Uitgelicht

Problem, government, solution

In de Volkskrant pleiten drie gepensioneerde TU Delft ingenieurs, zoals ze zich noemen, ervoor: “een soort Deltacommissie in het leven te roepen om dit complexe project weg te trekken bij de politiek, want die heeft al laten zien dat ze geen resultaten kunnen boeken.” Het complexe project waar ze het over hebben betreft het klimaatneutraal maken van onze manier van leven. Want alles wat er nu gebeurt is ineffectief en kost veel geld zo betogen de ingenieurs. Niet vreemd want: “Politici zijn geen technici en kunnen derhalve niet beslissen over de optimale keuzes tussen voor- en nadelen van verschillende maatregelen.” Die keuze moet worden overgelaten aan specialisten want: “Dat is echt een technische en economische afweging.” Nu maak ik me ook zorgen om de klimaatverandering en mogen de maatregelen best wat forser en sneller. Toch maak ik me meer zorgen om dergelijke betogen.

File:Deltawerken - Osterschelde - Zeeland.jpg - Wikimedia Commons
Bron: Flickr

Mijn zorgen richten zich als eerste op hun gebrek aan historische en staatkundige kennis. De ingenieurs verwijzen naar de Deltacommissie die in 1953 werd ingesteld om te bekijken hoe Nederland kon worden beveiligd tegen overstromingen zoals die van de watersnoodramp van een jaar eerder. De commissie bestond uit ingenieurs, logisch want die hebben verstand van die zaken, een landbouwkundige en een econoom. Het was de politiek, de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat Jacob Algera, die deze commissie in het leven riep om hem en in het verlengde de regering en het parlement, te adviseren over te nemen maatregelen. Een staatscommissie binnen ons bestuurlijk bestel voor een specifiek onderwerp met een specifiek doel. Een adviescommissie want besluiten namen de regering en het parlement. Het complexe project waterveiligheid werd dus allerminst ‘weggetrokken van de politiek’. Nu is dit het minst belangrijke punt van zorg.

Grotere zorgen maak ik me om hun grote vertrouwen in technische maar vooral economische specialisten. Techneuten, de drie ingenieurs lijken daarop geen uitzondering te zijn, hebben groot vertrouwen in wat techniek vermag. Een terecht vertrouwen want techniek vermag veel. Zo kunnen we door technische vindingen energie opwekken door atomen te splitsen. Dat kan beheerst in een kerncentrale en onbeheerst via een atoombom. En die: “effectiefste oplossing” wordt, zoals de heren aangeven, onbenut gelaten. Maar misschien is de effectiefste manier wel te duur en is het ‘opslaan van koolstofdioxide’ iets minder effectief maar goedkoper. Bij dat uitrekenen van kosten komen economen dan weer van pas. Maar nu we het over economen hebben. Techneuten kunnen verschillende technieken aanbevelen als beste, en dus van opvatting verschillen. Economen hebben dat nog veel meer. Neem de gezondheidszorg, afhankelijk van de kijk op de wereld zal de ene, meer socialistisch georiënteerde, econoom een hartstochtelijk pleidooi voor publieke gezondheidszorg houden en de andere, neoliberale het als de grootste waanzin en economische dwaling afwijzen. Aan welke techneuten en economen laten we de oplossing van dit probleem over?

Nu ik het toch over neoliberaal heb, het denken van de ingenieurs vertoont overeenkomsten met het neoliberale denken. En daarmee kom ik op een volgende en grootste punt van zorg. De overeenkomst tussen de ingenieurs en het neoliberalisme betreft een stuitend gebrek aan vertrouwen in de overheid en ons democratische bestel. Neoliberalen zien de markt als oplossing voor alle problemen en de overheid als oorzaak van alle ellende. Om het met de woorden van wijlen voormalig president van de Verenigde Staten Ronald Reagan te zeggen: “Government is not the solution to our problem, government is the problem.” Met Reagan staan we aan het begin van de triomftocht van dat neoliberalisme. Sinds begin jaren tachtig werden overheidsdiensten zoals de post, de telefoon en het spoor geprivatiseerd want dat zou tot betere en goedkopere producten leiden. Sinds die tijd moest de overheid ‘steeds kleiner’ en werd ‘ambtenaar’ een besmet beroep. Daar waar John F. Kennedy ‘the best en brightest’ naar de overheid lokte, worden ze sinds Reagan verleidt om een algoritme te ontwerpen om snel winst op de beurs te maken of een app te ontwikkelen die zoveel mogelijk gegevens en dus geld uit mensen klopt. Kennedy liet ze bij NASA de eerste mens op de maan zetten. Dat doen ze nu ter meerdere eer, glorie en vooral de portemonnee van Musk en Bezos. Heren die hun rijkdom, om het zo te zeggen, te danken hebben aan Kennedy omdat hun bedrijven draaien op technieken die via overheidsinvesteringen tot stand zijn gekomen. Voor wie er meer over wil weten. Lees Mariana Mazzucato’s boek De ondernemende staat. Of voor wie een boek te lang is, deze Prikker.

Een kleinere overheid die zich met steeds minder zaken ‘moest bemoeien’ en wat ze nog wel deed en doet, moet volgens de New Public Managent. Een manier van denken waarbij de burger een klant is en de overheid een bedrijf en ook op die manier aangestuurd moet worden. Een overheid waar steeds meer op neer werd en wordt gekeken. En dat neerkijken is terecht en niet terecht. Het is terecht omdat de prestaties van die overheid de laatste jaren niet om over naar huis te schrijven zijn. Het is niet terecht omdat dit een gevolg is van die neoliberale manier van kijken naar de overheid. Als je de overheid als een bedrijf ziet, moet je niet verbaasd opkijken als Kamerlidmaatschap en het ministerschap een carrièrestap wordt. Een opstapje om uiteindelijk te cashen bij een bank, zoals Zalm en Kok, of bij een lobbyfirma zoals recentelijk VVD-minister Van Nieuwenhuizen en Kamerlid van dezelfde partij Lodders. Dan hoeft het ook niet te verbazen dat we een premier hebben die ‘visie een olifant in de kamer’ vindt en die op z’n best opereert als manager. Dan moet je niet verbaasd kijken als ‘the best and brigthest’ niet voor de overheid kiezen, want wie wil er nu voor een ‘probleem’ werken. Als je iets als ‘probleem’ bestempelt en het op de manier behandelt zoals de overheid sinds Reagan is behandeld, dan moet je niet verbaast opkijken als het uiteindelijk een probleem wordt.

Het is echter wel ‘het probleem’ dat namens ons besluiten moet nemen welke technische oplossing de voorkeur krijgt en welke economische argumenten de doorslag geven. Die bevoegdheid uit handen geven aan ‘een Deltacommissie’ los van de politiek komt op hetzelfde neer als Facebook het privacy-beleid laten ontwerpen. Dit betekent namelijk het verder verzwakken van onze overheid en vooral onze democratie. Als we iets niet moeten doen dan is het dat wel. We moeten de overheid juist versterken van de afbraak van de afgelopen veertig jaar. Om Reagans woorden in een wat andere volgorde te zetten: government is not the problem, government is the solution to our problem!

Uitgelicht

Winnen door te verliezen

“Dat leidt tot een pleidooi voor ‘bescheidenheid’ aan het adres van politici, beleidsmakers en bestuurders. Durven zij te vertrouwen op een goed verloop van ontmoetingen tussen professionals en burgers? En kunnen ze accepteren dat hun normatieve aannames over wat een menswaardig bestaan is ook níet kunnen kloppen?” Met die vragen begint de laatste alinea van een artikel van Willemijn van der Zwaard op de site Sociale Vraagstukken. Van der Zwaard schrijft over de spanning in de verzorgingsstaat die: “vanwege zijn bureaucratische grondslag enerzijds goede papieren om niet te vernederen, maar (…) anderzijds risico’s van ‘institutionele vernedering,’ kent. In mijn dagelijkse praktijk als beleidsmaker in wat het sociale domein wordt genoemd, houdt de vraag over de bescheidenheid van politici en beleidsmakers mij ook al jaren bezig. In deze Prikker neem ik jullie mee in een ‘veranderkundige kijk’ op deze vraag. Dit doe ik aan de hand van het ‘kleurendenken’ van Leon de Caluwé en Hans Vermaak.

Eigen foto

Eerst ga ik wat nader in op de opgave waar gemeenten voor staan.  De wetgever, de rijksoverheid, heeft sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw steeds meer verantwoordelijkheden binnen dat sociaal domein naar de gemeenten verschoven, of met het hiervoor in overheidskringen gebruikte woord gedecentraliseerd. Na de Wet voorzieningen gehandicapten en de Algemene bijstandswet volgde begin deze eeuw de eerste Wet Maatschappelijke ondersteuning en in 2015 met een ‘grote klap’ een vernieuwde en uitgebreide Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet en de Participatiewet. Ik zie gemeenten, maar ook het rijk, worstelen met de diverse wetten maar vooral met de centrale opgave erachter die ‘transformatie’ wordt genoemd. “Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving. Wanneer mensen zelf vorm geven aan hun toekomst, voegen zij niet alleen waarde toe aan hun eigen leven, maar ook aan de samenleving als geheel. Zo blijven Nederlanders samen bouwen aan een sterk land van zelfbewuste mensen.[1]Deze woorden sprak koning Willem Alexander in zijn eerste troonrede in 2012. Dat is het doel: Nederland moet een ‘participatiesamenleving’ worden. Maar wat is een participatiesamenleving? En waarin verschilt die van hoe we het nu doen? Wachten mensen nu dan tot iemand anders (de overheid) verantwoordelijkheid neemt voor hun leven? Die vragen kun je je hierbij stellen maar die ga ik hier niet beantwoorden. Voor het gemak ga ik hierin mee. Want zelfs als het niet zo is dan zijn er wellicht goede redenen aan ‘maatschappijontwikkeling’ te doen en de kracht van de gemeenschap, want daar hebben we het dan over, te versterken.

