Uitgelicht

Zwijgen over de ander

Integratie van ‘nieuwkomers’ in de Nederlandse samenleving is een belangrijk item en onderwerp van menig discussie. Van die nieuwkomer wordt verwacht dat hij zich aanpast en gaat ‘doen als wij doen’. Het inburgeringsexamen is erop gericht om de nieuwkomer te leren hoe wij hier doen en handelen. Van de nieuwkomer wordt verwacht dat hij deelneemt aan het verenigingsleven, contact zoekt met anderen in dit land en actief wordt in zijn buurt. In die discussie wordt benadrukt dat die nieuwkomer anders is en afwijkt van ‘de norm’. Is al die nadruk op dat inburgeren en het ‘worden zoals wij’, als al duidelijk is wie die wij zijn, wel verstandig? 

Eigen foto

Ik stel die vraag omdat ik halverwege het boek Stadsleven. Een visie op de metropool van de toekomst van de socioloog Richard Sennett ben. Hoe het ‘afloopt’ kan ik jullie nog niet vertellen. Dat komt vast nog wel een keer. Zo ongeveer op de helft, op pagina 182, constateert Sennett iets waarbij ik aan het Nederlandse beleid over integratie en inburgering moest denken. Sennett: “Meer in het algemeen kun je zeggen dat gemengde gemeenschappen alleen goed functioneren als het bewustzijn van de Ander niet al te zeer op de voorgrond staat. Als het door een bepaalde gebeurtenis wel op de voorgrond komt te staan, wordt de last van het anders-zijn sterker gevoeld en kan het wantrouwen intreden.” 

Zwijgzaamheid baart vertrouwen, aandacht versterkt wantrouwen, constateert Sennett. Dat ergens de nadruk op leggen betekent dat het gaat opvallen, klinkt niet vreemd in de oren. Als de nadruk wordt gelegd op die ‘roze olifant’ al is het maar door te zeggen dat je er niet op moet letten, ga je er juist op letten. Zou Sennett een punt hebben? 

Als dat zo is, zouden we dan met al die aandacht en nadruk op inburgering en integratie niet juist het paard achter de wagen spannen? Door erop te hameren, worden we ons bewust van het ‘anders’ zijn van de nieuwkomer. Leidt dit beleid er niet toe dat verschillen worden uitvergroot? Zou dat dan niet alleen voor de nieuwkomer gelden maar ook voor ‘niet nieuwkomers’ die ‘anders’ zijn dan de norm?

Zwijgzaamheid baart vertrouwen,” schrijft Sennett. Zwijgzaamheid en wat hij het “oppervlakkig ritueel” noemt: “Je vraagt de buurman hoe het met hem gaat, ook als je het niet zo nodig hoeft te weten. Je doet het als teken van erkenning.” Zullen we het eens gaan doen: zwijgen over de ‘ander’ en oppervlakkige gesprekken met elkaar voeren?

Uitgelicht

Wat was en IS (deel 4)

Vandaag het vierde en laatste deel in de serie Wat was en IS. Wilt u eerst de andere delen lezen? klik hier voor deel 1, deel 2 en deel 3.

Devaluatie van onze waarden

Naast het gesol in het Midden-Oosten is er nog iets wat kan hebben bijgedragen aan de opkomst van op de islam geïnspireerd terrorisme. Het Westen met als leider de Verenigde Staten zag en verkocht zich als de verspreider van vrijheid, mensenrechten en democratie. Van een open en transparante samenleving. Tot zover de theorie. In de praktijk werden en worden regimes en dictators ondersteund die zich aan die mensenrechten en de democratische waarden weinig gelegen laten. Neem bijvoorbeeld de ‘beste bondgenoot’ van de VS in het Midden-Oosten: Saoedi-Arabië. Een autoritair koninkrijk waar het met de vrijheden slecht is gesteld, waar aan slavernij verwante praktijken nog redelijk gebruikelijk zijn en waar tegenstanders het risico lopen om ‘na een kleine onenigheid’ van de aardbodem te verdwijnen. Een land dat door het Westen gesanctioneerd een ander land, Jemen, naar de middeleeuwen bombardeert. In de praktijk werden er ook, zoals met Allende in Chili gebeurde, democratisch gekozen regeringen afgezet en vervangen door (militaire) dictaturen. Die praktijk staat in redelijk contrast met het beeld dat het Westen van zichzelf heeft en anderen zien dat ook.

Bron: Flickr

Zoals gezegd is ‘sollen’ eigen aan macht. Je ‘solt’ voor je eigen gewin omdat je de macht hebt om te ‘sollen’ en dat verantwoord je door te wijzen op je eigen superioriteit. Je ‘solt’ om de democratie te bevorderen en de mensenrechten te beschermen. Maar hoe aantrekkelijk worden die waarden als je kind wordt gedood door die ‘hellfire’ bij de buren? Hoe aantrekkelijk worden die waarden als je man of ouders worden omschreven als ‘collaterale damage’? Hoe aantrekkelijk worden die waarden als ‘regimes’ worden ondersteund die lak hebben aan die waarden? Hoe aantrekkelijk worden die waarden als internationaal recht met voeten wordt getreden, zoals de VS in Guantanamo Bay en Abu Ghraib? Wat is de morele aantrekkingskracht van zo’n samenleving? Hoeveel waarde zal er aan mensenrechten worden gehecht als landen die ze met woorden prediken ze door hun daden met voeten treden?

Op nog een tweede manier devalueert het Westen haar waarden. Dat gebeurt door de manier waarop het Westen reageert op terrorisme. Wijlen Johan Cruijff deed een legendarische uitspraak over Italië als voetballand en Italiaanse clubs: “Ze kennen niet van je winnen, maar jij ken wel van ze verliezen.” Die uitspraak gaat ook op voor terroristen. Terroristen vormen, zo beweert Beatrice de Graaf in haar DWDD-college terecht, geen existentiële bedreiging voor onze open, inclusieve samenleving. Zij kunnen niet van ons winnen. Wij kunnen wel van hen verliezen. Een vrije, open, inclusieve samenleving is het beste wapen tegen terrorisme. Terroristen kunnen die samenleving niet afbreken, dat kunnen we alleen zelf doen. Wordt de kracht niet ondermijnt als gezagsdragers de plegers van deze aanslagen bestempelen als idioten, barbaren en griezels, door er beesten van te maken? Als mensen worden ‘ontmenselijkt’ want als het geen mensen zijn, hebben ze ook geen mensenrechten en hoeven we ze niet als mensen te behandelen. Wordt de kracht van de samenleving niet juist ondermijnt door deze vrijheden te beperken? Zeker als deze beperkingen steeds dezelfde mensen treffen. Mensen die met daden en woorden ‘buiten de samenleving’ worden geplaatst.

Hoe prettig wordt een samenleving waarin leidende politici delen van de bevolking in een hoek plaatsen alleen op basis van hun religie? Hoe makkelijk worden mensen door de oorlogsretoriek in de ‘hoek’ en buiten de samenleving geplaatst en als vijanden te bestempelen en te behandelen? Door ze te ontmenselijken? Zou het niet de kracht van een open, inclusieve samenleving moeten zijn, om juist mensen als mensen te zien en te behandelen? Hoe open en inclusief is de Nederlandse samenleving nog? Welk samen is er in een samenleving als de ene helft door de andere niet als mens wordt gezien en vice versa?

“Een situatie waarin handelen uit rationeel eigen belang op de markt tot resultaten leidt die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.” Dat is rationele irrationaliteit volgens de journalist John Cassidy. Hij gebruikt dit begrip in zijn boek Wat als de markt faalt (pagina 159) om de economische situatie vóór de bankencrisis te beschrijven. Als we het economische weglaten en we passen het op de politiek toe, dan is rationale irrationaliteit: ‘een situatie waarin op rationeel eigen belang gebaseerde politieke handelen leidt tot irrationele en inferieure resultaten. Alle stappen die worden gezet kunnen als rationeel worden gezien als er sprake is van een oorlog. En omdat het oorlogsframe wordt gebruikt, lijken de maatregelen rationeel. Maar is het resultaat ook rationeel? De ‘War on Terror’ als een vorm van rationele irrationaliteit?

Ook al deze acties in de ‘oorlog tegen terrorisme’ hebben gevolgen. Maatregelen die onze open, vrije en inclusieve samenleving beperken, verzwakken ons verweer tegen terreur en terrorisme omdat ze bijdragen aan polarisatie en verdeeldheid. Wat belangrijker is door het nemen van maatregelen die de waarden van een open, vrije en inclusieve samenleving verzwakken, straalt die samenleving angst uit. Die angst maakt terrorisme tot een nog aantrekkelijker alternatief voor de, zoals De Graaf ze noemt, ‘klunzen en losers’ van de geschiedenis. Die angst geeft hen meer macht. 

Eigen foto

Conclusie

Daarmee ben ik aan het einde van mijn beschrijving van de wereld waarin terrorisme dat zich baseert op de islam kon ontstaan. Het is, zoals gezegd, geen antwoord op de vraag hoe IS is ontstaan. Voor een antwoord op die vraag is veel diepgaander onderzoek nodig. Wel kunnen we concluderen dat de geschiedenis bol staat van ‘gesol’ door de machtigen. De onmachtigen reageren op dit gesol, zij moeten zich hiertoe verhouden. De machtigen passen vervolgens hun gesol weer aan die reactie aan.

