Uitgelicht

Creatief crossover de plank mis slaan

“Crossover Creativity betekent dat jij je creativiteit inzet om innovatieve oplossingen te ontwerpen voor complexe uitdagingen in de samenleving. Bijvoorbeeld op het gebied van sociale inclusie, onderwijs, inrichting van de publieke ruimte, de gezondheidszorg.” Dat lees ik op de site van de HKU Ik moest het even opzoeken omdat de schrijver van een artikel in de Volkskrant, Hilde Roothart, zich introduceerde als ‘student aan de HKU masteropleiding Crossover Creativity. Nu heb ik dat tegenwoordig vaker. Ik stam nog uit een tijd dat je zoals ik geschiedenis ging studeren of Nederlands, natuurkunde of economie of je ging naar de kunstacademie. Als ik de studie in mijn woorden samenvat, dan ben je na die studie gewoon een (product)ontwerper. En met ‘woorden’ kom ik bij de inhoud van het artikel van Roothart.

Learn a Language - Free Image by Sukh Photography on PixaHive.com
Bron: Pixahive

Nu is productontwerper of met een andere naam vormgever niet de enige studie waar allerlei fancy klinkende termen aan worden verbonden om er iets extra’s van te maken. Ik moet hierbij denken aan een bijeenkomst die ik jaren geleden bijwoonde. Een bijeenkomst waarbij een opleider voor sociaal werkers en jeugdzorginstellingen bijeen kwamen. De opleider vertelde dat de studenten werden opgeleid in verschillende specialisme. ‘Jullie specialisten zijn voor ons gewoon algemeen opgeleid,’ met dergelijke woorden reageerde een jeugdzorgaanbieder en vervolgde: ‘wij moeten ze vervolgens specialiseren’. Op de arbeidsmarkt zal Roothart gewoon moeten concurreren met andere productontwerpers en vormgevers die ‘Interaction design’ of ‘Natuurlijk design’ studeren. Dit even terzijde.

Of toch niet? Want met woorden probeert, in dit geval de HKU, een opleiding tot vormgever tot iets speciaals te maken en met woorden kom ik bij het artikel van Roothart. Volgens Roothart ligt: “Helaas (…) de ongelijkheid ook in de taal besloten. Sommige mensen zijn hooggeletterd, anderen zijn laaggeletterd. Zolang we in de taal aandacht blijven besteden aan hoog en laag (…) wordt de taal gekoloniseerd door een homogene groep Noord-­Europese, witte, mannelijke en elitaire mensen.” Om daar wat aan te doen moeten we onze taal: “bevrijden van de uitsluiting van de laaggeletterdheid. Dat kunnen we voor elkaar krijgen door alle vormen van intelligentie waarover we beschikken in te zetten. En door elke taal die we beheersen ook echt als taal te gaan zien, horen en voelen. Dat zou ons allemaal pas echt gelijkwaardig maken.” Met die woorden beëindigt ze haar heel bijzonder betoog.

Nee, dan doel ik er niet op dat Roothart heel modern en als een volleerd leerling van Gloria Wekker en Sylvana Simons de woorden ‘gekoloniseerd’ en ‘homogene Noord-Europese witte, mannelijke en elitaire mensen’ in één zin gebruikt waarmee alles ‘verklaard’ is. Dan bedoel ik dat laaggeletterden worden uitgesloten van onze taal. Dat lijkt me heel vreemd. Iemand ergens van uitsluiten, betekent dat je het die persoon onmogelijk maakt om in dit geval van taal gebruik te maken. Welke taal spreken laaggeletterden dan?

Volgens Roothart zijn er naast verbaal linguïstische intelligentie ook nog andere vormen van intelligentie: “visueel-ruimtelijk, ­logisch-mathematisch, naturalistisch-ecologisch, muzikaal-ritmisch, interpersoonlijk, intrapersoonlijk, lichamelijk-kinesthetisch.” Als ik Roothart goed begrijp zijn dat allemaal ‘talen’ en moeten we die gaan gebruiken want dan zijn we ‘pas echt allemaal gelijkwaardig’. Roothart: “Onze taal bestaat niet alleen uit letters en cijfers, maar ook uit beelden, geluiden en gebaren. We beschikken niet alleen over ­taal­vermogen, maar ook over beeldend vermogen en scheppingskracht; over de taal van kleur, klank en knipoog.”

