Uitgelicht

De tang en het varken

“Wellicht ontgaat het de meeste mensen, maar er is een psychologische reden waarom racisme bestaat. Racisme is niet een gevolg van historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen die door de tijd heen at random gebeurden en die de politieke status quo, tegenovergestelde culturele waarden en scheve machtsverhoudingen tussen bevolkingsgroepen, in Nederland hebben veroorzaakt. Racisme ís er de oorzaak van. En dat niet alleen, racisme is een vorm van antisociale persoonlijkheidsproblematiek: narcisme.”  Zo begint een artikel van Fati Benkaddour bij Joop. Een bijzondere bewering.

Racism - Free of Charge Creative Commons Keyboard image
Bron: Picpedia

Laten we deze uitspraak eens bekijken. Racisme is in Nederland de oorzaak van historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging. Dus zonder racisme geen ‘geschiedenis’ in Nederland en ook geen kapitalisme, militarisme en economie. Zonder racisme zou het hier stilstaan. Zou dat alleen voor Nederland gelden? Zou er in andere delen van de wereld wel historische, militaristische, kapitalistische en economische beweging mogelijk zijn zonder racisme? Nederland als een soort uitzondering op de regel?

Stilstaan op welk moment? Ik probeer me een voorstelling te maken van hoe Nederland er dan uit zou hebben gezien, maar een echt beeld kan ik me er niet bij voor de geest halen. Zouden we hier dan nog in de Middeleeuwen leven? Zou een deel van het land dan nog steeds door de Romeinen bezet zijn? Allebei zou erg lastig zijn als Nederland die uitzondering was. Het Romeinse Rijk zou dan immers nog alleen in Nederland bestaan en alleen Nederland zou dan nog last hebben van invallen van Noormannen. Alhoewel, dat zou niet kunnen, die Noormannen hebben immers wel een geschiedenis, militarisme, kapitalisme en economische ontwikkeling. Dit lijkt mij een heel onwaarschijnlijk scenario.

Een andere mogelijkheid is dat Nederland geen uitzondering op de regel is. Dat zou betekenen dat racisme de oorzaak is van ‘historische, militaristische, kapitalistische en economische bewegingen.’ Dat zou betekenen dat racisme de motor is achter alle menselijke ontwikkeling. Dan waren de Romeinen racisten net als de Qing-dynastie, de oude Egyptenaren, de Maya’s en de Azteken. Maar wacht eens, als we nog wat verder teruggaan in de geschiedenis van de homo sapiens dan zijn onze verre voorvaderen uit oost-Afrika weggetrokken en hebben ze zich over de hele wereld verspreid vanwege racisme. Ook dat lijkt mij heel onwaarschijnlijk want als we teruggaan naar de eerste afsplitsing van de eerste groep homo sapiens, dan was het familie die zich afsplitste. Zou racisme werkelijk ten grondslag liggen aan die eerste afscheiding? Ik was er, net als Benkaddour niet bij, maar ik waag het ernstig te betwijfelen.  

Als Nederland geen uitzondering op de regel is en als de regel zelf vastloopt, dan rest er maar één andere mogelijkheid: Benkaddour verkoopt grote onzin. Haar bewering slaat als de welbekende tang op het varken.

Wat erger is, en daarmee kom ik bij de titel en het eigenlijke betoog van Bendakkour, is dat ze op basis van die bewering bijna iedere Nederlander en in het verlengde daarvan iedere bewoner van deze planeet, wegzet als racist. “Nederlands narcisme en racisme: tot welk van de drie types behoor jij? Zo luidt de titel van haar betoog. Een betoog waarin ze semi psychologisch begint te leuteren over drie soorten racisten: de ‘narcistische racist, die: “acht zichzelf superieur of extreem belangrijk en onaantastbaar.” Als tweede de ‘stress-afhankelijke racist’: “een individu die pas narcistische en racistische kenmerken vertoont wanneer zijn bestaanszekerheid onder druk komt te staan.” En als laatste de ‘informatiearme racist’: “die het niet heeft gewusst. Hij is geboren met een zilveren, met privileges gevulde, lepel in zijn mond en kent geen noodzaak zich druk te maken over de sociale, financiële en emotionele pijn van een minderheid.” En vervolgens concludeert ze: “Als je echt-niet-behoort tot de drie bovengenoemde categorieën, dan ben je waarschijnlijk een minderheid of actief anti-racist. In een systeem waar een specifieke groep mensen constant wordt gekwetst, gemarginaliseerd, gecriminaliseerd, geïsoleerd, het bestaansrecht ervan wordt bediscussieerd, bestaan geen onschuldige toeschouwers. Iedereen heeft in dit systeem een rol.”

