Free to Choose

Maar de allergrootste boosdoener was toch wel internet, aldus het bedrijf zelf.” Zo valt te lezen in de Volkskrant En dat bedrijf is Macintosh, een conglomeraat van schoenenwinkels onder verschillende vlaggen. Al die verschillende ‘vlaggen’ zijn nu failliet en er wordt gezocht naar partijen die deze ‘vlaggen’ of delen ervan willen overnemen. Na V&D alweer een ‘winkelbedrijf’ dat het niet redt. Of met die reddingspogingen alle personeelsleden en vestigingen gered kunnen worden is de vraag.

EsscherIllustratie Esscher gevonden bij: william-wright.com

Als dit leidt tot sluiting van winkels in steden, dan zal de druk op die steden toenemen om ‘iets aan de leegstand’ te doen. De stad moet toch aantrekkelijk en leefbaar blijven? Daarover zullen zowel de achterblijvende winkeliers als de inwoners van die steden het eens zijn. De winkeliers, omdat zij een boterham willen verdienen en de inwoners, omdat die door een gezellige en levendige stad willen slenteren. Een stad met leuke winkels, restaurants en terrasjes.

Gingen kleine dorpjes de steden hierin niet al voor? Met als laatste de bakker die de deuren sloot? Een sluiting die tot verontwaardiging leidde want waar moest je nu je brood halen? De gemeente moest er toch iets aan doen? Maar waarom sloot die bakker? Sloot die niet de deur, omdat het grootste deel van de dorpelingen hun brood bij de supermarkt meenamen, dat was makkelijk en ook nog goedkoper? En was die bakker wel handig als je iets was vergeten?

Veranderend koopgedrag, die laatste bakker en alle andere winkeliers uit de kleine dorpjes die voor hem sloten, weten erover mee te praten. En zoals, uit de geciteerde zin blijkt, verandert het koopgedrag onder invloed van internet. Steeds meer wordt via het net gekocht.

Je kunt je geld toch maar een keer uitgeven? Gaat iedere euro aan schoenen via het net niet ten koste van een schoenenwinkelier in de binnenstad? Moet er dan niet iemand sneuvelen? En zal dat niet de winkelier zijn met personeel en een duur pand in een binnenstad? Want is een loods op een industrieterrein en wat logistieke medewerkers niet veel goedkoper? Leidt dat niet tot leegstand en een minder aantrekkelijke binnenstad? Iets waar de gemeente dan weer iets aan moet doen?

Ligt de sleutel hiervoor niet bij onszelf als consument? Willen we niet aan de ene kant het gemak en de lage prijs van internet en aan de andere kant een gezellige binnenstad? Is ook niet hier de universele paradox: you are free to choose but you are not free from the consequence of your choice, van toepassing?

Lenen, lenen, lenen

De Europese Centrale Bank heeft als hoofddoelstelling het handhaven van prijsstabiliteit in de Euro-zone. Dit is nader ingevuld door het streven naar 2% inflatie. Nu ligt de inflatie onder die 2% en zelfs bijna onder 0%. Daarom wordt er om actie gevraagd van de ECB.

Zo ook door voormalig hoogleraar economie aan New York University Melvyn Kraus. In de Volkskrant pleit hij voor meer actie van de ECB en die ziet hij niet: “De inflatie in de eurozone ligt ver onder de taakstelling. En als we afgaan op het magere pakket aan stimuleringsmaatregelen dat is overeengekomen in de vergadering van het ECB-bestuur in december, lijkt de centrale bank van Europa geen haast te maken om deze toestand recht te zetten.” Kraus heeft een punt, een instelling heeft een doel en moet dat nastreven. Of?

Inderdaad is de hoofddoelstelling van de ECB prijsstabiliteit. De 2% is daarvan een afgeleide en wat is dan belangrijker? Want zijn bij een lagere inflatie of zelfs 0% de prijzen niet nog stabieler dan bij een inflatie van 2%?

Waarom is er prijsstabiliteit bij een inflatie van 2% en niet als de inflatie 1,5% of 2,5% is? Zou het kunnen omdat een lichte inflatie (dus prijsstijging) mensen aanzet tot consumeren? Vandaag kan ik voor dezelfde Euro immers meer kopen dan morgen of volgend jaar. En zou het kunnen dat consumptie bijdraagt aan de, in het huidige denken, broodnodige economische groei? Want bij dalende prijzen wachten we toch met geld uitgeven? Maar, vandaag heb je toch ook eten, drinken, energie, kleren etcetera nodig? Stellen we de aankoop daarvan allemaal uit omdat het morgen goedkoper is?

