Uitgelicht

‘De paus van de overheid’

In maart mogen we weer naar de stembus om de leden voor de Tweede Kamer te kiezen. Ik moet zeggen dat ik het steeds moeilijker en lastiger vind om een keuze te maken. Moeilijk niet omdat er steeds meer partijen zijn, omdat Kamerleden zich afscheiden en een (eigen) nieuwe partij beginnen en ze het allemaal beter denken te weten. Nee, al die malloten en de partijen die ze hebben opgericht komen zeker niet voor mijn stem in aanmerking. Nee, het wordt me steeds moeilijker gemaakt door het gebrek aan besef bij Kamerleden van hun rol, positie, invloed en vooral hun verantwoordelijkheid.

Bestand:Lid van de Tweede Kamer voor de VVD dhr. Edzo Toxopeus  interrumpeert de fractiev, Bestanddeelnr 919-6733.jpg - Wikipedia
Bron: Wikipedia

“De gemeente Wijdemeren gaat nog eens kijken naar de zaak van een vrouw met een bijstandsuitkering, die ruim 7000 euro moet terugbetalen. Ze ontving boodschappen van haar moeder en had dat aan de gemeente door moeten geven, oordeelde de rechter,” zo lees ik bij de NOS. Gevolgd door Tweede Kamerleden die zoals Lilian Marijnissen zich twitterend afvragen: Hoe een overheid een monsterlijke machine kan worden die mensen kapot maakt omdat niet het vertrouwen voorop staat maar het wantrouwen.”  Of zoals enig PVV-lid Wilders: “dat de overheid “dus helemaal niets” heeft geleerd van de toeslagenaffaire.” En zij zijn niet de enige. Ik word er heel erg moe van. Ze hebben gelijk en toch word ik er heel erg moe van of beter gezegd teleurgesteld of nog beter gezegd boos.

Ze hebben gelijk. Dat wantrouwen voorop staat en dat dit de overheid tot een ‘monsterlijke machine’ maakt die mensen kapot kan maken, daarover schreef ik al eerder. Nee, ik word moe, teleurgesteld en boos van de manier waarop zij zich met hun woorden buiten de overheid plaatsen. De overheid, dat zijn anderen. Dat zijn ‘hardvochtige ambtenaren’ en rechters die de vastgestelde regels toepassen. Met hun manier van praten, plaatsen zij zich buiten de overheid. Terwijl zij er integraal onderdeel van zijn. Sterker nog, zij zijn lid van het belangrijkste onderdeel van onze overheid. Zij zijn lid van de Tweede Kamer. Een Kamer die namens en voor ons besluit. Een Kamer die namens ons wetten vaststelt waaraan we ons allemaal moeten houden. ‘Ja maar ik of wij hebben tegen die wet gestemd’, zal menig politicus roepen. Tegen een wet stemmen, weerhoudt hen er echter niet van om te pleiten voor een ‘harde aanpak’ bij geconstateerde fraude. Neem bijvoorbeeld het debat over bijstandsfraude door Turkse Nederlanders van 6 februari 2019. De handelingen doorlezend kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat de ene partij fraude nog steviger wil aanpakken dan de andere.

Even wat citaten. “Ik kan me nog de debatten met mevrouw Klijnsma hierover herinneren. Die uitzonderingen moeten een keer stoppen, want er zit altijd aan het eind van het verhaal nog een ambtenaar in de gemeente die allerlei uitzonderingsbepalingen mag toepassen waardoor alsnog half geïmporteerd Nederland een uitkering krijgt.”  Aldus PVV’er De Graaf. Nu kan het dat hij alleen voor strengheid pleit ten opzichte van ‘geïmporteerd Nederland’. Op dit taalgebruik werd hij aangesproken, niet op zijn pleidooi om ambtenaren de ruimte om uitzonderingen te maken, af te nemen.

Iets verder in het debat is VVD’er Nijkerk-De Haan aan het woord: “Zoals wij eerder al hebben ingebracht, betekent dit wat ons betreft dat gemeenten en de Sociale Verzekeringsbank uitkeringen bij geconstateerde fraude niet alleen stopzetten, maar ook moeten terugvorderen. Tijdens de begrotingsbehandeling van vorig jaar november hebben mijn collega Wiersma en collega Peters van het CDA precies hierover een motie ingediend, een motie die de staatssecretaris vraagt om twee zaken op te pakken: bevorderen dat gemeenten actief invulling gaan geven aan hun verplichting om bij aangetoonde fraude een boete op te leggen en de onterecht ontvangen uitkeringsbedragen terug te vorderen.” En daarmee kennen we meteen ook de positie van het CDA. Vanwege de aanleiding voor het debat, de bijstandsfraude door Turkse Nederlanders vult Öztürk namens DENK iets verder aan: “Ook richting de woordvoerder van de VVD, mevrouw Nijkerken-de Haan, zeg ik: alle fraudeurs moeten wij aanpakken met z’n allen; dan zijn we unaniem.”

“ GroenLinks is niet naïef: waar nodig moet streng gehandhaafd worden. Er wordt namelijk in deze situatie publiek geld uitgegeven aan mensen die het niet nodig hebben. Overtreders moeten we bestraffen, want anders gaat het ook ten koste van het draagvlak voor sociale zekerheid. Wel pleiten we voor slim handhaven; dat heb ik al in meerdere debatten gedaan. Een slimme handhavingsstrategie, gekenmerkt door persoonlijke aandacht, leidt namelijk tot betere resultaten. Daar is ook veel onderzoek naar gedaan. Daarom willen wij dat er slim wordt gehandhaafd waar dat kan maar zeker ook streng waar dat nodig is.” Aldus de bijdrage van GroenLinks Kamerlid Renkema. Streng maar wel via een persoonlijke aanpak. Het CDA vult nog aan: “De meeste mensen vinden dat vertrouwen goed is, maar controleren beter. Zij vinden dat mensen zichzelf en elkaar de kans niet moeten geven de fout in te gaan. Misschien is dat geen idealistisch wereldbeeld, maar het is wel zo nuchter.” SP’er Van Dijk: “Dit is niet de eerste keer dat wij over bijstandsfraude debatteren. Het kwam al voorbij in maart 2011. Inmiddels zijn we acht jaar verder. Je zou dus verwachten dat er meters gemaakt zijn. Maar daar lijkt het niet op. En dat terwijl het helder is: fraude is ontoelaatbaar, die moet je opsporen en aanpakken, ongeacht de afkomst. …  Fraude moet je aanpakken zonder aanziens des persoons.”

Waarom zijn jullie dan boos? Wat is de boodschap die jullie, Kamerleden, hier afgeven? Ik kan tot geen andere conclusie komen dan: pak fraude zonder uitzondering heel streng aan! Als dit de opdracht is waarmee jullie een minister het bos in sturen en jullie kennen, al hebben jullie er misschien niet mee ingestemd, de betreffende wet, waarom dan zo boos en verbaasd? Maar wat erger is dan jullie boosheid, en dat is de oorzaak van mijn boosheid, is dat jullie duiken voor jullie medeplichtigheid. Of sterker nog, want medeplichtigheid is eigenlijk nog wat zwak uitgedrukt, waarom nemen jullie niet jullie verantwoordelijkheid hiervoor? Nee, als een schijnheilige van buiten naar binnen roeptoeteren en schande spreken, terwijl jullie de ‘paus van de overheid’ zijn.

Uitgelicht

Horen, zien en niet zwijgen

Je niet herkennen in hoe mensen over je praten, dat overkomt iedereen wel eens, dacht ik, toen ik een artikel van Josta van Bockxmeer bij De Correspondent las. Daarom schreef ik haar: “Dat mensen in termen en woorden over mij schrijven waarin ik me niet herken, overkomt mij als blanke man van middelbare leeftijd zeer vaak.” Van Bockxmeer antwoordde: “De ervaring niet erkend te worden, is altijd pijnlijk, wie je ook bent. Een reactie daarop die ik zelf behulpzaam vind, is deze: probeer je te realiseren dat er mensen zijn die deze ervaring nog veel vaker hebben, zoals mensen van kleur, transgenders of homoseksuelen. Op die manier kan het een motivatie worden naar hen te luisteren. Ik hoop dat je hier iets mee kunt.” Een bijzonder advies.

Bron: pxfuel

Eerst even de aanleiding. Van Bockxmeer schrijft vooral over de woningmarkt in Nederland. Zo ook nu. “Want hoewel ik overtuigd ben van de goede bedoelingen van corporatiemedewerkers, is er iets waar ik me al aan stoor sinds ik over de sociale huursector schrijf. Doorgaans hebben ze het over hun huurders als mensen die medelijden verdienen,”  aldus Van Bockxmeer. Nu huurt ze zelf ook via een corporatie en vervolgt ze: “Ik huur zelf van een woningcorporatie en herken mijzelf (en veel mensen om mij heen) totaal niet in dit beeld. Sterker nog: ik denk dat het schade aanricht.”

Terug naar het advies dat Van Bockxmeer mij gaf. ‘Realiseer je dat er mensen zijn die die ervaring vaker hebben en luister naar hen.’ Aldus mijn vertaling van haar advies. Ja, er zijn mensen die, dit vaker treft. Alhoewel, hoe bepaal je dat? Is er één meetlat waaraan je kunt afmeten wie er het slechtst aan toe is? Heb je die ervaring vaker of minder vaak als het je materieel goed gaat of tellen immateriële zaken ook? En wat telt dan het zwaarst? Hoe zit het met je eigen instelling? Ervaren twee mensen in precies dezelfde omstandigheden als Van Bockxmeer het gebeurde precies hetzelfde?

Behalve die ene meetlat is er meer. Zou het helpen als je je, om het zo te noemen, naar beneden gaat vergelijken? Wat helpt het mij in mijn situatie als ik me realiseer dat er anderen zijn die vaker ‘verkeerd’ worden benaderd? Verbetert dat mijn situatie? Maakt dat, om Van Bockxmeers voorbeeld aan te halen, dat de corporatie mij anders, niet als persoon die medelijden verdient, gaat benaderen? En omgekeerd, schiet degene die het nog slechter heeft er iets mee op als ik me realiseer dat die persoon het nog slechter heeft? Als we het advies van Van Bockxmeer ter harte nemen, dan mag alleen die persoon die dit het vaakste gebeurt, zich uitspreken en rest mag slechts in stilte luisteren naar wat die persoon te zeggen heeft.

Dit lijkt op het intersectionalistische denken. Het denken dat ervan uitgaat dat maatschappelijke ongelijkheid zich langs verschillende assen zoals seksualiteit, gender, huidskleur, religie en zo zijn er nog veel meer, voordoet. Volgens de aanhangers van deze theorie moet het bestrijden van achterstanden beginnen bij degenen die op al deze gebieden het meeste op achterstand staat. Als je die helpt dan help je iedereen met een achterstand. Alleen wie is dat? De kans is dan groot dat allen die zich op een of andere manier achtergesteld voelen, de strijd met elkaar aangaan om aan te tonen dat zij bovenaan staan op de ‘ellende-ladder’, zoals ik het in een eerdere Prikker noemde.

Terug naar het advies van Van Bockxmeer. Zoals gezegd zal in dit geval de corporatie haar taal niet aanpassen als zij niet te horen krijgt dat mensen, zoals Van Bockxmeer, zich niet herkennen in de manier waarop er over hen wordt gedacht en gesproken. Dat die manier schade toebrengt aan mensen en aan de relatie tussen de corporatie en haar huurders. Dat kan alleen als huurders die, zoals Van Bockxmeer, dit gevoel hebben dat gevoel uiten. Als zij zich uitspreken. Net zoals ik aan iedereen die mij generaliseert omdat in een blanke man van middelbare leeftijd ben. Zouden ‘corporaties’, andere organisaties en wij als individuele inwoners van dit land, niet beter nadenken, als ze te horen krijgen dat ze generaliseren? Zou het voor juist de mensen die ‘die ervaring vaker hebben’ niet helpen als iedereen die ‘die ervaring heeft’ zich uitspreekt in plaats van het uitspreken aan degenen met de grootste achterstand te laten? Als zij die het horen of zien, niet zwijgen.