Alle bewoners van deze planeet want tenzij Benkaddour kan aantonen dat de Nederlander een bijzonder soort homo sapiens is, ga ik er vanuit dat die drie soorten onder alle mensen voorkomen. Tenminste als je het semi psychologisch geleuter van Benkaddour voor waar aanneemt en net als haar overal ‘racisme’ ziet.

Uitgelicht

Vier Europese politieke geschiedenissen

Terugkijken met Francis Fukuyama’s boek De oorsprong van onze politiek als leidraad: “aan de hand van de drie ingrediënten (staat, rechtsorde en verantwoordelijke overheid) te verklaren hoe verschillende landen zich hebben ontwikkeld en waarom.” Zo eindigde ik de vorige Prikker. Waarom ontstond er in het ene land een goed functionerende staat die is onderworpen aan het recht en die verantwoording aflegt aan het volk en ook door dat volk kan worden weggestemd? Waarom in het andere land een onderdrukkende dictatoriale staat die zichzelf boven de wet plaatst? En waarom weer elders een slecht werkende corrupte maar wel democratisch gekozen en weg te stemmen overheid? Interessante vragen.

File:King William III of England, (1650-1702).jpg
Stadhouder Willem III en koning Willem van Engeland. Geschilderd door Godfrey Kneller in bezit van de
National Galleries of Scotland
Bron: WikimediaCommons

“In wat bekend is geraakt als de Whig-geschiedenis wordt de ontwikkeling van vrijheid, welvaart en representatief staatsbestuur beschouwd als een onontkoombare ontwikkeling van de menselijke instellingen, die begint met de Griekse democratie en het Romeinse recht, reeds vroeg in de Magna Carta vastgelegd, vervolgens wordt bedreigd door de vroege Stuarts, naar verdedigd en gerehabiliteerd tijdens de Engelse Burgeroorlog en de Glorieuze Revolutie. Die instellingen verspreiden zich vervolgens naar de rest van de wereld via de Engelse kolonisatie van Noord-Amerika.” Zo beschrijft Fukuyama het populaire: “vanuit het oogpunt van de winnaars, gebaseerd op de ervaringen van Engeland en haar koloniale nazaat de Verenigde Staten,[1]succesverhaal van de democratie van een sterke democratische rechtstaat met een effectieve overheid in Engeland en de Verenigde Staten. Nu kennen die twee landen qua politieke ontwikkeling grote verschillen. Daar kom ik later nog op terug Het beeld dat ermee wordt geschetst is er een van onvermijdelijkheid: het moest zo wel lopen en dat culmineert uiteindelijk in het grandioze heden. Over die ‘vermeende onvermijdelijkheid’ schreef ik al eerder[2], dat ga ik hier niet overdoen.

Dat er andere mogelijke uitkomsten waren, laat ook Fukuyama zien: “zeven jaar na de Magna Carta werd de Hongaarse Koning Andreas door zijn baronnen gedwongen om de Gouden Bul te ondertekenen, een document dat wel de Oost-Europese Magna Carta is genoemd. De Gouden Bul beschermde de baronnen tegen bepaalde willekeurige acties van de koning en verleende hun het recht om zich te verzetten als de koning zich niet aan zijn belofte hield.” Dezelfde zaken die ook de Magna Carta regelde die ‘onvermijdelijk’ leidde tot het Engeland en de Verenigde Staten van nu.. “In plaats van een politiek systeem te ontwikkelen waarin een sterke uitvoerende macht een tegenwicht vond in de dominerende wetgevende macht, voorkwam de grondwet die de Hongaarse adel afdwong de opkomst van een sterke centrale uitvoerende macht, zelfs zodanig dat het land zich niet tegen buitenlandse vijanden kon verdedigen.[3] Een overeenkomstig beginpunt dat tot twee heel verschillende resultaten leidde laat zien dat er van ‘onvermijdelijkheid’ geen sprake was. Al zullen er ook mensen zijn die de ontstane verschillen verklaren uit de ‘aard van het volk’. Daarbij vergeten ze vervolgens dat die verschillende aard in het verleden tot eenzelfde situatie leidde namelijk twee ‘grondwetten’ die hetzelfde regelden.

Volgens Fukuyama was de uitkomst afhankelijk van het spel tussen de verschillende machten in een gebied. Hij onderscheidt vijf groepen: als eerste de staat (in het begin gevormd door de koning), als tweede de hoge adel, vervolgens de lage adel en als laatste de handelslui in de steden. De laatste groep, waartoe het gros van de mensen behoorde, de boeren, kon geen ‘macht’ ontwikkelen omdat vandaag eten en zo overleven tot de dag van morgen alle aandacht vroeg. Tot welke uitkomst het leidde hing af van de macht die de verschillende standen konden ontwikkelen. Sterke hoge adel gecombineerd met een zwakke koning en handelslui leverde een ander resultaat op dan in een gebied waar de verhoudingen anders lagen.