Eens kijken hoe dat in de wereld van Roothart werkt met mezelf als onderdeel van een voorbeeld. Mijn taal is de linguïstische, dat wat een normaal mens onder ‘taal’ verstaat. Mijn ‘muzikaal-ritmische’ taal is behoorlijk waardeloos, ik zing vals en kan geen maat houden. Nu kom ik een Beethoven in de laatste fase van zijn leven tegen: linguïstisch waardeloos want doof maar muzikaal-ritmisch een genie. Ik sta te praten als Brugman en die ander speelt op zijn gitaar. Zouden we elkaar begrijpen? Laat staan dat ik iemand tegen kom die lichamelijk-kinesthetische taal gebruikt. De inhoud van een brief vertalen in een pianostuk of een dans, lijkt mij erg lastig. Dit allemaal ‘taal’ noemen lijkt mij niet de oplossing voor een laaggeletterde die een brief van de gemeente niet begrijpt.

Verwart Roothart hier niet ‘taal’ en ‘communicatie’? Communiceren kun je op veel manieren, met woorden, handen, voeten, muziek, dans enzovoorts. Door dit allemaal ‘taal’ te noemen verbetert de ‘communicatie’ tussen mensen echter niet, om die twee woorden nog maar eens te gebruiken. En dan terugkomend op de reden waarom Roothart haar artikel schreef, de positie van: “etnische minderheden en studenten die afkomstig zijn van minder goede scholen,” verbetert niet als er niet meer wordt gecorrigeerd op: “verkeerd spellen, grammaticale fouten maken of interpunctie verkeerd gebruiken,” zoals de Hull University wil. Net zoals de positie van zwakke rekenaars niet verbetert als de opleiding tot boekhouder niet meer controleert op rekenfouten. Dat leidt alleen maar tot boekhoudschandalen en opleidingen die tot middelmaat en zelfs lager opleiden. Wat die studenten en laaggeletterden echt helpt, is investeren in hun taalbeheersing. Als dit is wat de HKU onderwijst bij de master Crossover Creativity dan hou ik mijn hart vast, dan leert men daar creatief crossover de plank mis te slaan.

En ter afsluiting beste mevrouw Roothart, om op de laatste zin in uw artikel terug te komen: om ‘echt gelijkwaardig’ te zijn hoef ik uw taal niet te spreken en hoef ik u zelfs niet te begrijpen.

Deskundige leerkrachten

‘Heb je ‘de strijdt’ alweer met dt geschreven?’ Die woorden hoor ik geregeld van mijn ‘eindredacteur’. Die leest bijna al mijn Prikkers voordat ze online gaan. Soms niet en dan krijg ik achteraf te horen dat ik toch enkele storende foutjes heb gemaakt. Ik ben blij met die ‘eindredacteur’. Hieraan moest ik denken toen ik in de Volkskrant het lezersdilemma las: “Met enige regelmaat krijgen we briefjes en mailtjes van haar (de juf van groep 4 van de basisschool) met d/t-fouten en verkeerd gebruik van als/dan en die/dat. Het wekt geen vertrouwen. … Moet ik dit bespreken? Met haar? De schoolleiding? Het is nogal wat om haar deskundigheid ter discussie te stellen, natuurlijk.” Natuurlijk moet de leerkracht op die foutjes worden gewezen, denk ik dan. Toch zijn er lezers die er anders over denken.

“Ik zou dat zeker niet doen. Gelukkig begrijpt u dat het bij docent zijn om veel meer gaat dan spelling alleen. Het is toch immers veel belangrijker dat u haar deskundigheid zult zien op het gebied van de sfeer in de klas, de aandacht die het kind van de juf krijgt? Misschien heeft ze geweldige kwaliteiten op dit gebied.” Aan deze lezer zou ik de volgende vraag willen stellen. Uw kind komt thuis met het punt van een proefwerk. U ziet dat de leerkracht een fout heeft gemaakt bij de berekening van dat punt in het nadeel van uw kind. Bespreekt u dit met de leerkracht? Door dit te bespreken kunt u immers gaan twijfelen aan haar deskundigheid. Het is immers veel belangrijker dat u haar deskundigheid ziet op het gebied van ‘sfeer in de klas’. Ik vrees dat u naar school loopt om de leerkracht op de fout te wijzen. De belangrijkste opgave van een basisschool is kinderen goed leren lezen, schrijven en rekenen. Dat is de basis voor hun verdere schoolcarrière en hun leven. Die goede sfeer in groep 4 daar heb je een paar maanden van je leven wat aan.

