Uitgelicht

De tang en het varken

“Wellicht ontgaat het de meeste mensen, maar er is een psychologische reden waarom racisme bestaat. Racisme is niet een gevolg van historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen die door de tijd heen at random gebeurden en die de politieke status quo, tegenovergestelde culturele waarden en scheve machtsverhoudingen tussen bevolkingsgroepen, in Nederland hebben veroorzaakt. Racisme ís er de oorzaak van. En dat niet alleen, racisme is een vorm van antisociale persoonlijkheidsproblematiek: narcisme.”  Zo begint een artikel van Fati Benkaddour bij Joop. Een bijzondere bewering.

Racism - Free of Charge Creative Commons Keyboard image
Bron: Picpedia

Laten we deze uitspraak eens bekijken. Racisme is in Nederland de oorzaak van historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging. Dus zonder racisme geen ‘geschiedenis’ in Nederland en ook geen kapitalisme, militarisme en economie. Zonder racisme zou het hier stilstaan. Zou dat alleen voor Nederland gelden? Zou er in andere delen van de wereld wel historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging mogelijk zijn zonder racisme? Nederland als een soort uitzondering op de regel?

Stilstaan op welk moment? Ik probeer me een voorstelling te maken van hoe Nederland er dan uit zou hebben gezien, maar een echt beeld kan ik me er niet bij voor de geest halen. Zouden we hier dan nog in de Middeleeuwen leven? Zou een deel van het land dan nog steeds door de Romeinen bezet zijn? Allebei zou erg lastig zijn als Nederland die uitzondering was. Het Romeinse Rijk zou dan immers nog alleen in Nederland bestaan en alleen Nederland zou dan nog last hebben van invallen van Noormannen. Alhoewel, dat zou niet kunnen, die Noormannen hebben immers wel een geschiedenis, militarisme, kapitalisme en economische ontwikkeling. Dit lijkt mij een heel onwaarschijnlijk scenario.

Een andere mogelijkheid is dat Nederland geen uitzondering op de regel is. Dat zou betekenen dat racisme de oorzaak is van ‘historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen.’ Dat zou betekenen dat racisme de motor is achter alle menselijke ontwikkeling. Dan waren de Romeinen racisten net als de Qing-dynastie, de oude Egyptenaren, de Maya’s en de Azteken. Maar wacht eens, als we nog wat verder teruggaan in de geschiedenis van de homo sapiens dan zijn onze verre voorvaderen uit oost-Afrika weggetrokken en hebben ze zich over de hele wereld verspreid vanwege racisme. Ook dat lijkt mij heel onwaarschijnlijk want als we teruggaan naar de eerste afsplitsing van de eerste groep homo sapiens, dan was het familie die zich afsplitste. Zou racisme werkelijk ten grondslag liggen aan die eerste afscheiding? Ik was er, net als Benkaddour niet bij, maar ik waag het ernstig te betwijfelen.  

Als Nederland geen uitzondering op de regel is en als de regel zelf vastloopt, dan rest er maar één andere mogelijkheid: Benkaddour verkoopt grote onzin. Haar bewering slaat als de welbekende tang op het varken.

Wat erger is, en daarmee kom ik bij de titel en het eigenlijke betoog van Bendakkour, is dat ze op basis van die bewering bijna iedere Nederlander en in het verlengde daarvan iedere bewoner van deze planeet, wegzet als racist. “Nederlands narcisme en racisme: tot welk van de drie types behoor jij? Zo luidt de titel van haar betoog. Een betoog waarin ze semi psychologisch begint te leuteren over drie soorten racisten: de ‘narcistische racist, die: “acht zichzelf superieur of extreem belangrijk en onaantastbaar.” Als tweede de ‘stress-afhankelijke racist’: “een individu die pas narcistische en racistische kenmerken vertoont wanneer zijn bestaanszekerheid onder druk komt te staan.” En als laatste de ‘informatiearme racist’: “die het niet heeft gewusst. Hij is geboren met een zilveren, met privileges gevulde, lepel in zijn mond en kent geen noodzaak zich druk te maken over de sociale, financiële en emotionele pijn van een minderheid.” En vervolgens concludeert ze: “Als je echt-niet-behoort tot de drie bovengenoemde categorieën, dan ben je waarschijnlijk een minderheid of actief anti-racist. In een systeem waar een specifieke groep mensen constant wordt gekwetst, gemarginaliseerd, gecriminaliseerd, geïsoleerd, het bestaansrecht ervan wordt bediscussieerd, bestaan geen onschuldige toeschouwers. Iedereen heeft in dit systeem een rol.”

Alle bewoners van deze planeet want tenzij Benkaddour kan aantonen dat de Nederlander een bijzonder soort homo sapiens is, ga ik er vanuit dat die drie soorten onder alle mensen voorkomen. Tenminste als je het semi psychologisch geleuter van Benkaddour voor waar aanneemt en net als haar overal ‘racisme’ ziet.

Uitgelicht

Creatief crossover de plank mis slaan

“Crossover Creativity betekent dat jij je creativiteit inzet om innovatieve oplossingen te ontwerpen voor complexe uitdagingen in de samenleving. Bijvoorbeeld op het gebied van sociale inclusie, onderwijs, inrichting van de publieke ruimte, de gezondheidszorg.” Dat lees ik op de site van de HKU Ik moest het even opzoeken omdat de schrijver van een artikel in de Volkskrant, Hilde Roothart, zich introduceerde als ‘student aan de HKU masteropleiding Crossover Creativity. Nu heb ik dat tegenwoordig vaker. Ik stam nog uit een tijd dat je zoals ik geschiedenis ging studeren of Nederlands, natuurkunde of economie of je ging naar de kunstacademie. Als ik de studie in mijn woorden samenvat, dan ben je na die studie gewoon een (product)ontwerper. En met ‘woorden’ kom ik bij de inhoud van het artikel van Roothart.

Learn a Language - Free Image by Sukh Photography on PixaHive.com
Bron: Pixahive

Nu is productontwerper of met een andere naam vormgever niet de enige studie waar allerlei fancy klinkende termen aan worden verbonden om er iets extra’s van te maken. Ik moet hierbij denken aan een bijeenkomst die ik jaren geleden bijwoonde. Een bijeenkomst waarbij een opleider voor sociaal werkers en jeugdzorginstellingen bijeen kwamen. De opleider vertelde dat de studenten werden opgeleid in verschillende specialisme. ‘Jullie specialisten zijn voor ons gewoon algemeen opgeleid,’ met dergelijke woorden reageerde een jeugdzorgaanbieder en vervolgde: ‘wij moeten ze vervolgens specialiseren’. Op de arbeidsmarkt zal Roothart gewoon moeten concurreren met andere productontwerpers en vormgevers die ‘Interaction design’ of ‘Natuurlijk design’ studeren. Dit even terzijde.

Of toch niet? Want met woorden probeert, in dit geval de HKU, een opleiding tot vormgever tot iets speciaals te maken en met woorden kom ik bij het artikel van Roothart. Volgens Roothart ligt: “Helaas (…) de ongelijkheid ook in de taal besloten. Sommige mensen zijn hooggeletterd, anderen zijn laaggeletterd. Zolang we in de taal aandacht blijven besteden aan hoog en laag (…) wordt de taal gekoloniseerd door een homogene groep Noord-­Europese, witte, mannelijke en elitaire mensen.” Om daar wat aan te doen moeten we onze taal: “bevrijden van de uitsluiting van de laaggeletterdheid. Dat kunnen we voor elkaar krijgen door alle vormen van intelligentie waarover we beschikken in te zetten. En door elke taal die we beheersen ook echt als taal te gaan zien, horen en voelen. Dat zou ons allemaal pas echt gelijkwaardig maken.” Met die woorden beëindigt ze haar heel bijzonder betoog.