Fukuyama onderscheidt in hoofdlijnen vier richtingen waarin Europese landen zich vanaf de dertiende eeuw ontwikkelden. Richtingen die mede bepalend zijn voor de huidige politieke situatie in de betreffende landen. Als eerste landen die de zwak absolutistische richting insloegen:  “De Spaanse en Franse monarchieën in de zestiende en zeventiende eeuw waren destijds toonbeelden van de nieuwe absolutistische staat, en in bepaalde opzichten waren ze meer gecentraliseerd en dictatoriaal dan, bijvoorbeeld, hun Nederlandse en Engelse pendant. Aan de andere kant was geen van beide in staat om de machtige elites in hun respectievelijke samenlevingen volledig te domineren, en legden zij de zwaardere last van de belastingen op de schouders van diegenen die zich daar het minste tegen konden verzetten.[4] Zwak absolutisme omdat een stevige centrale vorst en sterke hoge adel die elkaar in evenwicht hielden, de poet verdeelden op kosten van de lage adel, de traditionele derde stand, de kooplui en de boerenbevolking. Zo werd de lage adel langzaam gemarginaliseerd. De koning verkocht belangrijke posities en rechten (zoals het recht op het innen van belastingen) aan hoge edelen. Zo kon hij op korte termijn extra inkomsten verwerven op een manier die de inkomsten op lange termijn maar vooral de kwaliteit van het bestuur niet ten goede kwamen. Maar ook zwak absolutisme vanwege een door het katholicisme afgedwongen rechtsorde waaraan ook de koning en de hoge adel was gebonden. Er moest eerst iets gebeuren voordat in deze landen iets ontstond wat op een moderne staat leek. Dat iets was in Frankrijk de Revolutie van 1789. Pas toen ontwikkelde zich in Frankrijk een moderne staat. In Spanje duurde het nog langer, en ontstond er pas iets wat op een moderne staat na de winst van Franco in de Burgeroorlog en eigenlijk pas na de dood van Franco in 1975.

De tweede richting is het succesvol absolutisme in Rusland. “De Russische monarchie slaagde erin zowel de hoge als de lage adel in te lijven en er een dienende adel van te maken, die volledig afhankelijk was van de staat. Dat konden ze deels doen door een gemeenschappelijk belang dat de drie partijen hadden om de boeren aan het land te binden en hun meedogenloos de hoogste belastingen op te leggen. Tot een laat moment bleef de overheid patrimoniaal wat de Russische vorst er echter niet van weerhield om de adel in veel grotere mate te terroriseren en te controleren dan de Franse en Spaanse koning.[5]De andere twee elementen, de rechtsorde en de ‘verantwoordelijke overheid’ speelden in Rusland geen rol. Daar waar er in Frankrijk na de Revolutie van 1789 een moderne staat ontstond, gebeurde dat in Rusland na de Russische Revolutie niet, de autocratie van de tsaar werd vervangen door die van Stalin en later die van de Communistische Partij. Nu kent het land het: “corrupte en warrige electorale autoritarisme[6]onder Poetin. Als we Fukuyama’s definitie van moderne staat hanteren: “een veel onpersoonlijker vorm van bewind waarin de staat centraal stond,[7] dan kun je je afvragen of het huidige Rusland hieraan voldoet. Het land lijkt meer op een patrimoniale staat.

De derde richting die Fukuyama onderscheidt is de mislukte oligarchie van Hongarije en Polen. “In beide landen wist de aristocratie de koninklijke macht al vroeg grondwettelijke beperkingen op te leggen, waarna de koning zwak bleef en niet in staat was om een moderne staat tot stand te brengen. De zwakke monarchie kon de belangen van boeren niet beschermen tegen de adel, die hen meedogenloos uitbuitte. Ook kon zij niet aan voldoende middelen komen om een staatsapparaat te bouwen dat  sterk genoeg was om agressie van buitenaf te weerstaan. Geen van deze staten slaagde erin een moderne niet-patrimoniaal bestuur tot stand te brengen.[8]”  De hoge adel greep dus de macht en benutte die ten eigen voordeel zonder ook maar aan iemand verantwoording af te leggen maar diende wel rekening te houden met de door de kerk afgedwongen rechtsorde. Alleen bleek dat voordeel op termijn om te slaan in een nadeel. Polen werd in de achttiende eeuw in drie delingen opgedeeld onder de buurlanden Rusland en Pruissen. Met Hongarije gebeurde al eerder iets soortgelijks. Als we kijken naar hedendaags Polen en Hongarije dan zien we recente maar moderne staten waarbij de huidige heersers knibbelen aan die moderniteit en de macht van de staat en die in patrimoniale richting duwen en vooral handelen in eigen belang en een ‘adel van bedrijfsoligarchen’. Knibbelen door de rechtsorde naar hun hand te zetten en verantwoording met een korreltje zout te nemen door tegenspraak te bemoeilijken. Precies zoals de vroeger hoge adel.