Een volgende lezer: “Ik zou helemaal niets doen. De leraar van uw kind heeft veel meer taken en verantwoordelijkheden dan alleen foutloos schrijven. En een foutje is zo gemaakt. Zeker na een lange, drukke werkdag. Ik vind het van de zotte als een ouder ‘de juf’ op het matje zou roepen of – erger nog – haar deskundigheid ter discussie zou stellen. … de leraar loodst mijn zoon vol liefde door de basisschool.” Door iemand te wijzen op een fout, roep je die persoon op het matje en stel je de deskundigheid ter discussie? Wat is er mis met iemand erop wijzen dat hij een fout maakt? Zou het niet ook voor leerkrachten gelden dat ze leren van hun fouten en dat leren met vallen en opstaan gaat? 

Wat betreft het ter discussie stellen van de deskundigheid van de leerkracht, zou ik zeggen: welkom in de echte wereld. De wereld waar steevast wordt getwijfeld aan de deskundigheid van de ander. Neem de arts die van de patiënt te horen krijgt dat het toch echt iets anders is omdat Internet dit zegt. Zelf werk ik in een sector, de gemeentelijke overheid, waar het lijkt alsof men er vanuit gaat dat er alleen maar ‘onkundigen werken. We zitten in ‘een ivoren toren’, kunnen ons niet ‘inleven in de burger’ krijgen steeds vaker te horen dat de ‘burger de deskundige’ is. Dit terwijl ze zelf ook gewoon burger zijn.

Weer een andere lezer: “In dit geval zou ik enige terughoudendheid willen voorstellen. In groep 4 worden de beginselen van taal behandeld. De kinderen maken zich letters en de eerste woorden en zinnetjes eigen. Van hen wordt in dit stadium nog geen beheersing of diepere kennis van grammatica verlangd.” Maar beste lezer, deze leerkracht kan volgend jaar zomaar voor groep 8 staan en dan wordt het een heel ander verhaal. Dan is die beheersing en diepere kennis wel belangrijk. Dan is die deskundigheid van de leerkracht wel van belang. Als diezelfde leerkracht immers adviseert dat je kind het beste naar het vmbo kan, dan wordt de deskundigheid van die leerkracht wel ter discussie gesteld en dan zijn ook die sfeer en liefde van ondergeschikt belang.

Nee, ik ben blij met een ‘eindredacteur’ die mij teleurgesteld aankijkt als ik die ’t’ weer achter de strijd heb geplaatst. Die zorgt voor hogere kwaliteit en ik kijk uit naar een compliment als ik geen fout heb gemaakt. En helemaal als ik ‘strijd’ nu eindelijk goed spel. Zou dat voor een leerkracht niet ook kunnen gelden?

Een ‘gewoon’ gesprek

“Mogen we het hier over hebben?” Die vraag stelt student Brent Hadderingh bij Opiniez. Waarover? Over: “een demografische transformatie van Nederland.” Wat? Over het feit dat de Nederlandse bevolking alleen maar groeit door immigratie. Zonder immigratie zou de bevolking krimpen omdat er te weinig kinderen worden geboren en dat is al lange tijd het geval. Gevolg? “De inheemse bevolking neemt af en de niet-inheemse bevolking neemt toe.” En daarom vraagt Hadderingh zich af of we dit niet moeten: “vaststellen als een feit en een normaal politiek debat over deze ontwikkeling en zijn gevolgen (moeten) voeren?” Een debat zonder: “schrikreacties over dogwhistles, Nazi’s en terroristen? Kunnen we stoppen met elke benoeming van een demografisch feit proberen weg te zetten als een complottheorie?

House of Commons 1834. Bron: Wikipedia

Ja meneer Hadderingh, daar kunnen we best over praten. We kunnen overal over praten. Om het gesprek te openen, een paar vragen. Als eerste de vraag wanneer ben je inheems? Ik stel die vraag omdat u het CBS aanhaalt dat voor 2050 een krimp voorspelt van de bevolking met 1 miljoen en een stijging van mensen met een migratieachtergrond van 50%. Waarop u aanvult: “Neem hierin mee dat met de afbakening die CBS gebruikt, ook mensen tot “Nederlandse achtergrond” gerekend worden, zelfs als zij misschien niet tot de inheemse bevolking horen.” Wanneer verwordt een ‘migratieachtergrond’ tot een ‘Nederlandse achtergrond’ en waarin verschilt die van ‘inheems’ zijn? Dit zijn geen “verboten woorden” zoals u ze noemt, ze zijn wel beladen omdat ze mensen verdelen in drie hiërarchisch, door u verschillend, gewaardeerde groepen.

