Uitgelicht

Vrijheid door regels

“Als we kijken naar de samenstelling van de Nederlandse wet- en regelgeving dan kan men ook niet anders dan concluderen dat minimaal de helft kan worden geschrapt. Een sanering van de Rijksoverheid en haar ambtenarij met ten minste 50% zou een zegen voor het land zijn.” Zo die zit! Moet Teunis Dokter hebben gedacht toen hij deze regels schreef in zijn korte artikeltje bij De Dagelijkse Standaard. Nu is Dokter niet de eerste die roept dat ‘de helft’ van de regels en overheid overbodig zijn. Ronald Reagan riep het ook al. En dan vaak ook gevolgd door woorden gelijk aan die van Dokter dat: “de economie gestimuleerd (wordt) en (…) mensen de vrijheid  zullen krijgen die ze ook verdienen.” Een paar vragen en opmerkingen bij dergelijke oproepen.

Bron: Wikipedia

Als eerste de vraag, welke regels behoren tot die overbodige? Omdat de roep van Dokter al zo oud is en deregulering al jaren overheidsbeleid is, zou ondertussen toch al wel duidelijk moeten zijn welke regels overbodig zijn. Dat die duidelijkheid er naar al die jaren nog niet is, zou dat kunnen betekenen dat er toch veel minder overbodige regels zijn dan Dokter suggereert? Dokter zal best veel regels kunnen aanwijzen die hij overbodig vindt. Zijn betoog lezend, denkt hij vooral aan milieuwetten. Alleen vinden anderen die regels juist belangrijk en dringen ze aan op naleving. Dat is precies wat Urgenda heeft gedaan. Dat is ook wat die, zoals Dokter ze noemt, “schimmige juristenkartels” hebben gedaan met de ‘stikstofregels’. Ze hebben aangedrongen op naleving van wetgeving.

Waarom investeren bedrijven graag in het volgens Dokter, ‘over gereguleerde’ Nederland en Duitsland maar niet in Congo, Liberia of Eritrea? In zijn boek 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme schrijft de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang hierover: “regulering die de vrijheid van individuele bedrijven beperkt, het collectieve belang van het hele bedrijfsleven kan dienen, om nog maar te zwijgen van de natie als geheel. … Veel regulering helpt gemeenschappelijke hulpbronnen beschermen die alle bedrijven delen, terwijl andere het bedrijfsleven helpen door bedrijven te dwingen dingen te doen die op den duur hun productiviteit verhogen.”

‘En China dan?’ Kun je tegen werpen. Chang: “De Chinese economie werd de afgelopen drie decennia van snelle groei op soortgelijke wijze zwaar gereguleerd. Daarentegen hadden veel ontwikkelingslanden in Latijns-Amerika en Afrika bezuiden de Sahara in deze drie decennia hun economieën gedereguleerd in de hoop dat dit de zakelijke activiteiten zou stimuleren en hun groei zou versnellen. Maar op raadselachtige wijze groeiden zij trager dan in de voorafgaande twee decennia, toen werd aangenomen dat ze belemmerd werden door excessieve regulering.” De ‘soortgelijke wijze’ waar Chang het over heeft, verwijst naar Zuid-Korea, Taiwan en Japan die China voorgingen.

Dan de vrijheid van de individuele mens. Zou het voor een individu niet precies hetzelfde zijn als voor een bedrijf? Zijn de regels die de vrijheid van het individu beperken niet juist bedoeld om het collectieve belang van de hele samenleving te dienen? Verplicht rechts rijden beperkt het individu maar dient het belang van de samenleving en daarmee ook het belang van het individu. Immers als iedereen voor zich zelf bepaalde op welke manier wordt gereden dan stond het verkeer voornamelijk stil. 

Als laatste een vraag? Waarom willen zovelen van elders naar hier komen? Zo graag dat ze het risico op dood door verdrinking en slavernij in Libië voor lief nemen?  Waarom komen ze liever naar hier dan dat ze hun geluk beproeven in Saoedie Arabië of Koeweit? Landen met een hoger bruto nationaal product dan Nederland. Als het om de welvaart zou gaan, dan zouden de deuren van die Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten worden platgelopen door migranten. Of zou dat een gevolg zijn van die ‘ veel te veel’ regels die onze vrijheid ‘belemmeren’?

Natuurlijk moeten wetten en regels iets toevoegen, moeten ze zo eenduidig mogelijk te handhaven zijn. Daar zal iedereen het mee eens zijn. Zou het echter niet kunnen dat regulering hand in hand gaat met vrijheid en (economische) ontwikkeling?

Uitzondering en regel

“Millennials zijn ‘screwed’: kom in actie!” De titel boven een artikel van Fabian Dekker bij Joop. Dekker over dat ‘screwed’ zijn: “jonge mensen zijn financieel de klos, doen het slechter op de woningmarkt, werken steeds vaker in onzekere banen en zien hun inkomsten dalen. Mede onder invloed van invoering van het sociaal leenstelsel bedraagt de studieschuld in Nederland inmiddels ruim 11 miljard euro. Het eigenwoningbezit daalt door stijgende prijzen en aangescherpte leennormen met name onder 35-minners. En –naast studenten met een flexibele bijbaan – stijgt het aandeel flexibele werknemers met name in de leeftijdsgroep tussen 25 en 45 jaar van circa 10% naar 19% in de periode 2003-2018.” En de gevolgen hiervan? “Voor het eerst na de Tweede Wereldoorlog is er een generatie dertigers die minder verdient dan hun ouders, zo becijferden onderzoekers van de Universiteit Tilburg en het ministerie van SZW vorig jaar!” 

Bron: Wikimedia Commons

Inderdaad allemaal zaken die niet in het voordeel zijn van de ‘millennial’, mensen geboren tussen grofweg 1985 en 2000. Al denk ik dat het eigenwoningbezit van 35 minners voor andere generaties ook erg laag was. De gehele jaren tachtig lag de hypotheekrente boven de 8% met uitschieters tot 13% en moest je zelf ook een zak geld meenemen om een huis te kunnen kopen. Zelf kocht ik midden jaren negentig als begin dertiger een huis. De tijd waar hypotheekverstrekkers je een ‘beleggingshypotheek-oor’ aan probeerden te naaien en de huizenprijzen, net als nu fors stegen. Maar daar gaat het mij niet om. Ook niet over al die andere zaken die het leven van de millennial bemoeilijken, waartegen protest welkom is en alternatieven mogelijk zijn. Het gaat mij om ‘minder verdienen’ dan hun ouders. 

