Economie volgens Van Klaveren (5 van 7)

Vandaag het vijfde deel uit de reeks van zeven artikelen over de economische visie die Joram van Laveren bij The PostOnline verkondigde.

Inkomen

Die economische vrijheid, die vrije markt van vraag en aanbod zal, zo schrijft Van Klaveren: “inkomens creëren, welvaart vergroten en armoede verkleinen.” De econoom Jaap Van Duijn geeft specifiek Nederlandse cijfers voor de periode vanaf 1948. Hij doet dit per conjunctuurcyclus die hij in die periode onderscheidt. In de tabel zijn bevindingen.

conjunctuurcyslus

econ. groei

groei beroepsbev.

groei arbeidsprod.

1948 – 1956

5,3%

1,1%

4,4%

1957 – 1966

4,4

1,1

3,6

1966 – 1973

4,9

1,1

5,2

1974 – 1980

2,3

0,9

2,4

1981 – 1990

2,2

1,4

2,2

1991 – 2000

3,2

1,7

1,7

2001 – 2008

1,9

1,0

2,2

2009 – 2014

-0,4

0,4

0,5

Economische groei is het resultaat van de groei van de beroepsbevolking en een toename van de arbeidsproductiviteit. In de ideale situatie (volledige werkgelegenheid) is de economische groei precies gelijk aan de som van de andere twee. De situatie is echter zelden normaal. Zo zou de economie tussen 2009 en 2014 met 0,9% per jaar hebben kunnen groeien. Er is echter sprake van krimp. Dit is een gevolg van de toegenomen werkeloosheid waardoor een flink deel van de beroepsbevolking niet productief is. De grote groei van de beroepsbevolking na 1981 is vooral een gevolg van de toetreding van vrouwen op de arbeidsmarkt. Die kwam in de jaren negentig tot een hoogtepunt en dat verklaart ook voor een belangrijk deel de grotere economische groei na 1991.

Rijkdom
Illustratie: www.ans-online.nl

“Economisch onderzoeker Johan Norberg stelde al eens dat 3 procent groei onze economie, ons kapitaal en ons inkomen iedere 23 jaar verdubbelt. Is de groei twee keer zo groot dan gaat het om slechts 12 jaar. Een ongeëvenaarde welvaartsgroei die zelfs door de meest robuuste overheidsmaatregelen om inkomens te herverdelen, niet gehaald wordt. Sterker nog, het is gevaarlijk omdat hoge, nivellerende belastingen de broodnodige groei juist afremmen,” schrijft Van Klaveren. Als we kijken naar de laatste drie decennia waarin het door Van Klaveren voorgestelde beleid, leidend was en dat is het nu nog steeds, dan zien we dat dit een periode is met relatief geringe economische groei, zeker sinds 2001. Op basis van ‘rendementen uit het verleden’ lijkt het dat Van Klaverens beleid niet tot een extra toename van de welvaart leidt. De drie procent wordt alleen in het begin even gehaald.

Kijken we naar de periode tot 1980, dan zien we robuuste groeicijfers die bijna de hele periode boven de 3 procent liggen. In die periode lag het financieel kapitaal stevig aan banden, had de overheid een stevige vinger in de economische pap, werd het stelsel van sociale zekerheid opgebouwd, steeg de levensverwachting, kenden we nog een toptarief in de inkomstenbelasting van 60 procent en kende Nederland relatief geringe verschillen in inkomen en vermogen. Net als trouwens de rest van de westerse landen.

Sterker nog beleid met hoge, nivellerende belastingen en robuust overheidsbeleid om inkomens te herverdelen, lijkt betere resultaten te behalen. Betere resultaten voor wat betreft de groei van het nationaal inkomen, het creëren van inkomens voor mensen en het verkleinen van de armoede. Lees het boek 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme van de Zuid-Koreaanse econoom en docent aan de Cambridge University Ha-Joon Chang, en dan vooral Ding 7 vanaf pagina 81. “Met slechts een paar uitzonderingen, zijn alle landen die nu rijk zijn, inclusief Groot Brittannië en de Verenigde Staten – de veronderstelde bakermatten van vrijhandel en vrije markten – rijk geworden door een combinatie van protectionisme, subsidies en andere maatregelen die we nu de ontwikkelingslanden adviseren niet toe te passen. Vrijemarktbeleid heeft tot op heden weinig landen rijk gemaakt en zal er ook in de toekomst maar weinig rijk maken. Nee, van de markt alleen moet je het niet hebben als je welvaart en inkomens voor mensen wilt creëren en de armoede wilt verkleinen.

Dit is een vijfde artikel in een reeks van zeven. Klik hier om het eerste, het tweede, het derde en het vierde te lezen.

