Trainer of getrainde

Na de aanslagen van elf september 2001 vielen de Verenigde Staten Afghanistan binnen, dit omdat het Al Qaida van Osama bin Laden zich in dat land schuilhield en werd beschermd door de Talibanregering in dat land. Die inval werd een succes en de Talibanregering en Al Qaida werden verdreven. Alhoewel succes, Afghanistan is nog steeds een instabiel, de Taliban zijn nog springlevend en actief en de centrale regering is nog steeds zwak. Lokale heersers en potentaten maken de dienst uit en sluiten zich aan bij de partij die hen het meeste voordeel oplevert.

brits afghaanse oorlog

Illustratie: winsomegriffin.com

Sinds die inval opereren NAVO-toepen in het land. Die activiteiten worden in Nederland ‘opbouwmissie’ (Uruzgan) of ‘ politietrainingsmissie’ (Kunduz) en ook andere landen doen er vrolijk aan mee. Iedere keer als een missie eindigt, dan verdwijnt de gebrachte ‘ stabiliteit’ als sneeuw voor de zon en rukken de Taliban weer op. Nu zijn er nog zo’n 13.000 NAVO-militairen actief in het land en dat schijnen er niet genoeg te zijn. Er moeten er zo’n 3.000 tot 5.000 bijkomen en ook deze keer niet om te vechten maar het centrale leger van Afghaanse regering te ‘trainen’ zo valt bij nos.nl te lezen.

Mooi die eufemismen die worden gebruikt. Het doet denken aan de ‘politionele acties’ van Nederland in Indonesië na de Tweede Wereldoorlog. De 140.000 Nederlanders die toen werden gestuurd, waren alles behalve politie-agenten. Het waren gewoon militairen die een oorlog moesten gaan voeren. Of neem de ‘adviseurs’ die de Verenigde Staten naar Vietnam stuurden. Op het hoogtepunt waren er bijna 600.000 waarvan 535.000 uit de Verenigde Staten. Ongeveer 1 adviseur op nog geen anderhalve Zuid-Vietnamese soldaat., dat was nog eens persoonlijk advies.

Nog wranger is dat Al bijna twee eeuwen wordt geprobeerd om grip te krijgen op het gebied dat we Afghanistan noemen. De Britten hebben het zonder veel succes geprobeerd, daarna probeerde Sovjet Unie ook die kwam bedrogen uit. De Afghaanse oorlog en de erop volgende ‘nederlaag’ was een van de oorzaken van het uit elkaar vallen van de Sovjet Unie. Sinds 2001 pogen de Verenigde Staten en de NAVO om het land te beheersen en zoals we zien tot nu toe zonder succes.

Het huidige eufemisme is dus dat er ‘trainers’ worden gestuurd. Niet Dick Advocaat en Ruud Gullit, die moeten het Nederlands Elftal gaan trainen, maar militairen. Moeten die de Afghanen leren vechten? Dat lijken ze zelf zeer goed te kunnen. Of zou het juist andersom zijn, dat de trainers training gaan volgen bij de getrainden?

Feiten en fictie

In de Volkskrant pleit Jannet Vaessen, directeur van WOMEN Inc., ervoor dat mediaprofessionals erkennen dat ze niet neutraal zijn. Mediaprofessionals hebben ook denkbeelden en vooroordelen die doorsijpelen in hun berichtgeving. Vaessen: “Het wordt tijd dat mediamakers naast hoor- en wederhoor en het checken op feiten ook het controleren op onbewuste vooroordelen – noem het een ‘bias-check’ – tot een cruciaal onderdeel van de journalistieke gereedschapskist maken.” Een terecht pleidooi als de media en mediapersoonlijkheden of neutraal en objectief beweren te zijn. De meeste media en mediapersoonlijkheden beweren gelukkig niet dat ze neutraal een objectief zijn.

hannah-arendt

 Illustratie: AZ Quotes

In haar betoog doet Vaessen een heel bijzondere uitspraak: “Feiten zijn belangrijker dan meningen, klinkt het dan. Maar ook feiten zijn niet neutraal. Alleen gedegen duiding maakt feiten interessant en relevant voor een verhaal. Duiding door mensen die, met al hun onbewuste vooroordelen, juist allesbehalve neutraal zijn.” Hier moest ik toch even een paar keer met mijn ogen knipperen. Het staat er echt: ‘feiten zijn niet neutraal’.