In uw laatste alinea schrijft u: “Is het nu eindelijk mogelijk om over dit feit een gewoon gesprek te hebben met bepaalde kanten van het politiek spectrum?” Deze zin is op meerdere manieren te begrijpen. Zo kan eruit worden begrepen dat dit gesprek alleen met die bepaalde kanten van het politieke spectrum gevoerd moet worden. Dat roept dan de vraag op: welke kanten? En als vervolg daarop: waarom alleen met die kanten? Er kan ook uit worden begrepen dat hierover met ‘bepaalde kanten’ nu geen gewoon gesprek kan worden gevoerd. Dat roept weer de vraag op welke kanten dat zijn en waarom er met die kanten geen gewoon gesprek is te voeren? Door de manier waarop u ze gebruikt, claimt u morele superioriteit: ‘met mij is wel een gewoon gesprek te voeren’. Sterker nog, het suggereert dat uw gesprekken altijd ‘normaal’ zijn en dat u geen politiek bedrijft.

Daarmee kom ik op een volgende punt. Wat is een gewoon gesprek hierover? Uit uw betoog meen ik op te kunnen maken dat dit een politiek debat is en wel een ‘normaal’ politiek debat. Als ik dit combineer met de ‘bepaalde kanten van het politieke spectrum’ dan lijkt u te zeggen dat met die ‘bepaalde kanten’ geen ‘normaal politiek debat’ is te voeren. Hoe ziet een ‘normaal politiek debat’ eruit? Een politiek debat in onze Tweede Kamer verloopt geheel anders dan in het Engelse Lagerhuis. Trouwens een Kamerdebat van vijftig jaar geleden verschilt wezenlijk van de huidige manier van debatteren. Voor mij is een gewoon gesprek iets anders dan een politiek debat.

Als laatste de belangrijkste vraag. Waarom wilt u dat gesprek voeren? Met andere woorden wat is het doel van een dergelijk gesprek? Omdat u het ‘gewone gesprek’ op een lijn lijkt te stellen met een ‘normaal politiek debat’ wordt die vraag nog belangrijker. In een politiek debat, normaal of abnormaal, hebben de deelnemers altijd een politiek doel. Daarom met welk doel moet dit gesprek of debat worden gevoerd? Ik ben benieuwd naar uw antwoorden

Kapen, kaapte, in beslag genomen

‘Al die willen te kaap’ren varen, moeten mannen met baarden zijn. Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden. Jan, Pier, Tjoris en Corneel, die hebben baarden zij varen mee.’ Woorden uit het volkslied Al Die Willen Te Kaap’ren Varen. Ik weet niet of de leden van de Iraanse Revolutionaire Garde aan deze beschrijving voldoen, toch worden ze beschuldigd van het kapen van een Britse olietanker. In de Nederlandse pers, bijvoorbeeld de Volkskrant, ‘kapen’ de Iraniërs een schip, terwijl de Britten vorige maand bij Gibraltar een schip ‘in beslag namen’. 

Hr.Ms. Piet Hein. Vernoemd naar de ‘kaper’ Piet Hein. Bron Wikipedia

In Iran zien ze het waarschijnlijk net andersom. Daar is hun schip gekaapt en hebben zij er een ‘in beslag genomen’. ‘In beslag nemen’ klinkt vriendelijker dan ‘kapen’. ‘In beslag nemen’ is een juridische term en door die term te gebruiken wordt aan de daad de suggestie van rechtmatig handelen verleend. Om ‘kapen’ hangt een zweem van criminaliteit, het heeft een negatieve bijsmaak. 

Dat was niet altijd het geval. Ook een bekend volkslied waarin de daden van Piet Hein worden bezongen: “Piet Hein!, Piet Hein!, Piet Hein zijn naam is klein. Zijn daden bennen groot, zijn daden bennen groot. Hij heeft gewonnen de zilveren vloot. Die heeft gewonnen, gewonnen de Zilvervloot.” Een lied dat ongeveer tweehonderd jaar na de daadwerkelijk daad werd gecomponeerd en dat was bedoeld om mensen trots te laten zijn op Nederland. Een land dat toen pas net bestond en in die korte tijd al een trauma had moeten verwerken, het trauma België. Het lied bezingt Piet Hein die de Spaanse schepen die het zilver en goud van Zuid Amerika naar Spanje vervoerden, kaapte. De Spanjaarden zullen Hein een zeerover hebben genoemd. 