Niet dat ik de conclusie van de onderzoekers van de Universiteit Tilburg bestrijd. Nee, ik ga ervan uit dat hun onderzoek en ook hun conclusies correct zijn. Het gaat mij om iets anders. De ‘millennials’ zijn een keerpunt. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog een generatie die er ten opzichte van hun ouders niet op vooruit gaat en misschien zelfs wel een klein beetje op achteruit. Voor de millennial is dat natuurlijk vervelend en waarschijnlijk ook voor hun ouders. Die willen immers dat het hun kroost goed gaat en goed dat is meestal beter dan dat ze het zelf hadden op die leeftijd. Dan is het erg vervelend als dat niet het geval is.

De manier waarop Dekker het stelt, en dat is waarschijnlijk ingegeven door het Tilburgse onderzoek, is dat de millennials daarmee een uitzondering worden op de regel. De regel dat we het steeds beter krijgen, dat kinderen hun ouders ‘voorbij streven. Ik denk echter dat het eerder andersom is, dat hun ouders en eigenlijk iedere generatie sinds de Tweede Wereldoorlog tot de millennials de uitzondering op de regel waren. 

Als we geschiedenis bestuderen dan zien we dat kinderen in de regel hetzelfde lot trof als hun ouders. De zoon van een keuterboer werd keuterboer en zijn zus trouwde met een keuterboer. Soms hadden ze, net als hun ouders en hun latere kinderen een goed jaar en soms een slecht. Ze hadden het in het algemeen niet slechter en ook niet beter dan hun ouders. Zo gold het ook voor de zoon en dochter van de bakker, slager en landloper en edelman. Al kon die laatste door goede ‘huwelijkspolitiek’ van zijn ouders er wel op vooruitgaan. Achteruit trouwens ook als de rijkdom van de wederpartij toch voornamelijk schulden bleken te zijn.

Als we kijken naar de economische groei door de eeuwen heen dan was die in Europa tot ongeveer 1700 gelijk aan 0. En zoals we weten is groei nodig om het beter te krijgen dan je ouders. Natuurlijk waren er plekken waar rijkdom zich ophoopte, dat betekende echter niet dat mensen het beter kregen want daarvoor is groei alleen niet voldoende. Daarvoor moet die groei ook worden verdeeld over iedereen.  Als alle groei terecht komt bij de Amsterdamse handelaren dan heeft de Keuterboer in Drenthe daar niets aan. Net zoals de hamburgerflipper bij MacDonalds niets merkt van toenemende rijkdom van bijvoorbeeld Bill Gates.

Tussen 1700 en nu groeide de economie gemiddeld met 1%.  Dat betekent dat de Europese economie nu ongeveer 16 maal zo groot is als in 1700. Nu wijkt Nederland iets af van het Europese gemiddelde. Die afwijking betreft vooral de periode voor de twee wereldoorlogen. Nederland (de Republiek) was in 1700 aanzienlijk rijker dan de rest van Europa. Als we ons realiseren dat de bevolking van Europa in die periode ongeveer is vertienvoudigd dan is een groot deel van die groei opgegaan aan de extra monden die gevoed moesten worden.

Duiken we wat dieper in de cijfers dan blijkt dat de Europese economie tot 1820 groeide met 0,1%. Dit betekent dat de economie in 1820 bijna 13% groter was dan in 1700. Die groei was niet eens voldoende om die extra monden te voeden. Hieruit kun je gevoeglijk concluderen dat kinderen het in die periode zeker niet beter, eerder slechter hadden dan hun ouders. Tussen 1820 en 1950 groeide de Europese economie met 0,9%. Dat betekent dat de economie in 1950 ongeveer 3,6 keer zo groot was als in 1700. Als we ons realiseren dat de bevolking tussen de iets kortere periode (1750 en 1950) 3,35 keer zo groot werd, dan zou je, als de groei eerlijk over iedereen werd verdeeld, kunnen concluderen dat een jongere uit 1950 het even goed had als zijn leeftijdsgenoot uit 1700. 

Bron: Wikimedia Commons

Alleen de periode vanaf de Tweede Wereldoorlog tot nu kende groeicijfers die langdurig boven de 1% uitkwamen, namelijk gemiddeld 1,9% en van 1950 tot 1970 zo’n 3,8%. De economie van 2012 was 4,28 keer zo groot als die in 1950. De bevolking groeide gedurende die jaren met 1,35%. En, laat die periode, in ieder geval de eerste dertig jaar nu ook de periode zijn dat die toegenomen welvaart eerlijker werd verdeeld. Er werd een sociaal stelsel opgetuigd dat vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw weer langzaam wordt afgebroken. Dat maakt dat kinderen het beter kregen dan hun ouders. Ouders die hun kinderen langer, meer en hoger lieten studeren waardoor hun uitgangspositie steeds beter werd. Een hogere opleiding die de groei nog wat aanwakkerde.

Alleen kan dat niet oneindig doorgaan. Kinderen van universitair geschoolde ouders kunnen niet nog hoger worden opgeleid waardoor er nog betere banen in het verschiet liggen. Sterker nog, die hogere opleiding is al geruime tijd geen garantie op beter werk. Hoger opgeleiden die ‘onder hun niveau’ werken zijn eerder regel dan uitzondering. Alleen was dat werk voor hun ouders nog altijd een vooruitgang ten opzichte van hun grootouders. Dat is nu in toenemende mate niet meer het geval.

Als we het vanuit dit perspectief bekijken dan is de situatie van de huidige millennials de regel en waren hun ouders en grootouders de uitzonderingen op de regel. De regel dat kinderen het over het algemeen niet beter en ook niet slechter hebben dan hun ouders. 

Maar, beste millennia, laat dit je niet weerhouden om in actie te komen. Want een deel van je slechtere positie is het gevolg van de afbraak van het stelsel van sociale voorzieningen. Dat deel is een keuze en er kan ook wat anders worden gekozen. Een sociaal leenstelsel dat tot schulden leidt is zo’n keuze die anders kan. Het invoeren van een basisinkomen voor iedereen is een keuze die we kunnen maken om ‘flexbanen’ minder onzeker te maken. De Woningmarkt kan er anders uitzien, als we andere keuzes maken. En beste millennial als jullie hiervoor willen strijden dan kunnen jullie op de sympathie en steun van de Ballonnendoorprikker rekenen.

De cijfers over de economische groei komen uit Capital in the Twenty-First Century van Thomas Piketty (pagina 94).

