarbij de grote criminelen hen toeschreeuwen wat ze allemaal met hen gaan doen als ze ook in het gevang komen. Dit met als doel de crimineeltjes op het rechte pad te brengen. Omdat er altijd wel een kind is dat afziet van verdere criminele activiteit en vertelt welke indruk het op hem heeft gemaakt, lijkt dit een zeer goede en succesvolle methode. Onderzoek toont echter aan dat het programma recidive niet voorkomt en alleen mooie tv oplevert. Sterker nog, de recidive kans wordt zelfs wat groter na zo’n gevangenisbezoek. Soms levert niets doen dezelfde resultaten op als wel iets doen en dan is niets doen te prefereren. Het is immers goedkoper.

Dan de vraag hoe je je leven en carrière zo in kunt richten dat je maximaal goed doet? Wat word je? Dokter, wetenschapper, leerkracht in Afrika of toch politicus? Hoe kun je het meeste goed doen? Als arts in Afrika kun je natuurlijk veel levens redden en dat lijkt een goede keus. Maar is dat wel zo? Stel ik ga en daardoor kan een andere arts niet gaan? Voeg ik dan die waarde toe? Ja, als ik veel beter ben dan alle andere, maar wat als dat niet het geval is? Wat als die andere arts veel beter zou zijn? Vraag je af: hoe goed ben ik? Kan ik het verschil maken? Ook bij het kiezen van een filantropische carrière adviseert Macaskill je, dezelfde vragen te beantwoorden als bij het kiezen van een goed doel.

Maar er is meer. Als je net van school komt, zal je impact veel minder groot zijn dan later in je carrière. Macaskill adviseert jongeren om dát werk te kiezen dat hun vaardigheden en/of hun netwerk fors vergroot. Want dat netwerk en die vaardigheden komen later in je carrière goed van pas en vergroten je impact bij het goed doen. Ook als je die ervaring op doet op een terrein dat ver af staat van het goede doel dat je voor ogen hebt.

Het boek lezend, is het advies dat voor de meeste mensen het meest passend is: zoek werk waar je zoveel mogelijk verdient, omdat je dan zoveel mogelijke kunt geven aan dat effectieve en efficiënte doel. Kies alleen voor een ander pad als je exceptionele kwaliteiten bezit en je in de gelegenheid bent die op de juiste plek in te zetten.

Maximaal rendement uit je geld halen en in dit geval zo maximaal mogelijk goed doen voor je geld is een voorbeeld van utilitarisme. Utilitarisme, het maximeren van nut (welzijn) stelt, om Michail J. Sandel (Rechtvaardigheid. Wat is de juiste keuze? pagina 42 te citeren: “… dat de morele kwaliteit van een handeling uitsluitend afhangt van de gevolgen van dat handelen. Juist handelen is datgene doen waar, alles bij elkaar genomen, de beste situatie uit voortkomt.” Het utilitarisme gaat ervan uit dat een mens streeft naar zoveel mogelijk genot en zo min mogelijk pijn. Geluk is datgene wat tot genot leidt en pijn vermijdt. En als we dat voor een samenleving willen bepalen dan moeten we de individuele gelukssommen optellen. De intentie waarmee je handelt doet er niet toe, het resultaat wel. Als door mijn handelen, bijvoorbeeld het stelen van een zak appels, het totale geluk toeneemt, dan is dat stelen rechtvaardig. Een verdeling is, volgens het utilitarisme, rechtvaardig als die zorgt voor het grootste totale geluk.

Maar wat is geluk? Hoe meet je geluk, genot of pijn? Dit is het grote probleem van het utilitarisme. Met andere woorden, hoe meet je hoeveel geluk een kopje koffie brengt? En brengt een kopje koffie iedere keer evenveel geluk? Soms weet je van te voren wat de gevolgen ervan zijn, vaak ook niet. Ook het meten van pijn is problematisch. Hoeveel pijn iets veroorzaakt kan per persoon verschillen. Neem migraine. Als samenleving moeten we kiezen tussen een middel waarbij de patiënt minder aanvallen heeft maar wel zwaardere en langere en een ander middel waarbij die patiënt meer maar wel lichtere en kortere aanvallen krijgt. Welk middel wordt gekozen? Zou dat niet per patiënt verschillen?