Dan het ‘kleurendenken van De Caluwé en Vermaak. Voor degenen die er alles van willen weten, lees hun boek leren Veranderen. Een handboek voor veranderkunde. Voor wie iets minder tijd heeft, lees het artikel Denken over veranderen in vijf kleuren[2]. Een artikel waarin de kern van het model wordt uitgelegd. De Caluwé en Vermaak zien vijf mogelijke manieren om naar een organisatieverandering te kijken en voor dit artikel zie ik onze samenleving als een organisatie. Iedere manier geven ze een kleur die ik hieronder kort beschrijf.

Geeldrukdenken

Heeft te maken met de symboliek van macht (‘de zon’ ‘het vuur’) en van de aard van coalitievorming (broedprocessen bij de openhaard). Gele mensen gaan er vanuit dat er wordt veranderd als: belangen bij elkaar worden gebracht, als je mensen kunt dwingen tot het innemen van (bepaalde) standpunten/meningen, win-win situaties kunt creëren/coalities kunt vormen de voordelen kunt laten zien van bepaalde opvattingen (macht, status, invloed) de neuzen kunt richten. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als macht, haalbare oplossing, coalitie, win/win en onderhandelen.

Blauwdrukdenken

De uitkomst staat van tevoren vast, is goed te omschrijven en te garanderen. De blauwdruk staat voor het van tevoren gemaakte ontwerp/de tekening (vaak een ding/object) die vervolgens wordt gerealiseerd/geïmplementeerd. Blauwe mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je van tevoren een duidelijk resultaat/doel formuleert een goed stappenplan maakt van A naar B, de stappen goed monitort en op basis daarvan bijstuurt, alles zoveel mogelijk stabiel houdt en beheerst en de complexiteit zoveel mogelijk reduceert. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als rationeel, meten=weten, stappenplan, monitoren, projectmatige aanpak, ontwerpen en voorspelbaarheid.

Rooddrukdenken

Het gaat hier om de mens, met de kleur van menselijk bloed. De mens moet worden beïnvloed, verleid en uitgelokt. De ‘Rode’ Mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je ze op de juiste manier prikkelt, bijvoorbeeld door straf- of lokmiddelen, geavanceerde HRM-instrumenten inzet voor belonen, motiveren, promoveren. Als je mensen iets teruggeeft voor wat zij jou geven. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als ruilen, ‘fit’, relaties, belonen en straffen, sociale setting en HRM-systemen.

Groendrukdenken

Het gaat hier om ideeën, om mensen (met motivatie en leervermogen) aan het werk te krijgen, het ‘groene licht’ te geven. Het gaat hier om ‘groeien’ zoals het groen van de natuur. ‘Groene’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als je ze bewust maakt van nieuwe zienswijzen/ eigen tekortkomingen (bewust onbekwaam), als je ze kunt motiveren om nieuwe dingen te zien/te leren/te kunnen, als je geschikte gezamenlijke leersituaties kunt creëren. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als leren, coachen, ontwikkelen, motivatie, leervermogen en bewust onbekwaam.

Witdrukdenken

Wit omvat alle kleuren, het vertegenwoordigt de zelforganisatie en het evolutie-denken. ‘Alles is nog open’ en biedt dus alle ruimte voor invulling. ‘Witte’ mensen gaan er vanuit dat mensen veranderen als het de wil en wens en de ‘natuurlijke weg’ van de mens zelf is, als het betekenis toevoegt, als het drijft op de eigen energie van mensen, als men de dynamiek/complexiteit wil zien en eventuele blokkades wegneemt. Als er symbolen en rituelen worden gebruikt. Mensen die op deze manier naar de wereld kijken, hanteren woorden als panta rhei, evolutie, dynamiek, complexiteit, zelforganisatie, creativiteit en exploratie.

Laten we eens kijken wat de opdracht vraagt. De opdracht vraagt om ruimte te geven om ‘duizend bloemen’ te laten bloeien ook al zullen verschillende van die bloemen wegkwijnen. De opdracht vraagt om ‘leren’ en nieuwe ‘betekenis ontwikkelen’ en dit ‘delen’ (groendruk) maar ze vraagt vooral om ‘loslaten’ en ‘dynamiek’ ontwikkelen (witdruk). Om de kracht van een ieder tot ontplooiing te laten komen ook al werken verschillende ‘krachten’ elkaar tegen. Dit vraagt om een ‘veranderaar (in dit geval een overheid) die ‘mensen in beweging’ wil krijgen (groendruk) en een stap verder, een veranderaar die ‘ruimte creëert voor verandering’ door onder andere de kracht van mensen, hun ‘innerlijke zekerheid’ aan te spreken (witdruk). Een veranderaar die ‘leersituatie kan creëren’ en die ‘mensen motiveert tot leren’ (groendruk). Maar die vooral niet bang of ‘onzeker wordt’ van ‘dynamiek’ (witdruk).

Als we kijken naar de overheid en haar opereren, wat zien we dan? Dat overheden en dus ook gemeenten een voorkeur hebben voor geel- en blauwdrukdenken hoeft niet te verbazen. Geeldrukdenken is politiek bij uitstek en gemeenten zijn politieke instituten. Politieke instituten waarbij, zeker sinds de dualisering van het gemeentebestuur begin deze eeuw, politiek handelen en opereren dominant is. Door het college geen onderdeel meer te laten zijn van de gemeenteraad is het politieke karakter van de gemeente versterkt. En politiek is, ondanks termen als win-win , compromis enzovoorts toch bij uitstek een slagveld waar de winst van de een het verlies van de ander is. De andere kant van ons bestuurlijke systeem is dat er verantwoording afgelegd moet worden en daarvoor is blauwdrukdenken uitermate geschikt. Maar er is meer.

Overheden denken in structuren omdat die zekerheid lijken te geven, ze stralen betrouwbaarheid uit. Structuren in de vorm van harkjes (organisatiestructuren), piramides, lijnen  0e, 1e en 2e lijn) zijn voorbeelden van blauwdruk denken. Structuren met duidelijke overgangs- en overdrachtsmomenten die worden gemarkeerd door documenten die je toelaten tot de volgende stap in de hark, piramide of lijn. Centraal in de decentralisaties stonden tot nu toe die structuren. Structuren om ‘zekerheid’ te bieden en risico’s te beperken maar ook tot bureaucratie leiden. De transformatieopgave vraagt, zoals we zagen, echter wat anders. Liggen de kritische succesfactoren niet ergens anders dan in structuren? Liggen die niet in wat we ‘cultuur’ noemen? In hoe mensen met elkaar omgaan, in hun houding. Neem als voorbeeld de ‘sociale wijkteams’ die als paddenstoelen uit de grond zijn geschoten. In Leeuwarden en Enschede begon men er meer dan tien jaar geleden mee om mensen met grote, complexe problemen te helpen. Te helpen buiten de toenmalige structuren omdat die hulp binnen de structuren niet werkte of zelfs niet mogelijk was. Hiermee werden successen geboekt en de club van creatieve mensen met pionierseigenschappen werd het ‘wijkteam’ genoemd. Vervolgens begon het wijkteam aan een opmars en werd het de nieuwe structuur om alle problemen op te lossen. Het ‘middel’ werd gekopieerd en het wijkteam werd de nieuwe structuur en werd de oplossing van het probleem. Maar of ook de creatieve pionierseigenschappen werden gekopieerd? Of werd oude wijn in een nieuwe zak geschonken?

Nu kunnen structuren helpen maar ook hinderen. Gesleutel aan structuren zorgt in ieder geval voor onzekerheid bij de betrokken mensen. In geval van een gemeente zullen burgers zich afvragen wat het voor de dienstverlening aan hen betekent. De betrokken medewerkers stellen zich andere vragen: heb ik nog werk, waar werk ik, wie stuurt mij aan, waar kan ik terecht voor … . Structuren ondersteunen als mensen er invloed op hebben, ze zelf dragen en uitdragen. Het Braziliaanse bedrijvenconglomeraat Semco van de ondernemer Ricardo Semler laat zien wat je kunt bereiken door medewerkers zelf verantwoordelijk te maken, door aan de cultuur te werken. Verantwoordelijk voor hun salaris, hoe ze het werk doen, wie hun leidinggevend is (of die wel nodig is), wanneer ze werken en wanneer niet[3]. Dit lukt Semco zelfs bij volcontinu draaiende productielocaties. Dichterbij, in Nederland en in de zorg, laat Jos de Blok met Buurtzorg zien dat ook de zorg zich leent voor hele lichte structuren die door medewerkers zelf worden gedragen. Besteden we niet veel te veel aandacht aan structuren en vergeten we niet juist de cultuur? Is transformatie niet juist cultuur en zou het kunnen dat we met een structuuraanpak en structuurdiscussies juist de cultuurveranderaars vervreemden?

