Uitgelicht

Eerlijk zullen we alles delen

Het wil niet zo erg vlotten met het plaatsten van windturbines of velden met zonnepanelen voor de opwekking van stroom. Plannen daartoe roepen vaak bezwaren op van omwonenden. Die zien of vinden dat de waarde van hun huis en/of het woongenot vermindert door de turbine of het veld met panelen. Als bezitter van onroerend goed dat in waarde daalt, kun je planschade claimen een huurder heeft die mogelijkheid niet. Die ondervindt alleen de lasten. Om daar wat aan te doen pleiten Jan Daenen en Siebren Buist, twee Gelderse PvdA’ers, voor: “een nieuwe ruimere juridische definitie van eigendom.”  Een definitie waarbij: “niet-eigenaren ook (…) in aanmerking (moeten) komen voor planschadevergoeding. Dat kan positief uitpakken doordat alle omwonenden persoonlijk financieel belang gaan krijgen bij de broodnodige ontwikkelingen van zonneweides en windmolens.”  Laten we dit idee eens wat verder bestuderen.

Inderdaad kun je planschade claimen als de waarde van je onroerend goed vermindert door een wijziging in een bestemmingsplan. Die schade dien je te claimen bij de verantwoordelijke gemeente op het moment dat het bestemmingsplan wordt gewijzigd. Dat kan alleen als de schade niet te voorzien was op het moment dat het goed werd gekocht. Als de plannen op het moment van de koop al in ontwikkeling waren of al bekend was dat ze ontwikkeld zouden worden, kan geen schade worden geclaimd. En ik kan me zomaar voorstellen dat je huis minder waard wordt als ernaast een weide met zonnepanelen wordt aangelegd. En inderdaad, planschade kan alleen worden geclaimd door eigenaren van onroerend goed.

Als huurder kun je dat niet. Ja, je kunt verhuizen, maar dat blijkt in de praktijk lastig, zo betogen de auteurs: “De woningmarkt zit, als gevolg van beroerd overheidsbeleid, muurvast. Tevens zijn huurders vaak voor hun werk en maatschappelijke bijdrage bij bijvoorbeeld lokale verenigingen wel degelijk verbonden aan hun woonplek. Ze zijn in feite dus grondgebonden, zonder dat ze aanspraak kunnen maken op de rechten die bij die grond horen.”  Dus de huurder is de Sjaak, zo betogen de auteurs. Die krijgt geen ‘lusten’ om zijn toegenomen ‘lasten’ te compenseren.

De medaille van de beide auteurs kent echter ook een andere kant. Stel ik wil mijn grond laten verwilderen, ik wil het omvormen tot natuurgebied. De gemeente vindt het een prachtig idee en wijzigt de bestemming in natuurgebied. De betreffende grond verliest daardoor een flink deel van de waarde. Boerenland is al snel € 6,- per vierkante meter waard terwijl natuurgebied slechts  € 1,- waard is. Daar blijft het niet bij, ook mijn opbrengst gaat fors achteruit. Het zou echter zomaar kunnen de waarde van het omliggende onroerend goed stijgt en dus ook het ‘woonplezier’ van eventuele huurders. Als die in de lusten van mijn windmolen moeten delen dan is het niet meer dan rechtvaardig om mij mee te laten delen in de lusten die zij ervaren van mijn besluit om mijn land te laten verwilderen. Het lijkt mij dan niet meer dan logisch om die bredere definitie van eigendom dan ook werkelijk tweerichtingsverkeer te maken zodat ik compensatie ontvang voor mijn vermogens- en inkomensverlies.

Wat betekent het invoeren van het voorstel van de beide auteurs? De beide auteurs willen met een nieuwe definitie: “participatie in alle gevallen afdwingbaar maken,” zodat de omwonenden niet meer: “krampachtig moeten hopen op de goodwill van de investeerder of gemeente zoals het nu vaak gaat.” Zou je dit werkelijk bereiken met een ‘ruimere definitie van eigendom’? Nu is participatie voor mij iets anders dan het indienen van een schadeclaim. Participeren is meer dan het indienen van een ‘rekening’. Dit even terzijde. Betekent het voorstel van de beide PvdA’ers niet dat de initiatiefnemer van een turbine of veld met zonnepanelen dubbel planschade moet betalen? Immers naast de eigenaar van het onroerend goed meldt ook de gebruiker (de huurder) zich om ‘schade’ te claimen.

Om huurders te compenseren voor planschade hoeft het eigendomsrecht niet te worden aangepast. Wat de beide auteurs vergeten, is dat de huurder iemand anders kan aanspreken. De huurder kan zijn verhuurder aanspreken. Dat is de persoon waar de huurder een deel van de planschade kan claimen. Niet in de vorm van een bedrag ineens, maar in de vorm van een huurverlaging. De huur van sociale huurwoningen wordt mede bepaald aan de hand van de WOZ waarde en die zal dalen door de plaatsing van de windmolen of het veld met zonnepanelen. Huur je in de vrije sector dan is het wat lastiger maar ook dan is vragen om huurverlaging de weg om je schade te claimen. Als de verhuurder hier niet gevoelig voor is, dan staat de gang naar de rechter open. Geen garantie op succes, maar dat is nu wel de weg. Mochten de beide auteurs het succes wel willen garanderen dan zou ik ze aanbevelen om het huurrecht aan te passen.

Uitgelicht

Bezettingsrecht

Deel zoveel van het ‘Israëlisch Palestijns’ gebed zonder einde is deze week weer begonnen. Er vallen weer raketten op Israël en de Gazastrook. Nee, ik ga hier niet dit hele conflict uitdiepen. Het gaat mij om de uitspraak van onze demissionaire premier Mark Rutte: “Ik ben zeer bezorgd over het aanhoudend geweld in Israël en Gaza. Het is onacceptabel dat Hamas willekeurig raketten op de burgerbevolking afvuurt. Nederland steunt het recht van Israël op zelfverdediging, binnen de grenzen van het internationale recht en proportionaliteit.”  En dan vooral om het gebruik van het woord zelfverdediging. Is er sprake van zelfverdediging?

File:Gazastrook Nederlandstalige kaart.svg - Wikimedia Commons
Bron: WikimediaCommons

Ja, ben je geneigd te zeggen. Er vallen immers vanuit de Gazastrook afgeschoten raketten op Israël en die beschadigen gebouwen en erger, doden mensen. Laten we dat internationale recht er eens bijhalen. Het recht tot zelfverdediging is opgenomen in artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties: “Geen enkele bepaling van dit Handvest doet afbreuk aan het inherente recht tot individuele of collectieve zelfverdediging in geval van een gewapende aanval tegen een Lid van de Verenigde Naties,” zo begint het artikel. Israël, is lid, wordt aangevallen en dus heeft het land het recht om zich te verdediging. Zaak gesloten niet meer over het recht praten, alleen over de proportionaliteit. Dat gaat mij echter iets te snel.

