Uitgelicht

‘Corona-heffing’

“Schuld haalt energie van de toekomst naar het heden. Daar staat tegenover, dat door te sparen energie uit het verleden kan worden vergaard en naar de toekomst kan worden gestuurd.” Dit schrijft Tomáš Sedláček op pagina 109-110 van zijn boek De economie van goed en kwaad. Hij ziet schulden aangaan als een vorm van tijdreizen. Ik moest hieraan denken toen in de Volkskrant een klein interview las met de directeur van de Nederlandsche Bank Klaas Knot. Knot zegt daarin: “Ik stel dat op iedere vergadering aan de orde. Maar duidelijk is dat de regels van het Verdrag van Maastricht permanente monetaire financiering van eurolanden verbiedt.” Het ‘dat’ is de afwikkeling van het opkopen van schulden door de Europese Centrale bank (ECB).

Om welke bedragen gaat het dan? “De ECB heeft tot nu toe voor 2,6 biljoen (2600 miljard) obligaties in het eurosysteem opgekocht. Dat loopt dit jaar door nieuwe opkoopprogramma’s op tot 3,6 biljoen op een totale schuld van 10 biljoen euro.” De totale schulden van de Eurolanden bedragen dus zo’n 10 biljoen en daarvan heeft de ECB er nu al 2,6 biljoen opgekocht. En dan niet alleen van de ‘zwakke Zuid-Europese Eurolanden’. Nee: “Van de Nederlandse staatsschuld van 400 miljard is al eenderde in handen van de ECB.” Er gaan dagen in mijn leven, tot nu toe alle, voorbij dat ik een dergelijk bedrag niet tot mijn beschikking had. We hebben in het verleden daarmee flink toekomstige energie tot ons genomen. Die moet ooit worden afgelost en daarover betalen we rente. In Kapitaal en Ideologie onderzoekt Thomas Piketty ongelijkheid in het verleden en in verschillende samenlevingen. In dit boek beschrijft Piketty verschillende manieren waarop er in het verleden met schulden werd omgegaan. Misschien biedt dit aanknopingspunten voor het beantwoorden van Knots vraag. Daarom hieronder de opties. 

Een eerste variant is afbetalen. Dan betalen onze nakomelingen Sedláčeks ‘energierekening’. Om die rekening te kunnen betalen moet een land een overschot hebben op de begroting en dat overschot moet worden besteed aan het betalen van de rente op, en het aflossen van de schuld. Een goed voorbeeld van wat het aflossen van een schuld voor een land kan betekenen, is Haïti. Dat land werd in 1804 onafhankelijk van Frankrijk. Dit na de enige succesvolle slavenopstand in de geschiedenis. Nou ja succesvol. Dat succes kwam tegen een enorm hoge prijs. Haïti was begin 19e eeuw de grootste en belangrijkste producent van suiker. Na de onafhankelijkheid verplaatste de suikerproductie zich naar andere eilanden, zoals Cuba, waar slavernij nog ‘normaal’ was. Pas in 1825 erkende kolonisator Frankrijk de onafhankelijkheid en gaf het aan bereid te zijn af te zien van een invasie van het land. Die bereidheid kostte Haïti 150 miljoen goudfranken als vergoeding aan de voormalige slavenhouders. Haïti heeft er tot 1950 over gedaan om die schuld af te betalen en behoort nu tot de armste landen van de wereld.

Aflossen is ook de manier waarop Nederland met de staatsschuld omgaat. Alhoewel aflossen. Als we naar de ontwikkeling van de Nederlandse staatsschuld kijken, dan valt op dat die bijna permanent groeit. Alleen de afgelopen drie jaar is er wat afgelost. Nederland lost niet af, het leent om oude leningen af te lossen en legt de ‘energierekening’ bij de komende generaties. 

De geschiedenis leert dat er ook andere manieren zijn. De meest drastische manier waarop een heerser in vroeger eeuwen zijn schulden kon voldoen, was het uitschakelen van de schuldeiser. Je dood de schuldeiser en zijn familie en er is niemand meer die de schulden komt innen. Een zeer drastische manier met als nadeel dat er niemand meer iets aan je zal lenen. De gedoden kunnen het niet meer en de levenden met een flink vermogen, kijken wel uit om je nog wat te lenen. Trouwens niet alleen vroeger. Het Irak van Saddam Hoessein gebruikte deze variant toen het in augustus van 1990 Koeweit binnenviel. Koeweit was, naast Saoedi-Arabië, een van de belangrijke financiers van Irak toen dat land Iran binnenviel. Koeweit was (en is) als de dood voor het Iran van de ayatollahs dus de Iraakse inval in Iran kon op sympathie rekenen. Het Iraakse verzoek om in ieder geval een deel van die schulden kwijt te schelden, kon op minder sympathie rekenen. Daarop probeerde Irak een schuldeiser uit te schakelen.

Een tweede manier die vroegere machthebbers gebruikten was het ge- en sommigen zullen zeggen misbruik maken van hun muntrecht. Door de hoeveelheid goud of zilver in een munt te verminderen, slonk de schuld. De duizend gouden florijnen die de koning je schuldig was, bevatten ineens minder goud waardoor de koning goedkoper uit was. 

In onze moderne tijd waarin geld geen goud meer bevat maar leeft van vertrouwen, noemen we dit inflatie. Direct na de Tweede Wereldoorlog gebruikte Frankrijk deze manier om de door de oorlog fors gegroeide schuldenlast te laten slinken. Tussen 1945 en 1948 was de inflatie 50% waardoor die schuld als sneeuw voor de zon verdween. Reken maar mee. Na één jaar is de schuld van 100 nog steeds 100 maar je kunt voor die honderd maar voor 50 spullen kopen. Weer een jaar later nog maar 25 en via 12,5 uiteindelijk 6,25. Deze manier kent als nadeel dat je voor het loon wat je verdient, steeds minder kunt kopen. Tenzij natuurlijk de lonen, in het Franse voorbeeld ieder jaar met 50%, stijgen. Dan blijft de koopkracht behouden. De schade wordt op deze manier verplaatst naar degenen die je het geld hebben geleend. Zij krijgen Sedláčeks ‘energierekening’ gepresenteerd. Dat waren in het Franse geval, vooral de zeer vermogende lieden. Daarbij is het goed om te weten dat vermogen voor de twee oorlogen extreem ongelijk was verdeeld. De rijkste 10% bezat in de Europese landen tussen de 85 en 95% van al het vermogen. De rijkste 1% zo rond de 60%. Die konden daarmee wel wat lijden.