Beste mevrouw Vaessen, feiten zijn en blijven juist wel neutraal. Bij het door u aangehaalde voorbeeld van de bezoekersaantallen bij de inauguratie van Trump, kun je allerlei redeneringen uit de kast halen die verklaren waarom er op foto’s minder mensen stonden dan bij Obama. U schrijft: “Is het nou écht het meest interessant om de focus te leggen op de aantallen bezoekers op het plein? Misschien waren er wel voor het eerst heel veel laagopgeleide bezoekers die hiervoor nooit eerder kwamen? En bleven de mensen eigenlijk langer of korter dan vier jaar geleden? Hadden ze meer of minder contact met de andere bezoekers? Media buitelen de afgelopen dagen over elkaar heen met feiten en berekeningen over volkstellingen en metroverkeer om zo hun eigen betrouwbaarheid en neutraliteit te tonen. Maar over het waarom achter de keuze om de bezoekersaantallen zo uit te lichten, gaat het maar weinig.”

In antwoord op de eerste vraag, nee dat is niet interessant. Het werd interessant door reactie erop van Trump, door Trumps duiding. Daarmee creëerde hij een ander feit. In antwoord op al de andere vragen en opmerkingen, het kan allemaal waar zijn en iets verklaren net als de meest eenvoudige verklaring dat er werkelijk minder mensen waren. Feit blijft dat er op de foto’s minder mensen staan dan bij Obama. Dat verandert niet. Feiten zijn en blijven neutraal, de duiding is subjectief.

What are words worth?

Het commentaar in de Volkskrant behandelt de participatiesamenleving. “… ouderen en zieken moeten niet meer meteen bij de overheid aankloppen, maar hun zorg voortaan zo veel mogelijk zelf organiseren, met behulp van hun sociale netwerk en hun eigen geld.,” met dat streven is volgens de krant niets mis, alleen blijkt de regelgeving van diezelfde overheid dat niet altijd in de hand te werken. Dit commentaar deed mij denken aan een van mijn eerste columns, geschreven voordat deze site de lucht in ging. De titel luidde Uitsluiten met woorden. En omdat hij nog steeds actueel is, publiceer ik hem nog een keer.

“Muren zijn de stenen manifestaties van uitsluiting, intolerantie en ongelijkheid,” woorden van Edith Tulp, gastcollumniste in de Volkskrant. Muren zijn hard, je ziet ze en ze blokkeren je. Taal kan net zo uitsluitend, intolerant en ongelijk zijn. Alleen zie je het niet, het werkt sluipend, maar is uiteindelijk net zo hard als een muur.

Een goed voorbeeld hiervan (er zijn er vele) is het begrip participatiesamenleving. In de diverse beleidsnota’s en brieven wordt dit begrip omschreven als een samenleving, waarin iedereen die dat kan, verantwoordelijkheid moet nemen voor zichzelf en zijn of haar leefomgeving. Dit klinkt positief. Waar zit dan die uitsluiting en intolerantie?

Die zit in de samentrekking van de woorden participatie en samenleving. Om te beginnen met samenleving. Van een samenleving maakt iedereen deel uit die zich erin bevindt; jong en oud, man en vrouw, gezond en ziek, rijk en arm. Er zijn geen uitzonderingen. Alleen al door er te zijn, acteer je in de samenleving.

Door er participatie aan toe te voegen gebeurt er iets bijzonders. Participatie betekent deelnemen en zo staat er deelnemen aan de samenleving. Hierdoor  ontstaat ook de ontkenning ervan, het niet-deelnemen aan de samenleving. Iets dat eigenlijk niet kan, maar door het toevoegen van het woord participatie kan het ineens wel. Zo kunnen mensen en groepen worden benoemd die niet bij de samenleving horen, die niet deelnemen en kunnen mensen dus worden buitengesloten.

