Uitgelicht

Cultureel archief

Tegenwoordig is de biografie een populair genre in de boekenwereld. Een boek over het leven van een bekende persoon. Daarbij maakt het niet veel uit of die persoon nog leeft of het tijdige al heeft verruild voor het eeuwige. Van veel bekende (oud)voetballers zijn er een of meerdere verschenen, Cruijf, Kieft, Van der Gijp om er een paar te noemen. Maar ook van politici en topmensen in het bedrijfsleven, Churchill, Drees Steve Jobs. Als je deze boeken leest dan krijg je een indruk van hun leven en de tijd waarin zij leven. Echter, wel een zeer eenzijdige indruk. Ik moest hieraan denken toen ik Witte Onschuld van Gloria Wekker herlas.

Bron: Needpix

In haar boek baseert Gloria Wekker zich op het begrip cultureel archief van Edward Said. Een cultureel archief is: “een speciaal soort kennis en structuren van houding en referentie (en) structuren van gevoel,” zo citeert Wekker Said. In dit cultureel archief  van het westen, zo citeert zij verder, werd er: “nagenoeg unaniem verondersteld dat onderworpen rassen moesten worden overheerst, dat er zoiets bestond als onderworpen rassen, en dat één ras het recht verdiende en voortdurend had verdiend te worden beschouwd als het ras waarvan de voornaamste missie was zich uit te breiden tot buiten zijn eigen domein.”  Dan neemt Wekker zelf het woord: “Het is belangrijk dat Said hier verwijst naar het gegeven dat er in de negentiende-eeuwse Europese imperiale bevolkingen een raciale grammatica ingeplant is, een diepe structuur van ongelijkheid in gedachten en gevoelens gebaseerd op ras, en dat vanuit dit diepe reservoir het culturele archief- onder meer een gevoel over het zelf- gevormd en gefabriceerd werd.” Wekker spreekt hier over ‘Europese imperiale bevolkingen’.

Bij het bestuderen van het verleden zijn bronnen belangrijk. Bronnen zoals uit een bepaalde tijd bewaard gebleven voorwerpen en bouwwerken, sinds de uitvinding van het schrift geschreven documenten en recentelijk geluids- en beeldfragmenten. Alleen kon, tot voor kort, het overgrote deel van de bevolking van welk land dan ook, niet lezen of schrijven. Dat was voorbehouden aan enkelen. In de Middeleeuwen in Europa vooral monniken. En net zoals de biografieën van de bekende voetballers het beeld van de voetbalwereld vertekenen, is de kans groot dat de geschriften van de monniken ons beeld van de Middeleeuwen vertekenen en er een veel te religieuze voorstelling van geven. Voor een goed beeld van de voetbalwereld zijn biografieën over de rechtsachter van het derde elftal van deze of gene amateurclub nodig. En voor een evenwicht beeld, zouden dat er veel meer moeten zijn dan van profs. Er zijn immers veel meer amateurvoetballers. Voor een goed beeld van de Middeleeuwen zouden we ook geschriften over het dagelijkse leven van een horige of lijfeigene moeten beschikken. De mensen waarover in de geschiedenisboeken als groep wordt gesproken en niet, zoals over Karel de Grote, als individu.

Zoals ik in mijn vorige Prikker I’ve got the power al liet zien, leefde het overgrote deel van die bevolking in ellende. Ellende die vergelijkbaar was met de situatie van slaven op plantages. Als we ons dat realiseren, hoe kijken we dan naar die ‘Europese imperiale bevolkingen’? Zou bij die in ellende levende bevolking werkelijk een ‘raciale grammatica’ zijn  ‘ingeplant’? Laten we die vraag eens wat nader bekijken.

Dat ‘inplanten’ moet ergens gebeuren. Een eerste plek waar dat kan gebeuren is in het gezin. Nu weten we onder andere uit Het Kapitaal van Karl Marx, dat het gros van de kinderen al vroeg aan het werk werd gezet.  “Zo blijkt uit de statistieken dat in 1859 maar liefst 450.000 Nederlandse kinderen hele dagen werkten,” zo is te lezen op de site geschiedenis.nl. Nederland kende in dat jaar zo’n 3,3 miljoen inwoners. De stand van het gros van de bevolking stond op ‘overleven’ daarvoor moest alles wijken. Tijd voor ‘inplanten’ was er niet.

Een tweede plek waar ‘ingeplant’ kan worden, is het onderwijs. Maar ja, wie volgde er onderwijs? Op dezelfde pagina op de hierboven aangehaalde site is te lezen:  “Gedurende een groot deel van de 19e eeuw was het voor veel kinderen nog gebruikelijk om vrijwel geen onderwijs te volgen. De meesten moesten namelijk thuis bijdragen aan de inkomsten en werden daarom ingezet als arbeider op het land of in de fabriek.” Die kinderarbeid werd pas aangepakt door het beroemde kinderwetje van Van Houten in 1874. Toen werd kinderarbeid in fabrieken voor kinderen onder de 12 jaar verboden. Let wel in fabrieken, de meeste kinderen werkten toen nog in de landbouw en daar bleef het nog steeds toegestaan. Pas in 1901 werd de leerplicht ingevoerd. Met 50 tegen 49 stemmen werd de eerste leerplichtwet aangenomen. Dit met dank aan het paard van kamerlid en tegenstander van de leerplicht wet Francis David Schimmelpennick. Het geachte kamerlid was namelijk van zijn paard gevallen en kon daarom de stemming niet bijwonen waardoor er een nipte meerderheid was voor de invoering van de leerplicht. Het gros van de negentiende-eeuwse kinderen ging niet naar school en kan daar dus ook niets ingeplant krijgen.

Als laatste kun je je afvragen welk belang de toenmalige ‘kapitalistische elite’ erbij zou hebben om die ‘racistische superioriteit’ in te planten bij de kinderen van de arbeiders en boeren. ‘Implanten’ zou inhouden dat ook de omstandigheden waarin de slaven leefden en werkten aan bod moesten komen. Zou dan de kans niet groot zijn dat die boeren- en  arbeiderskinderen tijdens dat ‘inplanten’ zouden denken: ‘maar wacht eens, waarin verschilt mijn ‘superieure’ situatie van die van de slaaf?’ Dat ‘inplanten’ zou het klassenbewustzijn wel eens flink kunnen bevorderen. Zou de toenmalige ‘kapitalistische elite’ daarop hebben zitten te wachten?

Uitgelicht

Op de man spelen, maar dan anders

                “Jongens, ik ben moe. Ben jij moe? Ben je het niet zat om die eendimensionale karikatuur te zijn van een man die de wereld ons vertelt te zijn? Het soort dat snel zijn vuisten gebruikt, zich vast en bang voelt maar dit niet kan laten zien. Het soort dat stoer en sterk is, dat geen zwakte toont, altijd in controle is. Ik ben het zat dat we elkaar, onszelf en vrouwen pijn doen.” Die vragen stelt Mohammed Saiah bij Joop. Vervolgens geeft hij dertien acties die ik als man kan ondernemen om het geweld tegen vrouwen te stoppen en als dat niet lukt, in ieder geval te verminderen. Wel meneer Saiah, om antwoord te geven op uw eerste vraag of ik moe ben: Nee, ik ben niet moe, in bent HET wel moe.

Bron: Pixnio

Ik ben HET moe om te worden aangesproken op een ‘eendimensionale karikatuur’ van wat het ‘man zijn’ inhoudt, waarin ik me totaal niet herken.

