Uitgelicht

Moderne hiërogliefen

Mijn ouders voedden me op in dialect we deden de ‘aafwas met en schottelslet in de paolingstein’. Pas toen ik naar school ging leerde ik de afwas te doen met een vaatdoekje in de gootsteen. Ik leerde Nederlands als tweede taal. De wereld kent zeer veel talen en nog meer dialecten. Het worden er steeds minder, maar nog steeds zijn het er erg veel. Of je afwast met een ‘schottelslet’ of een vaatdoekje hangt af van de plek waar je wordt geboren en van de taal die je ouders tegen je spreken. Die verschillende talen maken het lastig communiceren met elkaar want de vertaling van woorden komt nogal precies en dat maakt dat vergissingen op de loer liggen. Zeker als gevoelens een rol spelen. Dat werd me duidelijk na het lezen van het Homo emoticus, een boek van Richard Firth-Godbehere.

Bron: Pixabay

Neem het Nederlandse woord zij. Het klinkt hetzelfde als zei, de verleden tijd in het enkelvoud van het werkwoord zeggen. Zij is de derde persoon vrouwelijk enkelvoud. Maar ook de derde persoon meervoud. Het is ook de korte vorm van ‘zijde’ en dan kan het een begrenzing van een lichaam of figuur zijn, de boven of onderkant van een dun vlak, het overgangsgedeelte tussen de voor en achterkant van het lichaam, of het betekent dat je iemands kant kiest. Maar het kan ook het spinsel van een zijderups zijn of de stof die ervan gemaakt kan worden.

Taal speelt een belangrijke rol in de geschiedenis van de mens. “Met het spraakvermogen ontstond de mogelijkheid allerlei kennis over te dragen aan een groot aantal groepsleden. Doordat de overdracht van informatie niet alleen maar individueel en van generatie op generatie verloopt, zoals in de biologische evolutie, maar zich in de kortst mogelijke tijd in een groep kan verbreiden, verloopt de culturele evolutie heel snel.[1]  Aldus Madeleine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier in hun boek Hoe we mensen werden. Spreken maakte het mogelijk belangrijke informatie door te geven. Zo konden onze voorouders elkaar waarschuwen voor een gevaarlijke situatie, bijvoorbeeld waar een leeuw uithing. Maar ook waar het goed vissen was: ‘hier rechtdoor, dan voorbij die bramenstruiken rechts af en na het derde rotsblok naar links …’.  Belangrijk, zo betoogt Yuval Noah Harari, is dat taal een grotere groep mogelijk maakte. En dat, zo betoogt Harari, kwam door de mogelijkheid om te roddelen: “Het is veel belangrijker voor ze om te weten wie er binnen hun stam een hekel heeft aan wie, wie het met wie doet, wie eerlijk is en wie juist niet. De hoeveelheid informatie die er verworven en opgeslagen moet worden om de o zo veranderlijke relaties tussen enkele tientallen individuen bij te houden, is verbijsterend. (In een groep van vijftig individuen is sprake van 1225 één-op-één-relaties en talloos veel meer complexe sociale combinaties.) Alle mensapen vertonen een sterke belangstelling voor dit soort sociale informatie, maar ze kunnen niet echt effectief roddelen. [2]” Hierdoor kon een groep, zo betoogt Harari, groeien tot wel 150 individuen.