Uitgelicht

If you can’t stand the heat

In de Volkskrant las ik een artikel van Joris Roelofs over ‘cancel culture’. Aanleiding voor het artikel was een documentaire van Medialogica die handelde over de ophef rond BredaPhoto in september van dit jaar. Aan die commotie besteedde ik al eerder aandacht. Commotie over het kunstwerk van Erik Kessels Destroy my Face dat fel protest opleverde van een groep die zich wearenotaplayground noemt. Een protest dat wereldwijde aandacht trok. De documentairemakers reconstrueren de ophef en stellen zich de vraag of er sprake is van cancelcultuur en/of zelfreinigend vermogen in de kunstwereld. De twee initiators van wearenotaplayground, Mechteld Jungerius en Rachel Morón, reageren op Instagram weer op de documentaire waarin ze zelf deelnemen. Zij houden er, zo blijkt uit hun bijdrage op Instagram, een bijzondere definitie van in dialoog gaan op na.

Keuken, Koken, Vlam, Voedsel, Ali, Menselijke
Bron: Pixabay

Na iets meer dan negentien minuten in hun bijdrage halen de initiators aan dat kunstenaar Kessels zich erover beklaagde dat er geen dialoog was. Waarop een van de initiators zegt: “Just look at our Instagram account. Look at what has happend. The only reason that you’re in the documentary is that the dialogue has been held. The whole entire time. Just because you don’t want to aknowledge that social media is a form of dialogue doesn’t mean that there is no dialogue.” Een wel heel bijzonder redenering.

Een dialoog is een gesprek tussen verschillende mensen waarin gedachten worden uitgewisseld en waarbij de deelnemers tot nieuwe inzichten komen die ze zonder dat gesprek niet zouden hebben gekregen. Nu is er een kant, kunstenaar Kessels, die aangeeft dat de initiators van de actie niet met hem in gesprek zijn gegaan. De documentaire laat zien dat dit ook niet is gebeurd. Hoe kan je met iemand een dialoog voeren zonder dat die persoon deelneemt aan het gesprek? Instagram mag dan volgens de beide initiators, een manier zijn om een dialoog te voeren. Om die dialoog te kunnen voeren moet de ander daar dan wel aan deelnemen.

Trouwens bij het ‘dialogiserend karakter’ van de sociale media kun je grote vraagtekens plaatsen. Ik heb zelden een gesprek via sociale media gezien waarin partijen nieuwe inzichten opdeden van een andere deelnemer. Gesprekken op sociale media gaan over het algemeen twee kanten op. Als alleen de eigen bubbel deelneemt, dan is het een zelfbevlekking met het eigen gelijk. Nemen er mensen uit verschillende bubbels deel dan is het enige wat je met een zeer grote mate van zekerheid kunt zeggen dat hoe langer een online gesprek duurt, hoe groter de kans is dat Hitler en de Nazi’s ten tonele verschijnen. Inderdaad de wet van Godwin. Als de documentaire iets laat zien, dan is het dat het ook in deze casus het geval was. De tijdlijnen van Kessels, BredaPhoto en het skatepark stroomden vol met gescheld en verwensingen. En zelfs de initiators gaven aan dat ook zij de nodige verwijten te slikken hebben gekregen. Dat zijn niet echt de kenmerken van een dialoog.

Een dialoog wordt erdoor gekenmerkt dat de deelnemers een open en vragende houding hebben. Ze willen nieuwe kennis op doen. Als de reconstructie iets laat zien dan is het dat Kessels gelijk heeft en het tot op heden nooit tot een gesprek is gekomen tussen de initiators aan de ene en BredaPhoto, Kessels en Skatepark aan de andere kant. Ook niet in deze documentaire. De eerste ‘communicatie’ vond plaats via een ‘open brief’ met beschuldigingen en eisen. Niet bepaald de voor een dialoog benodigde open en vragende houding.  Vervolgens nodigde BredaPhoto de initiators uit om gedurende het festival met Kessels en de organisatoren in gesprek te gaan. Een gesprek dat als onderdeel van het festival zou worden opgenomen. Dit werd geweigerd. De initiators wilden wel praten maar niet met Kessels omdat het hen niet om het kunstwerk ging, maar om de ‘structuur’ en niet publiek. Een wat vreemde redenering. Vreemd omdat ze in hun open brief Kessels aardig wat verwijten. En vooral zeer vreemd omdat ze zelf starten met een publieke actie, namelijk een open brief. Ze wilden wel in gesprek maar dan op hun voorwaarden, want, en nu zeg ik het in mijn eigen woorden maar eigenlijk in die van Calimero: ‘zij zijn groot en wij zijn klein en dat is niet eerlijk’. Zij zijn klein omdat ze net van de kunstacademie komen en Kessels een gearriveerd kunstenaar is en BredaPhoto een toonaangevend festival.

Op Instagram hebben ze het over ‘verantwoordelijkheid nemen’, beste initiators van wearenotaplayground, als je met een actie die voor de hele wereld is te zien ergens aandacht voor vraagt, betekent verantwoordelijkheid nemen dat je vervolgens ook in de openbaarheid met de ander in gesprek gaat. Dan is je verschuilen achter je jong en onbekend zijn een zwaktebod. Mijn advies grow up! En anders: If you can’t stand the heat stay out of the kitchen.

Uitgelicht

Geen Bromsnorren maar Saartjes

Vroeger in mijn jeugd, kende Nederland twee televisiezenders. Ze heetten Nederland 1 en Nederland 2, erg makkelijk en duidelijk. Twee zenders die meestal pas zo rond zeven uur ’s avonds begonnen met uitzenden. Dan begon de Fabeltjeskrant en vijf minuten later zat de kinderprogrammering er al op. Dan kon je naar bed. Alleen op woensdag- en later ook op zaterdagmiddag, was er voor kinderen wat meer op de televisie. Dan was er anderhalf of twee uur, dat weet ik niet meer precies, meer tv voor kinderen. Dan konden we naar Stuif es in kijken en Bassie en Adriaan. Toen ik wat ouder werd en niet meer na de Fabeltjeskrant naar bed moest, mocht ik ook naar Swiebertje kijken. Bij het lezen van een interview met korpschef Henk van Essen in de Volkskrant moest ik hieraan denken.

File:TV-serie Swiebertje, (nr. 5) v.l.n.r. Swiebertje (Joop Doderer), Bromsnor (Lou …, Bestanddeelnr 927-1025.jpg
Bron: WikimediaCommons

Of eigenlijk niet aan de hoofdpersoon de zwerver Swiebertje waarnaar de serie was vernoemd, maar aan een van de bijrollen: Bromsnor. Van Essen wil 3.500 extra politiemensen erbij vooral om ze in te zetten als wijkagent in de basisteams want: “Onze basisteams zijn de ogen en oren van de wijk. Als dat hapert, krijg je de situatie dat jonge jongens snel en ongezien heel grote criminelen kunnen worden.” Bromsnor was de ‘veldwachter’, een soort wijkagent maar dan voor landelijk gebied. Bromsnor had het heel druk met het ‘veilig houden’ van zijn gebied en zwerver Swiebertje vormde, ondanks dat hij de goedheid zelve was, een bedreiging voor die ‘veiligheid’. Tenminste zo dacht Bromsnor erover. Gelukkig liep het altijd goed af. Bij die goede afloop speelde Saartje, de huishoudster van de burgemeester Robert van Troetelaar tot Stoethaspel, een belangrijke rol.

Terug naar Van Essen die de 3.500 mensen extra nodig heeft voor de lokale verankering, want: “Lokale verankering is de ruggengraat van de politie, maar die wordt uitgehold.” Iets wat ook Sjo Smeets en Marcel van Zethoven in een artikel in Trouw betogen. Zij betogen dat de wijkagenten: “de voeling met de buurt kwijt (raken), evenals hun informatiepositie. Het vertrek van de politie uit de wijk draagt bij aan een voedingsbodem voor de ontwikkeling van ondermijnende criminaliteit en overlastsituaties in de meest ruime zin van het woord.”  Gevolg hiervan: “Door de afwezigheid van enige vorm van ­georganiseerde wijkaanpak hebben we de afgelopen jaren een exponentiële groei van incidenten meegemaakt op het gebied van jeugdoverlast, vernieling en leefbaarheid. Deze zijn direct zichtbaar. Maar ook op het eerste oog ‘onzichtbare’ thema’s als ondermijning, mensenhandel, eenzaamheid en personen met verward gedrag (100.000 meldingen jaarlijks).”  Met de komst van wijkagenten lossen we dat op? De wijkagent als een soort duizenddingendoekje? De wijkagent lost de eenzaamheid op? De wijkagent zorgt voor minder verwarde mensen op straat? Voor minder jeugdoverlast?

Even wat perspectief met betrekking tot die ‘exponentiele groei’ van allerlei vormen van ellende. ’Jonge jongens die ongezien crimineel worden’ zijn er steeds minder zo is te lezen in een recentelijk verschenen artikel in het Tijdschrift voor Criminologie, eigenlijk al sinds het einde van de vorige eeuw. Dan het vandalisme. Cijfers van het CBS laten zien dat ook het vandalisme al jaren daalt, net als bijna alle vormen van traditionele criminaliteit. Traditioneel omdat ‘cybercrime’ toeneemt. En ja, het aantal meldingen van mensen met verward gedrag neemt toe. Geen wonder omdat er de afgelopen tien jaar beleid is gevoerd om mensen met psychische en andere problemen veel minder op te nemen in een instelling, maar zoveel mogelijk in de ’eigen omgeving’ te laten wonen. Van ‘exponentiele groei’ is geen sprake.

Zoals gezegd waren er in mijn jeugd twee televisiezenders nu zijn er ik weet niet hoeveel die allemaal gevuld moeten worden. In mijn jeugd had je het NOS-journaal van acht uur, dat was ‘het Nieuws’. Daarnaast had je, in mijn geval ‘Het Dagblad voor Noord-Limburg’ of zoals mijn vader hem noemde ‘de Venlose krant’ want de krant bracht naast het (inter)nationale nieuws ook het lokale nieuws. Lokale nieuws zoals een inbraak, een auto-ongeluk of de politieke ruzie in Venlo en de omringende dorpen. Nu is  die inbraak, dat ongeluk en die ruzie voer voor Hart van Nederland, RTL in het land, de regionale en lokale omroep. En zo zie je die enkele inbraak in je eigen omgeving, maar ook de inbraken in andere plaatsen. Inbraken in plaatsen waar je vroeger nooit iets over las want in Venlo las je het Haarlems dagblad niet. Nu zie je bij wijze van spreken iedere inbraak in Nederland op tv en als het niet op tv is, dan is het wel op een van de vele ‘sociale media’. En niet alleen die in Nederland maar van over de gehele wereld. Als er iets is exponentieel is gegroeid, dan is het steeds meer media-aandacht voor steeds kleinere gebeurtenissen. Nu is elke jeugdige die afglijdt in de criminaliteit en elke vernieling er een te veel. Ook is het van belang dat we elkaar zo min mogelijk en liefst geen overlast bezorgen. Dit om de wereld en in het bijzonder dit land leefbaar te houden voor elkaar. Zouden meer wijkagenten daar de oplossing voor zijn of zijn er andere oplossingen mogelijk?  

Even terug naar Swiebertje. Zoals gezegd, zorgde Saartje, de huishoudster van de burgemeester, ervoor dat uiteindelijk alles op z’n pootjes terecht kwam, niet ‘Bromsnor’. Dat deed ze door onder het genot van een kopje door de burgemeester betaalde koffie ieders gemoederen tot bedaren te brengen en zo een beetje begrip bij te brengen voor de positie van de ander. Saartje had, om termen van Smeets en Van Zethoven te gebruiken, ‘voeling met de buurt’ en had een ‘cruciale informatiepositie’. Ze wist meer van Swiebertje dan Bromsnor en omgekeerd, maar gaf beiden wel de informatie die ze nodig hadden om het ‘goede’ te doen. Laten we dit eens vertalen naar de huidige tijd. Wie speelt er dan welke rol? De rol van Bromsnor is duidelijk, dat is de politie. De rol van burgemeester Van Troetelaar tot Stoethaspel is ook duidelijk, dat is de burgemeester. Swiebertje dat zijn wij, de inwoners van een stad of dorp. Vervullen dan opbouwwerkers en jongerenwerkers niet de rol van Saartje?

Zouden we dan niet veeleer meer Saartjes moeten aanstellen in plaats van Bromsnorren?

Uitgelicht

Onverschillig en ondoordacht

“Onverschilligheid en ondoordachtheid vormen een grotere bedreiging dan mensen met kwade bedoelingen.” Een conclusie van Susan Neiman in haar boek Het kwaad in het moderne denken. Na bestudering van wat er de afgelopen eeuwen over het kwaad is geschreven met de Holocaust als belangrijkste gebeurtenis, komt Neiman tot deze conclusie. Het kwaad niet zozeer als vooropgezette bedoeling, maar als een gevolg van onverschilligheid en ondoordachtheid. Ik moest hieraan denken toen ik de conclusies las in het eindrapport van de parlementaire commissie die onderzoek heeft gedaan naar de toeslagenaffaire.

