Uitgelicht

Who wants to rule the world

“En laten wij concluderen dat de regeldruk onder Frans Timmermans gewoon verder is toegenomen.” Met die zin sluit Rutger van den Noort zijn artikel op de site Opiniez over de Europese regeldruk en de rol van Frans Timmermans daarin, af. De Europese Commissie wilde ‘dereguleren’ en Timmermans kreeg de taak daarvoor te zorgen.

“In de periode-Timmermans kwamen er van 2015 tot en met 2018 5268 EU-regels bij,” schrijft Van den Noort. Dat zijn er minder dan de vier jaar ervoor maar, zo constateert: “De teller had op een negatief aantal nieuwe wetten moeten staan. Voor iedere goede ingediende wet zouden een paar andere wetten moeten zijn vervallen. Met een ‘wegstreepwet’ had je gemakkelijk een hele serie andere wetten kunnen liquideren. Maar dat is niet gebeurd.” En hij concludeert: “Nu we bijna vijf jaar later het net ophalen, zien we dat er niets van terecht is gekomen.”

Nu is de EU hierop geen uitzondering en dat constateert Van der Noort ook. Ook in Nederland zijn er: “ 1000 regelingen bijgekomen de laatste tien jaar” En ook in de VS: “dan zien we dat er vorig jaar weliswaar een piek van 442 nieuwe wetten bijkwam, maar dat de trend al jaren dalend is. Zo lag het aantal nieuwe wetten in de jaren ‘80 nog op 600 per jaar.” Een dalende trend, maar als je die vergelijkt met de 1000 in tien jaar in Nederland, dan zijn het er in een jaar nog altijd ruim vier keer zoveel. En dat in een land dat geregeld door ‘politieke twisten’ is verlamd.

Nu kun je je afvragen of je moet streven naar minder regels. Ja, regelvermindering klinkt leuk en het scoort goed in de publieke opinie. Maar toch. Eens even luisteren naar de Zuid Koreaanse econoom Ha-Joon Chang. In zijn boek 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme behandelt hij ook de regeldruk. Op pagina 220 stelt hij een interessante vraag: “In  het begin van de jaren negentig publiceerde het in Hongkong gevestigde Engelstalige zakenblad Far Eastern Economic Review een speciaal nummer over Zuid Korea. In een van de artikelen verbaasde het blad zich over het feit dat hoewel er tot wel 299 vergunningen nodig waren van wel 199 instanties om in het land een fabriek neer te zetten, Zuid Korea in de drie voorafgaande decennia met 6 procent per jaar was gegroeid. Hoe was het mogelijk? Hoe kan een land met een zo verstikkend stelsel van regelgeving zo snel groeien?”

Gelukkig beantwoordt hij de vraag in de volgende pagina’s. Zijn eerste verklaring: “… in een land dat snel groeit en waar zich voortdurend nieuwe zakelijke kansen aandienen, weerhoudt zelfs de rompslomp van 299 vergunningen zakenmensen er niet van een nieuw project op te starten. Wanneer er daarentegen weinig valt te verdienen als de zaak eenmaal rond is, zullen zelfs 29 vergunningen te veel zijn.”  Dus als we er maar voor zorgen dat het aan het einde loont, belemmeren regels niet.

Chang gaat verder: “ Een belangrijke reden waarom sommige landen waar het bedrijfsleven zwaar gereguleerd is het economisch heel goed hebben gedaan, is dat veel regels in feite goed zijn voor bedrijven.” Dat lijkt helemaal in strijd met de algemene opvatting dat reguleren belemmert. Gelukkig verduidelijkt Chang zich: “regulering (kan) bedrijven (…) helpen door te voorkomen dat ze de basis van hun voortbestaan op lange termijn ondermijnen.” Denk bijvoorbeeld aan milieumaatregelen die uitputting of vernieling van de omgeving voorkomen zoals regels tegen overbevissing. Maar ook regels tegen kinderarbeid of te agressieve verkoop van leningen. En zo zijn er vast nog wel meer voorbeelden te noemen van regels die helpen.

