Uitgelicht

God en vrijheid

 Ja. Dat is het korte en simpele antwoord op de vraag die G. van Veldhuizen en A. Heemskerk aan het eind van hun artikel in Trouw stellen. De auteurs zijn docenten in het voortgezet onderwijs en werken op een school met een reformatorische grondslag. De vraag waarop ja het antwoord is, luidt: “Als wij God en Zijn Waarheid maar mogen houden.” Jullie mogen ‘God en zijn Waarheid’ houden. Net zoals iedere andere persoon het recht op een eigen god met bijbehorende waarheid, of alleen een eigen waarheid mag hebben en houden. Ik vraag me af of de beide auteurs vinden dat mensen ook zonder god hun waarheid mogen hebben. Het lijkt erop alsof zij god boven de wet plaatsen. En vervolgens de wet vanuit hun god uitleggen.

God, De Heer, Oorlog, Harmonie, Verschijning
Bron: Pixabay

Ze schrijven: “Godsdienst is God dienen. Hem op de eerste plaats zetten.” Tot zo ver niets bijzonders. Iemand zonder god hoeft god niet op de eerste plaats te zetten. Dat wordt het als ze hun betoog vervolgen en van het individuele naar het algemene gaan: “Het spreken over ‘vrijheid van godsdienst’ kan alleen binnen die context.” Beweren de beide auteurs dat spreken over godsdienstvrijheid alleen kan door god te dienen en hem op de eerste plaats te zetten? Betekent dit dat iemand die geen god aanhangt geen godsdienstvrijheid heeft? Dat is wel een heel bijzondere uitleg van godsdienstvrijheid.

Nu is het eigen aan gelovigen dat ze de wet van hun god het allerbelangrijkste vinden: die moeten ze volgen. In een land waar iedereen dezelfde god aanhangt en dat ‘aanhangen’ ook op eenzelfde manier doet, kan ‘godswet’ ook de ‘landswet’ zijn. Dat wordt alleen heel erg lastig in een land als Nederland waar mensen wonen die verschillende goden aanhangen en een heel grote groep zelfs geen god aanhangt. Trouwens niet alleen worden er verschillen goden aangehangen. Ook de aanhangers van eenzelfde god, hangen die op verschillende manieren aan. Als in zo’n land ieder de regels van zijn eigen god volgt, dan wordt het een puinhoop.

Onze grondwet bepaalt in artikel 6 in het eerste lid de godsdienstvrijheid: “Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” En in tegenstelling tot de dienst aan god, bepaalt dit artikel de context van de godsdienstvrijheid. Het artikel bepaalt dat iedereen zijn eigen god mag dienen maar dan wel binnen de door de overheid gestelde wetten. God, en vooral zijn aanhangers in dit land, hebben zich aan de wet te houden. Of zoals het in de toelichting op dit artikel staat: Het artikel staat toe dat de wetgever bepaalde ontoelaatbare gedragingen, ook indien die een uiting zijn van godsdienstig of levensbeschouwelijk belijden, strafbaar stelt.” Wat ontoelaatbare gedragingen zijn, bepaalt de wetgever, niet god of zijn vertegenwoordigers op deze aardkloot. Haat zaaiende en tot geweld oproepende dominees, pastoors, rabbijnen en imams kunnen worden aangepakt en kunnen zich niet verschuilen achter hun god.

“Als wij vrijheid van godsdienst hebben, mogen individuele ouders kiezen voor een school waar hun overtuiging vrij uitgedragen wordt. Nederland is geen dictatuur van de meerderheid.” Zo vervolgen ze hun betoog. Inderdaad is Nederland geen dictatuur van de meerderheid. Trouwens ook niet van de minderheid. En ja, ouders mogen zelf een school voor hun kind kiezen waar hun overtuigingen uitgedragen worden. Ik laat hier bewust één woord weg dat de beide auteurs wel gebruiken, namelijk het woord ‘vrij’. Overtuigingen mogen, zo zagen we hierboven, worden uitgedragen binnen de grenzen van de wet. Die wet begrenst het ‘vrij uitdragen’ van geloofsovertuigingen.

En dan komen we bij de aanleiding voor hun artikel: “Onze scholen zijn in het nieuws gekomen omdat homoseksualiteit daar afgewezen zou worden. Daar wordt veel omheen gedraaid, maar laten we maar even duidelijk zijn: dat klopt en dat wist iedereen allang.” Volgens de beide auteurs is dit geen discriminatie: “Wij wijzen namelijk nooit één enkele groep af, wij wijzen steeds weer zowel onszelf als ook alle anderen af, omdat we allemaal op de één of andere manier van Gods doel afgeweken zijn.” En daarom zien ze: “geen andere mogelijkheid dan om homoseksualiteit af te wijzen op grond van de Bijbel, maar op grond van datzelfde Woord wijzen we evenzogoed een kerkgang af die alleen maar vanuit gewoonte is, omdat die dan geen liefdedienst is.” Een bijzonder redenering: we discrimineren niet als we homo’s afwijzen omdat we iedereen afwijzen inclusief onszelf. Alsof er niet een verschil is tussen iets wat een keuze is, kerkgang uit gewoonte, en iets wat geen keuze is, homoseksualiteit. Dat de gereformeerde god homoseksualiteit afwijst en dat de beide auteurs dat ook doen, staat hen vrij. Dat zijn hun persoonlijke opvattingen. En een dominee mag dat zelfs vanaf de kansel prediken.

Dit afwijzen wordt echter een probleem als het op scholen wordt onderwezen in andere dan de godsdienstlessen. Het wordt dus een probleem als schoolbesturen dit afwijzen. Het staat scholen niet vrij te onderwijzen wat zij willen. En artikel 23 van de grondwet dan, dat regelt toch de vrijheid van onderwijs? Hoor ik al mensen roepen. Dat artikel wordt inderdaad gekoppeld aan de ‘vrijheid van onderwijs’. Dat is echter iets anders dan de ‘vrijheid om te onderwijzen wat je wilt’. Die vrijheid is er niet. Het eerste lid van dit artikel luidt niet voor niets: “Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.” In het tweede lid wordt die ‘zorg’ nader toegelicht: “Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.” Deze zorg betreft alle scholen. Openbare scholen moeten hierbij ‘ieders godsdienst of levensovertuiging eerbiedigen’ en bijzondere scholen, zoals de gereformeerde school van de beide auteurs, moeten voldoen aan ‘eisen van deugdelijkheid’. En die eisen worden door de wetgever bepaald. Als de wetgever bepaalt dat mensen afwijzen op basis van seksuele geaardheid niet mag, dan mogen scholen dat ook niet. Dan moeten zelfs de beide auteurs die homoseksualiteit afwijzen, onderwijzen dat het afwijzen van iemand op basis van zijn geaardheid niet mag.

Uitgelicht

De toeslagenaffaire en de Walkman

Deze week startte de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties met haar verhoren. De Tweede Kamer heeft deze commissie in het leven geroepen. Die commissie moet op zoek naar de oorzaken van de problemen bij uitvoeringsorganisaties. Verschillende van die uitvoeringsorganisaties kampen met problemen bij de uitvoering van hun taken. Problemen die voor veel ophef zorgden maar vooral ellende voor mensen die een beroep op deze organisaties deden. Zo kampt de Belastingdienst met wat de ‘toeslagenaffaire’ is komen te heten. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft al jaren problemen rond de persoonsgebonden budgetten en ook het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen heeft problemen met het uitvoeren van haar taak. Zou de commissie de oorzaken vinden?

Bron: WikimediaCommons

Laten we de opdracht van de commissie eens bestuderen. Die opdracht is verwoord in een brief van het Presidium aan de Tweede Kamer. In die brief wordt het drieledige doel van het onderzoek geformuleerd. Als eerste: “Inzicht krijgen in de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties («rode draden» oorzaken en problemen).” Als tweede: “Inzicht krijgen in de wijze waarop de Tweede Kamer geïnformeerd wordt over de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties (informatiepositie Kamer).” En als derde en laatste: “Inzicht krijgen in de wijze waarop de Tweede Kamer haar controlerende taak uitvoert bij problemen bij uitvoeringsorganisaties (controlerende taak / rol Kamer).” De antwoorden op die vragen moeten ervoor zorgen dat: “De uitvoerbaarheid van beleid in het parlementaire proces (beter) gewaarborgd wordt en «de menselijke maat» niet uit het oog verloren wordt.” In een artikel bij Joop vat Fons Burger deze opdracht kort samen met de woorden: “Wat gaat er mis tussen het beleid en de balie?” Een redelijk accurate samenvatting want daarop spitsen de vragen zich toe zeker als we de deelvragen bekijken.

