Uitgelicht

Kapitalisme is communisme

‘War is paece, freedom is slavery, ignorance is strenght’, schreef Orwell in zijn bekenste werk Nineteen eighty-four. Het boek waar we Big Brother aan te danken hebben. Nee, niet de realitysoap van begin deze eeuw maar de alles controlerende en beheersende overheid. Een overheid die in alles de waarheid verkondigt . Als die overheid zegt dat twee plus twee vijf is, dan is het vijf. Ik moest aan Orwells omkering van begrippen denken bij het lezen van het artikel Globalisme is communisme in een mooier jasje van Alma van Hees op de site Opiniez. Want zij voegt er impliciet een vierde woordenpaar aan toe: kapitalisme is communisme.

“Nu kan het aan mij liggen, maar ik heb de indruk dat we allang geen ‘kapitalistisch’ systeem meer hebben, maar sluipenderwijs zijn beland in een ‘groene’ totalitaire planeconomie. De jacht op de ‘rijken’ is volop gaande, bezit is verdacht en wordt zo zwaar belast dat mensen Nederland verlaten, ondernemers wordt het ondernemen onmogelijk gemaakt, boeren worden onteigend en vissers moeten hun boten laten slopen. Werken loont nauwelijks en geld verdienen mag niet meer. En iedereen stikt in onze veel te grote overheid, die werkelijk alles wil regelen, tot en met je menu. Hoezo kapitalistisch? Kapitaal in elke vorm wordt al jarenlang afgebroken.” Aldus Van Hees. Nu kan het aan mij liggen, maar ik heb de indruk dat er van enige economische planning, laat staan, groene, geen sprake is. Maatregelen die ‘het groene’ bevorderen zijn de laatsten die worden genomen en de eersten die sneuvelen. Zo heeft de Amerikaanse president Trump alles wat naar ‘groen’ riekt in de prullenbak geworpen en zet hij vol in op fossiel. Zo vol dat hij er presidenten van landen voor afzet en oorlogen voor voert en pleit Euro-commissaris Hoekstra niet voor maatregelen om de opwarming van de aarde tegen te gaan maar voor maatregelen om met die warmte om te gaan.

Ik heb de indruk dat die ‘jacht op de rijken’ zo succesvol is dat hun rijkdom ieder jaar sneller groeit dan economie. Die ‘jacht’ is zo succesvol dat de vertegenwoordigers van de rijken de ‘praattafels’ op tv domineren. Domineren in de persoon van VVD Kamerleden die orakelen over hardwerkende Nederlanders , kapitaalvlucht en economische groei. Economische groei die vooral ten goede komt aan die rijken, omdat hun vermogen sneller groeit dan de economie. Die ‘jacht ‘is zo succesvol dat het pleidooi van de rijken om hun rijkdom bij het heffen van belastingen te ontzien zo succesvol dat ‘arme sloebers’ ook vinden dat je die ‘hardwerkende mensen’ moet ontzien. Dit terwijl die arme sloebers vervolgens de rekening moeten betalen. Hoe zei Joseph Stiglitz het ook al weer: “The fact that the 1 percent has so succesfully shaped public perception testifies to the malleability of beliefs.”1 heb de indruk dat kapitaal niet wordt afgebroken maar zich vooral verzamelt bij een zeer klein clubje mensen. Een clubje dat nog kleiner is dan de 1 procent van Stiglitz.

Ik heb de indruk dat ondernemen nog steeds loont want de trendrapporten van de Kamer van koophandel laten zien dat er meer mensen als ondernemer beginnen dan dat er stoppen. Dat boeren stoppen en soms worden onteigend, is niets nieuws. Veel boeren stoppen omdat ze geen opvolger hebben of omdat hun bedrijfsvoering door de immer toenemende schaalvergroting niet meer rendabel te maken is. Een proces dat al sinds de jaren vijftig aan de gang is. En ja, er worden ook boeren onteigend, maar dat is niets nieuws.

“Diederik Samsom, ja, die van de Green Deal, had het vorig jaar nog over nationalisatie van grond en mensen desnoods onteigenen, helemaal in de communistische lijn.” Aldus Van Hees. Zou Van Hees weten dat onteigening niet iets typisch communistisch is? Sterker nog dat onteigening: “een transformatieve techniek (is) die staten kon opbouwen, economische systemen reorganiseren, bestaande markten liberaliseren, nieuwe markten creëren, rijkdommen vergaren en gebieden ontwikkelen,” als Nicholas Mulder, kortom: “een bron van economische dynamiek.”1 Gebouwd op de onteigening van kerkelijke gronden, de onteigening van gemeenschappelijke gronden. Onteigening is veel ouder dan het communisme. Er werd al onteigend voordat er communistische landen waren. Sterker nog, zo laat Mulder in zijn boek Macht en Eigendom zien, het meest onteigend werd er in landen die niet communistisch waren. Zou Van Hees weten dat de geschiedenis laat zien dat onteigening vooral de onteigenden geen windeieren legt? Dit omdat de compensatie meestal groter is dan de schade en de compensatie ervoor zorgt dat vastkapitaal vlottend wordt en weer op zoek gaat naar nieuw rendement. En even voor Van Hees Mulder constateert dat argumenten voor privatisering dezelfde zijn die voor onteigening en nationalisering worden gebruikt. Dus met dezelfde redenering kun je alle kanten op.

Globalisme is communisme 2.0, zo betoogt Van Hees. Twee ideologieën die een ideale wereld schetsen en iedereen die er anders over denkt, onderdrukken.”Een communistische samenleving elimineert het individu, want er is slechts ruimte voor het collectief onder staatsdwang. … . Neem nu het globalisme. De leidraad is ook hier een ideaal, namelijk een grenzeloze wereld waarin alle volken zich vermengen, armoede niet meer bestaat en de planeet wordt gered van de opwarming door de mens. Deel je dat ideaal niet, dan lijd je ook aan een vals bewustzijn en word je voor klimaatontkenner, xenofoob, nationalist, islamofoob, transfoob, fascist of racist uitgemaakt en krijg je nergens een poot aan de grond.” Globalisering is geen ideologie van een ‘grenzeloze wereld van zich vermengende volkeren zonder armoede’. Dat is een stropop die Van Hees in haar betoog goed uitkomt. Het is een ideologie, als je in dit geval van een ideoligie mag spreken, van kapitaal dat zonder belemmeringen over de wereld reist op zoek naar de plek met het hoogste rendement. Globalisme is een ‘uitvinding’ van het kapitaal. Een van de manieren waarop kapitaal, en vooral de eigenaren van kapitaal, zich proberen in te dekken tegen onteigening door de staat (nationalisatie) is door het te globaliseren, door het te verdelen over verschillende landen van de wereld. De Eerste Wereldoorlog leidde tot grote onteigeningen van kapitaal. De geallieerde landen onteigenden bezittingen van de As-mogendheden en omgekeerd. Om dit te voorkomen, werd kapitaal ‘geglobaliseerd’. Bedrijven brachten buitenlandse bezittingen onder in landen die we nu belastingparadijzen noemen. Landen met een geringe kans op deelname aan een oorlog. Als globalisering communisme is dan is kapitalisme communisme. Of geldt in een samenleving waar de werkelijkheid relatief is dat onwetendheid een kracht is? Er is immers geen kennis die je belemmert bij het debiteren van onzin.

1Joseph Stiglitz, The Price of Inequality, pagina 146; Vertaald: Het feit dat de 1 procent er zo goed in is geslaagd de publieke opinie te beïnvloeden, toont aan hoe beïnvloedbaar overtuigingen zijn.

2 Nicholas Mulder, Macht en Eigendom. Een mondiale geschiedenis van onteigening, pagina 19

Uitgelicht

J’accuse…!

Brief aan de heer R. Jetten, minister-president van Nederland. J’ accuse…! Zo begon een open brief van de Franse schrijver Emile Zola in de krant L’Aurore van 13 januari 1898. Zola richtte zijn brief aan Félix Faure, de toenmalige president van de derde Franse republiek. Met deze woorden begint deze open brief aan u. Zola sprak in zijn brief zijn verontwaardiging uit over de manier waarop kapitein Alfred Dreyfus onterecht werd beschuldig van en veroordeeld voor spionage voor Duitsland. De beschuldiging en veroordeling van de jood Dreyfus waren een gevolg van antisemitisme. “Er is niets meer aan te doen, Frankrijk draagt nu voor altijd deze vuiligheid, de geschiedenis zal schrijven dat het onder uw presidentschap was dat een dergelijk maatschappelijk misdrijf bedreven kon worden,” aldus Zola in zijn brief. Aan hetgeen ik onder uw aandacht wil brengen daarentegen, is nog wel wat te doen. U kunt nog wel iets doen aan de schandvlek die uw blazoen aan het bevuilen is. Snel handelen kan ervoor zorgen dat die schandvlek niet aan uw blazoen hecht. Welke schandvlek? De schandvlek van het handelen of beter gezegd het gebrek aan handelen van de Nederlandse staat met betrekking tot het beschermen van de Palestijnse bevolking tegen de Israëlische regering.

Zola’s open brief aan Faure. Bron: Wikipedia

Ik gebruik de woorden van Zola, j’accuse …! , ‘ik beschuldig’ om mijn brief aan u, de eerste vertegenwoordiger van de Nederlandse, regering te openen. Ik beschuldig de Nederlandse regering van:

Als eerste het niet veroordelen van en optreden tegen oorlogsmisdaden begaan door Israël. Want:

– zoals u weet, of behoort te weten, is het collectief straffen van mensen voor de daden van enkelen in een oorlog, een oorlogsmisdaad. Artikel 33 van het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd, stelt dat een beschermd persoon niet mag worden bestraft voor een vergrijp dat de persoon niet heeft begaan. Meer dan 2.200 mensen uit hun huizen zetten en hun huizen vernietigen als vergelding voor de dood van twee Israëlische soldaten alleen maar omdat de schutter uit hun wijk afkomstig is, is mensen straffen voor een daad die ze niet hebben gepleegd. Palestijnen in de door Israël bezette gebieden zijn, op grond van het vierde artikel van hetzelfde verdrag, beschermde personen. Dat is een vorm van collectief straffen die het al genoemde artikel 33 verbiedt. De Israëlische regering begaat hiermee een oorlogsmisdaad en dit is niet de eerste keer. Begin 2025 deed de Israëlische regering precies hetzelfde in Jenin. En ook de acties van Israël in Gaza vertonen veel kenmerken van collectief straffen;

– zoals u weet, of behoort te weten, stelt Artikel 3 van hetzelfde verdrag dat: “Personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak, onder alle omstandigheden menslievend (moeten) worden behandeld.” Het massaal samendrijven van dergelijke personen in kampen en hen daar maar mondjesmaat van voedsel, water en medische verzorging voorzien kan ik niet ‘menswaardig behandelen’ noemen;

– zoals u weet, of behoort te weten, moeten: “De gewonden en zieken, evenals de gebrekkigen en de zwangere vrouwen, in het bijzonder worden beschermd en ontzien,” zo stelt artikel 16 van hetzelfde verdrag. Het bombarderen van ziekenhuizen lijkt mij niet bij te dragen aan het beschermen van gewonden, zieken en gebrekkigen. Sterker, artikel 18 stelt dat: “Burgerziekeninrichtingen, ingericht voor de verzorging van de gewonden, zieken, gebrekkigen en kraamvrouwen, onder geen omstandigheid het doelwit van aanvallen (mogen) zijn, doch moeten te allen tijde worden ontzien en beschermd door de Partijen bij het conflict.” Ook moeten (artikel 21): “Transporten van gewonde en zieke burgers, van gebrekkigen en kraamvrouwen, uitgevoerd te land door konvooien van voertuigen,” net zoals de genoemde ziekenhuizen worden ontzien en beschermd. Het beschieten en bombarderen van ambulances is een flagrante schending hiervan.

Wat buiten kijf staat is het recht van een bezet volk of leden ervan om zich tegen de bezetting te verzetten. En ja, bij dat verzetten mag geweld worden gebruikt maar wel binnen de regels van het oorlogsrecht en die overtrad Hamas op 7 oktober 2023. Het overtrad die regels niet door de actie op Israëlisch grond gebied te laten plaatsvinden. Het overtrad die regels door willekeurig mensen (waaronder kinderen) te mishandelen en doden en door vrouwen te verkrachten. Die daden moeten scherp worden veroordeeld. Het recht op zelfverdediging waar Israël en haar sympathisanten zich op beroepen geeft het land geen vrijbrief om het oorlogsrecht en de mensenrechten te schenden, zich van terreur te bedienen en genocidaal op te treden. Net zoals het recht op verzet van de Palestijnen hen niet het recht geeft om het oorlogsrecht te schenden. Dergelijke overtredingen van het oorlogsrecht kunnen en mogen niet onbestraft blijven.

Als tweede het niet veroordelen van en optreden tegen Israël vanwege genocidaal handelen. Van genocide is sprake zo is vastgelegd in artikel II van het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide als er sprake is van: “een van de volgende handelingen, gepleegd met de bedoeling om een nationale, ethnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen: a. het doden van leden van de groep; b. het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep; c. het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging; d. het nemen van maatregelen, bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen; e. het gewelddadig overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep.” Niet te ontkennen valt dat Israël Palestijnen doodt, ze ernstig lichamelijk en geestelijk letsel toebrengt en hen levensvoorwaarden oplegt die tot gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging leiden. Tegenwerpen dat het aan ‘de rechter is’ om hierover te oordelen ontslaat iemand niet van de plicht om zich uit te spreken over het genocidale karakter van het handelen van Israël af te keuren en passende maatregelen te nemen tegen de dader. Want zelfs als de rechter mocht bepalen dat er geen sprake is van genocide dan nog is het optreden van Israël een schending van het oorlogsrecht en de mensenrechten.

En daarmee als derde het niet veroordelen van en optreden tegen de schending van de mensenrechten door Israël. Zo schendt Israël het recht op leven, vrijheid en de onschendbaarheid (artikel 1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens). Maakt Israël zich schuldig aan foltering en wrede, onmenselijke en interende behandeling en bestraffing. Denk hierbij onder andere aan de collectieve bestraffing. Onthoudt Israël de bewoners van de bezette gebieden erkenning als persoon voor de wet (artikel 6). Zijn zij niet gelijk voor de wet en hebben zij geen aanspraak op gelijke bescherming (artikel 7). Worden Palestijnen onderworpen aan willekeurige arrestatie, detentie en verbanning (artikel 9). Wordt hen een eerlijke en openbare behandeling voor een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie ontzegt (artikel 10). Worden zij voor schuldig gehouden zonder dat hun schuld wordt bewezen (artikel 11). Worden zij onderworpen aan willekeurige inmenging in hun persoonlijke aangelegenheden (artikel 12). Wordt aan hen het recht onthouden om zich vrijelijk te verplaatsen en om hun land te verlaten of er terug te keren (artikel 13). Wordt hen het recht op een nationaliteit onthouden (artikel 15). Worden zij in strijd met artikel 17 willekeurig van hun eigendommen beroofd. Om enkele van de mensenrechten te noemen die de Israëlische regering schendt in haar optreden in de bezette gebieden

Ik beschuldig de Nederlandse regering van het niet veroordelen van dit handelen en er niet tegen optreden. Optreden door economische, diplomatieke en militaire maatregelen te nemen tegen Israël. Maatregelen in overeenstemming met de ernst van de overtredingen en die zijn ernstig.

Ik beschuldig de Nederlandse regering van nalatigheid en plichtsverzuim. Nalatigheid en plichtsverzuim omdat de Nederlandse Grondwet in artikel 90 stelt dat de regering de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert. Bevorderen, ‘de werking of ontwikkeling van iets begunstigen, in de hand werken’ aldus de Van Dale. Het minste wat een regering kan doen is zich uitspreken tegen schending van de internationale rechtsorde. Het handelen van Israël een flagrante schending van die internationale rechtsorde. Iets meer dan uitspreken is het nemen van maatregelen tegen de schender. Door niets te doen tegen het optreden van Israël laat de Nederlandse regering die internationale rechtsorde aan haar lot over. Een rechtsorde is alleen een orde als ze wordt gehandhaafd en als overtreders worden aangesproken en gestraft voor hun overtreding. Als ze voor iedereen geldt en iedereen op overtreding ervan wordt aangesproken, niet alleen voor onwelgevallige landen.

“En ik roep tot u, mijnheer de President, deze waarheid, met al mijn opstandige kracht van een eerlijk man,” schreef Zola aan Faure en dat doe ik met deze brief aan u, minister-president. De zin die hij erop liet volgen (“ Voor uw eer ben ik ervan overtuigd dat gij er niet van weet” ) kan ik er niet aan toevoegen omdat u in uw eerdere hoedanigheid meeliep en een rode lijn trok tegen de passieve en daardoor medeplichtige houding van de regering van uw voorganger Schoof. U bent ervan op de hoogte . Maar u kunt uw blazoen nog beschermen tegen ernstige aantasting door nu te doen waar u in 2025 voor demonstreerde, namelijk door u namens de Nederlandse regering uitspreken tegen de voortdurende schending van de rechten van Palestijnen. Door de medeplichtigheid te beëindigen en de overtreder, Israël te straffen voor haar overtreding. Straffen door alle handelscontacten te beëindigen en de diplomatieke betrekkingen met het land op het laagste pitje te zetten en de ambassadeur uit te zetten.

Afsluitend en Zola parafraserend: het is mijn plicht me op deze manier uit te spreken. Ik wil niet medeplichtig zijn. Mijn nachten zouden verstoord worden door de geest van de onschuldigen die daarginds moeten boeten, onder de vreselijkste aller martelingen.