Wie worden er buitengesloten? Werkelozen, mensen met gebreken, mensen met een ander geloof, criminelen.  Mensen die afwijken van de norm. Mensen die ‘iets’ moeten doen en ‘aantonen’ om wel ‘bij de samenleving‘ te horen. Dit wordt bevestigd door een overheid die een wet ‘Participatiewet’ noemt. Een wet die aangeeft wat bepaalde mensen moeten doen om bij de samenleving te horen.

Wat ben ik?

Nog iets naar aanleiding van het verkiezingsprogramma van het CDA. Na het lezen van het programma, kwam de vraag bij mij op of je als vluchteling ook een ‘inburgeringsplicht’ hebt?

wie-is-wieIllustratie: Upcoming

Deze vraag kwam bij me op omdat het programma verwarring oproept. Een vluchteling, of ik moet eigenlijk zeggen ‘werkelijke vluchteling’ want alleen die zijn nog welkom in Nederland, krijgt: “een ontheemdenstatus” Wat het verschil is tussen een vluchteling, die in de regio moet worden opgevangen, en een ‘werkelijke vluchteling’, daarover laat de partij zich niet uit. Zo’n onderscheid roept als vanzelf de vraag op wat er moet gebeuren als er ineens te veel ‘werkelijke vluchtelingen’ voor de deur staan? Komt er dan een nieuwe definitie de ‘echt werkelijke vluchteling’? Maar ik dwaal af, of eigenlijk ook niet, want naast vluchtelingen, ‘werkelijke vluchtelingen’, zijn er asielzoekers, nieuwkomers, reguliere migranten, wat meteen impliceert dat er ook niet-reguliere migranten zijn.

Want voor: “reguliere migranten geldt een strikt beleid van toelating en inburgering.”  Voor niet-reguliere migranten dan niet? Zijn die gewoon welkom of juist niet? Nieuwkomers: “die hier mogen blijven zijn via de inburgeringsplicht als eerste zelf verantwoordelijk voor hun integratie.” Omdat zowel de ‘reguliere migrant’ als de ‘nieuwkomer’ moet inburgeren zou je kunnen concluderen dat een nieuwkomer een reguliere migrant is. De inburgering eindigt met het Nederlanderschap: “Als kroon op de integratie hechten wij een groot belang aan een plechtige inburgeringsceremonie om de naturalisatie tot Nederlander te markeren.”

De ‘werkelijke vluchteling’ krijgt dus een ontheemdenstatus: “ waarbij enerzijds de vluchteling de ruimte krijgt om zich via opleiding of (vrijwilligers)werk te ontwikkelen, maar anderzijds vanaf het begin af aan eerlijk en duidelijk wordt vermeld dat het verblijf hier tijdelijk is” ‘Werkelijke vluchtelingen’ mogen hier niet blijven, ze zijn slechts tijdelijk welkom en dat tijdelijk kan ieder moment eindig zijn. Zijn ‘werkelijke vluchtelingen’ dan een vorm van niet-reguliere migranten? Die komen zeker niet in aanmerking voor die ‘kroon’. Daarmee ook geen plicht tot inburgering? Want moet de ‘werkelijke vluchteling’ zich niet voorbereiden op terugkeer?

Veel gegoochel met woorden dat het er helaas niet duidelijker op maakt. En wat gebeurt er trouwens met hier geboren kinderen van ‘werkelijke vluchtelingen’ die al jaren hier verblijven, als hun ouders terug moeten?

