Vrijheid van godsdienst

Een viertal auteurs schreef kort geleden in de Volkskrant een soort manifest voor ‘vrij links. In dit manifest pleitten zij voor een seculiere overheid. Volgens hen betekent dat het afschaffen van: “de aparte vermelding van vrijheid van godsdienst in de grondwet omdat dit leidt tot een voorkeursbehandeling van diegenen die zich tot een van de grote godsdiensten rekenen.” Ik moest bij het lezen hiervan, denken aan een passage in het regeerakkoord over het opnemen van een verbod op discriminatie op seksuele gerichtheid in de Grondwet. 

godsdienst

Illustratie: PxHere

November vorig jaar pleitte ik ervoor om dat niet te doen en, sterker nog, om juist te schrappen in de tekst van artikel 1 van onze Grondwet. In dat artikel wordt geschreven dat godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht geen reden zij voor discriminatie. Mijn betoog was dat juist het benoemen zorgt voor een bijzondere positie en dat het schrappen ervan het artikel krachtiger maakt.

 Het voorstel van de vier is  tegen het zere been van Francisco van Jole en Mei Li Vos. In een brief bij Joop en in de Volkskrant reageren zij op het manifest. De kern van hun bezwaar is: “De auteurs willen af van de vrijheid van godsdienst en onderwijs. Ze zien religie als bron van kwaad. Die vrijheid is ze gegund, maar je bevrijdt mensen niet uit verstikkende regels door via wet te regelen hoe ze moeten leven.” Afpakken van vrijheden, dat kan niet en als dat is wat de vier in hun manifest betogen, dan maken Vos en Van Jole terecht bezwaar.

De vraag is of de vier iets willen ‘afpakken’. Even terug naar het manifest. Volgens de auteurs ervan is de extra vermelding van de vrijheid van godsdienst niet  nodig omdat: “Alle vrijheden waarop gelovigen aanspraak kunnen maken − vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging, vrijheid van vergadering en betoging − zijn al veilig verankerd in de wet en in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.”  Inderdaad kent onze Grondwet, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en vergadering, van betoging. Deze vrijheden geven een religie de mogelijkheid om samen te komen en hun boodschap te verkondigen. Eigenlijk om alles te doen wat ze willen. Waarom is dan het extra benoemen van godsdienst in de Grondwet nodig? Welke rechten verliezen gelovigen? 

Vos en Van Jole hebben een punt dat je mensen niet bevrijdt door via de wet te regelen hoe ze moeten leven. Maar, wordt mensen voorgeschreven hoe ze moeten leven als je de specifieke benoeming van de vrijheid van godsdienst uit de Grondwet haalt? Sterker, geef je religie niet juist een bijzondere positie door haar als specifieke vrijheid te benoemen? Moet een Grondwet niet juist iedereen, gelovigen en ongelovigen, op een zelfde manier behandelen? Zit die gelijke behandeling juist in het niet noemen van specifieke groepen?  

Uitgelicht

Iftar, kerst, kerk en staat

“In Nederland vervaagt de scheiding tussen kerk en staat. Er is één religie, waarvan de aanhangers steeds vaker en openlijker laten zien lak te hebben aan de mores van onze seculiere maatschappij: de islam. Meer en meer worden we geconfronteerd met islamitische symbolen, rituelen en gebruiken op tot voor kort neutraal terrein: in overheidsgebouwen, universiteiten en op de werkvloer.”  De opening van een artikel van Pamela Pinas bij Opiniez. In het artikel krijgen diverse bedrijven, instellingen en mensen een sneer. Een van die mensen is burgemeester Jan van Zanen van Utrecht. de ‘onverlaat’ haalt het in zijn hoofd om als speciale gast en hoofdspreker op te treden op een iftar-bijeenkomst. Dat kan natuurlijk niet, een bestuurder die spreekt op een ‘moslimfeest’, dat zou ten strengste verboden moeten zijn. 