Een tweede vorm van blauwdruk betreft de risicobeheersing. Een klein stukje geschiedenis over risicobeheersing. Het Belgische fort van Eben Emael. Na een redelijk snelle doortocht van de Duitse troepen in 1914 trok de Belgische regering in de jaren twintig de conclusie dat de oude forten gemoderniseerd moesten worden. Nu is redelijk snel een relatief begrip omdat het voor de troepen van het Duitse keizerrijk te traag was, dit even terzijde. Moderniseren dus en de zwakheden van 1914 eruit halen. Een van die zwakheden was het zogenaamde ‘gat van Visé’. De Duitsers waren in 1914 via dit gat tussen het Belgische Visé en de Nederlandse grens door België ingetrokken. Dit gat werd gedicht met het fort van Eben Emael. Het ‘moeder aller forten’ was volgens militaire experts onneembaar en daarmee hadden de Belgen alle bekende risico’s beheerst. Toch werd dat onneembare fort in 1940 binnen een kwartier uitgeschakeld. De Belgen hadden er niet mee gerekend dat Duitse paratroepen en zweefvliegtuigen wel eens op het fort konden landen om het zo van binnenuit uit te schakelen. Het ontbrak aan luchtafweergeschut. Laat de Duitsers nu juist op dat idee zijn gekomen. Dit voorbeeld laat zien dat overheden risico’s het liefst willen uitsluiten en als dat niet lukt dan ze toch op zijn minst beheersen. Risico’s in het sociale domein worden ook beheerst via ‘forten’ zoals handelingsprotocollen, verantwoordingssystemen, volgsystemen, waarschuwingssystemen (zoals de Verwijsindex) en productbeschrijvingen. Alleen kunnen die de risico’s nooit helemaal voorkomen en zelfs niet beheersen. Bovendien worden hiermee alleen bekende risico’s ‘beheerst’. Die protocollen en procedures compleet met hun prikkels vormen het denk- en handelingskader van zorgorganisaties en zorgprofessionals maar ook van de overheden, hun medewerkers en voor een belangrijk deel ook voor de burgers.

De opgave vraagt echter wat anders. Die vraagt niet om ‘geel-blauw’ maar ‘wit-groen’. De nu dominante ‘geel- blauwe’ aanpak is een voorbeeld van wat John Cassidy in zijn boek Wat als de markt faalt rationele irrationaliteit noemt: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigenbelang op de markt tot resultaten leidt die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.[4] Vanuit het gele en blauwe denkkader van de gemeenten wordt er heel rationeel gehandeld en is alles logisch te verklaren, maar maakt dat het resultaat ook ‘rationeel? De overheid probeert te transformeren via wetgeving die zich vooral bemoeit met de structuur. Het Rijk schuift verantwoordelijkheden van de ene naar de andere overheid en stuurt via de voor– en de achterkant. Via de voorkant door zaken vast te leggen in wet- en regelgeving en via de achterkant via benchmarks en verantwoordingsinstrumenten. Dus op een geel, blauwe manier.

Een groot probleem omdat geel en blauw dominant zijn en andere kleuren overheersen. Geel en blauw spelen, volgens De Caluwé en vermaak, een andere wedstrijd. “Geel en blauw zijn gebaseerd op de ‘oorlogs’-metafoor, waarbij er maar twee uitkomsten zijn: winnaars en verliezers. Als je niet wint, ben je een verliezer.” De andere kleuren zien de wereld heel anders, die: “zijn meer gebaseerd op de harmoniemetafoor, waarbij wordt getracht te voorkomen dat er verliezers zijn en er wordt gestreefd naar groei en zorg. De boodschap is dat iedereen mee moet kunnen, dat we niemand achterlaten, dat mensen gesteund worden en zo verder.” Op een geel, blauw strijdperk staan de andere kleuren op een onoverbrugbare achterstand.

Voor mensen die geel en blauw denken is het een hele stap om te erkennen dat hun in eigen ogen rationeel gedrag (mede) verantwoordelijk is voor irrationele resultaten. Om tot de passende witte en groene aanpak te komen, moeten ze in feite hun nederlaag erkennen. Ze moeten ‘verliezen’ en dat doet pijn want dan ‘wint’ een ander omdat winst immers altijd gepaard gaat met verlies. Zij moeten inzien dat het transformatiedoel dat ze zich hebben gesteld alleen is te bereiken en dus in ‘winst’ is om te zetten als zij ‘verliezen’. Iets wat voor hen voelt als afstand doen van hun toppositie op de ‘apenrots’. Daarbij kan het helpen dat die overheid nooit bedoeld is als ‘apenrots’ maar als een instituut dat ten diensten staat aan de burger. De dienstbare overheid pakt zaken op die burgers niet zelf kunnen of waarbij samenwerking tot betere resultaten leidt. Daarbij kan het helpen als ze zich realiseren dat het om de gezamenlijke winst van de samenleving gaat, om harmonie en niet om hun politieke winst of verlies. Dat het om ‘WIJ’ gaat en niet om ‘IK’.


[1] https://www.binnenlandsbestuur.nl/Uploads/2013/9/troonrede-2013.pdf pagina 2

[2] http://www.decaluwe.nl/articles/DenkenOverVeranderenInVijfKleuren.pdf

[3] https://www.vpro.nl/programmas/tegenlicht/kijk/afleveringen/2012-2013/semler.html

[4] John Cassidy, Wat als de markt faalt?  Pagina 159

Uitgelicht

Bascule

Op de boerderij van mijn vader stond een bascule. Voor degenen die niet weten wat dat is, een bascule is een instrument waarmee je kunt bepalen hoe zwaar iets is. Nu heb je die in verschillende vormen. Op onze bascule kon je aan de ene kant, op het grote plateau, heel zware zakken leggen, bijvoorbeeld een gevulde zak graan. Door er aan de andere kant, op een zwevend plateautje, kleinere gewichten te leggen totdat het evenwicht was bereikt, kon je bepalen hoe zwaar die zak graan was. Op de foto hieronder zie je zo’n bascule. Waarom begin ik hierover? Ik begin hierover omdat ik eraan moest denken bij het lezen van een artikel van Antonie Kerstholt bij Joop over de politieke situatie in Nederland.

Bij bascule moet ik ook meteen denken aan het Veldense stamcafé uit mijn jeugd met die naam. Uitgebaat door Cocky van Genechten en vaak met de ongeëvenaarde barman Sjaak met de snor achter de bar. Bij binnenkomst stond je glas bier al klaar, ze hadden gezien dat je je fiets parkeerde en dat stond gelijk aan een eerste bestelling. Dit even tussendoor. Terug naar Kerstholt

Kerstholt schrijft, met als aanleiding het openbaar worden van kabinetsnotulen over de toeslagenaffaire, over macht en tegenmacht, tot nu toe het woordenpaar van het jaar van politiek Nederland. Kerstholt: “Een foute bestuurscultuur, het ontbreken van feitelijke tegenmacht, bewindslieden die liegen of aan selectief geheugenverlies lijden als hen dat uitkomt en het moeten openbaren van kabinetsnotulen omdat ministers niet meer worden vertrouwd, illustreren het immense verval van onze huidige democratie en rechtsstaat.”  Dit roep bij Kerstholt de vraag op of: “de kwaliteit van onze democratische samenleving hersteld (kan) worden door dezelfde bewindspersonen die verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor het verval van onze rechtsstaat? Die vraag rijst op dit moment over het aanblijven van Rutte, Kaag en Hoekstra.” Die vraag stellen velen zich, maar is het wel de juiste vraag?

Kerstholt kijkt voor het herstel van het vertrouwen naar de macht, die moet anders, transparanter. Om het met de bascule en de zak graan te vergelijken: hij kijkt naar die zak graan op het grote plateau en vraagt zich af of daar niet minder of ander graan in moet worden gelegd. Of de zak niet van ander materiaal gemaakt moet worden, geen ouderwetse jutte zak zoals vroeger, maar plastic waar doorheen je kunt zien wat erin zit. Hij concentreert zich op het verzwakken van de macht.

Evenwicht, dat laat de bascule zien, kun je echter ook bereiken door de andere kant te verzwaren. Leg op het kleine zwevende plateau meer of zwaardere gewichten en de bascule komt in evenwicht. Nu hoeft de macht van de Tweede Kamer niet te worden uitgebreid. In theorie heeft die Kamer alle mogelijkheden om een regering in het gareel te houden. Op papier ziet het er goed uit, de praktijk laat te wensen over. In de praktijk zien we dat een deel van de gewichten op het kleine plateau als het eropaan komt, van het zwevende plateau springen. Ze leggen hun gewicht niet in de schaal.  Het probleem ligt niet bij de macht, die maakt gebruik van de ruimte die zij krijgt. Het probleem ligt bij de tegenmacht: onze volksvertegenwoordiging die haar rol niet pakt. Bij volksvertegenwoordigers die om partijpolitieke redenen van het ‘zwevende plateautje’ springen omdat anders het kabinet in de problemen komt.

