Uitgelicht

Boerenkunst of de kunst van het boeren?

Volgens Tom Saat, biologisch dynamische boer te Almere en een maand lang gastcolumnist in de Volkskrant, is landbouw: “een oeruiting van de mens. Dat is de les die de geschiedenis van de landbouw ons leert. Dat is ook hetgeen wat nu nog steeds tot uiting komt in de diepgewortelde sympathie voor de boer.” Zo is te lezen in zijn column. Want: “Dat wat onze verre voorouders met dier en plant deden was niets meer of minder dan de zelfverwerkelijking van de mens. In hedendaagse termen kan je het kunst noemen.” De boer als kunstenaar en: “als we iets daarvan moeten leren voor de toekomst, is het wel dat in die culturele dimensie de sleutel ligt voor de broodnodige transitie.” Een bijzondere redenering, ik zie even af van de suggestie van een diepgewortelde sympathie voor de boeren, waarbij de nodige kanttekeningen te plaatsen zijn. Want is het sympathie voor de boeren of antipathie tegen de huidige regering?

Restanten van het tempelcomplex Göbekli Tepe. Bron: WikimediaCommons

Saat gebruikt Sapiens van Yuval Noah Harari als contrapunt in zijn betoog. Harari versimpelt, zo betoogt Saat: “de geschiedenis van de landbouw tot een geschiedenis van technologie. Het lichaam vraagt om voedsel en om het wat makkelijker te maken in plaats van eindeloos te moeten jagen en eetbare planten zoeken, vindt de mens de landbouw uit.” Dit is: “Feitelijk helemaal juist, maar het zegt niets over wat mensen daarbij bewoog.” Want: “De mens van zeven millennia geleden keek niet met een technologische blik naar de natuur.” Saat lijkt wel te weten hoe de mens zeven millennia geleden naar de natuur keek, namelijk door: “de godenwereld als het natuurlijke, direct beleefbare verlengstuk van menselijk ‘denken’ en handelen (te zien), en de planten- en dierenwereld die net zo goed bij de lichamelijkheid van de mens hoorden als het eigen lichaam.”

Harari beweert nergens dat onze voorouders met een technologische blik naar de wereld keken. Net als Saat stelt ook Harari de godenwereld centraal in het handelen van onze verre voorouders. Volgens Harari zou die ‘godenwereld’ wel eens de aanzet zijn geweest tot de agrarische revolutie. Hij suggereert dit naar aanleiding van de vondst van Göbekli Tepe, een groot bouwwerk van versierde stenen zuilen dat zo’n 11.500 jaar geleden is gebouwd in het huidige Turkije in een streek waar een van de eerste gedomesticeerde soorten van tarwe (eenkoren) is ontstaan. Harari: “Dat kan bijna geen toeval zijn. … Er waren uitzonderlijk grote hoeveelheden voedsel nodig om de mensen te voeden die de monumenten bouwden en gebruikten,” aldus Harari, en hij vervolgt: “Het zou heel goed kunnen dat verzamelaars overstapten van het verzamelen van wilde tarwe op de intensieve tarweteelt, niet om hun normale voedselvoorraad te vergroten, maar om de bouw van een tempel en het runnen daarvan mogelijk te maken.[1]  Of Harari gelijk heeft? Dat weten we niet want we waren er niet bij. Wat we wel weten is dat de agrarische revolutie niet zozeer een revolutie was maar eerder een evolutie van eeuwen en wellicht wel millennia. We weten ook dat het geen rechte lijn was maar eerder een soort Echternach processie waarbij er, zoals David Graeber en David Wengrow in het boek het begin van Alles, schrijven, ook wel eens op schreden werd teruggekeerd en de landbouw weer vaarwel werd gezegd.

De landbouw als kunst’ van de mens van 7 millennia geleden: “Dat wordt je duidelijk wanneer je de kunstwerken van die tijd op je in laat werken. Dat waren geen kunstwerken die in steen, hout of verf werden gemaakt (die kwamen pas enkele millennia later), maar dat waren wat wij nu onze (landbouw)huisdieren en cultuurplanten noemen.”  Zo betoogt Saat. Wat we wel weten en dat laat Göbekli Tepe zien, is dat de mens al vele millennia voor die: “zeven millennia geleden,” met kunstwerken en cultuur bezig was. De oudste rotstekening, een tekening van een wrattenzwijn in een grot op het Indonesische eiland Sulawesi, is zo’n 45.000 jaar oud. In een grot in Nerja in Spanje zijn schilderingen van 42.000 jaar geleden te vinden. De schilderingen in de grotten van Lascaux zijn tussen de 10 en 15 duizend jaar oud. In tegenstelling tot hetgeen Saat beweert is de eerste menselijke kunst daarmee ouder dan de (landbouw)huisdieren en cultuurplanten.

Landbouw als kunst en zelfverwerkelijking van de mens, zoals Saat beweert of als voorwaarde om ‘kunst’ te kunnen bedrijven zoals Harari beweert. Tarwe als ‘kunst’ of als voedsel? Hoe zou het werkelijk gegaan zijn? Helaas weet niemand dat want het gebeurde ver voor onze tijd. Mij lijkt de redenering van Harari een stuk plausibeler dan Saats redenering. Niet de ‘boerenkunst’ maar de kunst van het boeren werd ontwikkeld.

Echter, als het sprookje van “die culturele dimensie,” van Saat nodig is als sleutel om de deur van de boeren tot de “broodnodige transitie” mee te openen, dan mag deze prikker best als ‘ketters’ en haar schrijver als ketter worden afgedaan. Een benaming die ik dan met trots zal dragen.


[1] Yuval Noah Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 104

Uitgelicht

Een lesje geschiedenis deel 2

“Er is echter nog op een ander punt dat Van der Galien nodig een lesje geschiedenis nodig heeft en dat is de uitspraak dat Nederland tot voorkort een natiestaat was. Dat lesje geschiedenis komt in deel twee van dit lesje geschiedenis.” Met die woorden sloot ik deel 1 van de les geschiedenis af. Een les naar aanleiding van een artikel van Michael van de Galien bij De Dagelijkse Standaard. In het artikel geeft hij ‘geschiedenisles’ aan Jesse Klaver. Klaver deed bij Jinek de uitspraak dat ‘migranten dit Nederland hebben opgebouwd’. In deel twee zoals gezegd de uitspraak dat Nederland tot voor kort een natiestaat was.

Daarvoor eerst even naar Wikipedia.“ Een natiestaat of nationale staat is een staat met één dominante natie waarmee een soeverein territorium wordt geboden aan een bepaalde natie en haar culturele identiteit.”  Om te weten wat hier staat moeten we eerst weten wat een natie is. Een natie is een: “groep van individuen van hetzelfde staatsburgerschap die in een begrensd gebied wonen.” Maar ook wat een culturele identiteit is. Een identiteit is het: “eigen karakter van een persoon of groep.” En cultuur: “het geheel van normen, waarden, tradities, regels, kunstuitingen enz. van een land, volk of groep.” En nu in mijn woorden. Een natiestaat is een staat waarvan de mensen tot eenzelfde culturele groep behoren.

Typisch katholiek. De Heiligdomsvaart in Maastricht van 1962. Bron WikipediaCommons

Volgens Van der Galien was Nederland tot voorkort een natiestaat, een staat met mensen die tot eenzelfde culturele groep behoren. Mensen met dezelfde normen en waarden, tradities, regels en kunstuitingen. Nu zagen we in deel 1 al dat migratie een permanent kenmerk was van het gebied dat nu Nederland is. Migranten met andere taal, gebruiken en tradities. Als ik van der Galien goed begrijp zijn al die immigranten goed geïntegreerd met de al aanwezige Friezen, Hollanders en Zeeuwen. Of ze hebben samen een ‘nieuwe cultuur’ ontwikkeld. Een van twee, maar wat zien we bij het bestuderen van de geschiedenis.

‘Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen.’ Als er een uitspraak is die de verhoudingen in de Nederlandse samenleving het beste weergeeft, dan is het wel deze uitspraak. En nee, die heeft geen betrekking op het christendom en de islam. In zijn De Lage Landen 1780/1980. Twee eeuwen Nederland en België deel II 1914-1980 beschrijft historicus Kossmann de Nederlandse samenleving aan het begin van de twintigste eeuw als volgt: “Verzuiling betekent dat de staat het de grote, in hun levensbeschouwing onderscheidende groepen van de bevolking mogelijk maakt om hun dagelijkse leven geheel volgens eigen inzicht en behoefte te organiseren, in eigen scholen, jeugdbewegingen, universiteiten, huizen, sportclubs, vak- en wekgeversbonden, met instellingen voor sociale verzekering en voor de culturele verzorging van de volksmassa in theaters, weekbladen, zangverenigingen, leesportefeuilles enz., en in Nederland zelfs eigen radioverenigingen. … Dit was geen vredelievend pluralisme, dit was strijd. De gedachten en de levenswijze van een rooms-katholiek en een protestant, van een liberaal en een socialist werden voorgesteld als zo totaal verschillend, hun doeleinden werden gezien als vijandig aan elkaar, dat niet alleen samenwerking tussen hen onmogelijk was, maar dat zij ook werden geacht elkaar voortdurend aan te vallen in het niets ontziende gevecht om de laatste waarheid.[1]

Nederland was een land van langs elkaar levende bevolkingsgroepen. Geen natiestaat maar een staat met erin verschillende naast elkaar heen levende naties. Was je katholiek dan kocht je je brood bij een katholieke bakker, voetbalde je bij een katholieke voetbalclub op de zondag. Als protestant ging je naar de protestantse bakker en voetbalde je bij een protestantse club maar dan op zaterdag. Zelfs de duiven vlogen gescheiden. Die ‘angst’ voor de ander zat er diep in en kende ook een ‘omvolkingstheorie’. De opdracht van de katholieke pastoor om ‘heen te gaan en je te vermenigvuldigen’ zorgde voor hoge katholieke geboortecijfers. Veel hoger dan de protestantse en dat leidde in protestantse kringen tot de vrees voor een katholieke meerderheid. Een meerderheid die er wel eens voor zou kunnen zorgen dat het gezag niet meer uit Den Haag maar uit Rome zou komen. Een van de laatste voorbeelden van de manier waarop de groepsdruk werd opgevoerd, betrof het Mandement van kardinaal De Jong uit 1954. Op straffe van het onthouden van de sacramenten werd het katholieken verboden om lid te zijn van de socialistische vakbond en socialistische vergaderingen bij te wonen, de socialistische pers te lezen of naar de VARA te luisteren.

De leden van Van der Galiens natiestaat zagen de Nederlandse staat in het geheel niet als één natie en behorend tot eenzelfde culturele groep.


[1] E.H. Kossmann, De Lage Landen  1780/1980. Twee eeuwen Nederland en België deel II 1914-1980, pagina 48-49

Uitgelicht

Een lesje geschiedenis deel 1

Bij De Dagelijkse Standaard een artikel van Michael van de Galien. In het artikel geeft hij ‘geschiedenisles’ aan Jesse Klaver. Klaver deed bij Jinek de uitspraak dat ‘migranten dit Nederland hebben opgebouwd’. Een uitspraak die, zo betoogt, Van der Galien: “a) belachelijk is en b) beledigend ten opzichte van al die Nederlanders die door de jaren heen keihard hebben gewerkt om iets van ons land te maken.” Een idiote uitspraak want: “ Nederland was tot voor heel kort geen immigrantenland, maar een natiestaat. De ‘migranten’ zijn pas sinds de jaren 60/70 op significante schaal naar ons land gekomen; toen het economisch herstel van de Tweede Wereldoorlog zo groot was dat we ‘extra’ werkkrachten dachten nodig te hebben.” Een wel heel beperkte kijk op de geschiedenis van wat nu Nederland is. Daarom een lesje geschiedenis in twee delen. Vandaag deel 1 over de bewering dat Nederland tot voorkort geen migratieland was.