Macaskill lost dit probleem op door te kiezen voor de QALY. Een oplossing die er op papier goed en gedegen uitziet. Kies zoveel mogelijk QALY’s per euro, zo luidt zijn advies. Maar is die QALY wel zo eenduidig? Voor jou als filantroop wellicht wel, je maximaliseert immers je QALY’s. Maar hoe zit het met de ontvanger van je hulp? Als jij als filantroop kiest voor ‘minder maar zwaardere aanvallen’ omdat de gemiddelde migrainepatiënt dat als het prettigst beoordeelt, wat doe je dan de patiënt aan die dit juist het meest ellendige vindt? Meest ellendig maar wel iets beter dan geen medicijnen. Hij heeft geen keus want die heb jij voor hem gemaakt. Hoe zou jij het vinden als een ander zo’n keuze voor jou maakt? Als je er geen weet van hebt dat er een andere mogelijkheid was, dan zul je blij zijn. Maar als je het wel weet, hoe zou je je dan voelen? QALY’s zijn gemiddelden en gemiddelden ontstaan juist door een samenspel van extremen.

Er is meer. Macaskill (pagina 46): “Suppose, hypothetically, we found that providing one guide dog (at the cost of $50,000) would give a 10% increase in reported well being for one persons life over nine years (the working life of the dog). That would be 0.9 WALY (Wellbeing-Adjusted Life-Year of een QALY maar dan eentje die welzijn meet/FK). And suppose that providing 5,000 books (at the cost of $50,000) provided a 0.001% increase in quality of life of 500 people for forty years. That would be 2 WALY’s. If we knew this, then we’d know that $50,000 on schoolbooks provided a greater benefit than spending $ 50,000 on one guide dog.” Rekenkundig is hier, afgezien van de vraag hoe je de percentages bepaalt, geen speld tussen te krijgen. Nu even naar het individu. De geleidehond zou tot een flinke verbetering van het leven van een persoon leiden. Het zou dat leven redelijk radicaal verbeteren. Zou hetzelfde opgaan voor een van die 500 mensen die tien boeken kreeg? Eenduizendste procent is niet veel. Het zou het leven van die persoon niet drastisch beïnvloeden en geldt hetzelfde niet ook voor de 499 andere personen? En denk nog eens terug aan de 60 jarige met 70% tevredenheid. De ene persoon zou kiezen voor 10  jaren erbij van 70%, een ander voor zestig jaar maar dan van 90%. Wat is hier de goede keuze?

Er is nog meer. En dat betreft het carrière-advies. Macaskill pleit vooral voor ‘earn to give’. Probeer zoveel mogelijk te verdienen, want dan kun je zoveel mogelijk geven op die effectieve en efficiënte manier (pagina 202): “Earning to give enables you to start having a significant positive impact via the most cost-effective organisations right from the beginning of your career.” Hij adviseert om een baan te kiezen waar je zoveel mogelijk verdient, bijvoorbeeld in de financiële sector of in de consultancy. Maar zit hier niet ook een andere kant aan? Welke schade richt je door het werk wat je doet aan? Stel je kunt het meeste geld verdienen bij een Private Equity fonds dat veel geld verdient in de wapenindustrie? Of bij een investeringsmaatschappij die vooral investeert in teerzand olie en andere milieuvervuilende activiteiten? Of je gaat als duur betaalde wetenschapper medicijnen ontwerpen die je werkgever, een grote farmaceut, vervolgens patenteert en duur verkoopt? Of bij een van de tech-bedrijven, bijvoorbeeld Facebook, zo’n bedrijf dat haar ‘klanten’ gebruikt om ze uit te melken? Zou dat geen schade opleveren die je eerst moet compenseren? Begint je liefdadigheidscampagne dan al niet met een schuld?

Macaskills voorstel lijkt gebaseerd op de Giving Pledge van enkele miljardairs onder aanvoering van Bill Gates. Op pagina 206 verwijst hij hier ook naar. Deze miljardairs hebben beloofd om de helft van hun vermogen aan liefdadigheid te besteden en proberen andere rijken ook zover te krijgen.

Maar moeten die niet ook eerst beginnen met compenseren? Want hoe komen die nieuwe miljardairs als Zuckerberg, Bezos, Gates, wijlen Jobs en vele anderen aan hun geld? Dat komt van doodnormale mensen. Mensen, die in het geval van Facebook, hun ziel en zaligheid (informatie) gratis beschikbaar stellen. Een model dat onder andere ook Google hanteert. En waar de eenvoudige gebruiker alles gratis moet doen. Vragen bedrijven als Microsoft van Gates en Apple van Jobs, niet flink geld voor hun producten en buiten ze zo hun bijna monopoliepositie maximaal uit? Goed werkende programma’s worden plotseling niet meer ondersteund, omdat er een ‘verbeterde’ nieuwe versie is. Een versie waarvoor weer flink betaald moet worden. Versies die er vervolgens voor zorgen dat het apparaat niet meer goed draait en dus ook vervangen moet worden. Hoe goed behandelt Bezos zijn medewerkers?

