Uitgelicht

‘Identiteitsgetoeter’

Volgens PVV-er Martin Bosma zitten we in Nederland in de kramp. Die kramp wordt veroorzaakt door: “al dat identiteitsgetoeter en doordat we dus heel het begrippenapparaat dat een kwart eeuw geleden werd ontwikkeld op Amerikaanse universiteiten om dat over te nemen en mensen in allerlei raciale hokjes te douwen en mensen moeten dan hun huidskleur worden.”  Zo zegt hij in een interview met Ongehoord Nederland. Nu ben ik het zelden met de PVV of een PVV-er eens, maar dat er ‘identiteitspolitiek’ niet goed is voor een samenleving, daar is veel voor te zeggen. ‘Identiteitspolitiek’ verdeelt mensen in ‘wij’ en ‘zij’. Toch voel ik de schoen ergens knellen.

Gratis Afbeeldingen : sneeuw, winter, muziek-, teken, Hoorn ...
Bron: Pixhere

Dat ‘identiteitsgetoeter’ waar Bosman tegen fulmineert, is gebaseerd op het ‘intersectioneel denken’. In dit denken wordt je identiteit bepaald door je sekse, gender, huidskleur, beperkingen, opleiding, beroep, religie, geboorteplaats en nog veel meer. Al deze ‘assen’ zoals ze het noemen kennen een machtsverdeling: man is macht, vrouw is machteloos, universitaire bul is macht alleen vmbo is machteloos enzovoorts. Zit je aan de ‘macht’ kant van een as, dan heb je op dat punt ‘privilege’. Je ‘identiteit’ wordt bepaald door het punt waar al die ‘assen’ zich kruisen.  Op die kruispunten zouden we elkaar dan moeten vinden. In extremis leidt dit er echter toe dat ieder individu op zijn eigen kruispunt staat en dat we elkaar nooit zullen vinden. Dit zorgt voor een hele zware en statische ‘identiteit’. Zelf denk ik anders over identiteit, ik zie mijn identiteit veel meer fluïde of licht. Dat Bosman hiertegen ageert, kan ik goed begrijpen.

Die knellende schoen zit op een ander punt. Dit is namelijk niet het enige ‘identiteitsgetoeter’ waar we mee te maken hebben. Er is een andere, minstens zo starre, verdelende en polariserende vorm. Een oude, negentiende-eeuwse vorm in een nieuw jasje: de nationalistische vorm. De vorm waarvan Bosma’s partij een van de grote voorvechters is. Een vorm die begint met het bekende mantra: ‘wij zijn een joods, christelijk, humanistische samenleving’. Daarbij vergetende dat die christenen elkaar onderling eeuwenlang de tent uit hebben gevochten en dat ze gezamenlijk nogal afwerend, om het zacht uit te drukken, stonden tegenover joden. Vervolgens wordt er nog iets aan toegevoegd over ‘trots op Nederland’ en nog wat ‘trots op onze geschiedenis’. Een verhaal waarmee iedereen die niet joods, christelijk of humanistisch is of wiens voorouders geen deel uitmaakten van die trotse geschiedenis wordt buitengesloten. Die hoort er niet bij en zal er ook nooit bij horen. Een moslim bijvoorbeeld: “Nederland de-islamiseren … Alle moskeeën en islamitische scholen dicht, verbod koran,”  of: “Criminelen met een dubbele nationaliteit denaturaliseren en uitzetten,” aldus het programma van Bosma’s partij. Dit ‘identiteit-getoeter’ dat in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd verwoord door de verketterde Centrumpartij van Hans Janmaat met  de woorden: ‘we schaffen de multiculturele samenleving af’, is sinds een kwarteeuw bijzonder populair geworden. Ook dit ‘identiteitsdenken’ maakt van identiteit iets zwaars en statisch.

Zou Bosma in de gaten hebben dat de ‘kramp’ in Nederland ook door het ‘nationalistische identiteitsgetoeter’ wordt veroorzaakt? Getoeter waarin hij en zijn PVV en sinds een paar jaar ook Baudet en zijn Forum voor Democratie een hoofdrol vertolken. Dit toetert namelijk met hoofdletters tegen grote groepen mensen: ‘jullie zullen er nooit bij horen’.

Hans, en de vraag ‘Wie ben ik?’

