Uitgelicht

Onssoortmensenrechten

“Vrij,” zo heet het boek van de van oorsprong Albanese hoogleraar politieke theorie en hoofddocent filosofie Lea Ypi. Een boek met als ondertitel “ Opgroeien aan het einde van de geschiedenis.” In het boek beschrijft ze haar jeugd in Albanië. Een jeugd waarin de val van de Berlijnse muur en het een jaar later instorten van de Albanese eenpartijstaat centraal staat. Een verwarrende jeugd zo blijkt uit het boek omdat veel niet bleek te zijn zoals het leek te zijn. De jonge Ypi dacht in het meest vrije land van de wereld te wonen en dat land bleek van de ene op de andere dag een openluchtgevangenis te zijn geweest. Ik moest hieraan denken bij het lezen van het Commentaar van Bert Lanting in de Volkskrant.

Eigen foto

Volgens Bert Lanting is een visumverbod voor Russen onverstandig, zo schrijft hij in “Het is de vraag of dat het gewenste effect zal hebben. Waarschijnlijk zal het alleen maar voedsel geven aan Poetins mythe dat het Westen erop uit is Rusland en de Russen te vernederen.” Belangrijker is echter dat het dan: “voor tegenstanders van Poetin moeilijker zal worden aan zijn greep te ontsnappen.”  Wel: “moeten de EU-landen strenger worden bij het selecteren van de Russen die wél, zoals Kallas het uitdrukte, het ‘voorrecht’ om Europa te bezoeken verdienen.” Nu gaat het mij in deze column niet om dat visum, maar om het voorrecht. Dat voorrecht is een uitspraak van de Estse premier Kaja Kallas die de ‘nuchtere vaststelling’ deed: “Europa bezoeken is een voorrecht, geen mensenrecht.”

Nederland en ook de andere Europese landen protesteren terecht tegen landen, zoals Noord-Korea, die reizen naar andere landen onmogelijk maken. Zo’n land is in de basis één grote openluchtgevangenis waarbij grensbewaking vooral gevangenenbewaking is en minder het voorkomen van ongeoorloofd binnentreden. Dergelijke protesten waren ook voor het vallen van de Berlijnse muur te horen ten opzichte van de Sovjet Unie en de andere landen van het voormalige Oostblok. Deze landen maakten het hun burgers onmogelijk om naar het Westen te reizen en op mensen die ‘over de muur’ wilden vluchten werd zelfs geschoten. Dit zijn duidelijke schendingen van artikel 13 tweede lid van de Universele Verklaring voor de rechten van de Mens. Dit artikel stelt dat iedereen: “het recht (heeft) welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten en naar zijn land terug te keren.” Dus ook iedere Rus heeft het recht zijn land te verlaten. Nu is een land verlaten iets anders dan een land bezoek. Of toch niet?

Ik schreef al vaker over negatieve vrijheid, de vrijheid van onderdrukking en dwang en positieve vrijheid, de vrijheid om iets te kunnen doen. Een land dat haar inwoners belemmert om naar een ander land te reizen, beperkt de (negatieve) vrijheid van haar inwoners. Het belemmert hen in hun handelen en in dit geval zelfs in handelen dat tot de mensenrechten behoort, namelijk het recht om je land te verlaten.

De Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens bevat geen artikel dat bepaalt dat iedereen het recht heeft om naar de Europese Unie te komen. De spiegel van ‘het verlaten van welk land ook, met inbegrip van het zijne’ is echter het bezoeken van een ander land. Om bezoek te reguleren, te weten wie er op bezoek komt, is onder andere het visumsysteem in het leven geroepen. Het ‘verlaten’ van een land wordt onmogelijk als andere landen je niet toelaten. Dan heb je niets aan je negatieve mensenrecht om je land te kunnen verlaten omdat de andere landen je positieve vrijheid, je mogelijkheid om je land te verlaten, beperken. Dus ja, het negatieve mensenrecht van de Russen wordt met een visumverbod niet aangetast, hun positieve mensenrecht, de mogelijkheid om hun land te verlaten, echter wel.

En daarmee kom ik bij de reden waarom ik aan Ypi moest denken. In hoofdstuk 13 met als titel Iedereen wil weg schrijft ze over Albanezen die hun land willen verlaten om elders een beter bestaan op te bouwen. De eersten lukt dat, maar al snel doen zich hierbij onverwachte problemen voor. Symbool voor de eersten staat het schip de Partizani dat met een groep vluchtelingen aan boord wordt verwelkomt in Italië. Een ander schip, de Vlora, dat iets later en volgepakt met mensen de overtocht maakt, staat centraal voor de moeilijkheden. De vluchtelingen worden in Italië in een stadion ondergebracht  en van daaruit moeten ze weer terug. Ze zijn niet meer welkom. Wat was er veranderd in die korte tijd? Ypi: “In het stadion verspreidde zich het gerucht dat, omdat ons land technisch gezien geen communistische staat meer was, verzoeken om politiek asiel waarschijnlijk zouden worden afgewezen. In plaats daarvan zouden de nieuw aangekomenen beschouwd worden als economische migranten. Dit was een nieuwe, onbekende categorie.[1]Een nieuwe, nu zeer bekende categorie die nu door menigeen gelukszoekers worden genoemd. En dan concludeert ze: “Misschien was bewegingsvrijheid wel nooit echt belangrijk geweest. Het was gemakkelijk om die te verdedigen als iemand andere het vuile werk van gevangenschap opknapte. Maar welke waarde heeft het recht om te vertrekken als het recht om elders binnen te komen ontbreekt? Waren grenzen en muren alleen maar verwerpelijk als ze dienden om mensen binnen, in plaats van buiten te houden?[2]  

Terechte vragen. De antwoorden die Europa en het Westen er met hun daden op geven zijn niet erg fraai en doen hun ‘morele woorden’ over diezelfde rechten geen goed. Hoe mooi Kallas het ook formuleert, mensen weigeren omdat ze Rus zijn, is een schending van de mensenrechten.


[1] Lea Ypi, Vrij. Opgroeien aan het einde van de geschiedenis, pagina 198

[2] Idem, pagina 203

Uitgelicht

IQ + inspanning = verdienste?

In de Volkskrant las ik een recensie van het boek De opkomst van de meritocratie van Michael Young. Ietwat vreemd omdat Young het boek in 1958 schreef. Het boek was bedoeld als, zo lees ik in de aanhef: “een bijtende satire op de verdienstenmaatschappij.” Deze late recensie is te danken aan de Nederlandse vertaling ervan die pas is verschenen. De volgende passage uit de recensie trok mijn aandacht: “Young heeft in zijn essay ook oog voor de rechtvaardige kanten van de meritocratie, waarvan de simpele formule volgens hem ‘IQ + inspanning = verdiensteluidt.” Het waarom van die aandacht volgt zo. Eerst even iets over Youngs boek.

Finale van het Wereldkampioenschap 1974: West-Duitsland-Nederland. Johan Cruyff wordt in de eerste minuut in het strafschopgebied gevloerd door Uli Hoeness. Johan Neeskens benut vervolgens de strafschop. Bron: Nationaal Archief  

De vertaling is vast een gevolg van de aandacht die ‘meritocratie’ en de uitwerking ervan in de samenleving tegenwoordig krijgt. Young blijkt voorspellende gaven te hebben gehad: In zijn boek laat hij in 2033 in het Verenigd Koninklijk een woedende opstand uitbreken van de ‘populists’, een groep van ‘onverdienstelijken’ die de verliezers zijn in de verdienstenmaatschappij: winkelbedienden, huishoudelijk personeel, chauffeurs, huisvrouwen en ook de werkloze, overbodig geworden arbeiders. De fictieve ik-figuur vraagt zich af hoe het zover heeft kunnen komen en analyseert de ontwikkeling van de samenleving in de anderhalve eeuw ervoor.” In mijn prikkers schrijf ik vaker over boeken. Boeken die ik heb gelezen. Dat is met dit boek niet het geval. Het boek staat nu op de ‘nog te lezen’ lijst. In deze prikker gaat het mij om het rechtvaardige van “IQ + inspanning = verdienste.” Is je verdienste een gevolg van je IQ en je inspanningen?

Zoals wel vaker, eerst naar de betekenis van verdienste en dus naar de Van Dale. Die geeft drie betekenissen. Als eerste: “loon voor verricht werk,” als tweede: “winst” en als laatste “verdienstelijkheid: een man van verdienste die veel goeds heeft gedaan.” Wat zien we als we met deze betekenissen naar de formule van Young kijken?