Een andere manier om van de schulden af te komen, werd door de Sovjet Unie toegepast. Die verklaarden een nieuwe staat te zijn en niet de rechtmatige opvolger van het Tsarenrijk. Dit betekende dat alle schuldeisers, en dat waren ook veel van die vermogende westerlingen, naar hun centen konden fluiten. Dat ‘fluiten’ deden ze niet zonder slag of stoot. Daarbij werd de ‘kanonneerboot diplomatie’ toegepast. Die ‘diplomatie’ was al verschillende keren met succes toegepast, bijvoorbeeld in China. Als de Chinese keizer leningen niet wilde betalen, dan stuurden alle Westerse landen samen oorlogsschepen en troepen om de keizer weer in het gareel te krijgen. Die leningen waren de Chinezen trouwens opgelegd ter bekostiging van bijvoorbeeld de ‘Opiumoorlog’ die zij van de Engelsen verloren. En ook de kosten van die ‘kanonneerboot diplomatie’ werden weer bij het slachtoffer gelegd. De Verenigde Staten, de Fransen en Engelsen stuurden troepen naar de nieuwe Sovjet Unie. Troepen die aan de kant van de ‘witten’, de aanhangers van de tsaar, streden tegen de ‘roden’, de Sovjets. Deze keer echter tevergeefs, de ‘roden’ wonnen de strijd en de schuldeisers konden fluiten naar hun geld en hun bezittingen in de nieuwe Sovjet Unie. Een mildere variant hiervan is nationalisatie van land en bedrijven. Ook die bieden een mogelijkheid omvat schulden af te komen.

Even terzijde. ’Kanonneerboot diplomatie’ wordt tegenwoordig trouwens nog steeds toegepast. De reactie op de hierboven aangehaalde Iraakse inval in Koeweit zou je in dit licht kunnen zien. Net zoals het zenden van schepen naar de Perzische golf om Iran in het ‘gareel’ te krijgen. De meest voorkomende variant van moderne ‘kanonneerboot diplomatie’ zijn de economische sancties.

Een redelijk recente manier om schulden af te betalen is extra progressieve belastingheffing op vermogen. Deze manier werd voor het eerst na de Eerste Wereldoorlog toegepast. Piketty (pagina 475): “ Al meteen na de Eerste Wereldoorlog, tussen 1919 en 1923, waren in verschillende Europese landen, Italië, Tsjechoslowakije, Oostenrijk en Hongarije onder andere, speciale heffingen op privékapitaal uitgeprobeerd met percentages tot 50% voor de hoogste vermogens. Een van de ingrijpendste maatregelen, die ook het meeste opleverde, lijkt de speciale Japanse heffing van 1946-1947 te zijn geweest met percentages tot 90% voor de grootste effectenportefeuilles. De nationale solidariteitsbelasting waar in 1945 in Frankrijk toe werd besloten valt ook in die categorie, als was de opbrengst bedoeld voor de algemene begroting en niet specifiek om de schuld te verminderen.”  

Als we naar de verschillende manier om met schulden om te gaan kijken, dan is aflossen natuurlijk de meest nette. Alhoewel netste manier? Als je kijkt naar wie dan het gros van de rekening betaalt, dan zijn het vooral de zwakkere schouders die de lasten dragen. Het voorbeeld ‘Haïti’ laat zien dat de rijke Franse slavenhouders volledig werden ‘gecompenseerd’ voor hun geleden schade. Dit terwijl de voormalige slaven de rekening moesten betalen. Dit komt in grote lijnen overeen met de manier waarop we nu met ‘schulden’ omgaan. Neem de recente ‘Eurocrisis’. Wie werden er gered en wie betaalde de rekening? Waren het niet de grote financiële instellingen die werden gered ten koste van bijvoorbeeld de ‘gewone Griek’? Die laatste verloor een groot deel of al zijn inkomen terwijl de ‘Europese kredieten’ de banken redden. Degenen met de grootste vermogens, die 1% en zeker de 0,1% hadden hun schaapjes al naar het veilige ‘droge’ gebracht. Hun belangen werden goed vertegenwoordigd door de banken en de financiële markten.

Het mooie aan een virus zoals het huidige corona is dat het niet discrimineert naar inkomen. Het houdt geen rekening met je vermogen. Dat wil niet zeggen dat vermogende er niet beter voor kunnen staan. Quarantaine in een villa is wat anders dan in een flatje. Zeker als je in die villa je eigen IC kan inrichten. Bij het bestrijden van dit virus, moet iedereen een bijdrage leveren. De arts en verpleegkundige doen dit in het ziekenhuis. Ik door zoveel mogelijk thuis te blijven en door een stuk inkomen in te leveren. Zo moet iedereen zijn deel bijdragen. 

Zou dat niet ook bij het betalen van de rekening moeten gebeuren? En als we dan toch bezig zijn, zullen we daar dan de rekening van de vorige crises niet ook maar in meenemen? Het ‘doden’ van de schuldeisers gaat mij daarbij te ver. Het ‘nationaliseren’ van zaken, zoals patenten (op geneesmiddelen) waarvoor in Keuze na corona  pleit, is meer iets om komende crises te bestrijden. Daar hebben we nu niets meer aan. Inflatie kan helpen om de schuld draaglijker te maken. Dit is zeker aantrekkelijk maar dit moet wel worden gecombineerd met een stijging van de inkomens. Anders betalen de rijken met geld en de armen met hun leven. 

