Uitgelicht

‘Wij’ en ‘onze’ geschiedenis

                “Op de Vlaamse feestdag herdenken we de bolsjewieken van de middeleeuwen.” De sprekende titel boven een interview met de historicus Jan Dumolyn op de Belgische site MO. Voor degenen die niet weten welke Vlaamse feestdag er wordt bedoeld en wat er wordt herdacht: op de 11e juli herdenkt Vlaanderen de Gulden Sporenslag. In het populaire discours van nationalistische Vlamingen de strijd van de Vlamingen tegen de Fransen. In het interview legt Dumolyn uit dat het in werkelijkheid toch een stukje anders ligt. Het was veeleer een ‘sociale revolutie’. Een voorbeeld van: “Het universele streven naar emancipatie, naar een waardig bestaan.” Een streven dat, zo zegt Dumolyn terecht, ook bij Black Lives Matter een belangrijke rol speelt. Een streven dat door de hele geschiedenis een belangrijke rol speelt achter oorlogen en opstanden en dat draait om macht en de verdeling ervan. En… ook met vergelijkbare ontwikkelingen die eraan vooraf gaan.

Bestand:Nicaise de Keyser02.jpg
De slag der Gulden Sporen door Nicaise De Keyses. Bron: Wikipedia

                Waar ging het 700 jaar geleden in Vlaanderen om? Dumolyn: “1302 maakt deel uit van een tweede golf opstanden waarbij de volksklassen in de steden gebruik maakten van tegenstellingen binnen de elites om meer macht te verwerven in het bestuur van de steden.” Dit combineerde zich met: “een typisch feodaal conflict, tussen de koning van Frankrijk en de Graaf van Vlaanderen. Die laatste weigerde zich te onderwerpen aan de koning. Vergis u niet: die graaf van Vlaanderen, Gwijde van Dampierre, sprak geen woord Nederlands.” Uiteindelijk ‘vonden’ de graaf van Vlaanderen en de ‘volksklassen in de steden’ elkaar en dat leidde uiteindelijk tot een verpletterende nederlaag voor de Franse koninklijke troepen. Heel adellijk Europa was hierdoor in rep en roer: “Ze verafschuwden de gemeentenaren als terroristen. Die waren de Islamitische Staat, of misschien met een betere metafoor, de bolsjewieken van die tijd.” Het bondgenootschap tussen de graaf en de ‘volksklassen’ hield niet lang stand. Dat laat onverlet dat de ‘volksklassen’, en laat je niet verleiden door het woord want het waren met name ambachtslieden, in de steden mee gingen besturen. Maar wel met grote gevolgen: Het had grote internationale uitstraling. In dat Vlaanderen krijg je dus 200 tot 250 jaar ambachtsbestuur, maar eigenlijk ook in andere steden van het huidige België, wat historici nu de Zuidelijke Nederlanden noemen, zoals Luik en Mechelen, en ook in sommige steden van het huidige Nederland. Dat heeft een heel ander soort sociale constellatie geschapen, met een meer stedelijke cultuur, waar de adel en de Kerk minder alles in handen hebben.” Precies die zaken waar ook de Republiek later om bekend stond.

                Wat zien we als we kijken naar de ontwikkelingen die eraan vooraf gingen? “De kloof tussen arm en rijk in de steden was sterk gegroeid. Enerzijds was er een toename van kapitaalvorming door investeringen in de textielhandel. Anderzijds daalden de lonen, door de constante immigratie. De lonen konden de prijsstijgingen niet volgen.” Dit was mogelijk omdat: “De productieve landbouw (een) snelle verstedelijking toe(liet).”  Hierdoor woonde een steeds groter deel van de bevolking in de steden. “In de dertiende eeuw ontwikkelde zich een stedelijk proletariaat door de sterke instroom van arbeidskrachten. Dat bestond uit arme ambachtslieden, ongeschoolde arbeidskrachten, bedelaars, ook veel alleenstaande vrouwen. Die werkende klasse woonde dikwijls ook in aparte wijken, toen al.” De steden verwierven: “een zekere autonomie tegenover de adel, bisschoppen en abten.” Binnen de steden lag de macht in handen van een kleine groep patriciërs, de stedelijke elite, terwijl die ‘volksklassen’, en dan vooral de ambachtslieden, buitenspel stonden.

                Als we dit vergelijken met de situatie nu, wat zien we dan? Dan zien we een groeiende kloof tussen arm en rijk. We zien dat lonen niet stijgen en dat het ‘kapitaal’ een steeds groter deel van de koek neemt. Dan zien we een constante migratiestroom naar de steden. Dan zien we in toenemende mate een ruimtelijke en vervolgens ook emotionele scheiding tussen de verschillende bevolkingsgroepen (aparte wijken, segregatie op scholen et cetera). Dan zien we dat een groot deel van de bevolking aangeeft dat ze ‘niet gehoord’ worden, dat ze niet meetellen en niets te zeggen hebben. Een groot deel dat mensen van alle kleuren omvat. Dan zien we een golf van ‘verzet’, net als 700 jaar geleden.

                En eigenlijk zien we dat geregeld in de geschiedenis. Neem de periode dat de slavernij werd afgeschaft, het midden van de negentiende eeuw. De periode waarin, als we Gloria Wekker in haar boek Witte onschuld mogen geloven, een: “raciale grammatica ingeplant is, een diepe structuur van ongelijkheid in gedachten en gevoelens, gebaseerd op ras, en dat vanuit dit diepe reservoir het culturele archief – onder meer een gevoel over het zelf – gevormd en gefabriceerd werd.” Inderdaad was het een periode van ‘een diepe structuur van ongelijkheid’ want de ongelijkheid in inkomen en vermogen bereikte grote hoogten. Alleen was die structuur niet gebaseerd op ras want, zoals ik in I’ve got the power al schreef, stond het gros van de blanke bevolking aan de verkeerde (de arme en machteloze) kant van die ‘ongelijkheid. Hun levensomstandigheden waren nauwelijks beter dan die van de slaven in de Amerika’s. Het was ook een periode van migratie. Migratie van het platteland naar de stad en ook van Europa naar vooral het nieuwe land: de Verenigde Staten. Rijk en arm leken op totaal andere planeten te leven. Ook had een groot deel van de bevolking niets te zeggen en was er sociale onrust.

                Het probleem nu is niet ‘het westen’ zo betoogt Dumolyn: “Het Westen is altijd de slechterik, en de niet-witte mensen zijn altijd de slachtoffers. Alsof andere culturen en beschavingen niet plunderden, veroverden en mensen tot slaaf maakten.” Nee het probleem is: “het imperialistische en kapitalistische systeem.” Want: “Dat heeft in zijn meedogenloze accumulatie de mensen hier in de fabrieken gestoken en de mensen van het Zuiden op een gruwelijke manier onderworpen en tot slaaf gemaakt. En dat gebeurde op een veel grotere schaal en op een veel intensievere manier dan tot dan toe in de slavernij het geval was geweest.” Dit kan, zo betoogt Dumolyn, niet worden bestreden met ideologie, en dat is wat er nu aan het gebeuren is met: “ingewikkelde theorieën over wit privilege.” Dat moet met wetenschap, met kennis van de geschiedenis. En ja, zo betoogt Dumolyn: Er is te weinig aandacht voor de koloniale geschiedenis in het onderwijs, dat klopt. Maar er is ook veel te weinig aandacht voor de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Wat heb jij geleerd over de negentiende-eeuwse socialisten. … We moeten komen tot een verhaal dat de “eigen” geschiedenis juister voorstelt, met de positieve en negatieve kanten, gebaseerd op de feiten.”  

                Hij stelt: “Een pragmatische strategie,” voor: “waarbij we de eigen geschiedenis, waarden, identiteit tussen aanhalingstekens, cultuur, positiever invullen, naast de noodzakelijke kritiek op de eigen geschiedenis.” Een interessant betoog dat aansluit bij veel van wat jullie ook van de Ballonnendoorprikker te lezen krijgen. Jammer alleen dat dergelijke geluiden in Nederland veel te weinig tot geen plek krijgen in het publieke discours. In dat discours is veel te veel aandacht voor symbolische zaken.