Aan Jan Dijkgraaf

Beste Meneer Dijkgraaf,

Iedereen moet kunnen zeggen wat hij wil ook als iemand zich er door beledigd voelt. “Je moet tegen cartoons kunnen over voor jou belangrijke zaken. Je moet spot, hoon en kritiek kunnen verdragen,” aldus ThePostOnline-columnist (TPO) Annabel Nanninga in een interview met de Volkskrant. Nanninga kreeg natuurlijk kritiek op haar interview. Kritiek van onder andere Arnon Grunberg in zijn Voetnoot in dezelfde krant. Dat je mag zeggen wat je wil, wil natuurlijk niet zeggen dat je dat ook moet doen en dat het verstandig is, een punt dat ik al eerder maakte.

JanD

Foto: media.tpo.nl

Toch geldt die vrijheid van meningsuiting niet voor iedereen. Althans niet voor jou, Jan Dijkgraaf, de vaste TPO-briefjesschrijver in je briefje aan minister Bert Koenders. De voetnoot van Grunberg werd gesteund door diverse mensen zoals NRC-hoofdredacteur Peter Vandermeersch, Peter R. de Vries en door André Haspels. André wie? André Haspels, een hoge ambtenaar bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het ministerie waarvan Koenders de minister is. “Dát, meneer Koenders, kan een topambtenaar dus niet maken. En u weet wie er verantwoordelijk is voor wat ambtenaren de buitenwereld melden, toch?” zo schrijf je. Hoe kom je erbij dat een topambtenaar van Buitenlandse Zaken, niet mag laten weten dat hij het eens is met Grunberg?

Waarom zouden ambtenaren hun mening niet mogen uiten? Welk zwaarwegend nationaal belang is ermee gemoeid dat hen verbiedt hun mening te uiten? Vroeger was het heel normaal dat ambtenaren (ook topambtenaren) deelnamen aan het publieke debat. “Decennialang waren Haagse topambtenaren big characters,” aldus Tom-Jan Meeus in zijn boek Haagse invloeden. Personen met vaak meer kennis en gezag dan de minister. Personen die op de ministeries tegenwicht boden tegen de waan van de dag. Dat was weleens lastig voor een minister en dat is ook een van de redenen waarom inhoudelijk krachtige en kleurrijke personen veel minder als (top)ambtenaar worden benoemd.

Waarom zou Koenders verantwoordelijk zijn voor deze mening van Haspels? Is de minister niet alleen verantwoordelijk voor de uitspraken van de koning (ministeriële verantwoordelijkheid) en voor de daden van het departement? Wordt een minister zo niet extra kwetsbaar en de ambtenaar gestript van een belangrijk recht?

Zou het onze democratie en de besluitvorming misschien ten goede komen, als ambtenaren aan het debat deelnamen en hun mening gaven. Zeker inhoudelijk krachtige en kleurrijke onder hen? En als die er niet meer zijn, zouden die er dan niet als de wiedeweerga moeten komen?

Groet,

de Ballonnendoorprikker  

Economie volgens Van Klaveren (4 van 7)

Vandaag het vierde deel uit de reeks van zeven artikelen over de economische visie die Joram van Klaveren bij The PostOnline verkondigde.

Vrijheid en de markt

Van Klaveren wil inzetten op economische vrijheid want dat brengt voorspoed. Wat verstaat hij onder economische vrijheid? En voor wie is die vrijheid? Welke vrijheid hebben we als we de markt de dominante rol geven? Heeft die vrije markt ervoor gezorgd dat de slavernij werd afgeschaft? Heeft die economische vrijheid ervoor gezorgd voor het ‘kinderwetje van Van Houten’ en dus de afschaffing van de kinderarbeid werd gerealiseerd? Schaft die vrije markt kinderarbeid af in India, Bangladesh en andere landen? Voorkomt die vrije markt kinderarbeid door Syrische vluchtelingen in Turkije? Zorgt die vrije markt ervoor dat de Bulgaarse chauffeur die via een uitzendconstructie voor een Nederlandse transporteur rijdt, hetzelfde loon krijgt als de Nederlandse chauffeur? Nee, dat doet een vrije markt niet. “It is not individuals who are set free bij free competition; it is, rather, capital which is set free.Dit schreef de groot kenner van het kapitalisme, Karl Marx, in 1858 in zijn Grundrisse. 

Anarchie

Illustratie: www.thecurrent.org

Daarvoor is een overheid nodig die spelregels formuleert waaraan iedereen moet voldoen. Spelregels die ervoor zorgen dat er geen misbruik wordt gemaakt van de zwakke positie van de individuele medewerker. De afgelopen twee decennia zijn veel van die spelregels afgeschaft waardoor de lonen laag zijn gebleven, werk is ‘geflexibiliseerd’ (een andere term voor het leggen van alle risico’s bij de werknemer) en de arbeidsinkomensquote is gedaald ten faveure van de winsten. En ook spelregels die het financieel kapitaal aan banden leggen. Ook deze spelregels zijn sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw meer en meer verdwenen. Met alle ‘financiële massavernietigingswapens’ als bundels van rommelhypotheken en andere financiële producten zonder fundament in de werkelijke wereld tot gevolg.

