TTIP en welvaart

“Vrijhandel leidt tot meer welvaart.” Dit schrijft Hans Wansink in het Commentaar in de Volkskrant. In dit commentaar bespreekt hij het Transaltlantic Trade and Investment Partnership (TTIP), een handelsverdrag tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten. TTIP kwam in het nieuws nadat Arjen Lubach in zijn programma Zondag met Lubach een item eraan besteedde. Voor en tegenstanders vallen nu over elkaar heen zonder dat de inhoud van het verdrag bekend is. Die is namelijk geheim. Althans, dat was zo tot Greenpeace deze week grote delen van het verdrag onthulde.

Wansink pleit voor voorzetting van de onderhandelingen omdat vrijhandel tot meer welvaart leidt. Een argument dat in diverse vormen, waaronder economische groei en inkomensstijging, terugkomt in de discussie. Naast meer welvaart moet het ook goedkopere producten opleveren. Vrijhandel leidt tot welvaart, is dat een wetmatigheid?

Vrijhandel is iets van redelijk recente datum. Eigenlijk pas van na het ineenstorten van het systeem van vaste wisselkoersen in 1971. De vaste wisselkoersen, met de Amerikaanse dollar als spil, waren aan het einde van de Tweede Wereldoorlog ingevoerd om de financiële chaos van de vooroorlogse jaren te voorkomen. Deze zogenaamde ‘Bretton Woods afspraken’ boden landen de ruimte om hun eigen economie te stimuleren en beschermen zonder dat het verviel in het vooroorlogse protectionisme. En laat nu net die jaren van veel minder vrije handel, zich kenmerken door de grootste economische groei. En dat niet alleen, die groei werd ook nog eens eerlijk over de bevolking verdeeld. De ongelijkheid in inkomen en vermogen waren in die periode historisch laag, zo laat Piketty zien in Capital in de Twenty-First Century.  Sinds 1971 en vooral sinds 2000 is de economische groei zeer laag en neemt de ongelijkheid flink toe.

De econoom Ha-Joon Chang (23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme) laat zien dat nu succesvolle’ landen als China en India, die de ‘neoliberale vrijhandel’ niet aanhangen, het snelst groeien. En wat verder terug in de tijd: de Verenigde Staten zijn groot geworden door hun markt af te schermen voor buitenlandse (vooral Engelse) producten.

Maken deze feiten niet duidelijk dat vrijhandel niet automatisch tot meer welvaart leidt? En zeker niet tot meer gelijkheid. Want is de ongelijkheid sinds de jaren zeventig niet flink toegenomen, omdat dat beetje groei dat er was, ook nog bijzonder oneerlijk werd verdeeld? Wansink zal met betere argumenten moeten komen.

IJsjes, de euro en ons inkomen

In zijn zaterdagse column besteedt Martin Sommer aandacht aan de toestand in Europa en in het bijzonder in Nederland. Hij legt, in navolging van Heleen Mees en de Britse UBS-bank, een verband tussen de invoering van de euro en de inkomensverdeling. Sinds de invoering van de euro zijn de lage inkomens erop achteruit gegaan en de hoge op vooruit. Net als trouwens in Oostenrijk.

ijsjesFoto: favim.com

Sommer concludeert in navolging van de eerder genoemden dat dit een gevolg is van de Euro. Bij zo’n uitspraak moet ik denken aan Ionica Smeets. Smeets gaf een klein college op het Zomerparkfeest in Venlo. Hét zomerevenement bij uitstek dat dit jaar voor de veertigste keer plaatsvindt. Een college over statistiek en de ongelukken die je ermee kunt veroorzaken. Ik moest vooral denken aan het volgende voorbeeld.

Twee grafieken vertonen in grote lijnen hetzelfde verloop. Er lijkt sprake van correlatie. De ene beschrijft de ijsverkoop en de andere het aantal verdrinkingsdoden. Een snelle conclusie en mogelijke ‘beleidsmaatregel’ is dan het verbieden van de ijsverkoop. Deze maatregel zal niet tot het gewenste resultaat leiden. ‘IJsverkoop’ correleert namelijk niet met ‘verdrinkingsdoden’. Het verband loopt via een derde grootheid, namelijk de temperatuur. Hoe warmer, hoe meer ijs er wordt gegeten en hoe meer er wordt gezwommen. Meer zwemmers leidt vervolgens tot meer verdrinkingen.

