Veel vragen

Op deze eerste dag van het jaar wil ik jullie, mijn lezers het allerbeste toewensen. Dus veel geluk, liefde, voorspoed, maar vooral veel nieuwsgierigheid: het verlangen om te weten. Want ligt dit verlangen niet aan de basis van de wetenschap: het weten of kennis met een ander woord. En is kennis niet meer dan alleen het weten? Is kennis niet weten, doordenken en begrijpen? Is dat in eerste instantie niet alles betwijfelen wat je ziet, leest of hoort? Is dit niet het bevragen en het van alle mogelijke perspectieven bekijken van waar je mee wordt geconfronteerd?

NieuwsgierigheidFoto: www.menselijk-lichaam.com

Is dat niet wat we nodig hebben om de problemen van onze tijd het hoofd te kunnen bieden? Problemen zoals het omgaan met verschillen, door anderen ook wel integratie of inburgering genoemd? Zou nieuwsgierigheid naar de ander ons niet kunnen helpen om hem of haar te begrijpen? Om de wereld eens vanuit zijn of haar oogpunt te bekijken? En zou dat die andere niet helpen om de wereld achter jou te leren kennen? Zou dat niet tot herkenning van overeenkomsten en begrip voor verschillen kunnen leiden? Zou die herkenning en begrip voor de ander er niet toe kunnen leiden dat er heel andere oplossingen voor die problemen mogelijk zijn?

Zou dat niet ook kunnen helpen bij de ervaren ‘democratische’ crisis in Nederland? U weet wel de ‘kloof’, de gevoelde onbetrouwbaarheid van politici en bestuurders, het betrekken van mensen bij het zoeken naar oplossingen enzovoort.

En niet alleen bij het omgaan met verschillen binnen een land? Zou dat ons niet verder helpen bij de zoektocht naar rechtvaardige en eerlijke oplossingen? Bijvoorbeeld de vluchtelingenproblematiek? Of de nog altijd sluimerende Griekse, maar eigenlijk financiële en bankencrisis? Zou dat niet kunnen helpen bij de  crisis in de Europese Unie? Zou dat ook niet kunnen helpen bij het zoeken naar oplossingen voor de problemen in het Midden-Oosten en in Afrika?

Maar ach, daar hebben wij geen invloed op. Of toch wel? Wat als wij die nieuwsgierigheid gaan betrachten in ons eigen leven? Als wij geen mening meer geven over iets, maar er vragen bij stellen? Wat zou dat voor een effect hebben op de mensen om ons heen? Hoe zouden die mensen hierop reageren? Wat als zij dit over zouden nemen? Zou dat niet onze invloed op de ‘wereldproblemen’ kunnen zijn?

De Ballonnendoorprikker blijft vragen en bevragen. Doen jullie mee? Ik wens jullie veel vragen toe.

Statistiek en voetbal

“Twee Spaanse wiskundigen zien in Daley Blind een mogelijke opvolger van Xavi, spelverdeler der spelverdelers van het grote FC Barcelona.” Hun conclusie is gebaseerd op statistische methoden. Zo valt te lezen bij De Correspondent in een artikel van Michiel de Hoog.

Statistiek en sport en dan vooral voetbal. Als ik daaraan denk dan moet ik denken aan het zeer lezenswaardige en aan te bevelen boek De Barbaren van de Italiaan Alessandro Baricco en dan vooral aan de korte passage waarmee hij de modernisering van het voetbal samenvat: Baggio op de bank! Voor degenen van jullie die het niet weten of niet meer weten. Roberto Baggio was een geniale ouderwetse nummer tien. Een spelmaker om je vingers bij af te likken, omdat hij oplossingen verzon die niemand zag en die niemand kon uitvoeren. Alleen jammer dat hij een van de spelers was die in de beslissende strafschoppenreeks in de finale van het WK van 1994 namens Italië een strafschop miste.

Baggio(foto: yarisaha.com)

Als een van de voorbeelden van barbaren aan het werk, behandelt hij het voetbal. Het woord barbaren heeft een negatieve klank, maar Baricco weet zijn aanvankelijke ‘angst voor’ de barbaren te overwinnen en bewondert ze uiteindelijk. Barbaren staat synoniem voor een steeds oppervlakkiger worden van de samenleving. Oppervlakkiger maar wel sensationeler, omdat het spel beweeglijk en sneller is geworden.

Baricco behandelt hierbij dus ook het voetbal en ziet dat spelers steeds meer verschillende zaken moeten kunnen. Een verdediger moet kunnen aanvallen en een goede voorzet kunnen geven, een aanvaller moet meeverdedigen en een man kunnen uitschakelen en een keeper moet goed kunnen meevoetballen. Eigenlijk moet, cru gezegd, iedere speler alles een beetje kunnen. Generalisten dus, geen specialisten. Specialisten als Baggio, die zelf tegenstanders omspeelde, een geniale steekpass of een lange dieptepass gaf, maar die niet meeverdedigde, passen niet in de nieuwe manier van voetballen.

