Uitgelicht

Veelkleurige geschiedenis

                In de Volkskrant stoort historicus Arie Wilschut zich aan de manier waarop er met de geschiedenis wordt omgegaan. Zoals hij terecht schrijft, zijn er twee dingen belangrijk in de omgang met het verleden: “ten eerste dat ‘één waarheid’ niet bestaat en dat er altijd meerdere kanten aan een zaak zitten. Ten tweede dat iedere tijd zijn eigen waarden- en normenpatroon heeft en dat het niet aangaat het normen- en waardenpatroon van onze tijd zonder meer als algemeen geldig aan alle tijden op te leggen.” Want zo schrijft hij: “Waar de nuance wordt bedreigd door één ideologische manier van denken, lopen vrijheid en democratie gevaar. Waar geen begrip bestaat voor het fundamentele verschil tussen verleden en heden, kunnen geen lessen meer worden geleerd uit de ervaringen van de mensheid, omdat men denkt alles al a priori te weten.”  Dat leidt tot: “de huidige zwart-witdiscussie waar niemand mee is gediend.” In een reactie op dit artikel adviseert Heleen Ronner, docent NT2, om de poster 10 keer meer geschiedenis te raadplegen. De poster is het antwoord van The Black Archives op de 10 tijdvakken die momenteel in het onderwijs worden gebruikt.

Slavenhandel tussen Russen (oorspronkelijk Noormannen) en de khazaren. Schilderij van Sergei Ivanov. Bron: Wikipedia

Nu is iedere indeling van de geschiedenis in tijdvakken arbitrair. Tijdens mijn studie geschiedenis waren er veel minder ‘tijdvakken’. We hadden de oudheid, die liep van 3500 BCE tot de afzetting van de laatste West-Romeinse keizer in 467 CE. Daarna begonnen de Middeleeuwen die eindigden midden vijftiende eeuw. Daarna begon de Nieuwe tijd en die liep zo rond 1860 over in de Nieuwste tijd. Welke indeling er wordt gekozen en welke ‘titel’ men een tijdvak geeft, zegt meestal meer over de tijd en vooral de persoon die de indeling maakt, dan over het betreffende tijdvak. Zo zou een Romein zijn tijd nooit de ‘oudheid ’noemen. ‘Hoezo oud, is er dan ook een nieuwheid’, zou hij vragen. Een middeleeuwer zou vragen: ‘midden waar tussen?’ Met het benoemen van tijdvakken, zij we al bezig met het opleggen van een ‘normen- en waardenpatroon’ om Wilschut te parafraseren.

Op de poster wordt ieder tijdvak gesymboliseerd door een plaatje met daaronder een korte uitleg en vervolgens links naar minder bekende zaken uit andere delen van de wereld. Jammer alleen dat verschillende links doodlopen. Zoals de Wikipedia -link naar Teotihuacan. Gelukkig is er ook een link naar School tv over hetzelfde onderwerp. Maar wacht eens. Als er een link naar School tv is, is er dan sprake van ‘Verzwegen geschiedenis op school’, van ‘verzwegen perspectieven’ waarmee de poster wordt aangekondigd?

Dat brengt mij bij een punt van kritiek op de makers. De makers suggereren dat er iets wordt verzwegen, dat er iets ‘geheim’ wordt gehouden. Iets wat we niet mogen weten. Dat is nogal een beschuldiging. Dat iets niet in het curriculum zit, wil dat meteen zeggen dat het geheim wordt gehouden? Bij het opstellen van een curriculum moeten keuzes worden gemaakt. Het onderwijskundige probleem van ‘tien keer meer geschiedenis’ is dat het ‘in de hoofden krijgen’ ook tien keer meer tijd kost.

Tegen het probleem van ‘keuzes maken’ lopen de makers ook. De poster heeft 11 tijdvakken. Ze begint met ‘De tijd van de eerste mensen’. Een tijdvak dat loopt van 300.000 tot 10.000 BCE en dat duidelijk moet maken hoe de homo sapiens zich over de aarde heeft verspreid. Goed dat deze periode aandacht krijgt. Alleen één maar: zoals ik al eerder schreef, liepen er al veel eerder mensen over de aardbol, bijvoorbeeld de Neanderthaler, de homo denisovans en de homo floresiensis. De overige tien tijdvakken op de poster lopen qua periodisering één op één met de 10 tijdvakken die in het huidige geschiedenisonderwijs worden gehanteerd.

Nu is er nog iets bijzonders met de poster en dat brengt mij bij de Brief van de Dag in de Volkskrant van vrijdag 19 juni. In die Brief van de Dag reageert Henna Goudzand Nahar ook op het artikel van Wilschut. Een bijzondere brief omdat Nahar Wilschut zaken lijkt te verwijten die hij niet heeft betoogd. Volgens Nahar verdedigt Wilschut slavernij terwijl daarvan geen sprake is. Nahar: “Het is triest dat zelfs historici met dit argument komen aandragen om de slavernij te verdedigen. Zo schrijft ook historicus Arie Wilschut in zijn stuk ‘Hoog tijd dat historici zich mengen in debat over ‘foute’ helden’: ‘De handel op slavenkoloniën als Suriname was helemaal verwaarloosbaar, omdat die nog geen 2 procent heeft bijgedragen.’ Mocht dat al kloppen, dit doet niets af aan wat er is gebeurd. Het getuigt dan eerder van domheid om daarvoor zoveel mensen te vermoorden, te ontvoeren en er eeuwen mee door te gaan.” Wilschut voert dit niet aan als ‘verdediging’ van de slavernij, maar als perspectief bij het beeld dat is ontstaan dat de Nederlandse rijkdom afkomstig is van slavernij.  

Voor mijn betoog is het tweede verwijt dat Nahar Wilschut maakt belangrijker. Nahar: “Daarnaast noemt Wilschut als argument dat in de wereld voor 1800 slavernij een doodgewoon verschijnsel was. Dat was waar, maar de transatlantische slavernij ging gepaard met kolonialisme en is van een zodanige orde geweest dat dit tot vandaag enorme gevolgen heeft voor de relatie tussen wit en zwart. Het verdrijven of uitmoorden van de inheemse bevolking om vreemd land in bezit te nemen, gevolgd door de ontwikkeling van een wereldbeeld waarin de witte de zwarte de weg zal wijzen naar ‘verlichting’, maken de dimensies hiervan totaal anders.”  Het zal Nahar wellicht verbazen, maar ook kolonialisme en ermee gepaard gaande slavernij is geen ‘westerse’ uitvinding. En dat brengt mij bij de poster en tijdvak 6 (1600-1700 CE), de Tijd van Kolonialisme & handelskapitalisme met als ondertitel “Roof, handel en uitbuiting op wereldschaal.”  De eerste poster waar over slavernij, koloniën en imperialisme wordt gesproken en waarbij de Europese landen koloniseerden.

Dat laatste klopt. In die tijd waren het de Europese landen die anderen koloniseerden. Maar was dit zo bijzonder? Waren die ‘Grote rijken in Azië, Afrika en Amerika in periode 4 (1000-1500 CE) niet ook ontstaan doordat de ene groep de andere ging overheersen, domineren en koloniseren? Kwam in die grote rijken geen slavernij voor? Zou het Mongoolse rijk, terecht door de makers van de poster omschreven als een van de grootste rijken ooit, vreedzaam zijn ontstaan? Kijkers van de film Mongol weten wel beter. Dat ging gepaard met flink veel geweld waarbij de verslagene kans had om in slavernij te geraken. Nee, die rijken kwamen op precies dezelfde manier tot stand als de Europese landen hun imperia opbouwden. Dit met als enige verschil dat de Europeanen het als eerste echt op wereldschaal deden.

Zo kwamen trouwens ook het Romeinse rijk en het Chinese rijk onder de Han dynastie in periode 2 (3000 BCE en 500 CE) tot stand. Twee rijken die via wat wij nu de zijderoutes noemen, handel met elkaar dreven. Zijderoutes die volgens de posters pas in periode 3 (500-1000 CE) ten tonele verschijnen. Die routes ontstonden echter al zo’n 1500 jaar eerder. Via die routes werd van alles verhandeld waaronder ook slaven. Wie hierover meer wil weten, lees het boek De Zijderoutes van Peter Frankonpan. Slaven waarvan het Romeinse rijk er, volgens Frankonpan op haar hoogtepunt zo’n 250.000 tot 400.000 per jaar nodig had. Slaven die van heinde en verre kwamen. Uit Afrika, Azië en Europa. Dit terwijl slavernij pas op de poster pas een rol krijgt in periode 6 (1600-1700 CE). En dan ook nog alleen maar in de vorm van twee rode pijlen, één naar de Amerika’s en één naar Nederlands Indië, zoals het wordt genoemd. Een pijl naar het noorden, naar de Arabisch, Perzische en de Ottomaanse wereld ontbreekt. Bijzonder is de naam Nederlands Indië op een kaartje dat handelt over deze periode. Die benaming werd pas vanaf het begin van de negentiende eeuw (1816) voor dat gebied gebruikt.