Nee, dan doel ik er niet op dat Roothart heel modern en als een volleerd leerling van Gloria Wekker en Sylvana Simons de woorden ‘gekoloniseerd’ en ‘homogene Noord-Europese witte, mannelijke en elitaire mensen’ in één zin gebruikt waarmee alles ‘verklaard’ is. Dan bedoel ik dat laaggeletterden worden uitgesloten van onze taal. Dat lijkt me heel vreemd. Iemand ergens van uitsluiten, betekent dat je het die persoon onmogelijk maakt om in dit geval van taal gebruik te maken. Welke taal spreken laaggeletterden dan?

Volgens Roothart zijn er naast verbaal linguïstische intelligentie ook nog andere vormen van intelligentie: “visueel-ruimtelijk, ­logisch-mathematisch, naturalistisch-ecologisch, muzikaal-ritmisch, interpersoonlijk, intrapersoonlijk, lichamelijk-kinesthetisch.” Als ik Roothart goed begrijp zijn dat allemaal ‘talen’ en moeten we die gaan gebruiken want dan zijn we ‘pas echt allemaal gelijkwaardig’. Roothart: “Onze taal bestaat niet alleen uit letters en cijfers, maar ook uit beelden, geluiden en gebaren. We beschikken niet alleen over ­taal­vermogen, maar ook over beeldend vermogen en scheppingskracht; over de taal van kleur, klank en knipoog.”

Eens kijken hoe dat in de wereld van Roothart werkt met mezelf als onderdeel van een voorbeeld. Mijn taal is de linguïstische, dat wat een normaal mens onder ‘taal’ verstaat. Mijn ‘muzikaal-ritmische’ taal is behoorlijk waardeloos, ik zing vals en kan geen maat houden. Nu kom ik een Beethoven in de laatste fase van zijn leven tegen: linguïstisch waardeloos want doof maar muzikaal-ritmisch een genie. Ik sta te praten als Brugman en die ander speelt op zijn gitaar. Zouden we elkaar begrijpen? Laat staan dat ik iemand tegen kom die lichamelijk-kinesthetische taal gebruikt. De inhoud van een brief vertalen in een pianostuk of een dans, lijkt mij erg lastig. Dit allemaal ‘taal’ noemen lijkt mij niet de oplossing voor een laaggeletterde die een brief van de gemeente niet begrijpt.

Verwart Roothart hier niet ‘taal’ en ‘communicatie’? Communiceren kun je op veel manieren, met woorden, handen, voeten, muziek, dans enzovoorts. Door dit allemaal ‘taal’ te noemen verbetert de ‘communicatie’ tussen mensen echter niet, om die twee woorden nog maar eens te gebruiken. En dan terugkomend op de reden waarom Roothart haar artikel schreef, de positie van: “etnische minderheden en studenten die afkomstig zijn van minder goede scholen,” verbetert niet als er niet meer wordt gecorrigeerd op: “verkeerd spellen, grammaticale fouten maken of interpunctie verkeerd gebruiken,” zoals de Hull University wil. Net zoals de positie van zwakke rekenaars niet verbetert als de opleiding tot boekhouder niet meer controleert op rekenfouten. Dat leidt alleen maar tot boekhoudschandalen en opleidingen die tot middelmaat en zelfs lager opleiden. Wat die studenten en laaggeletterden echt helpt, is investeren in hun taalbeheersing. Als dit is wat de HKU onderwijst bij de master Crossover Creativity dan hou ik mijn hart vast, dan leert men daar creatief crossover de plank mis te slaan.

En ter afsluiting beste mevrouw Roothart, om op de laatste zin in uw artikel terug te komen: om ‘echt gelijkwaardig’ te zijn hoef ik uw taal niet te spreken en hoef ik u zelfs niet te begrijpen.

Uitgelicht

Demolition Man

In mijn vorige Prikker schreef ik, met Francis Fukuyama in het achterhoofd, over natievorming. Volgens Fukuyama voegt natievorming: “een morele component toe van gedeelde normen en een gedeelde cultuur en ondersteunt daarmee de legitimiteit van de staat.” Een proces dat ook een keerzijde kent: “Het is ook een potentiële bron van onverdraagzaamheid en agressie.[1] Ik schreef dit naar aanleiding van een artikel over het terugtrekken van de Amerikaanse en NAVO troepen uit Afghanistan. Die passage zette mij aan het denken.

Arcade cabinet - Demolition Man | at Free Gold Watch in San … | Flickr
Bron: Flickr

In Nederland zien we dat er door politieke partijen zoals de PVV wordt gehamerd op ‘gedeelde normen en een gedeelde cultuur’. Neem haar Verkiezingsprogramma 2021: “Wij houden van onze eigen cultuur, identiteit en tradities. Die willen we dan ook altijd op de eerste plaats zetten!” Die zet zij af tegen het ‘vreemde’: “Waarom moeten Nederlanders zich wel schamen voor de slavernijgeschiedenis, maar wordt onbesproken gelaten dat slavernij in de islamitische wereld een groot probleem was en nog steeds is? Waarom liggen de kerstboom en het paasfeest onder vuur, terwijl we wel hele tv-uitzendingen zien over de ramadan? Het is de wereld op zijn kop.” Het Forum voor Democratie doet hetzelfde in haar verkiezingsprogramma: “Wij koesteren ons (historisch) erfgoed en onze stedenbouw. De geschiedenis die onze cultuur kent en de verbeelding die daaruit is voortgekomen in de vorm van gebouwen en standbeelden, muziek, literatuur en religie: het is van onschatbare waarde. Dat erfgoed moet dan ook goed beschermd worden. Met oog voor de kijk van onze voorouders op de geschiedenis.” Alleen staat die cultuur onder druk: “ Op dit moment subsidieert de Nederlandse overheid segregatiebevorderende, weg-met-ons projecten; terwijl museumdirecteuren datgene waar we trots op mogen zijn, het mooiste en beste dat het Westen heeft voortgebracht, onderschoffelen.” Of in de openingszin van het programmapunt voor een Wet bescherming Nederlandse waarden die er zou moeten komen: “Door de komst van grote groepen (overwegend islamitische) immigranten zijn een aantal verworvenheden en kernwaarden van onze samenleving onder grote druk komen te staan.” Hier wordt in iedere geval de suggestie gewekt dat de islam strijdig is met kernwaarden van onze samenleving en dus dat moslims niet bij de samenleving horen. Hier wordt onverdraagzaamheid gepredikt. Ook bij de grootste partij, in het verkiezingsprogramma van de VVD is het hameren op maar vooral de angst voor ‘verlies’ van ‘onze cultuur’ te bespeuren: “Als wij willen dat nieuwkomers hun plek vinden in onze samenleving, moeten we ook duidelijk maken waar we voor staan. Dat vraagt om gepaste trots op onze cultuur en een actieve verdediging van onze waarden.”