aanhef grondwet

Foto: Wikipedia

Beste mevrouw Pinas, gaan we ook van u horen als de koning zo op de vijfentwintigste december zijn jaarlijkse kerstboodschap verkondigt? In het verlengde daarvan, gaat u ook al die burgemeesters die op dat moment een duit in het zakje doen en een kerstboodschap uitspreken, aanpakken en hen erop wijzen dat dit niet past bij de neutrale positie die de overheid moet innemen? Google maar even op ‘kersttoespraak burgemeester’ en u weet precies wie u allemaal aan de schandpaal moet nagelen. Dan ziet u hoe ‘verstrengeld’ kerk en staat nog steeds zijn.

En als u dan toch bezig bent, hebt u er weleens een wet op nageslagen. Is niet moeilijk, via overheid.nl kunt u ze allemaal vinden. Lees dan vooral even de aanhef. Om het u makkelijk te maken, hier komt die: “Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.” Een beroep op god bij iedere wet, hoe gescheiden zijn kerk en staat dan? Wat moet een aanhanger van de kerk van het vliegende spaghettimonster daar wel niet van denken? Dus weg die god of ook toevoeging van het vliegende spaghettimonster en alle andere zaken waarin men kan ‘geloven’. 

Dan even naar de benoeming van volksvertegenwoordigers. Dat kan met ‘dat zweer en beloof ik’ of met ‘zo waarlijk helpe mij god almachtig’. Wanneer kan ik uw betoog tegemoet zien om die laatste variant af te schaffen? 

Beste mevrouw Pinas, zolang u niet rept over de kersttoespraken, de aanhef in de wet en de gelofte, moet u niet zeuren over een burgemeester die deelneemt aan en spreekt op een religieus feest van een deel van zijn inwoners.  Want waarin verschilt iftar van kerst? 

Uitgelicht

Monniken en kappen

Via een nieuwsflits van een bedrijf las ik over het begrip ‘ de omgekeerde toets’. Wat het is? “Bij de omgekeerde toets worden – kort gezegd – de Participatiewet, de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Wet schuldhulpverlening zó uitgevoerd dat niet de bepalingen in die wetten voorop staan, maar de doelen van die wetten en de doelen van de maatwerkoplossing die iemand nodig heeft. Vervolgens wordt bezien of die maatwerkvoorziening kan worden geleverd op grond van genoemde wetten.” Volgens de auteur van het artikel, Guido le Noble, een nieuwe omschrijving voor ‘maatwerk’ en daar heeft hij een punt. 

monniken

Illustratie: Flickr

U schiet vast in de lach als ik beweer dat er geen sector zo vernieuwend is als de overheid. Immers, als er één sector bekend staat als star en behoudend, dan is het de overheid. Behalve dan op het terrein van ‘oude wijn in nieuwe zakken’: een nieuw woord voor iets ouds. Meestal een term die het doet voorkomen alsof het een ‘fris nieuw product’ betreft. Neem het woord ‘ombuigen’ als vervanger voor bezuinigen. Klinkt lang niet zo pijnlijk. Dat even terzijde.

Onder het artikel een reactie van een lezer Corné Stoop die eindigt met: Mijn taak is te toetsen aan wet- en regelgeving waaronder onze verordeningen en beleidsregels. Echter voel ik vanuit de organisatie en collega’s een toenemende druk om buiten deze wettelijke kaders te denken. Ik weet soms niet meer waaraan ik moet toetsen, aan wet- en regelgeving of aan bepaalde standpunten van bijvoorbeeld onze managers of medewerkers. Ik vind het een gevaarlijke ontwikkeling, al dat gemarchandeer met regelgeving. Het werkt willekeur in de hand en de rechtsongelijkheid in de casuïstiek zal alleen maar toenemen.” Begrijpelijk die vrees van een uitvoerder. 