Het Handvest is een verdrag gesloten tussen staten en gaat er vanuit dat de agressor een andere staat is. De raketten worden, afgezien van enkele vanuit Libanon, afgeschoten vanuit de Gazastrook. De Gazastrook is 465 vierkante kilometer groot, dat zijn er vijftig meer dan Vlieland groot is. Op Vlieland wonen nog geen 1.200 mensen, in de Gazastrook meer dan 2 miljoen. Dat betekent dat er op iedere vierkante kilometer iets meer dan 4.300 mensen wonen. Dat is acht keer zoveel dan er op een gemiddelde vierkante kilometer in Nederland wonen. Ondanks al deze cijfers, is de Gazastrook geen staat. Het gebied werd in 1967 door Israël bezet en dat wordt het nu de facto nog steeds. Daar doet het gegeven dat Israël in 2005 haar troepen uit het gebied terugtrok en het bestuur ervan overdroeg aan de Palestijnse Autoriteit niets aan af. Ook die Palestijnse Autoriteit is geen staat.

De Gazastrook is, om het cru te zeggen, een openluchtgevangenis. Het bestuur van de Gazastrook heeft geen zeggenschap over haar eigen grenzen, die worden door Israël gecontroleerd en bewaakt. Ze heeft geen zeggenschap over de zee waaraan zij ligt, ook die wordt door Israël gecontroleerd. Ze heeft geen zeggenschap over haar luchtruim, ook dat wordt door Israël gecontroleerd. Het is een openluchtgevangenis waarbij de directie (Israël) de dagelijkse gang van zaken in de gevangenis heeft overgelaten aan de in de rivaliserende bendes in de gevangenis en waarvan Israël de toevoer van water, voedsel, medicijnen et cetera beheerst.

Een openluchtgevangenis die door Israël en haar bondgenoten wordt voorgeschoteld als een soort ‘staat’. Een openluchtgevangenis waar Israël de ‘gevangenen’ in hun sop laat gaarkoken en waar het zich alleen maar mee bemoeit als er gevangenen dreigen uit te breken of als ze het leven van de gevangenisdirecteur lastig maken.

Aangezien het bezet gebied is, is het bezettingsrecht van toepassing. Het bezettingsrecht verplicht de bezetter om de openbare orde te verzekeren en het leven, eigendom, eer, gezinsrecht en godsdienst van de bevolking te eerbiedigen. Ik vraag me af of bombardementen een legitiem middel zijn die een bezetter mag gebruiken om de openbare orde te verzekeren. Het bezettingsrecht verbiedt represailles tegen bevolkingen na handelingen waarvoor zij niet in hun geheel hoofdelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden. Zijn bombardementen niet te willekeurig en wordt de bevolking van Gaza hier niet in hun geheel gestraft?

En in de Nederlandse context, neemt Rutte geen loopje met het internationale recht?

Uitgelicht

Rechten voor de natuur

“De beste van alle mogelijke werelden is geen wereld waarin we zouden kunnen leven, want het begrip menselijke vrijheid veronderstelt beperkingen. Vrij handelen betekent handelen zonder voldoende kennis of macht, dat wil zeggen zonder alwetendheid of almacht.[1] Een passage uit het boek Het kwaad in het moderne denken van de filosoof Susan Neiman. Ik moest hieraan denken toen ik bij De Correspondent een artikel van Jessica den Outer las. Den Outer pleit voor rechten voor de natuur.

Amazon Rainforest | Aerial view of the Amazon Rainforest, ne… | Flickr
Bron: Flickr

Niet voor natuurrechten (H)et idee dat voor iedereen, ongeacht plaats of tijd, rechten gelden omdat ze door de ‘natuur’ zijn gegeven. Natuurrechten zijn aangeboren en onvervreemdbaar. Het natuurrecht wordt onderscheiden van positief recht, dat door nationale wetgevers wordt gemaakt en uitgevoerd.” Zoals Amnesty International het begrip natuurrecht omschrijft. Natuurrechten zijn een oud begrip. De oude Griekse filosofen spraken al over die ‘onveranderlijke rechtsregels’ die de mens van nature had. Rechten die het christendom als door god gegeven zag. Nee, voor rechten voor de natuur en niet alleen voor dieren, maar ook voor rivieren, bossen enzovoort. Hiermee moet de antropocentrische wereld worden beëindigd. De wereld waaraan de mens de doorslag geeft. Rechten voor de natuur is wat anders dan onze huidige milieuwetgeving want bij die wetgeving is, zo betoogt Outer: “de mens, als middelpunt van het bestaan, (…) het uitgangspunt van wet- en regelgeving. Dit uitgangspunt heeft ertoe geleid dat wij de natuur beschouwen als ons eigendom: iets wat we kunnen uitbuiten voor menselijk gewin. Wij, de mens, hebben als eigenaar onbeperkte macht over de natuur.” Door ook de natuur rechten te geven zou de mens van de troon worden gestoten waarop hij zichzelf heeft geplaatst.

Ik moest aan Neiman denken omdat zij in haar boek de deconfiture van God beschrijft. Of om het anders te zeggen, het plaatsen van de mens op de oude troon van god. De mens kreeg hiermee, zo betoogt Neiman, een steeds grotere verantwoordelijkheid voor het kwaad in deze wereld. Voor de moderne tijd was er maar één soort kwaad: alle kwaad was een straf van God of de uitvoering van de wil van God. God kende het grote plan en of het nu een aardbeving of een oorlog betrof, God had er een plan mee. Erg handig zo’n ‘imaginair construct’ dat alles verklaart. Zonder God moet er een andere oorzaak voor het kwaad zijn en als zijn plaatsvervanger moest dat wel de mens worden. Met de vrijheid, om het citaat waarmee ik begon aan te halen, komt immers ook verantwoordelijkheid. Nu kun je dat bij misdaden, moorden, oorlog en alle andere zaken waar de mens handelend optreedt goed volhouden. Bij een aardbeving of een orkaan wordt dat anders. De moderne denkers splitsten het kwaad daarom in tweeën. Aan de ene kant het morele kwaad waar de menselijke hand duidelijk een rol speelt. En aan de andere kant het natuurlijke kwaad van bijvoorbeeld de aardbevingen en orkanen. Alhoewel de mens tegenwoordig, via de door uitstoot van kooldioxide veroorzaakte opwarming van de aarde, ook al een hand heeft in die laatste.