Blijft over de heffing op kapitaal, een ‘Europese corona-heffing’ op vermogen waarmee we de staatsschulden voor het grootste deel afbetalen. Een interessante optie. De vermogende 10 en 1% betaalt de rekening aan zichzelf. De overige 90% draagt de gevolgen van de economische dip. Gevolgen zoals bijvoorbeeld baanverlies.

Uitgelicht

‘Feestzaal Nederland’

Volgens Constanteyn Roelofs gaat het slecht met de traditie. Bij Elsevier schrijft hij: “Over de nationale mythes hoeven we het niet eens te hebben: een systeembombardement van postmoderne ideologen heeft verklaard dat alles wat waarde, structuur en zingeving geeft racistisch, koloniaal, imperialistisch en seksistisch is.” In zijn artikel maakt Roelofs zich zorgen over die tradities maar vooral over het conservatisme. Conservatisme is: “het behouden, doorgeven en versterken van deze elementen.” Gevolg hiervan: “Nederlanders zijn eenzamer dan ooit, in toenemende mate ongeletterd en hoewel de bevolking hoger is opgeleid dan ooit leest niemand meer een boek.” En dat conservatisme hangt in de touwen. Dit terwijl het conservatieve verhaal nodig is: “het liberalisme vertelt maar het halve verhaal, namelijk dat van vrijheid en economie, maar niet van de zaken die een natie bindt.”

Jocushaan. Bron Wikipedia

Nu is er net een nieuw jaar begonnen. De dagen lengen weer en we kunnen verlangend uitkijken naar wat er komen gaat. In de Volkskrant schrijft Iñaki Oñorbe Genovesi over de stortvloed aan themadagen die het jaar 2020 ons te bieden heeft. Zo er een Internationale Herdenkingsdag van de Slachtoffers van Slavernij en de trans-Atlantische Slavenhandel. Goed dat we hier aandacht aan besteden al vraag ik me wel af waarom de trans-Atlantische slavenhandel apart wordt genoemd? Dan lijkt het alsof er slaven en slaven waren. Ik zou liever aandacht besteden aan hedendaagse slavernij. Want, ondanks dat slavernij in de hele wereld is afgeschaft, zijn er nog zo’n 21 miljoen slaven. Tenminste, dat las ik in het boek Het kwaad van Julia Shaw. Daarin las ik ook dat een slaaf tegenwoordig zo’n $ 90 kost en zijn eigenaar gemiddeld  $ 36.000 oplevert. Dan hebben we meteen ook de reden waarom slavernij nog bestaat. Naast nuttige zaken om aandacht aan te besteden zijn er ook volkomen nutteloze zaken die met een dag worden ‘gevierd’. Neem Wereld Nutelladag (5 februari) of de dag van de komkommer (1 juli). 

Bij verlangend vooruit kijken denk ik echter meer aan Vastelaovend en het Venlose Zomerparkfeest. Gebeurtenissen die een jaar kleur en vooral vaste ankerpunten geven. Je verheugt je erop. Nadeel van dat ‘verlangen’ is dat de tijd er sneller door lijkt te gaan. Twee gebeurtenissen die mij en met mij vele andere mensen ‘waarde, structuur en zingeving’ bieden. Het Zomerparkfeest sinds 1977. De Vastelaovend wordt al heel lang gevierd. Als we ‘osse Venlose Jocus’ mogen geloven werd het al 1349 gevierd. Het is dus al eeuwen oud.

Geen ‘nationale myhen’ want de feesten worden niet in het gehele land gevierd. Bovendien zou ‘nationale mythe’ geen juiste benaming zijn voor Vastelaovend omdat de ‘mythe’ ruim aan de ‘natie’ vooraf ging. Nu is dat laatste niet uitzonderlijk. Veel tradities die binnen een natie worden gevierd, zijn ouder dan de natie. Naties zijn trouwens niet de enigen die deze ‘techniek’ gebruiken. Het christendom is groot geworden door deze ‘culturele toe-eigening’ avant la lettre. Zo is de kerstboom die we nu weer het huis uit kieperen, overgenomen van de Germanen en Romeinen. “De groene boom kondigde ook de nieuwe lente aan, een tijd van bloei. Daarom zetten de Germanen tijdens de midwinternacht, de kortste dag van het jaar, een groene boom neer. Vaak in het midden van het dorp. Deze werd dan versierd met appeltjes en andere attributen, die het begin van een nieuw seizoen aanduidden.” Zo is te lezen op de site Historiek. Of neem de naamdagen van katholieke heiligen die ‘toevallig’ samenvielen met een ‘heidens feest’. Dat maakte het accepteren van het geloof wat makkelijker.

Als er iets bijzonder is aan ‘tradities’ dan zijn het wel de ontwikkelingen die ze door maken. Een traditie die zich niet aanpast, is gedoemd te verdwijnen. Neem de Vastelaovend. Die is in de basis nog steeds hetzelfde maar als er niets aan was veranderd, toegevoegd dan was uitgekomen wat in het liedje 2011 uit 1998 werd bezongen: “2011 – Ik bin de nieje prins, ik bin de ganse raod. D’n optoch bin ik ouk, en staon ik langs de straot, dan speul ik muzikant en bin ik mien publiek. Ik lach en böëk as kloon, det mak mich gans allein uniek. 2011, Vastelaovend bin ik zelf.” Het lied werd geschreven in een tijd dat de traditie werd ‘bedreigd’. De schrijver vreesde dat hij in 2011 de enige was die nog Vastelaovend viert.- Daarvan is nu geen sprake meer, de traditie heeft zich vernieuwd zonder het oude te verwerpen. Nieuwe activiteiten waarvan het lijkt alsof ze al ‘eeuwen’ worden gevierd, hebben hun plek gekregen. De muziek vernieuwde zich naar de smaak van de jeugd zonder oude helden als de vorig jaar overleden Sjraar Peetjens te vergeten. We zullen hem zondag 23 februari 2020 missen. Dan verzamelen we ons weer bij Motown om te luisteren naar, maar vooral mee te zingen (of wat daarvoor door moet gaan) met Minsekinder. 