Dit leidt tot, en dat zien we ook al in onze samenleving, een toenemende onverdraagzaamheid van mensen tegen anderen waarvan zij vinden dat die tot een andere groep behoren. Beter gezegd, waarvan zij vinden dat die niet tot de ‘Nederlanders’ behoren. Bekend voorbeeld is natuurlijk Geert Wilders die vindt dat mensen die het islamitische geloof aanhangen. Of zoals hij het in zijn Verkiezingsprogramma 2021 schreef: “Nederland is overbevolkt en de islam hoort niet bij Nederland.” Je zegt niet direct dat je islamieten het land uit wilt zetten, maar je bedoelt het wel. Baudet en zijn Forum voor Democratie zeggen het in nog meer bedekte woorden: “Stoppen met de alsmaar voortgaande immigratie. Waar integratie mislukt, helpen we mensen terugkeren naar hun landen van herkomst.” Nu is er altijd wel een haakje te vinden om ‘integratie’ mislukt te vinden en aan wie dat is te wijten, is duidelijk en daarom moet die ook terugkeren.

Deze partijen pogen een cultuur of identiteit te creëren die, om Kwame Anthony Appiah in een interview met de Volkskrant te citeren, iedereen omvat die: “al duizend jaar in Nederland woont.” Daarmee sluiten ze de ogen voor mensen: “die niet ergens anders naartoe zullen gaan.”  Ze prediken verdeeldheid in plaats van te zoeken naar gezamenlijkheid. Gezamenlijkheid door te zoeken naar gemeenschappelijkheid die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.” Ze zoeken gemeenschappelijkheid op de verkeerde plek. Ze kijken in het verleden in plaats van naar de toekomst. Een gemeenschappelijk verleden zullen ze niet vinden. Zou die zoektocht er niet toe kunnen leiden, en dan keer ik de redenatie van Fukuyama om, dat de legitimiteit van de staat wordt afgebroken? Zijn ze bezig met ‘nation demolition’?


[1] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek. Deel 2: Orde en verval, pagina 350

Uitgelicht

Lukkassens Götterdämmerung

“Geert Wilders, Martin Bosma, Thierry Baudet, DENK, Sylvana Simons, een mevrouw van de Moslimbroederschap pardon GroenLinks, de kosmopolitische technocraten van VOLT, de boerenbeweging en zelfs voormalig Europarlementariër Derk Jan Eppink is naar Den Haag gekomen (terwijl de macht zich van Den Haag naar Brussel en Straatsburg verplaatst). Kortom iedereen komt samen om zijn of haar rol te vervullen in dit tragische slotstuk: de godenschemering van onze democratie.” Aldus Sid Lukkassen in een artikel bij ThePostOnline. Dat klinkt onheilspellend.

Sir Winston Chutchill | "Indeed, it has been said that democ… | Flickr
Bron: Flickr

Nu zijn er wel vaker verkondigers van ‘onheilspellende’ toekomsten. Zo verkondigde Oswald Spengler honderd jaar geleden al de ondergang van het Avondland oftewel het Westen. Spengler vergeleek culturen met een levende wezens: ze worden geboren, groeien op, komen in bloei, takelen vervolgens af en sterven en het westen stond op het punt om te sterven, zo betoogde Spengler honderd jaar geleden. Spengler was niet de eerste en ook niet de enige. Er zijn altijd wel weer mensen die het einde van de beschaving en de wereld voorspellen. Zo zou de wereld op 21 mei 2012 volgens ‘aanhangers van de Maya-kalender vergaan, een hierop gebaseerde film werd gisteravond, bijna negen jaar na dato, weer vertoond. Ook kennen de grote religies allemaal een ‘einde der tijden’ dat door de eeuwen heen al geregeld is voorspeld. Een ‘einde’ dat de uitverkorenen naar het hemelse eeuwigdurende rijk zou leiden. Ook seculiere ‘religies’ kennen iets soortgelijks. Zo zou de proletarische revolutie via de dictatuur van het proletariaat uiteindelijk leiden tot de klasseloze hemel op aarde en zou Hitlers nationaalsocialisme na de strijd uiteindelijk leiden tot het gelukzalige Duizendjarige Rijk, waarbij we duizend moeten uitleggen als eeuwig.

Lukkassen trekt een parallel met Wagners vierdelige opera Der Ring des Nibelungen. Waarvan het laatste deel Götterdämmerung vertaald als Godenschemering heet. In dat deel gaat de godenwereld in vlammen op waardoor de mensheid in het vervolg op zich zelf is aangewezen. Wagner haakte aan bij de Germaanse en Noorse mythologie. Lukkassens boodschap komt er dus op neer dat onze democratie op het punt van instorten staat.

Lukkassen ziet twee problemen in onze huidige democratie. Als eerste is: “identiteit een bepalend verkiezingsthema,” geworden. En: “Omdat veel kiezers identificatie en nabijheid prioriteit geven boven ‘het beleidsmatig oplossen van problemen’, krijgen we een Wagneriaanse saga waarin de apocalyptische slotscène – een dramatisch Götterdämmerung – in ons parlement wordt uitgespeeld.” Aldus Lukkassen in de zin die voorafgaat aan het citaat waarmee ik deze Prikker begon. Problemen worden niet opgelost omdat er wordt gehamerd op ‘verschillen’ en op het ‘gelijk van de eigen groep’. Een conclusie waarvoor de huidige situatie voldoende argumenten geeft.

Als tweede de rol van de grote techbedrijven. Lukkassen: “De democratie is geboren uit de wens van de liberale burgerij om hun stem te laten horen en hun eigen vrijheid van denken op te eisen tegenover adel, kerk en koningshuis. Maar nu – nu deze vrijheid wordt overvleugeld door corporaties die via algoritmes en datamining méér informatie hebben over burgers dan waar Lenin en Stalin ooit van droomden, en die globaal georganiseerd zijn en hiermee ook nog eens niet zijn gebonden aan nationale democratieën – hoor je diezelfde liberaal-democratische krachten niet. Ze lijken het op een akkoord te hebben gegooid met de Techreuzen. Zolang die laatsten de uitdagers van het bestel, ‘populisten’ als Wilders en Farage, niet al te groot laten worden, vinden de liberaal-democraten het wel best.” Gevolg hiervan is: “dat parlementair succes wordt afgemeten aan hoeveel views en likes (die) een partij scoort met een video waarin hun politici een politieke tegenstander affakkelen in een debat. Echter, diverse partijen maken van één debat verschillende video’s. Dikwijls worden daarin hun eigen ‘doelpunten’ sterk belicht terwijl de voltreffers van de tegenstander geen aandacht krijgen. Hiermee drijven de belevingswerelden van politiek geëngageerden steeds verder uiteen, waarin Hobbesiaanse pre-burgeroorlog voorschemering te herkennen zijn.” Ook voor deze scoringsdrang zonder echte doelpunten is bewijs te vinden.

Gelukkig weet Lukkassen ook de oplossing: “Daarom is het belangrijk dat links en rechts inhoudelijk in dialoog blijven.” Hij vervolgt: “Een stabiele Leitkultur is een onontbeerlijke voorwaarde om een fragmentarisch uiteendrijven van het electoraat tot rivaliserende stammen te voorkomen. We moeten zorgen dat burgers een bezield verband blijven ervaren, verbonden aan een gedeelde identiteit.” Identiteit als oplossing voor identiteitsproblemen, een bijzondere oplossing, zou dit werkelijk onze democratie redden? Zelf ziet hij het ook niet gebeuren: “Echter liberalen vinden dit te beknellend en links verwerpt het principe van een leidende cultuur als ronduit fascistisch en imperialistisch. Zodoende is onze democratie inderdaad gedoemd te versplinteren tot een steeds agressievere stammenstrijd” Vandaar die Götterdämmerung van onze democratie. Lukkassen capituleert en geeft de democratie op.