De eerste bewoners van het gebied dat nu Nederland is, waren waarschijnlijk Neanderthalers maar er zouden ook zomaar al eerdere mensensoorten in deze omgeving hebben kunnen geleefd. Als we daar even van afzien en ons concentreren op de laatste 10.000 jaar dan weten we dat de jager-verzamelaars die hier rondliepen zo’n 8.000 jaar geleden begonnen aan de overstap naar de landbouw. Hierdoor nam de bevolking toe en ontstonden de eerste culturen, de Bandkeramische en de Rössencultuur. Naast deze agrarische culturen leefden er ook nog steeds jager-verzamelaars. Zo rond 5.000 jaar geleden werden deze voorouders verrast door migranten van de Jamnacultuur die vanuit de steppen van wat nu Oekraïne en Zuid-Rusland is, naar het westen trokken. Aan hen hebben we onze taal te danken, net zoals bijna alle andere  Europese talen. Ze brachten ook het wiel en de wagen mee. Net zoals trouwens de lichte huidskleur en blonde haren. De tot dan toe hier levende mensen hadden een donkerdere huidskleur. Dus ja, ‘we’ hebben het een en ander te danken aan migranten.

Zo moet een Bandkeramische boerderij er naar archeologen denken, uitgezien hebben. Bron: WikimediaCommons

Genoeg oude geschiedenis. Op naar de Middeleeuwen. “Omstreeks het jaar 1000 krioelden ook hier ten lande allerlei min of meer feodale gebieden naast en door elkaar. Een duidelijk patroon ontbrak.[1]Zo omschrijft de historicus Peter W. Klein de politieke situatie in het gebied dat nu Nederland heet. Het gebied lag aan de rand van het continent Europa en uit niets kon je opmaken dat het 600 jaar later zou zijn uitgegroeid tot het centrum van Europa. Sterker nog, geheel Europa lag in die tijd waar het altijd al had gelegen en dat was ‘aan de rand van de wereld’. Het centrum van de wereld dat was het gebied met aan de ene uiteinde wat we nu het Midden-Oosten of de Levant noemen en aan de andere kant het China langs de Yangtze. Het gebied, waar Peter Frankonpan zijn bekende werk naar heeft genoemd, van De zijderoutes. De Romeinen waren erin geslaagd om ‘aan te haken’ bij dat centrum en zo het gebied wat te vergroten. Omdat het zuidelijke deel van het huidige Nederland vanaf het begin van onze huidige jaartelling bij dat Rijk behoorde, was het verbonden met het centrum van de wereld.

Na de val van Rome en het afzetten dan Romulus Augustulus de laatste West-Romeinse keizer op 4 september 476 kwam daaraan echter weer een einde. De ‘Nederlandse’ verbinding met ‘de wereld’ was al eerder verbroken omdat de val van het Romeinse Rijk een geleidelijk proces was. Het verval van het ooit machtige Romeinse Rijk zette al veel eerder in en de wereld van na die val kondigde zich al meer dan twee eeuwen eerder aan. Germaanse en andere stammen begonnen te knibbelen aan de Romeinse macht. Een maaltijd begint met de eerste hap, niet met de laatste. Als we die metafoor op de scheiding tussen Oudheid en Middeleeuwen toepassen, dan kun je met recht en rede betogen dat de Middeleeuwen begonnen met de eerste Germaanse hap in het Romeinse Rijk. Een derde-eeuwse Romein zou bij die eerste hap aan de grenzen van het Rijk niet meteen spreken van een ‘nieuw tijdperk’. Er werd wel vaker ‘geknabbeld’ maar dat werd later wel weer hersteld.

Voor de Germaan Odoakar stelde het afzetten van die laatste keizer niet zoveel meer voor. De macht van de keizer reikte niet veel verder dan de poorten van zijn paleis. Tenminste sinds de Visigotische leider Alarik I in 410 Rome plunderde, stelde het westelijk deel van het Romeinse Rijk al niet meer zoveel voor. Niemand kon zich zo rond het begin van onze jaartelling een wereld zonder Romeinse Rijk voorstellen. Net zo onvoorstelbaar was het in het jaar 1000 dat die uithoek van Europa tot het ‘centrum van de wereld’ zou uitgroeien.

In dat jaar 1000 bestond Holland, de later machtigste van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën nog niet. Het gebied was Fries. “Reeds vanaf de vroege middeleeuwen was de Maas-, Rijn-, en Schelde regio de operatiebasis van de Friezen voor hun verre handel tussen West-Europa en Scandinavië.[2] Onder de rivieren was het vooral Frankisch. Toch gebeurde er in 1018 iets bijzonders. Een van de graven in West-Friesland, Dirk III, behaalde in 1018, zo beschrijft Klein, de eerste militaire ‘Hollandse’ overwinning. Een ‘Hollandse’ overwinning avant la lettre want, zo beschrijft Klein het: “Deze Dirk was en bleef zijn leven lang namelijk niets anders dan een graaf ín (West-)Friesland. Zelfs tot graaf ván (West-)Friesland heeft hij het niet kunnen brengen.[3] Dirks oorspronkelijke ‘rijk’ bestond uit: “twee losse West-Friese gebieden (…) Kennemerland en Rijnland.” En Dirks prestatie bestond eruit dat hij daar “bij stukjes en beetjes Neder-Maasland,” aan toevoegde. Tegenwoordig een zeer rijk gebied, in die tijd: “niet veel anders dan de moerassige zilte gronden aan de mond van de samenvloeiing van Maas en Merwede.[4] Uiteindelijk mocht een van zijn nazaten, Floris II, zich in 1101 echt graaf van Holland noemen. Dat had hij te danken aan de bisschop van Utrecht die bereid bleek om hem als leenman te aanvaarden. Daarmee zijn we honderd jaar verder in de tijd. Ook toen wees er niets op het succes van dat ‘Holland’. De eerste graaf van Holland, graaf van drassig land langs de monding van de Rijn en de Maas,  ‘onderknuppel’ van de bisschop van Utrecht. Iets meer dan niets en daarmee is alles gezegd.

De Graaf van Holland was niet de enige ‘onderknuppel’. Er waren er veel meer zoals de graaf (later hertog) van Gelre, de hertog van Brabant, de graaf van Zeeland die allemaal hun eigen rijkje stichtten en knibbelden aan de macht van de Friezen en aan elkaars macht. Allemaal gebieden die niets met elkaar hadden. “The northern provinces felt no tie with each other and no sence of difference from the south. Each of the seventeen provinces was a small state or country in itself,[5]zo beschrijven Palmer en Colton in hun A history of the Modern World de relatie tussen de verschillende provinciën in het midden van de zestiende eeuw en dat was in de eeuwen daarvoor niet anders. Sterker nog, zelfs binnen een zo’n rijkje hadden mensen vaak al niet veel met elkaar behalve dan dat ze eenzelfde ‘onderknuppel’ boven hen hadden.

Nu ontwaakte Europa zo rond de tijd van Dirks avonturen uit de slaap die het met de val van West-Romeinse Rijk begon. Europa, en dan vooral Italiaanse steden zoals Genua en Venetië begonnen weer te handelen met de Levant, ze herstelden de verbroken verbinding met de Zijderoute. “By the end of the tenth century, Venice was shipping grain, wine, and Lumber to Constantinople and receiving in return fine silken cloth that they sold to her north Italian Neighbors. Allso by that time merchants from Amalfi had established extensive trading contacts with Cairo. The inland towns of northern Italy began to have some industry of their own, natably weaving of woolen cloth, but markets fort his cloth were very limited at first.[6]Dirks’ gebied was nog niets maar iets ten Zuiden van zijn moerassige zilte gronden werd het al iets. Die opleving in Italië had zijn uitwerking op ‘staatjes’ die enkele eeuwen later de 17 provinciën werden genoemd. Voor de Friezen betekende ze een ‘nagel aan hun doodskist’ als dominante macht omdat: “De Friese handel (…) niet bij machte (was) op deze opleving in het zuiden in te haken.”

Anderen wel: “De kooplieden van de Maas- en Scheldevallei daarentegen, die als stedelingen een meer moderne handelstechniek hadden ontwikkeld en die vanouds contacten met de het continentale achterland onderhielden, grepen de geboden kansen. Ze brachten een systematische verbinding tussen Noord-West Europa en het Middellandse-Zeegebied tot stand.” Die handel liep niet over zee en dan via de rivieren het land in met Rotterdam[7] als schakelpunt, zoals in onze tijd. “Het werd een overlandse handel op het zuiden, die steunde op het uitwisselen van luxe producten uit Italië, Noord-Afrika, de Levant en het Verre Oosten enerzijds en van industriële fabrikaten uit eigen streek anderzijds[8].” De Zuidelijke Nederlanden vervulden in toenemende mate een stapelmarktfunctie voor Noord-West Europa.

Stadslucht mocht dan wel vrij maken naar een Middeleeuwse gebruik, de lucht in de stad was in ieder geval niet vrij van ziektekiemen. De steden in de Lage Landen, groeiden maar dat was geen natuurlijke groei: “Zij kwam tot stand ondanks een negatieve natuurlijke groei, dat wil zeggen ondanks het feit dat er veel meer mensen in steden stierven dan dat er geboren werden . … Met andere woorden, de groei van de steden was alleen maar mogelijk door massale immigratie,[9]aldus Leo en Jan Lucassen in hun boek Vijf eeuwen van migratie. Wie waren die migranten? Het waren: Duitsers als belangrijkste groep, maar in textielsteden zoals Leiden en Haarlem waren het, zeker aanvankelijk, vooral Zuid-Nederlanders uit het huidige België en Frans-Vlaanderen. Daar buiten waren Engeland, Schotland en Noorwegen de belangrijkste herkomstgebieden. … Daar waar het economisch leven in het teken stond van handel en scheepvaart, zoals in Amsterdam, maar ook Veere en Hoorn, kwamen de migranten overwegend uit verre streken.[10] Naast deze ‘vaste’ migranten was er de vlottende migranten, de trekarbeiders voor de landbouw, het huishouden, de scheepvaart en het leger. Op een schip was het eerder regel dan uitzondering dat de bemanning voor meer dan 50 procent uit buitenlanders bestond.

Door de eeuwen heen zijn er steeds mensen naar en van hier gemigreerd. In de ene tijdsperiode wat meer zoals met de komst van de Jamna of in de zeventiende eeuw. In een andere tijdsperiode wat minder. Migratie is echter een constant gegeven. Dus in tegenstelling tot wat Van der Galien beweert, is migratie niet iets van de periode: “sinds de jaren 60/70” . Het antwoord op de vraag of migranten Nederland hebben opgebouwd ligt daarmee genuanceerder dan Klaver, maar ook dan dat Van der Galien denkt. Successievelijke groepen migranten hebben wat nu Nederland is mee opgebouwd.