Als je loon de som is van je intellectuele capaciteit en je inspanning dan zou dat betekenen dat een straatveger met een IQ van 140 bij gelijke inspanning en dus even snel en grondig vegend, meer zou moeten verdienen dan een straatveger met een IQ van 70. Is dat rechtvaardig? Is het rechtvaardig om gelijk werk anders te belonen puur vanwege de intellectuele vermogens van de ene persoon terwijl die voor het werk niet van belang zijn? Wat als die intellectuele vermogens er wel toe doen, leidt dat dan automatisch tot hogere verdiensten bij een gelijke inspanning?

Laten we een ander voorbeeld nemen: Messi. Youngs formule toegepast op Messi luidt dan: ‘Talent + Inspanning = Verdienste’. De doelpunten van Messi die we zo bewonderen, zijn die alleen de verdienste van Messi? Hoe zou een elftal met alleen maar Messi’s het doen? Messi kan niet zonder tien anderen die voorkomen dat de tegenstander een doelpunt maakt, de bal veroveren en op het juiste moment bij hem inleveren. Dat heeft hij nu in zijn tijd bij PSG wel ervaren. Is het talent dat hij heeft de verdienste van hemzelf? Niet echt. Dat heeft hij via zijn genen van zijn ouders gekregen. Ouders die vervolgens ook nog in de omstandigheid waren om hem de omgeving te bieden waarin hij dat talent kon ontwikkelen. Is het een verdienste van Messi dat hij in een tijd leeft waarin je juist met zijn talent zoveel kunt verdienen? Was hij tweehonderd of honderd jaar eerder geboren, dan was zijn talent waardeloos. Als we dit in ogenschouw nemen, zou een rechtvaardige formule dan niet zijn: ‘Verdienste = Inspanning – Omstandigheden – IQ (Talent)’? Waarbij bij ‘Omstandigheden’ staat voor de waardering van het talent op dat moment. Zou de formule bij toepassing op de waardering van een individu bij teamprestaties, zoals in het voetbal, niet nog uitgebreid moeten worden tot: ‘Verdienste = Inspanning – Omstandigheden – IQ(Talent) – Verdienste van je teamgenoten’?

Dan de stap van ‘loon’ naar ‘verdienstelijkheid, weldoen’, weer met voetbal en Messi als voorbeeld. Dat iets, voetbal in dit geval, nu zo belangrijk wordt gevonden, is dat een  verdienste van Messi? Of is dat een verdienste van al die mensen die het spelletje volgen en ernaar gaan kijken? Het bijzondere is dat die mensen niet worden beloond voor hun interesse. Die moeten steeds meer betalen aan abonnementen bij steeds meer verschillende zendgemachtigden maar ook door (zoals in de Nederlandse competitie) wedstrijden op ontijdige dagen en tijdstippen vanwege een tv uitzending, een wedstrijd of tien in januari en februari waarbij je verkleumt op de tribune, dit om plaats te maken voor de Champions League en de almaar met deelnemers uitbreidende E- en WK’s. Geldt voor muziek, film en wellicht ook nog andere zaken, niet hetzelfde?

Als laatste de vraag of wat we belangrijk vinden en goed belonen ook ‘goed’ is? ‘Doe je wel’ als je voetbalt? Is veel mensen plezier doen, want dat doet voetbal, weldoen? Of beter gezegd, is ‘veel mensen plezier doen’ gelijk aan weldoen? Is het belangrijker dan bijvoorbeeld vuilnis ophalen of het werk van een huisarts? Vuilnis ophalen geeft mij geen plezier maar als het niet wordt opgehaald geeft het wel verdomd veel ergernis. Rechtvaardig lijkt me iets ingewikkelder dan Youngs IQ + inspanning = verdienste.

Uitgelicht

Vertrouwen geven, geven in vertrouwen

Op de site Sociale Vraagstukken een interessant artikel van Marcel Canoy. Canoy stelt zich de vraag: “wat kost toezicht op basis van wantrouwen onze samenleving eigenlijk?” Canoy geeft in willekeurige volgorde een top 10 van kostenposten zonder er geld aan toe te rekenen. Canoy: “Na het lezen van deze naargeestig lange lijst ellende die toezicht op basis van wantrouwen oplevert, zul je wellicht denken: maar levert het ook iets op? Het ontluisterende antwoord is: best weinig. Het enige dat ik kan bedenken is dat fraude wordt bestreden.” Na het lezen van het artikel dacht ik: het onvoorwaardelijke basisinkomen! Hieronder de top 10 en waarom een basisinkomen die kostenpost aanpakt.

Martinus snijdt een stuk van zijn mantel en geeft het aan de verkleumde bedelaar. Bron: WikimediaCommons

Als eerste noemt Canoy de post ´Overbodig personeel: “Als we alleen al in de zorg kijken naar personeel dat moet toezien dat alles goed verloopt: we hebben de NZa, het Zorginstituut, het CIZ, de verzekeraars, VWS, de gemeenten, de ACM, het CAK en de Inspectie. En dan ben ik er vast nog een paar vergeten. Er valt geen goede rekensom te maken, maar zonder twijfel levert wantrouwen emplooi aan tienduizenden mensen. Nu zijn niet al die mensen overbodig bij toezicht op basis van vertrouwen. Vertrouwen is geen naïviteit immers, en sommige vormen van toezicht zijn gewoon heel nuttig. Mijn wilde gok is dat niettemin zeker de helft overbodig is. Iets dergelijks zal gelden voor de sociale zekerheid en de schuldenindustrie.” Een basisinkomen betekent vooral een besparing op controle rond de sociale zekerheid: de gemeentelijke sociale diensten en het UWV. Omdat iedereen het basisinkomen ontvangt, kunnen werkloosheidsuitkeringen en de bijstand vervallen. Omdat iedereen het basisinkomen ontvangt, hoeft er niet gecontroleerd te worden op ‘onrechtmatige ontvangst’. Dit betekent dat er stevig kan worden gesneden in het personeelsbestand van het UWV en de gemeentelijke sociale diensten. Het UWV heeft bijna 18.000 fte en daarnaast nog eens bijna 6.000 fte aan tijdelijke- en inhuurkrachten. Hoeveel fte er bij alle gemeentelijke sociale diensten gezamenlijk werken, weet ik niet maar het zijn er veel. Een klein deel ervan blijft nodig omdat het uitkeren van het basisinkomen, ook al kan dat geautomatiseerd, niet zonder menselijke inzet kan. En er blijven altijd mensen nodig voor de begeleiding bij het zoeken van werk voor mensen die dit zelf niet kunnen. Als we hier Canoys ‘wilde gok’ op loslaten dat ook hier ‘de helft’ dan overbodig is, hebben we de eerste besparing binnen.

Het werkplezier van de resterende medewerkers zal toenemen. En ja, hierdoor raken veel mensen hun baan kwijt. En met die twee punten komen we bij de negende post van Canoy, ‘het werkplezieren en de arbeidsmarkt’: “Uitvoerders die onzinboetes opleggen en niet werken met de menselijke maat worden daar zelf doorgaans niet vrolijk van. In de context van werkplezier, verzuim of een krappe arbeidsmarkt, is werken met vertrouwen daarom veel beter.” Werken voor de ‘uitkeringsinstantie’ wordt interessanter en voor de mensen waarvoor geen plek meer is, biedt de krappe arbeidsmarkt kansen. Kansen die ze kunnen benutten zonder dat iemand hen achter de veren zit.

Als tweede noemt Canoy de ‘zich opstapelende administratieve lasten’: “De lasten slaan niet alleen neer bij de ambtenaren die toezicht houden, en in het gevolg bij de rest van de overheid: beleidsambtenaren en de rechterlijke macht. Ook mensen en organisaties die onder toezicht staan hebben last van het controlecircus.” Iets soortgelijks geldt ook voor het vertrekken van uitkeringen. Ook daarin zijn beleidsambtenaren actief. Ook dat leidt tot rechtszaken. Ook hier levert een onvoorwaardelijk basisinkomen een besparing op.

Canoys derde kostenpost is de ‘aangetaste zelfredzaamheid’. “Verplaats je in iemand die in de bijstand zit. Het wantrouwen leidt tot aanvullende stress en daarmee tot een lager doenvermogen. Voor de bijstand leidt wantrouwen precies tot het omgekeerde als waarvoor het toezicht is bedoeld. In plaats van de kans te vergroten dat mensen uit de bijstand komen, wordt die verkleind.” Een onvoorwaardelijk basisinkomen leidt, zo laten Canadese ervaringen zien, tot zelfvertrouwen en een hoger ‘doenvermogen’. Uit een experiment in de jaren zeventig van de vorige eeuw met een basisinkomen in een afgelegen dorpje bleek dat er sprake was van een kleine vermindering van de deelname aan het arbeidsproces wat vooral op het conto van vrouwen en jongeren kwam. Nadere bestudering van de cijfers leerde dat zij die tijd niet zaten te verlummelen. Vrouwen spendeerden die tijd aan de opvoeding van hun kinderen. Jongeren bleken langer door te leren en dus beter beslagen de arbeidsmarkt op te gaan.

