Uitgelicht

The inconvenient Truth

Het einde van een jaar is een moment om terug te kijken op dat afgelopen  jaar. Dat kan in de vorm van een eindejaarconference zoals menig cabaretier doet. Het kan in de vorm van lijstjes met de 10 belangrijkste, mooiste, bijzonderste, afschuwelijkste enzovoorts gebeurtenissen. Het kan in de vorm van boeken en films of personen die het jaar hebben getekend. Of aan de hand van bijzondere gebeurtenissen. Deze Prikker besteed ik aan de gebeurtenis die het jaar het beste weergeeft. Nee, dat is niet het vallen van het kabinet of de zin ‘functie elders’. Het is ook niet het wereldkampioenschap van Max Verstappen. Het is de in het Suezkanaal vastgelopen Ever Given. En nee, niet vanwege de rol die Nederlandse bedrijven speelden bij het weer vlottrekken van de kolos die ruim 18.000 containers kan vervoeren. Dat zal best een knap staaltje werk zijn waar je trots op kunt zijn en waar je als bedrijf dat het kunstje flikte een boek over kunt maken waaraan de Volkskrant een artikel wijdt.

De Ever Given was onderweg van China naar de Rotterdamse haven toen het op 23 maart door het Suezkanaal voer. Zoals een medewerker van berger Boskalis in het Volkskrantartikel het verwoordde: “een ‘varende wolkenkrabber’, die zich door het 300 meter smalle Suezkanaal moet wurmen.” Die varende wolkenkrabber: “heeft 18.350 containers aan boord met goederen ter waarde van 1 miljard euro.” Op die 23ste maart zat het qua weer wat tegen, er woedde een zandstorm en het schip belandde: “met de boeg en de achtersteven in de klei van de oostelijke en westelijke oever en blokkeert het Suezkanaal.” Het duurde vervolgens tot 29 maart voordat het schip weer vlot werd getrokken en het Suezkanaal weer gebruikt kon worden. In die bijna week dat de Ever Given het kanaal blokkeerde ontstond er een ‘schepenfile’ voor het kanaal.

Een schip dat meer dan 18.000 containers vervoert en een file van schepen aan beide zijden van het kanaal laten zien hoe verbonden de wereld is. Maar ze laten ook iets anders zien. Die blokkade verstoorde de wereldhandel en diverse Nederlandse bedrijven waren gedupeerd omdat er spullen voor hen op het schip stonden of op de schepen in de file. Toen het schip los werd getrokken was er dan ook sprake van opluchting. Als dat niet was gelukt: “was het een groot drama geworden,” zei een woordvoerder van ‘prularia-keten’ Action. Want stel je voor: “je wil geen tuinspullen pas in oktober,” aldus diezelfde woordvoerder. En daarmee ben ik bij het punt waarom dit voor mij deze gebeurtenis het jaar het beste weergeeft. Of beter gezegd de afgelopen dertig jaar.

‘Tuinspullen’ en de rest van de prularia die bij de Action te verkrijgen zijn die per boot uit China moeten komen? Hoe zijn we zover gekomen dat we een tuintafel en wat stoelen van de ene naar de andere kant van de wereld slepen? Dan moet er toch wel iets helemaal verkeerd zijn gegaan. En daarmee kom ik bij Van muur tot muur. De wereldpolitiek sinds 1989 een boek waarin Jonathan Holtslag het wedervaren van de wereld sinds de val van de muur beschrijft. Aan de hand van voorbeelden zoals Walmart, Ryanair, Amazon en Ikea beschrijft hij wat er fout is gegaan. “Ikea haalde spectaculaire groeicijfers. Overal verschenen enorme blauw met gele winkels, vaak met een uitgestrekte lap asfalt eromheen, zodat bezoekers zoveel mogelijk spullen in hun auto kunnen laden. Veel artikelen kwamen uit lage lonenlanden, maar ze werden met Scandinavische flair en duurzaamheid in de markt gezet. Goedkoop werd chic. Steden vonden het een eer als Ikea neerstreek. Net als bij Walmart kwamen de klanten vooral op de lage prijzen af. Daardoor hadden ze geen oog voor de hoge indirecte kosten van het verdienmodel van het bedrijf. Elke Ikea-vestiging die openging had negatieve gevolgen voor winkels die soortgelijke producten verkochten en het bedrijf bood nagenoeg geen kansen aan plaatselijke fabrikanten. Het grootste deel van wat Ikea verkoopt, komt uit China. Elk jaar gaan er voor Ikea naar schatting tussen de 300.000 en 400.000 containers uit Azië naar Europa. (…) Alleen al dat intercontinentale vervoer genereert een uitstoot van 700.000 ton kooldioxide. Ikea probeert uit te dragen dat het een bedrijf met hoge ethische normen is. De boekhouding vertelt een ander verhaal. De meeste winkels zijn indirect in handen van een in Nederland gevestigde non-profit stichting, die zich zegt te wijden aan ‘vernieuwing op het gebied van architectonisch en binnenhuisdesign. De stichting betaalt geen belasting. Door te shoppen bij Ikea dragen Europese consumenten bij aan de uittocht van kleinere winkels uit stadscentra, de teruggang van industriële productie in eigen land, het verdwijnen van ambachtelijke kwaliteit ten gunste van een monocultuur van producten als Ivar en Billy en de financiële problemen van hun overheid.[1] Voor Ikea kun je Amazon, Walmart en vele andere bedrijfsnamen en dus ook de Action invullen.

Om die ‘Ivar en Billy’ te maken, varen andere enorme schepen met ijzererts, hout en andere grondstoffen vanuit alle delen van de wereld naar China. Daarbij ook tonnen kooldioxide uitstotend. De arbeidsomstandigheden van de matrozen op zowel die container- als die andere schepen laat vaak te wensen over. En om zoveel mogelijk geld te verdienen en aan zo min mogelijk eisen te voldoen, varen die schepen onder de vlaggen van landen die het op die gebieden het minst nauw nemen.

Inderdaad staan lokale overheden te juichen als zo’n bedrijf zich in hun stad vestigt. Op de lokale Venlose omroep staat geregeld een wethouder trotst te verkondigen dat een groot bedrijf vele hectares grond heeft gekocht om er een distributiecentrum te vestigen. Jullie weten wel zo’n grote, de omgeving vervuilende rechthoekige doos zonder enige architectonische kwaliteit. Want ja, je bent logistieke hot spot of niet. Daarbij wordt verteld dat de komst goed is voor de werkgelegenheid. Vervolgens wordt het gros van die werknemers met busjes van een van de vele uitzendbureaus vanuit hun tijdelijke woonplek naar die ‘schuur’ gereden en ‘logistikeren’ ze voor een habbekrats de rommel uit die containers. Van het salaris dat ze daarmee verdienen kunnen ze niets anders kopen dan de rommel die ze ompakken in die schuur. Op dezelfde Omroep Venlo staat ook geregeld een wethouder, en vaak is dat ook nog dezelfde, zijn bezorgdheid uit te spreken over de leegloop van winkels in de centra van Tegelen, Blerick en ook Venlo zelf en de gevolgen hiervoor voor de leefbaarheid van de Tegelen, Blerick en Venlo. Dat die ‘winkels en leefbaarheid’ worden bedreigd door de bedrijven die met gejuich worden binnengehaald, lijkt die wethouder te ontgaan.

Op landelijk niveau zien we hetzelfde. Een overheid die er alles aan doet om bedrijven met aanlokkelijke subsidies en met lage tot geen belastingen probeert te lokken. We moeten immers een ‘interessante vestigingsplek’ zijn voor grote multinationale bedrijven. Bedrijven die hier en ook elders weinig en liefst geen belasting betalen en daarmee alleen de lusten willen van onze samenleving en niet de lasten. Bedrijven die ervoor lobbyen voor zo min mogelijk en liefst hen beperkende regels op het gebied van salarissen, arbeidsomstandigheden en milieubescherming. Wel de baten niet de lasten.

