Uitgelicht

Busvoetbal en de BB

Voetballen met een plastic bus waarin wasmiddel had gezeten. Dat was een van de favoriete pauzebestedingen gedurende mijn lagere schooltijd. Voor de jongeren onder ons, de lagere school was wat nu de groepen 3 tot en met 8 van de basisschool zijn. De eerste twee groepen noemde men toen de kleuterschool. Voetballen met bussen dus omdat een bal verboden was. Verboden en duur. Waarom begin ik hierover? Niet, tenminste niet alleen, omdat ik ouder word en met weemoed terugdenk aan de tijd dat ik mijn hele leven nog voor me had. Nee, ik begin hierover vanwege de goals van ons ‘veld’.

File:Oefening BB Bescherming Bevolking te Arnhem, massale voedseluitdeling, Bestanddeelnr 907-3388.jpg
Bron: Nationaal archief via WikipediaCommons

Die goals waren twee dikke stalen deuren. Twee stalen deuren in een prachtige, in de jaren vijftig, gebouwde school. Een school met twee verdiepingen. Vier klassen beneden en vier boven. De hoogste groepen boven, dus ‘echt’ de bovenbouw. Hoge klassen met grote ramen in stalen kozijnen. Klassen gebouwd rond een grote aula. In mijn geheugen waren die deuren wel vijfentwintig centimeter dik, maar hoe betrouwbaar is dat? Die stalen deuren gaven toegang tot de kelder onder de school. En niet zomaar een kelder, maar een ‘atoombunker’ zo werd er gezegd. Er waren echter pauzes dat we niet konden voetballen, dan stonden de deuren open en liepen er ‘mannen’ rond. ‘Mannen’ die waren van de ‘BB’. Ze sleepten spullen naar buiten of naar binnen en deden verder allerlei geheimzinnige zaken. Wij mochten dan niet ‘busvoetballen’ en eigenlijk ook niet bij de deuren in de buurt zijn. Dat weerhield enkelen van ons er echter niet van om ‘stiekem’ even binnen te kijken hoe het er uitzag. Daar zagen we bedden en voorraden van allerlei zaken bedoeld om die ‘kernbom’ te overleven.

Onze goals waren dus de deuren van een schuilkelder en die schuilkelder was het domein van de BB, de Bescherming Bevolking. “De B.B. is een naoorlogse organisatie opgericht door de overheid in 1952. De organisatie was onderdeel van de civiele verdediging en had als taak om de bevolking te beschermen tegen de onmiddellijke gevolgen van oorlogsgeweld gedurende de periode die nu bekend staat als de Koude Oorlog. Aan die taak is later uitbreiding gegeven door de B.B. ook in te gaan zetten bij rampen in vredestijd. De organisatie was verantwoordelijk voor het blussen van branden, redden van mensen en het ondersteunen van de bevolking ten tijde van oorlogsdreiging of de gevolgen van oorlogshandelingen.” Aldus de website van het Museum Bescherming Bevolking. Een in de kern overheidsdienst die vooral draaide op vrijwilligers. Nou ja vrijwilligers.  Veel vrijwilligers waren net zo ‘vrijwillig’ als de dienstplichtige soldaten. Het waren namelijk ‘buitengewoon dienstplichtigen’. Jongeren die wel goed waren gekeurd voor de dienstplicht maar die niet werden opgeroepen voor de werkelijke militaire dienst. Zo werd voorkomen dat het leger en de BB in tijden van crisis met elkaar concurreren over ‘personeel’.

Achter die goals van ons ‘busvoetbalveld’ ging een hele wereld verscholen. Een wereld gericht op het beschermen van de bevolking bij ‘oorlogs- en vredesrampen. Een wereld waar in de hoogtij dagen 165.000 mensen aan deelnamen. Aan die wereld moest ik denken toen ik in de Volkskrant de constatering van Marjolein van de Water las: “Het valt me vooral op hoe weinig slagkracht de GGD heeft. … Ik krijg een mailtje van de GGD met daarin pdf-documenten voor mij en mijn omgeving. …  ‘Laat je bij symptomen direct testen’, staat erin. Om vervolgens minstens drie dagen te moeten wachten tot het contactonderzoek begint, denk ik er achteraan. Het beleid komt me steeds vreemder voor. Waarom duurt alles zo lang?”

Ik moest eraan denken omdat het mij helemaal niet vreemd voorkomt dat het lang duurt. Niet vreemd om drie redenen. Als eerste de manier waarop de zaak is georganiseerd. Onze ‘rampenstructuur’ is gebouwd op vier poten: politie, brandweer, geneeskunde en gemeente. Vier poten met eigenlijk maar twee verantwoordelijken. De politie werkt in politie regio’s en valt onder het ministerie van Justitie en Veiligheid. De andere drie zijn een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Alleen voor twee van de drie, het geneeskundige en brandweerdeel, moeten die gemeenten verplicht samenwerken. Het brandweerdeel is georganiseerd in opgelegde veiligheidsregio’s. En die veiligheidsregio’s komen niet overeen met de politieregio’s. Van die laatsten zijn er tien, van die veiligheidsregio’s vijfentwintig. In het geneeskundige deel speelt de GGD een belangrijke rol en daarvan zijn er nog meer. Ook de GGD is in de meeste gevallen een samenwerkingsverband tussen verschillende gemeenten. Dit zorgt voor flinke bestuurlijke drukte. In crisistijd bieden de onderliggende wetten een mogelijkheid de ‘voorzitter van de veiligheidsregio’ te benoemen tot ‘enige bij uitsluiting bevoegd’ om aan bepaalde zaken toepassing te geven. Zaken die in normale omstandigheden tot de bevoegdheid van de burgemeester behoren. Die voorzitter wordt daarmee eigenlijk de ‘burgemeester’ van de hele regio. Alleen is er geen ‘gemeenteraad’ van de hele regio.

Als tweede is onze ‘beschermingsinfrastructuur’ niet gebouwd op een langdurige crisis. En zeker geen crisis met een virus als oorzaak. Het gezondheidsdeel, de zogenaamde Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen, wordt namelijk gevuld met mensen uit de reguliere zorgorganisaties en dan in eerste instantie door medewerkers van de GGD. Dat werkt prima bij ongelukken en rampen zoals een de vuurwerkramp, het ontsporen van een trein of neerstorten van een vliegtuig. Dan wordt het reguliere werk even stop gezet en richt alle aandacht zich op die ramp. Na de ramp wordt er even alles op alles gezet om de ontstane achterstand in het reguliere werk in te halen. Regulier werk als inenten van kinderen op bepaalde leeftijden en het volgen van de ontwikkeling van kinderen op de verschillende momenten, het werk van de consultatiebureaus en de schoolartsen. Bij een langdurige crisis zoals de huidige, gaat zich dat wreken. Wat we nu ook zien is dat de capaciteit onvoldoende is om tot het gewenste niveau op te schalen. Daarom is het ook niet verwonderlijk dat, zoals in de Volkskrant is te lezen:  “Het geploeter bij de GGD’s (…) de grootste zorg van de Kamer” is. Omdat, zoals Kamerlid Marijnissen het in de krant verwoordt: “Hun bron- en contactonderzoek is het ‘fundament’ onder de Nederlandse corona-aanpak en dat staat nu op losse schroeven.” En dat is, volgens haar VVD-collega Hayke Veldman: “Onbegrijpelijk en onverantwoord. Dit had gewoon geregeld moeten zijn.” 