Taal gaf een boost aan onze, cognitieve motor, ons voorstellingsvermogen, zo beweren Madeleine Böhme en haar coauteurs: “Misschien is de zwerflust, de drang om onbekende verten te verkennen en nieuwe milieus te veroveren veel ouder dan tot nu toe wordt aangenomen en zat het van meet af aan in onze genen? We zouden ons nu ook kunnen afvragen waarom willen mensen naar Mars? Misschien is het antwoord op beide vragen hetzelfde: niet omdat we het kunnen, want dat laatste kunnen we immers nog niet, maar omdat we het ons kunnen voorstellen. Omdat we dankzij ons verstand in staat zijn ons fictieve situaties in te beelden; in onze geest werelden, plaatsen en situaties te scheppen en daar emotionele en spirituele energie aan te verbinden. De voorstelling van wat aan gene zijde ligt, is misschien wel de voornaamste cognitieve motor van onze evolutie.[3] Taal maakt het veel makkelijker om je ‘voorstelling’ met anderen te delen en hen aan je kant te krijgen. De grootste kracht van de mens is zijn vermogen om verhalen te verzinnen die voor de verzinner en voor zijn soortgenoten net zo reëel zijn als een boom of een rivier. Of zoals Harari het beschrijft: “Sinds de cognitieve revolutie leven sapiens aldus in een dubbele realiteit. Aan de ene kant heb je de objectieve realiteit van rivieren, bomen en leeuwen en aan de andere kant de imaginaire realiteit van goden, naties en corporaties.[4]Twee realiteiten die sinds een jaar of twintig worden aangevuld met een derde, virtuele realiteit. Een realiteit die de andere twee combineert door je beelden voor te schotelen die je in toenemende mate niet van echt kunt onderscheiden, waarin je binnen de limieten van het programma ‘imaginair’ actief kunt zijn. Verhalen bedoeld om individuen te binden en te onderscheiden van andere groepen. Verhalen die dus tegelijk binden en scheiden.

Eeuwenlang, en nu nog, worden verhalen van mond tot mond gedeeld. Zwak punt bij dat delen, is dat ons geheugen ons wel eens in de steek laat en we iets vergeten, we ons iets herinneren wat er niet was of we andere woorden gebruiken, waardoor het verhaal verandert. In het vierde millennium voor onze jaartelling vonden onze voorvaderen iets uit waarmee dit risico werd verkleind. Of ze het om die reden uitvonden weet ik niet, maar het hielp er wel bij. Die uitvinding was het schrift. Spijkerschrift op kleitabletten in Mesopotamië, de hiërogliefen van het oude Egypte op muren maar ook op papyrus. Als je de tekens kent, dan begrijp je het verhaal. Dan lees je allemaal hetzelfde.

Nou, niet helemaal. Je leest dezelfde woorden, maar geeft iedereen die woorden dan ook dezelfde betekenis? Geven ze er allemaal dezelfde uitleg aan? Neem het meest verkochte boek uit de geschiedenis, de bijbel, dat wordt op veel verschillende manieren uitgelegd. Ieder kerkgenootschap dat zich erop baseert, legt het op een eigen manier uit. De een legt een tekst letterlijk uit, de ander doet dat in een historische of andere context en zelfs over de letterlijke uitleg kun je van mening verschillen. Het enige wat al die uitleggen gemeen hebben, is dat de uitleggers er allemaal van overtuigd zijn dat ze het bij het rechte eind hebben.

Bij dat uitleggen spelen emoties een belangrijke rol en emoties en de manier waarop ze al dan niet worden geuit, kan behoorlijk verschillen. Firth-Godbehere geeft hier een mooi voorbeeld van in zijn boek: “Ik ben bij concerten geweest in Barnsley, ook in Engeland, waar het publiek bewegingsloos en met uitgestreken gezicht het hele optreden aanhoorde. Maar toen de muziek eenmaal afgelopen was, stond er een rij mensen klaar om op de band  af te lopen, ze bier aan te bieden en te vertellen hoe fantastisch ze wel niet hadden gespeeld. De specifieke emotionele gemeenschap is er een waarin stoïcijnse stoerheid – ongeacht het geslacht – het soort gepassioneerde uitingen vermijdt die je ziet bij optredens elders, zelfs stadjes op een paar kilometer van Barnsley.[5] Een manier van ‘genieten’ die overeenkomst met het ‘Venlose swingen’ zoals Sef Derkx het in zijn wekelijkse column bij Omroep Venlo beschrijft en die ik bij mijn stadgenoten herken: “Bij het Venlose swingen zit je op een festivalbank en tik je met een voet op de grond. Het hoeft niet in de maot. Ritmegevoel is overbodig. Af en toe maak je schokkende bewegingen met je bovenlijf. Niet te enthousiast. We zijn geen Penny de Jager van Top Pop. Belangrijkste bij het Venlose swingen is, dat je altijd je beker met bier in de löcher houdt. Dat die niet omvalt door een bruuske dansante beweging. Het leven is ook zonder te dansen al duur genoeg en kloeke is allewiels gans onbetaalbaar geworden. Fijn van het Venlose swingen is bovendien, dat je je colbert aan kunt houden. Je zweet niet.” Als je dit als band niet weet, dan denk je dat in Barnsley en Venlo cultuurbarbaren wonen.