Kerstholt schreef voordat die notulen openbaar werden. Nu ze openbaar zijn besteden de verschillende media weer ruim aandacht aan ministers die dit of dat zeiden in de betreffende kabinetsvergadering en maakt de Kamer zich weer op voor een debat met de betreffende bewindslieden. Allemaal leuk maar waar de Kamer zich voor moet opmaken is een debat met zichzelf. Zij moet eens reflecteren over haar rol en positie en over de manier waarop we nu onze democratie vormgeven. Een manier die, zoals ik recentelijk betoogde, is geënt op het Nederland van 150 jaar geleden en die dringend toe is aan een modernisering.

Vier Europese politieke geschiedenissen

Terugkijken met Francis Fukuyama’s boek De oorsprong van onze politiek als leidraad: “aan de hand van de drie ingrediënten (staat, rechtsorde en verantwoordelijke overheid) te verklaren hoe verschillende landen zich hebben ontwikkeld en waarom.” Zo eindigde ik de vorige Prikker. Waarom ontstond er in het ene land een goed functionerende staat die is onderworpen aan het recht en die verantwoording aflegt aan het volk en ook door dat volk kan worden weggestemd? Waarom in het andere land een onderdrukkende dictatoriale staat die zichzelf boven de wet plaatst? En waarom weer elders een slecht werkende corrupte maar wel democratisch gekozen en weg te stemmen overheid? Interessante vragen.

File:King William III of England, (1650-1702).jpg
Stadhouder Willem III en koning Willem van Engeland. Geschilderd door Godfrey Kneller in bezit van de
National Galleries of Scotland
Bron: WikimediaCommons

“In wat bekend is geraakt als de Whig-geschiedenis wordt de ontwikkeling van vrijheid, welvaart en representatief staatsbestuur beschouwd als een onontkoombare ontwikkeling van de menselijke instellingen, die begint met de Griekse democratie en het Romeinse recht, reeds vroeg in de Magna Carta vastgelegd, vervolgens wordt bedreigd door de vroege Stuarts, naar verdedigd en gerehabiliteerd tijdens de Engelse Burgeroorlog en de Glorieuze Revolutie. Die instellingen verspreiden zich vervolgens naar de rest van de wereld via de Engelse kolonisatie van Noord-Amerika.” Zo beschrijft Fukuyama het populaire: “vanuit het oogpunt van de winnaars, gebaseerd op de ervaringen van Engeland en haar koloniale nazaat de Verenigde Staten,[1]succesverhaal van de democratie van een sterke democratische rechtstaat met een effectieve overheid in Engeland en de Verenigde Staten. Nu kennen die twee landen qua politieke ontwikkeling grote verschillen. Daar kom ik later nog op terug Het beeld dat ermee wordt geschetst is er een van onvermijdelijkheid: het moest zo wel lopen en dat culmineert uiteindelijk in het grandioze heden. Over die ‘vermeende onvermijdelijkheid’ schreef ik al eerder[2], dat ga ik hier niet overdoen.

Dat er andere mogelijke uitkomsten waren, laat ook Fukuyama zien: “zeven jaar na de Magna Carta werd de Hongaarse Koning Andreas door zijn baronnen gedwongen om de Gouden Bul te ondertekenen, een document dat wel de Oost-Europese Magna Carta is genoemd. De Gouden Bul beschermde de baronnen tegen bepaalde willekeurige acties van de koning en verleende hun het recht om zich te verzetten als de koning zich niet aan zijn belofte hield.” Dezelfde zaken die ook de Magna Carta regelde die ‘onvermijdelijk’ leidde tot het Engeland en de Verenigde Staten van nu.. “In plaats van een politiek systeem te ontwikkelen waarin een sterke uitvoerende macht een tegenwicht vond in de dominerende wetgevende macht, voorkwam de grondwet die de Hongaarse adel afdwong de opkomst van een sterke centrale uitvoerende macht, zelfs zodanig dat het land zich niet tegen buitenlandse vijanden kon verdedigen.[3] Een overeenkomstig beginpunt dat tot twee heel verschillende resultaten leidde laat zien dat er van ‘onvermijdelijkheid’ geen sprake was. Al zullen er ook mensen zijn die de ontstane verschillen verklaren uit de ‘aard van het volk’. Daarbij vergeten ze vervolgens dat die verschillende aard in het verleden tot eenzelfde situatie leidde namelijk twee ‘grondwetten’ die hetzelfde regelden.

Volgens Fukuyama was de uitkomst afhankelijk van het spel tussen de verschillende machten in een gebied. Hij onderscheidt vijf groepen: als eerste de staat (in het begin gevormd door de koning), als tweede de hoge adel, vervolgens de lage adel en als laatste de handelslui in de steden. De laatste groep, waartoe het gros van de mensen behoorde, de boeren, kon geen ‘macht’ ontwikkelen omdat vandaag eten en zo overleven tot de dag van morgen alle aandacht vroeg. Tot welke uitkomst het leidde hing af van de macht die de verschillende standen konden ontwikkelen. Sterke hoge adel gecombineerd met een zwakke koning en handelslui leverde een ander resultaat op dan in een gebied waar de verhoudingen anders lagen.

Fukuyama onderscheidt in hoofdlijnen vier richtingen waarin Europese landen zich vanaf de dertiende eeuw ontwikkelden. Richtingen die mede bepalend zijn voor de huidige politieke situatie in de betreffende landen. Als eerste landen die de zwak absolutistische richting insloegen:  “De Spaanse en Franse monarchieën in de zestiende en zeventiende eeuw waren destijds toonbeelden van de nieuwe absolutistische staat, en in bepaalde opzichten waren ze meer gecentraliseerd en dictatoriaal dan, bijvoorbeeld, hun Nederlandse en Engelse pendant. Aan de andere kant was geen van beide in staat om de machtige elites in hun respectievelijke samenlevingen volledig te domineren, en legden zij de zwaardere last van de belastingen op de schouders van diegenen die zich daar het minste tegen konden verzetten.[4] Zwak absolutisme omdat een stevige centrale vorst en sterke hoge adel die elkaar in evenwicht hielden, de poet verdeelden op kosten van de lage adel, de traditionele derde stand, de kooplui en de boerenbevolking. Zo werd de lage adel langzaam gemarginaliseerd. De koning verkocht belangrijke posities en rechten (zoals het recht op het innen van belastingen) aan hoge edelen. Zo kon hij op korte termijn extra inkomsten verwerven op een manier die de inkomsten op lange termijn maar vooral de kwaliteit van het bestuur niet ten goede kwamen. Maar ook zwak absolutisme vanwege een door het katholicisme afgedwongen rechtsorde waaraan ook de koning en de hoge adel was gebonden. Er moest eerst iets gebeuren voordat in deze landen iets ontstond wat op een moderne staat leek. Dat iets was in Frankrijk de Revolutie van 1789. Pas toen ontwikkelde zich in Frankrijk een moderne staat. In Spanje duurde het nog langer, en ontstond er pas iets wat op een moderne staat na de winst van Franco in de Burgeroorlog en eigenlijk pas na de dood van Franco in 1975.

De tweede richting is het succesvol absolutisme in Rusland. “De Russische monarchie slaagde erin zowel de hoge als de lage adel in te lijven en er een dienende adel van te maken, die volledig afhankelijk was van de staat. Dat konden ze deels doen door een gemeenschappelijk belang dat de drie partijen hadden om de boeren aan het land te binden en hun meedogenloos de hoogste belastingen op te leggen. Tot een laat moment bleef de overheid patrimoniaal wat de Russische vorst er echter niet van weerhield om de adel in veel grotere mate te terroriseren en te controleren dan de Franse en Spaanse koning.[5]De andere twee elementen, de rechtsorde en de ‘verantwoordelijke overheid’ speelden in Rusland geen rol. Daar waar er in Frankrijk na de Revolutie van 1789 een moderne staat ontstond, gebeurde dat in Rusland na de Russische Revolutie niet, de autocratie van de tsaar werd vervangen door die van Stalin en later die van de Communistische Partij. Nu kent het land het: “corrupte en warrige electorale autoritarisme[6]onder Poetin. Als we Fukuyama’s definitie van moderne staat hanteren: “een veel onpersoonlijker vorm van bewind waarin de staat centraal stond,[7] dan kun je je afvragen of het huidige Rusland hieraan voldoet. Het land lijkt meer op een patrimoniale staat.

De derde richting die Fukuyama onderscheidt is de mislukte oligarchie van Hongarije en Polen. “In beide landen wist de aristocratie de koninklijke macht al vroeg grondwettelijke beperkingen op te leggen, waarna de koning zwak bleef en niet in staat was om een moderne staat tot stand te brengen. De zwakke monarchie kon de belangen van boeren niet beschermen tegen de adel, die hen meedogenloos uitbuitte. Ook kon zij niet aan voldoende middelen komen om een staatsapparaat te bouwen dat  sterk genoeg was om agressie van buitenaf te weerstaan. Geen van deze staten slaagde erin een moderne niet-patrimoniaal bestuur tot stand te brengen.[8]”  De hoge adel greep dus de macht en benutte die ten eigen voordeel zonder ook maar aan iemand verantwoording af te leggen maar diende wel rekening te houden met de door de kerk afgedwongen rechtsorde. Alleen bleek dat voordeel op termijn om te slaan in een nadeel. Polen werd in de achttiende eeuw in drie delingen opgedeeld onder de buurlanden Rusland en Pruissen. Met Hongarije gebeurde al eerder iets soortgelijks. Als we kijken naar hedendaags Polen en Hongarije dan zien we recente maar moderne staten waarbij de huidige heersers knibbelen aan die moderniteit en de macht van de staat en die in patrimoniale richting duwen en vooral handelen in eigen belang en een ‘adel van bedrijfsoligarchen’. Knibbelen door de rechtsorde naar hun hand te zetten en verantwoording met een korreltje zout te nemen door tegenspraak te bemoeilijken. Precies zoals de vroeger hoge adel.