Uitgelicht

Eigendom of racisme?

In de Volkskrant een artikel van de al jaren in Berlijn wonende Amerikaanse filosofe Susan Nijman. Niet toevallig, want sinds kort ligt haar boek Wat we van de Duitsers kunnen leren in de boekenwinkels. Een boek waarin Nijman de manier waarop in Duitsland met de door de Duitsers begane wreedheden in de Tweede Wereldoorlog wordt vergeleken met de manier waarop in de Verenigde Staten met de burgeroorlog en het slavernijverleden wordt omgegaan. Een zeer interessant boek omdat Nijman een zeer goed beeld schets van de historie en de ontwikkeling van de omgang met een kwalijk verleden.

Eigen foto

                Eerst even Nijmans boek en de omgang met een beladen verleden in Duitsland en de Verenigde Staten. Die omgang verschilt aanmerkelijk waarbij het geval Duitsland extra bijzonder is omdat er daarvan twee waren die later, in 1991, weer één werden. Oost en West gingen op een heel andere manier met het verleden om. Het Oosten positioneerde zich als anti nationaalsocialistisch en daarbij schuwde men niet om de wandaden van de nazi’s bloot te leggen en te veroordelen. In het Westen lag dat anders. Daar werd die geschiedenis zo’n twintig jaar verzwegen. Sterker nog, de West-Duitsers zagen zichzelf als de grootste slachtoffers van de oorlog. Hun land lag immers volledig in puin. Een groot deel van hun voormalige grondgebied lag nu in andere landen, het meeste in Polen, en er waren bezettingsmachten in het land gelegerd. Pas in de jaren zestig, toen de naoorlogse generatie kinderen vragen aan hun ouders en grootouders gingen stellen, veranderde dit. Daar waar in het Oosten veel monumenten ter herdenking van de oorlog werden opgericht, gebeurde dat in het Westen niet. In het Oosten waren verschillende voormalige concentratiekampen open voor publiek met uitleg wat er was gebeurd. In het Westen was dat er, zo schrijft Nijman, één. Toen in 1991 de beide landen weer samenkwamen, moest er weer een geheel nieuwe manier van ‘Vergangenheitsaufarbeitung’ zoals Nijman het noemt, worden ontwikkeld. Inmiddels is het zover dat het overgrote deel van de Duitsers aanvaardt dat hun voorvaderen schuldig waren aan het uitbreken van de oorlog, daarin met name in het Oosten van Europa en vooral op het grondgebied van de toenmalige Sovjet Unie verschrikkelijk hebben huisgehouden en dat ze schuldig waren aan de Holocaust.

                Na de burgeroorlog moesten ook de Verenigde Staten en vooral het verliezende ‘confederatieve’ deel zich opnieuw uitvinden. Die staten werden bezet door Noordelijke troepen en de centrale regering geleid door radicale republikeinen ging aan de slag met progressieve wetgeving en volledige burgerrechten voor iedereen. Die bezetting en wetgeving viel slecht bij de blanke bevolking van de Zuidelijke staten. Toen de radicale republikeinen hun meerderheid verloren, verloor ook deze zogenaamde ‘reconstruction’ haar momentum en de balans sloeg om van de federale overheid naar de individuele staten. In het Zuiden betekende dit dat al die progressieve wetgeving werd omzeild door statelijke wetgeving. Wetgeving die strikte rassenscheiding betekende. Slavernij was dan wel verboden, de voormalige slaven kregen het nu vaak nog slechter dan ze het als slaaf hadden gehad. De plantagehouder had er immers geen belang meer bij om zijn ‘medewerkers’ goed te behandelen. Ook het narratief van de burgeroorlog veranderde. De oorlog was gevoerd om slavernij en dat verdween naar de achtergrond en werd vervangen door het verhaal dat de geconfedereerde staten streden voor de rechten van de individuele staten tegen de Unionisten. Staten die opkwamen voor de belangen van de totale unie. De geconfedereerden hadden die oorlog verloren maar waar ze voor hadden gestreden was het ‘goede’. Ze hadden gestreden voor een ‘lost cause’. Dit maakte dat al hun leiders eigenlijk goed waren en dus het herinneren waard. Daarop, zo’n twintig jaar na afloop van de oorlog, werd het zuiden vol gezet met standbeelden van die helden. Beelden die moesten herinneren aan die ‘goede maar verloren zaak’. Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw, dus zo’n 100 jaar na de afschaffing van de slavernij, werd de segregatie op basis van huidskleur verboden. Daarmee was en is de kous nog steeds niet af. Nog steeds kennen de Verenigde Staten beleid dat Afrikaans-Amerikanen en ook Spaans-Amerikanen benadeelt. Het meest prominent zijn hierbij de manieren waarop het mensen van kleur lastig wordt gemaakt om hun stem uit te brengen. Nijman constateert in haar boek dat een soortgelijk besef als bij het gros van de huidige Duitsers, bij het gros van de inwoners van de Verenigde Staten ontbreekt.

                Tot zover, behalve dan een aanbeveling om het toch echt zelf te lezen, Nijmans boek. “Net als Engeland en Frankrijk, die eerder waren, compenseerde Nederland de slavenhouders voor het verlies van hun bezit, maar overwoog nooit de slavernijslachtoffers te compenseren voor levenslange, zware, onbetaalde arbeid,” zo schrijft Nijman in haar artikel. En daar heeft ze een punt en ze vervolgt: “Deze misdrijven moeten op tafel: ze werden gevoed door het racisme waarvan Nederlandse ingezetenen van kleur nog steeds de gevolgen ondervinden.” Een redenering die tegenwoordig erg in zwang is, maar zou ‘racisme’ werkelijk de reden zijn dat de slavenhouders een vergoeding ontvingen en de slaven niet?

                In zijn boek Kapitalisme en Ideologie behandelt de Franse econoom Thomas Piketty ook de afschaffing van de slavernij. En ook hij zoekt een verklaring voor het vergoeden van de slavenhouders en niet de voormalige slaven. Even als kanttekening, het onderwerp van Piketty is niet slavernij maar ongelijkheid. Piketty komt met een heel andere verklaring: de heilige status van particulier bezit. Piketty: “Deze samenlevingen bestaan al veel langer dan het Europese kolonialisme, en de manieren waarop ze zich uitbreidden, zich rechtvaardigden en verdwenen roepen fundamentele vragen op voor de algemene geschiedenis van regimes met ongelijkheid. De slavernij is in het Verenigd Koninkrijk in 1833 afgeschaft, in Frankrijk in 1848, in de Verenigde Staten in 1865 en in Brazilië in 1888. De manier waarop dat gebeurde en de verschillende voor de gelegenheid ontworpen vormen van compensatie voor de slavenhouders (en niet voor de slaven zelf) illustreren duidelijk dat particulier bezit in de negentiende eeuw heilig was. Die heiligverklaring stond aan de wieg van de moderne wereld.”

                Zeker als we in ogenschouw nemen dat, zoals ik in I’ve got the power liet zien, de Europese arbeid niet veel beter werd behandeld dan de slaven op de katoenvelden, dan zou Piketty wel eens dichter bij de werkelijke reden liggen waarom niet de slaven maar de slavenhouders werden gecompenseerd. De slavenhouders ‘verloren’ eigendom terwijl de voormalige slaven vrijheid ‘kregen’.

