Uitgelicht

Bedorven onderwijswaar?

In een artikel in de Volkskrant pleiten leraar en lerarenopleider Ton van Haperen en emeritus hoogleraar onderwijsorganisatie en management Jaap Scheerens voor meer meetmomenten in het onderwijs. Of zij hiermee een punt hebben, kan ik niet beoordelen. Ik ben geen onderwijskundige. In het artikel zetten ze zich af tegen het ‘romantische denken over het onderwijs’ zoals zij het noemen: “het vertrouwen in de professionaliteit van leerkrachten. Dat vertrouwen is echter misplaatst, want Nederland heeft al even zowel een kwalitatief als kwantitatief lerarentekort.”  Een bijzondere conclusie waarbij ik moest denken aan het boekje The uncontrollability of the World van Hartmut Rosa.

Eigen foto

Van Haperen en Scheerens zijn hierbij voorbeelden van ideologen van de controle. Een ideologie die Rosa als volgt omschrijft:“If we understand education as an aquisition of certain skills- and that is the dominant understanding today, both in politics and in academia- then we can use standardized curricula to define with precision what should be learned when, comparative global serveys to maesure with precision whether these goals have been reached, and targeted teaching and learning methods, along with accompanying evidence-based academic research, to determine with precision what screws should be turned when in order to improve the results.[1] Of zoals Van Haperen en Scheerens het beschrijven: “Aan het eind van groep vier van de basisschool moet duidelijk zijn wie de basiskennis en -vaardigheid oppikt en wie niet. Aan het eind van groep acht helpt gestandaardiseerde toetsinformatie bij de keuze van het vervolgonderwijs. De derde klas van het voortgezet onderwijs is het jaar dat kinderen definitief kiezen voor een vakkenpakket waarin ze examen doen. Het eindexamen verleent toegang tot het vervolgonderwijs. Deze vier momenten verdienen een centrale, valide en betrouwbare toets, landelijk afgenomen.”

Dit staat tegenover het ‘romantische denken’ en wat Rosa de ideologie van de resonantie noemt. Rosa: “education occurs not when a particular skill has been acquired, but when a socially relevant segment of world “begins to speak,” Als iets in de wereld mij raakt en resoneert met iets in mij dan leer ik en doe ik kennis op. Dat is bijvoorbeeld: “die leraar geschiedenis die zo mooi kon vertellen.” Hierbij zijn de: “deskundigheid en autonomie van hoogopgeleide functionarissen,” belangrijk. “Leraren laten zich in deze gedachtegang leiden door de normen van de eigen professie en hebben weinig met rationalisering middels externe evaluatie.” Leren is een: “autonoom proces, niet gestuurd maar hoogstens ‘uitgelokt.”

Van Haperen en Scheerens zien onderwijs als het aanleren van vaardigheden. De ‘romantici’ pleiten voor ‘Bildung’, onderwijs dat kinderen vormt tot een eigen persoon. Beiden lijken mij belangrijk. Het eerste is tijdens het leerproces te meten via gestandaardiseerde toetsen. Het voldoet aan de kern van het nog steeds dominante New Public Management waarbij ‘weten’ wordt bepaald door ‘meten’. Of zoals Van Haperen en Scheerens het schrijven: “De minimumvoorwaarde voor effectieve besturing en bijsturing is in de hedendaagse context een goed werkend evaluatie-mechanisme. … Meten is de realiteitscheck met aanwijzingen over hoe verder. Een realiteitscheck die schoolleiders en overheden helpt bij verhoging van het prestatiegemiddelde in dit land.” Het laatste niet. Dat kan slechts waar worden genomen bij de bestudering van de levens van mensen. Dan zie je de wetenschapper met een vmbo-diploma die door een bijzonder gebeurtenis geïnspireerd raakte en daardoor de motivatie vond om zich door die toetsen te vechten. Dan zie je de gepromoveerde filosoof die al die toetsen op de sloffen doorstond maar die zijn roeping vond na het aanraken van een hamer en als meubelmaker aan de slag is. Of de ‘drop out’ die een succesvol bedrijf opricht. Het is ‘weten’ dat niet is te ‘meten’. Nu kan Bildung niet zonder vaardigheden als lezen, schrijven, rekenen en logisch redeneren. Vaardigheden die je wel kunt meten met gestandaardiseerde tests. Het leven kan echter niet zonder Bildung.

Met die logica kom ik bij de bijzondere conclusie. Logica, de: “leer van het geldig redeneren,” aldus de Van Dale. Een logische redenering bestaat in de basis uit vier delen: de bewering, de definitie, de gevolgtrekking en het wetenschappelijke bewijs voor die gevolgtrekking. Van Haperen en Scheerens lijken dit niet goed te beheersen. En daarmee kom ik bij het, volgens de beide auteurs misplaatste vertrouwen in de professionaliteit van de leerkracht omdat er een kwalitatief en kwantitatief tekort is aan leerkrachten waardoor het wereldbeeld van de ‘romantici “bedorven waar” zou zijn. Laten we hun redenering eens langs deze vier stappen leggen. De auteurs beweren dat de ‘romantische visie’ bedorven waar is. De definitie is dat ‘romantisch onderwijs’ afhangt van, om met Rosa te spreken, momenten van resonantie, a-ha momenten, waardoor kinderen leren en groeien als persoon. Centraal in dat onderwijs staat de professionele leerkracht die dergelijke momenten moet ‘creëren’ en hen begeleid bij die groei. Hun gevolgtrekking is dat dit niet lukt. Dat wordt onderbouwd met het feit dat er een kwalitatief en kwantitatief lerarentekort is. Die onderbouwing bewijst echter niet dat hun bewering klopt en dus dat de romantici handelen in ‘bedorven waar’. Een kwalitatief en kwantitatief gebrek aan leraren maakt alleen duidelijk dat de door de ‘romantici gedroomde resultaten op dit moment niet haalbaar zijn. Om de ‘romantische visie’ werkelijk te weerleggen moet worden aangetoond dat ze zelfs mislukt als er kwantitatief genoeg leraren zijn die kwalitatief aan de maat zijn.