Zo kunnen bij iedere tijdsperiode zowel van de poster als bij de standaard beschrijvingen van de tijdvakken kanttekeningen worden geplaatst. Ja, de poster 10x meer geschiedenis geeft een breder totaaloverzicht van wat er in de wereld allemaal is gebeurd. Dat was ook de bedoeling van de makers. Ze wilden: “de focus op geschiedenis buiten de bekende Europese kaders.” De makers van de 10 tijdvakken, hebben een ander doel. De tijdvakken zijn bedoeld om jonge inwoners van Nederland te laten zien hoe ons deel van de wereld zich heeft ontwikkeld. Die beperking is te begrijpen omdat het gros van die jonge inwoners hier zal blijven wonen en leven. Dan is het wel handig dat je een beetje weet waar zaken in de samenleving hier vandaan komen. Hierbij is de invloed van de Grieken, Romeinen, Kelten en Germanen op onze samenleving ‘need to know’. De beschaving van de Bantoe-volken of de Nazca’s is ’nice to know’. Zonder, zoals gezegd, meer tijd voor het vak geschiedenis, betekent een breder palet minder diepgang. Immers met het noemen van de Zapoteken en de Ban Chiang moet je er ook meer informatie over geven. Dan moet je hun cultuur beschrijven en dat gaat ten kosten van iets anders. Een keuze die ook weer leidt tot zaken die niet worden behandeld en wellicht tot een nieuwe groep die aandacht vraagt voor die ‘verzwegen geschiedenis’.

Volgens Heleen Ronner, die hem  aanbeveelt, maakt de poster: “de geschiedenis niet zwart-wit, maar juist veelkleurig.” De poster is niet zozeer kleurrijker als wel anders en dat andere heeft vooral te maken met het doel achter de poster. De makers van de poster lijken vooral ‘westers  exceptionalisme’, het uitzonderlijke van de westerse dominantie van de afgelopen paar honderd jaar aan te willen tonen. Zo exceptioneel was en is de manier waarop het westen opereerde en opereert echter niet. Het westerse optreden wijkt niet af van het optreden van eerdere dominante rijken. Een dominant rijk dat zich superieur voelt, de oude Romeinen en Chinezen weten er alles van. Gebieden veroveren overheersen en koloniseren, de Olmeken, Maya’s en Inca’s wisten ook wel hoe dat moest. Slavernij en slavenhandel? Wijd verbreid zowel geografisch als in tijd, zelfs tegenwoordig nog. Nee de geschiedenis kent meer constanten dan dat er wordt afgewisseld. Om een oud versje voor de poëziealbum te verhaspelen: ‘culturen verwelken, rijken vergaan, machtswellust blijft altijd bestaan.’

Uitgelicht

‘350 jaar illegale bezetting’

“De Nederlandse staat geeft geen gehoor aan de Indonesische slachtoffers van de 350 jaar durende illegale bezetting door Nederland.” Woorden van Jeffry Pondaag, voorzitter van de Stichting Comité Nederlandse Ereschulden. Pondaag spreekt deze woorden uit in een artikel van Fitria Jelvyta bij dekkanttekening.nl. Een artikel gewijd aan het geleden leed dat Nederland, volgens het artikel, onder ogen moet zien. Pondaag heeft ook een idee hoe dat kan: “Het is zaak dat Nederland een podium biedt aan de Indonesische slachtoffers in de vertelling van de geschiedenis.”  Dat er evenwichtige aandacht moet zijn voor alle aspecten van het verleden en dat dit nu nog niet altijd het geval is, staat buiten kijf. 

Batavia zo rond 1870. Bron: Wikipedia

Toch wringt er iets aan het betoog van Pondaag en dat begint met de zin waarmee ik deze Prikker opende. Een dergelijke zin wringt behoorlijk met ‘evenwicht’. 350 jaar is een lange tijd. We komen dan uit in het jaar 1670. Als we de staatkundige kaart van die tijd bekijken dan zien we dat die er heel anders uitzag dan tegenwoordig. We zullen Nederland er niet op vinden. Duitsland en Italië trouwens ook niet. We treffen er een landje aan dat de Zeven Verenigde Provinciën heet. Dat landje omvat een flink deel van het huidige Nederland. Een groot deel ook niet. Als ik de gemeente Venlo, waar ik woon bekijk, dan lag het huidige grondgebied in drie verschillende landen. Venlo lag in een gebied waar geregeld legers voorbij trokken om elkaar te bestrijden. Dat landje kende geen ‘centraal bestuur’. Elk van die zeven provinciën dopten hun eigen boontjes en soms deden ze wat samen. Kijken we naar de staatkundige kaart van het huidige Indonesië dan zien we een baaierd aan rijkjes en rijken. Een land Indonesië is er niet op te vinden. Dat er nu wel een land van die naam is te vinden is, en dat klinkt cru, juist het resultaat van het kolonialisme. Dat maakte van de Eilanden van Smaragd een staatkundige eenheid. 

Dan het woord illegaal, “in strijd met de wet”  zoals de Vandale het omschrijft. Welke wet? Internationale wetgeving is iets van de laatste eeuw. Ja, ook al in de zeventiende eeuw werd er over internationaal recht gedacht en geschreven bijvoorbeeld door Hugo de Groot. Relaties tussen Rijken en staten werden geregeld via verdragen. Verdragen die konden worden opgezegd en geschonden en die oorlogen en bezettingen niet konden verhinderen. Pas met de komst van de Volkerenbond in 1919 ontstond er iets wat op internationale wetgeving leek. Al was die poging geen lang leven beschoren. Met de oprichting van de Verenigde Naties werd een nieuwe, betere poging gewaagd. 

Pondaag: “Waar haalt Nederland het recht vandaan om een land dat 18.000 kilometer hiervandaan ligt te beschouwen als zijn eigendom? Als ze zeggen dat kolonialisme toen vanzelfsprekend was, hoe zit het dan met de mensen die in Indonesië woonden? Hebben zij dan geen stem? Zijn zij dan geen mensen?” Natuurlijk leefden er ook toen mensen op de eilanden in de Oost. En, nee, die mensen hadden daarin geen stem. Net zoals de inwoners van de Zeven Verenigde Provinciën niets is gevraagd. Die hadden daarin ook geen stem. Zij kregen pas in de twintigste eeuw een stem. De mannen mochten voor het eerst allemaal stemmen in 1917 en de vrouwen in 1919. Het bezetten gebeurde toen omdat het kon en gebruikelijk was. Dzjengis Khan vroeg zich vier eeuwen eerder ook niet af of hij wel het ‘recht’ had om 8.000 kilometer verderop gebieden te bezetten en mensen te vermoorden. En nu is het nog steeds mogelijk. Immers wie geeft de Verenigde Staten het ‘recht’ om Irak binnen te vallen? 

Pondaags zin waarmee ik begon gaat verder. Na illegale komt het woord bezetting. Als de ‘VOC-methode’ door iets niet werd gekenmerkt, dan is dat wel bezetting van het gebied dat nu Indonesië heet. De VOC stichtte op strategische plekken langs de zeeroute naar en in de Oost forten. Forten waar de schepen veilig konden aanleggen om vers water en voedsel in te slaan. Forten waarmee de handel in belangrijke producten gemonopoliseerd kon worden. Er werden geen gebieden bezet waarvan het bestuur werd overgenomen. Wel kon het gebeuren dat een vorst die de belangen van de Compagnie schaadde werd aangepakt. Voor een bezetting ontbrak het de Compagnie aan mankracht en middelen en Nederland in de negentiende eeuw trouwens ook. Of zoals Kossmann het in  het standaardwerk De Lage Landen 1780/1980 deel I omschrijft: “Al was het Nederlandse bestuur er in de loop van de negentiende eeuw toe overgegaan zijn rechten op de meeste eilanden, zoals Borneo, Sumatra, Celebes en Bali ook door middel van militaire expedities te bevestigen, van een werkelijke occupatie van deze gebieden was geen sprake.” Dat bevestigen gebeurde niet om de ‘inlanders’ eronder te krijgen. Dat gebeurde om de Engelsen en Fransen buiten de deur te houden. De lokale heersers konden gewoon hun gang gaan zolang ze maar niet dwars lagen. Lagen ze dwars, zoals Atjeh, dan werd hen de oorlog verklaard.

Al dit doet er niets aan af dat er verschrikkelijke dingen zijn gebeurd. In de jaren ’45-’49 maar ook in het al genoemde Atjeh en op andere momenten zoals het optreden van Jan Pieterszoon Coen. Zaken die verteld moeten worden en waarbij zeker ook het verhaal van de slachtoffers een prominente plek moet krijgen. Dat mag echter geen aanleiding zijn om het verleden geweld aan te doen door het in een 21ste eeuws frame te plaatsen.