Bij de eerste vraag worden drie deelvragen gesteld waarbij vooral de eerste deelvraag bijzonder is: “Welke problemen zijn zichtbaar geworden afgelopen vijf jaar?”  Daarmee wordt het tijdbestek dat wordt onderzocht beperkt tot de laatste vijf jaar. Wat als de problemen al ruim voor die tijd zijn veroorzaakt? Iets wat niet is uit te sluiten.

Het onderzoek wordt echter niet alleen in tijd beperkt, ook de scope van het onderzoek. In de toelichting bij de vraag worden mogelijke oorzaken van de problemen geformuleerd: “De organisatiecultuur (onder andere goed werkgeverschap) en personeel; Governance en sturingsrelaties; Uitvoeringsproblemen (waardoor er geen passende dienstverlening aan de burger geleverd kan worden); Het niet aanwezig zijn of niet optimaal werken van een interne signaalfunctie / checks & balances; ICT en digitalisering.” De ‘plek’ waar het fout gaat wordt daarmee beperkt tot de uitvoerende organisatie en wellicht een klein beetje, via de ‘Governance’ bij de regering.

Bij de tweede onderzoeksvraag worden twee deelvragen geformuleerd. Als eerste: “Hoe wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties (informatiepositie Kamer).” Bij deze vraag ligt de verantwoordelijk minister onder het vergrootglas: informeert hij de Kamer tijdig en juist? De tweede deelvraag luidt: “Hoe voert de Tweede Kamer haar controlerende taak uit bij problemen bij uitvoeringsorganisaties (controlerende taak / rol Kamer)?” Een interessante vraag, maar wat als het probleem niet aan de achterkant ligt, maar aan de voorkant, bij de wetgevende en beleidmakende kant van de Kamer? Gelukkig is er nog de derde onderzoeksvraag. Daar komt dit aspect aan de orde. Namelijk bij de eerste deelvraag: “Wat betekent hetgeen de onderzoeksvragen 1 en 2 hebben opgeleverd voor de verschillende rollen, taken en verantwoordelijkheden van de drie genoemde partijen? Welke rol spelen uitvoeringstoetsen hierbij (wat verwacht de Kamer en op basis van welke indicatoren)?”

We hoeven ons dus geen zorgen te maken. De commissie vindt de oorzaken van de problemen bij de uitvoeringsorganisaties. Nou, dat gaat mij iets te snel. Het onderzoek focust vooral op de uitvoeringsorganisaties. Dat is waarschijnlijk ook waarom Burger tot zijn korte samenvatting komt. Dat lijkt logisch omdat het fout gaat in de uitvoering. Toch is dat veel te beperkt. De uitvoeringsorganisatie is slechts de uitvoerder van een opdracht. Zij geeft de opdracht niet. Dat doet een minister. Wat als de minister een onduidelijke of verkeerde opdracht geeft? Bij een verkeerde opdracht ligt de verantwoordelijkheid voor de fout bij de opdrachtgever. Als een winkelier zoutarme koekjes besteld terwijl de markt vraagt om koekjes met zout, moet hij zich niet gaan beklagen bij de fabrikant als bijna niemand de geleverde koekjes koopt. Bij een onduidelijke opdracht is het de taak van de uitvoerende organisatie om verduidelijking te vragen bij de opdrachtgever, dus bij de minister. Die verduidelijking moet uiteindelijk leiden tot een duidelijke opdracht. Duidelijk wil niet zeggen dat het ook de juiste opdracht is. Voor de juistheid is de opdrachtgever verantwoordelijk. Een onderzoek naar de oorzaken moet op zijn minst ook een hoofdvraag bevatten die zich specifiek richt op de opdrachtgever, de minister(s).

Daarmee zijn we er nog niet. Die opdrachtgever heeft ook een ‘opdrachtgever’ en dat is de Tweede Kamer. De Kamer bepaalt wat er moet gebeuren. Dat doet zij via de wetten die zij aanneemt. Zo heeft de Kamer in de Wet kinderopvang bepaalt dat de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag moet uitbetalen en aan wie. Maar ook dat de Sociale Verzekeringsbank de persoonsgebonden budgetten moet afhandelen. Persoonsgebonden budgetten voor een vijftal wetten met verschillende opdrachtgevers. In een goed onderzoek vraagt die rol veel meer dan de deelvraag bij de derde vraag. Zeker omdat die deelvraag moet worden beantwoord met de uitkomsten van de eerste twee vragen. Vragen die alleen handelen over de uitvoering en de informatievoorziening over de uitvoering. Als de oorzaken of als er oorzaken liggen “tussen het beleid en de balie,” om deze woorden van Burger te gebruiken, dan zal dit onderzoek ze opsporen. Of oorzaken in het proces om te komen tot beleid worden gevonden? Ik waag het te betwijfelen.

Wat ik ernstig betwijfel is of het onderzoek echt tot de kern komt. En daarmee kom ik bij mijn vorige Prikker die handelde over manieren waarop ‘de koek’ wordt verdeeld en de twee rollen van de overheid hierin: als eerste het voorkomen van ‘roof en uitbuiting’ door de markt te reguleren en als tweede: “het organiseren en legitimeren van ‘wederkerige sociale verplichtingen’ die het ‘samen’ in de samenleving versterken.” Over die sociale verbanden concludeerde ik: “ Als je die inricht op basis van een soort ‘handelstransactie’ hoeft het niet te verbazen dat die sociale (ver)banden zwak zijn.” En laat de overheid nu heel veel van haar dienstverlening hebben ingericht op basis van ‘handelstransacties’. Van je persoonsgebonden budget of je kinderopvangtoeslag ‘koop’ je zorg en opvang in.

Door dit inrichten op basis van handelstransacties versterken twee zaken elkaar. Die twee zaken zijn zwakke sociale verbanden en wantrouwen. Een handelstransactie creëert geen of slechts een zwakke sociale band. Er ontstaat geen ‘WIJ’ en het ontbreken van die ‘WIJ’ betekent dat ‘IKKEN’ vooral aan zichzelf denken. En omdat de andere ‘IKKEN’ dat ook doen, moeten de “IKKEN’ op hun hoede zijn: wantrouwen. Wantrouwen dat wordt versterkt omdat er ‘IKKEN’ zijn die misbruik maken van de situatie. Binnen het ‘handelstransactie frame’ is voorkomen van fraude de enige manier om wantrouwen te bestrijden en iets van een ‘WIJ’ te behouden. Iedere ontdekte fraude zorgt voor verlies aan ‘WIJ’. Om fraude te voorkomen worden regels zo gemaakt dat de te voorkomen uitzondering de regel gaat bepalen en gaat de ‘menselijke maat’ verloren.  

Dat inrichten op basis van ‘handelstransacties’ is een uitvloeisel van het steeds individualistischer worden van onze samenleving. Een trend die eind jaren vijftig van de vorige eeuw inzette en die vanaf de jaren tachtig, met het neoliberalisme van Thatcher en Reagan, dominant werd. Een trend waarvan de Walkman, wat mij betreft, het symbool is. Een apparaat waarmee je je op straat van de buitenwereld afsluit en je je eigen wereld creëert. Niet toevallig werd het apparaat in 1979 door Sony op de markt gebracht en begon het aan de ‘verovering’ van de wereld. Net als bij het individualisme werd het apparaat veel eerder ‘geboren’. Een jaar of zestien eerder vond Philips een soortgelijk apparaat uit, maar zoals wel vaker was Philips goed in uitvinden maar niet in vermarkten. Inmiddels is het apparaat vervangen, eerst door iPod-achtige apparaten en nu door het mobieltje. Ik waag het ernstig te betwijfelen of de commissie op basis van de geformuleerde opdracht tot een dergelijke conclusie komt. Maar… ik laat me graag verrassen.

Uitgelicht

Markt, overheid en/of samenleving deel II

‘’Markt’ en ‘overheid’ vormen geen driehoek met of staan niet tegenover ‘samenleving’, het zijn instrumenten die wij, de samenleving, kunnen gebruiken om verdelingsvragen te beantwoorden.” Met die zin eindigde mijn vorige Prikker. In deze Prikker ga ik wat dieper in op manieren om te verdelen. Of als je het van de andere kant bekijkt, manieren om dat te verwerven wat je nodig hebt om te kunnen leven.