Zou het ook kunnen dat door een lichte inflatie, de toenemende schulden betaalbaar blijven? Met de geleende Euro kan ik vandaag immers meer kopen dan morgen. En groeit de economie hier niet ook door? En wat voor mij geldt, gaat ook op voor de overheid en de staatsschuld. Dus omdat bij een lichte inflatie de schuldenberg kan blijven groeien, zonder dat de schuldenaar in al te grote problemen komt? De economie groeit toch en kan zo de schuldenaar niet het meerdere inkomen uitgeven aan aflossing van de schulden?

Is dat niet het kenmerk van het huidige economische systeem: schulden maken om te groeien om vervolgens die schulden met groei weer af te betalen? En moet er daarom sprake zijn van lichte inflatie? Of om Youp van ’t Hek uit zijn voorstelling Mans Genoeg uit 1983, aan te halen: “lenen, lenen, lenen, betalen, betalen, betalen.”

 

 

Think different

In zijn boek Over Vrijheid behandelt de Engelse filosoof John Stuart Mill de relatie tussen het individu en de publieke opinie. Mill: “Het begin van alle wijsheid of verheffing komt en moet van individuen komen; meestal eerst van één individu.” En als we de geschiedenis bezien, dan staan dwarsdenkers inderdaad steeds aan de basis van vernieuwing en ontwikkeling. Daarom hebben democratische machthebbers, volgen Mill, de plicht om in tijden dat de druk van de publieke opinie groot is naar dit individu te luisteren: “Juist in deze omstandigheden moeten uitzonderlijke personen niet afgeschrikt, maar aangemoedigd worden om anders te handelen dan de massa.*”

Think DifferentIllustratie: gazoz5.deviantart.com

Hieraan moest ik denken bij het lezen van een artikel in Elsevier. Een artikel waarin de krant bericht over een interview van de NRC met Frits Bolkestein. In dat interview pleit Bolkestein voor het afsluiten van de buitengrens van de Europese Unie. Volgens Bolkestein kan de EU het aantal vluchtelingen niet aan en zal het tot integratieproblemen leiden.

Het gaat mij niet om de grenzen sluiten of de eventuele (on)mogelijkheid van integratie. Ook daar is een en ander over te zeggen. Het gaat om de volgende zin: “Er is allerwegen op Orbán gescholden vanwege onmenselijk gedrag maar hij doet tenminste waar wij allemaal om vragen.”

Bolkestein spreekt blijkbaar namens een groep die allemaal hetzelfde wil. Wie zijn die ‘wij’ waar Bolkestein het over heeft? Zijn dat alle Nederlanders of slechts een deel ervan? Behoor ik ook bij die ‘wij’? Mij is niets gevraagd en hoe kan Bolkestein dan weten wat ik wil? Vraag ik om hekken om Europa? Daar was ik me niet van bewust. Hoe groot is die ‘wij’? Dat lijkt me wel belangrijk om te weten.

En vooral waarom vragen ‘wij’ dat? Welke redenering en welke argumenten gebruiken ‘wij’? En welke alternatieven zijn mogelijk? Zouden dat niet de vragen zijn die een politicus en landsbestuurder zou moeten stellen, alvorens tot actie over te gaan? En kan dat er niet toe leiden dat bestuurders wel eens anders moeten handelen dan ‘wij’ vragen? Is het dan niet de taak van de leider om dat besluit uit te leggen ook als dat tot veel onbegrip leidt? Is dat niet wat wij van leiders vragen?

Computerfabrikant Apple had het in 1997 goed gezien: Think different

* Zie John Stuart Mill, Over Vrijheid Uitgeverij Boom 2009, pagina 115

Veel vragen

Op deze eerste dag van het jaar wil ik jullie, mijn lezers het allerbeste toewensen. Dus veel geluk, liefde, voorspoed, maar vooral veel nieuwsgierigheid: het verlangen om te weten. Want ligt dit verlangen niet aan de basis van de wetenschap: het weten of kennis met een ander woord. En is kennis niet meer dan alleen het weten? Is kennis niet weten, doordenken en begrijpen? Is dat in eerste instantie niet alles betwijfelen wat je ziet, leest of hoort? Is dit niet het bevragen en het van alle mogelijke perspectieven bekijken van waar je mee wordt geconfronteerd?