Zoals Holtslag het in het al genoemde boek schrijft: “Het westers liberalisme werd materialisme. Vooruitgang werd niet afgemeten aan de mate waarin er verbetering werd geboekt op het gebied van de menselijke waardigheid, maar aan de mate waarin het consumentisme kon groeien.[2]  Een ontwikkeling die ervoor zorgt dat het samen in de samenleving steeds kleiner wordt, die de ongelijkheid vergroot en de klimaatverandering bevordert. Hij ziet in hoofdlijnen twee reacties op deze ontwikkeling. Aan de ene kant de reactie van partijen van het midden die met woorden spreken over deze ontwikkelingen maar met daden eraan bijdragen dat er niets aan wordt gedaan uit angst voor de tweede groep, de populistische nationalisten. Twee groepen die elkaar in een dodelijke omhelzing houden en daardoor precies dat bereiken wat ze allebei zeggen niet willen: “De pragmatische middenpartijen walgden van het groeiende koor van de rechtse populisten, maar hadden niet de kracht in huis die nodig was om de zwakke markt op te kalefateren, burgers op hun eigen verantwoordelijkheid te wijzen en grote bedrijven ervan te weerhouden om landen tegen elkaar uit te spelen teneinde steeds minder belasting te betalen. Dat pragmatische midden kreeg zelfs het verwijt dat het medeplichtig was aan het zoveel mogelijk winst bezorgen aan het bedrijfsleven, ten koste van het algemeen belang, terwijl het daar zelf van meeprofiteerde. De populisten waren gevaarlijk, wierp het midden tegen. Maar daarbij zag het bewust het destabiliserende effect van het eigen beleid over het hoofd. De samenleving wordt bedreigd door buitenstaanders, zeiden de populisten. Maar daarbij hadden ze weinig oog voor de bedreiging van hun manier van leven die van binnenuit kwam.[3]

 En met die bedreiging die van binnenuit kwam, kom ik bij de Ever Given en de ‘schepenfile. Dat schip met voor een miljard aan handelswaar aan boord en in de file een veelvoud daarvan. Die wel op tijd moeten aankomen zodat de ‘tuinspullen’ er niet pas in oktober zijn. Wij zijn de grootste bedreiging voor onze samenleving. Wij die groeiend consumentisme zien als vooruitgang. Wij die onze tuinmeubelen, ‘Billy’s en Ivars’ gemaakt in China kopen omdat ze zo goedkoop zijn. Wij die bestellen bij Amazon en AliExpress omdat het zo goedkoop is en alles door die onderbetaalde koerier thuis wordt gebracht.

Wij die de rommel bij de Action en de laatste ‘wegwerpmode’ bij de Primark kopen. Wegwerpmode zoals de gestonewashte spijkerbroek met voorgefabriceerde gaten en slijtplekken. Een broek waarvoor op een niet al te milieuvriendelijke manier katoen wordt geteeld. Katoen die wordt gewassen en waarvan draden worden gemaakt. Die draden worden tot stof geweven dat we laten krimpen om te voorkomen dat die wijd zittende broek die je in de winkel kocht na een wasbeurt in een skinny jeans verandert.
Dat stof wordt door een arbeider in een naaiatelier in Bangladesh gesneden en tot een broek genaaid door een arbeider die nog niet volwassen is, in of rond de fabriek woont en er meer dan tien uur per dag werkt. Die raw jeans wassen we vervolgens in een machine met stenen om het stof te verouderen en dus de levensduur ervan aanmerkelijk te bekorten. Bij dat wassen kunnen ook nog verschillende soorten chemicaliën worden toevoegen om speciale effecten te krijgen. Als laatste slijpen we er op wat plekken gaten in om de broek nog ouder te laten lijken. Gaten die er vervolgens voor zorgen dat de broek nog sneller slijt. De kans dat je er met je voet in blijft hangen of ergens achter haakt, neemt door die gaten immers flink toe. En dan na en paar keer dragen, verdwijnt de broek in de afvalbak omdat de nieuwste trend zegt dat de scheuren op een andere plek moeten zitten. Zo verspillen we kostbare grondstoffen en vervuilen het milieu voor een broek die we een paar keer dragen.

Zo dragen wij ook bij aan de migratiestromen. De katoen waar die broek van wordt gemaakt, wordt onder andere geteeld op plantages in West-Afrika. Daarvoor worden enorme arealen landbouwgrond gebruikt en is enorm veel water nodig. Honderdduizenden kleine boeren verloren hierdoor hun grond, bestaan en voedsel en migreerden naar de grote steden en daarna voor een deel ook naar Europa. Zij vormen een deel van migratiestroom die in de regio opgevangen moeten worden als het aan het gros van die pragmatische middenpartijen ligt en die daarvoor miljarden overmaken op de rekeningen autoritaire regimes. Maar waartegen ook de hekken worden gebouwd waar de populistische nationalisten zo op aandringen. En dat niet alleen door die spijkerbroek maar ook voor soja, hout en andere grondstoffen.

Miljarden aan belastinggeld om de gevolgen van ons consumentenkeuzes tegen te gaan. Producten, zoals die broek, waarvan we de werkelijke kosten afwentelen op het collectief want dat betaalt met geld of korter leven voor de slechte arbeidsomstandigheden, de vervuiling die met de productie en het vervoer van de grondstoffen en het eindproduct gepaard gaan en de kosten die migratie. Wordt het niet eens tijd om die op het collectief afgewentelde kosten door te berekenen in die spullen bij de Action of die ‘gestonewashte spijkerbroek’ van de Primark? Zouden ze dan nog zo goedkoop zijn? En nog een stap verder, zouden we (tuin)meubelen, kleren en veel andere producten niet lokaal moeten produceren en kopen? Dan zou die ‘onderbetaalde koerier’ als meubelmaker een goede boterham verdienen. Zouden we de lokale timmerman niet moeten vragen om een ‘Billy’ te maken? En bij de lokale kleermaker een broek gemaakt van hennep, vlas of brandnetels? Zou dat er niet leiden tot echter vooruitgang en dus verbetering op het gebied van de menselijke waardigheid? Menselijke waardigheid zowel hier als ook in China en bijvoorbeeld West-Afrika?

“Het migratievraagstuk kan niet worden opgelost, maar wel beter beheerst dan nu gebeurt. Europese leiders praten graag over opvang in de regio als een manier om vluchtelingen op afstand te houden. Maar de financiering van die opvang schiet vaak tekort. Ook in hun eigen belang zouden Europese landen zich genereuzer moeten tonen,” schrijft Peter Giessen in het Commentaar in de Volkskrant. Inderdaad is migratie eigen aan de mens, zonder migratie hingen we nog in de bomen in Oost-Afrika. Dat beheersen start echter bij de keuzes die we als consument maken. Dat is de boodschap die politici ons niet vertellen. Dat is, om All Gore te parafraseren: the inconvenient truth.


[1] Jonathan Holtslag, Van muur tot muur. De wereldpolitiek sinds 1989,  pagina 192-193

[2] Idem. Pagina 69

[3] Idem, pagina 194-195

Uitgelicht

Schaarste

Een boek dat me altijd bij is gebleven is Het rijk van de schaarste van de Nederlandse filosoof Hans Achterhuis. Nu heb ik dat met meer boeken van Achterhuis. “Schaarste wordt nog altijd aanwezig geacht in onontwikkelde en onderontwikkelde gebieden, zij wordt in verband gebracht met honger in de Sahel of armoede in India. Met technische middelen zou ze in de toekomst overwonnen kunnen worden,” schreef Achterhuis in 1988. Hij zag het echter anders: “In dit boek zal ik precies het tegenovergestelde trachten aan te tonen. De moderne maatschappij heeft de schaarste niet overwonnen maar juist gecreëerd. Mondiaal gezien zijn we niet op weg naar overvloed of zelfs naar een ‘genoeg’, maar breidt de schaarste zich steeds verder uit. Juist de Westerse ‘overvloedsmaatschappijen’ worden gekenmerkt door een zich tot op alle gebieden uitbreidende schaarste …. Alles is schaars geworden, welzijn, gezondheid, schoon water, schone lucht, ja zelfs tijd.[1] Die beschrijving uit het einde van de jaren tachtig van de vorige eeuw, leek mij nog steeds een adequate beschrijving van het nu.

Leek, omdat een de Duitser Andreas Reckwitz in zijn boek The society of singularities beweert dat er in de laat moderne tijd, zoals hij het noemt, eigenlijk maar aan één ding echt schaarste is. En nee, dat is niet aan frisse lucht, schoon water, welzijn, gezondheidszorg of zelfs tijd. Volgens Reckwitz was de moderne tijd een tijd van gestandaardiseerde producten gemaakt door verschillende fabrikanten en bedoeld voor alle consumenten. Die fabrikanten verdeelden de buit waarbij hun winst afhing van hun productiekosten. De prijs van standaardproducten wordt immers bepaalde door vraag en aanbod waarbij de vraag stabiel is.