De vierde kostenpost die Canoy benoemt is een ‘daling van de kwaliteit van leven’. “Niet alleen mensen in de bijstand ondervinden de nadelen van wantrouwen. De psychologische effecten op mensen die met wantrouwen worden bejegend, variëren van aantasten van je zelfvertrouwen en identiteit tot stress en gezondheidsklachten. Bovendien is wantrouwen besmettelijk.” Hetzelfde Canadese experiment liet op dit punt zien dat een onvoorwaardelijk basisinkomen precies het tegenovergestelde bewerkstelligde. Het experiment bleek te zorgen voor minder ziektekosten in verband met ongelukken en verwondingen maar wat vooral opviel was dat er minder psychische problematiek was. Dit is bijzonder interessant in onze huidige tijd omdat juist op dit vlak de problematiek sinds de jaren zeventig flink is toegenomen.

Nummer vijf: “suboptimale voorzieningen’: “Wantrouwen impliceert vaak systeemdenken. Niet de behoefte van de patiënt, de organisatie of de cliënt staat centraal, maar wat het systeem op de meest efficiënte manier kan verschaffen. Het gevolg is dat de voorzieningen suboptimaal zijn, want niet op het probleem gericht, maar op de efficiëntie van het systeem.” Een onvoorwaardelijk basisinkomen breekt juist systemen af en stelt de mens centraal. Het geeft de boodschap: je hoort erbij en doet ertoe en zet daarmee juist de mens centraal. Het geeft mensen de ruimte om zelf te kiezen. Te kiezen om te werken en ook hoeveel te werken. Te kiezen om, zoals in Canada, te studeren, voor de kinderen, je ouders of buurman te zorgen of een combinatie van allen.

Met kiezen, kom ik bij Canoys zesde kostenpost, de ‘dalende innovatie.’ “Omdat wantrouwen angstig maakt, zullen innovatieve ideeën minder snel tot stand komen. Een voorbeeld is een zorgverzekeraar die veel bewijs vraagt voor men tot vergoeding van een nieuwe behandelmethode overgaat. Bij dure medicijnen snap je de strengheid, maar bij innovatieve behandelmethoden is meer lucht nodig. Nieuwe ideeën – ook als ze extreem kansrijk zijn – hebben per definitie nog niet veel bewijs te overleggen en zullen op deze manier gefrustreerd worden.” Een onvoorwaardelijk basisinkomen zou zomaar innovatie kunnen aanjagen. Aan de ene kant kan een onvoorwaardelijk basisinkomen mensen motiveren en stimuleren hun passie na te jagen en die passie zou wel eens tot innovatie kunnen leiden. En de andere kant biedt het mensen de gelegenheid om slecht betaald, onaantrekkelijk, zwaar werk links te laten liggen. Om dat werk toch gedaan te krijgen kan het loon worden verhoogd maar ook gezocht worden naar andere manieren (innovatie) om het werk gedaan te krijgen. De Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang denkt ook in die richting als hij spreekt over ‘neerwaartse inkomensherverdeling’ dat: “werknemers (moet) stimuleren te investeren in hun opleiding en gezondheid, wat hun productiviteit en daarmee de economische groei kan verhogen. Een grotere inkomensgelijkheid kan ook de sociale verhoudingen gunstig beïnvloeden door het aantal stakingen en de criminaliteit te verminderen, wat weer investeringen kan aanmoedigen omdat daarmee het gevaar dat het productieproces en dus het proces van welvaartscreatie wordt verstoord, kleiner wordt.[1]

Ook de zevende kostenpost, ‘politiek gedoe’: “Omdat toezicht op basis van wantrouwen vaak complex is,” zal veel minder voorkomen na invoering van het onvoorwaardelijke basisinkomen. Eenvoudigweg omdat het toezicht op de sociale wetgeving wegvalt en er niet gefraudeerd kan worden. Waarmee we ook de negende kostenpost voorkomen, de ‘onterechte fraudeur’: “Als het wantrouwen groot is en het systeem complex, wordt elk foutje uitgelegd als fraude met bijbehorende sancties. Het is goed of fout. Voor grijstinten bestaat geen ruimte.”  Er zijn geen fraudeurs meer en dus ook geen onterechte fraudeurs.

Canoys laatste kostenpost zou wel eens de belangrijkste kunnen zijn een ‘samenleving van wantrouwen: “Toezicht op basis van wantrouwen heeft bredere implicaties. Burgers voelen een grotere afstand ten opzicht van de overheid en de politiek, en landen kunnen uiteindelijk zo afglijden van een high trust naar een low trust society.” Berichten over de grotere afstand tussen burgers en bestuur zijn aan de orde van de dag en zaken zoals de toeslagenaffaire en de afwikkeling van de aardbevingsschade dragen bij aan het vergroten van die afstand. En als de coronapandemie iets liet zien dan was en is het dat het met vertrouwen in elkaar ook niet al te best is gesteld. In zijn Essay over de gift geeft de Frans antropoloog Mauss de gift een centrale plek in het voortbestaan van een groep. Mauss zag dat een gift geen individuele handeling was, maar een maatschappelijke verplichting waaraan een individu zich niet kon onttrekken zonder uitgestoten te worden. Bij een giftrelatie ontstond een schuldbalans tussen gever en nemer. Iemand kreeg iets van de gemeenschap en dat gaf de zekerheid erbij te horen en dat erbij horen kwam met de morele plicht. De gift versterkte de onderlinge betrokkenheid binnen de groep. Zou een onvoorwaardelijk basisinkomen hetzelfde effect kunnen hebben? 


[1] Ha-Joon Chang, 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme,  pagina 168-169

Mensen en dierenrechten

In de Volkskrant een uitgebreid artikel van Jurriën Hamer waarin hij verslag doet van zijn innerlijke verscheurdheid waaraan op 1 januari van dit jaar een einde kwam. Met ingang van dit jaar eet hij geen vlees meer en hoeft zich dus niet ‘schuldig’ te voelen, zoals hij het zelf noemt. Het ‘geknaag’ in zijn hoofd begon toen hij filosofie ging studeren: “Tussen de filosofiestudenten, en later de promovendi, zaten heel wat vegetariërs die haarfijn uit konden leggen waarom vlees eten immoreel is. Hebben dieren geen rechten? En waarom hield ik ook alweer vast aan een antropocentrisch wereldbeeld? Ik kon die argumenten moeilijk weerleggen en wauwelde iets over dat dieren in het wild toch ook niet zielig zijn, en die we toch ook elkaar laten opeten. Ik kon mezelf niet eens overtuigen.” De twee interessante vragen die zijn vegetarisch medestudenten stelde, intrigeert mij.

Code of Hammurabi, king of Babylon, 1792 - 50 BCE (5) | Flickr
De Codex Hammurabi. Bron: Flickr

‘Hebben dieren geen rechten?’ Aan deze vraag gaat een andere vraag vooraf. Een vraag die niet wordt gesteld omdat we het antwoord dat we erop geven als vanzelfsprekend beschouwen. Die vraag is namelijk: hebben mensen rechten? Voor ons westerlingen is het antwoord op die vraag zo evident. “We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness.” Aldus de Amerikaanse Declaration of Independence. De ‘Creator’ heeft iedere mens rechten gegeven. De Franse revolutionairen schreven in 1789 iets soortgelijks. Soortgelijks maar toch net iets anders in de Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen. Zij beriepen zich namelijk niet op een ‘Creator’, maar op de natuur en spreken van “les droits naturels, inaliénables et sacrés de l’homme,” natuurlijke, onvervreemdbare en heilige rechten van de mens. De Amerikanen hebben de rechten gekregen van god, de Fransen van de natuur.