NieuwsgierigheidFoto: www.menselijk-lichaam.com

Is dat niet wat we nodig hebben om de problemen van onze tijd het hoofd te kunnen bieden? Problemen zoals het omgaan met verschillen, door anderen ook wel integratie of inburgering genoemd? Zou nieuwsgierigheid naar de ander ons niet kunnen helpen om hem of haar te begrijpen? Om de wereld eens vanuit zijn of haar oogpunt te bekijken? En zou dat die andere niet helpen om de wereld achter jou te leren kennen? Zou dat niet tot herkenning van overeenkomsten en begrip voor verschillen kunnen leiden? Zou die herkenning en begrip voor de ander er niet toe kunnen leiden dat er heel andere oplossingen voor die problemen mogelijk zijn?

Zou dat niet ook kunnen helpen bij de ervaren ‘democratische’ crisis in Nederland? U weet wel de ‘kloof’, de gevoelde onbetrouwbaarheid van politici en bestuurders, het betrekken van mensen bij het zoeken naar oplossingen enzovoort.

En niet alleen bij het omgaan met verschillen binnen een land? Zou dat ons niet verder helpen bij de zoektocht naar rechtvaardige en eerlijke oplossingen? Bijvoorbeeld de vluchtelingenproblematiek? Of de nog altijd sluimerende Griekse, maar eigenlijk financiële en bankencrisis? Zou dat niet kunnen helpen bij de  crisis in de Europese Unie? Zou dat ook niet kunnen helpen bij het zoeken naar oplossingen voor de problemen in het Midden-Oosten en in Afrika?

Maar ach, daar hebben wij geen invloed op. Of toch wel? Wat als wij die nieuwsgierigheid gaan betrachten in ons eigen leven? Als wij geen mening meer geven over iets, maar er vragen bij stellen? Wat zou dat voor een effect hebben op de mensen om ons heen? Hoe zouden die mensen hierop reageren? Wat als zij dit over zouden nemen? Zou dat niet onze invloed op de ‘wereldproblemen’ kunnen zijn?

De Ballonnendoorprikker blijft vragen en bevragen. Doen jullie mee? Ik wens jullie veel vragen toe.

Lange neus

“We beginnen met de grootste gebeurtenis van 2015: de ongekende vluchtelingenstroom naar welvarend Europa,” aldus hoofdredacteur Philippe Remarque in het commentaar van de Volkskrant. Iets wat aan het einde van ieder jaar, decennium en eeuw gebeurt: terugkijken op die afgelopen periode. Dan wordt gevraagd naar de belangrijkste gebeurtenis, de belangrijkste of grootste persoon, de beste muziek, de beste voetballer, de sportman en sportvrouw van die periode. Interessante vragen waarop steevast een antwoord komt, maar wat zeggen die antwoorden?

lange neusIllustratie: VK/DeJaap eindejaarscolumns: 2011 lange neus naar babyboomers …

Domineert bij het bepalen van dergelijke zaken niet vooral de plaats of het land waar je woont? Een inwoner van Parijs zal er anders over denken, die zal twee aanslagen noemen. Net als een Chinees of Japanner aan wie die hele vluchtelingenstroom voorbij is gegaan.

Domineert bij het bepalen hiervan niet het heden? Dat wat nu actueel is, de vluchtelingenstroom, komt eerder bij ons op dan iets van wat verder terug in het jaar, de Griekse crisis. Wie werd begin deze eeuw ook al weer tot de grootste Nederlander uit de geschiedenis verkozen? Wie liet Erasmus, Spinoza, Willem van Oranje en Thorbecke achter zich? Pech voor de Nederlandse handbalvrouwen, hun prestatie de afgelopen weken, is volgend jaar bij het uitkiezen van de sportploeg van het jaar al weer vergeten. Behalve natuurlijk als ze Olympisch kampioen worden.