Daarmee kom ik bij het artikel van Outer. Volgens Outer zit de mens hoog op zijn troon. Zij wil meer evenwicht in de wereld. Die is nu ‘antropocentrisch’ omdat wij: “als eigenaar onbeperkte macht over de natuur,” hebben. Outer pleit voor een ecocentrische benadering: “de overtuiging dat de mens deel uitmaakt van de aardse gemeenschap en leeft in een systeem van onderlinge afhankelijkheid. … In de ecocentrische benadering is de intrinsieke waarde van al het leven essentieel. Een opvatting die leeft bij verschillende inheemse volkeren. De natuur heeft waarde, simpelweg ‘omdat ze bestaat’. Je neemt verantwoordelijkheid voor je band met de natuur en denkt bij de keuzes die je maakt aan de belangen van alle vormen van leven en van toekomstige generaties.” Daarom wil zij de natuur rechten geven, net zoals de mens rechten heeft.

Hoe zou dat moeten? Als natuur een rechtspersoon is dan: “geniet ze een onafhankelijke juridische status die beschermd moet worden – en zo krijgt ze een stem in onze samenleving.” Die rechten moeten worden erkend door rechters of via de politiek. Daarbij kan het gaan om: “de natuur in het algemeen of om concrete entiteiten zoals rivieren, bossen of bergen, die rechten of eigen rechtspersoonlijkheid krijgen.” Zodat zij wordt meegenomen bij alle beslissingen die haar welzijn aangaan. Daarbij moeten: “Menselijke voogden (…) ervoor (zorgen) dat deze rechten worden gewaarborgd en nageleefd. In het ergste geval kunnen zij een rechtszaak aanspannen namens de natuur, zoals een voogd dat voor een kind kan doen.”

Dat de natuur waarde heeft omdat ze bestaat, staat voor mij buiten kijf. Net zoals het voor mij buiten kijf staat dat de mens geen eigenaar is van de wereld. En daarmee kom ik op mijn bedenkingen bij de rechten voor de natuur. Outer wil ‘de mens van de troon halen die hij, zoals Neiman laat zien, van God heeft overgenomen. Zij wil van de huidige antropocentrische naar een ecocentristische wereld. Maar hoe ‘intrinsiek’ is de waarde van natuur als ze rechten van de mens moet krijgen om gewaardeerd te worden? Hoe ecocentrisch is het als de mens die rechten moet toekennen? Hoe ecocentrisch is het om de mens de stem en voogd te laten zijn voor de natuur?


[1] Susan Neiman,  Het kwaad in het moderne denken, pagina 120

Wendbare democratie

“In een land van minderheden zijn coalities levensnoodzaak. Willen partijen met vaak tegengestelde opvattingen op allerlei punten kunnen samenwerken, dan moet iedereen water bij de wijn doen. Compromissen zijn onvermijdelijk en vergen veel woorden.” Dit is het antwoord van Marc Chavannes bij De Correspondent op de vraag waarom we in Nederland regeerakkoorden hebben. Volgens Chavannes is: “de invloed van het volk op de inhoud van regeerakkoorden (…) reëel en verdedigbaar, maar niet bijster groot en allerminst direct.”  Een antwoord met een kern van waarheid, Kunnen we ons ‘land van minderheden’ ook anders besturen?

File:Nederlandse Democratie v1.0.png
Ons huidige 170 jaar ouder staatsbestel. Bron: WikimediaCommons

Eerst even terug in de tijd. Onze Grondwet stamt uit een tijd waarin het gros van het volk nog niet mocht stemmen. Om te kunnen stemmen moest je voldoende belasting betalen. Als je ’s morgens om 8 uur in Amsterdam vertrok dan mocht je hopen om voor vijven in Utrecht aan te komen. Onderwijs, zelfs de lagere school, was voor het gros van de jeugd niet weggelegd. De gemiddelde levensverwachting van de man lag toen rond de 38 en voor vrouwen rond de 40. Vrouwen werden ook toen al ouder. Gemiddeld want als je geboren werd, was de kans groot dat je de twintig niet haalde. Sterker nog, 3 op de tien baby’s haalden het eerste levensjaar niet.

Ons huidige politieke stelsel stamt uit 1848. Toen werd de huidige Grondwet met daarin onze parlementaire democratie, opgesteld onder leiding van de liberaal Johan Rudolph Thorbecke. Nu werd er al veel langer gepoogd om de toen geldende Grondwet te wijzigen maar dat stuitte steeds op verzet van koning Willem II die bang was dat zijn macht werd ingeperkt. In 1848 lukte het. In dat jaar stond de Europese orde die na de nederlaag van Napoleon was ontstaan, onder zeer grote druk van opstandige volkeren die de macht eisten. Bang om zijn positie en wellicht zijn hoofd te verliezen, accepteerde Willem II in 1848 de huidige Grondwet die het koningschap symbolisch maakte. Daarom werd hij, zoals hij het zelf gezegd schijnt te hebben, in één nacht van conservatief tot liberaal.

Dat ‘volk’ dat de macht moest krijgen, bestond echter vooral uit de gegoede burgerij, niet uit de keuterboer of de glasblazer in de glasfabriek, die betaalden geen of te weinig belasting om te mogen stemmen. Onze democratie is niet opgezet om het gehele volk de macht te geven. Ze is opgezet om de machtigen, die gegoede burgerij, de macht te laten krijgen en behouden. Te krijgen van de koning die tot dan naar eigen goeddunken ministers benoemde. die macht moest worden gebroken en dat deed Thorbecke door die macht bij naar het parlement te trekken waarin die gegoede burgerij was vertegenwoordigd. Die indirecte manier paste bij die tijd omdat de belangen van ‘het volk’ niet zoveel uiteenliepen. Geen dictatuur van het proletariaat, waar Marx in die tijd voor pleitte, maar een ‘dictatuur van de fabrieksdirecteuren’.    

Nu zijn we 150 jaar verder. Hebben we algemeen kiesrecht. Rijdt er om de 10 minuten een trein van Amsterdam naar Utrecht die er een halfuurtje over doet. En via Zoom of Teams doe je er maar een paar seconden over om iemand aan de andere kant van de wereld in de ogen te kunnen kijken. Nu is ongeveer 40% van de bevolking hoger opgeleid. En zitten we nog steeds met een systeem dat het een kleine groep mogelijk maakt om door een meerderheid gewenste veranderingen tegen te houden. Je hoeft alleen maar onmisbaar te zijn om een regering te vormen.

Als we werkelijk transparantie willen met betrekking tot het regeerakkoord, dan moeten we de regering kiezen op basis van een programma. Of beter gezegd, de premier en die moet een meerderheid van de kiezers achter zich hebben. Dan weten we wat we na de verkiezingen kunnen verwachten omdat er voor de verkiezingen is ‘geformeerd’. Op deze manier wordt er op open en transparante manier met grote betrokkenheid van de kiezers, een meerderheid gecreëerd in dit land van minderheden.

