Revolutionaire waskracht

Gisteren schreef ik over de onderwijsplannen van Maurice de Hond. De Hond sprak over een andere wereld waarin onze kinderen opgroeien dan de wereld waarin mensen van boven de veertig zijn opgegroeid. Door deze zin moest ik denken aan het derde Venlo College dat ik afgelopen week bezocht. Een van de sprekers, crisiscommunicatie-specialist Hans Siepel, sprak over de bijzondere tijd waarin we leven. We staan op een kruispunt  tussen ‘eerlijke’ communicatie en ‘mannetjesmakerij’, zoals ik het interpreteer. En er is nu zo’n druk vanuit de samenleving, dat de eerlijke communicatie gaat winnen van het machtsdenken van de ‘mannetjesmakerij’. Barbara Tuchman heeft een boek geschreven over dat machtsdenken door de eeuwen heen. Conclusie: de mens blijkt hardleers.

wassenFoto: www.ehabweb.net

Nu horen we dat vaker: we leven in bijzondere tijden en de ‘Brave New World’ ligt binnen handbereik. Uitspraken waarbij de nadruk wordt gelegd op het bijzondere van het huidige tijdsgewricht. Aan het eind van het vorige millennium gingen we bijvoorbeeld het tijdperk van de ‘nieuwe economie’ in. Een tijdperk van eeuwigdurende economische groei mogelijk gemaakt door de dot.com revolutie en dat eindigde met een knappende ballon.

Nu denken mensen als De Hond dat er compleet andere tijden aanbreken. Tijden waarin de virtuele wereld de reële langzaam naar de achtergrond zal verdrijven. Het eerste Venlo College was eraan gewijd: “De technologische en digitale ontwikkeling gaat steeds sneller. Dit heeft grote gevolgen voor hoe we in de toekomst ons werk doen en hoe we in contact staan en communiceren met onze inwoners”, zo viel te lezen op de uitnodiging.

Is er sprake van een plotselinge verandering? Een algehele ommekeer? Of is het meer van hetzelfde? Werk vervangen door techniek is al zo oud als de vuistbijl. Informatie vastleggen om die voor het nageslacht beschikbaar te houden heeft ook al een lange baard. Wie kent er nog de oral history? De rotstekeningen? De kleitabletten? De papyrusrollen? De schilderijen? De gedrukte boeken? Is het niet een gestage ontwikkeling die alleen wat sneller gaat omdat we met wat meer mensen zijn?

Nu is het heel menselijk om de huidige tijd en de gebeurtenissen erin als revolutionair te zien. De Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang constateert dat in zijn boek 23 Dingen die je ze niet vertellen over het kapitalisme ook en brengt perspectief aan: … in termen van economische en sociale veranderingen die erdoor teweeg zijn gebracht is de revolutie van het internet (althans tot nu toe) minder belangrijk geweest dan die van de wasmachine en andere huishoudelijke apparaten, … .” 

Zou Chang een revolutionair waskracht-punt hebben?

Modern Times

Maurice de Hond pleit in de Volkskrant voor het op een heel andere manier vormgeven van het onderwijs. De wereld verandert volgens De Hond: “Door Google en Wikipedia, smartphones en sociale media heb je waar ook ter wereld altijd de beschikking over alle informatie in de wereld. Dit leidt tot een compleet andere wereld dan de wereld waarin de mensen boven de veertig jaar zijn opgegroeid.”

ChaplinIllustratie: decentfilms.com

Daarom moet er in het huidige curriculum worden geschrapt (hij denkt aan bijvoorbeeld Latijn, Grieks of wiskunde) om plek te maken voor bijvoorbeeld programmeren en ondernemen. “We leren je het nu, wie weet heb je het ooit nodig. Veel van wat je leerde, was in de rest van je leven nooit meer relevant.” Omdat informatie nu in overvloed beschikbaar is, is dat niet nodig. Als je het nodig hebt, zoek je het immers gewoon even op. De Hond lijkt ervoor te pleiten om het onderwijs af te stemmen op dat wat de markt vraagt.