Bron: WikimediaCommons

Het rapport beschrijft wat er precies is gebeurd en hoe de betrokken personen hebben gehandeld of juist nalieten te handelen. Ik moest aan deze passage denken vanwege het woord onverschillig: “Zich om niets bekommerend” en “om het even,” aldus de Van Dale. Dat is wat er uit het relaas naar voren komt. De overheid heeft als belangrijkste taak om haar burgers te beschermen. Te beschermen tegen bedreigingen van buiten, tegen vreemde overheersing. Maar ook beschermen tegen bedreigingen van binnen. Tegen misdaden en misdrijven. Al het andere, of het nu het aanleggen van wegen of het ‘stimuleren’ van de economie is, is daaraan ondergeschikt. Nu blijkt die overheid die haar inwoners moet beschermen, een deel van haar onderdanen niet te hebben beschermd maar te hebben bedreigd. Bedreigd niet als een ‘vooropgezet plan met kwade bedoeling’, maar precies door onverschilligheid. Onverschilligheid omdat signalen dat er iets gigantisch mis ging niet werden opgepakt. Onverschilligheid omdat er niet werd geluisterd naar de gedupeerden en zo kunnen we nog wel even doorgaan. Maar daar wil ik het nu niet over hebben.

Het gaat mij om dat andere woord in het citaat van Neiman. De commissie concludeert dat alle betrokkenen, ambtenaren, ministers, Kamerleden en rechters op hun eigen manier steken hebben laten vallen en dus hebben bijgedragen aan de ellende waarin een groep burgers is gestort.  Ze toonden zich allemaal op een of andere manier onverschillig, maar waren ze ook ondoordacht: “zonder te hebben nagedacht”?  Dat is op het eerste gezicht niet zeggen. Er is bewust gekozen om de kinderopvang als een markt te organiseren. Een markt waarop aanbieders om de gunsten van ouders met een telg waarvoor zij opvang nodig hebben, moeten concurreren. Er is ook bewust voor gekozen om het peuterspeelzaalwerk te ‘harmoniseren’, zoals men dat in beleidstermen noemt, met de kinderopvang. Dit betekende niets anders dan dat het voorheen semipublieke peuterspeelzaalwerk aan de tucht van dezelfde markt werd blootgesteld. Bijzonder aan deze markt is dat die voornamelijk met publiek geld wordt gefinancierd. Afgezien van een inkomensafhankelijke ouderbijdrage. Dit betekent dat je als ouder een smak geld krijgt van de overheid en daarmee moet je de rekening van de kinderopvang betalen. Of je kiest er als ouder voor om die toeslag rechtstreeks aan de kinderopvangorganisatie te laten betalen. Maar dan nog krijg jij die smak geld.

Er is ook bewust gekozen voor de Belastingdienst als uitvoerder van deze regeling. Dit omdat deze dienst al beschikt over de benodigde inkomensgegevens. Probleem is alleen dat de dienst beschikt over gegevens uit het verleden. Belastingen betaal je achteraf. Een toeslag wordt in het nu uitgekeerd voor een uitgave in de toekomst. En zoals menigeen dit jaar weer ervaart, kan het inkomen van nu afwijken van het inkomen uit het verleden.

Ook is er bewust gekozen om geen hardheidsclausule op te nemen  in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. De wet waarmee de uitvoering van allerlei inkomensafhankelijke regelingen werd ‘gestroomlijnd’ om er maar weer eens een beleidsterm in te gooien. Doel van deze wet is, zo is in de Memorie van Toelichting te lezen: “meer transparantie voor de burger, vermindering van uitvoeringskosten en een meer effectieve aanpak van de armoedeval.” Voor iedereen die het niet weet, een hardheidsclausule maakt het mogelijk om de wet of onderdelen ervan niet toe te passen als ze leiden tot onredelijke en onbillijke gevolgen voor de betrokken burger.

Het gehele systeem is goed doordacht.  Dus er is geen sprake van ondoordachtheid? Dat zou ik niet meteen concluderen. Want er is inderdaad goed nagedacht, maar dan wel vanuit een bepaald frame en binnen dat frame is het geheel logisch. En daarmee kom ik uit bij de woorden in mijn Prikker De toeslagenaffaire en de Walkman. Die handelde ook over de toeslagenaffaire en dan vooral over de opdracht van de commissie die onderzoek doet naar de uitvoeringsorganisaties. Daarin schreef ik dat de overheid haar dienst vooral organiseert als een handelstransactie. Ik citeer mezelf: “Een handelstransactie creëert geen of slechts een zwakke sociale band. Er ontstaat geen ‘WIJ’ en het ontbreken van die ‘WIJ’ betekent dat ‘IKKEN’ vooral aan zichzelf denken. En omdat de andere ‘IKKEN’ dat ook doen, moeten de “IKKEN’ op hun hoede zijn: wantrouwen. Wantrouwen dat wordt versterkt omdat er ‘IKKEN’ zijn die misbruik maken van de situatie. Binnen het ‘handelstransactie frame’ is voorkomen van fraude de enige manier om wantrouwen te bestrijden en iets van een ‘WIJ’ te behouden. Iedere ontdekte fraude zorgt voor verlies aan ‘WIJ’. Om fraude te voorkomen worden regels zo gemaakt dat de te voorkomen uitzondering de regel gaat bepalen en gaat de ‘menselijke maat’ verloren.”  

Binnen het frame markt en handelstransactie is het doordacht. Buiten dat frame waren er andere oplossingen mogelijk. Immers waarom een dienst die voor het overgrote deel met overheidsgeld wordt betaald, vormgeven als transacties en dus als markt? Als je dan toch transparantie voor de burger, vermindering van de uitvoeringskosten en een effectievere aanpak van de armoede val wilt, waarom maak je er dan geen overheidsdienst van? Waarom geen gratis kinderopvang door de overheid georganiseerd? Dat is heel transparant voor de burger, het minimaliseert de uitvoeringskosten omdat de toeslag overbodig is en er is in het geheel geen sprake meer van een armoede val. Bovendien vergroot dit de mogelijkheid om peuters die om welke reden dan ook een achterstand hebben goed te begeleiden en zo die achterstand weg te werken en in ieder geval te verkleinen. En ook dat met minder uitvoeringskosten want ook het systeem van voorschoolse educatie kent flinke uitvoeringskosten.

Overheidsdiensten vormgeven als handelstransactie duidt op het neoliberaal, utopisch denken waar ik mijn afgelopen drie Prikkers over schreef. En zoals ik in Utopia en Dystopia schreef, is utopisch denken gevaarlijk. Die Prikker sloot ik af met de woorden: “Aldus werkend aan een ideologische utopie is de kans groot dat we in een dystopie belanden. Het eindrapport lezend, zijn de betrokken burgers in Dystopia beland. Een Dystopia waar Thatchers uitspraak: “There’s no such thing as society,” werkelijkheid is geworden.

Uitgelicht

Trickle down economics

Voor geld geldt de zwaartekracht niet. Iets degelijks schreef ik in mijn vorige Prikker. Deze opmerking raakt een van de aannames van het neoliberale denken en in die vorige Prikker heb ik beloofd om op de aannames van het neoliberalisme terug te komen. De opmerking raakt de aanname van de ‘trickle down economics’, de aanname dat een belastingverlaging voor de hoogste inkomens leidt tot meer welvaart voor iedereen, ook voor de laagste inkomens.

Hoe zou dit moeten werken volgens de neoliberalen? Het komt er in het kort op neer dat je de rijken meer geld geeft. Dat doe je niet door ze geld te geven, maar door de belastingen te verlagen zodat hun netto inkomen stijgt. De rijken gaan dit geld vervolgens uitgeven, ze gaan consumeren. Ze kopen auto’s, broeken, gaan uit eten et cetera. Die auto’s en broeken moeten worden gemaakt en daarvoor zijn meer arbeiders nodig. Om al dat eten te koken en op te dienen zijn er meer koks en obers nodig. Die extra arbeiders, koks en obers hebben werk en zo meer inkomen. Dat inkomen ‘betalen’ de rijken van die belastingverlaging. Hier komt die aanname in het kort op neer. Om het in economen (en bakkers) termen te zeggen. Die extra uitgaven van de rijken zorgen ervoor dat de economie groeit. Als we de economie als een taart zien, dan wordt de taart groter. De rijke neemt een flink deel van die nieuwe taart maar omdat hij dat geld uitgeeft aan auto’s, broeken en uit eten vindt de arme sloeber een baantje. Door dit baantje krijgt hij meer inkomen en wordt ook zijn stukje van de taart groter.

Tot zover de theorie. Wat zien we de afgelopen veertig jaar in de praktijk gebeuren? Als eerste natuurlijk de verlaging van de belastingtarieven. Logisch, tenminste met de neoliberale bril, omdat het ‘down trickelen’ daarmee begint. Als tweede zien we ook de economie groeien. Dus dat deel van de theorie lijkt ook te kloppen. Toch kunnen we daar een hele grote kanttekening bij plaatsen. Als de aanname klopt, dan zou ‘trickle down’ tot een grotere economische groei moeten leiden dan in de periode ervoor. En daar loopt toch iets spaak. In zijn boek Capital in de Twenty First Century  geeft Thomas Piketty op pagina 94 een overzicht van de economische groei in de Wereld sinds het begin van de jaartelling. Heel interessant voor mensen die denken dat we zonder economische groei niet kunnen leven. Als dat zo zou zijn, dan was de mensheid allang uitgestorven want tot 1700 groeide de economie niet tot nauwelijks. Economische groei is iets van de laatste drie eeuwen. Het overzicht laat nog meer zien. Namelijk dat de economische groei, behalve in Azië, sinds 1980 bijna is gehalveerd ten opzichte van de periode ervoor.

Ook zien we enkele andere zaken. Zo zien we dat het gemiddelde  gezinsinkomen gecorrigeerd voor inflatie sinds eind jaren zeventig in de Verenigde Staten niet, en in Europa en Nederland niet tot nauwelijks is gestegen. De koopkracht is gelijk gebleven terwijl de economie fors is gegroeid. Dus of er veel welvaart naar beneden is ‘getrickled’? Nu moeten we hier nog iets bij opmerken. In de jaren zeventig was in Nederland de man in het gros van de gezinnen de kostwinner en de enige die inkomen binnenbracht. Dat is nu heel anders. Dat betekent dat we voor dat nauwelijks gestegen besteedbaar inkomen met z’n allen veel meer uren moeten werken. Dit zien we nog in ergere mate in de Verenigde Staten waar mensen tweede en derde baantjes moeten nemen om dat gelijke besteedbare inkomen te behouden. Wat we ook zien (lees het reeds genoemde boek van Piketty) is dat de verdeling van het vermogen steeds schever wordt. Een kleine groep (de 1% en daarbinnen weer de 0,1%) bezit een steeds groter deel van het totale vermogen en het aandeel van de onderste 90% wordt steeds kleiner.

Wat we ook zien is dat de rente op geld nihil en bij sommige banken zelfs negatief is. Geen of negatieve rente, betekent dat er heel veel geld is. Zoveel dat het niets kost als je het wilt lenen en voor sommigen, zoals de Nederlandse overheid, levert lenen zelfs geld op. Alleen is al dat geld slecht verdeeld. De vermogens zijn immers steeds schever verdeeld. Waarom lenen die armen dan niet als lenen toch bijna niets kost? Nu ‘lenen’ veel mensen al en vooral door op krediet te kopen: ‘koop nu betaal later’. Door dat lenen komt een groeiende groep in de problemen want ook lenen is in het nadeel van de armen. Hoe meer je leent, hoe lager de rente. En veel lenen kan alleen met veel inkomen. Bij ‘kopen op krediet’ was het wettelijke maximale rentetarief tot voor kort 14%. Dat is recentelijk tijdelijk verlaagd naar 10% als maatregel ‘om mensen de coronaperiode door te helpen’. Geld is daarmee goedkoop als je er veel, en heel duur als je er heel weinig van hebt en het wilt lenen.

Allemaal tekenen dat het geld niet ‘down trickled. Sterker nog het lijkt mijn uitspraak dat de zwaartekracht niet voor geld geldt, te bevestigen. Of zoals de reeds genoemde Chang het in zijn 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme schrijft (ding 13): “… de opvatting dat als de rijken een groter stuk van de koek krijgen, (dat dan) de koek groter wordt , klopt in de praktijk niet. Het tweede deel van het betoog. De opvatting dat de extra rijkdom die aan de top wordt gecreëerd, doordruppelt naar de armen, klopt ook niet. Er druppelt wel wat door, maar als we het aan de markt overlaten is het effect doorgaans mager.”