Zouden Sommer, Mees en de UBS niet op zoek moeten naar een ‘temperatuur’ bij hun  ‘ijsjes’ (euro) en ‘verdrinkingsdoden’ (inkomensverdeling)? Zou die schuldige niet het Nederlandse beleid kunnen zijn? Het beleid van de immer voortdurende loonmatiging? Het beleid van het jarenlang op de nullijn houden van uitkeringen? Het beleid van het steeds maar weer bezuinigen op sociale voorzieningen?

Zijn dat niet maatregelen die samen met een economische crisis, met name de onderkant van het inkomensgebouw hard treffen? Die nog worden versterkt door zaken als de geliberaliseerde huurverhogingen van sociale huurwoningen en eigen risico’s in de zorg ?

Dat het resultaat van deze maatregelen in euro’s wordt uitgedrukt, maakt de euro nog niet tot de oorzaak ervan. Want was met dergelijk beleid en de gulden als munt, niet hetzelfde gebeurt? Is het niet te makkelijk om de euro als schuldige aan te wijzen? De euro en de EU zijn een gewilde schuldige. Getuigt dit niet van intellectuele armoede en populisme?

Eye wish, Pearl of ‘Gans Anders’?

‘Nederland is een verzorgingsstaat en daarin zijn we veel te ver doorgedraaid. Zo ver dat mensen geen initiatief en verantwoordelijkheid meer nemen. Niet voor het schoon en sneeuwvrij houden van hun eigen stoepje. Niet meer voor het poetsen van het huis van je oude moeder, als die het zelf niet meer kan. Heb je geen werk dan houd je je hand op want je hebt immers recht op die uitkering. In dit land word je van wieg tot graf verzorgd. Heb je ergens een probleem, maak je geen zorgen de overheid neemt het van je over en lost het op. Hoog tijd dat daar iets aan wordt gedaan. Dat mensen weer zelf verantwoordelijkheid nemen, dat de werkloze van die bank komt en wat gaat doen, al is het in eerste instantie vrijwillig. Dat die oudere zelfredzaam blijft en zich inzet voor een ander. Dat kinderen en buren verantwoordelijkheid nemen voor ouders en buurtgenoten. Of eigenlijk dat we verantwoordelijkheid nemen voor elkaar. Maar niet alleen voor elkaar, ook voor onze leefomgeving. Die moeten de bewoners zelf schoon, veilig en heel houden. Dat er niet zoveel naar de overheid wordt gekeken. Dat we een participatiesamenleving worden waarin ieder zijn steentje bijdraagt, het liefst via betaald werk want dan participeer je pas echt.’  

cave

Illustratie: johnveldhuis.com

In iets meer dan tweehonderd woorden staat hier het nu populaire discours beschreven. Een discours dat is, en wordt vertaald in steeds meer wetten. Zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Participatiewet en de Jeugdwet. Maar wat als dit, zowel de ‘verzorgingsstaat’ als de ‘participatiesamenleving’ frames zijn. Brillen waarmee we naar de wereld kijken? Neem bijvoorbeeld de brief van de voorzitters van DWARS, ROOD, de Jonge Socialisten en FNV Jong in de Volkskrant. Een brief die ze afsluiten met de woorden “Het zijn jongeren die vol willen meedraaien in de maatschappij. Werkgevers, maak geen misbruik van hun positie door ze tegen stageloon, of zelfs tegen helemaal geen loon, in te zetten om productief werk te doen. Neem ze aan, gun ze een goede start van hun carrière!” Woorden uit een betoog dat ademt dat je alleen met betaald werk participeert in de samenleving en zij zijn niet de enigen.

Een andere bril

‘De sociale wetgeving zoals die vanaf de Noodwet ouderdomsvoorziening, later uitgebouwd tot de Algemene ouderdomswet (AOW), van Drees is opgebouwd, was en is bedoeld om mensen in hun kracht te zetten. Om mensen in lastige situaties, zoals werkloosheid, hun onafhankelijkheid en zelfstandigheid te laten behouden zodat ze ook in die lastige situaties als vrij persoon kunnen blijven deelnemen en handelen. Dat ze niet afhankelijk worden en blijven van de goedertierenheid van hun kinderen, buren of kerkgenootschap. Dat ze, zoals dat tegenwoordig heet, volwaardig kunnen blijven participeren in de samenleving.’ 