Eigen foto

Alles wat een mens nodig heeft om te kunnen (over)leven, moet hij op een of andere manier verwerven. In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten onderscheiden Hans Achterhuis en Nico de Koning zes verschillende vormen van verwerving. Als eerste dat wat een mens zelf produceert, de zaken die iemand maakt, verzamelt of bij elkaar jaagt. Daarover kan die persoon vrijelijk beschikken. Deze vorm is tegenwoordig een zeldzaamheid.

Een tweede vorm van verwerving is de huishouding. De gemeenschappelijke huishouding is gedurende eeuwen de meest belangrijke vorm van samenleven en dus verwerven geweest. Alles wat het huishouden produceerde, verzamelde of bij elkaar joeg, konden de leden ervan gebruiken. Hierin staat de groep centraal, niet het individu. Verlangens waren daarmee bijna altijd verlangens van het huishouden.

Toedeling is de derde vorm van verwerving die de beide auteurs onderscheiden. Het groter worden van de sociale verbanden, een bundeling van stammen of huishoudens, maakten aanvullende manier van verwerven nodig. Een manier passend bij de hiërarchische samenlevingsvorm. De hoogst geplaatste deelt toe aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping.

Met het nog groter worden van hun wereld kwamen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kon leiden tot geweld en oorlog. De vierde manier van verwerving is een vreedzame manier om een relatie met andere sociale verbanden aan te gaan en dat is de schenking of gift. Een gift is nooit vrijblijvend. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen, de relatie wordt verzwaard zonder dat de een zich aan de ander onderwerpt. Het huwelijk was in vroeger tijden een bijzondere vorm van ‘schenken’.

Dan de vijfde manier van verwerven: de handel of met een ander woord, de markt. Of het nu de ouderwetse ruilhandel betreft of het tegenwoordige kopen van een pak koffie bij de Appie, beiden leiden niet tot een verplichting of een verzwaring van de relatie. Als koper hoef je je niet te onderwerpen aan de verkoper, omgekeerd trouwens ook niet en de koop van dat ene pak verplicht jou niet om ook die bloemkool bij de Appie te kopen.

De laatste vorm van verwerving die de beide auteurs geven is roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van verwerven voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen. Tot deze vorm van verwerving horen ook slavenhandel, dwangarbeid en kolonisatie. En als we een parallel naar het heden trekken, dan behoort bijvoorbeeld ook het verkopen van risicovolle financiële producten zoals woekerhypotheken aan mensen die deze niet begrijpen, tot roof.

Zes vormen van verwerving waarbij, vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt. Bij de eerste, de individuele productie is er geen andere en bij het andere uiterste, de roof, doet de ander er niet toe. De markt is tegenwoordig de dominantste vorm van verwerving en dit heeft volgens de beide auteurs ook gevolgen voor de andere vormen van verwerving: “De motivatie van de marktsfeer ten opzichte van de andere praktijken van behoeftevoorziening heeft ook een zekere vermenging teweeg gebracht van de mechanismen die in elke kring heersen.” Een huishouden waarbij de leden naast een gezamenlijke ook een eigen bankrekening hebben, is hier een voorbeeld van.

En dat verandert ook de markt: “Markten hebben namelijk een aantal van de cruciale kenmerken van de verdrongen ordeningskringen in zich opgenomen.”  Zo is de individuele productie die vroeger was gericht op de eigen behoeften nu bijna volledig gericht op behoeften van anderen in ruil voor geld waarvoor de arbeider dan in zijn eigen behoeften kan voorzien. Daar komt bij dat arbeid steeds meer een intrinsieke waarde heeft voor de arbeider: arbeid moet voldoening schenken en bijdragen aan de ontplooiing van het individu. Bedrijven zijn tegenwoordig meer dan plaatsen waar wordt geproduceerd. Onderlinge relaties, gezelligheid en de bedrijfscultuur zijn belangrijk geworden, dit waren de kenmerken van het huishouden. Ook zien Achterhuis en Koning de grens tussen economische en sociale belangen vager worden. Het wordt van bedrijven niet meer geaccepteerd dat alles om winstmaximalisatie draait. Ook zien zij dat er op de markt meer wordt geschonken dan we denken. Zij zien dat de markt toch elementen van verplichting en verzwaring krijgt.

Waar is dan die ‘overheid’, dat tweede instrument om verdelingsvraagstukken te beantwoorden? Of beter gezegd, waar zou die overheid zich dan mee bezig moeten houden? Volgens de auteurs is handel en dus de markt tegenwoordig dominant. In onze verbonden globale wereld is dat een logische keuze. Logisch omdat de markt volgens de auteurs: “… de laatste dam tegen roof (is), het is de maximaal haalbare vorm van exterioriteit zonder dat men ten prooi valt aan vormen van geweld,” vormt. Zo’n schaal van samenwerking vormgeven met alleen giften of toedeling, is lastig omdat de afstand tot elkaar zo groot is. Probleem is dat handel en dus de markt, op roof na, de verwervingsvorm is die het minste sociale (ver)banden tussen mensen creëert. En laat die sociale (ver)banden nu cruciaal zijn voor een samenleving. In zijn boek The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time beschrijft Karl Polanyi het belang van sociale (ver)banden in een samenleving. Volgens Polanyi is het onderhouden van sociale banden cruciaal voor een samenleving: “First, because by disregarding the accepted code of honor, or generosity, the indiviual cuts himself off from the community and becomes an outcast; second, because in the long run, all social obligations are reciprocal, and their fulfillment serves also the individual’s give-and-take interest best.”  Met alleen de markt wordt het ‘samen’ in samenleving minder en zonder ‘samen’ is een samenleving los zand omdat het ontbreekt aan ‘wederkerige sociale verplichtingen’. En daar komt de overheid op twee manieren om de hoek kijken.

De eerste manier raakt aan de traditionele rol van de overheid als beschermer van de openbare orde en veiligheid. Zoals Achterhuis en De Koning betogen rest na de markt alleen nog roof als manier van verwerving. De overheid heeft een rol om te voorkomen dat de vrije markt uitdraait op roof. De overheid reguleert de markt. Maar dan kunnen we toch niet meer spreken van een vrije markt? Nee, niet als je de vrije markt ziet als een plek waar eenieder absoluut vrij is om naar goeddunken te handelen. Maar om de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang uit zijn boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme te citeren: “De vrije markt bestaat niet. Elke markt kent wel regels en grenzen die de keuzevrijheid beperken. Een markt lijkt alleen maar vrij doordat we de beperkingen die eraan ten grondslag liggen zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Zo zijn kinderarbeid en slavernij voor ons zo wezensvreemd dat we het als normaal beschouwen dat het er niet meer is. Eeuwen lang was het echter zeer normaal dat het er wel was. Maar ook op het gebied van arbeidstijden en -omstandigheden, het milieu en productveiligheid beperkt de overheid de vrijheid op de markt. Dat doet zij om te voorkomen dat er via de markt ‘geroofd’ wordt.

De tweede manier betreft het organiseren en legitimeren van ‘wederkerige sociale verplichtingen’ die het ‘samen’ in de samenleving versterken. Verplichtingen zoals het betalen van belastingen. Dat maakt belasting ontwijking en -ontduiking zo schadelijk. Het ondergraaft het ‘samen’. Dat maakt de uitspraak”: “I don’t wanna pay taxes. Before I came here I was a private developer, I was a business people. Like every private person unless they are stupid , they go through the law and that’s what it is,” van president Trump in het eerste presidentiële debat zo schadelijk. Het is precies die houding, dat gedrag dat het ‘samen’ ondermijnt. Maar ook sociale verplichtingen zoals uitkeringen die voorkomen dat mensen van de honger omkomen. Uitkeringen die hen beschermen als ze meer of minder tijdelijk niet in het eigen onderhoud kunnen voorzien. Voorzieningen zoals een basisverzekering die de ziektekosten vergoeden.

