Twee plus drie is zeven

‘Twee plus drie is zeven!’ Fout zullen jullie mij inpeperen. Het juiste antwoord is vijf. ‘Nee, naar mijn mening is het antwoord zeven en we hebben vrijheid van meningsuiting en ik mag die mening hebben en dus ook uiten.’  Jullie zullen mij meewarig aankijken en me wellicht hoofdschuddend voor gek verklaren. Maar zullen jullie dat ook doen als ik leerkracht ben op de basisschool en dit jullie kinderen leer? Dan zullen jullie naar de directeur lopen en aandringen op mijn ontslag. Dat zou ik ook doen in jullie geval. De directeur valt mij bij en onderstreept mijn recht op vrije meningsuiting. Ook de rechter die jullie inschakelen geeft mij en de directeur gelijk. Jullie zouden je kinderen naar een ander school brengen. En daar zou hetzelfde kunnen gebeuren.

Gescinska

Een voorbeeld om te laten zien tot welke absurde situaties de absolute en onbegrensde vrijheid van meningsuiting leidt. Of zoals de Belgisch-Poolse filosofe Alicja Gescinska schrijft: “De context van het klaslokaal toont ook mooi aan dat onzin verkopen en beledigen niet zomaar overal ongestraft kan. Niet wanneer die onzin en beledigingen grote groepen treft, niet wanneer die gericht is tot een enkel individu. Een leraar mag ook niet zomaar het kleinste meisje van de klas voor stomme lilliputter uitschelden en de jongen met ietwat grote oren voor lompe olifant houden.” Natuurlijk mag een leraar kinderen niet uitschelden voor stomme lilliputter of lompe olifant, als dat gebeurt dan zal iedereen er schande van spreken en de leraar zal waarschijnlijk zijn baan verliezen. Toch vliegen in het publieke debat ons soortgelijke verwensingen om de oren. Personen en groepen die worden uitgescholden voor geitenneuker wat weer wordt beantwoord met andere verwensingen.

In haar boek De verovering van de vrijheid. Van luie mensen, de dingen die voorbijgaan behandelt Gescinska de vrijheid en haar grenzen en daarbij komt in het laatste hoofdstuk ook de nu veel aangehaalde vrijheid van meningsuiting aan bod. Het filosofisch debat over vrijheid kent twee richtingen, de negatieve en de positieve. Om dit verschil duidelijk te maken, gebruikt zij een ervaring uit haar jeugd. Dat doet zij trouwens het hele boek door. Voorbeelden die een relatie leggen tussen de filosofische discussie en de wereldse werkelijkheid. Voorbeelden die het filosofische betoog een leesbare lichtheid geven.

Als klein meisje vluchtten haar ouders, net voor de val van de muur, vanuit het communistische Polen naar België. In Polen had zij verhalen gehoord van het prachtige speelgoed, de overvloed  en de vrijheid in het westen. Haar eerste kennismaking met die overvloed en vrijheid viel haar flink tegen. Met haar ouders en oudere zusje, bezocht zij een speelgoedwinkel. Inderdaad lag daar het mooiste speelgoed, waren er poppen in overvloed en konden die in alle vrijheid worden gekocht. Alleen het geld ontbrak om ook maar het kleinste popje te kopen. Zo is het ook met vrijheden. Je kunt er heel veel hebben, maar wat heb je eraan als je er geen gebruik van kan maken. Aanhangers van negatieve vrijheid, willen de best gevulde speelgoedwinkel. Aanhangers van positieve vrijheid willen werken aan de mogelijkheid van het kind om er iets te kopen.

Aanhangers van negatieve vrijheid pleiten voor een maximale individuele vrijheid. Voor vrije markten waarop vrije individuen dat doen waarvan zij denken dat het hen het meeste geluk brengt. Waarbij zij dat mogen doen zolang zij anderen geen schade berokkenen. De alcoholist mag niet worden belemmerd in zijn zucht naar drank, dat is zijn vrije keus. Een pleidooi voor absolute vrijheid van meningsuiting past hierbij. Zij pleiten voor een kleine, terughoudende overheid die alleen optreedt als schade wordt berokkend aan iemand anders.