De praktijk laat zien dat er niet veel ‘down trickled’. Het is eerder andersom, geld en vermogen werken als een magneet en trekt het geld van onder naar boven. Trekt het naar boven door de hogere rentes voor kleinere leningen en bij ‘kopen op krediet’, zaken waar de armlastigen meer gebruik van maken en waarvan de topvermogens aan verdienen. Verdienen omdat het hun bedrijven zijn of omdat ze er een aandeel in hebben. Het trekt geld naar boven omdat vermogenden, zie het voorbeeld van prins Bernhard junior, ‘investeren’ in vastgoed, in woonhuizen die ze vervolgens verhuren aan de minder gefortuneerden. Die mindergefortuneerden kunnen die huizen niet kopen omdat de vermogenden er meer voor betalen in de wetenschap dat ze dat meerdere gewoon verwerken in de huur die ze vervolgens vragen.

De aanname achter ‘Trickle down’ is niet meer dan dat, een aanname en dan ook nog een foute, zo laat de werkelijkheid zien. Iets wat recentelijk ook werd geconstateerd door Engelse onderzoekers, zo is in de Volkskrant te lezen. Het ‘trickle down’ verhaal lijkt daarmee een fabeltje. Een fabeltje om een maatregel waar enkelen voordeel van hebben, recht te praten door er ‘voordelen voor allen’ aan te verbinden. Nu zal je zeggen dat het achteraf goed de koe in de kont kijken is. Dat geld ‘samenklontert in grote hopen’ was echter ook vooraf te voorspellen. Nou ja voorspellen? Te bewijzen. Te bewijzen door naar het verleden te kijken. Dan was te zien dat geld zich ophoopt precies zoals Marx in Het Kapitaal beschrijft. Dan was te zien dat de rijken rijker worden en de armen vooral armer en talrijker. Dan was ook te zien dat de enige periode dat de armen rijker werden, de periode na de Tweede Wereldoorlog was zoals Piketty laat zien. Precies de periode met de hoogste belastingtarieven.

Nu maar weer eens blijkt dat geld ‘magnetisch’ is en als vanzelf bijeen klontert, kunnen we dat ‘magnetisme’ dan niet op een positieve manier inzetten? Natuurlijk kan dat. Dat kan door geld niet aan de bovenkant ‘in het systeem te gieten’, maar aan de onderkant. In tegenstelling tot de topinkomens, zullen de mensen aan de onderkant het extra geld wel consumeren en zo dus zorgen voor economische groei en banen voor zichzelf en anderen. Door bijvoorbeeld een basisinkomen of liever basisgift, zoals ik het in een eerdere Prikker betoogde. Een basisgift en progressief belastingstelsel met een ‘ouderwets’ toptarief. Een tarief dat juist de bovenkant afroomt om de onderkant te spekken. Op deze manier weten we zeker dat de mensen aan de onderkant er beter van worden.

Uitgelicht

Utopia en Dystopia

“Het wordt hoog tijd dat we de wereld gaan veranderen. Daarbij helpt het niet om een nieuwe ‘complot God’ in het leven te roepen en de strijd aan te gaan met die God of in andere woorden ‘de elite’. Dat is als een Don Quichot strijden tegen windmolens, tegen een imaginair construct. Die verandering begint ermee dat we ons realiseren dat het dominante denken ideologisch getint is.” Schreef ik in mijn vorige Prikker. De wereld veranderen door je te realiseren dat er buiten de ideologische bril waarmee je kijkt een hele wereld ligt. En de extreem dominante bril waarmee nu en de afgelopen dertig jaar naar de wereld wordt gekeken is een neoliberale. Hoe kon het dat we onszelf indoctrineerden met die neoliberale bril?

Utopia, De Aarde, Dromen, Teken
bron: Pixabay

Een goede vraag. Goed omdat het antwoord laat zien hoe een bepaalde manier van denken dominant kan worden. Als je weet hoe dat kan gebeuren, dan geeft dat aanknopingspunten om dergelijke processen te herkennen en herkennen is een eerste stap in het voorkomen dat je er slachtoffer van wordt. Net zoals bij een religie schetsten de aanhangers of ‘priesters’ van een ideologie een ideaalplaatje, een utopie. Als je hen ‘volgt’ en handelt naar hun geboden dan ontstaat als vanzelf die ideale wereld. Dan ontstaat de hemel of het ‘arbeidersparadijs’ op aarde. Alleen op dat punt ‘op aarde’ verschillen de aanhangers van een ideologie van een religie. Voor de aanhangers van een religie ligt het ideaal in het leven na de dood. Voor joden, christenen en moslims in het paradijs en voor boeddhisten in het gereïncarneerde volgende leven of het leven daarna. Aanhangers van een ideologie situeren hun ideaal in de toekomst. Alleen blijft dat paradijs altijd net buiten bereik. De oorzaak van dat ‘buiten bereik’ blijven wordt altijd veroorzaakt door het ‘niet goed naleven van de voorschriften’.  Zo betoogden de priesters van het neoliberalisme dat de hypotheekcrisis, die overging in een banken-, economische- en een valutacrisis dat dit gebeurde omdat overheden zich teveel bemoeiden met de markten: die waren niet vrij genoeg.

De, om het zo te noemen,  ‘profeet’ van het neoliberalisme is de Oostenrijkse econoom, Friedrich A. Hayek. Hayek zag de vrije markt als een perfect functionerende machine die hij als volgt omschreef: “Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een ( …) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maanden onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.”  In zijn boek Wat als de markt faalt noemt John Cassidy het ‘Hayeks telecommunicatiesysteem’. Hayeks belangrijkste werk Road to Serfdom uit 1944 is een strijd tegen collectivistisch denken en voor de vrije markt. Hayek gebruikt de Sovjet Unie en Hitler-Duitsland om aan te tonen dat collectivisme tot slavernij leidt maar schreef het boek om de politiek in Groot Brittannië te beïnvloeden omdat ook dit land al ver op weg was richting collectivisme.

Tot Hayeks frustratie werd hij in zijn tijd, de jaren dertig tot en met midden jaren zeventig van de vorige eeuw, overvleugeld door het denken van Keynes. Hayek was een wat obscure denker aan de zijlijn van de wetenschappelijk wereld. Hij werd qua invloed en populariteit overvleugeld door tijdgenoot John Maynard Keynes. Keynes was de gevierde econoom die ‘het medicijn’ had gevonden voor het overwinnen van de crisis in de jaren dertig en de mede-architect van de naoorlogse wereld. Al die lof voor Keynes was enigszins overdreven omdat de Tweede Wereldoorlog en de erop volgende wederopbouw een heel belangrijke rol speelde in het ‘oplossen van die crisis’. Keynes pleitte voor overheidsingrijpen in de economie, voor beteugeling en regulering van de markt. Hayek zag dat anders, maar door de economische successen in de eerste dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog kreeg hij geen poot aan de grond. Die successen werden toegeschreven aan het keynesiaanse economische beleid. In 1950 verruilde hij zijn plek aan de London School of Economics voor de betrekking aan de Universiteit van Chicago.

Een tweede belangrijke persoon in de verspreiding van het neoliberale denken is Ayn Rand. Rand werd geboren in 1905, in wat nu weer Sint Petersburg heet, als Anna Rosenbaum. Het gezin Rosenbaum vluchtte in 1917 voor de revolutie naar de Verenigde Staten. Rand staat aan de basis van het objectivisme, een stroming die, zoals Wikipedia het goed omschrijft: “de mens (ziet) als een heroïsch wezen, met zijn eigen geluk als zijn hoogste ethische doel, productieve prestatie als zijn nobelste activiteit en de rede als zijn enige leidraad.”  De naam die Rand haar denken gaf, het objectivisme, is daar een mooi voorbeeld van. Dit denken is natuurlijk net zo subjectief als alle andere denkrichtingen.  Precies het tegengestelde van het collectivistische denken waarvoor ze uit Rusland vluchtte. Daar hebben we waarschijnlijk ook meteen haar belangrijkste drijfveer gevonden. Zoals ik in mijn vorige Prikker al vertelde, wordt er gebruik gemaakt van verhullende taal. Rand werd dan ook een belangrijke figuur in de anticommunistische strijd in de Verenigde Staten en die woede hevig in de na-oorlogse jaren. Bij het verkopen van een ideologie kan een goed verhaal wonderen doen en daar zorgde Rand voor. Voor wie er een beeld bij wil hebben, lees haar roman Atlas Shrugged. Met goede argumenten betoogt Hans Achterhuis dat dit boek de utopie van het neoliberalisme is. In een prachtig verhaal wordt die ideale wereld afgezet tegen een instortende buitenwereld. In die ideale wereld heerst absolute vrijheid en wordt alles via vrije transacties geregeld. Een invloedrijk boek omdat het na de bijbel en wellicht Mao’s rode boekje, het meest verkochte boek in de wereld is. Waarbij de vergelijking met Mao mank gaat omdat daarbij geen sprake is van vrije keuze.

Daar waar Hayek wat aan de zijlijn van de het leven stond, stond Rand er midden in. Rond Rand verkeerde een groep van bijna idolate bewonderaars. Daarbij enkele personen die een zeer belangrijke rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van het neoliberale denken en de neoliberale beleidsontwikkeling. Zo behoorde de nobelprijs winnende econoom en neoliberaal Milton Friedman tot haar kringen. Friedman was, zo ongeveer vanaf zijn studietijd in de jaren dertig verbonden aan de universiteit van Chicago en was een van de ‘Chicago Boys’. Via Friedman beïnvloedde het denken van Hayek de groep rond Rand en werd zijn werk bekend. In Chicago verzamelde Friedman gelijkgestemden om zich heen en die gelijkgestemden wisten steeds invloedrijkere plekken in de Amerikaanse samenleving te bereiken. Een andere protegé van Rand was Alan Greenspan, van 1987 tot en met 2006 voorzitter van het Amerikaanse systeem van centrale banken de Federal Reserve System en daarmee in die periode op economisch gebied zo ongeveer de machtigste man van de wereld. Op hoe hij die macht gebruikte, kom ik in een volgende Prikker terug waarin ik inga op de aannames waarop het neoliberale denken is gebaseerd.

Een eerste kans om de economische zijlijn te verlaten kregen de ‘Chicago boys’ in 1973 in Chili. Toen werd de in 1970 gekozen president Allende via een militaire staatsgreep afgezet. Allende werd zeer tegen de zin van de Amerikaanse president Nixon gekozen. Dit ondanks Amerikaanse steun voor de tegenstander van Allende en zelfs pogingen om na de verkiezingen te voorkomen dat Allende zou worden beëdigd tot president. In die staatsgreep speelde de Amerikaanse CIA een belangrijke rol. Na de coup werden Friedman en zijn ‘Chicago boys’ gevraagd om de Chileense economie weer aan de praat te krijgen. Chili werd een militaire dictatuur met extreem liberaal (neoliberaal) beleid. Het eerste neoliberale experiment leek succesvol. De economie herstelde zich zeer snel en dat schreef Friedman op zijn conto en noemde dit ‘het wonder van Chili’. Maar zoals Geertje Dekkers schrijft: “De groei bleek deels een bubble en toen het tij begin jaren tachtig tegenzat, kwam het land in grote problemen. De Chileense crisis van 1982 vertoonde opmerkelijke overeenkomsten met de mondiale van 2008. Ook toen al moesten banken die te veel risico’s hadden genomen door de overheid worden gestut. Dat betekent het einde van het extreme neoliberalisme in Chili.” Alleen stond Chili toen niet meer in de belangstelling van de wereld, Dus die crisis en de oorzaken ervan, gingen bijna ongemerkt aan ons voorbij.

Friedman zag in de problemen in Chili geen aanleiding om zijn denken te veranderen. En waarom zou hij ook, niemand keek meer naar Chili en tussen 1973 en 1982 had zijn neoliberale denken enorm aan populariteit gewonnen. ‘Les Trente Glorieuses’ zoals de Franse de periode van economische voorspoed tussen 1945 en 1973 noemden, waren piepend en krakend tot stilstand gekomen. Keynes bleek toch niet de perpetuum-mobile -pil voor eeuwige economische voorspoed te hebben ontwikkeld en de zaak was vastgelopen in wat economen ‘stagflatie’ noemen. Een samentrekking van stagnatie die zich kenmerkt door stagnerende economische groei, hoge inflatie en hoge werkloosheid. Groot Brittannië was het eerste land dat hieraan ten prooi viel. Het Keynesiaanse denken, het economische denken van Keynes en zijn navolgers, leek hier geen oplossing voor te hebben. Friedman had die wel: het neoliberalisme.