“Veel regulering helpt de gemeenschappelijke hulpbronnen beschermen die alle bedrijven delen, terwijl andere het bedrijfsleven helpen door bedrijven te dwingen dingen te doen die op den duur hun productiviteit verhogen,” zo betoogt Chang. Ik zou aanvullend hierop willen zeggen: ‘zo helpt regulering ook om mensen tegen bedrijven en elkaar te beschermen, terwijl andere regels ons dwingen om dingen te doen waardoor onze samenleving ook op termijn leefbaar te houden.’ En daarom, om met Chang af te sluiten: “Alleen als we dat onderkennen, kunnen we zien dat het niet om de absolute hoeveelheid regels gaat, maar om wat ermee beoogd wordt en wat ze behelzen.” 

Uitgelicht

Proletariërs aller landen …

Mijn identiteit? Witte cis-gender man, 40-er, hetero, geen beperking, ongelovig, ‘gewone achternaam’, uit een arbeidersgezin. Doorsnee, eigenlijk. Ik heb werk, een mening en ben niet op m’n mondje gevallen. Makkelijk.” Zo beschrijft SP-raadslid Martijn Tonies uit Oss zich in een artikel bij Joop. Een artikel waarin hij pleit voor: “meer aandacht voor identiteit graag, de klassenstrijd kan niet zonder!” Ook binnen een vakbond.

Bron: Wikimedia Commons

Ik zou mijn ‘identiteit’ of,  zoals ik het zelf noem mijn persoonlijkheid, anders omschrijven dan de manier waarop Tonies de zijne beschrijft, maar dat laat ik even passeren. Waar het mij om gaat is zijn roep om meer aandacht voor identiteit in de klassenstrijd. Nu hebben we het begrip Klassenstrijd te danken aan de Fransman, historicus en politicus François Guillaume Guizot en is het bekend geworden omdat Karl Marx en zijn kompaan Friedrich Engels het gebruikten in hun Communistisch manifest. Voor beiden is het een strijd tussen de door Baudet aanbeden bourgeoisie en het proletariaat, een strijd tussen en om productiemiddelen en productieverhoudingen. Een strijd die uiteindelijk via een proletarische revolutie zou leiden tot een klasseloze maatschappij.

Die revolutie is nog steeds niet uitgebroken. Sterker nog, de multimiljardair en ‘super belegger’ Warren Buffet ziet, tot zijn spijt, een heel andere uitkomst: ‘Er is wel degelijk een klassenstrijd gaande, maar het is mijn klasse die de strijd voeren en we zijn aan de winnende hand.’ Tot zijn spijt omdat Buffet pleit voor een eerlijker belastingstelsel. Een belastingstelsel waarin hij, om hem te parafraseren ‘wel meer belasting betaalt dan zijn secretaresse’. Ik neem aan dat Tonies de strijd tegen die door Buffet bedoelde ‘winnende klasse‘ wil aangaan. 

Tonies wil daarbij ‘meer aandacht voor identiteit’. Hij wil dat omdat tot welke klasse je hoort: “grotendeels (wordt) bepaald door je identiteit. Wie anders beweert, sluit opzettelijk de ogen voor de effecten van politieke keuzes en bijhorende systemen in onze maatschappij.” Ik vraag me af of dat zo is. Inderdaad kun je in de klassenstrijd een: “fatsoenlijk loon,” voor jongeren regelen. Ook het voorkomen dat: “je eruit geknikkerd wordt omdat je ‘te oud bent’” kan een onderdeel van de klassenstrijd zijn. De Klassenstrijd handelt immers over productiemiddelen en productieverhoudingen en beide voorbeelden handelen over de kosten van arbeid. Maar is een klassenstrijd werkelijk het aangewezen ‘slagveld’ om iets te regelen: “Als jouw achternaam er voor zorgt dat je kans op werk op voorhand al lager is dan iemand met een strafblad”? Vakbonden kunnen zich inzetten voor betere arbeidsvoorwaarden, een hoger loon en gelijke behandeling en beloning bij gelijk werk, voor een betere behandeling en beloning van het productiemiddel arbeid en dus voor een andere verhouding tussen de productiemiddelen kapitaal en arbeid. 