In de laat-moderne economie is dat, zo betoogt Reckwitz, anders. Die wordt gedomineerd door het unieke en bijzondere: unieke en bijzondere producten, gebeurtenissen, plaatsen en mensen. Reckwitz noemt dit singulariteit en de markt hiervoor singulariteitsmarkten. Dat bijzondere kan op verschillende gebieden betrekking hebben: op de esthetiek, het verhaal, het ontwerp, het originele en ludieke van iets. Alleen is niet van tevoren bekend wat ‘uniek’ gaat worden. Reckwitz vergelijkt het met de kunst, waar al sinds eind achttiende eeuw het unieke wordt beloond. Dat is nu het ‘model’ voor de hele economie en dat zorgt voor een overvloed aan, zoals Reckwitz ze noemt, ‘culturele goederen’. Goederen die niet worden gekocht om hun gebruikswaarde maar om dat ‘unieke’. Producten die de ‘unieke’ status bereiken, maken hun producent rijk, die heeft op dat gebied het grootste deel van de markt. Tenminste zolang als het product ‘uniek’ blijft. Culturele producten die deze status niet bereiken, rest de vergetelheid en hun makers een fors verlies. Alleen is niet van tevoren bekend welk cultureel product die ‘unieke’ status gaat bereiken. Een voorbeeld uit de kunstwereld maakt het duidelijk. Er worden per jaar honderden films gemaakt, waarvan er slechts een paar de bioscoop halen, nog minder enkele weken worden vertoond en slechts enkele worden kassuccessen. De rest verdwijnt in de vergetelheid. Waaruit ze ooit weer kunnen worden gehaald als ze onverhoopt toch weer iets ‘unieks’ krijgen.

Al die producten maar ook personen, plaatsen, evenementen zijn op zoek naar de status ‘uniek’ en vragen om juist dat ene iets wat volgens Reckwitz in de laat-moderne economie echt schaars is en dat is aandacht: “What caracterizes today’s singularity markets is the historically unprecedented dynamization and dispersion of attention, whose exact distribution is unpredictable on a case-by-case basis. In this case, the attention of the public has become a scarce resource. In general, if there is any sort of scarcety in late modernity, this is no langer a scarcety of goods but rather an scarcety of attention (and appreciation).[2] 

Een heel andere manier om naar de huidige samenleving te kijken. Een manier die een goede verklaring biedt voor de grote afvalstromen die we met z’n allen produceren. Wat niet ‘uniek’ wordt, wordt immers afval. En wat de status ‘uniek’ verliest, maakt ook grote kans om op die hoop terecht te komen. De productie van al dat naar de status ‘uniek’ strevende spul vraagt energie en kostbare grondstoffen die vervolgens op de vuilnisbelt belanden of, met een beetje geluk, gerecycled worden. Zou het helpen als we dit in ons achterhoofd houden als we weer worden verleid om die nieuwe iPhone 14 of 16 (waar zijn we inmiddels) aan te schaffen met die ‘unieke features’?


[1] Hans Achterhuis Het rijk van de schaarste, pagina 13

[2] Andreas Reckwitz, the society of singularities, pagina 113

De tang en het varken

“Wellicht ontgaat het de meeste mensen, maar er is een psychologische reden waarom racisme bestaat. Racisme is niet een gevolg van historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen die door de tijd heen at random gebeurden en die de politieke status quo, tegenovergestelde culturele waarden en scheve machtsverhoudingen tussen bevolkingsgroepen, in Nederland hebben veroorzaakt. Racisme ís er de oorzaak van. En dat niet alleen, racisme is een vorm van antisociale persoonlijkheidsproblematiek: narcisme.”  Zo begint een artikel van Fati Benkaddour bij Joop. Een bijzondere bewering.

Racism - Free of Charge Creative Commons Keyboard image
Bron: Picpedia

Laten we deze uitspraak eens bekijken. Racisme is in Nederland de oorzaak van historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging. Dus zonder racisme geen ‘geschiedenis’ in Nederland en ook geen kapitalisme, militarisme en economie. Zonder racisme zou het hier stilstaan. Zou dat alleen voor Nederland gelden? Zou er in andere delen van de wereld wel historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging mogelijk zijn zonder racisme? Nederland als een soort uitzondering op de regel?

Stilstaan op welk moment? Ik probeer me een voorstelling te maken van hoe Nederland er dan uit zou hebben gezien, maar een echt beeld kan ik me er niet bij voor de geest halen. Zouden we hier dan nog in de Middeleeuwen leven? Zou een deel van het land dan nog steeds door de Romeinen bezet zijn? Allebei zou erg lastig zijn als Nederland die uitzondering was. Het Romeinse Rijk zou dan immers nog alleen in Nederland bestaan en alleen Nederland zou dan nog last hebben van invallen van Noormannen. Alhoewel, dat zou niet kunnen, die Noormannen hebben immers wel een geschiedenis, militarisme, kapitalisme en economische ontwikkeling. Dit lijkt mij een heel onwaarschijnlijk scenario.

Een andere mogelijkheid is dat Nederland geen uitzondering op de regel is. Dat zou betekenen dat racisme de oorzaak is van ‘historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen.’ Dat zou betekenen dat racisme de motor is achter alle menselijke ontwikkeling. Dan waren de Romeinen racisten net als de Qing-dynastie, de oude Egyptenaren, de Maya’s en de Azteken. Maar wacht eens, als we nog wat verder teruggaan in de geschiedenis van de homo sapiens dan zijn onze verre voorvaderen uit oost-Afrika weggetrokken en hebben ze zich over de hele wereld verspreid vanwege racisme. Ook dat lijkt mij heel onwaarschijnlijk want als we teruggaan naar de eerste afsplitsing van de eerste groep homo sapiens, dan was het familie die zich afsplitste. Zou racisme werkelijk ten grondslag liggen aan die eerste afscheiding? Ik was er, net als Benkaddour niet bij, maar ik waag het ernstig te betwijfelen.  

Als Nederland geen uitzondering op de regel is en als de regel zelf vastloopt, dan rest er maar één andere mogelijkheid: Benkaddour verkoopt grote onzin. Haar bewering slaat als de welbekende tang op het varken.

Wat erger is, en daarmee kom ik bij de titel en het eigenlijke betoog van Bendakkour, is dat ze op basis van die bewering bijna iedere Nederlander en in het verlengde daarvan iedere bewoner van deze planeet, wegzet als racist. “Nederlands narcisme en racisme: tot welk van de drie types behoor jij? Zo luidt de titel van haar betoog. Een betoog waarin ze semi psychologisch begint te leuteren over drie soorten racisten: de ‘narcistische racist, die: “acht zichzelf superieur of extreem belangrijk en onaantastbaar.” Als tweede de ‘stress-afhankelijke racist’: “een individu die pas narcistische en racistische kenmerken vertoont wanneer zijn bestaanszekerheid onder druk komt te staan.” En als laatste de ‘informatiearme racist’: “die het niet heeft gewusst. Hij is geboren met een zilveren, met privileges gevulde, lepel in zijn mond en kent geen noodzaak zich druk te maken over de sociale, financiële en emotionele pijn van een minderheid.” En vervolgens concludeert ze: “Als je echt-niet-behoort tot de drie bovengenoemde categorieën, dan ben je waarschijnlijk een minderheid of actief anti-racist. In een systeem waar een specifieke groep mensen constant wordt gekwetst, gemarginaliseerd, gecriminaliseerd, geïsoleerd, het bestaansrecht ervan wordt bediscussieerd, bestaan geen onschuldige toeschouwers. Iedereen heeft in dit systeem een rol.”

Alle bewoners van deze planeet want tenzij Benkaddour kan aantonen dat de Nederlander een bijzonder soort homo sapiens is, ga ik er vanuit dat die drie soorten onder alle mensen voorkomen. Tenminste als je het semi psychologisch geleuter van Benkaddour voor waar aanneemt en net als haar overal ‘racisme’ ziet.