En ja, alle verwijten: “racistisch, koloniaal, imperialistisch en seksistisch” worden ook over deze traditie uitgestort. Die begrijpen echter de kern van de Vasteloavend niet. Twee jaar geleden liep er een hele reeks ‘prinsessen’ mee in de optocht. Zij vonden het tijd worden voor een ‘prinses’ als leider van de de Venlose Vasteloavend. Dan kun je twee dingen doen. Je proberen ‘in te vechten’ om de woorden van premier Rutte aan te halen. Dan zou het kunnen dat je op weerstand stuit. De tweede optie is veel eenvoudiger. Niets weerhoudt hen ervan om een ‘prinses’ uit te roepen en zo de traditie uit te breiden en te vernieuwen. De deelname van de groep prinsessen zou hier een eerste stap in kunnen zijn. Het ‘nieuwe’ en het ‘oude’ zullen zich dan tot elkaar moeten verhouden en dat zal de traditie verrijken.

Het Zomerparkfeest laat zien dat “de xtc-festivals van de D66-liberalen van nu,” uit kunnen groeien tot veel meer dan dat. Het is een evenement van verbroedering en ‘samen’. De hele zaak draait op vrijwilligers en laat zien wat je door samen te werken kunt bereiken. Begonnen als een klein feestje in de Heutszstraat. Ja ook in Venlo is een straat vernoemd naar Heutsz. Het feest verhuisde al snel naar het Julianapark alwaar wat ‘obscure’ bandjes ‘herrie’ maakten op een oplegger. De woorden ‘obscuur’ en ‘herrie’ werden gebezigd door het overgrote deel van de ‘Venlonaere’. Die moesten in de beginjaren niets hebben van dat feest voor ‘hanenkammen’ en ‘losgeslagen’ jeugdigen. Inmiddels is het niet meer weg te denken en zal het park vanaf 13 augustus 2020 weer vier dagen volstromen en zal ‘jong en oud’ genieten van muziek, dans, theater, literatuur, film en natuurlijk een hapje en een drankje. Maar vooral genieten van elkaar omdat we elkaar weer zullen ontmoeten. Ik verheug me al op de zondag onder die grote boom aan die tafel met vrienden. In die veertig jaar heeft het Zomerparkfeest zich ontwikkeld tot een ‘traditie’ die Venlo (ver)bindt. Van een ‘xtc-festival van D66-liberalen’ naar iets van en voor iedereen.

Zomerparkfeest 2016. Eigen foto

Tradities beginnen ergens en ontwikkelen zich of ze worden vergeten. Ze behouden dat wat goed wordt gevonden, hun kern, want die vervult een behoefte. Ze passen hun ‘uiterlijk vertoon’ aan aan de tijd. Doen ze dat niet dan verworden ze tot een anachronisme. Dan verdwijnen ze en worden ze vervangen door iets nieuws wat de achterliggende behoefte vervult. Met tradities die verdwijnen hoeven we geen medelijden te hebben. Nu zijn het Zomerparkfeest en ook Vastelaovend tradities die mensen binden, maar niet alle mensen. Lang niet alle ‘Venlonaere’ hebben iets met deze ‘tradities’. 

Terug naar Roelofs. Hij mist ‘zaken die de natie binden’. Hij lijkt het ‘bindmiddel’ van een natie in het verleden en in ‘gedeelde tradities’ te zoeken. In een gezamenlijke geschiedenis en het ‘samen’ dezelfde feestjes op steeds dezelfde manier vieren. Nu zijn naties van zeer recente datum. De meeste zijn nog geen tweehonderd jaar oud. Als je hun verhalen hoort, lijken ze echter al eeuwen oud. Alles wat er ooit op het grondgebied is gebeurd, zeker als dat groots is of positief, wordt al snel tot de ‘geschiedenis’ van de natie gerekend. Zo maakt het ‘VOC-gebeuren’ een belangrijk deel uit van de geschiedenis van Nederland. Dit terwijl de VOC al was opgeheven voordat Nederland als huidige natie ontstond. Die verhalen en erbij horende ‘rituelen’ zijn bedoeld om mensen te binden en liefst nog ‘trots’ te laten zijn op de natie. En ja, die verhalen staan onder druk. Tegenover die positieve verhalen worden negatieve verhalen verteld. Heutsz, van die straat waar het eerste Zomerparkfeest werd gehouden, werd van held een volkerenmoordenaar. Iets soortgelijks als Coen overkwam. Een ‘natie’ baseren op dergelijke verhalen, maakt haar kwetsbaar en ‘uitsluitend’ en is dat niet wat er nu gebeurt? Door te hameren op de ‘leidende joods-christelijke’ cultuur worden mensen buiten gesloten. Mensen die hier al lang wonen, deel uitmaken van de samenleving en ook niet meer weg willen. Bovendien wordt daarbij vergeten dat de grootste vervolgers van de joden christelijke wortels hadden.