Zijn de kleur van iemands huid, de achternaam of seksuele geaardheid, anders dan wellicht in de prostitutie, een productiemiddel? Doet de geaardheid van een glazenwasser ertoe? Inderdaad kan je achternaam, je huidskleur of je seksuele geaardheid ervoor zorgen dat je kans op een baan kleiner is en dat zou niet mogen. Daartegen moeten we strijden en daarbij staan we: “schouder aan schouder, respecteren de ander en zijn elkaars steun in de rug: we zijn solidair met elkaar. Jouw strijd is mijn strijd,” schrijft Tonies en daarin steun ik hem. 

Alleen moet de strijd op het juiste ‘slagveld’ worden geleverd. De klassensstrijd is de strijd tussen productiemiddelen en productieverhoudingen. Een ‘strijd’ waar het nog steeds belangrijk is dat de ‘proletariërs aller landen zich verenigen’. Iets wat erg lastig is omdat die ‘vereniging’ net als in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog, nog steeds wordt belemmerd door nationalistische belangen. Of om het in moderne termen te zeggen ‘identiteiten’. De strijdt voor gelijke kansen moet worden gestreden op het politieke slagveld. En dan vooral door het geven van het goede voorbeeld want bij wet heeft iedereen al gelijke kansen. Maar ook in de handhaving van die wetgeving. Dus het optreden tegen, en bestraffen van overtredingen.

Zou het bij de strijd voor gelijke kansen helpen als iedere groep haar eigenheid benadrukt? Om net als de proletariërs vóór de Eerste Wereldoorlog te kiezen voor de eigen ‘identiteit’? Leg je zo niet de nadruk op verschillen? Zou die nadruk op de eigenheid werkelijk de strijd om gelijke kansen verder helpen? Is het wedervaren van de proletariërs van voor de Eerste Wereldoorlog niet een goed voorbeeld van wat er dan kan gebeuren? Namelijk dat je door die nadruk op de ‘eigenheid’ juist het risico loopt om, wellicht niet letterlijk zoals de proletariërs, op het ‘slagveld’ tegen elkaar uitgespeeld te worden? 


Uitgelicht

Vakken- of zakkenvullen?

Je kunt er de klok op gelijk zetten. Waarop? Op de VVD. Eens in de zoveel tijd roept een VVD’er weer dat werklozen verplicht aan de slag moeten. Deze keer moeten ze aan de slag als vakkenvuller in supermarkten. “Meer dan een miljoen Nederlanders zoeken nog werk. Gemeenten en het UWV moeten die mensen helpen. Het voelt vreemd om arbeidsmigranten te laten invliegen; bied eerst werk aan aan Nederlanders,” aldus VVD-kamerlid Dennis Wiersma bij de NOS.

Bron: Wikipedia

Wiersma reageerde op berichten dat de vakken in sommige supermarkten ’s nachts worden gevuld door Polen. Die vakken ’s nachts vullen gaat sneller omdat er dan geen publiek in de winkel loopt. Een vertegenwoordiger van het Centraal Bureau Levensmiddelen geeft aan dat de supermarkten niet actief zoeken naar Polen. Wel zijn er supermarkten die kampen met een tekort aan vakkenvullers.

Nu vierde de dochter van vrienden laatst haar achttiende verjaardag. Een heuglijke gebeurtenis in het leven omdat je dan volwassen wordt. Je wordt voor de wet zelfstandig, mag gaan stemmen en zo zijn er nog meer zaken zoals legaal alcohol drinken en kopen. Aan de andere kant moet je ook wat, zoals bijvoorbeeld het afsluiten van een ziektekostenverzekering. Helaas voor de dochter van onze vrienden, betekende de start van haar negentiende levensjaar ook meteen haar ontslag als medewerkster bij de Appie in de buurt. Toch vreemd dat een sector die klaagt over te weinig arbeidskrachten, iemand op straat zet alleen omdat ze achttien wordt. 