Stevige woorden en daarmee komen we bij de derde reden waarom ‘alles zo lang duurt’. Die reden heeft te maken met geld. De GGD in Nederland is, zoals al gezegd, niet één grote organisatie. Bijna alle GGD’en in Nederland zijn samenwerkingsverbanden van meerdere gemeenten. Bijna allemaal, alleen Amsterdam heeft een eigen GGD. Die samenwerkingsverbanden zijn gebouwd op de Wet gemeenschappelijke regelingen. In die ‘regeling’ brengen de deelnemende gemeenten taken onder en voor de uitvoering van die taken stellen zij geld beschikbaar. Budget voor die consultatiebureaus, schoolartsen en andere taken. Het budget en daarmee ook het personeel van de GGD, is afgestemd op die taken. En zoals bekend mag zijn, zitten de meeste gemeenten niet erg goed in de slappe was dus er is ieder jaar weer discussie of het niet met een ‘onsje minder’ kan en of de indexering vanwege de gestegen lonen en prijzen echt wel nodig is.

Om het ‘gewoon te regelen zijn twee dingen nodig. Als eerste geld en als tweede snel inzetbaar personeel. Over geld wordt altijd gesteggeld en snel inzetbaar personeel is niet beschikbaar. Dat moet ‘tijdelijk worden ingehuurd’ waarbij moet worden geconcurreerd op de arbeidsmarkt. En daarmee kom ik weer bij het ‘busvoetbal’ of beter gezegd: de BB. Zou een nieuwe BB niet een oplossing kunnen zijn voor het personeelsprobleem in tijden van langdurige crisis? Een ‘buitengewone maatschappelijke dienstplicht’ voor onze jongeren waarbij de jeugdigen worden opgeroepen in tijden van crisis en af en toe voor een oefening. Dit gewoon naast werk of studie. Zou dat een idee zijn?

Uitgelicht

La Guerre du Feu

(A)ls je echt oog hebt voor de ernst van de ene onrechtvaardigheid, dan moet je toch begrijpen dat je de andere onrechtvaardigheid niet moet bagatelliseren?” Die vraag stelt Floris Schleicher bij Joop in een artikel. Hij reageert op antiracisme activisten die naar zijn mening: “het leed van dieren uit de bio-industrie miskennen.” Schleicher: “Dieren worden op grote schaal opgesloten, verminkt, een martelend dieet opgedrongen, geforceerd geïnsemineerd, van hun familie gescheiden en vergast.” Daarop is maar een conclusie mogelijk volgens Schleicher: “Als je antiracist en feminist bent, zou je automatisch ook veganist moeten zijn. De processen van uitsluiting van vrouwen en niet witte-mensen berusten namelijk op dezelfde onderliggende structuren als die van dieren.”

neanderthals prehistoric mountains free photo
Bron: needpix.com

Als ik de redenering van Schleicher omkeer, dan kun ik geen antiracist zijn als je vlees eet of op leren schoenen loopt. Dat kan niet omdat uitsluiting van dieren en mensen op een zelfde onderliggende structuur berust. Nu eet ik zelf op z’n tijd graag een stukje vlees. Dus kan ik wel ophouden me in te zetten voor een rechtvaardige samenleving zoals ik het omschrijf. Een bijzondere redenering.

Dat het leven voor een dier in de bio-industrie geen pretje is, staat buiten kijf. Dit moet veranderen. Maar betekent dit dan ook meteen dat de mens geen vlees meer mag eten? Nu is de huidige mens, de Homo Sapiens, van nature een omnivoor. De manier waarop we zijn gebouwd maakt dat duidelijk. We hebben kiezen om voedsel te malen zoals ook herbivoren ze hebben. Maar we hebben ook redelijk scherpe hoektanden van een carnivoor. Voor een planteneter hebben we een vrij kort en beperkt darmstelsel. Maar ook voor het eten van rauw vlees is dat darmstelsel niet ideaal. Ons bijzondere gestel is een resultaat van een paar miljoen jaar evolutie.  

Het belangrijkste moment uit die evolutie, is het temmen van het vuur. Wie kent de film La Guerre du Feu nog een Frans-Canadese film uit 1981 in het Engels vertaald als ‘Quest for fire’. In de film heeft een stam cro-magnon mensen een kleine vlam die ze altijd brandend moeten houden. Dooft de vlam, dan hebben ze geen vuur meer omdat ze niet weten hoe ze vuur moeten maken. Als het vuur toch dooft, moeten ze eropuit om vuur bij een andere stam te stelen. De film speelt zich zo’n 80.000 geleden af, zo tegen het einde van het middenpaleolithicum (3000.000 tot 35.000 jaar geleden). Een periode dat meerdere mensensoorten de aarde bewoonden.

Op het belangrijkste punt gaat de film echter mank. Een ‘Guerre du Feu’ zullen de drie in de film figurerende mensensoorten niet hebben gevoerd. De kunst om vuur te maken, hadden de mensensoorten in die tijd al lang onder de knie. En met dat onder de knie krijgen van het vuur maken, zijn we aanbeland bij wellicht de belangrijkste innovaties uit de geschiedenis van de mensheid. “Een internationaal gezelschap van onderzoekers ontdekte achter in de grot – ongeveer dertig meter van de ingang en twee meter onder de bodem – talrijke overblijfselen van verschroeide botten en plantenresten, direct naast vuistbijlen en andere vroeg-menselijke werktuigen die van de vertegenwoordigers van de Homo eregaster afkomstig zouden kunnen zijn. Uit de ligging van de vondsten en de structuur van de achtergebleven asresten konden de archeologen aflezen dat het vuur in de grot niet door een bosbrand was veroorzaakt, maar aangestoken werd. Uit de dikte van de aslaag bleek bovendien dat er steeds opnieuw op dezelfde plek vuur werd gemaakt.” Een passage uit Hoe wij mensen werden van Madelaine Böhme, Rúdiger Braun en Florian Beier. Nu leefde de Homo eregaster in het vroege Pleistoceen, tussen de 1,9 en 1,4 miljoen jaar geleden. Dus die stammen uit La Guerre du Feu hebben nooit ‘gezocht’ noch ‘gevochten’ om vuur. Ze konden het zelf maken, die innovatie hadden ze te danken aan die Homo eregaster.

Zonder dat vuur waren wij er, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, niet geweest. Het temmen van vuur was cruciaal voor de ontwikkeling van de mens. Cruciaal omdat beheersing van het vuur de mens bescherming bood in de nacht. Vuur houdt immers dieren op afstand. Maar belangrijker omdat vuur ervoor zorgde dat onze verre voorouders het vuur leerden te gebruiken om te koken. Böhme c.s.: “Gegaard voedsel is (…) beter en sneller te verteren en heeft meer voedingswaarde. Daardoor valt er meer energie te halen uit een portie eten. Uit zetmeel houdende  voedingsmiddelen als granen en aardappelen komt door koken dertig tot vijftig procent meer energie ter beschikking en uit eieren meer dan veertig procent extra bruikbaar eiwit.”

Resultaat hiervan: “De verkleining van de gebitselementen, de aanwijzingen voor een verbeterde beschikbaarheid van energie, de aanwijzingen voor een korter spijsverteringskanaal en het vermogen om nieuwe milieus te exploiteren ondersteunen de gedacht dat het bereiden van voedsel beslissend was voor de evolutie van Homo erectus. En, als we iets verder vooruit kijken, ook voor het ontstaan van het grote hersenvolume van de moderne mens. De grote, complexe menselijke hersenen hebben zoveel energie nodig dat het lichaam daarvoor meer dan twintig procent van de dagelijkse energiebehoefte en zestig procent van de in het bloed opgeloste glucose gebruikt, ook al maken de hersenen maar ongeveer twee procent van ons lichaamsgewicht uit. Een dergelijk luxueus orgaan kan een organisme zich alleen veroorloven als het constant voldoende brandstof tot zijn beschikking heeft.”