Bron: Flickr

Nog op een andere manier beginnen deze miljardairs, maar ook de gevers van Macaskill, met een achterstand. Want misbruiken zij de belastingen niet voor hun filantropische uitstraling? Misbruiken door hun vermogen aan ‘liefdadigheid’ te schenken door het in een eigen stichting of bedrijf te zetten, en zo te onttrekken aan belastingbetaling. En wie moet daardoor meer belasting betalen? Juist, de rest die mag meebetalen aan de goedgeefsheid van de filantropen.

Bijzonder cru wordt het als Macaskill spreekt over de Sweatshops. De fabrieken waar mensen onder erbarmelijke omstandigheden veel uren werken voor weinig geld. Macaskill (pagina 160): “In developing countries, sweatshop jobs are good jobs. The alternative are typically worse, such as back-breaking, low paid labour, scavenging, or unemployment. The New York Times columnist Nicholas D. Kristof illustrated this well when he presented an interview with Pim Srey Rath, a Cambodian woman who scavenges plastic from dumps in order to sell it as recycling. ‘I’d love a job in a factory,’ she said. ‘At least that work is in the shade. Here is where it’s hot.” Inderdaad zijn er slechtere plekken om te werken, maar dat doet niets af aan de erbarmelijke omstandigheden in die sweatshops. Zeker niet als het in onze macht ligt om die te verbeteren. Want zou goede liefdadigheid niet kunnen beginnen bij wat minder t-shirt voor je geld? Zou dat geen betere vorm van liefdadigheid zijn dan deze mensen eerst ziek te laten worden bij het maken van onze t-shirts en ze vervolgens via liefdadigheid medicijnen te geven tegen die ziekte? Zou het niet beter zijn een eerlijke prijs voor het t-shirt te betalen, waardoor zij voldoende geld hebben om zelf hun leven vorm te geven?

Macaskills benadering past heel goed bij de moderne manier van denken. Hij wil de grote en kleine filantroop handvatten bieden om zoveel mogelijk wel te doen voor hun geld. Hij redeneert hierbij wel heel erg vanuit de gever zelf, terwijl de wereld er voor de ontvanger heel anders uitziet. Dit is hem te vergeven omdat hij wel belangrijke punten maakt. Zo wordt er veel geld verspild aan zaken waarvan het nog maar de vraag is of ze enig effect hebben. Sommigen zouden zelfs wel eens een negatief effect kunnen hebben. Ook de Nederlandse heibel om de salarissen van managers stelt hij terecht in een ander daglicht. Dure managers die succesvolle programma’s organiseren konden hun geld wel eens meer dan waard zijn. Terwijl ‘vrijwillige’ managers van slechte programma’s wel eens heel duur konden zijn.

Waar hij echt uit de bocht vliegt, is bij zijn carrière-adviezen en dan vooral zijn advies om dan maar een baan te zoeken waar je heel veel kunt verdienen. Hij heeft hier in het geheel geen oog voor de schade die je kunt aanrichten in je jacht naar een zo hoog mogelijk inkomen.

Al met al biedt Macaskill een interessante manier om naar liefdadigheid te kijken. De vijf deelvragen die hij stelt als hij zoekt naar het antwoord hoe je het meeste waar voor je geld krijgt, zijn goede en terechte vragen. Alleen zou je bij het beantwoorden ervan verder moeten kijken dan de utilitaristische QALY-neus lang is. Het is één manier om te kijken, niet de enige. De keuze voor goede liefdadigheid ligt waarschijnlijk in de combinatie. Maar zou de beste keuze niet kunnen zijn, om zaken te doen met bedrijven die hun personeel goed behandelen en goed betalen? Betekent dat voor ons als consument niet het betalen van een eerlijke en rechtvaardige prijs voor producten? Is dat niet de manier om mensen in de ontwikkelingslanden zelf te laten kiezen hoe ze zich willen helpen? Dan kunnen ze zelf bepalen of ze een malarianet kopen, ontwormingspillen of schoolboeken. en dan kan hun overheid via de belastingen een goede onderwijs en gezondheidszorg opzetten.