Om hun eigen onlogische logica te gebruiken. Ik vrees dat het door hen gepropageerde en op verschillende momenten gestandaardiseerd te meten ‘vaardighedenonderwijs’ ook ‘bedorven waar’ is bij een kwalitatief en kwantitatief lerarentekort. De wetenschappelijke bewijzen worden daarvoor jaarlijks aangeleverd door de onderwijsinspectie en andere cijfers zoals: “Het aantal slecht lezende 15-jarigen in 2000 op 10 procent, inmiddels is dit percentage doorgegroeid naar 24,”  die de beide auteurs in hun artikel noemen. Dus toch maar inzetten op kwantitatief voldoende leerkrachten van kwaliteit.


[1] Hartmut Rosa, The uncontrollability of the world, pagina 67


Logica van de koude grond

“Je zou verwachten dat als een van de grootste nettobetalende leden van een vereniging vertrekt, de contributie aan het bestaande budget ook omlaag gaat.” Een zin uit een schrijven van Derk Jan Eppink op de site van Forum voor Democratie. De vereniging waarover Eppink schrijft is de Europese Unie en het nettobetalende lid dat vertrekt is Groot Brittannië. Ik moest toch even achter mij oren krabbelen toen ik dit las. Het vertrek van een lid moet ertoe leiden dat de contributie voor de andere leden omlaag gaat. Hoe zou de penningmeester van een amateurvoetbalclub dit zien?

De club heeft een aantal velden, kleedlokalen en een kantine die moeten worden onderhouden. Wellicht moet er nog een lening op die gebouwen worden afgelost. Ze moet betalen voor gas, water en licht, maar ook voor ballen en andere materialen. Dit alles wordt betaald uit de contributie die de leden betalen. Zouden die kosten dalen en dus de contributie kunnen worden verlaagd als er een lid vertrekt? Ik vrees eerder dat het omgekeerde het geval is. 

Nu is de Europese Unie een bijzondere vereniging. Zij probeert iedereen, ieder land en iedere streek binnen haar vereniging ‘op te stoten in de vaart der volkeren’ om het zo te noemen. De totale uitgaven voor dat ‘opstoten’, moeten worden betaald door alle leden. Dat gebeurt, door ieder land te laten bijdragen. Het ene gebied, Nederland bijvoorbeeld, is al verder ‘opgestoten’ dan het andere, bijvoorbeeld Roemenië. Dit betekent dat de Unie meer investeert in Roemenië dan in Nederland. Roemenië krijgt dan meer geld dan het bijdraagt en Nederland minder. Nederland is, zoals dat wordt genoemd, een ‘netto-betaler’, Roemenië een ‘netto-ontvanger’. Groot-Brittannië was ook zo’n ‘netto-betaler’ en die verlaat de club. Daarmee vervallen alle ‘investeringen’ van de Unie in Groot-Brittannië en ook de bijdrage van de Britten aan de Unie. Omdat de Britten een ‘netto-betaler’ zijn, ontstaat er een gat in de begroting van de Europese Unie. De vraag die Eppink helemaal buiten beschouwing laat, is de vraag achter het ‘netto-betalerschap’ Als ‘opstoten in de vaart der volkeren’ het doel is van de Unie, moeten we in Nederland dan niet blij zijn dat we ‘netto-betaler’ zijn? Dat betekent immers dat we het verst zijn ‘opgestoten’. 

Zou dat gat opgevuld kunnen worden door een verlaging van de contributie  voor de overige leden? Zoals iedere penningmeester van een vereniging weet, is het erg lastig om een tekort te dekken door de inkomsten te verlagen. Het enige wat er dan gebeurt is dat het tekort verder oploopt.

Het gat kan op drie manieren worden gedicht. Als eerste door in de uitgaven te snijden en de inkomsten gelijk te houden. Een eenvoudige en pijnloze manier van ‘snijden’ heeft de Unie al laten liggen. Namelijk het snijden in parlementsleden. De ‘stoeltjes’ die de Britten verlaten, worden verdeeld over de andere landen. Eppinks partij profiteert hiervan, ze krijgen er een stoeltje bij. Ware het niet dat die toevalt aan een aanhanger van ‘ketter’ Otten. Hierover heb ik geen partij gehoord. Snijden betekent dat er minder ‘opgestoten kan worden in de vaart der volkeren’. Als je dat rechtvaardig wilt doen dan snijd je in steun aan gebieden die het verst zijn ‘opgestoten’, bijvoorbeeld Nederland en ontzie je gebieden, zoals Roemenië die nog wel wat ‘opstoting’ kunnen gebruiken. Gevolg hiervan zal zijn dat de ‘netto-betalers’ nog grotere ‘netto-betalers’ zullen worden. De uitgaven aan de Unie blijven immers gelijk en de inkomsten uit de Unie dalen. De Roemenen zullen er niets van merken. Hun inkomsten en uitgaven blijven gelijk. 