Met het succes in Chili in zijn achterzak kreeg hij in de jaren zeventig steeds meer invloed en met de verkiezing in 1979 van Margaret Thatcher tot premier van Groot Brittannië had hij een flinke voet tussen de deur in het westen. Thatcher schoeide haar economische beleid op neoliberale leest en bond de strijd aan met hetzelfde collectivisme waarvoor Hayek in zijn Road to Serfdom waarschuwde. De vakbonden waren de belangrijkste collectieve macht en hadden een zeer grote en misschien wel een te grote invloed op de politiek in bedrijven en het land. Die invloed had ertoe geleid dat zeer veel bedrijfstakken genationaliseerd waren. Dat hieraan iets moest gebeuren was duidelijk en de neoliberalen boden een oplossing: privatiseren. Maar daarvoor moest eerst de macht van de collectieven en dus vooral de vakbonden worden gebroken. Thatcher toonde zich een goede leerling van Hayek en deed precies dat wat Hayek adviseerde en ging de strijd aan met de machtige vakbonden. Bonden die ervoor hadden gezorgd dat de staat eigenaar was van vele bedrijfstakken, onder andere de kolenmijnen.  Dat lukte na een lange strijd uiteindelijk in 1985 toen de macht van de sterkste vakbond, de National Union of Miners van Arthur Scargill werd gebroken. Voor wie een goed beeld wil hebben van die strijd, kijk de film Billy Elliot. Thatcher gaf trouwens de beste samenvatting van het neoliberale denken toen ze de woorden: “there’s no such thing as society’” uitsprak. Na het breken van de vakbonden kon ze beginnen met de grote privatiseringsoperatie. Spoorwegen, spoorbedrijven, busbedrijven, de post, energiebedrijven, het telefoonverkeer, alles werd geprivatiseerd door Thatcher en haar opvolgers. Het enige wat men in Groot Brittannië tot nu toe niet geprivatiseerd kreeg, is de National Heath Service, de publieke ziekenhuizen. Of die opvolgers nu tot haar Conservatives of tot Labour behoorden, de neoliberale aanpak bleef gehandhaafd. Net als de PvdA in Nederland onder Wim Kok, schudde Labour onder Tony Blair haar sociaaldemocratische veren af en hulde zich in nieuwe die hij ook ‘the Third Way’ noemde maar het was gewoon een setje ‘neoliberale veren’.

Met Thatcher kregen de neoliberalen een voet tussen de deur in de westerse democratische landen en konden ze, als goede ‘Jehova’s getuigen’ hun ‘wachttoren’ naar binnen schuiven. De deur werd volledig ingetrapt met de verkiezing van Ronald Reagan tot president van de Verenigde Staten in november 1980. Dat betekende dat de grootste economie en supermacht van de wereld de neoliberale weg op ging. Nu waren er in de Verenigde Staten minder collectieven te breken en minder zaken te privatiseren. Daarom richtte Reagan zijn pijlen op twee andere ‘collectieven’. Als eerste een binnenlands ‘collectief’ dat we overheid noemen. In zijn inaugurale rede maakte hij dat meteen duidelijk met de woorden: “government is not the solution to our problem, government is the problem.” Het tweede ‘collectief’ was de andere supermacht, de Sovjet Unie. Om het eerste collectief, de eigen overheid, aan te pakken werden de belastingen, vooral voor de topinkomens, fors verlaagd. Hierdoor had de overheid minder geld om alle taken uit te voeren. Om het tweede collectief aan te pakken, werd er flink geïnvesteerd in het leger en de ontwikkeling van nieuwe wapens. Nieuwe wapens zoals een ruimteschild om vijandelijke raketten uit de lucht te halen voordat ze de VS zouden bereiken: het Strategic Defence Initiative in de volksmond ook wel Star Wars genoemd.

Minder inkomsten en meer uitgaven, dat moest knellen en dat deed het. Daarom werd er in eigen land bezuinigd op de toch al vrij karige sociale voorzieningen maar vooral werd er geld geleend waardoor de overheidsschuld opliep en de mensen  aan de onderkant van de sociale ladder in de problemen kwamen. Volgens het neoliberale denken zou dat allemaal een tijdelijk probleem zijn omdat de lagere belasting tot meer economische activiteit zou leiden en die groeiende economie zou ondanks de lagere belasting tarieven toch meer overheidsinkomsten opleveren. Ook de achteruitgang aan de onderkant van de samenleving zou van tijdelijke aard zijn. De bovenkant zou het geld dat ze via die belastingverlaging overhielden immers uitgeven en dat zou leiden tot banen waarvan de onderkant zou profiteren, trickle down economics noemden ze dit. Alleen laat de geschiedenis zien, lees Piketty’s Kapitaal in de eenentwintigste Eeuw, dat geld het enige is waarvoor de zwaartekracht niet geldt. Als je er niets aan doet dan stroomt geld naar geld of om het termen van mijn moeder te zeggen: ‘d’n duuvel schiet altied op de groetste haup.’ Maar het gaat me nu niet over de ‘mankementen’ in het neoliberale denken, daar kom ik, zoals gezegd in een volgende Prikker op terug. Het gaat mij nu om de manier waarop het neoliberalisme dominant werd en wat we daarvan kunnen leren.

Bij dat dominant worden is er nog een gebeurtenis die we moeten noemen en dat is de val van de Berlijnse muur en de erop volgende instorting van de Sovjet Unie. De neoliberalen zagen het als een overwinning van hun denken en als het einde van de geschiedenis van de ideologische strijd omdat nu de hele wereld zou toegroeien naar de neutrale ideologievrije liberale vrijemarkt samenleving.  Dit was de strekking van het boek van Francis Fukuyama uit 1992 The End of History and the Last Man. Bij het ‘opbouwen’ van de ingestorte Oost-Europese en de Russische economie werd weer een beroep gedaan op het neoliberale denken dat inmiddels ook het beleid van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank bepaalde. Beide instituten speelden een rol in die wederopbouw. Die wederopbouw bestond eruit dat alle bedrijven werden geprivatiseerd. Geprivatiseerd door de burgers vouchers te geven die ze konden inruilen voor aandelen in bedrijven. Omdat voor het overgrote deel van de Russen de volgende maaltijd een probleem was, ‘verkochten’ ze hun vouchers aan het slimmere deel van de oude bureaucraten. Die kregen zo de bedrijven en grondstoffen voor een habbekrats in hun bezit en werden de oligarchen.

Tot zover in grote stappen de manier waarop het neoliberalisme de dominante ideologie werd. Zo dominant zelfs dat velen het niet meer als een ideologie herkenden. Terug naar de vraag die ik stelde in de eerste alinea hoe ging dat indoctrineren in zijn werk? In mijn vorige Prikker schreef ik dat het niet: “helpt (…)  om een nieuwe ‘complot God’ in het leven te roepen en de strijd aan te gaan met die God of in andere woorden ‘de elite’. Dat is als een Don Quichot strijden tegen windmolens, tegen een imaginair construct.” Als we iets kunnen leren van de neoliberale opgang, dan is het dat je beter molenaar kunt worden als je molens wilt ‘bevechten’. Dat is wat Hayek en Friedman deden in Chicago. Ze begonnen een ‘molenaarsopleiding’ en begeleidden hun ‘leerlingen’ naar interessante molens. Via de ‘molenaarsopleiding’ konden ze hun denken verspreiden en werken aan de verdere wetenschappelijke onderbouwing. Door hun netwerk te gebruiken en de leerlingen te helpen aan interessante plekken, kon de boodschap worden verspreid naar mensen op plekken die zicht hebben op macht. Als tweede, of eigenlijke eerste iets is dat je die ‘molenaars’ met een goed en positief verhaal op pad stuurt. Rand zorgde voor dat verhaal en in dat verhaal stond individuele vrijheid centraal en zeg nu zelf, wie is er tegen vrijheid? Als derde helpt het in de verkoop van je verhaal als je woorden gebruikt die op neutraliteit duiden. Woorden als ‘normaal’, ’zakelijk’, ‘praktisch’ en ‘realistisch’. Dergelijke woorden zetten je ‘tegenstrever’ op een achterstand.

“Filosofen hebben altijd geprobeerd de wereld te interpreteren, het wordt de hoogste tijd dat ze nu eens de wereld gaan veranderen,” zo hield Karl Marx zijn collega filosofen voor. De neoliberalen namen deze suggestie ter harte en ze gingen aan de slag met het veranderen van de wereld maar wel in een heel andere richting dan Marx voor ogen stond. Hierbij benutten ze hun sociaalwetenschappelijke positie als platform voor maatschappelijke actie. Maatschappelijke actie die door de wetenschappelijke pretentie een zweem van ‘waarheid’ of beter gezegd ‘zekerheid’ suggereert die juist niet eigen is aan de wetenschap. Sociaalwetenschappelijke kennis is per definitie onzeker. Onzeker omdat die kennis de houding en het gedrag van het studieobject, de mens, beïnvloedt. Onzeker omdat een wetenschappelijke theorie een hypothese is die, om met Karl Popper te spreken, om falsificatie vraagt en niet om bevestiging. Kenmerk van ideologisch gedreven wetenschappers is echter dat zij naar bevestiging van hun eigen gelijk zoeken.

Wellicht gaat er nu een belletje van herkenning rinkelen. In het huidige krachtenveld in Nederland zijn in ieder geval twee van dergelijk actiegedreven wetenschappelijke clusters te ontdekken. Als eerste een cluster rond Paul Cliteur en Afshin Ellian aan de rechtenfaculteit van de universiteit van Leiden. Een cluster dat een conservatief, nationalistische agenda nastreeft. Als tweede het ‘intersectionele cluster’ op en rond de Universiteit van Amsterdam waaraan ik deze zomer een Prikker weidde. Een cluster van gelijkgezinden dat anderen opleidt in hun ideologie. Een ideologie die met een ronkend verhaal wordt verkocht en bij dat verkopen speelt het gebruik van woorden een belangrijke rol. Opleidt om de wereld naar hun ideologie of blauwdruk vorm te geven. Aldus werkend aan een ideologische utopie is de kans groot dat we in een dystopie belanden.

Uitgelicht

Godcomplot en complot God

“De beste van alle mogelijke werelden is geen wereld waarin we zouden kunnen leven, want het begrip menselijke vrijheid veronderstelt beperkingen. Vrij handelen betekent handelen zonder voldoende kennis of macht, dat wil zeggen zonder alwetendheid of almacht.” Een passage uit het eerste hoofdstuk van het boek Het kwaad in het moderne denken van Susan Neiman. Het hoofdstuk eindigt met Karl Marx. Marx is niet geïnteresseerd in verklaringen van de wereld: “Filosofen hebben altijd geprobeerd de wereld te interpreteren, het wordt de hoogste tijd dat ze nu eens de wereld gaan veranderen.”  Aan deze passage moest ik denken na het zien van COVID-19. The System.

Glasses, Lens, Frame, Pink Glasses, Eye, Vision
Bron: Pixabay

Eerst het betoog van Neiman. Het moderne denken waar Neiman over schrijft is het denken uit de periode van de zeventiende-eeuw tot het midden van de twintigste eeuw. Zij bespreekt de deconfiture van God en zijn vervanging door de mens, of om het positief de framen, de opkomst van de mens aan de hand van verschillende filosofen die de wereld wilden verklaren aan de hand van de rol en positie van God. En daarmee komen we bij de maakbare wereld. Marx leefde in de negentiende eeuw, van 1818 tot 1883. De eeuw waarin de mens begon met het ‘veranderen van de wereld’. De negentiende eeuw was de eeuw van de industriële revolutie in Europa en het noordelijke deel van de Verenigde Staten. De mens kon steeds meer verklaren en kreeg steeds meer handvatten om de natuur te ‘temmen en naar zijn hand te zetten’. De wereld werd of leek steeds maakbaarder voor de mens. De mens had God hierdoor steeds minder nodig. Gevolg van die devaluatie van God en de revaluatie van de mens is wel dat de mens ‘ellende’ steeds minder op God kon afschuiven.