Volgens De Hond is andere kennis en zijn andere vaardigheden nodig: “We moeten veel ruimte geven aan creativiteit, kritisch denken, leren leren, burgerschap.” Was en is dat niet altijd de opdracht van het onderwijs geweest? Is het daarom niet juist van belang om te weten wat de generaties voor jou dachten? Moet je dan ook niet de kennis van hun taal voor de samenleving behouden zodat die teksten uit de eerste hand gelezen kunnen worden? Is wiskunde niet ook van belang omdat het logisch nadenken en redeneren ontwikkelt en bevordert? Zou de wereld niet juist gebaat zijn bij meer logisch nadenken? En bovenal, is dat niet juist een vaardigheid die je goed van pas komt bij het schrijven van algoritmes en het programmeren?

De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum hield een paar jaar geleden in haar boek Not for Profit juist een pleidooi voor het opwaarderen van wat zij humanities, de geesteswetenschappen noemt. Zij waarschuwt voor de dominantie van het ‘marktdenken’: “Hongerig naar winst, verwaarlozen landen en hun onderwijssystemen vaardigheden die nodig zijn om de democratie levend te houden. Als die trend doorzet, produceren landen van over de hele wereld generaties van bruikbare machines in plaats van complete burgers die zelf kunnen denken, tradities bekritiseren en die het belang inzien van andermans lijden en prestaties. De toekomst van de democratie staat op het spel (eigen vertaling).” 

Heeft zij hier een punt? Stimuleer je creativiteit niet juist door kinderen kennis te laten maken met andere culturen, of dat nu huidige of vergane culturen zijn? Zou dat niet ook de nieuwsgierigheid en het empathisch vermogen vergroten? Kan dit geen positieve invloed hebben op de samenleving en dus bijdragen aan ‘burgerschap’? Spant De Hond het paard niet achter de wagen?

Genoeg hebben is geluk

In een interview met de Volkskrant licht PvdA-fractieleider Diederik Samsom zijn plan toe hoe om te gaan met de vluchtelingenstroom. Samsom: “Vluchtelingen verdienen een veilig heenkomen maar de mensen die hier wonen verdienen dat wij hun welvaartsstaat overeind houden.” Een interessante zin die uit twee delen bestaat en die delen worden door Samsom tegenover elkaar gezet. Zowel bij die twee delen als ook bij het tegenover elkaar zetten zijn vragen te stellen.

Vluchteling

Foto: www.dewereldmorgen.be

Vluchtelingen verdienen een veiling heenkomen. Even naar het plan. Dat komt erop neer dat vluchtelingen zich moeten melden en laten registreren in ‘veilige’ landen buiten de EU. En om de druk op die landen wat te beperken, is de EU bereid om maximaal 250.000 van hen op te nemen. De rest moet maar in de regio worden opgevangen. Schuift de EU zo niet het probleem terug?  En schuift die vluchteling zo niet uiteindelijk terug naar de oorlog die hij ontvluchtte? Want waarom zouden buurlanden wel al die vluchtelingen opnemen?

De mensen die hier wonen verdienen dat de welvaartsstaat overeind wordt gehouden. Is die welvaartsstaat de afgelopen twintig jaar door de successievelijke kabinetten (met en zonder de PvdA) niet aardig gedecimeerd? Moest die niet worden geofferd op het altaar van de neoliberale ideologie? Een ideologie van ieder voor zich? Is er niet gesneden in de hoogte en de lengte van uitkeringen? En zijn de toegangspoorten voor ondersteuning door de overheid niet steeds verder gesloten? Is die welvaartsstaat met de troonrede 2013 niet doodverklaard ten faveure van de participatiesamenleving?

En dan de hele zin. Is het wel een keuze tussen onze welvaartsstaat en hun veilig heenkomen? Zouden beiden ook samen kunnen? Lao Tse schijnt eens gezegd te hebben: “Genoeg hebben is geluk; meer dan genoeg hebben brengt ongeluk. Dat geldt voor alle dingen, vooral echter voor geld.” Behouden we welvaart niet juist door eerlijk te delen?