De laatste richting noemt Fukuyama verantwoordelijk bestuur. “Sommige Europese staten konden zowel een sterke rechtsorde als verantwoordelijk bestuur ontwikkelen, terwijl ze tegelijk een sterke gecentraliseerde staat tot stand brachten die in staat was tot nationale mobilisatie en defensie.[9]  Dit gebeurde op verschillende manieren onder andere in monarchieën als Engeland, Zweden en Denemarken maar ook in Republieken zoals de Zeven Verenigde Nederlanden en de Zwitserse bondsstaat. Gebieden waar de ‘derde stand’ van handelslui en sterke lokale gemeenschappen die tegenmacht boden aan de hoge adel en de ‘staatsmacht’. Tegenmacht die de staat dwong zich te onderwerpen aan het recht en tot verantwoording dwong. Verantwoording aan een parlement dat het volk vertegenwoordigde en wiens leden door een steeds groter deel van het volk werden gekozen en uiteindelijk het hele volk.

Tot zover de vier richtingen die de politieke orde in Europa nam. In een volgend deel ga ik, weer aan de hand van Fukuyama in op de uitdagingen voor de Europese Unie die door deze verschillende geschiedenissen worden veroorzaakt.


[1] Francis Fukutama, De oorsprong van onze politiek. Deel I, pagina 374

[2] https://ballonnendoorprikker.nl/2018/12/23/het-leven-wordt-vooruit-geleefd-en-achteruit-verklaard/

[3] Francis Fukutama, De oorsprong van onze politiek. Deel I,  Pagina 375

[4] Idem, pagina 383

[5] Idem, pagina 383

[6] Idem, Pagina 456

[7] [Idem, pagina 144

[8] Idem, pagina 383

[9] Idem, pagina 383 – 384

Uitgelicht

The king, the pope and I

In het vorige deel van de serie waarin ik het boek De oorsprong van onze politiek van Francis Fukuyama als leidraad gebruik, stond het ontstaan van de moderne staat centraal[1]. Kenmerk van de moderne staat is dat ze haar ‘ambtenarencorps’ selecteert op basis van verdienste en niet op ‘familierelaties’ zoals in een patrimoniale. We zagen dat de moderne staat, zo betoogt Fukuyama, in China ontstond tijdens de Qin-dynastie in de derde eeuw voor onze jaartelling. Het duurde echter nog zo’n zeventienhonderd jaar voordat zich in West Europa iets ontwikkelde wat je een moderne staat kon noemen. Dat wil niet zeggen dat er op politiek gebied niets gebeurde. West Europa volgde een andere weg.

A school history of Germany: from the earliest period to t… | Flickr
Bron: Flickr

Fukuyama: “De Europese politieke ontwikkeling was in zoverre uitzonderlijk dat Europese samenlevingen zich al vroeg afwendden van tribale organisatievormen, en dat deden ze zonder de hulp van een politieke macht van bovenaf.”  In West Europa werd het tribalisme op een andere manier aangepakt: “De staatsvorming was niet zozeer gebaseerd op het vermogen van vroegere stichters van staten om militaire macht in te zetten, als wel op hun vermogen om recht te spreken.” Staatsvorming via een rechtsorde.

Bij een rechtsorde denken we nu al vrij snel aan onze wetboeken die de omgang tussen ons mensen onderling, tussen mensen en bedrijven en tussen mensen, bedrijven en de staat regelen. Dat moderne beeld moeten we vergeten: “Neem er nota van dat de vroege Europese staten wel het recht toepasten maar niet noodzakelijkerwijs de wet.”  Want: “het onderscheid tussen recht en wetgeving is fundamenteel om de betekenis van de rechtsorde zelf te begrijpen. … het recht is een geheel van abstracte rechtsregels dat een gemeenschap bijeenhoudt.” En dat recht, zo geloofde men: “werd bepaald door een gezag hoger dan dat van enige menselijke wetgever, ofwel door een goddelijke autoriteit, door oeroude gewoonte of door de natuur.” Dit in tegenstelling tot de wetgeving die overeenkomt met: “wat nu het positief of objectief recht wordt genoemd, en (…) een (is) functie van de politieke macht, dat wil zeggen van het uiteindelijk op coërcitieve macht gebaseerde vermogen van een koning, baron, president, wetgevende macht of krijgsheer om nieuwe regels te maken en te handhaven.[2]