Aan het einde van dit artikel moet ik denken aan het boek  De Mars der Dwaasheid. Bestuurlijk onvermogen van Troje tot Vietnam van historica Barbara Tuchman. Tuchman opent met de volgende alinea (pagina 12): “Een verschijnsel dat we overal en altijd in de geschiedenis tegenkomen is dat regeringen een beleid volgen dat tegen hun eigen belang indruist. Het lijkt alsof de mens van besturen een magerder vertoning maakt dan van elke andere bedrijvigheid. Wijsheid, die men zou kunnen omschrijven als het uitoefenen van een oordeel op basis van ervaring, gezond verstand en beschikbare informatie, is hier ver te zoeken en wordt vaker in de wind geslagen dan eigenlijk zou mogen. Hoe komt het dat hoogwaardigheidsbekleders zo vaak handelen in strijd met wat de rede of het welbegrepen eigenbelang hun influistert? Waarom lijkt het gezond verstand het zo menigmaal af te laten weten?” Om bij haar titel aan te haken: waarom handelen bestuurders zo dwaas? Voor Tuchman is er sprake van dwaasheid als de gevoerde politiek aan drie criteria voldoet. Als eerste moet de gevoerde politiek destijds ook als averechts zijn onderkend en niet pas achteraf. Het tweede criterium is dat er geschikte alternatieve gedragslijnen beschikbaar moesten zijn. Het laatste criterium is dat het de politiek van een groep moet zijn geweest en niet van een individuele heerser. Een politiek die langer heeft geduurd dan een politieke levensduur. De ‘War on terror’ lijkt te voldoen aan alle drie de criteria. Tijd voor herbezinning?

Ik hoop dat de dochter van onze vrienden nu een beter beeld heeft bij het informatie verzamelen, wegen en ordenen en dat verwerken in een betoog met kop en staart. Ik hoop dat ze er ook van opsteekt dat menselijk gedrag door de eeuwen heen vrij constant is en dat we door het verleden te bestuderen veel over dat gedrag kunnen leren en dus veel over onszelf.


Uitgelicht

Wat was en IS (deel 2)

Vandaag deel 2 in de serie Wat was en IS. Deel 1 nog niet gelezen? Klik dan hier.

Het gesol gaat door 

Zelf gedaan, maar daarmee was Iran nog niet verlost van het gesol. In de jaren tachtig van de vorige eeuw vocht Irak een bloedige oorlog uit met de nieuwe islamitische republiek Iran. Het Irak van Saddam Hoessein wilde van de chaos na de Iraanse revolutie gebruik maken en viel op 22 september 1980 Iran aan met als doel de Iraanse olievelden te veroveren. In deze oorlog kon Irak op steun van het Westen en de Arabische golfstaten rekenen. Ze waren die nieuwe islamitische republiek liever kwijt dan rijk omdat het een bedreiging vormde voor de koninkrijken, emiraten en de oliestroom naar het westen. De seculiere Saddam leek minder gevaarlijk en kon op flinke financieel steun in de vorm van leningen rekenen. Irak kocht hiervoor moderne westerse wapens zoals Franse Mirage vliegtuigen. Dit met medeweten en ondersteuning van de westerse landen. De oorlog werd geen succes voor Irak en eindigde op 20 juli 1988 met een wapenstilstand. Irak had zich flink in de schulden gestoken en moest die afbetalen. Daarvoor had het medewerking van de andere olieproducerende landen binnen de OPEC nodig. En juist buurman en belangrijke ‘oorlogsfinancier’ Koeweit, produceerde veel meer olie dan het volgens de afspraken mocht. Meer aanbod zorgt voor lagere prijzen en door die lagere prijzen kwam Irak in betalingsproblemen. Daar kwam bij dat Koeweit, volgens Irak, oliebronnen aan de Iraakse zijde van hun gezamenlijke grens had aangeboord. Onderhandelingen hierover liepen uiteindelijk op niets uit. En met Irak komen we bij een derde belangrijk moment.

Operatie Desert Storm. Bron Wikimedia Commons

Op 2 augustus 1990 viel Irak Koeweit binnen en na een paar uur was de weerstand van het Koeweitse leger gebroken. Saddam Hoesein verklaarde daarop dat Koeweit een Iraakse provincie was. De Verenigde Naties (VN) veroordeelden de inval en bezetting, legde Irak sancties op en stelde een ultimatum in. Vóór 15 januari 1991 moest Irak zich onvoorwaardelijk terugtrekken uit Koeweit. Het gesol in het Midden-Oosten ging hiermee een nieuwe fase in.

Saoedie-Arabië schrok van de Iraakse inval in Koeweit en was bevreesd het volgende slachtoffer te worden van de Iraakse agressie. Het land vroeg daarop bescherming van de Verenigde Staten onder leiding van president George Bush sr. Die kwam in de vorm van schepen, vliegtuigen en ruim 500.000 soldaten met hun materieel. In hoeverre de angst van de Saoediërs gerechtvaardigd was, is twijfelachtig. Irak beschikte wel over een groot leger, maar was na de lange oorlog met Iran behoorlijk uitgeput. Bovendien beschikte Saoedie-Arabië over een moderne bij de Verenigde Staten ingekochte, luchtmacht. Een luchtmacht waartegen de Irakezen het zwaar zouden hebben. Argumenten voor het zenden van Amerikaanse troepen waren onder andere de massa-vernietigingswapens die Irak had, mosterdgas en Antrax. Tijdens de oorlog met Iran had Irak de middelen en techniek om deze wapens te maken, via het westen (onder andere Nederland) gekregen. Een ander argument betrof een verhaal dat de Irakezen pas geboren kindjes uit couveuses haalden, ze op de grond wierpen en ze lieten sterven. Dit verhaal leidde tot grote verontwaardiging onder de Amerikanen. Het bleek later uit een ‘koninklijke’ Koeweitse duim te zijn gezogen. Irak wilde niet aan het ultimatum voldoen en twee dagen na het verlopen ervan werd begonnen met het bombarderen van de Iraakse troepen, de commando- en infrastructuur. Op 24 februari 1991 volgde een grondoffensief en op 27 februari waren de Irakezen verdreven uit Koeweit. De VN namen een resolutie aan waaraan Irak moest voldoen. Die omvatte wapeninspecties om die massa-vernietigingswapens op te sporen, economische sancties en in het noorden en zuiden werd een no-flyzone ingesteld voor de Iraakse luchtmacht. Dit moest voorkomen dat Saddam Hoessein wraak zou nemen op de Koerden in het noorden en de sjiieten in het Zuiden. Die waren, aangemoedigd door de VS, in opstand gekomen maar veel te zwak om Saddams leger te verslaan. Saddam bleef verzwakt in het zadel en dat tot ongenoegen van ook veel gezaghebbende Amerikanen. Die hadden liever gezien dat Saddam zou zijn verdreven. Het VN mandaat stond dit echter niet toe.

War on terror

Die onvrede etterde nog vele jaren door. Etter in diverse vormen zoals aanvullende sancties voor Irak, een verbod om olie te verkopen behalve dan als het geld aan voedsel werd besteed. De zoektocht naar die massa-vernietigingswapens leverde niets op. In 1998 beëindigde Irak die inspecties eenzijdig en wees de inspecteurs het land uit. De VS gesteund door Groot-Brittannië (VK) bombardeerden daarop plekken waarvan zij dachten dat er mogelijk massa-vernietigingswapens waren opgeslagen.

Daarmee komen we bij de aanslagen van 11 september 2001 en ‘war on Terror’. In Buitenhof van 27 maart 2016 sprak Paul Witteman met David van Reybrouck en Willem Schinkel over de aanslagen in Brussel. Onvermijdelijk ging het in dit gesprek ook over de ‘oorlog tegen het terrorisme’. Het frame gemunt door voormalig president George Bush van de Verenigde Staten. De aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon werden al meteen een ‘act of war’, een oorlogsdaad, genoemd. De NAVO activeerde artikel 5: een gewapende aanval tegen een lid, is een aanval tegen allen. Aangezien de NAVO een militair bondgenootschap is, zit je meteen in het militaire. Zo ontstond een dynamiek gebaseerd op oorlog en dan kom je al snel bij een ‘oorlog tegen terrorisme’. Dat is daarvan een rationeel gevolg. 

Aanslag op de Twin Towers 9 september 2001. bron: Flickr

Eenmaal in de oorlogsratio wordt er gebombardeerd, worden er troepen gestuurd naar landen en ben je ‘voor of tegen ons’. Ben je voor ‘ons’ dan krijg je wapens en steun, ook al zou ’je’ onder normale omstandigheden geen vriend van ons zijn. Maar een vijand van ‘onze’ vijand, is een vriend. Ben je tegen ‘ons’ dan krijg je, afhankelijk van je sterkte, te maken met sancties en internationale uitsluiting, zoals Iran en Noord-Korea, met bombardementen en drone-aanvallen. De echt ongelukkigen worden getroffen door een volledige oorlog, zoals Afghanistan en Irak. In dat laatste geval geheel ten onrechte omdat er geen sprake was van banden tussen Al Qaida en het Irak van Saddam Hoessein. Maar stond daar niet nog een rekening open? Het verwijt dat de eerste president Bush kreeg dat het karwei niet was afgemaakt.

Eenmaal in oorlog elimineer je, mogelijke, vijanden. Dan is een drone die een ‘hellfire’ door de brievenbus’ schiet om iemand uit te schakelen een passende actie. Ook al ‘sneuvelt’ de hele familie en de buren van die ‘vijand’. Dat wordt ‘collateral damage’ genoemd en is acceptabel. Ze ‘sneuvelen’ en dat klinkt minder ernstig dan dat ze worden vermoord. En dan worden aanslagen zoals die in Brussel en Parijs ‘aanvallen of attacks‘ genoemd.