Een overheid die als marktmeester controleert of alle partijen zich aan de regels houden. En heeft het niet juist ook aan dat goed en stevig toezicht geschort? Geschort omdat het voor ‘bureaucratie’ en ‘regeldruk’ zorgde en vooral omdat de markt zelf wel voor dat toezicht zou zorgen? Ook geschort omdat de ‘markt’ te verweven was met de toezichthouder? Medewerkers van banken die toezicht gaan houden en toezichthouders die bij banken gaan werken. En omdat je tegenwoordig iedere paar jaar ander werk en een andere werkgever moet hebben, moet je niet te lelijk doen tegen je mogelijke toekomstige werkgevers.

Voor wie het liever uit een moderne mond hoort. De internet-ondernemer maar ook internet-criticus Andrew Keen vergelijkt de ontwikkelingen rond de grote tech-bedrijven als Apple, Google en Facebook met het Amerika van eind negentiende eeuw, het tijdperk van Rockefeller, Carnegies en andere monopolisten: “Badass entrepreneurs like Travis Kalanick and Peter Thiel have much in common with the capitalist robber barons of the first industrial revolution. Internet monopolists like Google and Amazon increasingly resemble the bloated multinationals of the industrial epoch.” Alleen gaan zij nog een stap verder dan de ‘robber barons’ van vroeger. Zij willen: “… onze particuliere leefwerelden binnendringen,” om onze:”primaire impulsen ter aansporing van de consumptie , oftewel reductie van het bestaan tot het niveau van driftmatige behoeftebevrediging,” om met de filosoof Hans Schnitzler te spreken.

Dat annexeren van onze particuliere leefwereld gebeurt via sociale media zoals Facebook, Twitter, WhatsApp, Instagram maar ook via zoekmachines als Google. Geheel vrijwillig wordt via producten van deze bedrijven informatie gedeeld. En dat delen gebeurt niet alleen met  vrienden of volgers, maar met de hele wereld en vooral met deze bedrijven. Informatie die eeuwig beschikbaar blijft en die door deze bedrijven gebruikt wordt om ‘ons als consument’ op maat te kunnen bedienen met aanbiedingen. Via deze weg worden ons producten en behoeften opgedrongen en voelt het alsof we er zelf om gevraagd hebben.

Bijzonder aan het model van deze bedrijven is, zoals Andrew Keen opmerkt, dat de gebruikers ervan eigenlijk de belangrijkste medewerkers zijn. Hoe meer er via Google wordt opgezocht, hoe preciezer en beter de zoekmachine wordt. Hoe meer informatie op Facebook wordt gedeeld, hoe beter het product van Zuckerberg wordt. Of zoals Keen het voor Instagram schrijft toen voor één miljard dollar werd opgekocht door Facebook: ”So Who is axectly doing the work, providing all the labor, in a billion-dollar startup that employed only thirteen people? We are, 150 million of us are members of the new Snap Nation.

De gebruikers zijn de medewerkers die geheel vrijwillig de database van deze bedrijven vullen met gegevens. Hun enige vergoeding is het ‘gratis’ mogen gebruiken van het product. Het enige wat deze bedrijven doen is er vervolgens geheel automatisch wat algoritmen overheen jagen zodat deze gegevens kunnen worden gebruikt voor het aanbieden van producten waarin wij ook weleens geïnteresseerd zouden kunnen zijn: ‘Anderen die dit boek kochten, kochten ook de volgende boeken’ valt er bij bol.com te lezen en op soortgelijke wijze gebeurt het ook op andere sites. Bij het radioprogramma De Nieuws BV op Radio1 maakte cabaretier Pieter Derks zich zorgen dat: “… als dit zo doorgaat stevenen we af op de aller saaiste meest voorspelbare eeuw ooit.” De gebruikers zijn medewerker van een bedrijf zonder dat ze het weten en zonder dat ze ervoor betaald krijgen.

Absolute vrijheid leidt niet tot vrijheid maar absoluut tot anarchie en het recht van de sterkste. Absolute vrijheid leidt tot tirannie, onderdrukking en misbruik en zeker niet tot vrijheid. De afgelopen jaren hebben we vele voorbeelden van misbruik gezien, zich verrijkende topmannen, belasting ontwijkende bedrijven, de uitzendconstructie bij onze Bulgaarse chauffeur, de Libor-affaire en de grote bankencrisis die is afgewenteld door er een ‘landen’ en dan met name ‘Griekse’ crisis van te maken. Vrijheid is alleen prettig als zij wordt beperkt, maar ook als zij mensen de mogelijkheid biedt om die vrijheid te gebruiken. Want wat heb je aan vrijheid als je geen mogelijkheid hebt om er gebruik van te maken?

Dit is een vierde artikel in een reeks van zeven. Klik hier om het eerste, het tweede en het derde te lezen.

Economie volgens Van Klaveren (3 van 7)

Vandaag het derde deel uit de reeks van zeven artikelen over de economische visie die Joram van Klaveren bij The PostOnline verkondigde.