Alhoewel vreemd. Sinds 2017 wordt het minimumjeugdloon stapsgewijs verhoogd. Nee niet voor alle jeugdigen, alleen voor jeugdigen van achttien en ouder. Voor een zeventienjarige verandert er niets, die verdient nog steeds 39,5 procent van het wettelijk minimumloon. Maar daar waar je voorheen pas op je drieëntwintigste in aanmerking kwam voor het wettelijk minimumloon, kom je dat nu al met tweeëntwintig en vanaf 1 juli al met eenentwintig jaar. En als we naar een achttienjarige kijken, dan kreeg die voor 1 juli 2017 45,5 nu 47,5 en vanaf 1 juli 2019 50 procent van het minimumloon. 

Zou dat een verklaring zijn voor het ontslag van de jonge dame? En, zou dat ook een verklaring kunnen zijn voor het tekort aan vakkenvullers? Zou het streven naar winst voor de aandeelhouders en de eigenaren hier een verklaring voor zijn? Zou het streven naar zakkenvullen het vakkenvullen belemmeren?

Proost!

GroenLinks politicus Kathalijne Buitenweg pleit voor het reguleren van xtc. Dit om de productie ervan van en de handel erin uit het criminele circuit te halen. Volgens Raoul du Pré moet de overheid niet aan de maatschappelijke realiteit voorbijgaan. “Waarom strikt vasthouden aan een wettelijk verbod op iets waarop in het sociaal verkeer het taboe al lang is verdwenen?” zo schrijft hij in het Commentaar van de Volkskrant. Alleen beginnen dan de problemen zo betoogt Du Pré.

Foto:Pixabay

Zo zullen zich: “onder overheidstoezicht (…) overdoses en andere ongelukken blijven voltrekken. Welke overheid wil daarvoor de verantwoordelijkheid nemen?” Een tweede probleem: “de criminele industrie is grotendeels gebouwd op export en zal dus gewoon blijven bestaan.” Du Pré concludeert: “Overheidsregulering van xtc klinkt logisch, maar het wietexperiment moet eerst wat ervaring brengen,” concludeert Raoul du Pré. Eerst experimenteren, dat klinkt logisch. Maar… . 

Loopt er niet al een experiment met een legaal verdovend middel? Een middel dat je zelfs in de supermarkt kunt kopen. Als je tenminste ouder bent dan achttien jaar. Sterven er aan dat middel niet ook jaarlijks mensen door een overdosis? Neemt de overheid daar niet ook haar verantwoordelijkheid voor? Een middel dat ook niet overal legaal is en in sommige landen schreeuwend duur.

Een middel waarmee de Verenigde Staten in de jaren twintig van de vorige  eeuw een omgekeerd experiment uitvoerde. Trouwens, niet alleen toen en daar. Een experiment dat niet voorkwam dat mensen het middel niet meer gebruikten. Een experiment waaraan Al Capone en zijn collega criminele kopstukken goud geld hebben verdiend. Verdiend met de productie en het verhandelen van dit middel. Een experiment dat tot veel doden leidde. Doden door crimineel geweld maar vooral ook doden door slechte varianten van dit middel. Een middel waarvan velen met de jaarwisseling een soort met bubbels openen en vervolgens proosten op het nieuwe jaar.

Ondermijning

Bestuurlijk Nederland maakt zich erg druk om ondermijning. Vooral burgemeesters zijn erg actief op dit vlak en hebben zelfs een ‘Proeve van wetgeving’ geschreven. Een advies aan de wetgever hoe verschillende wetten aan te passen om die ondermijning aan te pakken. 