Rechten die van god komen, zijn zo oud als het monotheïsme. Het geloof dat er één god is. Monotheïsme is een vrij recente menselijke ‘uitvinding’. De mens heeft millennia lang meerdere ‘goden’ aanbeden of gevreesd. Het leven en alles wat er in gebeurde, werd gezien als een strijd tussen die verschillende goden en de mens was een pion in het spel tussen de goden. Zo’n vier millennia geleden ontstonden ‘geloven met maar één god’. Het jodendom is de oudste nog bestaande variant ervan. In een meer goden, of polytheïstische, samenleving is het lastig om rechten aan die goden te ontlenen. Iedere god speelde immers zijn eigen spel met eigen regels. Met maar één machtige alles bepalende god werd het mogelijk om er gezag aan te ontlenen. In andere delen van de wereld, zonder zo’n monotheïstische religie (China en Japan) zagen de heersers zich niet als eerste vertegenwoordiger, maar als god zelf en dat maakte hun wil wet. In ons deel van de wereld beriepen heersers en koningen zich op god en zagen zich als gods eerste vertegenwoordiger.

Het beroep op de ‘natuurlijke rechten’ is recenter. Het is een uitvloeisel van de Verlichting. Mensen die zelf op zoek gingen hoe de wereld in elkaar zit en hierbij vertrouwden op hun eigen rede en niet op de dogma’s en autoriteit. Dogma’s en autoriteit van vooral het geloof. Zo ontdekte Newton de zwaartekracht door de ‘val van de appel’ en stond hij aan de basis van de klassieke mechanica. En analoog aan de wet van de zwaartekracht zouden er ook natuurwetten voor de inrichting van een samenleving: de natuurlijke rechten van de mens.

De vraag: ‘hebben dieren dan geen rechten?’ past in de ‘natuurrechten’ traditie. Immers als de natuur mensen rechten geeft, waarom dan niet ook aan de koe, het varken en de olifant? De mens is immers ook maar gewoon een dier. De natuur kan immers niet zo selectief zijn. Dat probleem heb je niet als je je op een god beroept. Niets staat goden immers in de weg om te selecteren en hiërarchie aan te brengen tussen alle schepsels. Het antwoord of dieren rechten hebben staat of valt met de vraag of mensen van nature rechten hebben.

Daarvoor naar de tweede vraag die de medestudenten stelden: ‘waarom zo’n antropocentrisch wereldbeeld?’ Een wereldbeeld waarin de mens centraal staat. De wereld achter die vraag is dat de natuur niet selectief kan zijn. Dus als mensen van nature rechten hebben dan hebben dieren die ook. Het ‘niet-antropocentrisch wereldbeeld’ van Hamers medestudenten biedt echter nog een andere optie. De optie dat de natuur geen rechten geeft. Niet aan mensen en ook niet aan dieren.

Daarmee kom ik op een derde variant waarop de mens zich bij het formuleren van zijn rechten kan beroepen en dat is zichzelf. Zichzelf niet als individu maar als groep. Rechten zijn afspraken die wij mensen maken zodat we een redelijk betrouwbare en voorspelbare samenleving krijgen. De eerste bekende wetboeken ontstonden ook zo’n vier millennia geleden. De bekendste, maar niet de oudste is, de Codex Hammurabi van rond 1750 voor onze jaartelling. Dat beiden, wetten en monotheïstische religies, in dezelfde periode ontstonden, zal geen toeval zijn. Zowel, wetten en monotheïstische godsdiensten zijn bedoeld om mensen te binden om er een groep van te maken. Het zijn verhalen om mensen te binden. Verhalen met regels hoe te handelen binnen de groep. Iets wat bij het groter worden van de groep belangrijk is en in die periode werden de rijken groter. Die wetten werden opgesteld door de heerser.

De Amerikanen en Fransen stelden hun verklaringen op zonder zo’n heerser. Die hadden ze immers net de deur gewezen. Ze moesten het zonder heerser doen. Daarbij deden ze respectievelijk een beroep op de ‘Creator’ en de natuur, maar wat er echt gebeurde was dat ze elkaar rechten toekenden. Ze hadden eigenlijk moeten zeggen: ‘wij mensen hier verzameld, zien onszelf als gelijk en kennen elkaar de volgende rechten toe.’ Door die rechten goddelijk en ‘self-evident’ of ‘natuurlijke en onvervreemdbaar’ te verklaren, worden deze rechten eeuwig en onveranderlijk gemaakt en tot de hoogste morele standaard verklaard. Vanuit god en de natuur kun je niet meer tot een andere conclusie komen terwijl een groep mensen in een andere tijd en setting tot andere rechten zou kunnen komen.

Terug naar die eerste vraag. De denkwijze dat de mens zichzelf deze rechten heeft gegeven, betekent nee als antwoord op de vraag ‘hebben dieren dan geen rechten?’ Nee, dieren hebben geen rechten. Ze krijgen pas rechten als mensen hen die rechten geven.

Ik en de samenleving

Covid-19, het vaccin, maatregelen, het blijft de gemoederen bezig houden. Een tijdje geleden vroeg ik mij af of een 2G maatregel een schending van de grondrechten zou zijn. Mijn conclusie was dat als er iets wordt geregeld waardoor mensen die zich om medische redenen niet kunnen laten vaccineren mee kunnen doen als ze dat willen, dan is er geen sprake van aantasting van grondrechten. Nu zag ik bij De Correspondent vijf vragen van Eva Kremers over het onderwerp. Interessante vragen, interessant genoeg om een Prikker aan te wijden.

Kremers stelt de volgende vragen: “Is het normaal om een medicijn/vaccin aan iemand te forceren om een ander te beschermen? Willen we die kant op? Is het niet normaal om ‘egoïstisch’ te zijn wanneer het over je eigen lichaam gaat? Aan welke plichten onttrekt een ongevaccineerde zich dat het gerechtvaardigd is om zijn/haar recht om vrij te bewegen te schenden? Is het proportioneel om miljoenen gezonde mensen een vaccin op te dringen om er enkele honderden/duizenden(?) uit het ziekenhuis te houden? Is het de maatschappij die zich moet aanpassen aan de zorg, of zou de zorg aangepast moeten worden aan de maatschappij?” Kremers spitst de vragen toe op het vaccin tegen Covid-19. Ik behandel ze in het algemeen. In het algemeen omdat het algemene antwoord de vragen in een breder perspectief plaatst.

Als eerste de vraag of het normaal is om iemand een middel toe te dienen om anderen te beschermen. Dat is niet de normale praktijk maar wil niet zeggen dat het niet kan. Als degene aan wie je het medicijn wilt toedienen een gevaar is voor zichzelf en anderen, dan is het de plicht van de samenleving om de anderen te beschermen en dus die persoon tegen diens wil medicijnen toe te dienen. Dit is staande praktijk in Nederland.

Dan de vraag of je lichaam aan jou toebehoort en je er alleen zelf over kunt beschikken. Je lichaam is van jou en het is aan jou om erover te beschikken. Tot op zekere hoogte tenminste. Als je een gevaar bent voor jezelf of voor anderen, dan kan inbreuk worden gemaakt op je zelfbeschikkingsrecht over je lichaam. De samenleving kan echter ook nog op een andere manier over je lichaam beschikken. Neem de militaire dienstplicht, die regelt dat dienstplichtigen hun lichaam ter beschikking stellen voor de verdediging van het land. Die dienstplicht kan ertoe leiden dat dienstplichtigen hun leven moeten geven om de samenleving te beschermen.

Dan de plichten waaraan iemand die zich niet laat vaccineren onttrekt. Als duidelijk is dat iemand een gevaar oplevert voor de gezondheid van anderen, dan hebben die anderen het recht om die persoon te weren en zichzelf te beschermen. Dat gevaar hoeft niet direct te zijn het kan ook indirect zijn omdat iemands keuze, of de keuze van een groep de gezondheidszorg overbelast. Het is niet zo zeer dat die persoon of groep zich aan een plicht onttrekt, maar veeleer dat het recht om vrij te bewegen botst met het recht van anderen om in veiligheid en gezondheid te leven. Die anderen kunnen zichzelf beschermen door die persoon of groep te weren maar dat kan ook collectief door de overheid die dan de rechten tegen elkaar afweegt.

Als vierde de vraag of het proportioneel is om mensen iets op te dringen om anderen te beschermen. Ja, dat kan proportioneel zijn. Een overheid heeft de plicht om over ieders gezondheid en leven te waken en als dat waken betekent dat een deel iets moet doen om het andere deel te beschermen dan is dat gerechtvaardigd. Ook hier weer de dienstplicht als voorbeeld dat mensen iets wordt opgedrongen en dat ze in het uiterste geval hun leven kost ten faveure van anderen.