Zouden deze bijna negentig woorden, de bril kunnen zijn waarmee vanaf de jaren vijftig is gebouwd aan een wetgevingsstelsel dat nu ‘verzorgingsstaat’ wordt genoemd? Is de kern hiervan niet de zelfstandigheid van het individu om zelf zijn leven in te richten? Ter verdediging van die ‘Noodwet van Drees’ zoals hij werd genoemd, sprak premier Drees de hoop uit dat deze moest uitgroeien: “… tot een regeling, die vaste rechten geeft, vaste rechten, die een redelijk zelfstandig bestaan kunnen waarborgen.” Met soortgelijke woorden kondigde de koning bij de Troonrede in 2013 de ‘participatiesamenleving aan: “In deze tijd willen mensen hun eigen keuzes maken, hun eigen leven inrichten en voor elkaar kunnen zorgen.”

Meer overeenkomst

Ook in de manier waarop georganiseerd wordt, zijn verrassende overeenkomsten te zien. Neem het organiseren van de gezondheidszorg, de zorg voor de jeugd en de ondersteuning van individuen en gezinnen. Er wordt gewerkt met wijkteams die kort op de problemen moeten zitten, zonder ze over te nemen. Die moeten werken aan het weerbaar maken van het individu en het gezin en die hierbij de buren en familie betrekken. Die alert moeten zijn op problemen en die zo vroeg moeten signaleren, dat er snel wat aan gedaan kan worden. Die in de haarvaten van de samenleving moeten zitten. Die voor de bewoners van de wijk het logische aanspreekpunt moeten zijn als ze ergens mee zitten. Zo wordt inhoud gegeven aan de participatiesamenleving. Maar dit lijkt ook verdacht veel op de wijkzorg die vanaf de jaren vijftig tot in de jaren tachtig actief was. Die was opgebouwd als een onderdeel van de nu vervloekte ‘verzorgingsstaat’. Hoe verhoudt dit zo vroeg mogelijk, liefst al voor de geboorte, signaleren van problemen, en het in de haarvaten van de samenleving zitten, zich eigenlijk tot die eigen verantwoordelijkheid en de terugtredende overheid?

Hetzelfde doel, dezelfde middelen maar toch een heel ander frame, een heel andere kijk op de wereld. ‘Als eenzelfde aanpak geschikt is, wat maakt dat frame, die bril of kijk dan uit’, zou je kunnen vragen. Zou het voor een werkloze medemens wat uitmaken of hij wordt gewantrouwd als een ‘luie uitvreter’, iemand die de kantjes ervan afloopt en die profiteert van het ‘zuurverdiende’ geld van anderen, als een potentieel fraudeur? Of…, omdat hij buiten zijn schuld om, zijn baan heeft verloren, een lot dat ons allemaal kan treffen; dat hij nu even financiële hulp nodig heeft om zichzelf, en eventueel zijn gezin, deze moeilijke tijd te laten overleven; dat we weten dat hij er alles aan zal doen om zo snel mogelijk weer in zijn eigen levensonderhoud te voorzien? Zou het voor een hulpbehoevende oudere uitmaken of hij als een kostenpost wordt gezien, waarvan de kosten zo laag mogelijk moeten blijven; als een last voor zijn familie, buurt en samenleving; en ook als een mogelijke fraudeur of profiteur? Of dat hij wordt gezien als een mens die door ongemakken is getroffen en daarom onze hulp nodig heeft; als een persoon en mens die iets bijdraagt gewoon door er te zijn? Zou dat verschil maken? Als dat verschil maakt, welke boodschap zendt de overheid dan nu uit?

‘Gans’ Anders

Even terug in de tijd. Bij de bouw van wat nu de ‘verzorgingsstaat’ wordt genoemd, werkten liberalen, sociaal-democraten en christen-democraten (al waren die toen verdeeld over meerdere partijen), gebroederlijk samen. De liberalen vanuit vrijheid, de sociaal-democraten vanuit gelijkheid en de christen-democraten vanuit broederschap. Wat zien we terug van vrijheid, gelijkheid en broederschap? Hoe liberaal is het om iemands vrijheid te beknotten door hem afhankelijk te maken van de goedertierenheid van zijn familie en buren? Familie die steeds vaker ver weg woont. Hoe liberaal is het om iemands vrijheid te beperken, zoals nu gebeurt met werklozen en bijstandsgerechtigden? Hoe gelijk ben je nog als je afhankelijk bent van de goedertierenheid van familie en buren? Als je als werkloze bijstandsgerechtigde vanuit de hoogte wordt bekeken en met woorden en daden in de grond wordt getrapt? Hoe sociaaldemocratisch en broederlijk is dat? Hoe broederlijk is het als je door de zorg voor je naaste en alle andere ‘verplichtingen (werk, vrijwilliger etcetera) er zelf aan onderdoor gaat?