Eenmaal in oorlog kun je alleen maar terug als je hebt gewonnen of verloren. Een oorlog is traditioneel een gewapende strijd tussen volken of staten. Daar is bij de ‘oorlog tegen terrorisme’ geen sprake van. Een oorlog kent een duidelijk eindpunt, de overwinning van een partij of een bestand waarmee het conflict wordt bevroren. Zou het mogelijk zijn om terrorisme te overwinnen? IS kan worden verslagen, maar is daarmee het terrorisme verslagen? Of iets beperkter, het jihadistisch terrorisme? De Britse filosoof John Gray noemt, in zijn boek Zwarte mis. Apocalyptische religie en de moderne utopieën een oorlog om het terrorisme uit te roeien een waandenkbeeld. Een frame dat tegenwoordig door zo ongeveer iedereen wordt gebruikt. Wanneer eindigt deze oorlog? Omdat dit niet duidelijk is:“Geef je jezelf kennelijk een mandaat tot permanent ogenschijnlijk eindeloos geweld”, zoals Willem Schinkel het in Buitenhof noemde. En niet alleen eindeloos geweld, ook een reden om eindeloos nieuwe ‘preventieve’ bevoegdheden te vragen. Steeds meer ‘bevoegdheden’ die onze vrijheden beperken.

Die aanslagen van 11 september 2001 creëerden voor de VS, nu onder leiding van president George W. Bush jr. (de zoon van), een gelegenheid om weer tegen Irak in actie te komen. Het bewerkte andere landen en kreeg de VN veiligheidsraad zover om een resolutie aan te nemen die Irak een laatste kans bood om inspecties toe te staan. Zou het dat niet doen dan zouden er ‘serious consequences’ volgen. Wat die waren was niet duidelijk. Schoorvoetend ging Irak hiermee akkoord, maar het ging de VS en het VK te langzaam. Op 20 maart 2003 vielen zij aan. De aanval werd onderbouwd met als argument dat:

  • Irak massa-vernietigingswapens bezat. Na de oorlog bleken die er, zoals de inspecteurs ook al hadden geconstateerd, niet te zijn. Dit ondanks een ronkende presentatie van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, voor de Verenigde Naties. 
  • Irak het internationaal terrorisme zou steunen, met name Al Qaida. Nu zal Irak best enkele verzetsorganisatie, die door de betreffende landen als terroristisch werden beschouwd, hebben gesteund. Internationaal terrorisme is echter een groot woord dat het doet lijken alsof er sprake is van een groot internationaal netwerk. Dat Saddam Al Qaida zou steunen, lijkt heel ver gezocht. Hiervoor werden ook geen harde bewijzen geleverd. Sterker nog, Colin Powell gaf later toe dat er geen bewijzen waren.
  • hij zijn bevolking zou onderdrukken en vermoorden. Een goede reden maar waarom dan alleen Saddam? Assad van Syrië, Mubarak van Egypte, de koning van Saoedie-Arabië en zo zijn er meer die hun bevolking onderdrukten en indien nodig vermoorden.
  • Saddam Hoessein het zelfmoordterrorisme tegen Israeliërs steunde door de nabestaanden van de zelfmoordenaar financieel te ondersteunen. Niet leuk natuurlijk, maar daarin was Irak niet de enige en om dat als een casus bello te zien, is wel erg zwaar.
  • Irak negeerde keer op keer resoluties van de VN veiligheidsraad. Iets waar meer landen, waaronder Israel, een handje van hadden. 

Militair werd die oorlog een groot succes, Irak werd verslagen en het regime van Saddam Hoessein werd grondig verwijderd. Alle regeringsfunctionarissen van de Baath partij met inbegrip van politie-agenten, onderwijzend personeel aan universiteiten en scholen, verpleegkundigen en artsen werden ontslagen en het leger werd ontbonden.

Morgen deel 3 in deze reeks.


Uitgelicht

Wat was en IS (deel 1)

De dochter van vrienden van ons, moet een studie kiezen. Omdat zij het vak geschiedenis leuk vindt, denkt zij erover om geschiedenis te gaan studeren. Maar wat kun je er later mee worden? Daarom ging zij in gesprek met de historicus achter de Ballonnendoorprikker. Nu kun je allerlei beroepen gaan noemen zoals geschiedenisleraar, ambtenaar of zoiets. Belangrijker is de vraag wat je leert tijdens de studie en bij de studie geschiedenis is dat informatie verzamelen, wegen en ordenen en dit verwerken in een betoog met kop en staart. ‘Oh, dus jij kunt vertellen hoe IS is ontstaan?’ vroeg de meid. Een vraag die een vriend mij een paar jaar geleden al eens stelde in een andere vorm. Een interessante vraag die ik niet kan beantwoorden want ik was niet bij de oprichting van IS. Wat ik in de komende vier Prikkers wel probeer is een schets te geven van de wereld waarin IS en terrorisme dat zich beroept op de islam kon ontstaan en hoe er vervolgens op werd en wordt gereageerd.

Het jihadistisch terrorisme, kent een lange voorgeschiedenis met een duidelijk markatiepunt. Een punt waarna ‘war on terror’ het dominante politieke frame werd: de aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon van 11 september 2011. Beatrice de Graaf noemt in haar  DWDD college met goede redenen het jaar 1979 als beginpunt. In dat jaar kwam in Iran Ayatollah Khomeini aan de macht. Iran werd een islamitische republiek. Khomeini bood de wereld en dan vooral de islamitische wereld een alternatief in de tot dan toe redelijk bipolaire wereldorde met aan de ene kant de Verenigde Staten als kapitalistische supermacht en aan de andere kant de Sovjet Unie als communistische supermacht. Hij zei eigenlijk: beste islamitische broeders, we kunnen het ook zelf.

‘Beginpunten’ zijn lastig voor een historicus. Lastig omdat er ook een tijd voor dat punt is en zonder die tijd voor dat punt, was het er nooit gekomen. Om dat beginpunt te verklaren zal een historicus daarom ook altijd de aanloop ernaar beschrijven. Die aanloop moet immers verklaren hoe het tot dat beginpunt kwam. In deze Prikker volg ik Beatrice de Graaf. De oprichting van de islamitische republiek onder Khomeini was een bijzonder moment. Niet omdat Iran een islamitische republiek werd. Landen met een sterk islamitische inslag waren er immers al. Neem alleen al het Saoedische koninkrijk. Wat nieuw was aan Iran was dat het land het Westen, de Amerikanen, buiten de deur zette, zonder dat het een beroep deed op of werd ondersteund door de andere wereldmacht, de Sovjet-Unie. Maar zoals een goed historicus betaamt eerst wat aan dat keerpunt vooraf ging.

Codex Hammurabi. Bron: Wikimedia Commons

De aanloop

De afgelopen tijd staat de term ‘zijderoute’ steeds vaker in de krant. Steevast volgt er dan een verhandeling over China dat spoorlijnen aanlegt en havens opkoopt op de route tussen de Chinese zee en de de Noordzee. Wellicht moet je bij zijderoute denken aan Marco Polo, de Venetiaanse ontdekkingsreiziger die door onbekende gebieden reisde, gebieden zoals China, Perzië en India en die verhalen op schrift stelde. Hij volgde de ‘zijderoute’. Met zijn boek opende hij de Europese ogen voor dat andere deel van de wereld. Twaalfhonderd jaar eerder zou zijn boek weinig indruk hebben gemaakt op de inwoners van het Romeinse rijk. Die waren op de hoogte van het bestaan van China, Perzië en India en van de producten die vanuit die gebieden kwamen. Het Romeinse rijk aan de ene kant en het Chinese rijk onder de Han-dynastie aan de andere kant waren de twee motoren waartussen driftig werd gehandeld. Centraal tussen die twee motoren lag Centraal-Azië. Kennis die langzaam verloren ging na de instorting van het Romeinse rijk.

Als de gemiddelde Westerling nu aan het Midden-Oosten en Centraal-Azië denkt dan is dat vaak in negatieve termen. Het risico is redelijk groot dat, in navolging van een Tweede-Kamerlid, het woord achterlijk valt of barbaars. Toch was dit gebied eeuwen, nee millennia lang het centrum van de wereld. Het gebied waar de eerste steden ontstonden en waar twee wereldgodsdiensten hun oorsprong vinden. Het gebied waar het schrift is ontstaan en waar de eerste verhalen zijn opgetekend. Het gebied waar de eerste wetten, de codex Hammurabi bijvoorbeeld, en de eerste verhalen op schrift zijn gesteld. Maar vooral, lag het gebied centraal tussen de dichtstbevolkte gebieden van de wereld. China, India en het Middellandse Zeegebied en dus op een ideale plek om te profiteren van de handel tussen deze gebieden. Die gunstige ligging maakte het natuurlijk ook aantrekkelijk voor anderen om het te veroveren en er de baas te spelen. Alle grote Euraziatische rijken hebben dat dan ook geprobeerd en als het gebied zelf geen sterk rijk kende, dan lukte dat. Had het een sterk rijk, dan probeerde dat rijk het omliggende gebied te beheersen. In zijn boek De Zijderoutes geeft de historicus Peter Frankonpan een beschrijving van drie millennia geschiedenis van dit gebied. Het gebied vervult ook een grote rol in Jonathan Holslags boek Vrede en Oorlog. Een wereldgeschiedenis.

Eeuwenlang dus het centrum van de wereld. Vanaf het einde van de Middeleeuwen begon dat langzaam te veranderen. Spaanse en Portugese zeelieden voeren om Afrika heen en gingen rechtstreeks naar India, Zuidoost Azië, China en Japan en gingen de specerijen en de zijde zelf halen. Later volgden de Hollanders en Engelsen. Met hun grote en sterk bewapende schepen wisten zij in De Oost handelsposten te stichten en zo Centraal-Azië letterlijk te omzeilen. De eerste paar eeuwen viel de schade nog mee. De handel met Europa was niet van zo’n groot belang voor de Centraal Aziatische rijken. Het grote verlies was immers al geleden na de instorting van het Romeinse rijk. 