Uitgelicht

Stefan Tax: de omgekeerde Robin Hood

Wat hebben Russel Crowe, Richard Geere en Kevin Costner gemeen? Alle drie hebben ze ooit de rol van Robin Hood gespeeld. De oude Engelse volksheld uit Sherwood Forrest die het leven van de sheriff van Nottingham verstierde omdat hij van de rijken stal en de opbrengst aan de armen gaf. Deze drie zijn trouwens niet de enigen die de rol van Robin hebben gespeeld. Van de drie betreffende films is die met Costner mijn favoriete. Niet vanwege Costner maar door de rol van Azeem, een mysterieuze Oosterling gespeeld door Morgan Freeman. Ik moest denken aan Robin Hood bij het lezen van een artikel van Stefan Tax in De Telegraaf dat ik op LinkedIn tegenkwam. “Schaf Box 3 af, en de erfbelasting ook!”stond er boven het artikel.

Stefan Tax is, zo is te lezen, lobbyist familiebedrijven en zoon van Quote 500 lid Ben Tax, de eigenaar van zaadveredelingsbedrijf Rijk Zwaan. Dit even ter introductie. Dan de inhoud van het artikel. Tax pleit voor het afschaffen van belastingheffing op vermogen, beleggingen en erfenissen. Maar dan ontstaat er, zo constateert Tax een dekkingsprobleem. “Het antwoord zou een veel zuinigere overheid moeten zijn. Het is natuurlijk een bloody shame als de overheid niet eens in staat blijkt voldoende te bezuinigen om deze belastingen af te schaffen.” maar als er dan toch iets belast moet worden, dan heeft Tax de kip met het gouden ei gevonden: “Mijn voorstel is simpel: hef jaarlijks een half procent over het vermogen van pensioenfondsen. Dat is voldoende om Box 3 en de erfbelasting volledig af te schaffen.” Dat is ook nog eens makkelijk uitvoerbaar: “Voor deze pensioenheffing heb je geen duizenden ambtenaren nodig. Een halve is al genoeg.”

Aan Robin Hood dus, maar dan wel een omgekeerde want wat stelt Tax hier voor? Hij wil het belasten van rendement uit vermogen en beleggingen afschaffen. Het rendement dat zijn vader maakt op zijn geschatte vermogen van € 275 miljoen kan dan gewoon in de zakken van zijn vader verdwijnen. En omdat hij ook de erfbelasting wil afschaffen verdwijnt het dan op termijn voor een deel in zijn zakken. Dit geheel en al zonder dat er ook maar een cent belasting over hoeft te worden betaald. Leuk voor zijn vader en voor hemzelf.

Voor wat betreft die erfbelasting even wat cijfers. Het gemiddelde vermogen van het gemiddelde Nederlandse huishouden inclusief eigen woning bedroeg in 2024 € 333.500. Dit was vrij ongelijk verdeeld want de mediaan van vermogen, het vermogen waarbij er precies evenveel mensen meer als minder vermogen hadden bedroeg in hetzelfde jaar € 135.500. De rijkste 10% van de huishoudens bezaten in totaal 42% van het totale vermogen. Het totale vermogen van de onderste 40% van de huishoudens was bij elkaar niet veel meer dan € 0.1 Wat betaal je nu aan erfbelasting als je enig kind bent van het gemiddelde huishouden. Over de eerste € 26.239 van je erfenis betaal je geen belasting2. Over de eerste € 158.669 euro van de rest betaal je 10%, dus € 15.867. Over de laatste € 148.592 betaal je 20% belasting, dus € 29.718. In totaal betaal je dan € 45.585 aan belastingen. Wat betekent dat je € 287.915 op je rekening kunt bijschrijven. Geld waarvoor je niets noemenswaardig hebt hoeven doen. Heb je een broer of zus dan betaal je over de € 166.750 die je erft € 12.051 en je broer of zus betaalt eenzelfde bedrag3. Als Tax die € 275 miljoen van zijn vader erft dan moet hij bijna € 55 miljoen aan belasting betalen. Een flink bedrag maar daarvoor mag hij wel € 220 miljoen op zijn rekening bijschrijven. Maar omdat het gros van de Nederlanders veel minder dan gemiddeld erft waarvan 40% niets tot bijna niets, hoeven die zich geen zorgen te maken over een forse aanslag. Erf je van de gelukkige Nederlander die op die mediaan zit, dan betaal je € 10.900 belastingen en kun je € 124.600 op je rekening bijschrijven. Van afschaffing van de erfbelasting profiteren vooral de rijken. Die hebben immers iets te vererven.

Iets soortgelijks geldt voor box 3. Uit allerlei berichten en vooral de reacties erop blijkt dat het gros van de mensen niet weet wat box 3 inhoudt. Dat is niet erg want het gros betaalt ook geen belastingen in box 3. Want als we het eigen woningbezit van het vermogen afhalen, dat telt namelijk niet mee bij het berekenen van het totaal vermogen waarover belasting moet worden betaald in box 3, dan daalt het gemiddelde vermogen naar € 167.200 en het mediane naar € 23.000. Alleen als je vermogen in box 3 hoger is dan € 59.357 en als je een fiscale partner hebt hoger dan € 118.714 moet je belasting betalen in box 3.4 Veel meer dan de helft van de Nederlanders betaalt daarom geen belasting in box 3. Ook van het afschaffen van deze belasting profiteren vooral de rijken en vermogenden. Precies de mensen die zich uitgebreid in de discussie hieromtrent melden, mensen zoals Stefan Tax. Daarbij spreken ze steeds over ‘de gewone man’, ‘de kleine man’ of nog vaker over de ‘hardwerkende Nederlander’ en zo lijken ze op te komen voor de belangen van ons allemaal. Ze maken zich echter druk om iets wat maar een klein deel van de Nederlanders raakt en wel precies die Nederlanders die het kunnen hebben. Ook van het afschaffen van box 3 profiteren de rijken.

Laten we nu eens kijken naar de manier waarop Tax dit wil betalen: 0,5% belasting op het vermogen van pensioenfondsen. Dat kan, zoals Tax terecht betoogt met een halve fte aan personeel worden geïnd. Al moet je je afvragen of het wenselijk is dat alle kennis van de heffing bij slecht één persoon zit. Dan belangrijker, van wie is het geld dat in die pensioenfondsen zit? Het bedrag in die fondsen is van de werknemers die volgens de wet verplicht via zo’n fonds moeten reserveren voor hun oude dag. De premie die hiervoor wordt betaald is ‘uitgesteld loon’. Loon dat nu opzij wordt gezet om het je een later moment, na je pensioen, uit te betalen. Over dat uitgestelde loon wordt bij het storten in het fonds geen inkomstenbelasting betaald. Die moet jij gaan betalen als het na je pensioen aan jou wordt uitbetaald. Het geld in die fondsen is dus van de werknemers van al die bedrijven die deelnemen aan die fondsen. Die moeten verplicht deelnemen. Het ingelegde geld wordt belegd om de inflatie te compenseren en liefst nog iets meer. Dat is nodig om je na je pensioen een redelijk bedrag te kunnen uitbetalen.

Tax’ idee om daar ieder jaar 0,5% van af te romen ter compensatie voor de afschaffing van box3 en de erfbelasting, betekent dat de fondsen structureel minstens 0,5% meer rendement moeten maken om de pensioengerechtigden eenzelfde pensioen te kunnen uitbetalen. Lukt dat niet, dan gaat dat ten kosten van het pensioen van alle deelnemers aan het fonds. Dat wordt dan lager. In Nederland zijn er 6.827.430 actieve deelnemers aan een fonds. Dat zijn mensen die premie betalen. Daarnaast ontvangen 4.120.399 mensen een uitkering uit een fonds. Dat zijn 11 miljoen mensen van de in totaal ruim 14.700.000 miljoen Nederlanders ouder dan 18 jaar. Die 11 miljoen betreft zeker de mensen met geen of een klein vermogen.5

Tax wil dus de verplichte belegging van de loontrekkers belasten om te regelen dat over de vrijwillige beleggingen en erfenissen van vooral de rijken geen belasting betaald hoeft te worden. Een echte omgekeerde Robin Hood. Eentje die steelt van de armen en geeft aan de rijken.

1Zie hiervoor: https://dashboards.cbs.nl/v5/vermogen/

2Hier is vrijgestelde bedrag te vinden:https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/erfbelasting/content/vrijstelling-erfbelasting

3Hier zijn de percentages te vinden: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/erfbelasting/content/tarieven-erfbelasting

4Hier informatie over het heffingsvrije vermogen:https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/box-3/content/heffingsvrij-vermogen

5 Hier zijn de cijfers te vinden: https://www.dnb.nl/statistieken/dashboards/pensioenen/

Uitgelicht

Verantwoordelijkheid nemen

“Dit onderzoek gaat dus niet alleen over de Oranjes, maar ook over Nederland. Dat betekent dat burgers zich, net als de Oranjes, niet alleen bewust moeten zijn van de eigen geschiedenis, maar daar óók verantwoordelijkheid voor moeten nemen.” De laatste woorden van het Commentaar in de NRC naar aanleiding van de presentatie van het onderzoek dat koning Willem Alexander liet doen naar het verleden van zijn familie en dan vooral de rol die deze familie speelde in de handel in slaven. Jerry Afriyie geeft er alvast invulling aan zo lees ik in de Groene Amsterdammer: “Het gaat om concrete stappen zetten, zodat we als maatschappij ook echt verder kunnen. Want het verleden houdt ons nog altijd in gijzeling. Het is tijd voor actie.” Die actie moet bestaan uit een nationaal deltaplan voor herstel en structurele verandering. De burger moet verantwoordelijkheid nemen.

De omgang met de geschiedenis en dan vooral de koloniale – en slavernijgeschiedenis houdt ons al enkele decennia bezig. Er zijn door de regering en de koning al verontschuldigingen aangeboden maar het blijft ons achtervolgen en het zal ons blijven achtervolgen zolang er voor ‘herstel’ wordt gevraagd. ‘Herstel’ betekent terug naar een eerdere toestand maar dan wel met de ‘kennis van nu’. Dit is onmogelijk.

Het zal ons blijven achtervolgen als we er, zoals de NRC bepleit, verantwoordelijkheid voor moeten nemen. Verantwoordelijkheid, het verantwoordelijk zijn, de verplichting tot rekenschap. Dat verantwoordelijk zijn en dus de verplichting om rekenschap af te leggen kan een persoon maar ook een volk betreffen. Verantwoorden, rekenschap geven van je optreden, je gedrag aldus de Van Dale. Verantwoordelijkheid nemen voor de daden van verre voorouders onmogelijk. Als een rechter een kind veroordeeld voor de daden van de overgrootvader dan is het huis te klein. Maatschappelijk gezien is het een dood spoor. Daar waarschuwde Max Weber al voor want zo’n: “ ethiek (houdt) zich bezig met de politiek steriele, want onoplosbare kwestie van schuld in het verleden.” Waarbij voorbij wordt gegaan aan : “de onvermijdelijke vervalsing van het hele probleem door zeer materiële belangen: de belangen van de overwinnaar bij zo groot mogelijk gewin, zowel in materieel als moreel opzicht, de hoop van de verliezer door schuldbetuigingen voordelen binnen te halen.” Weber noemt dit ‘ethiek als middel om gelijk te krijgen’.

Nee, dit is geen pleidooi om niets te doen. Dat mensen door hun achtergrond op achterstand staan, is reden genoeg om actie te ondernemen. Actie niet om het verleden te ‘herstellen’ maar het heden en de toekomst te verbeteren. Politiek moet, om weer Weber aan te halen, zich bekommeren om: “de toekomst en de verantwoordelijkheid voor de toekomst.”1 En niet alleen , iedere burger moet verantwoordelijkheid nemen voor de toekomst. Verantwoordelijkheid nemen, je rekenschap geven van je daden en de te voorziene effecten van die daden in de toekomst. Dat is wat Weber ‘Verantwortungsethik’ noemt: ‘verantwoordelijkheidsethiek.’

1Max Weber,Wetenschap als beroep. Politiek als beroep, pagina 93

Uitgelicht

‘Fouten’ uit het verleden herhalen

“Er moest veel gebeuren om die teruggaven daadwerkelijk te laten plaatsvinden, er moest veel veranderen om alleen al het bestaan van inheemse Amerikanen te erkennen, na decennia van uitwissing en geïnstitutionaliseerd vergeten die waren gevolgd op eeuwen van genocide.’,” Aldus Rebecca Solnit in een artikel bij De Correspondent. In het artikel wordt beschreven hoe een gebied van 190 hectare ten noorden van San Francisco wordt teruggegeven aan vertegenwoordigers van de oorspronkelijke bewoners van het gebied. ‘Laten we dat ook in Nederland gaan doen’, was het eerste wat mij te binnen schoot.

Nu hoor ik jullie schreeuwen; ‘in Nederland is het land toch van de inheemsen?’ Daarbij wordt iets vergeten. Hetzelfde wat met de grond van de inheemsen in de VS is gebeurd, is ook in Nederland en de rest van Europa gebeurd en gebeurt nu nog in Afrika en Azië. Dat gebeurde wordt met een Engelse term enclosure genoemd. Letterlijk omheining, het zetten van een hek om grond. En die grond die werd omheind was gemeenschappelijke grond. Grond die mensen van een dorp gezamenlijk gebruikten om te overleven.

Wachten op het kanonschot van de Oklahoma Land Rush.Bron: Pinterest

Gemene of gemeenschappelijke gronden speelden gedurende lange tijd een belangrijke rol in het leven en overleven van onze voorouders. Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de “gebruiksgerechtigden”. Bijvoorbeeld de inwoners van een dorp of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruik maken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of een andere functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het gebruik van de gemene gronden naast hun eigen kleine stukje grond zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot.

Gemene of gemeenschappelijke gronden, in het Engels Commons, kwamen in 1968 weer in de belangstelling met een artikel van de Amerikaanse ecoloog Garraty Hardin. Een artikel met als titel The Tragedy of the Commons. Hierin geeft Hardin zijn verklaring voor het verdwijnen van die gemene gronden. Hardin gebruikt hier het voorbeeld van een stuk weidegrond dat door de plaatselijke herders wordt gedeeld. De weide heeft een beperkte omvang en er kunnen dus slechts een beperkt aantal schapen op grazen. Overbegrazing zorgt ervoor dat de hele weide onbruikbaar wordt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Een schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever een schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn een schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is uitputting onvermijdelijk. Herder A, en met hem de andere herders, zit vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt. Het welbekende prisoners dilemma zorgde er dus voor dat de gemene gronden verdwenen.

Iedere herder maakt, volgens Hardin, de enige rationele keuze vanuit de individuele positie. Maar bekijk je het vanuit het totaal dan handelen ze allemaal irrationeel. Ze verwoesten zo immers de weide die hen voedt. Echter, Hardin veronderstelt dat de gebruikers van de gemene gronden deelnamen aan het economisch verkeer van vraag en aanbod en dat ze allemaal streefden naar meer inkomen. Dit op een manier die vergelijkbaar is met de tijd waarin Hardin zijn artikel schreef. Hij kijkt met zijn bril (zijn en de huidige kijk op de wereld) naar het verleden en dat is meestal niet de bril die men in het verleden droeg. Voor veel van onze voorouders was de wereld niet veel groter dan de streek waarin zij woonden. In die streek probeerden zij te overleven en dat deden zij voor het overgrote deel door in hun eigen behoeften te voorzien. Zij produceerden niet voor de markt en waren niet bezig met inkomen vergaren laat staan rijk worden. Overleven lukte hen onder andere door het gebruik van de gemene gronden. Het gebruik van de gemene gronden was goed gereguleerd in het gewoonterecht. Dit voorkwam, zo daar al aanleiding toe was, misbruik en vooral over gebruik van deze gronden.

Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet wilden veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren (en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren). De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele enclosure acts. Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten ze graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg. Op het eerste oog een positief iets. Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud. Die kant wordt door Karl Polanyi treffend omschreven: “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.”1 Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er zo voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en maakte zo de industriële revolutie mogelijk.

Ik heb hier voornamelijk de Engelse situatie beschreven, die is het best gedocumenteerd. In andere landen op latere tijdstippen gebeurde iets soortgelijks op verschillende manieren. In de Verenigde Staten eigende de overheid zich via Appropriation Acts de grond toe en gaf die vervolgens op verschillende manier in eigendom van particulieren. Een voorbeeld hiervan is de Oklahoma Land Rush van 1889. Toenmalig president Benjamin Harrison verklaarde op dat 22 april 1889 om twaalf uur ‘s middags het ‘niet toegewezen land’ zou worden geopend voor vestiging. Op dat moment klonk een kanonsschot en stoven mensen het land in om het te claimen. Voor stripliefhebbers, het Lucky Luke album De trek naar Oklahoma handelt over deze gebeurtenis.

Ook in Nederland, net als in de rest van Europa, werden gemeente gronden op een of andere manier particulier. In het ene deel van Nederland, het gebied tussen de rivieren, gebeurde dit eerder dan in de zandgronden. Bij het inpolderen van land gebeurde het meteen. Eerder of later, de gevolgen waren hetzelfde als in de VS, de inheemsen werden van hun land verdreven.