Hoe word ik een goede filantroop

 

Goed doen is makkelijk. Er zijn zoveel goede doelen die vragen om je geld. Geef je €100 aan de Hartstichting of aan het Rode Kruis? Allebei de doelen zullen zeer blij zijn met je bijdrage. Maar welke organisatie komt het verst met je €100? Daarover heeft William Macaskill een boek geschreven: Doing Good Better. A Radical New Way to Make a Difference. Een interessant boek dat je ogen opent. Op meerdere manieren. Voor een uitgebreide bespreking van het boek en de erin verwoorde ideeën zie Minder t-shirt voor meer geld..

Eerlijke handelIllustratie: www.happynews.nl

Macaskills benadering past heel goed bij de moderne manier van denken. Hij wil de grote en kleine filantroop handvatten bieden om zoveel mogelijk wel te doen voor hun geld. Hij redeneert hierbij wel heel erg vanuit de gever zelf, terwijl de wereld er voor de ontvanger heel anders uitziet. Dit is hem te vergeven omdat hij wel belangrijke punten maakt. Zo wordt er veel geld verspild aan zaken waarvan het nog maar de vraag is of ze enig effect hebben. Sommigen zouden zelfs wel eens een negatief effect kunnen hebben. Ook de Nederlandse heibel om de salarissen van managers stelt hij terecht in een ander daglicht. Dure managers die succesvolle programma’s organiseren kunnen hun geld wel eens meer dan waard zijn terwijl ‘vrijwillige’ managers van slechte programma’s wel eens heel duur kunnen zijn.

Waar hij echt uit de bocht vliegt is bij zijn carrière-adviezen en dan vooral zijn advies om dan maar een baan te zoeken waar je heel veel kunt verdienen. Hij heeft hier in het geheel geen oog voor de schade die je kunt aanrichten in je jacht naar een zo hoog mogelijk inkomen.

Al met al biedt Macaskill een interessante manier om naar liefdadigheid te kijken. De vijf deelvragen die hij stelt als hij zoekt naar het antwoord hoe je het meeste waar voor je geld krijgt, zijn goede en terechte vragen. Alleen zou je bij het beantwoorden ervan verder moeten kijken dan de utilitaristische-neus lang is. Het is één manier om te kijken, niet de enige. De keuze voor goede liefdadigheid ligt waarschijnlijk in de combinatie. En zou de beste keuze niet kunnen zijn om zaken te doen met bedrijven die hun personeel goed behandelen en goed betalen? En voor de consument het betalen van een eerlijke en rechtvaardige prijs voor producten? Is dat niet de manier om mensen in ontwikkelingslanden zelf te laten kiezen hoe ze zich willen helpen? Dan kunnen ze zelf bepalen of ze een malarianet, ontwormingspillen of boeken kopen.

 

Nationaliseer het onderwijs

Frank Kalshoven zou het interessant vinden als er een soort ‘franchise-formule’ zou komen die landelijk een paar honderd scholen zou exploiteren. Zo’n keten zou een landelijk trainingscentrum kunnen inrichten, wetenschappelijk kunnen experimenteren, schaalvoordelen benutten bij het inkopen van leermiddelen en ICT en beter personeelsbeleid kunnen voeren.  Die scholen zouden meer kwaliteit per euro kunnen leveren en de huidige scholen het goed lastig maken. Meer marktwerking dus. “Wat een walhalla zou dat kunnen zijn,” volgens Kalshoven in de Volkskrant.

FORTIS OVERNAME

Foto: www.nrc.nl

“Creatieve destructie, dat is precies wat het basisonderwijs nodig heeft,” dit concludeert Kalshoven. Creatieve destructie is een proces van voortdurende innovatie, waarbij door succesvolle toepassingen van nieuwe technieken, oude worden vernietigd. De auto die het paard met wagen verving bijvoorbeeld. Nieuwe plannen van staatssecretaris Dekker moeten het stichten van scholen aan de ene kant makkelijker maken en aan de andere kant het sluiten ervan als niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan.

Wat zouden de gevolgen van creatieve destructie via zo’n ketens zijn? Meer kwaliteit per euro kan, maar is dat een zekerheid? Hebben ervaringen in het MBO, HBO en WO niet laten zien dat het geld ook ergens anders aan kan worden besteed? Aan gebouwen bijvoorbeeld. Welk risico lopen ouders en kinderen als zo’n landelijke keten van bijvoorbeeld 200 scholen failliet gaat? Waar kunnen die kinderen dan onderwijs krijgen? Of moet dan de minister ingrijpen net zoals bij het ROC Leiden?