Dat werd anders toen de Europeanen handel gingen monopoliseren door gebied te koloniseren en het tot hun exclusieve handelsdomein te benoemen: alle import naar en export van het gebied moest via het koloniserende land. Lijkt dat niet een beetje op de handelwijze van de Chinezen nu? Naast de Engelsen, Fransen en Nederlanders moet hierbij ook tsaristisch Rusland worden genoemd. Dat land koloniseerde steeds meer Centraal Aziatisch gebied en zocht zo een weg naar de producten uit China en India en een afzetmarkt voor hun eigen producten. Het Midden-Oosten en Centraal Azië raakten hun centrale positie kwijt en kwamen steeds meer aan de periferie van de wereld te liggen. Het werd een gebied waar de machtige Europese rijken, vooral Engeland, Frankrijk en Rusland hun invloed deden gelden en waar laatkomer Duitsland een voet tussen de deur probeerde te krijgen. Het gebied verarmde verder en was speelbal van de grote Europese mogendheden. Dat werd nog versterkt na de vondst van grote olievelden in het gebied, als eerste in Perzië, het huidige Iran. 

Zo ging het voort ook tijdens de Eerste Wereldoorlog. Een van de bondgenoten aan de kant van de keizerrijken Duitsland en Oostenrijk, was het Ottomaanse rijk. Een rijk dat geen schim meer was van zijn vroegere zelf toen het grote delen van Zuid- en Oost Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten omvatte. Geen schim meer, omdat de Europese machten al een paar eeuwen hapjes en happen uit het rijk namen. De strijdende partijen probeerden het elkaar lastig te maken en zetten de bevolking van het Midden-Oosten en Centraal- Azië tegen de ander op. Dit door bijvoorbeeld beloften te doen over toekomstige zelfstandigheid. Het Ottomaanse rijk overleefde de oorlog niet en dat gaf de winnaars Frankrijk en Engeland de kans om delen van het rijk onder zich te verdelen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog herhaalde zich het spel van toezeggingen en beloften door Engelsen en Duitsers. Het einde van die oorlog betekende het einde van de Duitse bemoeienis in het gebied en een flinke verzwakking van de Engelse en Franse. Zij werden echter vervangen door de twee nieuwe supermachten, de Verenigde Staten aan de ene kant en de Sovjet Unie aan de andere kant. De Amerikaanse bemoeienis concentreerde zich in eerste instantie vooral op Perzië (Iran) mede om te voorkomen dat de Sovjet Unie via dat land de belangrijke Perzische Golf bereikte. Het ‘gesol’ ging dus verder want, zoals ik in De Schaduw van Baudet al schreef, is ‘sollen’ de corebusiness van machtigen. Daarmee zijn we aangekomen bij het door Beatrice de Graaf geformuleerde beginpunt van terrorisme dat zich op de islam beroept. De, in de ogen van de voormalige Sjah en zijn Amerikaanse beschermheren ‘terroristische’, aanhangers van Khomeini grepen in 1979 de macht zonder steun van de Sovjet Unie. Ze deden het zelf. Ze verjoegen de Sjah en de Amerikanen. 

Morgen gaan we hier verder.

Uitgelicht

Fraternité

Na liberté en egalité zoals beloofd een Prikker over het laatste woord van het Franse en Haïtiaanse devies. Het woord fraternité in het Nederlands vertaald als broederschap. Het sluitstuk van het devies en in mijn ogen het woord dat vrijheid en gelijkwaardigheid moet verbinden. Liberté sloot ik af met de opmerking dat alle politieke partijen zoeken naar een evenwicht tussen positieve en negatieve vrijheid. Egalité met de constatering dat een prettige samenleving er een is waar de economische ongelijkheid niet te groot is. Twee keer zoeken naar een evenwicht en dat evenwicht moet worden gevonden in het woord broederschap. Of, zoals ik het zie, rechtvaardigheid.

Rechtvaardigheid en Voorzienigheid. Bron: Picryl

Vandale geeft twee betekenissen bij het woord rechtvaardigheid. 1. in overeenstemming met het recht (handelend), en 2. billijk, eerlijk. Deze twee betekenissen kunnen op gespannen voet staan met elkaar. Zijn wetten altijd eerlijk en billijk? Nog niet zolang geleden kenden de Verenigde Staten wetten die nadelig waren voor Afro-Amerikanen. In vele landen is een huwelijk van mensen van hetzelfde geslacht bij wet verboden. Sterker nog, ook homoseksualiteit is in vele landen verboden. Nederland kende tot de jaren vijftig wetgeving die vrouwen handelingsonbekwaam verklaarde. Nu vinden we dat met onze Nederlandse bril op niet billijk of eerlijk. 

Voor mijn betoog is de tweede betekenis van het begrip, eerlijk en billijk, van belang. Daarop moet een antwoord worden gegeven en als dat antwoord is gegeven en de samenleving en haar wetten daarop is ingericht, dan vallen de eerste en tweede betekenis samen. In vroeger eeuwen werd de rechtvaardigheid van bovenaf opgelegd door koning of keizer en door god bekrachtigd.

In deze Prikker ga ik in op het denken over rechtvaardigheid. Ik doe dit vooral aan de hand van het boek Rechtvaardigheid van de politiek wetenschapper Michael J. Sandel. Sandel weet in dit boek op een heldere wijze en gelardeerd met voorbeelden, de dilemma’s rond het denken over rechtvaardigheid en de belangrijkste stromingen die hierin een rol spelen, te schetsen. Sandel onderscheidt drie benaderingen van rechtvaardigheid. Als eerste een benadering die ervan uitgaat dat iets rechtvaardig is als het totale welzijn ermee wordt gemaximaliseerd, deze stroming wordt utilitarisme genoemd. Een tweede benadering verbindt rechtvaardigheid aan deugdzaamheid en een goede manier van leven. De laatste een stroming die rechtvaardigheid koppelt aan vrijheid.

Hoofdpersoon in dit verhaal is korporaal Marcus Lutrell. Lutrell leidde een groep special forces op een missie in Afghanistan. Die missie liep gruwelijk fout en Lutrell was de enige van zijn team die het overleefde. De film Lone Survivor is gebaseerd op de ervaringen van Lutrell. In het kort het verhaal van Lutrell en dus het plot van de film. Lutrell en zijn groep, in totaal vier personen, worden op pad gestuurd om een hoge talibanleider te volgen en aan te houden. Zij signaleren de leider in een dorpje in een valei. De talibanleider is niet alleen, hij wordt omringd door een grote groep strijders. Lutrell en zijn groep observeren het dorp vanaf een berg die uitziet over de valei waarin het dorpje ligt. Alles gaat goed totdat er een kudde schapen begeleid door twee mannen en jongen van veertien dwars door hun posities loopt. Lutrells groep neemt de drie herders gevangen. Dat leidt tot problemen. Wat moeten ze doen met de twee herders? Ze zien drie mogelijkheden: de herders meenemen, de herders vrijlaten of ze doodmaken. Ze meenemen op hun missie gaat niet omdat ze daarvoor een man van hun groep moeten opofferen. Als ze de herders vrijlaten dan lopen ze het risico dat de herders de taliban waarschuwen en komt hun missie in gevaar. De laatste optie, het doden van de herders, is ook al zoiets. Mag je onschuldige mensen doden? De stemmen staken tussen doden en vrijlaten en omdat Lutrell de hoogste in rang is geeft zijn stem de doorslag en worden de herders vrijgelaten. Dit leidt tot de dood van de drie collega’s van Lutrell en nog 16 andere Amerikanen die hen in een helikopter probeerden te redden. Hoeveel Taliban erbij omkwamen is niet bekend, in de film waren het er heel veel want ze vielen bij bosjes. Lutrell had achteraf spijt van zijn beslissing: had ik de drie maar gedood, dat had veel levens gespaard.

Illustratie: Flickr

Met die redenering van Lutrell komen we bij de eerste stroming in het denken over rechtvaardigheid, het utilitarisme. De ‘uitvinder’ van deze manier van denken en deze stroming is Jeremy Bentham. Het utilitarisme stelt, om Sandel (pagina 75) te citeren:”… dat de morele kwaliteit van een handeling uitsluitend afhangt van de gevolgen dat handelen. Juist handelen is datgene doen waar, alles bij elkaar genomen, de beste situatie uit voortkomt.” De intentie waarmee je handelt doet er niet toe, het resultaat wel. Als door mijn handelen, bijvoorbeeld het stelen van een zak appels, het totale geluk toeneemt, dan is dat stelen rechtvaardig. De liberale rechtvaardigheidsdenker Rawls beschrijft utilitarisme in zijn boek Een theorie van rechtvaardigheid als volgt (pagina 70):”… het goede wordt onafhankelijk van het juiste gedefinieerd, en daarna wordt het juiste gedefinieerd als datgene wat het goede maximaliseert.” Kern van de utilitaristische benadering is dat een verdeling rechtvaardig is als die zorgt voor het grootste totale geluk. Het utilitarisme gaat ervan uit dat een mens streeft naar zoveel mogelijk genot en zo min mogelijk pijn. Geluk is datgene wat tot genot leidt en pijn vermijdt. Als we dit voor een samenleving willen bepalen dan moeten we de individuele gelukssommen optellen. Lutrell telt achteraf de doden en concludeert dat de keuze om de herders te doden maar tot drie doden had geleid tegen de 19 Amerikanen en vele talibanstrijders nu. Al denk ik dat Lutrell die laatste niet meetelt. 

Het optellen van geluk lijkt makkelijk. Maar toch, hoe vergelijk je het geluk of de pijn van het ene met het andere. Met andere woorden, hoe meet je hoeveel geluk een kopje koffie brengt? En brengt een kopje koffie iedere keer evenveel geluk? Brengt een kopje koffie iedereen trouwens evenveel geluk? En dan hebben we het alleen nog maar over een kopje koffie. Hoe meet ik het geluk van dat kopje koffie met een kopje thee of met het kopen van een nieuwe blouse, met een knuffel van mijn dochter, de homerun van mijn zoon? Met andere woorden wat is de gemeenschappelijke munteenheid van geluk en hoe bepalen we hoeveel geluk een activiteit brengt? Dat is een zeer lastige vraag.