Als laatste de vraag of de maatschappij zich aan de zorg moet aanpassen of de zorg aan de maatschappij. Ook hierop een antwoord met een maar. In normale omstandigheden past de zorg zich aan de samenleving aan. Dat is wat er in Nederland vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw tot in extreme mate is gebeurd. De zorg werd ‘lean and mean’ en alle eventuele overcapaciteit werd eruit gesneden. Als er in normale tijden maximaal 800 mensen op de IC liggen, dan zorg je ervoor dat er hooguit een paar meer dan die 800 bedden zijn. En zelfs sinds het uitbreken van de Covid-19 pandemie werd de zorg aan de samenleving aangepast. Er waren meer IC bedden nodig en de meer speciale zorgvoorzieningen en daarop werd en wordt de gezondheidszorg aangepast. Aangepast door niet acute zorg uit te stellen en de zo vrijkomende middelen en mensen ten dienste te stellen aan die speciale voorzieningen en de IC’s. Als dat niet meer kan, en nu komt de maar, dan kan je de samenleving aan de zorg aanpassen. Kan, want je kunt ook verder gaan met wat je in normale omstandigheden doet, namelijk de zorg aan de samenleving aanpassen. Dat krijgt dan de vorm van triage bij de poort. Triage waarbij op zo rationeel mogelijke gronden een keuze wordt gemaakt wie zorg krijgt en wie niet.

Asielmachine

“Vijftien jaar geleden werd er nog schande gesproken van Fort Europa, nu is het overheersende thema in Brussel bewaakbare grenzen. Von der Leyen complimenteerde de Grieken zelfs met hun ‘schild’, een hek van 40 kilometer op de grens met Turkije. In Nederland hebben we het nog niet in de gaten, maar een geloofwaardig asielbeleid begint met geloofwaardige grenzen.” Dit schrijft Martin Sommer in zijn column in de Volkskrant. Daarom moet Europa en dus ook Nederland veel meer geld uitgeven aan het versterken van de grenzen suggereert Sommer. Ook moet het asielrecht worden herzien want dat: “is volstrekt onwerkbaar en ondermijnt het draagvlak. In theorie mag iedereen asiel aanvragen; wie wordt afgewezen, vertrekt.” Geen groot kamp, desnoods militair veroverd zoals Van Acker, maar een groot fort waar je niet binnen kunt.

Een stukje van het fort Eben Emael. Bron: Wikimedia Commons

Nu leert de geschiedenis ons er tot op heden forten vroeg of laat toch door de vijand worden veroverd. Door belegering kon je de bewoners van een fort uithongeren. Je kon er gangen onder graven en zo de muren ervan ondermijnen. Of je kon het gewoon binnen een kwartiertje uitschakelen zoals de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog deden bij het fort van Eben Emael in België, het ‘moeder aller forten’. Dit fort stond op een strategische plek. Na de redelijk snelle doortocht van de Duitse troepen in 1914 (redelijk snel, maar voor het Duitse keizerrijk te traag), trok de Belgische regering in de jaren twintig de conclusie dat de oude forten gemoderniseerd moesten worden. De zwakheden van 1914 moesten eruit en het zogenaamde ‘gat van Visé’ moest worden gedicht. De Duitsers hadden in 1914 gebruik gemaakt van dit gat tussen Visé en de Nederlandse grens. Hier verrees het ‘moeder aller forten’, het fort Eben Emael. Volgens de militaire experts was het fort onneembaar. Toch werd het fort op 10 mei 1940 binnen een kwartiertje door de Duitse troepen uitgeschakeld. Duitse zweefvliegtuigen en paratroepen landden ongezien op het fort en zo werd het van binnenuit uitgeschakeld. De Belgen waren trouwens niet de enige. Zo hadden de Fransen de Maginotlinie om een snelle Duitse opmars onmogelijk te maken. Zou ‘fort Europa’ hier een uitzondering op blijken te zijn?

Ik schrijf vaker over de vluchtelingenproblematiek en vraag daarbij altijd aandacht voor ‘het probleem van de vluchteling. Wat maakt dat iemand huis en haard verlaat? Die vraag kun je trouwens ook stellen bij migratie; waarom wil iemand naar een andere plek. ?“Het Nederlandse beleid rond vluchtelingen maakt een maatschappelijk probleem, een probleem van de wereldgemeenschap, tot een probleem van anderen: die moet zijn eigen ellende oplossen en ‘ons’ er niet mee lastig vallen. Of die ander nu een Syriër is die een veilig heenkomen zoekt voor de burgeroorlog in zijn land of een land als Griekenland dat ‘toevallig’ in de regio ligt en dus de ellende maar moet oplossen,” schreef ik ruim een jaar geleden. Het lijkt er echter op dat die vraag nog steeds niet wordt gesteld.

Daarom een andere invalshoek. In zijn boek Morele voortuitgang in duistere tijden, ja dit boek gaat over nu, betoogt Markus Gabriel dat er universele morele waarden zijn. Nu kan Gabriel dat wel zeggen maar: “’waarheid’ is een subjectief begrip en als we het in een democratie niet meer normaal kunnen hebben over elkaars waarheden, hoe uitzinnig die ook kunnen klinken in oren die iets anders geloven, dan hébben we geen democratie.” Aldus Ines van Bokhoven bij Opiniez. Om aan te tonen dat niet alle waarheden waar zijn, of in Gabriels termen dat sommige morele waarden universeel zijn, geeft hij het voorbeeld van de ‘nazimachine’. “Stel we geven een overtuigde neonazi toegang tot een tijdmachine waarmee hij terug kan reizen naar 1941, om in het toenmalige Derde Rijk te gaan wonen. Daarmee doen we hem allicht een groot plezier, en misschien zal hij onmiddellijk in de machine willen stappen. Die tijdmachine heeft echter één klein nadeel: onze neonazi zal niet zomaar als zichzelf naar het verleden worden gestuurd, maar wordt daar iemand die in tijd heeft geleefd. Wie hij zal zijn, weet hij van tevoren niet.” Dat maakt de tijdreis toch wel een hachelijke zaak. Anders dan bij de ‘teletijdmachine’ van professor Barabas waar de striphelden zichzelf blijven, kan onze overtuigd nazi immers ook zomaar slachtoffer worden van die door hem aanbeden ideologie. Immers: “Hij zou Adolf Hitler, Ernst Röhm of Martin Heidegger kunnen zijn, maar ook Anne Frank, Hannah Arendt, Primo Levi of een van de miljoenen slachtoffers van de nationaalsocialistische dictatuur.[1]  De historici onder ons zullen Gabriel erop wijzen dat je in 1941 geen Ernst Röhm meer kon worden. Die vurige nationaalsocialist was in 1934 tijdens de zogenaamde ‘nacht van de lange messen’ immers al het slachtoffer geworden van het Hitlerregime. Filosofen onder ons zullen de ‘sluier van onwetendheid’ van John Rawls herkennen in de nazimachine. En dat klopt, daar is het voorbeeld ook op gebaseerd. Rawls gebruikt die sluier om zijn theorie van rechtvaardigheid op te bouwen. De sluier houdt in dat we niet weten in wie we in de samenleving zijn en in welke tijd als we beoordelen of een samenleving rechtvaardig is.

Zou een ‘asielmachine’ ons niet kunnen helpen bij het opstellen van rechtvaardig asiel- en  migratiebeleid? Zouden we daarmee kunnen voorkomen dat we kapitalen steken in het bouwen van een ‘fort’ dat toch ‘veroverd’ gaat worden of waarin we weleens gevangen kunnen zitten?


[1] Markus Gabriel, Morele vooruitgang in duistere tijden, pagina 65

Filantropisch kolonialisme

Bij de Correspondent houdt Rutger Bregman een pleidooi voor effectief altruïsme. De titel van het artikel luidt: Als je gelooft dat iedereen gelijk is, waarom ben je dan zo rijk? Een bijzonder artikel. Effectief altruïsme wil zoveel mogelijk goed doen in een mensenleven en zoveel mogelijk goed doen voor een euro of dollar. Ik schreef er eerder al eens over toen ik het boek Doing good Better van William Macaskill besprak. Aanleiding voor die bespreking was trouwens ook een uitspraak van Bregman en op die uitspraak kom ik later terug.                

‘Als je gelooft dat iedereen gelijk is, waarom ben je dan zo rijk?’ Een interessante vraag die je meteen met een moreel oordeel opzadelt of beter gezegd moreel veroordeelt. Ja, ik ben voor gelijkheid en ja, qua inkomen behoor ik tot de rijkste 3,5% van de wereld. Nu is dat voor een Nederlander niet zo bijzonder. Met een modaal inkomen van € 36.500 per jaar, behoor je tot de 3,5% van de wereldbevolking met het hoogste inkomen. Dus ik moet mij schamen, ik ben voor gelijkheid en ik ben ‘zo rijk’. Moet de modale Nederlander zich schamen? Schamen vooral omdat hij hier is geboren en niet bijvoorbeeld in Pakistan?