Het klimaat, belastingen dividend en Richard Branson

Het klimaat houdt de gemoederen flink bezig. Het kabinet wil snel met maatregelen komen. Voor velen gaat dat niet snel en ver genoeg en voor anderen veel te snel en te ver. Jan Smit betoogt bij HPdeTijd dat het kabinet er goed aan doet om de lijn die miljardair Richard Branson voorstelt, te kiezen. Smit: “vervang de CO2-belasting door CO2-dividend, een ‘schoon-energiedividend’. Een briljant plan van Richard Branson, afgelopen dinsdag opgetekend door de Volkskrant.” 

Bron: Flickr

In de Volkskrant wordt uitgelegd dat ‘schoon-energiedividend’: “Een maatregel (is) die bedrijven verplicht om te investeren in hernieuwbare energie op basis van hun CO2-uitstoot.” Dit zal: “een prijskaartje hangen aan CO2 zonder het negatieve effect van een belasting.” Die bedrijven krijgen dan: “hun geld terug naarmate de investeringen volgroeid zijn, misschien belastingvrij omdat het wordt geïnvesteerd in klimaatprojecten,” aldus Branson. Dit is volgens Smit een ideale oplossing waarmee: “de burger wordt ontzien,” en toch: “die ambitieuze klimaatdoelstellingen worden gehaald.” Dat klinkt toch te mooi om waar te zijn. Laten we er eens wat beter naar kijken. 

Volgens Smit is een heffing op de uitstoot van kooldioxyde: “een boete; een die ten koste gaat van de werkgelegenheid en de kans vergroot dat de CO2-uitstoot zich verplaatst naar het buitenland.” Maar waarin verschilt een verplichte heffing van een verplichte investering? Beiden leiden tot extra kosten voor het bedrijf en als een ander land het niet doet, dan lopen we bij beide maatregelen het risico dat een bedrijf verkast. Als een bedrijf verhuist en toch haar producten in Nederland wil blijven verkopen, dan kan Nederland kiezen om die producten extra te belasten. Dat leidt dan wel tot extra kosten voor de consument, maar geldt dat niet voor alle maatregelen?

Een bedrijf moet die verplichte investering doen op basis van haar uitstoot aan kooldioxyde. Zou een bedrijf die investering van haar winst afhalen of zal die worden bekostigd door een verhoging van de prijs van haar producten? Het bedrijf zal kiezen voor een prijsverhoging. Precies dat wat ook gebeurt bij een heffing. Op nog een andere manier wordt de consument op kosten gejaagd als, zoals Smit schrijft: “De bedrijven (…)  aandeelhouder (worden) van deze (nieuwe) ondernemingen, waardoor de investering in de toekomst mogelijk rendement oplevert.” Rendement dat wordt opgebracht door … de consument. Maar daarmee zijn we er nog niet. In zijn rol als burger en belastingbetaler betaalt hij nog een derde keer mee als we Bransons suggestie volgen om die investeringen belastingvrij te maken. De bedrijven de lusten en de consument en belastingbetaler de lasten.

Dan het alternatief, een koolstofdioxide-belasting. Een belasting die een bedrijf ertoe aanzet om haar productie zo klimaat- en energieneutraal als mogelijk te maken. Die heffing en dus de investering door de bedrijven betalen we als consument. Ze wordt immers in de productprijs verwerkt. Maar in tegenstelling tot Bransons plannen, kan de overheid met de opbrengst van die heffing klimaatmaatregelen realiseren waarvan de rendementen wel bij ons als consument en burger terecht komen. Maatregelen zoals subsidie op het klimaatneutraal maken van een woning. Maatregelen om mij als burger energie-neutraal te maken door bijvoorbeeld zonnepanelen te subsidiëren en te investeren in een slim energienetwerk en een klimaatvriendelijk backup systeem voor als de zon niet schijnt of het niet waait. Zoals bijvoorbeeld de opslag van overtollige energie in waterstof.

De ideeën van Branson lijken te mooi om waar te zijn. En indachtig het gezegde dat als iets lijkt op een eend, loopt als een eend en kwaakt als een eend het dan ook wel een eend zal zijn. Zijn de plannen van Branson ook te mooi om waar te zijn. De kosten komen immers gewoon bij de consument en burger en de baten bij … Branson en zijn vrienden.

Kansberekening

“(E)en grenzeloos Europa kent geen enkele winnaar.” De boodschap van Student geschiedenis en internationale betrekkingen Dennis Witte in een artikel bij Opiniez. Een artikel met bijzondere uitspraken en redeneringen.

Zo zorgt migratie voor een ‘braindrain’ in de landen van herkomst: “Het zijn niet de zwakkeren die de reis maken, maar zij die in staat zijn te verdienen. Met een braindrain als gevolg. Een braindrain zoals de massa exodus Somalië opleverde, waar ontelbare Somaliërs de oversteek maakten naar Europa. Het land veroordelend tot een eeuwig bestaan in de marge.” Hierop kom ik dadelijk terug, eerst de hierop volgende zin: “Een toekomst die landen als Syrië, Eritrea en Albanië ook staat te wachten als wij toestaan dat hun kansrijke inwoners de overtocht wagen. De beruchte foto’s van gammele bootjes vol Afrikaanse mannen, wachtend om de overtocht naar Europa te maken.” 

Bron: Wikimedia Commons

Beste meneer Witte, Albanezen hoeven geen overtocht te maken om Europa te bereiken, zij wonen al in Europa. Of bent u, net als sommige Noord-Italianen van mening dat Afrika onder Rome begint? En zelfs dan hoeven ze geen overtocht te maken. Meneer Witte, die Eritreeërs ontvluchten hun land vanwege het onderdrukkende regime waardoor ze hun leven niet zeker zijn. En meneer Witte, die Syriërs hadden nog netjes in Syrië gewoond als er geen burgeroorlog was uitgebroken. Een burgeroorlog waarmee zich vervolgens allerlei landen gingen bemoeien zodat die eindeloos voortsleept. Wist u dat Syrië met het jaren daarvoor door de Verenigde Staten en bondgenoten vernietigde Irak, op Israel na, het meest Westerse land in het Midden-Oosten was? 