Maar wat dan? Daarop geeft hij in dit artikel geen antwoord. Dat antwoord gaf hij al eerder: een burgeroorlog. Na die Götterdämmerung moet zijn Nieuwe Zuil, waarover ik eerder schreef, klaar staan en: “voldoende ‘hardheid’ bezitten, oftewel standvastigheid, om deze totalitaire besluiten naast zich neer te kunnen leggen en weerbare tegendruk te kunnen bieden.”  Want: “(O)p dat moment verlaten we het gesprek en treden we toe tot de natuurtoestand. Dan is het conflict niet meer met woorden, maar wordt het conflict fysiek. In Oud-Nederlands: wie niet horen wil, moet maar voelen.” Om in marxistische termen, die Lukkassen te pas en te onpas gebruikt, te spreken: dan gaan we via die burgeroorlog naar de ‘dictatuur van de echte Nederlander’ wie dat dan ook mogen zijn. Een dictatuur die moet terugleiden naar het ‘Nederland uit een denkbeeldig verleden’ waar Lukkassens vriend Baudet over spreekt. Denkbeeldig omdat het Nederland waarnaar terug moet worden gegaan, nooit heeft bestaan.

Op basis van een goede analyse geeft Lukkassen de democratie op omdat we nooit tot die door hem gewenste ‘Leitkultur’ komen. Hij zoekt de oplossing in een van de oorzaken van het probleem, in ‘identiteit’. Waarom niet gezocht naar andere vormen van democratie? Vormen die beter passen bij onze huidige samenleving. ‘Nationale identiteiten’ ontstonden in de negentiende eeuw, zoals ik al eerder schreef. Ze zijn van recente datum, als mensheid hebben we heel lang zonder gekund. In bijna al die landen ging het construct ‘nationale identiteit’ aan de democratie vooraf. Daarom kan het lijken alsof een democratie niet zonder ‘nationale identiteit’ kan. Democratie is: “een staats(vorm) die aan het hele volk invloed op de regering toekent,” aldus de Van Dale. Een bestuursvorm die je op verschillende manieren kunt vormgeven. De manier waarop ze nu is vormgegeven, is gebaseerd op onze verzuilde samenleving van het grootste deel van twintigste eeuw. Onze structuur met partijen die ieder een ‘zuil’ vertegenwoordigde, paste daar goed bij. Die zorgde voor grote stabiliteit waardoor problemen met het oog op de toekomst konden worden opgelost. Als politicus wist je immers dat je niet zou worden afgestraft door je loyale achterban. Sinds het begin van dit millennium ontbreekt die stabiliteit en ligt de focus op de korte termijn. Andere vormen zijn mogelijk, recentelijk beschreef ik er een.

Inderdaad geven: “veel kiezers identificatie en nabijheid prioriteit (…) boven ‘het beleidsmatig oplossen van problemen’,” dat hoeft echter geenszins de Götterdämerung van democratie te betekenen. Als we de uitdaging aannemen kan dit ook een groeistuip van de democratie worden. Dit omdat, zoals Winston Churchill ooit sprak: “Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.”

Uitgelicht

Experiment, doe je mee?

Salvator Mundi, een schilderij van Leonardo da Vinci. Niet zomaar een schilderij maar eentje waarvoor iemand € 450 miljoen heeft betaald. Het kost wat, maar dan heb je het ook en kun je het aan de muur hangen in je huis. Een belachelijke prijs maar als je zoveel geld hebt dat een half miljard niet mist, dan kun je het ervoor betalen. Je kunt dat geld natuurlijk ook besteden aan het bouwen van een ziekenhuis of er beurzen van geven aan kinderen waarvan de ouders niet de mogelijkheid hebben om hen te laten studeren. Een belachelijke prijs maar dan heb je wel wat. Het kan altijd gekker.

In een artikel in de Volkskrant las ik het volgende: “Onlangs werd een zeefdruk uit de serie Morons van graffitikunstenaar Banksy door het anonieme collectief BurntBanksy in brand gestoken. Dat werd gefilmd, op YouTube geplaatst. Vervolgens werd de unieke digitale versie van de zeefdruk (als NFT, non fungible-token waarvan de unieke identiteit en eigendom worden ­geverifieerd via een blockchain) geveild. Dat bracht meer dan het drievoudige op (394.000 dollar) van het bedrag waarvoor het was aangekocht.” Iemand koopt een setje enen en nullen voor drie-en-een-halve ton.

Het kan nog gekker: “Het eerste bericht op Twitter ooit heeft bij een digitale veiling 2,9 miljoen dollar (bijna 2,5 miljoen euro) opgeleverd. Een zakenman in Maleisië kocht de tweet van Twitter-oprichter Jack Dorsey.”  Dan koop je die tweet maar, zo lees ik, iedereen kan die kopiëren of downloaden. Je koopt iets voor een godsvermogen maar je hebt het niet alleen. Nu vraag ik me bij die tweet nog iets af. Die tweet luidde ‘just setting up my twttr’. Dorsey is de oprichter van Twitter en via Twitter kun je berichten delen met anderen. Met wie heeft Dorsey dan dat eerste bericht gedeeld? Of beter gezegd, wie las die Tweet ? Nog iets verder nagedacht, hoe weten we zeker dat dit de eerste tweet was? Misschien plaatste hij wel andere berichten die hij weer verwijderde. Dat even terzijde.

Het kan zijn dat het aan mijn leeftijd ligt dat ik het niet begrijp. Het kan ook zijn dat het aan ‘die anderen’ ligt. Of om Louis van Gaal te parafraseren: ‘zijn zij nou slim, of ik zo dom?’ Daarom een experiment. Ik weet niet hoe non fungible-tokens werken. Wel lees ik op Wikipedia dat ze: “meestal (draaien) op een proof-of-work blockchain, die minder energiezuinig is dan een proof-of-stake blockchain, wat heeft geresulteerd in enige kritiek op de koolstofvoetafdruk van NFT-transacties.” En als we iets moeten is het de koolstofvoetafdruk verkleinen. Dat wil ik niet, dus daar doe ik niet aan mee. Daarom op een andere manier. Wie wil deze prikker kopen? Breng een bod uit en als je bod het hoogste is, dan krijg je een uitgeprinte, gesigneerde en ingelijste versie van deze Prikker. Aangezien het een experiment is en ik er niets aan hoef te verdienen, maak ik het geld, na aftrek van de kosten voor de lijst en het verzenden over aan een goeddoel. Ik schenk het aan de HSCV Mustangs in Venlo zodat ze er materialen voor de jeugd voor kunnen kopen. Voor alle anderen blijft deze Prikker gewoon beschikbaar via mijn site.

Uitgelicht

Verantwoordelijke overheid

Na de rol van de rechtsorde[1] rest er nog een onderwerp dat voor het verklaren van de politieke orde van belang is. Dat is, zoals Francis Fukuyama betoogt in zijn boek De oorsprong van onze politiek het noemt, de ‘verantwoordelijke overheid’. “Verantwoordelijk bestuur betekent dat de heersers menen dat ze zich moeten verantwoorden tegenover het door hen geregeerde volk en de belangen van het volk boven die van zichzelf moeten stellen.[2] aldus Fukuyama. ‘Nogal logisch’ is een eerste reactie vanuit een luie stoel in Nederland. Toch is dat niet zo logisch.