De korte toekomst van de Marshalleilanden

“Tegenwoordig wordt vrijwel algemeen aanvaard dat we auto’s moeten produceren om banen te behouden en niet om ervoor te zorgen dat mensen zich kunnen verplaatsen.” Aldus Hannah Arendt in de toespraak Wrange vruchten. Nu is dat ‘tegenwoordig’ van Arendt, 1975, alweer 45 jaar geleden. Ik moest aan deze passage denken toen ik de documentaire The final years of Majuro bekeek. Een documentaire over de recente geschiedenis, maar vooral over de nabije toekomst van de Marshalleilanden. Ik moest aan deze passage denken omdat Arendt in deze toespraak enkele nu ook nog zeer actuele zaken aan de orde stelt. Actuele zaken met betrekking tot economische theorieën en het handelen van onze politieke leiders. Handelen waarbij, en daar doelt Arendt op, het onduidelijk is wat doel en wat middel is.

File:Operation Crossroads Baker Edit.jpg
Atoomproef op Bikini. Bron: United States Departement of Defence (WikimediaCommons)

Arendt hield haar toespraak ter gelegenheid van het tweehonderdste verjaardag van de Republiek van de Verenigde Staten en, aldus Arendt: “ik ben bang dat we daarvoor geen minder geschikt moment hadden kunnen kiezen.” Wat dat moment zo ongeschikt maakte: “De Crises van de Verenigde Staten, van deze regeringsvorm en van haar grondwettelijke vrijheden, hebben we al tientallen jaren lang kunnen opmerken. Sinds Joe McCarty heeft ontketend wat tegenwoordig op ons de indruk van een mini-crisis maakt.” De McCarty periode werd snel vergeten: “maar het gevolg ervan was de vernietiging van een betrouwbaar en toegewijd ambtenarenapparaat.”  Daarna volgden de oorlog in Vietnam, de Pentagon-papers en het Watergate schandaal. Bovendien lag de Amerikaanse economie behoorlijk op haar gat. Daarom was het moment van de viering van de tweehonderdste verjaardag zo weinig geschikt. Nu kon Arendt niet weten dat de bodem nog niet was bereikt. De ayatollahs waren nog niet aan de macht in Iran. De VS waren Grenada nog niet binnengevallen. Het Iran-Contra schandaal was nog niet eens in de maak, laat staan de hetze tegen Saddam Hoessein en alle ellende die daaruit voortkwam. De Twin-Towers stonden nog fier overeind. En Trump, die was nog lang geen president. Hij moest zijn eerste stappen op de vastgoedmarkt nog zetten. Maar ik dwaal af: doel en middel.

De documentaire laat zien hoe de atollen van de Marshalleilanden in de Koude oorlog zijn gebruikt als frontlinie. Frontlinie omdat op één van atollen van de eilandengroep meer dan zestig atoombommen tot ontploffing werden gebracht. Het eiland Bikini. Ja, de naamgever van … . En nu staan de eilanden in de frontlinie tegen de klimaatverandering. Als de gemiddelde temperatuur op Aarde met meer dan anderhalve graad stijgt, dan verdrinken de eilanden. De documentaire laat zien wat de klimaatverandering nu al voor de eilanden en haar bewoners betekent en de strijd van de eilandbewoners tegen hun gedoemde lot.

Nu weer terug naar Arendts toespraak. “Inefficiëntie [is verheven tot] nationale doelstelling,” en laat dit volgen door: “en wat in dit speciale geval een boemerangeffect heeft gehad is de koortsachtige en helaas zeer succesvolle politiek van het ‘oplossen’ van zeer reële problemen met behulp van slimme trucs, die slechts succesvol genoeg zijn om de problemen tijdelijk te laten verdwijnen.” Door het corona-virus gaat het niet goed met de economie. Nu lijkt het mij vreemd dat het met een imaginair construct, een van die spinsels in het verzinnen waarvan onze hersenen uitblinken, slecht kan gaan. Ik zou zeggen dat het slecht met mensen gaat. Dat even terzijde. Alhoewel terzijde? Als je onze politici hoort, dan maken zij zich ‘zorgen om de economie’. Die raakt in een ‘crisis’ maar welke vorm een U, V of W-crisis, dat weten ze nog niet. Wat ze wel weten, is dat de economie ondersteund moet worden. Er moet beleid worden ontwikkeld dat ervoor zorgt de economie weer gaat ‘draaien’. Bedrijven zoals de KLM, Booking.com en veel andere moeten worden ondersteund. Want: de werkgelegenheid moet worden behouden. Of hetgeen die bedrijven produceren werkelijk nuttig is, doet niet ter zaken, als ze maar produceren. Want alleen als ze produceren, behouden we banen. Als we een crisis verder teruggaan dan komen we uit bij de kredietcrisis. Ook ten tijden van die crisis moest de economie worden gered. Toen in de persoon van de banken. Die waren zo belangrijk voor de economie dat ze ‘too big to fail’ waren.                

De economie als doel, dat is wat we uit de monden van onze politieke leiders horen. Arendt: “De functie van Madison Avenue (een straat waaraan van oudsher veel reclamebureaus gevestigd zijn) is helpen bij de distributie van de koopwaar, en het oog van de reclamemaker is steeds minder gericht op de behoeften van de consumenten en steeds meer op de behoefte van de koopwaar om in steeds grotere hoeveelheden te worden geconsumeerd.” Met andere woorden, op de markt draait het niet meer om de behoefte bevrediging van de consument, maar om die consument nieuwe producten aan te smeren waaraan, in de basis, geen behoefte is.

Gevolg hiervan? Arendt: “Als overvloed en meer dan overvloed de oorspronkelijke doelstellingen waren van de droom van Marx over een klasseloze maatschappij, waarin het natuurlijke overschot aan menselijke arbeid – dat wil zeggen het feit dat arbeid wordt verricht op basis van menselijke behoeften altijd tot een grotere productie leidt dan nodig is voor het individuele levensonderhoud van de arbeider en zijn gezin -, dan leven we nu in de verwerkelijking van de socialistische en communistische droom, afgezien van het feit dat die droom de wildste fantasieën  van zijn maker heeft overtroffen door de vooruitgang van de technologie, waarvan automatisering voorlopig het laatste stadium is, de prachtige droom is veranderd in iets wat op een nachtmerrie lijkt.” 

Een nachtmerrie die draait op de productie en consumptie van veelal nutteloze producten waarmee we niet kunnen stoppen omdat anders het hele bouwwerk (de economie) instort. Een nachtmerrie voor onszelf omdat we onze leefomgeving ermee verzieken. Een nachtmerrie die leidt tot grote ongelijkheid waarmee we onze samenleving verzieken op een manier die Karl Marx goed heeft beschreven in zijn  boek Het kapitaal. Een nachtmerrie vol wrange vruchten voor binnenkort landloze inwoners van de Marshalleilanden. Een nachtmerrie waarbij het middel doel is geworden en het doel verloren is gegaan.

Over vrijheid en vrije markten

“Dat daarbij de economie en de vrije samenleving gebukt gaan onder een knoet die bepaalt wat goede en wat foute ondernemers zijn,” en dat: “nemen de cabaretiers, de schrijvers en de rest van de ondertekenaars op de koop toe.” De laatste zinnen van een column van Roderick Veelo bij RTL Z. Een ‘staatsknoet’ die bepaalt wat de goede en foute ondernemers zijn. Dat klinkt ‘communistisch’. Een politbureau dat bepaalt wat goed en fout is. Dat moeten we niet willen. Toch?

Veelo reageert op de oproep van een grote groep mensen in de Volkskrant Een oproep om alleen bedrijven te steunen als ze aan drie eisen voldoen. Ze moeten: “de afgelopen tien jaar (sinds de vorige crisis) in binnen- en buitenland hun aandeel hebben bijgedragen als het gaat om het betalen van belastingen.” Als tweede moeten de bedrijven blijk geven van: “sociale rechtvaardigheid, richten zich op langetermijnduurzame economische groei en begrijpen dat ze daarvoor de belangen van alle stakeholders moeten dienen.” Als laatste: “De producten en diensten van het bedrijf dragen in toenemende mate bij aan een veilige en duurzame toekomst.” Heel sympathieke eisen alleen, zo betoogt Veelo, moeten we dat niet willen. Dat beperkt onze economie en vrije samenleving. Die, en dus de vrije markt, moet bepalen wat goed en fout is. 

Bij uitspraken zoals die van Veelo moet ik altijd denken aan het boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme van de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang. Een boek waarin Chang de economische wetenschap voor een leek begrijpbaar beschrijft. Want economie is, zo schrijft Chang: “…voor 95 procent gezond verstand dat ingewikkeld gemaakt is, en zelfs voor de resterende 5 procent geldt dat de essentie van de redenering , zo niet alle technische details, in eenvoudige termen kan worden uitgelegd.” En vervolgens voegt Chang de daad bij het woord en legt aan de hand van 23 populaire opvattingen uit hoe het zit. Zo ook de vrije markt.