Ik ben HET moe dat mij wordt verweten dat ‘we elkaar, onszelf en vrouwen pijn doen’.

Ik ben HET moe om als een klein kind de les gelezen te worden via ‘dertien acties’ die ik kan ondernemen. Tips als: “Accepteer en neem onze verantwoordelijkheid dat geweld tegen vrouwen niet zal eindigen totdat mannen deel uitmaken van de oplossing om het te beëindigen. We moeten een actieve rol spelen bij het creëren van een culturele en sociale verandering die niet langer geweld tegen vrouwen tolereert.” Geweld tegen een ander, man, vrouw of kind wórdt niet getolereerd. Het is bij wet verboden. En tips als: “Stop met het ondersteunen van het idee dat mannelijk geweld tegen vrouwen te wijten is aan psychische aandoeningen, gebrek aan vaardigheden voor woedebeheersing, chemische afhankelijkheid, stress, enz. Geweld tegen vrouwen is geworteld in de historische onderdrukking van vrouwen en de uitgroei van de socialisatie van mannen.” Als geweld werkelijk alleen wordt veroorzaakt door de ‘socialisatie van mannen’, dan gaat er toch veel mis. Een flinke meerderheid van de mannen gebruikt immers geen geweld.

Ik ben HET moe dat ik steeds weer verantwoordelijk wordt gesteld en gehouden voor daden van anderen. Dat ik een blanke man ben, daar kan ik niets aan doen. Zo ben ik geboren. Dat blanke mensen (net zoals trouwens mensen met een andere huidskleur) er soms een puinhoop van maken, dat:  “Negen op de tien plegers van fysiek of seksueel geweld tegen vrouwen (…)een man” is, maakt mij daar niet voor verantwoordelijk. Daarvoor zijn de daders van dat geweld verantwoordelijk. Die dienen daarop te worden aangesproken. Er is geen: “huidige cultuur van mannelijkheid die dit toestaat.” Er zijn wetten die dit verbieden. Die wetten zijn de gestaalde kaders van onze cultuur. Dat is onze ‘cultuur’ en niet alleen van mannelijkheid.

Ik ben HET moe om door anderen in een groep te worden geduwd waar ik niet bij wil horen en niet bij hoor. JA, ik ben een man. Maar NEE, ik ben niet: “ bang dat (ik) het niet goed (zal) doen, dat iemand (mij) niet mag, dat (ik) er zwak uit zie.” Ik ben nietbang om te zeggen: “Ik hou van je”, of “Het spijt me”, of “Ik kan het niet”, of gewoon, “Gast, kan je alsjeblieft stoppen met willekeurige vrouwen op straat na te roepen?”  En NEE, ik ga me niet aansluiten bij: “een beweging van mannen die niet bang zijn om geweld tegen vrouwen te stoppen.”

Ik BEN het moe om met een grove bezem op een hoop te worden geveegd zoals Petra Meese in haar artikel bij Joop: “Waarom zijn Limburgers zo? Diep in mijn hart zeg ik, dat het met name door de onwetendheid komt dat men zo denkt. Dus de oplossing hiervan is: beter onderwijs, betere voorlichting.”

Kortom ik BEN het moe om te worden ‘geprofileerd’ en ‘gekarikaturiseerd’. Ik wil worden gezien als de mens en individu die ik ben. Niet als een ‘kruispunt’ van kenmerken als huidskleur, sekse, gender et cetera volgens de ‘intersectionaliteitstheorie’. Een ‘kruispunt’ waaraan vervolgens allerlei vooroordelen worden gehangen. Toch bijzonder dat strijders tegen raciale vooroordelen niet de mens en het individu willen zien, maar een verzameling van vooroordelen.

Uitgelicht

‘Identiteitsgetoeter’

Volgens PVV-er Martin Bosma zitten we in Nederland in de kramp. Die kramp wordt veroorzaakt door: “al dat identiteitsgetoeter en doordat we dus heel het begrippenapparaat dat een kwart eeuw geleden werd ontwikkeld op Amerikaanse universiteiten om dat over te nemen en mensen in allerlei raciale hokjes te douwen en mensen moeten dan hun huidskleur worden.”  Zo zegt hij in een interview met Ongehoord Nederland. Nu ben ik het zelden met de PVV of een PVV-er eens, maar dat er ‘identiteitspolitiek’ niet goed is voor een samenleving, daar is veel voor te zeggen. ‘Identiteitspolitiek’ verdeelt mensen in ‘wij’ en ‘zij’. Toch voel ik de schoen ergens knellen.

Gratis Afbeeldingen : sneeuw, winter, muziek-, teken, Hoorn ...
Bron: Pixhere

Dat ‘identiteitsgetoeter’ waar Bosman tegen fulmineert, is gebaseerd op het ‘intersectioneel denken’. In dit denken wordt je identiteit bepaald door je sekse, gender, huidskleur, beperkingen, opleiding, beroep, religie, geboorteplaats en nog veel meer. Al deze ‘assen’ zoals ze het noemen kennen een machtsverdeling: man is macht, vrouw is machteloos, universitaire bul is macht alleen vmbo is machteloos enzovoorts. Zit je aan de ‘macht’ kant van een as, dan heb je op dat punt ‘privilege’. Je ‘identiteit’ wordt bepaald door het punt waar al die ‘assen’ zich kruisen.  Op die kruispunten zouden we elkaar dan moeten vinden. In extremis leidt dit er echter toe dat ieder individu op zijn eigen kruispunt staat en dat we elkaar nooit zullen vinden. Dit zorgt voor een hele zware en statische ‘identiteit’. Zelf denk ik anders over identiteit, ik zie mijn identiteit veel meer fluïde of licht. Dat Bosman hiertegen ageert, kan ik goed begrijpen.

Die knellende schoen zit op een ander punt. Dit is namelijk niet het enige ‘identiteitsgetoeter’ waar we mee te maken hebben. Er is een andere, minstens zo starre, verdelende en polariserende vorm. Een oude, negentiende-eeuwse vorm in een nieuw jasje: de nationalistische vorm. De vorm waarvan Bosma’s partij een van de grote voorvechters is. Een vorm die begint met het bekende mantra: ‘wij zijn een joods, christelijk, humanistische samenleving’. Daarbij vergetende dat die christenen elkaar onderling eeuwenlang de tent uit hebben gevochten en dat ze gezamenlijk nogal afwerend, om het zacht uit te drukken, stonden tegenover joden. Vervolgens wordt er nog iets aan toegevoegd over ‘trots op Nederland’ en nog wat ‘trots op onze geschiedenis’. Een verhaal waarmee iedereen die niet joods, christelijk of humanistisch is of wiens voorouders geen deel uitmaakten van die trotse geschiedenis wordt buitengesloten. Die hoort er niet bij en zal er ook nooit bij horen. Een moslim bijvoorbeeld: “Nederland de-islamiseren … Alle moskeeën en islamitische scholen dicht, verbod koran,”  of: “Criminelen met een dubbele nationaliteit denaturaliseren en uitzetten,” aldus het programma van Bosma’s partij. Dit ‘identiteit-getoeter’ dat in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd verwoord door de verketterde Centrumpartij van Hans Janmaat met  de woorden: ‘we schaffen de multiculturele samenleving af’, is sinds een kwarteeuw bijzonder populair geworden. Ook dit ‘identiteitsdenken’ maakt van identiteit iets zwaars en statisch.