Op welke manier de overheid dat doet, maakt nogal wat uit voor het ‘samen’, voor die sociale (ver)banden. Als je die inricht op basis van een soort ‘handelstransactie’ hoeft het niet te verbazen dat die sociale (ver)banden zwak zijn. Dan hoeven redeneringen als die van Trump niet te verbazen en dan hoeft gedrag zoals vertoond door Booking.com waarover ik aan het begin van de coronacrisis schreef, niet te verbazen. Dan krijg je precies de verbazing van de boekhouder waar Tim Fransen in een artikel in de Volkskrant over spreekt. Fransens boekhouder gaf hem te kennen dat hij in aanmerking kwam voor vierduizend euro ondersteuning als tegemoetkoming in de schade door corona. Fransen gaf aan dat hij daar geen gebruik van wilde maken omdat hij voldoende reserves had en schrijft vervolgens: “‘Maar’, stamelde mijn boekhouder, ‘je hebt er toch recht op…?’” Fransens gedrag wijst op een sterke sociale binding: hij wil alleen een beroep doen op het ‘samen’ als de nood er is. Hij ziet de tijdelijke ondersteuning niet als een recht, maar als een laatste resort als hij het zelf niet meer kan trekken. Het maakt uit of je een bijstandsuitkering ziet als een ‘toedeling’ zoals nu het geval is, of als een ‘gift’. Beide vormen verzwaren de relatie. Bij een toedeling plaatst degene die toedeelt zich echter boven de ontvanger, hij brengt hiërarchie aan. Bij een gift wordt de relatie verzwaard zonder dat er sprake is van hiërarchie. Hiërarchie past slecht bij onze huidige liberale samenleving omdat het mensen verdeeld. Dit lag in vroeger eeuwen anders. Een overheid die nu het ‘samen’ wil vormgeven, moet dat in het achterhoofd houden bij alles wat zij doet.

Uitgelicht

Sympathy is what we need my friend

Recentelijk kwam, na ruim tweehonderdvijftig jaar, eindelijk de Nederlandse vertaling van The Theory of Moral Sentiment van Adam Smith uit. In het Nederlands vertaald als De theorie over morele gevoelens. Dat het iets na het midden van de achttiende eeuw uitkwam, wil niet zeggen dat het niet actueel kan zijn. En inderdaad, al redelijk in het begin (afdeling 1 hoofdstuk 4) kwam de actualiteit binnen en moest ik denken aan, om die moderne termen er maar eens in te gooien, echokamers en filterbubbels.

Eigen foto

Op de site Filosofie geeft Natascha Rietdijk een goede definitie van het begrip echokamer: “een situatie waarin jij je eigen mening steeds herhaald en bevestigd hoort. Dat echo-effect zorgt ervoor dat je nog overtuigder raakt van je eigen standpunt, waardoor ideeën snel kunnen radicaliseren” In de echokamer wordt het eigen gelijk en de eigen overtuigingen een dogma en straalt men, zoals Rietdijk schrijft: “een extreem scepticisme over de argumenten van buitenstaanders,” uit. Die echokamer wordt nog versterkt door het fenomeen filterbubbel, algoritmes van de zoekmachine die zich aanpassen aan jouw voorkeuren. Als jij en ik eenzelfde zoekwoord intypen dan krijgen we andere resultaten voorgeschoteld. Resultaten die zijn gebaseerd op onze eerdere zoekopdrachten en surfgedrag.  

Terug naar Smith. De eerste afdeling van zijn boek handelt over, om de titel aan te halen: “Het gevoel voor het moreel aangepaste”. Het centrale begrip is sympathie. Om de voetnoot van de vertaler aan te halen: “Smith gebruikt het woord ‘sympathie’ veelal in de betekenis die de etymologie van het woord suggereert: het is afgeleid van het Griekse werkwoord συμ-πάθεια dat letterlijk ‘mede-lijden’, ‘mede-ondergaan’ betekent.”  Volgens Smith is sympathie een kwestie van afstemming tussen de lijder en de mede-lijder. Afstemming die moet leiden tot harmonie. Smith: “Om deze harmonie te creëren leert de natuur de toeschouwers de omstandigheden van de directbetrokkenen tot de hunnen te maken, zoals ze de laatste leert zich in zeker mate in te leven in de toeschouwers. Zoals zij zich voortdurend verplaatsen in zijn situatie en aldus emoties vormen die lijken op wat hij voelt, zo verplaatst hij zich voortdurend in hun situatie en krijgt zodoende een idee van de mate van koelheid waarmee, zoals hij beseft, ze zijn lot bezien.” En dan komt het bijzondere in het betoog van Smith. Volgens Smith is het voor de gemoedsrust van de lijder beter om dit ‘afstemmen’ te doen met onbekenden. Sympathie die we bij vreemden constateren leidt, zo betoogt Smith, tot de grootste mate van gemoedsrust want: “wanneer we überhaupt meester over onszelf zijn, zal de aanwezigheid van een kennis ons werkelijk kalmeren, meer dan de aanwezigheid van een vriend, en de aanwezigheid van een gezelschap van vreemden weer meer dan die van een kennis.”  Sympathie van onbekenden zorgt, volgens Smith, voor meer gemoedsrust: “ten overstaan van hen dwingen we ons tot nog meer kalmte, en proberen steeds ons gevoel te verlagen tot het niveau waarvan we mogen verwachten dat het gezelschap waarin we verkeren zich ernaar kan voegen.”

Ik moest denken aan ‘echokamers’. Daar kom je gelijkgestemden tegen. Gelijkgestemden waarmee je je gevoel veel minder hoeft te verlagen en je dus veel makkelijker hoog in je emotie blijft zitten. Daarvan zien we vele voorbeelden. We zien ‘kamers’ die ons land als door en door racistisch zien en ook ‘kamers’ waar men in iedereen die van elders komt een vijand ziet. Echokamers die worden versterkt door filterbubbels. Zo is er ook een ‘kamer’ die het coronavirus ontkent. In die bubbel gebruikt de overheid het ‘spookvirus’ om onze vrijheden af te nemen. Die ‘kamer’ deed deze week van zich spreken via #ikdoenietmeer mee. Een hoog emotionele actie.

De nasleep van die actie liet een mooie bevestiging zien van het denken van Smith: de uitzending van Jinek met ‘influencer’ Famke Louise. Eerst gaat Jinek met veel emotie het gesprek met Famke Louise aan.  Ze wast haar min of meer de oren, maar tot een echt gesprek komt het niet. Een schoolvoorbeeld van twee personen die hoog in hun eigen waarheid zitten en zich niet in elkaars positie probeerden in te leven. Ze probeerden niet mee-te-lijden.

Gelukkig zat ook ic-specialist Diederik Gommers aan tafel. Gommers ‘verlaagde zijn gevoel’ en ging op een kalme manier opzoek naar contact met Famke Louise. Gommers verplaatste zich in haar situatie en dat maakte dat Famke Louise hetzelfde deed. Ze kwamen, om Smith aan te halen, op: “het niveau waarvan we mogen verwachten dat het specifieke gezelschap waarin we verkeren zich ernaar kan voegen.” Een niveau waarnaar het gros van de Nederlandse samenleving zich kan voegen. Een niveau waarbij we met elkaar mee-lijden. Een prachtig voorbeeld van Smiths theorie dat sympathie voor onbekenden voor meer gemoedsrust zorgt. Helaas zijn  dergelijke voorbeelden tegenwoordig zeer schaars.   

Uitgelicht

’n Man, ’n vrouw

“Een harde boodschap voor mensen zonder kinderen.” De conclusie van interviewer Fokke Obbema in een gesprek in de Volkskrant met paleontoloog John de Vos. Die conclusie volgt op: “klopt,” het antwoord dat De Vos geeft op de vraag: “Leiden mensen die zich niet voortplanten dan geen zinvol leven.” Volgens De Vos is de enige zin van het leven de voorplanting: “Er is een raar molecuul, het dna, dat afhankelijk van de omstandigheden een bepaalde vorm krijgt. De voortzetting daarvan is de zin. De rest is amusement.” Een heel ander antwoord dan de schoolcatechismus gaf.

Nu was de vraag die in die schoolcatechismus werd gesteld iets specifieker. Die vroeg niet naar de zin van het leven in het algemeen, maar naar de zin van het menselijk leven. Op de eerste vraag ‘waartoe zijn wij op aarde’ volgde het antwoord ‘Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn.’ En omdat de tijd hier kort is en in het hiernamaals lang, was het geluk hier ondergeschikt aan het geluk in het hiernamaals. Zeker omdat het niet goed dienen van god je een plek in de hel of het vagevuur kon bezorgen en dat scheen geen pretje te zijn. Voor wie daar meer over wil weten, de Goddelijk komedie van de dertiende-eeuwse Florentijnse dichter Dante Alighieri beschrijft de reis die je na je dood maakt. De islam kent een soortgelijk geloof in een hiernamaals en je plek daar wordt bepaald door wat je tijdens je leven op Aarde doet.