Foto: Flickr

Economen lossen dit op door alles een geldelijke waarde te geven. Het geluk van het kopje koffie is de prijs die je ervoor betaalt. Het totale ‘geluk’ van de samenleving is daarmee gelijk aan het bruto binnenlands product (bbp). Voor producten is dat eenvoudig: prijs maal hoeveelheid. Voor diensten wordt dit al wat lastiger. Bovendien gaat dit denken ervan uit dat geluk en het hebben van geld hetzelfde zijn en dat meer geld dus ook meer geluk betekent. Geluk wordt in deze benadering gelijk gesteld met zoveel mogelijk inkomen voor de totale samenleving. Groei van het bbp betekent dan ook een toename van het totale geluk en is daarmee nastrevenswaardig. Door geld en de groei van het bbp te gebruiken wordt een belangrijk probleem van het utilitarisme opgelost. Al is het de vraag of er werkelijk sprake is van een oplossing. Zeker omdat veel zaken die geluk brengen niet worden meegewogen en geteld. De knuffel van mijn dochter telt bijvoorbeeld niet. Maar ook gelijksoortige activiteiten worden verschillend gewogen. Als ik mijn kinderen thuis opvoed, dan wordt dit niet in geld uitgedrukt en telt het niet mee bij het bbp. Breng ik ze naar een kinderopvang, die voor een deel dezelfde activiteit vervult, dan telt het wel mee. Zo ook de zorg voor mijn hulpbehoevende buurman, als ik dat gewoon als buurman doe dan heet het mantelzorg en heeft het geen economische waarde, doe ik het als medewerker van een zorginstelling, dan weer wel. Het cement van onze samenleving, de zorg voor elkaar en dat wat wij vrijwillig voor elkaar doen, telt niet mee. Zouden al die vrijwilligers stoppen dan zou dat kunnen leiden tot een forse toename van het aantal ongelukkige mensen en zo tot een stijging van de zorgkosten als dat al dit werk door professionals gedaan gaat worden. Op die manieren gaat het ineens wel meetellen. Rutger Claassen ziet deze tekortkoming in zijn boek Het huis van de vrijheid vanuit een geheel andere invalshoek als hij kijk naar de verdeling tussen werk en vrije tijd. Hij komt daarbij tot de conclusie dat (pagina 183):”Veel van wat wij in onze vrije tijd doen (..) noodzakelijk (is), en dus eigenlijk arbeid. Met alle activiteiten die nodig zijn om ons huishouden draaiende te houden en onszelf de nodige verzorging te geven (eten, drinken, slapen) zijn we heel wat uren zoet. Die uren worden niet als ‘arbeid’ beschouwd in het kader van een officiële baan, maar dat is eigenlijk ten onrechte.” Zijn geld en het bbp-denken daarmee niet gemankeerde maatstaven voor het wegen van geluk en pech en dus voor het bepalen van rechtvaardigheid? Probleem voor het utilitarisme is dat er geen andere maatstaven zijn.

Dan maar terug naar geluk als maatstaf zoals in Bhutan? Ook dat kan problemen opleveren. Sandel geeft een voorbeeld waarmee Bentham (pagina 45) speelde:” een plan ter verbetering van het ‘bestuur over de armen’. … Benthams uitgangspunt was dat de confrontatie met bedelaars op straat het geluk van voorbijgangers op twee manieren vermindert. Bij teerhartige zielen veroorzaakt de aanblik van een bedelaar de pijn van het medeleven, bij hardvochtigere mensen de pijn van walging. In beide gevallen vermindert de ontmoeting met bedelaars het welbevinden van het publiek op straat. Daarom stelde Bentham voor om bedelaars van de straat te verwijderen en ze in een werkhuis op te sluiten.” Het juiste is voor Bentham het totale geluk en als dat groter is als we de bedelaars in werkhuizen opsluiten alwaar ze met het werk dat ze verrichten hun kost en inwoning betalen dan is juist om ze in die werkhuizen op te sluiten. Ook al betekent dit een toename van het ongeluk van de bedelaars. De redenering van Bentham voelt toch ongemakkelijk. Mensen die niets hebben gedaan opsluiten en verplicht tewerk stellen zien als juist, dat kan niet goed zijn? Dit bezwaar raakt de stroming die rechtvaardigheid verbindt aan de goede manier van leven.

Daarmee komen we bij de tweede stroming in het denken over rechtvaardigheid. De stroming die rechtvaardigheid met het goede verbindt. Daar waar Bentham eerst het goede bepaalde en vervolgens alles wat het goede vergroot juist is, vallen voor deze denkers over rechtvaardigheid het goede en het juiste samen: het goede doen is het juiste.

Clint Eastwood als the Good in de film The Good, the bad and the Ugly. Bron: Flickr

Terug naar Lutrell. Zijn verhaal bevat twee momenten waarop er wordt geredeneerd vanuit het rechtvaardigheid als het goede doen. Als eerste als Lutrell het besluit neemt om de herders te laten lopen. Het voelde voor Lutrell niet goed om mensen te vermoorden die, tenminste voor zover Lutrell kon overzien, niets verkeerd hadden gedaan. Het goed en dus juiste om te doen was de herders te laten gaan. Immers hoe rechtvaardig je het doden van onschuldige mensen? Met ‘zij hadden ons kunnen verraden en dan …’ hoef je bij een rechter niet aan te komen. Dit is waarom het ook zo moeilijk is om iemand te veroordelen voor terrorisme als er nog niets is gebeurd. Het tweede moment komt aan het einde van de film. De zwaar gewonde Lutrell is op de vlucht voor de taliban en wordt gevonden door een Afghaanse dorpeling. Die dorpeling neemt hem mee naar zijn dorp en verzorgt zijn wonden. De taliban ontdekt dat en de leider stuurt een boodschapper naar het dorp met de boodschap: lever die Amerikaan uit of we komen hem, desnoods met geweld, halen. De Afghaan en zijn mede dorpelingen twijfelen geen moment. Zij hebben Lutrell als gast opgenomen in hun dorp en gastvrijheid betekent dat je je gast beschermt tegen gevaren. Daarop voegt de taliban de daad bij het woord en bestormt het dorp met grof geweld. De dorpelingen verdedigen zich en worden uiteindelijk geholpen door Amerikaanse troepen. De Afghaan had hen geïnformeerd dat zij een gewonde collega verzorgden. Ook voor deze Afghaan en zijn dorp vallen het goede en het juiste samen.

Twee voorbeelden van rechtvaardigheid, broederschap, als dat doen wat goed is. Mooi denk je nu, dan weten we nu hoe je broederschap moet invullen: het goede doen. Maar is dat goede wel altijd het juiste om te doen? Zo makkelijk is het niet. Want wie bepaalt wat goed en daarmee ook wat fout is? Wat de ene persoon of groep goed vindt, kan voor een andere groep fout zijn. Het christendom, net als de meeste andere religies, is een stroming die rechtvaardigheid verbindt met het goede. Alleen zijn er veel heilige oorlogen door christenen gevoerd. Oorlogen waarbij het doden van andersgelovigen werd gesanctioneerd omdat god het wilde en god wil toch het goede? De taliban in Lutrells geschiedenis zouden hun acties zomaar kunnen rechtvaardigen met een beroep op de wil van god of in hun geval allah. 

Het zijn echter niet alleen godsdiensten die menen een abonnement te hebben op het goede. Neem bijvoorbeeld het stalinisme, het nationaal-socialisme of het facisme. Ook stromingen die rechtvaardigheid verbinden met het goede. Alles wat de heilstaat dichterbij bracht werd gezien als goed. Ook als dat betekende dat zes miljoen koelakken, joden of wie dan ook moesten worden uitgehongerd of vermoord. Trouwens alle ‘ismen’ hebben de neiging om te willen bepalen wat het goede is. Het nationalisme ziet alles wat het land vooruit helpt als goed. Een individualist vindt alles goed wat hem vooruit helpt.  

“Omdat het zich alleen bekommert om de som van alle genoegen, kan het de belangen van de individuele mens negeren.” Met deze korte zin (pagina 47) geeft Sandel een tweede punt van kritiek op de utilitaristische manier van denken. Het utilitarisme kijkt naar het totale geluk, niet naar hoe dat tot stand is gekomen. Alleen het totale geluk is van belang en als we het geluk van het totaal maximeren door 100 mensen in een donkere kelder op te sluiten, dan is dat een gerechtvaardigde manier van handelen als hun pijn minder is dan het genot van de rest. Een cru voorbeeld van deze manier van redeneren: als we kijken naar hoe de nationaal-socialisten onze joodse medemensen behandelden, dan is dat volgens het utilitarisme gerechtvaardigd als het geluk dat mensen hieraan beleven maar groter is dan de pijn van onze joodse medemens. Maar ook in veel minder crue vorm, als het grootste inkomen mogelijk is op een manier dat één persoon al het inkomen verwerft en de rest van de bevolking niets heeft, dan is dat volgens de utilitarist rechtvaardig. Of in Lutrells betoog achteraf: drie doden is minder dan … . Ook de stroming die rechtvaardigheid verbindt met het goede loopt grote kans op het buiten beeld raken van de individuele mens. 

Foto: Wikimedia Commons

Deze kritiek, die aandacht vraagt voor het individu, wordt geleverd door de stroming die rechtmatigheid verbindt aan vrijheid. Denkers die rechtvaardigheid aan vrijheid koppelen, vullen het goede en het juiste op een andere manier in. Zij concentreren zich op het juiste en bemoeien zich niet met het goede, dat laten zij liever over aan het individu. Het juiste is voor deze denkers de vrijheid van het individu, die moet zo groot mogelijk zijn. Daarover zijn ze het eens, waar ze het niet over eens zijn, is de manier waarop die vrijheid wordt verkregen men vooral de rol die de overheid daarin moet spelen. In Liberté heb ik Berlin al aangehaald en zijn twee opvattingen over vrijheid, de positieve en de negatieve. Deze twee opvattingen bepalen ook de manier waarop rechtvaardigheid-als-vrijheid-denkers de rol van de overheid zien in het vergroten van die vrijheid. Aanhangers van het negatieve vrijheidsbegrip zien dan geen andere rol voor de overheid dan het wegnemen van deze externe obstakels. De overheid is er voor de openbare orde en veiligheidsrol. De neoliberale en libertaire denkers behoren tot deze richting, zij zien de vrije markt waarop vrije individuen met elkaar tot overeenstemming komen als het middel om te komen tot een rechtvaardige verdeling. Verdeling op de markt is, volgens deze denkers, rechtvaardig juist vanwege de keuzevrijheid van het individu. 