Gewoonten, de natuur of een goddelijke autoriteit. Nu hebben ‘goddelijke autoriteiten’ of beter gezegd de vertegenwoordigers ervan, de neiging om de natuur maar ook gewoonten aan de autoriteit van hun godheid te verbinden. Zo was de katholieke kerk een meester in het incorporeren van ‘heidense’ feesten en gebruiken door er een ‘passende heilige’ aan te verbinden en er zo een katholiek feest van te maken. Diezelfde katholieke goddelijke autoriteit, speelde, zo betoogt Fukuyama, een belangrijke rol in de afbraak van tribale verbanden en: “dit gebeurde heel kort nadat de Germaanse stammen die het Romeinse Rijk onder de voet liepen zich voor het eerst tot het christendom bekeerden.” En de katholieke kerk speelde daarin de belangrijkste rol[3].  Hoe ze dat deed? Door: “krachtig stelling (te nemen) tegen vier praktijken: huwelijken tussen naaste verwanten, huwelijken met weduwen van dode verwanten (…), het adopteren van kinderen, en echtscheiding.” Hierdoor werd het voor verwantschapsgroepen lastig om: “onroerend goed in handen van de groep (te) kunnen houden (en) het van de ene op de andere generatie,” door te geven. Waarom de kerk dat deed? “De reden dat de Kerk dit standpunt innam had (…) veel meer te maken met de materiele belangen van de Kerk dan met theologie.[4] Die materiele belangen behelsden het in bezit krijgen van zoveel mogelijk onroerend goed en dat ging zo makkelijker.

Die bijzondere ontwikkeling, want dit gebeurde alleen in West Europa, leidde tot een veel sterkere en definitievere afkeer van het tribalisme. Dit vooral omdat deze ontwikkeling aan de basis stond van een andere Westerse en vooral West Europese ‘afwijking’, namelijk het individualisme. Fukuyama: “De Europese samenleving was met andere woorden al heel vroeg individualistisch, in die zin dat individuen en niet hun families of verwantschapsgroepen belangrijke beslissingen konden nemen over huwelijk, bezit en andere persoonlijke kwesties. Individualisme in de familie is het fundament van alle individualismen. Het individualisme berustte niet op de opkomst van een staat die de wettelijke rechten van individuen afkondigde en het gewicht van zijn coërcitieve macht gebruikte om de hand te houden aan die rechten. Het is eerder zo dat staten werden gevormd boven op samenlevingen waarin individuen reeds tamelijk vrij waren van sociale verplichtingen ten aanzien van verwanten. In Europa ging de sociale ontwikkeling vooraf aan de politieke ontwikkeling.”

Naast het ‘breken van het tribale’ heeft de katholieke kerk de ontwikkeling van de politiek in West Europa nog op een andere manier beïnvloed. De paus had een eigen staat, die nu is verschrompeld tot Vaticaanstad, en speelde op die manier ook een deuntje mee in het wereldlijke. De vorsten bemoeiden zich met de benoeming van geestelijken op hun grondgebied en probeerden zo het ‘geestelijke gezag’ te beïnvloeden. Dit draaide in de tweede helft van de elfde eeuw uit op een groot conflict tussen de paus en de keizer over de benoeming van geestelijken. Het conflict begon in 1046 met de kroning van Hendrik III tot keizer van het Heilig Roomse Rijk. Om die kroning in goede banen te leiden zette Hendrik drie rivaliserende pausen af en benoemde er eentje naar zijn gading. Daarna benoemde hij er nog vier.