Die verschillen waarop mensen emoties uiten, maken het voor kunstmatige, in dit verband ook affectieve, intelligentie zeer lastig en om emoties te herkennen en als ze al worden herkent, ze ook nog te interpreteren, zo betoogt Firth-Godbehere. Hij maakt dit duidelijk aan de hand van een foto van hemzelf met een gebalde vuist en een grimmig gezicht. Vervolgens vraagt hij de lezer: “Ben ik ziedend op andere weggebruikers? Of vier ik dat ik op de autoradio hoor dat mijn favoriete club heeft gescoord?”  Hij vervolgt: “Zelfs mensen hebben moeite zoiets te bepalen. Als we emotieherkennings-KI in zelfbesturende auto’s willen installeren zodat die de controle overneemt en de auto aan de kant laat stilstaan als ze mijn woede herkennen, dan kan mijn juichende vuist in de lucht betekenen – niet dat mijn club zo vaak scoort – dat ik stil kom te staan aan de kant van de weg en kwader en kwader word op mijn ergerlijke ‘intelligente’ auto.[6]

Firth-Godbehere ziet een gevaar in die pogingen om emoties via technologie te herkennen. “De westerse ideeën over emotie die ten grondslag liggen aan deze technologie, zullen culturele verschillen wreed vertrappen en het zal niemand interesseren. De teerling is geworpen en de technologie is westers-  en dat zullen alle emoties ook al snel zijn.” Dit omdat wij mensen bijzonder creatief in het ons aanpassen aan nieuwe omstandigheden en via de technologie zal dat de westerse uitleg van emoties zijn. Want: “Als regeringen denken dat ze de kostbare technologie die ze hebben gekocht misdadigers kan herkennen aan de hand van hun onvoorspelbare gedrag, dan zullen mensen zich domweg voorspelbaar gaan gedragen om te voorkomen dat ze in de problemen komen.[7]  Die technologie zorgt er dan wel voor, of anders gezegd, ze dwingt ons naar ‘uniform handelen’. Firth-Godbehere ziet nog een tweede manier waarop we naar ‘universele emoties’ worden geduwd, Die manier heeft te maken met een nieuwe manier waarop emoties worden geuit, de emoji’s: “Veel linguïsten die zich met dit verschijnsel bezig houden, lijken aan te nemen dat emoji’s een nieuw internationaal schrift gaan vormen en een nieuwe wereldwijde uitingsvorm van emoties.[8]

Een moderne variant van hiërogliefen schrift dat we allemaal begrijpen. Een uniforme taal. Zou dat een zegen zijn? Firht-Godbehere denkt er anders over: (Dat) de enorme diversiteit van manieren om emotie op te vatten en te uiten iets heerlijks is.  … Ik ben ook bang dat de wereld er niet beter of veiliger op zal worden als emotionele misverstanden, en ons vermogen die te herkennen en erkennen bij de ander, uiteindelijk zouden verdwijnen.[9]  Volgens Firth- Godbehere gaat het wel die kant op en dat zou jammer zijn. Denk daar maar eens aan als je me voor deze Prikker beloont met een duimpje of een smiley.


[1] Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian BreierHoe we mensen werden, Pagina 214

[2] Yuval Noah Harar, Spaiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid pagina 32

[3] Madelaine Böhme, Rüdiger Braun en Florian Breier, Hoe we mensen werden. Een geheel nieuwe kijk op de oorsprong van de mensheid, pagina 192

[4] Idem, pagina 42

[5] Richard Firth-Godbehere, emoties. Hoe emoties de wereld hebben gevormd, pagina 15

[6] Idem, pagina 296-297

[7] Idem, pagina 294-295

[8][8] Idem, pagina 306.