Ook de oude Romeinen geloofden in een hiernamaals, het Elysium, de plek waar de gelukzaligen vertoefden. Maar daar waar de christenen daarvoor naar boven, naar de hemel, keken, bevond het Elysium zich in de onderwereld. En net als de christelijke hemel, werd je toegang tot het Elysium bepaald door je daden in het aardse leven. Generaal Maximus gespeeld door Russel Crowe refereert daar in de film Gladiator aan in zijn toespraak tot zijn ruiters voor de ‘laatste slag’ met de Germanen: “Three weeks from now, I’ll be harvesting my crops. Imagine where you will be, it will be so. Hold the line! Stay with me. If you find yourself alone riding in green fields with the sun on your face, do not be troubled for you are in Elysium. And you’re already dead.”

Dan zijn er nog mensen die geloven dat de ziel van ieder leven, wat dat ook moge zijn, steeds weer een nieuwe ‘vleselijke gedaante’ aanneemt. Vandaar de naam hiervoor reïncarnatie. Wat die ziel in dat vleselijke omhulsel doet, bepaalt de vleselijke vorm in een volgende cyclus. Die vorm kan hoger of lager zijn dan de vorige. Als de ziel het almaar goed blijft doen, wordt hij of zij bevrijd van het aardse leven en wordt dit ingeruild voor een eeuwig leven met god. Als we dit vergelijken met de christelijke hemel en hel, dan kun je zeggen dat leven op Aarde een hel is waaraan je als ziel kunt ontsnappen door goed te leven.

Nadenken over de zin van leven in het algemeen en het eigen in het bijzonder, is een typisch menselijke activiteit. Het is iets wat we gratis meegeleverd hebben gekregen met de evolutionaire ontwikkeling van onze hersenen. Zoals ik in een recente Prikker schreef, kunnen wij ons zaken voorstellen die er niet zijn. Wij kunnen ons een reis naar Mars verbeelden. Wij zijn meesters in het verzinnen van ficties die voor ons zo feitelijk en reëel zijn als een boom of een steen. Dat voorstellingsvermogen is een uniek menselijke kwaliteit. Dit voordeel komt echter wel met een nadeel. Dat nadeel is dat wij ons ook de vraag kunnen stellen wat er na onze dood komt? Een vraag die bij velen onzekerheid oproept. Die onzekerheid kan dan weer worden weggenomen door dat ‘unieke voordeel’. Dat verbeeld zich dan een hemel, Elysium of reïncarnatie. Een fictie die voor de aanhangers ervan weer net zo feitelijk is als een boom.

En dat brengt mij bij Rowwen Hèze. Een van hun eerste liedjes ging precies over de zin van het leven. In het lied ’n man, ’n vrouw komen ze tot dezelfde conclusie als De Vos: het draait om de voortplanting en de rest is amusement. Ze verpakken het wel wat beter:

’n Man ‘n vrouw en unne groete pot beer,
’n akordeon en ’n bitje pleseer,
‘n Man ‘n vrouw en une groete pot beer,
dat is al wat er is, leg ow dor maar beej neer,
oohh leg ow dor maar beej neer.

Uitgelicht

Institutioneel racisme! Of toch niet?

“Ik zat in de afrondende fase van mijn opleiding en zou aan het werk zijn als verloskundige in dezelfde praktijk in de periode dat zij zou gaan bevallen. Haar eis om mijn ontslag kwam voort uit haar voorwaarde om niemand in haar buurt te willen die een hijab draagt.” Dit schrijft Pia Sophia in een artikel op de site Dipsaus. En liet dat volgen door: “Mijn opdrachtgever kwam niet voor me op en vertelde mij dat ik moest leren leven met het feit dat “discriminatie nou eenmaal voorkomt.”” Dit is, aldus Sophia, een van de voorbeelden van institutioneel racisme.  Een bijzondere casus waarbij ik alweer moest denken aan Hannah Arendt.

Beschuit, Muisjes, Geboorte, Kraamweek, Jongetje
Bron: Pixabay

In de bundel Verantwoordelijkheid en oordeel zijn toespraken en colleges van Arendt gebundeld die handelen over juist die twee woorden. Aan één van die artikelen moest ik denken bij het lezen de passage uit Sophia’s artikel. In de bundel een essay uit 1959 met als titel Overpeinzingen bij Little Rock. Even voor degenen die het niet weten. In 1957 moest een middelbare school in  Little Rock, de hoofdstad van de Amerikaanse staat Arkansas, negen zwarte leerlingen toelaten. Dit omdat de Hoge Raad had geoordeeld dat de school deze negen leerlingen niet mocht weigeren. Een uitspraak van de hoogste rechter, en dat is de Hoge Raad in de Verenigde Staten, moet gestand worden gedaan. Dat was echter tegen het zere been van gouverneur Faubus van de staat, die stuurde de Nationale Garde om dit te verhinderen. Daarop kon president Eisenhower niets anders dan ingrijpen. Hij stuurde de 101e luchtlandigsdivisie en gaf hen de opdracht de negen kinderen te beschermen en ervoor te zorgen dat ze de school konden bezoeken. Dit gebeuren was voor Arendt aanleiding tot haar overpeinzingen.

In haar overpeinzingen onderscheidt Arendt drie werelden of sferen: de privé sfeer, de sociale sfeer en de politieke sfeer. Binnen die drie werelden bekijkt ze de rol van gelijkheid. Over de privé sfeer zegt ze het volgende: “… -het gebied van het privé leven – wordt noch door gelijkheid noch onderscheid maken beheerst, maar door exclusiviteit. Hier kiezen we de mensen met wie we ons leven willen doorbrengen, namelijk persoonlijke vrienden en mensen van wie we houden; en onze keuze wordt niet bepaald door overeenkomst of kwaliteit die door een groep mensen worden gedeeld – ze wordt zelfs niet bepaald door welke objectieve maatstaven en regels dan ook – maar richt zich, onverklaarbaar en onfeilbaar, op één persoon in zijn of haar uniciteit, zijn anders zijn dan alle andere mensen die we kennen.” Als ik Arendt goed begrijp dan kan er in de privé sfeer geen sprake zijn van discriminatie. Een duidelijk en begrijpelijk betoog. In de privé sfeer zoekt een ieder zijn eigen passende begeleiding.

Dan het andere uiterste, de politieke sfeer. In de politieke sfeer is, zo betoogt Arendt, gelijkheid absoluut. Het is “haar innerlijke principe.” In het politieke domein: “daar zijn we allemaal gelijk.” Die gelijkheid wordt: “in de eerste plaats geconcretiseerd in het stemrecht; volgens dat recht staan het oordeel en de mening van de hoogst geplaatste burger op één lijn met het oordeel van de persoon die nauwelijks kan lezen en schrijven.” Integraal onderdeel van die gelijkheid is: “Passief kiesrecht of het recht voor een ambt te worden gekozen.” Ook dit is een duidelijk en begrijpelijk betoog.

Als laatste het sociale sfeer, de samenleving. Dit is het domein dat we instappen als we ons huis verlaten. De samenleving: “is dat merkwaardige, wat hybridische gebied tussen het politieke en het persoonlijke waarin sinds het begin van de moderne tijd de meeste mensen het grootste deel van hun leven hebben doorgebracht.” En wat gelijkheid is voor de politieke sfeer, is discriminatie voor de samenleving, zo betoogt Arendt. Discriminatie niet in haar betekenis van achterstellen, maar in haar betekenis van onderscheid maken. Naar die sfeer worden we gedreven: “door (de) noodzaak in ons onderhoud te voorzien, ertoe aangetrokken door het verlangen onze talenten te ontplooien of ertoe aangelokt door het genoegen van gezelschap.” Daarbij kiezen we ons gezelschap, daarbij worden we, zoals Arendt het schrijft: “onderworpen aan het aloude adagium ‘soort zoekt soort’, dat het gehele domein van de samenleving in zijn oneindige variëteit van groeperingen en sociale verbanden beheerst.” Je gaat op voetbal en wel bij die club omdat de mensen daar het beste bij je passen. Je gaat naar een concert van band x omdat die muziek bij je past. De spiegel daarvan is dat een vereniging je mag weigeren. Zo zul je bij de naaktzwemclub worden geweigerd als je per se een boerkini aan wilt. Net zoals je wordt geweigerd als je in je nakie bij de boerkinie zwemclub wilt. Zo mag, zoals enkele jaren geleden in Noord-Ierland, een bakker weigeren een taart met daarop de slogan ‘steun het homohuwelijk’ te bakken voor een huwelijk van twee mannen. Net zoals de bakker ook geen taart hoeft te bakken voor iemand die ‘eigen volk eerst’ erop wil. Dit weigeren gaat volgens Arendt niet op voor: “diensten die, of ze nu particulier of publiek eigendom zijn, in feite openbaar zijn, diensten die iedereen nodig heeft om zijn zaken te behartigen en zijn leven te leiden. Al behoren deze diensten niet strikt tot het politieke domein, ze bevinden zich wél in het publieke domein waar alle mensen gelijk zijn”. Daar waar de bakker mag weigeren een taart met spreuk te bakken, mag het busbedrijf niet weigeren iemand te vervoeren. Ook deze redenering kent een te begrijpen logica.