De vrije markt en innovatie

Al die innovatieve ontwikkelingen, die ons leven makkelijker maken, de smartphone, het internet, dat komt toch maar mooi door die innovatieve bedrijven die op de vrije markt in de volle wind van de concurrentie moeten overleven. Ook dat ligt iets genuanceerder want ook voor innovatie moet je voor een belangrijk deel bij de overheid zijn. Mariana Mazzucato geeft in haar boek De ondernemende staat het voorbeeld van het ‘innovatieve’ Apple en de succesproducten de iPod, iPhone en de iPad. Steve Jobs stond ze glunderend te presenteren als een wonder van Apple-innovatie.

iPad

Illustratie: www.a-n-v.be

Mazzucato zet in het onderstaande schema op een rij wie de belangrijke technieken heeft ontwikkeld.

 

Mazzacuto

Zie: Mariana Mazzucato, De Ondernemende Staat. Waarom de markt niet zonder de overheid kan, Nieuw Amsterdam, pagina 151
MvD  = Ministerie van defensie,
MvE  = Ministerie van Energie,
DARPA = Defense Advanced Research Projects Agency (is een instituut van het Amerikaanse ministerie van defensie dat verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van militaire technologie. De voornaamste taak is het beheer van onderzoeksgelden)
NSF = National Science Foundation
NIH = National Institutes of Health
CIA = Central Intelligence Agency
CERN = Conseil European pour la Recherche Nucleair

Allemaal instituten van, gelieerd aan en gefinancierd door overheden en met name de Amerikaanse overheid.

De belastingbetaler heeft al die zaken betaald en dat maakt het extra wrang dat degenen die er nu geld aan verdienen, dat geld via allerlei schimmige constructies aan belastingbetaling onttrekken.

Voor wie nog niet is overtuigd van de kracht van overheidsbeleid. De landen die nu de grootste groei en ontwikkeling laten zien, zijn landen waar de overheid juist een stevige vinger in de pap heeft zoals China en India. Maar ook bijvoorbeeld Zuid-Korea, een land dat door duidelijke overheidssturing is uitgegroeid tot een economische macht in deze wereld. Door actieve overheidsbemoeienis werden grote en succesvolle concerns als staalgigant POSCO, LG en Hyundai wereldspelers (zie Ha-Joon Chang, 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme, Nieuw Amsterdam 2010, pagina 150).

Dit is een derde artikel in een reeks van zeven. Klik hier om het eerste en het tweede te lezen.

 

Watson for president?

In zijn dagelijkse Voetnoot in de Volkskant schreef Arnon Grunberg over Ross. Ross is een robot die bij een Amerikaans advocatenkantoor werkt en steeds beter wordt, hij leert en geeft precieze antwoorden. Watson is een campagne begonnen om gekozen te kunnen worden tot president van de Verenigde Staten (zie watson2016.com). “Dat lijkt afschrikwekkend, maar gezien de huidige kandidaten zou ik Watson een welkom alternatief vinden,” aldus Grunberg. Een ‘kunstmatige’ president?

x menIllustratie: wall.alphacoders.com

Toen ik dit las moest ik denken aan het boek Kunstmatig van nature. Onderweg naar Homo Sapiens 3.0, dat Jos de Mul schreef voor de week van de filosofie 2014. In een soepele schrijfstijl en met leuke en aansprekende voorbeelden, neemt De Mul de lezer mee in het denken over en de ontwikkeling van de mens. In het laatste deel van het boek kijkt hij vooruit en schetst drie scenario’s die ons kunnen leiden van het nu, Homo Sapiens 2.0, naar de Homo Sapiens 3.0, de toekomstige mens. Niet op basis van zijn fantasie, maar op basis van drie technologieën die momenteel te onderkennen zijn.

Het eerste scenario sluit aan bij het verder versmelten van mens en machine. De mens die steeds meer uitbesteedt aan machines. Eerst het geheugen via het schrift aan papier en boeken, nu naast het geheugen ook al, zijn sociale leven en het denken aan computers (denk aan de algoritmes van Facebook en Google). Computers die op basis van de grote hoeveelheid gegevens en informatie, tot een keuze komen die voor de mens niet meer is te beredeneren. Velen laten zich bij hun keuzes al leiden door die voor hen voorgesorteerde informatie. De mens die zo steeds meer versmelt met de machine, de computer en het internet. De Mul noemt dit het zwermgeest-scenario. Voor Trekkies, de Borg zouden daarvan het eindstadium kunnen zijn.

Het tweede scenario sluit aan bij de koppeling tussen biologie en informatica, de bio-informatica. De kennis van het menselijke gnoom en de mogelijkheden om hierin te sturen, te knutselen en er iets aan toe te voegen en zo de mens te verbeteren. Dit noemt De Mul het Alien-scenario. Knutselen kan goed gaan, maar ook fout. De fans van de X-men films kunnen zich hier wel een voorstelling bij maken.