Een vraag waarbij rijkdom en gelijkheid als samenhangende begrippen worden gezien. Aan de ene kant rijkdom en aan de andere kant gelijkheid. In feite zegt Bregman dat er pas sprake is van gelijkheid als iedereen even rijk is. Rijkdom is volgens Van Dale, en die omschrijving volgt Bregman: “het rijk zijn, rijk bezit, geld, goederen, schatten.” Geestelijke rijkdom en rijkdom aan liefhebbenden om je heen vallen buiten deze definitie. Gelijkheid definieert dezelfde Van Dale als: “volkomen overeenkomst in een bepaald opzicht.” Voor Bregman dus ‘volkomen overeenkomst in rijkdom’. In de politieke geschiedenis wordt gelijkheid anders gedefinieerd. “We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness,” aldus de tweede alinea van de verklaring waarmee dertien Staten in Amerika zich onafhankelijk verklaarden. Nu hoeft die ‘Creator’ er van mij niet in, dit terzijde. Gelijkheid gedefinieerd als gelijke rechten voor iedereen. Gelijke rechten betekenen dan niet per definitie ‘iedereen evenveel rijkdom’. Ook met verschillen in rijkdom is politieke en maatschappelijke gelijkheid voor iedereen mogelijk. Dat rijkdom mogelijkheden biedt en tot ‘onvolkomen overeenkomst in bepaalde andere opzichten’, leidt is evident. Dat er aan de grote inkomens en vooral vermogensongelijkheid in de wereld iets moet gebeuren, staat buiten kijf.

Het wordt bijzonder als Henk Broekhuizen in een discussie onder het artikel aangeeft dat het boek De tirannie van verdienste van Michael J. Sandel hem op dit punt de ogen heeft geopend: “Hoezo heb ik meer recht op het door mij verdiende geld. Als je bent geboren op de goede plek, bent gezegend met goede collegae die je activiteit in het bedrijfsleven hebben doen resulteren in een goede financiële positie,” schrijft Broekhuizen. Bregman reageert hierop door een link te sturen naar een Twitterdraadje waarin Sandel wordt verweten dat kaartjes voor een workshop van hem schreeuwend duur waren en voegt eraan toe: “Een boek schrijven over de ‘grenzen van de markt’ om vervolgens jezelf te commodificeren. Ook hier geldt weer: makkelijk om naar anderen te wijzen, maar verdraaid lastig om je eigen idealen in de praktijk te brengen.”

Een bijzondere reactie van iemand die voor effectief altruïsme pleit. Bijzonder omdat effectief altruïsme erom gaat om zoveel mogelijk goed te doen in je leven. Wie Macaskill, een van de oprichters van die beweging zo is te lezen op de kaft van het boek, leest, zal zien dat zoveel mogelijk geld verdienen een van de strategieën is die een altruïst kan toepassen. Als je veel verdiend kun je immers ook veel weggegeven en dus veel goed doen. Volgens Macaskill kun je beter ‘flitshandelaar’ worden dan tropenarts want met je verdiensten als ‘flitshandelaar’ kun je meer voor armen doen dan een tropenarts.

Nu weten we, ik en Bregman ook niet, wat Sandel met dat vele geld doet dat die workshops opleveren. Wellicht geeft hij een flink deel ervan aan goede doelen of betaalt hij er studiebeurzen van voor kinderen waarvan de ouders de studie niet kunnen betalen. Dan doet hij precies wat het effectief altruïsme aanbeveelt: veel verdienen zodat je veel weg kunt geven. Of misschien pot hij het wel op of koopt hij er allerlei ‘bling’ van. We weten het niet. Het gaat mij ook niet om Sandel.

Het gaat mij erom dat Bregman met die opmerking zonder dat hij het zich realiseert, de Achilleshiel van de effectief altruïsme beweging bloot legt. Alle altruïsten, groot en klein, kunnen alleen maar ‘altruïst’ zijn door precies dat te doen wat Bregman Sandel verwijt en dat is door te commodificeren. Neem de grote altruïsten van deze tijd Bill Gates en zijn ex Melissa. Zij haalden en halen hun vermogen en geld uit de bijna monopoliepositie van Microsoft. Vervolgens stoppen ze dat vermogen in een eigen stichting om ‘goed te doen’. Dat ‘goed doen’ doen ze van de rendementen van de beleggingen van dat vermogen en het vermogen van de anderen die zich bij hun ‘Giving Pledge’ hebben aangesloten. Niet door dat vermogen op te souperen. Ook Bregman zelf ontkomt er niet aan. Hij kan alleen de ‘altruïst’ uithangen door deel te nemen aan het systeem. Door artikelen te schrijven en podcasts te maken waar mensen als ik voor betalen. Door boeken te schrijven die mensen als ik lezen en door lezingen te houden. Dus door te commodificeren. Is zijn kritiek op Sandel niet van een hoog ‘pot verwijt de ketel’ gehalte? Altruïst kun je alleen maar binnen het systeem zijn.

En daarmee kom ik terug op de uitspraak die voor mij aanleiding was om een Prikker te wijden aan het boek van Macaskill. Op een activiteit van het World Economic Forum in Davos, werd Bregman geïnterviewd en sprak hij zich juist uit tegen filantropie met de woorden: “Taxes, taxes, taxes! The rest is bullshit.” Als we werkelijk naar een betere verdeling van de rijkdom en kansen in de wereld willen, dan komen we er niet met filantropie. Dan hebben we echt ‘taxes, taxes, taxes’ nodig en geen filantropische bullshit. Filantropie houdt, ondanks dat er mensenlevens worden gered en er goeds gebeurt, de bestaande verhoudingen in stand en vergroot die zelfs nog. Erger nog, om een tegenwoordig veel en vaak niet op de goede manier gebruikt woord te gebruiken, het zorgt voor ‘koloniale verhoudingen’.  

Rechten voor de natuur

“De beste van alle mogelijke werelden is geen wereld waarin we zouden kunnen leven, want het begrip menselijke vrijheid veronderstelt beperkingen. Vrij handelen betekent handelen zonder voldoende kennis of macht, dat wil zeggen zonder alwetendheid of almacht.[1] Een passage uit het boek Het kwaad in het moderne denken van de filosoof Susan Neiman. Ik moest hieraan denken toen ik bij De Correspondent een artikel van Jessica den Outer las. Den Outer pleit voor rechten voor de natuur.

Amazon Rainforest | Aerial view of the Amazon Rainforest, ne… | Flickr
Bron: Flickr

Niet voor natuurrechten (H)et idee dat voor iedereen, ongeacht plaats of tijd, rechten gelden omdat ze door de ‘natuur’ zijn gegeven. Natuurrechten zijn aangeboren en onvervreemdbaar. Het natuurrecht wordt onderscheiden van positief recht, dat door nationale wetgevers wordt gemaakt en uitgevoerd.” Zoals Amnesty International het begrip natuurrecht omschrijft. Natuurrechten zijn een oud begrip. De oude Griekse filosofen spraken al over die ‘onveranderlijke rechtsregels’ die de mens van nature had. Rechten die het christendom als door god gegeven zag. Nee, voor rechten voor de natuur en niet alleen voor dieren, maar ook voor rivieren, bossen enzovoort. Hiermee moet de antropocentrische wereld worden beëindigd. De wereld waaraan de mens de doorslag geeft. Rechten voor de natuur is wat anders dan onze huidige milieuwetgeving want bij die wetgeving is, zo betoogt Outer: “de mens, als middelpunt van het bestaan, (…) het uitgangspunt van wet- en regelgeving. Dit uitgangspunt heeft ertoe geleid dat wij de natuur beschouwen als ons eigendom: iets wat we kunnen uitbuiten voor menselijk gewin. Wij, de mens, hebben als eigenaar onbeperkte macht over de natuur.” Door ook de natuur rechten te geven zou de mens van de troon worden gestoten waarop hij zichzelf heeft geplaatst.