De laatste richting noemt Fukuyama verantwoordelijk bestuur. “Sommige Europese staten konden zowel een sterke rechtsorde als verantwoordelijk bestuur ontwikkelen, terwijl ze tegelijk een sterke gecentraliseerde staat tot stand brachten die in staat was tot nationale mobilisatie en defensie.[9]  Dit gebeurde op verschillende manieren onder andere in monarchieën als Engeland, Zweden en Denemarken maar ook in Republieken zoals de Zeven Verenigde Nederlanden en de Zwitserse bondsstaat. Gebieden waar de ‘derde stand’ van handelslui en sterke lokale gemeenschappen die tegenmacht boden aan de hoge adel en de ‘staatsmacht’. Tegenmacht die de staat dwong zich te onderwerpen aan het recht en tot verantwoording dwong. Verantwoording aan een parlement dat het volk vertegenwoordigde en wiens leden door een steeds groter deel van het volk werden gekozen en uiteindelijk het hele volk.

Tot zover de vier richtingen die de politieke orde in Europa nam. In een volgend deel ga ik, weer aan de hand van Fukuyama in op de uitdagingen voor de Europese Unie die door deze verschillende geschiedenissen worden veroorzaakt.


[1] Francis Fukutama, De oorsprong van onze politiek. Deel I, pagina 374

[2] https://ballonnendoorprikker.nl/2018/12/23/het-leven-wordt-vooruit-geleefd-en-achteruit-verklaard/

[3] Francis Fukutama, De oorsprong van onze politiek. Deel I,  Pagina 375

[4] Idem, pagina 383

[5] Idem, pagina 383

[6] Idem, Pagina 456

[7] [Idem, pagina 144

[8] Idem, pagina 383

[9] Idem, pagina 383 – 384

Verantwoordelijke overheid

Na de rol van de rechtsorde[1] rest er nog een onderwerp dat voor het verklaren van de politieke orde van belang is. Dat is, zoals Francis Fukuyama betoogt in zijn boek De oorsprong van onze politiek het noemt, de ‘verantwoordelijke overheid’. “Verantwoordelijk bestuur betekent dat de heersers menen dat ze zich moeten verantwoorden tegenover het door hen geregeerde volk en de belangen van het volk boven die van zichzelf moeten stellen.[2] aldus Fukuyama. ‘Nogal logisch’ is een eerste reactie vanuit een luie stoel in Nederland. Toch is dat niet zo logisch.

File:God roept Kaïn ter verantwoording nadat hij Abel heeft gedood,  RP-P-1878-A-851.jpg - Wikimedia Commons
God roept Kaïn ter verantwoording na de moord op Abel. Van Louis De Deyster. Bron Rijksmuseum via WikimediaCommons

Inderdaad zijn we in Nederland gewend dat de regering zich voor het volk, vertegenwoordigd in de Tweede Kamer, verantwoordt en geregeld, in ieder geval een keer per vier jaar en volgende week weer, voor het gehele volk. Ook in de landen om ons heen kennen een soortgelijke manieren van verantwoorden. Toch zijn dit uitzonderingen. Uitzonderingen omdat het overgrote deel van de heersers in het verleden, maar ook in het heden er heel anders over dachten en denken. Een Egyptische Farao, de Chinese keizer of Genghis Khan dacht niet in termen van verantwoording. Het volk werkte voor hen, niet omgekeerd.

Fukuyama onderscheidt twee soorten verantwoording morele en formele. “Formele verantwoording is procedureel: de overheid gaat ermee akkoord zich te onderwerpen aan bepaalde mechanismen die haar macht om te doen wat zij wil beperken. Uiteindelijk stellen deze procedures (die doorgaans nauwkeurig in een grondwet worden omschreven) de burgers van een samenleving in staat om de hele overheid te vervangen in geval van ambtsmisdrijf, incompetentie of machtsmisbruik.” In onze democratische samenleving ‘vervangen’ we via verkiezingen. Het kan ook anders: “In Engeland werd al vroeg verantwoordelijk bestuur geëist uit naam van het recht, omdat de burgers vonden dat de koning zich daaraan moest onderwerpen.” De koning moest zich onderwerpen aan: “een traditioneel rechtscorpus dat werd beschouwd als de belichaming van de consensus van de gemeenschap.” Iets soortgelijks speelde ook in de Lage Landen ten tijden van de Tachtigjarige Oorlog. De ‘consensus van de gemeenschap’ zijnde die in de Staten Generaal vertegenwoordigde edelen, vonden dat de landsheer, de koning van Spanje, zijn ambt misbruikte. Via het Plakkaat van Verlatinghe werd Phillips II afgezet. In de loop van de tijd werd in West Europa en de Verenigde Staten de groep die behoorde tot dit ‘traditionele rechtscorpus’ steeds groter en uiteindelijk is hieruit onze democratie ontstaan met een door het gehele volk gekozen volksvertegenwoordiging.

Bij morele verantwoording daarentegen, ligt het initiatief bij degene die van zichzelf vindt dat er verantwoording moet worden afgelegd. Het initiatief ligt bij de heerser zelf. Fukuyama geeft een sprekend vergelijkend voorbeeld: “morele verantwoordelijkheid heeft een reële betekenis in de manier waarop autoritaire samenlevingen bestuurd worden, zoals blijkt uit de tegenstelling tussen het hasjemitische Jordanië en het ba’athistische Irak onder Saddam Hoessein. Geen van beide landen was een democratie, maar Irak was een wrede indringende dictatuur die voornamelijk de belangen van het kleine kliekje vrienden en familieleden van Saddam diende. De Jordaanse koningen daarentegen hoeven zich niet formeel te verantwoorden tegenover hun volk behalve door middel van een parlement met zeer beperkte bevoegdheden; niettemin hebben zij goed geluisterd naar de eisen van diverse groepen in de Jordaanse samenleving. [3]

De staat in zijn verschillende vormen[4], de rechtsorde[5] en de ‘verantwoordelijke overheid’, drie ingrediënten voor een politieke orde. Iedere kok weet dat je met dezelfde ingrediënten heel verschillende gerechten kunt maken. Dat geldt ook voor de drie ingrediënten voor een politieke orde. Welke ‘gerechten’ daar kom ik in een volgend deel in deze serie op terug.


[1] Zie hiervoor https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/07/us-and-the-king/ en  https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/07/us-and-the-king/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 369

[3] Idem, pagina 369-370

[4] Zie de delen:  https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/21/de-oorsprong-van-onze-politiek-tribalisme/ , https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/25/de-patrimoniale-staat/ en

https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

[5] Zie voetnoot1

Zakelijke dictatuur

“Met ingang van volgende week graag. Een apolitiek orgaan. Zonder oogmerk om verkiezingen te willen winnen. Ik wil namelijk mijn land terug. Ik wil liever niet in deze draconische versie van de maatschappij wonen waarin het landsbestuur zich heeft afgewend.” Daarvoor pleit Hans van Tellingen bij Opiniez. Hij weet ook al hoe, namelijk via een zakenkabinet van:  “kundige mensen uit het bedrijfsleven. Die ons dan gezwind ‘terug naar normaal’ loodsen.” Volgens Van tellingen is dit nodig omdat: “ons volledige landsbestuur (…) geradicaliseerd (lijkt). Dit vanwege de invoering van disproportionele coronamaatregelen.” Waarbij er: “nog nauwelijks sprake (is) van oppositie. Een om drie redenen bijzonder betoog.

Stad Teken Beelden - Download gratis afbeeldingen - Pixabay
Bron: Pixabay

Als eerste omdat Van Tellingen al weet wat het zakenkabinet zal gaan doen. Het: “volledige MKB (Midden- en Kleinbedrijf) van de ondergang (redden). Zoals de middenstand, de horeca-ondernemers, de culturele ondernemers, de kermisbedrijven, de reisbranche, de evenementbedrijven, et cetera. Alles wat dicht was moet weer open. Maar ook grote winkelketens als Blokker, Action en HEMA verdienen het om weer goede omzet te kunnen draaien.”  Vervolgens moet de jeugd worden gered: “Het credo ’de jeugd heeft de toekomst’ is door het beleid van het afgelopen jaar vakkundig om zeep geholpen.” De lockdown moet worden beëindigd en: “natuurlijk moet de avondklok worden opgeheven. Net als de spoedwet. Ook zal de onafhankelijke rechtspraak weer in ere hersteld dienen te worden. Want bij het hoger beroep over de avondklok is er geen goede belangenafweging geweest, mijns inziens. Last but not least zal het demonstratierecht als grondrecht dienen terug te keren.” Nu wijkt dat niet zoveel af van wat iedereen wil. Alleen weet Van Tellingen dat dit met ingang van mei al kan. Dan kan er: “ook écht campagne gevoerd (…) worden. Omdat dan het ‘normaal’ is teruggevonden.” Het zakenkabinet moet doen wat Van Tellingen wil, maar wat als dat tot een andere conclusie komt?