Er is echter nog op een ander punt dat Van der Galien nodig een lesje geschiedenis nodig heeft en dat is de uitspraak dat Nederland tot voorkort een natiestaat was. Dat lesje geschiedenis komt in deel twee van dit lesje geschiedenis.


[1] Peter W. Klein,  1000 jaar vaderlandse geschiedenis, pagina 33

[2] Schöffer, I c.s,  De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 15

[3] Idem, pagina 33

[4] Idem, pagina 34

[5] Palmer, R.R en Joel Colton, A History of the Modern World, pagina 126

[6] Brian Tierney, Sidney Painter, Western Europe in the Middle Ages 300-1475, pagina 268-269

[7] Rotterdam werd pas zo rond 1270 gesticht en haar bewoners leefden in eerste instantie van de visserij

[8] Schöffer, I cs, De Lage Landen van 1500 tot 1780 pagina 15

[9] Leo en Jan Lucassen, Vijf eeuwen migratie, pagina 19

[10] Idem, pagina 21

Uitgelicht

De benauwde blik van Blommestijn

Zo nu en dan, en tegenwoordig steeds vaker, roept er weer iemand dat Nederland ook uit de Europese Unie kan stappen. Deze keer is het Raisa Blommestijn, zo lees ik bij De Dagelijkse Standaard. Blommestijn in een tweet: “Laffe Rutte wil het migratieprobleem niet aanpakken en verschuilt zich achter de EU en internationale verdragen… Newsflash, je kunt uit de EU en je kunt die verdragen opzeggen – en tot die tijd je rug recht houden voor globalistische intimidatie, zoals Hongarije al jaren doet.”

Voor Blommestijn en voor veel voorstanders van zo’n Nexit zoals de FvD van Baudet, is Nederland het verhaal van Coen, de VOC en die sterke handelsnatie. Voor de toenmalige inwoners van bijvoorbeeld de huidige gemeente Venlo zag dat verhaal er heel anders uit. De Oost en zelfs Amsterdam en de VOC waren ver weg. Sterker nog, voor een groot deel van het grondgebied van de huidige gemeente Venlo gold dat het tot een heel ander land, of eigenlijk landen, behoorde. Zo hoorde Tegelen en Steyl bij het Graafschap Gulick en sloten zij pas in 1817 aan bij het koninkrijk der Nederlanden. Juist ja, toen de “Powers that Be’ daartoe besloten. Een van die ‘Powers’, de Pruisen, moest daar een veer laten want ook zij wilden de plaats erbij hebben. Dit gebeurde met het Traktaat van Aken. Hierin werd de grens tussen het koninkrijk en Pruisen bepaald door een kanonschot vanaf de oever van de Maas. Nederland zou dus een stuk groter zijn geweest als de kanonnen in die tijd wat verder hadden geschoten dan ongeveer 5 kilometer. Voor Arcen, Lomm en Velden ligt dat weer anders. Die behoorde eerst bij Spaans Gelre, na de Spaanse successieoorlog vielen ze toe aan Pruisen en sinds dat beruchte ‘kanonschot’ tot het koninkrijk der Nederlanden. 

Bron: WikimediaCommons

Wat voor alle dorpen gold, was dat er geregeld legers voorbij trokken. Legers op weg naar de ‘hoofdprijs’ de stad Venlo. Die stad wisselde gedurende de Tachtigjarige Oorlog geregeld van eigenaar. Dan weer  was het Spaans, dan weer Republikeins. Aan de Spanjaarden heeft de stad de restanten van het Spaanse fort Sint Michiel ten westen van de Maas te danken. Dat fort moest de stad beschermen tegen aanvallen vanaf de overkant (de westelijke kant) van de Maas. Met de Vrede van Utrecht in 1713 werd Venlo aan de Republiek toebedeeld, werd het een onderdeel van de Generaliteitslanden en zo min of meer een kolonie van de Republiek. Een kolonie omdat die Generaliteitslanden werden bestuurd door de Raad van State, een raad waarin ze zelf geen zeggenschap hadden. De Spaanse invloed tref je, zo betoogde de ‘Venloloog’ Sef Derks in een column op de site van Omroep Venlo, aan het Venlose dialect. Het Venlose woord voor hoofd: “kieëbus heeft een verrassende oorsprong. Het is afgeleid van het Spaanse cabeza.”

Sinds 1817 hoort het volledige grondgebied van de gemeente Venlo dus bij het Koninkrijk der Nederlanden en ging het op in de provincie Limburg. Of toch niet? Nee, inderdaad toch niet. In 1830 stonden de Zuidelijke Nederlanden op tegen het Koninkrijk en scheidden zich af. Limburg, exclusief de stad Maastricht, sloot zich aan bij de opstandelingen. Een afscheiding die pas in 1839 formeel werd maar dan zonder het huidige Nederlands-Limburg. Dat werd afgesplitst en viel toe aan het huidige Nederland. Viel toe want het werd niet veroverd of terugveroverd op de Belgen. Nee, ook hier beslisten weer de ‘Powers that Be’. De Fransen, die toen weer bij die ‘Powers’ hoorden, trokken hun steun aan de Belgen in en daarop werd Limburg gesplitst. De inwoners werd niets gevraagd. Als die zouden mogen stemmen, dan zou Venlo, nu waarschijnlijk Belgisch zijn. Limburg was dan wel, een provincie, voor de Hollandse koning, bleef het, net als de overige Zuidelijke Nederlanden, toch een soort Generaliteitsland, een soort kolonie.  

Nu was die grens in de beginjaren van dat Koninkrijk niet hard en hinderlijk. Als je van Venlo naar Straelen wilde, dan liep je er gewoon naartoe. Een paspoort was in theorie nodig, de praktijk was anders. Die praktijk veranderde tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen werden de grenzen gesloten. Je kon alleen de grens over als je in bezit was van een paspoort. Aan de grens stond de douane die je papieren controleerde. Aan de ene kant de Nederlandse die het verkeer vanuit Duitsland controleerden en aan de andere kant de Duitse die het verkeer dat vanuit Nederland het land inkwam, controleerden. Dat leidde toen al geregeld tot flink oponthoud aan de grenzen.  Nou ja, al het verkeer. Als opgroeiende puber ging ik, net als veel van mijn leeftijdsgenoten, in de zomer graag zwemen in Walbeck net over de grens met Duitsland. Zo’n mooi en groot zwembad met een zo’n lage entreeprijs lag er in Nederland in de wijde omgeving niet. Voor vijftien Duitse Marken, in Nederlandse guldens zo’n fl. 16,50, kocht je een tienrittenkaart. Maar om daar te komen moest je de grens over en dus je paspoort meenemen en soms lang wachten. En dat wachten daar hadden we het geduld niet voor. Dus zochten we onze weg via bospaadjes en gingen we illegaal de grens over. Een beetje zoals veel vluchtelingen nu. Maar ook die werden soms gecontroleerd en dat maakte het tot een spannende fietstocht. Diezelfde en andere paadjes, werden in de jaren vijftig en zestig gebruikt om spullen, zoals boter, de grens over te smokkelen. En dat bleef zo tot het Verdrag van Schengen hieraan een einde maakte.

Ieder jaar wordt de Atlas der Gemeenten uitgebracht. De lijst met meest aantrekkelijke Nederlandse steden. Al jaren staat Amsterdam bovenaan en al jaren bungelt Venlo, net als andere Limburgse steden, onderaan de lijst. Om die ranglijst te bepalen wordt er naar veel zaken gekeken zoals de beschikbaarheid van werk, de prijs van huizen, de aanwezige natuur, de nabijheid van zee en nog wat andere zaken. Venlo scoort slecht omdat het aan de grens ligt en alles wat over die grens ligt, daar wordt niet naar gekeken. Zo is de hoeveelheid natuur in de omgeving beperkt. Klopt, tussen de Maas en de grens is immers maar een kilometer of vijf plek en daar past niet veel op. Als je echter van de Groote Hei de grens over fietst of wandelt, dan loop je zo het bos in en niet veel verder kom je bij de prachtige Krickenbecker Seen. Voor degenen die geen Duits spreken, in Duitsland is een meer een ‘See’ en de zee een ‘Meer’. Op het grootste deel van zowel de Groote Hei als het Duitse natuurschoon, was in de Tweede Wereldoorlog trouwens het grootste Duitse militaire vliegveld van West Europa gevestigd: Fliegerhorst Venlo. De restanten ervan zie je nog links en rechts tussen het natuurschoon.

Nu wil het geval dat de onderzoekers achter de lijst ook eens hun ‘grenzen hebben verlegd’. En wat blijkt, dan stijgen de Limburgse steden ineens naar topposities in de lijst. Maastricht en Heerlen in de top tien en Venlo naar plek elf. Als ‘Venlonaer’ verbaast mij die hoge klassering niet. Het verbaast mij wel dat Heerlen en Maastricht hoger staan maar dat kan aan mij liggen. Het verbaast mij niet omdat er aan de andere kant van de grens een veel grotere wereld ligt dan aan deze kant. Als ik driekwartier autorijd vanuit Venlo dan ben ik aan de Nederlandse kant in Eindhoven, Nijmegen en nog niet eens in Maastricht. Ga ik de grens over dan ben ik in Duisburg, een stad met bijna een 500.000 inwoners en de grootste binnenhaven van Europa. Op weg daarnaartoe passeer ik Krefeld met 225.000 inwoners, net zo groot als Eindhoven en groter dan Maastricht en Nijmegen. Ook ben ik in Düsseldorf de hoofdstad van deelstaat Nordhein-Westfalen met ruim 600.000 inwoners. Daarbij passeer ik Mönchengladbach met bijna 260.000 inwoners. Maak ik er een uur en een kwartier van, dan ben ik aan de Nederlandse kant in Tilburg en Arnhem. Aan de Duitse kant in miljoenenstad Keulen, in Dortmund met meer dan 580.000 inwoners. Een gebied met veel inwoners waar, naast dat er op hoog niveau wordt gevoetbald (vijf clubs in de Bundesliga), vele musea te bezoeken zijn. Waar je naar pop- en andere concerten kunt. Waar je tegen een goede prijs, goed kunt eten. Een gebied waar je, als je de taal spreekt, goede kansen op een baan hebt en waar het prettig en goedkoper wonen is dan aan deze kant van de grens. Een Nexit zou daaraan abrupt een einde maken. Dan ligt Venlo weer ingesloten tussen de Maas en een ‘grenshek’. Dan worden de mogelijkheden van de Venlonaar ineens weer flink begrensd. Dan ligt het zwembad in Walbeck, het bestaat nog steeds, ineens weer veel verder weg en staat er een hek over het oude Fliegerhorst Venlo en kan ik niet meer naar de Krickenbecker Seen wandelen. Ook moet ik dan afscheid nemen van mijn softbal-teamgenoten van ‘euver de päöl’. 