[9] Idem pagina 295

Racisme: iedereen zijn eigen betekenis

“Even een vraag: hoe kijk je racistisch? Ik stel die vraag naar aanleiding van de titel ‘Nog een blik’.” Die vraag stelde ik Vera Mulder onder een artikel van haar hand bij De Correspondent. In het artikel bespreekt ze de debuutroman Confrontatie van Simone Atangana Bekono. Ik heb het boek van Bekono niet gelezen. Ik stelde die vraag naar aanleiding van de titel van Mulders artikel: “Nog een blik, weer een opmerking: racisme is één plus één plus één.” Daarop ontspon zich een bijzonder gesprek dat ik met jullie wil delen. Een bijzonder gesprek over racisme en toch niet, of wel?

Een eerste lezer antwoordde met: “Nou, dat is kijken met een bevooroordeelde blik, lijkt me.”  Waarop ik antwoordde: “Mijn vraag is hoe iemand kan zien dat een ander met een bevooroordeelde blik kijkt en dat die bevooroordeelde blik met racisme heeft te maken. Want dat is wat de titel suggereert.”  Daarop reageerde een volgende lezer met: ”Goede vraag. Sommige dingen zijn zo overduidelijk, maar hoe maak je het subtiele bespreekbaar?” Ik reageerde met: “Ik denk dat de kaart ‘racisme’, die in dit artikel wordt gespeeld, daar niet erg behulpzaam bij is. Racisme is, aldus de Van Dale de: “opvatting dat mensen met een bepaalde huidskleur beter zouden zijn dan mensen met een andere kleur, gebruikt als rechtvaardiging om mensen met een andere kleur slecht te behandelen.” Het bewust slechter behandelen van mensen met een andere huidskleur. Het helpt niet om die ‘Frits’ van racisme te betichten. Dat is eerder domheid of beter nog onwetendheid. Net zoals het niet helpt om die dorpsgenoot die wel-kom in Ne-der-land zegt van racisme te beschuldigen. Die maakt een verkeerde inschatting van de situatie. Het is veel behulpzamer om het gesprek aan te gaan met ‘Frits’ en zo hem bewust te maken van zijn ‘onwetendheid’. En zo is het veel effectiever om die ‘wel-kom…’ te beantwoorden met: ‘ja u ook welkom in Nederland’ of zoiets.”

Op deze bijdrage reageerde Vera Mulder met: “je gaat er in je beschouwing vanuit dat opvattingen per definitie iets zijn waar je je bewust van bent of waar je bewust naar handelt (en dat je dus geen racistisch kwaad kunt doen vanuit onwetendheid of domheid). Daar begint onze visie uiteen te lopen en dan wordt een inhoudelijk gesprek over wat racisme is of kan zijn ingewikkeld. Ik raad je het boek van harte aan – dat laat zien hoe ook onbewust ontstane of overgenomen opvattingen racistisch kunnen zijn en kwaad kunnen doen – ook (soms: juist) als iemand het niet zo bedoeld heeft. Leed zit hem niet altijd in intentie.” Daarop herhaalde ik met de betekenis van racisme volgens de Van Dale met de toevoeging: “Hier staat in mijn ogen dat je jezelf als beter ziet dan mensen met een andere kleur, dat is een bewuste daad. En ook nog dat je die bewuste daad gebruikt om die ander slechter te behandelen. Onwetendheid kan daar nooit onder vallen. Dat laat onverlet dat onwetendheid pijn kan doen, of zoals jij het zegt: ‘leed zit hem niet altijd in de intentie.’ Ik begrijp dat jij een andere definitie van racisme hanteert. Eentje die onwetendheid bevat. Maar hoe luidt die precies? Daar ben ik dan wel benieuwd naar.”

Na nog wat tussenstappen gaf een andere lezer, Leon ten Have het volgende antwoord op mijn vraag naar een definitie: “Een perfect verwoordde definitie die zo het woordenboek in kan heb ik niet, maar ik denk dat je al een behoorlijk eind komt als je naast bewust/direct ook onbewust/indirect en systematisch racisme meeneemt. Maar eigenlijk denk ik dat de context van dit verhaal voor zich spreekt, en dat discussies beginnen over woordenboekdefinities overkomt als bad faith…” En Vera Mulder viel hem bij: “Ik sluit me aan bij Leon; voor één alomvattende definitie is het onderwerp, het systeem, de ervaring te complex, maar het betrekken van systemisch en onbedoeld racisme in dit gesprek is onontbeerlijk in het ontmantelen ervan.”