Aan de andere kant van het spectrum van rechtvaardigheid-als-vrijheid-denkers bevinden zich de aanhangers van het positieve vrijheidsbegrip. Eigenlijk is de andere kant van het spectrum niet de juiste benaming. De aanhangers van het positieve vrijheidsdenken zijn niet gekant tegen de negatieve vrijheidsbenadering, zij willen meer en zien een belangrijke rol voor de overheid bij het realiseren van dat meer. Claassen omschrijft dit als volgt (pagina 25-26): “Ook zonder externe obstakels kunnen mensen nog steeds onvrij zijn. Echte vrijheid veronderstelt dat wij, om Berlins uitdrukking te gebruiken, ‘onze eigen meesters zijn’. … wij hebben zelf de controle en bepalen zelf hoe wij willen handelen.” De overheid  heeft de taak om ervoor te zorgen dat wij die vrijheid kunnen pakken. De overheid moet voor goed onderwijs zorgen, ervoor zorgen dat hindernissen voor mensen met beperkingen worden weggenomen, dat armoede wordt weggenomen. De mensen moeten innerlijk vrij, of autonoom worden zodat ze op de markt keuzes kunnen maken in hun eigen belang vanuit een positie van kracht en niet van zwakte. Aan zowel de invulling van rechtvaardigheid door het te koppelen aan negatieve als aan positieve vrijheid had Lutrell niets gehad.

De Amerikaanse filosoof John Rawls heeft de theoretische onderbouwing voor deze stroming geleverd met zijn belangrijke werk Een theorie van rechtvaardigheid. Rawls denken is gebaseerd op de theorie van het sociale contract, de afspraken tussen de mensen van een samenleving over hoe met elkaar om te gaan en hoe de samenleving te besturen. Centraal in dit denken stond de absolute vrije mens die vrijheden inleverde in ruil voor vrede en veiligheid. Dit inleveren van vrijheid gebeurde op vrijwillige basis. Rawls was de eerste denker die inzichtelijk probeerde te maken hoe dat in zijn werk zou moeten gaan en wat dan een redelijke en vooral rechtvaardige uitkomst van die ‘contractonderhandelingen’ zou zijn. Rechtvaardig voor mensen in alle mogelijke posities in de samenleving maar ook tussen de opvolgende generaties. De ‘contractpartijen’ bij die onderhandeling, waren volgens Rawls onwetend van hun rol en positie in de samenleving en in de tijd en waren ook niet op de hoogte van hun eventuele geloofsovertuiging of voorkeuren. Zij handelden vanachter ‘de sluier van onwetendheid’ zoals Rawls hem noemde. Rawls ging uit van rationele personen en rationeel handelen waarbij twee beginselen of uitgangspunten van rechtvaardigheid door alle partijen waren aanvaard (pagina 321): “1. Elke persoon dient gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen. 2. Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze: (a) het meest ten goede komen aan de minst veroordeelden, in overeenstemming met het rechtvaardige spaarbeginsel, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder voorwaarden van billijke gelijke kansen.”

Eigen foto

Door deze beginselen bij alle keuzemogelijkheden om een samenleving in te richten rationeel toe te passen, wordt volgens Rawls een rechtvaardige keuze gemaakt en ontstaat een rechtvaardige samenleving. Critici verwijten Rawls dat een rechtvaardig ingerichte samenleving niet automatisch leidt tot rechtvaardigheid. De belangrijkste critici de econoom Amartya Sen, onder andere in zijn boek The Idea of Justice, en de filosofe Martha Nussbaum, onder andere in haar boek Mogelijkheden scheppen pleiten voor meer, namelijk voor een minimum niveau aan mogelijkheden. Zij noemen hun denken de ‘capability approach’. In het Nederlands de vermogensbenadering. Zij gaan ervan uit dat een mens om volwaardig te kunnen functioneren over bepaalde minimale set aan vermogens moet beschikken. Nussbaum formuleert de volgende tien (pagina 57-59):

1. Leven: In staat zijn om een menselijk leven van normale duur tot het einde toe te leiden, om niet voortijdig te sterven voordat het je tijd is of voordat je leven zo gereduceerd is dat het niet meer de moeite waard is geleefd te worden.

2. Lichamelijke gezondheid: In staat zijn om een goede gezondheid te hebben, inclusief gezondheid met betrekking tot voortplanting. In staat zijn voedsel en onderdak te verwerven.

3. Lichamelijke onschendbaarheid: In staat zijn om je vrijelijk van de ene plek naar de andere te verplaatsen, en om gevrijwaard te zijn van tegen de persoon gericht geweld, inclusief seksueel en huiselijk geweld. Gelegenheid hebben tot seksuele bevrediging en keuzes in zake voortplanting. 

4. Zintuiglijke waarneming, verbeeldingskracht en denken: In staat zijn om de zintuigen te gebruiken, te fantaseren, te denken en te redeneren en deze dingen te doen op een ‘waarlijk menselijke’ wijze die wordt geïnspireerd en gecultiveerd door adequaat onderricht, onder andere in – maar in geen geval beperkt tot – lezen, schrijven, en elementair rekenkundig en natuurwetenschappelijk onderricht. Het vermogen verbeeldingskracht en denken te gebruiken in verbinding met ervaringen en het voortbrengen van werken en evenementen naar eigen keuze, religieuze, literaire, muzikale enzovoort. Het vermogen je geest te gebruiken op een manier die beschermd wordt door waarborgen voor vrijheid van meningsuiting met betrekking tot politieke en kunstzinnige expressie, en vrijheid van godsdienstoefening. Het vermogen aangename ervaringen te beleven en niet-heilzame pijn te vermijden.

5. Gevoelens: In staat zijn om gehecht te zijn aan dingen buiten onszelf, om hen lief te hebbende ons liefhebben en zich om ons bekommeren, om te rouwen bij hun afwezigheid; in het algemeen om te beminnen, verdriet te hebben en verlangen, dankbaarheid en gerechtvaardigde woede te beleven. In staat zijn om niet in je emotionele ontwikkeling te worden geremd door overweldigende zorgen en angsten.

6. Praktische rede: In staat zijn om een conceptie van het goede te vormen en je bezig te houden met kritische bezinning op de planning van je leven. Dit impliceert het voorzien in waarborgen voor gewetensvrijheid en vrijheid van godsdienstoefening. Het vermogen een conceptie van het goede te vormen en je bezig te houdende een kritische bezinning op je eigen levensplannen.

7. Sociale verbanden: In staat zijn om met en voor anderen te leven, andere mensen te erkennen en zich om hen te bekommeren, om mee te kunnen doen aan diverse vormen van sociale interactie, en om je te verplaatsen in de situatie van een ander. … Kunnen beschikken over de maatschappelijke grondslagen die je wapenen tegen vernedering en in staat stellen tot zelfrespect; het vermogen te worden behandeld als een waardig wezen wiens waarde gelijk is aan die van anderen. Dit impliceert voorzieningen voor uitsluiting van discriminatie op basis van ras, geslacht, seksuele oriëntatie, etniciteit, kaste, religie en nationale herkomst.

8. Andere biologische soorten: In staat zijn om te leven met zorg voor en in relatie met dieren, planten en de wereld van de natuur.

9. Spel: In staat zijn om te lachen, te spelen en te genieten van recreatieve activiteiten.

10. Vormgeving van eigen omgeving: Politiek: daadwerkelijk kunnen participeren in politieke keuzes die je leven sturen. In staat zijn tot uitoefening van het recht op politieke participatie, bescherming van vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging en vergadering. En materieel: in staat zijn eigendom te verwerven (zowel onroerende als roerende goederen) en om eigendomsrechten hebben op gelijke voet met anderen. In staat zijn tot daadwerkelijke uitoefening van het recht om werk te zoeken op gelijke voet met anderen, om gevrijwaard te blijven van ongegronde inspectie en inbeslagneming. Op de werkplek arbeid kunnen verrichten als een menselijk wezen dat praktische reden beoefent en zinvolle relaties van wederzijdse erkenning aangaat met ander werkenden.

Voor Nussbaum, Sen en hun volgers moet de overheid een bepaald minimaal niveau garanderen op al deze vermogens. Een prettige samenleving voor iedereen is een samenleving met een goed evenwicht tussen positieve en negatieve vrijheid. Een samenleving met maximale negatieve gelijkwaardigheid, gelijke rechten voor iedereen. En een samenleving waarin de positieve gelijkwaardigheid, de gelijkwaardigheid om iets te doen, zo is ingevuld dat iedereen in voldoende mate kan meedoen, een samenleving zonder marginaliteit. Broederschap, rechtvaardigheid, vervult een belangrijke rol bij het zoeken naar dat evenwicht. Hierbij maakt het nogal wat uit welke visie op rechtvaardigheid hierbij leidend is. 