Dit zeer tegen het zere been van een stroming binnen de kerk onder leiding van Hildebrand van Sovana. Toen deze Hildebrand in 1073 tot paus werd gekroond en als Gregorius VII: “maakte hij van het celibaat van priesters een officiële kerkelijke doctrine en dwong hij priesters om te kiezen tussen hun verplichtingen ten aanzien van de Kerk en hun verplichtingen ten aanzien van hun familie,” en die familie was in het overgrote deel van de gevallen verbonden met deze of gene vorst. De zogenaamde investituurstrijd brak hiermee uit. Veel priesters en hun familie verzetten zich hier tegen, celibaat en trouw aan de kerk betekende immers dat de familie onroerend goed en macht verloor. De kaarten waren niet in het voordeel van Gregorius en daarom lanceerde hij een frontale aanval: “In een pauselijk manifest uit 1075 ontnam hij de koning het recht om bisschoppen af te zetten en leken aan te stellen” in een geestelijk ambt. De opvolger van Hendrik III, Hendrik IV nam dit hoog op een riep de paus op om af te treden waarop Gregorius zijn grootste kanon in stelling bracht: hij deed Hendrik IV in de ban. Daardoor kreeg Hendrik problemen in zijn rijk omdat veel prinsen en bisschoppen nu achter Gregorius gingen staan en dwongen Hendrik om te buigen en de ‘gang naar Canossa’ te maken. Daarmee was de strijd echter nog niet teneinde, Hendrik bleef erbij dat hij het recht had om bisschoppen te benoemen. Hij bezette Rome, zette Gregorius af en benoemde een tegenpaus Clemens III. Het getouwtrek sleepte zich nog voort totdat het: “in 1122 definitief werd geregeld met het Concordaat van Worms waarin de keizer het recht van aanstelling grotendeels opgaf, terwijl de Kerk het gezag van de keizer in alle wereldlijke zaken erkende. [5]

Deze ontwikkeling zorgde ervoor dat een heerser in westelijk Europa, met twee zaken rekening diende te houden. Aan de ene kant met de ‘wil of wet van god’ en aan de andere kant met die individuen en de ermee verbonden rechten. De eerste, die ‘wil of wet van god’ kende in de paus een centrale vertegenwoordiger en in de clerus een eigen ‘machstkanaal’ in het ondermaanse. Dit in tegenstelling tot de Chinese keizer wiens wil wet was en die geen rekening hoefde te houden met een god en diens vertegenwoordigende ‘religieuze autoriteit’ die er ook niet was. ‘Waar die driedeling tussen ‘the king the pope and I’ toe leidde, zien we in een volgend deel in deze serie.


[1] https://ballonnendoorprikker.nl/2021/02/28/de-moderne-staat/

[2] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek Deel 1: van de prehistorie tot de verlichting, pagina 285-286

[3] Idem, pagina 269

[4] Idem, pagina 276

[5] Idem, pagina 307-308

Tomorrow is only a day away

Tijdens een wandeling met mijn dochter zag ik een spreuk op een bedrijf. “Let’s shape tomorrow today” stond er. Een bijzondere spreuk. Als het verhaal van de film The Day After Tommorow maar geen werkelijkheid wordt. Dan boetseer je vandaag een fantastisch morgen dat overmorgen vergaat. Dan liever de Bond film Tomorrow never dies. Immers Tomorrow you’re always a day away zoals het personage Annie in de gelijknamige film zingt. En omdat ‘tomorrow’ altijd ‘a day away’ is, klopt het inderdaad dat ‘tomorrow never dies’. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat die ramp van ‘the day after tomorrow’ niet ook om de hoek kan liggen. Ik neem aan dat het bedrijf met tomorrow niet de dag van morgen bedoelt, maar het gebruikt als aanduiding voor de toekomst. Wat wil het bedrijf hiermee zeggen?

Eigen foto

Dat tomorrow today wordt gevormd is een enorme open deur. Nu zijn dergelijke marketing spreuken meestal open deuren. Wie kan zich “Let’s make things better’ nog herinneren? Vandaag werken aan de toekomst dat doet toch iedereen. Ik heb nog nooit iemand aan het verleden zien werken. Nu klinkt dat wellicht vreemd uit de mond van een historicus. Toch is het niet zo vreemd. Historici bestuderen het verleden en dat doen ze niet om een nieuw verleden te bouwen of vorm te geven maar om de kennis van het verleden in de toekomst te vergroten. Ze bestuderen het verleden om erachter te komen hoe het ‘is geweest’ om Leopold von Ranke aan te halen. Om het denken en handelen van onze voorvaderen te her-denken zoals de geschiedfilosoof R.G. Collingwood het noemde. Her-denken is daarbij iets anders dan herdenken. Herdenken is gedenken, her-denken is je proberen te verplaatsen in die voorvaderen en proberen te denken wat zij dachten. Daarom is alle geschiedenis volgens Collingwood, geschiedenis van het denken. Beschrijven ‘hoe het geweest is’ en her-denken veranderen het verleden niet, ze veranderen alleen onze kijk op het verleden.