Er is meer. Sinds mijn jeugd is het wagenpark in Nederland meer dan verdubbeld. Tussen mijn jeugd en 2007 nam het wagenpark met 70% toe en sinds 2007 is het wagenpark met weer zo’n 16% gegroeid. Dat zal voor onze buurlanden niet zoveel anders zijn. Als het toen al geregeld ‘stroopte’ aan de grens, hoe zal het dan zijn als er nu weer gecontroleerd gaat worden aan de grens? Voor de grote grensovergang op de A67 bij mijn woonplaats Venlo zou, gezien het aantal vrachtwagens dat er per dag over deze weg rijdt, een file kunnen ontstaan tot aan de Belgische grens. Een file die zich aan de Belgische kant zou voortzetten omdat ook daar gecontroleerd moet worden. Op Schiphol zullen lange rijen ontstaan voor de paspoortcontroles. Wat zal dit betekenen voor bijvoorbeeld de haven van Rotterdam? Een container voor Duitsland kan dan beter in Hamburg worden gelost, dat scheelt een grensovergang en dus veel tijd en controle. Wat betekent dit voor de nummer één logistieke hotspot Venlo? Als die container niet meer in Rotterdam komt, komt hij ook niet meer naar Venlo. Is er dan nog winst te behalen met het centraliseren van logistiek voor verschillende landen op één plek? Komen al die grote logistieke ‘dozen’ dan leeg te staan? Wat betekent dit voor de toenemende groep van grenswerkers?

“De waarheid is dat Rutte gewoon méér migratie wil. Hij wil méér globalisme. Hij wil minder nationale identiteit en minder democratie. Maar in plaats van dat gewoon toe te geven, “verschuilt” hij zich achter verdragen en de EU. Laf.” Voor wat betreft de lafheid van het huidige kabinet in de omgang met het onderwerp migratie, ben ik het met Blommestijn eens. Hierbij de oplossing zoeken in een sentimenteel beeld van het verleden van Nederland en de ‘identiteit’ van ‘de Nederlander’, lijkt mij geen goed idee. Naast douanier is smokkelaar dan de enige beroepsgroep, als je smokkelaar een beroep mag noemen, die er wel bij vaart. Trouwens, met uit de EU stappen verdwijnen migranten en vluchtelingen niet zoals de Britten nog steeds ervaren.

Uitgelicht

Chickenshit Conformist

Zo eens in de zoveel tijd komt de punkband Dead Kennedys voor in een prikker. Vandaag is dat weer eens het geval. Aanleiding vormde het lezen van een artikel op de site OneWorld van Seada Nourhussen. Centraal in het artikel staat Maha Eljak, in de kop aangekondigd als: “moslim, model en punker.” Eljak is, zo lees ik: “het eerste zwarte model met hoofddoek in Nederland en bekend van Holland’s Next Top Model.” Een bijzondere combinatie en daarbij moest ik denken aan het nummer Chickenshit Conformist van Dead Kennedys. Ik moest denken aan dat nummer omdat dit nummer precies aangeeft wat er niet klopt aan het verhaal van Eljak.

Eigen foto

Eljak in het artikel: “Online vond ik als tiener meer aansluiting bij leeftijdsgenoten door fanaccounts te beginnen van popbands als One Direction. Toen is mijn liefde voor muziek en daarna punk ontstaan en ben ik zelfs Event Management gaan studeren, zodat ik wél naar concerten mocht van mijn vader.” Wat hier niet klopt wordt al duidelijk in de opening van het nummer van de Dead Kennedys: “Punk’s not dead, it just deserves to die when it becomes another stale cartoon. A closed minded, self-centered social club ideas don’t matter, it’s who you know.” Punk verzette zich tegen de gekunstelde en gemaakte popmuziek van de jaren zeventig, muziek voor commerciële doeleinden. Punk leverde stevige maatschappijkritiek. One Direction, een gemaakte boy band, is alles wat punk verafschuwde en ‘eventmanagement’ een studie waar een rechtgeaarde punker nog niet dood gevonden zou willen worden. Het is de ‘stale cartoon’, de nagel aan de doodskist van de punk waar het niet om je ideeën gaat maar om wie je kent. Het is goed in de markt gezette dertien in een dozijn muziek waarover het tweede couplet handelt: “If the music’s gotten boring, it’s because of the people who want everyone to sound the same.  Who drive the bright people out of our so-called scene til all that’s left is just a meaningless fad.”

Chickenshit Conformist stond op het vierde Kennedys album Bedtime for Democracy dat in 1986 verscheen. Een album dat in het teken stond van de tegen de band aangespannen rechtszaak. Aanleiding voor die rechtszaak was een afdruk van het kunstwerk Work 219: Landscape XX, ook bekend onder de naam Penis landscape van de Zwitserse kunstenaar Hans Ruedi Geiger dat de band bij hun derde album verspreidde. Dit was tegen het zere been van het Parents Music Resource Center een club opgericht door onder andere Tipper Gore (de vrouw van de latere vice-president All) en Susan Baker (de vrouw van de toenmalige minister van financiën James Baker). Het PMRC wilde kinderen beschermen tegen gewelddadige, drugs en seks gerelateerde onderwerpen. Onder invloed van het PMRC werd de rechtszaak aangespannen. Een zaak die glansrijk werd gewonnen door de Kennedys. De Frontman en zanger, Eric Reed Boucher, beter bekend onder zijn artiestennaam Jello Biafra, schreef de song omdat hij zag dat de muziekindustrie wel interesse had voor de harde muziek maar niet voor de maatschappijkritiek: “Hardcore formulas are dogshit. Change and caring are what’s real is this a state of mind, or is it just another label?” En daarbij sprak hij zijn zorgen uit over de motieven van de muziek labels: “When the thugs form bands, look who gets record deals from New York metal labels looking to scam. Who sign the most racist, queer-bashing bands they can find to make a buck revving kids up for war.”

Ik denk niet dat Eljak zich dat realiseert, maar punk verhield zich erg slecht tot niet tot de mode en modellenwereld. “The joy and hope of an alternative has become its own cliché. A hairstyle’s not a lifestyle.” Mode is een hairstyle geen lifestyle. Nu is het Eljak niet kwalijk te nemen dat ze dat niet weet. Voor haar is ‘punk’ een muziekgenre zoals er vele andere zijn: “Harder-core-than-thou for a year or two then it’s time to get a real job.” Of in het geval van Harry Styles, een van de leden van One Direction, een zeer succesvolle solocarrière.

Biaffra concludeerde hieruit: “The more things change, the more they stay the same. We can’t grow if we won’t criticize ourselves. The ’60s weren’t all failure, it’s the ’70s that stunk. As the clock ticks, we dig the same hole.” En dat zelfde gat wordt nog steeds gegraven. Want: “So eager to please, peer pressure decrees. So eager to please, peer pressure decrees. Make the same old mistakes again and again. Chickenshit conformist like your parents.”

Om toch positief af te sluiten, het artikel vormde een goede aanleiding om Bedtime for Democracy weer eens te draaien en te constateren hoe actueel Biafra’s maatschappijkritiek uit de jaren tachtig nog is. Sterker nog. Wellicht is die kritiek nu nog actueler dan in 1986. Daarover wellicht later meer.

Uitgelicht

Zucht … (een hele diepe)

Zucht… . Dat is wat ik dacht toen ik een interview met Marvin Hokstam bij De Kantekening las. “Je hebt in het onderwijs islamitische scholen, hindoescholen, joodse scholen en westerse scholen. De afrocentrische identiteit ontbreekt veelal als het om educatie gaat. En die is essentieel voor de toekomst. Om sterk te staan, moet je weten wie je bent.” Daarom is hij blij dat er mensen zijn die zich inzetten voor dit soort onderwijs: “ Want daar zit de oplossing.”

“Discriminatie: als thema is het meer in de media dan ooit. Hoe gaan we met dit fenomeen om? Gaat het de goede of de slechte kant op? Tijd om de tijdgeest te toetsen.” Zo begint Gijs de Swarte zijn artikel en bij dat toetsen gaat hij in gesprek met journalist, onderwijsmanager en ervaringsdeskundige Hokstam. Een gesprek dat langs Keti Koti voert dat Hokstam niet viert want: “Hoe kun je vieren dat je iets terug kreeg dat nooit van je afgenomen had mogen worden?  … Waar het om gaat is dat we zaken definiëren met de hier dominante witte cultuur als uitgangspunt. Oké, de witte mensen in de koloniën kwamen er in 1863 eindelijk achter dat wat ze deden niet kon. De tot slaaf gemaakten in de eeuwen daarvoor waren daar, denk ik, al wat eerder aardig van op de hoogte.” Ja, die ‘witte mensen in de koloniën’ schaften in 1863 de slavernij af, tenminste in Nederland. De ‘witte Engelsen’ gingen in 1833 voor, de ‘witte Fransen’ schaften de slavernij in 1794 tijdens het schrikbewind van Robespierre af. Die afschaffing werd in 1802 door Napoleon weer ongedaan gemaakt en in 1848 werd slavernij weer afgeschaft. Die ‘witte Europeanen’ waren de eersten die slavernij afschaften. Ik kan een tweede zucht niet onderdrukken.

Nu kan het aan Google liggen dat menigeen niet lijkt te weten dat de trans-Atlantische slavenhandel niet de enige en zeker niet de eerste keer was dat mensen andere mensen als koopwaar beschouwden. Google op ‘afschaffing slavernij wereld’ of ‘slavernij wereldwijd’ en je krijgt flink wat hits. Je krijgt ook de categorie: ‘Mensen vragen ook’. Een van de vragen is “Welk land is begonnen met de slavernij”. Als je erop klikt krijg je het volgende te lezen: “Portugezen stichten in de vijftiende eeuw de eerste Europese kolonies gebaseerd op slavernij: in suikerplantages langs de Afrikaanse kust en later ook op grote schaal in Brazilië.” De gemakkelijke, luie lezer zal hieruit concluderen dat ‘die koloniale Europeanen de slavernij hebben uitgevonden.’ Zeker als het gros van de overige hits verwijst naar die trans-Atlantische slavenhandel en als het antwoord op de ook voorgekookte vraag “Hoe lang duurde de slavernij’” luidt: “De slavernij duurde zo’n tweehonderd jaar en in die tijd werden meer dan 12 miljoen Afrikanen uit hun land verscheept naar Curaçao, Suriname en Brazilië. Om te vergelijken: Nederland heeft 17 miljoen inwoners.”

Het antwoord op de vragen welk land er begon met slavernij en hoe lang slavernij duurde, is niet te geven. De oudst bekende verwijzing naar slavernij is van zo’n 38 eeuwen geleden en is opgenomen in de Codex Hammurabi. Op verschillende plekken wordt hierin over slaven gesproken. Deze eerste vermelding wil niet zeggen dat Babyloniërs slavernij hebben geïntroduceerd. Slavernij was eeuwenlang, hoe lang weten we niet omdat niemand weet wanneer een eerste mens tot slaaf werd gemaakt, een normale praktijk. Normale praktijk wil niet zeggen dat er geen verzet tegen was.  

Dan die 12 miljoen (eigenlijk12,5 miljoen) dat zijn er veel. Voor de gevoeligen onder ons komt er nu wat kil rekenwerk. 12,5 miljoen in driehonderd jaar, dat zijn er net geen 42.000 per jaar. Dat zijn er veel. Het boek De Zijderoutes van Peter Frankonpan bevat een hoofdstuk met als titel De slavenroute. Dit hoofdstuk laat zien dat die 12,5 miljoen in 300 jaar, want zolang duurde de trans-Atlantische slavenhandel, en dus gemiddeld 42.000 per jaar, geen uitschieter was. Ik citeer: “Recent onderzoek lijkt erop te wijzen dat het Romeinse rijk op het hoogtepunt van zijn macht elk jaar zo’n 250.000 à 400.000 nieuwe slaven nodig had om het slavenbestand op peil te houden[1].” Dat zijn er tussen de zes en ruim negen keer meer dan er jaarlijks werden verscheept via de Atlantische slavenroute. Het toppunt van het Romeinse rijk besloeg ook ongeveer 3 eeuwen en met 250.000 slaven per jaar, komt dat neer op zo’n 75 miljoen verhandelde slaven. Inderdaad werden die niet allemaal in schepen verpakt. Om jaarlijks aan die hoeveelheid nieuwe slaven te komen, zullen er onderweg ook wel de nodigen zijn gesneuveld. Naast het Romeinse rijk op zijn hoogtepunt, lag ook nog het Perzische rijk en ook dat kende slaven. Slik! Nog meer!