Ik moest aan Neiman denken omdat zij in haar boek de deconfiture van God beschrijft. Of om het anders te zeggen, het plaatsen van de mens op de oude troon van god. De mens kreeg hiermee, zo betoogt Neiman, een steeds grotere verantwoordelijkheid voor het kwaad in deze wereld. Voor de moderne tijd was er maar één soort kwaad: alle kwaad was een straf van God of de uitvoering van de wil van God. God kende het grote plan en of het nu een aardbeving of een oorlog betrof, God had er een plan mee. Erg handig zo’n ‘imaginair construct’ dat alles verklaart. Zonder God moet er een andere oorzaak voor het kwaad zijn en als zijn plaatsvervanger moest dat wel de mens worden. Met de vrijheid, om het citaat waarmee ik begon aan te halen, komt immers ook verantwoordelijkheid. Nu kun je dat bij misdaden, moorden, oorlog en alle andere zaken waar de mens handelend optreedt goed volhouden. Bij een aardbeving of een orkaan wordt dat anders. De moderne denkers splitsten het kwaad daarom in tweeën. Aan de ene kant het morele kwaad waar de menselijke hand duidelijk een rol speelt. En aan de andere kant het natuurlijke kwaad van bijvoorbeeld de aardbevingen en orkanen. Alhoewel de mens tegenwoordig, via de door uitstoot van kooldioxide veroorzaakte opwarming van de aarde, ook al een hand heeft in die laatste.

Daarmee kom ik bij het artikel van Outer. Volgens Outer zit de mens hoog op zijn troon. Zij wil meer evenwicht in de wereld. Die is nu ‘antropocentrisch’ omdat wij: “als eigenaar onbeperkte macht over de natuur,” hebben. Outer pleit voor een ecocentrische benadering: “de overtuiging dat de mens deel uitmaakt van de aardse gemeenschap en leeft in een systeem van onderlinge afhankelijkheid. … In de ecocentrische benadering is de intrinsieke waarde van al het leven essentieel. Een opvatting die leeft bij verschillende inheemse volkeren. De natuur heeft waarde, simpelweg ‘omdat ze bestaat’. Je neemt verantwoordelijkheid voor je band met de natuur en denkt bij de keuzes die je maakt aan de belangen van alle vormen van leven en van toekomstige generaties.” Daarom wil zij de natuur rechten geven, net zoals de mens rechten heeft.

Hoe zou dat moeten? Als natuur een rechtspersoon is dan: “geniet ze een onafhankelijke juridische status die beschermd moet worden – en zo krijgt ze een stem in onze samenleving.” Die rechten moeten worden erkend door rechters of via de politiek. Daarbij kan het gaan om: “de natuur in het algemeen of om concrete entiteiten zoals rivieren, bossen of bergen, die rechten of eigen rechtspersoonlijkheid krijgen.” Zodat zij wordt meegenomen bij alle beslissingen die haar welzijn aangaan. Daarbij moeten: “Menselijke voogden (…) ervoor (zorgen) dat deze rechten worden gewaarborgd en nageleefd. In het ergste geval kunnen zij een rechtszaak aanspannen namens de natuur, zoals een voogd dat voor een kind kan doen.”

Dat de natuur waarde heeft omdat ze bestaat, staat voor mij buiten kijf. Net zoals het voor mij buiten kijf staat dat de mens geen eigenaar is van de wereld. En daarmee kom ik op mijn bedenkingen bij de rechten voor de natuur. Outer wil ‘de mens van de troon halen die hij, zoals Neiman laat zien, van God heeft overgenomen. Zij wil van de huidige antropocentrische naar een ecocentristische wereld. Maar hoe ‘intrinsiek’ is de waarde van natuur als ze rechten van de mens moet krijgen om gewaardeerd te worden? Hoe ecocentrisch is het als de mens die rechten moet toekennen? Hoe ecocentrisch is het om de mens de stem en voogd te laten zijn voor de natuur?


[1] Susan Neiman,  Het kwaad in het moderne denken, pagina 120

Vrijheid

Vandaag is het 5 mei en vieren we de vrijheid. Volgens sommigen hebben we in de strijd tegen het coronavirus onze vrijheid ingeleverd en krijgen we dat wat we hebben verloren nooit meer terug en zijn we in een dictatuur beland. Voor mij aanleiding om eens vanaf een afstandje, voor zover dat kan, naar vrijheid en het nu te kijken. Ik doe dat aan de hand van de State of the Union die de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt op 6 januari 1941 uitsprak[1].

Eerst even die ‘dictatuur’ waarin we volgens sommigen leven. Een bijzondere bewering die Alicja Gescinska in de Volkskrant van repliek voorziet met de woorden: “Alleen al het feit dat je zonder gevolgen kunt zeggen dat je in een dictatuur leeft, is het bewijs dat je niet in een dictatuur leeft. De gechargeerde kritiek op het beleid getuigt van een eenzijdig begrip van wat vrijheid en onvrijheid werkelijk betekenen.” Gescinska houdt vervolgens een pleidooi voor verbonden vrijheid: “Wanneer we als samenleving niet uiteen willen vallen in een strijd tussen hongerige wolven en verscheurde schapen, moeten we leren vrij zijn mét elkaar, niet ten koste van elkaar. Onze vrijheid is zoals onze menselijke natuur zelf: per definitie sociaal. We kunnen pas vrij zijn in onze verbondenheid met elkaar.” Een prachtig pleidooi voor broederschap.

File:Fietsers op de autosnelweg, Bestanddeelnr 926-8019.jpg - Wikimedia  Commons
Autoloze zondag. Bron: WikimediaCommons

Terug naar Roosevelts State of the Union. Roosevelt was net voor de derde keer gekozen als president van de Verenigde Staten. Het land was nog niet bij de oorlog betrokken, tenminste niet direct. Ondanks haar neutraliteit steunde de regering Roosevelt de Britten. Iets wat een kleine twee maanden later werd bekrachtigd in de Lend and Lease Act. De wet gaf de president de bevoegdheid om landen die voor de Verenigde Staten vitaal werden geacht te ondersteunen door hen materieel te lenen en verhuren. In zijn toespraak schetst Roosevelt een toekomstige wereld. Roosevelt schetst vier essentiële vrijheden die, als ze worden gewaarborgd, de wereld veiliger maken. Die vier zijn de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid om welke god op welke manier dan ook te aanbidden, de vrijheid of beter vrijwaring van gebrek en als laatste vrijheid of weer beter vrijwaring van vrees. Wat zien we als we onze huidige ‘coronamaatregelen wereld’ langs deze vier vrijheden leggen? Laat ik ze eens een voor een nalopen.

Als eerste de vrijheid van meningsuiting. Die lijkt mij volledig onaangetast. Iedereen kan zeggen, roepen, beweren, schrijven en uitzenden wat hij of zij wil: “behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet ,” zoals in artikel 7 van de Grondwet is beschreven. ‘Maar de mainstreammedia zijn eenzijdig en negeren andere opvattingen?’ Een interessante maar niet relevante vraag. Dat een krant weigert om jou mening te publiceren, dat een talkshow jou niet uitnodigt om je verhaal te vertellen, tast jouw vrijheid om je mening te uiten niet aan. Jouw vrijheid om je mening te uiten betekent niet de plicht van die krant of talkshow om jou te publiceren of te laten spreken. Media hebben geen ‘publicatieplicht’, zij bepalen zelf welke informatie zij publiceren. Ook onze belangrijkste vorm van meningsuiting, de verkiezing van onze volksvertegenwoordiging kon gewoon plaatsvinden. Wel op een iets aangepaste manier maar zonder merkbaar effect op de opkomst.  

Nog even terug naar ieders ‘verantwoordelijkheid voor de wet’. De roeper moet wel oppassen met het aanprijzen van zichzelf of anderen want dat zou wel eens onder de handelsreclame kunnen vallen want die wordt in het vierde lid van het Grondwetsartikel uitgezonderd van de vrijheid van meningsuiting. Of de door Baudet en anderen gemaakte en verspreidde poster waarop de vrijheid in 2020 eindigde onder de handelsreclame valt, dat laat ik over aan juristen en rechters. Het zou wel een interessante zaak zijn. Zeker properganda.nl, een soort communicatiebureau, zou zich wel eens op glad ijs hebben begeven.

Dan de vrijheid om welke god op welke manier dan ook aan te hangen. Ook hieraan wordt niet getornd. Het staat iedereen nog steeds vrij welke god dan ook aan te hangen en te vereren, weer aldus artikel 6 van onze Grondwet: “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.”  In kerkgebouwen mag men zijn geloof belijden zoals men wil en met zoveel mensen als men wil. Of zoals de overheid het schrijft: “Mensen die samenkomen voor hun geloof of levensovertuiging zijn uitgezonderd van de maatregelen voor samenkomsten. Dit betekent dat er geen regels zijn voor het maximaal aantal personen in een kerk, moskee, synagoge of ander gebedshuis. Ook is er geen verbod op zingen.” Wel geeft de overheid op dit terrein adviezen.