Zoals gezegd pleit Witte voor grenzen. En daarmee kom ik terug op die ‘braindrain’ waardoor landen als Eritrea veroordeeld zijn tot ‘ een eeuwig bestaan in de marge’. Zoals Witte terecht constateert zijn het nu vooral de ‘sterkere’ inwoners die een ‘kaartje’ voor die “gammele bootjes” kunnen betalen. De mensen met geld. De echte arme sloebers blijven, in de regio. Iets wat volgens Witte: “in cultureel opzicht altijd het beste (is), ook voor de sociale condities van de migrant.” Het wegtrekken van die sterkere zorgt volgens Witte voor een braindrain. De mensen die de potentie hebben om het land van herkomst verder te helpen vertrekken, zo betoogt Witte. Daar heeft Witte een punt. Maar …

Maar: “natuurlijk, migratie moet altijd mogelijk blijven. Maar alleen als de migrant van economisch en sociaal toegevoegde waarde is. Stop de kansarme migratie, nu het nog kan.” Zo betoogt Witte. Zou iemand die hier ‘economisch en sociaal van toegevoegde waarde is, niet ook in zijn land van ‘toegevoegde waarde’ zijn? Kansarm, kansrijk? Waar, voor wie en op welke termijn? Het lijkt me een lastige kansberekening.

Enkele jaren geleden riep toenmalig minster en huidig buschauffeur Fred Teeven rijke buitenlanders op om naar Nederland te komen om hun geld hier te investeren. Is dat een vorm van ‘kansrijke migratie’? Zouden die miljonairs niet ook beter in hun land van herkomst kunnen investeren? Zou die miljonair dat geld niet beter kunnen investeren in die ICT-ers in zijn eigen land? ICT-ers die nu van harte welkom worden geheten in Nederland. Om hun ‘brains’ daar in plaats van in Nederland te laten ‘draineren’?

De grenzen dan maar helemaal dicht? Nee, dat sluit mensen op zoals de Ballonnendoorprikker al vaker heeft betoogd. Laatstelijk nog in het kader van Europese verkiezingen en Baudets ideeën voor een Nexit. Geen gesloten, maar ademende grenzen. Grenzen die open staan voor zowel vluchtelingen als arbeidsmigranten. Voor arbeidsmigranten door bijvoorbeeld te werken met arbeidsvergunningen voor bepaalde tijd. Arbeidsvergunningen die aan te vragen zijn in de landen van herkomst. Niet alleen voor de ‘hoogopgeleide ICT nerd’ maar ook en vooral voor lager- of niet opgeleiden. Ademende grenzen die het mogelijk maken om vaker terug te komen. Om bijvoorbeeld seizoensarbeid te verrichten en na het seizoen weer terug te gaan en het verdiende geld in het land van herkomst te investeren in een beter leven. 

Maar vooral ademende grenzen door eerlijke handel. Waarbij eerlijk wat anders is dan vrije handel. Waarbij Afrikaanse landen beperkingen op mogen leggen aan westerse producten om zo hun eigen bedrijvigheid te beschermen en op te bouwen. Zou dat op termijn niet betere kansen bieden voor zowel het land van aankomst als het land van herkomst?

Gratis en niet voor niets

“Als niets meer helpt, moeten de bergruimtes in de cabine misschien gewoon groter worden.” Zo valt te lezen in een artikel bij de Volkskrant. In het artikel met de titel “Koffer is melkkoe én kostenpost voor luchtvaart” worden allerlei manieren besproken die vliegmaatschappijen bedenken om het ‘kofferprobleem’ op te lossen. Het kofferprobleem bestaat uit de toenemende hoeveelheid handbagage zoals koffers en taxfree inkopen, die  passagiers meenemen. Die hoeveelheid zorgt voor ruimtegebrek en extra tijd bij het in- en uitstappen.

Bron: Wikimedia Commons

Aan ideeën geen gebrek. Van twee tickets kopen, één voor jezelf en één voor je handbagage tot je bagage al eerder op vakantie sturen dan dat jezelf gaat. Je koffer staat dan, als de reis goed gaat, al in je hotel op je te wachten. Ook bagage inchecken in de parkeergarage is een mogelijkheid. Dat scheelt immers wachtrijen op de luchthaven. En natuurlijk ook de optie uit het citaat waarmee ik begon: grotere bergruimtes in de cabine. 

In het artikel wordt geconstateerd dat de luchtvaartmaatschappijen de problemen voor een deel aan zichzelf te wijten hebben: “Door de gratis ruimbagage af te schaffen of het inchecken van koffers duurder te maken, melden passagiers zich bij de vliegtuigtrap met meer en zwaardere handbagage.” Nu is ‘gratis’ ruimbagage een rekbaar begrip. Vroeger kocht je een vliegkaartje en dan kon je gewoon je koffer meenemen. Dat zat ‘bij de prijs inbegrepen’. Vervolgens kwamen er prijsvechters die met lage prijzen voor kaartjes gingen stunten. Maar wel kaartjes exclusief een hapje en een drankje en zonder plek voor de bagage in het ruim. Daarvoor moest je extra betalen. Net als voor een vaste plek, ‘snel instappen’ en nog wat andere zaken. Wel kon je een handkoffertje gratis meenemen. Dit model hebben bijna alle maatschappijen overgenomen. ‘Gratis’ was vroeger niet voor niets. Wel is het nu iets goedkoper als je afziet van ruimbagage.  

Dit nieuwe model zorgde ervoor dat de maatschappijen op alle losse onderdelen naar winstmaximalisatie zochten. Het bekostigen van ruimbagage zorgt voor minder ruimbagage en die ruimte kan weer worden verkocht aan mensen of bedrijven die alleen spullen willen versturen. Bijvoorbeeld de reiziger die zijn bagage ‘vooruit’ gaat sturen. Het bekostigen van ‘handbagage’ biedt weer een nieuwe mogelijkheid tot winstmaximalisatie.

Vreemd is het daarom niet dat één optie niet in de lijst staat. De optie om het omgekeerde te doen dan waarmee het is begonnen. Door bijvoorbeeld bij het ticket ‘gratis’ 25 of 30 kilogram ruimbagage weg te geven. ‘Gratis’ onder gelijktijdige verhoging van de prijs van het kaartje. Immers ‘gratis’ is nooit voor niets. Zou dat er niet voor kunnen zorgen dat de stress in de cabine vermindert? Zou dat niet een hoop schelen aan aanpassingen in vliegtuigen, luchthavens en parkeergarages? Zou dat de reistijd niet wel eens kunnen versnellen? En zou die winst in tijd niet weleens de grootste winst kunnen zijn voor zowel de passagier als de maatschappij? 