Sophie, volg je hart!

Je brief in de Volkskrant deed mij terugdenken aan mijn jeugd. Dat was ver voordat jij werd geboren, de eerste helft van de jaren tachtig. Midden jaren tachtig zat Nederland in economisch slechte tijden. Het was de tijd van Koos Werkeloos van Harry Jekkers en zijn Klein Orkest. Dus flinke werkloosheid en slechte vooruitzichten. Ik stond al een stapje verder. Ik moest kiezen wat ik ging studeren: economie met betere arbeidsvooruitzichten of toch mijn favoriete vak geschiedenis.

Ik weet nog dat we voor ons schoolonderzoek Nederlands een opstel moesten schrijven. Ik heb mijn opstel toen aan de studiekeuze gewijd. Twee klasgenoten waarvan er eentje voor geschiedenis koos en de ander voor economie. Tijdens een reünie een jaar of twintig later kwamen ze elkaar weer tegen en raakten in gesprek over die twintig jaar. Ze hadden het allebei moeilijk gehad maar uiteindelijk toch iets gevonden. 

Zelf koos ik ervoor om mijn hart te volgen en geschiedenis te gaan studeren. Ik heb er tot op de dag van vandaag nooit spijt van gehad. En net als de twee uit mijn opstel, was het ook voor mij moeilijk om iets te vinden wat bij mij past. Ik werk nu al meer dan twintig jaar als beleidsadviseur voor de overheid. Ik kan me voorstellen dat je nu denkt: maar dat heeft niets met geschiedenis te maken. Inderdaad heeft het inhoudelijk niet met geschiedenis te maken.

Alhoewel niet. Als je kunt aangeven dat bijvoorbeeld het instrument ‘Work First’ is te vergelijken met de spin- en rasphuizen van enkele eeuwen eerder, dan bied je perspectief. Bij beiden staat werken voor je geld (of eten) centraal. Goede kennis van de geschiedenis helpt je om de huidige waan van de dag te relativeren en in perspectief te plaatsen. Van de brede algemene kennis die je via een studie geschiedenis opdoet, heb je een leven lang profijt ook al is het niet je dagelijkse werk. 

Alhoewel niet. Op een andere manier heeft mijn werk juist alles te maken met de studie geschiedenis. Als historicus leer je op basis van een vraag- of probleemstelling onderzoek te doen, informatie te verzamelen. Informatie die je vervolgens ordent en op een logische wijze op schrift presenteert. Dat zijn precies die vaardigheden die je ook als  beleidsadviseur nodig hebt. Trouwens, niet alleen als beleidsadviseur. Als je wilt, loop eens een paar dagen of een weekje met mij mee.

Er zijn nog meer redenen om je hart te volgen en niet met je hoofd, en met het oog op de toekomstige portemonnee, voor bijvoorbeeld bedrijfskunde te kiezen. In mijn werk kom ik mensen tegen met qua studie zeer veel verschillende achtergronden. Voor de meeste werkgevers is de precieze studie die je hebt gevolg niet van belang. Voor werkgevers is het opleidingsniveau van belang. Dan kun je maar beter iets studeren waar je echt plezier in hebt. Belangrijker, hoe saai zou een wereld zijn met alleen maar economen, bedrijfskundigen, juristen en andere ‘goed betalende’ beroepen?  

Mijn advies: volg je hart en zoek daarna werk en een werkomgeving waar je je prettig voelt en wordt gewaardeerd. Dat zoeken naar die werkomgeving kan jaren duren. Voordat ik mijn plek vond, heb ik in de tuinbouw gewerkt, voor een boekhandel en een veiling in groenten en fruit. Door al die ervaringen heb ik geleerd waar ik blij van word en waarvan zeker niet. En als je toch een link met economie wilt, ook de studie geschiedenis biedt mogelijkheden om iets met economie te doen.

Verleden, heden en toekomst

In 1940 ontdekten enkele Franse jongelui per toeval een grot. Op de muren van die grot zagen zij schilderingen van dieren. Die schilderingen bleken tussen de 10.000 en 15.000 jaar oud te zijn. Sindsdien is Lascaux een bekende naam. De schilderingen vertellen ons iets over het leven van onze voorouders. Iets, maar niet veel. Hoe die voorouders precies leefden, waarom ze deze schilderingen maakten? We kunnen er alleen maar naar gissen. Het ontbreekt ons aan gegevens, aan data. Wat we ervan weten zijn interpretaties. Interpretaties gebaseerd op dergelijke  schilderingen, op botten, op resten van ander gebruiksvoorwerpen en op het bestuderen ‘primitieve’ volkeren. 

Dit staat in schril contrast met onze huidige werkelijkheid. Onze (digitale) datastroom groeit fors. Al die data worden opgeslagen in enorme data centra. Data centra die enorm veel stroom verbruiken. In die ‘digitale omgeving’ worden enorm veel teksten, geluid en beelden opgeslagen. Voor een historicus in het jaar 2800 zou het daarmee erg makkelijk moeten zijn om een beeld te schetsen van het leven in de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw. Duik in ‘de cloud’ en je ziet het huidige leven voorbij trekken.  Alhoewel. Op Facebook en soortgelijke sites leukt eenieder zijn leven op. Bekijk je de journaals dan zie je de uitzonderingen, de afwijkingen. Nieuws is immers dat wat afwijkt van het gebruikelijke. 

Mijn verre nazaat-historicus kon echter nog wel eens ander probleem hebben. Daar waar over onze verre voorvaderen heel weinig informatie hebben, zou het kunnen dat wij onze nazaten wel eens teveel informatie nalaten. Te weinig informatie is een probleem. Echter wel een probleem dat we kunnen aanpakken met verbeeldingskracht.  Maar hoe pak je het probleem van ‘teveel’ informatie aan? Welke informatie is relevant en welke niet? Hoe bepaalt de toekomstige historicus welke versie van de huidige werkelijkheid, werkelijk is?

Maar wellicht heeft die toekomstige historicus wel een heel ander probleem. Een probleem dat goed wordt beschreven in de thriller De Tweede Slaap van Robert Harris. Een boek dat ik op aanraden van een goede vriend las. Het boek speelt zich af in het jaar 1468. Dat lijkt het verleden maar al lezend blijkt het de toekomst te zijn en wel zo ongeveer het jaar 2800. Een toekomst die verdacht veel lijkt op het verleden. De toekomstige historicus in het boek is Nicholas Shadwell.

Shadwell staat voor heel andere problemen dan ik hierboven heb geschetst. Het jaar 1468 in het boek is een combinatie van de achttiende eeuw en de Middeleeuwen. Shadwell heeft te maken met de kerk die het vergaren van kennis als ketters bestempeld. De persoon Shadwell laat zien dat niet iedereen zich hieraan houdt. Maar vooral heeft hij te kampen met een gebrek aan informatie over onze tijd. Wat er is gebeurd in het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw is niet duidelijk. In een brief uit 2022 die Shadwell heeft gevonden, bij zijn (letterlijke) graafwerk, worden zes mogelijke scenario’s genoemd. Wat er uiteindelijk is gebeurd wordt niet duidelijk. Wel is duidelijk dat zeer veel verloren is gegaan.

De brief maakt duidelijk hoe een van die gebeurtenissen tot het terugvallen naar de Middeleeuwen heeft kunnen leiden. “We zijn van mening dat onze samenleving een dermate geavanceerde technologie heeft ontwikkeld dat ze kwetsbaarder is voor totale instorting dan ooit te voren. … Zo zou een langdurige algehele verstoring van het functioneren van computernetwerken – vooral in steden – al binnen 24 uur tot voedsel- en brandstoftekorten leiden. Deze tekorten zouden gepaard gaan van een dramatische inkrimping van de beschikbare geldhoeveelheid (als gevolg van het uitvallen van alle geldautomaten en alle creditcardtransacties en online bankieren), het instorten van diverse communicatiemiddelen en IT-netwerken, het bezwijken van alle transportsystemen, hamstergedrag, een massale uittocht uit de steden en grootschalige onlusten. … Wij vrezen dat een aanvankelijk instorting zich exponentieel zou kunnen verbreiden, en wel met zo’n snelheid dat geen enkele officiële respons ertegen opgewassen zou kunnen zijn.”