Als we met Arendts bril naar Sophia’s voorbeeld kijken, hoe zou Arendt dit voorbeeld beoordelen? Dan staat de zwangere vrouw in haar recht om Sophia te weigeren als verloskundige. De verloskundige betreedt immers de privé sfeer van de betreffende vrouw. Dat zij een publieke functie vervult doet daar niets aan af. Het is aan de patiënt om de arts te kiezen en dus ook aan de zwanger vrouw om een verloskundige te kiezen. Haar motieven, of die nu racistisch, godsdienstig of persoonlijk van aard zijn doen hierbij niet ter zaken. Sterker nog, de zwangere vrouw hoeft haar motieven niet eens te geven. ‘Jou niet’ is al voldoende. Dubieus is het verzoek van de zwangere vrouw om Sophia te ontslaan om zo te voorkomen dat Sophia toch bij de geboorte van het kind van de vrouw is. Een zwangere vrouw gaat niet over het personeelsbeleid van een verloskundigenpraktijk.

Dan de werkgever die haar, aldus Sophia, onvoldoende steunde en haar vertelde dat ze maar moest ‘leren leven met het feit dat discriminatie nou eenmaal voorkomt.’ Als ik het artikel goed begrijp, heeft de werkgever haar niet ontslagen en heeft Sophia de betreffende mevrouw niet geholpen bij de bevalling, maar heeft de werkgever daar een andere medewerker naartoe gestuurd. Ook de werkgever heeft niets verkeerd gedaan. Hij heeft de wens van de zwangere mevrouw gerespecteerd. Wat hij wat handiger had kunnen doen, is dit met Sophia bespreken. Daarbij had Arendts betoog hem zeker kunnen helpen.

‘Wij’ en ‘onze’ geschiedenis

                “Op de Vlaamse feestdag herdenken we de bolsjewieken van de middeleeuwen.” De sprekende titel boven een interview met de historicus Jan Dumolyn op de Belgische site MO. Voor degenen die niet weten welke Vlaamse feestdag er wordt bedoeld en wat er wordt herdacht: op de 11e juli herdenkt Vlaanderen de Gulden Sporenslag. In het populaire discours van nationalistische Vlamingen de strijd van de Vlamingen tegen de Fransen. In het interview legt Dumolyn uit dat het in werkelijkheid toch een stukje anders ligt. Het was veeleer een ‘sociale revolutie’. Een voorbeeld van: “Het universele streven naar emancipatie, naar een waardig bestaan.” Een streven dat, zo zegt Dumolyn terecht, ook bij Black Lives Matter een belangrijke rol speelt. Een streven dat door de hele geschiedenis een belangrijke rol speelt achter oorlogen en opstanden en dat draait om macht en de verdeling ervan. En… ook met vergelijkbare ontwikkelingen die eraan vooraf gaan.

Bestand:Nicaise de Keyser02.jpg
De slag der Gulden Sporen door Nicaise De Keyses. Bron: Wikipedia

                Waar ging het 700 jaar geleden in Vlaanderen om? Dumolyn: “1302 maakt deel uit van een tweede golf opstanden waarbij de volksklassen in de steden gebruik maakten van tegenstellingen binnen de elites om meer macht te verwerven in het bestuur van de steden.” Dit combineerde zich met: “een typisch feodaal conflict, tussen de koning van Frankrijk en de Graaf van Vlaanderen. Die laatste weigerde zich te onderwerpen aan de koning. Vergis u niet: die graaf van Vlaanderen, Gwijde van Dampierre, sprak geen woord Nederlands.” Uiteindelijk ‘vonden’ de graaf van Vlaanderen en de ‘volksklassen in de steden’ elkaar en dat leidde uiteindelijk tot een verpletterende nederlaag voor de Franse koninklijke troepen. Heel adellijk Europa was hierdoor in rep en roer: “Ze verafschuwden de gemeentenaren als terroristen. Die waren de Islamitische Staat, of misschien met een betere metafoor, de bolsjewieken van die tijd.” Het bondgenootschap tussen de graaf en de ‘volksklassen’ hield niet lang stand. Dat laat onverlet dat de ‘volksklassen’, en laat je niet verleiden door het woord want het waren met name ambachtslieden, in de steden mee gingen besturen. Maar wel met grote gevolgen: Het had grote internationale uitstraling. In dat Vlaanderen krijg je dus 200 tot 250 jaar ambachtsbestuur, maar eigenlijk ook in andere steden van het huidige België, wat historici nu de Zuidelijke Nederlanden noemen, zoals Luik en Mechelen, en ook in sommige steden van het huidige Nederland. Dat heeft een heel ander soort sociale constellatie geschapen, met een meer stedelijke cultuur, waar de adel en de Kerk minder alles in handen hebben.” Precies die zaken waar ook de Republiek later om bekend stond.

                Wat zien we als we kijken naar de ontwikkelingen die eraan vooraf gingen? “De kloof tussen arm en rijk in de steden was sterk gegroeid. Enerzijds was er een toename van kapitaalvorming door investeringen in de textielhandel. Anderzijds daalden de lonen, door de constante immigratie. De lonen konden de prijsstijgingen niet volgen.” Dit was mogelijk omdat: “De productieve landbouw (een) snelle verstedelijking toe(liet).”  Hierdoor woonde een steeds groter deel van de bevolking in de steden. “In de dertiende eeuw ontwikkelde zich een stedelijk proletariaat door de sterke instroom van arbeidskrachten. Dat bestond uit arme ambachtslieden, ongeschoolde arbeidskrachten, bedelaars, ook veel alleenstaande vrouwen. Die werkende klasse woonde dikwijls ook in aparte wijken, toen al.” De steden verwierven: “een zekere autonomie tegenover de adel, bisschoppen en abten.” Binnen de steden lag de macht in handen van een kleine groep patriciërs, de stedelijke elite, terwijl die ‘volksklassen’, en dan vooral de ambachtslieden, buitenspel stonden.

                Als we dit vergelijken met de situatie nu, wat zien we dan? Dan zien we een groeiende kloof tussen arm en rijk. We zien dat lonen niet stijgen en dat het ‘kapitaal’ een steeds groter deel van de koek neemt. Dan zien we een constante migratiestroom naar de steden. Dan zien we in toenemende mate een ruimtelijke en vervolgens ook emotionele scheiding tussen de verschillende bevolkingsgroepen (aparte wijken, segregatie op scholen et cetera). Dan zien we dat een groot deel van de bevolking aangeeft dat ze ‘niet gehoord’ worden, dat ze niet meetellen en niets te zeggen hebben. Een groot deel dat mensen van alle kleuren omvat. Dan zien we een golf van ‘verzet’, net als 700 jaar geleden.

                En eigenlijk zien we dat geregeld in de geschiedenis. Neem de periode dat de slavernij werd afgeschaft, het midden van de negentiende eeuw. De periode waarin, als we Gloria Wekker in haar boek Witte onschuld mogen geloven, een: “raciale grammatica ingeplant is, een diepe structuur van ongelijkheid in gedachten en gevoelens, gebaseerd op ras, en dat vanuit dit diepe reservoir het culturele archief – onder meer een gevoel over het zelf – gevormd en gefabriceerd werd.” Inderdaad was het een periode van ‘een diepe structuur van ongelijkheid’ want de ongelijkheid in inkomen en vermogen bereikte grote hoogten. Alleen was die structuur niet gebaseerd op ras want, zoals ik in I’ve got the power al schreef, stond het gros van de blanke bevolking aan de verkeerde (de arme en machteloze) kant van die ‘ongelijkheid. Hun levensomstandigheden waren nauwelijks beter dan die van de slaven in de Amerika’s. Het was ook een periode van migratie. Migratie van het platteland naar de stad en ook van Europa naar vooral het nieuwe land: de Verenigde Staten. Rijk en arm leken op totaal andere planeten te leven. Ook had een groot deel van de bevolking niets te zeggen en was er sociale onrust.