Of toch niet? Inderdaad leidt het selectief omspringen, of marchanderen met regels tot onduidelijkheid of willekeur. Nu is er iets vreemds met regels en maatwerk. Is maatwerk wel te leveren via ‘regels’? Zoals ik begrepen heb, beoogt de wetgever met de  Jeugdwet en de Wmo maatwerk te leveren. Zouden die regels voor de uitvoering dan niet  moeten worden afgeschaft? Of begint het leveren van maatwerk en het voorkomen van ‘willekeur’ niet ergens anders? Niet bij de regels maar bij de persoon die ondersteuning nodig heeft? Als die persoon, zijn levensomstandigheden en zijn vraag uniek zijn en dat wordt als uitgangspunt genomen, kan een oplossing voor zijn vraag dan leiden tot rechtsongelijkheid? Is er dan een ‘precies gelijke monnik die vervolgens kan claimen recht te hebben op precies dezelfde ‘kap’?

 

 

Hellend vlak?

Onopgeloste misdrijven houden de gemoederen bezig. Peter R. de Vries vulde er televisieprogramma’s mee waarin hij poogde om een vastgelopen zaak vlot te trekken. Een nooit opgeloste moordzaak is moeilijk, en voor de nabestaanden vaak niet te verteren. Sinds een paar jaar is er een ultieme manier om zo’n zaak toch vlot te trekken en wellicht op te lossen: het dna-verwantschapsonderzoek. En wat voor een middel: “Volgens onderzoekers van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) kunnen door het dna-verwantschapsonderzoek in deze zaak langs de mannelijke familielijn ‘1 op de 8 Nederlandse mannen in beeld komen’, circa een miljoen mannen.”  Zo zegt een onderzoeker van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in de Volkskrant naar aanleiding van het grootste dna-verwantschapsonderzoek tot nu toe waarbij 21.500 mannen worden uitgenodigd. Mooi als een misdaad zo kan worden opgelost.

hellend vlakFoto: pixabay.com

Waar komt dan mijn unheimisch gevoel vandaan? Voor een deel misschien uit beweringen zoals: “Mannen die niet komen opdagen zijn niet per se verdacht. Maar de politie zal die groep wel onderzoeken. Eerst wordt gekeken of iemand anders in de familielijn dna heeft afgestaan. Als dat niet het geval is, dan gaan we zo iemand wel benaderen?” Niet verdacht maar wel nader onderzocht doordat we de ‘familielijn’ extra gaan bestuderen en niet verdacht, maar wel benaderen? Waarom al die extra moeite als iemand niet verdacht is?

Zouden opmerkingen zoals: “Ook jongens van 18- en 19 jaar zijn opgeroepen, hoewel die in 1998 nog niet eens waren geboren. Maar hun dna kan wel een match maken, waardoor de politie in de familielijn verder kan speuren,” dit gevoel voeden? Onderzoek doen naar op voorhand onschuldigen?

Zou dit gevoel gevoed worden door het feit dat zeer veel mensen onderdeel worden van een crimineel onderzoek zonder dat er sprake is van een verdenking? Een verdenking die normaal toch aan de basis staat van onderzoek naar iemand? Mensen inzetten als middel om een doel te bereiken? Dna-verwantschapsonderzoek kan wellicht misdrijven oplossen en een einde maken aan de onzekerheid van de nabestaanden. En zoals velen zullen tegenwerpen: wat heb je te vrezen als je niets te verbergen hebt?

Maar toch een unheimisch gevoel. Begeven we ons niet op een hellend vlak?