Alleen moeten we daarvoor de Grondwet veranderen. En de Grondwet veranderen is nog lastiger. Dat moet volgens een procedure die het bijna onmogelijk maakt om er iets wezenlijks aan te veranderen. Twee keer behandelen in de Tweede Kamer, eerst met een normale meerderheid en na verkiezingen met een twee derde meerderheid. Met een dergelijke procedure is het wijzigen van bijvoorbeeld artikel 23 onmogelijk. Daarom hangen we nog aan een 170 jaar oud bestel vast. Tijd voor een Grondwetgevende vergadering om te komen tot een bij de huidige tijd passende Grondwet. Dan kunnen we daar meteen in opnemen dat er iedere 25 jaar zo’n Grondwetgevende vergadering wordt gehouden. Dat geeft iedere generatie de kans om de bestuurlijke orde aan te passen aan de eisen van de tijd. Zo maken we onze democratie veel wendbaarder dan zij nu is.

Grondwetgevende vergadering

 “En als ze dan toch bezig zijn, kunnen ze meteen ook eens kijken of ze het systeem niet zo kunnen veranderen dat het polarisatie straft in plaats van beloond.” Met die woorden eindigde een vorige Prikker. In die Prikker gaf ik een historische context bij de huidige situatie van de tot op het bot verdeelde en gepolariseerde Verenigde Staten en een politiek systeem dat dit niet lijkt te kunnen keren. Sterker nog, dat eronder lijkt te bezwijken. Na het schrijven van die Prikker vroeg ik me af hoe de situatie in Nederland is.

Grondwet Foto's - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Als we kijken naar onze politieke instellingen, dan zijn die meer dan 170 jaar oud. Ze zijn nog steeds gebaseerd op de Grondwet opgesteld in 1848. De laatste ingrijpende wijziging die de positie van de koning ceremonieel maakte. Op die Grondwet is ons politieke bestel gebouwd. Een bestel met een gekozen volksvertegenwoordiging de Staten Generaal die bestaat uit twee kamers. De Eerste Kamer wordt getrapt gekozen door de leden van de provinciale staten en de Tweede Kamer waarvan de leden rechtstreeks worden gekozen door de bevolking. De Volksvertegenwoordiging heeft de wetgevende macht en controleert de uitvoerende macht, de regering. De regering wordt in Nederland niet gekozen. Die wordt samengesteld door partijen die in de Tweede Kamer een meerderheid hebben en zich op de inhoud kunnen vinden. Als laatste kent ook Nederland een onafhankelijke rechterlijke macht waarvan de leden voor het leven worden benoemd door de regering. ‘Voor het leven’ wil zeggen totdat ze hun pensioengerechtigde leeftijd bereiken.

In het Nederlandse bestel is een belangrijke rol weggelegd voor een fenomeen zonder Grondwettelijke basis, namelijk de politieke partij. Politieke partijen vervullen een centrale rol. Zij selecteren potentiële Kamerleden, stellen programma’s op en leveren bestuurders. Iedereen kan een politieke partij oprichten hiervoor zijn geen regels. Wel zijn er vereisten waaraan een partij moet voldoen voordat ze aan verkiezingen mee kan doen. Nederland kent, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, een meerpartijenstelsel. Het is nog nooit voorgekomen dat één partij een zetelmeerderheid behaalde in een van de beide Kamers. Direct gevolg hiervan is dat de regering altijd bestaat uit een coalitie van tenminste twee en vaak meer partijen. Dit omdat een regering moet steunen op een meerderheid van zetels in de Tweede Kamer.

Ondanks de meerdere partijen leverden verkiezingen tot zo’n 30 jaar geleden een redelijk stabiel beeld op. Drie partijen, de VVD, het CDA en de PvdA domineerden het politieke speelveld. Die partijen (en hun voorgangers) behaalden tot de jaren tachtig zo om en nabij 80% van de zetels. Bepaalden in wisselende samenstelling maar met altijd het CDA of een van de voorgangers erbij. Het overgrote deel van de bevolking herkende zich in een van de partijen en bleef de partij naar keuze zo ongeveer het hele leven lang trouw.

Dit veranderde in het midden van de jaren negentig toen de kiezer ‘op drift raakte’. Daar waar de grootste partij historisch op steevast tussen de 45 en 50 zetels  kon rekenen, werd in 1994 de PvdA de grootste met 37 zetels. Dit na een verlies van 12 zetels. Sindsdien is er geen partij meer geweest met 45 zetels of meer. Iedere verkiezing sinds 1994 kwamen er nieuwe partijen bij die samen een steeds groter deel van de zetels wonnen. En nu, twee maanden voor de verkiezingen, heeft het overgrote deel van de kiesgerechtigden geen idee op welke partij te stemmen. De Volkskrant formuleerde het als volgt: “Het aantal twijfelaars blijkt, zo’n drie maanden voor we het stemhokje in mogen, even groot als bij de vorige Tweede Kamerverkiezingen. Van de circa 13 miljoen stemgerechtigden zijn er bijna 10 miljoen nog niet geland.” En gestemd wordt er in toenemende mate op een persoon en niet op het programma van een partij.

Dat is niet het enige wat er is veranderd. Het aantal mensen dat lid is van een partij was in de jaren vijftig van de vorige eeuw ongeveer 10% van de bevolking. Het daalde in de jaren zestig naar zo’n 4% en vanaf die tijd naar zo’n 2% nu. Dit betekent dat er steeds minder mensen beschikbaar zijn voor een functie als volksvertegenwoordiger bij een waterschap, gemeente, provincie en Staten Generaal.

Kamerlid zijn is tegenwoordig iets van korte duur. “In de eerste elf jaar na de oorlog lag de ervaring rond de veertien jaar (zie de grafiek). In 1956 breidde de Kamer uit naar 150 volksvertegenwoordigers. Met deze nieuwe instroom daalde de gemiddelde ervaring tot 11 jaar, een anciënniteit die tot de verkiezingen van 1986 (Lubbers II) redelijk stabiel bleef. Onder de paarse kabinetten van Kok zette de vernieuwing door, tot de verkiezing van 2002, de tijd van de moord op Pim Fortuyn.” Aldus een artikel uit Trouw van een jaar of acht geleden. Na de laatste verkiezingen stroomde de kamer vol met nieuwelingen: “Er zijn 71 leden die geen zitting hadden in de afgetreden Kamer. Van hen hebben er 58 geen enkele (Haagse) parlementaire ervaring. De gemiddelde Kamerervaring is 3,9 jaar.”  Dat er steeds weer nieuwe Kamerleden binnenstromen is een gevolg van het ‘zweven’ en steeds elders en vooral bij steeds nieuwe partijen ‘landen’ van kiezers. Dit wordt nog versterkt door Kamerleden die gedurende de rit afhaken omdat ze een ‘nieuwe uitdaging’ hebben gevonden. Een uitdaging in het openbaar bestuur maar ook in het bedrijfsleven.