File:God roept Kaïn ter verantwoording nadat hij Abel heeft gedood,  RP-P-1878-A-851.jpg - Wikimedia Commons
God roept Kaïn ter verantwoording na de moord op Abel. Van Louis De Deyster. Bron Rijksmuseum via WikimediaCommons

Inderdaad zijn we in Nederland gewend dat de regering zich voor het volk, vertegenwoordigd in de Tweede Kamer, verantwoordt en geregeld, in ieder geval een keer per vier jaar en volgende week weer, voor het gehele volk. Ook in de landen om ons heen kennen een soortgelijke manieren van verantwoorden. Toch zijn dit uitzonderingen. Uitzonderingen omdat het overgrote deel van de heersers in het verleden, maar ook in het heden er heel anders over dachten en denken. Een Egyptische Farao, de Chinese keizer of Genghis Khan dacht niet in termen van verantwoording. Het volk werkte voor hen, niet omgekeerd.

Fukuyama onderscheidt twee soorten verantwoording morele en formele. “Formele verantwoording is procedureel: de overheid gaat ermee akkoord zich te onderwerpen aan bepaalde mechanismen die haar macht om te doen wat zij wil beperken. Uiteindelijk stellen deze procedures (die doorgaans nauwkeurig in een grondwet worden omschreven) de burgers van een samenleving in staat om de hele overheid te vervangen in geval van ambtsmisdrijf, incompetentie of machtsmisbruik.” In onze democratische samenleving ‘vervangen’ we via verkiezingen. Het kan ook anders: “In Engeland werd al vroeg verantwoordelijk bestuur geëist uit naam van het recht, omdat de burgers vonden dat de koning zich daaraan moest onderwerpen.” De koning moest zich onderwerpen aan: “een traditioneel rechtscorpus dat werd beschouwd als de belichaming van de consensus van de gemeenschap.” Iets soortgelijks speelde ook in de Lage Landen ten tijden van de Tachtigjarige Oorlog. De ‘consensus van de gemeenschap’ zijnde die in de Staten Generaal vertegenwoordigde edelen, vonden dat de landsheer, de koning van Spanje, zijn ambt misbruikte. Via het Plakkaat van Verlatighe werd Phillips II afgezet. In de loop van de tijd werd in West Europa en de Verenigde Staten de groep die behoorde tot dit ‘traditionele rechtscorpus’ steeds groter en uiteindelijk is hieruit onze democratie ontstaan met een door het gehele volk gekozen volksvertegenwoordiging.

Bij morele verantwoording daarentegen, ligt het initiatief bij degene die van zichzelf vindt dat er verantwoording moet worden afgelegd. Het initiatief ligt bij de heerser zelf. Fukuyama geeft een sprekend vergelijkend voorbeeld: “morele verantwoordelijkheid heeft een reële betekenis in de manier waarop autoritaire samenlevingen bestuurd worden, zoals blijkt uit de tegenstelling tussen het hasjemitische Jordanië en het ba’athistische Irak onder Saddam Hoessein. Geen van beide landen was een democratie, maar Irak was een wrede indringende dictatuur die voornamelijk de belangen van het kleine kliekje vrienden en familieleden van Saddam diende. De Jordaanse koningen daarentegen hoeven zich niet formeel te verantwoorden tegenover hun volk behalve door middel van een parlement met zeer beperkte bevoegdheden; niettemin hebben zij goed geluisterd naar de eisen van diverse groepen in de Jordaanse samenleving. [3]

De staat in zijn verschillende vormen[4], de rechtsorde[5] en de ‘verantwoordelijke overheid’, drie ingrediënten voor een politieke orde. Iedere kok weet dat je met dezelfde ingrediënten heel verschillende gerechten kunt maken. Dat geldt ook voor de drie ingrediënten voor een politieke orde. Welke ‘gerechten’ daar kom ik in een volgend deel in deze serie op terug.


[1] Zie hiervoor https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/07/us-and-the-king/ en  https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/07/us-and-the-king/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 369

[3] Idem, pagina 369-370

[4] Zie de delen:  https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/21/de-oorsprong-van-onze-politiek-tribalisme/ , https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/25/de-patrimoniale-staat/ en

https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

[5] Zie voetnoot1

Uitgelicht

Us and the king

‘Waar die driedeling tussen ‘the king the pope and I’ toe leidde, zien we in een volgend deel in deze serie.[1] Met die woorden sloot ik het vierde deel van de serie over het boek De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama. Op het antwoord op deze vraag moeten jullie toch nog even wachten want dat ‘volgende deel’ is niet dit deel. In dit deel bekijk ik aan de hand van Fukuyama, de ontwikkeling van de rechtsorde in andere delen van de wereld.

Religie Het Hindoeïsme God - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

In West Europa speelde de rechtsorde een belangrijke rol in het breken van de patrimoniale samenleving en het ontstaan van veel meer op het individu gebaseerde samenleving. Ook in andere delen van de wereld ontstond iets van een rechtsorde. Bijvoorbeeld ook in India en ook hier speelde de godsdienst een belangrijke rol. Alleen op een heel andere manier dan in Europa, anders op twee manieren. Als eerste deelt het Hindoeïsme, in tegenstelling tot het christendom, de samenleving op in vier starre sociale klassen met bovenaan de brahmanen, de priesters, vervolgens de ksatriya’s, de krijgers, vervolgens de vaisya’s, de kooplieden en als laatste de sudra’s, de rest. Starre klassen omdat je de klassenstatus erfde van je ouders en huwelijken alleen binnen de klassen plaatsvonden. Binnen deze vier klassen waren rijke en arme leden van de klasse. Heersers altijd afkomstig uit de krijgersklasse, moesten zich voor hun legitimiteit wenden tot de brahmanen. Resultaat hiervan: “Het recht was derhalve dieper in de religie geworteld dan in de politiek; de vroegste rechtstraktaten, de Dharmasastra’s waren geen edicten van keizers zoals in China, maar documenten die door religieuze autoriteiten waren geschreven.” Als tweede was : “De klasse der brahmanen (…) niet georganiseerd in één hiërarchie die koningen en keizers orders kon geven. … De klasse der brahmanen vormden meer een netwerk waarvan de leden horizontaal met elkaar communiceerden via ontelbare dorpjes en steden waar ze woonden.” Bovendien was de klasse der brahmanen weer onderverdeeld in verschillende groepen die allemaal een eigen specialisme hadden: “Een brahmaan die toezag op de installatie van de koning was misschien niet bereid tot omgang met een brahmaan die toezag op uitvaartrituelen.” Ze hadden: “op lokaal niveau een enorme invloed, waar er bij elke sociale gebeurtenis behoefte was aan hun diensten.” Dit maakte hen zeer onafhankelijk: “Maar ze waren ook niet in staat tot collectief optreden.[2]

Een derde gebied met een sterke rechtsorde in de zin zoals in het vorige deel besproken, is de wereld van de islam. De islamitische wereld vertoont, zo betoogt Fukuyama, op dit gebied veel overeenkomsten met de christelijke wereld. “In beide tradities is het recht geworteld in de religie; er is slechts één God met een universele jurisdictie, die de bron is van alle waarheid en rechtvaardigheid.” Net als de christelijke wereld is de islamitische sterkt ingesteld op het schrift: “waarbij fundamentele sociale regels al heel vroeg gecodificeerd zijn.[3]

Toch ontwikkelde de islamitische wereld zich op een heel andere manier. De eerste kaliefen verenigden de geestelijke (het kalifaat) en wereldlijke macht (emiraat) in hun persoon. Dit in navolging van Mohammed de stichter van de godsdienst. De reden hiervoor was dat de grens van het wereldlijke en geestelijke rijk samenvielen: alle islamieten woonden in hetzelfde rijk met dezelfde vorst. Maar net als dat voor alle rijken uit de geschiedenis gold, viel ook dit rijk uit elkaar. Er ontstonden meerdere islamitische rijken en dat betekende dat er meer ‘emiraten’ waren: de wereldlijke en geestelijke macht splitsten zich. En net als het emiraat zich splitste, splitste ook het kalifaat zich. En zo kent de islam, net als het hindoeïsme geen hiërarchie en kwam het dus nooit tot een strijd tussen ‘the pope and the king’ om de titel van het vorige deel te parafraseren.