Door het wegvallen van die gemeenschappelijke gronden, viel de mogelijkheid om in hun eigen levensbehoeften te voorzien weg. Voor hen restte niets anders dan zich als ‘loonslaaf’ te verhuren. Eerst als zzp-er avant la lettre door naast het bebouwen van hun eigen kleine stukje land, te spinnen of weven voor een koopman. Met de industrialisering viel ook dit weg en restte niets anders dan hun stukje land te verkopen, naar de stad te trekken en zich aan te sluiten bij het proletariaat en loonarbeider worden. Loonarbeid werd eeuwenlang als onvrije arbeid gezien, als slavernij in een iets andere vorm. Andere tijd, ander land hetzelfde mechanisme. Enige verschil met de VS is dat hier de ‘inheemsen ’ werden verdreven door ‘inheemsen’. In de Verenigde Staten wordt nu dus grond teruggegeven. Trouwens niet alleen in de Verenigde Staten ook in Nederland wordt grond teruggegeven aan ‘inheemsen’ zoals Natuurmonumenten of het Limburgs Landschap om de natuur te versterken. Alleen het gebruiksrecht is veranderd naar recreatief.

Dat kun je toejuichen maar realiseer je dan dat hetzelfde mechanisme nog steeds werkzaam is. Ik vrees dat deze geschiedenis ‘institutioneel’ maar ook ‘niet-institutioneel’ is vergeten. Dat is jammer omdat ‘inheemsen’ nog steeds van ‘grond’ worden gejaagd. Dat die grond wordt ‘omheind’ met als doel om het tot een product te maken en de opbrengst ervan in de zakken van individuen te laten verdwijnen. ‘Inheemse’ maar vaak ook nog steeds ‘uitheemse’ individuen. Daar waar grote bedrijven die op fabrieksmatige wijze agrarische producten voor de wereldmarkt willen produceren, grote gebieden opkopen van de overheid en zo de kleine lokale boeren verdringen die deze grond vaak al generaties lang in gebruik hadden. Die rest dan niets anders dan naar de steden te trekken en daar proberen te overleven. Ook dit leidt tot een stijging van de productie en een toename van armoede en vaak ook honger. Want ook hier wordt met name voor de wereldmarkt geproduceerd en verkocht aan de best betalende en dat is meestal een buitenlandse partij. De laatste jaren wordt dit nog versterkt door het opkopen van gronden en bossen ter compensatie van koolstofdioxide uitstoot. Naomi Klein geeft een goede beschrijving van deze ontwikkeling in haar boek No Time, verander nu voor het klimaat alles verandert.2 En niet alleen om landbouw op te bedrijven, ook de grondstoffen in de bodem toe te eigenen of een mooie kuststrook toeristisch te vermarkten. Maar ook door het toe-eigenen van kennis over de geneeskrachtige eigenschappen van planten en deze te patenteren. De meest recente vormen van ‘enclosure’ betreft het vermarkten van onze gemeenschappelijke data en het gebruik van alles wat de mensheid heeft geproduceerd, wellicht ook deze Prikker, om algoritmen voor artificiële intelligentie te trainen. Dit zonder daarvoor een vergoeding te betalen maar er wel flink geld mee te verdienen. Nu heb ik er niets op tegen dat mensen mijn schrijfsels gebruiken om hun eigen brein of een algoritme te trainen. Ik heb er wel moeite mee dat zij vervolgens geld aan mij vragen voor het resultaat van hun werk.

Ik hoop dat deze Prikker bijdraagt aan het, al dan niet institutioneel, vergroten van de kennis van het ‘omheinen’ van gemeenschappelijk bezit. Want het teruggeven van 180 hectare grond aan de oorspronkelijke bewoners van dat stukje Californië is mooi. Voorkomen dat er over honderd jaar iets terug moet worden gegeven aan bijvoorbeeld inheemse Cambodjanen lijkt mij effectiever.

1Karl Polanyi, The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time, pagina 37

2 Naomi Klein, No Time. Verander nu, voor het klimaat alles verandert. Pagina 246 – 259

Uitgelicht

Het kan wel!

Een Euro kun je maar een keer uitgeven. Dan ben je hem kwijt en als het goed is heb je er iets voor teruggekregen. Sinds begin maart roepen politici in Den Haag om verlaging van benzineaccijnzen of maximum prijzen. Of een noodfonds voor mensen die de energierekening niet meer kunnen betalen. “Voor premier Rob Jetten betekent het een abrupte overgang van ‘het kan wel’ naar ‘het kan misschien toch niet’. Bij aanvang zei hij ‘te willen gaan bouwen aan vooruitgang’,” schrijven Caspar Thomas en Coen van de Ven in De Groene Amsterdammer. Immers: “Een recessie zou betekenen dat de regering-Jetten eerst – en misschien wel enkel – een heel wat minder aangename opdracht wacht: klappen opvangen en steunberen plaatsen.” Zou het? Of zijn er mogelijkheden om juist wel een vooruitgang te bouwen dit geheel conform het adagium ‘never waste a good crisis”? Kun je de ‘steunberen’ niet zo plaatsen dat je bouwt aan vooruitgang?

Met het verlagen van accijnzen, minimumprijzen en noodfondsen om de energierekening te betalen plaats je steunberen op de verkeerde plaatsen. Met dergelijke ‘steunberen’ vergemakkelijk je het gebruik van fossiele brandstoffen. Stimulering die weer tot hogere prijzen leidt waardoor er nog meer ‘steun’ nodig is. Daarmee ondersteun je een gebouw dat hoognodig grondig gerenoveerd moet worden. Een renovatie waarbij de fundering van het erop staande gebouw moet worden aangepast.

Onze samenleving drijft op energie en dat is nu nog voor een belangrijk deel fossiele energie en dat is onhoudbaar. Onhoudbaar omdat het gebruik van fossiele energie bijdraagt aan de opwarming van het klimaat. En als je daar niet in gelooft, het is ook onhoudbaar omdat het ons afhankelijk maakt van andere landen met dubieuze regimes. Landen die ons ermee kunnen chanteren. Er zijn goede, schone alternatieven die ons ook nog eens onafhankelijk maken van landen met dubieuze regimes. Een fonds dat de ontwikkeling naar deze alternatieven versnelt, zou een goede steunbeer zijn. Zeker als daarbij ook wordt ingezet op energiebesparende maatregelen zoals isolatie van woningen en energieneutraal bouwen van nieuwe woningen.

‘Maar,’ zo hoor ik je nu denken: ‘dat is voor de wat langere termijn, op de korte termijn kan ik de rekening niet betalen.’ Dat klopt en daarom moet er ook voor die korte termijn wat gebeuren. ‘Dus toch iets met prijzen en een energiearmoedefonds’? Nee, niets met prijzen en energiearmoedefondsen. Er is in Nederland geen sprake van energiearmoede, net zoals er geen sprake is van menstruatiearmoede, hongerarmoede of welke …armoede dan ook. Er is voor een deel van de bevolking sprake van te weinig geld om deze zaken te betalen. Te weinig geld omdat het sociaal minimum te laag is. Dat moet structureel worden verhoogd tot een niveau dat je ervan kunt leven. Als dat betekent dat de hele onderkant van het loongebouw omhoog moet, dan ook dat. Beter echter dan dat, is die sociaal minimum van voldoende niveau aan iedereen uit te keren als een basisinkomen. Dit zorgt voor steun op de korte termijn. Steun op een eenvoudig uit te voeren manier die bovendien allerlei andere uitkeringen en inkomensondersteuningen voor minima overbodig maakt en dus flink bespaart op de uitvoeringskosten van onze sociale zekerheid. Of, en dat zou niet verkeerd zijn en dus een volgende steunbeer’, die bespaarde kosten worden ingezet om de uitvoering door de overheid op ander plekken te versterken. Te versterken door, zoals Catherine de Vries in haar boek De symfonie van onvrede schrijft, de overheid om te vormen tot een nabije overheid: “smal aan de voorkant, breed aan de achterkant.” Een smalle voorkant die bestaat uit: “iemand (die) je aankijkt, of een huisarts die tijd heeft om te luisteren. … Daar moeten de lijnen kort zijn, moet de toon menselijk, de drempel laag. Daarachter mag de backoffice groot zijn.”1

‘Maar,’ zo hoor ik je weer denken: ‘dan profiteert ook de directeur met een vet inkomen, want die krijgt dan ook dat basisinkomen’. En ja dat klopt. Ook die krijgt dat basisinkomen. Maar die krijgt ook iets anders en dat is een belastingaanslag. Want tegelijk met het invoeren van dat basisinkomen passen we het systeem van inkomstenbelastingen aan. En wel zo dat het met een laag tarief begint maar vervolgens sterk progressief oploopt en eindigt met uiteindelijk een tarief van bijvoorbeeld 95% voor inkomens boven de twee ton en dus voor die directeur met het vette inkomen. Enne, bij het inkomen worden ook inkomsten uit vermogen meegeteld. Die worden tegen hetzelfde tarief belast.

‘Maar,’ zo hoor ik je weer denken; ‘hoge belastingen zijn slecht voor de economie. Die remmen de economische groei.’ Nee, dat klopt niet zo laten de dertig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog zien. Die combineerden hoge inkomstenbelastingen met flinke economische groei en toenemende welvaart. In Nederland werd toen tot 73% belasting geheven op inkomen en in de Verenigde Staten 95% en het Verenigd Koninkrijk tot wel 97%.

Met deze steunberen versnellen we de transformatie van onze energiehuishouding en steunen we de mensen die het nodig hebben. Bijkomend voordeel is dat er iets wordt gedaan aan de inkomensongelijkheid. Het is niet meer aantrekkelijk om een CEO een salaris van vele miljoenen toe te kennen omdat het gros van die miljoenen als belasting worden afgedragen. Ook wordt het uitkeren van dividend en het opkopen van eigen aandelen minder aantrekkelijk omdat het extra inkomen dat de ontvanger van het dividend of de verkoper van het aandeel hierdoor ontvangt, via de inkomstenbelasting wordt belast. Belangrijkste bijkomend voordeel, of beter gezegd beoogd effect, is dat we met deze steunberen en vooral met een basisinkomen bouwen aan een systeem dat uitstraalt dat iedereen erbij hoort, een systeem gebaseerd op vertrouwen. En als onze democratie iets kan gebruiken dan is het vertrouwen. Als iets populistische partijen de wind uit de zeilen neemt dan is het vertrouwen.

Dus laat het kabinet deze crisis niet verspillen door te kiezen voor ‘het kan misschien toch niet’ maar door te kiezen voor vooruitgang. Door de steunberen zo te plaatsen dat het huis wordt gerenoveerd. Want een crisis bestrijden door te kiezen voor vooruitgang kan wel. Het kan wel.

1Catherine de Vries, De symfonie van onvrede. De opmars van radicaal rechts in Europa, pagina 180

Uitgelicht

Onbegrijpelijk begrip

Onbegrijpelijk begrip! Dat was mijn eerste reactie toen ik las wat de nieuwe minister van buitenlandse zaken Tom Berendsen te berde bracht met betrekking tot de Amerikaans-Israëlische oorlogsdaad tegen Iran. “Het kabinet heeft begrip voor de Amerikaanse en Israëlische aanvallen op Iran, zegt minister Tom Berendsen (Buitenlandse Zaken). Wel zijn er “terechte vragen” of die volgens het internationaal recht gebeuren, maar dat is niet het enige “kader” voor de situatie.” Zo is te lezen bij nu.nl. Soms bedriegt de eerste indruk. Deze keer niet: onbegrijpelijk begrip.

Bron: Flickr

De kersverse minister beweert hier dat er naast het internationaal recht nog andere ‘kaders’ zijn om de actie langs af te wegen. Nee, beste minister, er is geen ander kader voor deze situatie. Er is een kader, en dat is het internationaal recht of er is geen kader en dan kloot iedereen maar wat aan. Dat zijn in deze de twee smaken. Beweren dat er een ander kader is is beweren dat het internationaal recht ‘ook maar een mening’ is. De Nederlandse rechter ziet mij aankomen als ik iemand voor de harsens heb geslagen en ik beweer dat mijn daad toch echt langs het kader van de lelijkheid van het hoofd of de stinkende adem van de ander, moet worden afgewogen en dat die kaders mijn daad rechtvaardigen.

Dat het: “bewind in Iran (…) een moorddadig regime,” is, is geen reden om een oorlog te beginnen. Zeker niet voor het Israëlische ‘regime’ dat qua moorddadigheid met Iran kan wedijveren. Trouwens ook niet voor het Amerikaanse regime onder Trump dat in korte tijd ook al een aardig trackrecord op dit gebied aan het opbouwen is en daarbij kan voortbouwen op enkele van zijn voorgangers.

Het Iraanse gevaar wordt, net als vijfentwintig jaar geleden het Iraakse gevaar, tot mythische proporties opgeblazen. Als we het dan toch over: “grote risico’s voor de regio,” hebben en: “het kernwapenprogramma,” dan mag de blik toch zeker ook op Israël worden gericht. Dat land is een kernmogendheid en laat zich daarbij door niets of niemand controleren. Het land heeft het non-proliferatieverdrag niet ondertekend en bombardeert naar believen landen in de regio. Gedrag waarbij het op de onvoorwaardelijke steun van de Verenigde Staten kan rekenen. Israël heeft, net als de Verenigde Staten onder Trump, volkomen lak aan mensenrechten en het internationaal recht. Bijzonder daarbij is dat Trump in zijn eerste termijn een overeenkomst met Iran over nucleaire zaken in de prullenbak gooide. Het is dan nogal een gotspe om van Iran te eisen dat zie zich wel aan de regels moeten houden waar Israël en de Verenigde Staten hun achterste mee afvegen.

De vraag of er sprake is van een actie in strijd met het internationaal recht, die durven Berendsen en het kabinet niet te beantwoorden: “De vragen beantwoorden is aan de VS en Israël. Niet alle informatie is nu beschikbaar.” Bijzonder want beweert hij nu werkelijk dat de misdadiger de rechter is in zijn eigen strafzaak? Dat het aan de dader is om te beoordelen of er sprake is van een misdaad? Dat lijkt mij het recht op z’n kop. Dat het internationaal recht hier wordt geschonden is evident. Er wordt een land aangevallen. Toen Rusland hetzelfde deed met Oekraïne was de wereld te klein en oordeelde de Nederlandse regering onmiddellijk dat het internationaal recht was geschonden. Toen werd het oordeel niet uitbesteed aan dader Rusland.

“We geloven en hopen op een wereldorde die gebaseerd is op het internationaal recht. Tegelijkertijd zullen we moeten constateren dat de wereldorde en het internationaal recht onder druk staan,” aldus Berendsen op de vraag of het kabinet het internationaal recht deels heeft verlaten. Hij ziet geen ‘blauwdruk voor hoe om te gaan met het internationaal recht: “We zien gewoon dat de wereld in beweging is. Welke kant dat uiteindelijk zal worden, is nu lastig te beoordelen. Tegelijkertijd zien we een aantal grootmachten die de taal van de macht spreken. Wij als Nederland zullen een manier moeten vinden om ons te verhouden tot de wereldorde die zich om ons heen vormt.” Een bijzonder antwoord op een bijzondere vraag.

Een bijzondere vraag omdat je gelooft in het internationaal recht, of je gelooft er niet in. Er deels in geloven staat gelijk aan er niet in geloven. Dat maakt het internationaal recht tot een soort keuzemenu en dus ‘ook maar een mening’ en dus waardeloos. Een bijzonder antwoord omdat ‘geloven in een wereldorde op basis van internationaal recht’ je juist wel een ‘blauwdruk’ voor je handelen geeft. Die blauwdruk bestaat eruit om iedere schendig ervan krachtig te veroordelen en via de daartoe ingerichte internationale organisaties, zoals de Verenigde Naties en het Internationaal Strafhof, aan te kaarten. Door die veroordeling vergezeld te laten gaan van strafmaatregelen tegen de overtreder. Die blauwdruk doet de: “mist van de nieuwe wereldorde,” waar we volgens Berendsen door moeten varen, verdwijnen. Die blauwdruk is precies daarop gericht waar we ons volgens Berendsen op moeten richten en dat is: “ op het Nederlands belang in het buitenland.”

Het ‘begrip’ van Berendsen en de Nederlandse regering kan alleen maar met onbegrip worden bekeken. Het getuigt van onnavolgbare gedachtekronkels. Het ontbeert elke vorm van zuiver argumenteren en logica.

Uitgelicht

Regeerprogramma 2026: veiligheidsparagraaf

Vandaag een bijzondere Prikker. Ergens in Haagse en Hilversumse zaaltjes werken enkele politici aan een regeerakkoord. Om ze een handje te helpen, heb ik, in mijn ogen, de belangrijkste keuzes voor hen op een rijtje gezet. Dat deze keuzes zeer weinig aandacht kregen in de campagnes, is mij niet aan te rekenen. Hun navelstaarderij kan mij niet worden verweten. In het vervolg van deze Prikker spreek ik in naam van de komende Nederlandse regering.