In het laatste, het Zombie-scenario, staat de robottechniek centraal. Robots die steeds meer werk en taken overnemen en waarmee mensen zelfs een relatie kunnen aangaan. Die zelf kunnen leren en steeds beter worden, net zoals Watson waarover Grunberg schrijft. Maar een wezen zonder gevoel, een Data uit Star Trek the Next Generation. Of, in negatieve vorm een Terminator.

Ieder scenario kent positieve en negatieve kanten. De filmwereld brengt vooral de negatieve kanten in beeld. Toch bezinnen voor we aan president Watson beginnen?

The colour of music

De nieuwe directeur van MOJO, Wilbert Mutsaers, gooide deze week weer een knuppel in het zwart/wit hoenderhok: Nederlandse festivals moeten kleurrijker. Er moet meer zwarte muziek worden geprogrammeerd: R&B, hiphop en de grote artiesten als Beyoncé en  Kanye West komen er nooit, wel stokoude rockers als Bruce Springsteen, the Rolling Stones en Paul McCartney. De festivals lopen zo: “het risico te vervreemden van het poppubliek, als daar geen poging wordt gedaan de grote zwarte muziek een plaats te geven.” Een paar dagen later geeft de rapper Fresku zijn analyse: “Maar we denken op een of andere manier dat pop wit is. Ten onrechte. We moeten niet onderschatten dat zwarte muziek in alles zit, maar dat toch altijd witte mensen het gezicht van een zwart genre worden.

Dead KennedysIllustratie: alibi.com

Waar komt toch de idee vandaan dat alles een afspiegeling moet zijn van ‘de samenleving’? Dat er evenveel mannen als vrouwen, gele rooie, blauwe en groene mensen, linkse als rechtse, ‘grachtengordel-‘ en ‘achterbuurtmensen’ enzovoorts, op tv en gast in talkshows moeten zijn? En nu ook muzikanten op festivals? Als artiesten op festivals een afspiegeling van de samenleving moeten zijn, dan claim ik ook een positie als ‘hoofdact’. Ik behoor tot de categorie vals zingende a-muzikalen en die moeten ook een plek hebben. Suggestie voor de programmeur, zet me als laatste dan is het terrein snel leeg.

Dat is natuurlijk absurd. Bij muziekfestivals draait het gelukkig om de muziek en het is aan de organisator om een programma samen te stellen. Een organisator van een hiphopfestival, zal Jan Smit niet programmeren. Dat is niet omdat Jan blank is, maar omdat hij geen hiphop maakt. De organisator zal ook de ‘zwarte’ band Living Colour niet uitnodigen omdat ze geen hiphop maken. Een organisator van een hardrockfestival zal Rihanna niet vragen, niet omdat ze zwart is, maar omdat zij geen hardrock speelt. Living Colour wordt wellicht wel gecontracteerd. Het Concertgebouworkest zal ook niet gevraagd worden voor Pinkpop. Richt ieder festival zich niet op een deel van het muzikale spectrum en betekent dit niet dat een ander deel er niet komt?

Heeft muziek een kleur of kent het verschillende stromingen als jazz, punk, new wave, hiphop enzovoorts? Wordt er niet al zolang als er muziek wordt gedraaid op de radio door artiesten geklaagd dat ze niet worden gedraaid en door fans dat ze hun muziek niet op de radio horen? Zo was mijn favoriete punkband Dead Kennedys zelden te horen op de radio. Zou de huidskleur van de artiest hierbij werkelijk een belangrijke rol spelen zoals Fresku beweert in zijn song Zo doe je dat? Of zou het aan de smaak van de discjockeys liggen of de kwaliteit van de muziek liggen?

Guns don’t kill people

“Als ze in Parijs vuurwapens hadden gehad was er misschien niets gebeurd,” aldus Donald Trump, kandidaat voor het Amerikaanse presidentschap. Hij deed die uitspraak bij zijn vrienden, “ I’ve been an member for a long time…”, van de National Rifle Association (NRA). De NRA is de machtigste lobby-organisatie in de VS en heeft maar een doel: het vrije wapenbezit. De club steunt Trump in zijn streven om president te worden.

NRA Illustratie: bluevirginia.us

Terug naar de ‘Parijs-uitspraak’. Een hypothetische als …, dan… redenering waarvan de geldigheid nooit is te bewijzen, je kunt er wel over speculeren en dat is wat Trump doet. Als ook in Frankrijk iedere burger een wapen zou mogen dragen, dan hadden de aanslag-plegers zich wellicht bedacht. Zou iemand met een bomgordel onder de kleren zich werkelijk laten stoppen?  Hoe komt het dan dat in landen waar militairen en gewapende groeperingen het straatbeeld bepalen, ook dergelijke aanslagen worden gepleegd? Landen als Irak, Syrië en Jemen.