Wel heel bijzonder. Om elkaar te kunnen begrijpen lijk het mij van belang dat we het eens worden over de definitie van begrippen en woorden. Een woord is, volgens de Van Dale, een: “groep van spraakklanken met een eigen betekenis.”  Als iedereen zijn eigen betekenis geeft aan een eenzelfde ‘groep van spraakklanken’ is communicatie onmogelijk en wordt het ook onmogelijk om racisme te bestrijden. Of zoals ik Mulder antwoordde: “Dan kunnen jullie beter ophouden met het schrijven over racisme. Zonder een definitie van een begrip is een gesprek zinloos. Dan gaat het namelijk overal en nergens over en heeft iedereen, wat er ook wordt beweerd, gelijk. Racisme zoals in de Van Dale gedefinieerd zal al zeer lastig uit te roeien zijn, zonder definitie is het helemaal onmogelijk.”

Christus en de Inquisitie

Soms lees ik iets en dan vraag ik me af of ik het wel goed heb gelezen. Zoiets gebeurde me dit weekend toen ik bij De Correspondent de ‘bijsluiter’ las bij een luisterinterview (podcast met een modern woord) van Lex Bohlmeijer met Simone Zeefuik. Zeefuik is een van de initiatiefnemers van Decolonize the Museum, een club die: “musea confronteert met hun tekortkomingen wat betreft het koloniale verleden.”

InquisitieIllustratie: Wikimedia Commons

Aanleiding voor het interview was de tentoonstelling Heden van het slavernijverleden in het Tropenmuseum waaraan Zeefuik heeft meegewerkt. In het interview houdt Zeefuik een pleidooi voor ander taalgebruik, niet spreken over slaven maar tot slaaf gemaakten. “In het woord ‘slaaf,’ zit daar niet het idee in dat het om een specifiek type mens gaat dat voorbestemd was om de anderen te dienen? Goed om er bij stil te staan,” aldus Bohlmeijer. Of: “het zinnetje ‘Columbus ontdekte Amerika,’ zoals we dat allemaal op school leerden. Sluipt daar niet stiekem de gedachte in mee, dat Amerika daarvoor niet eens bestond?” Bij mij niet in ieder geval. Ontdekken zegt in dit geval iets over het perspectief van de ontdekker, niet over het zogenaamde ‘ontdekte’ want dat was er al. Zo vielen de appels ook al van de boom voordat Newton de zwaartekracht ontdekte en niet pas na zijn’ ontdekking’.

Over de dekolonisatie en musea wil ik het niet hebben, wel over zorgvuldig taalgebruik en nadenken bij hetgeen je zegt of schrijft. In de bijsluiter las ik het volgende:

“Of internationaal befaamde wetenschappers als Charles Darwin en Carl Linnaeus – die in feite het racisme wetenschappelijk handen en voeten hebben gegeven.” 

En ook in het luisterinterview werd dit zo gezegd.

Nu kan van Linnaeus worden gezegd dat hij de mens in zijn Systema Naturae in vijf groepen indeelde en die groepen beschreef en bij die beschrijving kunnen vraagtekens worden geplaatst, zoals bij ieder beschrijving. Ter verdediging van Linnaeus kan worden aangevoerd dat hij de mens als geheel bij de zoogdieren indeelde, iets waar velen tegenwoordig nog moeite mee hebben. Darwin is bekend van zijn boek On the Origins of Spiecies, waarin hij het principe van de natuurlijke selectie beschrijft. Het principe dat de best aan de omstandigheden aangepaste (the fittest) zullen overleven en als je terug redeneert, dat alle leven een gemeenschappelijke oorsprong heeft.

Het denken van bijvoorbeeld Darwin werd en wordt door lieden met minder fraaie bedoelingen ge- of eigenlijk misbruikt, dat is mij bekend. Dat zij hun eigen superioriteit ermee verklaren en de inferioriteit van anderen zal ik niet ontkennen. Maar dat Darwin en Linnaeus daarmee het racisme ‘wetenschappelijk handen en voeten’ hebben gegeven, is dat niet een paar stappen te ver? Komt dat niet op hetzelfde neer als Karl Marx de Goelags van de Sovjet Unie in de schoenen schuiven? Of Christus verantwoordelijk houden voor de Inquisitie?