Ook na de Romeinse tijd zette het gebruik zich voort. Zo vormde de slavenvangst en -handel een van de standaardpraktijken van de Noormannen en struinden de islamitische rijken de grenzen van hun gebieden af naar slaven. Het koninkrijk Mali dat grofweg van de 14e tot de 16e eeuw bestond, verdiende grof geld met slavenhandel, ook aan de trans-Atlantische slavenhandel. En nee, het zijn ook niet die ‘witte westerlingen’ die het intituut slavernij in de Amerika’s introduceerden. Het instituut was ook in die contreien al bekend. Graeber en Wengrow beschrijven, in hun Het begin van Alles, de slavernij onder de oorspronkelijke bewoners van de Amerika’s[2].

Aan die praktijk kwam vanaf het midden van de negentiende eeuw een einde. Dat einde begon toen ‘witte Europeanen’ het gingen verbieden. En nee, dit is niet: “definiëren met de hier dominante witte cultuur als uitgangspunt,” zoals Hokstam beweert. Het is een beschrijving van de feitelijke situatie. Op een punt na dan en dat is dat er tegenwoordig nog steeds mensen in slavernij leven. Volgens de site van Amnesty International zijn er tenminste 40 miljoen mensen die in een vorm van moderne slavernij leven. Dus dat is bij deze ook hersteld.

Tot zover de laatste zucht. Terug naar de eerste, de afrocentrische scholen die volgens Hokstam de oplossing zijn. Afrocentrische naast: “islamitische scholen, hindoescholen, joodse scholen en westerse scholen.” Als eerste de vraag wat ‘westerse scholen’ zijn? Zijn dat scholen op katholieke, hervormde, gereformeerde of welke andere christelijke stroming dan ook? Zijn dat de vrije scholen of de openbare? Wat is een westerse school? Nu is mijn zucht geen gevolg van deze vraag.

Die zucht is een gevolg van mijn verbazing dat een in Suriname geboren man die al jaren in Nederland woont, zijn heil zoekt in afrocentrisme. In een, om Wikipedia aan te halen: “culturele ideologie of wereldbeeld waarbij Afrika, zwarte Afrikanen en hun afstammelingen centraal worden geplaatst .” Een, zo lees ik verder, een: “Afrikaans-Amerikaans geïnspireerde ideologie die een bevestiging van zichzelf manifesteert in een eurocentristisch gedomineerde maatschappij …  In het algemeen is afrocentrisme vaak gemanifesteerd in een focus op Afrikaans-Amerikaanse cultuur en de geschiedenis van Afrika, en bevat dit vaak een Afrikaanse diaspora-versie van een rond Afrika gecentreerde kijk op de geschiedenis en cultuur om de prestaties en ontwikkelingen van gemarginaliseerde Afrikanen te portretteren.”  Zou dit, om Hokstams doel aan te halen kinderen helpen om te weten wie ze zijn, zodat ze sterk staan? Waarom moeten Nederlandse kinderen worden ondergedompeld in een Afrikaans-Amerikaanse ideologie die zich selectief geschiedenissen en gebeurtenissen, om het woord maar te gebruiken, toe-eigent van het Afrikaanse continent en daar een allegaartje van maakt? Waarom moeten Nederlandse kinderen een Afrikaan-Amerikaanse identiteit ontwikkelen om zichzelf te kennen? Voor welk probleem zou dit een oplossing zijn? Maar belangrijker. Als een eurocentrisme het wereldbeeld van mensen vertekent, zou dat dan niet ook gelden voor een afrocentristisch? Wordt het ene kwaad dan niet ingewisseld voor een ander?

Mijn grootste zucht betreft echter het klakkeloos overnemen van dit betoog als betrof het de waarheid door journalist Gijs de Swarte. Geen enkele kritische vraag. Zelfs niet als De Swarte de vraag stelt: “De in Nederland dominante witte cultuur als uitgangspunt. Waar zie je dat nog meer?” En Hokstam antwoordt met: “Het is overal aanwezig, natuurlijk. Maar om een groot voorbeeld te geven: denk aan het feit dat de slavenhouders door de Nederlandse staat werden gecompenseerd voor het bedrijfsmatige verlies dat het einde van de slavernij voor hen met zich meebracht.” Een gebeurtenis uit de jaren zestig van de  negentiende eeuw, inmiddels 160 jaar geleden. Een niet erg actueel voorbeeld van het centraal stellen van eigendom. Geen enkele kanttekening. Terwijl er toch de nodige te maken zijn zoals ik in deze prikker doe.


[1] Peter Frankonpan, De Zijderoutes, pagina 150

[2] David Graeber en David Wengrow, Het begin van Alles, pagina 206-213

Uitgelicht

Cultureel cancelen

“Activisten noemen dit ‘cultural attribution’: als één onderdeel aan een hele cultuur wordt toegeschreven, zonder oog voor andere ontwikkelingen.” Een zin uit de verslaggeverscolumn van Margriet van Oostveen in de Volkskrant. Een heel bijzonder artikel. Als ‘activisten’ gecombineerd met ‘cultureel’ en ‘toeschrijving’, de letterlijke vertaling van ’attribution’, in één zin worden genoemd, dan wordt mijn brein wakker. Wakker omdat er dan meestal een wel erg bijzondere redenering volgt.

Bron: Pixabay

Wat behandelt Oostveen in haar column getiteld Over cancelcultuur en Afrikaanse studenten die een punt hebben? De universiteit van Wageningen heeft sinds kort een expositieruimte buiten. Die ruimte is bedoeld om: “discussie aan te jagen” en: “de dialoog te openen,” zo is te lezen. “En bij de eerste tentoonstelling Power of the Wasted barstte prompt een hevige discussie los. Nog geen twee weken later werd de tentoonstelling daarom ‘tijdelijk’ verwijderd. En nu heeft het universiteitsbestuur besloten dat die helemaal niet meer terugkeert.”  De expositie is om dat woord te gebruiken, gecanceld.

Die eerste tentoonstelling, Power of the Wasted bestond uit foto’s van Jurrian Veldhuizen onder de noemer. “Hero: “a person of distinguished courage or ability, admired for his or her brave deeds and noble qualities”. Everywhere and every day, we create waste. It keeps piling up. It goes to places that are unseen and it is being handled by people that we do not know. Their daily hard work remains unnoticed by us, which is not only unfair, it also leaves us unaware. It is time to see and recognize the efforts, struggles and bravery of those cleaning up our mess: the waste heroes.” Aldus de inleidende tekst bij de tentoonstelling. Een tentoonstelling over mensen in Ghana die leven van het vuilnis van anderen, ook van ons. De afvalrapers.  

Wat was er zo schokkend aan die foto’s dat de tentoonstelling al na twee weken werd ‘gecanceld’? “Het geheel schiet de United Community of African Students (UCAS) aan de universiteit volkomen in het verkeerde keelgat. Zij vinden de foto’s stereotiep, schadelijk voor Afrika en scavengers net zo beledigend als het n-woord. Ze eisen dat de foto’s worden verwijderd en vernietigd.” Daarop vervangt Veldhuizen het woord scavenger. En dan valt: “cultural attribution: als één onderdeel aan een hele cultuur wordt toegeschreven, zonder oog voor andere ontwikkelingen.” Volgens de projectleider antiracisme, gelijk vermogen en gelijke behandeling, de de Amerikaans-Nederlandse Percy Cicilia Jr. had Veldhuizen de ‘hypermoderne recycle-installatie’ die bij de vuilnisbelt stond, moeten fotograferen, het moderne Afrika en niet “een afvalberg zoals die veertig jaar geleden al in het blad voor de rooms-katholieke missie Bijeen stonden.” Iets wat ook de ambassadeur van Oeganda in Brussel Mirjam Blaak-Sow aandraagt die een toespraak hield over: “manieren waarop Afrika het imago van ‘continent met problemen’ van zich afschudt.” Veldhuizen antwoordt dat het onderwerp van zijn serie de afvalrapers was, maakte geen indruk. De tentoonstelling geeft geen ‘beeld van Afrika’, maar een beeld van de vuilnisrapers in Kumasi in Ghana. Zo geeft de Volendamse klederdracht geen ‘beeld van Nederland’ en zeker niet van Europa, maar een beeld van een deel van Volendam. Als de UCAS het zo belangrijk vindt dat het moderne Afrika wordt getoond, dan staat niets hen in de weg om daar zelf een expositie van te maken. Dat is een productievere weg dan een fotograaf te ‘verbieden’ om foto’s van het in hun ogen ‘foute’ maar ook reële beeld van vuilnisrapers in Kumasi te maken.

Maar terug naar de term ‘culturele toeschrijving’. Blaak-Sow is de ambassadeur van Uganda. Veldhuizen nam de foto’s in Kumasi, de op een na grootste stad van Ghana. Als je met een auto van Kumasi naar Kampala, de hoofdstad van Uganda, wilt reizen dan ben je, als er geen ander verkeer is, je niet wordt opgehouden en je geen pauze neemt, bijna 90 uur onderweg om de bijna 5.500 kilometer af te leggen. Even ter vergelijking. Als ik in Venlo in mijn auto stap en 5.500 kilometer naar het oosten rijdt, dan strand ik na een uur of zeventig (onder dezelfde voorwaarden) net voor Novosibirsk. Rij ik naar het zuiden dan kom ik tot Kongoussi in Burkina Faso, het buurland van Ghana en ongeveer 1.000 kilometer noordelijker gelegen dan Kumasi. Steden en gebieden waar het leven heel anders is dan in Venlo. Waar mensen met heel andere gewoontes en gebruiken wonen. Zou dat voor Kumasi en Kampala niet ook gelden?

Heeft de ambassadeur van Uganda het mandaat om namens heel Afrika te spreken? Zouden de inwoners van Cassablanca, ook Afrika en onder dezelfde omstandigheden een autotocht van bijna 120 uur en ruim 8.200 kilometer van Kampala gelegen, of Kaapstad ruim 70 uur en bijna 5.400 kilometer van Kampala zich niet iets heel anders bij de Afrikaanse cultuur kunnen voorstellen? “This exhibition was authorized by Kumasi Metropolitan Assembly,” is te lezen site van de tentoonstelling. Dus daaruit blijkt dat er ook in Afrika, en vooral aan de culturele bron van de foto’s, anders over wordt gedacht. Wie doet er nu ‘culturele toeschrijving’? Wie doet de werkelijkheid geweld aan? Dus nee beste Oostveen, ze hebben geen punt.

“‘Ik vind dit niet meteen cancelcultuur. Híj is toch niet gecancelled?’” Met deze quote van Percy Cicilia Jr. eindigt het artikel. Nee Cicilia Jr., Veldhuizen is niet ‘gecanceld’ zijn tentoonstelling in de publieke ruimte wel. En dat op zeer dubieuze gronden.