Op dit gebied is China een uitzondering. China kende religies maar er was nooit een religie die machtiger was dan de keizer. Het kende ook en geen rechtsorde. Want kenmerk van een rechtsorde is dat de regering zich aan die orde moet houden. De Chinese keizer bezat de absolute macht. De keizer verenigde, om de drie moderne begrippen te gebruiken, de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht in zich. Maar om die macht te behouden was hij in constant gevecht met patrimoniale krachten. China kende geen rechtsorde en dat is iets wat nu nog steeds doorwerkt. China kent wel wetten en zelfs een grondwet maar die gelden niet voor alles en iedereen. Ze gelden namelijk niet voor de Chinese communistische partij. Die staat boven de wet. Zowel het Indisch subcontinent als in de islamitische wereld kennen, in tegenstelling tot de westers christelijke wereld nog steeds een sterk patrimoniale invloed. En, en dat is er een spiegel van, een veel minder individualistische samenleving. Dus daar geen balanceer act tussen ‘the king, the pope and I’ maar een gevecht tussen ‘us and the king’.

Terug naar de vraag uit het vorige deel waarmee ik begon. Ook in het volgende deel nog geen antwoord op die vraag want naast de moderne staat en de rechtsorde is er nog een derde onderwerp dat van belang is, namelijk ‘de verantwoordelijke overheid’ zoals Fukuyama het noemt.


[1] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/05/the-king-the-pope-and-i/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 320-321

[3] Idem, pagina 322-323

Uitgelicht

The king, the pope and I

In het vorige deel van de serie waarin ik het boek De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama als leidraad gebruik, stond het ontstaan van de moderne staat centraal[1]. Kenmerk van de moderne staat is dat ze haar ‘ambtenarencorps’ selecteert op basis van verdienste en niet op ‘familierelaties’ zoals in een patrimoniale. We zagen dat de moderne staat, zo betoogt Fukuyama, in China ontstond tijdens de Qin-dynastie in de derde eeuw voor onze jaartelling. Het duurde echter nog zo’n zeventienhonderd jaar voordat zich in West Europa iets ontwikkelde wat je een moderne staat kon noemen. Dat wil niet zeggen dat er op politiek gebied niets gebeurde. West Europa volgde een andere weg.

A school history of Germany: from the earliest period to t… | Flickr
Bron: Flickr

Fukuyama: “De Europese politieke ontwikkeling was in zoverre uitzonderlijk dat Europese samenlevingen zich al vroeg afwendden van tribale organisatievormen, en dat deden ze zonder de hulp van een politieke macht van bovenaf.”  In West Europa werd het tribalisme op een andere manier aangepakt: “De staatsvorming was niet zozeer gebaseerd op het vermogen van vroegere stichters van staten om militaire macht in te zetten, als wel op hun vermogen om recht te spreken.” Staatsvorming via een rechtsorde.

Bij een rechtsorde denken we nu al vrij snel aan onze wetboeken die de omgang tussen ons mensen onderling, tussen mensen en bedrijven en tussen mensen, bedrijven en de staat regelen. Dat moderne beeld moeten we vergeten: “Neem er nota van dat de vroege Europese staten wel het recht toepasten maar niet noodzakelijkerwijs de wet.”  Want: “het onderscheid tussen recht en wetgeving is fundamenteel om de betekenis van de rechtsorde zelf te begrijpen. … het recht is een geheel van abstracte rechtsregels dat een gemeenschap bijeenhoudt.” En dat recht, zo geloofde men: “werd bepaald door een gezag hoger dan dat van enige menselijke wetgever, ofwel door een goddelijke autoriteit, door oeroude gewoonte of door de natuur.” Dit in tegenstelling tot de wetgeving die overeenkomt met: “wat nu het positief of objectief recht wordt genoemd, en (…) een (is) functie van de politieke macht, dat wil zeggen van het uiteindelijk op coërcitieve macht gebaseerde vermogen van een koning, baron, president, wetgevende macht of krijgsheer om nieuwe regels te maken en te handhaven.[2]

Gewoonten, de natuur of een goddelijke autoriteit. Nu hebben ‘goddelijke autoriteiten’ of beter gezegd de vertegenwoordigers ervan, de neiging om de natuur maar ook gewoonten aan de autoriteit van hun godheid te verbinden. Zo was de katholieke kerk een meester in het incorporeren van ‘heidense’ feesten en gebruiken door er een ‘passende heilige’ aan te verbinden en er zo een katholiek feest van te maken. Diezelfde katholieke goddelijke autoriteit, speelde, zo betoogt Fukuyama, een belangrijke rol in de afbraak van tribale verbanden en: “dit gebeurde heel kort nadat de Germaanse stammen die het Romeinse Rijk onder de voet liepen zich voor het eerst tot het christendom bekeerden.” En de katholieke kerk speelde daarin de belangrijkste rol[3].  Hoe ze dat deed? Door: “krachtig stelling (te nemen) tegen vier praktijken: huwelijken tussen naaste verwanten, huwelijken met weduwen van dode verwanten (…), het adopteren van kinderen, en echtscheiding.” Hierdoor werd het voor verwantschapsgroepen lastig om: “onroerend goed in handen van de groep (te) kunnen houden (en) het van de ene op de andere generatie,” door te geven. Waarom de kerk dat deed? “De reden dat de Kerk dit standpunt innam had (…) veel meer te maken met de materiele belangen van de Kerk dan met theologie.[4] Die materiele belangen behelsden het in bezit krijgen van zoveel mogelijk onroerend goed en dat ging zo makkelijker.

Die bijzondere ontwikkeling, want dit gebeurde alleen in West Europa, leidde tot een veel sterkere en definitievere afkeer van het tribalisme. Dit vooral omdat deze ontwikkeling aan de basis stond van een andere Westerse en vooral West Europese ‘afwijking’, namelijk het individualisme. Fukuyama: “De Europese samenleving was met andere woorden al heel vroeg individualistisch, in die zin dat individuen en niet hun families of verwantschapsgroepen belangrijke beslissingen konden nemen over huwelijk, bezit en andere persoonlijke kwesties. Individualisme in de familie is het fundament van alle individualismen. Het individualisme berustte niet op de opkomst van een staat die de wettelijke rechten van individuen afkondigde en het gewicht van zijn coërcitieve macht gebruikte om de hand te houden aan die rechten. Het is eerder zo dat staten werden gevormd boven op samenlevingen waarin individuen reeds tamelijk vrij waren van sociale verplichtingen ten aanzien van verwanten. In Europa ging de sociale ontwikkeling vooraf aan de politieke ontwikkeling.”