Dat de Britten en Iraniërs elkaar beschuldigen van kaperij is vanuit hun standpunt te begrijpen. Is het ook te begrijpen dat Nederlandse media beide identieke daden op een andere manier beschrijven? De Britse daad wordt beschreven als ‘in beslag nemen’, de Iraanse als ‘kapen’. Voor de schepen en haar bemanning maakt het geen verschil. Voor objectiviteit in de berichtgeving wel.

Auto(Taal)maatje

“Wil je leren autorijden? Dan is een auto-maatje iets voor jou. Je krijgt een vast auto-maatje, een vrijwilliger, met wie je over koetjes en kalfjes kunt praten en ondertussen oefen je je rijvaardigheid.” Broodroof! Je kunt niet iedere vrijwillige ‘beunhaas’ met een rijbewijs rijles laten geven, dat is vragen om ongelukken. Een rijbewijs hebben en eventueel ook nog goed kunnen autorijden, wil niet zeggen dat je ook goed rijles kunt geven. Daarvoor moet je zijn opgeleid. 

lesauto

Foto: Flickr

“Wil jij Nederlands leren? Maar liever niet in een klas? Dan is een taalmaatje iets voor jou. Je krijgt een vast taalmaatje, een vrijwilliger, met wie je kunt praten, lezen, televisie kijken, koffie of thee drinken, of wandelen. Wat je wilt. Ondertussen oefen je in jullie gesprekken je Nederlands. En natuurlijk leer je zo ook veel van elkaars taal en cultuur. Je taalmaatje trekt ruim een jaar lang met je op.” Deze tekst is te lezen op de site van Humanitas en het is daarmee niet de enige die dit doet. Dit geheel tot plezier van de overheid want het spaart veel geld.

Is het onderwijzen van een taal niet ook een vak? Zouden Nederlandse taallessen niet alleen gegeven mogen worden door gediplomeerde docenten Nederlands? Laten we het eens anders stellen, zouden we het accepteren als een automonteur zonder opleiding in de Nederlandse taal, als vrijwilliger Nederlands gaat geven op een middelbare school? We zouden onze kinderen van die school halen. Waarom staan we dan wel toe dat nieuwkomers Nederlands gaan leren bij ongediplomeerde vrijwilligers? Natuurlijk, het is prachtig dat mensen, anderen, die nieuw zijn in Nederland helpen om hun weg te vinden dat is eigenlijk een ‘burenplicht’, maar Nederlandse les geven?  

Even over die overheid. Die zit aan de ene kant nieuwkomers achter de veren en wil hen het liefst zo snel mogelijk uit de uitkering hebben. Aan de andere kant moeten de nieuwkomers eerst een ‘inburgeringscursus’ volgen voordat ze aan de slag mogen. Als we die tegenstrijdigheid even vergeten, is het dan niet vreemd dat het streven naar betaald werk voor nieuwkomers gerealiseerd moet worden door het inzetten van vrijwilligers? Soms ook vrijwilligers die van dezelfde uitkering gebruikmaken en op eenzelfde manier achter de veren worden gezeten? 

Borden en het bos

De overheid en begrijpelijk communiceren, dat is een lastige combinatie. Mensen vragen duidelijkheid en die wringt vaak met juridische vereisten of ‘slagen om de arm’ die een bestuurder wil houden. Bezuinigen wordt  ‘besparen’, sparen heeft immer een positieve betekenis, je legt een appeltje voor de dorst opzij. Weer een ander maakt er ‘ombuigen’ van, een andere richting nemen, ook dat klinkt positief. Tijdens een wandeling door mijn woonplaats Venlo werd mij duidelijk dat overheidscommunicatie ook op een andere manier lastig kan zijn.

Door de borden het bos niet meer zien

Hoe dat mij duidelijk werd? Bekijk de bijgevoegde foto. Op één punt zeven borden die mij iets duidelijk proberen te maken. Laat ik met de borden aan de rechterkant beginnen. Een goede lezer begint bovenaan de bladzijde: “Parkeervakmarkering ontbreekt.” Nu ken ik de situatie in die straat vrij goed en als je goed kijkt, dan zie de parkeervakmarkering.