Of Harris een realistische scenario schetst? Dat kennis verloren kan gaan, staat buiten kijf en laat de geschiedenis ons zien. Neem de schilderingen in de grotten van Lascaux waarmee ik begon en waarvan we niet weten waarom ze werden gemaakt. Maar ook de piramides in Egypte waarvan we nog steeds niet precies weten hoe ze werden gebouwd. Dat we in onze huidige samenleving in hoge mate afhankelijk zijn van technologie en van elkaar, staat buiten kijf. Nederland mag dan bijna ‘wereldkampioen’ voedselexport zijn, hoeveel mensen weten hoe ze aardappels moeten telen? Wie kan er nog navigeren op de sterren? Waar vind je de kennis behalve op het internet? In boeken. Alleen wie heeft er de juiste boeken en waar vind je die? Boeken branden trouwen ook goed en vuur is best lekker als je het koud hebt. De regering Den Haag? Die zit, nadat de benzine tank leeg is, ineens weer een dag of vijf gaans van Venlo. Bovendien hebben al die ambtenaren het veel te druk om zelf te overleven. De politie en het leger? Hoe communiceer je ermee na die eerste tank benzine? En dan vergeten we maar even de mogelijkheid dat de regeringsleden zich ook elders dan in Den Haag kunnen bevinden.

Nee, dan geef ik de ‘primitieve volkeren’ een veel betere kans om te overleven. Die mogen dan, zoals de Van Dale primitief definieert: “behoren tot het vroegste stadium van een ontwikkeling,” en: “technisch weinig ontwikkeld zijn.” Ze zijn zeker niet: “gebrekkig, onbeholpen,” de tweede betekenis van primitief. Sterker, ze hebben waarschijnlijk precies die kennis die nodig is om in een dergelijke situatie te overleven.  

Even terzijde. Ik denk dat ik mijn Prikkers toch ook maar eens uitprint op lang houdbaar papier en ze luchtdicht in plastic verpakt in een glazen kist ergens begraaf. Dan heeft die historicus in 2800 toch nog iets. 

Historische bijziendheid

Het einde van een jaar is voor veel ‘meningenmensen’ een moment om terug of vooruit te blikken. Nu eindigt er een decennium en is die verleiding nog groter. Eigenlijk loopt er geen decennium af, dat gebeurt pas aan het einde van 2020. We begonnen immers te tellen bij het jaar één en dan eindigt een decennium met een jaar met een nul aan het einde. Dit even terzijde. Bij Elsevier maakt columnist Afshin Ellian ook van de gelegenheid gebruik. Hij blikt terug op de eerste twee decennia van deze eeuw. Een terugblik met een bijzondere kijk op de geschiedenis. 

Bron: Wikipedia

“Het eerste decennium van deze eeuw verliep gewelddadig. Het terroristische geweld werd naar het westen gebracht.” Inderdaad was het eerste decennium niet vrij van geweld. Als we de geschiedenis van de mensheid bekijken, dan was er waarschijnlijk nog geen enkel decennium dat geweldloos verliep. Of het eerste decennium van de 21ste eeuw gewelddadiger was dan andere, daar valt het nodige over te zeggen. Daar kom ik later op terug. Nu eerst de tweede zin, het terroristische geweld dat naar het Westen werd gebracht. Bijzonder omdat terrorisme, zoals ik een Prikker van bijna een jaar geleden al schreef, de naam ontleent aan een periode uit Franse revolutie. Een periode met de naam la Terreur. In die Prikker beschreef ik de bijzondere omkering van het begrip terreur en terrorisme.  Van de staat als dader naar de staat als slachtoffer.

Sindsdien heeft terreur en terrorisme Europa en het Westen nooit verlaten. Zo vreest men dat het terroristische geweld  in Noord-Ierland na de Brexit weer hervat kan worden. Dat de tijden van The Troubles weer terugkeren.  In Spanje ligt het terrorisme van de ETA nog vers in het geheugen. Net als de RAF in Duitsland de Rode Brigades in Italië. Vanuit het Westen vond het terrorisme zijn weg naar de rest van de wereld. Al zal er ook in de rest van de wereld, net als in het Westen, wel terrorisme avant la Lettre zijn geweest. In eerste instantie vooral als verzet tegen de koloniale overheersing door het Westen. De strijders voor onafhankelijkheid kregen het stempel ‘terrorist’ opgeplakt. De neiging om iedereen die tegen het leiderschap van een land is ‘terrorist’ te noemen, bestaat nog steeds. Onder andere Erdogan, Poetin en Xi Jinping maken er nog graag gebruik van. 

Nee ‘terroristisch geweld’ werd niet naar het Westen gebracht. Wat er wel gebeurde is dat door fundamentalistische islamitische stromingen geïnspireerde ‘fanatici’ als een soort moderne ‘Zeloten’ geweld gingen gebruiken in hun strijd tegen ‘ongelovigen’ en om een islamitisch Kalifaat te stichtingen. Voor degenen die nog nooit van Zeloten hebben gehoord. Zeloot betekent ‘ijveraar’ en zo noemde zich een groep joden die geen ander gezag dan het goddelijke erkenden. De Zeloten verzetten zich met alle middelen tegen de Romeinse overheersing. Wat dat betreft staan de islamitische fanatici in een lange traditie.

Ellian vervolgt: “De aanslagen van 9/11 en wat daarop volgde, leidde tot twee grote oorlogen: Afghanistan en Irak. In beide landen is het niet gelukt om vrede en veiligheid te brengen.” Deze woorden suggereren dat de invallen in de beide landen tot doel hadden om vrede en veiligheid te brengen. Als dit de bedoeling was, dan zou je kunnen concluderen dat het gebruikte middel, de oorlog, de situatie zelfs flink heeft verslechterd. Nee, die oorlogen hadden geheel andere doelen. Doelen die heel weinig te maken hadden met vrede en veiligheid voor de Afghanen en Irakezen. In Afghanistan draaide het om Bin Laden. Die moest en zou koste wat het kost worden gepakt. De aanslagen van 11 september moesten worden vergolden en de Taliban liepen daarbij ‘in de weg’. Over wat er daarna zou moeten gebeuren, werd helemaal niet nagedacht. Dat gebeurde ook niet in het geval Irak. Daar moest Saddam weg. De jonge Bush wilde afmaken wat zijn vader had laten liggen. Omdat er geen aanleiding voor was, werd die gecreëerd. Hiervoor werd een verhaal ondersteund met vage beelden gefabuleerd dat wereld en vooral de Amerikaans bevolking moet overtuigen. Nee, nadenken over ‘na de oorlog’ gebeurde niet. De Amerikaanse troepen zouden immers makkelijk zegevieren en daarna zou als vanzelf een ‘liberale democratie’ uitbreken. Tenminste volgens het absurde neoconservatieve geloof van de regering Bush.

Bron: WikimediaCommons

Ellian gaat verder: “Wat niemand in het eerste decennium van deze eeuw voor mogelijk hield, dreigt nu werkelijkheid te worden: de rechtstreekse onderhandelingen tussen de politieke islam (Taliban) en het Westen. Wellicht komt er binnenkort nog een sharia-regime bij, wanneer Afghanistan met de instemming van het Westen aan terreurbeweging Taliban wordt overgedragen.” Nu waren de Taliban al eens aan de macht. Namelijk voordat de Amerikanen binnenvielen. Al vanaf 1996 regeerden ze in Afghanistan op een klein gebied in het Noorden van het land na. De Taliban maakten een einde aan de oorlogen die woedde tussen verschillende stammen die sinds het vertrek van Sovjets in 1989. Het streng islamitische karakter van de Taliban was ook toen al wijd en zijd bekend. Nee, de machtsovername door de Taliban in 1996 was hooguit goed voor een klein berichtje op pagina zes van die krant. Het Westen, de Verenigde Staten voorop, stemde niet expliciet in maar deed er ook niets aan om te voorkomen dat de Taliban aan de macht kwamen. Zelfs niet toen ze in maart 2001 de twee grote in steen uitgehouwen Boeddhabeelden van Bamyan vernietigden. De Verenigde Staten hadden na het vertrek van de Sovjets haar belangstelling voor het land verloren. Nee, het Westen had het  land allang ‘overgelaten aan terreurbeweging Taliban’. Wellicht was het in 2001 verstandiger geweest om te onderhandelen over de uitlevering van Bin Laden. Toen, in dat onderhandelingsproces, had het ‘Westen’ misschien nog iets voor de Afghanen kunnen betekenen. Nu staan de Taliban sterk in de onderhandelingen omdat het Westen niet de tijd, het geld en de wil heeft om er iets van te maken. Er wordt onderhandeld om van ‘het probleem’ af te komen.