Nu werken die stromingen gebroederlijk samen aan de ‘participatiesamenleving’. Wat zou er gebeuren als ze de brillen afzetten? Als die drie stromingen zouden kijken vanuit vrijheid, gelijkheid en broederschap? Zou dat leiden tot beter beleid en wetten? Zou een onvoorwaardelijk basisinkomen dan tot de mogelijkheden behoren? Een basisinkomen dat net voldoende is om op een karige manier rond te komen. Tot de mogelijkheden behoren omdat het de vrijheid van mensen om zelf keuzes te maken, vergroot? Keuzes gebaseerd  op eigen wensen en plannen en veel minder vanuit nood gedreven? Tot de mogelijkheden behoren omdat het ieders startpunt voor het maken van keuzes gelijker maakt, ook de keuze om te studeren? Gelijker omdat niemand zich zorgen hoeft te maken om het rondkomen? Tot de mogelijkheden behoren omdat het de broederschap bevordert? Bevordert omdat het mensen de gelegenheid geeft om zich zonder schuldgevoel en inkomensvrees voor een ander in te zetten? Om dit echt vanuit het hart te doen en zich dan ook niet schuldig te voelen als dat betekent dat de persoon geen betaald werk verricht.

Of dat tot de mogelijkheden behoort is de vraag. Komt op die vraag niet alleen een antwoord als de Eye wish en Pearl brillen worden afgezet en ‘Gans Anders*’ wordt gekeken.

*Gans is Venloos voor helemaal

‘Loonslaven’ fabriek

In de Volkskrant werd de vraag gesteld hoe houdbaar het advies Ons Onderwijs 2032 is. Deze vraag wordt door verschillende mensen beantwoord; ook de door voorzitter van het Platform Onderwijs 2032 de opstellers van het advies, Paul Schnabel. Bij  De Correspondent wordt de vraag gesteld hoe inhoud te geven aan het vak burgerschapsvorming, een onderdeel van het kerncurriculum dat het advies voorstelt.

loonslavenFoto: www.brekend.nl

Burgerschapsvorming als kernvak? Is met dit vak het doel van het onderwijs verworden tot een middel? Want was het doel van het onderwijs niet om jeugdigen de bagage mee te geven om hun weg te vinden in hun leven. Een leven samen met anderen in onze democratische samenleving? Dus om volwaardig burger van die samenleving te kunnen zijn? Om ze de daarvoor benodigde kennis en vaardigheden bij te brengen? En zou het totale curriculum niet het middel zijn om dat doel te bereiken? Dit roept de vraag op, wat dan het nieuwe doel van het onderwijs is?

Een curriculum dat: “belangrijk (is) voor leerlingen die naar de universiteit willen, maar evengoed voor toekomstige loodgieters en cateraars,” aldus Schnabel en dat verder bestaat uit Nederlands, Engels, Wiskunde en Digitale Vaardigheden. Voor wat het laatste vak betreft de vraag wie er dan wie, wat moet leren? Want leren de ervaringen niet dat leerlingen dit zich makkelijk zelf eigen maken en hierin veel vaardiger zijn dan leraren? Is het doel dan de groei van de economie? En draagt het onderwijs bij door het leveren van voldoende arbeidskrachten? Is het met andere woorden een ’loonslaven’ fabriek?

Waarom zijn er nieuwe vaardigheden nodig? Waren, en zijn juist voor onze democratie, maar ook voor de economie, kritische, creatieve en zelfdenkende mensen nodig die zich in een ander kunnen inleven? Stimuleer je creativiteit niet juist door kinderen kennis te laten maken met andere culturen, of dat nu huidige of vergane culturen zijn? Zou dat ook de nieuwsgierigheid, verbeeldingskracht en het empathisch vermogen vergroten? Zijn dat, om Schnabel aan te halen, nu juist de vaardigheden die belangrijk zijn “voor leerlingen die naar de universiteit willen, maar evengoed voor toekomstige loodgieters en cateraars?” Die vooral van belang zijn voor toekomstige kritische, creatieve, zelf denkende burgers in een democratische samenleving?