Cognitieve dissonantie

Volgens Sietske Bergsma, zo schrijft ze bij ThePostOnline, heeft een groot deel van Nederland last van cognitieve dissonantie. Wat? “Het ongemakkelijke gevoel dat we hebben als iets wat we geloven of hopen wordt tegengesproken door de feiten, of als ons gedrag niet overeenkomt met het positieve beeld dat we van onszelf hebben.” Omdat onze hersenen niet kunnen leven met dergelijke tegenstrijdigheden, wordt de waarneming of tegenspraak aangepast of ‘in overeenstemming gebracht’ met het geloof of eigen beeld. De roker die de gezondheidsschade van roken bagataliseert door te  verwijzen naar zijn opa die met twee pakjes sigaren honderdenvijf is geworden.

cognitieve-dissonantieIllustratie: www.kennislink.nl

Terecht wijst Bergsma erop dat cognitieve dissonantie gevaarlijk kan zijn omdat: “Door een vertrouwd wereldbeeld (en niet de mens zelf) in bescherming te nemen, hoeven de nieuwe feiten niet echt bij mensen binnen te komen, en zo hoeft niemand ergens actie op te nemen.”

Volgens Bergsma leidt een groot deel van Nederland hieraan. Welk deel? De wandelaars van de ieder1-mars bijvoorbeeld. De aanhangers van: “het nieuwe, activistische geloof in het behoud van een vrij, blij, vredig en divers Nederland.” Een geloof dat steeds meer: “in een wanverhouding (komt) te staan ten opzichte van de feiten: onrustige wijken, terreurdreiging, groeiend anti-semitisme, overbevolking, een stuurloze EU, Trump, steeds meer islam in de publieke ruimte en -hoewel dat allerminst een feit is, noem het een stevig gerucht- het algehele gevoel dat Nederland zijn identiteit verliest.” De ‘gelovigen’ passen deze werkelijkheid aan: “Dan krijg je na een aanslag ‘feiten’ over bijvoorbeeld de kans dat zo’n noodlot jou treft, dat die klein is en dat er in de middeleeuwen ook vreemdelingen naar ons land kwamen.”

Ook bij ThePostOnline krijgt zij bijval van Sid Lukkassen. Hij ziet Nederland uiteen vallen in vier zuilen: de Kosmopolitisch/Postmodern/Progressief; de Islam; de Biblebelt/SGP/ChristenUnie, en de Soevereine patriotten/humanistisch realisme/post-progressieven. Ronkende beschrijvingen. Alleen de laatste groep, waartoe: “geaarde mensen die bespiegelingen als die van Bergsma serieus nemen en met interesse lezen” behoren, leidt niet aan cognitieve dissonantie. De groep waartoe Lukkassen zelf behoort. Vandaar natuurlijk ook de woorden realist en soeverein in de omschrijving, dan zijn de andere groepen immers irreëel.

Nu lees ook ik de bespiegelingen van Bergsma en de verhalen van Lukkassen en ik ken het begrip cognitieve dissonantie daarom stel ik ook overal vragen bij. Dus ook bij de analyse van Bergsma. Zou het werkelijk zo zijn dat alleen deze mensen, die het niet met Bergsma en Lukkassen eens zijn, aan cognitieve dissonantie leiden? Zouden Bergsma en Lukkassen er zelf niet ook last van kunnen hebben?

Curvy en hörny

Al vaker schreef ik over de kracht van taal. Taal die mensen kan in- of buitensluiten. Woorden waarmee de gebruikers (of de uitvinders) ervan een positieve draai willen geven aan iets wat eigenlijk als minder niet zo positief wordt gezien. Zo schreef ik over het woord ‘participatiesamenleving’ en integratie en inburgering het gebruik van de woorden autochtoon en allochtoon. Vandaag een luchtigere variant van verhullend taalgebruik.

CurvyFoto: www.vrouwblog.nl

Alhoewel luchtiger? Is het juist minder luchtig zijn niet het probleem van wat de, in de financiële problemen verkerende modeketen, MS Mode ‘curvy vrouwen’ noemt? Toch vreemd dat die keten in de problemen zit, terwijl de eigenaar een half jaar geleden de failliete boedel van V&D over wilde nemen, maar daar gaat het nu niet om.