De mens kreeg zo, zo betoogt Neiman, een steeds grotere verantwoordelijkheid voor het kwaad in deze wereld. Voor de moderne tijd was er maar één soort kwaad: alle kwaad was een straf van God of de uitvoering van de wil van God. God kende het grote plan en of het nu een aardbeving of een oorlog betrof, God had er een plan mee. Erg handig zo’n ‘imaginair construct’ dat alles verklaart. Zonder God moet er een andere oorzaak voor het kwaad zijn en als zijn plaatsvervanger moest dat wel de mens worden. Met de vrijheid, om het citaat waarmee ik begon aan te halen, komt immers ook verantwoordelijkheid. Nu kun je dat bij misdaden, moorden, oorlog en alle andere zaken waar de mens handelend optreedt goed volhouden. Bij een aardbeving of een orkaan wordt dat anders. De moderne denkers splitsten het kwaad daarom in tweeën. Aan de ene kant het morele kwaad waar de menselijke hand duidelijk een rol speelt. En aan de andere kant het natuurlijke kwaad van bijvoorbeeld de aardbevingen en orkanen. Alhoewel de mens tegenwoordig, via de door uitstoot van kooldioxide veroorzaakte opwarming van de aarde, ook al een hand heeft in die laatste.

En toen werd de wereld getroffen door een coronavirus dat we COVID-19 hebben genoemd. Een virus is in de basis een natuurlijk iets. Virussen zijn al veel ouder dan de mensheid. In de basis een natuurlijk fenomeen want tegenwoordig heeft de mens de kennis en techniek om ze zelf in elkaar te fabriceren. Beide lijnen zie je dan ook terug in de zoektocht naar de oorsprong van dit virus. De verklarende natuurlijke lijn is het overspringen van het virus van een dier op de mens al dan niet via een markt voor levende en dode dieren in China. Menigeen geeft de mens, wellicht terecht, ook een rol in deze natuurlijke lijn. Die markt en iets breder, de manier waarop we ons voedsel produceren, vergroot de kans op dat overspringen. De ‘menselijke verklaring’ ziet de oorsprong, afhankelijk van wie er aan het woord is, in een Chinees of Amerikaans laboratorium. Het virus zou door ‘onvoorzichtigheid of weer anderen suggereren opzet’, uit dat Chinees laboratorium zijn ‘ontsnapt. De andere variant heeft het over een ‘geheime Amerikaanse operatie’ als bron voor de verspreiding van het virus.

Maar, hier gaat het me niet om. Het gaat mij om COVID-19. The System die mij aan de passage uit Neimans boek deed denken. COVID 19. The System is een bijna anderhalf uur durende als documentaire bedoelde film, waarin de zoektocht naar antwoorden van de Nederlandse ondernemer Nico Sloot wordt gevolgd. Sloot liep met vragen die iedereen zal herkennen. Ik in ieder geval wel want ik liep en loop er ook mee. Vragen zoals, hoe gevaarlijk is dit virus? Hoe ziet onze toekomst eruit? Staan de huidige maatregelen wel in verhouding met de risico’s van het virus? En wat voor impact heeft dit op onze maatschappij? Sloot gaat samen met anderen op zoek naar antwoorden. En gedurende die zoektocht komt er een andere vraag bij hem op: gaat dit wel om onze volksgezondheid? En de vraag stellen is hem beantwoorden. Nee, dit gaat niet om onze volksgezondheid.

Sloot heeft gelijk, de hele aanpak van de coronacrisis draait niet om de volksgezondheid. Die draait om het voorkomen van een zorginfarct. Het voorkomen dat ons zorgsysteem compleet vastdraait omdat alle cruciale onderdelen ervan, zoals de IC’s vol liggen met corona patiënten. Het virus is, zo laat het zich nu aanzien, zwaarder dan een reguliere griep, iets dodelijker en heeft voor een deel van de patiënten grotere vervolgschade dan een reguliere griep. Net als bij een gewone griep kan de menselijke afweer het in de basis aan, behalve als er sprake is van onderliggende problematiek zoals bijvoorbeeld hart- en longproblemen en diabetes.

Omdat het Nederlandse zorgsysteem de laatste dertig jaar in toenemende mate, om het in managementtermen te zeggen ‘lean and mean’ is ingericht, hebben we nu een probleem. Alle overcapaciteit is uit onze zorg gehaald omdat overcapaciteit geld kost en op geld moest worden bespaard. Overcapaciteit in ziekenhuizen, IC’s, ziekenauto’s en ook in personeel is verdwenen. Dat is goed en goedkoop in normale tijden, het blijkt echter zeer duur in tijden van crisis. Nee, niet dat de kosten van de zorg dan zoveel hoger uitvallen. Dat niet. Sterker nog, die vallen lager uit omdat allerlei andere zorg wordt uitgesteld en soms komt van uitstel afstel omdat de patiënt al wachtende is overleden. Nee, kosten als gevolg van maatregelen om te voorkomen dat het zorgsysteem overbelast raakt. Maatregelen zoals het sluiten van de horeca, het verbieden van sport en evenementen, en in het begin van bijna alle winkels. Alle geld dat er sindsdien is bespaard op de zorg, of beter gezegd bespaard op de groei van de zorg want de zorgkosten tonen een immer stijgende lijn, wordt nu in één klap teniet gedaan. Sterker nog, waarschijnlijk kosten de maatregelen een veelvoud van wat ‘lean and mean’ heeft opgeleverd. Directe kosten zoals alle maatregelen om de economie nu te stutten maar ook indirecte kosten zoals krimp van de economie en verloren levensjaren of levensgeluk.

Volgens Sloot gaat het echter om iets anders. Het gaat om geld voor de ‘rijken en machtigen’ in het algemeen en dit geval in het bijzonder om de financiële belangen van de farmaceutische industrie. Zo ongeveer de meest winstgevende, legale industrietak in de wereld. Die winstgevendheid is niets nieuws en dat daar iets aan moet veranderen ook niet. Daar schreef ik al eerder over, meest recent nog aan het begin van de coronaperiode. Sloot leidt dit af uit de massale inzet van alle landen op een ‘vaccin’ en het buiten beeld raken van mogelijk andere oplossingen. Maar ook uit het gegeven dat Feike Sijbesma de crisisinkoper was terwijl zijn broer directeur is bij een grote farmaceut.

Deze constatering wordt vervolgens onderbouwd met allerlei reeds lang bekende gegevens en gedachten. Gegevens als het ontbreken van kennis van zaken over in dit geval het medische in de politiek en bij de ministeries, aldus een van de door Sloot geïnterviewden. Het ontbreekt aan voldoende kennis om tegenspel te bieden. En daar konden ze wel eens een punt hebben. Kennis van zaken wordt schromelijk ondergewaardeerd in de ambtenarij. Kennis werd en wordt de afgelopen jaren ‘uitbesteed’ aan de markt en kennisinstituten worden in toenemende mate gepolitiseerd. Neem de casus rond het Wetenschappelijk Onderzoeks en Documentatiecentrum die Nieuwsuur blootlegde.

Gegevens zoals het feit dat geld het enige is waarvoor de zwaartekracht niet geldt, zoals ik in Resetknop schreef. Of met andere woorden, zonder tegenmaatregelen zorgt het kapitalisme ervoor dat de rijken steeds rijker en schaarser worden en de armen steeds armer en talrijker. Niets nieuws, het was dezelfde Karl Marx die de samenleving wilde veranderen, die deze wetmatigheid in 1867 voor het eerst aantoonde in zijn boek Het Kapitaal. Voor degenen die het liever van een nog levend iemand horen, lees Thomas Piketty’s boek Kapitaal in de Eenentwintigste Eeuw en als je ook alvast wat oplossingsrichtingen wil, dan is zijn Kapitaal en Ideologie aan te bevelen. Of een gegeven dat wij ‘de bevolking’ alles moeten betalen. Een waarheid als een koe, er is immers niemand anders dan de mens om zaken te betalen, dieren kennen geen geld. Wij mensen betalen alles en dat doe we of als consument waarbij de producent al zijn kosten inclusief alle belastingen die hij moet betalen en een winstopslag verwerkt in de prijs van het product of als belastingbetaler. Andere smaken zijn er niet. Wel zijn er manieren om die kosten eerlijker over de mensen te verdelen. Eerlijker zodat de stevigste schouders werkelijk de zwaarste lasten dragen.

Ook klopt het dat de grootste bedrijven machtiger zijn dan regeringen van landen. Dat er sprake is van een Globalisation Paradox zoals Dani Rodrik het noemt in zijn gelijknamige boek, is evident maar daarmee nog niet algeheel bekend. Die macht zorgt ervoor dat landen tegen elkaar worden uitgespeeld. Dit is te verhelpen door als landen samen te werken. Alleen is samenwerken tussen landen tegenwoordig aardig besmet en erg lastig. Als iedereen zijn eigen land ‘first’ zet, dan wordt het niets. En mogelijk moeten we zelfs af van ons huidige geldsysteem en naar iets nieuws, zoals een van de geïnterviewden het omschreef. Een systeem waarin geld van middel het doel is geworden. Het was een middel om de waarde van iets te berekenen en vooral om ruilen te vergemakkelijken. Het lijkt nu het doel van alle activiteiten. Dit systeem werd, willen de makers ons duidelijk maken, zo’n driehonderd jaar geleden opgezet door de vorsten en machtigen van een land om hun onderdanen ‘uit te kleden.

Ik moet zeggen COVID-19. The System zit knap in elkaar. Op een rustige wijze wordt Sloots zoektocht gereconstrueerd. Aan het woord komen mensen die goed analyseren waar de schoen op bepaalde punten wringt. Toch is er iets dat mijn haren doet rijzen bij het bekijken van de film. Dat zijn niet de bovengenoemde constateringen en gedachten. Dat is het beeld dat eruit naar voren komt. Een beeld waarbij er ergens iemand aan de knoppen zit te draaien om zoveel mogelijk geld uit de zakken van de ‘gewone mens’ te kloppen. Die ‘iemand’ heeft hierbij zo ongeveer alle politici en bestuurders van de wereld als een marionet aan de touwtjes zodat die zijn wil uitvoeren. Wie het is wordt niet duidelijk, die persoon laat zich niet zien, net zoals God niet te zien was. Een soort nieuwe God of een nieuw complot want was en is God niet ook gewoon een complot? Een nieuwe God waarvan Sloot het werk bloot legt door de wereld als een hedendaagse filosoof te interpreteren. Van Godcomplot naar een Complot God.

Maar net zoals het oude Godcomplot, een ‘imaginair construct’ is, is ook die nieuwe complot God een imaginair construct. Een imaginair construct in de vorm van een manier van denken over de samenleving die begin jaren vijftig van de vorige eeuw ontstond en die met Reagan en Thatcher dominant werd. Een manier van denken waarmee we onszelf langzaam hebben geïndoctrineerd. Net zoals we onszelf vroeger hebben geïndoctrineerd met de rol van God in de wereld. Een manier van denken die gedrag met zich meebrengt dat tot gevolg heeft dat iedereen voor zijn eigen belang gaat rennen. Alleen blijkt in de praktijk dat gedachte ‘eigen belang’ maar voor een kleine groep ook het werkelijke eigen belang te zijn. En als die kleine groep goed nadenkt, dan is dat eigen belang eigenlijk ook niet in hun eigen belang. Wat voorbeelden om dit uit te leggen. Het gros van de mensen in de VS die tegen Obamacare waren en zijn, waren en zijn juist de mensen die er het meeste profijt bij hebben. En voor Nederland: het gros van de mensen heeft belang bij het verhogen van het toptarief van de belastingen, toch stemmen ze op partijen die dat tarief liefst nog willen verlagen. En zelfs voor degenen in het hoogste tarief is het handhaven en verhogen van dat tarief eigenlijk belangrijker dan het verlagen ervan. Dit omdat het verhogen de kans op sociale rust en een prettige samenleving vergroot. In tijden van onrust lopen de rijken en machtigen immers kans hun rijkdom, macht en zelfs hun hoofd te verliezen.

Dit denken heeft een sterk utopisch karakter maar weet dat verdacht goed te verhullen door gebruik van termen als ‘zakelijk’, ‘normaal’, ‘gewoon’ en ‘realistisch’. Gevolg van dergelijk taalgebruik is dat iemand die het anders ziet, al snel als irreëel en abnormaal wordt gezien. In zijn boek De Utopie van de Vrije Markt gaat Hans Achterhuis op zoek naar dit utopisch kapitalisme dat ook wel bekend staat als het neoliberalisme. Het neoliberalisme stelt het eigenbelang van het individu centraal. Dat is het uitgangspunt van haar denken. Het gaat ervanuit dat dit eigenbelang het beste bereikt wordt op een volledig vrije markt. Neoliberalen definiëren vrijheid vooral economisch. De vrije markt vormt voor hen een voorwaarde voor individuele vrijheid. Door het vreedzame karakter van de vrije markt leidt het op wereldschaal, denken de neoliberalen, tot een wereld zonder conflicten. Dat is de bril waarmee de neoliberalen naar de wereld kijken.