Foto: Wikipedia

Wat is het probleem? “Er is grote zorg over de ontwikkeling van de aard en omvang van georganiseerde criminaliteit en de ondermijnende werking daarvan voor de samenleving en de rechtstaat.” Wat moeten we ons daarbij voorstellen? “Ondermijnende criminaliteit nestelt zich bij voorkeur in zwakke buurten van steden, in tal van kleine bedrijven zoals belwinkels, ijssalons, kapperszaken, maar breidt zich ook steeds verder uit tot het platteland en is te vinden bij noodlijdende vakantieparken, boerenbedrijven etc.” Het speelt dus vooral op plekken waar mensen het niet al te breed hebben. Die activiteiten zijn verleidelijk: “De georganiseerde criminaliteit biedt een “alternatieve kansenstructuur”; waarom zou je je inzetten voor een lang niet zekere respectabele en productieve carrière, wanneer je buurjongen met betrekkelijk geringe inspanningen over een mooie auto en dito vriendin beschikt?” Maar … .

Er zijn meer activiteiten die als ondermijnend gezien kunnen worden. Activiteiten waarbij met: “betrekkelijk geringe inspanningen” beschikt over veel meer dan die mooie auto en vriendin. Activiteiten waarbij: : “Mensen zien dat er veel geld wordt verdiend, zonder dat daar belasting over wordt betaald.” Die activiteiten spelen zich af in de ‘sterke buurten’ van steden met name in de zaken- en financiële centra. Activiteiten die zichtbaar worden tijdens formaties als ineens wordt besloten om een belasting af te schaffen. Activiteiten die zichtbaar worden als er zwarte busjes bij het Catshuis voorrijden en mannen in onberispelijk strakke pakken uitstappen. Activiteiten die zichtbaar worden als er een politicus zijn stekje verlaat voor een ‘carrièreperspectief’ bij Uber of een bank.  

Zouden die activiteiten wellicht nog ‘ondermijnender’ zijn dan die ondermijnende criminaliteit? Ondermijnender omdat ze het gevoel van rechtvaardigheid aantasten? Ondermijnender omdat de schade daarvan vooral landt in de ‘zwakke buurten’ van steden, bij al die kleine bedrijven, bij die noodlijdende vakantieparken en boerenbedrijven? Wie schrijft hiervoor een ‘Proeve van wetgeving’?

‘Wet fijn dat je er bent’

Deze week was het het ‘finest hour’ van minster Koolmees van Sociale Zaken. Wellicht is dat geheel aan jullie voorbij gegaan, maar hij gepresenteerd zijn ‘ Wet arbeidsmarkt in balans’. Een wet is het nog niet, maar als het aan Koolmees ligt, wordt het dat wel. Volgens Peter de Waard is de wet bedoeld om: “de uitwassen van Asschers ‘Wet werk en zekerheid’ (te) repareren. In werkelijkheid is het een pakket maatregelen dat andere maatregelen weer ongedaan moet maken.” Doel van de wet is, net als bij Asschers ‘Wet werk en zekerheid’: “om vast werk minder vast, en flexibel werk minder flexibel te maken.” Iedereen lijkt tegen de wet en daaruit constateert de minister dat het een goede wet is. Immers: “Als iedereen tegen is, moet het wel goed in balans zijn.”  Dat is ook een manier om ernaar te kijken. Zou een andere insteek tot andere oplossingen kunnen leiden? 

koolmees

Foto: Flickr

Laat ik eens een poging wagen. Net als Asscher en trouwens bijna iedereen, redeneert Koolmees vanuit werk. Flexibel werk leidt tot onzekerheid en daaruit concludeert Koolmees dat werk ‘zekerder’ moet worden. Alleen als het te ‘zeker’ wordt piepen de werkgevers. Die kunnen dan niet meer af van werknemers. Een onmogelijke puzzel om op te lossen. Arme Koolmees of toch niet: “Niemand hoeft Koolmees te benijden. Hervorming van de arbeidsmarkt is een onmogelijk dossier. Wie slim is, slaat geen mijlpalen, maar zorgt ervoor zijn vingers niet te branden,” zo schrijft De Waard.