Denken over economie (deel 4)

Vandaag het vierde deel in de reeks Denken over economie. In het eerste deel stond de klassieke economie met Adam Smith in de hoofdrol centraal. Het tweede deel handelde over de invloed van Karl Marx. In het derde deel stond de opmerkelijke econoom John Maynard Keynes centraal. Daarmee zijn we aangekomen bij het denken over economie dat tegenwoordig dominant is, het neoliberalisme. Maar voordat ik dat ga behandelen, een korte uitweiding over rationalisme en empirisme.

Eigen foto

Naar het nu

In de vorige drie delen heb ik aan de hand van vier belangrijke denkers het denken over economie op hoofdlijnen kort besproken. Wat hierbij opvalt is dat er twee uitersten aan denkers over de economie te onderscheiden zijn. Aan de ene kant de wensdenkers, die hebben een visie op de werkelijkheid en proberen de werkelijkheid vervolgens in die visie te passen. Deze manier van denken hindert bij het zoeken naar oplossingsrichtingen voor de problemen. Die manier doet denken aan de manier waarop de Europese landen zich voorbereidden op de Eerste Wereldoorlog. Zo hadden de Duitsers het Schlieffenplan om te voorkomen dat ze op twee fronten moesten vechten. Hierbij zou eerst in een snelle slag Frankrijk verslagen moeten worden om vervolgens de energie op Rusland te richten. Dit in de verwachting dat de Russische mobilisatie zeer traag zou verlopen. Dit plan schreef dag voor dag voor wat er moest gebeuren en waar de legers op het einde van die dag zouden moeten zijn. Ook de andere landen hadden dergelijke plannen. Bij het uitbreken van de oorlog werden die plannen in werking gesteld. De oorlogsleiding was er zo van overtuigd dat de werkelijkheid zich volgens hun plan zou ontwikkelen, dat de werkelijkheid in het plan werd geperst totdat het niet meer kon. Aan de andere kant economen die uitgaan van de werkelijkheid en vervolgens naar oplossingen zoeken. Keynes was een econoom van dit soort. Veel van zijn navolgers vertonen echter hetzelfde gedrag als de ‘oorlogsplanners’ en zien overheidsinvesteringen altijd als dé oplossing voor een crisis. Dit verschil is ingebakken in het denken en de wetenschap. Het is de eeuwenoude strijd tussen rationalisten (hier de wensdenkers) en empiristen. Rationeel staat dus niet tegenover irrationeel. Rationeel heeft hier de betekenis van een theoretisch denkkader dat de werkelijkheid moet benaderen. Dat staat tegenover empirisme, een manier van denken die de waarneming centraal stelt en die probeert te verklaren.

Volgens de Tsjechische econoom Tomáš Sedláček (De economie van goed en kwaad. De zoektocht naar economische zingeving van Gilgamesh tot Wall Street, pagina 206 – 218) is de economische wetenschap in de ban van het rationalisme en heeft de Franse filosoof René Descartes hier een belangrijke rol in gespeeld. Net zoals hij die rol voor alle andere wetenschappen heeft gespeeld. Sedláček geeft de kern van dat denken als volgt weer (pagina 209):”De reductie van de menselijke antropologie gaat hand in hand met de reductie van intellect tot wiskunde. In die wereld is er geen ruimte voor emotie, kans of lege ruimte. Alles grijpt met deterministische gestrengheid en de precisie van een horloge in elkaar.” Het voorbeeld Keynes leert ons dat het anders kan als we tenminste kijken naar wat er werkelijk gebeurt. Dit is de belangrijkste les die we van Keynes kunnen leren. Veel navolgers van Keynes lijken meer op rationalisten die de werkelijkheid door hun ‘Keynesiaanse’ model of systeem willen gieten. Sedláček over dit denken in systemen en ‘wiskundige modellen (pagina 213):”Systemen met interne inconsistenties, die gedeeltelijk in strijd zijn met de werkelijkheid, die vaak zijn gebaseerd op louter en doelbewust onrealistische veronderstellingen, en die in hun uiterste consequentie tot absurde conclusies leiden, worden desondanks met succes toegepast.”

Met het behandelen van deze denkrichtingen hebben we alle ingrediënten die nodig zijn om, zoals Keynes ons leert, de huidige situatie te bestuderen. De klassieke economen introduceerden het eerste ingrediënt, de belangrijke rol van de markt in de economie en de samenleving. Een markt die in hun ogen vrij moet zijn, dus zonder door de overheid opgeworpen belemmeringen. Vrij maar niet ten koste van alles zoals we bij Mill zien. Marx wees erop dat geld meer was dan alleen een ruilmiddel en dat het een eigenstandige macht heeft als vermogen of kapitaal, het tweede ingrediënt. Daarnaast introduceerde Marx het doelgericht denken, de teleologie. Volgens Marx is de ontwikkeling die de mens doormaakt gericht op een doel of eindstadium. Voor Marx was dat de socialistische samenleving. Keynes wees op de belangrijke rol die de overheid in de economie kan en moet spelen, het derde ingrediënt. Keynes benadrukte ook het psychologische van de economie, het vierde en laatste belangrijke ingrediënt. Keynes onderkende dat het handelen van mensen wellicht wel rationeel is maar dat die rationaliteit niet altijd tot de beste resultaten leidt. 

Hayek: de wieg van het neoliberalisme

In de jaren zeventig kreeg een nieuwe stroming meer en meer aanhang onder economen en politici, het neoliberalisme. Een stroming die, als we het heel kort willen beschrijven, teruggrijpt op het werk van de klassieke economen maar dan in de overdrive. De uitgangspunten van de klassiek economen zijn dogma’s voor de neoliberalen. In de roman Het Gelijk van Heisenberg vat de Venlose auteur Frans Pollux het neoliberale denken kort en krachtig samen (pagina 15-16):“Als het al bestaat kan geluk alleen maar gevonden worden in die prachtige natuurlijke balans tussen vraag en aanbod. Ik heb iets wat jij wilt + jij hebt iets wat ik wil = geluk. Hoe vrijer de markt, hoe meer ik wil; hoe meer ik wil, hoe meer ik heb; hoe meer ik heb, hoe groter mijn geluk.” Dit in een roman die door Hans Achterhuis als volgt wordt beschreven: ”Geleidelijk ontdekt de lezer … dat dit utopisch principe tot de ondergang van een groot deel van de wereld leidt.” Dit utopisch principe is het neoliberale geloof in de absoluut vrije markt.