Op het bord eronder lezen we: “Uitbreiding zone betaald parkeren ingangsdatum 01-01-2018.” Zou het taalkundig gezien niet logischer zijn om beide borden om te wisselen? Dat even terzijde. Zoals gezegd ken ik de situatie vrij goed en de straat waarvoor het bord staat valt al bijna twintig jaar in de betaald-parkeren-zone, dus hoezo uitbreiding? Deze twee borden geven misleidende informatie.

Dan de bordenreeks links, weer van boven naar beneden. Als eerste het bord met de hand en de munt, we gaan dus een betaald-parkeren-zone in. Oké dat begrijp ik. Dan het tweede, we gaan een betaald-parkeren-zone in. Oké, maar dat wisten we toch al, want dat vertelde het bovenste bord ons. Het derde bord. We verlaten een zogenaamde ‘blauwe zone’, een gebied waar je een parkeerschijf voor je voorruit moet leggen en je maximaal twee uur mag parkeren. Mooi dat we dat weten, maar is het niet logisch dat die zone eindigt als we een betaald-parkeren-zone ingaan? Iets wat de bovenste twee borden ons al lieten weten. De ene zone eindigt immers waar de andere begint.

Nu wordt het pas echt interessant, de laatste twee borden. Het vierde bord van boven verbiedt ons om van deze zijde deze straat in te rijden. Het vijfde, onderste, bord: fietsers mogen wel van deze kant de straat in. Als fietser heb je niets met die borden over de parkeersituatie. Als automobilist mag ik van deze zijde de straat niet in rijden, wat moet ik dan met die andere borden? Die borden geven informatie waar ik niets aan heb. Zeven borden waarvan vijf voor Piet Snot. Een gevalletje van door de ‘borden’ het bos niet meer zien?

Christus en de Inquisitie

Soms lees ik iets en dan vraag ik me af of ik het wel goed heb gelezen. Zoiets gebeurde me dit weekend toen ik bij De Correspondent de ‘bijsluiter’ las bij een luisterinterview (podcast met een modern woord) van Lex Bohlmeijer met Simone Zeefuik. Zeefuik is een van de initiatiefnemers van Decolonize the Museum, een club die: “musea confronteert met hun tekortkomingen wat betreft het koloniale verleden.”

InquisitieIllustratie: Wikimedia Commons

Aanleiding voor het interview was de tentoonstelling Heden van het slavernijverleden in het Tropenmuseum waaraan Zeefuik heeft meegewerkt. In het interview houdt Zeefuik een pleidooi voor ander taalgebruik, niet spreken over slaven maar tot slaaf gemaakten. “In het woord ‘slaaf,’ zit daar niet het idee in dat het om een specifiek type mens gaat dat voorbestemd was om de anderen te dienen? Goed om er bij stil te staan,” aldus Bohlmeijer. Of: “het zinnetje ‘Columbus ontdekte Amerika,’ zoals we dat allemaal op school leerden. Sluipt daar niet stiekem de gedachte in mee, dat Amerika daarvoor niet eens bestond?” Bij mij niet in ieder geval. Ontdekken zegt in dit geval iets over het perspectief van de ontdekker, niet over het zogenaamde ‘ontdekte’ want dat was er al. Zo vielen de appels ook al van de boom voordat Newton de zwaartekracht ontdekte en niet pas na zijn’ ontdekking’.

Over de dekolonisatie en musea wil ik het niet hebben, wel over zorgvuldig taalgebruik en nadenken bij hetgeen je zegt of schrijft. In de bijsluiter las ik het volgende:

“Of internationaal befaamde wetenschappers als Charles Darwin en Carl Linnaeus – die in feite het racisme wetenschappelijk handen en voeten hebben gegeven.” 

En ook in het luisterinterview werd dit zo gezegd.

Nu kan van Linnaeus worden gezegd dat hij de mens in zijn Systema Naturae in vijf groepen indeelde en die groepen beschreef en bij die beschrijving kunnen vraagtekens worden geplaatst, zoals bij ieder beschrijving. Ter verdediging van Linnaeus kan worden aangevoerd dat hij de mens als geheel bij de zoogdieren indeelde, iets waar velen tegenwoordig nog moeite mee hebben. Darwin is bekend van zijn boek On the Origins of Spiecies, waarin hij het principe van de natuurlijke selectie beschrijft. Het principe dat de best aan de omstandigheden aangepaste (the fittest) zullen overleven en als je terug redeneert, dat alle leven een gemeenschappelijke oorsprong heeft.