Gescinska denkt daar anders over: “Keuzevrijheid impliceert niet automatisch een keuzevermogen, laat staan keuzeblijheid.” Iemand die niet kan lopen heeft natuurlijk de vrijheid om te gaan en staan waar hij of zij wil, de persoon mist alleen het vermogen om dit te doen. Voor een aanhanger van negatieve vrijheid is het hebben van die vrijheid voldoende. Gescinska vindt dit een wel erg beperkte opvatting van vrijheid en noemt dit moreel onverschillig. Je hebt alleen wat aan vrijheid, als je er gebruik van kan maken en daarbij kunnen mensen wel wat hulp gebruiken, bijvoorbeeld een rolstoel. Zij pleit voor een positieve invulling van vrijheid en in het verlengde daarvan een samenleving en overheid die zich wel met het individu bemoeit. Die mensen een duwtje in de rug geeft, een duwtje om zichzelf te ontdekken. Een duwtje uit belangeloze betrokkenheid. Een duwtje om aan je vrijheid te werken, want vrij zijn betekent werken en kost inspanning. Vrijheid komt niet vanzelf.

Aanhangers van negatieve vrijheid zullen tegenwerpen dat dit leidt tot ‘wij bepalen wel wat goed voor jou is’ en de deur open zet voor totalitarisme. Een staat die bepaalt wat geluk is, hoe dit te bereiken en wie daarvoor wat moet doen. Gescinska werpt tegen dat dit een karikatuur is van positieve vrijheid en onderbouwt dit met twee argumenten. Als eerste kun je je kunt afvragen hoe vrij de alcoholist, net zoals de drugsverslaafde en de luilak, is. “Zijn zij niet allen de slaven van hun onvermogen om te weerstaan aan het object van hun destructieve verlangen, en is verslaving niet sowieso het tegendeel van individuele vrijheid?” vraagt zij zich af. Als tweede betekent absolute vrijheid dat iedereen voor zichzelf bepaalt wat goed is en welke regels voor hem gelden: Niemand bepaalt zichzelf volledig, zoals niemand ook zijn eigen wetten uitvaardigt.” Absolute negatieve vrijheid leidt niet tot vrijheid en autonomie, maar tot chaos en het recht van de sterkste, ze keert zich tegen de mensen. Volgens Gescinska is autonomie juist een fundamentele pijler van de positieve vrijheid, die draait in essentie: “om zelfrealisatie en het goede leven. Maar zelfrealisatie en het goede leven zijn niet mogelijk als ze afgedwongen worden.”

Er zal niemand zijn die stelt dat iedereen de vrijheid heeft om welke daad dan ook te verrichten. Zelfs de pleitbezorgers van negatieve vrijheid vinden dat er een grens is en die is dat je de ander niet mag schaden. “Maar waarom zouden we dan wel de vrijheid moeten hebben om eender welk woord te spreken?” Vraag Gescinska zich af, want: “soms kunnen woorden even hard en pijnlijk zijn als een messteek in de rug of een slag in het gelaat.”

Gescinska houdt een boeiend pleidooi voor de positieve invulling van vrijheid, voor betrokkenheid en verantwoordelijkheid. Ik zou bijna zeggen verplichte kost voor iedereen en zeker voor politici, journalisten, columnisten en satirici. Verplicht omdat het de voetangels en klemmen, de valkuilen en het mijnenveld toont van een gesprek over vrijheid. Lezen voordat je begint met schelden en beledigen! Alleen klinkt verplicht zo onvrij. Dus anders geformuleerd: politici, journalisten, columnisten en satirici, mag ik jullie een advies geven, lees De verovering van de vrijheid van Alicja Gescinska. Zo’n ‘duwtje in de rug’ past in een pleidooi voor positieve vrijheid.

 

3 gedachtes over “Twee plus drie is zeven

  1. Richard

    mooi pleidooi. Vrees alleen dat de doelgroep die het zou moeten lezen de vrijheid voelt om dit niet te doen en vanuit hun eigen kokers blijft denken en roepen.

    Like

  2. Pingback: Economie volgens Van Klaveren (4 van 7) – ballonnendoorprikker

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s