Velen, Sloot lijkt daar een voorbeeld van, zijn zich er niet eens bewust van dat ze met deze neoliberale bril kijken. Dit omdat deze ideologie op een sluipende wijze bij ons binnengekomen is en, zoals gezegd, gebruik maakt van verhullend taalgebruik. In de beginperiode (jaren ‘80 van de vorige eeuw) was het een reactie op te starre maatschappelijke verhoudingen waarin het individu van ondergeschikt belang was. Deze positieve invloed op de maatschappelijke verhoudingen en de aandacht voor het individu kende ook een economische component: het individu als consument. Het vallen van de Berlijnse muur en daarmee het wegvallen van het communisme als “reëel” alternatief voor het kapitalisme, zorgde voor een flinke storm in de neoliberale rug. Vanaf het midden van de jaren ’90 is dit echter doorgeslagen maar waren de gevolgen hiervan nog niet direct zichtbaar. Na de crisis van 2008 mogen de gevolgen voor iedereen duidelijk zijn maar dat wil niet zeggen dat de oorzaken worden herkend. In plaats van te veel neoliberale marktwerking zijn er nog steeds grote groepen die menen dat de crisis juist een gevolg is van te weinig markt en teveel overheid. Het zicht van deze groepen wordt nog steeds belemmerd door de ideologische neoliberale bril.

Achterhuis geeft een sprekend voorbeeld van dat velen niet beseffen dat ze een neoliberale bril dragen als hij een discussie in De Volkskrant beschrijft tussen twee vooraanstaande liberalen. Een discussie naar aanleiding van het opzeggen van het lidmaatschap van de VVD door de Groningse filosoof en historicus Ankersmit. Ankersmit besloot hiertoe omdat de VVD met haar neoliberale politiek de klassieke liberale waarden zou verkwanselen. Daarop reageerde voormalig VVD-leider Bolkestein dat hij geen verschil zag tussen het klassieke liberalisme en het neoliberalisme. Waarop Ankersmit repliceerde dat het klassieke liberalisme een scherp onderscheid maakte tussen publiek en privaat, tussen staat en markt en dat het neoliberalisme alleen maar private belangen ziet. Het liberalisme ziet, volgens Ankersmit, de staat als de uitdrukking van de politieke wil en combineert het economische met politieke vrijheid. Ankersmit ziet dat het neoliberalisme het geloof aanhangt van de intrinsieke harmonie van alle (private) eigenbelangen op de vrije markt.

Bolkestein is niet de enige. Zijn navolger als leider van de VVD en huidige premier Rutte. Hij noemde in zijn H.J. Schoo lezing een visie een olifant die het zicht op de werkelijkheid belemmert. Hij verwart daarmee zijn neoliberale bril met de werkelijkheid. Een ander treffend voorbeeld van niet zien dat een vrije markt niet bestaat en dus het geloof in wat Achterhuis een utopie noemt, leverde de auteur Arnon Grunberg in een van zijn Voetnoten in De Volkskrant. Hij nam het op voor de taxidienst UberPop. Grunberg gaf aan dat hij vaak en graag gebruik maakt van deze dienst. Hij noemde de strijd tegen deze dienst een strijd tegen economische innovatie. Grunberg schreef hierbij het volgende: “Het geloof dat de zwakkeren erop vooruitgaan als de overheid de markt komt verstoren, is een goed voorbeeld van magisch denken.”

Het is dit denken dat het handelen van de hedendaagse mensheid bepaalt. Het is dit denken dat de farmaceuten winstgedreven maakt. Het is dit denken dat aan de basis ligt van ‘lean and mean’, het is dit denken dat de oorzaak is van de ‘braindrain’ bij de overheid. Die was immers een sta-in-de-weg of om wijlen president Reagan te citeren: “government is not the solution to our problem, government is the problem.” Waarna het werk van ambtenaren al snel als karikatuur werd weergegeven en de overheid werd afgebroken waardoor nu de benodigde kennis ontbreekt. Het is dit denken dat ervoor zorgde dat de belastingtarieven fors daalden. Zo daalde in de Verenigde Staten het toptarief voor de inkomstenbelasting van meer dan 90% naar de huidige 40,8% en in Nederland van 72% naar nog geen 50%. Het is dit denken dat grote bedrijven de mogelijkheid gaf om geen belastingen te betalen. Het is dit denken dat in Nederland al sinds het aantreden van het eerste kabinet Lubbers in 1982 dominant is. Het is dit denken dat toenmalig PvdA-leider Kok deed besluiten de ‘ideologische veren’ af te schudden waarbij hij en zijn partij zich niet realiseerden dat ze zichzelf een mooi setje neoliberale veren aanmaten.

“Filosofen hebben altijd geprobeerd de wereld te interpreteren, het wordt de hoogste tijd dat ze nu eens de wereld gaan veranderen,” zo schreef Marx en hij heeft ook nu gelijk. Het wordt hoog tijd dat we de wereld gaan veranderen. Daarbij helpt het niet om een nieuwe ‘complot God’ in het leven te roepen en de strijd aan te gaan met die God of in andere woorden ‘de elite’. Dat is als een Don Quichot strijden tegen windmolens, tegen een imaginair construct. Die verandering begint ermee dat we ons realiseren dat het dominante denken ideologisch getint is. Net zoals al het denken een zweem van ideologie heeft en dat hoeft geen probleem te zijn als maar geen van de denkrichtingen dominant is want dan gaat het fout. Dat laat het communistische experiment in de Sovjet Unie zien, dat laat het christelijke experiment zien dat uitdraaide op godsdienstoorlogen, dat laat het islamitisch experiment in het Midden-Oosten zien en dat laat ook het neoliberale experiment zien waarin wij ons sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben gestort.

Uitgelicht

Too far and not far enough

“It is going too far!” Die woorden sprak Gabriel Sterling in een toespraak. Sterling is een verkiezingsfunctionaris namens de Republikeinse partij in de Amerikaanse staat Georgia. Sterling sprak zich duidelijk geëmotioneerd uit over het bedreigen van functionarissen en hun familie die een rol spelen in het Amerikaanse verkiezingsproces. Trouwens niet alleen van functionarissen. Sterling maakt gewag van bedreigingen aan het adres van een medewerker van een leverancier van stemmachines. Hij spreekt hierbij vooral de top van de republikeinse partij en in het bijzonder president Trump aan omdat die zich niet expliciet uitspreken tegen de bedreigingen. In tegendeel, hun zwijgen en soms zelf openlijke minachting ziet Sterling als een aanmoediging of goedkeuring van dat gedrag.

Ei, Hamer, Bedreigen, Geweld, Angst, Intimideren, Hit
Bron: Pixabay

“Een systeem dat van normen en gebruiken aan elkaar hangt, is makkelijk te breken door mensen die zich sowieso nooit aan afspraken houden.” Die woorden uit een interview met de Russische Masha Gessen herhaalt Olaf Tempelman in een artikel in de Volkskrant met de kwetsbaarheid van de rechtsstaat als onderwerp. Een artikel waarin de ‘casus Verenigde Staten’ uitgebreid wordt beschreven en een enkele keer aangevuld met een Nederlands voorbeeld. Het artikel laat zien wat er gebeurt als het bijzondere normaal wordt gemaakt en het normale bijzonder. Want dat is wat er gebeurt als mensen die zich niet aan de afspraken houden door een democratisch systeem banjeren. Nee, die houden, zoals Trump, een toespraak van drie kwartier waarin ze een ‘grafiek’ tonen en beweren dat ‘alles normaal’ was in het eerste deel toen hij op winst stond en abnormaal in het tweede toen hij begon te verliezen. Alsof het omgekeerde niet ook kan of het meest waarschijnlijke, dat de hele lijn normaal is. Vijfenveertig minuten leugens en complottheorieën die kant nog wal raken. Adam Smith zou meteen van zijn geloof afvallen dat: “De meest notoire leugenaar (…)(tenminste) twintig keer de zuivere waarheid (spreekt) tegen de ene keer dat hij in alle ernst en opzettelijk liegt, en zoals bij de voorzichtigste mensen de neiging te geloven meestal de overhand heeft op twijfel en wantrouwen, zo zegeviert bij mensen die zich het minst aantrekken van de waarheid in de meeste gevallen de natuurlijke neiging om de waarheid te spreken over de neiging om anderen te bedriegen, of de waarheid in enig opzicht te veranderen of te verhullen.” Smith schreef dit in zijn standaardwerk over moraal De theorie over morele gevoelens. Hij zou, als hij nu leefde, niet alleen twijfelen aan deze passage maar aan het grootste deel van de gedachten die hij in het boek verwoordt.

Een democratische rechtsstaat is kwetsbaar voor mensen die het spel niet volgens de ‘normen en gebruiken’ spelen. Die vergeten dat in een democratische rechtsstaat de meerderheid besluit en daarbij rekening houdt met de wensen, gevoelens en standpunten van de minderheid. Dit omdat iedereen wel eens bij de minderheid hoort. Iets wat Sterling zich heel goed lijkt te realiseren. Hij behoort nu bij de minderheid en volgens de ‘normen en gebruiken’ van het spel behoor je je verlies te erkennen, de winnaar te feliciteren en mee te werken aan een overdracht van de macht aan de winnaar. Helaas lijkt hij bij de minderheid van de minderheid te behoren die er zo over denkt.

De verdediging van de ‘normen en gebruiken’ van onze democratische rechtsstaat gaat ons allemaal aan. De grootste vijand van dit, om het zo te noemen ‘porselein’ in onze ‘democratisch rechtsstatelijke kast’ is niet de ‘banjerende olifant’. Die ‘olifant’ neemt slechts de ruimte in die hem wordt geboden. De ruimte die de ‘olifant’ krijgt, bepalen wij. Die bepalen wij, de inwoners van dit land, door de lijnen die wij trekken in het verdedigen van onze ‘kast met porselein’. De belangrijkste lijn is hierin dat mensen niet tegen elkaar worden opgezet. Door mensen die, om een passage uit het artikel van Tempelman aan te halen: “tegenstanders en institutionele hindermachten (…) af (…) schilderen als vijanden van ‘het volk’, en zichzelf neer (..) zetten als de enige waarachtige behartigers van de belangen van ‘het volk,”  Een ‘vijand van het volk’ kun je immers anders behandelen. Die wordt zo ‘ontmenselijkt’.

In die ‘wij’ spelen de mensen die we als onze vertegenwoordigers hebben gekozen, een belangrijke rol. Zij moeten staan voor die ‘normen en gebruiken’ en een ieder die zich hier niet aan houdt, ook al zit die in de Kamer, buiten de orde plaatsen. Daarmee worden geen zaken gedaan, geen coalities en verbonden mee gesmeed. Naar hen wordt niet geluisterd ook al winnen ze bij een verkiezing twintig zetels. Bij dat beschermen spelen ook wij, de ‘gewone burgers’ een belangrijke rol. Een belangrijke door onszelf aan te spreken op ‘ondemocratisch denken en handelen’. Een belangrijke rol door de mensen die een belangrijke rol vervullen binnen die democratische rechtsstaat met hand en tand te verdedigen. Mensen zoals politieagenten, brandweerlieden, advocaten, ambulancemedewerkers, zorgpersoneel, journalisten en politici. Mensen die op de politici na, maar daar kom ik zo o­­p terug, om Sterling aan te halen, ‘took a job’. Onmisbare ‘jobs’ in onze huidige samenleving. Zij verdienen bescherming van ons allemaal. Mensen die fouten kunnen maken, immers waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt. Fouten die, indie­n nodig, volgens de regels van het spel moeten worden bestraft. Die fouten zijn echter geen reden om hen te bedreigen en lastig te vallen. Bedreigingen aan hun adres bedreigen onze democratische rechtsstaat. Daar moet iedereen die onze democratische rechtsstaat een warm hart toedraagt zich tegen verzetten en bij dat verzetten horen onze vertegenwoordigers in de frontlinie te staan.

Met dat uitvoeren van de besluiten, kom ik bij de politici. Zij namen geen ‘job’, maar accepteerden de verantwoordelijkheid die wij hen gaven Wij hebben hen gekozen om namens ons te besluiten. Bijvoorbeeld besluiten dat we in binnenruimten een mondkapje op moeten zetten al kun je twijfelen aan het nut. En over nut en noodzaak ervan mag het debat worden gevoerd, maar dan wel zonder onze vertegenwoordigers te bedreigen.