De Nederlandse regering kiest voor verdergaande en vergaande Europese integratie. Dat doet zij omdat onze samenleving en manier van leven waar we waarde hecht aan individuele vrijheid, aan gelijkheid en broederschap alleen gehandhaafd kan worden als we een zeer hoge mate van onkwetsbaarheid hebben bereikt. Die zeer hoge mate is alleen te bereiken door samen te werken met onze buurlanden. Om die samenwerking vorm en inhoud te geven, is de Europese Unie opgezet. Die Unie willen we vernieuwen, verbreden en verdiepen. Verbreden door de Europese Unie verantwoordelijk te maken voor de gezamenlijke veiligheid en het gezamenlijke buitenlandse beleid. Verdiepen door de huidige beslisstructuur vergaand te vereenvoudigen en te democratiseren. Ons streven is om dit per 2029 geregeld te hebben. Daartoe zullen aan onze Europese partners het volgende voorstellen:

  • de taak om het grondgebied van de landen van de Europese Unie te verdedigen wordt belegd bij de Europese Unie. Hiervoor wordt een Eurocommissaris aangesteld. Dit houdt in dat de legers van de Unielanden worden geïntegreerd tot één Unie leger met eenduidige militaire en politieke leiding;
  • de landen van de Europese Unie beleggen hun vertegenwoordiging, ook de parlementaire, in het buitenland bij de Europese Unie;
  • de landen van de Unie beleggen het vertegenwoordigen van de economische belangen in landen die niet tot de Unie behoren bij de Europese Unie;
  • de landen van de Europese Unie beleggen de opdracht om een veilige digitale infrastructuur te verzorgen bij de Europese Unie. Randvoorwaarde hierbij is dat publieke taken in publieke handen zijn. Hiervoor richt de Unie publieke diensten op. Dit betekend dat alle digitale infrastructuur, maar ook de opslag en bewaring in handen is van de Europese Unie. De diverse overheid van de Unielanden maken hiervan gebruik en betalen daarvoor een kostendekkende bijdrage;
  • de beslissingsbevoegdheid over deze en andere aan bij de Unie belegde verantwoordelijkheden ligt in ultimo bij het Europees parlement.

Het democratische gehalte van de Unie wordt versterkt. Wij denken hierbij aan de onderstaande richting maar wij staan open voor andere invullingen:

  • het Europees parlement wordt rechtstreeks gekozen door de stemgerechtigde inwoners van de Europese Unie;
  • het principe van vaste aantal leden voor het Europees parlement per Unieland, wordt losgelaten. De kiezer kan kiezen voor een kandidaat naar voorkeur;
  • er wordt gekozen via het systeem van evenredige vertegenwoordiging;
  • voor de verkiezing vormen de deelnemende partijen blokken, zodat de kiezer te voren weet, wie met wie samen wil werken.
  • Het grootste blok vormt de Europese Commissie. Die hoeft niet op een meerderheid in het parlement te berusten en kan niet door het Europees parlement worden weggestuurd. Ze zit de volledige termijn van vijf jaar uit.

De Europese Unie krijgt een eigen belasting gebied. Bij dat belastinggebied staan wij open voor suggesties maar dat zouden onder ander kunnen zijn:

  • een accijns op vliegtuigbrandstof;
  • een belasting op financiële transacties;
  • invoertarieven.

Ons streven is om dit samen met alle 27 landen van de Europese Unie vorm te geven. Daarvoor vragen wij commitment op de hoofdlijnen en dat zijn uitbreiding van de Unie met defensie, veiligheid en digitale zaken. Versteviging van de economische samenwerking en verdieping en versterking van de Europese democratie. Wil een land hierin niet mee, even goede vrienden, maar dan gaan we zonder dat land verder. En daarmee komen we bij het vernieuwen: we richten een nieuwe Unie op onder gelijktijdige uittreding uit de oude. Daarmee voorkomen we dat landen die niet meewillen, binnen de Unie blijven.

Uitgelicht

Boycot WK voetbal!

Ik hoop niet dat jullie allemaal beelddenkers zijn want dan vrees ik voor de zin waarmee ik eigenlijk wilde beginnen. Mijn broek viel af toen ik de reactie van onze minister-president op de Amerikaanse aanval op Venezuela las: “Het kabinet volgt de ontwikkelingen in het Caribisch gebied en de situatie in Venezuela na de aanvallen van de VS op de voet. De veiligheid in de regio is van groot belang voor Aruba, Curaçao en Bonaire. We houden nauw contact en ik heb premiers Eman en Pisas en gezaghebber Soliano laten weten dat zij en de mensen op de eilanden op onze steun kunnen rekenen in deze onzekere tijd.”

Beste meneer Schoof, u bent minister-president van een land dat in de Grondwet heeft staan datde regering de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert. Ik mag hopen dat u het betreffende artikel 90 kent. Ik twijfel eraan omdat ik u niet zoveel hoor over schendingen van die rechtsorde. Zo is uw zwijgen over de Israëlische schendingen van die orde oorverdovend. Israël is bezig met een etnische zuivering en schuwt genocidaal geweld daarbij niet. Dat laat u allemaal passeren. Grove schending van het internationaal recht dat u moet bevorderen. Het zwijgen was zelfs zo oorverdovend dat u de regering van Israël met een poging tot onrust stoken en verdeeldheid zaaien liet wegkomen. Voor uw geheugen, ik heb het hier over de Israëlische framing van de rellen ronde de voetbalwedstrijd tussen Ajax en Maccabi. Framing waarbij er bewust olie op het vuur werd gegooid. Een buitenlandse regering die zich mengt in onze binnenlandse aangelegenheden die op zijn minst vroeg om een strenge veroordeling.

Ik twijfel er ook aan omdat uw zwijgen ook oorverdovend stil was toen de Verenigde Staten en Israël een aanval uitvoerden op Iran. “Alles moet in het werk worden gesteld om verdere escalatie te voorkomen,” zo luidde uw reactie dit gevoegd bij de constatering dat het geduld van de Verengde Staten en Israël met Iran kennelijk op was. En ja, zorgen om de nucleaire capaciteiten van Iran zijn terecht. Dat is echter geen rechtvaardiging voor een militaire aanval. Niet door het land, de Verenigde Staten, dat de overeenkomst waarmee Iran afzag van verdere stappen richting de ontwikkeling van kernwapens eenzijdig opzegde. En al zeker niet door een land dat het non-proliferatie verdrag niet heeft ondertekend en zelf heimelijk kernwapens heeft ontwikkeld. Deze aanval was een grove schending van het internationaal recht

En nu Venezuela. U spreekt terecht van een aanval. Dit is een daad van oorlog. En net zoals dat bij de Russische aanval op Oekraïne gebeurde, moet deze Amerikaanse aanval ten strengste worden veroordeeld. Eerdere schendingen van het recht, het beschieten van boten zonder aanleiding, liet u ook zomaar passeren. En nu? ‘We volgen de ontwikkelingen’ is niets. Dat doe ik als inwoner van dit land en ik denk dat dit voor veel anderen ook geldt, wel zelf. Van u, en met u de regering, verwacht ik dat u pal staat voor de internationale rechtsorde. En voor onze Antilliaanse rijksgenoten zou wat materiële steun wellicht niet misstaan. De Verenigde Staten verbieden om gebruik te maken van het Antilliaanse luchtruim en de Antilliaanse territoriale wateren. Een deel van de Nederlandse vloot en van onze luchtmacht naar de drie eilanden sturen om het luchtruim te bewaken en tegen elke schending ervan optreden.

Daarbij zou het niet moeten blijven. Tegen Rusland werden allerlei economische sancties, culturele en sportieve sancties ingesteld. Liefst in Europees verband. Als ik de berichten mag geloven dan zijn wij niet in de positie om Amerika met sancties economische te treffen. Nog niet. Dit is aanleiding om als Nederlandse overheid om alle banden met Amerikaanse bedrijven af te bouwen. Dat zal niet van de ene op de andere dag kunnen want er moeten op sommige gebieden wellicht alternatieven worden ontwikkeld. Op gebieden waar er alternatieven zijn, moet die stap meteen worden gezet. Wel kunnen we culturele en sportieve sancties afkondigen. Voor wat betreft die laatste zou het weren van de Verenigde Staten van de Olympische Winterspelen een mooie mogelijkheid zijn. Maar dat kan Nederland niet alleen. Wat we wel alleen kunnen is het Wereld Kampioenschap voetbal boycotten. Helaas treffen we daar ook de Mexicanen en Canadezen mee want zij zijn mede-organisator. Jammer voor de spelers en coaches die hard hebben gestreden voor kwalificatie. Jammer voor de vele voetballiefhebbers waarvan ik er zelf eentje ben. Er zijn echter belangrijkere zaken dan voetbal. Laten zien dat een oorlog beginnen niet kan, is er een van. Geen podium voor Trump. Een ‘winnaar’ van de FIFA vredesprijs, die een oorlog begint, moet worden gestraft. Geroep dat ‘sport niet politiek gemaakt moet worden’, kunnen sinds die prijsuitreiking de prullenbak in.

Dus boycot de WK-voetbal en roep andere Europese landen op hetzelfde te doen.

Uitgelicht

Election Files 15: me and the market

In het vorige deel van de Election Files begon ik met het beschrijven van belangrijke ontwikkelingen die kunnen helpen bij het krijgen van een goed beeld van onze huidige samenleving. Die vorige Prikker, Me, Myself en We, handelde over het individu en de groep. Over de manier waarop we als mensen samen onze weg proberen te vinden. In deze Prikker een tweede grote ontwikkeling. Een ontwikkeling die handelt over de manier waarop we als mens in ons levensonderhoud voorzien en preciezer geformuleerd hoe we spullen verwerven die we daarvoor nodig denken te hebben.

Wij, de homo sapiens, zijn de meest succesvolle dier geworden door onze taal. Die zorgde ervoor dat we in grotere groepen konden leven: “Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in de biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie heel snel.”1 De ‘gift van de taal’ ontstond zo’n 70.000 jaar geleden en maakte het mogelijk dat onze voorouders zich over de hele wereld konden verspreiden. Volgens Yuval Noah Harari bestond de meeste informatie die werd overgedragen echter uit ‘roddel’: “Het is veel belangrijker voor ze om te weten wie er binnen hun stam een hekel heeft aan wie, wie het met wie doet, wie eerlijk is en wie juist niet. De hoeveelheid informatie die er verworven en opgeslagen moet worden om de o zo veranderlijke relaties tussen enkele tientallen individuen bij te houden, is verbijsterend. (In een groep van vijftig individuen is sprake van 1225 één-op-één-relaties en talloos veel meer complexe sociale combinaties.) Alle mensapen vertonen een sterke belangstelling voor dit soort sociale informatie, maar ze kunnen niet echt effectief roddelen.”2 Door de ‘roddel’ kon de groep echter veel groter worden tot wel 150 individuen. Niet meer dan een klein dorp, maar toch. Een groep die veelal bestond uit familie en door taal kon die familie nu wat groter worden. Dat wij nog steeds een heel sterke neiging hebben om op te komen voor en terug te vallen op familie is niet vreemd. Dat is de manier waarop we zo’n 200.000 jaar hebben geleefd en overleefd. Als alle andere vormen van gezag en verbinding wegvallen, dan is dit waarop de mens terugvalt. Ze leefden als jager-verzamelaars en maakten binnen die groep de gereedschappen die ze daarvoor nodig hadden.

Een volgende stap die de mens zette was die van groep of familie naar stam: de tribale samenleving. Hierin ‘verenigen’ zich de groepen en families door te verwijzen naar een gezamenlijke voorvader en iemand uit de hele groep te ‘benoemen’ tot opvolger van die voorvader. Tribale samenlevingen kwamen overal in de wereld op. Dat duidt erop dat het stamverband flinke voordelen bood boven het groepsverband alleen. Fukuyama over dat voordeel: “Tribale samenlevingen hebben een veel grotere militaire macht dan samenlevingen op groepsniveau omdat ze op stel en sprong honderden of duizenden verwanten kunnen mobiliseren.”3 De ‘uitvinder’ van het tribalisme had een ‘concurrentievoordeel’ op de groepssamenlevingen. Een voordeel dat goed van pas komt in een tijd dat je rijkdom alleen maar kon groeien ten kosten van anderen. Vanwege dat succes gingen andere groepen dit kopiëren en zo ontstonden overal, met uitzondering van de meest afgelegen gebieden, tribale samenlevingen. De nadruk werd daarmee gelegd op ‘verwantschap’. Die gezamenlijke voorvader hoefde niet werkelijk te hebben bestaan. Dat de groepen tot ‘dezelfde stam’ behoorden, betekent niet dat ze niet onderling ruzie konden hebben. Het betekent wel dat ze elkaar steunen als de stam wordt bedreigd door buitenstaanders. De manier waarop ze in hun levensonderhoud voorzagen was nog steeds dezelfde als de jager-verzamelaars. Bijna hetzelfde dan, want om die grotere groep, die stam, bij elkaar te houden, was er meer nodig. De Franse antropoloog Marcel Mauss bestudeerde begin vorige eeuw, zoals het toen en ook nu nog vaak worden genoemd, ‘primitieve culturen’. Hij zag dat in die culturen de gift een belangrijke plek innam in het overleven van de groep. Mauss zag dat de gift geen individuele handeling was, maar een maatschappelijke verplichting waaraan een individu zich niet kon onttrekken zonder uitgestoten te worden. Bij een giftrelatie ontstond een schuldbalans tussen gever en nemer. Iemand kreeg iets van de gemeenschap en dat gaf de zekerheid erbij te horen en dat erbij horen kwam met de morele plicht. De gift versterkte de onderlinge betrokkenheid binnen de groep. En iemand die de code of vrijgevigheid van de groep negeert, snijdt zichzelf af van de gemeenschap en een wordt buitenstaander. Sociale verplichten binnen een samenleving nakomen is in het belang van de groep maar ook en voor het eigenbelang van de persoon.4

Zo’n tienduizend jaar geleden veranderde er iets. Als eerste in het gebied wat we nu het Midden-Oosten noemen. Dat iets noemen we de agrarische revolutie. Volgens Harari luidde de agrarische revolutie: “geen nieuw tijdperk van het goede leven in, maar gaf boeren een leven dat doorgaans zwaarder en onbevredigender was dan dat van verzamelaars. Jager-verzamelaars brachten hun dagen op interessantere, gevarieerdere manier door en liepen minder kans op honger en ziekte. Het staat buiten kijf dat de agrarische revolutie de beschikbare hoeveelheid voedsel voor de mensheid vergrootte, maar al dat extra eten vertaalde zich niet in een beter voedingspatroon of meer vrije tijd. Integendeel, het vertaalde zich in bevolkingsexplosies en verwende elites. De gemiddelde boer werkte harder dan de gemiddelde verzamelaar en kreeg daar ook nog eens slechtere voeding voor terug.”5 Dit ging niet in één slag, maar was een geleidelijk proces waarbij wat eerst een verbetering van de levensomstandigheden leek, later toch wat negatieve kanten bleek te hebben. Alleen was teruggaan was niet meer mogelijk vanwege de toegenomen bevolking en het verloren gaan van specifieke kennis. Landbouw maakte dat onze voorouders zich op een vaste plek gingen vestigen. Immers, alleen zo kon je de vruchten van je werk plukken en voorkwam je dat iemand anders die vruchten plukte. Nadeel was echter wel dat je dan wel dat graan had, maar niet meer dat hert of die vis uit dat meer 150 kilometer verderop. Dat je te ver weg woonde van die groeven met goede vuursteen. Als je die toch wilde, dan moest er iets gebeuren.

Voor Karl Polanyi, een Oostenrijks-Hongaarse econoom en socioloog was het duidelijk dat voor het overleven van een samenleving het onderhouden van sociale banden cruciaal is. Waarom? “First, because by disregarding the accepted code of honor, or generosity, the individual cuts himself off from the community and becomes an outcast; second, because in the long run, all social obligations are reciprocal, and their fulfillment serves also the individual’s give-and-take interest best.” Volgens Polanyi zijn wederkerigheid en herverdeling cruciaal voor het voortbestaan van een traditionele samenleving en zijn deze principes niet primair verbonden met de economie. Deze zorgen voor tevredenheid in het dorp of binnen de stam. Wederkerigheid werkt in traditionele samenlevingen volgens Polanyi vooral: “… in regards tot the sexual organisation of society, that is family and kinship”. Herverdeling: “… is mainly effective in respect to all those who are under a common chief and is, therefore, of a territoriaal character.”6 Wederkerigheid, herverdeling zijn volgens Polanyi, en daarin volg ik hem, nodig om een goed functionerende samenleving te hebben en de markt is niet bij voorbaat het meest passende instrument om hierin te voorzien.

In hun boek De kunst van het vreedzaam vechten, onderscheiden de filosofen Hans Achterhuis en Nico Koning zes manier waarop een mens zich zaken toe-eigenen zoals zij is dat noemen:

De individuele productie. Dat wat het individu zelf maakt, produceert, jaagt of verzamelt. Aangezien de mens van nature een ‘groepsdier’ is, is deze vorm van verwerven niet zo belangrijk als we zouden denken.

De huishouding. De gemeenschappelijke huishouding is gedurende eeuwen de meest belangrijke vorm van samenleven en dus verwerven geweest. Hierin staat de groep centraal, niet het individu. Verlangens waren daarmee bijna altijd verlangens van het huishouden. Hierbij moeten we het huishouden niet te letterlijk opvatten, het huishouden kon bestaan uit het dorp, de clan of de groep.

Toedeling. Met het groter worden van de sociale verbanden, een bundeling van stammen of huishoudens, waren er andere manieren nodig. Toedeling is een manier passend bij de hiërarchische samenlevingsvorm. Een vorm waarbij de hoogst geplaatste toedeelt aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping. De auteurs zien planeconomie als een moderne variant van toedeling.

Schenking. Met het nog groter worden van de wereld komen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kan leiden tot gewelddadige en destructieve vormen van toe-eigening bijvoorbeeld oorlogen en andere soorten van geweld. Een vreedzame manier van toe-eigening wordt gevormd door de schenkingsrituelen en bruiloften. Hiermee wordt een band gecreëerd tussen schenker en ontvanger. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen. de relatie wordt verzwaard.