Debat, partijen en parlement

In de Volkskrant stelt Willem van Ewijk een bijzondere vraag naar aanleiding van het Oekraïnereferendum. Een referendum waardoor er eindelijk een debat over de inhoud en niet over ‘poppetjes’ werd gevoerd. Eindelijk een debat tussen mensen die het niet met elkaar eens zijn. Eindelijk een debat over concreet beleid, zo constateert Van Ewijk, alleen jammer dat het was over een verdrag dat al getekend was.

debat

Foto: dspace.library.uu.nl

Zo’n debat smaakt naar meer, want dat is: “waar een gezonde democratie op draait: het voortdurende debat”, zoals Van Ewijk terecht constateert.  Alleen: “Het is een ideaal natuurlijk, maar iets waar de Tweede Kamer al lang niet meer in uitblinkt”  Het debat wordt, aldus Van Ewijk, nu beheerst door het kleine groepje Nederlanders dat lid is van een politieke partij. En dan stelt hij de vraag: “Als burgers niet meer debatteren via politieke partijen, waarom houden we dan zo krampachtig vast aan die parlementaire democratie?” Op de vraag wat er dan voor in de plaats moet komen, geeft hij geen antwoord, maar daar gaat het nu niet om.

Een bijzondere vraag, omdat er een relatie wordt gelegd tussen het publieke debat, politieke partijen en het parlement. Eerst de relatie tussen het publieke debat en politieke partijen. Van Ewijk lijkt het publieke debat te beperken tot de het debat in de Tweede Kamer. Is dat niet heel erg beperkt? Die partijen zouden het debat moeten voeren en dat doen ze niet. Is het publieke debat niet het gesprek tussen burgers op straat, in kranten, via Facebook en Twitter, via sites als www.ballonnendoorprikker.nl? Zijn politieke partijen hierbij onmisbaar?

Dan de relatie tussen politieke partijen en de parlementaire democratie. Van Ewijk lijkt te suggereren dat partijen cruciaal zijn in een parlementaire democratie. De Grondwet kent geen politieke partijen. Die kent parlementsleden die: “stemmen zonder last (artikel 67 lid 3). Zij zijn vrij om naar eigen oordeel en goeddunken te stemmen. Zou een parlementaire democratie kunnen functioneren zonder politieke partijen? Gewoon 150 landgenoten die we kiezen en die ons representeren, of ze representatief kunnen uitloten naar de ideeën van David van Reybrouck?

En daarmee zijn we aanbeland bij de relatie tussen parlement en publiek debat.  Parlementsleden moeten het publieke debat volgen, vragen stellen en op basis van de argumenten voor en tegen en hun eigen opvattingen, een keuze maken. Een keuze die niet overeen hoeft te komen met de ideeën en wensen van de meerderheid. Want het publieke debat kan eeuwig doorgaan, op enig moment moet er echter worden besloten en daarvoor worden die 150 mensen gekozen. Zou onze parlementaire democratie zo kunnen werken?

De koning van Roermond

Aan een verouderde wet hoef je je niet te houden. Dat is, zo valt in de Volkskrant te lezen, in het kort wat voormalig Roermonds wethouder Jos van Rey ter verdediging betoogde op de eerste dag van het strafproces tegen hem. Van Rey “Er vindt geen politieke benoeming plaats zonder overleg binnen de partijlijn. Dat is ingeburgerd in Nederland. We doen alsof hier hel en verdoemenis is uitgebroken, maar zo gaat het met alle benoemingen. De gemeentewet is verouderd.” Hij bekend hiermee al vast schuld aan hetgeen hem ten laste wordt gelegd.

Van ReyIllustratie: www.yoopdeloop.com

De redenatie van Van Rey volgend, zijn er twee soorten wetten: verouderde waar je je niet aan hoeft te houden en niet verouderde waar je je wel aan moet houden. Wanneer is een wet verouderd? Welke criteria worden hierbij gehanteerd? Wie bepaalt die criteria en dus welke wetten er verouderd zijn?