Een paar Prikkers geleden schreef ik over identiteit. Ik haalde daar de filosoof Kwame Anthony Appiah aan. Appiah adviseerde landen om een ‘productieve identiteit’ te formuleren. Een identiteit die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.” Een ‘nationaal bindend verhaal’ dat niet is gebaseerd op ‘duizend jaar geschiedenis’ en ‘tradities’ maar op waarden. Appiah noemde er een: “Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.” Een waarde die rechtstreeks uit onze Grondwet (artikel 6) komt. En laat er daarin nog een paar meer staan. In Nederland is iedereen gelijk (artikel 1), komt iedereen in aanmerking voor een publieke functie (artikel 3), heb je stemrecht om volksvertegenwoordigers te kiezen (artikel 4)), mag iedereen vrij zijn mening uiten (artikel 7), mag je je eigen ‘clubje’ beginnen (artikel 8) en kijken we naar elkaar om (artkel 20). Zouden dit niet betere aanknopingspunten zijn om een ‘natie te binden’? Betere aanknopingspunten dan een geïdealiseerd en geromantiseerd verleden en een feestje als ‘koningsdag’, een feestje zonder verdere inhoudt. Zijn deze waarden niet eigenlijk de kern van de ‘traditie Nederland’? Onder deze waarden kan iedereen zijn ‘naaldboom’ het huis in slepen om iets te vieren. Kerstmis, chanoeka, het suikerfeest en de Venlose Vastelaovend, het kan allemaal in ‘ons land’. Net zoals het ook kan dat je je tot geen van die ‘feesten’ verhoudt. Nederland als een ‘feestzaal’, die iedereen de ruimte biedt om ‘zijn eigen feestje’ te vieren.  Maar wel verwacht dat iedereen zijn eigen ‘slingers’ ophangt.

Black Hawk down

“De man heeft een totaal op hol geslagen moreel kompas.” Dit schrijft Tim Engelbart bij De Dagelijkse Standaard. De man met dat ‘op hol geslagen morele kompas’ is oud-commandant der strijdkrachten Peter van Uhm, de zoals Engelbart hem noemt, “geflipte generaal”. Engelbart reageer op het optreden van Van Uhm bij De Wereld Draait Door. 

Highway of Death Mogadishu. Bron: Wikipedia

Wat had Van Uhm dan gedaan? Van Uhm zei: “Wij hoeven ons niet te laten gaan zoals IS dat doet met de publicaties. Dus stel je nou gewoon een beetje sober op en ook al heb je geen respect voor wat IS en IS aanhangers doen, kun je nog steeds met respect met de doden omgaan.” Dat was tegen het zere been van Engelbart: “Een massamoordenaar. Een genocidepleger. Een verkrachter. Een slavendrijver. Een mensenhandelaar. Een oorlogsmisdadiger. Te weinig respect. Tijd om even tegen je voorhoofd te tikken, ja.”  Waarschijnlijk zal Van Uhm de kwalificaties die Engelbart aan de dode IS-leider toedicht onderschrijven. Van Uhms pleidooi richt zich op het respectvol omgaan met de doden. 

Ik moest denken aan een gebeurtenis uit de jaren negentig van de vorige eeuw in Mogadishu, de hoofdstad van Somalië. Deze gebeurtenis is verfilmd in de film Black Hawk Down. Een Amerikaanse missie om twee hooggeplaatste Somalische spionnen te ontvoeren, liep uit op een fiasco met vele doden. De meeste aan de kant van de Somalische krijgsheer Aidid, het eigenlijke doelwit van de actie. Beelden van dode Amerikaanse soldaten die door de stad werden gesleept, leiden er uiteindelijk toe dat de Amerikanen zich terugtrekken uit Somalië. De Amerikanen waren er een jaar eerder, in 1992, met veel bombarie geland. Bij die landing troffen ze vooral cameraploegen die de landing kwamen filmen. Het voor ‘propagandadoelen’ slepen met de gedode Amerikaanse soldaten werd van alle kanten terecht veroordeeld. Zo zonder respect ging je niet met doden om. 

Ook moest ik denken aan een van de eerste Prikkers die ik schreef. Dat was vlak na aanslag op de Bataclan en het Stade de France in Parijs in 2015. Een Prikker met als titel Ontmenselijking. In die Prikker vroeg ik me af of het verstandig is om mensen te ontmenselijken. Dat vroeg ik me af nadat premier Rutte sprak over ‘idiote barbaren en griezels’ die de aanslagen hadden gepleegd. En de toenmalige Britse premier Cameron die terrorist Jihad John een ‘menselijk dier’ noemde. Ik vroeg me af of: “we zo mensen buiten de gemeenschap van mensen plaatsten? Vernietigen we zo niet alle bruggen? Bruggen die een mogelijkheid bieden voor de ‘IS-aanhangers om terug te keren op hun schreden? Bruggen die ons de mogelijkheid bieden om IS-aanhangers te beïnvloeden?” Nu wil ik daar nog een vraag aan toevoegen. Blijkt beschaving niet juist, zoals Van Uhm betoogt, uit de manier waarop je omgaat met mensen die haar niet delen?

Recht in ‘kromme’ omstandigheden

“De bevrijde die de bevrijder aansprakelijk stelt, verdient moreel en juridisch geen enkel respect. In een rechtvaardige oorlog kan de bevrijder niet aansprakelijk worden gesteld.” Zo. Die uitspraak van rechtsgeleerde Afshin Ellian kunnen de Irakezen zich in hun zak steken. In een artikel bij Elsevier legt Ellian uit dat de Iraakse burgerslachtoffers van het door een Nederlandse F16 uitgevoerde ’precisie bombardement’ dat toch ‘precies’ het verkeerde doel trof, niet bij Nederland moeten zijn. Sterker nog: “De Irakezen moeten de Nederlandse militairen dankbaar zijn voor het verslaan van IS.” 