In mijn laatste Prikker schreef ik over ‘misgenderen’. Dit naar aanleiding van een klein artikeltje op de site OneWorld. Zelfs na die Prikker liet één zin in het artikel me niet los. De zin: “Je wilt iemand, die zelf nog niet voor hun identiteit uitkomt, niet outen.” Als ik die zin en de context waarin de zin wordt gebruikt goed begrijp, dan is identiteit gelijk aan je eigen genderkeuze. ‘Identiteit’ een woord dat tegenwoordig zeer veel wordt gebruikt: de ‘Nederlandse identiteit’,  de ‘moslim identiteit’ en hier dus de ‘gender identiteit’. Eenzelfde woord dat wordt gebruikt in zoveel verschillende contexten, dat moet wel tot verwarring leiden. Wat is ‘identiteit’ en waarom maken we ons er druk om? 

Bron Pixabay

Voor het beantwoorden van de eerste vraag begin ik, waar ik vaker begin, de Van Dale. Die geeft twee betekenissen: gelijkheid: je identiteit bewijzen bewijzen dat je de persoon bent voor wie je je uitgeeft’ en als tweede: ‘eigen karakter’. De eerste verklaring heeft te maken met je paspoort: is iemand de persoon die hij zegt dat hij is. Over het gebruik van het woord in deze betekenis gaat het hier niet. Als we het over de ‘… identiteit’ hebben, dan hebben we het over de tweede betekenis: karakter. Maar wat is karakter? De Van Dale geeft vier betekenissen. De eerste, figuur of letterteken’, valt af dan resteren er nog drie. Als eerste ‘iemands eigenschappen, aard, inborst’. Als tweede ‘goede eigenschappen’. De laatste ‘het eigenaardige, typische’. Van Dale gebruikt de betekenis vooral gericht op individuen. Hoe komen we van het individu naar een groep?

Dan maar even Wikipedia geraadpleegd. “ Identiteit is de eenheid van wezen, volkomen overeenstemming en gelijkheid. Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, is het zelfbeeld of zelfconcept.” Daarmee zijn we terug bij mijn laatste Prikker. De trans persoon die niet met het juiste voornaamwoord wordt aangesproken. Het zelfbeeld van die trans persoon stemt niet overeen met het door de ander opgemerkte beeld. Met zijn imago of image, om die reclameterm te gebruiken, de: “indruk die de buitenwereld heeft van iemand of iets.” Die kunnen verschillen. Wikipedia gaat verder: “Er zijn verschillende soorten van het begrip identiteit te onderscheiden, zoals persoonlijke, genetische, sociale, culturele en nationale identiteit.” En daarmee komen we van het individu bij de groep: de culturele en nationale identiteit.

We komen er, maar het wordt er niet duidelijker op. “Een culturele identiteit ontstaat als een samenleving kiest voor een groepsverbondenheid die deze zelf definieert op grond van gemeenschappelijke waarden en normen en op grond van een gemeenschappelijk verleden. Culturele identiteit is een toeschrijvingsproces dat wortelt in een historisch continuïteitsbesef.” Zoals het hier is geformuleerd lijkt het alsof er sprake is van een bewuste keuzeproces waarbij men kiest welke normen en waarden er wel bij horen en welke niet. Een soort ‘vergadering’ van alle leden van de samenleving die gaan stemmen wat wel en niet tot die ‘culturele identiteit’ behoort. Maar wat als ik dan een minderheidsstandpunt vertegenwoordig? Hoor ik dan niet meer bij die culturele identiteit?

Als een culturele identiteit ontstaat door een keuze van een samenleving, waarin verschilt die culturele identiteit dan van de nationale identiteit. Een nationale identiteit is: “de collectieve identificatie met de natiestaat. De nationale identiteit is onderdeel van de sociale identiteit.” De sociale identiteit: “is het bewustzijn van een persoon tot een bepaalde groep te behoren en door anderen als zodanig behandeld te worden. Die groep heeft een gewenst zelfbeeld en wordt door anderen als uniek onderscheiden. Het zelfbeeld hoeft niet overeen te komen met het beeld dat buitenstaanders van een groep hebben, dat vaak gekenmerkt wordt door stereotypes.” Tot zover gaat het nog wel, maar dan: “De sociale identiteit is opgebouwd uit de identiteit van groepen waartoe iemand kan behoren, zoals de nationale, culturele, geslachts-, politieke of stedelijke identiteit.” Alle mogelijke andere identiteiten bepalen de sociale identiteit van een persoon. Daarbij de aantekening dat ‘identiteit’, zoals de Van Dale aangeeft, een zelfbeeld is. Dat zelfbeeld hoeft niet overeen te stemmen met het beeld dat anderen hebben van de persoon, cultuur of natie.