Hoe goed is nu de daad van de Gatesjes en de andere filantropen? Ik begon dit artikel met twee organisaties waaraan de Gatesjes geld geven. Twee overheidsinstanties de US Centers for Disease Control and Prevention  en de  World Health Organization. Twee organisaties waarvoor de Amerikaanse regering de afgelopen jaren minder geld beschikbaar stelde. Twee organisaties die worden betaald met belastinggeld. De WHO met belastinggeld van over de hele wereld. Als die filantropen hun medewerkers en onderaannemers fatsoenlijk hadden betaald, als ze een normale prijs voor hun producten hadden gevraagd, als ze gewoon belasting hadden betaald, dan was hun filantropie onnodig geweest. Dan hoefden ze niet als ‘brandweer’ op te treden bij de ‘brand’ die ze met hun gedrag hebben veroorzaakt zoals Anand Giridharadas het bij Tegenlicht beschreef.

Maar ja, met belasting betalen  kun je geen mooie sier maken. Met filantropie wel. En met belasting betalen bepaal je niet zelf wat er met je geld gebeurt. Dat klopt, met belasting betalen bepalen we samen wat er met het geld gebeurt. En daarmee is niets mis.

‘Poppenkast’

‘Poppenkast’. Dit woord haalde deze week alle Nederlandse media. Het was het laatste hoorbare woord dat Imam Suhayb Salam sprak na zijn verhoor door de Commissie parlementaire ondervraging ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen. Het gebruik van dit woord zou kunnen duiden op het goed geïntegreerd zijn van de Imam in de Nederlandse samenleving. Nu gaat het mij niet om Salam en het geloof dat hij predikt. Het staat in dit land gelukkig iedereen vrij om te geloven wat hij wil en dat ook uit te dragen. Christen, hindoe, islamiet, jood ‘ietsist’, aanhanger van het vliegend spaghettimonster of ongelovig alles mag. Het gaat mij om de kwalificatie ‘poppenkast’. 

De opdracht van de commissie luidt, zo is te lezen op de speciale webpagina: “welke ongewenste beïnvloeding vindt er plaats van maatschappelijke en religieuze organisaties in Nederland, zoals moskeeën, uit onvrije landen en hoe kan deze invloed worden doorbroken?” Een brede en vooral bijzondere opdracht. Breed omdat de opdracht zich uitstrekt tot alle maatschappelijke en religieuze organisaties. Dat zijn er nogal wat. Daar kan ook zomaar de Russische invloed in voetbalclub Vitesse bij horen en de Chinese bij ADO Den Haag. De Saoedische invloed bij Sabic en Chemelot? Nee het onderzoek strekt zich niet uit naar ongewenste neoliberale, (neo)conservatieve, socialistische, fascistische en identitaire en identiteitspolitieke beïnvloeding.  Zoals de beïnvloeding door het Amerikaans Alt Right via bijvoorbeeld Jared Taylor en Steve Bannon, de oud ‘voorlichter’ van president Trump. Of de invloed van de Amerikaans ‘identity politics’ een stroming die via Gloria Wekkers ‘Witte onschuld’ en Sylvana Simons zijn intrede deed in Nederland. Of de steun vanuit Amerika en Israël  voor Wilders en zijn PVV. Die ‘beïnvloeding’, gewenst of ongewenst, valt buiten de scope van het onderzoek. De Verenigde Staten zijn immers een vrij land. Een vrij land waar, om het Klein Orkest aan te halen: “alleen als je geld hebt dan is de vrijheid niet duur.”

De opdracht is bijzonder omdat de vraag is wat ‘ongewenst’ is en vooral wie dat bepaalt? Wat voor iemand gewenst is kan voor een ander ongewenst zijn. Hoe zou de commissie dat hebben opgelost?

Die oplossing staat vóór die opdracht: “Uit een expertmeeting, gehouden tijdens de voorbereidingsperiode, bleek dat beïnvloeding van moskeeën niet alleen via financiële lijnen loopt: het gaat naast geld ook om goederen en diensten. Voorbeelden zijn het betalen van salarissen, financieel ondersteunen van studenten, faciliteren van panden, aanbieden van studies, studiemateriaal, (ir)reguliere onderwijsprogramma’s, lezingen/conferenties, vertalingen of bijvoorbeeld afgevaardigden in een moskeebestuur krijgen.” Deze passage focust zich volledig op moskeeën. Vanuit dit ‘smalle’ wordt die brede opdracht geformuleerd. In de opdracht worden ‘moskeeën als voorbeeld genoemd. In het verdere onderzoek richt de commissie zich dan weer op dat smalle, op moskeeën en aanpalende islamitische organisaties. Eventuele ongewenste beïnvloeding van christenen, joden, hindoes en ‘spaghettimonster-aanhangers blijft zo buiten beschouwing. Beïnvloeding door bijvoorbeeld de extremistische christelijke predikant Steven Anderson.