Leren ervaringen in ander sectoren, de financiële sector, de automobielindustrie enzovoorts, niet dat een markt alleen goed functioneert als er een sterke marktmeester is? En is dat niet juist de rol van de overheid. Moet de macht van die marktmeester niet toenemen naarmate de markt complexer is en dichter bij de mens zelf komt? Pleit dat dan niet voor een heel sterke onderwijsmarktmeester? Een meester die bovenop de markt zit?

Volgens Kalshoven zouden de franchise-scholen door hun omvang meer kwaliteit per euro leveren. Als dat zo is waarom dan niet één landelijke keten van scholen? Dan zou je toch de meeste kwaliteit per euro moeten krijgen?

En als we die sterke marktmeester en de kwaliteit per euro combineren. Zou dat er niet voor kunnen pleiten om deze taak te nationaliseren?

Wie zijn heden verprutst

“Het is erg wrang dat er nu zo veel werknemers in de zorg op straat komen te staan, terwijl deze cijfers uitwijzen dat we ze in de toekomst weer keihard nodig hebben.” Een uitspraak van de Limburgse gedeputeerde Daan Prevoo in Dagblad de Limburger als reactie op de laatste bevolkingsprognose. Die laat zien dat de Limburgse bevolking tussen nu en 2050 flink krimpt en veroudert. Dan staat tegenover één werkende één niet-werkende, nu is dat 3 op 2. Hierdoor zal de sociale zekerheid onder druk komen te staan, aldus onderzoeker Hans Kasper: “Minder mensen dragen actief bij aan bijvoorbeeld de bekostiging van uitkeringen. Hoe gaan we dat dan in de toekomst financieren?”

seneca  Illustratie: historiek.net

Nu is het bijzondere aan toekomstvoorspellingen dat het voorspellingen zijn en geen werkelijkheid. Tussen nu en 2050 liggen nog ruim dertig jaar. Dat biedt ruimte om er wat aan of mee te doen. Zou het nu niét ontslaan van de werknemers in de zorg, wat Prevoo lijkt te suggereren, in 2050 een oplossing bieden? Zouden veel van die werknemers dan niet zelf voor zorg in aanmerking komen?  Moeten de oplossingen in een andere richting worden gezocht?

Zou het verhogen van de kinderbijslag of het op een andere manier aantrekkelijk maken van het krijgen van kinderen een oplossing bieden? Als dat beleid nu wordt ingezet, dan levert dat veel extra jongeren en dus meer werkenden. Komen die vele leegstaande schoollokalen ook weer van pas.

Zou de technologische ontwikkeling niet een deel of misschien wel het gehele tekort aan arbeid kunnen oplossen? Zorgrobots die taken van mensen overnemen, administratieve processen die steeds verder worden geautomatiseerd en zaken die we ons nu nog niet voor kunnen stellen. Met andere woorden zou de behoefte aan arbeid niet ook af kunnen nemen? Zou nu daarin investeren over 30 jaar niet tot rendement kunnen leiden?

Met een gelijkblijvend nationaal (of provinciaal) inkomen (alleen voor inflatie gecorrigeerd) en dalende bevolking, stijgt het inkomen per hoofd van de bevolking. In meer dan dertig jaar kan nog veel gebeuren en is nog niets zeker. Of naar een goed Venloos gezegde: “det zit in wiej zek.” Is betaalbaarheid van sociale voorzieningen niet een kwestie van kiezen? Net zoals het nu een keuze was om te bezuinigen op zorg en dus de werknemers in de zorg op straat te zetten?

“Wie zijn heden verprutst, is de slaaf van zijn toekomst,” zei de Romeinse filosoof en staatsman Seneca. Zullen we het heden dan maar niet verprutsen?