De verantwoordelijkheid die wij hen geven, vraagt echter ook om verantwoordelijk gedrag. Nu werd deze week bekend dat leden van het Outbreak Management Team worden bedreigd. Zij zijn de zoveelste in de rij die worden bedreigd omdat ze hun werk doen in onze democratische rechtsstaat. Hun taak is namelijk om onze bestuurders vanuit hun expertise te adviseren over hoe te handelen in de coronapandemie. Adviseren, niet besluiten. Besluiten dat doen de verantwoordelijke ministers en die worden daarbij gecontroleerd door de door ons gekozen Kamerleden. De manier waarop premier Rutte in de bres sprong voor de leden van dit team, laat zeer te wensen over. Ja, het is ‘onacceptabel’ en ook ‘verschrikkelijk’ zoals premier Rutte het noemde. En ja: “Deze mensen doen goed en belangrijk werk, en doen dat naar eer een geweten. Het kan dat mensen het oneens zijn met de adviezen, maar intimidatie en bedreigingen zullen we nooit accepteren.”  Geen woord verkeerd, maar toch onvoldoende. Want er werd iets niet gezegd en dat wat niet werd gezegd, is veel belangrijker dan dat wat wel werd gezegd. Wat er niet werd gezegd is een boodschap waaruit leiderschap en verantwoordelijkheid blijkt. Wat er niet werd gezegd is iets zoals: ‘Bedreigers, als jullie iemand de schuld willen geven en willen bedreigen, dan moeten jullie bij mij en mijn ministers zijn. Wij zijn het namelijk die besluiten welke maatregelen er worden genomen. Dat is ons verantwoordelijkheid, niet die van het OMT.’

Helaas zei onze premier dit niet en daarmee bevestigt hij hetgeen Kustaw Bessems in zijn column in de Volkskrant schrijft: “Rutte zorgt altijd dat er minstens één persoon zit tussen hemzelf en een probleem.De enige lijn in zijn handelen: zijn plaats veiligstellen in de politieke geschiedenis, waarmee hij is geobsedeerd.”  De bedreigers gaan, om Sterling aan te halen ‘too far’. Onze premier gaat helaas ‘not far enough’ en toont een schromelijk gebrek aan leiderschap.

Uitgelicht

‘Schokgolven van de actualiteit’

“Als het aan het kabinet ligt, kiezen we straks om de drie jaar de helft van de senatoren in de Eerste Kamer. De senaat is dan iedere zes jaar helemaal ververst en is zo beter bestand tegen de schokgolven van de politieke actualiteit,” zo is te lezen in het commentaar bij Trouw. Nieuwsgierig naar het probleem waarvoor dit een oplossing is, dook ik in de brief die het kabinet hierover naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Ik werd er niet vrolijk van.

Bijeenkomsten,_kernenergie,_energiebeleid,_Bestanddeelnr_932-5355.jpg (3633×2425)
De Brede maatschappelijke discussie kernenergie. Foto Nationaal Archief via WikimediaCommons

Het begon goed: “Het kabinet deelt de visie van de staatscommissie dat een waardevolle rol voor de senaat is weggelegd in met name het beschermen van de democratische rechtsstaat en de daaraan ten grondslag liggende waarden. De Eerste Kamer is kortom een institutie die past in het stelsel van checks and balances dat één van de fundamenten is van de Nederlandse staatsinrichting.”  Helaas komt, volgens het kabinet: “De potentiële meerwaarde van de Eerste Kamer voor het stelsel als geheel (…) onvoldoende uit de verf.” Om daar wat aan te doen meent het kabinet: “dat het in dit licht beter is om terug te keren naar het systeem van vóór 1983. De langere zittingsperiode van de Eerste Kamerleden, hun indirecte verkiezing en de vertraagde doorwerking van wijzigingen in de politieke krachtsverhoudingen in de Eerste Kamer passen beter bij de rol en positie van de Eerste Kamer als chambre de réflexion. Het kan dan ook niet meer voorkomen dat de Eerste Kamer (in zijn geheel) over een recenter politiek mandaat van de kiezer beschikt dan de Tweede Kamer.” Dus door eens per drie jaar de helft van de Eerste Kamer te kiezen, wordt de ‘reflectieve positie’ van de Eerste Kamer versterkt en is ze, om Trouw aan te halen, ‘beter bestand tegen de schokgolven van de politieke actualiteit’.

Het kabinet wijkt hier af van het advies van de ‘commissie Remkes’, Deze commissie had als opdracht: “de regering te adviseren over de toekomstbestendigheid van het parlementair stelsel.” In 2018 bracht zij haar advies uit met het rapport Lage drempels hoge dijken. Democratie en rechtsstaat in balans. De commissie erkent ook de reflectieve waarde van de Eerste Kamer. Die reflectie-functie is, zo schrijft de commissie, gebaat bij distantie: “ het (is) belangrijk dat ook de senatoren van coalitiepartijen niet gebonden zijn (of worden) aan het regeerakkoord. Ook zou het goed zijn als de Eerste Kamer zo veel mogelijk voorkomt dat zij al vooraf betrokken raakt bij wetgevingsprocessen. Dergelijke betrokkenheid vooraf bemoeilijkt een enigszins afstandelijke heroverweging van het uiteindelijke wetsvoorstel. Daarom moet de Eerste Kamer ook terughoudendheid betrachten met actuele beleidsdebatten met de regering.” Dit komt in gevaar als: “De politieke samenstelling van de Kamers verschilt,” want zo wordt het: “steeds moeilijker om regeringscoalities te vormen die een meerderheid hebben (en houden) in beide Kamers. De staatscommissie onderkent de problematische kanten van deze ontwikkeling.”  De commissie ziet hierin geen reden om de manier waarop de leden van de Eerste Kamer worden gekozen te veranderen. Wel adviseert zij om de Eerste Kamer het recht te geven wetsvoorstellen gewijzigd terug te zenden naar de Tweede Kamer. Nu kan de Eerste Kamer alleen instemmen of afwijzen. Een advies dat het kabinet in haar brief overneemt. Waarom word ik hier niet vrolijk van? Mijn ‘niet vrolijk zijn’ kent een inhoudelijke kant maar ook een procedurele.

Ik begin met de inhoudelijke kant, de positie van de Eerste Kamer in ons bestel. Als de reflectieve waarde van de Eerste Kamer zo belangrijk is. Als het van belang is dat de Eerste Kamer niet in de, zoals Trouw het noemt, de “schokgolven van de actualiteit’ wordt gezogen. Zou het recht om wetsvoorstellen gewijzigd terug te zenden dan daarbij helpen? Als er iets is dat de Eerste Kamer in die ‘schokgolven’ laat komen, dan is het wel dit voorstel. Want wordt de Eerste Kamer daarmee niet juist in ‘actuele beleidsdebatten’ met de regering gezogen? In ons bestel initieert de regering immers de overgrote meerderheid van alle voorstellen van wet. Ja, het is de Tweede Kamer die over die teruggezonden gewijzigde wet, moet stemmen. Alleen kan de Tweede Kamer het voorstel vervolgens ook weer wijzigen en zo ontstaat er een debat tussen de kamers. Worden die ‘schokgolven’ zo niet al snel een ‘orkaan van actualiteit’?

Kan het in twee keer door Provinciale Staten laten kiezen van de Kamer daarbij helpen? Eens in de drie jaar de helft kiezen, kan er nog steeds voor zorgen dat de politieke samenstelling van beide kamers verschilt. Ook voorkomt het niet dat er momenten zijn dat de volledige samenstelling van de Eerste Kamer wordt gekozen door leden van Provinciale Staten die zijn verkozen tijdens dezelfde verkiezingen. Toch grijpt het kabinet terug op de manier waarop we vóór 1983 de Eerste Kamer kozen omdat het dan: “niet meer (kan) voorkomen dat de Eerste Kamer (in zijn geheel) over een recenter politiek mandaat van de kiezer beschikt dan de Tweede Kamer.”  Als reflectie het belangrijke kenmerk is, als het van belang is dat de leden van de Eerste Kamer niet gebonden zijn aan een regeerakkoord en als de Eerste Kamer ‘gedepolitiseerd’ moet worden, waarbij we politiek waarschijnlijk als partijpolitiek en dus smal moeten zien omdat in de basis alle menselijke activiteit politiek is, waarom dan niet gezocht naar een manier leden van die Kamer te vinden? Waarom de leden niet aanwijzen via loting?

De commissie Remkens rept daar kort over en serveert die mogelijkheid af: “In theorie kan via een loting een betere afspiegeling van de bevolking worden gerealiseerd dan via verkiezingen. Daar zou dan wel een veel grotere senaat voor nodig zijn. Bovendien is het de vraag hoe voorkomen moet worden dat via zelfselectie toch weer een niet-representatieve groep ontstaat. Sommige burgers staan nu eenmaal meer te popelen om Kamerlid te worden dan andere. Dit effect uitschakelen door alle ingelote burgers te dwingen lid te worden van het parlement is niet acceptabel omdat dit een onaanvaardbare inbreuk is op de vrijheid van burgers. Het is ook geen oplossing om te blijven loten tot er een representatieve groep is ontstaan, want dan zou van tevoren al bekend moeten zijn hoe een volledig representatieve groep eruit zou zien.”  Een analyse met een kern van waarheid. Zo’n analyse kun je echter ook ophangen met betrekking tot verkiezingen. Immers als er bij loting voor ‘echte representatie’ meer leden nodig zijn, dan kun de vraag stellen hoe afspiegelend of representatief 75 gekozen leden zijn. Daar gaat het mij nu even niet om. De vraag die de commissie niet stelt, is of het voor de reflectiefunctie nodig is dat de Eerste Kamer ‘representatief’ is. Daarvoor is het van belang om de reflectieve functie goed te definiëren. In mijn ogen richt die reflectie zich op drie aspecten. Als eerste op de doelmatigheid van een wetsvoorstel. Hierbij moet de vraag worden beantwoord of het wetsvoorstel in voldoende mate het doel dat ermee wordt beoogd, bereikt. Als tweede de rechtmatigheid. Hier moet de vraag worden beantwoord of de beperkingen die het wetsvoorstel oplegt, passen binnen het Nederlandse rechtsbestel. Hierbij moet, wat mij betreft, ook de nu ontbrekende toetsing aan de Grondwet worden meegenomen. Als laatste moet een wetsvoorstel worden getoetst op de uitvoerbaarheid ervan. Met andere woorden het toetsen van de kwaliteit van het wetsvoorstel en niet het nut of de noodzaak ervan. Dat is het domein van de Tweede Kamer.

Als de Eerste Kamer een dergelijke functie heeft, hoe noodzakelijk is dan de representativiteit ervan? Een dergelijke invulling wordt niet geraakt door de ‘schokgolven van de actualiteit’? Afkeuring van een wetsvoorstel zegt immers niets over de doelstelling noch over nut en noodzaak van het wetsvoorstel. Met een dergelijke functie zou de Eerste Kamer best geloot kunnen worden en uit niet meer dan de huidige vijfenzeventig leden kunnen bestaan. Zeker als zij bij haar werk kan rekenen op een gedegen ambtelijke ondersteuning en de plicht om ten minste bij drie verschillende onafhankelijke instanties advies op te vragen. Instanties zoals de Raad van Staten.  

Dan het procedurele deel van mijn ‘niet vrolijk’ zijn. Die spitst zich toe op twee zaken die in elkaars verlengde liggen. Dat begon al met het instellen van de ‘commissie Remkes’. De beide Kamers vroegen de minister-president een dergelijke commissie in te stellen via een brief aan de minister-president. Dat is gebeurd en de commissie leverde haar rapport op aan het kabinet, dat was immers de opdrachtgever. Het kabinet stuurde vervolgens het rapport met een brief met haar ideeën en voorstellen over de vormgeving van onze democratische vertegenwoordiging naar de Tweede Kamer. Zou het niet meer aan de Kamer zelf zijn om hierover na te denken? Had de Kamer dit niet zelf moeten onderzoeken? En dan kom ik bij het tweede procedurele punt. Zou de volksvertegenwoordiging hier niet zelf een soort brede maatschappelijke discussie over moeten voeren? Een brede discussie met het Nederlandse volk? Want is het uiteindelijk niet aan het volk om te bepalen hoe het zich wil laten vertegenwoordigen? Een brede maatschappelijke discussie die uiteindelijk zou kunnen leiden tot een grondwetgevende vergadering. Een vergadering met als doel en mandaat om onze Grondwet en de inrichting van ons vertegenwoordigende stelsel opnieuw vorm te geven op basis van de uitkomsten van die brede maatschappelijke discussie? Het resultaat van dit werk kan vervolgens weer per referendum aan het totale volk worden voorgelegd.