Het verdere onderzoek wordt nog veel smaller. Het richt zich op twee moskeeën en een Turkse stichting die eventueel worden beïnvloed vanuit  onvrije landen. Landen zoals Saoedi-Arabië, Koeweit en Turkije. Maar wacht eens even. Dat zijn landen waarmee we redelijk goed betrekkingen onderhouden. Dat zijn, de een wat meer dan de ander, belangrijke handelspartners. Dat zijn, de een wat meer dan de ander, vrienden. Zouden die betrekking en worden verbroken en de handelsrelaties worden beëindigd als uit het onderzoek zou blijken dat er ‘ongewenst wordt beïnvloed’? 

Onderzoek naar inhoudelijke invloed lijkt mij overbodig. Natuurlijk beïnvloeden mensen elkaars ideeën en gedachten. Zonder Socrates geen Plato en uiteindelijk ook geen Hans Achterhuis. Voeg dit bij de vraag wat ‘gewenst’ en wat ‘ongewenst is. Helemaal absurd wordt het als alleen invloed uit ‘onvrije landen’ wordt bekeken. Alsof ‘ongewenste invloed’ alleen maar uit onvrije landen kan komen. Zeker als het onvrije landen als Saoedi-Arabië  en Koeweit betreft waar ons koningshuis en regering vriendschappelijke banden mee onderhoudt. Dan kun je van een ‘poppenkast’  een “zinloze plichtspleging of aanstellerij” spreken.

Het onderzoek werd nog smaller tijdens het verhoor van Salam toen hem door een hoog op de ‘morele troon zittend’ SGP-kamerlid Stoffer werd gevraagd of hij doceerde dat men geen ‘verjaardag, sinterklaas of kerst’ mocht vieren met de toevoeging erbij ‘met ja of nee beantwoorden’. Ik kon mij niet aan de indruk onttrekken dat hier een poging werd gedaan om iemand belachelijk te maken. Een mislukte poging die terugsloeg op de vragensteller. Maar wat erger is, door dit onderzoek en deze vragen wordt een bevolkingsgroep in een hoek geplaatst. Zeer spijtig dat ons parlement zich hiertoe heeft laten verleiden.

Kruitdampen in het hoofd

  In mijn vorige Prikker schreef ik over de vergelijking tussen drugs en vuurwerk van Wouter Roorda. Ik concludeerde dat die vergelijking mank ging. Vandaag nogmaals het thema vuurwerk. Dit naar aanleiding van een bijzonder betoog van Sid Lukkassen bij TPO. Volgens Lukkassen kunnen we zonder ‘vuurwerkvrijheid’ niet bestaan. “Vuurwerkvrijheid is existentieel,” schrijft hij. Dat lijkt me bijzonder. De mensheid geeft immers millennia lang goed kunnen bestaan zonder vuurwerk. Overdrijven is een kunst en het lijkt alsof Lukkassen er meester in is. Laten we zijn betoog eens volgen.

Bron: Pixabay

Vuurwerk is existentieel om drie redenen. “Ten eerste, alles wegreguleren wat jongens en mannen leuk en spannend vinden. Ten tweede worden we een norse brompotsamenleving die geen spektakel en risico’s meer aandurft: dit komt neer op het uitdoven van de levensfelheid. Ten derde, we noemen het beestje niet bij de naam – namelijk de specifieke overlastgevende groepen waar het in de kern om draait – maar spreken in termen van een algemeen verbod. Dit is niet alleen laf en een teken van karakterzwakte: het wijst op een regelmanie waarbij de goeden onder de kwaden lijden.” 

Om met dat laatste te beginnen. Lukkassen ziet twee groepen. Aan de ene kant de ‘goede vuurwerk afsteker’ en aan de andere kant de groepen die door middel van vuurwerk overlast bezorgen. Hij lijkt een groep te vergeten en dat zijn mensen die geen vuurwerk afsteken. Dit is geen homogene groep van alleen maar ‘tegenstanders’ van  vuurwerk. Die zullen er zeker ook en misschien zelfs wel veel, bij zitten. Nee, die groep bevat ook mensen die het niets kan schelen of het al dan niet verboden is en mensen die er zelf niets aan vinden maar die anderen het plezier wel gunnen. Dit is de groep die geen vuurwerk koopt, die wel belasting betaalt voor handhaving en het opruimen van de troep en die wellicht een hogere zorgpremie moet betalen om de schade door vuurwerk te vergoeden. Een verbod op vuurwerk treft deze groep niet. Een verbod treft alleen de andere twee groepen. Om dan te concluderen dat bij een verbod de goeden onder de kwaden lijden, is nogal een bewering. Of hoort deze groep niet bij de ‘goeden’?