Vanaf het begin van de twintigste eeuw verdween het gedachtengoed van de klassiek economen geleidelijk naar de achtergrond. Een proces dat werd versneld door de Eerste Wereldoorlog en de Grote Depressie van de jaren dertig van de twintigste eeuw. Een van de belangrijkste denkers en economen die de klassieke economie trouw bleef en die aan de wieg staat van het neoliberalisme was Friedrich A. von Hayek. Hayek was een tijdgenoot van Keynes en geloofde in de onfeilbaarheid van de vrije markt. Hij bleef zich verzetten tegen overheidsingrijpen in het algemeen en staatsplanning van de economie in het bijzonder. Volgens Hayek bevatte de markt en de partijen die erop actief zijn, alle kennis die nodig is om altijd tot de juiste beslissing te komen. Hij beschreef het zelf als volgt (geciteerd bij John Cassidy, Wat als de markt faalt pagina 52): ”Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een (…) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. … Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maandenlang onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.” Deze manier om de markt te beschrijven noemt Cassidy ‘het telecommunicatiesysteem van Hayek’ en dit systeem is voor de neoliberalen de samenleving. In dit mechanisme is geen plek voor goed of kwaad dus voor moraal. Het neoliberalisme doet geen morele uitspraken en staat op dit punt ver van de klassieke economen af.  De klassieke economen hadden wel oog voor morele aspecten en zagen economie als een onderdeel van de samenleving. De belangrijke klassieke economen, Smith, Mill en Bentham, waren moraalfilosofen.  Voor de neoliberalen is de economie de samenleving.

Eigen foto

Zoals hierboven beschreven verdween het gedachtengoed van de klassiek economen vanaf het begin van de twintigste eeuw geleidelijk naar de achtergrond. Een proces dat werd versneld door de Eerste Wereldoorlog en de Grote Depressie van de jaren dertig van de twintigste eeuw. Niet omdat het geen aanhangers meer had maar omdat het aan invloed verloor. Een van de belangrijkste denkers en economen die de klassieke economie trouw bleef en die aan de wieg staat van het neoliberalisme was Friedrich A. Hayek. Hayek was een tijdgenoot van Keynes en geloofde in de onfeilbaarheid van de vrije markt en bleef zich verzetten tegen overheidsingrijpen in het algemeen en staatsplanning van de economie in het bijzonder. Volgens Hayek bevatte de markt en de partijen die erop actief zijn, alle kennis die nodig is om altijd tot de juiste beslissing te komen. hij beschreef het zelf als volgt (geciteerd bij John Cassidy, Wat als de markt faalt pagina 52):”Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een (…) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. … Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maandenlang onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.” Deze manier om de markt te beschrijven noemt Cassidy ‘het telecommunicatiesysteem van Hayek’ en dit systeem is voor de neoliberalen de samenleving. In dit mechanisme is geen plek voor goed of kwaad dus voor moraal. Het neoliberalisme doet geen morele uitspraken en staat op dit punt ver van de klassieke economen af.  De klassieke economen hadden wel oog voor morele aspecten en zagen economie als een onderdeel van de samenleving. De belangrijke klassieke economen, Smith, Mill en Bentham, waren zoals we hebben gezien moraalfilosofen. Voor de neoliberalen ís de economie de samenleving.

Hayek zet dit ‘telecommunicatiesysteem’ af tegen de planeconomie van collectivisten. Planeconomie die succesvol leek en daardoor ook in westerse landen aanhangers had. In zijn boek Road to Serfdom gaat hij uitgebreid in op de mankementen van een centraal geleide planeconomie en dan met name voor wat betreft de gevolgen voor de samenleving. Hij schreef dit boek tijdens de Tweede Wereldoorlog en gebruikt Nazi-Duitsland als voorbeeld. Daarbij moet worden aangetekend dat hij socialisme, communisme, nationaal-socialisme en facisme allemaal ziet als leden van dezelfde familie van collectivisten. Volgens Hayek is het streven naar democratische vormen van collectivisme en dus ook socialisme niet mogelijk is (Hayek, Road to Serfdom. Text en Documents. The definitive Edition): “That democratic socialism, the utopia of the last few generations is, is not only unachievable , but that to strive for it produces something utterly different that few of those who now wish it would be prepared to accept the consequences, many will not beliefe it units the connection has been laid bare in all its aspects.” En die gevolgen zijn volgens Hayek een totalitaire regeringsvorm waar de vrijheid van mensen het kind van de rekening is, zoals Duitsland onder Hitler en de Sovjet Unie.

De collectivisten doen dit onder de vlag van de vrijheid, maar dit is volgens Hayek een ander vlag dan de liberale vrijheidsvlag. Die liberale vlag zet zich in voor politieke vrijheid (Hayek: “… freedom from coercion, freedom from arbitrary power of other men, release from the ties which left the individual no choice but obedience to the orders of a superior to whom he is attached.” Dit sluit aan bij wat de filosoof Isaiah Berlin in zijn boek Twee opvattingen over vrijheid  negatieve vrijheid noemt. Berlin onderscheidt daarnaast positieve vrijheid. Hayek noemt dit socialisme en omschrijft het als volgt (pagina 77):“… freedom from necessity, release from the compulsion of the circumstances… .” Volgens Berlin gaat het hierbij niet om twee verschillende interpretaties van vrijheid maar om (Berlin pagina 75):“… twee sterk afwijkende, onverenigbare houdingen ten opzichte van de doeleinden van het leven.” En: “beide houdingen maken absolute aanspraken en het is niet mogelijk ze allebei volledig te bevredigen.”  

De neoliberale religie van de vrije markt maakt hierbij de radicale keuze voor maximale politieke en economische vrijheid voor het individu. De vrijheid van het een individu botst echter altijd op de vrijheid van het andere individu. Die botsing vindt, volgens de neoliberalen, plaats op de markt. Daar wordt de prijs van een product of dienst bepaald en daar wordt dus bepaald hoeveel vrijheid kost. “It (de liberale overtuiging,) is based on the conviction that where effectieve competition can be created , it is a better   way of guiding individual effect than any other,” aldus Hayek. Op de markt ontmoeten de individuen elkaar die ieder hun eigen belang najagen en zo doende wordt ook het algemeen belang gediend. Hayek had een groot, maar geen onbeperkt, vertrouwen in de markt, alleen als “… it is impossible to create the conditions necessary to make competition effective, we must resort to other methode of guiding economic activity.” En dan moeten we denken aan: “… the provison of the signposts on the roads nor, in most circumstances, that of the roads themselves can be paid for by every individual user. Nor can certain harmful effects of deforestation, of some methode of farming, or the smoke and noise of factories be confined to the owner of the property in question or to those who are willing to submit to the damage for an agreed compensation.” In deze gevallen kan de overheid een rol krijgen en die rol zit volgens Hayek vooral in wet- en regelgeving want: “An effective competitie system needs an intelligently designed and continuously adjusted legal framework as much as any other.” De citaten zijn te vinden bij Hayek pagina 85-88.