Van Rey noemt één criterium voor ‘verouderheid’ van een wet. Als iets bij wet verboden is en toch gangbaar is in een sector, als ongeveer ‘iedereen’ het doet, dan duidt dat op verouderde wetgeving. Zou Holleeder dit argument ook kunnen gebruiken? Zo van: ‘in mijn wereld is een moord, afpersing en bedreiging ingeburgerd, ongeveer iedereen doet het.’ Of een bouwbedrijf ‘in de bouwwereld is een steekpenninkje of een snoepreisje om iemand om te kopen heel ingeburgerd. De wet is verouderd.’ Of en hardrijder ‘in de wereld van ons asfaltracers is 150 kilometer per uur een slakkengangetje.’ Wellicht kan de liborverantwoordelijke Rabobankier er ook nog wat aan hebben: ‘in onze sector is het heel gebruikelijk dat we gezamenlijk bepalen hoe hoog die rente is.’  Holleeder, de bouwers, de asfaltpiraten en de Rabo-bankier zouden worden weggehoond met politici en bestuurders voorop.

Voor aanvang van het proces gaf Van Rey aan te vrezen geen eerlijk proces te krijgen. Mocht hij worden veroordeeld, welke wetten zouden dan nog meer verouderd zijn? Van iemand die jarenlang wethouder is geweest zou je mogen verwachten dat hij ervan op de hoogte is dat er maar één soort wet is, een geldende wet en daaraan moet iedereen zich houden.  Gelukkig bekent hij met deze woorden al vast schuld aan hetgeen hem ten laste wordt gelegd.

Als de wet tegen je is, discussier dan over de feiten. Als de feiten tegen je zijn, discussieer dan over de wetten. Als alles tegen je is, scheldt dan de advocaat van de tegenpartij uit,”  Van Rey lijkt  dit advies van de Amerikaan William Badgarden te volgen. Zou een houding zoals die van Van Rey een belangrijke oorzaak kunnen zijn van het gebrek aan vertrouwen in politiek en bestuur?

 

Op uw gezondheid

In de Volkskrant zet Frank Kalshoven alvast wat aandachtspunten voor het nieuwe kabinet op een rijtje. Nummer één op de lijst, de zorgkosten. Kalshoven: “wat wil de partij met die zorgkosten doen? Ik zou zeggen: tem die beer. Zet het mes in de verwachte stijging van de zorgkosten om ruimte te scheppen voor andere dingen…”  Bij het lezen hiervan, moest ik denken aan het boek The Rise and Fall of American Growth van de Amerikaanse econoom Robert J. Gordon.

Gordon

Illustratie: press.princeton.edu

Gordon besteedt aan heel veel zaken aandacht, zo ook aan de ontwikkelingen in de gezondheidszorg. Natuurlijk beschrijft hij de Amerikaanse situatie, toch biedt het wel stof om over na te denken. Als eerste constateert hij dat commercie in de Verenigde Staten niet tot de beste, meest efficiënte en goedkope zorg heeft geleid. Toch opletten met verdere marktwerking?

Gordon laat zien dat de grote gezondheidswinst, die is bereikt tussen 1870 en nu, voor het grootste deel aan andere zaken is te danken dan pure gezondheidszorg. Collectieve investeringen als aanleg van waterleidingen met schoon drinkwater. De aanleg van rioleringen. Het gebruik van zeep. De komst van de auto. De auto? Ja, de auto want die zorgde ervoor dat het paard uit het straatbeeld verdween en met het paarden de mest, de paardenurine en de paardenlijken. Deze maatregelen zorgden voor een forse daling van de baby- en kindersterfte en daarmee een flinke stijging van de gemiddelde sterfteleeftijd. Vervolgens de toevallige uitvinding van de penicilline door Alexander Flemming en de vaccinaties voor diverse kinderziektes. Deze maatregelen zorgden ervoor dat er voor vele kinderen, vele gezonde levensjaren bijkwamen.

De laatste decennia (in de Verenigde Staten zo ongeveer sinds 1950, ligt de aandacht bij hart- en vaatziektes en kanker, omdat daaraan sinds die tijd de meeste mensen sterven. Verschil met die eerdere maatregelen, is volgens Gordon, dat deze ervoor zorgen dat aan het einde leven het leven een paar jaar worden toegevoegd.

In een tijd waar overgewicht een steeds groter probleem wordt, waar de jeugd steeds minder beweegt en de uittredend commandant der strijdkrachten signaleert dat jeugdige rekruten steeds minder sterk en beweeglijk zijn en de fijne motoriek afneemt. Wat zou dan het nieuwe kabinet van Gordons beschrijving en deze gegevens kunnen leren? In ieder geval dat investeren in  preventie loont.