Toch lijken er tegenwoordig mensen en groepen die vandaag het verleden opnieuw willen vormgeven voor morgen. Zo zijn er mensen, zoals de leider van het Forum voor democratie Baudet, die ‘voorwaarts naar het verleden’ willen. Voor Baudet ligt de toekomst ergens tussen de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw. Terug naar de: “bourgeois society, bourgeois traditions, the bourgeois way of life of ordinary people.” Ze zingen de Beatles na: “Yesterday, all my troubles seemed so far away. Now it looks as though they’re here to stay. Oh, I believe in yesterday.” Dat de ‘ordinary people’ in die tijd geen bourgeois manier van leven’ hadden, lijkt Baudet te vergeten. Voor het gros van de ‘ordinary people’ was het leven in die tijd kort, hard en bruut en hun levensomstandigheden waren verre van ideaal.

Aan de andere kant van het spectrum vind je groepen die iets anders met het verleden willen. Die willen de geschiedenis niet her-denken maar her-schrijven en liever nog her-beleven. Niet her-beleven niet in de vorm van re-enactment, het strikt naspelen of uitbeelden ervan op een manier die de goedkering van Ranke zou dragen en die zou kunnen bijdragen aan Collingwoods her-denken. Nee, her-beleven door het verleden en vooral de actoren uit vroeger tijden hun tijd te laten her-denken met de opvattingen van nu. Dit om die voorvaderen ervan te doordringen dat ze toch echt fout bezig waren en niet zomaar fout, nee goed fout. Zij zeggen: ‘Let’s shape tomorrow today by remaking yesterday’. Zij weigeren het historisch perspectief te zien.               

Bij het vormgeven van ‘tomorrow’ moeten we het ‘today’ doen met twee dingen. Aan de ene kant onze kijk op ‘tomorrow’, de toekomst en bij die kijk op de toekomst moeten we het verleden niet als voorbeeld nemen, zo betoogt Popper met goede argumenten in zijn De open samenleving en haar vijanden. Aan de andere kant onze ervaringen van ‘yesterday’, ons verleden. Maar daar hebben we alleen wat aan als we bij het her-denken uitgaan van hoe het werkelijk is geweest. Hiervan zijn op onverwachte plekken voorbeelden te vinden. Neem bijvoorbeeld de muziek. Daarbij moeten we ons niet laten leiden door de waan van ‘today’. De band The Pogues geeft in enkele van hun liedjes goede voorbeelden. Neem hun songs Navigator en The band Played Walzing Mathilda.

Vreedzaam en veilig in Baudets Nederland

Soms lees je iets en dan denk je in deze ‘hittegolftijd: zou die een zonnesteek hebben opgelopen? “Ons Nederland was ooit zo veilig en vreedzaam. Het doet me pijn om te zien dat er in Nederland nu buurten zijn die onveilig zijn, buurten waar het tuig de politie zelfs kan wegjagen. En het had allemaal niet gehoeven; het is volledig zinloos.” Woorden van Thierry Baudet in een interview op de site De Dagelijkse Standaard. Dat vreedzame en veilige land is nu verleden tijd en dat is, aldus Baudet de schuld van: “allochtone jongeren die al drie of vier generaties in Nederland wonen, maar op geen enkele manier onderdeel van de Nederlandse samenleving willen zijn.”

Jantjes vegen de Dam schoon. Bron: Wikimedia

De eerste wedstrijd in het betaald voetbal die ik ooit bezocht was die tussen Fc VVV (zo heette VVV in de jaren zeventig en tachtig) en Fc Utrecht. Het was denk ik in 1978 of 1979. Vreedzaam was het in ieder geval niet. De fans uit Utrecht stonden bekend om hun gewelddadigheid en gingen flink te keer. Ik heb nog nooit zoveel ME gezien als toen. Nu was supportersgeweld in die tijd heel normaal en niet alleen in die tijd. Zo was er in 1997 de slag van Beverwijk tussen supporters van Ajax en Feijenoord. En ook menig kampioenschapsfeest werd ontsierd door geweld.

Een paar jaar later, begin jaren tachtig, begon ik met uitgaan. In mijn geboortedorp kende het jaar op dat gebied twee hoogtepunten: de Gekke maondaag en de kermis. Beide hoogtepunten werden door heethoofden uit andere dorpen aangegrepen om te komen vechten. En ja, daar waren ook Molukkers bij, maar het waren toch vooral ‘boerenkinkels’. En onder mijn dorpsgenoten waren er ook wel die van een knokpartijtje hielden, dus daar kwam het dan ook geregeld van. Dezelfde ‘heethoofdige’ dorpsgenoten trokken tijdens kermissen ook naar die andere dorpen met soortgelijke intenties. Aan mij was dit niet besteed. Wel werd ik geconfronteerd met de gevolgen ervan. De uitbater van mijn stamcafé De Bascule, wilde de rotzooi niet in zijn kroeg en daarom stonden er twee hele brede mannen in de deur.