Uitgelicht

Moderne hiërogliefen

Mijn ouders voedden me op in dialect we deden de ‘aafwas met en schottelslet in de paolingstein’. Pas toen ik naar school ging leerde ik de afwas te doen met een vaatdoekje in de gootsteen. Ik leerde Nederlands als tweede taal. De wereld kent zeer veel talen en nog meer dialecten. Het worden er steeds minder, maar nog steeds zijn het er erg veel. Of je afwast met een ‘schottelslet’ of een vaatdoekje hangt af van de plek waar je wordt geboren en van de taal die je ouders tegen je spreken. Die verschillende talen maken het lastig communiceren met elkaar want de vertaling van woorden komt nogal precies en dat maakt dat vergissingen op de loer liggen. Zeker als gevoelens een rol spelen. Dat werd me duidelijk na het lezen van het Homo emoticus, een boek van Richard Firth-Godbehere.

Bron: Pixabay

Neem het Nederlandse woord zij. Het klinkt hetzelfde als zei, de verleden tijd in het enkelvoud van het werkwoord zeggen. Zij is de derde persoon vrouwelijk enkelvoud. Maar ook de derde persoon meervoud. Het is ook de korte vorm van ‘zijde’ en dan kan het een begrenzing van een lichaam of figuur zijn, de boven of onderkant van een dun vlak, het overgangsgedeelte tussen de voor en achterkant van het lichaam, of het betekent dat je iemands kant kiest. Maar het kan ook het spinsel van een zijderups zijn of de stof die ervan gemaakt kan worden.

Taal speelt een belangrijke rol in de geschiedenis van de mens. “Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in de biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie heel snel.[1]  Aldus Madeleine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier in hun boek Hoe we mensen werden. Spreken maakte het mogelijk belangrijke informatie door te geven. Zo konden onze voorouders elkaar waarschuwen voor een gevaarlijke situatie, bijvoorbeeld waar een leeuw uithing. Maar ook waar het goed vissen was: ‘hier rechtdoor, dan voorbij die bramenstruiken rechts af en na het derde rotsblok naar links …’.  Belangrijk, zo betoogt Yuval Noah Harari, is dat taal een grotere groep mogelijk maakte. En dat, zo betoogt Harari, kwam door de mogelijkheid om te roddelen: “Het is veel belangrijker voor ze om te weten wie er binnen hun stam een hekel heeft aan wie, wie het met wie doet, wie eerlijk is en wie juist niet. De hoeveelheid informatie die er verworven en opgeslagen moet worden om de o zo veranderlijke relaties tussen enkele tientallen individuen bij te houden, is verbijsterend. (In een groep van vijftig individuen is sprake van 1225 één-op-één-relaties en talloos veel meer complexe sociale combinaties.) Alle mensapen vertonen een sterke belangstelling voor dit soort sociale informatie, maar ze kunnen niet echt effectief roddelen. [2]” Hierdoor kon een groep, zo betoogt Harari, groeien tot wel 150 individuen.

Taal gaf een boost aan onze, cognitieve motor, ons voorstellingsvermogen, zo beweren Madeleine Böhme en haar coauteurs: “Misschien is de zwerflust, de drang om onbekende verten te verkennen en nieuwe milieus te veroveren veel ouder dan tot nu toe wordt aangenomen en zat het van meet af aan in onze genen? We zouden ons nu ook kunnen afvragen waarom willen mensen naar Mars? Misschien is het antwoord op beide vragen hetzelfde: niet omdat we het kunnen, want dat laatste kunnen we immers nog niet, maar omdat we het ons kunnen voorstellen. Omdat we dankzij ons verstand in staat zijn ons fictieve situaties in te beelden; in onze geest werelden, plaatsen en situaties te scheppen en daar emotionele en spirituele energie aan te verbinden. De voorstelling van wat aan gene zijde ligt, is misschien wel de voornaamste cognitieve motor van onze evolutie.[3] Taal maakt het veel makkelijker om je ‘voorstelling’ met anderen te delen en hen aan je kant te krijgen. De grootste kracht van de mens is zijn vermogen om verhalen te verzinnen die voor de verzinner en voor zijn soortgenoten net zo reëel zijn als een boom of een rivier. Of zoals Harari het beschrijft: “Sinds de cognitieve revolutie leven sapiens aldus in een dubbele realiteit. Aan de ene kant heb je de objectieve realiteit van rivieren, bomen en leeuwen en aan de andere kant de imaginaire realiteit van goden, naties en corporaties.[4]Twee realiteiten die sinds een jaar of twintig worden aangevuld met een derde, virtuele realiteit. Een realiteit die de andere twee combineert door je beelden voor te schotelen die je in toenemende mate niet van echt kunt onderscheiden, waarin je binnen de limieten van het programma ‘imaginair’ actief kunt zijn. Verhalen bedoeld om individuen te binden en te onderscheiden van andere groepen. Verhalen die dus tegelijk binden en scheiden.

Eeuwenlang, en nu nog, worden verhalen van mond tot mond gedeeld. Zwak punt bij dat delen, is dat ons geheugen ons wel eens in de steek laat en we iets vergeten, we ons iets herinneren wat er niet was of we andere woorden gebruiken, waardoor het verhaal verandert. In het vierde millennium voor onze jaartelling vonden onze voorvaderen iets uit waarmee dit risico werd verkleind. Of ze het om die reden uitvonden weet ik niet, maar het hielp er wel bij. Die uitvinding was het schrift. Spijkerschrift op kleitabletten in Mesopotamië, de hiërogliefen van het oude Egypte op muren maar ook op papyrus. Als je de tekens kent, dan begrijp je het verhaal. Dan lees je allemaal hetzelfde.

Nou, niet helemaal. Je leest dezelfde woorden, maar geeft iedereen die woorden dan ook dezelfde betekenis? Geven ze er allemaal dezelfde uitleg aan? Neem het meest verkochte boek uit de geschiedenis, de bijbel, dat wordt op veel verschillende manieren uitgelegd. Ieder kerkgenootschap dat zich erop baseert, legt het op een eigen manier uit. De een legt een tekst letterlijk uit, de ander doet dat in een historische of andere context en zelfs over de letterlijke uitleg kun je van mening verschillen. Het enige wat al die uitleggen gemeen hebben, is dat de uitleggers er allemaal van overtuigd zijn dat ze het bij het rechte eind hebben.

Bij dat uitleggen spelen emoties een belangrijke rol en emoties en de manier waarop ze al dan niet worden geuit, kan behoorlijk verschillen. Firth-Godbehere geeft hier een mooi voorbeeld van in zijn boek: “Ik ben bij concerten geweest in Barnsley, ook in Engeland, waar het publiek bewegingsloos en met uitgestreken gezicht het hele optreden aanhoorde. Maar toen de muziek eenmaal afgelopen was, stond er een rij mensen klaar om op de band  af te lopen, ze bier aan te bieden en te vertellen hoe fantastisch ze wel niet hadden gespeeld. De specifieke emotionele gemeenschap is er een waarin stoïcijnse stoerheid – ongeacht het geslacht – het soort gepassioneerde uitingen vermijdt die je ziet bij optredens elders, zelfs stadjes op een paar kilometer van Barnsley.[5] Een manier van ‘genieten’ die overeenkomst met het ‘Venlose swingen’ zoals Sef Derkx het in zijn wekelijkse column bij Omroep Venlo beschrijft en die ik bij mijn stadgenoten herken: “Bij het Venlose swingen zit je op een festivalbank en tik je met een voet op de grond. Het hoeft niet in de maot. Ritmegevoel is overbodig. Af en toe maak je schokkende bewegingen met je bovenlijf. Niet te enthousiast. We zijn geen Penny de Jager van Top Pop. Belangrijkste bij het Venlose swingen is, dat je altijd je beker met bier in de löcher houdt. Dat die niet omvalt door een bruuske dansante beweging. Het leven is ook zonder te dansen al duur genoeg en kloeke is allewiels gans onbetaalbaar geworden. Fijn van het Venlose swingen is bovendien, dat je je colbert aan kunt houden. Je zweet niet.” Als je dit als band niet weet, dan denk je dat in Barnsley en Venlo cultuurbarbaren wonen.

Die verschillen waarop mensen emoties uiten, maken het voor kunstmatige, in dit verband ook affectieve, intelligentie zeer lastig en om emoties te herkennen en als ze al worden herkent, ze ook nog te interpreteren, zo betoogt Firth-Godbehere. Hij maakt dit duidelijk aan de hand van een foto van hemzelf met een gebalde vuist en een grimmig gezicht. Vervolgens vraagt hij de lezer: “Ben ik ziedend op andere weggebruikers? Of vier ik dat ik op de autoradio hoor dat mijn favoriete club heeft gescoord?”  Hij vervolgt: “Zelfs mensen hebben moeite zoiets te bepalen. Als we emotieherkennings-KI in zelfbesturende auto’s willen installeren zodat die de controle overneemt en de auto aan de kant laat stilstaan als ze mijn woede herkennen, dan kan mijn juichende vuist in de lucht betekenen – niet dat mijn club zo vaak scoort – dat ik stil kom te staan aan de kant van de weg en kwader en kwader word op mijn ergerlijke ‘intelligente’ auto.[6]

Firth-Godbehere ziet een gevaar in die pogingen om emoties via technologie te herkennen. “De westerse ideeën over emotie die ten grondslag liggen aan deze technologie, zullen culturele verschillen wreed vertrappen en het zal niemand interesseren. De teerling is geworpen en de technologie is westers-  en dat zullen alle emoties ook al snel zijn.” Dit omdat wij mensen bijzonder creatief in het ons aanpassen aan nieuwe omstandigheden en via de technologie zal dat de westerse uitleg van emoties zijn. Want: “Als regeringen denken dat ze de kostbare technologie die ze hebben gekocht misdadigers kan herkennen aan de hand van hun onvoorspelbare gedrag, dan zullen mensen zich domweg voorspelbaar gaan gedragen om te voorkomen dat ze in de problemen komen.[7]  Die technologie zorgt er dan wel voor, of anders gezegd, ze dwingt ons naar ‘uniform handelen’. Firth-Godbehere ziet nog een tweede manier waarop we naar ‘universele emoties’ worden geduwd, Die manier heeft te maken met een nieuwe manier waarop emoties worden geuit, de emoji’s: “Veel linguïsten die zich met dit verschijnsel bezig houden, lijken aan te nemen dat emoji’s een nieuw internationaal schrift gaan vormen en een nieuwe wereldwijde uitingsvorm van emoties.[8]

Een moderne variant van hiërogliefen schrift dat we allemaal begrijpen. Een uniforme taal. Zou dat een zegen zijn? Firht-Godbehere denkt er anders over: (Dat) de enorme diversiteit van manieren om emotie op te vatten en te uiten iets heerlijks is.  … Ik ben ook bang dat de wereld er niet beter of veiliger op zal worden als emotionele misverstanden, en ons vermogen die te herkennen en erkennen bij de ander, uiteindelijk zouden verdwijnen.[9]  Volgens Firth- Godbehere gaat het wel die kant op en dat zou jammer zijn. Denk daar maar eens aan als je me voor deze Prikker beloont met een duimpje of een smiley.


[1] Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian BreierHoe we mensen werden, Pagina 214

[2] Yuval Noah Harar, Spaiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid pagina 32

[3] Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier, Hoe we mensen werden. Een geheel nieuwe kijk op de oorsprong van de mensheid, pagina 192

[4] Idem, pagina 42

[5] Richard Firth-Godbehere, emoties. Hoe emoties de wereld hebben gevormd, pagina 15

[6] Idem, pagina 296-297

[7] Idem, pagina 294-295

[8][8] Idem, pagina 306.