Handel. Kenmerk van ruil, en dat is handel, is dat de beide partijen in de ruil gelijk zijn en er geen verplichting of verzwaring ontstaat in de relatie.

Roof: De laatste vorm waarin mensen in hun behoeften kunnen voorzien is roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van toe-eigening voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen. Tot deze vorm van toe-eigening horen ook slavenhandel, dwangarbeid en kolonisatie.

Pas via de ruil was de gemeenschap of stam verbonden met andere gemeenschappen. Dit is de manier waarop wij mensen eeuwenlang succesvol hebben ge- en overleefd. Niet door ons eigenbelang na te jagen en er het maximale voor onszelf uit te halen, maar door te geven en daardoor ook te krijgen van elkaar. Dit zowel binnen het huishouden, als binnen de stam, dorp of gemeenschap. Met het groter worden van de sociale verbanden en het toenemen van contacten tussen de sociale verbanden, is ruil steeds belangrijker geworden. En bij ruil neemt de markt een steeds belangrijkere rol in.

De markt is tegenwoordig de dominantste vorm van toe-eigening. Dit heeft gevolgen voor alle vormen van toe-eigening: “De motivatie van de marktsfeer ten opzichte van de andere praktijken van behoeftevoorziening heeft ook een zekere vermenging teweeg gebracht van de mechanismen die in elke kring heersen,” en dat verandert de markt: “Markten hebben namelijk een aantal van de cruciale kenmerken van de verdrongen ordeningskringen in zich opgenomen.”7 Zo is de individuele productie die vroeger was gericht op de eigen behoeften, bijna volledig gericht op behoeften van anderen in de ruil voor geld waarvoor de arbeider dan in zijn eigen behoeften kan voorzien. Daar komt bij dat arbeid steeds meer een intrinsieke waarde heeft voor de arbeider: arbeid moet voldoening schenken en bijdragen aan de ontplooiing van het individu. Bedrijven zijn tegenwoordig meer dan plaatsen waar wordt geproduceerd. Onderlinge relaties, gezelligheid en de bedrijfscultuur zijn belangrijk geworden, dit waren de kenmerken van het huishouden. Ook zien zij de grens tussen economische en sociale belangen vager worden. Het wordt van bedrijven niet meer geaccepteerd dat alles om winstmaximalisatie draait. Ook zien zij dat er op de markt meer wordt geschonken dan we denken.8 Zij zien dat de markt toch elementen van verplichting en verzwaring krijgt. De andere sferen hebben ook wat van de markt overgenomen. De andere sferen zijn, in de woorden van de auteurs, horizontaler geworden (meer gelijkheid en vrijheid).

Tragedy of the commons

“It’s the economy, stupid,” deze woorden vatten de verkiezingsstrijd tussen de toenmalige president George H. Bush en zijn uitdager Bill Clinton in het kort samen. Bush had internationaal veel lof geoogst met de overwinning in wat nu de eerste Golfoorlog heet. Met die overwinning op zak en de roem en glorie die dat nationaal en internationaal opleverde, dacht hij de presidentsverkiezingen te kunnen winnen. Waar hij minder of geen oog voor had, was hoe de gemiddelde Amerikaan ervoor stond. Economisch stonden de Verenigde Staten er minder florissant voor en Clinton wist daar goed op in te spelen en sprak de kiezers aan op dit, door Bush ‘verwaarloosde’ thema. Hij sloot hierna goed aan bij onvrede onder de Amerikaanse bevolking en het resultaat is inmiddels geschiedenis: Clinton won. Waarom dit uitstapje naar presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten van ruim dertig jaar geleden? Omdat we hier iets van kunnen leren. De les die Bush ervan leerde (maar het was toen al te laat) was dat de economie ook een rol speelt in het leven van mensen. Dit is een les die we heel goed hebben geleerd, tegenwoordig draait alles om de economie. Besturen lijkt tegenwoordig alleen te bestaan uit het reguleren van de markt, van de economie, en dat reguleren is gericht op het ‘organiseren’ van voldoende economische groei. De les die we nu moeten leren is de omgekeerde. Onze samenleving zou uit veel meer moeten bestaan dan alleen economie en dan vooral meer dan alleen de markt.

De geschiedenis van de mens laat zien dat de markt pas zeer recent de belangrijkste manier is van het verwerven van voor het leven benodigde zaken. De eigen productie en het huishouden was de manier waarop onze voorouders in hun levensonderhoud voorzagen. Hierbij konden ze gebruik maken van wat de Engelsen commons noemen en wij in Nederland de meent, gemene gronden. Grond, maar het kon ook een meer of bos zijn, waarvan een groep mensen gebruik konden maken.

Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de ‘gebruiksgerechtigden’. In de terminologie van Achterhuis en Koning is een meent een vorm van toedeling door een hoger geplaatste. Bijvoorbeeld de inwoners van een dorp of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruik maken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of andere een functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het gebruik van de gemene gronden zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot.

De Amerikaanse ecoloog Garrett Hardin muntte met zijn artikel uit 1968 de term The Tragedy of the Commons,9 de tragedie van de gemeenschappelijke gronden of de meent en iets ruimer het gemeenschappelijke bezit. In het artikel beschrijft hij hoe er, volgens hem, een einde kwam aan dat gemeenschappelijk gebruik. Hardin gebruikt hier het voorbeeld van een stuk weidegrond dat door de plaatselijke herders wordt gedeeld. De weide heeft een beperkte omvang en er kunnen dus slechts een beperkt aantal schapen op grazen. Overbegrazing zorgt ervoor dat de hele weide onbruikbaar wordt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Een schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever een schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn een schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is overbeweiding onvermijdelijk. Herder A en met hem de andere herders zitten vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt. Vervang de herders en de weide door zee en vissers, of schone lucht en olie- en kolencentrales of een extra kind erbij in een gezin en je hebt de moderne versies van deze tragedie. Veel vrijemarkteconomen en vooral vrijemarktideologen betogen dat een dergelijke tragedie alleen te voorkomen is via privé eigendom en dus privatisering van het gemeenschappelijk bezit. Deze economen en ideologen hebben de afgelopen dertig jaar de wind flink in de zeilen gehad. Dit met als gevolg een grote privatiseringsgolf: openbaar vervoer, energie, telecom, water, gezondheidszorg enzovoort.

Het verhaal van Hardin klinkt de moderne mens zeer overtuigend in de oren. Overtuigend wil echter niet zeggen dat het zo is gegaan. Ja, de de gemene gronden zijn ten onder zijn gegaan aan de hebzucht. Maar niet van de herders die ‘een schaapje te veel’ lieten grazen, maar aan de hebzucht van iemand anders.

Iedere herder maakt, volgens Hardin, de enige rationale keuze vanuit de individuele positie. Maar bekijk je het vanuit het totaal dan handelen ze allemaal irrationeel Ze verwoesten zo immers de weide die hen voedt. Hardin veronderstelt dat de gebruikers van de gemene gronden deelnamen aan het economisch verkeer van vraag en aanbod en dat ze allemaal streefden naar meer inkomen. Dit op een manier die vergelijkbaar is met de tijd waarin Hardin zijn artikel schreef. Hij kijkt met zijn bril (zijn en de huidige kijk op de wereld) naar het verleden en dat is meestal niet de bril die men in het verleden droeg. Voor veel van onze voorouders was de wereld niet veel groter dan de streek waarin zij woonden. In die streek probeerden zij te overleven en dat deden zij voor het overgrote deel door in hun eigen behoeften te voorzien. Zij produceerden niet voor de markt en waren niet bezig met inkomen vergaren laat staan rijk worden. Overleven lukte hen onder andere door het gebruik van de gemene gronden. Het gebruik van de gemene gronden was goed gereguleerd in het gewoonterecht. Dit voorkwam, zo daar al aanleiding toe was, misbruik en vooral over gebruik van deze gronden.

Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet willen veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren (en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren). De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele enclusure acts.10 Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten deze graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg, op het eerste oog een positief iets. Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud. De kant wordt door Karl Polanyi treffend omschreven: “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.”11 Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er zo voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en maakte zo de industriële revolutie mogelijk.

Hier is voornamelijk de Engelse situatie beschreven, die is het best gedocumenteerd in andere landen op latere tijdstippen gebeurde iets soortgelijks. Sterker nog, dit is een ontwikkeling die tot op de dag van vandaag doorgaat in bijvoorbeeld diverse Afrikaanse landen. Daar waar grote bedrijven die op fabrieksmatige wijze agrarische producten voor de wereldmarkt willen produceren, grote gebieden opkopen van de overheid en zo de kleine lokale boeren verdringen die deze grond vaak al generaties lang in gebruik hadden. Die rest dan niets anders dan naar de steden te trekken en daar proberen te overleven. Ook dit leidt tot een stijging van de productie en een toename van armoede en vaak ook honger. Want ook hier wordt met name voor de wereldmarkt geproduceerd en verkocht aan de best betalende en dat is meestal een buitenlandse partij. De laatste jaren wordt dit nog versterkt door het opkopen van gronden en bossen ter compensatie van koolstofdioxide uitstoot. Naomi Klein geeft een goede beschrijving van deze ontwikkeling in haar boek No Time, verander nu voor het klimaat alles verandert.12

Modellen

Zo zijn we via een kort uitstapje in de geschiedenis alweer in het heden beland. Voor even want we gaan we terug naar het verleden. Polyani schreef zijn bekendste werk The Great Transformation in 1944. Hij onderzocht, zoals de ondertitel van het boek duidelijk maakt, de politieke en economische oorsprong van de westerse samenleving van het midden van de twintigste eeuw. In de achttiende eeuw waren er echter ook al mensen die probeerden te verklaren hoe de samenleving in elkaar stak. Een ervan was Adam Smith. Daar beginnen we onze zoektocht. Voor een goede analyse is het namelijk van belang om te achterhalen hoe onze huidige samenleving is ontstaan, dat hebben we hierboven gedaan, maar ook welke manier van denken daarin een belangrijke rol heeft gespeeld. Dit omdat denkers ontwikkelingen beschrijven en proberen te verklaren. Dat doen ze aan de hand van theorieën: modellen van de werkelijkheid en die hebben onhebbelijkheden

Voor die onhebbelijkheden even een uitstapje naar de Eerste Wereldoorlog en hoe die begon. De historica Barbara Tuchman schreef hierover het boek Kanonnen van augustus. Centraal hierin staat de eerste oorlogsmaand en wat eraan vooraf ging Tuchman laat zien dat dit gebeurde aan de hand van een vooropgezet plan. Zo hadden de Duitsers het Schlieffenplan om te voorkomen dat ze op twee fronten moesten vechten. Hierbij zou eerst in een snelle slag Frankrijk verslagen moeten worden om vervolgens de energie op Rusland te richten. Dit in de verachting dat de Russische mobilisatie zeer traag zou verlopen. Dit plan schreef dag voor dag voor wat er moest gebeuren onwaar de legers op het einde van die dag zouden moeten zijn. Ook de andere landen hadden dergelijke plannen bij het uitbreken van de oorlog werden die plannen in werking gesteld. De oorlogsleiding was er zo van overtuigd dat de werkelijkheid volgens hun plan zou ontwikkelen, dat de werkelijkheid in het plan werd geperst totdat het niet meer kon.

Aan de andere kant heb je economen die uitgaan van de werkelijkheid en vervolgens naar oplossingen zoeken. Keynes was een econoom van dit soort, veel van zijn navolgers vertonen echter hetzelfde gedrag als de oorlogsplanners en zien overheidsinvesteringen altijd als dé oplossing voor een crisis. Dit verschil is ingebakken in het denken en de wetenschap. Het is een strijdt die zo oud is als de wetenschap. De strijd tussen rationalisten (hier de wensdenken) en empiristen. Rationeel staat dus niet tegenover irrationeel want beiden zijn in deze vergelijking rationeel in die zin dat er beide stromingen denken gebruiken.

Volgens de Tsjechische econoom Tomáš Sedláček is de economische wetenschap in de ban van het rationalisme en heeft de Franse filosoof René Descartes hier een belangrijke rol in gespeeld. Net zoals hij die rol voor alle andere wetenschappen heeft gespeeld13. Volgens de rationalisten bevat de werkelijkheid een inherente redelijke en logische structuur. Die structuur kun je ontdekken via het denken ontdekken en onthullen. Volgens empiristen is de werkelijkheid alleen te kennen door ze waar te nemen. Volgens empiristen leert de mens alleen door ervaring. Voor beiden is wat te zeggen, maar beiden hebben ook zo hun zwakheden.

Tomáš Sedláček geeft het zwakke punt van het rationalisme in de sociale wetenschappen als volgt weer: “De reductie van de menselijke antropologie gaat hand in hand met de reductie van intellect tot wiskunde. In die wereld is er geen ruimte voor emotie, kans of lege ruimte. Alles grijpt met deterministische gestrengheid en de precisie van een horloge in elkaar.”14 Maar dit denken in systemen en ‘wiskundige’ modellen kent volgens Sedláček gebreken: “Systemen met interne inconsistenties, die gedeeltelijk in strijd zijn met de werkelijkheid, die vaak zijn gebaseerd op louter en doelbewust onrealistische veronderstellingen, en die in hun uiterste consequentie tot absurde conclusies leiden, worden desondanks met succes toegepast.”15 In de sociale wetenschappen, en economie is een sociale wetenschap, wordt: “de praktijk (…) beïnvloed door de economische wetenschap. De economische theorie beïnvloedt bijvoorbeeld zowel de verwachtingen als het gedrag van mensen. Ook daarom is het relevant welke economische theorie wij kiezen.”16 Hij vergelijkt de economische wetenschap met de natuurkunde en ziet dat beide wetenschappen modellen op een andere manier gebruiken. Hij beschrijft dit als volgt:“De natuurkunde bedient zich van een volkomen andere hypothetische logica: die hypothesen worden opgetrokken als steigers, die het mogelijk maken het gebouw op te trekken, waarna de steigers met behulp van de gedachtenbouwsel weer worden afgebroken. … Als wij modellen bouwen dan moeten we wegkijken van de realiteit; maar zodra wij die modellen willen gaan toepassen op de realiteit, moeten we wegkijken van de modellen. Dan moeten de steigers als het ware worden afgebroken om te zien of het gebouw er nog staat.” De economische wetenschappen handelen anders. Daar”…lijken de veronderstellingen vaak niet weggenomen te kunnen worden – zelfs niet achteraf; het hele bouwwerk zou instorten.”17 Ondanks die gebreken maken economen, net zoals andere sociale wetenschappers, gebruik van modellen. Sinds het ontstaan van de economie als wetenschap zijn er verschillende ‘modellen’ ontwikkeld. Modellen die ondanks hun gebreken, toch worden gebruikt en die zich in hoofden van mensen vast zetten. Hieronder een ‘ geschiedenis van de economische modellen.

De klassieke economie

Smith wordt wel de vader van de economie genoemd. Hij staat aan de basis van wat de klassieke economie wordt genoemd. Smith beschrijft als eerste in de moderne tijd de voordelen van specialisatie: het toeleggen op het maken van slechts een klein deel van een product. Deze specialisatie leidt tot een toename van de totale productie, mensen produceren zo meer dan hun dagelijkse levensbehoeften en gebruiken. Het surplus verkoopt hij op de markt en daarmee koopt hij andere goederen en diensten. De prijs van die goederen en diensten wordt bepaald door vraag en aanbod. In een notendop beschrijft hij hier de moderne markteconomie. Smith gaat verder. De markt bepaald niet alleen de prijs, hij zorgt er ook voor dat de producenten producten van goede kwaliteit leveren. Niet omdat hen het belang van de kopers van hun product zo aan het hart gaat. Ze doen dit uit welbegrepen eigen belang. Smith: “Het is niet vanwege de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker dat wij onze maaltijd verwachten, maar vanwege hun eigen belang. Wij doen geen beroep op hun menslievendheid, maar op hun eigenliefde en spreken nooit over onze noden, maar hun belangen. Alleen een bedelaar kiest ervoor om voornamelijk van welwillendheid van medeburgers afhankelijk te zijn.”18 Als de bakker of slager slechte kwaliteit levert, dan verliest hij immers zijn klanten dus het is in zijn eigen belang om goede kwaliteit te leveren. Als iedereen maar kiest voor zijn welbegrepen eigen bang dan komt het allemaal goed. De taak voor de overheid is hierbij beperkt het zorgen dat de wetten worden nageleefd, de landsverdediging, het wegnemen van zaken die de werking van de vrije markt belemmeren en het uitvoeren van publieke werken en publieke instituties.

Smith is hiermee de grondlegger van de klassieke economie, een filosofie die ook wel Laisser Faire wordt genoemd. De klassieke economen wilden een vrije markt maar waren niet helemaal blind voor gebreken van volkomen vrijheid op deze markt. Zo erkent de John Stewart Mill dat de samenleving het recht heeft om het individu te beperken in zijn vrijheid. Als eerste noemt hij de geldende wetten waaraan het individu zich moet houden en die door de overheid afgedwongen moeten kunnen worden. Een tweede beperking van de vrijheid van het individu betreft: “… dat iedereen een deel op zich moet nemen (dat volgens billijk principe moet worden vastgesteld) van de inspanningen en opofferingen die nodig zijn om de samenleving of leden daarvan tegen aanvallen of toegebrachte schade te verdedigen. De samenleving heeft het recht deze voorwaarde tot elke prijs af te dwingen van mensen die ze trachten niet na te komen.”19Hoe zou Mill de huidige praktijk van belastingontwijking beoordelen? Dat zou een interessante discussie worden. Aan de ene kant de belastingontwijker dat zegt alles binnen de bestaande wet en regelgeving te doen – daar hebben ze wellicht ook nog gelijk in ook – en aan de andere kant Mill die de ontwijker zal aanspreken op de morele plicht om de samenleving te ondersteunen. Mill ziet nog een derde beperking van de vrijheid van het individu: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.”20Deze laatste mogelijkheid biedt aanknopingspunten voor overheidsingrijpen.