En dat brengt mij bij het tweede bijzondere in Van Tellingens betoog. Hij presenteert zijn opvattingen als zakelijke en apolitiek. Door de woorden die hij gebruikt, geeft hij zijn opvattingen een neutrale status, een truc die vaker wordt gebruikt. Je noemt je eigen opvattingen ‘realistisch’ en zo zijn die van anderen meteen irreëel of nog erger idealistisch. Of zoals de VVD-verkiezingsposters in 2017 waarin de partij zichzelf wegzet als normaal, waarmee wordt gesuggereerd dat de anderen niet normaal zijn. Een woord dat Van Tellingen zelf ook gebruikt, hij wil ‘terug naar normaal’. Ik weet niet wat zijn ‘normaal’ is, maar als het afgelopen jaar mij iets heeft geleerd dan is het dat er het nodige anders moet. Moeten we werkelijk terug naar  ‘lean and mean’ zorg? Naar het vijf dagen in de week naar kantoor tuffen? Het voor € 25 naar Barcelona vliegen? Bovendien blijken er jongeren te zijn die het afgelopen jaar juist opbloeiden, willen we die weer terug duwen in ‘voorcoronese’ ellende?

En daarmee kom ik bij de derde bijzonderheid. Van Tellingen doet het voorkomen alsof je een land apolitiek kunt besturen. Dat lijkt mij per definitie onmogelijk want is het besturen van een land niet per definitie politiek? Politiek is: “alles wat te maken heeft met het besturen van een land, provincie, gemeente enz.: de binnenlandse politiek,” aldus de Van Dale en vervolgt met de: “manier waarop je je doel probeert te bereiken, beleid, gedragslijn.” Als we ergens voor op onze hoede moeten zijn dan is het voor dergelijke betogen. Want als je ze gaat uitvoeren dan eindigt het meestal in een dictatuur. Er is immers altijd wel een nieuw probleem dat je beter ‘zakelijk’ kunt aanpakken.

Us and the king

‘Waar die driedeling tussen ‘the king the pope and I’ toe leidde, zien we in een volgend deel in deze serie.[1] Met die woorden sloot ik het vierde deel van de serie over het boek De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama. Op het antwoord op deze vraag moeten jullie toch nog even wachten want dat ‘volgende deel’ is niet dit deel. In dit deel bekijk ik aan de hand van Fukuyama, de ontwikkeling van de rechtsorde in andere delen van de wereld.

Religie Het Hindoeïsme God - Gratis foto op Pixabay
Bron: Pixabay

In West Europa speelde de rechtsorde een belangrijke rol in het breken van de patrimoniale samenleving en het ontstaan van veel meer op het individu gebaseerde samenleving. Ook in andere delen van de wereld ontstond iets van een rechtsorde. Bijvoorbeeld ook in India en ook hier speelde de godsdienst een belangrijke rol. Alleen op een heel andere manier dan in Europa, anders op twee manieren. Als eerste deelt het Hindoeïsme, in tegenstelling tot het christendom, de samenleving op in vier starre sociale klassen met bovenaan de brahmanen, de priesters, vervolgens de ksatriya’s, de krijgers, vervolgens de vaisya’s, de kooplieden en als laatste de sudra’s, de rest. Starre klassen omdat je de klassenstatus erfde van je ouders en huwelijken alleen binnen de klassen plaatsvonden. Binnen deze vier klassen waren rijke en arme leden van de klasse. Heersers altijd afkomstig uit de krijgersklasse, moesten zich voor hun legitimiteit wenden tot de brahmanen. Resultaat hiervan: “Het recht was derhalve dieper in de religie geworteld dan in de politiek; de vroegste rechtstraktaten, de Dharmasastra’s waren geen edicten van keizers zoals in China, maar documenten die door religieuze autoriteiten waren geschreven.” Als tweede was : “De klasse der brahmanen (…) niet georganiseerd in één hiërarchie die koningen en keizers orders kon geven. … De klasse der brahmanen vormden meer een netwerk waarvan de leden horizontaal met elkaar communiceerden via ontelbare dorpjes en steden waar ze woonden.” Bovendien was de klasse der brahmanen weer onderverdeeld in verschillende groepen die allemaal een eigen specialisme hadden: “Een brahmaan die toezag op de installatie van de koning was misschien niet bereid tot omgang met een brahmaan die toezag op uitvaartrituelen.” Ze hadden: “op lokaal niveau een enorme invloed, waar er bij elke sociale gebeurtenis behoefte was aan hun diensten.” Dit maakte hen zeer onafhankelijk: “Maar ze waren ook niet in staat tot collectief optreden.[2]

Een derde gebied met een sterke rechtsorde in de zin zoals in het vorige deel besproken, is de wereld van de islam. De islamitische wereld vertoont, zo betoogt Fukuyama, op dit gebied veel overeenkomsten met de christelijke wereld. “In beide tradities is het recht geworteld in de religie; er is slechts één God met een universele jurisdictie, die de bron is van alle waarheid en rechtvaardigheid.” Net als de christelijke wereld is de islamitische sterkt ingesteld op het schrift: “waarbij fundamentele sociale regels al heel vroeg gecodificeerd zijn.[3]

Toch ontwikkelde de islamitische wereld zich op een heel andere manier. De eerste kaliefen verenigden de geestelijke (het kalifaat) en wereldlijke macht (emiraat) in hun persoon. Dit in navolging van Mohammed de stichter van de godsdienst. De reden hiervoor was dat de grens van het wereldlijke en geestelijke rijk samenvielen: alle islamieten woonden in hetzelfde rijk met dezelfde vorst. Maar net als dat voor alle rijken uit de geschiedenis gold, viel ook dit rijk uit elkaar. Er ontstonden meerdere islamitische rijken en dat betekende dat er meer ‘emiraten’ waren: de wereldlijke en geestelijke macht splitsten zich. En net als het emiraat zich splitste, splitste ook het kalifaat zich. En zo kent de islam, net als het hindoeïsme geen hiërarchie en kwam het dus nooit tot een strijd tussen ‘the pope and the king’ om de titel van het vorige deel te parafraseren.

Op dit gebied is China een uitzondering. China kende religies maar er was nooit een religie die machtiger was dan de keizer. Het kende ook en geen rechtsorde. Want kenmerk van een rechtsorde is dat de regering zich aan die orde moet houden. De Chinese keizer bezat de absolute macht. De keizer verenigde, om de drie moderne begrippen te gebruiken, de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht in zich. Maar om die macht te behouden was hij in constant gevecht met patrimoniale krachten. China kende geen rechtsorde en dat is iets wat nu nog steeds doorwerkt. China kent wel wetten en zelfs een grondwet maar die gelden niet voor alles en iedereen. Ze gelden namelijk niet voor de Chinese communistische partij. Die staat boven de wet. Zowel het Indisch subcontinent als in de islamitische wereld kennen, in tegenstelling tot de westers christelijke wereld nog steeds een sterk patrimoniale invloed. En, en dat is er een spiegel van, een veel minder individualistische samenleving. Dus daar geen balanceer act tussen ‘the king, the pope and I’ maar een gevecht tussen ‘us and the king’.

Terug naar de vraag uit het vorige deel waarmee ik begon. Ook in het volgende deel nog geen antwoord op die vraag want naast de moderne staat en de rechtsorde is er nog een derde onderwerp dat van belang is, namelijk ‘de verantwoordelijke overheid’ zoals Fukuyama het noemt.


[1] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/03/05/the-king-the-pope-and-i/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 320-321

[3] Idem, pagina 322-323

The king, the pope and I

In het vorige deel van de serie waarin ik het boek De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama als leidraad gebruik, stond het ontstaan van de moderne staat centraal[1]. Kenmerk van de moderne staat is dat ze haar ‘ambtenarencorps’ selecteert op basis van verdienste en niet op ‘familierelaties’ zoals in een patrimoniale. We zagen dat de moderne staat, zo betoogt Fukuyama, in China ontstond tijdens de Qin-dynastie in de derde eeuw voor onze jaartelling. Het duurde echter nog zo’n zeventienhonderd jaar voordat zich in West Europa iets ontwikkelde wat je een moderne staat kon noemen. Dat wil niet zeggen dat er op politiek gebied niets gebeurde. West Europa volgde een andere weg.

A school history of Germany: from the earliest period to t… | Flickr
Bron: Flickr

Fukuyama: “De Europese politieke ontwikkeling was in zoverre uitzonderlijk dat Europese samenlevingen zich al vroeg afwendden van tribale organisatievormen, en dat deden ze zonder de hulp van een politieke macht van bovenaf.”  In West Europa werd het tribalisme op een andere manier aangepakt: “De staatsvorming was niet zozeer gebaseerd op het vermogen van vroegere stichters van staten om militaire macht in te zetten, als wel op hun vermogen om recht te spreken.” Staatsvorming via een rechtsorde.