Zou Bosma in de gaten hebben dat de ‘kramp’ in Nederland ook door het ‘nationalistische identiteitsgetoeter’ wordt veroorzaakt? Getoeter waarin hij en zijn PVV en sinds een paar jaar ook Baudet en zijn Forum voor Democratie een hoofdrol vertolken. Dit toetert namelijk met hoofdletters tegen grote groepen mensen: ‘jullie zullen er nooit bij horen’.

Uitgelicht

Wit privilege’ of ‘nieuwkomers nadeel’?

                “We moeten de oude dooddoeners opzij zetten die het gesprek over racisme zo lang hebben bemoeilijkt.” De laatste woorden van een artikel in de Volkskrant van historicus Karwan Fatah. Volgens Fatah helpt in de discussie niet: “alles, letterlijk, weg te maken met (economisch) cijferwerk of jij-bakken als ‘de Arabieren deden het ook’, hebben we omvattender analyses nodig. Niet alleen van de achtergrond van Zwarte Piet, ook van koloniale standbeelden.”  Zeker niet omdat die: “relativerende benadering, die ook sommige historici voorstaan, (…) bol (staat) van feitelijke onjuistheden en leidt niet tot historisch inzicht en nuance.” Even vooraf, met een gesprek voeren over racisme is niets mis. Ondanks de vele aandacht in de diverse media voor het onderwerp wordt er zelden of nooit een gesprek over gevoerd. Er wordt vooral gezonden, of beter gezegd naar elkaar geschreeuwd. Ik vraag me wel af of Fatah bereid is tot een werkelijk gesprek.

De fluyt, een schip dat de Hollanders gebruikten voor de handel met de Oostzee en het Baltisch gebied. Bron: Wikipedia

                Ik vraag me dat af omdat hij iemand die aangeeft dat de trans-Atlantische slavernij een loot is aan een veel bredere stam of iemand die aangeeft dat het beeld dat de westerse rijkdom is gebaseerd op die slavenhandel, allebei historische feiten, weg zet als een ‘dooddoener’, als een ‘jij-bakken bakker’. Als iemand die alles weg relativeert. Voor wat betreft de ‘slavenbasis’ van de economie is er meer voor te zeggen dat de Amsterdamse rijkdom is gebaseerd op het bloed, zweet en tranen van Poolse, Oost-Pruisische, Lijflandse en later Russische lijfeigenen, een andere term voor slaaf, en horigen, kleine boeren met een eigen stukje land en de plicht om een flink deel van hun tijd voor niets te werken op het land van de landheer. Die horigen mochten hun dorp trouwens vaak ook niet verlaten. Ze zaten net zo klem als de Pakistaanse bouwvakkers die nu in Qatar de voetbalstadions voor de komende wereldkampioenschappen bouwen. Die lijfeigenen en horigen produceerden namelijk de producten (onder andere het graan en hout) die de basis en bulk vormden van Amsterdam als stapelmarkt. Aan dat lijfeigenschap en horigheid kwam in het oosten van Europa pas zo rond 1860 een einde.

                Dergelijke geschiedenissen en ook ‘de Arabieren deden het ook’ verhalen, zijn niet bedoeld om het gesprek uit de weg te gaan. Ze zijn, net zoals het erop wijzen dat Afrikaanse heerser volop meededen en verdienden aan de handel in vooral leden van een ander volk, bedoeld om het tijdsbeeld te schetsen. En een tijdsbeeld is relevant omdat dit het kader is waarin ons aller voorvaderen leefden, moesten overleven en handelen. Ze geven context. Vreemd dat een historicus een gebeurtenis wil bezien zonder de context. Daardoor lijkt het alsof hij de trans-Atlantische slavernij een bijzondere en unieke plek in de geschiedenis wil geven. Een unieke plek in de geschiedenis die hij nodig heeft om in het heden iets te bereiken. 

Wat hij wil bereiken daarover is hij duidelijk. Hij wil het namelijk hebben over: “de doorwerking (van) deze geschiedenis,” in het heden. Fatah: “En daarover zijn de VN en de EU onverbiddelijk: de structurele achterstelling van mensen van Afrikaanse afkomst is het gevolg van racisme, voortkomend uit slavernij en kolonialisme.” Maar dat de EU en de VN iets zeggen, wil nog niet zeggen dat het ook werkelijk zo is. Beide organen zijn politieke organen. Waarbij de ‘waarheid’ wordt bepaald door het aantal stemmen dat men voor iets haalt. Dat even terzijde. Fatah wil alle context buiten beschouwing laten omdat die context zijn gedachtelijn verzwakt. Als kolonialisme en slavernij namelijk niet uniek westers zijn, maar iets van de mensheid in het algemeen, zoals ik onder andere in Veelkleurige geschiedenis betoog, dan moet er een andere verklaring zijn voor het racisme. Wellicht is er dan een andere verklaring dan racisme voor het feit dat mensen die pas twee of drie generaties in Nederland zijn, achterblijven bij mensen wiens voorvaderen al generaties lang hier wonen, zoals ik in mijn brief aan Sylvana Simons betoogde. Dan zou het wel eens kunnen zijn dat er geen sprake is van ‘wit privilege’ maar van een ‘nieuwkomers nadeel’. Een nadeel dat je in een vreemd land komt waar je niemand kent. En als het verleden iets laat zien dan is het dat het een generatie of vijf kost voor een dergelijk nadeel helemaal is verdwenen. Pas dan is er sprake van een gelijkwaardig netwerk in de samenleving.

Dan moeten we het gesprek misschien niet voeren over ‘racisme’ en ‘wit privilege’ maar over manieren om het ‘nieuwkomers nadeel’ sneller dan in vijf generaties weg te werken. Wellicht is dat een veel vruchtbaarder gesprek.

Uitgelicht

The winner takes it all

De nieuwe ‘beeldenstorm’ waarover ik in mijn vorige Prikker schreef, krijgt bijzondere trekjes. Bij Joop lees ik dat in Bristol, waar eerder het standbeeld van slavenhandelaar en weldoener Edward Colston in de haven werd gekieperd, een standbeeld van de in Jamaica geboren zwarte dichter Alfred Fagon is besmeurd. Er is nog niet duidelijk wie het heeft gedaan: is het een ‘vergissing’ of een ‘vergeldingsactie’ voor wat Colston overkwam? Daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om de reactie van lezer Mark Huysman: “Even dom als mensen die zeggen oorlog = oorlog. Maakt niet uit of het gaat om bevrijding (geallieerden) of bezetting (nazi’s), in beide gevallen wordt er geweld toegepast en destructie veroorzaakt.”

Standbeeld van Hugo de Groot in Delft. Foto: Rijksdienst voor Cultureel erfgoed

Huysmans is van mening dat Colton van zijn sokkel trekken van een andere orde is dan het besmeuren van Fagon. Waarop Jorah reageert: “vandalisme = vandalisme. Dat jij het ene wel accepteert en het andere afwijst zegt meer over jou.”  Dat beiden een punt hebben, doet er even niet toe. Op die laatste opmerking reageert Huysman met de quote uit de vorige alinea.