Domineert het heden niet ook als Remarque spreekt over ‘een ongekende vluchtelingenstroom naar welvarend Europa’? Is die vluchtelingenstroom wel zo ongekend? Was de stroom vanuit Joegoslavië in de jaren negentig van de vorige eeuw niet vergelijkbaar? En hoe zit het met de stroom vanuit Oost-Europa aan het einde van de Tweede Wereldoorlog? Al was welvaart toen ver te zoeken? En hoeveel vluchtende Belgen kwamen er in het begin van de Eerste Wereldoorlog niet naar Nederland? Waren dat er niet niet ruim één miljoen? Hoeveel Antwerpenaren en andere Vlamingen trokken er na de val van Antwerpen in 1585 niet naar Holland in het algemeen en Amsterdam in het bijzonder? Al waren dat rijke vluchtelingen die naar armere gebieden vluchtten met medeneming van hun kennis en kapitaal. En bouwde Holland daarop niet haar wereldrijk?

Als we onze eigen tijd altijd het meest bijzonder vinden, moeten we dan niet heel voorzichtig zijn met het benoemen van ‘belangrijkste’ gebeurtenissen? Moeten we dan niet altijd verder terugkijken dan ons huidige neus lang is.

 

Oostindisch doof

“Doofheid is een wereldwijd voorkomend verschijnsel en doven kunnen zonder implantaat een aanvaardbaar bestaan leiden.” Dit is de reden dat een driejarig meisje geen gehoorimplantaat krijgt, zo is te lezen op opiniesite JOOP. Een implantaat dat haar leven aanmerkelijk makkelijker zou maken. Als dit een kind zou zijn van twee ouders wiens familie hier al generaties lang woont, zou dan het land te klein zijn? Ik denk het wel.

Het meisje heeft echter de pech dat haar ouders uit Afghanistan komen en hun asielaanvraag hier afgewezen is. Ze moeten terug. En daarom komt het kind niet in aanmerking voor een implantaat. Zo heeft staatssecretaris Dijkhof besloten. Is dit besluit rechtvaardig?

malalaIllustratie: one.org

In Het geluk van een kopje koffie, Lone Survivor en Hoofdprijs heb ik de utilitaristische kijk op rechtvaardigheid beschreven. Als iets tot maximaal geluk leidt, dan is het voor een utilitarist rechtvaardig. Bekijken we dit geval vanuit de optiek van landen, dan moet Nederland investeren en neemt het geluk in Afghanistan toe, want daar moeten ouders en kind naar terug. Niet doen dus. Maar wat als het kind een tweede Malala wordt, het Pakistaanse kind dat door de Taliban ernstig werd verminkt, in Engeland is geopereerd en nu met de Nobelprijs gelauwerd voor vrede strijdt?

Wat als je geluk op wereldniveau beschouwt? Hoeveel ongelukkiger wordt Nederland ervan om dit kind te helpen? En hoeveel gelukkiger het gezin en Afghanistan? Zouden de kosten dan niet ruimschoots tegen de baten kunnen opwegen?

Maar rechtvaardig kan ook zijn dat wat goed is. En over wat goed is valt te twisten en dat doen gelovigen, ongelovigen, socialisten, communisten enzovoorts dan ook, zoals ik in Het Goede Doel al aankaartte. Maar zouden ze ook twisten over de vraag of het implantaat goed is?

Er is nog een derde stroming in het denken over rechtvaardigheid. Een stroming die individuele vrijheid centraal stelt. Deze stroming vindt haar oorsprong bij de Duitse filosoof Immanuel Kant. Volgens Kant is een mens altijd een doel op zich. Ziet de staatssecretaris hier het meisje als doel? Of als middel om een harde boodschap uit te stralen? Hoe zou Kant oordelen?

De Amerikaanse filosoof John Rawls heeft dit verder uitgewerkt en kwam tot twee beginselen van rechtvaardigheid. Als eerste dat iedereen recht heeft op een zo maximaal mogelijk stelsel van vrijheid dat verenigbaar is met een vergelijkbaar stelsel voor iedereen. Het tweede dat iets rechtvaardig is als de minstbedeelden er meer van profiteren dan de beter bedeelden. Zou het meisje, als een van die minst bedeelden, niet veel meer van een implantaat profiteren dan Nederland van die paar euro? Hoe zou Rawls oordelen?