Nu kenmerkt het menselijk lichaam in het algemeen en het vrouwelijke iets meer dan het mannelijke, zich door rondingen en welvingen. De ene vrouw heeft wat grotere dan de andere, ze is wat gevulder, maar ze hebben ze allemaal. ‘Curvy’, het klinkt exotiser en vriendelijker dan ‘gezet’, ’fors’, of het eerder gebruikte bijvoeglijk naamwoord ‘voller’. Bovendien is het korter dan ‘vrouwen met een grote kledingmaat’. Over het gebruik van het woord ‘dik’ zullen we maar zwijgen.

‘Curvy,’ een creatieve vervorming van het Engelse woord ‘curve’ dat: “1. gebogen lijn, kromme, curve, boog 2. bocht (in weg) 3. ronding, welving (van vrouw),” betekent. In dit geval de derde betekenis, dus een vrouw met rondingen en welvingen.

Als ‘curvy vrouw’ staat voor de wat forsere, wat gezettere, vollere vrouw, hoe moeten we dan de slankere vrouw noemen? Niet gewelfd maar hoekig, of in goed Nederengels ‘Angly vrouw’? Of wellicht moeten we naar het Zweeds kijken, een hoek is een hörn en dat maakt het de ‘hörny vrouw’. Of gaat dat de marketingmensen te ver?

Zelfredzame overheid

Zelfredzaamheid. Een woord dat tegenwoordig een centrale rol vervult in overheidsland. We zijn een ‘participatiesamenleving’ een samenleving waarin iedereen meedoet en zichzelf moet redden. Eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid zijn woorden die hierin centraal staan. Zijn er ook samenlevingen waarin niet iedereen meedoet? Dat er aan die zelfredzaamheid het een en ander schort blijkt uit de vele mensen die aanspraak maken op de schuldhulpverlening. In een artikel in de Volkskrant pleit WRR-onderzoeker Will Tiemeijer voor overheidsbeleid dat rekening houdt met  mensen die niet aan de: “veel te hoge verwachtingen heeft van de financiële zelfredzaamheid van mensen,” die de overheid heeft, voldoen.

Sennett

Een prachtig woord zelfredzaam, wie wil het niet zijn? Wie wil er afhankelijk zijn van de goedertierenheid van anderen? Net zoals eigen verantwoordelijkheid, wil er niet zelf verantwoordelijk zijn? Toch wringt er iets.

Laatst las ik het boek De cultuur van het nieuwe kapitalisme van Richard Sennett weer eens. Een boek waarin Sennett, zoals de achterkaft vermeldt: “een haarscherp en genadeloos beeld (geeft) van hoe de nieuwe economie ingrijpt in ons dagelijks leven.” Hij beschrijft hoe bedrijven veel verwachten van hun medewerkers. Werk is gefragmenteerd, veel losstaande activiteiten en dat vraagt veel van medewerkers. De bedrijven verwachten ‘zelfdiscipline zonder afhankelijkheid’. Klinkt dat niet verdacht naar ‘zelfredzaamheid’ en ‘eigen verantwoordelijkheid’? De cultuur van ‘het nieuwe kapitalisme’ is ook de cultuur achter het overheidsbeleid.

Sennett ziet een risico en waarschuwt op pagina 52: “Maar het is helemaal niet zo onschuldig de zelfredzaamheid te prijzen. Het bedrijf hoeft dan niet meer na te denken over zijn eigen verantwoordelijkheid jegens de werknemer.” Cru geformuleerd, de bedrijven nemen hun ‘eigen verantwoordelijkheid’ niet. Zou dat dan ook opgaan voor de overheid? Neemt de overheid haar verantwoordelijkheid in onvoldoende mate en is zij daarom niet zelfredzaam? Een interessante vraag.

In de retoriek legt de overheid de nadruk op wat zij van de burgers verwacht. Net zoals de bedrijven aangeven wat zij van werknemers verwachten. Zou de overheid niet haar verantwoordelijkheid moeten nemen en zelfredzaamheid moeten tonen door duidelijk aan te geven wat zij doet en wat de burgers van haar kunnen verwachten?

Om John F. Kennedy te parafraseren: “Ask not what your citizens can do for you, but what you do for your citizens!”