Dat is het eerste ‘ding’ dat Chang behandelt in een hoofdstuk met als titel De vrije markt bestaat niet. En met die titel wordt al een heel ander licht geworpen op de brief van de groep en Veelo’s reactie. Chang: “De vrije markt bestaat niet. Elke markt kent wel regels en grenzen die de keuzevrijheid beperken. Een markt lijkt alleen maar vrij doordat we de beperkingen die eraan ten grondslag liggen zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Zo is slavernij verboden. Dat vinden we nu niet meer dan logisch. Eeuwenlang lag dat echter anders en was slavernij een onderdeel van het leven. Hetzelfde geldt voor kinderarbeid. Ook dat was heel gewoon totdat de overheid er paal en perk aan stelde. De wetgeving rond arbeidstijden en arbeidsomstandigheden, ook die beperkt de ‘economie en de vrije samenleving’. Net zoals wetgeving rond ruimtelijke ordening en milieu. Net zoals de wetgeving ter bescherming van de consument en het contractrecht.

Allemaal beperkingen van de ‘economie en vrije samenleving’ die we, om met Chang te spreken: “zo onvoorwaardelijk accepteren dat we ze niet meer zien.” Als dat op deze punten kan, waarom dan niet ook op andere punten, zoals de drie ‘eisen’ van de ‘Volkskrant-groep’? 

De ‘vrije samenleving’ beperken, gebeurt niet alleen op het economische vlak. Op vele terreinen wordt onze vrijheid beperkt. Zo beperken de verkeersregels onze vrijheid. Iets wat recentelijk door de VVD groot werd uitgevent toen de maximum snelheid werd verlaagd van 130 naar 100. Nee onze ‘vrije samenleving’ kent veel wettelijke beperkingen om haar leefbaar te houden. Die beperkingen zijn nodig om te voorkomen dat mijn vrijheid jou ellende wordt of andersom. Of zoals John Stuart Mill het in zijn boek Over vrijheid formuleerde: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.” Zonder die ‘knoet’ die bepaalt wat goed en fout is’, zou het leven ‘eenzaam, arm, onaangenaam, bruut en kort’ zijn om Thomas Hobbes aan te halen.

Economisch belang(eloos)

Het positieve aan het ‘binnenblijven’ is dat er leuke initiatieven ontstaan. Zo is er een ‘rondleider’ van het Rijksmuseum, die het museum in deze corona-tijd naar je toe brengt. Hij richt zich hierbij vooral op kinderen van de basisschool en dan vooral de basisschool die zijn dochter bezoekt. Een van mijn favorieten is zijn uitleg over Zeven werken van barmhartigheid. Misschien komt dat wel omdat het een goede spiegel is voor bedrijven als boeking.com. En met het redden van bedrijven en kunst kom ik bij een brief van Kunstenaarsvereniging Arti et Amici bij Joop.

“Het is een plicht ervoor zorg te dragen dat niet alleen de grote culturele instellingen deze crisis overleven maar juist ook de individuele kunstenaar die onze planeet met zijn creativiteit, ons aller menselijk kapitaal, leefbaar maakt.” De afsluitende woorden in de brief. De vereniging pleit voor meer steun voor de kunstsector in het algemeen en de kunstenaars in het bijzonder. Want, zo stellen zij: “Ook kunstenaars zijn onmisbaar voor economisch herstel.” Toch wringt er iets bij mij.

De kunstenaars zijn niet de enigen die pleiten voor een ‘aparte’ regeling om door de crisis te komen. Vele andere sectoren gingen hen al voor en vonden een gewillig oor bij de regering. Zoals ik in een eerdere Prikker al betoogde, zou ik liever zien dat de overheid zich richt op het redden van mensen in plaats van bedrijven. Immers om de kunst te redden, moet je de kunstenaar in leven houden. Dat redden kan heel goed via een basisinkomen. Maar daar gaat hij mij in deze Prikker niet om. 

Het gaat mij om de link die alle sectoren leggen naar de ‘economie’, en het ‘economisch herstel’. Kunstenaars moeten, net als de KLM, de kalvermesters, de bloementelers, de cafébazen enzovoorts worden gered omdat ze ‘onmisbaar zijn’ voor de economie en het economisch herstel. Kunst wordt vertaald in ‘banen’ en ‘toeristen’ en die worden vervolgens uitgedrukt in percentages van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Hoe hoger het percentage, hoe belangrijker het is. De ‘economie’ is zo de maat der dingen.    

Hiermee zeggen we eigenlijk dat we ‘werken om te leven’. Nu is werk, en dan vooral betaald werk, de afgelopen decennia heilig verklaard. Werk is, of beter gezegd wordt gezien, als de hoogste vorm van maatschappelijke participatie en de beste manier om in te burgeren. Zonder werk neem je niet deel aan de samenleving. Werk zorgt voor structuur in het leven van mensen. En zo kan ik doorgaan met het benoemen van eigenschappen die we verbinden aan het hebben van werk. We stemmen het onderwijs erop af, bereiden kinderen voor op hun plek op de arbeidsmarkt, dus op werk. Volwassenen moeten een leven lang leren om hun ‘employability’ te vergroten.

Door al deze zaken exclusief te verbinden aan betaald werk, lijkt werk onmisbaar te worden voor het goede leven van een mens. Inderdaad werk zorgt voor structuur, kan sociale contacten opleveren, kan je eigenwaarde een boost geven, kan bijdragen aan het veroveren van je plek in de samenleving. Dat kan allemaal. Participeren, inburgeren, deelnemen aan de samenleving, structuur hebben in je leven, het kan allemaal óók zonder werk.

Wat als we het omdraaien? Wat als we gaan werken om te leven? Als we die vraag vertalen naar de crisis van nu en het ‘redden’ van bedrijven: wat dragen die sectoren bij aan het leven? Zou het kunnen dat we dan heel andere keuzes zouden maken? Wat dragen de KLM, booking.com en kunst bij aan het leven? Zouden we dan nog steeds zoveel geld uittrekken om ‘onze blauwe trots’ in de lucht te houden? Wellicht blijkt dan dat wat economisch belangeloos is wel eens van het grootste belang te zijn. Misschien sluiten die keuzes wel aan bij die zeven werken van barmhartigheid?

PS. Fedor bedankt voor je ‘thuismuseum’. Het brengt mij een lach en die vind ik van groot belang!

Pijlstaart tv: het thuismuseum

Resetknop

In mijn laatste Prikkers heb ik het vaak over het ‘na-coronese tijdperk’. Wat zou er anders moeten en hoe? Ik ben hierin niet de enige. In de Volkskrant besteedt Paul Onkenhout aandacht aan de voetbalwereld. Voor lezers die niets met voetbal hebben, in deze Prikker gebruik ik het voetbal, en dan vooral het professionele voetbal als metafoor voor de samenleving. Dit omdat de sport in het algemeen, en het professionele voetbal in het bijzonder, sterk leunt op het ‘winners takes it all’ denken. Denken dat ook de rest van de samenleving in haar greep heeft. Onkenhout stelt in zijn column een interessante vraag: “Wanneer precies transformeerde het voetbal van een volkssport in een commercieel circus en naar welke periode zouden we terug moeten keren?” 

Een heel interessante vraag, behalve dan het stukje, terug gaan naar … . Teruggaan naar het verleden is geen goed idee. Het verleden moeten we bestuderen om te bekijken waarom men toen koos waarvoor men koos. In deze Prikker ga ik op zoek naar een antwoord op het eerste deel van die vraag. Met dat antwoord kijk ik vervolgens naar de bredere samenleving.

Onkenhouts antwoord: “Ik ben er zelf wel zo’n beetje uit. Het voetbal is verziekt, aan de top. Ik weet ook precies wanneer het dieptepunt is bereikt. Dat was op 2 december 2010, de dag dat de FIFA het wereldkampioenschap in 2022 toewees aan een klein land in de woestijn, Qatar, zonder voetbaltraditie en zonder stadions; een land met een gemiddelde zomertemperatuur van een graad of 45 en een omvangrijk arsenaal rechteloze dwangarbeiders.” Ik kan Onkenhouts redenering volgen. Alleen zou ik dat niet willen zien als het begin van die transformatie, maar als het voorlopige dieptepunt. 