De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum en de Indiase econoom Amartya Sen zijn verder gaan bouwen op het werk van Rawls. Zij kwamen met de capability approach, de vermogens benadering. Vermogens, zo schrijft Nussbaum in haar boek Mogelijkheden scheppen op pagina 40: “zijn antwoorden op de vraag: ‘Wat kan deze persoon doen en zijn?” Het zijn: … “substantiële vrijheden’ … een reeks van (over het algemeen onderling gerelateerde) kansen om te kiezen en te handelen.” 

Lichamelijke gezondheid is een van deze vermogens. Net als het gebruik van je zintuigen om te denken, fantaseren en te redeneren. Een rechtvaardige samenleving zorgt voor een goed basisniveau en vervolgens wordt het tweede beginsel van Rawls toegepast. Hoe zouden Sen en Nussbaum Oordelen?

Zou de staatssecretaris naar hun argumenten willen luisteren of zou hij zich oostindisch doof houden?

Het Goede Doel

In mijn vorige drie prikkers schreef ik over het utilitarisme. Dit naar aanleiding van een uitspraak dat economische groei goed is. Het utilitarisme streeft naar zoveel mogelijk geluk. In Hoofdprijs was de vraag of dat wat het meeste ‘geluk’ oplevert ook per definitie goed en rechtvaardig is. Lone Survivor handelde over spijt van Marcus Lutrell. Spijt die hij onderbouwde met een utilitaristische redenering.

goede doel

Illustratie: merchandise-entertainment.nl

Het verhaal van Lutrell, bevat nog een tweede voorbeeld van denken over wat goed en rechtvaardig is. De zwaargewonde Lutrell wist uit de handen van de Taliban te blijven en werd uiteindelijk opgevangen in een Afghaans dorpje. Dit dorp nam hem op als gast, verzorgde en beschermde hem. Ook toen de Talban Lutrell met geweld wilde komen halen. De dorpelingen beriepen zich daarbij op het aloude gebruik dat een gast diende te worden beschermd. Het dorp handelde niet vanuit geluk, want voor hun geluk hadden ze Lutrell beter aan de Taliban uit kunnen leveren. Zij handelden vanuit wat voor hen rechtvaardig was en dat was het goede doen, de gast beschermen. Een positieve insteek zo op het eerste gezicht. Is goed doen altijd goed?

Goed doen doet goed, maar wat is goed? Wie bepaalt wat goed is? En op basis waarvan? ‘Wie goed doet, goed ontmoet’, luidt het gezegde. Zou dat ook gelden als christenen, moslims, hindoeïsten, socialisten, communisten of bolsjewisten deze vragen anders beantwoorden?

Hoeveel doden zijn er niet gevallen in godsdienstoorlogen, in de strijd voor de (nationaal) socialistische heilstaten. Beroepen de jihadisten, als meest vergaande vorm van moslimfundamentalisme, zich ook niet op het goede en dus rechtvaardige? Al zullen er niet veel andere mensen zijn die dit ‘goede’ als goed beoordelen. Worden minder aantrekkelijke zaken door hen die zich beroepen op het goede niet vaker verdedigd met het beroep op dat goede doel?

Hebben die stromingen misschien allemaal een ander beeld van dat wat als goed wordt gezien? Vraagt goed doen vanuit een ‘goed doel’ niet om goed uitkijken? Of dat doel nu hemel of heilstaat is?

Lone Survivor

In Het geluk van een kopje koffie schreef ik over het utilitarisme. Voor het utilitarisme is iets rechtvaardig als het maximaal geluk oplevert. In die column stond de uitspraak van Einstein centraal dat niet alles van waarde te meten is en niet alles wat te meten is van waarde is. Nu een ander probleem van het utilitarisme en rechtvaardigheid. Het resultaat telt, niet je intentie.

Maar hoe weet je het resultaat? Om dit dilemma duidelijk te maken, een voorbeeld dat ik vond in het boek Rechtvaardigheid. Wat is de juiste keuze, van de filosoof Michael J. Sandel. Dit voorbeeld is echt gebeurd en is verfilmd. De titel van de film is Lone Survivor (zie trailer onder deze prikker). Ja hoor, filosofie in een oorlogsfilm.

lone survivorIllustratie: electric-shadows.com

Een viertal Amerikaanse soldaten in Afghanistan onder leiding van korporaal Marcus Lutrell komt tijdens een gevaarlijke geheime missie twee Afghaanse boeren en een kind van 14 jaar tegen. Hun missie was het opsporen en arresteren (of doden) van een Taliban-leider. Ze weten niet of de drie tot de Taliban behoorden of niet. De Taliban zat dichtbij.