Zonder koken en vuur, geen groot hersenapparaat: “Tot dat resultaat kwamen Braziliaanse onderzoeksters nadat ze het eetgedrag van moderne mensapen en de energiebehoefte van de hersenen van deze dieren nauwkeurig hadden bestudeerd. Een volwassen gorilla die zich hoofdzakelijk voedt met bladeren, bloemen en vruchten, zou dagelijks meer dan twee uur langer moeten eten om een in verhouding even grote hersenmassa als de onze te verzorgen. Omdat gorilla’s sowieso al bijna acht uur lang eten en voedsel verteren is dat vrijwel onmogelijk. De dagen zijn daarvoor eenvoudig niet lang genoeg.”

Terug naar Schleichers betoog, die zich, zo vat ik het samen, inzet voor een rechtvaardige wereld. Een wereld waarin ieder wezen de mogelijkheid heeft zich te ontwikkelen naar zijn natuurlijke mogelijkheden. Hoort daar voor de mens dan niet ook de keuzemogelijkheid bij om vlees te eten? Maar dan wel vlees van dieren die ook naar hun mogelijkheden hebben kunnen leven. Waarbij een van de mogelijkheden van het leven van ieder dier is, dat het als voedsel ten prooi valt aan een ander dier.

Uitgelicht

Het waren de Duitsers! Of toch niet?

Gib mir mein fahrrad zurück.’ Mensen van mijn generatie zullen woorden van deze strekking herkennen. In onze hoofden hadden de ‘Moffen’ in de oorlog alle fietsen gejat. Nu blijkt dat, zo lees ik in een artikel op de site van Omroep Gelderland, wel mee te vallen want: “Want uit cijfers blijkt dat slechts 1 op de 30 opa’s zijn fiets kwijt zou zijn geraakt.” Dat ‘roepen’ om vooral ‘opa’s fiets’ verminderde flink na de ‘slag om Hamburg’. Die slag vond plaats op dinsdag 21 juni 1988 in wat toen nog het Volksparkstadion heette. De halve finale van de Europese kampioenschappen van 1988 tussen Nederland en West Duitsland. Nee, deze Prikker gaat niet over voetbal, maar over slavernij. De link volgt later.

File:Duitser trekken na de capitulatie uit het Gooi weg Rijdend op of lopend naast h, Bestanddeelnr 900-2893.jpg
Bron: WikimediaCommons

Niet over voetbal dus, maar toch even. Het Nederlands elftal won uiteindelijk met 2-1 van de ‘aardsvijand’. ‘We’ waren veel beter maar kregen de bal er niet in. En toen de 54ste minuut liet de über-Duitser Völler zich in het strafschopgebied vallen. Strafschop en de nog Duitser dan Duitse Matthäus benutte dit buitenkansje. Het leek erop alsof we alweer het schip in zouden gaan. Tot onze held Van Basten in de 73ste minuut ‘onderuit werd geschoffeld’ door de Duitse killer Kohler. Koeman benutte de strafschop. En toen kwam het geniale moment: steekpass van Wouters, Van Basten was Kohler te snel af en gleed de bal achter de Duitse keeper Immel. En om even te rijmen: waren we ‘im Himmel’.

Zo, tot zover het voetbal. Behalve dan dat ‘we’ vier dagen later de finale wonnen tegen de inmiddels niet meer bestaande Sovjet Unie. Slavernij en vooral de omgang met het Nederlandse slavernijverleden houdt de gemoederen flink bezig. Daarbij valt de aandacht voor de bestrijding van hedendaagse vormen van slavernij behoorlijk in het niet. Wie heeft er ‘schuld’ en hoe moeten we daarmee omgaan? Moeten er ‘herstelbetalingen’ komen? Maar wie moet dan aan wie betalen? Die hele discussie spitst zich toe op de ‘trans-Atlantische slavernij’. Maar als er toch excuses moeten komen en iets betaald moet worden aan slachtoffers, dan moeten we dat goed uitzoeken. Bij Joop schreef Han van der Horst al op een ietwat satirische manier over de moeilijkheden die zich hierbij voor kunnen doen.

Nu is slavernij, in tegenstelling tot wat velen tegenwoordig lijken te denken, al zeer oud. Hoe oud weten we niet precies. En als we iemand ‘aansprakelijk’ moeten stellen, dan moeten we wel de juiste hebben. Daarom even de etymologische geschiedenis van het woord slaaf. “Het woord slaaf is afgeleid van de benaming van een volk afkomstig van de Balkan, de Slaven,” zo schrijft Stieneke Ritzema op de site geschiedenisbeleven.nl. Ze vervolgt: “Dat de volken op de Balkan Slavische volken genoemd worden, gaat terug op hun eigen taal. Het Oudkerkslavische woord slovo betekent woord of spraak. Wie Slavisch is, is dus lid van de Slavische taalgemeenschap, oftewel van het Slavische volk.” De Slaven, een volk dat: “Oorspronkelijk afkomstig (is) uit de gebieden rond de Pripjat-moerassen (Zuidelijk Wit-Rusland/Noord-Oostelijk Oekraine), waaierden deze volkeren tijdens de grote volksverhuizingen in de overgang van oudheid naar vroege middeleeuwen (5e eeuw) uit over Europa,” zo is te lezen op Geschiedenis-online. Tot de Slavische bevolking horen de Oost-Slaven (de (Wit-)Russen en de Oekraïners), de West-Slaven (Polen, Tsjechen, Roethenen en Sorben) en de Zuid-Slaven (Bulgaren, Macedoniërs, Kroaten, Serven en Bosniërs).

Dus als zij aan de basis staan van het woord, moeten we hen dan maar aansprakelijk stellen? Dat zou wel erg pijnlijk zijn. De Slaven werden namelijk tot slaaf gemaakt. Dat de Slaven de naamgevers zijn van ons woord voor slaaf laat in ieder geval zien dat slaven ook een blanke huid konden hebben. Ze werden tot slaaf gemaakt door … de Duitsers. Na de dood van Karel de Grote viel zijn rijk uiteen in drie delen. Ieder van zijn drie zonen kreeg een deel. Lodewijk (de Duitser) kreeg het oostelijke deel. Hij en zijn opvolgers zochten de uitbreiding van het rijk, net als meer dan duizend jaar later, vooral in het oosten. In het westen zaten immers zijn broers en hun nakomelingen. Zij vielen het gebied van de Slaven binnen. En bij dat binnenvallen deden ze wat iedere ‘overvaller’ deed, de mensen die in het gebied wonen vangen en hen dwingen om onbetaald werk te verrichten. De naam van het overvallen volk, werd zo ook de naam voor een persoon die gedwongen onbetaald werk moest verrichten. Zo komen we wij aan het woord slaaf. Dus net als aan ‘opa’s fiets’ zijn de Duitsers ook schuldig aan slavernij?

Ook dat gaat te ver. De Duitsers deden wat iedereen in die tijd deed. Dat zij mede aan de basis liggen van het woord slaaf, wil niet zeggen dat zij de slavernij uitvonden. De oude Grieken kenden immers ook slaven. Hun woord voor slaaf was δούλος, doulos. Net zoals de oude Romeinen er een woord voor hadden, namelijk servus. Zo kende iedere taal een woord voor slaaf. Daarmee komen we dus niet verder. Alhoewel niet verder? Als iedere taal een woord voor ‘slaaf’ heeft, zou dat niet kunnen dat slavernij overal voorkwam? Dat iedereen het risico liep om ‘tot slaaf gemaakt’ te worden? Als dat zo is, wie is dan dader en wie slachtoffer?

Uitgelicht

Institutioneel racisme! Of toch niet?

“Ik zat in de afrondende fase van mijn opleiding en zou aan het werk zijn als verloskundige in dezelfde praktijk in de periode dat zij zou gaan bevallen. Haar eis om mijn ontslag kwam voort uit haar voorwaarde om niemand in haar buurt te willen die een hijab draagt.” Dit schrijft Pia Sophia in een artikel op de site Dipsaus. En liet dat volgen door: “Mijn opdrachtgever kwam niet voor me op en vertelde mij dat ik moest leren leven met het feit dat “discriminatie nou eenmaal voorkomt.”” Dit is, aldus Sophia, een van de voorbeelden van institutioneel racisme.  Een bijzondere casus waarbij ik alweer moest denken aan Hannah Arendt.