Zou de terrorist met de kalashnikov die het niet erg vindt om zelf te sterven, zich laten stoppen door burgers met wapens? Wellicht had hij minder slachtoffers gemaakt omdat een gewapende burger hem had neergeschoten. Dat zou kunnen en daar zou Trump op kunnen doelen. Zou het niet ook kunnen, dat in zo’n geval gewapende burgers elkaar gaan beschieten? Hoe onderscheid je immers een terrorist met een wapen van een burger met een wapen? Allemaal hypothetisch.

Dat er in de VS veel meer grote en kleine schietpartijen zijn op scholen, bioscopen en andere locaties, dan in Europa is geen hypothese. Dat is een feit. En dat bij die schietpartijen meer slachtoffers vallen dan bij die enkele aanslag, is ook een feit. Ook een feit is dat er jaarlijks vele doden vallen, omdat ze per ongeluk door kinderen (wellicht hun eigen) worden doodgeschoten, in 2015 liefst 265. Dat zijn er meer dan er slachtoffers vielen in Parijs. Toch maar liever geen vrij vuurwapenbezit?

‘Guns don’t kill people’ is meestal het verweer van de NRA na weer een schietpartij met veel doden. Inderdaad schieten geweren niet vanzelf, daar is een mens voor nodig, een mens met een wapen.  Moet dan toch de mens worden verboden? De planeet en haar andere bewoners, zouden er wel bij varen.

Twee plus drie is zeven

‘Twee plus drie is zeven!’ Fout zullen jullie mij inpeperen. Het juiste antwoord is vijf. ‘Nee, naar mijn mening is het antwoord zeven en we hebben vrijheid van meningsuiting en ik mag die mening hebben en dus ook uiten.’  Jullie zullen mij meewarig aankijken en me wellicht hoofdschuddend voor gek verklaren. Maar zullen jullie dat ook doen als ik leerkracht ben op de basisschool en dit jullie kinderen leer? Dan zullen jullie naar de directeur lopen en aandringen op mijn ontslag. Dat zou ik ook doen in jullie geval. De directeur valt mij bij en onderstreept mijn recht op vrije meningsuiting. Ook de rechter die jullie inschakelen geeft mij en de directeur gelijk. Jullie zouden je kinderen naar een ander school brengen. En daar zou hetzelfde kunnen gebeuren.

Gescinska

Een voorbeeld om te laten zien tot welke absurde situaties de absolute en onbegrensde vrijheid van meningsuiting leidt. Of zoals de Belgisch-Poolse filosofe Alicja Gescinska schrijft: “De context van het klaslokaal toont ook mooi aan dat onzin verkopen en beledigen niet zomaar overal ongestraft kan. Niet wanneer die onzin en beledigingen grote groepen treft, niet wanneer die gericht is tot een enkel individu. Een leraar mag ook niet zomaar het kleinste meisje van de klas voor stomme lilliputter uitschelden en de jongen met ietwat grote oren voor lompe olifant houden.” Natuurlijk mag een leraar kinderen niet uitschelden voor stomme lilliputter of lompe olifant, als dat gebeurt dan zal iedereen er schande van spreken en de leraar zal waarschijnlijk zijn baan verliezen. Toch vliegen in het publieke debat ons soortgelijke verwensingen om de oren. Personen en groepen die worden uitgescholden voor geitenneuker wat weer wordt beantwoord met andere verwensingen.

In haar boek De verovering van de vrijheid. Van luie mensen, de dingen die voorbijgaan behandelt Gescinska de vrijheid en haar grenzen en daarbij komt in het laatste hoofdstuk ook de nu veel aangehaalde vrijheid van meningsuiting aan bod. Het filosofisch debat over vrijheid kent twee richtingen, de negatieve en de positieve. Om dit verschil duidelijk te maken, gebruikt zij een ervaring uit haar jeugd. Dat doet zij trouwens het hele boek door. Voorbeelden die een relatie leggen tussen de filosofische discussie en de wereldse werkelijkheid. Voorbeelden die het filosofische betoog een leesbare lichtheid geven.

Als klein meisje vluchtten haar ouders, net voor de val van de muur, vanuit het communistische Polen naar België. In Polen had zij verhalen gehoord van het prachtige speelgoed, de overvloed  en de vrijheid in het westen. Haar eerste kennismaking met die overvloed en vrijheid viel haar flink tegen. Met haar ouders en oudere zusje, bezocht zij een speelgoedwinkel. Inderdaad lag daar het mooiste speelgoed, waren er poppen in overvloed en konden die in alle vrijheid worden gekocht. Alleen het geld ontbrak om ook maar het kleinste popje te kopen. Zo is het ook met vrijheden. Je kunt er heel veel hebben, maar wat heb je eraan als je er geen gebruik van kan maken. Aanhangers van negatieve vrijheid, willen de best gevulde speelgoedwinkel. Aanhangers van positieve vrijheid willen werken aan de mogelijkheid van het kind om er iets te kopen.