Het denken van bijvoorbeeld Darwin werd en wordt door lieden met minder fraaie bedoelingen ge- of eigenlijk misbruikt, dat is mij bekend. Dat zij hun eigen superioriteit ermee verklaren en de inferioriteit van anderen zal ik niet ontkennen. Maar dat Darwin en Linnaeus daarmee het racisme ‘wetenschappelijk handen en voeten’ hebben gegeven, is dat niet een paar stappen te ver? Komt dat niet op hetzelfde neer als Karl Marx de Goelags van de Sovjet Unie in de schoenen schuiven? Of Christus verantwoordelijk houden voor de Inquisitie?

 

Zwijgen is goud

Iedere dag struin ik diverse media af op zoek naar iets interessants, nieuws of iets geks waarbij wat vragen gesteld kunnen worden. Vandaag kwam ik een bij ThePostOnline de volgende kop tegen: “Verschillig en verbindend VARA-lid wil leger op Geenstijl.nl afsturen.” Eronder een weinig smakelijke tekst die een reageerder op de site Joop onder een artikel had geplaatst: “In elk geval: wat een zegen voor de natie. Als Willem-Alexander wat lef in zijn donder heeft, stuurt hij meteen een paar pantserwagens en helicopters naar ze toe: mond snoeren, afvoeren en inkerkeren.” De ‘ze’ waar het over gaat is de site GeenStijl.nl.

schelden

Illustratie: Wikimedia Commons

De Ballonnendoorprikker zou dergelijke teksten nooit schrijven. Een klein onderzoekje bij ThePostOnline leverde de volgende teksten op waarvan de honden ook geen brood lusten. Als eerste: (…) is op de wereld gekomen met het uiterlijk van een volgescheten opblaaspop. Daar is op zich niets op tegen. Ware het niet dat er kennelijk met de inhoud van zijn schedel ook iets ernstig is misgegaan. Uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat bij het openen van zijn schedel geen hersenen zijn aangetroffen maar een glioom ter grootte van een handbal . …” Op de plek van de puntjes volgen nog enkele van dergelijke ‘literaire’ hoogstandjes. Of op een andere plek die de wet van Godwin weer eens bewijst: “Wanneer pakken ze deze krankzinnige eens op? Hij wordt steeds gekker. Lijkt Adolf wel.” De ‘krankzinnige’ is Eurocommissaris Frans Timmermans. De volgende is vergelijkbaar met de uitspraak van de reageerder bij Joop: “Als Willem-Alexander een beetje lef in zijn donder had, dan stuurde hij het leger naar Amsterdam om alle ambtenaren op te pakken zodat die in een diepe kerker kunnen nadenken over hun daden.” Ik weet niet wie van de twee reageerders het eerste was met zijn reactie want ik voel een plagiaat-zaak aankomen. Verwijt hier al bij al de Pot (ThePostOnline) de ketel (Joop) niet dat hij zwart ziet?

Vier voorbeelden. Ja, in Nederland hebben we gelukkig de vrijheid om onze mening te uiten en ja, het ‘debat’ moet op het scherpst van de snede worden gevoerd allemaal waar.  Maar, is dit ‘scherp’ debatteren? Moeten we dergelijk beledigend gescheld als ‘mening’ kwalificeren? Hoe luidt dat spreek woord ook al weer? Spreken is zilver, zwijgen is … .

Het gaat om ons!?

Beste heer Van Erven Dorens, ik zag uw gesprek met AD-columniste Ajari en de andere ‘tafelgenoten’. Ajari schreef in haar column in het AD dat de ramp met MH17 haar niets deed, dit in tegenstelling tot het ongeluk dat Ajax-voetballer Nouri trof. Zij vroeg zich af hoe het kon dat het ene haar raakte en het andere niet.

rouw

Foto: Pixabay

Een interessante vraag die best gesteld mag worden. Natuurlijk kan het stellen van de vraag via de vergelijking die Ajari maakt, mensen pijn doen. Dat maakt het nog niet verboden om die vraag te stellen. Het antwoord op die vraag is waarschijnlijk eenvoudiger dan menigeen denkt en heeft waarschijnlijk met nabijheid te maken. Waarom doen dertig dode Irakezen na een aanslag de gemiddelde Nederlander minder dan dertig dode westerlingen? Waarom wordt er na een aardbeving op het Griekse eiland Kos bij vermeld dat er geen Nederlanders onder de slachtoffers zijn? Zijn Nederlandse doden erger dan Belgen, Duitsers of Grieken? En ik moet eerlijk bekennen dat de ramp met het vliegtuig mij ook niet in diepe rouw dompelde. Ik vond het erg voor de direct betrokkenen, veel meer ook niet. Net zoals ik een dode bij een auto-ongeluk erg vind voor de nabestaanden. Ik werd niet overmand door diepe gevoelens van rouw. Ben ik dan harteloos? Als dat zo is, dan vraag ik me af waarom ik steevast moeite heb om mijn tranen te onderdrukken als ik een uitvaart bijwoon en ik hoor een van de nabestaanden over de overleden persoon spreken en wat die persoon voor hem of haar heeft betekend.