Uitgelicht

PR bureau Universiteit van Amsterdam

“Als dit is wat studenten op de Universiteit van Amsterdam in het algemeen leren, dan maak ik mij grote zorgen om de toekomst van ons allen.” Dit concludeerde ik in een Prikker naar aanleiding van de oproep van Tammie Schoots bij Joop. Schoots diskwalificeerde bijdrages in een gesprek niet vanwege de inhoud maar omdat ze kwamen van ‘witte heteroseksuele cis-gender mannen’. Naar nu blijkt moeten we ons echt zorgen maken. Bij Joop schrijft Meindert Fennema over een brief die door zo’n 80 docenten is ondertekend. “Ons falen blijkt uit de ideeën die we hebben uitgedragen en de gemeenschap die we hebben opgebouwd. Meer concreet: wij hebben ons in ons onderzoek niet voldoende gefocust op kwesties van ras als sociaal systeem en de manier waarop ras samenhangt met andere sociale stratificaties,” zo schrijven 80 medewerkers van de afdeling Politieke Wetenschappen. Een bijzondere brief. Bijzonder om meerdere redenen.

Bestand:UvAMaagdenhuis.jpg
Bron: Wikipedia

Als eerste geven de tachtig zelf aan dat ze niet goed hebben gefunctioneerd. Dat ze niet geschikt zijn voor hun baan. Hoe makkelijk wil je het als werkgever hebben. De werknemer bekent zelf dat hij of zij faalt. Dan rest de vraag: ‘stap je zelf op, of moet ik je ontslaan?’

Meer bijzonder is de reden die ze aanvoeren waarom ze hebben gefaald: “de ideeën die we hebben uitgedragen” Ze hebben dus les gegeven in de verkeerde ideeën. Welke dat zijn daar gaan ze niet op in. Politicologie is een sociale wetenschap en een van de kenmerken van sociale wetenschappen is dat er geen alles verklarende theorie is. Er is geen ‘waarheid’. Er zijn maatschappelijke ontwikkelingen, – problemen en  – uitdagingen en die kun je vanuit verschillende invalshoeken bestuderen. Van welke kant je er ook naar kijkt, je zult altijd op macht en machtsstructuren stuiten. Bij het zoeken naar verklaringen of verbeteringen lijkt het mij van belang om juist vanuit zo veel mogelijk verschillende invalshoeken naar een probleem te kijken. Een universiteit is bij uitstek een instituut dat haar studenten moet leren om juist vanuit verschillende, liefst zoveel mogelijk, invalshoeken naar zaken te kijken. Sociale theorieën bieden die verschillende invalshoeken en goed onderwijs laat studenten met al deze invalshoeken kennismaken. Als dat is wat de schrijvers met ‘ideeën uitdragen’ bedoelen, dan deden ze hun werk naar behoren.

Het onderwijs en zeker ook het universitaire, is niet bedoeld om ‘ideeën uit te dragen’. Het is geen, of dat zou het in ieder geval niet moeten zijn, pr-bureau voor bepaalde maatschappijopvattingen. Dat wil niet zeggen dat medewerkers van een universiteit geen voorkeuren mogen hebben. Het lijkt erop dat de Universiteit van Amsterdam wel kiest voor de functie ‘pr-bureau voor een maatschappelijke opvatting.’ De briefschrijvers geven aan dat ze hebben gefaald omdat ze, zoals ze zelf zeggen: “in ons onderzoek niet voldoende (hebben) gefocust op kwesties van ras als sociaal systeem en de manier waarop ras samenhangt met andere sociale stratificaties”  ‘Ras en andere sociale stratificaties’ wordt in de Engelse versie vertaald met: “intersectionalities.”  De theorie van de ‘intersectionaliteit’ moet dus centraal staan in het onderwijs op de Universiteit van Amsterdam. Een bijzondere theorie waarover ik al meermalen schreef, onder andere in Verdwalen tussen de kruispunten. Dus dat doe ik hier verder niet.

De auteurs maken de wetenschap ondergeschikt aan een politiek doel en staan daarmee in een bijzondere traditie. Zo stond het onderwijs in het Oostblok in het teken van het verkondigen van de zegeningen van het communisme en moesten alle vraagstukken worden bestudeerd vanuit een vooropgestelde communistische kijk op de wereld. Iets wat ook in nazi-Duitsland gebeurde maar dan met het nationaalsocialisme als kijk op de wereld. De manier waarop de aanhangers van het ‘intersectionalisme’ te werk gaan, lijkt hier op. De geschiedenis moet worden herschreven waarbij het blanke westers racisme en kolonialisme het centrale thema is en de ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ de verpersoonlijking is van ‘het kwaad’. Alle boeken die niet voldoen aan de ‘intersectionele standaarden’ moeten uit het curriculum en liefst ook nog uit de bibliotheek. ‘Jip en Janneke’ kunnen echt niet vanwege de stereotype rollen. De nazi’s gingen nog een stapje verder en verbrandden de boeken.

We moeten ons echt zorgen maken omdat 80 medewerkers van een Universiteit die voor het grootste deel met belastinggeld wordt gefinancierd, aangeven dat ze het instituut willen ombouwen tot een pr-bureau. Ze geven aan hun wetenschappelijke en onderwijskundige opdracht om onze jeugd op te leiden tot kritische burgers te gaan verzaken door er ‘discipelen voor een zaak’ van te maken. Dat is reden voor ontslag. Al betwijfel ik of het bestuur van de Universiteit van Amsterdam dit zo zal zien.

Uitgelicht

Risicoslavernij

                “Na jarenlang debat in de Tweede Kamer en onder meer een pleidooi van Albrecht Frederik Insinger voor een zo gunstig mogelijke financiële compensatie voor het bedrijf, keerde de Nederlandse overheid in 1863 300 gulden uit per ‘vrijgemaakte slaaf’ aan alle slavenbezitters.” Schrijft Karin Lurvink bij OneWorld over een gebeurtenis zo’n 150 jaar geleden. En die slaven moesten ook nog zo’n tien jaar doorwerken voor hun oude ‘eigenaar’. In haar artikel geeft Lurvink aan dat Nederlandse banken en verzekeringsmaatschappijen flink hebben verdiend aan de slavernij en daar moet voor haar meer aandacht voor zijn. Want door die aandacht: wordt de reikwijdte van de betrokkenheid bij en impact van slavernij pas echt duidelijk.”  Een andere vraag is echter veel interessanter: hoe komt het dat de slavendrijvers werden gecompenseerd en de voormalige slaven daarvan de schade nog tien jaar moesten betalen?

Bron: Pixabay

                Nu hebben die slaven nog geluk als je het vergelijkt met de Russische lijfeigenen. Lijf, leden en leven van een lijfeigenen stonden, net als dat van een slaaf, geheel ter beschikking van de eigenaar van het land. De lijfeigene was gebonden aan de grond. Werd de grond verkocht, dan werden de lijfeigenen mee verkocht. Aan dat lijfeigenschap kwam in 1861 een einde, twee jaar voordat Nederland de slavernij afschafte. Daarmee was de ellende van de lijfeigene echter nog niet voorbij. Zoals de historicus Michael Lynch het schrijft: “Impressive though these freedoms first looked, it soon became apparent that they had come at a heavy price for the peasants. It was not they, but the landlords, who were the beneficiaries. …  The compensation that the landowners received was far in advance of the market value of their property. They were also entitled to decide which part of their holdings they would give up. Unsurprisingly, they kept the best land for themselves. The serfs got the leftovers. The data shows that the landlords retained two-thirds of the land while the peasants received only one-third. So limited was the supply of affordable quality land to the peasants that they were reduced to buying narrow strips that proved difficult to maintain and which yielded little food or profit. Moreover, while the landowners were granted financial compensation for what they gave up, the peasants had to pay for their new property. Since they had no savings, they were advanced 100 per cent mortgages, 80 per cent provided by the State bank and the remaining 20 by the landlords. This appeared a generous offer, but as in any loan transaction the catch was in the repayments. The peasants found themselves saddled with redemption payments that became a lifelong burden that then had to be handed on to their children.”  Van overerfbaar lijfeigenschap naar overerfbaar schuldenaarschap.