Daarmee komen we bij het begrip ‘rechtvaardige oorlog’. Op de site Geschiedenis.nl staat hierover een interessant artikel. Daarin is te lezen dat de eerste keer dat we dit begrip tegenkomen bij de Griekse filosoof Aristoteles is: “Een oorlog was rechtvaardig wanneer deze werd uitgeroepen ter zelfverdediging, om land te verwerven of om barbaren tot slaaf te maken.” En dat land was het land van de Hellenen. Voor de Hellenen een duidelijke definitie: iedere oorlog die ze voerden was rechtvaardig omdat zij zichzelf verdedigen en als ze winnen, maakten ze barbaren tot slaven. Bij onderlinge oorlogen ligt dat dan wat lastiger en ze voerden onderling wel eens ‘oorlogje’. De beroemdste is de Peloponnesische Oorlog tussen de Helleense stadstaten Athene en Sparta. De Romeinen kende het begrip al: ‘Bellum iustum.’  Alleen vulden zij dit anders in. Het ging niet om de inhoud, maar om de procedure. In een artikel in het Historisch Nieuwsblad wordt dit goed uitgelegd: “De eerste stap was om een gezant te sturen naar de vijandige stad. Die gezant moest tegen de eerste die hij tegenkwam op het centrale forum bij Jupiter zweren dat als hij niet de waarheid zou vertellen, hij nooit meer terug mocht keren naar zijn vaderland. Daarna legde hij de vijand het Romeinse ultimatum voor. Als de eisen na 33 dagen niet waren ingewilligd, keerde de gezant terug naar Rome. Vervolgens mocht de Senaat besluiten tot oorlog en werd een speciale priester, een van de fetiales, met een bloedrode speer naar de grens gestuurd. Deze priester sprak een formule uit en wierp de speer in vijandig gebied. Nu was de oorlog wettig.”  Een manier van denken die ook tegenwoordig nog navolging vindt. De pogingen van de Verenigde Staten om de inval in Irak in 2003 door de Verenigde Naties gesanctioneerd te krijgen, moeten we in dit licht bezien.

Maar alleen met ‘procedure’ kom je er tegenwoordig niet. Ook dat laat de casus ‘Irak 2003’ zien. Toenmalig minister van buitenlandse zaken Colin Powell voerde allerlei, naar later bleek gemanipuleerd, bewijs aan, dat Irak massavernietigingswapens had en het ‘wereldwijd terrorisme’ ondersteunde. Dit terwijl de wapeninspecteurs niets konden vinden en de ‘banden met Bin Laden’ er niet waren. Daarom werden er nog wat zaken aan toegevoegd.  Zoals de onderdrukking van de bevolking door het regime van Saddam Hoessein. Iets waaraan meer heersers zich schuldig maken en wat ruim twintig jaar eerder geen reden was om Saddam te ondersteunen in zijn oorlog tegen Iran. Ook werd eraan toegevoegd dat Saddam het ‘zelfmoordterrorisme’ tegen Israël steunde en allerlei resoluties van de VN Veiligheidsraad negeerde. Iets waar ook Israël zich schuldig aan maakt. Trouwens, ook de VS maken zich daar, net als Rusland en China, schuldig aan. Zij hebben, als permanente leden van die raad, namelijk een vetorecht en kunnen alle voorstellen die hen niet welgevallig zijn, torpederen. Eventuele resoluties tegen hun handelen en belangen, worden dus nooit aangenomen.  

Ik dwaal af: rechtvaardige oorlog vanuit de inhoud. Als we het daarover hebben, moeten we ook de opvatting van de Romein Cicero aanhalen. Voor Cicero was een oorlog rechtvaardig als die diende: “ tot het terugkrijgen van verloren zaken (rebus repetilis), eigenlijk een streven naar status quo ante bellum (voor de oorlog) dus, waarbij bellum verwijst naar een eerder conflict.” Zou hij zich ooit hebben afgevraagd hoe ‘rechtvaardig’ dan het Romeinse Rijk was ontstaan? Of zouden de Galliërs en al die andere volkeren iets van de Romeinen hebben ontvreemd? De ‘status quo ante bellum’ was echter steevast anders dan die na de oorlog. Het denken van Cicero gaat bijna naadloos over in dat van kerkvader Augustinus. Voor Augustinus was een oorlog rechtvaardig als deze defensief was. Offensief was die rechtvaardig als de tegenstand aanwijsbaar iets had gedaan. De oorlog moest er dan, en daar horen we de echo van Cicero, de ‘natuurlijke orde’ herstellen.

We slaan een kleine duizend jaar over en komen uit bij een volgende denker over wat een rechtvaardige oorlog is, de dertiende-eeuwse theoloog Thomas van Aquino. Om voor Aquino rechtvaardig te zijn, moest een oorlog worden uitgeroepen door een autoriteit en moest de oorlog een rechtvaardige aanleiding hebben en gericht zijn op het dienen van het algemeen belang van de bevolking. Zijn navolgers verklaarden al snel dat een oorlog rechtvaardig was als die werd gevoerd tegen ongelovigen. Eigenlijk precies zoals nu sommige radicale stromingen in de islam erover denken. In dit kader moeten we ook het ‘inzegenen’ van kanonnen voor een oorlog zien. Waarbij god voor het dilemma wordt gesteld te bepalen wie de ‘rechtvaardigheid’ aan de zijde heeft.

Als laatste in deze opsomming iemand van ‘Hollandsche’ bodem: Hugo de Groot. De Groot formuleerde zes voorwaarden. Als eerste moest er een rechtvaardige reden zijn op morele gronden, Dus niet puur voor het eigenbelang. Als tweede moet de situatie zo ernstig zijn dat zij een oorlog rechtvaardigt. Ten derde moet er een redelijke kans op succes zijn. Met deze voorwaarde in het achterhoofd kun je twijfelen over de rechtvaardigheid van de ‘War on Terror’. Immers, zoals ik eerder betoogde, is terreur een strijdmiddel gebruikt door de zwakkeren. Met zijn vierde voorwaarde gaat De Groot in navolging van de Romeinen naar de procedurele kant, er moet een oorlogsverklaring zijn en de tegenpartij moet nog de kans krijgen de oorlog af te wenden. Als vijfde moet de oorlog worden uitgeroepen door een legitieme partij en als laatste moeten alle vreedzame alternatieven zijn uitgeput. In zijn betoog voor de VN-Veiligheidsraad ging Powell in op al deze voorwaarden. En omdat hij dit voor de VN-Veiligheidsraad deed, gaf hij aan dit orgaan te zien als de legitieme partij.

Tot zover de legitimiteit van een oorlog vóórdat die wordt uitgevochten. Nadat de wapens hebben gesproken, de strijd is gestreden en de winnaar bekend is, is het een heel ander verhaal. Voor de winnende inzegenaars van de kanonnen is het dan duidelijk: god heeft hen gelijk gegeven en dus stonden zij aan de rechtvaardige kant van de oorlog. Maar ook als we god weglaten komt het op hetzelfde neer. Of, zoals ik het in reactie op Huysman schreef: “Inderdaad oorlog = oorlog waarbij de winnaar de geschiedenis schrijft en dus bepaalt wat de ‘rechtvaardige zaak’ was waarvoor de oorlog werd gevoerd.” Of, zoals ABBA het zong: “The winner takes it all.” Dus als nazi-Duitsland de Tweede Wereldoorlog had gewonnen en we nu nog steeds in het ‘duizendjarige rijk’ zouden wonen, dan beoordeelden we de Duitse inval in Polen heel anders. De oorlogsverklaring van Hitler: “Polen heeft vannacht, voor de eerste keer, op ons eigen territorium, reguliere soldaten laten schieten. Sinds vijf uur vijfenveertig wordt nu teruggeschoten.” was dan de algemeen aanvaarde aanleiding voor de Tweede Wereldoorlog.

Alleen, zo vervolgde ik: “Het jammere voor de winnaar is dat die op termijn ook weer ‘verliest’, geen ‘rijk’ is immers voor de eeuwigheid. En na het verlies van de vroegere winnaar herschrijft de nieuwe winnaar de geschiedenis in zijn voordeel.” 