Om deze vraag en het antwoord gaat het mij echter niet. het gaat mij om een uitspraak die u in dit gesprek doet en wel de volgende: “Het gaat niet alleen om nabestaanden, het gaat ook om ons, een heel land.”  Beste meneer Van Erven Dorens, beweert u, door dit zo te formuleren, dat mevrouw Ajari niet bij die ‘ons’ hoort, dat zij niet bij ‘het hele land’ hoort? Dat zij niet bij Nederland hoort? Sluit u haar uit?

Wilt u in het vervolg namens uzelf spreken en misschien ook nog namens mensen die u hebben gemachtigd om namens hen te spreken. Nu doet u het voorkomen alsof u ook namens mij spreekt en dat doet u niet. Ik hoor niet bij uw ‘ons’.

Trainer of getrainde

Na de aanslagen van elf september 2001 vielen de Verenigde Staten Afghanistan binnen, dit omdat het Al Qaida van Osama bin Laden zich in dat land schuilhield en werd beschermd door de Talibanregering in dat land. Die inval werd een succes en de Talibanregering en Al Qaida werden verdreven. Alhoewel succes, Afghanistan is nog steeds een instabiel, de Taliban zijn nog springlevend en actief en de centrale regering is nog steeds zwak. Lokale heersers en potentaten maken de dienst uit en sluiten zich aan bij de partij die hen het meeste voordeel oplevert.

brits afghaanse oorlog

Illustratie: winsomegriffin.com

Sinds die inval opereren NAVO-toepen in het land. Die activiteiten worden in Nederland ‘opbouwmissie’ (Uruzgan) of ‘ politietrainingsmissie’ (Kunduz) en ook andere landen doen er vrolijk aan mee. Iedere keer als een missie eindigt, dan verdwijnt de gebrachte ‘ stabiliteit’ als sneeuw voor de zon en rukken de Taliban weer op. Nu zijn er nog zo’n 13.000 NAVO-militairen actief in het land en dat schijnen er niet genoeg te zijn. Er moeten er zo’n 3.000 tot 5.000 bijkomen en ook deze keer niet om te vechten maar het centrale leger van Afghaanse regering te ‘trainen’ zo valt bij nos.nl te lezen.

Mooi die eufemismen die worden gebruikt. Het doet denken aan de ‘politionele acties’ van Nederland in Indonesië na de Tweede Wereldoorlog. De 140.000 Nederlanders die toen werden gestuurd, waren alles behalve politie-agenten. Het waren gewoon militairen die een oorlog moesten gaan voeren. Of neem de ‘adviseurs’ die de Verenigde Staten naar Vietnam stuurden. Op het hoogtepunt waren er bijna 600.000 waarvan 535.000 uit de Verenigde Staten. Ongeveer 1 adviseur op nog geen anderhalve Zuid-Vietnamese soldaat., dat was nog eens persoonlijk advies.

Nog wranger is dat Al bijna twee eeuwen wordt geprobeerd om grip te krijgen op het gebied dat we Afghanistan noemen. De Britten hebben het zonder veel succes geprobeerd, daarna probeerde Sovjet Unie ook die kwam bedrogen uit. De Afghaanse oorlog en de erop volgende ‘nederlaag’ was een van de oorzaken van het uit elkaar vallen van de Sovjet Unie. Sinds 2001 pogen de Verenigde Staten en de NAVO om het land te beheersen en zoals we zien tot nu toe zonder succes.

Het huidige eufemisme is dus dat er ‘trainers’ worden gestuurd. Niet Dick Advocaat en Ruud Gullit, die moeten het Nederlands Elftal gaan trainen, maar militairen. Moeten die de Afghanen leren vechten? Dat lijken ze zelf zeer goed te kunnen. Of zou het juist andersom zijn, dat de trainers training gaan volgen bij de getrainden?