                Terug naar de vraag. Hoe komt het dat de veroorzakers van schade een vergoeding krijgen? Een vergoeding betaald door degenen die er de meeste schade van ondervonden? Dat is een interessante vraag. Een vraag die we ons ook tegenwoordig nog steeds kunnen stellen. Zo werden na 2008 de banken en financiële instellingen die de crisis hadden veroorzaakt, gered. De rekening ervan werd afgewenteld op de burgers in de vorm van belastingen en bezuinigingen.

Een vraag die je ook kunt stellen bij het beperken van de maatschappelijke schade door de coronacrisis. Zo schrijft Jelmer Mommers bij De Correspondent over de eerste maanden na de uitbraak van de corona-pandemie: “De regering was ondertussen de oude, oneerlijke economie in zijn geheel aan het redden. Belastingontwijkers, grote vervuilers, luchtvaartmaatschappijen – iedereen kreeg steun.”  Niet dat het coronavirus een gevolg is van acties van die ‘belastingontwijker en vervuilers’. Nee, dat niet. Het zijn echter wel die ‘belastingontwijkers en vervuilers’ die de maatschappij grote schade toebrengen, die nu worden gecompenseerd.

                Het antwoord op de vraag waarom de schadeveroorzakers worden beloond en degenen die de schade ondergaan worden bestraft, is even logisch als simpel: ‘omdat ze het kunnen!’ En waarom kunnen ze het? ‘Omdat ze de macht hebben.’ De macht om zaken in een voor hen gunstige richting te sturen. De oude slavenhouders bevolkten de parlementen die de slavernij moesten afschaffen. De vervuilende en belastingontwijkende bedrijven van tegenwoordig zitten niet in de parlementen. Alhoewel niet? Hoeveel parlements- en kabinetsleden hebben niet een verleden bij grote bedrijven. En vooral, hoeveel van hen hopen niet op een toekomst bij een van die bedrijven? De huidige premier van Nederland heeft een verleden bij Unilever, oud-ministers zitten nu in de top bij banken. Een voormalig staatssecretaris is topman bij Schiphol. Bouwend Nederland wordt al decennia geleid door voormalig ministers. Om een paar voorbeelden te noemen.

                “Veel rechtsvoorgangers van oude Nederlandse bedrijven zijn betrokken geweest bij slavernij; het was onderdeel van business as usual. Als deze bedrijven hun lange geschiedenis belichten, zouden zij zich niet alleen moeten richten op het ‘glorieuze’ deel. Door hun slavernijgeschiedenis te benoemen kan in Nederland het besef toenemen dat verschillende bedrijfstakken bij slavernij betrokken waren en dat dit een grotere impact heeft gehad op de samenleving en economie dan tot nu toe wordt verondersteld.” Zo concludeert Lurvink. Als historicus juich ik het toe dat het verleden tegenwoordig veel aandacht krijgt. Alleen lijkt er hierbij geen aandacht te worden besteed aan het belangrijkste dat de bestudering van het verleden laat zien. Dat is dat het altijd om macht draaide en draait. Dat zij die de macht hebben, de zaken naar hun hand zetten. Daarbij heeft het weinig toegevoegde waarde om ‘de strijd tegen de vroegere slavenhouders’ nogmaals over te doen. Dan heeft het meer effect om te strijden tegen huidige ‘slavenhouders’. Echte slavenhouders maar ook ‘vervuilende en belastingontwijkende’ bedrijven die ons als hun ‘slaven’ gebruiken voor de risico’s die zij nemen.

Uitgelicht

Cultureel archief

Tegenwoordig is de biografie een populair genre in de boekenwereld. Een boek over het leven van een bekende persoon. Daarbij maakt het niet veel uit of die persoon nog leeft of het tijdige al heeft verruild voor het eeuwige. Van veel bekende (oud)voetballers zijn er een of meerdere verschenen, Cruijf, Kieft, Van der Gijp om er een paar te noemen. Maar ook van politici en topmensen in het bedrijfsleven, Churchill, Drees Steve Jobs. Als je deze boeken leest dan krijg je een indruk van hun leven en de tijd waarin zij leven. Echter, wel een zeer eenzijdige indruk. Ik moest hieraan denken toen ik Witte Onschuld van Gloria Wekker herlas.

Bron: Needpix

In haar boek baseert Gloria Wekker zich op het begrip cultureel archief van Edward Said. Een cultureel archief is: “een speciaal soort kennis en structuren van houding en referentie (en) structuren van gevoel,” zo citeert Wekker Said. In dit cultureel archief  van het westen, zo citeert zij verder, werd er: “nagenoeg unaniem verondersteld dat onderworpen rassen moesten worden overheerst, dat er zoiets bestond als onderworpen rassen, en dat één ras het recht verdiende en voortdurend had verdiend te worden beschouwd als het ras waarvan de voornaamste missie was zich uit te breiden tot buiten zijn eigen domein.”  Dan neemt Wekker zelf het woord: “Het is belangrijk dat Said hier verwijst naar het gegeven dat er in de negentiende-eeuwse Europese imperiale bevolkingen een raciale grammatica ingeplant is, een diepe structuur van ongelijkheid in gedachten en gevoelens gebaseerd op ras, en dat vanuit dit diepe reservoir het culturele archief- onder meer een gevoel over het zelf- gevormd en gefabriceerd werd.” Wekker spreekt hier over ‘Europese imperiale bevolkingen’.

Bij het bestuderen van het verleden zijn bronnen belangrijk. Bronnen zoals uit een bepaalde tijd bewaard gebleven voorwerpen en bouwwerken, sinds de uitvinding van het schrift geschreven documenten en recentelijk geluids- en beeldfragmenten. Alleen kon, tot voor kort, het overgrote deel van de bevolking van welk land dan ook, niet lezen of schrijven. Dat was voorbehouden aan enkelen. In de Middeleeuwen in Europa vooral monniken. En net zoals de biografieën van de bekende voetballers het beeld van de voetbalwereld vertekenen, is de kans groot dat de geschriften van de monniken ons beeld van de Middeleeuwen vertekenen en er een veel te religieuze voorstelling van geven. Voor een goed beeld van de voetbalwereld zijn biografieën over de rechtsachter van het derde elftal van deze of gene amateurclub nodig. En voor een evenwicht beeld, zouden dat er veel meer moeten zijn dan van profs. Er zijn immers veel meer amateurvoetballers. Voor een goed beeld van de Middeleeuwen zouden we ook geschriften over het dagelijkse leven van een horige of lijfeigene moeten beschikken. De mensen waarover in de geschiedenisboeken als groep wordt gesproken en niet, zoals over Karel de Grote, als individu.

Zoals ik in mijn vorige Prikker I’ve got the power al liet zien, leefde het overgrote deel van die bevolking in ellende. Ellende die vergelijkbaar was met de situatie van slaven op plantages. Als we ons dat realiseren, hoe kijken we dan naar die ‘Europese imperiale bevolkingen’? Zou bij die in ellende levende bevolking werkelijk een ‘raciale grammatica’ zijn  ‘ingeplant’? Laten we die vraag eens wat nader bekijken.

Dat ‘inplanten’ moet ergens gebeuren. Een eerste plek waar dat kan gebeuren is in het gezin. Nu weten we onder andere uit Het Kapitaal van Karl Marx, dat het gros van de kinderen al vroeg aan het werk werd gezet.  “Zo blijkt uit de statistieken dat in 1859 maar liefst 450.000 Nederlandse kinderen hele dagen werkten,” zo is te lezen op de site geschiedenis.nl. Nederland kende in dat jaar zo’n 3,3 miljoen inwoners. De stand van het gros van de bevolking stond op ‘overleven’ daarvoor moest alles wijken. Tijd voor ‘inplanten’ was er niet.