Volgens Lukkassen is het: “hoe dan ook idioot om ook maar te overwegen ons eigen volksfeest af te schaffen, omdat er groepen zijn die zich kennelijk niet in de hand kunnen houden en we niet in staat blijken hen te bedwingen.” Maar beste meneer Lukkassen, de viering van de jaarswisseling wordt niet afgeschaft. Dat is het feest dat er wordt gevierd, niet ‘het afsteken van vuurwerk’. Een deel van de Nederlanders ‘viert’ dit door vuurwerk af te steken en ander deel viert op een andere manier met bijvoorbeeld een oudjaarsconference, een oliebol en een glaasje champagne. Of door gezellig met familie en/of vrienden bijeen te komen. 

(V)uurwerk verbroedert alle lagen en klassen van de samenleving. In mijn jeugd was het vuurwerk een van de weinige momenten waarop de allochtone en autochtone jeugd samen optrok.” Om even terug te gaan naar mijn jeugd. In de jaren zeventig van de vorige eeuw was ‘sintermerte’ een belangrijke gebeurtenis in mijn geboortedorp Velden. Na het verstrijken van de zomervakantie, die leek vroeger ‘eeuwig’ te duren, begonnen we met het verzamelen van dode takken uit de bossen die op een hoop werden gegooid. Na verloop van tijd kwamen daar pallets bij aangeleverd door een transportbedrijf van een van de ouders. En, nu helemaal niet meer voor te stellen, autobanden. Wij waren niet de enigen. Bij iedere boerderij en in iedere buurt, bouwde de jeugd een hoop. Een hoop die dan op de 10e november werd opgestookt. Die hoop verbroederde iedereen die eraan meebouwde en zorgde voor rivaliteit tussen de verschillende groepen. ‘Onze’ hoop moet het grootste worden, het laatste worden aangestookt en liefst ook het langste branden. Sommigen gingen de strijd ‘oneerlijk’ aan door spullen bij een andere hoop weg te halen. En soms werd een rivaliserende hoop zelfs een dag eerder al in brand gezet. Dat is nu verleden tijd. De jeugd in het dorp kent de traditie niet meer. Maar ik dwaal af. Vuurwerk afsteken, en ook andere van dergelijke activiteiten, zoals sintermerte, kunnen inderdaad verbroederen. Ze ‘verbroederen’ vooral binnen eigen groepen en wakkeren rivaliteit aan met hen die daar niet bijhoren. Net zoals sport, muziek en cultuur verbroederen maar ook kunnen aanzetten tot rivaliteit. Trouwens ook criminaliteit verbroedert. Dat iets ‘verbroedert’ is geen reden om het ‘heilig’ te verklaren.

Lukkassen: “Je moet natuurlijk veilig omgaan met vuurwerk en bijvoorbeeld een vuurwerkbril dragen. Maar sluipenderwijs en in de greep van angst voor risico’s zijn we alles aan het verbieden. Totdat er niets leuks overblijft.” Is angst werkelijk een van de redenen om voor een vuurwerkverbod te pleiten? Dat iemand zijn oog kwijtraakt of een halve hand vanwege verkeerd gebruik van vuurwerk, is voor een enkeling een reden om voor een vuurwerkverbod te pleiten. De schade aan het oog, de hand, de auto of het huis van een ander is echter een veel belangrijkere reden. De schade en overlast die de groep die zelf niets met vuurwerk heeft, is het argument voor een verbod. Een, zoals ik gisteren ook al aangaf, heel liberaal argument om rechten van mensen in te perken. Al lijken de huidige ‘liberalen’ daar heel anders over te denken.  

Lukkassen haalt VVD-voorman Dijkhoff aan: “Fatsoenlijke vuurwerkliefhebbers ergeren zich ook kapot aan het tuig dat oud & nieuw elk jaar weer verpest, maar dreigen met een totaalverbod zelf gestraft te worden. Terwijl ze niets verkeerd doen. Zij vragen zich af waarom politici hun brave in Nederland gekochte sierpotten willen verbieden, terwijl net over de grens veel zwaarder spul gewoon in de winkels ligt.” Tja, die grens waarachter grotere ellende te koop is. Nu wil het geval dat de regels voor vuurwerk in onze buurlanden niet zoveel afwijken van de Nederlandse. Ook daar mag een particulier alleen f1 en f2 vuurwerk kopen en is het aan de verkoper om de leeftijd te controleren. Wat verder over de grens, via het Web, is veel meer te verkrijgen en is het toezicht afwezig of beperkt.