Generalisten hebben een redelijke techniek (aannemen en passen in een hoog tempo), hebben een redelijk inzicht maar dan wel op kleine afstand, kunnen redelijk koppen en kunnen redelijk hard rennen. Zet er tien van in het veld en zo’n keeper die ook een bal kan aannemen en passen en je hebt het huidige voetbalelftal.

Een elftal dat, als het de bal heeft, deze van voet tot voet laat rondgaan en dan hoopt een speler via deze passing in scoringspositie te brengen. Hoe beter de generalisten, hoe sneller de bal rondgaat. Want alleen door op hogere snelheid te spelen, kan van een tegenstander worden gewonnen. Zie daar de manier van voetballen van bijna alle elftallen. Voetballen gebaseerd op het snel rondspelen van de bal, uitschakelen van toeval en het voorkomen van fouten. Al gaat dat laatste op lagere niveaus (zoals de afgelopen weken bij de Europese wedstrijden van Ajax bleek) voor wat betreft het voorkomen van fouten, nog geregeld fout. Fouten die de specialisten uit vroeger tijden niet zouden maken.

Blind, maar ook Kroos, Alcantara, is een prototype van zo’n moderne voetballer. Op alle plekken inzetbaar en haalt op al die plekken een voldoende. De betere generalisten (de Kroossen en Xavi’s) halen zelfs een zeven. Een negen zullen zij echter nooit halen. Negens worden gehaald door geniale specialisten zoals Baggio. Die doen onverwachte dingen en dat past niet in het moderne voetbal. Specialisten, de vroegere klassieke buitenspeler of klassieke libero, worden alleen verrast door geniale specialisten zoals Baggio. Die komen tegenwoordig alleen van pas als het team van generalisten vast is gelopen, geen kansen creëert en/of te voorspelbaar speelt. Vandaar Baggio op de bank! Maar ja, daar selecteren de clubs niet meer op, dus hebben ze niemand achter de hand om te verrassen. De enige variant die dan nog gespeeld kan worden is een variant die zelfs generalisten kunnen spelen, de oude Engelse variant: de lange bal naar een grote spits. Alleen is die variant voorspelbaar en zelden meer effectief ook omdat de juiste spits hiervoor ontbreekt. Dat is immers ook een specialisme waarop niet meer wordt geselecteerd.

Baricco vat dit samen in de volgende prachtige zinnen: “Om ervoor te zorgen dat er alles kan gebeuren op elk deel van het veld, moet je snel rennen, snel spelen, snel denken. Middelmatigheid is snel. Genialiteit is traag. In middelmatigheid vindt het systeem een snelle omgang van ideeën en handelingen; in de genialiteit, in de diepzinnigheid van de edelste individu, wordt dat ritme doorbroken.”

Toeval uitsluiten en fouten voorkomen. Dit lijkt verdacht veel op statistiek, daarom past statistiek bij het moderne voetbal. Alleen moet nog worden ontdekt hoe de statistische gegevens precies te beoordelen. Statistiek is bedoeld om patronen zichtbaar te maken, fouten te voorkomen, om toeval uit te sluiten. Statistiek past niet alleen bij voetbal. Het past bij onze huidige manier van leven. Een manier van leven die is gebaseerd op snelheid, maar vooral op voorspelbaarheid en het voorkomen van fouten. Een oppervlakkige, maar wel snelle en beweeglijke manier van leven. Een manier van leven zonder diepgang. Volgens Baricco de manier van leven van de huidige barbaren.

Prikker, donderdag 6 augustus 2015

Technisch realisme

In de Volkskrant pleiten Lambèr Royakkers en Rinie van Est ervoor zoveel mogelijk rijtaak ondersteunende systemen (zoals bijvoorbeeld snelheids- en afstandsregelaar) in een auto te stoppen. Of eigenlijk nog liever voor een volledig zelfsturende auto. Aangezien 90% van de ongelukken een gevolg is van menselijk falen zal dat veel ongelukken en dus doden en gewonden voorkomen, zo betogen zij. Schakel de mens uit en het verkeer wordt veiliger. Maar is dat wel zo?

zelfrijdende auto(illustratie: www.oreli.be)

Iets is met zekerheid te zeggen. Als mensen niet meer zelf rijden dan zal het aantal ongelukken door menselijk falen dalen. De auteurs lijken een grenzenloos vertrouwen te hebben in de techniek.

Techniek kan echter ook falen. Computers lopen nu geregeld vast of haperen. Ze kunnen worden gehackt en overgenomen. Ze zijn gevoelig voor virussen. Deze systemen zullen gebruik maken van computers, WiFi, Bluetooth en andere geavanceerde maar zeker niet honderd procent veilige technieken. Verre van dat zelfs.

Op twee manieren vergroot al deze extra techniek de kans op falen en dus ongelukken. Techniek kan falen en de kans dat er iets faalt wordt groter als er meer techniek gebruikt wordt. Als tweede vergt dit steeds complexere technische systemen en hoe complexer een systeem, hoe groter de kans dat iets in het systeem faalt.