 

Curvy en hörny

Al vaker schreef ik over de kracht van taal. Taal die mensen kan in- of buitensluiten. Woorden waarmee de gebruikers (of de uitvinders) ervan een positieve draai willen geven aan iets wat eigenlijk als minder niet zo positief wordt gezien. Zo schreef ik over het woord ‘participatiesamenleving’ en integratie en inburgering het gebruik van de woorden autochtoon en allochtoon. Vandaag een luchtigere variant van verhullend taalgebruik.

CurvyFoto: www.vrouwblog.nl

Alhoewel luchtiger? Is het juist minder luchtig zijn niet het probleem van wat de, in de financiële problemen verkerende modeketen, MS Mode ‘curvy vrouwen’ noemt? Toch vreemd dat die keten in de problemen zit, terwijl de eigenaar een half jaar geleden de failliete boedel van V&D over wilde nemen, maar daar gaat het nu niet om.

Nu kenmerkt het menselijk lichaam in het algemeen en het vrouwelijke iets meer dan het mannelijke, zich door rondingen en welvingen. De ene vrouw heeft wat grotere dan de andere, ze is wat gevulder, maar ze hebben ze allemaal. ‘Curvy’, het klinkt exotiser en vriendelijker dan ‘gezet’, ’fors’, of het eerder gebruikte bijvoeglijk naamwoord ‘voller’. Bovendien is het korter dan ‘vrouwen met een grote kledingmaat’. Over het gebruik van het woord ‘dik’ zullen we maar zwijgen.

‘Curvy,’ een creatieve vervorming van het Engelse woord ‘curve’ dat: “1. gebogen lijn, kromme, curve, boog 2. bocht (in weg) 3. ronding, welving (van vrouw),” betekent. In dit geval de derde betekenis, dus een vrouw met rondingen en welvingen.

Als ‘curvy vrouw’ staat voor de wat forsere, wat gezettere, vollere vrouw, hoe moeten we dan de slankere vrouw noemen? Niet gewelfd maar hoekig, of in goed Nederengels ‘Angly vrouw’? Of wellicht moeten we naar het Zweeds kijken, een hoek is een hörn en dat maakt het de ‘hörny vrouw’. Of gaat dat de marketingmensen te ver?

Newspeak

In haar column in de Volkskrant deelt Sheila Sitalsing een pluim uit aan de medewerker van Volkswagen die het gesjoemel met software bij dieselauto’s heeft weten terug te brengen tot een onschadelijk lijkende term: dieselthematiek. Ik moest terugdenken aan 1984 van George Orwell dat ik om mijn VWO diploma te halen, las. Newspeak is een van de termen uit het boek die mij altijd bij is gebleven. Newspeak, de nieuwe taal waarmee de totalitaire heersers het gebruik van onwelgevallige gedachten willen voorkomen door de taal aan te passen en woorden te verbieden.

george orwellIllustratie: reasonandmeaning.com

Prachtig hoe Volkswagen zo dit ‘probleem’ weet om te bouwen tot een ‘uitdaging’, om er eens een andere vorm van newspeak tegenaan te gooien. Op LinkedIn zie ik veel van dergelijke uitspraken en het valt mij op dat met name managers en (loopbaan)coaches dergelijke uitspraken plaatsen, vaak voorzien van een leuk plaatje. Maar wat heb je dan als je de uitdaging niet aankunt? Heb je dan wel een probleem?

Of wat te denken van de volgende: ‘Als je denkt dat het inhuren van een professional duur is, wacht maar tot je een amateur inhuurt.’ Dan vraag ik mij af of een amateur er een nog grotere puinhoop van gemaakt zou hebben bij bijvoorbeeld Vestia, Amarantis, Fortior of de ABN? Of neem: ’Nothing is wasted, it’s all learning’. Wat als je niet leert, is het dan wel verspilling?