Iets verderop in zijn betoog schrijft Ellian: “Het tweede decennium werd een bloedbad: de opkomst en bloei van Islamitische Staat (IS), de reorganisatie van Al-Qa’ida en aanverwante groepen liet ook een spoor van dood en verderf achter op straten van Europa: Parijs, Nice, Berlijn, Londen enzovoort. Wat een bloedbad, wat een slachting!” En daarmee kom ik terug op de ‘gewelddadigheid’ van decennia. Inderdaad dood en verderf in Europese steden. Als we het tweede decennium van vorige, de twintigste, eeuw nemen, dan zien we pas echt een bloedbad. Dat was het decennium van de zinloze slachtingen van de Eerste Wereldoorlog. Een oorlog waarvan al met Kerst in 1914 duidelijk was dat geen van de partijen hem op het slagveld zou kunnen winnen. Dat weerhield de betrokken landen echter niet om er nog drie jaar en miljoenen doden aan vast te plakken waardoor het aantal doden op zo’n 17 miljoen uitkwam. Qua bloedbad waren er echter nog ergere decennia in diezelfde eeuw. Neem het vierde decennium, de jaren dertig van de vorige eeuw. Het decennium van de tweede Japans-Chinese oorlog met tussen de 20 en 30 miljoen doden. Die vallen weer in het niet bij de 75 miljoen doden die een decennium later, tijdens de Tweede Wereldoorlog, vielen. Daarna werd het wat vreedzamer, maar toch nog steeds minstens zo bloedig als het nu aflopende decennium. Bij de oorlogen in de twintigste eeuw vallen oorlogen in Afghanistan en Irak in het niet.

De slag bij Borodino. Bron: Wikipedia

De twintigste eeuw stond daarin trouwens niet alleen. In de negentiende eeuw was het niet veel minder wreed en bloedig. Neem bijvoorbeeld het tweede decennium van die eeuw. Napoleon trok toen moest zijn Grande Armée door Europa en probeer Rusland te verslaan. In die eeuw vielen in China ook zo’n 12 miljoen slachtoffers in de Dungan Opstand en nog eens 20 miljoen in de Taiping Rebellie. In de jaren zestig van die eeuw werd de Amerikaanse burgeroorlog uitgevochten en in die gehele eeuw werden de Noord-Amerikaanse indianenvolken bijna uitgeroeid. Hierbij moeten we ons realiseren dat er in die tijd veel minder mensen op de aarde rondliepen.

Zo kunnen we doorgaan en verder de geschiedenis van de mensheid induiken. Dan kunnen we constateren dat die geschiedenis gewelddadig en bloederig was en dat de laatste twee decennia waarschijnlijk tot de minst bloederige en gewelddadige behoren. Maar ja, aangezien wij nu leven, lijkt alles wat er nu gebeurt altijd net iets groter, en belangrijker dan wat er vroeger is gebeurd. Wat dat betreft lijkt Ellian en met hem de gemiddelde mens op de Amerikaanse president Trump. Die plakt ook voor alle woorden als ‘greatest’ en ‘best’. De mens lijdt aan ‘historische bijziendheid’.

Leven in het verleden

Kolonialisme leeft door in het heden. Daarom is dekoloniseren belangrijk.” De titel van een artikel van Heleen Debeuckelaere bij De Correspondent. Debeuckelaere: “We staan niet meer achter kolonialisme. Waarom houden we nog vast aan de overblijfselen ervan?” Wat die overblijfselen zijn? Dat varieert: “Van straatnamen die koloniale massamoordenaars verheerlijken tot een jaarlijks blackface-festijn. …Het koloniale verleden is op allerlei manieren meer heden dan verleden. En het begrip ‘dekoloniseren’ kan helpen om daarmee om te gaan.” 

Mesoptamie. Bron: WikimediaCommons

Volgens Debeuckelaere is dekoloniseren: “een politiek, sociaal, filosofisch, academisch en activistisch denkkader. En net zoals de verlichting is het een niet duidelijk omkaderde en gedefinieerde kennistheorie, maar meer een houding, een doel of een streven.” Een denkkader dat ons helpt: “door deze rare fase te navigeren, waarin het historische politieke project van kolonialisme pas deels voorbij is.” Een proces zonder einde aldus Debeuckelaere: “Dekolonisatie beschouw ik als een nooit afgewerkt proces.”  Als het koloniale verleden meer heden dan verleden is en we het moeten verwerken ‘dekoloniseren’ en als dat ‘dekoloniseren’ een ‘nooit afgewerkt proces’ is, blijven we dan niet voor eeuwig in het verleden leven? Zouden we ons niet beter op het heden kunnen richten en bekijken hoe we het heden met kennis van het verleden kunnen verbeteren zodat de toekomst er beter uitziet dan het heden en het verleden?

Wat zien we als we naar ons heden kijken met kennis van het verleden? Dan zien we dat er wereldwijd nog steeds koloniaal wordt gedacht. Dat kolonialisme niet iets van het verleden is en zeker niet iets waaraan alleen ‘het westen’ zich schuldig heeft gemaakt. Dat kolonialisme zo ongeveer gelijktijdig met de agrarische revolutie is ontstaan. En dan bedoel ik niet: “De toenemende toepassing van wetenschappelijke kennis na 1750 zou voor de landbouw grote gevolgen hebben. Vruchtwisseling maakte het bijvoorbeeld mogelijk het middeleeuwse drieslagstelsel te vervangen. Ook deden tot dan toe onbekende gewassen zoals de aardappel en maïs hun intrede. De invoering van de keerploeg maakte een betere grondbewerking mogelijk. Men ging zaaizaden selecteren voor de volgende oogst. Alleen de beste zaden werden gebruikt en zorgden zo voor een betere opbrengst. Een betere bemesting en vervanging van ossen door paarden als trekdieren hielpen ook bij het vergroten van de productie.” Deze Achttiende-eeuwse die je bij wikipedia aantreft als je zoekt op agrarische revolutie. Nee, de agrarische revolutie die vanaf ongeveer 12.000 jaar geleden ontstond in het stroomgebied van de Eufraat en de Tigris dat daarom bekend werd als Mesopotamië. De revolutie die Yuval Noah Harari de grootste zwendel van de mensheid noemt. Zwendel omdat: “Het buiten kijf staat dat de agrarische revolutie de beschikbare hoeveelheid voedsel voor de mensheid vergrootte, maar al dat extra eten vertaalde zich niet in een beter voedingspatroon of meer vrije tijd. Integendeel het vertaalde zich in bevolkingsexplosies en verwende elites. De gemiddelde boer werkte harder dan de gemiddelde verzamelaar en kreeg daar ook nog eens slechtere voeding voor terug.”

Die revolutie zorgde ervoor dat onze verre voorouders zich gingen vestigen op een vaste plek. Dat zij die plek hun eigendom gingen noemen en er hekken omheen zetten. Hieruit ontstonden steden met muren als omheining om de vijand buiten te houden en de elite binnen de muren aan de macht. Vanuit die ommuurde steden probeerde deze elite de omgeving van de stad te overheersen en andere steden te domineren. Precies die activiteit die ‘het Westen’ eeuwen later op wereldschaal ondernam en alle andere machtige rijken en gebieden in tussenliggende periode.

Als we naar het heden kijken dan zien we nog steeds hetzelfde patroon. De machtigen proberen de minder machtigen te domineren en te overheersen. Ze bepalen de regels zo dat die in hun voordeel zijn. Als we vandaag de dag kijken naar het gebied waar het allemaal begon, het stroomgebied van de Eufraat en de Tigris, dan is dat precies het gebied waar een typisch koloniaal conflict wordt uitgevochten door ‘The Powers that Be’ van tegenwoordig. Als we kijken naar het Chinese Belt and Road initiative of aansluitend bij het verleden ‘de nieuwe zijderoute’ zien we dan niet gewoon een vorm van kolonialisme? Als we kijken naar de het Europese ‘opvang in de regio’ beleid kijkt, zien we dan niet ook gewoon een vorm van ‘kolonialisme’? 

Staan ‘we’ dan werkelijk niet meer achter kolonialisme of zijn ‘we’ er blind voor? Blind omdat ‘kolonialisme inderdaad meer ‘heden’ dan ‘verleden’ is maar dan op een andere manier dan Debeuckelaere bedoelt? Blind omdat ‘we’ door die preoccupatie met het kolonialisme van het verleden, het hedendaagse kolonialisme niet zien? Blind omdat ‘we’ zo in het verleden blijven leven?

De ‘Gouden Eeuw’

“De term Gouden Eeuw is op zichzelf gebouwd op geschiedvervalsing en op een achterhaald 19e eeuws beeld van het verleden.” Dit schrijft Lasse van Dikkenberg bij Joop naar aanleiding van het besluit van het Amsterdams Museum om de term ‘Gouden Eeuw’ in de ban te doen. “De term Gouden Eeuw is in de 19e eeuw ontstaan vanuit een nostalgische verering van het koloniale verleden. Het ging hier specifiek om de zaken die wij nu als negatief ervaren, zoals bijvoorbeeld de VOC en de WIC. De term kon alleen ontstaan doordat niet-elitaire perspectieven, zoals die van arbeiders of slaven, werden genegeerd.” 

De rode lijnen geven de grens van ‘t nieuwe koninkrijk België aan vóór de erkenning door Nederland in 1839.