Laten we eens wat verder teruggaan in de tijd en dat doen aan de hand van de huidige ‘heilige graal’ de Champions League, het ‘bal der kampioenen’. En daar begint het al te wringen. Hoezo kampioenen als er bijvoorbeeld vier Engelse, Duitse, Italiaanse en Spaanse clubs deelnemen? En zo komen we in 1997, het jaar dat er voor het eerst niet-kampioenen mochten deelnemen. Uiteindelijk komen we bij de start van de Champions League in 1992. Het jaar dat het commerciële belangrijker werd dan het sportieve. Na twee ouderwetse knock-out ronden werden er poules gevormd. Hierdoor nam het aantal wedstrijden toe en dus de tv- en reclame-inkomsten. 

Ietsjes eerder, in 1990, werd er voor het eerst meer dan € 10 miljoen voor een speler betaald. Voor dat bedrag ging Roberto Baggio, de speler waar de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco lyrisch over schrijft, van Fiorentina naar Juventus. Maar waarin verschilt het, behalve dat, van € 8 miljoen waarvoor Gullit in 1987 PSV verruilde voor AC Milan. AC Milan dat was toen in handen van mediamagnaat, multimiljardair en later premier Silvio Berlusconi. Een voetbalclub als ‘speeltje’ van een miljonair. Als je het mij vraagt ligt het antwoord op het eerste deel van Onkenhouts vraag ergens in de jaren tachtig. Vanaf dat moment deed de echte commercie haar intrede in de voetbalwereld en stegen de salarissen en transfersommen aan de top exponentieel en fors sneller dan het bruto binnenlands product (bbp). Het bbp van Europa groeide tussen 1980 en nu met bijna 2% per jaar. Als we de transfersom van Baggio in 1990 tot en met 2020 indexeren met 2%, dan levert dat een bedrag van net geen € 20 miljoen op. Voor dat bedrag koop je tegenwoordig een modale rechtsback. Het hoogste transferbedrag op dit moment is 11 keer zo hoog. Paris Saint Germain, eigendom van een sheik uit Qatar, betaalde € 222 miljoen om de Braziliaan Neymar over te nemen van Barcelona. De groei van de transfersommen vertoont meer gelijkenis met de vermogensstijging van de rijkste 0,1%.

En daarmee is de link tussen voetbal en de samenleving gelegd. De ontwikkelingen in het voetbal zijn een spiegel van de samenleving. Een ontwikkeling die eind jaren zeventig begon met de verkiezing van Margaret Thatcher tot premier van de Britten en begin jaren tachtig met de verkiezing van Ronald Reagan tot president van Amerika. Voor beiden was de overheid een onderdeel van het probleem en wel het onderdeel dat de oplossing in de weg stond. Die overheid moest indammen ten faveure van bedrijven die elkaar beconcurreren op een vrije markt. Daarop werden staatsbedrijven geprivatiseerd en vooral belastingen verlaagd. En dan vooral voor de hoogste inkomens. Bij het aantreden van Reagan in 1981 bedroeg het laagste tarief in de VS 13,825%, het hoogste 69,125%. Hoog, maar lager dan op de piek in 1952 toen het toptarief 92% bedroeg. Bij zijn afscheid in 1988 was het laagste tarief gestegen naar 15%, en het hoogste gedaald naar 28%. Een geweldig voordeel voor de rijkste Amerikanen waarvan de rekening bij de armen en middeninkomens werd gelegd. De rest van de wereld volgde dit Amerikaanse voorbeeld en verlaagde de hoogste belastingtarieven. Zo is dit in Nederland van 72% gegaan naar 48,5% nu. Niet zo extreem als in de VS, maar toch. 

Dit werd onderbouwd met de bijzondere economische theorie van de ‘trickle down economics’. Die theorie gaat ervan uit dat de armen alleen maar rijker kunnen worden door de rijken nog rijker te maken. De rijken scheppen banen via hun investeringen en zorgen er zo voor dat de totaal te verdelen koek groter wordt. Natuurlijk krijgen zij hier zelf een flink deel van maar via die extra banen krijgen ook de armen een deel van de grotere koek. Het geldt sijpelt van boven (rijk) naar beneden (arm). Alleen hebben de afgelopen jaren geleerd dat de zwaartekracht niet van toepassing is op geld. Het ‘sijpelt’ als er niets aan wordt gedaan niet naar beneden, maar naar boven. De rijken worden steeds rijker, de armen niet noemenswaardig rijker en vaak zelfs armer. Door deze maatregelen krijgen rijken meer geld beschikbaar en enkelen van hen kochten voetbalclubs. Die clubs moesten natuurlijk wel ‘winnen’ en dus werden spelers gekocht en die spelers kregen steeds meer betaald. Zo is ook in de Volkskrant te lezen dat het in corona-tijden ook voor topsporters sappelen is. Zo mist Frenkie de Jong nu al gauw € 2 tot 3 miljoen van zijn salaris van € 10 miljoen. Van dat gemis kan de hele club Eerstedivisieclub Telstar een heel jaar draaien. Dit om het even in perspectief te zetten voordat je medelijden met De Jong krijgt.

Toen in 1989 de Berlijnse muur viel en twee jaar later de Sovjet Unie instortte, leek het alsof Reagan en Thatcher het bij het rechte eind hadden. De Westerse vrije markt had definitief ‘gewonnen’ van de communisten en socialisten. Er leek geen alternatief meer voor de vrije markt. Of het toeval is weet ik niet, maar in 1992 startte de Champions League en verstevigde de commercie de greep op het voetbal. Een greep die zich in de jaren erna verstevigde en die uiteindelijk in december 2010 leidde tot de keuze voor Rusland als organisator voor het wereldkampioenschap in 2018 en Qatar in 2022. 2010 dat was ten tijden van de economische crisis als gevolg van de slechte leningen. Een crisis waarbij de Westerse banken en kredietinstellingen met flinke staatssteun overeind werden gehouden zonder dat er iets veranderde aan de manier van werken en belonen bij die banken. Om het cru te zeggen, aapten de Westerse banken en kredietinstellingen de Russische oligarchen en de sjeiks uit het Midden-Oosten na. Die eersten hadden sinds 1995 laten zien hoe je je verrijkt ten kosten van de gewone man en de staat. De laatsten, de sjeiks, pasten dat trucje al veel langer toe door zich de olieopbrengsten toe te eigenen.

In zijn column citeert Onkenhout Louis van Gaal: “ Maar: uiteindelijk is de marktwerking in de voetbalwereld niet afhankelijk van corona. De rijken blijven de rijken. En de armen blijven arm, ook straks.” Waarop Onkenhout even later verzuchtend eindigt met: “Er is geen resetknop. De marktwerking, weet je wel.” Als het allemaal begon met het geloof in ‘trickle down economics’ en verlaging van de inkomstenbelasting, zou dat dan geen resetknop kunnen zijn? Als we op Europees niveau kunnen komen tot een zelfde systeem van sterk progressieve inkomstenbelastingen, een systeem met een tarief van bijvoorbeeld 85% voor inkomen boven de € 150.000, zouden er dan nog steeds van die exorbitante bedragen aan transfers en salaris worden betaald? Dan zou Frenkie, een geweldige voetballer trouwens, netto net iets meer dan anderhalf miljoen overhouden. Een bedrag waar je iemand meer dan honderd jaar bijstand van kunt betalen. De Spaanse overheid kreeg dan fors meer belastinggeld binnen om de gevolgen van corona aan te pakken. Maar vooral ook om de onderwijzers, het verplegend personeel en de politieagenten fatsoenlijk te belonen voor hun werk.

Imaginair construct gezocht

“Nu al drukt deze pandemie haar stempel op onze economie: de beurzen staan zwaar in de min, winkels en horecagelegenheden moeten noodgedwongen hun deuren sluiten en zelfstandigen komen zonder opdrachten te zitten. Het is duidelijk dat de economische gevolgen langdurig zullen zijn.” Dat is de inleiding van Jesse Frederik voor een serie artikelen te vinden bij De Correspondent waar: “de belangrijkste inzichten over deze economische gevolgen van het coronavirus” worden beschreven. Een verzameling met als titel: Wat deze pandemie de economie kost. Laten we, in het kader van het nadenken over de ‘na-coronese periode’, deze laatste zin eens wat uitdiepen.