Nog zo’n mooie. ‘Great leaders don’t tell you what to do .. they show how it’s done.’ Dan denk je aan die paar goede leiders die je kent, een Nelson Mandela, Mahatma Gandhi en inderdaad die leiden door het voorbeeld te geven. Iets langer nadenkend kom je bij bijvoorbeeld Adolf Hiltler of Josef Stalin, gaven die niet ook het voorbeeld dat werd nagevolgd?  Doen slechte leiders dus niet precies hetzelfde? Hoe weet je dan of de leider die je wilt volgen goed of slecht is?

En dan een van mijn favoriete, de spreuk van Apple’s goeroe Steve Jobs: “People who are crazy enough tot think that they can change the world are the ones who do.” Een waarbij ik mijn hart vasthou. Want zijn er niet voldoende ‘gekken’ met ideeën die beter nooit werkelijkheid worden?

Als laatste en naar mijn idee een van de gevaarlijkste: ’A job ins’t a job. It’s who you are.’ Wat als je dan geen baan hebt? Ben je dan niets? Is een mens dan een middel? Een radertje in het wiel van een machine? Ik hoop toch van niet?

Klein bier

In de Volkskrant viel te lezen dat de Nederlanders afgelopen jaar meer bier zijn gaan drinken. De grootste bijdrage in die groei kwam van alcoholvrije bieren zoals radler. Mooi voor de betreffende bedrijven dat hun omzet groeit, toch knelt er iets.

Bier

Foto: www.dehorecabazaar.nl

Bier is toch een alcoholische drank? De Vandale bevestigt dit: “alcoholische drank, uit hop en gerst gebrouwen.” Hoe kunnen alcoholvrije drankjes bijdragen aan de bier verkoop? Er zit geen alcohol in, dus dan kan het toch geen bier zijn? Het is dan toch gewoon frisdrank: “meestal koolzuurhoudende, alcoholvrije drank; limonade,” aldus diezelfde Vandale. Als we de radlertjes bier noemen, waarom worden cola, seven-up en cassis dan niet ook bier genoemd?

Een fenomeen dat zich niet alleen beperkt tot bier en frisdrank. Neem de vegetarische hamburger.

Een hamburger is, naast een inwoner van de Duitse stad Hamburg, ook een: “schijf gebraden gehakt.” Een schijf die meestal met uitjes, augurken, een blaadje sla, wat mosterd en ketchup op een broodje wordt geserveerd. En gehakt is: “fijngehakt of gemalen vlees.” Nu is een vegetariër: “iemand die geen vlees of vis eet.”

En nu we toch bezig zijn: de vegetarische slager. Die heeft meer geluk. Tenminste als hij iemand is: “die de dood van velen op zijn geweten heeft; een wreedaard.” Als hij zelf geen vlees eet dan is hij een vegetarische slager. Maar die wordt er niet mee bedoeld. De vegetarische slager maakt en verkoopt vegetarische hamburgers, – kipnuggets en allerlei andere vleesvervangende producten. Dan wordt het dubieus. Dan is hij geen slager. Want een slager in die betekenis is: “iemand die vlees en vleeswaren in het klein verkoopt.”

Zijn alcoholvrij bier, een vegetarische hamburger, – kipnugget  of – slager geen voorbeelden van een contradictio in terminis? Zijn ze niet net zo onmogelijk als een vierkante cirkel? Wordt onze taal geen rommeltje als we er ‘vierkante cirkels’ in toestaan? Zouden we niet veel voorzichtiger en vooral veel preciezer met onze taal moeten zijn?

Of maak ik me nu druk om iets onbelangrijks? En dus een andere vorm van bier volgens de Vandale: klein bier?

Ontmenselijking

“De ‘idiote barbaren’, ‘de griezels’ die de aanslagen hebben gepleegd, verklaarde de premier, hebben louter tot doel ‘onze westerse samenleving te destabiliseren en haat en angst te zaaien’.” Een uitspraak van premier Rutte in zijn reactie op de tragische gebeurtenissen in Parijs. Rutte gebruikt hier woorden die overeenkomen met de reactie van de Engelse premier Cameron op de dood van Jihadi John. Cameron noemde hem een “menselijk dier’. Woorden die menigeen van ons op de lippen liggen als we aan de daders van deze gruwelijkheden denken. Woorden waarmee de daders en ook Jihadi John buiten de mensheid worden geplaatst.