Naast het ‘breken van het tribale’ heeft de katholieke kerk de ontwikkeling van de politiek in West Europa nog op een andere manier beïnvloed. De paus had een eigen staat, die nu is verschrompeld tot Vaticaanstad, en speelde op die manier ook een deuntje mee in het wereldlijke. De vorsten bemoeiden zich met de benoeming van geestelijken op hun grondgebied en probeerden zo het ‘geestelijke gezag’ te beïnvloeden. Dit draaide in de tweede helft van de elfde eeuw uit op een groot conflict tussen de paus en de keizer over de benoeming van geestelijken. Het conflict begon in 1046 met de kroning van Hendrik III tot keizer van het Heilig Roomse Rijk. Om die kroning in goede banen te leiden zette Hendrik drie rivaliserende pausen af en benoemde er eentje naar zijn gading. Daarna benoemde hij er nog vier.

Dit zeer tegen het zere been van een stroming binnen de kerk onder leiding van Hildebrand van Sovana. Toen deze Hildebrand in 1073 tot paus werd gekroond en als Gregorius VII: “maakte hij van het celibaat van priesters een officiële kerkelijke doctrine en dwong hij priesters om te kiezen tussen hun verplichtingen ten aanzien van de Kerk en hun verplichtingen ten aanzien van hun familie,” en die familie was in het overgrote deel van de gevallen verbonden met deze of gene vorst. De zogenaamde investituurstrijd brak hiermee uit. Veel priesters en hun familie verzetten zich hier tegen, celibaat en trouw aan de kerk betekende immers dat de familie onroerend goed en macht verloor. De kaarten waren niet in het voordeel van Gregorius en daarom lanceerde hij een frontale aanval: “In een pauselijk manifest uit 1075 ontnam hij de koning het recht om bisschoppen af te zetten en leken aan te stellen” in een geestelijk ambt. De opvolger van Hendrik III, Hendrik IV nam dit hoog op een riep de paus op om af te treden waarop Gregorius zijn grootste kanon in stelling bracht: hij deed Hendrik IV in de ban. Daardoor kreeg Hendrik problemen in zijn rijk omdat veel prinsen en bisschoppen nu achter Gregorius gingen staan en dwongen Hendrik om te buigen en de ‘gang naar Canossa’ te maken. Daarmee was de strijd echter nog niet teneinde, Hendrik bleef erbij dat hij het recht had om bisschoppen te benoemen. Hij bezette Rome, zette Gregorius af en benoemde een tegenpaus Clemens III. Het getouwtrek sleepte zich nog voort totdat het: “in 1122 definitief werd geregeld met het Concordaat van Worms waarin de keizer het recht van aanstelling grotendeels opgaf, terwijl de Kerk het gezag van de keizer in alle wereldlijke zaken erkende. [5]

Deze ontwikkeling zorgde ervoor dat een heerser in westelijk Europa, met twee zaken rekening diende te houden. Aan de ene kant met de ‘wil of wet van god’ en aan de andere kant met die individuen en de ermee verbonden rechten. De eerste, die ‘wil of wet van god’ kende in de paus een centrale vertegenwoordiger en in de clerus een eigen ‘machstkanaal’ in het ondermaanse. Dit in tegenstelling tot de Chinese keizer wiens wil wet was en die geen rekening hoefde te houden met een god en diens vertegenwoordigende ‘religieuze autoriteit’ die er ook niet was. ‘Waar die driedeling tussen ‘the king the pope and I’ toe leidde, zien we in een volgend deel in deze serie.


[1] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 285-286

[3] Idem, pagina 269

[4] Idem, pagina 276

[5] Idem, pagina 307-308

Uitgelicht

De moderne staat

In deel drie van de serie waarin ik het boek De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama als leidraad gebruik[1], staat, zoals in het vorige deel aangekondigd, de moderne staat centraal. Als je het woord modern gebruikt, dan ontstaat al snel het beeld dat het nieuw is. En inderdaad veel moderne staten zijn in het recente verleden ontstaan. De moderne staat is volgens Fukuyama al meer dan 2.200 jaar oud. En nee, het is geen westerse maar een Chinese uitvinding.

Saladin – Store norske leksikon
Saladin. Bron: https://snl.no/Saladin

In het China van de eerste eeuw voor onze jaartelling ontstonden verschillende patrimoniale staten. Staten waarin krijgsheren en hun verhouding tot de heersende vorst een belangrijke rol speelden. Krijgsheren die fungeerden als de pater familias van hun huis en gebied en daarbij hoorden alle ondergeschikte boeren en slaven. Als er gevochten moest worden, dan mobiliseerde de krijgsheer zijn soldaten en boeren. Die trokken als groep met de krijgsheer als bevelhebber ten strijde. Qin, een van die staten, ging een stapje verder: “Qin democratiseerde het leger door voorbij te gaan aan de krijgsheren en de massa’s boeren direct onder de wapenen te brengen; het begon met grootschalige landhervorming door patrimoniale landeigenaren te onteigenen en het land direct aan de boerenfamilies te geven; en het stimuleerde de sociale mobiliteit door de macht en het prestige van de erfelijke aristocratie te ondermijnen.” Hierbij moet je je niet laten ‘verleiden’ door het woord democratisering, want het had niets met democratie te maken: “het enige doel van Qin was de macht van de staat Qin vergroten en een meedogenloze dictatuur te creëren.[2]Dit gaf Qin een voordeel boven de andere staten. Aan de ene kant zorgde dit ervoor dat het leger als een eenheid kon opereren en aan de andere kant dat het door bewezen bekwame officieren werd geleid. Daarmee hebben we het kenmerk van een moderne staat, namelijk dat functies niet worden verdeeld op grond van verwantschap maar verdienste. Qin voerde dit door in alle facetten van de overheid met als doel: “het traditionele, op verwantschap gebaseerde systeem van gezag en grondbezit te ondermijnen en dat te vervangen door een veel onpersoonlijker vorm van bewind waarin de staat centraal stond.[3]  Uiteindelijk verenigde Qin de andere Chinese staten onder zich en daarmee was de eerste dynastie een feit: de Qin.

In het leven is niets zeker, behalve dan dat het eindigt met de dood. Ook in het leven van politieke verbanden, en een moderne staat is een politiek verband, is niets zeker dus ook niet het behoud van een moderne staat. De macht van Qin stond of viel met de kracht en visie van de leider, die meedogenloze dictator. En zoals iedere monarchie weet, heb je sterke en krachtige koningen, maar ook zwakke. De sterken houden tegenkrachten eronder, de zwakken geven eraan toe. Die tegenkrachten bestaan steevast uit machtige personen die hun macht, rijkdom en positie over willen dragen aan hun kinderen. Als dat gebeurt dan vervalt de moderne staat in een patrimoniale. Dit lot trof ook de Qin-dynastie.