Dan Roosevelts derde vrijheid, de vrijwaring van gebrek: “which, translated into world terms, means economic understandings which will secure to every nation a healthy peacetime life for its inhabitants, everywhere in the world,” aldus Roosevelt. Die is in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in artikel 25.1 vertaald in: “Everyone has the right to a standard of living adequate for the health and well-being of himself and of his family, including food, clothing, housing and medical care and necessary social services, and the right to security in the event of unemployment, sickness, disability, widowhood, old age or other lack of livelihood in circumstances beyond his control.” Deze ‘vrijheid’ verdeelt de schaarste en correspondeert met Gescinska’s pleidooi voor vrijheid in verbondenheid met broederschap en een rechtvaardige wereld. In tijden van crisis dienen op dit terrein altijd vrijheden tegen elkaar worden afgewogen.

Op dit gebied beperken de coronamaatregelen vrijheden. Neem de medische zorg, die komt door het vollopen van de IC’s met corona patiënten voor mensen met een andere ernstige aandoening in gevaar. Dit probleem is echter niet aan de coronamaatregelen te wijten. Zonder die maatregelen zouden de IC’s ook en hoogst waarschijnlijk zelfs nog veel sneller, zijn volgelopen. Ook wordt een deel van de bevolking door de maatregelen beperkt in het verwerven van hun inkomen (lack of livelihood). Die vrijheidsbeperkingen worden gecompenseerd. Om hen te ondersteunen zijn er allerlei maatregelen genomen om grote ellende te voorkomen. De manier waarop dat is gebeurd en dat het niet overal en altijd in voldoende mate lukt, kun je bekritiseren, dat heb ik ook gedaan. Ook over de effectiviteit van verschillende maatregelen kun je van mening verschillen. Een noodsituatie leent zich er echter niet voor om eerst wetenschappelijk te onderzoeken of iets effectief is. Soms moet je het doen, om premier Rutte aan te halen, met 50% van de kennis en nog minder, en een besluit nemen. Zonder maatregelen zou deze vrijheid echter ook onder druk staan. Dan zou de livelihood van de beperkten wellicht beter zijn maar dat dan wel ten koste van ‘health and wellbeing’ van anderen.

Als laatste de vrijwaring van vrees. Roosevelt spits die toe op landen en omschrijft vrijwaring van angst als: “a world-wide reduction of armaments to such a point and in such a thorough fashion that no nation will be in a position to commit an act of physical aggression against any neighbor—anywhere in the world.” Daar kunnen we in het kader van corona niets mee. Of toch wel? Als we het handelen van landen bekijken bij het verkrijgen van vaccins, dan zien we dat met name Westerse landen hun wapens (geld) gebruiken ten kosten van arme landen. Je zou dat kunnen zien als het ‘plegen van agressie tegen je buren.’

Wat als we ‘vrijwaring van angst’ vertalen naar het individuele niveau? Dan zou geen individu de mogelijkheid moeten hebben een ander agressief te benaderen en te bedreigen. Op dit punt zien we een duidelijke afname van de vrijheid. Mensen, politie-agenten, journalisten en politici om drie voorbeelden te noemen worden bedreigd. Dit is niet nieuw, ook voor de corona-pandemie gebeurde dit al. De corona-pandemie heeft wel voor een toename gezorgd. Maar belangrijker, ze worden niet bedreigd door de overheid, de instantie die vrijheid kan beperken, maar door andere individuen.

Met onze vrijheid in coronatijd gaat het dus nog bijzonder goed. ‘Maar de avondklok dan? Die beperkte onze vrijheid toch?’  Inderdaad beperkte die je vrijheid om op bepaalde tijdstippen buiten te zijn. Als een tijdelijke maatregel om een crisis te bezweren kan dat worden gezien als een legitiem maar tijdelijk middel. Dat de maatregel tijdelijk was, is inmiddels duidelijk. Of het middel effectief was, daarover kun je van mening verschillen. Net zoals de ‘autoloze zondagen’ in 1973 een tijdelijke beperking van de vrijheid was.


[1] Voor degenen die deze State of the Union willen beluistere. Op deze Wikipediapagina kan dat

Money, money, money

Als jongetje van twaalf jaar droomde ik van een carrière als voetballer. Ik droomde ervan omdat ik heel graag voetbalde, niet omdat er zoveel geld mee te verdienen was. In die tijd, in de jaren zeventig, bestond het ‘gilde van profvoetballers’ vooral uit semiprofs die eerst de post bezorgden of een huis schilderden en daarna gingen trainen. Tegenwoordig is dat wel anders. Neem Messi, die verdient in één maand meer dan het totale budget van mijn clubje VVV. Sterker nog, voor de ongeveer € 5 miljoen in de maand die hij dan nog overhoudt, moet iemand met een modaal salaris ongeveer 135 jaar werken.

File:VVV Venlo (1956), ANEFO Rousel, Bestanddeelnr 157-0521.jpg - Wikimedia  Commons
Uit de oude doos: VVV in 1956. Bron: WikimediaCommons

Toch schijnt dat niet genoeg te zijn. Het betaald voetbal stevent op haar ondergang af, er moet meer geld bij anders gaat het absoluut fout. “Met de inkomsten uit de Champions League gaan we er allemaal aan: de grote clubs, de middelgrote en de kleine.’ Wat het voetbal nodig heeft, zegt de Super League-preses, is Federer tegen Nadal. ‘Elke dinsdag en woensdag.” Zo lees ik in de Volkskrant. Daarom ging Perez met zijn collega’s van elf andere Europese top- en sommige wat meer dure flopclubs op zoek naar nog meer geld en wilden ze de Superleague beginnen.

De Champions League is nu het mekka waar het grote geld is te verdienen, de hele grote kers met slagroom op de landelijk taart. Alleen moet je je daarvoor kwalificeren via de landelijke taart en dat kan wel eens mislukken en dan is Leiden in last. Nou, Leiden niet want daar wordt niet professioneel gevoetbald, maar Madrid, Barcelona, Londen, Turijn en Manchester. Om dat te voorkomen mogen er uit bijvoorbeeld Engeland en Spanje al vier clubs deelnemen. Bij die Spaanse vier zit steevast het Real van Perez. Toch is dit nog ‘te onzeker’ en daarom willen Perez c.s. een Super League waaraan zij gegarandeerd deelnemen en minimaal € 300 miljoen per jaar krijgen. Een bedrag waar mijn VVV 35 jaar op kan draaien.

Maar beste meneer Perez, als het heel vele geld van de Champions League niet genoeg is om het voetbal ‘te redden’, zou nog meer geld dan de oplossing zijn? Zou nog meer geld dan tot iedere dinsdag en woensdag ‘Nadal tegen Federer’ leiden? En dan moet ik u teleurstellen, de grote voorspelbaarheid van de Champions League maakt dat ik er steeds minder naar kijk. Steeds weer ‘Nadal tegen Federer’ gaat behoorlijk vervelen. Het wordt pas interessant als het spannend is, als mijn VVV bijvoorbeeld van PSV wint. Of op ‘uw niveau’, als Ajax uw Real in de achtste finale uit de Champions League knikkert door met 1 – 4 te winnen in Bernabeu zoals in 2019. Iets waar u wellicht nog buikpijn van krijgt omdat u in uw begroting had geteld op minstens een halve finale. Spanning, dat is wat voetbal mooi en interessant maakt en dat is waar het in toenemende mate aan ontbreekt. En daar ontbreekt het aan omdat u en die elf vrienden van u de beste spelers elders wegkopen en bij u op de bank of tribune zetten. Neem Manchester City dat, zoals René van der Gijp het gekscherend maar met een kern van waarheid zegt, met drie vliegtuigen naar een uitwedstrijd moeten vliegen om alle spelers mee te nemen.

Beste meneer Perez, blijft u vooral zoeken naar nog meer geld zodat u de Messi’s van deze wereld € 135 miljoen per jaar kunt betalen. Ik blijf me inzetten voor een andere wereld. Een wereld waarin de Messi’s goed worden beloond maar niet exorbitant zoals nu het geval is. Een wereld waarin we op Europees niveau, zo schreef ik een jaar geleden ook al in relatie tot het voetbal: “komen tot een zelfde systeem van sterk progressieve inkomstenbelastingen, een systeem met een tarief van bijvoorbeeld 85% voor inkomen boven de € 150.000,” En naar ik nu denk, zou zelfs 99% bij een inkomen boven € 1 miljoen nog beter zijn. Dan zorgen we er op die manier voor dat bijna € 133,5 miljoen van het salaris van Messi kan worden besteed aan het betalen van de Spaanse verpleegsters en politieagenten. Messi houdt dan nog iets meer dan € 1,5 miljoen, 40 keer een modaal Nederlands salaris, over en daar kun je best riant van leven.