De pandemie ‘kost’ de economie iets. Maar wat is ‘de economie’? ‘Economie’ heeft, aldus Van Dale, drie betekenissen. Als eerste “zuinigheid”. Als tweede: “de wetenschap die het menselijk streven naar welvaart tot voorwerp heeft.” En als laatste: “het geheel van de financiële voorzieningen, de handel en industrie van een land.” Frederik heeft de derde betekenis voor ogen. Een betekenis die we te danken hebben aan de oude Grieken. Het is een samentrekking van de woorden ‘oikos’ en ‘nomos’ samen te vertalen als huishoudkunde. Voor de oude Grieken was dit het besturen van hun huishouden. Dat huishouden is niet te vergelijken met een huidig gezinshuishouden. Het bestond uit een pater familias met zijn vrouw, broers, ongehuwde zussen en al hun kinderen en kleinkinderen. Dit nog aangevuld met slaven voor in huis en op het land. ‘Huishouden’ is een metafoor voor een ‘staat of land’, een:  “beeldspraak die berust op een vergelijking”, zoals de Van Dale het omschrijft om het vervolgens met een voorbeeld te verduidelijken: “het schip van de woestijn is een metafoor voor kameel”.

Het gebruik van imaginaire beelden en die zien als een werkelijkheid, is een van de unieke eigenschappen van de mens. Die eigenschap maakt de mens, zo betoogt de Israëlische historicus Yuval Noah Harari, uiterst succesvol. Het grootste deel van ons leven speelt zich af in imaginaire constructies die ons binden, of scheiden. Neem eigenaarschap van een stukje grond. Ergens op een stukje papier staat dat iemand een stuk grond bezit. Dat heeft voor ons waarde. Dat zorgt ervoor dat anderen er niet over lopen. Een konijn laat zich er echter niet door hinderen. De Fransman Jean Jacques Rousseau heeft dit in 1754 treffend beschreven: “De ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij: dat was hij die als eerste een stuk grond omheinde, zich verstoutte te zeggen ‘Dit is van mij’, en onnozelaars trof die hem geloofden.” Landen, gemeenten, provincies maar ook bedrijven, verenigingen, geld en religies zijn net zo’n imaginaire constructen. Ze bestaan omdat wij vinden dat ze bestaan.

En nu we het toch over beeldspraak en metaforen hebben en daarmee terug naar het onderwerp, ook Frederik maakt gebruik van een metafoor. Hij lijkt de economie te zien als een ‘persoon’. Een persoon die kosten maakt, die schade oploopt, die kan afvallen (krimpen) maar ook kan aankomen (groeien). Een persoon die kosten kan maken en ook baten kan hebben. Alleen kun je de persoon ‘economie’, in tegenstelling tot een echte persoon niet beetpakken. Je kunt er ook geen ‘anderhalve meter afstand’ van houden. Om die imaginaire persoon ‘economie’ maken zeer veel mensen zich flinke zorgen. Met die persoon gaat het nu slecht. Zij lijdt aan corona en daardoor maakt zij kosten. Kun je haar ‘pijn’ al voelen?

Maar wat als we die imaginaire constructie ‘economie’ laten voor wat ze is? Wat zien we dan? Dan zien we dat de corona-pandemie mensen iets kost. De pandemie kost mensenlevens, ze kost mensen hun gezondheid, ze kost sommigen hun levenswerk en anderen verliezen hun baan. Als we vervolgens kijken wat een mens echt nodig heeft en wat ‘luxe’ is, is er dan, behalve het leed van de zieken en het verdriet van de nabestaanden van overledenen, een probleem? Er is voldoende te eten en te drinken voor iedereen. Er zijn voldoende ‘daken’ om iedereen onderdak te bieden. Even goed verdelen en links en rechts wat herverdelen en we kunnen verder. Ja, wellicht verliezen we een beetje luxe omdat we niet op vakantie kunnen. Maar is dat werkelijk een probleem? Onze voorvaderen hebben eeuwen overleefd zonder ‘vakantie’. Het enige wat er nog ontbreekt is een nieuw bindend  ‘imaginair construct’.

Vrijheid door regels

“Als we kijken naar de samenstelling van de Nederlandse wet- en regelgeving dan kan men ook niet anders dan concluderen dat minimaal de helft kan worden geschrapt. Een sanering van de Rijksoverheid en haar ambtenarij met ten minste 50% zou een zegen voor het land zijn.” Zo die zit! Moet Teunis Dokter hebben gedacht toen hij deze regels schreef in zijn korte artikeltje bij De Dagelijkse Standaard. Nu is Dokter niet de eerste die roept dat ‘de helft’ van de regels en overheid overbodig zijn. Ronald Reagan riep het ook al. En dan vaak ook gevolgd door woorden gelijk aan die van Dokter dat: “de economie gestimuleerd (wordt) en (…) mensen de vrijheid  zullen krijgen die ze ook verdienen.” Een paar vragen en opmerkingen bij dergelijke oproepen.

Bron: Wikipedia

Als eerste de vraag, welke regels behoren tot die overbodige? Omdat de roep van Dokter al zo oud is en deregulering al jaren overheidsbeleid is, zou ondertussen toch al wel duidelijk moeten zijn welke regels overbodig zijn. Dat die duidelijkheid er naar al die jaren nog niet is, zou dat kunnen betekenen dat er toch veel minder overbodige regels zijn dan Dokter suggereert? Dokter zal best veel regels kunnen aanwijzen die hij overbodig vindt. Zijn betoog lezend, denkt hij vooral aan milieuwetten. Alleen vinden anderen die regels juist belangrijk en dringen ze aan op naleving. Dat is precies wat Urgenda heeft gedaan. Dat is ook wat die, zoals Dokter ze noemt, “schimmige juristenkartels” hebben gedaan met de ‘stikstofregels’. Ze hebben aangedrongen op naleving van wetgeving.

Waarom investeren bedrijven graag in het volgens Dokter, ‘over gereguleerde’ Nederland en Duitsland maar niet in Congo, Liberia of Eritrea? In zijn boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme schrijft de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang hierover: “regulering die de vrijheid van individuele bedrijven beperkt, het collectieve belang van het hele bedrijfsleven kan dienen, om nog maar te zwijgen van de natie als geheel. … Veel regulering helpt gemeenschappelijke hulpbronnen beschermen die alle bedrijven delen, terwijl andere het bedrijfsleven helpen door bedrijven te dwingen dingen te doen die op den duur hun productiviteit verhogen.”

‘En China dan?’ Kun je tegen werpen. Chang: “De Chinese economie werd de afgelopen drie decennia van snelle groei op soortgelijke wijze zwaar gereguleerd. Daarentegen hadden veel ontwikkelingslanden in Latijns-Amerika en Afrika bezuiden de Sahara in deze drie decennia hun economieën gedereguleerd in de hoop dat dit de zakelijke activiteiten zou stimuleren en hun groei zou versnellen. Maar op raadselachtige wijze groeiden zij trager dan in de voorafgaande twee decennia, toen werd aangenomen dat ze belemmerd werden door excessieve regulering.” De ‘soortgelijke wijze’ waar Chang het over heeft, verwijst naar Zuid-Korea, Taiwan en Japan die China voorgingen.

Dan de vrijheid van de individuele mens. Zou het voor een individu niet precies hetzelfde zijn als voor een bedrijf? Zijn de regels die de vrijheid van het individu beperken niet juist bedoeld om het collectieve belang van de hele samenleving te dienen? Verplicht rechts rijden beperkt het individu maar dient het belang van de samenleving en daarmee ook het belang van het individu. Immers als iedereen voor zich zelf bepaalde op welke manier wordt gereden dan stond het verkeer voornamelijk stil. 

Als laatste een vraag? Waarom willen zovelen van elders naar hier komen? Zo graag dat ze het risico op dood door verdrinking en slavernij in Libië voor lief nemen?  Waarom komen ze liever naar hier dan dat ze hun geluk beproeven in Saoedie Arabië of Koeweit? Landen met een hoger bruto nationaal product dan Nederland. Als het om de welvaart zou gaan, dan zouden de deuren van die Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten worden platgelopen door migranten. Of zou dat een gevolg zijn van die ‘ veel te veel’ regels die onze vrijheid ‘belemmeren’?

Natuurlijk moeten wetten en regels iets toevoegen, moeten ze zo eenduidig mogelijk te handhaven zijn. Daar zal iedereen het mee eens zijn. Zou het echter niet kunnen dat regulering hand in hand gaat met vrijheid en (economische) ontwikkeling?