In de Verenigde Staten zien we een zeer sterke polarisering van de samenleving met aan de ene kant een groep die het verleden verheerlijkt en: “zich beroepen op het verleden ‘toen America nog Great’ maar vooral White, Anglo-Saxon en Protestant was,” en aan de andere kant de extreme ‘identity politics’ zoals ik in mijn vorige Prikker schreef. Die eerste groep heeft de Republikeinse partij in haar macht en de tweede dreigt de Democratische partij te verscheuren. Deze polarisering zien we ook in Nederland. Veel van die nieuwe partijen die steeds meer zetels wonnen, bevinden zich in de uitersten van het politieke spectrum. Forum voor Democratie en de PVV beroepen zich op het verleden. Een tijd van ‘oer-Hollandse gezellig’ zoals de PVV het in haar verkiezingsprogramma formuleert of naar die goede oude tijd van de bourgeoisie die FvD-leider Baudet idealiseert en daar moeten we naar terug. Aan de andere kant van het spectrum zien we partijen zoals BIJ1 en DENK. Partijen en hun aanhangers zoals Gloria Wekker die de geschiedenis willen aanpassen en herschrijven aan hun doelen in het heden. Partijen en hun vertegenwoordigers die achter iedere boom een racist of fascist zien en spreken van ‘witte onschuld en privilege’, je beschuldigen van ‘culturele toe-eigening’ en de werkelijkheid bekijken door een ‘kruispuntentheorie-mal’. De Nederlandse situatie is, mede door het gemak waarmee je een nieuwe partij kunt beginnen, nog niet zover gepolariseerd als in de Verenigde Staten. Die nieuwe uitersten zorgen er echter wel voor dat de traditionele partijen zich naar die uitersten toe bewegen en dat het politieke landschap nog verder fragmenteert. Beide ontwikkelingen verminderen de regeerbaarheid van ons land. Net als in de Verenigde Staten loopt Nederland het risico dat de polarisering ons politieke systeem lamlegt. Als dit risico optreedt, dan is er een aanzienlijke kans dat het vertrouwen van de bevolking in ons democratische systeem als sneeuw voor de zon verdwijnt. Dat vertrouwen heeft de afgelopen tijd toch al een knauw gekregen als gevolg van de toeslagenaffaire.

Om terug te komen om de vraag waarmee ik begon en dan niet gericht op ‘ze’ in de Verenigde Staten maar op ‘ons’ in Nederland: als we dan toch bezig zijn, kunnen we het systeem dan niet zo veranderen dat het polarisatie straft? ‘Maar we zijn toch niet bezig om het systeem te veranderen,’ zul je misschien zeggen. Dan zou ik zeggen: wakker worden! Want in Den Haag is men al volop bezig. Zo stuurde het kabinet, zoals ik recentelijk schreef, een brief naar de Kamer met haar ideeën voor de verandering van ons systeem. Ideeën waarbij het kabinet uit het rapport Lage drempels hoge dijken  van de staatscommissie parlementair stelsel, in de volksmond de ‘commissie Remkes’, putte.  Ook willen alle partijen onze Grondwet wel op een of meer punten aanpassen. Zijn we ook bezig om de kiezer hierin mee te nemen? Wat welke partij hierbij wil zal het gros van de kiezers niet weten. Het zijn namelijk niet de thema’s waarmee je als partij ‘volk’ trekt, dus krijgen ze geen aandacht in de verkiezingscampagne. In de coalitieonderhandelingen na de verkiezingen zal er vervolgens in de ‘koehandel’ wellicht iets uitkomen dat vervolgens op route wordt gezet als een wijziging van de Grondwet.

We zijn dus bezig, maar zijn we bezig met het systeem zo aan te passen dat het polarisatie straft? De commissie Remkes ziet wel iets in een verbod op partijen die met democratische middelen de democratie willen afschaffen. Ook stelt de commissie voor om de rol en positie van politieke partijen in een wet vast te leggen door de bestaande Wet financiering politieke partijen uit te breiden. Een interessante optie waarbij je meteen de kanttekening kunt plaatsen dat iets verbieden niet betekent dat het er niet is. In Binnenlandsbestuur pleit Geerten Boogaard om nu alvast af te wijken van de bestaande procedures en op 17 maart ook meteen een nieuwe Eerste Kamer te kiezen. Sinds de verkiezing van die Eerste Kamer is er zoveel veranderd dat het heel lastig zal worden een kabinet te vinden dat zowel in de Tweede als in de Eerste Kamer op een meerderheid kan rekenen. Door nu beide Kamers te kiezen wordt dat probleem omzeild. De Commissie Remkes wil dit oplossen door iedere drie jaar de helft van de leden van de Eerste Kamer te kiezen. Een leuk idee, alleen laat de casus Verenigde Staten zien dat er dan permanent campagne wordt gevoerd en het is de vraag of dat de bestuurbaarheid van een land ten goede komt.

En als we dan toch in de ideeën fase zitten. Wellicht is het een idee om premierverkiezingen te houden. Verkiezingen waarbij die kandidaat die meer dan 50% van de stemmen behaalt, wint. Dat kan betekenen dat er twee rondes nodig zijn waarbij de kandidaten met de meeste stemmen in de eerste ronde het in de tweede ronde tegen elkaar opnemen. Tegenover de gekozen premier, die de regering vormt en voor de volle periode van vier jaar regeert, plaatsen we een gelote volksvertegenwoordiging die bestaat uit een oneven aantal leden, bijvoorbeeld 301 met een zittingstermijn van zes jaar waarbij ieder jaar een zesde deel wordt vervangen door nieuwe. Kamerleden die niet hoeven te werken aan hun ‘herverkiezing’ maar die zich volledig op het werk als Kamerlid kunnen concentreren. Kamerleden zonder partij- en fractiedruk omdat er geen partijen en dus fracties zijn. Kamerleden die worden ondersteund door een stevig ambtelijk apparaat dat niet adviseert maar verheldert, doordenkt, doorrekent en spiegelt. Een volksvertegenwoordiging die net als de huidige Kamers de wetgevende macht heeft, de regering controleert en het budgetrecht heeft. Ook voor gemeente, en provincies hanteren we eenzelfde werkwijze: gekozen bestuurders en gelote vertegenwoordigers. Ook een idee en zo zijn er waarschijnlijk nog veel meer.

We zijn dus bezig, maar zijn we op de goede manier bezig? Moeten we als inwoners van dit land niet met elkaar in gesprek en zo samen nadenken over en vervolgens werken aan een nieuwe Grondwet en een erop gebouwd politiek bestuurlijk systeem dat ons klaarmaakt voor de uitdagingen van de toekomst? Samen nadenken niet binnen het huidige systeem, zoals we nu doen door het over te laten aan de koehandel van politieke partijen bij de formatie. Partijen en hun vertegenwoordigers die belangen hebben bij het huidige systeem. Nee, nadenken en werken buiten die kaders door bijvoorbeeld een grondwetgevende vergadering bijeen te roepen. Een grondwetgevende vergadering bestaande uit bijvoorbeeld 1.500 willekeurige inwoners van ons land die met deze opgave aan de slag gaan. Een groep burgers aangewezen via loting. Een groep die de opdracht krijgt om met en namens ons die nieuwe grondwet en het erbij horende politiek, bestuurlijke systeem uit te werken. En daarbij alle ideeën tegen het licht houdt en daarbij wordt ondersteund door een stevig apparaat dat verheldert, doordenkt en spiegelt. Het resultaat van hun werk kan vervolgens per referendum aan ons worden voorgelegd. En als twee derde van ons voor is, dan is de nieuwe grondwet vastgesteld en kunnen we het bijbehorende politiek, bestuurlijke systeem gaan inrichten.