Beschuit, Muisjes, Geboorte, Kraamweek, Jongetje
Bron: Pixabay

In de bundel Verantwoordelijkheid en oordeel zijn toespraken en colleges van Arendt gebundeld die handelen over juist die twee woorden. Aan één van die artikelen moest ik denken bij het lezen de passage uit Sophia’s artikel. In de bundel een essay uit 1959 met als titel Overpeinzingen bij Little Rock. Even voor degenen die het niet weten. In 1957 moest een middelbare school in  Little Rock, de hoofdstad van de Amerikaanse staat Arkansas, negen zwarte leerlingen toelaten. Dit omdat de Hoge Raad had geoordeeld dat de school deze negen leerlingen niet mocht weigeren. Een uitspraak van de hoogste rechter, en dat is de Hoge Raad in de Verenigde Staten, moet gestand worden gedaan. Dat was echter tegen het zere been van gouverneur Faubus van de staat, die stuurde de Nationale Garde om dit te verhinderen. Daarop kon president Eisenhower niets anders dan ingrijpen. Hij stuurde de 101e luchtlandigsdivisie en gaf hen de opdracht de negen kinderen te beschermen en ervoor te zorgen dat ze de school konden bezoeken. Dit gebeuren was voor Arendt aanleiding tot haar overpeinzingen.

In haar overpeinzingen onderscheidt Arendt drie werelden of sferen: de privé sfeer, de sociale sfeer en de politieke sfeer. Binnen die drie werelden bekijkt ze de rol van gelijkheid. Over de privé sfeer zegt ze het volgende: “… -het gebied van het privé leven – wordt noch door gelijkheid noch onderscheid maken beheerst, maar door exclusiviteit. Hier kiezen we de mensen met wie we ons leven willen doorbrengen, namelijk persoonlijke vrienden en mensen van wie we houden; en onze keuze wordt niet bepaald door overeenkomst of kwaliteit die door een groep mensen worden gedeeld – ze wordt zelfs niet bepaald door welke objectieve maatstaven en regels dan ook – maar richt zich, onverklaarbaar en onfeilbaar, op één persoon in zijn of haar uniciteit, zijn anders zijn dan alle andere mensen die we kennen.” Als ik Arendt goed begrijp dan kan er in de privé sfeer geen sprake zijn van discriminatie. Een duidelijk en begrijpelijk betoog. In de privé sfeer zoekt een ieder zijn eigen passende begeleiding.

Dan het andere uiterste, de politieke sfeer. In de politieke sfeer is, zo betoogt Arendt, gelijkheid absoluut. Het is “haar innerlijke principe.” In het politieke domein: “daar zijn we allemaal gelijk.” Die gelijkheid wordt: “in de eerste plaats geconcretiseerd in het stemrecht; volgens dat recht staan het oordeel en de mening van de hoogst geplaatste burger op één lijn met het oordeel van de persoon die nauwelijks kan lezen en schrijven.” Integraal onderdeel van die gelijkheid is: “Passief kiesrecht of het recht voor een ambt te worden gekozen.” Ook dit is een duidelijk en begrijpelijk betoog.

Als laatste het sociale sfeer, de samenleving. Dit is het domein dat we instappen als we ons huis verlaten. De samenleving: “is dat merkwaardige, wat hybridische gebied tussen het politieke en het persoonlijke waarin sinds het begin van de moderne tijd de meeste mensen het grootste deel van hun leven hebben doorgebracht.” En wat gelijkheid is voor de politieke sfeer, is discriminatie voor de samenleving, zo betoogt Arendt. Discriminatie niet in haar betekenis van achterstellen, maar in haar betekenis van onderscheid maken. Naar die sfeer worden we gedreven: “door (de) noodzaak in ons onderhoud te voorzien, ertoe aangetrokken door het verlangen onze talenten te ontplooien of ertoe aangelokt door het genoegen van gezelschap.” Daarbij kiezen we ons gezelschap, daarbij worden we, zoals Arendt het schrijft: “onderworpen aan het aloude adagium ‘soort zoekt soort’, dat het gehele domein van de samenleving in zijn oneindige variëteit van groeperingen en sociale verbanden beheerst.” Je gaat op voetbal en wel bij die club omdat de mensen daar het beste bij je passen. Je gaat naar een concert van band x omdat die muziek bij je past. De spiegel daarvan is dat een vereniging je mag weigeren. Zo zul je bij de naaktzwemclub worden geweigerd als je per se een boerkini aan wilt. Net zoals je wordt geweigerd als je in je nakie bij de boerkinie zwemclub wilt. Zo mag, zoals enkele jaren geleden in Noord-Ierland, een bakker weigeren een taart met daarop de slogan ‘steun het homohuwelijk’ te bakken voor een huwelijk van twee mannen. Net zoals de bakker ook geen taart hoeft te bakken voor iemand die ‘eigen volk eerst’ erop wil. Dit weigeren gaat volgens Arendt niet op voor: “diensten die, of ze nu particulier of publiek eigendom zijn, in feite openbaar zijn, diensten die iedereen nodig heeft om zijn zaken te behartigen en zijn leven te leiden. Al behoren deze diensten niet strikt tot het politieke domein, ze bevinden zich wél in het publieke domein waar alle mensen gelijk zijn”. Daar waar de bakker mag weigeren een taart met spreuk te bakken, mag het busbedrijf niet weigeren iemand te vervoeren. Ook deze redenering kent een te begrijpen logica.

Als we met Arendts bril naar Sophia’s voorbeeld kijken, hoe zou Arendt dit voorbeeld beoordelen? Dan staat de zwangere vrouw in haar recht om Sophia te weigeren als verloskundige. De verloskundige betreedt immers de privé sfeer van de betreffende vrouw. Dat zij een publieke functie vervult doet daar niets aan af. Het is aan de patiënt om de arts te kiezen en dus ook aan de zwanger vrouw om een verloskundige te kiezen. Haar motieven, of die nu racistisch, godsdienstig of persoonlijk van aard zijn doen hierbij niet ter zaken. Sterker nog, de zwangere vrouw hoeft haar motieven niet eens te geven. ‘Jou niet’ is al voldoende. Dubieus is het verzoek van de zwangere vrouw om Sophia te ontslaan om zo te voorkomen dat Sophia toch bij de geboorte van het kind van de vrouw is. Een zwangere vrouw gaat niet over het personeelsbeleid van een verloskundigenpraktijk.

Dan de werkgever die haar, aldus Sophia, onvoldoende steunde en haar vertelde dat ze maar moest ‘leren leven met het feit dat discriminatie nou eenmaal voorkomt.’ Als ik het artikel goed begrijp, heeft de werkgever haar niet ontslagen en heeft Sophia de betreffende mevrouw niet geholpen bij de bevalling, maar heeft de werkgever daar een andere medewerker naartoe gestuurd. Ook de werkgever heeft niets verkeerd gedaan. Hij heeft de wens van de zwangere mevrouw gerespecteerd. Wat hij wat handiger had kunnen doen, is dit met Sophia bespreken. Daarbij had Arendts betoog hem zeker kunnen helpen.