Uitzondering en regel

“Millennials zijn ‘screwed’: kom in actie!” De titel boven een artikel van Fabian Dekker bij Joop. Dekker over dat ‘screwed’ zijn: “jonge mensen zijn financieel de klos, doen het slechter op de woningmarkt, werken steeds vaker in onzekere banen en zien hun inkomsten dalen. Mede onder invloed van invoering van het sociaal leenstelsel bedraagt de studieschuld in Nederland inmiddels ruim 11 miljard euro. Het eigenwoningbezit daalt door stijgende prijzen en aangescherpte leennormen met name onder 35-minners. En –naast studenten met een flexibele bijbaan – stijgt het aandeel flexibele werknemers met name in de leeftijdsgroep tussen 25 en 45 jaar van circa 10% naar 19% in de periode 2003-2018.” En de gevolgen hiervan? “Voor het eerst na de Tweede Wereldoorlog is er een generatie dertigers die minder verdient dan hun ouders, zo becijferden onderzoekers van de Universiteit Tilburg en het ministerie van SZW vorig jaar!” 

Bron: Wikimedia Commons

Inderdaad allemaal zaken die niet in het voordeel zijn van de ‘millennial’, mensen geboren tussen grofweg 1985 en 2000. Al denk ik dat het eigenwoningbezit van 35 minners voor andere generaties ook erg laag was. De gehele jaren tachtig lag de hypotheekrente boven de 8% met uitschieters tot 13% en moest je zelf ook een zak geld meenemen om een huis te kunnen kopen. Zelf kocht ik midden jaren negentig als begin dertiger een huis. De tijd waar hypotheekverstrekkers je een ‘beleggingshypotheek-oor’ aan probeerden te naaien en de huizenprijzen, net als nu fors stegen. Maar daar gaat het mij niet om. Ook niet over al die andere zaken die het leven van de millennial bemoeilijken, waartegen protest welkom is en alternatieven mogelijk zijn. Het gaat mij om ‘minder verdienen’ dan hun ouders. 

Niet dat ik de conclusie van de onderzoekers van de Universiteit Tilburg bestrijd. Nee, ik ga ervan uit dat hun onderzoek en ook hun conclusies correct zijn. Het gaat mij om iets anders. De ‘millennials’ zijn een keerpunt. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog een generatie die er ten opzichte van hun ouders niet op vooruit gaat en misschien zelfs wel een klein beetje op achteruit. Voor de millennial is dat natuurlijk vervelend en waarschijnlijk ook voor hun ouders. Die willen immers dat het hun kroost goed gaat en goed dat is meestal beter dan dat ze het zelf hadden op die leeftijd. Dan is het erg vervelend als dat niet het geval is.

De manier waarop Dekker het stelt, en dat is waarschijnlijk ingegeven door het Tilburgse onderzoek, is dat de millennials daarmee een uitzondering worden op de regel. De regel dat we het steeds beter krijgen, dat kinderen hun ouders ‘voorbij streven. Ik denk echter dat het eerder andersom is, dat hun ouders en eigenlijk iedere generatie sinds de Tweede Wereldoorlog tot de millennials de uitzondering op de regel waren. 

Als we geschiedenis bestuderen dan zien we dat kinderen in de regel hetzelfde lot trof als hun ouders. De zoon van een keuterboer werd keuterboer en zijn zus trouwde met een keuterboer. Soms hadden ze, net als hun ouders en hun latere kinderen een goed jaar en soms een slecht. Ze hadden het in het algemeen niet slechter en ook niet beter dan hun ouders. Zo gold het ook voor de zoon en dochter van de bakker, slager en landloper en edelman. Al kon die laatste door goede ‘huwelijkspolitiek’ van zijn ouders er wel op vooruitgaan. Achteruit trouwens ook als de rijkdom van de wederpartij toch voornamelijk schulden bleken te zijn.

Als we kijken naar de economische groei door de eeuwen heen dan was die in Europa tot ongeveer 1700 gelijk aan 0. En zoals we weten is groei nodig om het beter te krijgen dan je ouders. Natuurlijk waren er plekken waar rijkdom zich ophoopte, dat betekende echter niet dat mensen het beter kregen want daarvoor is groei alleen niet voldoende. Daarvoor moet die groei ook worden verdeeld over iedereen.  Als alle groei terecht komt bij de Amsterdamse handelaren dan heeft de Keuterboer in Drenthe daar niets aan. Net zoals de hamburgerflipper bij MacDonalds niets merkt van toenemende rijkdom van bijvoorbeeld Bill Gates.

Tussen 1700 en nu groeide de economie gemiddeld met 1%.  Dat betekent dat de Europese economie nu ongeveer 16 maal zo groot is als in 1700. Nu wijkt Nederland iets af van het Europese gemiddelde. Die afwijking betreft vooral de periode voor de twee wereldoorlogen. Nederland (de Republiek) was in 1700 aanzienlijk rijker dan de rest van Europa. Als we ons realiseren dat de bevolking van Europa in die periode ongeveer is vertienvoudigd dan is een groot deel van die groei opgegaan aan de extra monden die gevoed moesten worden.

Duiken we wat dieper in de cijfers dan blijkt dat de Europese economie tot 1820 groeide met 0,1%. Dit betekent dat de economie in 1820 bijna 13% groter was dan in 1700. Die groei was niet eens voldoende om die extra monden te voeden. Hieruit kun je gevoeglijk concluderen dat kinderen het in die periode zeker niet beter, eerder slechter hadden dan hun ouders. Tussen 1820 en 1950 groeide de Europese economie met 0,9%. Dat betekent dat de economie in 1950 ongeveer 3,6 keer zo groot was als in 1700. Als we ons realiseren dat de bevolking tussen de iets kortere periode (1750 en 1950) 3,35 keer zo groot werd, dan zou je, als de groei eerlijk over iedereen werd verdeeld, kunnen concluderen dat een jongere uit 1950 het even goed had als zijn leeftijdsgenoot uit 1700. 

Bron: Wikimedia Commons

Alleen de periode vanaf de Tweede Wereldoorlog tot nu kende groeicijfers die langdurig boven de 1% uitkwamen, namelijk gemiddeld 1,9% en van 1950 tot 1970 zo’n 3,8%. De economie van 2012 was 4,28 keer zo groot als die in 1950. De bevolking groeide gedurende die jaren met 1,35%. En, laat die periode, in ieder geval de eerste dertig jaar nu ook de periode zijn dat die toegenomen welvaart eerlijker werd verdeeld. Er werd een sociaal stelsel opgetuigd dat vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw weer langzaam wordt afgebroken. Dat maakt dat kinderen het beter kregen dan hun ouders. Ouders die hun kinderen langer, meer en hoger lieten studeren waardoor hun uitgangspositie steeds beter werd. Een hogere opleiding die de groei nog wat aanwakkerde.

Alleen kan dat niet oneindig doorgaan. Kinderen van universitair geschoolde ouders kunnen niet nog hoger worden opgeleid waardoor er nog betere banen in het verschiet liggen. Sterker nog, die hogere opleiding is al geruime tijd geen garantie op beter werk. Hoger opgeleiden die ‘onder hun niveau’ werken zijn eerder regel dan uitzondering. Alleen was dat werk voor hun ouders nog altijd een vooruitgang ten opzichte van hun grootouders. Dat is nu in toenemende mate niet meer het geval.

Als we het vanuit dit perspectief bekijken dan is de situatie van de huidige millennials de regel en waren hun ouders en grootouders de uitzonderingen op de regel. De regel dat kinderen het over het algemeen niet beter en ook niet slechter hebben dan hun ouders. 

Maar, beste millennia, laat dit je niet weerhouden om in actie te komen. Want een deel van je slechtere positie is het gevolg van de afbraak van het stelsel van sociale voorzieningen. Dat deel is een keuze en er kan ook wat anders worden gekozen. Een sociaal leenstelsel dat tot schulden leidt is zo’n keuze die anders kan. Het invoeren van een basisinkomen voor iedereen is een keuze die we kunnen maken om ‘flexbanen’ minder onzeker te maken. De Woningmarkt kan er anders uitzien, als we andere keuzes maken. En beste millennial als jullie hiervoor willen strijden dan kunnen jullie op de sympathie en steun van de Ballonnendoorprikker rekenen.

De cijfers over de economische groei komen uit Capital in the Twenty-First Century van Thomas Piketty (pagina 94).