Zoekt en gij zult vinden!

“Waarom neemt het aantal jongeren dat jeugdhulp ontvangt zo enorm toe?” Die vraag stelt hoogleraar gezondheidseconomie Wim Groot in een blog op de site zorgvisie.nl. Volgens Groot moeten de gemeenten hiervoor en dus ook voor de stijgende kosten jeugdhulp, toch echt naar zichzelf kijken: “Een belangrijke reden daarvoor is het ‘open armen’-beleid van de gemeenten.”  Moeten de gemeente werkelijk naar zichzelf kijken?

beest, dier, kameleon
Bron: Pexels.com

Om zijn betoog kracht bij te zetten gaat Groot verder: “ Google op ‘opvoedvragen’ en je komt vrijwel direct op sites met als kop ‘Opvoedvragen? Kijk hier voor online advies’ en ‘Opvoed Adviespunt voor al uw opvoedvragen’. De eerste is de site van het centrum voor Jeugd en Gezin van de gemeente Maastricht, het tweede is dat van de gemeente Rijswijk. De gemeente Heemskerk heeft als titel voor haar site: ‘Met al uw opvoedvragen naar het Centrum voor Jeugd en Gezin’. Dit zijn maar een paar voorbeelden; andere gemeenten hebben vergelijkbare wervende teksten.” Met dat ‘Centrum voor Jeugd en Gezin’ dat bij het zoeken naar voren komt, komen we bij een ander inzicht. Een van de belangrijke punten van het kabinet Balkenende IV was opgroeien en opvoeden. Dat was zo belangrijk, vooral voor coalitiepartij ChristenUnie, dat er zelfs een minister van Jeugd en Gezin kwam. Dat werd André Rouvoet, de toenmalige leider van de ChristenUnie.

“Een brede aanpak van zorg voor en bescherming van kinderen en jeugd wordt in een project vormgegeven. De gedachte daarachter is: de kokers voorbij, rekening houdend met de aanbevelingen van de Operatie ‘Jong’. Er komen Centra voor Jeugd en Gezin, waarin jeugdzorg en opvoedondersteuning en andere organisaties elkaar vinden en de handen ineen slaan.” Zo schreven ze in hun Coalitieakkoord op pagina 10. Daarop werd een bestuursakkoord gesloten met de gemeenten, want die moesten het gaan uitvoeren. In een van de hulpmiddelen, de Wegwijzer Centrum Jeugd en Gezin wordt aangegeven wat de bedoeling is: “Het CJG moet voor álle kinderen en gezinnen ondersteuning en hulp bieden bij het opvoeden en opgroeien. Dat betekent dat zij er met al hun vragen over opgroeien gemakkelijk terecht moeten kunnen: dicht bij huis en laagdrempelig.” Waarom? Ook daarop geeft het document antwoord:  “Op die manier wordt voorkomen dat de problemen zwaarder en complexer worden en daardoor moeilijker aan te pakken. Met het CJG kunt u dus winst pakken!” Die ‘open armen’ zijn expliciet onderdeel van de beleidskeuzes van de toenmalige regering.

Sterker nog, die ‘open armen’ kregen een expliciete plek in de Memorie van toelichting bij de Jeugdwet 2015. Daarin wordt onder andere als doel van de wet geformuleerd: “eerder de juiste hulp op maat te bieden om het beroep op dure gespecialiseerde hulp te verminderen.” Want: “Door deze manier van organiseren en interveniëren kan het beroep op specialistische en gedwongen hulp worden verminderd. In deze opzet ligt een prikkel besloten voor de gemeente om extra te investeren in preventie, vroeghulp en hulp tot zelfhulp.” 

Bijzonder om dit ‘open-armen’-beleid zoals Groot het noemt, de gemeenten te verwijten. De gemeenten voeren de opdracht uit die de wetgever hen heeft gegeven. Waar de wetgever geen rekening mee heeft gehouden is dat die keuze tot meer jeugdhulp zou leiden. Sterker nog, de wetgever kortte op het budget: ‘vroeger signaleren’ zou immers tot eerder ingrijpen leiden. En eerder ingrijpen zou, zo luidde de redenering, goedkoper zijn.

Nu kent het Nederlands het spreekwoord ‘Zoekt en gij zult vinden!’ Vroeg signaleren betekent dat je meer gaat zoeken. Als je gaat zoeken, aldus het spreekwoord, ga je vinden. Dan vind je zaken die eerst geen probleem opleverden. Dan kan het best zijn dat het aantal jongeren dat hulp krijgt, sinds 2015 met 18,5% is gestegen zoals Groot betoogt. Wat zeker niet altijd niet één op één loopt, is dat iets vroeger ontdekken uiteindelijk tot goedkopere zorg leidt. Een voorbeeld. Het eerder ontdekken bij een kind van een stoornis in het autistische spectrum, zal leiden tot het eerder inzetten van hulp en ondersteuning. Eerdere inzet leidt niet per definitie tot in totaal kortere duur van de inzet. Noch noodzakelijkerwijs tot minder zware zorg of ondersteuning. Een heel cru voorbeeld. Het ontdekken van een dodelijke vorm van kanker op een moment dat de situatie al hopeloos is, levert minder kosten op dan dat deze vroegtijdig wordt ontdekt. Bij vroegtijdige ontdekking is de kans groot dat al het mogelijke wordt geprobeerd om het tij te keren dan wel de resterende tijd van leven te verlengen. Een operatie, chemotherapie, bestraling. Al dit gebeurt niet meer als de situatie hopeloos is bij ontdekking.

Wetenschap, politiek en de rechter

“Wetenschap moet betrouwbaar zijn en wetenschap is geen politiek. Rechtspraak is weer een ander terrein. Het is van groot belang om de grenzen tussen wetenschap, politiek en rechtspraak goed te bewaken.” Ware woorden in de laatste alinea van een artikel van Alma van Hees bij Opiniez. Een artikel met als titel “De rechter als klimaatwetenschapper en politicus”. Onderwerp van het artikel is de Urgenda-uitspraak. Daar is het fout gegaan want in die zaak heeft: “de Hoge Raad zich als scheidsrechter in de wetenschap,” opgesteld. Volgens Van Hees heeft de Hoge Raad die rol aangenomen en dat leidt tot: “dwaas beleid.” Van Hees is niet de enige die deze mening is toegedaan. In haar artikel haalt ze anderen aan die eenzelfde mening zijn toegedaan. Hebben zij een punt?