Vanwege dat ‘buitenland’ is een totaalverbod zinloos, zo betoogt Lukkassen en haalt CDA-kamerlid Chris van Dam aan: “Dat is niet te handhaven.” Het lijkt mij dat een totaalverbod makkelijker is te handhaven dan de huidige situatie. Nu hebben we legaal en illegaal vuurwerk. Ook zijn er tijden waarop het mag en tijden waarop niet. En, hoe toon je aan dat de ‘knal’ afkomstig was van illegaal vuurwerk? Bij een totaalverbod is immers iedere ‘knal’ of ‘pijl’ strafbaar. Dat lijkt mij stukken eenvoudiger te handhaven. 

Bron: PXhere

Nog bonter wordt het als Lukkassen VVD-burgemeester Antoinette Laan-Geselschap aanhaalt: “Dat er problemen zijn, ligt niet aan het vuurwerk, maar aan het gedrag van mensen. Een landelijk verbod is een te draconische maatregel. Het gedrag van een aantal klojo’s moet niet de maatstaf worden.” Woorden die zo afkomstig zouden kunnen zijn van Wayne LaPierre, de voormalig voorzitter van de Amerikaanse National Rifle Association: ‘geweren doden geen mensen, mensen doden mensen.’ Waarom dan niet meteen een pleidooi om alles toe te staan? Dat iemand wellicht een tankgranaat naar het Binnenhof schiet maakt toch nog niet dat de goedwillende ik niet meer in mijn M1 Abrams tank mag rijden! 

“Het is een reflex geworden om bij alles wat er misgaat de staat ter verantwoording te roepen en te pleiten voor een verbod. Dit is een zieke ontwikkeling die aantoont dat de sociale cohesie wegvalt en we er niet meer samen uitkomen: mensen ontwikkelen een afwachtende en staatsaanhankelijke basishouding.” Een wel heel bijzondere manier van redeneren. De overheid is juist het medium dat maakt dat we er samen uitkomen. De overheid is namelijk van de samenleving en is aan zet als de vrijheid van de een tegen de schade van de ander moet worden afgewogen. En de vrijheid van Lukkassen om rotjes af te steken, moet worden afgewogen tegen de overlast en de beperking van de keuze vrijheid van de tegenstander van vuurwerk. Want ja, het afsteken van vuurwerk kan de vrijheid van anderen beperken. Als mensen niet meer de straat op durven omdat ze als de dood zijn voor vuurwerk, dan beperkt Lukkassens recht om een rotje af te steken, de vrijheid van een ander. De overheid is er om juist dan de zaken tegen elkaar af te wegen.

Lukkassen vervolgt zijn betoog: “Ook de gedachte dat het volk zomaar bij kruit kan is voor de elite een beangstigende gedachte, zeker nu ze merken dat hun beleid steeds minder populair is. Mede hierom willen sommige bestuurders ervan af. Juist dit is een reden – voor wie wil dat het volk uiteindelijk de baas is in een land en niet een technocratische regentenklasse – om vóór vuurwerk te zijn.” En daar is ze weer; de tegenstelling tussen volk en elite. Alleen lijkt het alsof ‘het volk’ alleen maar bestaat uit ‘afstekers van vuurwerk’. Tegenstanders van vuurwerk behoren bij de ’elite’. Als we trouwens wat beter lezen, pleit Lukkassen dan voor het inzetten van ‘kruit’ om ‘minder populair beleid’ omver te ‘knallen’? Want zegt hij niet dat de toegang tot vuurwerk moet blijven om het volk de mogelijkheid te geven om het beleid van de ‘elite’ tegen te kunnen gaan?

Lukkassen sluit af met een advies: “als je huisdieren last hebben van vuurwerk, neem ze dan mee naar een vuurwerkvrije camping, of breng ze naar een opvang speciaal hiervoor. Ook dit is weer business voor kleine ondernemers.” Dus om u uw pleziertje te gunnen, moeten anderen extra kosten maken? En dat is volgens u niet erg want dat is ‘business voor kleine ondernemers’. Even terug naar de vrijheid van de een en de overlast voor de ander. Beste meneer Lukkassen, bent u bereid om de kosten voor die camping of die dierenopvang voor die mensen te betalen? U zult het toch vast niet erg vinden om de extra kosten die de dierenbezitters moeten maken, te vergoeden? Het is immers ‘business voor kleine ondernemers’? En dan nog vraagt u iets bijzonders van deze mensen. U vraagt hen namelijk om hun viering van het feest van de jaarwisseling aan te passen aan uw ‘vuurwerkplezier.’