De tweede manier om het gat te dichten is door, bij gelijkblijvende uitgaven, de inkomsten te verhogen. Ieder land betaalt dan meer contributie bij gelijkblijvende bijdragen uit de Unie. Nederland wordt ook dan een grotere ‘netto-betaler’. Roemenië betaalt meer contributie bij gelijkblijvende inkomsten uit de Unie. De pijn wordt op deze manier verdeeld over alle leden. De derde manier om uitgaven en inkomsten weer in evenwicht te brengen, is een combinatie van de eerste twee manieren. Ook in dat geval zal ‘netto-betaler’ Nederland meer gaan bijdragen. Welke variant het meest eerlijk en rechtvaardig is, laat ik graag aan anderen over. Helder mag zijn dat Nederland in alle drie de scenario’s meer moet betalen. Hoeveel meer, geen idee. 

Laten we blij zijn dat Eppink geen ‘penningmeester’ is. Wat meer zorgen baart, is dat dergelijke ‘logica van de koude grond’ er bij het Forum voor Democratie in lijkt te gaan als gods woord in een ouderling. 

Populisme is rationele irrationaliteit

Raad een getal in een reeks van 0 tot en met 100 zodanig dat je keuze zo veel mogelijk overeenkomt met twee derde van de gemiddelde gok van alle deelnemers aan deze wedstrijd.” Aan de hand van dit raadsel op pagina 229 legt Richard Thaler in zijn boek Misbehaving het functioneren van de financiële markten uit. Om te ‘verdienen’ op die markt moet je immers een inschatting maken van wat anderen op die markt gaan doen. Anderen die eenzelfde inschatting proberen te maken.

Bron: Pixabay

Thalers boek beschrijft de ‘opkomst en ontwikkeling’ van de gedragseconomie. Een economische discipline die eind vorige eeuw opkwam. Gedragseconomen kijken, net als psychologen naar het gedrag van mensen. Dat gedrag blijkt veel minder rationeel dan waarvan de toen gangbare economische theorie uitging. Die toen gangbare economische theorie is de nu nog steeds dominante neo-liberale. Een theorie die de mens ziet als een volkomen rationeel handelend mens. In  navolging van Thaler, voordat je verder leest, geef eerst eens antwoord op de vraag en om je op weg te helpen: “stel dat er drie spelers zijn die respectievelijk 20, 30 en 40 kiezen. De gemiddelde gok is dan 30 en twee derde daarvan is 20. Degene die 20 kiest, wint dus.”

Ik stel die vraag omdat ik me afvraag of populistische politici niet ook een dergelijke vraag gebruiken om zich te profileren. Die vraag zou dan luiden: ‘neem het standpunt van de gemiddelde Nederlander, overdrijf dat standpunt naar de jou gewenste kant en vent het uit’. Door die overdrijving wijk je af van het gangbare en dat genereert bijna automatisch aandacht. Nou ja afvragen, eigenlijk constateer ik dat het zo werkt.

Als dit naar alle kanten gebeurt, verandert er niets aan het gemiddelde standpunt. Als er naar maar één kant wordt overdreven, dan verschuift het gemiddelde standpunt naar die kant.  Nu zien we tegenwoordig populisme naar alle kanten. Kunnen we daaruit concluderen dat  de ‘schade’ dan meevalt omdat het gemiddelde standpunt niet verandert of is die conclusie voorbarig?

Daarvoor moeten we een stapje verder doorredeneren. Stel Jan ‘overdrijft’ naar ‘rechts’ en krijgt een groep mensen mee. Dan zitten er binnen die groep vast enkele mensen die ook een stuk van de cake willen en die overdrijven nog verder naar ‘rechts’. Dan moet Jan ook weer een stap zetten en eindigt de groep steeds verder ‘rechts’. Aan de andere kant ‘overdrijft ‘Piet’ naar links en daar gebeurt hetzelfde. Het resultaat mag dan zijn dat het standpunt van de gemiddelde Nederlander niet is gewijzigd, Er zijn echter wel steeds minder Nederlanders die zich in dat gemiddelde standpunt herkennen en die het kunnen en willen verdedigen. Dat lijkt mij problematisch.

Als ik naar de ontwikkelingen in onze samenleving kijk, dan zie ik dit patroon. Dan zie ik steeds meer extremen die steeds verder van elkaar afstaan en steeds minder ‘gemiddelden’. Extremen die elkaar steeds meer verketteren en ‘ontmenselijken’. Een zorgelijke ontwikkeling.