Privileges of Principes

“Waarom kunnen wij in Europa niet met een programma komen waarbij deze laagopgeleide, over het algemeen jonge mannelijke vluchtelingen worden teruggestuurd naar de landen rondom Syrië en wij in plaats daarvan in Europa een aanzienlijk aantal in onze westerse samenleving meer kansrijke vluchtelingen (gezinnen met kinderen, getrouwde stellen en hoger opgeleiden) opnemen?” Dit idee oppert briefschrijver Joos de Wit in de Volkskrant. Een interessant idee, alleen vluchtelingen opnemen waarvan we verwachten dat ze daadwerkelijk gaan bijdragen aan onze samenleving.

EisenhowerIllustratie: www.brainyquote.com

Toch roept dit idee wat vragen op. Voor de kniesoor als eerste, hoe bepalen we of iemand kansrijk is? Een gezin met kinderen? Maar wat als al die kinderen een flinke beperking hebben? Hoe bereken je het nut van een individuele vluchteling? Zien we mensen zo niet als een middel in plaats van een doel?

Wat betekent dit voor de landen rondom Syrië? Hoe komt het over als wij de lusten nemen en zij de lasten? Zou dat er niet toe kunnen leiden dat samenlevingen daar destabiliseren omdat er een stuwmeer van ‘kanslozen’ ontstaat? Zou dat leiden tot uitzichtloosheid? En zou dat niet tot nog meer wanhoop leiden? En wellicht tot wanhoopsdaden? Zou dat niet een nog betere voedingsbodem voor wrok en wraak vormen? Wat zou de wereld dan over een aantal jaren te wachten staan? Als de verschillen tussen arm en rijk of kansrijk en uitzichtloos hierdoor nog verder zijn gegroeid?

Nu draaien we het eens om. Stel de landen rondom Syrië komen op ditzelfde idee. Zij houden de ‘succesvollen’ daar en sturen de ‘kanslozen’ deze kant op. Wellicht zou dat de samenlevingen aldaar positief beïnvloeden. Wat zou dat betekenen? Voor de westerse landen zou dat meer problemen betekenen. Maar verkeren wij niet in een veel betere positie om die problemen het hoofd te bieden dan de landen rondom Syrië? Zou dat ervoor kunnen zorgen dat de uitzichtloosheid aldaar vermindert? Dat er daar hoop en optimisme ontstaat? Wat zou dat voor de wereld betekenen? Zou tot een rechtvaardigere en eerlijkere verdeling in de wereld leiden?

Of wellicht de ‘kansrijken’ toch naar hier halen en stel dat alle westerse landen dit doen? Zou er dan een ‘markt’ voor potentieel aantrekkelijke vluchtelingen kunnen ontstaan? Een markt waar deze vluchtelingen ‘bij opbod’ verkocht kunnen worden? En met dat geld zou er rond Syrië iets gedaan kunnen worden voor de kanslozen? Of is dit slavernij?

Of moeten we luisteren naar de Amerikaanse generaal en president Dwight D. Eisenhower? “A People that values its privileges above its principles soon loses both.

ZZP’er avant la lettre

The Tragedy of the Commons, de tragedie van de gemeenschappelijke gronden of de meent en iets ruimer het gemeenschappelijke bezit. Een term gemunt door de Amerikaanse ecoloog Garrett Hardin. De grond, bijvoorbeeld een weide heeft een beperkte omvang en er kunnen dus slechts een beperkt aantal schapen op grazen. Overbegrazing zorgt ervoor dat de hele weide onbruikbaar wordt. Een schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever een schaap meer nemen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus dat ene schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is overbeweiding onvermijdelijk. Zo is de redenatie van Hardin.

commonsIllustratie: www.themarysue.com

Hieraan moest ik denken toen ik het eerste, tweede en derde deel in de reeks columns van Frank Kalshoven in de Volkskrant las. Een reeks die handelt over een ander soort economie. In deel twee beschrijft hij in het kort de ‘Off the grid-economie’. Je koppelt je los van de bestaande economie en probeert zo zelfvoorzienend mogelijk te zijn. Dus je eigen energie/stroom opwekken, je eigen drinkwater regelen, je eigen afval verwerken en ook in je eigen voedsel voorzien. Hoe meer je dat lukt, hoe minder geld je nodig hebt en hoe minder je dus afhankelijk bent van de ‘reguliere’ economie.