Bron: Wikipedia

De oorlog was legaal: “De Nederlandse overheid ging in op verzoek van de Iraakse overheid deel uit maken van een coalitie in de strijd tegen IS. Daarnaast vroeg de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties aan alle lidstaten actief deel te nemen aan de strijd tegen IS.” De oorlog was legitiem: “De jihadisten schonden bijna alle regels van jus in bello, het recht dat toeziet op de wijze van oorlogsvoering.”  En Nederland heeft geen oorlogsrecht geschonden: “Zodra er doden vallen, moet Defensie het Openbaar Ministerie (OM) betrekken bij de beoordeling van de eventuele strafwaardigheid van handelingen. Daaruit blijkt telkens dat Nederlandse militairen bij oorlogsvoering alle zorgvuldigheid in acht nemen.” Dat het toch zo verschrikkelijk fout ging, lag aan de omstandigheden: “De militairen kozen voor een nachtelijk bombardement met een lichte bom, juist om burgerslachtoffers te voorkomen. Er was (…) alleen niet bekend dat er meerdere vrachtwagens en grote hoeveelheden springstof aanwezig waren in het gebouw. Die hebben geleid tot aanvullende explosies met vernietigend effect.” Domme pech dus. Als de Irakezen dan toch ergens willen gaan klagen of hun rechts halen, dan moeten ze bij hun eigen regering zijn: “Immers, de Nederlandse krijgsmacht opereerde op verzoek en met goedkeuring van de Iraakse overheid.” Juridisch geen speld tussen te krijgen. 

Alleen zijn die ‘rare’ Irakezen niet dankbaar zo constateert Ellian: “Maar de Irakezen voelen zich niet bevrijd. Dat doet pijn!’’ Pijn, niet bij de Irakezen  maar bij de ‘Nederlanders.“Stelt u zich voor dat in 1950 de Nederlandse nabestaanden van doden die zijn gevallen door bombardementen van de geallieerden, Amerika of Groot-Brittannië aansprakelijk zouden stellen voor het vernietigen van de Duitse bezetter. Ja, daarbij kwam per ongeluk een behoorlijk aantal onschuldige Nederlandse burgers om het leven. Maar wilden we wel of niet worden bevrijd?” ‘Ondankbaar volk die Irakezen’, zo, lijkt Ellian te denken. En vervolgens concludeert hij: “Het recht dat ruimte geeft de bevrijder aansprakelijk te stellen voor oorlogshandelingen tijdens een bevrijdingsoorlog, verdient het niet om als recht te worden beschouwd.” 

Het recht waar Ellian zich op beroept is duidelijk. De VN veiligheidsraad vraagt om actie, de Iraakse overheid ook, dus geen vuiltje aan de lucht. Maar hoe recht is recht in ‘kromme’ omstandigheden? De ‘kromheid’ van de omstandigheden bestaat uit de voorgeschiedenis. Hoe kon het dat IS in Irak voet aan de grond kreeg? Dat was niet het gevolg van, zoals in het Nederland van 40 – 45, van een bezetting door een buitenlandse mogendheid. Het was niet zo dat delen van Irak werden veroverd en bezet door het land IS. Nee, IS was geen land. Het bestond, zoals ik in deel drie van de serie Wat was en IS schreef, uit een combinatie van Arabische Afghanistan-veteranen aan de ene kant. Die werden aangetrokken door: “de Iraakse puinhopen. Die boden hen een mogelijkheid om tegen de ‘grote Satan’ te vechten.” En aan de andere kant: “commandanten van Saddams oude leger,” die allemaal opzij werden geschoven. Zij troffen elkaar in gevangenissen zoals Abu Ghraib en vonden elkaar in hun onvrede met de situatie in Irak. 

Met die commandanten komen we op een volgende aspect van ‘kromheid’. Die commandanten zaten in het gevang omdat de machthebbers, ingegeven door de Verenigde Staten, hen een bedreiging vonden. Zij waren immers van het verslagen leger van Saddam Hoessein. Een leger dat werd verslagen door de ‘Coalition of the Willing’ onder leiding van de Verenigde Staten. Een coalitie die met een zeer dubieuze onderbouwing Irak binnenviel en de regering van dat land afzette. Om de juridische aspecten even te duiden: zonder mandaat van Verenigde Naties noch verzoek daartoe van de wettige Iraakse regering, viel die coalitie een land binnen en bezette het. Voor iedereen die een positie had in het oude Irak was geen plaats meer. Daarmee kwam vooral het soennitisch deel van Irak buitenspel te staan. Na die inval begon een periode van binnenlands geweld en sektarisme dat nog steeds voortduurt. Een periode waarbij het niet uitmaakt of ze door de kat (IS) of de hond (de door de Verenigde Staten gesteunde Iraakse regering) worden gebeten. 

Hoe sterk is het in dergelijk ‘kromme’ omstandigheden om je op het recht te beroepen? Omstandigheden die in het geheel niet vergelijkbaar zijn met de Nederlandse situatie van 40 – 45. 

‘It doesn’t make it alright’

Je moet je doodschamen, gast.” Met die zin eindigt een ‘briefje’ van Jan Dijkgraaf bij TPO aan Arjen Lubach. Waarvoor moet Lubach zich schamen? Daarvoor moeten we naar de uitzending van Lubach op Zondag van 20 oktober 2019. Lubach behandelde de ‘stikstofcrisis’. Op een eenvoudige manier maakt hij duidelijk wat het probleem is. Wat hij vooral duidelijk maakt, is de bijzondere houding van politieke partijen en politici die eerst instemden met alle regels, vervolgens de boeren paaiden door die belachelijk te noemen en de schuld van die crisis bij anderen in de schoenen te schuiven en geen alternatieve oplossingen hebben.

In Lubachs item speelt boer Arjen Schuiling een rolletje. Schuiling sprak tijdens het Groningse protest de woorden: “Hier wordt niemand opgepakt, niemand. En anders halen we die gewoon weer uit de cel. En als er dan een trekker door de pui daar moet, dan doen we het. Wij bepalen vandaag wat er gebeurt, niet de overheid, niet het O.M. Wij bepalen nu het beleid, niet de overheid.” Lubach gebruikte deze uitspraak, naast allerlei andere voorbeelden van ‘humor’ zoals doodskisten met namen van politici erop, om te laten zien dat er bij de protesterende boeren ook wat ‘rare vogels’ rondliepen. Dat Lubach het fragment met Schuilings uitspraak gebruikt, is tegen het zere been van Jan Dijkgraaf.