Een uitkomst die is te vergelijken met de uitkomst van het raadsel waarmee ik begon. Thaler gebruikt het raadsel om aan te tonen dat ‘beter inschatten’ dan anderen niet kan als iedereen rationeel handelt. Want als iedereen rationeel en logisch doorredeneert dan geeft iedereen het antwoord 0, het meest ‘extreme’ antwoord. Waarom? Als iedereen een willekeurig getal kiest, dan zal het gemiddelde 50 zijn. twee derde daarvan is 33. Dat is logisch en volledig rationele mensen zullen zo redeneren. Logisch doorredenerend zal iedereen dit concluderen en dan is het gemiddelde antwoord 33, twee derde van 33 is 22. Als iedereen volledig rationeel denkt, dan zal iedereen tot die conclusie komen en vervolgens weer rationeel en logisch concluderen dat het antwoord twee derde van 22 en dus 15 zou moeten zijn. Als je zo maar lang genoeg logisch doorredeneert dan kom je bij 0 uit. 

Een ontwikkeling waarop het begrip rationele irrationaliteit van John Cassidy van toepassing is. In zijn boek Wat als de markt faalt omschrijft hij op pagina 159 rationele irrationaliteit als: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigenbelang op de markt tot resultaten die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn,” leidt. Als we dit vertalen naar het handelen van ‘Jan’ en ‘Piet’ dan willen zij gekozen worden en zoveel mogelijk invloed. Met dat in het achterhoofd is het rationeel om te kiezen voor ‘overdrijven’, voor populisme. Het resultaat ervan is een samenleving zonder ‘samen’. Zoals al gezegd een zorgelijke ontwikkeling. Bij deze ontwikkeling moet ik denken aan een parabel van de Chorekee-indiaan en zijn kleinzoon. De oude indiaan vertelde: ‘Er speelt zich een gevecht in mij af. Het is een gruwelijk gevecht tussen twee wolven. De een is slecht, boos, hebzuchtig, jaloers, arrogant en laf. De ander is goed – hij is gelukkig, rustig, liefdevol, aardig, hoopvol, bescheiden, gul, eerlijk en betrouwbaar. Deze wolven vechten ook in jou en in ieder ander persoon.’ Toen de kleinzoon daarop vroeg welke wolf er zou winnen, antwoordde de oude indiaan: ‘diegene die je voedt’. Worden er niet veel slechte wolven gevoed?


Paradoxen aan de keukentafel

Provincies moeten taken van gemeenten kunnen overnemen en sterke gemeenten moeten taken van provincies kunnen overnemen.” Daar kwam een toespraak van minister Ollongren op neer, zo lees ik op binnenlandsbestuur.nl. Zo zou een provincie zorgtaken van gemeenten kunnen overnemen. Dat was tegen het zere been van de Vlissingse wethouder Albert Vader zo is in een ander artikel op binnenlandsbestuur.nl te lezen. Alles is immers pas opgeschud en naar de gemeente gekomen en dat heeft: “tijd, rust en ruimte nodig om tot zijn recht te komen.” Daar heeft de wethouder een punt. Al maar het bed op blijven schudden maakt het lastig om erin te slapen. 

Toch maak ik me zorgen. Zorgen om de mechanische aanpak die ik bij veel gemeenten zie ook bij Vader. “Gemeenten krijgen steeds meer zicht en grip op de werkprocessen in de praktijk. Er worden lessen geleerd en verbeterslagen gemaakt om te komen tot een efficiënte aanpak.” Cruciaal bij de zorg voor en ondersteuning van mensen is de relatie met de mens achter de ‘hulpbehoevende’. Laat zo’n relatie zich vangen in een werkproces? 

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is loketten.jpg
Bron:Flickr

Vorig jaar bracht het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken een jaarboek uit met als titel De verhuizing van de verzorgingsstaat . Het boek is gebaseerd op onderzoek naar de manier waarop gemeenten sinds 2015 invulling geven aan zorg en ondersteuning. Nabijheid wordt zo ongeveer gezien als de oplossing voor alles of zoals de auteurs het schrijven: “nabijheid is in beleidsteksten een wondermiddel voor ongeveer alles wat het beleid in het sociale domein zich heden ten dage ten doel stelt.” 

De onderzoekers constateren dat gemeenten ‘nabijheid’ centraal stellen en die nabijheid afzetten tegen de bureaucratische logica. Zij zien negen beloften van nabijheid. Allemaal beloften met haken en ogen. Als eerste de belofte dat nabijheid tot maatwerk leidt. De auteurs: “Maatwerk werd tot voor kort helemaal niet gekoppeld aan nabijheid; een voorwaarde voor maatwerk was discretionaire bevoegdheid.”

Als tweede: nabijheid leidt tot een betere aansluiting op de vraag. De auteurs hierover: “Voor een betere aansluiting op de vraag van burgers was evenmin nabijheid, en eerder kennis van gelijksoortige gevallen nodig. Die kennis werd verkregen via grootschalig onderzoek met abstrahering van individuele gevallen. Dat onderzoek leverde het bewijs voor de beste aansluiting van diensten op de vraag van burgers en maakte de dienstverlening evidence-based. Onderzoek vereiste objectiviteit, en dat vroeg om distantie. Nabijheid zou de blik maar beperken tot specifieke, moeilijk te generaliseren gevallen.”