Identiteit lijkt daarmee, zoals de Vlaamse psycholoog Paul Verhaeghe op bladzijde 14 van zijn boek Identiteit schrijft: “het verschuivende beeldscherm van de buitenwereld, die steevast als spiegel voor die identiteit fungeert.” Dus de vraag hoe het ‘ik’ zich verhoudt tot de ‘buitenwereld’. Daarmee kan identiteit niet los worden gezien van imago. De trans persoon die ‘anders’   wordt waargenomen dan gewild, kijkt in Verhaeghes beeldscherm en moet daar iets mee. Een steen door dat beeldscherm werpen is dan een weinig succesvolle strategie. Identiteit is, volgens Verhaeghe op pagina 15, niet statisch: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, is hoogst twijfelachtig.” Zou een onveranderlijke nationale of culturele identiteit dan niet even twijfelachtig zijn?

Een paar bladzijden verder, op pagina 19, schrijft Verhaeghe iets waarmee we de stap maken naar het waarom ‘we’ ons zo druk maken om de ‘identiteit’. Verhaeghe ziet “twee fundamentele gerichtheden die vermoedelijk typerend zijn voor al wat leeft: we willen deel uitmaken van grotere gehelen en tegelijk streven we naar onafhankelijkheid.” Voor het bij een groep horen hebben we de ‘culturele’ en ‘nationale’ identiteit’, die we onderdeel laten uitmaken van onze individuele ‘sociale identiteit’. Onze individuele identiteit maakt echter ook deel uit van die sociale identiteit en door die individuele identiteit: “kan men zich onderscheiden binnen een groep”, om Wikipedia aan te halen. 

Maarten Luther. Bron: WikimediaCommons

Zou die grote belangstelling voor ‘identiteit’ te maken hebben met wat er in het ‘verschuivende beeldscherm’ te zien is? Dat beeldscherm laat ons steeds meer van de buitenwereld (dichtbij en veraf) zien. Steeds meer ‘beelden’ waartoe je je als individu moet verhouden. Maar ook omgekeerd, steeds meer ‘buitenwereld’ die jou via een beeldscherm ziet en zich ook weer tot jou moet verhouden. En op collectief, cultureel- of nationaal niveau, gebeurt precies hetzelfde. Francis Fukuyama lijkt ook in die richting te denken in zijn recente boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek. Volgens Fukuyama staat Maarten Luther aan het begin van het begrip identiteit of zoals hij het zelf schrijft op pagina 48: “Luther is dus verantwoordelijk voor het (in identiteitskwesties centrale) idee dat het innerlijke zelf diep is en vele lagen heeft die alleen door persoonlijke introspectie aan het licht gebracht kunnen worden.”  Luther was, zo betoogt hij, de eerste die het innerlijke en uiterlijke scheidde en de nadruk legde op het innerlijke. De keus die de (innerlijke) mens had en die zijn identiteit bepaalde: had slechts één dimensie,” zo betoogt Fukuyama, en dat was: “de aanvaarding van Gods genade. Er waren maar twee keuzemogelijkheden: je was vrij om al dan niet voor God te kiezen.” 

Dat het onderscheid tussen het innerlijke en het uiterlijke in Europa ontstond was volgens Fukuyama geen toeval (pagina 55): “ De Europese samenleving maakte een reeks ingrijpende economische en sociale veranderingen door, die leidden tot de materiële omstandigheden waardoor zulke ideeën zich konden verbreiden.” Welke veranderingen dat waren beschrijft hij op pagina 57: “Toen markten groeiden als gevolg van technologische veranderingen, ontstonden er nieuwe beroepen en kwamen er andere sociale klassen op. Steden werden machtiger en onafhankelijker en ze dienden als toevluchtsoorden voor boeren die aan de tirannie van hun heer probeerden te ontkomen.” Die veranderingen betekenden dat : “de mensen opeens meer keuzen en kansen hadden in hun leven. In de oude samenleving bepaalden hun beperkte sociale keuzemogelijkheden wie zij voor zichzelf waren; nu de bestaande grenzen werden doorbroken werd de vraag ‘Wie ben ik?’ opeens relevanter, evenals het gevoel dat er een enorme kloof bestond tussen de innerlijke mens en de uitwendige realiteit. Ideeën vormden de materiële wereld, en de materiële wereld creëerde omstandigheden voor de verspreiding van bepaalde ideeën.” 