Zou er iemand in de Gouden Eeuw op het idee zijn gekomen om die eeuw de Gouden Eeuw te noemen? Ik denk het niet. Het is niet uitzonderlijk dat tijdperken pas nadien worden geduid en benoemd. Sterker nog, het is regel. Een middeleeuwer zou zijn tijd zelf nooit middeleeuwen noemen. Hij leefde toen, net als wij nu, aan het ‘einde’ van de geschiedenis. Na hem was er niets. Om zijn tijd middeleeuwen te kunnen noemen, zou hij moeten weten waartussen ‘zijn eeuwen’ het midden waren. Zo noemen we nu het tijdperk tussen de twee wereldoorlogen het interbellum. Die naam konden ze er in 1929 nog niet aan geven. Er was immers pas één wereldoorlog geweest.

Als geschiedkundige heb ik het altijd al bijzonder gevonden dat na de middeleeuwen de nieuwe tijd en daarna de nieuwste tijd kwam. Immers wat zou er dan na de nieuwste tijd moeten komen? De allernieuwste tijd? Nee, historische tijdperken krijgen hun naam en betekenis altijd pas achteraf. Die naam en betekenis houden altijd verband met de tijd die erna kwam, met het heden dus. Het is daarom niet vreemd dat de negentiende-eeuwers de periode voor hen benoemden in het licht van hun heden. Voor iedereen die leeft is zijn tijd de ‘nieuwste tijd’. Een nog nieuwere is er immers niet. 

Inderdaad zal dit zijn gedaan als een ‘nostalgische verering van het verleden’, zoals Dikkenberg schrijft. In die negentiende eeuw ontstond er immers ineens een land: het koninkrijk der Nederlanden (het grondgebied omvattend van de huidige landen België, Luxemburg en Nederland). Een land dat door het ‘gesol’ der grootmachten ontstond, zoals ik in mijn vorige Prikker schreef. Een land waar delen iets met elkaar hadden en delen ook niets. Zo hadden de oude zeven provinciën iets samen, maar hadden ze ondertussen niets meer met het Zuidelijk deel en dat bleek nog geen twintig jaar later. Het Zuidelijke deel kwam in opstand en scheidde zich af. Een deel van de opstandige gebieden, het grootste deel van de huidige Nederlandse provincie Limburg dat de Belgische kant had gekozen, ging weer terug naar Nederland. Het Noordelijke deel en de koning hadden dit maar te slikken omdat de grootmachten de kant van de Belgen kozen.

Dat gebrek zeggenschap en het ‘verlies’ van het zuiden, moest worden gecompenseerd en die compensatie werd gezocht in het verleden. Laat dat nu de zeventiende eeuw zijn, een tijdperk dat de ‘Hollanders’ solden en een belangrijke macht waren. Door een beroep te doen op de ‘glorie van weleer’ en personen die daarin een rol hebben gespeeld tot held te verklaren, werd dat verleden nog wat verder opgepoetst.

Je beroepen op een ‘glorieus verleden’ om meer te lijken dan je bent is een vrij normaal mechanisme om dat tegenwoordig ook nog zijn werk doet. Zo zie je in Rusland een toenemende trots op het Sovjet verleden en de ‘Grote Vaderlandse oorlog’ waarbij de ‘grootsheid van de Sovjet Unie op de huidige Russen en vooral hun leider moet stralen. Bij de Engelsen zie je ook nostalgie naar de tijd dat ‘Britania’ over ‘the waves’ regeerde en Europa verdeelde zodat het kon heersen, zoals ik in die vorige Prikker schreef. Veel Brexeteers willen dat dit verleden weer heden wordt.  


Geschiedenis, maar dan anders

Bij De Correspondent breekt Miguel Heilbron een lans voor meer perspectief in het geschiedenisonderwijs. Hij vindt het huidige geschiedenisonderwijs te Eurocentrisch: “Tot op de dag van vandaag blijven de canon, de tijdvakken en de lesboeken West-Europa en Nederland centraal stellen en de suggestie wekken dat ‘het Westen’ superieur is. Bijvoorbeeld door Grieken en Romeinen en niet Egyptenaren, Mesopotamiërs en anderen als ‘bakermat’ van de beschaving te beschrijven, verworvenheden van buiten Europa niet te benoemen en door ‘westerse’ landen te behandelen als referentiepunt.” 

Bron: Flickr

Volgens Heilbron is: “Aandacht voor perspectieven van buiten Nederland en Europa (…) relevant voor kinderen die hun roots niet hier hebben, maar ook voor alle andere leerlingen. Een gebrek aan kennismaking met perspectieven uit andere delen van de wereld kan immers vooroordelen of stereotypen in de hand werken en achterhaalde beelden versterken.” In het artikel doet Heilbron een voorstel om de tijdvakken anders, minder vanuit Nederlands en Europees perspectief te beschrijven. Zo stelt Heilbron bijvoorbeeld voor om de periode van 1600 tot 1700 in plaats van “Tijd van regenten en vorsten (Gouden eeuw)” in het vervolg: “ Tijd van kolonialisme en handelskapitalisme (roof, handel en uitbuiting op wereldschaal) te noemen. 

Een interessant idee. Toch zou ik een lans willen breken voor een geheel andere aanpak dan het centraal stellen van gebieden of tijdvakken. Want mis je daardoor niet het belangrijkste van de geschiedenis, namelijk het inzicht in het gedrag en handelen van mensen? Waarom niet kiezen voor een thematische aanpak? 

Thema’s die een rol spelen in het leven van de mens van toen en nu. Thema’s zoals ‘de innovatieve mens’ waarin de hulpmiddelen die de mens heeft ontwikkeld en de plek en de rol die ze in het leven spelen centraal staan, van de vuistbijl tot de nanotechnologie. Of de ‘verhalenmens’ over de rol die verhalen zoals onder andere religies, in het leven van de mens spelen. Of ‘de mens als rijkenbouwer’ waarbij wordt bekeken hoe een succesvol rijk ontstaat en ook weer onherroepelijk vervalt. De ‘mens als handelaar’ waarbij aandacht is voor de economie. De ‘mens als mensenbezitter, waarbij aan bod komt hoe de mens zijn medemens ge- en misbruikt voor eigen doelen waarbij slavernij, feodalisme en Marx’ klassenstrijd aan bod komt. De ‘mens als dierenmens’ waarbij de omgang van de mens met dieren wordt behandeld.

Zo zijn er nog wel meer thema’s te verzinnen. Thema’s die een rol spelen en speelden in iedere periode en door ze te benadrukken kun je laten zien welke ontwikkeling (of niet) we als mensheid doormaken. Dan zullen we zien dat kolonialisme iets van alle tijden, ook de onze, is. Want hoe moeten we de Chinese nieuwe zijderoute anders noemen? Of de Amerikaanse bemoeienissen in het Midden Oosten? Dan zullen we zien dat er er niet één periode van groei van imperia is, maar dat dit eigen is aan de mensheid sinds die zich vestigde in steden.

Denken over economie (deel 1)

Zoals in twee eerdere twee prikkers toegezegd, een reeks over economisch denken. Dat doe ik aan de hand van belangrijke denkers over economie en het kapitalisme uit de moderne geschiedenis. Deze behandeling is niet uitputtend. Er zijn meer denkers die zich in de moderne tijd over de economie hebben gebogen en ook in de pre-moderne tijd werd er al over de economie nagedacht.

De economische wetenschap is een bijzondere soort wetenschap. Een bijzonder soort wetenschap waarvan een van haar beoefenaren, de Koreaan Ha-Joon Chang in zijn boek 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme zegt dat het (pagina 16): ”…voor 95 procent gezond verstand dat ingewikkeld gemaakt is, en zelfs voor de resterende 5 procent geldt dat de essentie van de redenering, zo niet alle technische details, in eenvoudige termen kan worden uitgelegd.” Een bijzondere uitspraak voor een econoom omdat veel van zijn vakgenoten het juist doen voorkomen dat het anders ligt. Zij schermen met ingewikkelde wiskundige modellen waarover ik al eerder schreef.   

Eigen foto

In de economie staan menselijke beslissingen centraal. Beslissingen van ons allemaal individueel maar vooral beslissingen van diegenen die de regels kunnen bepalen. Beslissingen leiden niet altijd tot de gewenste resultaten. En zoals bij alle beslissingen zijn, en waren, er ook andere keuzes mogelijk. Andere keuzes die tot andere gewenste of ongewenste resultaten leiden. Bij het nemen van die beslissingen worden wij mensen en dus ook degenen die de regels bepalen, geleid door onze visie op de werkelijk. Niet iedereen is zich bewust van zijn visie op de werkelijkheid. Bij dit weten hoort kennis hebben van het verleden, de keuzes die onze voorouders hebben gemaakt en de achtergronden bij die keuzes. Hierbij moeten we die keuzes proberen te zien met de ogen van mensen uit die tijd. Daarbij is inzicht in het denken over onze economie en het kapitalisme onontbeerlijk. 