Is er voldoende grond om iedereen zijn eigen voedsel te laten verbouwen? Want verliezen we dan niet het specialisme van de huidige landbouw? Een specialisme dat tot gigantische productiestijging heeft geleid. Zou dat te ondervangen zijn door bijvoorbeeld ‘Off the Grid’ dorpen? Dorpen waarin mensen samenwerken om gezamenlijk hun eigen voedsel te produceren? Een soort ‘collectieve boerderij’ of beter nog, een ‘collectief dorp’. Waar kennen we die ook al weer van? Alleen met dat verschil dat die, de kolchozen in de Sovjet Unie, van bovenaf werden verordonneerd. Zou dat een richting kunnen zijn om ‘Off the grid’ te leven? Zou dat geen schoolvoorbeeld van participatiesamenleving zijn?

Hoe nieuw is dat ‘Off the grid’ eigenlijk? Lijkt dat niet verdacht veel op de manier waarop het overgrote deel van onze voorouders eeuwenlang geleefd heeft? Een lapje grond met wat vee. Alles bij elkaar bijna genoeg om te overleven. De rest verkregen ze door de meent, de gezamenlijke gronden, wateren of bossen te gebruiken.

Maar ja, die gaan toch in de tragedie ten onder, volgens Hardin?  Inderdaad de meent ging in een tragedie ten onder waardoor velen in absolute armoede werden gestort en als dagloner moesten zien te overleven (de ZZP’er avant la lettre). Maar, kende de tragedie geen andere oorzaak dan die Hardin beschrijft? Ging de meent niet vooral ten onder omdat de landeigenaar er een hek omzette en de grond zelf in productie bracht? Omheining die mogelijk werd gemaakt omdat de opkomende parlementen (bevolkt door landeigenaren) dit mogelijk maakten. Betekende de onmogelijkheid om de grond nog gezamenlijk te gebruiken en dus het einde van de meent niet de poort naar armoede voor de oude ‘off the gridder’?

Het oude ‘Off the grid’ was geen keus maar een noodzakelijkheid. En geldt dat niet net zo voor ons huidige economische bestel? Dit bestel biedt heel veel keuze op triviaal niveau als het gaat over een pak wasmiddel, maar keuzemogelijkheid is er op het fundamentele niveau tussen “Off’ of “On the grid”? Is ons bestel niet erg eenzijdig ingericht en gericht op een leven ‘On the grid’? Is de keuze voor ‘Off the grid’ niet alleen mogelijk als je kiest voor een zeer sober bestaan als zwerver of als je voldoende kapitaal bezit? En hoe eerlijk is dat?

Wat zou er nu nodig zijn om mensen zelf te laten kiezen tussen “Off’ of “On the grid” zonder mensen tot dagloner te laten vervallen? Staat keuzevrijheid niet hoog in ons vaandel in onze westerse samenleving? Ja, maar dus niet op dit fundamentele niveau. Wij kunnen niet kiezen tussen vol blijven deelnemen aan de huidige tredmolens als ene uiterste en volledig individueel ‘Off the grid’ gaan als andere uiterste en alle varianten ertussen in. Daar is ons economische, sociale en maatschappelijke systeem niet op ingericht. Hoe groot is dan onze vrijheid om zelf te kiezen hoe we ons leven willen inrichten?

Zou een basisinkomen een nieuwe vorm van ‘meent’ kunnen zijn om ieder van ons die vrijheid te geven?

For the times they are a-changin’

“Het beheren van een camping is natuurlijk geen kerntaak van een gemeente. Vandaar ook dat ze in de jaren negentig massaal van de hand werden gedaan in Nederland. Een gemeentecamping is niet meer van deze tijd …” Zo valt te lezen in een artikel in Dagblad de Limburger van vrijdag 8 januari 2016, waarin de worsteling van de gemeente Peel en Maas om de gemeentelijke camping de Heldense Bossen te verkopen wordt beschreven.