Uitgelicht

Bondgenoten

Werken aan een samenleving waarin alle mensen gelijkwaardig zijn en gelijk worden behandeld, is nog niet zo eenvoudig. “Demonstreren of een zwart beeld op Instagram is niet voldoende als je je écht tegen racisme wil verzetten,” aldus Sophie Duvekot  bij OneWorld. Zeker niet als je ‘wit’ bent. Tenminste als we Duvekot mogen geloven. Gelukkig helpt ze je een eind op weg met haar artikel Do’s en Don’ts voor witte bondgenoten. Nieuwsgierig als ik ben, ben ik eens in de ‘tips’ gedoken. En wat blijkt. ‘bondgenoot’ worden blijkt een hele studie.

Bron: publicdomainvectors.org

Als eerste kun je naar de site Wit Huiswerk. “Om je effectief in te zetten voor de strijd tegen racisme is het belangrijk om te weten wie je bent, wat je zelf doet en kan doen en waar je het over hebt.” Toch knap van de site dat ze je helpt te ontdekken wie je bent. Ik dacht dat ik dat al wist, maar om ‘bondgenoot’ te zijn is dat klaarblijkelijk niet voldoende. Dus maar eens even kijken wat de site te bieden heeft zodat ik mezelf kan ontdekken. Onder andere thema’s. Dat zijn er verschillende zoals Wit zijn, Privileges,  Zwarte Piet, Intersectionaliteit, en ook Witte redder complex. Daaronder  een lijst met boeken, artikelen, TED-talks. Wat opvalt is dat het meeste Engelstalig en van Amerikaanse bodem is. Dit aangevuld met vooral werk van Gloria Wekker en het boek Hallo witte mensen van Anousha Nzume en de documentaire Wit is ook een kleur van Sunny Bergman. De potentiële ‘bondgenoot’ die het Engels niet of minder machtig is, komt bedrogen uit. Die moet eerst op cursus Engels.

Om er een start mee te maken, adviseert Duvekot om de Anti-Racism checklist for Whites in te vullen. Die: “geeft je een idee van wat het inhoudt om een bondgenoot te zijn en waar jij je antiracisme wel of niet al in de praktijk brengt.” Laat ik dat advies dan maar opvolgen. Helaas weer in het Engels. Anderhalf A-viertje met vragen. Als ik de vragen zo lees kan ik de eerste pagina allemaal met JA beantwoorden. Zou ik dan een goede bondgenoot zijn? Ik vraag me alleen af hoe die vragen me en vooral de zaak verder helpen. Op de volgende pagina: “problem areas where individuals sometimes get stuck”. Ze zijn, zo lees ik: “specifically for white individuals.”  De eerste vraag is een bijzondere: “I am not clear on the labels people of color prefer to use to identify themselves.” Dat is mij inderdaad niet altijd even duidelijk. Wat mij wel duidelijk is, is hoe ik wil dat men mij labelt. Alleen begrijp ik dat de ‘activisten’ dat anders zien. In Duvekots artikel lees ik namelijk het volgende: “Zo kun je de volgende keer als iemand in je omgeving het woord ‘blank’ gebruikt vragen of diegene zich bewust is van de koloniale betekenis van het woord.” Als ‘bondgenoot’ moet ik de ‘activisten’ dus aanspreken met het label dat zij kiezen en zij spreken mij aan met een label dat zij ook kiezen. Dat voelt wat minder.

Met dat ‘mindere’ kom ik bij mijn punt. Als je wat dieper in de materie duikt, dan kom je erachter dat een goede ‘bondgenoot’ zich bewust is/moet worden van zijn ‘witte privilege’ en zich moet laten indoctrineren in het intersectioneel denken. Waarom moet een blanke die racisme wil bestrijden op les om zich het denken van Gloria Wekker en de ‘intersectionaliteit’ eigen te maken? Dit zijn voor mij heel grote belemmeringen. Zoals ik al vaker heb aangegeven rammelt er veel aan deze theorie, het denken en de historische onderbouwing ervan. Of eigenlijk is het niet de historische onderbouwing, maar de manier waarop het verleden wordt ‘herschreven’ om het eigen gelijk te onderbouwen. Waarom moet überhaupt een blanke die tegen racisme is op cursus? Zijn het dan alleen blanken die zich schuldig maken aan racisme? Ik meen me toch te herinneren dat de Hutu’s die tijdens de racistische Rwandese genocide van 1994 de Tutsi’s te lijf gingen, allebei dezelfde kleur hadden? Ook bij de racistische vervolging van de Rohingya door de boeddhistische Birmezen waren er geen blanken te bekennen. Hoe zit het trouwens met het denken dat je alleen weet wat racisme is als je ‘van kleur’ bent?

Gelukkig is een cursus, opleiding, checklist niet nodig om je te kunnen inzetten voor een samenleving waarin alle mensen gelijkwaardig zijn en gelijk worden behandeld. Daarvoor is het nodig dat je je realiseert dat ieder mens over een ander oordeelt alvorens te denken, zoals ik in Toonpolitie schreef. Je dat realiseren en dan vervolgens dat oordeel ‘zonder te denken’ gaan overdenken door echt na te denken. Mensen die in de positie zitten of er soms in komen om anderen aan een baan of stage te helpen, zijn daarbij van groot belang. Op dat niveau wordt het verschil gemaakt. Dat levert meer op dan de ‘staatscommissie’ die, zo is bij Joop te lezen, Lodewijk Asscher bepleit. Een staatscommissie die: die onderzoek doet naar en adviseert over (onbewust) aanwezige uitsluitingsmechanismes en institutioneel racisme. Bij de schooladviezen en mogelijkheden tot stapelen in het onderwijs. Het onder de loep nemen van sociale en fraudewetgeving. En wat er kan verbeteren bij de politie, jeugdzorg en andere instanties.

Uitgelicht

Slavernijwetgeving

In de Volkskrant las ik een ingezonden brief waarin Annelies de Vries het volgende schrijft: “Het kolonialisme behoort ook tot de ­Nederlandse geschiedenis, waar racisme en discriminatie vaste onderdelen van waren. De wet- en regelgeving daarvoor werd gewoon door de Nederlandse regering en het parlement in Den Haag vastgesteld, nog niet eens zo lang geleden.” Ik dacht: niet lang geleden vastgestelde slavernij bij wet? Hoe komt ze daarbij? Daarop las ik een, naar blijkt, artikel van vorig jaar van Seada Nourhussen met als titel Met deze koloniale taal stoppen we. En dacht zou het daardoor komen?

Bron: Flickr

Misschien heb ik het vorig jaar gemist en nu stond het ineens weer prominent op de site. “Ook OneWorld heeft een verantwoordelijkheid om ons eigen taalgebruik tegen het licht te houden. Taal kan beeldvorming bepalen en machtsverhoudingen ontkrachten of bevestigen. De volgende termen zijn al uit ons woordenboek geschrapt – ‘Gouden Eeuw’ stond daar niet bij, en zo zijn er vast nog meer blinde vlekken. Denk je mee?” Eronder woorden en termen die volgens OneWorld niet meer kunnen. En ja, ik denk graag mee. In dit geval over het begrip moderne slavernij. OneWorld biedt “Extreme uitbuiting en/of gedwongen arbeid als alternatief. Nu lijkt mij ‘gedwongen arbeid’ toch echt hetzelfde als slavernij. De arbeider is immers niet vrij om te kiezen de arbeid wel of niet te verrichten. De rechten van de arbeider worden ernstig beknot en laat “iemand wiens vrijheden sterk beknot zijn” nu een van de twee omschrijvingen zijn die de Van Dale geeft voor het woord slaaf. De andere is “lijfeigene die geen persoonlijke rechten heeft.” Hierop kom ik straks nog terug.