Als derde leidt nabijheid tot vertrouwdheid en vertrouwen. Ook hier lag het tot voor kort anders: “Het fundament waarop de verzorgingsstaat sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog tot in de jaren zeventig werd opgebouwd, was vertrouwen in anonieme structuren, die garandeerden dat mensen gelijk behandeld werden. Dat vertrouwen in anonieme structuren werd versterkt door een afkeer van intensieve bemoeienis door paternalistische professionals, die mensen thuis kwamen vertellen hoe zij hun leven moesten leiden. Vooral sinds de jaren zeventig wilde men af van afhankelijkheid van vertrouwensrelaties met professionals bij wie je in goede aarde moest vallen om een prettige behandeling te krijgen.”

Als vierde versterkt nabijheid het preventief werken. Dit: “betekende eerder ook niet de dienstverlening dicht bij individuele gevallen organiseren, maar op afstand collectieve, grootschalige oplossingen bedenken. Openbare gezondheidszorg die sinds de negentiende eeuw ontwikkeld werd bij- voorbeeld, was niet gebouwd op nabije hulp van de dominee of de dokter maar op anonieme, massale maatregelen als riolering, huisvesting, waterleiding en inentingen. Nabijheid associeerde men eerder met besmetting van ziekten. Preventie vereiste afstand houden van besmettingsbronnen zoals armoedige landlopers.” 

Ook zorgt nabijheid, zo luidt het huidige adagium, ervoor dat er integraler wordt gewerkt. Die integriteit: “vereiste eerder sturing op afstand,” zo dacht men tot voor kort. Afstand zo was nog geen twintig jaar geleden de gedachte, versterkt de regiefunctie. 

Dan vergroot, zo denkt men tegenwoordig, nabijheid de creativiteit. Nog niet zo lang geleden werd creativiteit gezien als: “resultaat van afzondering. Ruimte om na te denken, niet afgeleid door beslommeringen van cliënten en de waan van de dag.” 

De laatste ‘belofte’ van het huidige nabijheidsdenken is dat het tot efficiëntie leidt. Dit terwijl efficiëntie vroeger moest komen van: “afstandelijke burelen achter loketten, waar anonieme klerken hulpbehoeften zouden ordenen, stroomlijnen en van aanbod voorzien.” 

De auteurs concluderen: “de beloften van nabijheid worden nauwelijks beargumenteerd. Nabijheid wordt gepresenteerd als logisch en evident voor het bereiken van de doelen. In de recente geschiedenis van zorg en welzijn vond men voor dezelfde doelen afstand vaak een goede route.” Een verontrustende conclusie al hoeft die niet te verbazen. Al eerder schreef ik over de redeneringen achter de verschuiving van zorgtaken naar de gemeenten en dan vooral de aannames die erbij werden gedaan. Over de aanname achter de nabijheid. Nabijheid die moet worden bereikt met wijkteams. Wijkteams die de ‘oplossing voor alle ‘kwalen’ aan de ‘keukentafel’ verzinnen.

Bron: Flickr

Als we vervolgens kijken naar de manier waarop gemeenten het werk vormgeven dan vertoont dat zeer veel kenmerken van een bureaucratische logica: “zicht en grip op de werkprocessen.” Het enige wat er is veranderd is dat het loket is verplaatst naar die ‘keukentafel’. In de verhuizing van de verzorgingsstaat laten de auteurs zien tot welke paradoxale situaties die aannames aan die ‘keukentafel’ leiden.

Oud minister-president Drees sloot zijn verdediging van zijn ‘noodwet’ in de jaren vijftig met de hoop dat die zou uitgroeien: “tot een regeling, die vaste rechten geeft, vaste rechten, die een redelijk zelfstandig bestaan kunnen waarborgen.” Soortgelijke woorden sprak de koning uit in 2013 in de troonrede ter verdediging van de nieuwe manier van denken: “In deze tijd willen mensen hun eigen keuzes maken, hun eigen leven inrichten… .” Eenzelfde ‘verdediging’ voor een tegenovergestelde beweging. Dat paradoxale hoeft geen verrassing te zijn. Met eenzelfde logica het precies tegenovergestelde bereiken, moet wel tot een paradox leiden.


Feiten en meningen

“Ik vind dat leraren en politici moeten streven naar zorgvuldigheid. Het moet duidelijk zijn wanneer iets een mening is en wanneer iets een feit. In een opdracht voor leerlingen feiten en meningen met elkaar verweven vind ik onzorgvuldig.”

Een uitspraak van Karin den Heijer lerares wiskunde en bestuurslid bij Beter Onderwijs Nederland. Ik las dit in een artikel bij TPO. Den Heijer reageert hiermee op de commotie die ontstond toen docent Ivar Gierveld een schrijfopdracht over Thierry Baudet gaf aan zijn leerlingen. Baudet en zijn aanhangers reageerden als door een wesp gestoken op deze opdracht.