Een tweede plek waar ‘ingeplant’ kan worden, is het onderwijs. Maar ja, wie volgde er onderwijs? Op dezelfde pagina op de hierboven aangehaalde site is te lezen:  “Gedurende een groot deel van de 19e eeuw was het voor veel kinderen nog gebruikelijk om vrijwel geen onderwijs te volgen. De meesten moesten namelijk thuis bijdragen aan de inkomsten en werden daarom ingezet als arbeider op het land of in de fabriek.” Die kinderarbeid werd pas aangepakt door het beroemde kinderwetje van Van Houten in 1874. Toen werd kinderarbeid in fabrieken voor kinderen onder de 12 jaar verboden. Let wel in fabrieken, de meeste kinderen werkten toen nog in de landbouw en daar bleef het nog steeds toegestaan. Pas in 1901 werd de leerplicht ingevoerd. Met 50 tegen 49 stemmen werd de eerste leerplichtwet aangenomen. Dit met dank aan het paard van kamerlid en tegenstander van de leerplicht wet Francis David Schimmelpennick. Het geachte kamerlid was namelijk van zijn paard gevallen en kon daarom de stemming niet bijwonen waardoor er een nipte meerderheid was voor de invoering van de leerplicht. Het gros van de negentiende-eeuwse kinderen ging niet naar school en kan daar dus ook niets ingeplant krijgen.

Als laatste kun je je afvragen welk belang de toenmalige ‘kapitalistische elite’ erbij zou hebben om die ‘racistische superioriteit’ in te planten bij de kinderen van de arbeiders en boeren. ‘Implanten’ zou inhouden dat ook de omstandigheden waarin de slaven leefden en werkten aan bod moesten komen. Zou dan de kans niet groot zijn dat die boeren- en  arbeiderskinderen tijdens dat ‘inplanten’ zouden denken: ‘maar wacht eens, waarin verschilt mijn ‘superieure’ situatie van die van de slaaf?’ Dat ‘inplanten’ zou het klassenbewustzijn wel eens flink kunnen bevorderen. Zou de toenmalige ‘kapitalistische elite’ daarop hebben zitten te wachten?

Uitgelicht

I’ve got the power…

Recentelijk las ik Marx’ Het Kapitaal. In dat boek geeft Marx een goed beeld van de leefomstandigheden van de arbeiders in het algemeen en op de Britse eilanden in het bijzonder. Marx geeft in dit boek ook inzicht in de manier waarop er over arbeiders werd gedacht en dat is niet mals. Waarom begin ik hierover? Ik begin hierover omdat Marx over zijn tijd schrijft en probeert te verklaren waarom zaken lopen zoals ze lopen. Die tijd is precies de tijd die centraal staat in de huidige racismediscussie. Het is de periode van de afschaffing van de slavernij, de race om koloniën en de rassenleer. Het is echter ook de periode van de sociale – en de klassenstrijd. In die laatste speelde Marx een belangrijke rol. Ik begin hierover omdat door de huidige min of meer beperking van die periode tot ‘trans-Atlantische slavernij en racisme’ ons, naar mijn mening, op een verkeerd been zet.

Eigen foto

De ellende waarin de slaven in de Amerika’s leefden was schrijnend en krijgt terecht aandacht. De situatie van de slaven verschilde echter niet zoveel van de situatie van de arbeiders. Een voorbeeld dat Marx geeft: “In de laatste weken van juni 1863 kwamen alle dagbladen om Londen met een stuk onder de sensationele kop: Death from simple overwork (Dood door louter overmatige arbeid). Het ging over de dood van de modiste Mary Anne Walkley, 20 jaar, werkzaam in een zeer achtenswaardige hofmodezaak, die werd geëxploiteerd door een dame met de gemoedelijke naam Elise. Het oude en al vaak vertelde verhaal weer nu opnieuw ontdekt: deze meisjes werken gemiddeld 16 1/2 uur, tijdens het seizoen vaak zelfs 30 zonder onderbreking, waarbij hun ‘arbeidskracht’ in stand wordt gehouden door hun af en toe sherry, port of koffie toe te dienen. En men zat juist in de drukste tijd. De pronkgewaden van de nobele ladies moesten in de kortst mogelijke tijd worden klaargetoverd voor het galabal, dat gegeven werd ter inhuldiging van de vers geïmporteerde prinses van Wales. Mary Anne Walkley had samen met zestig andere meisjes 261 uur onafgebroken gewerkt. Met dertigen  zaten ze in één kamer, die nauwelijks de helft van de noodzakelijke kubieke meters lucht bevatte; ’s nachts moesten ze in een van de stinkholen, waarvan men slaapkamers had gemaakt door ze met verschillende tussenschotten te verdelen, met z’n tweeën één bed delen. En dit was een van de betere modezaken in Londen. Mary Ann Walkley werd op vrijdag ziek en overleed op zondag, en – tot grote verbazing van madame Elise – zonder het laatste kleding stuk te hebben afgemaakt. De te laat aan het sterfbed geroepen arts verklaarde bij de lijkschouwing voor de jury in droge bewoordingen:´Mary Anne Walkley is gestorven door lange arbeidsuren in een te vol arbeidsvertrek en in een te klein en slecht geventileerd slaapvertrek.’ Om de arts een lesje in goede manieren te geven verklaarde de jury: ‘De overledene is gestorven aan apoplexie, maar er zijn redenen om te vrezen dat haar dood werd bespoedigd door overmatige arbeid in een te volle werkplaats enzovoorts.”  

Dit is slechts één van de vele beschrijving van de arbeidsomstandigheden die Marx geeft en de manier waarop er over arbeiders werd gedacht en hoe ermee werd omgegaan. Mary Anne was twintig en daarmee al een ervaren naaister. Kinderen werden in die tijd al vroeg ‘aan het werk’ gezet, soms al vanaf hun zesde. En dan niet een paar uurtjes, de arbeidsdag duurde minimaal 10 uur en die uren werden vaak ook nog eens gespreid over twee of drie blokken met een tussenpauze van een paar uur. Kwam je ‘tussen de machine’ en kon je niet meer werken, dan had je pech en was je aangewezen op de bedeling.

Naast de arbeidsomstandigheden beschrijft Marx ook de huisvesting van de arbeiders en ook daar lusten de honden geen brood van. Laat staan dat ze in die omstandigheden zouden willen wonen. Die woning zat in de regel verbonden aan je werk. Zonder werk geen huis en dat maakte je afhankelijkheid van de ‘kapitalist’ zoals Marx hem noemt. nog steviger. Bovendien woonde je zelden alleen met je gezin achter een voordeur. Was er een periode minder of geen werk, dan had je ook minder of geen inkomen. Je huur moest je natuurlijk wel blijven betalen.

Een van de uitwassen van de trans-Atlantische slavernij was het ‘verbruiken’ van mensen alsof ze het ‘gebruiksgoederen’ zijn. Ook daarvan geeft Marx een treffende beschrijving. “De slavenhouder koopt zijn arbeiders zoals hij een paard koopt.” Ook zag hij de funeste invloed van toestroom van steeds nieuwe slaven op de manier waarop ze werden behandeld. Zodra de slaaf namelijk makkelijk kan worden vervangen: “wordt zijn levensduur minder belangrijk dan zijn productiviteit tijdens zijn leven.” Op eenzelfde manier werd echter ook over arbeiders gedacht. In tijden van overschot aan arbeid werden arbeiders ‘verscheept’ naar andere plekken: “Maar de heren fabrikanten stelden toen de opzichters van het armenwezen voor de ‘overtollige bevolking’ van de landbouwgebieden naar het noorden te sturen, waarbij ze verklaarden dat ‘de fabrikanten hen zouden absorberen en verbruiken’”. En hoe dat in zijn werk ging: “De fabrikanten gingen naar de kantoren van de agenten en nadat ze daar hadden uitgezocht wat hun geschikt leek, werden de gezinnen vanuit het zuiden van Engeland verzonden. Deze pakketten mensen werden, zoals balen goederen, voorzien van etiketten en per boot of wagen afgevoerd; sommigen kwamen te voet aan en velen dwaalden verloren en half uitgehongerd in de industriegebieden rond. Dit alles ontwikkelde zich tot een ware tak van handel. … Deze regelmatige handel, dit gesjacher met mensenvlees, duurde voort en deze mensen werden gekocht en verkocht door agenten in Manchester aan fabrikanten in Manchester, even simpel als negers aan de katoenplanters in de zuidelijke staten.”