Wat te doen? Ze meenemen kan niet. Hen laten lopen kan betekenen dat hun positie aan de Taliban wordt verraden en zij in gevecht zullen geraken. Het alternatief is de boeren en de jongen doden. Dat zal hun leven in ieder geval redden, maar wellicht dood je drie onschuldige mensen. Wat doe je? Wat is de juiste en/of rechtvaardige keuze?

Ze besluiten de drie te laten gaan. Dit leidt tot de dood van de drie collega’s van Lutrell en nog 16 andere Amerikanen die hen in een helikopter probeerden te redden. Hoeveel Taliban erbij omkwamen is niet bekend. Lutrell had achteraf spijt van zijn beslissing en onderbouwde die met een utilitaristische redenering: had ik de drie maar gedood, dat had veel levens gespaard.

Lutrell maakt een eenvoudige rekensom. Maar klopt die wel? Wellicht gaat het kind in de toekomst een belangrijke rol spelen in het beëindigen van de ellende in Afghanistan en de wereld of in de wetenschap? En hoe weeg je dat dan weer mee? Wegen bij zo’n keuze bekenden niet altijd zwaarder dan onbekenden? En weegt de nabije toekomst zo niet altijd zwaarder? Is dat niet ook het probleem waarmee in Parijs op de klimaatconferentie werd geworsteld?

 

Het geluk van een kopje koffie

“Dat het goed gaat in Nederland, blijkt ook uit de raming van het CPB dat de economie volgend jaar met 2,1 procent groeit (neem ik aan, dit laatste woord ontbreekt).” Een citaat op de site van Trouw. Een citaat waarbij veel mensen zullen staan te juichen: de economie groeit en dat is goed. Dit is een utilitaristische denkwijze.

EinsteinIllustratie: funmozar.com

Het utilitarisme is een stroming in de filosofie die gaat voor maximaal geluk. Probleem is alleen, hoe bereken je geluk? Bijvoorbeeld het geluk van een kopje koffie. Is dat voor iedereen op ieder moment hetzelfde?  Ook is het lastig om het toekomstig geluk van een actie te bepalen. Door geluk te koppelen aan geld, kan er wel worden gerekend. Het geluk van een kopje koffie is dan de prijs ervan. Het bruto binnenlands product (bbp) is dan de maatstaf voor geluk. Een economische groei van 2,1 procent betekent dat het bbp met dat percentage groeit. Gaat het wel goed als de economie groeit?

“Not everything that counts can be counted, and not everything that can be counted counts.” een uitspraak van de natuurkundige Albert Einstein. Is deze uitspraak niet ook op het gebruik van het bbp als maatstaf voor geluk van toepassing ?

Telt alles wat van waarde is wel mee? Geluk zit voor mij ook in een knuffel van mijn dochter of een homerun geslagen door mijn zoon. Dit telt niet mee. Vrijwilligerswerk telt niet mee. Dit terwijl het geluk dat de trainer van een honkbalteam zijn pupillen (en hun ouders) bezorgt, van grote waarde is voor hen. En waarschijnlijk ook voor hemzelf. Mantelzorg telt ook niet mee, maar een zelfde activiteit verricht door een ‘zorgprofessional’ wel. Is dat niet meten met twee maten? Een milieuvervuilende activiteit, zoals de teerzand oliewinning in Canada telt mee. De olie heeft waarde. Maar de vernietiging van het landschap en het land telt niet mee.

Is alles wat meetelt wel van waarde? De schadelijke financiële producten die de financiële crisis en de daarop volgende economische crisis veroorzaakten, tellen mee. Wat was en is hun waarde? Wat dragen die bij aan het geluk?

Als laatste zegt de grootte van de taart, niets over de verdeling. Als de groei slechts bij een paar personen terechtkomt, gaat het dan wel goed? Gaat het werkelijk goed met een land en haar inwoners als de economie groeit?