Aanhangers van negatieve vrijheid pleiten voor een maximale individuele vrijheid. Voor vrije markten waarop vrije individuen dat doen waarvan zij denken dat het hen het meeste geluk brengt. Waarbij zij dat mogen doen zolang zij anderen geen schade berokkenen. De alcoholist mag niet worden belemmerd in zijn zucht naar drank, dat is zijn vrije keus. Een pleidooi voor absolute vrijheid van meningsuiting past hierbij. Zij pleiten voor een kleine, terughoudende overheid die alleen optreedt als schade wordt berokkend aan iemand anders.

Gescinska denkt daar anders over: “Keuzevrijheid impliceert niet automatisch een keuzevermogen, laat staan keuzeblijheid.” Iemand die niet kan lopen heeft natuurlijk de vrijheid om te gaan en staan waar hij of zij wil, de persoon mist alleen het vermogen om dit te doen. Voor een aanhanger van negatieve vrijheid is het hebben van die vrijheid voldoende. Gescinska vindt dit een wel erg beperkte opvatting van vrijheid en noemt dit moreel onverschillig. Je hebt alleen wat aan vrijheid, als je er gebruik van kan maken en daarbij kunnen mensen wel wat hulp gebruiken, bijvoorbeeld een rolstoel. Zij pleit voor een positieve invulling van vrijheid en in het verlengde daarvan een samenleving en overheid die zich wel met het individu bemoeit. Die mensen een duwtje in de rug geeft, een duwtje om zichzelf te ontdekken. Een duwtje uit belangeloze betrokkenheid. Een duwtje om aan je vrijheid te werken, want vrij zijn betekent werken en kost inspanning. Vrijheid komt niet vanzelf.

Aanhangers van negatieve vrijheid zullen tegenwerpen dat dit leidt tot ‘wij bepalen wel wat goed voor jou is’ en de deur open zet voor totalitarisme. Een staat die bepaalt wat geluk is, hoe dit te bereiken en wie daarvoor wat moet doen. Gescinska werpt tegen dat dit een karikatuur is van positieve vrijheid en onderbouwt dit met twee argumenten. Als eerste kun je je kunt afvragen hoe vrij de alcoholist, net zoals de drugsverslaafde en de luilak, is. “Zijn zij niet allen de slaven van hun onvermogen om te weerstaan aan het object van hun destructieve verlangen, en is verslaving niet sowieso het tegendeel van individuele vrijheid?” vraagt zij zich af. Als tweede betekent absolute vrijheid dat iedereen voor zichzelf bepaalt wat goed is en welke regels voor hem gelden: Niemand bepaalt zichzelf volledig, zoals niemand ook zijn eigen wetten uitvaardigt.” Absolute negatieve vrijheid leidt niet tot vrijheid en autonomie, maar tot chaos en het recht van de sterkste, ze keert zich tegen de mensen. Volgens Gescinska is autonomie juist een fundamentele pijler van de positieve vrijheid, die draait in essentie: “om zelfrealisatie en het goede leven. Maar zelfrealisatie en het goede leven zijn niet mogelijk als ze afgedwongen worden.”

Er zal niemand zijn die stelt dat iedereen de vrijheid heeft om welke daad dan ook te verrichten. Zelfs de pleitbezorgers van negatieve vrijheid vinden dat er een grens is en die is dat je de ander niet mag schaden. “Maar waarom zouden we dan wel de vrijheid moeten hebben om eender welk woord te spreken?” Vraag Gescinska zich af, want: “soms kunnen woorden even hard en pijnlijk zijn als een messteek in de rug of een slag in het gelaat.”

Gescinska houdt een boeiend pleidooi voor de positieve invulling van vrijheid, voor betrokkenheid en verantwoordelijkheid. Ik zou bijna zeggen verplichte kost voor iedereen en zeker voor politici, journalisten, columnisten en satirici. Verplicht omdat het de voetangels en klemmen, de valkuilen en het mijnenveld toont van een gesprek over vrijheid. Lezen voordat je begint met schelden en beledigen! Alleen klinkt verplicht zo onvrij. Dus anders geformuleerd: politici, journalisten, columnisten en satirici, mag ik jullie een advies geven, lees De verovering van de vrijheid van Alicja Gescinska. Zo’n ‘duwtje in de rug’ past in een pleidooi voor positieve vrijheid.

 

On Liberty

Onbegrensde vrijheid leidt tot chaos, anarchie en uiteindelijk het recht van de sterkste. De vrijheid van de een, wordt begrensd door de vrijheid de ander. “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt  van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.” Aldus John Stuart Mill in On Liberty zijn beroemde boek over vrijheid. We hebben in onze rechtstaat de rechter om de grens tussen mijn en jouw vrijheid te bewaken. Vrijheden zijn niet onbegrensd, ook vrijheid van meningsuiting niet.