Uitgelicht

De korte toekomst van de Marshalleilanden

“Tegenwoordig wordt vrijwel algemeen aanvaard dat we auto’s moeten produceren om banen te behouden en niet om ervoor te zorgen dat mensen zich kunnen verplaatsen.” Aldus Hannah Arendt in de toespraak Wrange vruchten. Nu is dat ‘tegenwoordig’ van Arendt, 1975, alweer 45 jaar geleden. Ik moest aan deze passage denken toen ik de documentaire The final years of Majuro bekeek. Een documentaire over de recente geschiedenis, maar vooral over de nabije toekomst van de Marshalleilanden. Ik moest aan deze passage denken omdat Arendt in deze toespraak enkele nu ook nog zeer actuele zaken aan de orde stelt. Actuele zaken met betrekking tot economische theorieën en het handelen van onze politieke leiders. Handelen waarbij, en daar doelt Arendt op, het onduidelijk is wat doel en wat middel is.

File:Operation Crossroads Baker Edit.jpg
Atoomproef op Bikini. Bron: United States Departement of Defence (WikimediaCommons)

Arendt hield haar toespraak ter gelegenheid van het tweehonderdste verjaardag van de Republiek van de Verenigde Staten en, aldus Arendt: “ik ben bang dat we daarvoor geen minder geschikt moment hadden kunnen kiezen.” Wat dat moment zo ongeschikt maakte: “De Crises van de Verenigde Staten, van deze regeringsvorm en van haar grondwettelijke vrijheden, hebben we al tientallen jaren lang kunnen opmerken. Sinds Joe McCarty heeft ontketend wat tegenwoordig op ons de indruk van een mini-crisis maakt.” De McCarty periode werd snel vergeten: “maar het gevolg ervan was de vernietiging van een betrouwbaar en toegewijd ambtenarenapparaat.”  Daarna volgden de oorlog in Vietnam, de Pentagon-papers en het Watergate schandaal. Bovendien lag de Amerikaanse economie behoorlijk op haar gat. Daarom was het moment van de viering van de tweehonderdste verjaardag zo weinig geschikt. Nu kon Arendt niet weten dat de bodem nog niet was bereikt. De ayatollahs waren nog niet aan de macht in Iran. De VS waren Grenada nog niet binnengevallen. Het Iran-Contra schandaal was nog niet eens in de maak, laat staan de hetze tegen Saddam Hoessein en alle ellende die daaruit voortkwam. De Twin-Towers stonden nog fier overeind. En Trump, die was nog lang geen president. Hij moest zijn eerste stappen op de vastgoedmarkt nog zetten. Maar ik dwaal af: doel en middel.

De documentaire laat zien hoe de atollen van de Marshalleilanden in de Koude oorlog zijn gebruikt als frontlinie. Frontlinie omdat op één van atollen van de eilandengroep meer dan zestig atoombommen tot ontploffing werden gebracht. Het eiland Bikini. Ja, de naamgever van … . En nu staan de eilanden in de frontlinie tegen de klimaatverandering. Als de gemiddelde temperatuur op Aarde met meer dan anderhalve graad stijgt, dan verdrinken de eilanden. De documentaire laat zien wat de klimaatverandering nu al voor de eilanden en haar bewoners betekent en de strijd van de eilandbewoners tegen hun gedoemde lot.

Nu weer terug naar Arendts toespraak. “Inefficiëntie [is verheven tot] nationale doelstelling,” en laat dit volgen door: “en wat in dit speciale geval een boemerangeffect heeft gehad is de koortsachtige en helaas zeer succesvolle politiek van het ‘oplossen’ van zeer reële problemen met behulp van slimme trucs, die slechts succesvol genoeg zijn om de problemen tijdelijk te laten verdwijnen.” Door het corona-virus gaat het niet goed met de economie. Nu lijkt het mij vreemd dat het met een imaginair construct, een van die spinsels in het verzinnen waarvan onze hersenen uitblinken, slecht kan gaan. Ik zou zeggen dat het slecht met mensen gaat. Dat even terzijde. Alhoewel terzijde? Als je onze politici hoort, dan maken zij zich ‘zorgen om de economie’. Die raakt in een ‘crisis’ maar welke vorm een U, V of W-crisis, dat weten ze nog niet. Wat ze wel weten, is dat de economie ondersteund moet worden. Er moet beleid worden ontwikkeld dat ervoor zorgt de economie weer gaat ‘draaien’. Bedrijven zoals de KLM, Booking.com en veel andere moeten worden ondersteund. Want: de werkgelegenheid moet worden behouden. Of hetgeen die bedrijven produceren werkelijk nuttig is, doet niet ter zaken, als ze maar produceren. Want alleen als ze produceren, behouden we banen. Als we een crisis verder teruggaan dan komen we uit bij de kredietcrisis. Ook ten tijden van die crisis moest de economie worden gered. Toen in de persoon van de banken. Die waren zo belangrijk voor de economie dat ze ‘too big to fail’ waren.                

De economie als doel, dat is wat we uit de monden van onze politieke leiders horen. Arendt: “De functie van Madison Avenue (een straat waaraan van oudsher veel reclamebureaus gevestigd zijn) is helpen bij de distributie van de koopwaar, en het oog van de reclamemaker is steeds minder gericht op de behoeften van de consumenten en steeds meer op de behoefte van de koopwaar om in steeds grotere hoeveelheden te worden geconsumeerd.” Met andere woorden, op de markt draait het niet meer om de behoefte bevrediging van de consument, maar om die consument nieuwe producten aan te smeren waaraan, in de basis, geen behoefte is.

Gevolg hiervan? Arendt: “Als overvloed en meer dan overvloed de oorspronkelijke doelstellingen waren van de droom van Marx over een klasseloze maatschappij, waarin het natuurlijke overschot aan menselijke arbeid – dat wil zeggen het feit dat arbeid wordt verricht op basis van menselijke behoeften altijd tot een grotere productie leidt dan nodig is voor het individuele levensonderhoud van de arbeider en zijn gezin -, dan leven we nu in de verwerkelijking van de socialistische en communistische droom, afgezien van het feit dat die droom de wildste fantasieën  van zijn maker heeft overtroffen door de vooruitgang van de technologie, waarvan automatisering voorlopig het laatste stadium is, de prachtige droom is veranderd in iets wat op een nachtmerrie lijkt.” 

Een nachtmerrie die draait op de productie en consumptie van veelal nutteloze producten waarmee we niet kunnen stoppen omdat anders het hele bouwwerk (de economie) instort. Een nachtmerrie voor onszelf omdat we onze leefomgeving ermee verzieken. Een nachtmerrie die leidt tot grote ongelijkheid waarmee we onze samenleving verzieken op een manier die Karl Marx goed heeft beschreven in zijn  boek Het kapitaal. Een nachtmerrie vol wrange vruchten voor binnenkort landloze inwoners van de Marshalleilanden. Een nachtmerrie waarbij het middel doel is geworden en het doel verloren is gegaan.

Uitgelicht

De vos, de lama en het racismegesprek

Volgens Vera Mulder van De Correspondent is het gesprek over racisme te simpel: “Frustratie, gevaar, perceptie, onwetendheid, intentie, emotie; allemaal inherent aan het gesprek rond racisme, maar vind er maar eens je weg doorheen. Ze compliceren praten over racisme en dat zorgt er ironisch genoeg voor dat het gesprek zélf vaak oppervlakkig blijft, versimpeld wordt zodat het makkelijk is om kanten te kiezen, dingen te vinden.” Daarom heeft zij met een collega een leeslijst gemaakt om dat gesprek beter te kunnen voeren. Ik denk dat er iets anders aan de hand is.

astronomie, achtergrond, sterrenbeeld, kosmos, donker, mist, sterrenstelsels, oneindigheid, lange blootstelling, Melkweg, humeur
Zoek de vos en de lama. Bron: https://www.pikist.com/free-photo-srqzb/nl

Dat ik nu deze tekst typ en dat u, mijn lezer, deze nu leest, dat doet u bewust. Dat is een bijzondere eigenschap van onze hersenen. Hersenen die Tom Phillips in zijn boek De mens. Een kleine geschiedenis van onze grootste fuck-ups beschrijft als: “… een uiterst opzienbarende machine. We kunnen patronen zien in onze omgeving en daaruit alles opmaken over de wereld en hoe die werkt. We kunnen ons een complex beeld vormen dat meer inhoudt dan wat we met eigen ogen kunnen zien. Vervolgens kunnen we op basis van dat mentale beeld allerlei gedachtesprongen maken en ons veranderingen in de wereld voorstellen die onze situatie kunnen verbeteren. We kunnen die ideeën bespreken met onze medemensen, zodat anderen er verbeteringen aan kunnen toevoegen die we zelf nog niet hadden bedacht zodat kennis en uitvindingen een gemeenschappelijk project worden dat we van generatie op generatie kunnen doorgeven. Vervolgens kunnen we anderen overhalen om samen te werken aan een plan dat voorheen alleen in ons hoofd bestond, en daarmee kunnen we doorbraken bereiken die niemand in zijn eentje zou kunnen maken.”