De filosofische basis van de klassieke economie bevat daarmee twee vooronderstellingen die tezamen tot een derde leiden. Als eerst dat de mens op rationele wijze kiest en besluit en als tweede dat de som van alle rationele keuzes die mensen maken het beste resultaat is voor de maatschappij als geheel. Deze twee combinerend levert dit een derde vooronderstelling op en dat is de vooronderstelling dat markten zoveel mogelijk vrij moeten zijn van overheidsingrijpen. De klassieke liberalen hadden wel oog voor de imperfecties van de vrije markt en de mogelijkheden van de vrije mens als individu en als samenleving. Zie bijvoorbeeld de laatste beperkende mogelijkheid die Mill benoemt maar ook het feit dat zowel Mill als Smith verder keken dan de economie alleen. Zo was Smith een moraalfilosoof en schreef hij zijn belangrijkste werk ook op dat terrein21 en was Mill een filosoof en politiek theoreticus.

Mill was, met zijn leermeester de filosoof Jeremy Bentham, een van de grote pleitbezorgers van het utilitarisme. Voor Bentham was de mens een zelfzuchtig schepsel dan zijn eigen belang nastreeft dit door steeds te kiezen voor dat wat hem op dat moment het grootste genot, of geluk bracht. Of in de negatieve zin, de minste pijn.22 Verlaten we het individuele niveau en trekken we dit denken door naar het landsniveau dan geeft Mill aan dat het de taak van de overheid is om te zorgen voor het grootst mogelijke geluk voor het grootste aantal mensen. Het Bruto binnenlands Product (BBP) zoals dat tegenwoordig wordt gebruikt, kun je zien als een utilitaristische manier van bekijken hoe het met een samenleving (land) is gesteld.

En ook tot nieuwe vormen van solidariteit, niet meteen want eerst moeten de ‘gebreken’ van het nieuwe systeem aan het licht komen. De ‘gebreken’ van het kapitalisme die in de loop van de negentiende eeuw aan het licht kwamen, heeft Karl Marx goed beschreven in Das Kapital. Bezit en vermogen (kapitaal) hoopt zich op bij steeds minder mensen en de grote massa (het proletariaat) verpauperde en leefde onder erbarmelijke omstandigheden en moest dagelijks vechten om te overleven. Dit vechten betekende zeer lange werkdagen ook voor kinderen voor weinig geld en bij ziekte of een bedrijfsongeval vielen de inkomsten meteen weg.

De economie volgens Marx

Marx was een van de (zo niet de) belangrijkste denkers van de arbeidersbeweging en het socialisme. Het economische denken van Marx komt voort uit de klassieke economie van Smith en zijn navolgers. Maar daar waar de klassieke economen de samenleving vooral bekeken met de ogen van de kapitalist, stelde Marx de arbeider centraal. En dan niet de arbeider als individu maar de arbeidersklasse (het proletariaat). In zijn boek Das Kapital geeft Marx een beschrijving van de werking van de economie. Die beschrijving stelt de positie van de arbeider centraal en laat zien dat het kapitalisme een strijd is tussen de arbeider en de kapitalist (de fabriekseigenaar). Volgens Marx wordt de waarde van een product bepaald door de erin verwerkte grondstoffen en de arbeid die erin wordt gestoken. De waarde die de arbeider erin stopt, zou hem in zeer belangrijke mate moeten toebehoren en niet aan de ‘kapitalist’. In het kapitalistische systeem zoals Marx dat in zijn tijd zag, eigende de fabriekseigenaar zich die waarde voor het grootste deel toe. Zo zou het kapitaal zich verzamelen in steeds minder handen.

Marx’s denken was sterk beïnvloed en doordrongen van de dialectiek dat wil zeggen een strijd tussen twee tegengestelde partijen die uiteindelijk zou leiden tot een synthese (een betere of hogere staat van zijn). Het toenmalige kapitalisme was in zijn ogen ontstaan uit de strijdt tussen het feodalisme en vroege kapitalisme, De strijd in Marx’s zijn tijd was er een tussen de industriële ondernemers (de kapitalisten) en de loonarbeiders (het proletariaat). En net zoals het feodalisme uiteindelijk het loodje moest leggen tegen het kapitalisme, zou het kapitalisme het loodje moeten leggen tegen de kracht van de arbeiders en dan zou het de socialistische samenleving zijn bereikt. De vrije concurrentie moest immer onherroepelijk tot monopolievorming leiden en omdat dit onrechtvaardig was zouden de arbeiders hiertegen in verzet komen. In die volledig geïndustrialiseerde socialistische samenleving zou de staat, en daarmee iedereen, eigenaar zijn van grond en kapitaal. Daarmee zou de geschiedenis eindigen.23 Marx verzette zich niet tegen het kapitalisme, in tegendeel, het was volgens hem een noodzakelijke fase in de ontwikkeling naar de eindtijd. Zoals in het vorige hoofdstuk al aangeven geloofde ook neoliberalen in een einde aan de geschiedenis, alleen een ander einde.

Marx was tevens de eerste die verder nadacht over de rol van het geld. Geld werd tot Marx vooral gezien als een ruilmiddel bedoeld om het ruilen te vergemakkelijken. Hij zag de eigenstandige macht van geld, geld als vermogen. Marx: “Wat door het geld van mij is, wat ik kan betalen, dat wij zeggen wat het geld kan kopen, dat ben ik, de bezitter van het geld zelf. Hoe groter de macht van het geld, des te groter mijn eigen macht. de eigenschappen van het geld zijn de eigenschappen en essentieel vermogens van mij – de bezitter van het geld. Wat ik ben en wat ik kan hangt dus allerminst af van mijn individualiteit.”24 Deze eigenstandige macht van het geld speelt nu een zeer belangrijke rol. Tegenwoordig lijkt iets pas waarde te hebben en lijkt iets pas te bestaan en de moeite van het behouden waarde als het in geld is uit te drukken. Zo hebben bedrijven pas belangstelling getoond voor het verminderen van de uitstoot van kooldioxide sinds er wordt gewerkt met verhandelbare quota voor de uitstoot.

De industriëlen ‘verzamelde’ de proletariërs in grote aantallen in en rond de fabriekssteden. Of, zoals Andreas Malm betoogt, was het precies omgekeerd: in de steden verzamelde paupers op zoek naar werk en dus trokken de fabrieken naar de steden25. Hoe het ook zij, de macht van industriëlen leidde tot haar tegenmacht: politieke bewegingen en vakbonden die opkwamen voor de belangen en de emancipatie van de arbeiders. Ook enkele grootindustriëlen zagen dat er iets moest gebeuren, zij het vanuit een andere invalshoek. Om hun afzet te laten groeien en daarmee de mogelijkheden op winst, hadden zij nieuwe consumenten nodig en de arbeiders zouden dit kunnen worden. Voorwaarde hiervoor was dat zij een redelijk inkomen konden verwerven en in betere omstandigheden zouden leven. Zij gaven hieraan handen en voeten door fatsoenlijke huisvesting te verzorgen (met goede voorwaarden voor hygiene) en redelijke salarissen en zo hun arbeiders aan hen te binden. Daarbij werden vaak wel eisen gesteld op bijvoorbeeld drankgebruik.26 De druk vanuit (en vaak ook de angst voor) de arbeidsbeweging en ook door de voorbeelden vanuit enkele ondernemers, ontkwamen de regeringen er niet aan om wetten op te stellen die aan de belangen en eisen van de arbeiders tegemoet kwamen.

Dit leidde vanaf het eind van de negentiende eeuw tot een groeiend stelsel van sociale wetgeving. De eerste wetten betroffen vaak verboden zoals het al eerder genoemde verbod op kinderarbeid, maar ook het verbod op slavernij past in dit rijtje. Daarna volgden wet en regelgeving met betrekking tot huisvesting en hygiëne (denk hierbij aan het aanleggen van riolering) en arbeidstijden. Na de Tweede Wereldoorlog werd dit uitgebreid met sociale zekerheidswetgeving, wetgeving die inkomen garandeerde bij onder meer ouderdom, ziekte en arbeidsongeschiktheid en ook wetgeving die werknemers beschermt bij ontslag. Een stelsel dat zijn hoogtepunt bereikte eind jaren zestig en begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Sindsdien staat dit stelsel onder druk. Die druk deed zich het eerste gevoelen bij de inkomensregelingen. Die zijn drastisch versoberd en de mogelijkheden om er gebruik van de te maken zijn drastisch beperkt. Maar ook andere regelingen staan onderdruk en zijn beperkt. Denk hierbij aan de bescherming bij ontslag, de verschuiving van de pensioenleeftijd en de intrede van uitzendkrachten en Zelfstandigen Zonder Personeel. Ook hier wordt de afbraak verkocht door deze in een positief frame te zetten: het heet modernisering en flexibilisering. Wie wil er immers ouderwets en start zijn.

Het keynesianisme

Maar eerst nog even terug in de geschiedenis van de economische wetenschappen. De klassieke economen en de angst voor het marxisme hebben het denken over economie en samenleving tot de jaren dertig van de twintigste eeuw beheerst en gedomineerd. De grote economische depressie van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw bood de klassieke economen een uitdaging die ze niet opgelost kregen. De werkelijkheid paste niet in de toekomstmodellen van de klassieke economen en vroeg om een andere aanpak. Daar waar de klassieke economen en ook de marxisten ervan uitgaan dat de toekomst zich ontwikkeld volgens vooropgezette te kennen route, is de toekomst volgens John Maynard Keynes onkenbaar en onvoorspelbaar. Effecten van keuzes zijn in de ogen van Keynes maar in beperkte mate te voorspellen. Keynes:“In de regel hebben we slechts een zeer vaag idee van de rechtstreekse gevolgen van ons handelen.”27Handelen dat, als we het op economische beslissingen betrekken, vaak een eenmalig karakter heeft en moeten worden genomen in omstandigheden die afwijken van wat normaal gangbaar is.

De werkelijkheid knelde flink met de vooronderstellingen van de klassieke economen. De eerste vooronderstelling, de mens kiest en besluit rationeel, schoot hij aan flarden op basis van zijn ervaringen als belegger, een activiteit waarin hij redelijk succesvol was. Het was en is niet de ratio die op de mens als deelnemer op de markt regeert maar de emotie en het sentiment: “De markt zal onderworpen zijn aan golven van optimistische en pessimistische sentimenten, die enerzijds onredelijk zijn en, maar die tegelijkertijd in zekere zin wel legitiem zijn, aangezien er geen solide basis is waarop een rationele berekening kan worden gemaakt.”28 Vanuit die ervaring had hij geleerd dat succesvol beleggen een gevolg is van de anderen te slim af zijn en veel minder van door rationeel te kiezen. Het gaat er bij beleggen volgens hem om “de massa te slim af te zijn en het slechte, of gedevalueerde, muntstuk door te schuiven naar een andere knaap.”29Als we vertalen naar de de markt van gebundelde hypotheken dan zien we dat de waardevolle bundels in handen zijn gebleven van de banken en dat de overheden de ‘bagger’ hebben overgenomen, dit in hoop deze in de toekomst weer te kunnen verkopen. Keynes benaderde de economie dus veel meer vanuit de psychologie en wat later de speltheorie is gaan heten.30

Ook de tweede vooronderstelling, dat al die rationale keuzes op de markt zouden leiden tot een voor de samenleving beste resultaat, staat daarmee op losse schroeven. Met een treffend voorbeeld wist hij ook het ‘welbegrepen eigenbelang’ van de slager, bakker of brouwer van Smith aan de kaak te stellen. Keynes deed dit aan de hand van een voorbeeld. India bezat begin twintigste eeuw vrijwel het monopolie op de handel in jute. En zoals altijd zijn er dan ondernemers die meer willen verdienen en daarom de kwaliteit stiekem verminderen. Ze bieden jute aan die minder lang meegaat. Volgens Smith zou het eigenbelang van de ‘slager’ ervoor zorgen dat de de ‘fraudeurs’ door de afnemers gestraft zouden worden omdat die zouden weglopen. Keynes zag in de praktijk een andere mogelijkheid: de andere producenten apen de fraudeurs na omdat ze marktaandeel verliezen: “Terwijl vervalsing duidelijk ingaat tegen het belang van de handel als geheel, is het niettemin in het belang van elke individu om eraan mee te doen.”31Ook in dit geval, een voorbeeld van een prisoner’s dilemma waarover ik het in het vorige hoofdstuk had, pleitte Keynes voor overheidsingrijpen via wetgeving.

Het is daarom niet meer dan logisch dat ook de derde vooronderstelling, de overheid moet niet ingrijpen, door Keynes naar de prullenbak werd verwezen. Dat blijkt al uit zijn pleidooi voor wetgeving met betrekking tot de kwaliteit van jute maar wordt nog duidelijker aan de hand van zijn analyse en voorgestelde aanpak van de economische depressie. Volgens de klassieke economen wordt een crisis bestreden door loonsverlaging aan de ene kant en aan de andere kant door grotere besparingen die via renteverlagingen ondernemers er vanzelf toe zouden aanzetten om weer te investeren. Het eerste zou leiden tot een nieuw evenwicht op de arbeidsmarkt, het tweede tot een nieuw evenwicht op de financiële markten. Dit allemaal door de onvolprezen ‘onzichtbare hand’. Die hand liet het echter af weten. Waar de klassieke economen vanuit hun ideologische standpunten hun oude mantra bleven herhalen en met name de vakbonden ervan beschuldigden de lonen hoog te houden en zo de vrije markt te verstoren, keek Keynes naar wat er werkelijk aan de hand was en kwam met alternatieven. Keynes zag een uitval van de vraag en die leidde tot minder investeringen. Het verlagen van de lonen leidde tot nog verdere terugval van de vraag en zo ontstond een neerwaartse spiraal. Op grond van wat hij zag en hoe hij dit duidde pleitte hij voor direct overheidsingrijpen. Omdat de markt niet investeert, zou de overheid het zelf moeten doen. Met Keynes als belangrijkste adviseur zette de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt zijn omvangrijke ‘New Deal’ programma op. Dit bestond uit forse investeringen in de energievoorziening en de infrastructuur. Investeringen die mensen werk boden en via die weg tot toenemende vraag en zo tot het weer toenemen van investeringen door de marktpartijen. Hoe succesvol de New Deal is, zullen we nooit precies weten omdat de Tweede Wereldoorlog uitbrak en die zorgde voor een heel andere dynamiek. Ook in andere landen werd over een keynesiaanse aanpak nagedacht. De Duitse crisisaanpak van investeringen in autowegen en de wapenindustrie vertoont ook keynesiaanse trekken.

Keynes en zijn denken heeft de westerse wereld gedomineerd in de periode vanaf de Tweede wereldoorlog tot begin jaren zeventig van de afgelopen eeuw. Samen met Amerikaan Harry Dexter White stond hij aan de wieg van het Bretton Woods stelsel. Een stelsel dat voor de uitdaging stond om, zoals Rodrik het beschrijft:” … allow enough international discipline and progress toward trade liberalization to ensure vibrant world commerce, but give plenty of space for governments to response to social en economic needs at home.”32 Een stelsel van vaste wisselkoersen waarbij alleen de Amerikaans dollar aan het goud werd gekoppeld, de overige munten werd gekoppeld aan de dollar en waren daardoor in waarde gegarandeerd. Omdat Amerika veruit de dominantste economie hadden met een flinke voorsprong op alle andere, was dit een tijd die tijd passend systeem. Een tweede onderdeel van de afspraken betrof de handel exclusief de agrarische sector, bekend onder de naam General Agreement on Tariffs and Trade (GATT). Deze afspraken werd in diverse rondes aangepast aan de eisen van de tijd. Ter ondersteuning van landen in ontwikkeling of in crisis werden het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de International Bank for Reconstruction and Development (nu deel van de Wereldbank) opgericht. Internationale instituties met eigen bevoegdheden en macht om los van welk land dan ook te opereren. Hiermee regelden de industriële westerse landen financiële en handelsrelaties.

Het door Keynes en White ontworpen systeem ondersteunde de economische wederopbouw na de vernietigende Tweede Wereldoorlog. Het bood landen ruimte om hun eigen economie te stimuleren en beschermen zonder dat het verviel in het vooroorlogse protectionisme. Het systeem functioneerde tot midden jaren zeventig en zorgde voor flinke groei van de economieën van de westerse landen33. Toch liep het Bretton Woods systeem vast en achteraf bezien in het eigen succes. Het paste in een tijd waarin één land economisch met kop en schouders boven de rest uitstak, de Verenigde Staten waarvan de munt aan het goud was gekoppeld en dat over het grootste deel van de financiële reserves beschikte. Dit was de spil waarop het systeem draaide. Toen in de jaren zestig de economie van de andere landen weer op toeren kwamen, leidde dit tot druk op de dollar omdat de reserves van de Europese landen en Japan nu die van de Verenigde Staten overtroffen en ook de economieën van deze landen sterker groeiden wat leidde tot ontevredenheid bij deze landen met de rol van de Verenigde Staten als wereldbankier. Uiteindelijk stond of viel het systeem met de bereidheid van andere landen om dollars aan te houden als reserve. Deze bereidheid verminderde door de grote uitgaven van de Verenigde Staten (Vietnamoorlog en het sociale programma the Great Society van president Johnson) waarvoor extra dollars werden bijgedrukt. Daarop wisselden steeds meer landen hun dollarvoorraden in tegen goud en koppelden hun munten los van de dollar. In 1971 beëindigde president Nixon van de Verenigde Staten de inwisselbaarheid van de dollar voor goud en ontstond het systeem van zwevende wisselkoersen. Dit betekende het einde van het bouwwerk van Keynes en White.