Het klassiek economisch denken

Als we het over economie en het kapitalisme hebben dan kunnen we niet om Adam Smith en John Stuart Mill heen. Bij het schrijven over Smith baseer ik me voornamelijk op De Utopie van de Vrije Markt van Hans Achterhuis en van Wat als de markt Faalt van John Cassidy. 

Adam Smith schreef over de voordelen van specialisatie: het toeleggen op het maken van eerst één product of productsoort en in toenemende mate zelfs alleen maar een deel van een product. Smith gebruikt het voorbeeld van de speld. Een speldenmaker kan er slechts een beperkt aantal per dag maken. Door het werk te verdelen in kleinere stappen, een persoon knipt de draad, een tweede maakt de speldenknop, de derde zet de knop op de speld en een vierde slijpt de punt, kunnen er veel meer dan vier keer zoveel spelden worden gemaakt. Deze specialisering leidt tot een toename van de totale productie. Het surplus wordt verkocht op de markt. Met het geld dat daarmee wordt verkregen, kunnen producten worden gekocht. De prijs van die goederen en diensten wordt bepaald door vraag en aanbod. In een notendop beschrijft hij hier de moderne markteconomie. Smith gaat verder. De markt bepaalt niet alleen de prijs, hij zorgt er ook voor dat de producenten producten van goede kwaliteit leveren. Niet omdat hun het belang van de kopers van hun product zo aan het hart gaat. Ze doen dit uit welbegrepen eigen belang. Smith (de Utopie van de vrije markt pagina 181): “Het is niet vanwege de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker dat wij onze maaltijd verwachten, maar vanwege hun eigenbelang. Wij doen geen beroep op hun menslievendheid, maar op hun eigenliefde en spreken nooit over onze noden, maar hun belangen. Alleen een bedelaar kiest ervoor om voornamelijk van welwillendheid van medeburgers afhankelijk te zijn.” Als de bakker of slager slechte kwaliteit levert, dan verliest hij immers zijn klanten dus het is in zijn eigen belang om goede kwaliteit te leveren. 

Als iedereen maar kiest voor zijn welbegrepen eigen belang dan komt het allemaal goed. De taak voor de overheid is hierbij beperkt tot het zorgen dat de wetten worden nageleefd, de landsverdediging, het wegnemen van zaken die de werking van de vrije markt belemmeren en het uitvoeren van publieke werken en publieke instituties.

Smith is hiermee de grondlegger van de klassieke economie, een filosofie die ook wel Laisser Faire wordt genoemd. De klassieke economen wilden dus een vrije markt maar waren niet helemaal blind voor gebreken van volkomen vrijheid op deze markt. Zo erkende John Stewart Mill, een andere bekende klassiek liberaal, dat de samenleving het recht heeft om het individu te beperken in zijn vrijheid (zie J.S. Mill, Over de vrijheid pagina 126-127) Als eerste noemt hij de geldende wetten waaraan het individu zich moet houden en die door de overheid afgedwongen moeten kunnen worden. Een tweede beperking van de vrijheid van het individu betreft: “… dat iedereen een deel op zich moet nemen (dat volgens billijk principe moet worden vastgesteld) van de inspanningen en opofferingen die nodig zijn om de samenleving of leden daarvan tegen aanvallen of toegebrachte schade te verdedigen. De samenleving heeft het recht deze voorwaarde tot elke prijs af te dwingen van mensen die ze trachten niet na te komen.” Hoe zou Mill de huidige praktijk van belastingontwijking beoordelen? Dat zou een interessante discussie worden. Aan de ene kant de belasting ontwijker die zegt alles binnen de bestaande wet- en regelgeving te doen (en daar hebben ze wellicht ook nog gelijk in ook) en aan de andere kant Mill die de ontwijken zal aanspreken op de morele plicht om de samenleving te ondersteunen.  Mill ziet nog een derde beperking van de vrijheid van het individu: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt  van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.” Deze laatste mogelijkheid biedt aanknopingspunten voor overheidsingrijpen. 

Eigen foto

De filosofische basis van de klassieke economie bevat daarmee twee vooronderstellingen die tezamen tot een derde leiden. Als eerst dat de mens op rationele wijze kiest en besluit en als tweede dat de som van alle rationele keuzes die mensen maken het beste resultaat is voor de maatschappij als geheel. Deze twee combinerend levert dit een derde vooronderstelling op en dat is de vooronderstelling dat markten zoveel mogelijk vrij moeten zijn van overheidsingrijpen. We zullen later zien dat deze vooronderstelling bij de neoliberalen dogma’s worden. De klassieke liberalen hadden wel oog voor de imperfecties. Zie bijvoorbeeld de laatste beperkende mogelijkheid die Mill benoemt maar ook het feit dat zowel Mill als Smith verder keken dan de economie alleen. Zo was Smith een moraalfilosoof en schreef hij zijn belangrijkste werk ook op dat terrein en was Mill een filosoof en politiek theoreticus. 

Mill was, in navolging van zijn leermeester de filosoof Jeremy Bentham, een van de grote pleitbezorgers van het utilitarisme. Voor Bentham was de mens een zelfzuchtig schepsel dan zijn eigen belang nastreeft dit door steeds te kiezen voor dat wat hem op dat moment het grootste genot, of geluk bracht. Of in de negatieve zin, de minste pijn. Verlaten we het individuele niveau en trekken we dit denken door naar het landsniveau dan geeft Mill aan dat het de taak van de overheid is om te zorgen voor het grootst mogelijke geluk voor het grootste aantal mensen. Het Het Bruto Binnenlands Product (BBP) zoals dat tegenwoordig wordt gebruikt, kun je zien als een utilitaristische manier van bekijken hoe het met een samenleving (land) is gesteld.  Utilitarisme kan niet zonder een instantie die ervoor zorgt dat die stappen worden gezet die het meeste geluk of genot brengen. 

Dit denken bevat de kiem van politiek gericht op meer solidariteit en bekommering om elkaar. Die bekommering om elkaar, die solidariteit  met elkaar kreeg een grote boost door een andere denker en groot kenner van het kapitalisme: Karl Marx. Marx beschreef de werking van het kapitalisme en de ‘gebreken’ ervan. Die gebreken kwamen in de loop van de negentiende eeuw aan het licht. In een volgende deel staat Marx centraal.

Homo economicus en belastingen (deel 1)

‘Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker’, het overbekende motto van de Nederlandse Belastingdienst. Zou het toeval zijn dat de dienst dit motto in 1994 introduceerde? Nee, toeval was het niet. Het was immers precies de periode dat er werd begonnen met de digitalisering van de belastingaangifte. Aangifte doen werd een stuk makkelijker omdat je je niet door die hele stapel papier hoefde te werken. Nee, geef antwoord op de vraag en je gaat automatisch naar de volgende relevante vraag. Alle irrelevante vragen die op de papieren versie tussen deze twee vragen stonden, hoefde je niet meer te lezen. Dat verklaart het tweede deel van het motto. Hoe zit het met het eerste deel?

Allegorie op de invoering van de tiende penning; de Nederlandse maagd geknield voor Alva temidden van verscheurde privileges. Bron: Picryl

Ik moest hieraan denken toen ik op de site Opiniez het pleidooi van Johannes Vervloed voor het overnemen van het economisch beleid van president Trump las. “Aan de vooravond van de verkiezing van Trump kampte de VS met een situatie, die vergelijkbaar is met Nederland nu. Een scheve verdeling van de welvaart, een groot en steeds groter wordend verschil tussen rijk en arm, een tweedeling van de samenleving. De VS kent na twee jaar Trumponomics weer een sterke economische groei, honderduizenden nieuwe banen zijn gecreëerd en vele laagbetaalde werknemers komen uit de armoedeval.” Hoe heeft Trump dat volgens Vervloed gedaan? “Door de belastingverlagingen van Trump zijn de kosten voor de werkgever gedaald en is de koopkracht van de werknemer toegenomen. Dit dubbele effect zwengelt de Amerikaanse economie aan en haalt de laagbetaalde werknemer uit de armoedeval.”  

Als we de geschiedenis erop naslaan, dan zien we dat ‘belastingen’ vaak een rol speelden in conflicten tussen soeverein en onderdanen. Neem de ‘Tiende penning van Alva’, de poging van Phillips II om de belastinginning te centraliseren. Een poging om een zestiende-eeuwse belastingdienst op te zetten.  Die ‘tiende penning’ was eigenlijk een verzameling van verschillende belastingen bestaande uit 10% belasting op roerende goederen (een soort BTW) 5% omzetbelasting bij de verkoop van onroerend goed (een voorloper van de huidige overdrachtsbelasting) en 1% belasting op onroerend goed (een voorloper van de huidige onroerende zaakbelasting). Dit leidde tot groot protest, die belasting was te hoog, maar vooral stak het de Provinciën van de Lage Landen dat het geld werd gebruikt om hen te ‘onderdrukken’. Die ‘tiende penning’ was een van de belangrijke oorzaken voor de opstand van die Provinciën. Een opstand waaruit uiteindelijk de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën groeide. Zo kun je zeggen dat hoge belastingen tot opstanden leiden. Bijzonder is dan wel dat de ‘opstandelingen’ zelf ook belastingen hieven om de strijd mee te betalen. In het geval van Willem van Oranje een belasting van 15% op roerende goederen, een hoger percentage dan Phillips II wilde heffen.