Feit en fictie

Illustratie: FOODISH.nl

Het gaat mij niet om Baudet en de commotie, maar om de bewering van Den Heijer. Laten we er eens een voorbeeld bij pakken. Gierveld schreef: “In zijn wereldbeeld is klimaatverandering een verzinsel.” Den Heijer geeft aan dat Baudet dit niet heeft beweerd, Gierveld verdraait de woorden van Baudet. Volgens haar zei Baudet: “Door bakken met geld te besteden aan het klimaat, blijft voor reëel en urgente zaken als armoedebestrijding minder over.” Als Baudet dit precies zo heeft gezegd, dan heeft hij inderdaad niet direct beweerd dat de klimaatverandering een verzinsel is. Maar wat zegt hij indirect? Baudet maakt een vergelijking en zet klimaatverandering af tegen armoedebestrijding. Armoedebestrijding noemt hij urgent en reëel. Mag je, omdat hij deze vergelijking zo maakt, dan niet concluderen dat Baudet klimaatverandering niet urgent en niet reëel en dus irreëel vindt? En van irreëel of onwerkelijk naar een verzinsel is slechts een kleine stap. Inderdaad heeft Baudet niet letterlijk gezegd dat klimaatverandering een verzinsel is. Op basis van logisch redeneren is dit wel een goede interpretatie van hetgeen hij heeft gezegd en is het daarmee niet veel meer dan een ‘mening’?

Feiten en meningen moeten volgens Den Heijer worden gescheiden anders ‘verdwalen’ de leerlingen. Alleen gebeurt dat in het ‘echte leven’ ook niet altijd. Met name in de politiek is zorgvuldigheid, waar Den Heijer voor pleit, vaak ver te zoeken. Kijk maar naar de commotie rond het Wetenschappelijk Onderzoek- en documentatiecentrum (WODC), dat politieke wensen ‘wetenschappelijk’ moest onderbouwen. Het leven zou inderdaad veel makkelijker zijn als feiten en meningen duidelijk van elkaar worden gescheiden.

Moeten we de scholieren en studenten niet opleiden voor het ‘echte leven’? Een leven waar feit en fictie door elkaar heen lopen? Waar je president van een groot land kunt worden door een feit als mening en een mening als feit te verkopen?

‘Echte vrouwen’

Voor de ‘redding van de wereld’ zouden vrouwen het voor het zeggen moeten krijgen. Dat is in het kort (en wellicht een klein beetje overdreven) wat de schrijfster van bijvoorbeeld Brokeback Mountain Annie Proulx in Trouw beweert. Op de vraag of vrouwen beter in staat zijn het evenwicht te bewaren en we dus beter vrouwelijke leiders kunnen kiezen antwoordt ze: “Vroeger (…) zou ik dat onzin hebben gevonden. Maar nu weet ik dat niet meer zo zeker. Vrouwen staan vanwege hun vermogen kinderen te baren dichter bij de natuur, ervaren de natuur anders dan mannen. Vrouwen weten van tuinieren en zaaien en laten groeien. Mannen leven in boardrooms en kantoren.”

tuinieren

Foto: Men’s Health

Laten we de twee argumenten van Proulx, kinderen kunnen krijgen en tuinieren, eens wat nader bekijken. Inderdaad is kinderen krijgen hard werken en vaak een pijnlijke ervaring.  De mannelijke kant van de ervaring is trouwens ook geen pretje, hulpeloos toezien hoe de natuur haar werk doet, je geliefde hard werkt en pijn leidt zonder dat je wat kunt doen. Dat ‘meepuffen’ klinkt leuk, maar voegt het echt wat toe? Die vrouwelijke ervaring wordt tegenwoordig vaak onderdrukt door medicatie. Wat maakt dat vrouwen, na het doorstaan van die ervaring, dichter bij de natuur staan? En wat is de relatie tussen die ervaring en het geschikter zijn van vrouwen als leiders?

Dan het tuinieren. Ik zal de laatste zijn om te beweren dat alle mannen iets weten van ‘zaaien en laten groeien’ en dat er vrouwen zijn die er ‘iets’ van weten. Ik ken echter veel vrouwen die er niets van weten, die hun ‘handen niet vuil’ durven te maken en bang zijn om een nagel te breken. Net zoals ik veel mannen ken die er heel veel van weten. En ook hier weer, wat maakt mensen die weten van ‘tuinieren’ tot betere leiders?

Als in een ‘kantoor wonende’ man kan ik u, mevrouw Proulx, meedelen dat ik er heel veel vrouwen tegenkom. Sterker nog, in de sector waarin ik werk, kom ik meer vrouwen dan mannen tegen.

Beste mevrouw Proulx, u mag best vinden dat vrouwen geschikter zijn als leiders. Uw onderbouwing van deze mening blinkt uit door een gebrek aan deugdelijke bewijsvoering en een overdaad aan generalisaties. Het antwoord dat u geeft als de interviewer verwijst naar leiders als Thatcher, May, Clinton en Merkel, maakt uw argumentatie er trouwens niet sterker op. U serveert hen af met “Die zijn opzettelijk blind.” Het zijn dus eigenlijk geen ‘echte’ vrouwen.

Logica van de koude grond

Bij Trouw een kritisch artikel over de zorg voor onze kinderen. Sinds 2015 zijn de gemeenten hiervoor verantwoordelijk en verschillende belangenorganisaties hangen de kat de bel aan. Gemeenten maken er een potje van en steken: “vooral veel tijd en geld in randzaken en controle, oftewel bureaucratie.”  De belangenorganisaties krijgen bijval van kinderombudsman Margrite Kalverboer die een flinke toename ziet van crisisplaatsingen in de gesloten jeugdzorg en onder toezichtstellingen. Volgens Kalverboer is dit een gevolg van bezuinigingen die aanbieders dwingen om voor lagere prijzen te werken. Vreemd is dan wel dat die bezuinigingen juist tot hogere zorguitgaven leiden. Een gesloten plaatsing van een kind is immers een van de duurste vormen van jeugdzorg.

logica

Daar wil ik het echter niet over hebben. Waar ik het over wil hebben is de logica achter de decentralisatie van de jeugdzorg naar de gemeente. Al eerder schreef ik dat die decentralisatie is gebaseerd op aannames, deze keer over een bijzondere vorm van logica.