Het lijkt erop dat Van Hees een bijzondere opvatting van wetenschap heeft. “Rechters die zich als hoogste wetenschappelijk college zien en bepalen welke wetenschappelijke kennis de doorslag moet geven. Gaat het bij het Urgenda-vonnis om wetenschap, onbetwist en grondig bewezen? Of om alarmistische voorspellingen op basis van betwiste modellen? Heeft de rechterlijke macht opeens ‘de waarheid’ in pacht?” Wetenschap moet, volgens Van Hees ‘onbetwist en grondig bewezen zijn’. Mij is altijd geleerd dat wetenschap het reduceren van onzekerheid is. Door logisch redeneren formuleren we een hypothese, een vooronderstelling en vervolgens onderzoeken we die hypothese. Dat onderzoeken kan op twee manieren. Als eerste kun je zoeken naar bevestiging van je hypothese. Naar waarnemingen, metingen en gebeurtenissen die deze ondersteunen. Hoe meer dat er zijn, hoe ‘zekerder’ je hypothese. De tweede manier zoekt naar verwerping. Deze manier werd gepropageerd door de filosoof Karl Popper. Hoe het ook zij, de wetenschap draait juist om ‘betwiste modellen’ en niet om ‘onbetwiste en grondig bewezen’ zaken. Wetenschap is een zoektocht naar meer kennis, geen ‘zekerheids- of waarheidsfabriek’. 

Als wetenschap geen ‘zekerheid’ of ‘waarheid’ biedt, heeft Van Hees dan een punt dat de rechter zich als ‘scheidsrechter in de wetenschap’ heeft opgeworpen met de uitspraak in de Urgenda zaak? Daarvoor moet het vonnis van de Hoge Raad worden bestudeerd. In dat vonnis lezen we: “De Staat en Urgenda zijn beide van mening dat het noodzakelijk is om de concentratie broeikasgassen in de atmosfeer te beperken teneinde de 2 oC-doelstelling, dan wel de 1,5 oC-doelstelling, te kunnen behalen.” Het was daarmee niet de wetenschap en dus de ‘alarmistische voorspellingen op basis van betwiste modellen’ waarover de rechter zich in deze zaak heeft gebogen. Beide partijen accepteren die modellen.

Waarom ging het dan wel?  Het vonnis gaat verder: “Maar zij verschillen van mening over het tempo waarin de uitstoot van broeikasgassen moet worden verminderd.” Waar zit dat verschil dan in? De Hoge Raad: “Het beleid van de Staat was tot 2011 erop gericht om in 2020 een reductie van de uitstoot van 30% te behalen ten opzichte van 1990. Dat was volgens de Staat nodig om op een geloofwaardig traject te blijven om de 2 oC-doelstelling binnen bereik te houden. Na 2011 heeft de Staat zijn reductiedoelstelling voor 2020 echter verlaagd van 30% reductie door Nederland naar 20% reductie in EU-verband.” Het einddoel van het beleid blijft gelijk. De staat wil een ander traject naar het doel: “De Staat heeft het voornemen om de reductie na 2020 in een versneld tempo op te voeren tot 49% in 2030 en 95% in 2050. Die doelen voor 2030 en 2050 zijn inmiddels vastgelegd in de Klimaatwet.” Tegen die vermindering van 30% naar 20% kwam Urgenda in het geweer. De Hoge Raad koos de zijde van Urgenda. De Hoge Raad over het waarom van haar besluit: “De Staat heeft echter niet toegelicht dat en waarom een reductie van slechts 20% in 2020 in EU-verband verantwoord is te achten, dit in afwijking van de internationaal breed gedragen en noodzakelijk geachte reductie in 2020 van 25-40%.”

De Hoge Raad tikt de Staat op haar vingers vanwege een niet onderbouwde beleidswijziging. De 30% reductie was nodig om, zoals de Staat zelf had opgenomen in haar beleid, op een geloofwaardig traject te blijven. Een geloofwaardig traject om de opwarming binnen aanvaardbare perken te houden en haar onderdanen te beschermen tegen klimaatverandering. In 2011 veranderde de Staat zonder onderbouwing haar doel voor 2020. Zonder aan te geven waarom, wijkt de Staat daarmee af van een pad dat nodig was om geloofwaardig te blijven. Dat maakt de Staat ongeloofwaardig in de bescherming van haar inwoners. Daar hebben de verschillende rechters en nu dus ook de Hoge Raad zich over uitgesproken. Niet over klimaatmodellen en de wetenschap. De rechter heeft zich daarmee keurig gehouden aan de grenzen tussen wetenschap, politiek en de rechtspraak.

De bus van Frans Timmermans

“Timmermans ziet in die zin vooral een rol weggelegd voor burgemeesters. Die zouden meer de samenwerking met elkaar kunnen opzoeken om de Green Deal te laten slagen.”  Zo is te lezen in een artikel bij binnenlandsbestuur.nl. “Bijvoorbeeld in inkoop. Een regio koopt misschien 100 of 200 schone bussen in. Als je dat met meerdere regio’s samen doet, levert dat misschien een bestelling van 5000-6000 bussen op en dat geeft volgens hem een hele andere propositie bij de inkoop. ‘Jullie kunnen dat gezamenlijk organiseren’.” Eurocommissaris Frans Timmermans deed deze uitspraken op een bijeenkomst van het Comité van de Regio’s. Timmermans; “We moeten de juiste beslissingen op het juiste bestuursniveau nemen.” Dus aan de slag burgemeesters!

Bron: Flickr

Dat regio’s samen ‘meer bussen’ kunnen inkopen en dat dit hun een andere positie geeft, is logisch. En, als ze daar allemaal ‘klimaatneutrale’ bussen van maken, dan wordt het interessanter voor een ‘bussenbouwer’ om zo’n bus te ontwerpen. Als grote koper kun je meer afdwingen bij de ‘verkoper’. Even een stapje verder denken. Om die ‘bussenbouwer’ te stimuleren om ‘klimaatneutrale’ bussen te bouwen, moeten regio’s en steden gezamenlijk inkopen. Nu ken ik de overheids- en vooral de gemeentelijke wereld redelijk goed. Samenwerken tussen gemeenten kost zeer veel tijd omdat iedereen wil meepraten en eigen zaken wil inbrengen. Gemeentelijke samenwerking is, zoals ik in een eerdere Prikker schreef: “zo dicht mogelijk langs elkaar heen lopen.” Dat worden kostbare trajecten waarbij inkoopadviseurs en juristen hun vingers zullen aflikken.