Inzetten op preventie? Op veel meer sport en spel, bewegingsonderwijs voor kinderen op basis- en middelbare scholen? Sport en spel waarbij tevens aandacht is voor samenwerking en zo ook voor normen en waarden? Want zie je tijdens sport en spel niet het echte kind? Zou dat niet ook kunnen bijdragen aan betere prestaties van jongens?

Klein bier

In de Volkskrant viel te lezen dat de Nederlanders afgelopen jaar meer bier zijn gaan drinken. De grootste bijdrage in die groei kwam van alcoholvrije bieren zoals radler. Mooi voor de betreffende bedrijven dat hun omzet groeit, toch knelt er iets.

Bier

Foto: www.dehorecabazaar.nl

Bier is toch een alcoholische drank? De Vandale bevestigt dit: “alcoholische drank, uit hop en gerst gebrouwen.” Hoe kunnen alcoholvrije drankjes bijdragen aan de bier verkoop? Er zit geen alcohol in, dus dan kan het toch geen bier zijn? Het is dan toch gewoon frisdrank: “meestal koolzuurhoudende, alcoholvrije drank; limonade,” aldus diezelfde Vandale. Als we de radlertjes bier noemen, waarom worden cola, seven-up en cassis dan niet ook bier genoemd?

Een fenomeen dat zich niet alleen beperkt tot bier en frisdrank. Neem de vegetarische hamburger.

Een hamburger is, naast een inwoner van de Duitse stad Hamburg, ook een: “schijf gebraden gehakt.” Een schijf die meestal met uitjes, augurken, een blaadje sla, wat mosterd en ketchup op een broodje wordt geserveerd. En gehakt is: “fijngehakt of gemalen vlees.” Nu is een vegetariër: “iemand die geen vlees of vis eet.”

En nu we toch bezig zijn: de vegetarische slager. Die heeft meer geluk. Tenminste als hij iemand is: “die de dood van velen op zijn geweten heeft; een wreedaard.” Als hij zelf geen vlees eet dan is hij een vegetarische slager. Maar die wordt er niet mee bedoeld. De vegetarische slager maakt en verkoopt vegetarische hamburgers, – kipnuggets en allerlei andere vleesvervangende producten. Dan wordt het dubieus. Dan is hij geen slager. Want een slager in die betekenis is: “iemand die vlees en vleeswaren in het klein verkoopt.”

Zijn alcoholvrij bier, een vegetarische hamburger, – kipnugget  of – slager geen voorbeelden van een contradictio in terminis? Zijn ze niet net zo onmogelijk als een vierkante cirkel? Wordt onze taal geen rommeltje als we er ‘vierkante cirkels’ in toestaan? Zouden we niet veel voorzichtiger en vooral veel preciezer met onze taal moeten zijn?

Of maak ik me nu druk om iets onbelangrijks? En dus een andere vorm van bier volgens de Vandale: klein bier?

Provocerende puber

Scholen en leraren hebben het moeilijk met radicalisering en de gespletenheid in de klas. Gespletenheid door de totaal verschillende wereldbeelden. De ene groep wantrouwt westerse media en ziet overal complotten van de Verenigde Staten en Israel. De andere groep wantrouwt alles wat met moslims te maken heeft en ziet overal extremisten. In de Volkskrant een interview met Margalith Kleijwegt die in opdracht van het Ministerie van Onderwijs onderzocht hoe docenten omgaan met deze problematiek. In dit interview wordt de volgende vraag gesteld:“Stel een leerling roept dat het westen dit soort aanslagen over zichzelf afroept. Wanneer is zo’n opmerking een signaal van radicalisering en wanneer is het provocerend pubergedrag?”

provoceren

Foto: www.fcupdate.nl

Een zeer bijzonder vraag want er worden meteen twee mogelijke antwoorden bij gegeven: radicalisering of pubergedrag. Kleijwegt antwoordt: “Dat weet je niet” en geeft vervolgens een voorbeeld waaruit je kunt opmaken hoe moeilijk het is om te kiezen tussen de twee mogelijke antwoorden. Zijn dat echter de enige antwoorden? Wordt het niet interessant als de achtenvijftigjarige Henk, die van Ingrid, beweert dat het westen dit soort aanslagen over zichzelf afroept? Is Henk dan ook aan het radicaliseren of is er dan sprake van puberaal gedrag?