“Viel het jou ook op dat hij op dat moment wat emotioneel was?” Vraagt Dijkgraaf aan Lubach? Nu waren er wel meer emotionele boeren dus dat was niet zo bijzonder. Toch was hier iets bijzonders aan de hand en dat had het ‘forse redactieteam’ van Lubach moeten en kunnen weten als ze de rest van het interview met Schuiling helemaal hadden bekeken. In dat interview vertelde: “de geëmotioneerde akkerbouwer en paardenpensionhouder (…) dat zijn vader zich acht jaar geleden juist die dag ophing vanwege het toen ook al gekmakende landbouwbeleid. En dat hij wat later bij het Groningse protest aansloot, omdat hij eerst een bloemetje op zijn vaders graf ging leggen.” Een tragedie voor Schuiling en zijn familie en begrijpelijk dat hij daar geëmotioneerd van raakt. Tussen emotioneel zijn en oproepen tot geweld (een trekker door de pui) en het uitroepen van een  ‘boerendictatuur’ uitroepen, want dat is wat Schuiling doet, zit echter een wereld van verschil.

In je emotie doe je soms dingen die niet zo handig zijn. Dat weet iedereen. Het is de vraag of het handig is om je in je emotie te laten interviewen. Dat is een afweging die Schuiling zelf moet maken. Wat zou Dijkgraaf zeggen als de persoon uit de toeterende bruiloftstoet, die in Rotterdam een agent neersloeg, zich verontschuldigde met ‘het is mijn lieveling nichtje en vandaag vijftien jaar geleden overleed mijn tante waarnaar ze is vernoemd’? Dat rechtvaardigt geen geweld. Die emotionele toestand vergoelijkt de uitspraken niet. Net zoals een zelfmoord van je vader het oproepen tot geweld en ‘revolutie’ niet rechtvaardigt.

Of om The Specials te citeren: “Some people think they’re really clever. To smash your head against the wall. Then they say “you got it my way.” They really think they know it all. It doesn’t make it alright. It doesn’t make it alright. It’s the worst excuse in the world. And it, it doesn’t make it alright.”  Als je trouwens meer van punk houdt, de Noord- Ierse band Stiff Little Fingers heeft het nummer ook op hun repertoire staan.

Kleurrijke mensen

In zijn column in de Volkskrant schrijft Stephan Sanders over de film Get Out. Ik heb de film zelf niet gezien dus ik kan er niet over meepraten. Wel stelt Sanders een interessant punt aan de orde: “We spreken hier over de ‘bounty’, de namaak zwarte, die eigenlijk van binnen ‘wit’ is. De aantijging is niet alleen populair in zwarte kring, ook steeds meer witte mensen menen dat ze onderscheid mogen maken tussen ‘echte’ en ‘onechte’ zwarten.” Echte en onechte witten en zwarten suggereert dat er een norm is waaraan je moet voldoen om wit of zwart te zijn.

Bron: Pexels.com

Daarmee zijn we er nog niet. Er is nog een ander onderscheid, zo las ik in een artikel van So Roustayar bij Joop. Roustayar maakt zich in zijn artikel druk over de laatste Amsterdamse Pride. Die blonk, aldus Roustayar, uit door hypocrisie. In zijn betoog spreekt hij over: “twee trans-sekswerkers van kleur die de Pride begonnen.” Het logische deel van mijn brein ging met deze uitspraak aan de slag. Als er ‘mensen van kleur’ zijn dan zijn er dus ook mensen zonder kleur, de ‘kleurlozen’. Van Dale geeft twee betekenissen voor kleurloos, als eerste de logische ‘zonder kleur’ en als tweede ‘Saai: een kleurloos bestaan.’ Door de manier waarop Roustayar het opschrijft zet hij mensen bewust of, en dat hoop ik voor hem, onbewust, weg als ‘saai’. Benieuwd naar deze categorie mensen, stelde ik die vraag aan de auteur. Alleen kwam die op een of andere reden niet door de censuur van de Joop-redactie.

De manier waarop het is geformuleerd geeft echter wel een indruk wie die ‘kleurlozen’ moeten zijn, dat moeten de ‘witte’ mensen zijn. Als dit is wat Roustayar bedoelt, dan krijg ik daar niet zo’n prettig gevoel bij. Als ik niet tot de categorie ‘van kleur’ behoor dan voel ik mij hierdoor behoorlijk op mijn edele deel getrapt. ‘Witten’ zijn de vroegere ‘blanken’. Het woord ‘blank’ kan niet meer omdat het de ‘blanken’ op een voetstuk plaatst, zo betogen de voorstanders van het woord ‘wit’. ‘Blank’ zou immers rein en onbedorven zijn. Maar behoren daartoe dan ook de zwarten die ‘wit’ van binnen zijn? En hoe zit het met de witten die van binnen ‘zwart’ zijn? 

Ik word moe van en mijn haren gaan steeds meer rechtop staan van ergernis van dergelijk hokjesdenken. Hokjes waarin mensen worden gestopt op basis van kleur, seksuele voorkeur of het ontbreken ervan, dichtbij of ver af van de ‘grachtengordel’ enzovoorts. Maar ja, volgens de aanhangers van de ‘intersectionaliteit’ is het nodig omdat dit je ‘identiteit’ bepaalt daarmee ook de eventuele voorsprong (privilege) of achterstand.  Dat is allemaal in assen weer te geven en je identiteit wordt bepaald door de plek waar die assen zich kruisen. Zo wordt bepaald wie jij bent en wat je waarom moet vinden. Voldoe je er niet aan dan kun je een ‘bounty’ zijn. 