[9] Idem pagina 295

Uitgelicht

Beste staatssecretaris Van Ooijen,

Met veel aandacht en interesse heb ik uw Kamerbrief Hervorming Jeugdzorg gelezen. Zeven jaar na de decentralisatie van de jeugdzorg constateert u dat: “de belofte van de decentralisatie – passende hulp, dichtbij huis, gezinsbreed, efficiënter en met minder kosten – onvoldoende waargemaakt (is). Er wordt meer geld dan ooit aan jeugdzorg besteed.”  Ondanks: “de inzet die al door vele partijen is gepleegd om verbeteringen door te voeren,” en de: “mooie ontwikkelingen en initiatieven,” waar u op wilt voortbouwen, concludeert u dat er: “meer sturing nodig (is) om dit overal goed te regelen.”  Een om verschillende redenen bijzondere brief.

Bijzonder omdat het beeld dat uit uw brief naar voren komt er een is van een falend systeem en beleid. U constateert: “Het beroep op jeugdzorg is de afgelopen decennia sterk gestegen. Volgens de nieuwste CBS-cijfers ontving in 2021 ongeveer 1 op de 7,5 jongeren tot 18 jaar enige vorm van jeugdhulp. Ter vergelijking: in 2015 ontving 1 op de 10 jongeren jeugdhulp en in 1997 bedroeg dit grofweg 1 op de 27.” En: “Te veel kinderen die kampen met complexe problemen en specialistische zorg nodig hebben, komen op wachtlijsten terecht of ontvangen geen passende zorg. De meest passende vorm van zorg is niet altijd beschikbaar en/of er is gebrekkige samenwerking tussen partijen.” Beste meneer van Ooijen, dit hoeft u niet te verbazen. En anders dan u lijkt te betogen, denk ik dat dit geen gevolg is van falend beleid maar dat de jeugdhulp ten onder gaat aan de succes van jaren overheidsbeleid. Uw analyse van de situatie gaat niet diep genoeg. In deze brief zal ik dat nader onderbouwen.

Minister Ruding. Bron: WikimediaCommons

Hiervoor neem ik u even mee terug naar 1984. In dat jaar brachten twee interdepartementale werkgroepen die in 1978-1979 in het leven waren geroepen om (ook toen al) een einde te maken aan de willekeur in de jeugdhulp hun verslag uit. In hun rapporten concludeerden de beide werkgroepen dat: “hulp voortaan ‘zo dicht mogelijk bij huis, van zo kort mogelijke duur en in zo licht mogelijke vorm’ moet plaatsvinden.” De toenmalige regering Lubbers onderschreef dit en vulde dit zogenaamde ‘zo-zo-zo-beleid’ aan met nog twee ‘zo’s’, namelijk zo tijdig mogelijk en, typisch Nederlands, zo goedkoop mogelijk. ‘Tijdig en licht’ om ‘lang en zwaar’ te voorkomen.

Ik neem u mee naar 2010 en de Kamerwerkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg. Het rapport van deze Kamerwerkgroep zal voor u een feest van herkenning zijn. In het rapport worden met andere, en soms dezelfde woorden, precies dezelfde problemen geconstateerd. Problemen zoals een toenemend beroep op hulp. Om die problemen op te lossen, moest er: “Uitgaande van het kind en zijn kansen en mogelijke bedreigingen, (…) vroegtijdige hulp en zorg worden geboden; zo dicht mogelijk bij het kind en zijn dagelijkse leefsituatie.” Eén gezin, één plan, één regisseur werd het nieuwe devies nog steeds met het doel om zo dicht mogelijk bij huis, zo kort mogelijk, zo licht mogelijk te helpen. Met dit rapport als basis werd de jeugdzorg, door de toenmalige regering Rutte, in 2015 naar de gemeenten geschoven. En net als bijna dertig jaar eerder moest het ook ‘zo goedkoop mogelijk’ want er werd flink in het budget gesneden. Over hoe dat precies ging kan premier Rutte u vast een en ander vertellen. Hij is de enige bewindspersoon die toen ook al aan de knoppen zat. Als hij hier tenminste de juiste actieve herinneringen aan heeft.

Die toename in jeugdigen met ondersteuning en hulp is een gevolg van dertig jaar beleid. ‘Zo tijdig mogelijk’ en ‘vroegtijdig’ betekent dat je gaat zoeken naar signalen bij kinderen en gezinnen die mogelijk tot een problemen in de toekomst kunnen leiden. Dan ga je kinderen en gezinnen problematiseren en, om een beladen woord te gebruiken, ‘profileren’ op kenmerken van de jeugdigen en gezinnen met echte problemen. Dit ‘profileren’ leidt er als vanzelf toe dat, zoals u schrijft: “‘gewoon’ gedrag sneller dan vroeger buiten de bandbreedte van wat wordt gezien als ‘normaal’ zowel op school als thuis” valt. Vertoont een kind of gezin een of meer van die kenmerken, dan ontkom je er niet aan om actie te ondernemen. ‘Kunnen leiden’ zegt het al, het kan maar hoeft niet maar door het te constateren moet je iets en dat iets leidt er als vanzelf toe dat meer kinderen hulp krijgen.

Er is meer en belangrijkers. Ook nu neem ik u weer mee naar de jaren tachtig van de vorige eeuw. Toevallig ook weer naar 1984. In dat jaar verscheen er een interview met minister Ruding van Financiën in Het Vrije Volk waarin hij de volgende woorden sprak: “Laten we eerlijk zijn. Veel werklozen maken er zich met een Jantje van Leiden van af. … Men blijft liever dicht bij Tante Truus wonen.” Die woorden geven het door het toenmalige kabinet Lubbers I omarmde neoliberale denken weer. Denken dat in beleid werd omgezet. Beleid dat de bijl zette in de wortel van onze verzorgingsstaat. Beleid dat door alle kabinetten sindsdien is voortgezet en dat op meerdere manieren erg succesvol is.

Het belangrijkste in het neoliberale denken is de vrije markt. Vanaf midden jaren tachtig werd het beleid om steeds meer zaken aan de markt over te laten in de overtuiging dat dit tot de beste dienstverlening tegen de goedkoopste prijs zou leiden. In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten beschrijven Hans Achterhuis en Nico Koning zes manieren waarop goederen en diensten in een samenleving worden verdeeld onder haar leden. Zes vormen van verwerving of toe-eigening waarbij vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt en die dus een steeds grotere samenleving kunnen ondersteunen. Als eerste de eigen productie van iemand. Als tweede, de gedurende eeuwen de belangrijkste vorm, de gemeenschappelijke huishouding. Als derde ‘toedeling’ waarbij de hoogst geplaatste toedeelt aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping. Met het nog groter worden van de wereld komen deze samenlevingen in aanraking met aangrenzende samenlevingen. De ‘schenking’ of gift is dan een vreedzame manier van verwerven of toe-eigening. Bij een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen. Een gearrangeerd huwelijk is een voorbeeld van ‘schenken’. De vijfde manier van verwerven is ‘handel’. Belangrijk kenmerk van handel is dat de beide betrokken partijen gelijk zijn en blijven. De laatste vorm is ‘roof’. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van toe-eigening voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen[1].

Het neoliberalisme stelt marktrelaties, handel, de transactie tussen ‘vraag’ en ‘aanbod’ centraal. Eigen aan marktrelatie is dat er geen verplichting of verzwaring, geen relatie’ tussen de partijen ontstaat. Neoliberaal beleid bouwt niet aan een ‘WIJ’ in de samenleving. Sterker, door steeds meer zaken als ‘handel’ te zien en vorm te geven, wordt het ‘WIJ’ in de samenleving steeds verder uitgehold. Er wordt juist gebouwd aan het ‘IK’. Een echte neoliberaal zal dat niet erg vinden want die zegt de Britse premier Thatcher na: “who is society? There is no such thing.” En laten we wel wezen, dit op het individu gerichte beleid is heel succesvol geweest en is het nog steeds.

“Aan dit wetsvoorstel ligt de visie op de pedagogische civil society ten grondslag waarin ieder kind een veilige omgeving om zich heen heeft, waarin de school, de naschoolse opvang, de sportclub en de buurt een belangrijke rol spelen. Investeren in een positieve opvoeding, talentontwikkeling, een succesvolle schoolloopbaan en doorstroom naar werk ligt aan de basis van welbevinden, economische zelfstandigheid en democratisch burgerschap. Algemene jeugdvoorzieningen zoals de kinderopvang, de jeugdgezondheidszorg, scholen, sportclubs, buurthuizen, jongerenwerk en vrijwillige inzet dragen bij aan een positief opgroei- en opvoedklimaat.[2] Aldus de memorie van toelichting op de Jeugdwet 2015. De wetgever legt hier de zorg voor de jeugd voor een belangrijk deel neer bij iets wat door de nadruk op het ‘IK’ en de afbraak van het ‘WIJ’ van meer dan dertig jaar neoliberaal beleid, een kwijnend bestaan leidt. Namelijk sociale netwerken zoals de wijk. En ja, geografisch bestaan wijken nog steeds, sociaal maatschappelijk zijn ze op sterven na dood. Een wijk is tegenwoordig niet meer dan een verzameling individuen die toevallig bij elkaar in de buurt wonen.

U doet hetzelfde als u in uw brief schrijft: “Opgroeien begint thuis en in de wijk. Ouders en bredere familie of het sociale netwerk spelen hierin vanzelfsprekend de belangrijkste rol. Tegenwoordig valt ‘gewoon’ gedrag sneller dan vroeger buiten de bandbreedte van wat wordt gezien als ‘normaal’, zowel op school als thuis. Strubbelingen bij opvoeden en opgroeien horen bij het normale leven en dienen daarom met voorrang in eigen kring binnen sterke sociale verbanden (thuis, op school, in de wijk, etc.) te worden opgepakt. Inzet van professionele hulp komt pas in beeld wanneer problemen de veerkracht, kennis en expertise van gezinnen en het sociale netwerk overstijgen.” U zoekt de oplossing in ‘sociale verbanden’ die door jarenlang gericht overheidsbeleid zijn afgebroken. Het ‘thuis’ en die ‘brede familie’ zijn uitgehold door gericht beleid om iedereen zoveel mogelijk aan het ‘betaald werk’ te krijgen. Dit allemaal om mensen ‘economisch zelfstandig’ te laten zijn en vooral om de economie te laten groeien. Te laten groeien door zaken die vroeger, om in de woorden van Achterhuis en Koning te spreken, via de ‘gemeenschappelijke huishouding’ werden verdeeld zoals de zorg voor kinderen en ouderen, nu als ‘handel’ (kinderopvang en thuiszorg) worden gezien. Die druk op ‘betaald werk’ neemt alleen maar toe nu er sprake is van een tekort aan arbeidskrachten.