Mill

Illustratie: www.quotehd.com

“De beste vrienden van de Turkse president zijn niet zozeer in de moskeeën van Dyanet te vinden als wel in het Paleis van Justitie te ‘s-Gravenhage, de mooie stad waar de koning in woont.” De laatste zin van de column van Han van der Horst op de site JOOP. Hij komt tot deze conclusie na een uitspraak van het Haagse gerechtshof in een zaak die oud staatssecretaris Hilbrand Nawijn had aangespannen tegen het Zoetermeerse SP-raadslid Fijen. Nawijn had uitgesproken te hopen dat er bij hem in de stad nooit een islamitische school zou komen, omdat ‘zulke scholen niet thuis horen in een van christendom doordesemde maatschappij’. Fijen had Nawijn daarop uitgemaakt voor racist. Volgens het gerechtshof een opzettelijke belediging.

Je kunt veel zeggen en vinden van Nawijn. Dat hij er bizarre ideeën op nahoudt. Dat hij met zijn opmerking over een islamitische school, juist wil tornen aan het recht waar die christenlijke stromingen in vroeger eeuwen voor hebben gevochten. Namelijk het recht om een islamitische school te stichten en die door de overheid betaald te krijgen. Dat wellicht ook achterhaalde recht hebben ze. Dat hij en de LPF, namens welke partij hij staatssecretaris was, een karikatuur van de politiek en het besturen hebben gemaakt. Een karikatuur die navolging heeft gekregen en die het aanzien van de politiek en het bestuur geen goed doet. Dat hij publiciteitsgeil lijkt.

Wat je hem niet kunt ontzeggen, is zijn recht om de gang naar de rechter te maken als hij zich beledigd voelt. Dat, wellicht ook achterhaalde recht, heeft hij. Natuurlijk had hij van zijn ‘zwijgrecht’ gebruik kunnen maken en het over zijn kant kunnen laten gaan. Hij heeft ervoor gekozen om aangifte te doen en dat recht heeft hij. Ook al heeft hij het wellicht alleen maar gedaan voor het effect: de media-aandacht. Iets dat hem dus is gelukt.

Net zoals Fijen het recht heeft om te zeggen wat hij wil. Had hij niet gebruik kunnen maken van zijn ‘zwijgrecht’? Betekent zeggen wat je wil, je mening uiten, niet ook dat je de wettelijke gevolgen ervan moet dragen? En het gevolg nu, is een veroordeling door de rechter. Zo werkt onze rechtstaat en dat is maar goed ook.

TTIP en welvaart

“Vrijhandel leidt tot meer welvaart.” Dit schrijft Hans Wansink in het Commentaar in de Volkskrant. In dit commentaar bespreekt hij het Transaltlantic Trade and Investment Partnership (TTIP), een handelsverdrag tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten. TTIP kwam in het nieuws nadat Arjen Lubach in zijn programma Zondag met Lubach een item eraan besteedde. Voor en tegenstanders vallen nu over elkaar heen zonder dat de inhoud van het verdrag bekend is. Die is namelijk geheim. Althans, dat was zo tot Greenpeace deze week grote delen van het verdrag onthulde.

Wansink pleit voor voorzetting van de onderhandelingen omdat vrijhandel tot meer welvaart leidt. Een argument dat in diverse vormen, waaronder economische groei en inkomensstijging, terugkomt in de discussie. Naast meer welvaart moet het ook goedkopere producten opleveren. Vrijhandel leidt tot welvaart, is dat een wetmatigheid?

Vrijhandel is iets van redelijk recente datum. Eigenlijk pas van na het ineenstorten van het systeem van vaste wisselkoersen in 1971. De vaste wisselkoersen, met de Amerikaanse dollar als spil, waren aan het einde van de Tweede Wereldoorlog ingevoerd om de financiële chaos van de vooroorlogse jaren te voorkomen. Deze zogenaamde ‘Bretton Woods afspraken’ boden landen de ruimte om hun eigen economie te stimuleren en beschermen zonder dat het verviel in het vooroorlogse protectionisme. En laat nu net die jaren van veel minder vrije handel, zich kenmerken door de grootste economische groei. En dat niet alleen, die groei werd ook nog eens eerlijk over de bevolking verdeeld. De ongelijkheid in inkomen en vermogen waren in die periode historisch laag, zo laat Piketty zien in Capital in de Twenty-First Century.  Sinds 1971 en vooral sinds 2000 is de economische groei zeer laag en neemt de ongelijkheid flink toe.

De econoom Ha-Joon Chang (23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme) laat zien dat nu succesvolle’ landen als China en India, die de ‘neoliberale vrijhandel’ niet aanhangen, het snelst groeien. En wat verder terug in de tijd: de Verenigde Staten zijn groot geworden door hun markt af te schermen voor buitenlandse (vooral Engelse) producten.

Maken deze feiten niet duidelijk dat vrijhandel niet automatisch tot meer welvaart leidt? En zeker niet tot meer gelijkheid. Want is de ongelijkheid sinds de jaren zeventig niet flink toegenomen, omdat dat beetje groei dat er was, ook nog bijzonder oneerlijk werd verdeeld? Wansink zal met betere argumenten moeten komen.