Friedrich A. von Hayek. Bron: Flickr

Hayek beschreef wat de gebreken waren van een collectivistische planeconomie en betoogt krachtig dat die ertoe leidt dat de vrijheid van ieder individu in het gedrang komt. Hij was echter blind voor de gebreken van de vrije markt en ziet die als een perfect mechanisme. Een mechanisme waar de overheid niet moet ingrijpen want dat verergert de zaken alleen maar. Hayek vertrouwde erop dat de markt alles goed regelt. Het algemeen belang was immers niets meer dan een optellingen van de individuele belangen en als iedereen op de markt zijn eigen belang najaagde, dan komt het vanzelf goed met de samenleving. Hier zat Hayek er echter naast. De filosoof John Gray verwoordt de misser van Hayek in zijn boek Zwarte mis. Apocaliptische religie en de moderne utopieën op pagina 131 als volgt:” Er is niets aan marktprocessen dat ervoor zorgt dat ze zich automatisch stabiliseren op het gewenste niveau. Hayek verdienste is erin gelegen dat hij aantoonde dat een succesvolle planeconomie een utopie is. Hij zag echter over het hoofd dat dat ook geldt voor de zelfregulerende markt.” Die blindheid voor de gebreken van de vrije markt, hebben zijn navolgers overgenomen. 

In een volgende deel pakken we de draad weer op bij Nobelprijswinnaar Milton Friedman, de belangrijkste leerling van Hayek.

Denken over economie (deel 3)

Na een eerste deel over de klassieke economen met Adam Smith in de hoofdrol en een tweede deel over Karl Marx, staat in dit derde deel John Maynard Keynes centraal.

Keynes, een bijzondere econoom

De klassieke economen en de angst voor het marxisme hebben het denken over economie en samenleving tot de jaren dertig van de twintigste eeuw beheerst en gedomineerd. De grote economische depressie van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw bood de klassieke economen een uitdaging die ze niet opgelost kregen. De werkelijkheid paste niet in de toekomstmodellen van de klassieke economen en vroeg om een andere aanpak. Klassieke economen en ook de marxisten gaan ervan uit dat de toekomst zich ontwikkelt volgens een vooropgezette te kennen route. Volgens John Maynard Keynes is de toekomst onkenbaar en onvoorspelbaar. Effecten van keuzes zijn in de ogen van Keynes maar in beperkte mate te voorspellen. Keynes: “In de regel hebben we slechts een zeer vaag idee van de rechtstreekse gevolgen van ons handelen.” Handelen dat als we het op economische beslissingen in crisistijd betrekken, vaak een eenmalig karakter heeft en waartoe met worden besloten in omstandigheden die afwijken van wat normaal gangbaar is. 

De werkelijkheid knelde flink met de vooronderstellingen van de klassieke economen.  De eerste vooronderstelling, de mens kiest en besluit rationeel, schoot hij aan flarden op basis van zijn ervaringen als belegger. Een activiteit waarin hij redelijk succesvol was. Het was en is niet de ratio die op de mens als deelnemer op de markt regeert maar de emotie en het sentiment (geciteerd bij Jonn Cassidy, Wat als de markt faalt? pagina 191): “De markt zal onderworpen zijn aan golven van optimistische en pessimistische sentimenten, die enerzijds onredelijk zijn, maar die tegelijkertijd in zekere zin wel legitiem zijn, aangezien er geen solide basis is waarop een rationele berekening kan worden gemaakt.” Vanuit zijn ervaring als belegger had hij geleerd dat succesvol beleggen een gevolg is van de anderen te slim af zijn en veel minder van door rationeel te kiezen. Het gaat er bij beleggen volgens hem om (Cassidy pagina 192): “de massa te slim af te zijn en het slechte, of gedevalueerde, muntstuk door te schuiven naar een andere knaap.” Als we vertalen naar de de markt van gebundelde hypotheken dan zien we dat de waardevolle bundels in handen zijn gebleven van de banken en dat de overheden de ‘bagger’ hebben overgenomen, dit in hoop deze in de toekomst weer te kunnen verkopen. Keynes benaderde de economie dus veel meer vanuit de psychologie en wat later de speltheorie is gaan heten. Speltheorie is een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat. De speltheorie biedt een raamwerk waarbinnen strategische interactie tussen ‘spelers’ bestudeerd wordt. Met behulp van modellen wordt geprobeerd de onderliggende interactie van ‘spelers’ die beslissingen nemen te begrijpen.

Ook de tweede vooronderstelling, dat al die rationale keuzes op de markt zouden leiden tot een voor de samenleving beste resultaat, staat daarmee op losse schroeven. Met een treffend voorbeeld wist hij ook het ‘welbegrepen eigenbelang’ van de slager, bakker of brouwer van Smith aan de kaak te stellen. Keynes deed dit aan de hand van een voorbeeld. India bezat begin twintigste eeuw vrijwel het monopolie op de handel in jute. En zoals altijd zijn er dan ondernemers die meer willen verdienen en de kwaliteit stiekem verminderen en dus jute aan te bieden die minder lang meegaat. Volgens Smith zou het eigenbelang van de ‘slager’ ervoor zorgen dat de de ‘fraudeurs’ door de afnemers gestraft zouden worden omdat die zouden weglopen. Keynes zag in de praktijk een andere mogelijkheid: de andere producenten apen de fraudeurs na omdat ze marktaandeel verliezen (Cassidy pagina 194) : “Terwijl vervalsing duidelijk ingaat tegen het belang van de handel als geheel, is het niettemin in het belang van elke individu om eraan mee te doen.” Ook in dit geval, een voorbeeld van het speltheoretische prisoner’s dilemma, pleitte Keynes voor overheidsingrijpen via wetgeving.

Het is daarom niet meer dan logisch dat ook de derde vooronderstelling, de overheid moet niet ingrijpen, door Keynes naar de prullenbak werd verwezen. Dat blijkt al uit zijn pleidooi voor wetgeving met betrekking tot de kwaliteit van jute maar wordt nog duidelijker aan de hand van zijn analyse en voorgestelde aanpak van de economische depressie. Volgens de klassieke economen wordt een crisis bestreden door loonsverlaging aan de ene kant en door grotere besparingen die via renteverlagingen ondernemers er vanzelf toe zouden aanzetten om weer te investeren aan de andere kant. Het eerste zou leiden tot een nieuw evenwicht op de arbeidsmarkt, het tweede tot een nieuw evenwicht op de financiële markten. Dit allemaal door de onvolprezen ‘onzichtbare hand’.