Dit was het begin van het einde van het keynesianisme als leidende economische stroming. Die leidende positie werd verder aangetast door de economische crisis van eind jaren zeventig. Een crisis waar het ‘wondermiddel’ van Keynes uit de jaren dertig, overheidsinvesteringen in tijden van crisis, niet werkte. De economie stagneerde en er was sprake van flinke inflatie (samengevoegd tot stagflatie). Die inflatie zorgde vervolgens weer voor loonsverhogingen om de gestegen prijzen te compenseren en dus de koopkracht op peil te houden. Extra overheidsinvesteringen wakkerden de inflatie aan, zorgden voor opwaartse druk op de lonen en zo tot vermindering van investeringen door het bedrijfsleven. Het keynesianisme bood hiervoor geen oplossing. Zijn succesvolle methode om de economie te stimuleren bij vraaguitval, is door zijn navolgers tot een soort dogma verheven. Een aanpak die in iedere crisis toepasbaar is. Wellicht zou Keynes, indien hij nog had geleefd, wel met oplossingen zijn gekomen. De kern van zijn denken bestond eruit om te kijken naar wat er aan de hand is en daar een praktische oplossing bij zoeken.

Neoliberalisme

Daarmee komen we bij het neoliberalisme, het ‘model’ dat de afgelopen vijftig jaar het denken over economie en de samenleving heeft gedomineerd. Een stroming die, als we het heel kort willen beschrijven, teruggrijpt op het werk van de klassieke economen maar dan in de overdrive. De uitgangspunten van de klassiek economen zijn dogma’s voor de neoliberalen. In de roman Het Gelijk van Heisenberg vat de Venlose auteur Frans Pollux het neoliberale denken kort en krachtig samen: “Als het al bestaat kan geluk alleen maar gevonden worden in die prachtige natuurlijke balans tussen vraag en aanbod. Ik heb iets wat jij wilt + jij hebt iets wat ik wil = geluk. Hoe vrijer de markt, hoe meer ik wil; hoe meer ik wil, hoe meer ik heb; hoe meer ik heb, hoe groter mijn geluk.34” Dit in een roman die door Hans Achterhuis als volgt wordt beschreven: ”Geleidelijk ontdekt de lezer … dat dit utopisch principe tot de ondergang van een groot deel van de wereld leidt.”35 Dit utopisch principe is het neoliberale geloof in de absoluut vrije markt. Zoals hierboven beschreven verdween het gedachtegoed van de klassiek economen vanaf het begin van de twintigste eeuw geleidelijk naar de achtergrond. Een proces dat werd versneld door de Eerste Wereldoorlog en de Grote Depressie van de jaren dertig van de twintigste eeuw. Niet omdat het geen aanhangers meer had maar omdat het aan invloed verloor. Een van de belangrijkste denkers en economen die de klassieke economie trouw bleef en die aan de wieg staat van het neoliberalisme was Friedrich Hayek. Hayek was een tijdgenoot van Keynes en geloofde in de onfeilbaarheid van de vrije markt en bleef zich verzetten tegen overheidsingrijpen in het algemeen en staatsplanning van de economie in het bijzonder. Volgens Hayek bevatte de markt en de partijen die erop actief zijn, alle kennis die nodig is om altijd tot de juiste beslissing te komen. hij beschreef het zelf als volgt: ”Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een (…) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. … Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maandenlang onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.”36 Deze manier om de markt te beschrijven noemt Cassidy ‘het telecommunicatiesysteem van Hayek’ en dit systeem is voor de neoliberalen de samenleving. In dit mechanisme is geen plek voor goed of kwaad dus voor moraal. Het neoliberalisme doet geen morele uitspraken en staat op dit punt ver van de klassieke economen af. De klassieke economen hadden wel oog voor morele aspecten en zagen economie als een onderdeel van de samenleving. De belangrijke klassieke economen, Smith, Mill en Bentham, waren moraalfilosofen. Voor de neoliberalen is de economie de samenleving.

Hayek zet dit ‘telecommunicatiesysteem’ af tegen de planeconomie van collectivisten.37 Planeconomie die succesvol leek en daardoor ook in westerse landen aanhangers had. In zijn boek Road to Serfdom gaat hij uitgebreid in op de mankementen van een centraal geleide planeconomie en dan met name voor wat betreft de gevolgen voor de samenleving. Hij schreef dit boek tijdens de Tweede Wereldoorlog en gebruikt Nazi-Duitsland als voorbeeld. Daarbij moet worden aangetekend dat hij socialisme, communisme, nationaalsocialisme en fascisme allemaal ziet als leden van dezelfde familie en dat het streven naar democratische vormen van socialisme niet mogelijk is:“That democratic socialism, the utopia of the last few generations is, is not only unachievable, but that to strive for it produces something utterly different that few of those who now wish it would be prepared to accept the consequences, many will not believe it until the connection has been laid bare in all its aspects.”38En die gevolgen zijn volgens Hayek een totalitaire regeringsvorm waar de vrijheid van mensen het kind van de rekening is, zoals Duitsland onder Hitler en de Sovjet Unie.

De collectivisten doen dit onder de vlag van de vrijheid, maar dit is volgens Hayek een ander vlag dan de liberale vrijheidsvlag. Die liberale vlag zet zich in voor politieke vrijheid: “… freedom from coercion, freedom from arbitrary power of other men, release from the ties which left the individual no choice but obedience to the orders of a superior to whom he is attached.” Dit sluit aan bij wat de filosoof Isaiah Berlin negatieve vrijheid noemt. Berlin onderscheid daarnaast en tweede manier om naar vrijheid te kijken, een vorm die hij ‘positieve vrijheid’ noemt. Hierbij staat het antwoord op een andere vraag centraal: “Wat of wie, is de bron van beheersing of inmenging die kan bepalen dat iemand dit doet in plaats van dat, of zó en niet anders.”39 Dit is de socialistische vlag van Hayek, daar is vrijheid: “… freedom from necessity, release from the compulsion of the circumstances… .”40 Volgens Berlin gaat het hierbij niet om twee verschillende interpretaties van vrijheid maar om:“… twee sterk afwijkende, onverenigbare houdingen ten opzichte van de doeleinden van het leven.” En: “beide houdingen maken absolute aanspraken en het is niet mogelijk ze allebei volledig te bevredigen.”41

Twee verschillende interpretaties die inderdaad niet allebei volledig te bevredigen zijn. De neoliberale religie van de vrije markt maakt hierbij de radicale keuze voor maximale politieke en economische vrijheid voor het individu. De vrijheid van het een individu botst echter altijd op de vrijheid van het andere individu. Die botsing vindt, volgens de neoliberalen, plaats op de markt. Daar wordt de prijs van een product of dienst bepaald en daar wordt dus bepaald hoeveel vrijheid kost. “It (de liberale overtuiging) is based on the conviction that where effectieve competition can be created , it is a better way of guiding individual effect than any other,” aldus Hayek. Op de markt ontmoeten de individuen elkaar die ieder hun eigen belang najagen en zo doende wordt ook het algemeen belang gediend. Hayek had een groot, maar geen onbeperkt, vertrouwen in de markt, alleen als “… it is impossible to create the conditions necessary to make competition effective, we must resort to other methods of guiding economic activity.”42 En dan moeten we denken aan: “… the provision of the signposts on the roads nor, in most circumstances, that of the roads themselves can be paid for by every individual user. Nor can certain harmful effects of deforestation, of some methode of farming, or the smoke and noise of factories be confined to the owner of the property in question or to those who are willing to submit to the damage for an agreed compensation.”43 In deze gevallen kan de overheid een rol krijgen en die rol zit volgens Hayek vooral in wet- en regelgeving want: “An effective competitie system needs an intelligently designed and continuously adjusted legal framework as much as any other.”44

Hayek beschreef wat de gebreken waren van een collectivistische planeconomie en betoogd krachtig dat die ertoe leidt dat de vrijheid van ieder individu in het gedrang komt. Hij was echter blind voor de gebreken van de vrije markt en ziet die als een perfect mechanisme. Een mechanisme waar de overheid niet moet ingrijpen want dat verergert de zaken alleen maar. Hayek vertrouwde erop dat de markt alles goed regelend, het algemeen belang was immers niets meer dan een optellingen van de individuele belangen en als iedereen op de markt zijn eigen belang najaagde, dan komt het vanzelf goed met de samenleving. Hier zat Hayek er echter naast. John Gray verwoordt de misser van Hayek als volgt:” Er is niets aan marktprocessen dat ervoor zorgt dat ze zich automatisch stabiliseren op het gewenste niveau. Hayek verdienste is erin gelegen dat hij aantoonde dat een succesvolle planeconomie een utopie is. Hij zag echter over het hoofd dat dat ook geldt voor de zelfregulerende markt.”45 Die blindheid voor de gebreken van de vrije markt, hebben zijn navolgers overgenomen.

De belangrijkste navolger en meest invloedrijke denker van het neoliberalisme was Milton Friedman. Friedman was verbonden aan de Universiteit van Chicago die kan worden beschouwd als de bakermat en het middelpunt van het neoliberale denken. Daar waar Keynes beweerde dat vraaguitval de reden was van de Grote Depressie in de jaren dertig en dat deze met overheidsinvesteringen kon worden bestreden, kwam Friedman tot een heel ander analyse en oplossingsrichting. Volgens Friedman was het een gewone financiële schok die werd verergerd door de krimp van de geldhoeveelheid die erop volgde. Deze krimp werd veroorzaakt door verkeerd beleid van de directeuren van de Federal Reserve (Fed) het stelsel van centrale banken in de Verenigde Staten. Het was dus de overheid die faalde en niet de vrije markt. Wat opvalt, ondanks hun totaal verschillende analyse van de Grote Depressie, is dat zowel Keynes als Friedman het eens leken over de oplossing: meer geld in de economie en dat de overheid hiervoor moest zorgen. Alleen over de manier waarop verschilden de beide heren. Keynes wilde dat de overheid zou investeren in zaken die de economie zouden versterken. Friedman wilde dit doen daar de geldvoorraad te vergroten zodat de particuliere sector zou investeren. In de jaren dertig is uiteindelijk de Keynes oplossing gekozen. Bij het aanpakken van de crisis van 2007 en verder, is gekozen voor de Friedman oplossing. Hierop kom ik later nog terug.

Friedman was een fel tegenstander van overheidsingrijpen in de economie ook niet als niet ingrijpen tot ernstige ellende leidde of ontwrichtend voor de maatschappij was. Markten komen immers op den duur (korte of lange termijn) altijd weer tot een evenwicht, de negatieve gevolgen moesten zo lang het duurde maar verdragen worden. Keynes zou hem hebben geantwoord met zijn beroemde woorden:“De lange termijn is een misleidende gids in de maatschappelijke werkelijkheid. Op lange termijn zijn we allemaal dood.”46 Friedman was de grote pleitbezorger van het monetarisme dat een grote rol toekent aan het geld in de economie. Vergroting van de geldvoorraad zou inflatie veroorzaken daarom pleitten de monetaristen ervoor dat de centrale bank de geldhoeveelheid met een vooraf bepaald maximumpercentage mocht groeien, dit percentage moest worden gerelateerd een de reële economie en diende vooraf te worden bepaald. Er bestond volgens hem een nauwe en stabiele relatie bestaat tussen prijsinflatie en de geldhoeveelheid. Geld vervult voor de monetaristen een centrale rol in de economie. Friedman zag het gevaar van een ongereguleerd financieel systeem. Regulering of het versterken van de bevoegdheden van de centrale bank zag hij echter niet als oplossing. De oplossing zag hij in een permanente groei van de geldvoorraad. Dit door deze met tussen de 3 en 5% per jaar te laten groeien. Het liefst zag hij dit als enige wettelijke opdracht voor de Fed.

Via Friedman en zijn collegas van de Universiteit van Chicago kreeg het neoliberalisme steeds meer de overhand in het economisch denken en handelen. De Amerikaanse president Reagan en de Britse premier Tatcher waren grote bewonderaars van Friedman en Hayek en via deze twee politici werd het neoliberalisme mainstream en verspreide het zich verder over de wereld. Diverse landen hebben sinds begin jaren zeventig ervaringen opgedaan met de neoliberale aanpak. Als eerste Chili na de coupe van Pinochet. Na de val van de Berlijnse muur werd de neoliberale aanpak het handelsmerk van het internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank. Landen in financiële nood konden via deze instellingen kredieten krijgen maar moesten in ruil hun economie ‘uitleveren’ aan de vrije markt47.

Friedman behoorde tot de kring ronde Amerikaanse schrijfster en denker Ayn Rand. Rand is de schrijfster van het op de bijbel na meest verkochte boek in de Verenigde Staten, de roman Atlas Shrugged uit 1957. In zijn boek De Utopie van de vrije markt noemt Hans Achterhuis dit boek de utopie van het kapitalisme. Dit denken kenmerkt zich door een kleine rol voor de overheid, zo min mogelijk belemmeringen voor het bedrijfsleven en zo min mogelijke belastingen. In kern is het neoliberale denken samen te vatten in drie woorden waarvan er twee toevallig ook nog eens de titel vormen van een van de boeken van Friedman. Friedmans boek is getiteld Capitalism and Freedom het neoliberale denken is samen te vatten met kapitalisme is vrijheid. Daar waar marxisten de socialistische samenleving als eindtijd van de geschiedenis zien, is dit voor veel neoliberalen het kapitalisme gecombineerd met de liberale democratie. Toen de Berlijnse muur viel, zagen zij dit dan ook als een overwinning van hun denken en als het einde van de geschiedenis van het ideologisch denken omdat nu de hele wereld zou toegroeien naar de liberale-vrije-markt samenleving, er was immers geen ideologisch alternatief meer. Dit was de strekking van het boek The End of History and the Last Man van Francis Fukuyama uit 1992.

In die kringen rond Ayn Rand vertoefde ook Alan Greenspan, de latere president van de Fed. Greenspan heeft het denken van Friedman in die rol in de praktijk gebracht. Toezicht op de financiële wereld verslapte, alleen de groei van de geldvoorraad was belangrijk. Greenspan deed dit door de rente te verlagen, een manier om de geldvoorraad te vergroten. Lage rentetarieven van de centrale bank maakt immers dat banken goedkoop aan geld kunnen komen en dit weer als lening in de markt uit te zetten. Door de crisis die in 2007 inzette heeft het neoliberale denken een flinke deuk opgelopen. De overheden moesten flink ingrijpen om met name de bankensector overeind te houden en overheidsingrijpen past niet in het neoliberale denken, zeker niet in financiële sector. Ondanks deze deuken is het dit moment nog steeds de dominante economische filosofie en ligt het ten grondslag aan vele beleidskeuzes.

Libertarisme

De crisis van 2007 bracht het neoliberale bouwwerk aan het wankelen. Het zichtbare verzet kwam van de kant die wilde herverdelen. De 99 procent kwam in verzet tegen de 1 procent meest vermogenden. De Occupy-beweging kreeg en trok de aandacht. Wat de deelnemers bond, was hun woede tegen de hebzucht van de grote financiële instellingen. Die werden gezien als de belangrijkste oorzaken van de financiële crisis waarin de wereld sinds 2008 terecht is gekomen. De Occupy-beweging werd gevoed door een sterk gevoel van onbehagen over de bestaande economische ongelijkheid, de afbraak van sociale en economische verworvenheden en de (vermeende) onzichtbare macht van het multinationale bedrijfsleven over de politieke besluitvorming. Tot woede van de demonstranten werden de banken die de crisis hadden veroorzaakt, gered ten koste van de gewone man. Dit werd kort verwoord met de slogan: ‘Banks get bailed out, we get sold out’. Over de oorzaken was men het binnen de occupy-beweging eens, waar het naar toe moest, wat het doel van de protesten was, bleef vooral vaag.

Naast dit zichtbare verzet tegen de neoliberale wereldorde van Occupy, was er een andere groep die een andere dan de neoliberale wereldorde wilde. Deze groep bleef en blijft nog steeds, vooral onder de radar. Het is echter wel de groep die steeds meer macht en invloed verwerft. Marlène Benquet en Théo Bourgeron noemen deze groep ‘Alt Finance’. Een groep die bestaat uit de hedgefondsen, private-equityfondsen, kwantitatieve handelsfondsen en vastgoed fondsen. In hun boek Alt Finance betogen de auteurs op een overtuigende manier (onder andere door het volgen van het geldspoor), dat deze bedrijfstak de neoliberale wereldorde wil afbreken. Ze willen een nieuwe wereldorde een libertaire.