Om het wat duidelijker te maken, een voorbeeld (Fukuyama pagina 89). “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.” Fukuyama vervolgt met een beschrijving van de ‘nieuwe wereld’ van Hans die naar het, in de negentiende eeuw snel industrialiserende, Ruhrgebied verhuisde. In die nieuwe wereld is alles anders. Hans komt mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk.” Hans ziet in zijn ‘beeldscherm’ een hem onbekende wereld. Een onbekende wereld die bij hem de vraag oproept: hoe verhoud ik me tot die wereld? Wie ben ik en welke rol speel ik in deze nieuwe wereld? Die vraag stelden zich vele mensen in Europa.

Het tijdperk van ‘Hans’ werd gekenmerkt door grote sociale en maatschappelijke verandering. De samenleving veranderde van een agrarische naar een industriële. Nieuwe ‘banen’, andere maatschappelijke verhoudingen, nieuwe onzekerheden en het wegvallen van bestaande zekerheden. Iets wat ook voor het huidige tijdsgewricht lijkt op te gaan. Voor velen is niet duidelijk of het werk dat ze nu doen er over vijf jaar nog is. Een robot kan het zomaar overnemen of er ontstaat ineens een ander alternatief voor je werk en dan ben je net zo overbodig als de ‘hoefsmid’. De vraag op wie je kunt terug kunt vallen bij pech is ook weer actueel. Die was vanaf de jaren vijftig beantwoord: op sociale regelingen. Alleen zijn die sinds de jaren tachtig flink ingekrompen en van karakter veranderd. Net als Hans zien we mensen uit andere streken met een andere taal en gebruiken. En net als Hans zien we nu politici, zelfs van over de hele wereld, die ons allemaal voor zich proberen te winnen maar waarvan we ons afvragen of ze werkelijk met ons lot zijn begaan. 

Uiteindelijk kreeg Hans een antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’ Fukuyama haakt bij dat antwoord aan bij de negentiende-eeuwse socioloog Ferdinand Tönnies die de ontwikkelingen omschreef als een overgang van ‘Gemeinschaft’ naar ‘Gesellschaft’. Fukuyama (pagina 91): “De psychologische ontregeling als gevolg van de overgang van Gemeinschaft naar Gesellschaft vormde de grondslag voor een nationalistische ideologie, die gebaseerd was op een intense heimwee naar het denkbeeldige verleden van een sterke gemeenschap, waarin verdeeldheid en verwarring van een pluralistische moderne samenleving niet bestonden.” Het antwoord dat Hans kreeg luidde daarmee (pagina 92): “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.” Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts.   

Viering 14e juli Parijs. Bron: WikimediaCommons

In een recent interview door  de Volkskrant met de filosoof Kwame Anthony Appiah een interessante passage: “Identiteit is vaak gebaseerd op leugens, schrijft Appiah. Maar: we hebben die leugens nodig. Elke groep heeft behoefte aan een gezamenlijk verhaal om de leden te binden.” Daar heeft Appiah een punt. Neem het antwoord dat Hans kreeg, hoe ‘waar’ zou dat zijn? Iedereen met een beetje kennis van het verleden, weet dat een gesprek tussen een negentiende-eeuwse Duitser uit Beieren en zijn ‘landgenoot’ uit Keulen of Hamburg onmogelijk zou zijn. Hun ‘Duits’ was zeer verschillend. Net zoals een Fransman uit Parijs zijn landgenoot uit Bretagne niet zou begrijpen en ‘unne Venlonaer’ zijn Friese landgenoot niet. Hoezo gemeenschappelijke taal en cultuur?

Het antwoord dat Hans kreeg wordt door politici als Wilders en Baudet nog steeds gegeven: ‘je bent een trotse Nederlander met een oude cultuur en geschiedenis enzovoorts’. Het bijzondere hierbij is dat Baudet terug lijkt te verlangen naar de periode waarin Hans in onzekerheid verkeerde. Alleen lopen er tegenwoordig veel Nederlanders rond die zich hierin niet herkennen. Je kunt je bovendien afvragen of een antwoord uit het verleden past bij de uitdagingen van het heden. Of, om een citaat van Verhaeghe dat ik hierboven al gebruikte te herhalen: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, is hoogst twijfelachtig.” Appiah bevestigt dit en geeft een waardevol advies: “Ik vind dat je identiteit licht moet dragen….” 