Nu eerst de reden die OneWorld geeft om het begrip moderne slavernij niet te gebruiken. We lezen: “Het kenmerk van de trans-Atlantische slavernij was dat mensen in gevangenschap onbetaald werk verrichtten, geregeld bij wet. Wat tegenwoordig moderne slavernij wordt genoemd, is wel betaalde arbeid, maar dan extreem laag gehonoreerd. Vaak zijn er ook andere omstandigheden in het spel: de arbeid is doorgaans illegaal en dus strafbaar. Dat maakt het voor nazaten van tot slaaf gemaakten een oneerlijke vergelijking met het eeuwenlange, legale systeem waaronder hun voorouders leefden.” Nu is het ‘onbetaald’ zijn niet helemaal correct. Een slaaf kreeg onderdak en te eten in ruil voor zijn arbeid. Daarin verschilt hij niet zoveel van de extreem uitgebuite negentiende-eeuwse arbeider zoals is te lezen in Kapitaal van Karl Marx. Die kreeg een karig loon dat maar net en soms niet  voldoende was om onderdak en eten te betalen. Maar, hij kon na werktijd gaan en staan waar hij wilde en kon ook een andere baas kiezen. “Maar,” om Over de muur van het Klein Orkest aan te halen: “wat is nou die vrijheid zonder huis zonder baan. Zoveel Turken in Kreuzberg die amper kunnen bestaan. Goed, je mag demonstreren maar met je rug tegen de muur. En alleen als je geld hebt, dan is de vrijheid niet duur.” Geld had hij amper genoeg om te overleven en ook de vrije tijd was zeer beperkt. Want bij werkdagen van tussen de twaalf en soms wel achttien uur per dag was er niet zoveel tijd na het werk. De tijd was amper voldoende om te slapen en weer op krachten te komen voor de volgende dag. En bij een eventueel andere werkgever was het niet zoveel beter. Ik dwaal af. Of toch niet. Het antwoord komt straks.

Oneworld heeft wel een erg beperkt beeld van slavernij: de trans-Atlantische slavernij.  Slavernij kent een lange en ‘veelkleurige’ geschiedenis. Slavernij is geen zeventiende-eeuwse uitvinding. De trans-Atlantische slavernij was een nieuwe loot aan de slavernij-stam. Voor degenen die er meer over willen weten, lees bijvoorbeeld de Prikker Romeinen, Arabieren en Hollanders. Nu was ook een van de kenmerken van die andere vormen van slavernij dat er, uitzonderingen daargelaten, gewerkt moest worden. Slaaf werd je als je aan de verliezende kant in een oorlog had gevochten. Als je dorp was geplunderd en je gevangen was genomen. Dan kon je worden verhandeld net als een koe, geit of een aardewerken pot. Of je werd als kind van slaven geboren. En dan zijn we weer bij het begrip lijfeigene, de tweede betekenis van het woord slaaf. Dat is de naam die in het feodale stelsel in Europa voor slaaf werd gebruikt. Daarnaast had je nog horigen, die hadden hun eigen huis en stukje grond maar moesten verplicht een deel van hun tijd werken voor de landheer. Werk waarvoor ze niet betaald, nog te eten kregen. Die zijn bij OneWorld helemaal buitenbeeld.

Heel bijzonder is de bewering dat slavernij bij wet geregeld was. Er is in Nederland nooit een wet geweest die regelde wie slaaf kon zijn en wie niet. Een slaaf was eigendom en eigendom was heilig. Kinderen en vrouwen waren, om dezelfde redenen, trouwens ook ‘eigendom’ van de pater familas. De enige wetten die over slavernij zijn aangenomen, zijn wetten die het absolute eigendomsrecht beperkten. Zo werd er eind achttiende eeuw een wet van kracht die de verstrekking van voedsel, kleding en rusttijden voor slaven op Curaçao regelden. De wet van 1814 die de trans- Atlantische slavenhandel verbood en de wetten waarmee in de koloniën de slavernij werd verboden en dus afgeschaft. Het is dus precies andersom. Het was niet wetgeving die slavernij mogelijk maakte, het was wetgeving die slavernij onmogelijk maakte.

In  diezelfde periode, de jaren zeventig van de negentiende eeuw en daarmee zijn we weer bij Marx, werden ook de rechten van de ‘kapitalist’ op het lijf en vooral de tijd van de arbeider beperkt. Als eerste via het zogenaamde Kinderwetje van Van Houten waarmee in 1874 de arbeid van kinderen onder twaalf jaar werd verboden. Een wet die werd gevolgd door een hele serie wetten die de ‘rechten’ van de werkgever beperkten en het leven van de arbeider verbeterden. Wetten die de arbeidstijden regelden, de lengte van de werkdag en de werkweek, de omstandigheden waaronder gewerkt moest worden en uiteindelijk zelfs medezeggenschap. Net als de slavernijwetgeving is ook de wetgeving met betrekking tot arbeid wetgeving die de rechten van ‘kapitalisten’ en dus machtigen beperkt.

Ook tegenwoordig zijn er nog voldoende mensen wiens ‘vrijheden ernstig beknot’ zijn en die dus onder de categorie ‘slaaf’ vallen. Neem de arbeiders die in Qatar de voetbalstadions voor de WK bouwen. Ze krijgen wat betaald waarvan ze kunnen leven, maar hebben verdomd weinig vrijheden. Hun paspoorten zijn ingenomen en of ze hun loon krijgen is maar zeer de vraag. Of de vrouwen die met mooie verhalen worden verleid om naar hier te komen en waarvan het paspoort wordt afgenomen waarna ze in de prostitutie te werk worden gesteld. Dit om maar twee voorbeelden te noemen van wat ik toch echt gewoon bij de naam noem: moderne slavernij. Of beter nog, laat het woord modern weg: slavernij!

Uitgelicht

Toonpolitie

“‘White silence is violence’ scanderen wit en zwart op dit moment tijdens de protesten in Amerika. En ik ben het met ze eens. De structurele oppressie van onze identiteit en onze mensheid kan enkel gebeuren omdat het gros van onze medelanders zich stilhoudt en zich vaak opwerpt als verdedigers van het systeem door te fungeren als toonpolitie tegen hen die zich uitspreken tegen structurele discriminatie.” De op één na laatste alinea van een artikel van Karim Bettache bij Joop waarop ik straks terug kom. Eerst even het betoog van Bettache.

Bron: WikipediaCommons

Bij het lezen van zijn artikel ontstaat een beeld van Nederland als een in en in racistisch land dat andere culturen onderdrukt: “Je gaat de onderdrukking pas zien wanneer je de ogen daadwerkelijk opent, daar ons cultureel systeem bijzonder effectief is om de eigen onderdrukking in de geesten van ons allen te indoctrineren.” En iets verder op: “Bijna twee miljoen mensen in Nederland leven in een dergelijke identiteit en hebben elke dag te maken met een cultuur die vijandig staat ten opzichte van hun menszijn, hun ‘ik’. En ik bedoel dan niet de bewuste vijandigheid van een rechtsextremistische politicus of een neonazi, maar de heimelijke, geniepige vijandigheid die als een altijd aanwezige auto-immuun ziekte langzaam de integriteit van je lichaam van binnenuit aanvreet.” En: “we hebben er in Nederland een handje van naar anderen te wijzen waar het racisme betreft maar, op een paar vreselijke landen na, is er bijna geen ander land in het Westen waar zo ongegeneerd minderwaardig gesproken wordt over etnische minderheden in de publieke ruimte, gevolgd door een pijnlijke stilte van de witte meerderheid.” En de oorzaak hiervan:  “Zo’n vierhonderd jaar geleden hebben onze voorouders besloten de hele buiten-Europese wereld leeg te roven, te misbruiken en hun mensheid tot irrelevant te verklaren om daar vervolgens een heel systeem van waardige versus onwaardige mensen op te stoelen.”  