Van het gros van het werk van onze hersenen zijn we ons echter niet bewust. Tijdens dit typen en voor u het lezen, doen onze hersenen nog veel meer. Ze zorgen ervoor dat onze darmen doorwerken, dat het hart blijft pompen, dat we blijven ademen, dat de lever haar werk doet enzovoorts. Dat gebeurt allemaal op de ‘automatische piloot’. Sterker nog, het gros van dat werk kunnen we zelfs niet ‘bewust’ aansturen. Het immuunsysteem reageert op binnendringende virussen zonder dat ik weet dat ze zijn binnengedrongen. Pas als ik ziek wordt, ben ik me ervan bewust dat er iets is ‘binnengedrongen’. Mijn hersenen wisten dat echter al veel langer. Die waren al veel eerder bezig met het organiseren van mijn ‘verzet’.

Dat is echter niet het enige wat onze hersenen onbewust doen. Sterker nog, de overgrote meerderheid van alle beslissingen die we als mens nemen, gebeuren op de automatische piloot. Die automatische piloot zorgt ervoor dat we iets gedaan krijgen. Als we die niet hadden en alles moesten over- en doordenken alvorens we zouden handelen, dan waren we allang uitgestorven. Dan was het ons nooit gelukt om al die roofdieren die het op ons hadden gemunt te weerstaan. Gegrom betekende ‘wegwezen’ en niet eerst overleggen of het een beer, leeuw, tijger of lynx was en vervolgens, afhankelijk van de conclusie die we trokken, besluiten wat te doen.

In onze moderne samenleving levert dat echter de nodige problemen op. Die ‘automatische piloot’ bepaalt ook onze eerste indruk die we van medemensen hebben. En die indruk kan ons behoorlijk misleiden. Onze hersenen bepalen die eerste indruk namelijk op het ‘vriend -vijand-’ of ‘veilig-onveiligschema’. Dit gebeurt onbewust op basis van de overeenkomsten en verschillen tussen jou en degene die je ontmoet. Hoe meer overeenkomsten, hoe meer kans op ‘vriend’ of ‘veilig’ en omgekeerd.

In zijn boek Ons feilbare denken noemt Daniel Kahneman die automatische piloot ‘systeem 1’ en dit zet hij af tegen ‘systeem 2’. “Systeem 1 werkt automatisch en snel, met weinig of geen inspanning en gevoel van controle. Systeem 2 omvat bewuste aandacht voor de mentale inspanningen die worden verricht waaronder ingewikkelde berekeningen. De werking van systeem 2 wordt vaak gekoppeld aan subjectieve ervaring van handelingsvermogen, keuze en concentratie.” Systeem 2 vraagt aandacht, je moet je concentreren en focussen. Van dergelijke activiteiten kunnen onze hersenen er maar één tegelijk uitvoeren. Dit in tegenstelling tot systeem 1, dat draait om multitasken. Die eerste indruk wordt gevormd met systeem 1 en die indruk toetsen of het werkelijk zo is, moet met systeem 2 en dat kost tijd en moeite en dan gaat het nog wel eens fout.

Onze ‘grijze massa’ is namelijk geen perfect functionerende machine. En eigenlijk is het zelfs niet één machine, het zijn er meerdere. Meerdere hersenendelen, in totaal 21, die ons samen maken tot wat we zijn. Onze hersenen zijn, in de woorden van Phillips:  “… niet het resultaat van een afgewogen ontwerpproces dat als doel had de best mogelijke denkmachine te creëren, maar eerder bestaan (ze) uit een los-vaste verzameling lapmiddelen, broddelwerk en afstekertjes die onze verre voorzaten twee procent beter maakten in het vinden van voedsel of drie procent beter in het communiceren van dingen als: ‘O shit, pas op, een leeuw.’” Nee, verre van dat zelfs. Ja, onze hersenen zijn goed in het zien van patronen. Maar, aldus Phillips: “Het probleem daarmee is dat onze hersenen daar zo op zijn gebrand dat ze overal patronen gaan zien, zelfs waar ze helemaal niet zijn.” Dat kan heel onschuldig: “… als je alleen maar ’s nachts naar de sterren wijst en iets roept als: ‘O, kijk, dat is een vos die achter een lama aanzit.’” Het wordt problematisch aldus Phillips: “Zodra het imaginaire patroon dat je ziet (…) iets wordt als: ‘De meeste misdrijven worden gepleegd door een bepaalde etnische groep’. Als dus het bekende spreekwoord over de hamer en de spijkers haar intrede doet.

Het gesprek over racisme lijkt een gesprek tussen aan de ene kant ‘activisten’ die overal ‘(institutioneel) racisme en racisten’ zien en aan de andere kant mensen die wellicht ‘vossen achter lama’s’ zien rennen maar geen achterstand en zeker geen racisme. En zoals meestal, ligt de waarheid ergens in het midden. Alleen loop je in dat midden grote kans om als spijker te worden gezien door de beide zijden. Ik denk dat het gesprek over racisme daarom geen diepgang krijgt en we niet tot oplossingen komt.

Uitgelicht

Witwasprogramma

“‘Ik zie geen kleur.’ Zeven jaar geleden zei ik zelf nog vol overtuiging als het over racisme ging. Nu, zeven jaar later, schaam ik me als ik het teruglees. En schaam ik me plaatsvervangend als ik het iemand hoor zeggen.” Zo begint een artikel van Rob Wijnberg bij De Correspondent. In het artikel legt Wijnberg uit wat hij heeft geleerd van het: “luisteren naar wat mensen die er daadwerkelijk ervaring mee hebben erover zeggen.” Nu gaat het mij niet om Wijnbergs verandering van gedachten, maar om een reactie van OluTimehin Adegbeye. Zij schrijft voor de Amerikaanse versie The Correspondent. Ik moest een paar keer slikken toen ik las wat ze schreef.

WORD LEADERS ARE BRAINWASHING ALL MANKIND" | Um... WORLD LE ...
Bron: Flickr

Adegbeye in haar reactie: “And because of the way racism functions, white people are socialised to dismiss, disbelieve or discredit the ideas and words of black people or people of colour.” Daar wordt nogal wat beweerd: ‘door de manier waarop racisme werkt, zijn blanken gesocialiseerd om ideeën en woorden van mensen met een andere huidskleur ter zijde te schuiven, niet te geloven en in diskrediet te brengen.’ Blanken worden dus gehersenspoeld door racisme? En het wordt niet geformuleerd als een vraag, nee het wordt geponeerd als een feit.