Een licht gedragen identiteit, is dat niet wat de tijdgenoten van Hans ook deden? Zij zochten naar een overkoepeld iets en dat werd gevonden in de Duitse, Franse enzovoorts taalfamilie. Al begrepen de verschillende ‘familieleden’ elkaar in eerste instantie niet. Bij die ‘taalfamilie’ werden vervolgens andere ‘leugens’ gevoegd en ziedaar de Duitse, Franse, Nederlandse, Italiaanse enzovoorts identiteit. ‘Leugens’ zoals een gedeelde christelijke beschaving waarbij twee eeuwen godsdienstoorlogen voor het gemak wat worden gebagatelliseerd. Maar ook leugens als ‘belangrijke’ historische gebeurtenissen, bijvoorbeeld ‘1600 slag bij Nieuwpoort’, die achteraf worden gezien als ijkpunten van die ‘nationale identiteit’. Achteraf omdat, zoals ik vorig jaar rond deze tijd schreef, het leven vooruit wordt geleefd en achteruit verklaard. Dat antwoord was passend in een tijd waarin de economie vooral nog regionaal opereerde. Door het steeds internationaler worden van die economie werd die lichte identiteit echter steeds zwaarder. Bedoeld om mensen te binden, werd die ‘nationale identiteit’ een middel om je af te zetten tegen andere ‘nationale identiteiten’.

Appiah: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” Maak collectieve identiteiten niet ‘uitsluitend’ maar ‘zoals Appiah het noemt, ‘productief’: “Als je een nationale identiteit bouwt die doet alsof iedereen al duizend jaar in Nederland woont, sluit je mensen uit die niet ergens anders naartoe zullen gaan. Maar het is perfectly fair om bijvoorbeeld te zeggen: Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.’” Een identiteit die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.”

Een lichte identiteit op het niveau van een samenleving, maar ook op persoonlijk niveau. Het citaat van Appiah over licht dragen van je identiteit gaat verder: “ …maar sommige van die bewegingen zijn zwaar. Ze trekken mensen in een identiteit waar ze helemaal geen zin in hebben. Ik heb er geen bezwaar tegen als mensen in een homo-enclave in de stad willen wonen, maar zelf wil ik dat niet. Ik voel me aangetrokken tot mannen, maar de laatste dertig jaar slechts tot één man, Henry. Henry is een groot feit in mijn leven, niet mijn homoseksualiteit. Laten we mensen niet in categorieën persen.” 

Ik begon met het verwijzen naar de vorige Prikker en de zin: “Je wilt iemand, die zelf nog niet voor hun identiteit uitkomt, niet outen.” Ik hoop dat de trans persoon zich veel meer voelt dan trans persoon.


Legers en vertrouwen in democratie

“De vrede in Europa, die we intussen al onwaarschijnlijk lang beleven, zou dus met een Europees leger nog meer worden veilig gesteld en extreem nationalistische of fascistische elementen weten zich bij voorbaat kansloos.”

Met die zin sluit Henk Witte zijn artikel bij Joop af. Witte pleit voor een Europees leger en dat kan en mag. Hij zal tegen- en medestanders op zijn weg vinden.

Leger

Foto: Pixabay

Of zo’n leger er wel of niet moet komen, daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om een van de argumenten die Witte gebruikt: “Noch van de Russen, noch van de moslimwereld behoeven we, op wat individuele dwaallichten na, werkelijk bang te zijn. Het zijn vooral de ontwikkelingen binnen Europa zelf die op gespannen voet met onze vrije democratieën staan.” Dat Europese leger zou met name een rol moeten krijgen in het bestrijden van die extreem nationalistische of facistische elementen. Een rol die al begint met de afschrikking die uitgaat van zo’n leger. De afschrikking zou die elementen al de moed in de schoenen moeten doen zakken.

Lees ik het goed? Pleit Witte ervoor om dat leger met name binnenlands in te zetten? Pleit hij ervoor het leger in te zetten tegen binnenlandse politieke partijen en bewegingen? Wordt het leger zo geen speelbal van de politiek? Als we dit naar de Nederlandse situatie vertalen, dan zou het kunnen betekenen dat de vier partijen die het kabinet vormen, besluiten het leger in te zetten tegen het Forum voor Democratie. Je zou die partij immers ‘extreem nationalistisch’ kunnen noemen, net als trouwens de PVV en afhankelijk van je eigen ‘denkframe’ zou je ook het CDA, de VVD onder die noemer kunnen scharen. Lastig hierbij is dat die mede de regering vormen. Leiden Witte’s ideeën er niet toe dat het leger een binnenlandspolitiek instrument wordt? Zou het werkelijk verstandig zijn om die weg op te gaan?