Vóór 2015 waren de verantwoordelijkheden verdeeld onder gemeenten de provincies, de ministeries van Veiligheid en  Justitie en Volksgezondheid Welzijn en Sport en de zorgverzekeraars. Dit zorgde voor verdeelde verantwoordelijkheden en gecompliceerde, uit achttien stromen bestaande financiering. De Kamerwerkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg  rapporteerde in 2010 over stand van zaken in de jeugdzorg en deed aanbevelingen. een van die aanbevelingen luidde: “Er moet één financieringsstroom komen voor het huidige preventieve beleid, de huidige vrijwillige provinciale jeugdzorg, de jeugd LVG en jeugd GGZ. De komende jaren moeten worden benut om de gescheiden geldstromen te bundelen. De werkgroep realiseert zich dat het bijeenbrengen van de financieringsstromen voor de verschillende sectoren geen sinecure zal zijn, maar acht dit desalniettemin van groot belang.” In eenvoudig Nederlands staat hier: er moet één opdrachtgever zijn, één baas.

Eén overheid moest verantwoordelijk worden en dat werd de gemeente, de overheid die het ‘dichtst bij de burger staat’ want die zou dat het beste op maat kunnen doen, de aanname waarover ik al eerder schreef. En iedere gemeente kreeg grote vrijheid bij het inrichten van die zorg. Maar, zijn er in Nederland niet ongeveer driehonderdtachtig van die overheden? Werd zo achttien niet één maar driehonderdtachtig financiële stromen, opdrachtgevers, inkopers, administratiekantoren en werkwijzen? Welke logica hanteerde de wetgever?

‘Terreurorganisaties’

Bij de Correspondent een gesprek dat Thomas Vanheste voerde met de Belgische Hoogleraar Dries Lesage. Een gesprek over het boek Wat u niet mag weten over Turkije van Lesage waarin hij ervoor pleit om op een andere manier naar Turkije te kijken, “Want door al onze pijlen op Erdogan te richten en zijn tegenstanders wit te wassen, voeden we het Turkse ressentiment jegens het Westen en zorgen we dat Turkije van ons afdrijft.” In dit artikel wordt ook gesproken over ‘terreurorganisaties’ als de PKK.

Terreurorganisatie, dat stempel krijg je en dan mag je met alle geweld en middelen worden bestreden. Is iets als terrorisme bestempelen niet afhankelijk van je perspectief? Zo woedde er in de jaren tachtig in Nicaragua een strijd tussen de Sandinistische regering en de Contra’s. Met de woorden van nu zou de Sandinistische regering de Contra’s terroristen noemen. ‘The Great Communicator’, de Amerikaanse president Reagan, noemde ze ‘freedom fighters’. Dezelfde mensen vanuit twee invalshoeken op een tegengestelde manier geframed.

sloterdijk

Het boek Sferen. Schuim van Peter Sloterdijk dat ik recent las, bood een andere kijk op terrorisme. Volgens Sloterdijk is de grondgedachte van terreur: “dat niet meer op het lichaam van de vijand werd gemikt maar op zijn omgeving, zijn milieu.”  Terrorisme is: “geen tegenstander, maar een modus operandi, een strijdmethode is, die in de regel door beide partijen in een conflict wordt gehanteerd.” Terrorisme maakt “… een einde aan het onderscheid tussen geweld tegen personen en geweld tegen zaken in de omgeving van die personen: het is geweld tegen die mensen-omgevende ‘zaken’ zonder welke de personen geen personen kunnen blijven.” Terrorisme begint niet met een aanslag: “maar veeleer met de bereidheid en de wil ven de strijdende partijen om op een groter slagveld te opereren.” Slagveld is hierbij niet alleen geografisch bedoeld, het bevat alles wat voor het leven noodzakelijk is.

Heeft Sloterdijk niet een punt? En wordt dat slagveld waarop wordt geterroriseerd niet steeds groter? Wat is ‘digitale oorlogsvoering’ anders dan ‘geweld tegen ‘mensen omgevende zaken’? De cyberaanval op op Amerikaanse kiesregisters en mailboxen een daad van terrorisme, net als digitale aanvallen op nucleaire installaties in Iran?

Bedienen landen zich in de ‘War on Terror’ die ik al eerder dwaasheid noemde, niet van terroristische methoden? Behoren zij daarmee niet ook tot de terreurorganisaties?