Voor Qin was voor wat betreft het leger het slagveld de plaats waar de selectie op basis van kwaliteiten plaatsvond. Voor andere ambten werd uiteindelijk het ambtenarenexamen in het leven geroepen. De besten kregen de posten maar dan wel ver verwijderd van hun geboortegrond en dus hun familie. Dit om te voorkomen dat ze hun familie zouden bevoorrechten. De geschiedenis kent ook andere manieren om macht los te trekken van verwantschap. Neem de Mamelukken, slaafsoldaten. Een islamiet mocht een geloofsgenoot niet in slavernij brengen. De Ajjoebiden-dynastie vond daar wat op: kinderen en jonge mannen uit niet-islamitische grensgebieden vangen. Die werden vervolgens soldaat en moslim. Dat laatste was geen probleem omdat ze toen ze slaaf werden, geen moslim waren. De in het westen beroemdste Mameluk was Salah Al-Din die Jerusalem heroverde op de kruisvaarders. Belangrijker dan die overwinning was echter:  “toen ze in 1260 het leger van de Mongolen versloegen in de slag bij Ain Jalut.[4]” De Mamelukken namen de macht over van de Ajjoebiden en vestigden het Mamelukse rijk dat vanaf het midden van de dertiende tot het begin van de zestiende eeuw heerste over Egypte en Syrië. Uiteindelijk werden de Mamelukken verslagen door de Ottomanen. Die maakten trouwens ook gebruik van kindsoldaten, de Janitsaren. De positie van zowel Mameluk als Janitsaar was niet erfelijk. Hun kinderen waren immers wel moslim en mochten daarom niet in slavernij worden gebracht.

Welk systeem er ook wordt ontwikkeld, altijd steken patrimoniale trekken weer de kop op. Mensen die macht en positie verwerven en hun kinderen daarmee willen bevoordelen. Zoals Fukuyama het schrijft: “De feitelijke verdeling van de rijkdom zal veel meer een weerspiegeling zijn van toevallige beginomstandigheden of de toegang tot politieke macht van de landeigenaar dan van productiviteit of noeste arbeid.” Een heerser kan dan twee dingen doen: “de kant van de boeren kiezen en de staatsmacht gebruiken om landhervormingen en egalitaire landrechten te propageren en zo de aristocratie te beknotten. … Of de heersers kunnen de kant van de aristocratie kiezen en de staatsmacht gebruiken om de greep van de plaatselijke oligarchen over de boeren te versterken.” En vertaald naar het heden: ‘Zelfs in de huidige mobiele, kapitalistische ondernemerseconomie vergeten starre verdedigers van eigendomsrechten dikwijls dat uit de bestaande verdeling van de rijkdom niet altijd de superieure deugd van de rijken blijkt en dat markten niet altijd efficiënt zijn.[5] En in de huidige mobiele kapitalistische ondernemerseconomie kan de overheid de staatsmacht gebruiken om de kant van de werknemer en consument te kiezen en hen via wetgeving te beschermen door de multinationals aan banden te leggen. Of kiezen voor de multinationals waardoor die de werknemer en consument verder kunnen uitbuiten.


[1] Deel 1: https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/21/de-oorsprong-van-onze-politiek-tribalisme/

Deel 2: https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/25/de-patrimoniale-staat/

[2] Francis Fukuyama,De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 135

[3] Idem, pagina 144

[4] Idem, pagina 239

[5] Idem, pagina 171

Uitgelicht

Exclusief inclusief

Dit jaar komt de film The Tragedy of Macbeth van regisseur Joel Cohn uit. Dat schrijf ik nu wel, maar hoe zeker is zoiets tegenwoordig? Maar daar gaat het me niet om. De elfde eeuwse Schotse lord wordt gespeeld door Denzel Washington. Als liefhebber van films waarin Washington speelt, kijk ik er al naar uit. Alleen vraag ik me af of dit wel door de beugel kan.

Bron: WikimediaCommons

Ik twijfel door een artikel van Janice Deul in de Volkskrant. Deul noemt zichzelf: “activist, journalist  en curator en maakt zich sterk voor een inclusief klimaat in  mode, media, kunst en cultuur.” Zij breekt een lans voor talent van kleur want dat: “dient gezien, gehoord en gekoesterd te worden. Breng ook hun werk uit, huur ook hen in en stel daar een passende vergoeding tegenover.” Niets mis mee. Alle talent of beter nog iedere mens, van welke kleur dan ook, moeten we koesteren. Alleen door de manier waarop ze die lans breekt, twijfel ik of Washington wel de juiste persoon is om de elfde-eeuwse schotse Lord Macbeth te spelen. Wat is er aan de hand?

Op 20 januari 2021 werd Jo Biden ingehuldigd als de zesenveertigste president van de Verenigde Staten. Een ceremonie die werd opgeluisterd door optredens van Garth Brooks. Lady Gaga deed een muzikale duid in het zakje en zo waren er nog veel meer. Het meest bijzondere vond ik echter de 22-jarige Amanda Gorman. Gorman droeg haar gedicht The Hill we Climb op een overweldigende manier voor. Nu heeft uitgeverij Meulenhoff de vertaalrechten van Gormans werk verworven. De uitgever heeft Marieke Lucas Rijneveld hiervoor gevraagd. En dat laatste is tegen het zere been van Deul.

“Een onbegrijpelijke keuze, in mijn optiek en die van vele anderen die via de sociale media uiting gaven aan hun pijn, frustratie, woede en teleurstelling. Harvard-alumna Gorman, opgevoed door een alleenstaande moeder en wegens spraakproblemen gelabeld als ‘special needs’-kind, omschrijft zichzelf als ‘skinnyBlack girl’. En haar werk en leven zijn gekleurd door haar ervaringen en identiteit als zwarte vrouw. Is het dan – op z’n zachtst gezegd – niet een gemiste kans om Marieke Lucas Rijneveld in te huren voor deze job? Hen is wit, non-binair, heeft geen ervaring op dit gebied, maar is volgens Meulenhoff toch de ‘gedroomde vertaler’?” Zo schrijft Deul. Volgens Deul zou de boodschap veel krachtiger zijn als een vrouwelijke dichter van kleur de klus zou klaren. Het lijkt mij niet de bedoeling van een vertaler om de boodschap die moet worden vertaald, krachtiger te maken. De bedoeling van een vertaling is om de boodschap over te brengen zoals ze is bedoeld. Dit terzijde want daar gaat het me niet om.

Waar het me wel om gaat is de manier van redeneren die Deul gebruikt. Omdat Gorman een jonge, vrouwelijke dichter is met een donkere huidskleur, moet haar gedicht worden vertaald door een jonge vrouwelijke dichter met een donkere huidskleur. Anderen kunnen zich, zo begrijp ik Deuls betoog, onvoldoende inleven in de bedoeling en de boodschap. En nu twijfel ik of Washington, een Amerikaanse acteur met een donkere huidskleur zich wel voldoende kan inleven in een Schotse lord uit de Elfde eeuw. En een stapje verder, kan Macbeth nog wel worden gespeeld? Want is er überhaupt iemand die zich kan inleven in iemand uit de elfde eeuw? En de redenering van Deul doorzettend, kunnen er nog wel films worden gemaakt en romans worden geschreven die zich in het verleden afspelen? En oh jeetje, ook mijn geliefde sciencefictiongenre is onmogelijk. Want wie kan zich nu inleven in een Klingon of Ferengi uit de drieëntwintigste eeuw?

Beste mevrouw Deul, ik begrijp dat u zich inzet voor een inclusieve samenleving. Een samenleving waar iedereen erbij hoort. Bij het streven naar dat doel vindt u mij aan uw zijde. Alleen denk ik niet dat u dat met uw pleidooi voor exclusiviteit gaat bereiken. Uw inclusief is bijzonder exclusief.

t.