Oude wijn

Politiek Nederland is al een paar weken in de ban van de ‘Wet Dijkstra’. Het initiatiefvoorstel van D66-kamerlid Pia Dijkstra over de orgaandonatie. Het voorstel waardoor iedereen donor is tenzij je aangeeft het niet te willen zijn. “In feite hebben de nabestaanden dus het laatste woord, alhoewel ze geen vetorecht hebben.” De cruciale zin uit de brief waarmee Dijkstra haar collega’s probeert te overtuigen van haar goede bedoelingen en vooral van de noodzaak van deze wet. Een bijzondere zin.

wine-1574493__340

Foto: Pixabay.com

Bijzonder omdat deze wet, volgens de initiatiefnemer, nodig is om ervoor te zorgen dat er voldoende donoren zijn. Voldoende zodat er niemand hoeft te ‘creperen’ op de wachtlijst. Alleen de Eerste kamer moet nog instemmen met de wet en omdat die Kamer er deze weken over spreekt, berichten de media er volop over.

Voldoende donoren is het doel, een doel dat ook met deze nieuwe wet al twijfelachtig is, zoals ik me vorige week afvroeg. Twijfel die door deze passage alleen maar toeneemt. ‘Nabestaanden’ impliceert dat het meer dan één persoon kan zijn. Stel dat die van mening verschillen, naar wie wordt dan geluisterd? Welke ‘nabestaande’ geeft dan de doorslag?

Wat verandert er door deze nieuwe wet nu werkelijk? In de oude situatie had je je geregistreerd of niet en in beide gevallen werden de nabestaanden gevraagd of ze akkoord waren met donatie van organen. De nabestaanden hadden ‘dus het laatste woord’. In de nieuwe situatie hebben de nabestaanden nog steeds het laatste woord. Wat verandert er?

Wat is nu überhaupt het nut van een donorregistratie? Waarom iets registreren als de keuze van de persoon vervolgens ook maar een mening is? Een mening die vervolgens minder zwaar weegt dan die van de nabestaanden?

Een wetsvoorstel waar politiek Nederland de afgelopen jaren veel tijd en energie aan heeft gespendeerd en wat is er veranderd? Een gevalletje van ‘luchtverplaatsing’ of beter nog: oude wijn in nieuwe zakken? Zonde van de tijd en energie. Of zie ik het verkeerd?

Verzachtende omstandigheid?

‘U krijgt 20 uur taakstraf omdat u dronken iemand hebt doodgereden. Het drinken van alcohol zie ik als een verzachtende omstandigheid waardoor uw straf lager uitvalt.’

Hoe zou er worden gereageerd als een rechter een dergelijk vonnis zou uitspreken? Het land zou, terecht, te klein zijn en politiek, bestuurlijk en opiniërend Nederland zou gehakt maken van deze rechter.

Jos van Rey

Illustratie: Flickr

Eén jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en twee jaar ontzetting uit het recht van een bestuurlijk ambt bij de overheid. De straf die de rechter geeft aan oud-bestuurder Jos van Rey, die schuldig is bevonden aan: “corruptie, stembusfraude, lekken van vertrouwelijke informatie en witwassen.” De rechter hield, zo valt in de Volkskrant te lezen: “rekening met de gevorderde leeftijd van de politicus, de grote impact van de zaak op zijn leven (hij moest aftreden als wethouder en Eerste Kamerlid), de publiciteit en zijn blanco strafblad.”

De grote impact op zijn leven omdat hij moest aftreden als wethouder en Eerste-Kamerlid? Waarom dient daar rekening mee te worden gehouden? Juist die positie als wethouder verschafte hem de mogelijkheid om corrupt te zijn en vertrouwelijke informatie te lekken. Nu wordt dat waarvoor hij wordt gestraft als verzachtende omstandigheid gebruikt.

“In de regel wordt er 50% van het gefraudeerde bedrag als boete opgelegd als uitkeringsfraude straf. Als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid, dan wordt er een boete van 25% van het gefraudeerde bedrag opgelegd. Wanneer er sprake is van grove schuld en u de fraude extra kan worden verweten, kan zelfs een boete van 75% van het onterecht ontvangen bedrag volgen. De hoogst mogelijke boete bedraagt 100% van het gefraudeerde bedrag en kan enkel worden opgelegd als er sprake is geweest van ‘opzet’.” Fraudeer je met je uitkering, dan is dit de straf die je kunt krijgen. Daarnaast wordt het volledig teruggevorderd. Een forse straf.