Wordt het niet nog interessanter als een wetenschapper en publicist een soortgelijke uitspraak doet? Ook in de Volkskrant een interview met rechtsfilosoof Afshin Ellian. Ellian maakt zich zorgen over het salafisme dat hij als zeer gevaarlijk beschouwt en hij ziet te weinig urgentie om het te bestrijden. Het interview sluit af met de volgende zinnen: “Als het salafisme echt groot wordt, is het steeds moeilijker te bestrijden. Dan bestaat het gevaar van gewelddadige conflicten. En daarom moet je ingrijpen nu het nog kan.” Staat hier niet met andere woorden hetzelfde als die leerling in de vraag roept, maar dan geprojecteerd in de toekomst en met iets wat er nu nog tegen gedaan kan worden?

Is het volgens Ellian niet al te laat als hij het volgende beweert: “Alle moslims krijgen met de paplepel ingegoten dat ze superieur zijn en het voorbeeld van Mohammed moeten volgen. En wat is dat voorbeeld? De profeet dwong mensen tot bekering, voerde de sharia in en stichtte een islamitische staat. Want alleen in een islamitische staat kun je de islamitische wetten toepassen”? Dit is geen radicale versie van de islam het is, aldus Ellian, dé islam.

Is Ellian een provocerende puber of is hij aan het radicaliseren, maar dan de andere kant op? Wie gaat het gesprek aan met dit radicalisme?

Achter de oren krabben

Columniste Elma Drayer ergert zich in de Volkskrant aan Peter Vandermeersch, de Vlaamse hoofdredacteur van de NRC: “Ik krabde me achter de oren. Hoe was het mogelijk dat de hoofdredacteur van een gerespecteerde krant zulke gemakzuchtige onzin uitkraamde? Alsof hoge werkloosheid en het lastig hebben (wat dat laatste ook mag betekenen) geheel logisch leiden tot terreurdaden. Alsof daar niet heel veel meer voor nodig is. Bijvoorbeeld een rotsvast geloof in een religieus utopia waarin alle neuzen dezelfde kant op staan, de Almachtige het laatste woord heeft en Israël compleet van de kaart zal zijn gevaagd. Alsof daar niet tevens een naaste omgeving voor nodig is die nauwelijks tegen dit gedachtegoed ingaat, en zo gedoogt dat het zich naar hartelust verspreidt.”

achter de oren krabben

Foto: zoom.nl

Inderdaad is er geen causaal verband tussen werkloosheid en ‘het lastig hebben en terrorisme’. Dat was ook niet wat de hoofdredacteur beweerde, die beweerde dat het een voedingsbodem is. Nu kan er veel groeien op een voedingsbodem, maar moet er dan niet eerst een zaadje wordt geplant? Wat is dan dat zaadje?

Is dat, zoals Drayer het omschrijft ‘een rotsvast geloof in een religieus utopia waarin alle neuzen dezelfde kant op staan’? Zijn er niet heel veel mensen die geloven in een religieus utopia? Zijn de grote monotheïstische religies (en stromingen) niet gebouwd op een dergelijk utopia? Zouden er dan niet veel meer terroristen moeten zijn?

Zouden er naast religieus terrorisme ook andere vormen van terrorisme zijn? Beatrice de Graaf onderscheidde in haar DWDD college vier golven en dit religieus jihadistisch terrorisme behoorde bij de vierde golf. De andere drie golven waren de anarchistische, de nationalistische (gericht op onafhankelijkheid) en de revolutionaire (links georiënteerd en soms bestreden door van overheidswege gesanctioneerd rechts contraterrorisme).

Drayer lijkt de ‘naaste omgeving’ mede schuldig te verklaren. Die ‘gaat nauwelijks tegen dit gedachtegoed in en gedoogt zo de verspreiding’. Hoeveel invloed zou de naaste omgeving hebben op deze jongeren? Hoeveel invloed hebben ouders op puberende kinderen en jong volwassenen? Zeker als die ouders niet echt worden geholpen door de samenleving waarin zij wonen, omdat zij in daad en in woorden vaak worden buitengesloten?

Zou Drayer zich niet ook achter de oren moeten krabben om ‘de gemakzuchtige onzin’ die ze zelf uitkraamt?