Maar …

Is het wel verstandig om op deze manier mensen te ‘ontmenselijken’? Zou dit een vorm van ‘terrorisme’ met woorden zijn? ‘Terrorisme omdat we zo mensen buiten de gemeenschap van mensen plaatsten? Vernietigen we zo niet alle bruggen? Bruggen die een mogelijkheid bieden voor de ‘IS-aanhangers om terug te keren op hun schreden? Bruggen die ons de mogelijkheid bieden om IS-aanhangers te beïnvloeden?

Zou het niet juist een van de sterke punten van een democratische rechtstaat moeten zijn om mensen een tweede kans te geven? Dit natuurlijk wel nadat de daden volgens de regels van die rechtsstaat zijn berecht? Zouden we van onze gezagsdragers niet mogen verwachten dat zij deze boodschap uitdragen in plaats van het ‘ontmenselijken’ van mensen? Zouden we van onze gezagsdragers niet mogen verwachten dat zij juist in tijden van crisis met kracht ervoor pleiten om het recht te laten zegevieren en niet de wraak?

Wolven

Foto: eef.inaandacht.nl

Huist niet in ieder van ons een goede en kwade kant? Of zoals Rutger Bregman schreef toen hij een stukje van Mathieu Ricard aanhaalde: “Zoals een oude Cherokee-indiaan eens tegen zijn kleinzoon zei: ‘Er speelt zich een gevecht in mij af. Het is een gruwelijk gevecht tussen twee wolven. De een is slecht, boos, hebzuchtig, jaloers, arrogant en laf. De ander is goed – hij is gelukkig, rustig, liefdevol, aardig, hoopvol, bescheiden, gul, eerlijk en betrouwbaar. Deze wolven vechten ook in jou en in ieder ander persoon. De jongen dacht even na en zei toen: ‘Welke wolf zal winnen?’ De oude Cherokee hoefde niet lang na te denken. ‘Diegene die je voedt.’” Voeden onze gezagsdragers met dergelijke uitspraken niet de verkeerde wolf? 

Talent

talent 2(Illustratie: thelinncountyfair.wordpress.com)

In een eerder schrijven Talentontwikkeling heb ik ook al eens geschreven over talent en eindigde ik met de vraag of talentontwikkeling een manier is om mensen hun falen in de eigen schoenen te schuiven. Nu schrijft Hans Wansink in het commentaar in de Volkskrant: “Laat geen talent verloren gaan. Dat is al tientallen jaren het adagium van de Nederlandse onderwijspolitiek.” In dit commentaar bespreekt hij de toenemende tweedeling in het onderwijs. Het gaat mij niet om die tweedeling en wat daaraan gedaan kan en moet worden. Niet dat dit niet belangrijk is en geen aandacht vraagt. Het gaat mij om de eerste zin: Laat geen talent verloren gaan.

Talent is een natuurlijke begaafdheid of aanleg. Bij talent denken we al snel aan bijvoorbeeld sporters en muzikanten die zeer goed zijn. Of aan iemand met een wiskunde- of talenknobbel. Alleen blijkt dat talent meestal niet voldoende is voor bijvoorbeeld een voetballer. Een voetbaltalent zonder doorzettingsvermogen, inzet en geluk komt er niet. Hetzelfde geldt ook voor een muzikant of wiskundige. Talent wordt vaak afgemeten aan succes en succes aan geld verdienen. Een muzikaal talent dat zich ontwikkelt in een muzieksoort die niemand mooi vindt heeft pech. Daarvan wordt al snel gezegd dat hij zijn talent verspilt.

Wat maakt dat we geen talent verloren mogen laten gaan? En belangrijker, wat maakt dat ik mijn talent niet verloren mag laten gaan? Wat maakt het zo belangrijk dat al het talent wordt benut? Is het wel een taak van het onderwijs om talenten te ontdekken en ontwikkelen? Is de taak van het onderwijs niet kinderen kennis bijbrengen om zich in onze samenleving te kunnen redden? Is het ontwikkelen van een eventueel talent niet aan de bezitter van dat talent?

Lastige vragen, maar wel vragen waar we het over moeten hebben.