De behandeling van de arbeiders lijkt verdacht veel op de manier waarop de slaven werden behandeld. Enige verschil met de trans-Atlantische slavernij is dat de arbeiders een lichte huidskleur hadden. In de huidige discussie wordt een hele snelle link gelegd kolonialisme, slavernij en racisme. Racisme waarbij blank zich superieur acht aan donker. Nu zullen die arbeiders waarmee net zo werd gesold als de Afrikaanse slaven, echt wel wat anders aan hun hoofd hebben gehad, dan zich ‘superieur’ te voelen. Daar waren ze in het geheel niet mee bezig. Daar hadden ze geen tijd voor omdat ze minstens tien en meestal tussen de veertien en achttien uur per dag moesten werken.

Door nu de nadruk te leggen op ‘racisme dat een gevolg is van kolonialisme en slavernij’ en daarbij te kijken naar ‘blank’ als dader en veroorzaker, raakt iets anders buiten beeld. Buiten beeld raakt dat uitbuiting en superieur voelen niet verbonden is aan kleur, maar aan macht. Macht en rijkdom moet zich op een of andere manier ‘legitimeren’. Het moet ‘normaal’ gemaakt worden. Dat is in de geschiedenis van de mensheid al op verschillende manieren gedaan. Neem bijvoorbeeld de farao van oude Egyptenaren. Dat was een ‘god’, bovenaards en daarmee is het niet vreemd om die figuur de absolute macht te geven en te laten baden in rijkdom en luxe. Als de god-koning ineens minder ‘goddelijk’ blijkt, dan kun je hem nog altijd ‘gezant van god’ maken of ‘aangesteld door god’. Of je introduceert een door god of de goddelijkheid geïnstigeerd soort kastensysteem zoals in India of in Europa tijdens het feodalisme. Dan word je geboren als ‘onaanraakbare’ of ‘lijfeigene’ en dat blijf je en je kinderen ‘erven’ het van je. Net zoals je de adellijke status ‘erft’. Als we naar onze huidige samenleving kijken, dan speelt het ‘erven’ van luxe en positie nog steeds een rol. Neem bijvoorbeeld de entertainmentfamilie De Mol. Dat wordt tegenwoordig ‘gelegitimeerd’ op een meritocratische manier. Door te betogen dat het ‘verdiend’ is op basis van kwaliteit en kennis. Ja, in Nederland is de groep die zich van deze redenering moeten bedienen om hun macht en rijkdom te verdedigen, voor het overgrote deel blank. Dat is te verklaren omdat mensen met een andere huidskleur dan de blanke tot voor een jaar of vijftig, zestig met een lamp gezocht moesten worden en ook nu heeft het overgrote deel nog steeds de blanke huidskleur.

Aan de andere kant, het overgrote deel van de mensen met een blanke huidskleur behoort niet tot degenen die hun macht en rijkdom moeten verdedigen. Simpelweg omdat die er niet is. Een groot deel van hen ziet wellicht ook veel in een eerlijkere verdeling van macht en rijkdom. Zou het in de strijd voor een betere, eerlijker en rechtvaardigere samenleving helpen om die strijd te voeren door de nadruk te leggen op huidskleur? Volgens mij is het veel belangrijker om die strijd tegen de macht samen te voeren dan in ‘kleuren verdeeld’ elkaar onderling de tent uit te vechten. Daar worden de machtigen alleen maar machtiger van.

Uitgelicht

Op de man spelen, maar dan anders

                “Jongens, ik ben moe. Ben jij moe? Ben je het niet zat om die eendimensionale karikatuur te zijn van een man die de wereld ons vertelt te zijn? Het soort dat snel zijn vuisten gebruikt, zich vast en bang voelt maar dit niet kan laten zien. Het soort dat stoer en sterk is, dat geen zwakte toont, altijd in controle is. Ik ben het zat dat we elkaar, onszelf en vrouwen pijn doen.” Die vragen stelt Mohammed Saiah bij Joop. Vervolgens geeft hij dertien acties die ik als man kan ondernemen om het geweld tegen vrouwen te stoppen en als dat niet lukt, in ieder geval te verminderen. Wel meneer Saiah, om antwoord te geven op uw eerste vraag of ik moe ben: Nee, ik ben niet moe, in bent HET wel moe.

Bron: Pixnio

Ik ben HET moe om te worden aangesproken op een ‘eendimensionale karikatuur’ van wat het ‘man zijn’ inhoudt, waarin ik me totaal niet herken.

Ik ben HET moe dat mij wordt verweten dat ‘we elkaar, onszelf en vrouwen pijn doen’.

Ik ben HET moe om als een klein kind de les gelezen te worden via ‘dertien acties’ die ik kan ondernemen. Tips als: “Accepteer en neem onze verantwoordelijkheid dat geweld tegen vrouwen niet zal eindigen totdat mannen deel uitmaken van de oplossing om het te beëindigen. We moeten een actieve rol spelen bij het creëren van een culturele en sociale verandering die niet langer geweld tegen vrouwen tolereert.” Geweld tegen een ander, man, vrouw of kind wórdt niet getolereerd. Het is bij wet verboden. En tips als: “Stop met het ondersteunen van het idee dat mannelijk geweld tegen vrouwen te wijten is aan psychische aandoeningen, gebrek aan vaardigheden voor woedebeheersing, chemische afhankelijkheid, stress, enz. Geweld tegen vrouwen is geworteld in de historische onderdrukking van vrouwen en de uitgroei van de socialisatie van mannen.” Als geweld werkelijk alleen wordt veroorzaakt door de ‘socialisatie van mannen’, dan gaat er toch veel mis. Een flinke meerderheid van de mannen gebruikt immers geen geweld.

Ik ben HET moe dat ik steeds weer verantwoordelijk wordt gesteld en gehouden voor daden van anderen. Dat ik een blanke man ben, daar kan ik niets aan doen. Zo ben ik geboren. Dat blanke mensen (net zoals trouwens mensen met een andere huidskleur) er soms een puinhoop van maken, dat:  “Negen op de tien plegers van fysiek of seksueel geweld tegen vrouwen (…)een man” is, maakt mij daar niet voor verantwoordelijk. Daarvoor zijn de daders van dat geweld verantwoordelijk. Die dienen daarop te worden aangesproken. Er is geen: “huidige cultuur van mannelijkheid die dit toestaat.” Er zijn wetten die dit verbieden. Die wetten zijn de gestaalde kaders van onze cultuur. Dat is onze ‘cultuur’ en niet alleen van mannelijkheid.

Ik ben HET moe om door anderen in een groep te worden geduwd waar ik niet bij wil horen en niet bij hoor. JA, ik ben een man. Maar NEE, ik ben niet: “ bang dat (ik) het niet goed (zal) doen, dat iemand (mij) niet mag, dat (ik) er zwak uit zie.” Ik ben nietbang om te zeggen: “Ik hou van je”, of “Het spijt me”, of “Ik kan het niet”, of gewoon, “Gast, kan je alsjeblieft stoppen met willekeurige vrouwen op straat na te roepen?”  En NEE, ik ga me niet aansluiten bij: “een beweging van mannen die niet bang zijn om geweld tegen vrouwen te stoppen.”

Ik BEN het moe om met een grove bezem op een hoop te worden geveegd zoals Petra Meese in haar artikel bij Joop: “Waarom zijn Limburgers zo? Diep in mijn hart zeg ik, dat het met name door de onwetendheid komt dat men zo denkt. Dus de oplossing hiervan is: beter onderwijs, betere voorlichting.”