Zou Lukkassen last hebben van kruitdampen in het hoofd?

De tang en het varken

Vuurwerk en het al dan niet geheel of gedeeltelijk verbieden ervan houdt de gemoederen flink bezig. De eerste twee weken van het nieuwe jaar ging er geen dag voorbij zonder dat het ‘vuurwerk’ ter sprake kwam. Volgens Wouter Roorda is de ellende met vuurwerk een uitwas van een dieper liggend probleem. “Niet alleen rond Oud en Nieuw wordt ongewenst gedrag niet gecorrigeerd, maar het hele jaar door.” Of dat het werkelijke probleem is, daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om een vergelijking die hij in zijn artikel bij Opiniez maakt tussen vuurwerk en (soft)drugs en een uithaal naar ‘politiek links’. Want dat wenst: “het gebruik van drugs te gedogen (en voor alle criminele activiteiten daaromheen de andere kant op te kijken) en vuurwerk te verbieden.” Zo die kan ‘links’ in haar zak steken. Of …?

Bron: Wikipedia

Eerst de redenering van  Roorda: “Net als met illegaal vuurwerk is de werking hiervan (van (soft)drugs) steeds sterker geworden, zodat het verschil tussen de gedoogde softdrugs en de verboden harddrugs steeds vager is geworden. Ook op de afzetkanalen van verdovende middelen hebben de autoriteiten nooit grip kunnen krijgen. Maar voor de doorsnee drugsgebruiker is het begrip bij met name linkse politici een stuk groter, al was het maar omdat de mening in die kringen wijdverbreid is dat je aan een verslaving weinig kunt doen.”

Eerst de draai om de ‘linkse oren’. De door Roorda veronderstelde (daarover later meer) inconsequentie, of  hypocrisie zoals hij het zelf noemt, in het denken van ‘linkse politici’ met betrekking tot vuurwerk en drugs. Zijn het alleen de ‘linkse politici’ die hypocriet zijn? In het politieke spectrum aan de rechterkant lopen veel politici en partijen rond die tegen een vuurwerkverbod zijn en voor het verbieden van drugsgebruik. Sterker nog. Van deze politici pleit er, op een wellicht verdwaalde eenling na, geen enkele voor een algeheel verbod op alcohol en tabak. Dit terwijl dat toch de verslavende middelen zijn die de gebruiker het meeste schade toebrengen. 

Nu het deel ‘veronderstelling’, in hypocrisie. Drugs richten zich op de gebruiker, die heeft er ‘plezier’ van. Iemand die niet gebruikt ondervindt schade nog overlast van het pilletje xtc dat een ander persoon gebruikt. Behalve natuurlijk als die persoon onder invloed een auto-ongeluk veroorzaakt. Dat is,  juist om dat te voorkomen, dan ook bij wet verboden. De afsteker van een Thunderstrike heeft zelf plezier van het afsteken. De knal die het veroorzaakt kan en wordt door een ander als (geluids)overlast ervaren. De vuurpijl die ik afschiet, kan brand veroorzaken in jou huis. Als je die Thunderstrike naar de politie of in de brievenbus van de buren gooit, dan kan dat tot flinke schade leiden. Dat krijg je met een zakje met vijf gram Rode Libanon niet voor elkaar. Gebruik van vuurwerk veroorzaakt directe overlast of schade. Drugsgebruik alleen indirect.

Wellicht dat dit de vermeende hypocrisie van Roorda verklaart waarom ‘linkse politici’ drugs anders willen behandelen dan vuurwerk. Nu is het ‘schade aan de ander’ beginsel niet iets wat  typisch links is. Het is in de basis typisch liberaal. Omdat Frank Kalshoven dat vorige week al in de Volkskrant heeft uitgelegd, ga ik daar hier niet verder op in en verwijs er slechts naar. 

Als je ver zoekt vind je altijd wel iets overeenkomstig tussen twee zaken. Zo bevatten een tang en een varken allebei ijzer. Daarnaast maken ze allebei deel uit van een spreekwoord dat uitdrukt dat iets onzin is. Vuurwerk en (soft)drugs zijn verschillende grootheden. Niet zo verschillend als de tang en het varken maar toch. De vergelijking gaat mank.