 

Vrouwelijk orgasme en evolutie

Iedere dag een stukje schrijven. Dat heb ik me voorgenomen en dat lukt tot nog toe heel aardig. Iedere dag gebeurt er wel iets of schrijft er iemand iets waar ik vragen bij kan stellen. Soms ‘regent’ het zelfs onderwerpen en moet ik een keuze maken. Dat zijn de mooie dagen voor een columnist, dan heb je het voor het uitkiezen. Of je schrijft er meer tegelijk en dat komt wel eens goed uit, want er zijn dagen dat andere zaken om tijd vragen. Soms ook zit een onderwerp al in het hoofd en is het wachten op een aanleiding om erover te beginnen.

orgasmeFoto: www.welingelichtekringen.nl

Vandaag is een dag van een ander soort, een gebrek aan onderwerpen of goede aanleidingen om iets ter discussie te stellen. Waar schrijf je dan over? Dan ontbreekt een doel. Over doel gesproken. Een groep wetenschappers heeft gezocht naar het doel van het vrouwelijke orgasme, zo lees ik in de Volkskrant. Want, zoals biologieprofessor Elisabeth Lloyd in het artikel zegt: “Het lijkt allemaal vrij doelloos – behalve voor het plezier, natuurlijk. Dat betekent niet dat het niet belangrijk is, maar gewoon dat het geen evolutionair doel heeft.”

Lloyd reageert op een onderzoek dat is gedaan naar de oorsprong van dat ‘evolutionair nutteloze’ orgasme van vrouwen. Het voorlopige antwoord: “het vrouwelijk orgasme bij mensen komt voort uit het mechanisme waarbij de eitjes pas vrijkomen tijdens de seks. Dat mechanisme werd overbodig toen de spontane ovulatie intrad.” Voorlopig omdat: “het onderzoek houdt geen rekening met de neurologische en musculaire aspecten van het orgasme,” bovendien is er: “weinig bekend over vrouwelijke orgasmes bij andere soorten.” Het had vroeger dus wellicht wel evolutionair nut, nu niet meer en: “Dat zou ook verklaren waarom veel vrouwen geen orgasme krijgen tijdens de seks: het is niet nodig.”

Het had dus vroeger waarschijnlijk nut, maar dat nut ontbreekt nu. Of zouden de onderzoekers verkeerd om zoeken? Verkeerd om omdat ze het nut in het verleden zoeken. Wellicht zit er een groot plan achter de evolutie en ligt het nut van het vrouwelijke orgasme in de toekomst?

Gelukkig is er meer dan biologie en evolutie. Voor de vrouw en de kwaliteit van de sex is het toch wel een belangrijk iets. En misschien is dat wel het doel en nut van het vrouwelijk orgasme.

Overpeinzingen van een wandelaar

En soms zit het tegen. Twee parkeergarages die ‘op instorten’ staan. Een is dicht en de tweede volgt over niet al te lange termijn. Ondernemers, grootwinkelbedrijven, pandeigenaren en bewoners van de Venlose binnenstad zijn eensgezind: ‘als er meer bezoekers naar de stad moeten komen, dan moeten er meer parkeerplaatsen zijn’. Dit valt te lezen in Dagblad de Limburger. Over de oorzaken van de slechte staat van de beide parkeergarages en waarom er niet tijdig onderhoud is gepleegd, wil ik het niet hebben. Waarover wel? “Vooral op zaterdagen en Duitse feestdagen heeft de Venlose binnenstad een tekort aan parkeerplaatsen,” zo valt te lezen.

ArsenaalIllustratie: www.1limburg.nl

Ik ben een bewoner van Venlo en woon aan de rand van de binnenstad in de ‘betaald-parkeren-zone’. Bovendien wandel ik veel. Onder andere om boodschappen te doen. Iedere zaterdag wandel ik naar de beste bakker van de stad, Bakkerij Rutten op de Parade. Koop een stuk kaas van Tebben met vaak een doosje eieren op het ‘Gaasplein’ en neem vaak nog wat anders mee, meestal een boek bij Koops. En ik wandel met mijn vrouw voor ons plezier en onze gezondheid.

Als bewoner en wandelaar valt het mij op dat veel parkeerplaatsen niet bezet zijn. Zelfs op die zaterdagen en Duitse feestdagen, zijn veel parkeerplaatsen niet bezet. Ja de parkeergarage onder het ‘Gaasplein’ is vol en ook de Maaskade, maar ietsje verder van het ‘winkelhart’ is vaak nog wel plek te vinden. Op andere dagen is vaak maar een kwart van de plaatsen bezet.Voor de, na het sluiten van garage Arsenaal, extra aangelegde parkeerplaatsen vormen daarop geen uitzondering.

Wat ik ook zie, zijn verkeersregelaars op die zaterdagen en de Duitse feestdagen. Verkeersregelaars die bezoekers vooral in de richting van de grote parkeerplaatsen en de parkeergarages leiden. Hierdoor lijkt het, ook voor de bezoeker, druk. Die staat immers lang in een rij.

Vrij naar de titel van Jean-Jacques Rousseau’s laatste boek, leidt dit tot mijn overpeinzingen als wandelaar.’ Waarom moeten er nieuwe parkeerplaatsen worden aangelegd als de oude slechts zeer zelden, allemaal bezet zijn?  Ook in Dagblad de Limburger las ik dat er een overschot was aan ‘Huizen van de Wijk’, teveel gebouwen om goed te kunnen vullen met activiteiten, daarom moeten er sluiten. Het aantal gebouwen wordt aangepast aan de hoeveelheid activiteiten. Wat zou er gebeuren als deze redenering ook op parkeerplaatsen en -garages werd toegepast?