Kortom ik BEN het moe om te worden ‘geprofileerd’ en ‘gekarikaturiseerd’. Ik wil worden gezien als de mens en individu die ik ben. Niet als een ‘kruispunt’ van kenmerken als huidskleur, sekse, gender et cetera volgens de ‘intersectionaliteitstheorie’. Een ‘kruispunt’ waaraan vervolgens allerlei vooroordelen worden gehangen. Toch bijzonder dat strijders tegen raciale vooroordelen niet de mens en het individu willen zien, maar een verzameling van vooroordelen.

Uitgelicht

‘Op de man spelen’

                Een docent aan de  Universiteit van Amsterdam schijnt zich te hebben misdragen in de richting van vrouwelijke studenten: “hij maakte namelijk opmerkingen over sperma en complimenteerde studentes met hun borsten.”  Zo lees ik in een artikel van student filosofie Tammie Schoots bij Joop. Dit leidde tot protesten. Protesten waarop anderen weer reageerden: “Zo maakte Sjoerd de Jong zich in NRC druk dat de naam van de docent te vinden was en stelde hoogleraar Han van der Maas in Universiteitskrant Folia dat het protest wel erg op een volksgericht tegen de desbetreffende docent leek.” Dit is tegen het zere been van Schoots. Daarbij gaat het er niet om wat de twee inbrengen, maar om wie het inbrengt: “Deze ‘adviesgevers’ en ‘opiniemakers’ hadden allemaal één ding gemeen: het waren stuk voor stuk witte heteroseksuele cis-gender mannen.”  En ‘witte heteroseksuele cis-gender mannen’ mogen niets zeggen als: “zij zelf impliciet onderdeel van het probleem zijn.”  Een bijzonder betoog om twee redenen.

Bron: WikimediaCommons

Bijzonder is dat als een ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ over de schreef gaat dan moeten alle andere mensen die aan deze omschrijving voldoen, zwijgen. Dus als een man van een andere huidskleur, sekse of gender hetzelfde had ingebracht, was het wel oké? Schoots’ redenering is een voorbeeld van ‘intersectioneel denken’. Er wordt niet naar het geval gekeken, maar naar bepaalde aspecten van de dader die in het betoog van de schrijver te pas komen en die worden veralgemeniseerd. Waarom kiest Schoots ervoor om juist die ‘kruispunten van identiteit’ eruit te pakken? Waarom moet alleen de ‘witte heteroseksuele cis-gender’ man zwijgen? Mannen met een andere huidskleur kunnen toch ook over de schreef gaan? Waarom alleen de ‘heteroseksuele man’, zijn er dan geen homoseksuele mannen die over de schreef kunnen gaan? Waarom alleen de cis-gender man’, zijn er dan geen trans-gender mannen die over de schreef kunnen gaan? Waarom trouwens alleen mannen, zijn er geen vrouwen die over de schreef kunnen gaan? Waarom worden niet alle docenten uitgesloten van deelname? De persoon die men verdenkt was immers docent Conservering en Restauratie van Cultureel Erfgoed. Waarom niet iedereen die conservator is? Of restaurateur? Of die iets heeft met industrieel erfgoed? Of die afkomstig is uit de woon- of geboorteplaats van de betreffende docent? Of mensen die een voorliefde hebben voor het favoriete vakantieland van de docent?

Nee, het moet specifiek deze combinatie zijn. De ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ is namelijk de favoriete zondebok van de aanhangers van deze theorie. Die heeft schuld aan zo ongeveer alles. Al vraag ik me trouwens af of het gros van de mensen die tot die categorie behoren, weten dat ze ertoe behoren. Buiten de aanhangers van die theorie ben ik nog niemand tegen gekomen die zichzelf als ‘cis-gender’ omschrijft. Terwijl die theorie toch is bedoeld om je ‘identiteit’ te bepalen. Die ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ moet van zijn troon bovenop de apenrots worden gestoten. Die moet flink wat toontjes lager zingen. Nu kent onze samenleving inderdaad veel gelijkenissen met die apenrots en inderdaad zitten er aan de top veel ‘witte heteroseksuele cis-gender mannen’. In deze contreien is de dominante huidskleur de blanke, dat maakt het logisch dat de top van de ‘rots’ vooral blank is. Omdat de overgrote meerderheid van de bevolking cis-gender is, is het ook logisch dat die top dominant cis-gender is. Het enige wat op deze manier niet logisch is aan de top van de rots, is dat de steeds kleiner wordende meerderheid man is. Dat is dan weer te verklaren vanuit de geschiedenis. Dat het zo is te verklaren maakt niet dat het zo goed is of moet blijven. Dat dit anders moet, daar ben ik het helemaal mee eens. Het gros van de ‘witte heteroseksuele cis-gender mannen’ behoort echter niet tot die top van de apenrots, die zitten lager in de hiërarchie en een flink deel bungelt aan de onderkant. Die apenrots is namelijk niet gebaseerd op kleur, sekse of gender, die is gebaseerd op macht. Om die macht eerlijker verdeeld te krijgen, helpt het niet om een groot gedeelte van je mogelijke bondgenoten, de ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ op de onderste helft van de rots, tot vijand te verklaren. Dan zou je wel eens kunnen bereiken wat je niet wilt, namelijk dat deze groep zich schaart achter die top die je juist wilt veranderen.

                 Het tweede bijzondere, of beter gezegd pijnlijke, aan haar betoog is dat het een van de zwakste manieren van het voeren van een maatschappelijke discussie is. Zo ongeveer het eerste treetje boven dreigen met geweld. Schoots ‘stelt’, om een Duits woord wat te verhaspelen, mensen ‘kalt’. Ze diskwalificeert ze in een gesprek om wie of wat ze zijn. Noem iemand fascist of racist en alles wat die persoon zegt, is bij voorbaat niet relevant. In dit geval noem iemand een ‘witte heteroseksuele cis-gender man’ en alles wat de persoon zegt, is van geen waarde. Die doet niet meer mee. Als dit is wat studenten op de Universiteit van Amsterdam in het algemeen leren, dan maak ik mij grote zorgen om de toekomst van ons allen. Een schoolvoorbeeld van een ‘argumentum ad hominem’ om de Latijnse benaming te gebruiken. Al vrees ik dat dit bij Schoots een onbekende term is. En dat geeft te denken over de studie filosofie die Schoots volgt.

Uitgelicht

‘Identiteitsgetoeter’

Volgens PVV-er Martin Bosma zitten we in Nederland in de kramp. Die kramp wordt veroorzaakt door: “al dat identiteitsgetoeter en doordat we dus heel het begrippenapparaat dat een kwart eeuw geleden werd ontwikkeld op Amerikaanse universiteiten om dat over te nemen en mensen in allerlei raciale hokjes te douwen en mensen moeten dan hun huidskleur worden.”  Zo zegt hij in een interview met Ongehoord Nederland. Nu ben ik het zelden met de PVV of een PVV-er eens, maar dat er ‘identiteitspolitiek’ niet goed is voor een samenleving, daar is veel voor te zeggen. ‘Identiteitspolitiek’ verdeelt mensen in ‘wij’ en ‘zij’. Toch voel ik de schoen ergens knellen.

Gratis Afbeeldingen : sneeuw, winter, muziek-, teken, Hoorn ...
Bron: Pixhere

Dat ‘identiteitsgetoeter’ waar Bosman tegen fulmineert, is gebaseerd op het ‘intersectioneel denken’. In dit denken wordt je identiteit bepaald door je sekse, gender, huidskleur, beperkingen, opleiding, beroep, religie, geboorteplaats en nog veel meer. Al deze ‘assen’ zoals ze het noemen kennen een machtsverdeling: man is macht, vrouw is machteloos, universitaire bul is macht alleen vmbo is machteloos enzovoorts. Zit je aan de ‘macht’ kant van een as, dan heb je op dat punt ‘privilege’. Je ‘identiteit’ wordt bepaald door het punt waar al die ‘assen’ zich kruisen.  Op die kruispunten zouden we elkaar dan moeten vinden. In extremis leidt dit er echter toe dat ieder individu op zijn eigen kruispunt staat en dat we elkaar nooit zullen vinden. Dit zorgt voor een hele zware en statische ‘identiteit’. Zelf denk ik anders over identiteit, ik zie mijn identiteit veel meer fluïde of licht. Dat Bosman hiertegen ageert, kan ik goed begrijpen.