Waarom trouwens alleen ‘meerdere regio’s samen’ en niet een heel land samen? Dan heb je een nog grotere macht om de ‘bussenbouwer’ in de goede richting te stimuleren. En nu we dan toch op dat nationale niveau zijn aangeland, waarom geen nationale wettelijke eisen waaraan een bus moet voldoen? Dat dwingt de ‘bussenbouwer’ ook die goede richting in zonder dat regio’s en gemeenten ze samen moeten inkopen. 

Trouwens, beste meneer Timmermans, is de Europese Unie niet het ‘juiste bestuursniveau’ om de ‘juiste beslissing’ te nemen over ‘klimaatneutrale bussen’? Eén Europese wettelijke eis voor ‘klimaatneutrale bussen’. Dan is dat meteen voor de hele Europese Unie geregeld. Zou dat niet sneller gaan dan gemeenten en regio’s op te roepen om samen te werken? 

Jihadisten en onze rechtstaat

Tijdens het kort geding verklaarde hij dat de Nederlandse overheid jihadisten moet terughalen omdat ze verplicht is om ‘mensenrechtenschendingen jegens haar onderdanen’ te voorkomen. Kijk, ik snap best dat je als advocaat je cliënten adequaat moet verdedigen. Maar zou dat alsjeblieft met wat minder grote woorden kunnen? Met wat minder lachwekkende ook?” Zo schrijft Elma Drayer in haar column in de Volkskrant. Die ‘hij’ waarover Drayer schrijft is André Seebregts. Vanuit de emotie is het betoog van Drayer te volgen. In één zin spreken over jihadisten en mensenrechten dat lijkt een gotspe. Zijn de woorden van Seebregts wel zo lachwekkend?

Bron: Pixabay

Zeker deze jihadisten steunden  een moorddadig en bruut regime en het bleef niet bij steunen alleen. Ze leverden er vaak ook nog een bijdrage aan. Voor de misdaden die zij hebben begaan moeten zij worden gestraft. Zwaar worden gestraft. Dat staat buiten kijf. Zoals ook buiten kijf staat dat zij bij voorkeur berecht moeten worden op de plek waar zij die misdaden hebben begaan. Als dat om welke reden dan ook niet kan, dan is berechting in Nederland aan de orde. 

Wat ook buiten kijf staat, is dat Nederland een rechtstaat is en dat het de plicht is van de Nederlandse overheid om mensenrechtenschendingen jegens haar onderdanen te voorkomen. Die plicht heeft de Nederlandse overheid jegens al haar onderdanen, wat zij ook op hun kerfstok hebben. Die plicht heeft de overheid jegens een onschuldig iemand die om dubieuze redenen in een Turkse gevangenis verdwijnt. Die plicht heeft zij ook jegens een van drugshandel beschuldigde persoon in Thailand, en een meervoudig moordenaar en verkrachter in Paraguay. Die plicht heeft de Nederlandse overheid ook jegens een jihadist in Irak of Syrië. 

‘Maar die heeft door daden toch alles verspeeld waar Nederland voor staat?’ Hoor ik velen van jullie denken. Dat klopt, maar dat ontslaat de Nederlandse regering niet van haar plicht om zich in te zetten om mensenrechtenschendingen tegen hem of haar te voorkomen.

Een rechtstaat kenmerkt zich nu juist door haar principes ook toe te passen op degenen die haar regels met voeten hebben getreden. Onder andere daarom heeft vrouwe Justitia een blinddoek om. Zo lachwekkend zijn de uitspraken van Seebregts niet. Door die regels niet van toepassing te verklaren op bepaalde mensen, zoals de VVD doet, wordt de bijl gezet in een van de de belangrijkste pijlers onder onze rechtstaat. Dat is niet lachwekkend, dat is zorgwekkend.

Wij, ons en de klimaatverandering

“Mijn hart bonsde in mijn keel en mijn eerste neiging was om meteen weer om te draaien. Ik was nog nooit in een situatie geweest waarin ik tegenover de sterke arm der wet had gestaan – laat staan in een situatie waarin ik moedwillig arrestatie riskeerde.” Dit schrijft cabaretier Tim Fransen in de Volkskrant over zijn deelname aan een actie van Extinction Rebellion. Fransen gebruikt filosofen in zijn voorstellingen. Ook bij de verdediging van zijn daad van burgerlijke ongehoorzaamheid beroept hij zich op een filosoof en niet de minste: Thomas Hobbes.

Bron: Flickr

Fransen: “In een democratische rechtstaat hebben overheid en burgers een sociaal contract met elkaar gesloten. Wij burgers geven de overheid de macht om ons aan wetten te binden. … Als het gaat om klimaatverandering, komt de overheid haar kant van het sociale contract niet na. Dat is niet de mening van een stelletje radicale klimaatgekkies, dat is het officiële oordeel van de rechter. In de Urgenda-zaak oordeelde de rechter in 2015 dat de Nederlandse staat te weinig doet om de klimaatdoelen te halen, een vonnis dat het Haagse hof afgelopen maand nog eens heeft bekrachtigd. De uitspraak is helder: de Nederlandse staat komt zijn grondwettelijke zorgplicht niet na; hij is nalatig in het beschermen van zijn burgers tegen de gevolgen van gevaarlijke klimaatverandering.” Geen speld tussen te krijgen: de overheid komt haar verplichtingen niet na en dus mag de burger zich verzetten. Of toch wel?

Voor degenen die het niet weten, Hobbes is de schrijver van het boek Liviathan. Voor Hobbes is de natuurlijke toestand van de mensheid een gewelddadige strijd van allen tegen allen en is het leven ‘eenzaam, arm, bruut en kort’. Maar gelukkig heeft de mens dat ooit ingezien en heeft hij een contract gesloten met een heerser. Met dat contract gaf de mens zijn vrijheid op in ruil daarvoor verschafte die heerser veiligheid. De theorie van het sociale contract is ontwikkeld in de strijd tussen die vorst en het volk. Nou ja het volk, de beter gesitueerden zoals de hogere adel. Dit zie je ook terug in het Plakkaat van Verlatinghe waarmee de lokale vorsten van de opstandige Provinciën de Spaanse koning afzworen. Hobbes schreef zijn boek in 1651, een tijd van vorsten en almachtige heersers.

Fransen schrijft zijn verdediging in 2019, in de tijd van, in ieder geval in dit deel van de wereld, de democratische rechtsstaat. En met het woord democratisch komen we op een bijzonder punt. Die overheid, die haar verplichtingen niet nakomt, is door de inwoners van Nederland gesanctioneerd. De Tweede Kamerleden zijn gekozen door de Nederlanders om hen te vertegenwoordigen en namens hen het land te besturen. Zo ziet het huidige ‘sociale contract’ om in de termen van Hobbes te blijven, eruit. Wij, de inwoners van dit land, hebben onze vertegenwoordigers gekozen en die besluiten namens en voor ons. Zijn ‘wij’ het die ‘ons’ niet goed beschermen tegen de gevolgen van de klimaatverandering?