Over het historische gehalte van deze laatste passage schreef ik al eerder een Prikker met als titel Europese ‘Risk opdracht’. Nu naar de passage waarmee ik begon. Met zo’n beschrijving van Nederland vraag je je af waarom mensen überhaupt naar Nederland zouden willen vluchten, zoals er zovelen doen. Waarom zou je je immers blootstellen aan ‘indoctrinatie van je geest met de eigen onderdrukking’? Waarom je blootstellen aan een cultuur die ‘vijandig staat ten opzichte van hun mens zijn? Of zou er iets niet kloppen aan Bettache’s beschrijving van ‘het culturele systeem’ in Nederland?

Dat in Nederland niet alles ‘perfect’ is en soms zelfs verre van dat, staat buiten kijf. Dat het voor mensen met een minder lange geschiedenis in dit land, lastiger is om een plek te verwerven, staat ook buiten kijf. Betacche: “Op het VWO behoorden mijn resultaten tot de top, toch werd mijn kunnen altijd in twijfel getrokken door de leraren.” Wellicht tot verbazing van de heer Bettache, maar tot nog niet zolang geleden werden de schoolprestaties van arbeiderskinderen steevast in twijfel getrokken: ‘de mavo of lts lijkt mij passend voor uw kind’ kreeg menigeen van hen te horen aan het einde van de lagere school, zoals de basisschool toen heette. Dit terwijl een kind van de notaris met eenzelfde cijferlijst een vwo-advies kreeg. Arbeiderskinderen waren toen de ‘nieuwkomers’. En zo ervaren alle ‘nieuwkomers’ problemen met het zich, om de term van premier Rutte te gebruiken, invechten in de samenleving.

Dat Nederlanders, net als trouwens iedere andere menselijke bewoner van deze planeet, oordelen over anderen staat buiten kijf. Maar dat dit een gevolg is van het door Bettache beschreven ‘cultureel systeem’?  Zou het niet veeleer een nu hinderlijk gevolg zijn van onze geschiedenis als mens? Zou dat oordelen niet een hele lange geschiedenis hebben? Was het millennia lang niet onontbeerlijk voor het overleven van onze voorvaderen? Het was voor de jager- verzamelaars nodig om gevaar te detecteren: ‘is deze persoon of groep een gevaar voor mij en mijn groep?’ Dat moest heel snel gebeuren omdat treuzelen je dood kon betekenen. En bij dat snel beoordelen keken we, en dat doen we nu nog steeds, onbewust naar overeenkomsten maar vooral naar verschillen. Hoe meer verschillen, hoe meer gevaar. Millennia lang zo denken heeft gezorgd voor keuzes op basis van ‘vooroordelen’. Heel menselijk gedrag dat ons al die tijd heeft laten overleven maar dat in ons huidig tijdsgewricht, waarin er in een land als Nederland mensen wonen, leven en willen werken afkomstig uit alle landen en delen van de wereld, hindert en tot ongewenste gevolgen leidt. Dan moeten ze samen toch iets en dan wordt dat oude ‘overlevingsgedrag’ hinderlijk. Dat leidt ertoe dat: “wanneer je witte ruimtes binnenstapt zoals bepaalde cafés en restaurants en je de blikken op je rug voelt branden,” om een voorbeeld dat Bettache noemt, aan te halen. Een gevoel dat ook ik heb wel eens heb als ik ‘ruimtes’ binnenstap waarin ik weinig van mezelf herken.

Dan moeten we, zoals Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman het in zijn boek Ons feilbare denken noemt, van systeem 1 naar systeem 2 denken. “Systeem 1 werkt automatisch en snel, met weinig of geen inspanning en geen gevoel van controle.” Het systeem dat het overgrote deel van het werk voor ons mensen doet. Zonder deze manier van denken zouden we niets gedaan krijgen. Het systeem dat gevaar detecteert en dat onbewust onze houding jegens anderen bepaalt: vriend of vijand! Als we ons realiseren dat we volgens dit patroon mensen beoordelen dan kunnen we het veranderen en voor dat veranderen, hebben we systeem 2 nodig. “Systeem 2 omvat bewuste aandacht voor de mentale inspanningen die worden verricht, waaronder ingewikkelde berekeningen. De werking van systeem 2 wordt vaak gekoppeld aan de subjectieve ervaring van handelingsvermogen, keuze en concentratie.”  Systeem 2 kost tijd en moeite en dat is wat er nodig is om die eerste, onbewuste indruk over iemand op basis van systeem 1, ter discussie te stellen.  

Dit ‘jager- verzamelaargedrag’ om het zo te noemen wordt tegenwoordig door sommigen ook ‘institutioneel racisme’ genoemd. Ik vraag me af of die benaming helpt bij het aanpakken van dit gedrag. Door die naam eraan te geven, krijgt degene die het gedrag vertoont het gevoel van racisme te worden beschuldigd en daarin zal hij of zij zich niet herkennen. En dat gaat weer belemmeren in het voeren van het gesprek over de gevolgen van dat gedrag. Het wordt dan een gesprek met als thema ‘ik ben geen racist’ terwijl het eigenlijk moet gaan over de ongewenste gevolgen van dit ‘jager- verzamelaargedrag’.

Als dit mij de kwalificatie ‘toonpolitie’ en daarmee verdediger van ‘het systeem’ oplevert, het zij zo. Maar op de toon en vooral de inhoud van Bettache’s betoog is, zoals ik hierboven schreef, nogal wat aan te merken. Die toon en inhoud richten de aandacht op het verkeerde en dat is jammer.

Uitgelicht

‘Intersectionele blik’

Onze lezers wezen ons erop dat een intersectionele blik in dit stuk ontbreekt.”  De eerste zin in een ‘noot van de redactie’ bij een artikel van Amanda Govers op de site OneWorld. Govers, zelf veganist, pleit in haar artikel voor een meer plantaardig dieet. Zij ziet: “verontrustende dieetadviezen voorbijkomen. In de strijd tegen het virus leggen sommige diëtisten sterk de nadruk op het eten van dierlijke producten.” In haar pleidooi ontbreekt dus de ‘intersectionele blik’.  

Bron: WikimediaCommons

Intersectionaliteit, ik schreef er al eerder over, is: “a theoretical framework for understanding how aspects of one’s social and political identities (gender, race, class, sexuality, ability, height etc.) might combine to create unique modes of discrimination.” Zo is te lezen op Wikipedia. Dus om discriminatie van iemand of een groep goed te kunnen beoordelen, moet je kijken naar verschillende aspecten van iemands identiteit. Iemands identiteit wordt zo bepaald door de persoon eerst in stukken te hakken in verschillende aspecten en hem vervolgens vanuit een beoordeling van die aspecten weer op te bouwen. Nu vraag ik mij af wat een ‘intersectionele blik’ is op het dieetadvies dat Govers geeft.