Die knellende schoen zit op een ander punt. Dit is namelijk niet het enige ‘identiteitsgetoeter’ waar we mee te maken hebben. Er is een andere, minstens zo starre, verdelende en polariserende vorm. Een oude, negentiende-eeuwse vorm in een nieuw jasje: de nationalistische vorm. De vorm waarvan Bosma’s partij een van de grote voorvechters is. Een vorm die begint met het bekende mantra: ‘wij zijn een joods, christelijk, humanistische samenleving’. Daarbij vergetende dat die christenen elkaar onderling eeuwenlang de tent uit hebben gevochten en dat ze gezamenlijk nogal afwerend, om het zacht uit te drukken, stonden tegenover joden. Vervolgens wordt er nog iets aan toegevoegd over ‘trots op Nederland’ en nog wat ‘trots op onze geschiedenis’. Een verhaal waarmee iedereen die niet joods, christelijk of humanistisch is of wiens voorouders geen deel uitmaakten van die trotse geschiedenis wordt buitengesloten. Die hoort er niet bij en zal er ook nooit bij horen. Een moslim bijvoorbeeld: “Nederland de-islamiseren … Alle moskeeën en islamitische scholen dicht, verbod koran,”  of: “Criminelen met een dubbele nationaliteit denaturaliseren en uitzetten,” aldus het programma van Bosma’s partij. Dit ‘identiteit-getoeter’ dat in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd verwoord door de verketterde Centrumpartij van Hans Janmaat met  de woorden: ‘we schaffen de multiculturele samenleving af’, is sinds een kwarteeuw bijzonder populair geworden. Ook dit ‘identiteitsdenken’ maakt van identiteit iets zwaars en statisch.

Zou Bosma in de gaten hebben dat de ‘kramp’ in Nederland ook door het ‘nationalistische identiteitsgetoeter’ wordt veroorzaakt? Getoeter waarin hij en zijn PVV en sinds een paar jaar ook Baudet en zijn Forum voor Democratie een hoofdrol vertolken. Dit toetert namelijk met hoofdletters tegen grote groepen mensen: ‘jullie zullen er nooit bij horen’.

Uitgelicht

Wit privilege’ of ‘nieuwkomers nadeel’?

                “We moeten de oude dooddoeners opzij zetten die het gesprek over racisme zo lang hebben bemoeilijkt.” De laatste woorden van een artikel in de Volkskrant van historicus Karwan Fatah. Volgens Fatah helpt in de discussie niet: “alles, letterlijk, weg te maken met (economisch) cijferwerk of jij-bakken als ‘de Arabieren deden het ook’, hebben we omvattender analyses nodig. Niet alleen van de achtergrond van Zwarte Piet, ook van koloniale standbeelden.”  Zeker niet omdat die: “relativerende benadering, die ook sommige historici voorstaan, (…) bol (staat) van feitelijke onjuistheden en leidt niet tot historisch inzicht en nuance.” Even vooraf, met een gesprek voeren over racisme is niets mis. Ondanks de vele aandacht in de diverse media voor het onderwerp wordt er zelden of nooit een gesprek over gevoerd. Er wordt vooral gezonden, of beter gezegd naar elkaar geschreeuwd. Ik vraag me wel af of Fatah bereid is tot een werkelijk gesprek.

De fluyt, een schip dat de Hollanders gebruikten voor de handel met de Oostzee en het Baltisch gebied. Bron: Wikipedia

                Ik vraag me dat af omdat hij iemand die aangeeft dat de trans-Atlantische slavernij een loot is aan een veel bredere stam of iemand die aangeeft dat het beeld dat de westerse rijkdom is gebaseerd op die slavenhandel, allebei historische feiten, weg zet als een ‘dooddoener’, als een ‘jij-bakken bakker’. Als iemand die alles weg relativeert. Voor wat betreft de ‘slavenbasis’ van de economie is er meer voor te zeggen dat de Amsterdamse rijkdom is gebaseerd op het bloed, zweet en tranen van Poolse, Oost-Pruisische, Lijflandse en later Russische lijfeigenen, een andere term voor slaaf, en horigen, kleine boeren met een eigen stukje land en de plicht om een flink deel van hun tijd voor niets te werken op het land van de landheer. Die horigen mochten hun dorp trouwens vaak ook niet verlaten. Ze zaten net zo klem als de Pakistaanse bouwvakkers die nu in Qatar de voetbalstadions voor de komende wereldkampioenschappen bouwen. Die lijfeigenen en horigen produceerden namelijk de producten (onder andere het graan en hout) die de basis en bulk vormden van Amsterdam als stapelmarkt. Aan dat lijfeigenschap en horigheid kwam in het oosten van Europa pas zo rond 1860 een einde.

                Dergelijke geschiedenissen en ook ‘de Arabieren deden het ook’ verhalen, zijn niet bedoeld om het gesprek uit de weg te gaan. Ze zijn, net zoals het erop wijzen dat Afrikaanse heerser volop meededen en verdienden aan de handel in vooral leden van een ander volk, bedoeld om het tijdsbeeld te schetsen. En een tijdsbeeld is relevant omdat dit het kader is waarin ons aller voorvaderen leefden, moesten overleven en handelen. Ze geven context. Vreemd dat een historicus een gebeurtenis wil bezien zonder de context. Daardoor lijkt het alsof hij de trans-Atlantische slavernij een bijzondere en unieke plek in de geschiedenis wil geven. Een unieke plek in de geschiedenis die hij nodig heeft om in het heden iets te bereiken. 

Wat hij wil bereiken daarover is hij duidelijk. Hij wil het namelijk hebben over: “de doorwerking (van) deze geschiedenis,” in het heden. Fatah: “En daarover zijn de VN en de EU onverbiddelijk: de structurele achterstelling van mensen van Afrikaanse afkomst is het gevolg van racisme, voortkomend uit slavernij en kolonialisme.” Maar dat de EU en de VN iets zeggen, wil nog niet zeggen dat het ook werkelijk zo is. Beide organen zijn politieke organen. Waarbij de ‘waarheid’ wordt bepaald door het aantal stemmen dat men voor iets haalt. Dat even terzijde. Fatah wil alle context buiten beschouwing laten omdat die context zijn gedachtelijn verzwakt. Als kolonialisme en slavernij namelijk niet uniek westers zijn, maar iets van de mensheid in het algemeen, zoals ik onder andere in Veelkleurige geschiedenis betoog, dan moet er een andere verklaring zijn voor het racisme. Wellicht is er dan een andere verklaring dan racisme voor het feit dat mensen die pas twee of drie generaties in Nederland zijn, achterblijven bij mensen wiens voorvaderen al generaties lang hier wonen, zoals ik in mijn brief aan Sylvana Simons betoogde. Dan zou het wel eens kunnen zijn dat er geen sprake is van ‘wit privilege’ maar van een ‘nieuwkomers nadeel’. Een nadeel dat je in een vreemd land komt waar je niemand kent. En als het verleden iets laat zien dan is het dat het een generatie of vijf kost voor een dergelijk nadeel helemaal is verdwenen. Pas dan is er sprake van een gelijkwaardig netwerk in de samenleving.

Dan moeten we het gesprek misschien niet voeren over ‘racisme’ en ‘wit privilege’ maar over manieren om het ‘nieuwkomers nadeel’ sneller dan in vijf generaties weg te werken. Wellicht is dat een veel vruchtbaarder gesprek.