Dan blijft er toch nog altijd de mens die roet in het eten kan gooien. Alle techniek kan door de mens ten goede of ten kwade worden aangewend. Techniek, de computer, is rationeel. De mens niet. In hoeverre kan techniek omgaan met irrationeel handelen van een mens? En, in extremis, wordt een dergelijk systeem kwetsbaar voor kwaadwillend ingrijpen; een mens die de boel wil saboteren? Vergezocht? Dat waren vliegtuigen in een flatgebouw ook.

Prikker, donderdag 16 juli 2015

Elektrische auto’s en statistiek

“Mensen rijden gemiddeld maar 22 kilometer per dag.” Met deze onderbouwing leggen onderzoekers Hilke Rösler en Hein de Wilde uit waarom de beperkte actieradius van een elektrische auto voor de meeste ritten ruim voldoende is (de Volkskrant, 16 juni 2015, pagina 26).

Dit klinkt logisch, maar is het wel zo logisch als het klinkt?

De gemiddelde rit wordt berekend door de afstand van alle, op een dag gemaakte ritten, bij elkaar op te tellen en dit te delen door het aantal auto’s. Dan komt er 22 kilometer uit en die afstand kan gemakkelijk worden gereden op één accu. Die 22 kilometer wel, maar dat zegt niets over individuele gevallen. En juist vanuit de situatie van het individu kan het heel anders zijn en kan die accu te klein zijn.

gemiddelde(Informatie: hulpbijonderzoek.nl)

Wat als 75% van de auto’s stilstaat? De 25% die rijden, rijden 550 km op een dag en de volgende dag rijden andere auto’s. Daarvoor is de accu te klein. En omdat iedere dag andere mensen met hun auto die 550 km moeten maken, hebben ze allemaal niets aan een elektrische auto.

Deze manier van onderbouwen met cijfers komt vaker voor. Om de ontwikkeling van een land te beschrijven en beleid te onderbouwen, wordt bijvoorbeeld het inkomen per hoofd van de bevolking gebruikt. Als dit stijgt dan gaat het beter met een land en haar inwoners. Maar als 25% van de inwoners 100% van het inkomen heeft, heeft 75% niets. Beleid gericht op stijging van het gemiddelde inkomen betekent niets voor die 75% als de scheve verdeling niet wordt aangepakt.

Een gemiddelde is een maatstaf, maar zegt onvoldoende. Om gefundeerde uitspraken te kunnen doen over de passendheid van accu’s of de toestand in een land, is meer informatie nodig. Om een bekend gezegde te parafraseren: Je hebt leugens, grote leugens en statistiek!

Prikker, dinsdag 16 juni 2015

Perversiteit in onderwijsland

IQ

(Grafiek: www.wilderdom.com)

In de Volkskrant van zaterdag 6 juni 2015 stoort minister Bussemaker van Onderwijs zich eraan, dat iedereen alleen maar hogerop wil. Met een VWO diploma wil iedereen naar de universiteit.

Vreemd dat dit de minister stoort. VWO is een voorbereiding op wetenschappelijk onderwijs, ze zou blij moeten zijn dat deze investering rendement oplevert.

Even een slag dieper. Zou dit geen gevolg kunnen zijn van jarenlang overheidsbeleid? Nederland wil, om Europese doelstellingen te halen, een concurrerende kenniseconomie zijn. Dit heeft zich vertaald in het streven om per 2020 meer dan 40% hoger opgeleiden te hebben. In 2013 was al 42% van de Nederlanders hoger opgeleid. Nu is er iets vreemds met deze doelstelling.

Opleidingsniveau correleert met intelligentie (IQ). Hoe intelligenter iemand is, hoe groter de kans dat hij hoger opgeleid is. Een IQ van honderd is gemiddeld. Dit betekent dat de helft van de bevolking er boven zit en de andere helft eronder. Van een gemiddeld IQ is sprake tussen 90 en 110. In deze categorie valt ongeveer de helft van de bevolking. Als we dan aannemen dat je IQ voor hoger onderwijs bovengemiddeld moet zijn, dan hebben we het over een IQ van 110 en hoger en in die categorie bevindt zich slechts 25% van de bevolking. Dit is fors minder dan de doelstelling.

Worden we intelligenter of is het niveau verlaagd? Ik hoop het eerste, maar vrees het laatste. Als we terugkijken naar de jaren negentig van de vorige eeuw dan valt op dat het opleidingsniveau toen de verdeling van het IQ weerspiegelde. Zou het gedaalde niveau van de opleidingen de oorzaak ervan kunnen zijn, dat universitair onderwijs voor steeds meer jeugdigen haalbaar is?

Stoort de minister zich, met andere woorden, niet aan een doelstelling die tot pervers beleid met perverse prikkels heeft geleid? Een doelstelling die mooi klinkt maar vloekt met de werkelijkheid.

Prikker, zaterdag 6 juni 2015