Bij een rechtsorde denken we nu al vrij snel aan onze wetboeken die de omgang tussen ons mensen onderling, tussen mensen en bedrijven en tussen mensen, bedrijven en de staat regelen. Dat moderne beeld moeten we vergeten: “Neem er nota van dat de vroege Europese staten wel het recht toepasten maar niet noodzakelijkerwijs de wet.”  Want: “het onderscheid tussen recht en wetgeving is fundamenteel om de betekenis van de rechtsorde zelf te begrijpen. … het recht is een geheel van abstracte rechtsregels dat een gemeenschap bijeenhoudt.” En dat recht, zo geloofde men: “werd bepaald door een gezag hoger dan dat van enige menselijke wetgever, ofwel door een goddelijke autoriteit, door oeroude gewoonte of door de natuur.” Dit in tegenstelling tot de wetgeving die overeenkomt met: “wat nu het positief of objectief recht wordt genoemd, en (…) een (is) functie van de politieke macht, dat wil zeggen van het uiteindelijk op coërcitieve macht gebaseerde vermogen van een koning, baron, president, wetgevende macht of krijgsheer om nieuwe regels te maken en te handhaven.[2]

Gewoonten, de natuur of een goddelijke autoriteit. Nu hebben ‘goddelijke autoriteiten’ of beter gezegd de vertegenwoordigers ervan, de neiging om de natuur maar ook gewoonten aan de autoriteit van hun godheid te verbinden. Zo was de katholieke kerk een meester in het incorporeren van ‘heidense’ feesten en gebruiken door er een ‘passende heilige’ aan te verbinden en er zo een katholiek feest van te maken. Diezelfde katholieke goddelijke autoriteit, speelde, zo betoogt Fukuyama, een belangrijke rol in de afbraak van tribale verbanden en: “dit gebeurde heel kort nadat de Germaanse stammen die het Romeinse Rijk onder de voet liepen zich voor het eerst tot het christendom bekeerden.” En de katholieke kerk speelde daarin de belangrijkste rol[3].  Hoe ze dat deed? Door: “krachtig stelling (te nemen) tegen vier praktijken: huwelijken tussen naaste verwanten, huwelijken met weduwen van dode verwanten (…), het adopteren van kinderen, en echtscheiding.” Hierdoor werd het voor verwantschapsgroepen lastig om: “onroerend goed in handen van de groep (te) kunnen houden (en) het van de ene op de andere generatie,” door te geven. Waarom de kerk dat deed? “De reden dat de Kerk dit standpunt innam had (…) veel meer te maken met de materiele belangen van de Kerk dan met theologie.[4] Die materiele belangen behelsden het in bezit krijgen van zoveel mogelijk onroerend goed en dat ging zo makkelijker.

Die bijzondere ontwikkeling, want dit gebeurde alleen in West Europa, leidde tot een veel sterkere en definitievere afkeer van het tribalisme. Dit vooral omdat deze ontwikkeling aan de basis stond van een andere Westerse en vooral West Europese ‘afwijking’, namelijk het individualisme. Fukuyama: “De Europese samenleving was met andere woorden al heel vroeg individualistisch, in die zin dat individuen en niet hun families of verwantschapsgroepen belangrijke beslissingen konden nemen over huwelijk, bezit en andere persoonlijke kwesties. Individualisme in de familie is het fundament van alle individualismen. Het individualisme berustte niet op de opkomst van een staat die de wettelijke rechten van individuen afkondigde en het gewicht van zijn coërcitieve macht gebruikte om de hand te houden aan die rechten. Het is eerder zo dat staten werden gevormd boven op samenlevingen waarin individuen reeds tamelijk vrij waren van sociale verplichtingen ten aanzien van verwanten. In Europa ging de sociale ontwikkeling vooraf aan de politieke ontwikkeling.”

Naast het ‘breken van het tribale’ heeft de katholieke kerk de ontwikkeling van de politiek in West Europa nog op een andere manier beïnvloed. De paus had een eigen staat, die nu is verschrompeld tot Vaticaanstad, en speelde op die manier ook een deuntje mee in het wereldlijke. De vorsten bemoeiden zich met de benoeming van geestelijken op hun grondgebied en probeerden zo het ‘geestelijke gezag’ te beïnvloeden. Dit draaide in de tweede helft van de elfde eeuw uit op een groot conflict tussen de paus en de keizer over de benoeming van geestelijken. Het conflict begon in 1046 met de kroning van Hendrik III tot keizer van het Heilig Roomse Rijk. Om die kroning in goede banen te leiden zette Hendrik drie rivaliserende pausen af en benoemde er eentje naar zijn gading. Daarna benoemde hij er nog vier.

Dit zeer tegen het zere been van een stroming binnen de kerk onder leiding van Hildebrand van Sovana. Toen deze Hildebrand in 1073 tot paus werd gekroond en als Gregorius VII: “maakte hij van het celibaat van priesters een officiële kerkelijke doctrine en dwong hij priesters om te kiezen tussen hun verplichtingen ten aanzien van de Kerk en hun verplichtingen ten aanzien van hun familie,” en die familie was in het overgrote deel van de gevallen verbonden met deze of gene vorst. De zogenaamde investituurstrijd brak hiermee uit. Veel priesters en hun familie verzetten zich hier tegen, celibaat en trouw aan de kerk betekende immers dat de familie onroerend goed en macht verloor. De kaarten waren niet in het voordeel van Gregorius en daarom lanceerde hij een frontale aanval: “In een pauselijk manifest uit 1075 ontnam hij de koning het recht om bisschoppen af te zetten en leken aan te stellen” in een geestelijk ambt. De opvolger van Hendrik III, Hendrik IV nam dit hoog op een riep de paus op om af te treden waarop Gregorius zijn grootste kanon in stelling bracht: hij deed Hendrik IV in de ban. Daardoor kreeg Hendrik problemen in zijn rijk omdat veel prinsen en bisschoppen nu achter Gregorius gingen staan en dwongen Hendrik om te buigen en de ‘gang naar Canossa’ te maken. Daarmee was de strijd echter nog niet teneinde, Hendrik bleef erbij dat hij het recht had om bisschoppen te benoemen. Hij bezette Rome, zette Gregorius af en benoemde een tegenpaus Clemens III. Het getouwtrek sleepte zich nog voort totdat het: “in 1122 definitief werd geregeld met het Concordaat van Worms waarin de keizer het recht van aanstelling grotendeels opgaf, terwijl de Kerk het gezag van de keizer in alle wereldlijke zaken erkende. [5]

Deze ontwikkeling zorgde ervoor dat een heerser in westelijk Europa, met twee zaken rekening diende te houden. Aan de ene kant met de ‘wil of wet van god’ en aan de andere kant met die individuen en de ermee verbonden rechten. De eerste, die ‘wil of wet van god’ kende in de paus een centrale vertegenwoordiger en in de clerus een eigen ‘machstkanaal’ in het ondermaanse. Dit in tegenstelling tot de Chinese keizer wiens wil wet was en die geen rekening hoefde te houden met een god en diens vertegenwoordigende ‘religieuze autoriteit’ die er ook niet was. ‘Waar die driedeling tussen ‘the king the pope and I’ toe leidde, zien we in een volgend deel in deze serie.


[1] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 285-286

[3] Idem, pagina 269

[4] Idem, pagina 276

[5] Idem, pagina 307-308

De moderne staat

In deel drie van de serie waarin ik het boek De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama als leidraad gebruik[1], staat, zoals in het vorige deel aangekondigd, de moderne staat centraal. Als je het woord modern gebruikt, dan ontstaat al snel het beeld dat het nieuw is. En inderdaad veel moderne staten zijn in het recente verleden ontstaan. De moderne staat is volgens Fukuyama al meer dan 2.200 jaar oud. En nee, het is geen westerse maar een Chinese uitvinding.

Saladin – Store norske leksikon
Saladin. Bron: https://snl.no/Saladin

In het China van de eerste eeuw voor onze jaartelling ontstonden verschillende patrimoniale staten. Staten waarin krijgsheren en hun verhouding tot de heersende vorst een belangrijke rol speelden. Krijgsheren die fungeerden als de pater familias van hun huis en gebied en daarbij hoorden alle ondergeschikte boeren en slaven. Als er gevochten moest worden, dan mobiliseerde de krijgsheer zijn soldaten en boeren. Die trokken als groep met de krijgsheer als bevelhebber ten strijde. Qin, een van die staten, ging een stapje verder: “Qin democratiseerde het leger door voorbij te gaan aan de krijgsheren en de massa’s boeren direct onder de wapenen te brengen; het begon met grootschalige landhervorming door patrimoniale landeigenaren te onteigenen en het land direct aan de boerenfamilies te geven; en het stimuleerde de sociale mobiliteit door de macht en het prestige van de erfelijke aristocratie te ondermijnen.” Hierbij moet je je niet laten ‘verleiden’ door het woord democratisering, want het had niets met democratie te maken: “het enige doel van Qin was de macht van de staat Qin vergroten en een meedogenloze dictatuur te creëren.[2]Dit gaf Qin een voordeel boven de andere staten. Aan de ene kant zorgde dit ervoor dat het leger als een eenheid kon opereren en aan de andere kant dat het door bewezen bekwame officieren werd geleid. Daarmee hebben we het kenmerk van een moderne staat, namelijk dat functies niet worden verdeeld op grond van verwantschap maar verdienste. Qin voerde dit door in alle facetten van de overheid met als doel: “het traditionele, op verwantschap gebaseerde systeem van gezag en grondbezit te ondermijnen en dat te vervangen door een veel onpersoonlijker vorm van bewind waarin de staat centraal stond.[3]  Uiteindelijk verenigde Qin de andere Chinese staten onder zich en daarmee was de eerste dynastie een feit: de Qin.