De Belg Paul Verhaeghe wijst in zijn boek Identiteit op een ander gevolg van dertig jaar neoliberale nadruk op het ‘IK’. Hij noemt onze tijd ‘sociaal-darwinistisch’ maar dan van een nieuw soort. Een soort waarbij: “…het niet langer de soort, maar het individu (is) waarop ‘natuurlijke’ selectie plaatsgrijpt. Het is de sterkste man of vrouw die het haalt, ten koste van al die andere mannen of vrouwen, en het criterium is succes.[3]Met andere woorden, je bent zelf verantwoordelijk voor je eigen succes en dit heeft als keerzijde dat je ook zelf verantwoordelijk bent voor je eigen falen. Je hebt je ‘verlies’ op alle terreinen daarmee aan jezelf te danken. Of zoals Verhaeghe het treffend formuleert: “Omgekeerd: wie mislukt, heeft dat eveneens aan zichzelf te wijten, is bijgevolg een zwakke persoonlijkheid, vaak nog een profiteur ook, die een heel bedenkelijk normen-en-waardensysteem hanteert. Schorem, dat is, te lui of te dom om iets aan hun eigen situatie te veranderen.[4] Die verantwoordelijkheid voor het eigen succes (en falen) legt grote druk op het individu en dus ook het kind. Druk die stress kan veroorzaken die weer tot mentale problemen kan leiden. Problemen waarvoor hulp gezocht wordt en zie daar het toegenomen beroep op hulpverleners (en niet allen bij jeugdigen,) aan de ene kant en de wildgroei aan therapeuten en coaches om je te helpen aan de andere kant.

Een andere Belg, Dirk De Wachter, gaat nog verder. Hij vergelijkt onze samenleving met de stoornis Borderline: “BPD of Borderline Personality Disorder is ‘een diepgaand patroon van instabiliteit en intermenselijke relatie, zelfbeeld en affecten en van duidelijke impulsiviteit, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situatie…’[5] Vervolgens noemt De Wachter de negen situaties uit de DSM IV (de bijbel voor psychische of psychosociale stoornissen) waarvan je er vijf moet vertonen om borderline gediagnostiseerd te worden. Hij legt onze samenleving vervolgens langs deze criteria en toont overtuigend aan dat onze neoliberale samenleving aan borderline leidt en daarmee ziek is en ziekmakend voor de mensen en dus ook de kinderen in de samenleving.

U maakt zich druk om de administratieve last. “Als we dat weten te halveren, scheelt dat een slok op een borrel,” zo vertelde u in een interview met de Volkskrant. Ook die administratieve last is een gevolg van dertig jaar neoliberaal beleid. Door zorg als ‘handel’ te zien, wordt ook het marktdenken geïntroduceerd. Een van de kenmerken van de markt is dat producten aan allerlei meetbare specificaties moeten voldoen omdat je de ander nu eenmaal niet kunt vertrouwen. En daar komt de bureaucratie om de hoek kijken. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is de New Public Management stroming dominant. Een stroming die in ‘producten en klanten’ denkt en die ‘het model van de private sector’ op de overheid toepast. Centraal staan: doeltreffendheid, doelmatigheid en zuinigheid (zo goedkoop mogelijk). Het model dat politieagenten bonnen laat schrijven omdat ze hun quotum moeten halen. En ook het model dat zorg in stukken hakt en er ‘producten’ van maakt of nog erger: diagnose behandel combinaties. Producten die vervolgens in de markt worden gezet. Maak ergens een markt van en je krijgt marktgedrag. Zoals iedereen die een beetje nadenkt kan bedenken, staat zodra je van zorg een product maakt dat product centraal en niet de mens. Het product moet worden geleverd (de bon moet worden geschreven) of de jeugdige er nu mee geholpen is of niet. Die producten moeten vervolgens ook worden gemeten en geadministreerd om verantwoording af te leggen. Want verantwoording moet in cijfers worden afgelegd: daling van dit, stijging van dat. Dergelijke verantwoording duidt op een gebrek aan vertrouwen of zelfs op wantrouwen.

Belangrijker nog, door zorg als ‘handel’ te zien verdwijnt de kritische succesfactor van ieder zorgtraject naar de achtergrond. ‘Handel’ gaat uit van gelijkwaardigheid tussen de bij een transactie betrokken partijen. Daarvan is bij zorg geen sprake. Die kritische factor in de zorg is vertrouwen en vertrouwen kun je alleen maar opbouwen door aan de relatie te werken en die te versterken. Als zorgverlener moet je het vertrouwen winnen van de zorgvrager. Zoals Achterhuis en Koning laten zien, bouw je bij ‘handel’ niet aan een relatie. En juist de kritische succesfactor vertrouwen is niet te meten. Een bewezen effectieve methode uitgevoerd door een hulpverlener die het vertrouwen ontbeert zal minder opleveren dan zorg die niet bewezen effectief is door een hulpverlener die wel het vertrouwen geniet. Vertrouwen is niet te meten, maar lijdt wel onder de meetdrift. Want die meetdrift ademt wantrouwen. 

U wilt: “Minder marktwerking, meer samenwerking en betere inkoop van zorg,” zo, luidt het derde leidende principe in uw brief. Daartoe stelt u allerlei maatregelen voor waaraan een flink deel van de gemeenten nu ook al werken. Maatregelen zoals minder aanbieders, standaardisatie, prestatiecodes. Die leiden echter niet tot ‘minder marktwerking’, ze leiden tot een meer gereguleerde markt. Daar komt bij dat marktwerking en samenwerking geen automatisme is. Sterker, een markt is gericht op concurrentie niet op samenwerking. Zou ‘geen marktwerking’ niet de oplossing kunnen zijn? En als u werkelijk wilt dat: “Ouders en bredere familie of het sociale netwerk,” de door u gewenste rol op kunnen pakken, zou het: “maatschappelijk debat over wat wordt verstaan onder het normale opgroeien en opvoeden en wat wordt verstaan onder gebruikelijke zorg,” dan niet moeten gaan over de vraag welke samenleving we willen? Willen we individuen op een ‘markt’ met alle wantrouwen van dien of een samenleving gebaseerd op vertrouwen? Nog duidelijker: is de economie er voor de mens of de mens voor de economie[6]? Een vraag die niet alleen de (jeugd)zorg raakt.

Daarmee kom ik aan het einde van mijn brief. Een brief waarin ik, hoop ik, heb aangetoond dat de situatie in de samenleving in het algemeen en de zorg in het bijzonder, een gevolg is van jarenlang neoliberaal overheidsbeleid. Succesvol overheidsbeleid omdat het de maatschappelijke werkelijkheid voor een flink deel naar de neoliberale theorie heeft vormgegeven. Het heeft de samenleving afgebroken zodat Thatcher woorden nu de werkelijkheid meer recht doen op het moment dat zij ze uitsprak en waarvan we ons moeten afvragen of dit is wat we willen.


[1] Hans Achterhuis en Nico Koning, De kunst van het vreedzaam vechten, pagina 406-412

[2] Memorie van toelichting Jeugdwet pagina 6

[3] Paul Verhaeghe, Identiteit, pagina 80

[4] Paul Verhaeghe, pagina 81

[5] Dirk de Wachter, Borderlinetimes. Het Einde van de Normaliteit, pagina1. Lannoo Campus 2013 zeventiende druk.

[6] https://ballonnendoorprikker.nl/2015/10/30/middel-of-doel/

Uitgelicht

Toegeëigende verhalen

Bij De Correspondent een aangrijpend artikel over Svitlana Matviyenko. “Matviyenko is als universitair docent Critical Media Analysis verbonden aan de Simon Fraser-universiteit in Canada. Daar woont ze, maar ze is nu in Kamjanets-Podilsky, haar geboorteplaats in het zuidwesten van Oekraïne. Ze huurt er een appartement vlak bij haar bejaarde ouders.”  Ze vraagt aandacht voor: “de manier waarop Rusland de Oekraïense cultuur altijd heeft ingelijfd en toegeëigend, ook in de westerse verbeelding. Je hoeft maar een westers kunstmuseum te bezoeken om dit te zien. Van de Oekraïense schilder Kazimir Malevich, die altijd als Russisch wordt aangemerkt, tot de ‘Russische dansers’ van Edgar Degas, die eigenlijk Oekraïense klederdracht dragen.” Nu ligt je iets toe-eigenen tegenwoordig erg gevoelig. Maar heeft ze een punt?

Schilderij ‘Het zwarte vierkant‘ door Malevitsj.

Ze noemt Malevitsj dus laten we haar bewering eens langs de casus Malevitsj leggen. Kazimir Severinovitsj Malevitsj werd, zo is te lezen op Wikipedia, op 23 februari 1879 geboren in Kiev. Zijn ouders waren Pools en zijn jeugd bracht hij door in Kiev en omgeving. In 1895-1896 studeerde hij in Kiev en na de dood van zijn vader in 1904 vertrok hij naar Moskou voor een studie aan de Hogeschool voor Schilderkunst, Plastiek en Architectuur. Hij gaf les in Vitebsk een plaats in het huidige Belarus en later in Petrograd, dat vervolgens Leningrad werd alwaar hij op 15 mei 1935 aan kanker overleed. Hij wilde, zo is te lezen op de genoemde Wikipedia-pagina: “dat zijn as onder een eik in de kunstenaarskolonie Nemchinovka zou worden bijgezet. Hij kwam graag in dit dorp op de rand van Moskou.”

Geboren in Kiev, dus Oekraïne? Eén probleem, op het moment van zijn geboorte noch in al die tijd ervoor, bestond er geen land dat Oekraïne heette. De stad behoorde tot het Russische tsarenrijk en dat als sinds 1686 toen het gebied werd veroverd op de Pools-Litouwse gemenebest die in 1569 ontstond. Voor die tijd was de stad vanaf 1362 een deel van het hertogdom Litouwen. Dat hertogdom nam de stad over na het wegtrekken van de Mongoolse horden. Die horden maakten een einde aan het Kiev Rus rijk of het Kievse rijk. Als we de geschiedenis van Kiev vanaf zijn geboorte naar het heden bekijken, dan is 1917 een belangrijk jaartal. In dat jaar werd eerst (met de Februarirevolutie van maart) een einde gemaakt aan tsaristisch Rusland en eind dat jaar (met de Oktoberrevolutie van november) viel het land uiteen en brak er een burgeroorlog uit en wisselde de stad geregeld van heersers. Respectievelijk de Roden, de Witten, de Duitsers, de Polen en uiteindelijk, de Oekraïense Socialistische Sovjetrepubliek die weer opging in de Unie van Socialistische Sovjet Republieken. Dat land viel in 1991 uiteen in 14 delen waarvan het huidige Oekraïne er een is. Is Malevitsj dan een Oekraïense, een Russische of een Sovjet-kunstenaar? Of toch Pools omdat zijn ouders Pools waren? In welke ‘cultuur’ is hij gevormd en van welke cultuur is hij een typische vertegenwoordiger? 

Bij zo’n ‘toe-eigening’ van personen, culturen of rijken uit het verleden en dus het ‘schrijven van die verhalen’, kunnen rare dingen gebeuren. Zo noemde ik hierboven het Kiev Rus rijk. Dit rijk kwam in de negende eeuw op, kende haar hoogtepunt in de zo tussen 970 en 1070 en verdween van de kaart toen Batu Khan, kleinzoon van Dzjengis, het gebied zo rond 1240 veroverde. Tegenwoordig eigenen drie van die ‘onze verhalen’ zich het Kiev Rus rijk toe, Oekraïne, Rusland en Belarus. Welk van die ‘verhalen’ is dan echt en welk is ‘toegeëigend’? Of zijn het allemaal pogingen om zich ‘iets toe te eigenen’ in pogingen om een ‘trots op ons’ verhaal te creëren. Van die gevaarlijke verhalen die leiden tot groepsvorming en je afzetten tegen anderen?