Op zoek naar een antwoord, stuitte ik op een vlog van Govers waarin zij haar verbazing over deze passage uit. Oneworld beschuldigt haar van validisme. Validisme staat niet in de digitale Van Dale en op Wikipedia is te lezen dat het een term is die wordt: “gebruikt voor de discriminatie, marginalisering en stigmatisering van mensen met een functiebeperking op grond van hun lichamelijke en/of verstandelijke gesteldheid.” Govers, om het cru te zeggen, discrimineert mensen omdat, zo betoogt Oneworld: “een (volledig) plantaardig eetpatroon niet voor iedereen is weggelegd (om welke reden dan ook), voor het feit dat je geen volledige controle kunt hebben over je eigen gezondheid en voor het feit dat dik-zijn en gezondheid niet onlosmakelijk verbonden zijn.”  Of dat zo is en of hoe goed veganisme is, daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om de ‘intersectionele blik’

Laten we de intersectionele blik’ eens tot in haar uiterste consequenties doordenken’. Een van de aspecten waar, volgens het intersectionalisme naar moet worden gekeken is een functiebeperking. In ieder artikel moet worden gekeken door de bril van mensen met een functiebeperking.  Nu zijn er nogal wat functies die beperkt kunnen zijn. Bovendien kunnen ze ook op verschillende manieren beperkt zijn. Zo is een laag IQ een beperking en kan een hoog IQ dat ook zijn. Maar beperking van een functie is niet het enige ‘aspect’ waarnaar moet worden gekeken. We hebben ook nog sekse, gender, huidskleur. En die huidskleur heb je in heel veel verschillende tinten. Maar ook daar houdt het niet op. Want er is ook nog religie of het ontbreken daarvan, nationaliteit en cultuur. En natuurlijk zijn we er met nationaliteit en cultuur ook nog niet. Een Fries is immers ‘heel anders’ dan een Limburger en de Friese cultuur is heel anders dan de Limburgse. En nu we het over de Limburgse cultuur hebben, is die in Venlo niet ook anders dan in Maastricht en Heerlen? En ook wat religie betreft zijn de oorlogen tussen verschillende sektes van eenzelfde geloof het meest dodelijk gebleken. Neem sjiieten en de soennieten en in onze contreien de katholieken en protestanten.

Als we doorgaan met het zoeken naar kruispunten (intersecties) van aspecten komen we uiteindelijk bij het individu uit. Govers stuk over een  plantaardig dieet en het veganisme voldoet dan pas aan de intersectionele blik als iedere individuele potentiële lezer op de persoonlijke maat toegesneden, wordt aangesproken. Dat lijkt met erg lastig schrijven.

Uitgelicht

Doodlopende weg

De Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BOA) staat de laatste tijd flink in het nieuws. Van hen wordt verwacht dat ze de nogal onduidelijke corona-regels in de openbare ruimte handhaven. Daarbij worden ze weleens agressief en met geweld benaderd en daarom pleiten ze voor betere ‘bewapening’. Volgens Ozair Hamid bij De Dagelijkse Standaard is het een ‘multi-cultureel probleem’: “aan de veronderstelling dat elke cultuur gelijkwaardig is – en daarmee dat er geen moreel inferieure cultuur bestaat.” Of dat zo is, daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om de volgende passage: “Er is immers een duidelijke correlatie tussen afkomst en gedrag, maar het blijven individuen binnen een collectief die de misdaden plegen.” 

Bron: Wikipedia

Hamid baseert zich hierbij op een rapport van het CBS: “met daarin de gegevens van allochtonen in de strafrechtketen. De gegevens spreken helaas voor zich: de kans dat een Marokkaanse Nederlander wordt vervolgd door het OM is 5,5x zo groot ten opzichte van een vervolging van een autochtoon door het OM.” Vandaar die correlatie. Een correlatie is, volgens de Vandale een: “wederzijdse relatie, onderlinge afhankelijkheid.” Een statisticus, en dat is het CBS, zal aanvullen dat er een statistische samenhang is tussen de twee zaken maar dat dit niet hoeft te betekenen dat er sprake is van causaliteit, een: “oorzakelijk verband.”

Voordat ik verder ga met Hamids correlatie even een voorbeeld ter verduidelijking van causaliteit en correlatie. We zitten weer in de warme periode van het jaar. In die periode zien we dat de consumptie van ijsjes toeneemt. Tegelijkertijd zul je ook zien dat het aantal doden door verdrinking stijgt, in een normaal jaar tenminste. Of dit in dit corona-jaar ook zo is, weten we pas aan het eind van het jaar. Er is een correlatie tussen de consumptie van ijsjes en dood door verdrinking. ‘Verbied het eten van ijsjes, dan verdrinken er minder mensen’ is dan een eerste snelle reactie. Helaas zal dat geen effect hebben omdat er geen causaal verband is tussen de consumptie van ijsjes en de sterfte door verdrinking. IJs eten en zwemmen zijn gewoon twee activiteiten die je doet als het warm is en met het verbieden van ijsjes gaan we niet minder zwemmen. Het wordt er niet kouder door.

Hamid zegt het goed, er is sprake van correlatie maar in zijn betoog gaat hij uit van causaliteit. Hamid: “Te constateren valt wel dat gedrag inherent is aan cultuur.” Het criminele gedrag van Marokkanen is ‘cultureel bepaald: “De Arabische cultuur, die overheerst in deze kringen, is verre van Westers. Van huis uit wordt geweld niet geschuwd, en wordt de minderwaardige positie van vrouwen, homo’s e.d. vaak in praktijk gebracht door middel van de rolverdeling in het huishouden.” Die cultuur is, als we Hamid mogen geloven, inferieur en omdat ‘we’ dat niet inzien, ontstaan de problemen.

Nu is het CBS een goede gegevensbron. Je kunt er bijvoorbeeld ook vinden dat mensen met, zoals ze dat daar zeggen, een niet-westerse achtergrond een drie keer zo grote kans hebben op werkloosheid. Dat hun huishoudinkomen 28% lager is dan dat van Nederlanders. Ook kun je er vinden dat uitkeringsgerechtigden en mensen zonder inkomen goed zijn voor bijna 40% van alle ingeschreven rechtbankstrafzaken. Dat mensen onder de 25 jaar goed zijn voor 35% van dat aantal zaken. Ook kun je er vinden dat in die leeftijdscategorie het percentage mensen met een bijvoorbeeld Marokkaanse of Turkse migratieachtergrond veel hoger is dan hun aandeel in de totale bevolking. Als je verder zoekt, vind je ook dat het schooladvies dat kinderen van deze groep aan het einde van de basisschool krijgen, lager is. Dat ze oververtegenwoordigd zijn in de lagere vmbo-niveaus en ondervertegenwoordigd op vooral het vwo-niveau. 

Als je verder zoekt dan kun je vast ook vinden dat ze meer in achterstandswijken wonen, dat mensen uit achterstandswijken oververtegenwoordigd zijn in strafrechtszaken. Allemaal cijfers waartussen je correlaties kunt leggen. Vervolgens kun je je de vraag stellen wat is de oorzaak en wat het gevolg? Is die hogere werkloosheid een gevolg van het niet-westers zijn en vervolgens van de ‘… cultuur’ die inferieur is? Dat het wel goed komt als we die ‘… cultuur’ maar ‘uit de mensen slaan’ en hen verplichten om de ‘Nederlandse cultuur’ aan te nemen? Al vraag ik me dan af wat die Nederlandse cultuur is. Ik vrees dat dit een letterlijk en figuurlijk doodlopende weg is.