In het leven is niets zeker, behalve dan dat het eindigt met de dood. Ook in het leven van politieke verbanden, en een moderne staat is een politiek verband, is niets zeker dus ook niet het behoud van een moderne staat. De macht van Qin stond of viel met de kracht en visie van de leider, die meedogenloze dictator. En zoals iedere monarchie weet, heb je sterke en krachtige koningen, maar ook zwakke. De sterken houden tegenkrachten eronder, de zwakken geven eraan toe. Die tegenkrachten bestaan steevast uit machtige personen die hun macht, rijkdom en positie over willen dragen aan hun kinderen. Als dat gebeurt dan vervalt de moderne staat in een patrimoniale. Dit lot trof ook de Qin-dynastie.

Voor Qin was voor wat betreft het leger het slagveld de plaats waar de selectie op basis van kwaliteiten plaatsvond. Voor andere ambten werd uiteindelijk het ambtenarenexamen in het leven geroepen. De besten kregen de posten maar dan wel ver verwijderd van hun geboortegrond en dus hun familie. Dit om te voorkomen dat ze hun familie zouden bevoorrechten. De geschiedenis kent ook andere manieren om macht los te trekken van verwantschap. Neem de Mamelukken, slaafsoldaten. Een islamiet mocht een geloofsgenoot niet in slavernij brengen. De Ajjoebiden-dynastie vond daar wat op: kinderen en jonge mannen uit niet-islamitische grensgebieden vangen. Die werden vervolgens soldaat en moslim. Dat laatste was geen probleem omdat ze toen ze slaaf werden, geen moslim waren. De in het westen beroemdste Mameluk was Salah Al-Din die Jerusalem heroverde op de kruisvaarders. Belangrijker dan die overwinning was echter:  “toen ze in 1260 het leger van de Mongolen versloegen in de slag bij Ain Jalut.[4]” De Mamelukken namen de macht over van de Ajjoebiden en vestigden het Mamelukse rijk dat vanaf het midden van de dertiende tot het begin van de zestiende eeuw heerste over Egypte en Syrië. Uiteindelijk werden de Mamelukken verslagen door de Ottomanen. Die maakten trouwens ook gebruik van kindsoldaten, de Janitsaren. De positie van zowel Mameluk als Janitsaar was niet erfelijk. Hun kinderen waren immers wel moslim en mochten daarom niet in slavernij worden gebracht.

Welk systeem er ook wordt ontwikkeld, altijd steken patrimoniale trekken weer de kop op. Mensen die macht en positie verwerven en hun kinderen daarmee willen bevoordelen. Zoals Fukuyama het schrijft: “De feitelijke verdeling van de rijkdom zal veel meer een weerspiegeling zijn van toevallige beginomstandigheden of de toegang tot politieke macht van de landeigenaar dan van productiviteit of noeste arbeid.” Een heerser kan dan twee dingen doen: “de kant van de boeren kiezen en de staatsmacht gebruiken om landhervormingen en egalitaire landrechten te propageren en zo de aristocratie te beknotten. … Of de heersers kunnen de kant van de aristocratie kiezen en de staatsmacht gebruiken om de greep van de plaatselijke oligarchen over de boeren te versterken.” En vertaald naar het heden: ‘Zelfs in de huidige mobiele, kapitalistische ondernemerseconomie vergeten starre verdedigers van eigendomsrechten dikwijls dat uit de bestaande verdeling van de rijkdom niet altijd de superieure deugd van de rijken blijkt en dat markten niet altijd efficiënt zijn.[5] En in de huidige mobiele kapitalistische ondernemerseconomie kan de overheid de staatsmacht gebruiken om de kant van de werknemer en consument te kiezen en hen via wetgeving te beschermen door de multinationals aan banden te leggen. Of kiezen voor de multinationals waardoor die de werknemer en consument verder kunnen uitbuiten.


[1] Deel 1: https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/21/de-oorsprong-van-onze-politiek-tribalisme/

Deel 2: https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/25/de-patrimoniale-staat/

[2] Francis Fukuyama,De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 135

[3] Idem, pagina 144

[4] Idem, pagina 239

[5] Idem, pagina 171

De patrimoniale staat

Vandaag deel twee in een serie over De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama. In het eerste deel maakten we kennis met het tribalisme; de vereniging van groepen mensen in een groter geheel door te verwijzen naar een ‘gemeenschappelijke voorouder’. Vandaag gaan we een stap verder in de ontwikkeling van politieke verbanden. We bekijken de, zoals Fukuyama het noemt, patrimoniale staat.

Poetin De President Van Rusland - Gratis afbeelding op Pixabay
Bron: Pixabay

In het eerste deel zagen we met Fukuyama dat tribalisme een concurrentievoordeel bood boven het leven in stammen. Dit voordeel kwam met een nadeel en iedere ondernemer die zijn bedrijf groot ziet groeien zal dat herkennen. Boven de leider van de groep kwam nu een leider van de stam en soms zaten er nog wat laagjes tussen. Er ontstond iets van een hiërarchie. En als er een ‘boven’ ontstaat, heb je vanzelf ook een ‘onder’: de samenleving werd ongelijker. Een patrimoniale staat trekt dit nog een stuk verder door. Een patrimoniale staat ontstond als de leider van een stam het gedaan wist te krijgen dat zijn positie werd doorgegeven aan zijn nazaten, als het leiderschap erfelijk werd. De hiërarchie in de samenleving nam verder toe, was gebaseerd op de relatie met de sterke man en nam vaste vormen aan: eens een edelman, eeuwig een edelman. Die relatie kon een familierelatie zijn of een relatie gebaseerd op verdienste. Een heel oud type staat dat tegenwoordig nog steeds voorkomt. Het Rusland van Poetin en het Turkije onder Erdogan kun je betitelen als een patrimoniale staat. Maar ook het presidentschap van Trump vertoont patrimoniale trekken.  

Hoe dat kon gebeuren, is niet bekend. Wel zijn er theorieën maar die zijn opgesteld door mensen die ‘er niet bij’ waren. Mensen zoals die van Thomas Hobbes en het sociale contract: de leider bood veiligheid en krijg daarvoor het ‘erfelijke oppergezag’. Nu moeten we ons goed bedenken dat Hobbes die theorie ontwierp in een tijd van oorlogen en onrust. Een tijd dus dat het ontbrak aan veiligheid. Een variant hierop is het ‘samen werken aan grootschalige irrigatieprojecten’. Hiervoor was een leider nodig. Bijzonder is dan wel dat de ‘grootschalige anti-irrigatie maatregelen’ in onze contreien tot de eerste vormen van ‘democratie’ hebben geleid, namelijk de waterschappen. Weer anderen denken dat de toenemende bevolkingsdichtheid de oorzaak is, of door geweld: de ene stam onderwerpt de andere. Ook het ‘charisma’ van een leider wordt genoemd als oorzaak voor het ontstaan van een patrimoniale staat[1]. Waarschijnlijk bevatten alle verklarende theorieën een deel van de verklaring.

“Vanwege dat succes gingen andere groepen dit kopiëren en zo ontstonden overal, met  uitzondering  van de meest afgelegen gebieden, tribale samenlevingen.” Zo schreef ik in het vorige deel. Met patrimoniale staten lag dat nog net iets anders. Die ontstonden op nog minder plaatsen en voor het waarom, bieden de theorieën goede aanknopingspunten. Om de stap naar een patrimoniale staat te kunnen zetten moet een gebied goed bevolkt zijn: “in een goeps- of stammensamenleving met een geringe bevolkingsdichtheid kan men conflicten matigen door domweg afstand van elkaar te nemen, waarbij segmenten zich afsplitsen als ze merken dat ze niet met elkaar over weg kunnen.” Dan is een machtige heer die de vrede bewaart niet nodig. De bevolking moet tegen het maximum aanzitten van wat het gebied kan onderhouden, immers: “Gebrek aan land of het niet hebben van toegang tot bepaalde belangrijke publieke hulpbronnen zullen veel eerder tot conflicten leiden, waarvan de beheersing meer gecentraliseerde vormen van politiek gezag vereist.[2]Ook moet het gebied worden begrensd door natuurlijke barrières zoals bergen, een rivier of een woestijn die het bijzonder lastig maken om bij een conflict het gebied te verlaten.

Als we kijken in welke gebieden patrimoniale staten zijn ontstaan, dan voldoen ze aan deze criteria: China langs de Yangtze en de Gele Rivier, Egypte in  die smalle strook langs de Nijl en in het tweestromenland van de Eufraat en de Tigris en veel later in de tijd in West Europa. Voor nu laat ik het hierbij maar dit komt later in deze reeks nog terug. In het volgende deel bekijken we aan de hand van Fukuyama de volgende stap in de ontwikkeling van ‘onze politiek’. Dan bekijken we het ontstaan en de kenmerken van moderne staten.


[1]  Francis Fukuyama,De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 103-113

[2] Idem, pagina 106