De aanhangers van dit ‘kruispuntdenken’ strijden voor de gelijkheid, gelijke behandeling en tegen racisme en discriminatie. Een goede strijd waarbij ze mij aan hun kant vinden. Alleen vraag ik me af of hun middel, deze theorie, wel bijdraagt aan dat doel? Zou je gelijkheid bereiken door iedereen te verdelen in hokjes? Nee, ik ga er toch maar vanuit dat ieder mens kleurrijk is. Een unieke persoon die vanuit dat kleurrijke kleur geeft aan zijn leven en zo ook aan dat van een ander.  

Proletariërs aller landen …

Mijn identiteit? Witte cis-gender man, 40-er, hetero, geen beperking, ongelovig, ‘gewone achternaam’, uit een arbeidersgezin. Doorsnee, eigenlijk. Ik heb werk, een mening en ben niet op m’n mondje gevallen. Makkelijk.” Zo beschrijft SP-raadslid Martijn Tonies uit Oss zich in een artikel bij Joop. Een artikel waarin hij pleit voor: “meer aandacht voor identiteit graag, de klassenstrijd kan niet zonder!” Ook binnen een vakbond.

Bron: Wikimedia Commons

Ik zou mijn ‘identiteit’ of,  zoals ik het zelf noem mijn persoonlijkheid, anders omschrijven dan de manier waarop Tonies de zijne beschrijft, maar dat laat ik even passeren. Waar het mij om gaat is zijn roep om meer aandacht voor identiteit in de klassenstrijd. Nu hebben we het begrip Klassenstrijd te danken aan de Fransman, historicus en politicus François Guillaume Guizot en is het bekend geworden omdat Karl Marx en zijn kompaan Friedrich Engels het gebruikten in hun Communistisch manifest. Voor beiden is het een strijd tussen de door Baudet aanbeden bourgeoisie en het proletariaat, een strijd tussen en om productiemiddelen en productieverhoudingen. Een strijd die uiteindelijk via een proletarische revolutie zou leiden tot een klasseloze maatschappij.

Die revolutie is nog steeds niet uitgebroken. Sterker nog, de multimiljardair en ‘super belegger’ Warren Buffet ziet, tot zijn spijt, een heel andere uitkomst: ‘Er is wel degelijk een klassenstrijd gaande, maar het is mijn klasse die de strijd voeren en we zijn aan de winnende hand.’ Tot zijn spijt omdat Buffet pleit voor een eerlijker belastingstelsel. Een belastingstelsel waarin hij, om hem te parafraseren ‘wel meer belasting betaalt dan zijn secretaresse’. Ik neem aan dat Tonies de strijd tegen die door Buffet bedoelde ‘winnende klasse‘ wil aangaan. 

Tonies wil daarbij ‘meer aandacht voor identiteit’. Hij wil dat omdat tot welke klasse je hoort: “grotendeels (wordt) bepaald door je identiteit. Wie anders beweert, sluit opzettelijk de ogen voor de effecten van politieke keuzes en bijhorende systemen in onze maatschappij.” Ik vraag me af of dat zo is. Inderdaad kun je in de klassenstrijd een: “fatsoenlijk loon,” voor jongeren regelen. Ook het voorkomen dat: “je eruit geknikkerd wordt omdat je ‘te oud bent’” kan een onderdeel van de klassenstrijd zijn. De Klassenstrijd handelt immers over productiemiddelen en productieverhoudingen en beide voorbeelden handelen over de kosten van arbeid. Maar is een klassenstrijd werkelijk het aangewezen ‘slagveld’ om iets te regelen: “Als jouw achternaam er voor zorgt dat je kans op werk op voorhand al lager is dan iemand met een strafblad”? Vakbonden kunnen zich inzetten voor betere arbeidsvoorwaarden, een hoger loon en gelijke behandeling en beloning bij gelijk werk, voor een betere behandeling en beloning van het productiemiddel arbeid en dus voor een andere verhouding tussen de productiemiddelen kapitaal en arbeid. 

Zijn de kleur van iemands huid, de achternaam of seksuele geaardheid, anders dan wellicht in de prostitutie, een productiemiddel? Doet de geaardheid van een glazenwasser ertoe? Inderdaad kan je achternaam, je huidskleur of je seksuele geaardheid ervoor zorgen dat je kans op een baan kleiner is en dat zou niet mogen. Daartegen moeten we strijden en daarbij staan we: “schouder aan schouder, respecteren de ander en zijn elkaars steun in de rug: we zijn solidair met elkaar. Jouw strijd is mijn strijd,” schrijft Tonies en daarin steun ik hem. 

Alleen moet de strijd op het juiste ‘slagveld’ worden geleverd. De klassensstrijd is de strijd tussen productiemiddelen en productieverhoudingen. Een ‘strijd’ waar het nog steeds belangrijk is dat de ‘proletariërs aller landen zich verenigen’. Iets wat erg lastig is omdat die ‘vereniging’ net als in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog, nog steeds wordt belemmerd door nationalistische belangen. Of om het in moderne termen te zeggen ‘identiteiten’. De strijdt voor gelijke kansen moet worden gestreden op het politieke slagveld. En dan vooral door het geven van het goede voorbeeld want bij wet heeft iedereen al gelijke kansen. Maar ook in de handhaving van die wetgeving. Dus het optreden tegen, en bestraffen van overtredingen.

Zou het bij de strijd voor gelijke kansen helpen als iedere groep haar eigenheid benadrukt? Om net als de proletariërs vóór de Eerste Wereldoorlog te kiezen voor de eigen ‘identiteit’? Leg je zo niet de nadruk op verschillen? Zou die nadruk op de eigenheid werkelijk de strijd om gelijke kansen verder helpen? Is het wedervaren van de proletariërs van voor de Eerste Wereldoorlog niet een goed voorbeeld van wat er dan kan gebeuren? Namelijk dat je door die nadruk op de ‘eigenheid’ juist het risico loopt om, wellicht niet letterlijk zoals de proletariërs, op het ‘slagveld’ tegen elkaar uitgespeeld te worden?