                Het probleem nu is niet ‘het westen’ zo betoogt Dumolyn: “Het Westen is altijd de slechterik, en de niet-witte mensen zijn altijd de slachtoffers. Alsof andere culturen en beschavingen niet plunderden, veroverden en mensen tot slaaf maakten.” Nee het probleem is: “het imperialistische en kapitalistische systeem.” Want: “Dat heeft in zijn meedogenloze accumulatie de mensen hier in de fabrieken gestoken en de mensen van het Zuiden op een gruwelijke manier onderworpen en tot slaaf gemaakt. En dat gebeurde op een veel grotere schaal en op een veel intensievere manier dan tot dan toe in de slavernij het geval was geweest.” Dit kan, zo betoogt Dumolyn, niet worden bestreden met ideologie, en dat is wat er nu aan het gebeuren is met: “ingewikkelde theorieën over wit privilege.” Dat moet met wetenschap, met kennis van de geschiedenis. En ja, zo betoogt Dumolyn: Er is te weinig aandacht voor de koloniale geschiedenis in het onderwijs, dat klopt. Maar er is ook veel te weinig aandacht voor de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Wat heb jij geleerd over de negentiende-eeuwse socialisten. … We moeten komen tot een verhaal dat de “eigen” geschiedenis juister voorstelt, met de positieve en negatieve kanten, gebaseerd op de feiten.”  

                Hij stelt: “Een pragmatische strategie,” voor: “waarbij we de eigen geschiedenis, waarden, identiteit tussen aanhalingstekens, cultuur, positiever invullen, naast de noodzakelijke kritiek op de eigen geschiedenis.” Een interessant betoog dat aansluit bij veel van wat jullie ook van de Ballonnendoorprikker te lezen krijgen. Jammer alleen dat dergelijke geluiden in Nederland veel te weinig tot geen plek krijgen in het publieke discours. In dat discours is veel te veel aandacht voor symbolische zaken.

Cultureel archief

Tegenwoordig is de biografie een populair genre in de boekenwereld. Een boek over het leven van een bekende persoon. Daarbij maakt het niet veel uit of die persoon nog leeft of het tijdige al heeft verruild voor het eeuwige. Van veel bekende (oud)voetballers zijn er een of meerdere verschenen, Cruijf, Kieft, Van der Gijp om er een paar te noemen. Maar ook van politici en topmensen in het bedrijfsleven, Churchill, Drees Steve Jobs. Als je deze boeken leest dan krijg je een indruk van hun leven en de tijd waarin zij leven. Echter, wel een zeer eenzijdige indruk. Ik moest hieraan denken toen ik Witte Onschuld van Gloria Wekker herlas.

Bron: Needpix

In haar boek baseert Gloria Wekker zich op het begrip cultureel archief van Edward Said. Een cultureel archief is: “een speciaal soort kennis en structuren van houding en referentie (en) structuren van gevoel,” zo citeert Wekker Said. In dit cultureel archief  van het westen, zo citeert zij verder, werd er: “nagenoeg unaniem veronderstelt dat onderworpen rassen moesten worden overheerst, dat er zoiets bestond als onderworpen rassen, en dat één ras het recht verdiende en voortdurend had verdiend te worden beschouwd als het ras waarvan de voornaamste missie was zich uit te breiden tot buiten zijn eigen domein.”  Dan neemt Wekker zelf het woord: “Het is belangrijk dat Said hier verwijst naar het gegeven dat er in de negentiende-eeuwse Europese imperiale bevolkingen een raciale grammatica ingeplant is, een diepe structuur van ongelijkheid in gedachten en gevoelens gebaseerd op ras, en dat vanuit dit diepe reservoir het culturele archief- onder meer een gevoel over het zelf- gevormd en gefabriceerd werd.” Wekker spreekt hier over ‘Europese imperiale bevolkingen’.

Bij het bestuderen van het verleden zijn bronnen belangrijk. Bronnen zoals uit een bepaalde tijd bewaard gebleven voorwerpen en bouwwerken, sinds de uitvinding van het schrift geschreven documenten en recentelijk geluids- en beeldfragmenten. Alleen kon, tot voor kort, het overgrote deel van de bevolking van welk land dan ook, niet lezen of schrijven. Dat was voorbehouden aan enkelen. In de Middeleeuwen in Europa vooral monniken. En net zoals de biografieën van de bekende voetballers het beeld van de voetbalwereld vertekenen, is de kans groot dat de geschriften van de monniken ons beeld van de Middeleeuwen vertekenen en er een veel te religieuze voorstelling van geven. Voor een goed beeld van de voetbalwereld zijn biografieën over de rechtsachter van het derde elftal van deze of gene amateurclub nodig. En voor een evenwicht beeld, zouden dat er veel meer moeten zijn dan van profs. Er zijn immers veel meer amateurvoetballers. Voor een goed beeld van de Middeleeuwen zouden we ook geschriften over het dagelijkse leven van een horige of lijfeigene moeten beschikken. De mensen waarover in de geschiedenisboeken als groep wordt gesproken en niet, zoals over Karel de Grote, als individu.

Zoals ik in mijn vorige Prikker I’ve got the power al liet zien, leefde het overgrote deel van die bevolking in ellende. Ellende die vergelijkbaar was met de situatie van slaven op plantages. Als we ons dat realiseren, hoe kijken we dan naar die ‘Europese imperiale bevolkingen’? Zou bij die in ellende levende bevolking werkelijk een ‘raciale grammatica’ zijn  ‘ingeplant’? Laten we die vraag eens wat nader bekijken.

Dat ‘inplanten’ moet ergens gebeuren. Een eerste plek waar dat kan gebeuren is in het gezin. Nu weten we onder andere uit Het Kapitaal van Karl Marx, dat het gros van de kinderen al vroeg aan het werk werd gezet.  “Zo blijkt uit de statistieken dat in 1859 maar liefst 450.000 Nederlandse kinderen hele dagen werkten,” zo is te lezen op de site geschiedenis.nl. Nederland kende in dat jaar zo’n 3,3 miljoen inwoners. De stand van het gros van de bevolking stond op ‘overleven’ daarvoor moest alles wijken. Tijd voor ‘inplanten’ was er niet.

Een tweede plek waar ‘ingeplant’ kan worden, is het onderwijs. Maar ja, wie volgde er onderwijs? Op dezelfde pagina op de hierboven aangehaalde site is te lezen:  “Gedurende een groot deel van de 19e eeuw was het voor veel kinderen nog gebruikelijk om vrijwel geen onderwijs te volgen. De meesten moesten namelijk thuis bijdragen aan de inkomsten en werden daarom ingezet als arbeider op het land of in de fabriek.” Die kinderarbeid werd pas aangepakt door het beroemde kinderwetje van Van Houten in 1874. Toen werd kinderarbeid in fabrieken voor kinderen onder de 12 jaar verboden. Let wel in fabrieken, de meeste kinderen werkten toen nog in de landbouw en daar bleef het nog steeds toegestaan. Pas in 1901 werd de leerplicht ingevoerd. Met 50 tegen 49 stemmen werd de eerste leerplichtwet aangenomen. Dit met dank aan het paard van kamerlid en tegenstander van de leerplicht wet Francis David Schimmelpennick. Het geachte kamerlid was namelijk van zijn paard gevallen en kon daarom de stemming niet bijwonen waardoor er een nipte meerderheid was voor de invoering van de leerplicht. Het gros van de negentiende-eeuwse kinderen ging niet naar school en kan daar dus ook niets ingeplant krijgen.

Als laatste kun je je afvragen welk belang de toenmalige ‘kapitalistische elite’ erbij zou hebben om die ‘racistische superioriteit’ in te planten bij de kinderen van de arbeiders en boeren. ‘Implanten’ zou inhouden dat ook de omstandigheden waarin de slaven leefden en werkten aan bod moesten komen. Zou dan de kans niet groot zijn dat die boeren- en  arbeiderskinderen tijdens dat ‘inplanten’ zouden denken: ‘maar wacht eens, waarin verschilt mijn ‘superieure’ situatie van die van de slaaf?’ Dat ‘inplanten’ zou het klassenbewustzijn wel eens flink kunnen bevorderen. Zou de toenmalige ‘kapitalistische elite’ daarop hebben zitten te wachten?