Kiezen we als samenleving voor Bentham en zijn utilitarisme dan lopen we het risico dat vrijheid en gelijkheid onder druk kunnen komen te staan. Het individu is immers niet van belang, het gaat om het collectief. Hetzelfde risico lopen we als we kiezen voor een vorm van het goede. Immers ook hierbij is het doel niet het individu maar de samenleving en daarbij kan het individu het onderspit delven. Aan de andere kant van het spectrum betekent het kiezen voor rechtvaardigheid gebaseerd op maximale negatieve vrijheid, maximaal kiezen voor het individu. Hierbij lopen we het risico op maximale strijd tussen die individuen en op grote ongelijkheid tussen mensen. Rawls, Nussbaum en Sen in het verlengde hiervan bieden een goede tussenweg door vanuit de behoeften van het individu te kijken naar wat dat voor de inrichting van de samenleving betekent. Rawls stopt bij die inrichting in de hoop of verwachting dat er zo vanzelf een rechtvaardige samenleving ontstaat. Een samenleving waar vrijheid en gelijkheid via broederschap worden verbonden. Nussbaum en Sen gaan verder en verwachten dat de overheid binnen dat raamwerk, die inrichting, de taak heeft om om ervoor te zorgen dat iedereen een bepaald minimaal niveau van vermogens heeft. 

Foto: Pixabay

Als we naar de Nederlandse samenleving kijken, dan hebben we een Rawlsiaans raamwerk gecreëerd en zien we dat een dergelijk raamwerk niet voldoende lijkt, zoals ik in Egalité probeerde aan te tonen. In de politiek gaat het vooral over het minimale vermogensniveau van Nussbaum en Sen. De ene partij wil hierin geen of zo min mogelijk actie ondernemen, de andere juist zoveel mogelijk. De vermogens van Nussbaum en Sen bieden een manier om rechtvaardigheid en dus broederschap zo vorm te geven dat er een goed evenwicht ontstaat tussen de beide vormen van vrijheid én een prettige verdeling (on)gelijkheid. Een mogelijkheid om Liberté en egalité te verbinden door fraternité.

Ik wens jullie veel broederschap voor 2019 en verder. 



Uitgelicht

De schaduw van Baudet

Het Forum voor Democratie vertelt een ‘prachtige versie’ van de geschiedenis van Nederland. Je moet het Baudet nageven, op een bombastische wijze weet hij dat verhaal te vertellen. Een verhaal van ‘grootsheid’ dat bedoeld lijkt om mensen ‘trots’ te laten zijn op Nederland. Omdat verhalen mensen binden en het leven zin geven zoals ik in mijn vorige Prikker schreef, is het goed om dat verhaal eens te bestuderen. Zeker omdat de vertellers van verhalen over een verleden van ‘grootsheid’ en ‘trots’ vaak een bedoeling in het heden hebben. 

Baudet vertelt een prachtig verhaal waaraan toch enkele paragrafen en zelfs complete hoofdstukken ontbreken. Slavenhandel bijvoorbeeld en de moordpartijen van Coen in de Oost. Die zouden toch zeker een plekje mogen krijgen. Want als je de VOC en Coen noemt, dan moet je het complete verhaal vertellen. Niet dat Nederland hierin afweek van de mores in die tijd. Neem de Mongolen van Dzjengis, die stonden erom bekend dat zij hen die verzet boden uitmoordden. Werkte je mee dan kon je op hun welwillendheid rekenen. Nee, het uitmoorden van mensen die zich tegen je verzetten, was redelijk gebruikelijk in die tijd. Oorlogen waren voor de overwonnenen geen pretje. Plunderen, roven en het ondertussen verkrachten en vermoorden leverde het soldij voor de soldaten. Die leefden van het veroverde land. Dat iets gebruikelijk was, wil echter niet zeggen dat we het bij de beschrijving van de geschiedenis niet hoeven te vermelden. Wat hij er ook bij vergeet te vertellen is dat die ‘grootse geschiedenis van die Gouden Eeuw’ het resultaat is van immigratie vanuit het huidige België, vanuit Frankrijk en Spanje en op ‘seizoensarbeiders’ voor de landbouw en scheepvaart vanuit de Duitse landen.

Foto: Pixabay

Wat Baudet voor het gemak vergeet, is dat het ‘trotse’ Nederland na de nederlaag van Napoleon bij Leipzig alleen op de kaart verscheen omdat de toenmalige ‘Powers that Be’ Engeland, Rusland, Oostenrijk en Pruisen zochten naar een machtsevenwicht dat Frankrijk in toom moest houden. In de ‘herschikking’ die daarop volgende, werden de grenzen in Europa flink veranderd. Zo ontstond er een compleet nieuw land: het koninkrijk der Nederlanden. De oude Republiek uitgebreid met de Oostenrijkse Nederlanden. Oostenrijk kreeg als ‘compensatie’ wat gebieden in Italië. Weg waren ongeveer 200 jaar republikeins bewind omdat die ‘Powers that Be’ alleen vertrouwden in de oude adel. 

Die hertekening van ‘grenzen’ was niet de eerste en zeker ook niet de laatste wijziging van grenzen. In kaart en animatie is te zien hoe grenzen in Europa door de tijd veranderden. Voor Baudet en andere ‘trotse’ Nederlanders er is zelfs een animatie die zo’n vierduizend jaar teruggaat. Dit is trouwens niet iets wat specifiek Europees is, ook in Azië, en zelfs in Afrika en Amerika schoven grenzen. 

Als we het over schuivende grenzen hebben dan is Baudets nationale geschiedenis van Coen en de VOC, maar één van de verhalen die je kunt vertellen. Een verhaal met een sterk Hollandse inslag. Voor de toenmalige inwoners van bijvoorbeeld de huidige gemeente Venlo zag dat verhaal er heel anders uit. De Oost en zelfs Amsterdam en de VOC waren ver weg. Sterker nog, voor een groot deel van het grondgebied van de huidige gemeente Venlo gold dat het tot een heel ander land, of eigenlijk landen, behoorde. Zo hoorde Tegelen en Steyl bij het Graafschap Gulick en sloten zij pas in 1817 aan bij het koninkrijk der Nederlanden. Juist ja, toen de “Powers that Be’ daartoe besloten. Een van die ‘Powers’ de Pruisen moest daar een veer laten want ook zij wilden de plaats erbij hebben. Dit gebeurde met het Traktaat van Aken. Hierin werd de grens tussen het koninkrijk en Pruisen bepaald door een kanonschot vanaf de oever van de Maas. Nederland zou dus een stuk groter zijn geweest als de kanonnen in die tijd wat verder hadden geschoten dan ongeveer 2,5 kilometer. Voor Arcen, Lomm en Velden ligt dat weer anders. Die behoorde eerst bij Spaans Gelre, na de Spaanse successieoorlog vielen ze toe aan Pruisen en sinds dat beruchte ‘kanonschot’ tot het koninkrijk der Nederlanden. 

Illustratie: Wikipedia

Wat voor alle dorpen gold, was dat er geregeld legers voorbij trokken. Legers op weg naar de ‘hoofdprijs’ de stad Venlo. Die stad wisselde gedurende de Tachtigjarige Oorlog geregeld van eigenaar. Dan weer  was het Spaans, dan weer republikeins. Aan de Spanjaarden heeft de stad de restanten van het Spaanse fort Sint Michiel ten westen van de Maas te danken. Dat fort moest de stad beschermen tegen aanvallen vanaf de overkant (de westelijke kant) van de Maas. Met de Vrede van Utrecht in 1713 werd Venlo aan de Republiek toebedeeld, werd het een onderdeel van de Generaliteitslanden en zo min of meer een kolonie van de Republiek. Een kolonie omdat die Generaliteitslanden werden bestuurd door de Raad van State, een raad waarin ze zelf geen zeggenschap hadden.  

Sinds 1817 hoort het volledige grondgebied van de gemeente Venlo dus bij het Koninkrijk der Nederlanden en ging het op in de provincie Limburg. Of toch niet? Nee inderdaad toch niet. In 1830 stonden de Zuidelijke Nederlanden op tegen het Koninkrijk en scheidden zich af. Limburg, exclusief de stad Maastricht, sloot zich aan bij de opstandelingen. Een afscheiding die pas in 1839 formeel werd maar dan zonder het huidige Nederlands-Limburg. Dat werd afgesplitst en viel toe aan het huidige Nederland. Viel toe want het werd niet veroverd of terugveroverd op de Belgen. Nee, ook hier beslisten weer de ‘Powers that Be’. De Fransen, die toen weer bij die ‘Powers’ hoorden, trokken hun steun aan de Belgen in en daarop werd Limburg gesplitst. De inwoners werd niets gevraagd. Als die zouden mogen stemmen, dan zou Venlo, nu waarschijnlijk Belgisch zijn. Limburg was dan wel, een provincie, voor de Hollandse koning, bleef het, net als de overige Zuidelijke Nederlanden, toch een soort generaliteitsland, een soort kolonie.  

Dat Baudet dit er niet bij vertelt is logisch. Het past niet in het verhaal dat hij wil vertellen. Het verhaal van die trotse koppige Nederlander die zijn mannetje staat in de wereld en die niet met zich laat sollen. Want met die trotse Nederlander werd wel degelijk gesold. Ook de laatste keren dat er werd gesold, komt in het trotste verhaal van Baudet niet naar voren. Aan de Duitse bezetting na een oorlog van vijf dagen, de jodenvervolging en de dekolonisatie besteedt hij geen aandacht.

Sollen dat is wat de ‘Powers that Be’ doen met degenen die niet bij die Powers horen. Dat is een constante in de geschiedenis. Alleen wie die ‘Powers’ zijn, verandert door de jaren heen. In 1815 waren dat Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen. Dat laatste land hoorde er voor het eerst bij. Terwijl ze toen op het toppunt van hun macht stonden, zouden de Oostenrijkers nu willen dat ze erbij hoorden. In één eeuw schopten de Oostenrijkers het van hero naar zero. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd het land opgedeeld, gedecimeerd en gedegradeerd tot niet eens een B-land. Die status had het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden al in 1815.