Die hand liet het echter af weten. Waar de klassieke economen vanuit hun ideologische standpunten hun oude mantra bleven herhalen en met name de vakbanden ervan beschuldigden de lonen hoog te houden en zo de vrije markt te verstoren, keek Keynes naar wat er werkelijk aan de hand was en kwam met alternatieven. Keynes zag een uitval van de vraag en die leidde tot minder investeringen. Het verlagen van de lonen leidde tot nog verdere terugval van de vraag en zo ontstond een neerwaartse spiraal. Op grond van wat hij zag pleitte hij voor direct overheidsingrijpen. Omdat de markt niet investeerde, zou de overheid het zelf moeten doen. Met Keynes als belangrijkste adviseur zette de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt zijn omvangrijke “New Deal” programma op. Dit bestond uit forse investeringen in de energievoorziening en de  infrastructuur. Investeringen die mensen werk boden en via die weg tot toenemende vraag en zo tot het weer toenemen van investeringen door de marktpartijen zou leiden. Hoe succesvol de New Deal is, zullen we nooit precies weten omdat de Tweede Wereldoorlog uitbrak en die zorgde voor een heel andere dynamiek. Ook in andere landen werd over een keynesiaanse aanpak nagedacht. De Duitse crisisaanpak van investeringen in autowegen en de wapenindustrie vertoont ook keynesiaanse trekken.

De Tennessee Valley Autority. Een van de publieke werken van ROoseveldts New Deal. Bron: Picryl

Keynes en zijn denken heeft de westerse wereld gedomineerd in de periode vanaf de Tweede wereldoorlog tot begin jaren zeventig van de afgelopen eeuw. Samen met Amerikaan Harry Dexter White stond hij aan de wieg van het Bretton Woods stelsel. Een stelsel dat voor de uitdaging stond om, zoals Dani Rodrik het in zijn boek The Globalization Paradox. Democracy and the Future of the World Economy beschrijft (pagina 69):” … allow enough international discipline and progress toward trade liberalization to ensure vibrant world commerce, but give plenty of space for governments to respond to social en economic needs at home.” Een stelsel van vaste wisselkoersen waarbij alleen de Amerikaans dollar aan het goud werd gekoppeld. de overige munten werd gekoppeld aan de dollar en waren daardoor in waarde gegarandeerd.

Omdat Amerika veruit de dominantste economie had met een flinke voorsprong op alle andere, was dit in die tijd een passend systeem. Een  tweede onderdeel van de afspraken betrof de handel bekend onder de naam General Agreement on Tarifs and Trade (GATT). Deze omvatte alle handel behalve die in agrarische producten. Deze afspraken werd in diverse rondes aangepast aan de eisen van de tijd. Ter ondersteuning van landen in ontwikkeling of in crisis werden het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de International Bank of Reconstructie (nu deel van de Wereldbank) opgericht. Internationale instituties met eigen bevoegdheden en macht om los van welk land dan ook te opereren. Hiermee regelden de industriële westerse landen  financiële en handelsrelaties.

Het door Keynes en White ontworpen systeem ondersteunde de economische wederopbouw na de vernietigende Tweede Wereldoorlog. Het bood landen ruimte om hun eigen economie te stimuleren en beschermen zonder dat het verviel in het vooroorlogse protectionisme. Het systeem functioneerde tot midden jaren zeventig en zorgde voor flinke groei van de economieën van de westerse landen. Toch liep het vast, achteraf bezien in het eigen succes. Het paste in een tijd waarin één land economisch met kop en schouders boven de rest uitstak, de Verenigde Staten waarvan de munt aan het goud was gekoppeld en dat over het grootste deel van de financiële reserves beschikte. Dit was de spil waarop het systeem draaide. Toen in de jaren zestig de economie van de andere landen weer op toeren kwamen leidde dat tot druk op de dollar omdat de reserves van de Europese landen en Japan nu die van de Verenigde Staten overtroffen en ook de economie van deze landen sterker groeide. Dat leidde tot ontevredenheid bij deze landen met de rol van de Verenigde Staten als wereldbankier. Uiteindelijk stond of viel het systeem met de bereidheid van andere landen om dollars aan te houden als reserve. Deze bereidheid verminderde door de grote uitgaven van de Verenigde Staten (Vietnamoorlog en het sociale programma the Great Society van president Johnson) waarvoor extra dollars werden bijgedrukt. Daarop wisselden steeds meer landen hun dollarvoorden in tegen goud en koppelden hun munten los van de dollar. In 1971 beëindigde president Nixon van de Verenigde Staten de inwisselbaarheid van de dollar voor goud en ontstond het systeem van zwevende wisselkoersen. Dit betekende het einde van het bouwwerk van Keynes en White.

Keynes en zijn Amerikaanse tegenvoet Harry Dexter White. Bron: Wikimedia Commons

Dit was het begin van het einde van het keynesianisme als leidende economische stroming. Die leidende positie werd verder aangetast door de economische crisis van eind jaren zeventig. Een crisis waar het ‘wondermiddel’ van Keynes uit de jaren dertig, overheidsinvesteringen in tijden van crisis, niet werkte. De economie stagneerde en er was sprake van flinke inflatie (samengevoegd tot stagflatie). Die inflatie zorgde vervolgens weer voor loonsverhogingen om de gestegen prijzen te compenseren en dus de koopkracht op peil te houden. Extra overheids investeringen wakkerden de inflatie aan, zorgden voor opwaartse druk op de lonen en zo tot vermindering van investeringen door het bedrijfsleven. Het keynesianisme bood hiervoor geen oplossing.  Zijn succesvolle methode om de economie te stimuleren bij vraaguitval, is door zijn navolgers tot een soort dogma verheven: een aanpak die in iedere crisis toepasbaar is. Wellicht zou Keynes, indien hij nog had geleefd, wel met oplossingen zijn gekomen. De kern van zijn denken bestond eruit om te kijken naar wat er aan de hand is en daar een praktische oplossing bij zoeken.

Tot zover Keynes en de keynesiaanse economie. De volgende keer maken we de overstap naar het sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw dominantie neoliberale denken over economie.