Zoals menigeen terecht beweert, moet je over racisme niet debatteren, je moet het bestrijden. Wat we echter wel moeten bestrijden zijn de bijzondere theorieën die de, om ze zo maar te noemen, activisten hanteren. Wat hebben we al voorbij zien komen? In mijn vorige Prikker besteedde ik aandacht aan de bijzondere redenering dat racisme door zwarte mensen tegen blanken niet bestreden hoeft te worden. Al meer dan eens heb ik het bijzondere ‘culturele archief’ van Gloria Wekker besproken. Recentelijk nog in een Prikker met die naam. Of het gemak waarmee achterstanden van mensen worden verklaard door ‘racisme’ te roepen. Ook de sociale theorie van de ‘intersectionaliteit’ heb ik al meer dan eens van kritische kanttekeningen voorzien. Helaas wordt kritiek op hun theorie door de aanhangers ervan meestal geïnterpreteerd als een bevestiging van hun gelijk. Een bevestiging die een inhoudelijke reactie op de kritiek niet meer nodig maakt. En ook het gebruik om ‘op de man’ te spelen door niet op de kritiek in te gaan maar de degene die de kritiek levert te diskwalificeren.

Agdebeye gaat nog een stapje verder. Ze beweert dat blanken worden gehersenspoeld om mensen met een andere huidskleur in diskrediet te brengen en aan de kant te schuiven. Wie heeft dan dat, om het zo te zeggen, ‘witwasprogramma’ bedacht waarmee de blanken worden gehersenspoeld? En, wanneer is dat bedacht en ingevoerd? Nee, ik vrees dat deze theorie gewoon in het rijtje met de ‘5G en corona’, ‘pizzagate’ en de ‘flat earthers’ past. En wat bijzonder is, niemand van haar mede-correspondenten bevraagt haar hierover en stelt wat zij zegt ter discussie.

En wat het echt bijzonder maakt. Agdebeye maakt deze opmerking in een gesprek over racisme. Grenst haar opmerking niet aan racisme? Worden blanken hier niet gestigmatiseerd?

Uitgelicht

Racisme bestrijden door het te tolereren?

Schiet mij maar lek. Ik begrijp het niet meer’. Dat dacht ik toen ik een artikel van de Keniaans-Nigeriaanse schrijfster Valerie Ntinu bij OneWorld las. Dat dacht ik bij het lezen van de zin: “Desondanks weiger ik de uitingen van scepsis en twijfel van een achterdochtig zwart publiek, dat hoogstwaarschijnlijk door witte suprematie is benadeeld, te bekritiseren.”  Ntinu heeft een blanke vriend en krijgt van zwarte mensen hierover vaak te horen: “Hoe kon je?” Of: “Hij zal je leven verwoesten.”

circular reasoning works because
Bron: https://freesvg.org/circular-reasoning-works-because

Racisme en discriminatie staan vol in de aandacht en je kunt geen scheet meer laten of de kleur (of bij een scheet liever de geur) ervan wordt besproken. In de gesprekken, discussie en debatten erover moet vooral het licht gekleurde (blanke) deel van de bevolking het ontgelden. Zij houden een ‘institutioneel racistisch’ systeem in stand dat is gebaseerd op een ‘cultureel archief’ dat iedereen met racisme indoctrineert. Dit om het ietwat overdreven maar scherp te stellen. Bij dit vertoog heb ik in verschillende Prikkers al de nodige kanttekeningen geplaatst. Dat heb ik ook op diverse sites in discussies gedaan. Omdat mijn kanttekeningen niet in het vertoog van velen die zich ‘activist’ noemen passen, krijg je het nodige naar je hoofd geslingerd. Van cirkelredeneringen zoals: ‘door je ontkenning van je ‘witte privilege laat je zien dat je dat privilege hebt, want door het te ontkennen heb je het’ tot verwijten van ‘xenofobie’.

Blanke mensen die Ntinu en haar vriend verkeerd behandelen, krijgen een veeg uit de pan. Immers: “De schaamteloze staarders en ongevraagde commentators zijn meestal oudere witte stellen, achterdochtige winkelbedienden of baldadige dronkaards. Ik weet nog goed hoe een witte man in een Berlijnse metro ‘ebola’ tegen me schreeuwde en tegen mijn vriend, toen hij zich erin mengde, zei: “Waarom verdedig je haar? Ben je een jood?” Wij reageren met onverschilligheid, rollende ogen of, in dit geval, mijn middelvinger vergezeld door een aantal krachtige woorden van zowel mijn vriend als mijzelf.” Of de manager in de brillenwinkel waar u het over heeft: “Terwijl we door de winkel liepen, merkte ik dat de manager ons zonder iets te zeggen volgde. Als zwart persoon groei je op met dergelijke verhalen, die soms worden gebracht als een soort inwijdingsritueel, waar je desondanks nooit echt op voorbereid bent wanneer het je uiteindelijk zelf overkomt. Ik gaf mijn partner de opdracht een paar stappen bij me vandaan te zetten om te beoordelen wie ze precies volgde, hem of mij. Toen hij wegliep, bleef ze bij mij in de buurt, wat voor mij genoeg aanleiding was om haar te confronteren. Hierop beweerde ze heel zelfverzekerd dat ze dit deed omdat ze niet wilde dat haar winkel werd beroofd. We beschuldigden haar ervan onwetend, dwaas en racistisch te zijn. Zulke mensen zijn, net als de meeste witte racisten, onnadenkend en slecht geïnformeerd. Ze bewijzen dat een gevoel van onzekerheid vaak samengaat met een witte-superioriteitscomplex.” Terecht dat Ntinu daar wat van zegt en zich hierover uitspreekt. Al zou ik dat niet op een beschuldigende manier doen, maar op een vragende manier. Behalve dan die baldadige dronkaards, die zou ik negeren.

Maar vanwaar dat begrip voor zwarten die een blanke vriend racistisch benaderen? Als racisme moet worden bestreden, en dat moet het, dan moet alle racisme worden bestreden. Dus ook racisme door zwarte mensen jegens blanken. Het argument dat het: “een achterdochtig zwart publiek, dat hoogstwaarschijnlijk door witte suprematie (…) benadeeld (is),” mag geen reden om dergelijk racisme te tolereren. Immers, als het echt zo is als de theorie van ‘witte suprematie, onschuld’ et cetera beweert, dan zijn ook die ‘blanke racisten’ slachtoffer van die theorie. Waar komt de idee vandaan dat door het bestrijden van zwart racisme: “het trauma dat zwarte mensen in Nederland, Europa en Afrika door toedoen van witte elites en instellingen ervaren, zou bagatelliseren of zelfs ontkennen?” Dus om het trauma dat zwarte mensen ervaren te erkennen, moeten we racisme tolereren? Om de uitspraak gedaan door een Amerikaanse officier tijdens de Vietnamoorlog over het vernietigen van het dorp om het te redden, te parafraseren: ‘om racisme te bestrijden moeten we racisme tolereren.’

Uitgelicht

Schuld en verantwoordelijkheid

“Er bestaat zoiets als verantwoordelijkheid voor dingen die je niet hebt gedaan: je kunt ervoor aansprakelijk worden gesteld. Maar er bestaat niet zoiets als schuldig zijn aan of je schuldig voelen over dingen die zijn gebeurd zonder dat je daar zelf actief aan hebt deelgenomen. Dit is een belangrijk punt, waard om luid en duidelijk te worden gesteld op een tijdstip waarop zoveel weldenkende progressieve blanken bekennen dat ze zich schuldig voelen ten aanzien van de problemen van zwarten.” Een zeer actuele uitspraak. Toch zijn dit de eerste zinnen van een lezing die de filosofe Hannah Arendt op 27 december 1968 gaf op een conferentie van de American Philosophical Society. Een lezing met als titel Collectieve verantwoordelijkheid. Een ook nu, nu er flink wordt gedebatteerd over racisme, slavernij en kolonialisme, een zeer actuele lezing.