Belastingen speelden ook een belangrijke rol in het ontstaan van de Verenigde Staten. Het Engelse moederland probeerde de handel van de kolonie te reguleren. Dat hield vooral in dat er werd gezocht naar mogelijkheden om de revenuen ervan zoveel mogelijk in Engeland terecht te laten komen. Barbara Tuchman beschrijft dit beeldig in haar boek De mars der dwaasheid. Bestuurlijk onvermogen van Troje tot Vietnam. Dat reguleren gebeurde vooral door het invoeren van allerlei belastingen. De dertien Koloniën verzetten zich hiertegen met als leus: ‘No taxation without representation.’ De huidige Tea Party in de VS dankt haar naam nog een een reactie op een van die belastingen, namelijk de belasting op thee. Met deze Tea Act wilden de Engelsen de smokkel van thee tegengaan en gelijkertijd een monopolie op de theehandel vestigen voor de Engelse East India Company. De kolonisten waren dol op thee. De wet leidde tot een reactie vanuit een deel van de kolonisten die zich de Sons of Liberty noemden. Op 16 december 1772 gingen zij aan boord van de eerste schepen met thee die aangemeerd lagen in de haven van Boston. De actie kreeg daarom de naam de Boston Tea Party.

Een schilderij van de Boston Tea Party waarop te zien is dat de thee in het water wordt gegooid. Bron: Wikimedia Commons

Twee voorbeelden van belastingen die een rol speelden in opstanden. Wat hierbij opvalt is dat de hoogte van de belasting een ondergeschikte rol lijkt te spelen en het meer lijkt de gaan om wat er met de geïnde belasting gebeurt en vooral wie daarover beschikt. De opstandige Provinciën van de Lage Landen betaalden immers grif de hogere belasting van Willem van Oranje omdat die hun belangen beter vertegenwoordigden. De opstandige koloniën waren ook niet tegen het betalen van belastingen. Zij wilden alleen mee bepalen waaraan die werd besteed. Twee voorbeelden die laten zien dat belasting betalen wel leuker kan worden gemaakt. Leuker als je mee mag besluiten wat er met het belastinggeld gebeurd. 

Als we naar het recente verleden kijken, dan valt op dat de belastingtarieven flink zijn gedaald. Neem de VS, in 1943 betaalde de Amerikaan over iedere dollar die hij boven de $ 200.000 verdiende 94% belasting. Dit waren natuurlijk buitengewone omstandigheden. Echter, tot de verkiezing van Reagan als president lag dit percentage steevast boven de 70%. Reagan verlaagde het naar 50% en nu ligt het op 40,8%. In Nederland zien we iets soortgelijks. Van het hoogtepunt van 72% is het vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw gedaald naar 51,95% nu. In die periode van daling, komt de Belastingdienst met het motto ‘leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker.’ Precies de periode dat de neoliberale boodschap de boventoon is gaan voeren. Een boodschap die er in het kort op neer komt dat de vrije markt heilig is en dat de overheid zich daar niet mee moet bemoeien. Want dat bemoeien hindert vrije mensen en bedrijven in hun doen en laten. Daarom moet de overheid zo klein mogelijk zijn. Een neoliberale boodschap die belastingen hooguit als een noodzakelijk kwaad ziet, als iets niet leuks. De Amerikaanse president Trump denkt er ook zo over. Hij heeft de belastingen verder verlaagd en Vervloed wil dat Nederland dat ook gaat doen. 

Als het je opvatting is dat de overheid in de weg loopt en dat die zo klein mogelijk moet zijn, dan kan ik me voorstellen dat je voor belastingverlaging pleit. Van minder geld kun je immers minder overheid overeind houden. Toch ontkom je er dan niet aan om te bepalen wat die minimale omvang moet zijn. En bij die minimale omvang hoort een bepaald bedrag. Vervloed ziet dat anders en volgt hierbij de theorie van aanbodeconoom Arthur Laffer. Die theorie gaat niet uit van wat nodig is om die minimale overheid te kunnen betalen, maar dat we moeten bepalen wat de ‘optimale belastingdruk is. Vervloed: “Bij 100% belastingdruk is de motivatie om te werken nul.”  Dan werkt niemand en zijn er geen belastinginkomsten volgens deze theorie. De mens is immers een homo-economicus. Hier kom ik later nog op terug. Ook bij een belastingpercentage van 0% zijn er geen belastinginkomsten. Tussen de 0 en de 100, zit er ergens een percentage waarbij de belastingopbrengst maximaal is en mensen nog steeds maximaal willen werken. 

Volgens Vervloed is dat bij het huidige belastingpercentage niet het geval. De belastingen moeten dus omlaag. Dat betekent wel dat bij gelijkblijvende overheidsuitgaven, de staatsschuld toeneemt. Geen probleem, de tijd lost dat op volgens Vervloed: “In eerste instantie derft de overheid belastinginkomsten. De belastingverlaging kost geld en doet de staatsschuld toenemen. Door de met de belastingverlaging gecreëerde economische groei krijgt de overheid binnen enkele jaren meer belastinginkomsten en kan de staatsschuld daarmee weer worden afgebouwd.”

Laten we de redenering achter die theorie eens volgen. Het begint met het verlagen van de belastingen zonder dat er een verlaging van de overheidsuitgaven tegenover staat. Dat zorgt ervoor dat de belastingbetaler meer geld over heeft. Dat geld wordt vervolgens besteed aan spullen of vakanties. Omdat er meer spullen en diensten worden verkocht, groeit het nationaal inkomen. Aan de andere kant, moet de overheid lenen om het gat dat hierdoor in haar financieel huishouden ontstaat te dichten. Laten we aannemen dat het gat 1.000 is. De overheid moet dan 1.000 lenen om dat gat te dichten. Alleen ‘geld lenen kost geld’ ook voor de overheid. De kosten van de lening (de rente) moeten ook worden betaald. Stel die kosten bedragen 25. Dat betekent dat de overheid 1.025 moet lenen om dat gat te vullen. Als we uitgaan van een gemiddelde belastingdruk in de VS in 2017 van 27,1%, dan moet het nationaal inkomen met bijna 3.800 groeien wil de overheid het gat kunnen dichten. Nu in echt geld: iedere euro of dollar belastingverlichting moet leiden tot 3,7 euro of dollar aan economische groei. Die euro of dollar moet zich dus bijna verviervoudigen.

Alleen heb je als overheid geen garantie dat de belastingbetaler dat geld ook werkelijk uitgeeft. Als het op de bank wordt gezet, er wordt een lening bij de bank van afbetaald of er worden aandelen gekocht, dan heeft het helemaal geen effect. Trouwens, als je ervan op vakantie gaat, dan heeft het alleen effect als die vakantie in eigen land is. Ga je naar een buitenland, dan lekt dat voordeel weg naar je vakantieland. In een open handelseconomie als de Nederlandse is de kans dat een deel weglekt redelijk groot.

Bron: Wikimedia Commons

Een prachtige theorie en een mooi betoog. Alleen is dit al ruim drie decennia staand beleid. Ja, het leverde nieuwe banen op, maar dan wel banen met een minder salaris dan de banen die er verdwenen. Dit beleid heeft er in de Verenigde Staten voor gezorgd, dat Jo Sixpack nu minder te besteden heeft dan zijn grootvader begin jaren zeventig. Om een beetje te kunnen leven heeft Jo nu samen met zijn vrouw meerdere baantjes nodig terwijl zijn grootvader genoeg verdiende om met één baan zijn gezin te verzorgen. Ook heeft dat beleid ervoor gezorgd dat de Amerikaanse staatsschuld alleen maar is opgelopen. Dat de ongelijkheid in de Amerikaanse samenleving flink is toegenomen. Dat de top 1% van de Amerikanen hun vermogen zag groeien. En zoals we zagen, heeft Nederland dit beleid ook in meer of mindere mate overgenomen en ook hier zien we dat Jan Modaal tegenwoordig minder luxe van zijn modale inkomen kan leven dan vroeger. Vroeger kon een postbode van zijn salaris een gezin onderhouden, tegenwoordig kan hij zichzelf niet eens onderhouden. We zien we de ongelijkheid toenemen en loopt ook de staatsschuld steeds verder op. Bijzonder aan deze theorie is trouwens dat ze nooit wordt gebruikt om belastingverhoging mee te onderbouwen. 

In de volgende Prikker ga ik verder en komt de homo economicus om de hoek kijken.