Witte lijkt vooral te denken aan het inzetten van dat leger in andere Europese landen: “Sommige landen in Europa maken al een aardige beweging in de richting van een staat waarin democratie een ondergeschikte rol lijkt te gaan spelen.” Gaan dan de andere landen dat leger de opdracht geven om bijvoorbeeld Hongarije of Polen binnen te vallen om de regering aldaar af te zetten?

Is een van de kenmerken van een vrije democratie niet dat politieke meningsverschillen in het publieke domein worden bediscussieerd? Als iemand hierbij de wet overtreedt is het dan niet de taak van de politie en justitie om op te treden en van de rechter om recht te spreken? Zou een kenmerk van de Europese samenwerking niet moeten zijn dat een land dat de Europese democratische grondregels schendt, uit de EU wordt gezet en dus ook niet meer de vruchten van die samenwerking kan plukken? Getuigt het pleidooi van Witte niet van een gebrek aan vertrouwen in de kracht van de vrije democratie?

Iedere tijd zijn eigen strijd

“Die vlag klinkt misschien een beetje triviaal, maar het staat voor iets groters. Kijk naar de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Ook zij hebben hoofdstukken gekend van geweld, van aanslagen. Maar die vlag, dat is de trots op hun samenleving als geheel.” Een uitspraak van Akwasi Owusu Ansah, opgenomen in een artikel van Vera Mulder bij De Correspondent.  Mulder sprak Ansah om te spreken over het belang van volledige geschiedenis. Aanleiding tot het gesprek was het boek Roofstaat van Ewald Vanvugt. Een boek over de zwarte bladzijden van de Nederlandse geschiedenis dat binnenkort verschijnt.

slavernijIllustratie: www.averbode.be

En door volledige geschiedenis kan iedereen zich gerepresenteerd voelen. Ansah: “Het grootste probleem van het ontbreken van de zwarte randen in onze geschiedvertelling, is dat het ervoor zorgt dat minderheden in Nederland zich niet gerepresenteerd voelen.” Maakt Ansah hier niet dezelfde fout die aan de basis ligt van het probleem? Namelijk de zoektocht naar aan passende nationale geschiedenis die ons in het heden goed uitkomt? Is dat er niet de oorzaak van dat: “gevierde historische figuren die … verschrikkelijke daden op hun geweten hebben…” eenzijdig zijn belicht? Wordt de geschiedenis zo niet in dienst gesteld van het heden? Zouden we daar niet mee uit moeten kijken? Is die gezochte trots niet juist verblindend?

Zou er niet juist ruimte komen voor het verleden in al haar aspecten, als het wordt bestudeerd om haar eigen waarde? Neem een belangrijk onderwerp van het gesprek tussen Mulder en Ansah, de slavernij. In de huidige discussie overheerst het beeld van de foute blanke die de zwarte in slavernij hield. Waren er in de loop der geschiedenis alleen zwarten slaven en alleen blanken slavenbezitters? Of zouden er ook blanken slaven zijn geweest en zwarte bezitters? Was het lijfeigenschap niet ook een vorm van slavernij? Hoe is de slavernij uiteindelijk afgeschaft? Speelden daar niet zowel zwarten als blanken en wellicht ook wel Chinezen of Indiërs een rol in?

Zou dat kunnen betekenen dat samenlevingen vroeger ook grijs waren? Dat er dus goede en slechte mensen waren en vooral een hele grote groep ertussen in?

Slavernij is dan wel verboden, dat wil niet zeggen dat het niet meer bestaat. Moeten we ons niet veel drukker maken om hedendaagse vormen van slavernij en achterstelling? Want zullen ze ons over 100 jaar niet beoordelen op onze daden en veel minder op discussies over het verleden? Waarmee niet is gezegd dat kennis van het verleden onbelangrijk is, in tegendeel. Iedere tijd wordt herinnerd om zijn eigen strijd, wat is de huidige strijd?

Hoe zouden ze over 100 jaar over onze tijd spreken? Welke ‘held’ van nu zal er dan bij het vuilnis worden gezet en welke schlemiel zal held worden? Hoe zou er worden geoordeeld over bijvoorbeeld de omgang met vluchtelingen in de jaren tien van de eenentwintigste eeuw?