Wat als we een stapje verder denken. Flexibel werk leidt tot onzekerheid, dat klopt. Maar wat als dat geen onzekerheid over werk is maar over inkomen? Onzekerheid over de mogelijkheid om de rekeningen nog wel te kunnen betalen en je kinderen te eten te geven? Onzekerheid omdat de ww is uitgekleed en de bijstand geen pretje is.Zou het bieden van fatsoenlijke zekerheid, zonder al die bureaucratische fratsen en het leveren van een ‘tegenprestatie’, een oplossing kunnen bieden voor de ‘onmogelijke’ opgaven van Koolmees?

Zou zekerheid van bestaan de onzekerheid van het hebben van betaald werk draaglijk maken? Een uitkering voor iedereen met de ‘Wet fijn dat je er bent’ als basis? 

Nemr en rationele argumenten.

Programmamaker Tim Hofman heeft een documentaire gemaakt over het probleem van vluchtelingenkinderen die al jaren in Nederland wonen en zelfs hier zijn geboren. Hofman wil  dat deze kinderen in Nederland mogen blijven en is daarvoor een burgerinitiatief gestart. In de documentaire de levensverhalen van enkele van deze kinderen. De hoofdrol, als je het zo mag noemen, is weggelegd voor Nemr. Nemr is, acht, bijna negen, is in Nederland geboren en heeft in zijn leven al in een stuk of acht asielzoekerscentra gewoond. Nemr stal, zoals Bert Wagendorp het in zijn column zegt: “alle harten,” maar.. 

Dijkhoff

Foto: Flickr

“Dat is niet het einde van het verhaal,” schrijft Wagendorp. In de discussie over asielzoekers en vooral kinderen is er sprake van morele verontwaardiging. “Kenmerk van morele verontwaardiging is, dat ze een redelijke discussie op basis van rationele argumenten meteen doodslaat.,”  aldus Wagendorp. “Morele verontwaardiging is altijd selectieve verontwaardiging en in dit geval niets anders dan het politiek correcte uitvloeisel van de decennia-oude onmacht van politici om de asielproblematiek redelijk en rechtvaardig te regelen. Klaas Dijkhoff moet met papa en mama maar eens bespreken hoe dat moet. Zolang dat niet gebeurt, kun je wachten op volgende Nemrs.” Zo concludeert Wagendorp en daar heeft hij een punt. 

Over rechtvaardigheid kun je hele bomen opzetten. Naar aanleiding van een besluit van Dijkhoff als staatssecretaris heb ik dat al eens gedaan. Dijkhoff weigerde toen een gehoorimplantaat voor een driejarig meisje te vergoeden omdat de asielaanvraag van haar Afghaanse ouders was afgewezen. Als we naar Nemr kijken dan moeten we de volgende vraag beantwoorden; waarin verschilt Nemr van mijn zoon? In heel veel maar daar gaat het nu niet om. Mijn zoon is achttien, bijna negentien jaar geleden geboren in Nederland. Nemr tien jaar later. Wat maakt dat mijn zoon in Nederland mag blijven en Nemr weg moet? 

Hierop kun je hele verhalen ophangen over de Nederlandse nationaliteit van mij en mijn vrouw en dat de ouders van Nemr Irakees zijn en dat dat maakt dat mijn zoon Nederlander is en Nemr niet. Is dat rationeel of het uitvloeisel van een emotionele politieke keuze in het verleden? Een keuze die ook anders had kunnen uitvallen.

Hierop kunnen hele verhalen worden opgehangen over de ouders van Nemr. Vluchtelingen uit Irak die hier al negen jaar verblijven en geen aanspraak kunnen maken op een verblijfsstatus. Daarover kun je heel veel zeggen en je kunt er nog meer van vinden. Wat erover te zeggen valt, zegt iets over zijn ouders en over de Nederlandse asielprocedures. Maar wat zegt het over Nemr?