Illustratie: Pixabay

Sollen daar helpt het vertellen van verhalen over je trotse verleden niet tegen. Die ‘rendementen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst’ om de waarschuwing bij beleggingsproducten aan te halen. Dat ‘trotse’ verleden is hooguit een schaduw en een schaduw wordt groter als de zon ondergaat. Tegenwoordig lijken we anders te denken over het verschuiven van grenzen. Voor onze huidige politici zijn landsgrenzen heilig. Die mogen niet ter discussie worden gesteld en het ene land mag zeker geen stukje van het andere inpikken. Zie bijvoorbeeld de Russische annexatie van de Krim. Die wordt niet getolereerd. Alhoewel heilige grenzen? Zijn die niet alleen heilig als het de huidige ‘Powers that Be’ uitkomt? Want hoe heilig waren de Servische landsgrenzen of een paar jaar eerder de Joegoslavische en de grenzen van de Sovjet Unie? Die landen mochten zomaar uit elkaar vallen en er mochten nieuwe landen ontstaan. De oude grenzen waren niet zo heilig. Je zou kunnen tegenwerpen dat er hier geen sprake is van het ene land, dat grondgebied van een andere land bezet omdat er ‘nieuwe’ landen ontstonden. De Rus kan dan weer tegenwerpen dat die inwoners van de Krim per referendum kozen voor aansluiting bij Rusland. Een keuze die de Venlonaren in 1839 niet kregen. 

Wat nu is zegt niets over de toekomst. Dat is ook wat de verschuivende grenzen uit het verleden laten zien. Is het nu ‘voor eeuwig’ vaststellen van grenzen niet een poging om ons ‘heden’ voor de toekomst vast te leggen? Een manier om het heden te vereeuwigen? Erger nog, zijn trotste verhalen, zoals dat van Baudet, niet pogingen om het verleden ook de toekomst te laten zijn? Een verleden dat bij nadere bestudering helemaal niet zo ‘groots en geweldig’ was als Baudet het laat klinken. Is ‘terug naar het verleden’  geen motie van wantrouwen aan de broek van onze kinderen en kleinkinderen? Ontzeggen wij hen daarmee niet het recht op hun eigen ‘verhalen’?

Wij geven de wereld door aan onze kinderen en kleinkinderen. Dat doorgeven doen we met ons verhaal. Zou dat verhaal er niet een van mogelijkheden moeten zijn? Een verhaal waarin het verleden een belangrijke maar duidelijk andere rol moet spelen dan het verhaal van Baudet. Geen verhaal van ‘trots op’ of ‘grootsheid’ van het verleden, maar een verhaal waarin we leren van het verleden door er patronen in het menselijk gedrag in te herkennen. Patronen zoals het sollen door de ‘Powers that Be’, het misbruiken van het verleden voor politiek gewin. 

Of over de rol van migratie in de geschiedenis. Immers zonder migratie had Baudet zijn trotse verhaal niet kunnen vertellen. Sterker nog, dan hadden we nog steeds rondgelopen op de vlakten van het huidige Oost-Afrika. Nou ja we, hooguit een heel klein deel van de huidige mensheid want veel plek was er niet naast alle andere dieren. Heeft juist die migratie de mens gemaakt tot wat hij is? Een wezen dat grenzen verlegt? 

Illustratie: Wikipedia

Wat zeker niet mag ontbreken zijn verhalen over de rol die macht speelt en wat macht met mensen doet. Verhalen over mensen die macht moeten ondergaan. Mensen waarmee wordt gesold. Verhalen over economische macht van het ene land over het andere. Dus verhalen over de rol van imperialisme en kolonialisme van de oude Egyptenaren tot nu. Want imperialisme en kolonialisme zijn er zo ongeveer sinds de mens zich voor het eerst vestigde in steden. 

Maar vooral ook verhalen over de economische macht van de ene mens over anderen. Dus verhalen over de rol van slavernij en feodalisme vroeger en nu en de manieren waarop onze voorvaderen zich hiertegen teweer stelden. Welke manieren succes hadden en welke niet. manieren zoals de meent. Commons in het Engels en vooral bekend door het artikel The Tragedy of the Commons van Gareth Hardin. Gronden, bos of wateren nabij een dorp waarvan iedereen gebruik mocht maken. Een ouderwets systeem dat ervoor zorgde dat de keuterboeren konden overleven. Een systeem waarbij ieder zijn deel kreeg en dat onderhevig was aan regels die ook door de eigenaar van de grond, de landheer, werden gerespecteerd. 

Een interessante casus over wat mensen samen kunnen bereiken en ook hoe dat teloor kan gaan. Hardin redeneerde als volgt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Eén schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever een schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn een schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is overbeweiding onvermijdelijk. Herder A en met hem de andere herders zitten vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt. Hardin zag onze voorvaderen met een huidige economische bril. Een bril van concurrentie en streven naar winst en die winst kan al zijn dat je iets meer hebt dan je buurman. In werkelijkheid heeft het systeem van de meent eeuwenlang zeer goed gefunctioneerd zonder dat het tot uitputting van die gronden leidde. De keuterboeren, onze voorvaderen dachten helemaal niet aan winst en groei. Zij dachten aan samen overleven. 

Hardin heeft gelijk dat hebzucht de meent vernietigde, alleen niet de hebzucht van de keuterboertjes, maar de hebzucht van de landheren. Het systeem van de meent functioneerde eeuwenlang omdat niemand het kon veranderen, de keuterboeren niet en ook de landheer niet. Dat veranderde met het steeds democratischer worden van het landsbestuur. Het parlement kreeg wetgevende macht en kon het gewoonterecht van de meent wel wijzigen. En wie zaten er in het parlement? De landheren en die grepen in de 18e en begin 19e eeuw hun kans. Vooral de Engelse situatie is zeer goed gedocumenteerd. In Engeland nam het parlement ‘Acts of Enclosure’ aan. Wetten die de landheer het recht gaven om zijn land te omheinen en zo af te schermen voor gebruik door anderen. Zo’n omheinde meent betekende het einde voor de keuterboeren. Die konden niet meer overleven.

Illustratie: Flickr

Met het verhaal van de meent kunnen we nu en in de toekomst naar de wereld kijken. Je zou de meent kunnen zien als een ‘basisinkomen’ avant la lettre. Als een manier om naar patenten te kijken of naar (belasting)wetgeving voor het bedrijfsleven. Maar ook een manier om naar de rol van belangengroepen en parlementen te kijken en vooral als waarschuwing dat niet alle belangen een ‘groep’ hebben die gehoord en vertegenwoordigd is. 

Hardin met zijn Tragedy of the Commons, maar ook Baudet met zijn verhaal over het ‘grootse en trotse Nederland’ zien, geven een voorbeeld van de rol die verhalen spelen in het denken van mensen. Verhalen die mensen binden. Maar laten ze niet ook zien dat het goed is om die verhalen te onderzoeken, ter discussie te stellen en er andere verhalen tegenover te stellen? Verhalen die ook weer onderzocht en bediscussieerd moeten worden? Dat het voor de huidige mens, net als zijn Afrikaanse voorvaderen, goed is om zijn grenzen te verleggen, nieuwsgierig tet zijn en ‘migrant’ in denken te zijn?


Uitgelicht

Rijstepap met kaneel

Mijn moeders authentieke rijstepap met wat kaneel. Pap gemaakt van melk van onze eigen koeien en dus lekker romig. Hieraan moest ik denken toen ik het artikel van Munganyende Hélène Christelle bij de Correspondent las.

Foto: Max Pixel

“Afrikaanse millennials zoals ik willen altijd meer weten over traditionele Afrikaanse kunst en cultuur, het erfgoed dat mede onze identiteit vormt. Over een deel van dat erfgoed ontstaat nu discussie. Zo heb ik moeite met de herkomst van de Afrikaanse waxstof, gemaakt in Helmond, vanwege de koloniale wortels. Maar mijn moeder vindt het prachtig.” De opening van haar artikel waarin de de prachtige gekleurde stoffen die in Afrika worden gedragen, centraal staan. Alleen blijken die stoffen vaak een Helmondse herkomst te hebben. Haar generatie: “gaat daarvoor op zoek naar een authenticiteit die de kenniskloof die we overhielden aan kolonisatie en migratie, kan dichten. Ons eigen verhaal van Afrika.” 

Zoeken naar authenticiteit, maar wat is echt authentiek? Is er wel iets echt authentiek? Zo zijn de Helmondse stoffen ooit geïnspireerd op Javaanse batiks. En als je in de geschiedenis van de batiks duikt dan verlaat je Java ook weer voor het vasteland van Azië. Munganyende sprak voor haar artikel met de vanuit Parijs naar Dakar verhuisde ontwerpster Sarah Diouf. “Diouf maakt haar ontwerpen niet in de felle kleuren die je van Afrikaanse mode en waxprint zou verwachten, maar juist in zachte bruintinten, verwijzend naar de invloed van bogolan of ‘modderdoek’ uit Mali. Dioufs kleding viel deze zomer in de smaak bij niemand minder dan Beyoncé, die een foto op haar Instagram postte in een complete Tongoro-outfit.” Hoe authentiek is het verhaal van een dergelijke outfit? Hoe Afrikaans is die? Hoe Authentiek is die?

Is niet alles wat er momenteel is een resultaat van vermenging van zaken die er vroeger waren? Ook die outfit ontworpen door Diouf. Neem een werk van Mondriaan of Esscher, die zijn in hun stijl herkenbaar en dus kun je ervan zeggen dat ze authentiek zijn. Tegelijkertijd kun je je afvragen of Mondriaan en Esscher hun werk wel zouden hebben kunnen maken zonder Van Gogh en Rembrandt. En zou die echte Rembrandt er wel kunnen zijn zonder het werk van eerdere schilders. Zo kunnen we teruggaan tot de grotschilderingen van Lascaux en wellicht nog verder. 

Moeten we niet juist blij zijn met de vermenging van zaken? Zorgt dat niet juist voor kleur in de wereld? Ik ben blij dat ik van mijn moeders rijstepap heb kunnen genieten. Die was er echter nooit geweest zonder rijst en kaneel.