Op de man spelen, maar dan anders

                “Jongens, ik ben moe. Ben jij moe? Ben je het niet zat om die eendimensionale karikatuur te zijn van een man die de wereld ons vertelt te zijn? Het soort dat snel zijn vuisten gebruikt, zich vast en bang voelt maar dit niet kan laten zien. Het soort dat stoer en sterk is, dat geen zwakte toont, altijd in controle is. Ik ben het zat dat we elkaar, onszelf en vrouwen pijn doen.” Die vragen stelt Mohammed Saiah bij Joop. Vervolgens geeft hij dertien acties die ik als man kan ondernemen om het geweld tegen vrouwen te stoppen en als dat niet lukt, in ieder geval te verminderen. Wel meneer Saiah, om antwoord te geven op uw eerste vraag of ik moe ben: Nee, ik ben niet moe, in bent HET wel moe.

Bron: Pixnio

Ik ben HET moe om te worden aangesproken op een ‘eendimensionale karikatuur’ van wat het ‘man zijn’ inhoudt, waarin ik me totaal niet herken.

Ik ben HET moe dat mij wordt verweten dat ‘we elkaar, onszelf en vrouwen pijn doen’.

Ik ben HET moe om als een klein kind de les gelezen te worden via ‘dertien acties’ die ik kan ondernemen. Tips als: “Accepteer en neem onze verantwoordelijkheid dat geweld tegen vrouwen niet zal eindigen totdat mannen deel uitmaken van de oplossing om het te beëindigen. We moeten een actieve rol spelen bij het creëren van een culturele en sociale verandering die niet langer geweld tegen vrouwen tolereert.” Geweld tegen een ander, man, vrouw of kind wórdt niet getolereerd. Het is bij wet verboden. En tips als: “Stop met het ondersteunen van het idee dat mannelijk geweld tegen vrouwen te wijten is aan psychische aandoeningen, gebrek aan vaardigheden voor woedebeheersing, chemische afhankelijkheid, stress, enz. Geweld tegen vrouwen is geworteld in de historische onderdrukking van vrouwen en de uitgroei van de socialisatie van mannen.” Als geweld werkelijk alleen wordt veroorzaakt door de ‘socialisatie van mannen’, dan gaat er toch veel mis. Een flinke meerderheid van de mannen gebruikt immers geen geweld.

Ik ben HET moe dat ik steeds weer verantwoordelijk wordt gesteld en gehouden voor daden van anderen. Dat ik een blanke man ben, daar kan ik niets aan doen. Zo ben ik geboren. Dat blanke mensen (net zoals trouwens mensen met een andere huidskleur) er soms een puinhoop van maken, dat:  “Negen op de tien plegers van fysiek of seksueel geweld tegen vrouwen (…)een man” is, maakt mij daar niet voor verantwoordelijk. Daarvoor zijn de daders van dat geweld verantwoordelijk. Die dienen daarop te worden aangesproken. Er is geen: “huidige cultuur van mannelijkheid die dit toestaat.” Er zijn wetten die dit verbieden. Die wetten zijn de gestaalde kaders van onze cultuur. Dat is onze ‘cultuur’ en niet alleen van mannelijkheid.

Ik ben HET moe om door anderen in een groep te worden geduwd waar ik niet bij wil horen en niet bij hoor. JA, ik ben een man. Maar NEE, ik ben niet: “ bang dat (ik) het niet goed (zal) doen, dat iemand (mij) niet mag, dat (ik) er zwak uit zie.” Ik ben nietbang om te zeggen: “Ik hou van je”, of “Het spijt me”, of “Ik kan het niet”, of gewoon, “Gast, kan je alsjeblieft stoppen met willekeurige vrouwen op straat na te roepen?”  En NEE, ik ga me niet aansluiten bij: “een beweging van mannen die niet bang zijn om geweld tegen vrouwen te stoppen.”

Ik BEN het moe om met een grove bezem op een hoop te worden geveegd zoals Petra Meese in haar artikel bij Joop: “Waarom zijn Limburgers zo? Diep in mijn hart zeg ik, dat het met name door de onwetendheid komt dat men zo denkt. Dus de oplossing hiervan is: beter onderwijs, betere voorlichting.”

Kortom ik BEN het moe om te worden ‘geprofileerd’ en ‘gekarikaturiseerd’. Ik wil worden gezien als de mens en individu die ik ben. Niet als een ‘kruispunt’ van kenmerken als huidskleur, sekse, gender et cetera volgens de ‘intersectionaliteitstheorie’. Een ‘kruispunt’ waaraan vervolgens allerlei vooroordelen worden gehangen. Toch bijzonder dat strijders tegen raciale vooroordelen niet de mens en het individu willen zien, maar een verzameling van vooroordelen.

‘Identiteitsgetoeter’

Volgens PVV-er Martin Bosma zitten we in Nederland in de kramp. Die kramp wordt veroorzaakt door: “al dat identiteitsgetoeter en doordat we dus heel het begrippenapparaat dat een kwart eeuw geleden werd ontwikkeld op Amerikaanse universiteiten om dat over te nemen en mensen in allerlei raciale hokjes te douwen en mensen moeten dan hun huidskleur worden.”  Zo zegt hij in een interview met Ongehoord Nederland. Nu ben ik het zelden met de PVV of een PVV-er eens, maar dat er ‘identiteitspolitiek’ niet goed is voor een samenleving, daar is veel voor te zeggen. ‘Identiteitspolitiek’ verdeelt mensen in ‘wij’ en ‘zij’. Toch voel ik de schoen ergens knellen.

Gratis Afbeeldingen : sneeuw, winter, muziek-, teken, Hoorn ...
Bron: Pixhere

Dat ‘identiteitsgetoeter’ waar Bosman tegen fulmineert, is gebaseerd op het ‘intersectioneel denken’. In dit denken wordt je identiteit bepaald door je sekse, gender, huidskleur, beperkingen, opleiding, beroep, religie, geboorteplaats en nog veel meer. Al deze ‘assen’ zoals ze het noemen kennen een machtsverdeling: man is macht, vrouw is machteloos, universitaire bul is macht alleen vmbo is machteloos enzovoorts. Zit je aan de ‘macht’ kant van een as, dan heb je op dat punt ‘privilege’. Je ‘identiteit’ wordt bepaald door het punt waar al die ‘assen’ zich kruisen.  Op die kruispunten zouden we elkaar dan moeten vinden. In extremis leidt dit er echter toe dat ieder individu op zijn eigen kruispunt staat en dat we elkaar nooit zullen vinden. Dit zorgt voor een hele zware en statische ‘identiteit’. Zelf denk ik anders over identiteit, ik zie mijn identiteit veel meer fluïde of licht. Dat Bosman hiertegen ageert, kan ik goed begrijpen.

Die knellende schoen zit op een ander punt. Dit is namelijk niet het enige ‘identiteitsgetoeter’ waar we mee te maken hebben. Er is een andere, minstens zo starre, verdelende en polariserende vorm. Een oude, negentiende-eeuwse vorm in een nieuw jasje: de nationalistische vorm. De vorm waarvan Bosma’s partij een van de grote voorvechters is. Een vorm die begint met het bekende mantra: ‘wij zijn een joods, christelijk, humanistische samenleving’. Daarbij vergetende dat die christenen elkaar onderling eeuwenlang de tent uit hebben gevochten en dat ze gezamenlijk nogal afwerend, om het zacht uit te drukken, stonden tegenover joden. Vervolgens wordt er nog iets aan toegevoegd over ‘trots op Nederland’ en nog wat ‘trots op onze geschiedenis’. Een verhaal waarmee iedereen die niet joods, christelijk of humanistisch is of wiens voorouders geen deel uitmaakten van die trotse geschiedenis wordt buitengesloten. Die hoort er niet bij en zal er ook nooit bij horen. Een moslim bijvoorbeeld: “Nederland de-islamiseren … Alle moskeeën en islamitische scholen dicht, verbod koran,”  of: “Criminelen met een dubbele nationaliteit denaturaliseren en uitzetten,” aldus het programma van Bosma’s partij. Dit ‘identiteit-getoeter’ dat in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd verwoord door de verketterde Centrumpartij van Hans Janmaat met  de woorden: ‘we schaffen de multiculturele samenleving af’, is sinds een kwarteeuw bijzonder populair geworden. Ook dit ‘identiteitsdenken’ maakt van identiteit iets zwaars en statisch.

Zou Bosma in de gaten hebben dat de ‘kramp’ in Nederland ook door het ‘nationalistische identiteitsgetoeter’ wordt veroorzaakt? Getoeter waarin hij en zijn PVV en sinds een paar jaar ook Baudet en zijn Forum voor Democratie een hoofdrol vertolken. Dit toetert namelijk met hoofdletters tegen grote groepen mensen: ‘jullie zullen er nooit bij horen’.