De bundel waarin de toespraak Collectieve verantwoordelijkheid is opgenomen. Eigen foto

Arendt maakt onderscheid tussen schuld en verantwoordelijkheid. Schuldig ben je alleen voor daden die jezelf hebt begaan. Schuld “zondert (…) je altijd af; zij is strikt persoonlijk.” Als iedereen schuldig is dan is er niemand schuldig, zo betoogt Arendt: “We zijn allemaal schuldig,” zo was, aldus Arendt, de eerste reactie van de Duitsers op hetgeen het nazi-regime de joden had aangedaan. Die uitspraak, zo betoogt zij: “die op het eerste gehoor zo aanlokkelijk klonk,” heeft: “in feite alleen maar gediend om mensen die werkelijk schuldig waren in aanzienlijke mate van blaam te zuiveren. Waar iedereen schuldig is treft niemand blaam.”  

Je kunt wel verantwoordelijk zijn voor daden die je niet hebt begaan. Er is dan sprake van collectieve verantwoordelijkheid. Van collectieve verantwoordelijkheid is sprake als er aan twee voorwaarden is voldaan: “ik moet verantwoordelijk worden gehouden voor iets wat ik niet heb gedaan en de reden van mijn verantwoordelijkheid moet mijn lidmaatschap zijn van een groep (een collectief) dat door geen enkel vrijwillig ingrijpen van mezelf tenietgedaan kan worden, dat wil zeggen een lidmaatschap dat in niets lijkt op een zakelijk partnerschap dat ik naar believen kan beëindigen.” Om duidelijk te maken wat collectieve verantwoordelijkheid niet is, geeft Arendt een voorbeeld van duizend geoefende zwemmers op een strand die een verdrinkende man niet te hulp schieten. Die duizend zijn niet collectief verantwoordelijk omdat er geen sprake is van een groep waarvan zij lid zijn. Toch kunnen zij schuldig zijn aan het verdrinken. Daarover kan een rechter in een rechtszaak beslissen, maar dan moet die schuld per individu worden aangetoond.

Collectieve verantwoordelijkheid is daarmee, zo betoogt Arendt, altijd politiek van aard: “of het zich nu voordoet in de oudere vorm, waarbij een gemeenschap de verantwoordelijkheid op zich neemt voor wat een van haar leden gedaan heeft, of in vormen waarin een gemeenschap verantwoordelijk wordt gehouden voor wat in haar naam is gedaan.” Deze laatste vorm kennen we als de politieke verantwoordelijkheid van een minister of de hele regering voor daden van eerdere ministers en regeringen.

Wat zien we, als we met de ogen van Arendt naar de huidige discussie kijken? Als eerste is er niemand in het huidige Nederland schuldig aan de trans-Atlantische slavenhandel. Dat wil niet zeggen dat er niemand schuldig is aan slavernij. Ook tegenwoordig kennen we immers nog slavernij en mensenhandel en als we die nog kennen, dan maken er zich ook mensen aan schuldig.

Wat we ook zien is dat activisten rond Sylvana Simons en Gloria Wekker spreken van schuld. Door te spreken over ‘wit privilege’ en ‘witte onschuld’ leggen zij een collectieve schuld neer bij blanken. Zij wijzen iedereen met een blanke huidskleur als schuldig aan racisme aan. Als Arendt het bij het rechte eind heeft, dan helpen ze daar de echte racisten mee. Die kunnen zo schuilen in de groep ‘blanken’. En die groep voelt zich, voor het overgrote deel terecht, niet aangesproken. Zij maken zich niet ‘schuldig’ aan racisme en zijn niet geïndoctrineerd met een ‘cultureel archief van witte superioriteit’. Daarom verzetten zij zich terecht tegen deze beschuldiging en in dat verzet kunnen de echte racisten veilig schuilen. En daarmee lijkt Arendt gelijk te krijgen.

Wat als er niet over schuld, maar over verantwoordelijkheid zou worden gesproken? En nee, niet over verantwoordelijkheid voor het ‘racistische kolonialisme dat de oorzaak zou zijn van het huidige racisme’, maar over verantwoordelijkheid voor een samenleving waarin iedereen als persoon van gelijke waarde wordt behandeld. Zou dat tot een echt gesprek leiden? Een gesprek dat ons allemaal verder helpt?

Uitgelicht

The chances of anything coming from Mars

The chances of anything coming from Mars. Are a million to one, he said. The chances of anything coming from Mars, Are a million to one, but still, they come.” Aldus Jeff Wayne in zijn lied The Eve Of War. Ik moest denken aan dit nummer toen ik op NOS.nl las dat NASA en ESA een missie naar Mars sturen om: “voor het eerst Marsgrond (te) verzamelen om terug te sturen naar de aarde.” Niet helemaal zoals Wayne zingt, want toen namen de Martianen het initiatief, nu ‘wij’ Aardlingen. Maar toch ‘the chances of antything coming from Mars’ worden groter. Of ze groter worden dan ‘a million to one’ weet ik niet want er kan, zo lees ik, veel misgaan. Ook moest ik denken aan het boek De Mens van Tom Phillips.

Bron: WikimediaCommons

Een boek met als bijzondere ondertitel: Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups. Phillips over zijn intentie met het boek: “Dit is een boek over mensen en ons opmerkelijke vermogen om van alles en nog wat te verkloten. Over de reden dat er voor elke prestatie waar we als soort trots op mogen zijn (kunst, wetenschap, cafés) altijd iets anders is waarbij je alleen maar vol verbijstering en wanhoop je hoofd kunt schudden (oorlog, vervuiling, de trieste cafés op vliegvelden).” In het boek een mooie verzameling van dergelijke ‘fuck-ups’ zoals het meenemen van dieren en planten naar andere continenten. Dieren zoals in 1859 konijnen naar Australië alwaar ze geen natuurlijke vijanden hebben. En ja, aldus Phillips: “Het punt met konijnen is dat ze fokken als … Juist ja.”  Met als gevolg: “In de jaren twintig van de vorige eeuw, op het hoogtepunt van de konijnenplaag, werd de Australische konijnenpopulatie geschat op tien miljard. Dat is zo’n tweeduizend konijnen per vierkante kilometer.”         

Phillips besteedt ook aandacht aan een jongen van twaalf op het Russische schiereiland Jamal die in 2016 stierf aan miltvuur. “In dat gebied was al vijfenzeventig jaar geen miltvuur voorgekomen,” en nu dus wel. Wat was er gebeurd? (D)e uitbraak vond plaats tijdens een zomerse hittegolf waarin de temperaturen vijfentwintig graden hoger uitvielen dan normaal. De hittegolf smolt de permafrost die Siberië overdekt, waardoor ijslagen ontdooiden en bloot kwamen te liggen die decennia eerder waren bevroren, met daarin diepgevroren karkassen van rendieren die in 1941 waren bevroren tijdens de laatste miltvuuruitbraak.” En dat was precies wat vijf jaar eerder twee wetenschappers hadden voorspeld: “als de aarde nog meer zou opwarmen: dat (dan) de permafrost stukje bij beetje zou verdwijnen en dat allang verdwenen historische ziekten dan hun weg naar de wereld zouden vinden.”

“De missie is een noodzakelijke stap om ervaring op te doen om ooit mensen op Mars te laten landen … (en) (u)iteindelijk hopen wetenschappers met de bodemmonsters beter te begrijpen hoe de omstandigheden waren op Mars miljarden jaren geleden, toen de planeet nog een dichtere atmosfeer had en er water stroomde.” Allemaal erg interessant maar laten we hopen dat het staaltje van menselijk technische vernuft dat spullen naar Mars stuurt en ze weer terughaalt, geen allang verdwenen historische Martiaanse ziektekiemen meebrengt. Dat we deze ‘missie’ niet aan het rijtje ‘fuck-ups’ moeten toevoegen. Wil je meer van die ‘fuck-ups’ weten, lees het boek van Phillips. Het is leuk geschreven en bevat de nodige humor.