Daarmee is de kous nog niet af. Dit is immers alleen maar de bestuursrechtelijke kant van de zaak. Als de fraude meer dan € 50.000 bedraagt of er sprake is van bijzondere omstandigheden, dan kan de strafrechter je ook nog eens straffen. En die straf is niet mals: “De uitkeringsfraude straf bij (opzettelijk) fraude kan oplopen tot 6 jaar gevangenisstraf of een geldboete van € 82.000.” Natuurlijk moet misbruik maken van gemeenschapsgeld en dat is uitkeringsfraude, worden gestraft. Die strafmat mag best stevig zijn, je moet het immers voelen als je misbruik maakt van de gemeenschap.

De vraag hoe deze zware straf zich verhoudt tot de straf voor Van Rey, stel ik maar niet. Wat ik me wel afvraag is of een frauderende uitkeringsgerechtigde het krijgen van een uitkering kan aanvoeren als een verzachtende omstandigheid voor zijn fraude?

Uitspreken en uitspraken

“Als een slachtoffer niet voor de juridische weg kiest, maar wel het verhaal vertelt, respecteer dat. Eis geen aangifte en al helemaal geen bewijs. Ga niet op de stoel zitten van de rechter in een niet bestaande rechtszaak. Luister, geef steun waar nodig en gewenst. En word zelf geen dader. Dat is wat je kan doen en dat is waar het om gaat.”

De laatste zin uit een artikel van Walter Hoogerbeets bij Joop. Hoogerbeets reageert op de commotie die is ontstaan naar aanleiding van de #MeToo verklaring van Jelle Brand Corstius.

Me tooIllustratie: Pixabay

Volgens Hoorgerbeets willen veel slachtoffers die met hun verhaal naar buiten komen niet de juridische kant op omdat ze weten dat dit een lastig en vaak heilloos traject is. Wat ze willen is een signaal afgeven om het probleem aan te kaarten en duidelijk maken dat het moet stoppen en: “Ze spreken zich uit omdat ze het verhaal kwijt willen over wat hen is aangedaan. Omdat ze een beetje hulp en steun willen.” Een lovenswaardig streven, de wereld verbeteren voor hen die na hen komen dat hoopt de Ballonnendoorprikker op zijn manier ook te doen. Ook de roep om aandacht is te begrijpen.

Toch gaat Hoogerbeets ergens aan voorbij. Door zich uit te spreken, kan het gebeuren dat er iemand wordt beschuldigd. Door een naam te noemen of door zodanige aanwijzingen dat de naam te achterhalen is, wordt er iemand beschuldigd. Vergeet hij niet een zijde van de medaille, namelijk de zijde van de vermeende dader?

Die beschuldigde kan een heel ander beeld hebben van het gebeurde. Dat is wat in de casus Brand Corstius ook aan de hand lijkt te zijn. Bekent hij schuld dan hangt hij. Ontkent hij dan ontstaat er een welles-nietes situatie. Als hij niet reageert, dan blijft het eerste beeld hangen en dat beeld maakt hem schuldig. Wie weet wat er werkelijk is gebeurd, zeker als het gebeurde al jaren geleden plaatsvond? Dat is zelfs voor een rechter zeer lastig als er geen andere verklaringen zijn dan die van de twee betrokken personen.

Als de uitspreker werkelijk de waarheid spreekt, dan is daar overheen te komen, maar wie kan dat beoordelen? Maakt deze manier van handelen het niet mogelijk om bewust iemand ten onrechte in een kwaad daglicht te stellen? Is het in zo’n geval niet begrijpelijk dat er een reactie volgt zoals nu in de casus Brand Corstius? Daarbij aangetekend dat ik niet beweer dat de casus Brand Corstius een voorbeeld is van ten onrechte beschuldigen, daar kan ik geen uitspraak over doen.