Inderdaad is er geen wet die gemeenten verplicht om een camping te bezitten en te exploiteren en dus is het geen kerntaak. Maar gemeenten doen toch meer dan wat de wet hen opdraagt? Een voetbalstadion of wat normaler, een sportcomplex is ook geen kerntaak en toch worden deze door menig gemeente beheerd. Waarom een camping niet en een sportveld of stadion wel?

Interessante vragen maar veel interessanter is de vraag wie bepaalt wat van deze tijd is en wat niet meer? Het is toch niet zo dat een camping niet meer van deze tijd is? Waarom is een door een particulier of bedrijf beheerde camping wel van deze tijd en een door de gemeente beheerde niet? Waarom is een gemeentelijke camping niet meer van deze tijd maar zijn gemeentelijke camperplaatsen dat wel? Heeft dat ermee te maken dat een camper zelf kan rijden?

Waarom denkt het overgrote deel van de Franse gemeenten daar anders over? Loopt de tijd in Frankrijk anders? Als de rest van Nederland de camping al twintig jaar geleden van de hand heeft gedaan, heeft Peel en Maas dan twintig jaar in een andere tijd geleefd dan de rest van Nederland? Zou het ook kunnen zijn dat de gemeente Peel en Maas nu wel bij de tijd is door juist wel een gemeentecamping te hebben? Moeten de andere gemeenten als de wiedeweerga een camping gaan beheren?

Vreemd begrip de tijd, of moet ik zeggen vreemd argument? Of ben ik niet meer van deze tijd? Maar ja, dan leef ik maar in een ander tijd en wellicht komt die ooit. Want zoals Bob Dylan zingt: ‘For the times they are a-changin’.

De kleur van je T-Ford

“Het aantal vrijwilligers en stagiaires bij podia liep op van 5 duizend in 2005 naar ruim 9 duizend in 2014. Het aantal werknemers in loondienst daalde daarentegen juist van bijna 10 duizend naar ruim 8 duizend personen vorig jaar.” Dit valt te lezen in een artikel in de Volkskrant. De podia hebben zich zo met succes gehandhaafd in een periode waarin de subsidie landelijk werd gekort met 13% en het economisch tij ook nog eens flink tegen zat. Waarlijk een knappe prestatie. En niet alleen podia, ook musea en andere culturele instellingen maken, gedreven door bezuinigingen, steeds meer gebruik van vrijwilligers. Zo kunnen ze het hoofd boven water houden. Knap, maar toch …

t-fordFoto: carstyling.ru

Toch knelt het. Is er hier geen sprake van verdringing waarbij werk wat eerst door betaalde krachten werd gedaan, nu door vrijwilligers of stagiaires wordt overgenomen? Moeten we daar blij mee zijn? Welke toekomst is er voor de betaalde krachten die hun baan verloren? En voor die stagiaires? Hebben die wel uitzicht op betaald werk bij de podia? Of worden ze misbruikt met als ‘verleiding’ dat ze nuttige werkervaring opdoen die ze weer op hun CV kunnen vermelden? Iets waaraan steeds meer organisaties en bedrijven zich schuldig maken. Zo hebben ze immers een gratis werknemer. Moeten we blij zijn met deze ontwikkeling?

Hoe strookt dat met het adagium dat betaald werk het toppunt van maatschappelijke participatie is? Natuurlijk, vrijwilligerswerk is ook goed, als je daarnaast maar naar betaald werk zoekt. Knelt het hier niet op een fundamenteel niveau? Op de tegenstrijdigheid tussen de participatiesamenleving waarbij we ‘voor onze naaste’ moeten zorgen en ons vrijwillige steentje moeten bijdragen aan de ene kant. En juist het ‘heilig’ verklaren van betaald werk aan de andere. Hoe moeten we deze trend nu beoordelen?

Zou een basisinkomen die tegenstrijdigheid kunnen oplossen? Geeft dat mensen niet keuzevrijheid? Keuzevrijheid die nu lijkt op de keuze uit kleuren bij de oude T-Ford: alle kleuren zijn mogelijk als het maar zwart is. Maakt dat het niet mogelijk om te kiezen voor meer geld (betaald werk) aan de ene kant en je volledig voor anderen inzetten aan de andere kant en alle varianten daartussen? Dan kan iedereen zijn eigen kleur T-Ford kiezen.