Libertarisme is: “een politieke filosofie die de nadruk legt op individuele vrijheid, vrijwillige associatie en beperkte of geen overheidsinterventie in zowel persoonlijke als economische aangelegenheden. Het pleit voor minimale tot geen overheidsbemoeienis in het leven van burgers en bevordert persoonlijke vrijheid en autonomie.” De overheid moet zich volgens de libertariers beperken tot het beschermen van de individuele rechten. Die zijn heilig: “Libertariërs geloven in de primaire rol van individuele rechten, waaronder het recht op leven, vrijheid en eigendom. Deze rechten worden gezien als inherent en niet “verleend” door een of andere overheid.” Volgens de libertaire leer is iedereen vrij om zijn leven te leiden zoals de persoon zelf wil. De enige beperking hierbij is dat een ander geen schade mag worden gedaan en dat die ander dezelfde rechten heeft.48 “Het unieke kenmerk van het libertarisme is dat het een ethische benadering van vrijheid verdedigt zonder rekening te houden met de gevolgen daarvan voor het algemeen belang,” aldus Benquet en Bourgeron. Want: “In tegenstelling tot liberalen en neoliberalen, die een consequentialistische benadering hanteren, hebben libertariërs een deontologische benadering van vrijheid: de vrijheid om te accumuleren is op zichzelf al een wenselijk resultaat.”49

Een politiek filosofische stroming die de nadruk legt op de vrijheid van het individu waarbij de rol van de overheid zo klein mogelijk is. Deze stroming heeft belangrijke raakvlakken met het objectivisme van Ayn Rand. Het libertarisme put daarmee uit eenzelfde bron als het neoliberalisme, maar is nog wat extremer. De rol van de mens als burger bestaat voor het libertarisme eigenlijk niet. De mens is consument en de markt is de democratie. Of om de voormalig Britse premier Thatcher aan te halen: ‘who is society? There is no such thing’. Weg van het WIJ en naar het IK, de op zichzelf aangewezen mens. Een IK die de andere IKKEN in toenemende mate met wantrouwen bejegend. Eigenlijk een strijd van allen tegen allen om Hobbes te parafraseren, maar dan zonder fysiek geweld. Zo is wantrouwen de basis geworden van onze samenleving terwijl een democratie floreert bij vertrouwen.

In hun onderzoek naar de Brexit kwamen Benquet en Bourgeron het libertaire denken op het spoor door het volgen van de geldstromen: wie betaalden de campagnes voor en tegen de Brexit. Tot hun verrassing werden de beide campagnes vooral betaald door de financiële sector. Brexit: “was het gevolg van een economische tegenstelling tussen twee facties van de Britse financiële sector, die uitgroeide tot een institutioneel en politiek conflict.”50 Een strijd tussen de gevestigde financiële sector, die zij First Wave finance noemen en die vooral bestaat uit banken, verzekeraars, institutionele beleggers, goederen handelaren, aan de ene kant en de nieuwe financiële partijen, die zij Second Wave Finance noemen en die bestaat uit hedgefondsen, private-equityfondsen, kwantitatieve handelsfondsen en vastgoed fondsen.

De First Wave partijen wilden het Verenigd Koninkrijk in de Europese Unie houden. Dit deel van de Britse financiële sector had mee aan de wieg gestaan van het neoliberale bouwwerk dat die Unie was geworden. Hun werkwijze: “wordt gekenmerkt door publieke oproepen tot sparen, waarbij spaargelden worden ingezameld door particuliere spaarinstellingen en voor korte periodes worden belegd in aandelen die op beursgenoteerde markten worden verworven.” Zij hadden veel te verliezen bij een Brexit. Dit deel roerde zich stevig in het debat over een Brexit. De werkwijze van Second Wave partijen: ‘wordt gekenmerkt door spelers die particulier kapitaal (afkomstig van vermogende particulieren en andere professionele beleggers) investeren in niet-beursgenoteerde activa; op middellange termijn nemen deze spelers actief de controle over deze activa over.”51

Belangrijk verschil tussen de twee is de sterke betrokkenheid van de oprichter in het opereren en welvaren van Second Wave Finance. Deze staken eigen geld in de Leave campagne terwijl de First Wave partijen vooral bedrijfsgeld investeerden. De financiers van de Leave campagne bleven veel meer op de achtergrond. Ze spraken zich niet zelf uit, ze lieten dat aan anderen over. Waarom ze uit de Europese Unie wilden? Ze: “hoopten de vrije hand te krijgen om te investeren zoals zij dat wilden en zich te ontdoen van de financiële regelgeving van Brussel, die zij te restrictief vonden.”52 Want ze zagen zich: “Geconfronteerd met een neoliberaal politiek regime dat niet langer de institutionele regelingen beschermde die zij nodig achtten om hun winsten te laten stijgen,” En omdat ze de regels binnen de Unie niet gewijzigd kregen: “vonden de financiële actoren van de tweede golf een mogelijke uitweg: een verandering van politiek regime.”53 Die verandering van politiek regime werd de Brexit.

Sinds die Brexit wordt de roep om een verandering van institutionele regeling ook binnen de Europese Unie de steeds sterker. Ook sloten andere partijen en dan vooral de grote techbedrijven en dan vooral techbedrijven die draaien op data, zich bij die roep aan. Alessandro Baricco beschrijft de tech-ondernemers in zijn boek The Game. Hij onderzoekt als een soort archeoloog de ontstaansgeschiedenis van de nieuwe wereld en probeert er als het ware aan landkaart van te maken of, zoals het op de kaft kort wordt omschreven: “de digitale revolutie en de gevolgen daarvan voor de mens.” Baricco vergelijkt de digitale revolutie met een game, een computerspel, vandaar de titel. In een game gaat het om problemen en snelle oplossingen, om actie en reactie, en om een score. Die eigenschappen vormen, zo betoogt Baricco, de kern van de hele digitale revolutie. Hij gaat terug naar de beginperiode van de die revolutie. Een revolutie die ontstond in de jaren zeventig in Californië waar een: “aparte mensheid, waarin informatica-ingenieurs, hippies, politieke militanten en geniale nerds samenvielen onder de paraplu van een specifiek gemeenschappelijk sentiment: ergernis over de wereld zoals die was,” zich had verzameld. Zij wilden een andere wereld. “Het waren mensen op de vlucht. Ze probeerden te ontsnappen aan de eeuw die de gruwelijkste in de geschiedenis van de mensheid was geweest, en die niemand had gespaard.” Wat die gruwelijke eeuw kenmerkte? “De obsessie met grenzen, de verafgoding van alle mogelijke scheidslijnen, de drang om de wereld in te delen in beschermde zones die niet met aldaar in contact stonden.“54 Een wereld die werd gedomineerd door ideologie. Zij wilden geen ideologie maar waren in de kern bijzonder ideologisch. Ze predikten het anarchisme en de meeste van hen een zeer bijzondere vorm van anarchisme, het libertarisme.

Ook bij hun pogingen om tot die libertaire samenleving te komen, blijven de aanjagers ervan, uitzonderingen zoals Elon Musk daargelaten, het liefst in de schaduw. Overheden en vooral de Europese Unie hinderen hen daarbij. De EU omdat deze, geheel volgens de neoliberale wereldorde, ernaar streeft om via de markt het algemeen belang te bevorderen en dat algemeen belang (kwaliteitsregels voor producten, regels ter bescherming van de burger en de consument) hindert deze ondernemers. Daarom laten ze via denktanks en door hen gefinancierde actiegroepen roepen dat de regels ‘verstikkend’ zijn en ‘innovatie belemmeren’. Ze doen dat met toenemend succes. En de ironie, de grootste slachtoffers van het niet reguleren zijn precies de mensen die voor het karretje worden gespannen. Die worden getriggerd met de boodschap dat die regels hun vrijheid belemmeren. Ze laten anderen het werk opknappen en die anderen zijn vooral mensen die juist het meeste belang hebben bij herverdeling. Want het libertaire beleid: “versterkt de financialisering van samenlevingen, waardoor de kloof tussen arm en rijk groter wordt.”55

Benquet en Bourgenon laten zien dat al die denktanks één netwerk vormen met de naam Atlas Foudation: “Ongeveer 400 denktanks zijn lid van de Atlas Foundation, waarvan de meeste Anglo-Amerikaans zijn. Ze vormen een politiek samenhangend geheel dat gekenmerkt wordt door zijn libertarisme en zijn banden met alt-right in de Verenigde Staten en met radicale groeperingen binnen de Britse Conservatieve Partij… De meest emblematische leden van dit netwerk in de Verenigde Staten zijn het Cato Institute, gefinancierd door de gebroeders Koch, miljardairs in fossiele brandstoffen die bekend staan om hun ontkenning van klimaatverandering en hun libertarische opvattingen, en de Heritage Foundation, eveneens een klimaatveranderingsontkennende, libertarische en neoconservatieve groep.”56 De Heritage Foundation is de grondlegger van Project 2025. Een in 2022 opgesteld plan om na de toen nog onzekere verkiezingswinst van een republikeinse president de overheid vol te stoppen met aanhangers van het libertaire gedachtegoed. Een in de basis autoritair plan omdat het ervan uitgaat dat een president na zijn verkiezing boven de wet staat. Na zijn inauguratie is de huidige president Trump dit plan aan het uitvoeren. En daarmee komen we weer bij de zes vormen van verwerving van Achterhuis en Koning

Benquet en Bourgeron betogen dat Het nieuwe politieke regime van accumulatie (…) zich (heeft) gehuld in het kleed van het libertaire economische denken, maar is autoritair in zijn politieke en sociale optreden.”57 Ze noemen dit het libertair autoritair regime. Een regime dat: “vijandig (staat) tegenover elke herverdeling van rijkdom en gebruikt onderdrukking van sociale bewegingen, beperking van burgerlijke vrijheden en beperkingen op openbare demonstraties en toespraken als belangrijkste middelen om de sociale orde te handhaven.”58 En als we nu om ons heen kijken, dan is dat precies wat er gebeurt. Trump voert op een autoritaire manier Project 2025 uit. Rechten van mensen (legaal of illegaal) worden met voeten getreden. Het leger wordt tegen de eigen burgers ingezet. Onwelgevallige stemmen wordt het zwijgen opgelegd door hen te (laten) ontslaan of door te dreigen met een rechtszaak. We zien het ook in Nederland. Hier staat het recht om te demonstreren onder druk. Worden moties, wetsvoorstellen en amendementen ingediend die strijdig zijn met onze grondrechten. Worden de bevoegdheden van opsporingsinstantie om te grasduinen in privégegevens steeds groter. En daarmee komen we weer bij de zes vormen van verwerving van Achterhuis en Koning en dan vooral de laatste vorm: roof. Roof, want dat is het als de machtigen hun macht gebruiken om hun rijkdom verder te vergroten ten koste van de onmachtigen.

Afsluitend

Deze Prikker schets de geschiedenis van manieren waarop de mens zaken verwerft die nodig zijn om te overleven. De laatste drie eeuwen is de nadruk daarbij steeds meer komen te liggen op verwerven via de markt. Daarbij zien we een permanente strijd tussen de kapitaalkrachtigen en de rest. Om in Occupy termen te spreken: de strijd tussen de 1% en de 99%. In die strijd spelen ideeën een belangrijke rol. Ideeën in de zin van theorieën of modellen die de werkelijkheid moeten verklaren. Nadeel van theorieën en modellen in de sociale wetenschappen is dat ze de werkelijkheid versimpelen en beïnvloeden. Sinds eind jaren zeventig is hierbij de nadruk komen te liggen op de vrije markt als dé manier van verwerven. Dat zou zowel voor het individu als voor de samenleving het beste opleveren: als iedereen zijn eigen belang nastreeft dan moet de som van die eigenbelangen wel het optimale maatschappelijke belang zijn. Zo is de opvatting van het neoliberale denken. De werkelijkheid laat echter zien dat veertig jaar neoliberaal beleid hebben geleid tot erosie van het algemeen belang. De laatste vijftien tot twintig wordt het libertaire denken steeds dominanter. Dit denken lost het probleem van eroderend algemeen belang op door het irrelevant te maken. Individuele verwerving van (zoveel mogelijk) kapitaal is het enige wat telt. De aanhangers van dit denken, de kapitaalkrachtige individuen van het Second Wave Finance en de Tech Bro’s, verstoppen hun denken onder de vlag van vrijheid. Een valse vlag waaraan het volgende deel gewijd zal zijn. Bij het vormgeven van beleid zullen we hier rekening mee moeten houden. Gelukkig kunnen we daarbij ons voordeel doen met ervaringen uit het verleden. Die bieden niet automatisch ‘rendementen voor de toekomst’. Die ervaringen laten echter wel zien dat het anders kan. Dat herverdeling mogelijk is.

1 Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier, Hoe we mensen werden, Pagina 214

2 Yuval Noah Harar, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid pagina 32

3 Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 81

4 Lees Marcel Mauss, Over de gift

5 Yuval Noah Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, pagina 91-92

6 Karl Polanyi, The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time, pagina 48-49

7 Hans Achterhuis en Nico Koning, De kunst van het vreedzaam vechten,pagina 414-415

8Idem pagina 415-419

9 Hier baseer ik me op de bespreking van dit artikel in John Cassidy, Wat als de Markt Faalt? De kracht van het irrationele in de economie, pagina 166-167. Voor het origineel artikel zie: Garrett Hardin, “ The Tragedy of the Commons” Science 162 (1968): 1244.

10 R.R. Palmer, Joel Colton, A History of the Modern World, pagina 428

11 Karl Polanyi, The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time, pagina 37

12 Naomi Klein, No Time. Verander nu, voor het klimaat alles verandert. Pagina 246 – 259

13 Tomáš Sedláček, De economie van goed en kwaad. de zoektocht naar economische zingeving van Gilgamesh tot Wall Street, pagina 206 – 218

14 Idem, pagina 209

15 Idem, pagina 213 (Sedláček benadrukt in dit citaat twee woorden die hij cursiveert. Ik cursiveer citaten en om de nadruk van Sedláček te behouden schrijf ik deze woorden normaal).

16 Idem, pagina 344

17 Idem, pagina 346

18 Bij het beschrijven van het denken van Adam Smith heb ik gebruik gemaakt van De Utopie van de Vrije Markt van Hans Achterhuis en van Wat als de markt Faalt van John Cassidy.

19 John Stewart Mill, Over vrijheid. Pagina126

20 Idem, pagina 127

21 The Theory of Maral Sentiments., een boek dat handelt over ethiek en waarin hij de handelende mens als meer dan een egoïstisch wezen ziet.

22 Bertrand Russell, Geschiedenis van de Westerse Filosofie. Vanuit de politieke en sociale omstandigheden van de Griekse Oudheid tot in de twintigste eeuw. Pagina 803 – 804. Zie ook Hans Achterhuis, pagina 189

23 Idem, pagina 811 – 819

24“ Geciteerd bij Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt, pagina 198

25 Zie: Andreas Malm,Fossil Capital. The Rise of Steam Power an the Roots of Global Warming

26 Philips is hiervan een goed Nederlands voorbeeld. In Engeland is lord Lever (nu onderdeel van Unilever) hiervan een voorbeeld.

27“ Geciteerd bij John Cassidy, Wat als de markt faalt? De kracht van het irrationele in de economie, pagina 191

28 Geciteerd bij Cassidy, pagina 190

29 Geciteerd bij John Cassidy pagina 192

30 Speltheorie is een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat. De speltheorie biedt een raamwerk waarbinnen strategische interactie tussen ‘spelers’ bestudeerd wordt. Met behulp van modellen wordt geprobeerd de onderliggende interactie van ‘spelers’ die beslissingen nemen te begrijpen. (bron: Wikipedia)

31 Geciteerd bij John Cassidy, pagina 194

32 Dani Rodrik,The Globalization Paradox. Democracy and the Future of the World Economy, pagina 69

33 Angus Maddison, Ontwikkelingsfasen van het kapitalisme pagina67

34 Frans Pollux, Het Gelijk van Heisenberg, pagina 15 – 16. De vete druk is overgenomen van Pollux

35 http:/ http://www.volkskrant.nl/recensies/van-sciencefiction-valt-te-leren~a1021420/

36 Geciteerd bij John Cassidy, Wat als de markt faalt? De kracht van het irrationele in de economie, pagina 52

37 Collectivisten zijn voor Hayek alle stromingen die in groepen denken in plaats van in individuen. Het omvat daarmee onder andere het communisme, het socialisme, het facisme en het nationaal-socialisme.

38 Friedrich A. Hayek, The road to Serfdom. Text and Documents. The definitive Edition, pagina 82

39 Isaiah Berlin, Twee opvattingen van Vrijheid, pagina 11.

40 Friedrich A. Hayek, The road to serfdom. Text and Document. The definitive Editionpagina 77

41 Isaiah Berlin, Twee opvattingen van Vrijheid, Berlin, pagina 75

42 Friedrich A. Hayek, The road to serfdom. Text and Document. The definitive Edition, pagina 85 – 86

43 Idem, pagina 87

44 Idem, pagina 88

45 John Gray, Zwarte mis. Apocalyptische religie en de moderne utopieën pagina131

46 Geciteerd bij Hans Achterhuis,De utopie van de vrije markt, pagina pagina 214

47 Idem, pagina 239 – 252

48 Bron: https://libertairperspectief.nl/over-het-libertarisme/

49 Marlène Benquet en Théo Bourgeron, Alt Finance. How the City of London bought democracy, pagina 107 (eigen vertaling)

50 Idem, pagina 10 (eigen vertaling)

51 Idem, pagina 39 (eigen vertaling)

52 Idem, pagina 44 (eigen vertaling)

53 Idem, pagina 65 (eigen vertaling)

54 Alessandro Baricco, The Game, pagina 98

55 Marlène Benquet en Théo Bourgeron, Alt Finance. How the City of London bought democracy, pagina 131 (eigen vertaling)

56 Marlène Benquet en Théo Bourgeron, Alt Finance. How the City of London bought democracy, pagina 104-105 (eigen vertaling)

57 Idem, pagina 107 (eigen vertaling)

58 Idem, pagina 9 (eigen vertaling)