Ook herinner ik me de berichtgeving over de jaarwisselingen. Steevast ging het over rellende en vechtende mensen. De stad Den Haag kwam altijd in de berichten voor. Daar liep het altijd uit de hand, maar niet alleen daar. Ook ‘boerengaten’ waarvan ik niet wist dat ze bestonden, kwamen in het nieuws vanwege ‘ongeregeldheden’. Of de ‘krakersrellen’ waarbij flink geweld werd gebruikt. En wie herinnert zich nog de kroning van Beatrix tot koningin?

De al wat ouderen onder ons, of degenen met iets meer kennis van de geschiedenis, weten vast nog wel van de hippies die ‘sit-ins’ hielden en op de Dam sliepen. Nadat het eerst oogluikend was toegestaan, verbood de Amsterdamse burgemeester het. Dit leidde tot heftige rellen. Daarop namen zo’n tachtig ‘Jantjes’, de populaire naam voor marinepersoneel, het recht in eigen handen en sloegen met knuppels en koppelriemen in op de ‘hippies’. En dit was niet de eerste keer dat de ‘Jantjes’ op deze manier van zich lieten horen. In 1967 veegden ze een groep Nozems uit het Amsterdamse Centraal Station. Of weer een jaar eerder, de rellen tijdens het huwelijk van Beatrix met Claus en de rellen bij het Telegraafgebouw in Amsterdam. Het optreden van de Stones in het Scheveningse Kurhaus. Of tien jaar eerder de bestorming van het gebouw van de Communistische Partij. En als we nog wat verder terug kijken, komen we onder andere het Jordaan-, het Aardappel- en het Palingoproer tegen. En wat te denken van Troelstra’s revolutiepoging in 1918? Diverse arbeidersoproeren en -twisten in de negentiende eeuw en zo kunnen we wel doorgaan tot de Bataafse Opstand tegen de Romeinen in de jaren 69 en 70.

Ik vraag me af hoe ver we moeten teruggaan voordat we ooit aankomen in dat ‘vreedzame en veilige’ land van Baudet. Hat land dat ruw is verstoord door die: “allochtone jongeren die al drie of vier generaties in Nederland wonen, maar op geen enkele manier onderdeel van de Nederlandse samenleving willen zijn.”

Veelkleurige geschiedenis

                In de Volkskrant stoort historicus Arie Wilschut zich aan de manier waarop er met de geschiedenis wordt omgegaan. Zoals hij terecht schrijft, zijn er twee dingen belangrijk in de omgang met het verleden: “ten eerste dat ‘één waarheid’ niet bestaat en dat er altijd meerdere kanten aan een zaak zitten. Ten tweede dat iedere tijd zijn eigen waarden- en normenpatroon heeft en dat het niet aangaat het normen- en waardenpatroon van onze tijd zonder meer als algemeen geldig aan alle tijden op te leggen.” Want zo schrijft hij: “Waar de nuance wordt bedreigd door één ideologische manier van denken, lopen vrijheid en democratie gevaar. Waar geen begrip bestaat voor het fundamentele verschil tussen verleden en heden, kunnen geen lessen meer worden geleerd uit de ervaringen van de mensheid, omdat men denkt alles al a priori te weten.”  Dat leidt tot: “de huidige zwart-witdiscussie waar niemand mee is gediend.” In een reactie op dit artikel adviseert Heleen Ronner, docent NT2, om de poster 10 keer meer geschiedenis te raadplegen. De poster is het antwoord van The Black Archives op de 10 tijdvakken die momenteel in het onderwijs worden gebruikt.

Slavenhandel tussen Russen (oorspronkelijk Noormannen) en de khazaren. Schilderij van Sergei Ivanov. Bron: Wikipedia

Nu is iedere indeling van de geschiedenis in tijdvakken arbitrair. Tijdens mijn studie geschiedenis waren er veel minder ‘tijdvakken’. We hadden de oudheid, die liep van 3500 BCE tot de afzetting van de laatste West-Romeinse keizer in 467 CE. Daarna begonnen de Middeleeuwen die eindigden midden vijftiende eeuw. Daarna begon de Nieuwe tijd en die liep zo rond 1860 over in de Nieuwste tijd. Welke indeling er wordt gekozen en welke ‘titel’ men een tijdvak geeft, zegt meestal meer over de tijd en vooral de persoon die de indeling maakt, dan over het betreffende tijdvak. Zo zou een Romein zijn tijd nooit de ‘oudheid ’noemen. ‘Hoezo oud, is er dan ook een nieuwheid’, zou hij vragen. Een middeleeuwer zou vragen: ‘midden waar tussen?’ Met het benoemen van tijdvakken, zij we al bezig met het opleggen van een ‘normen- en waardenpatroon’ om Wilschut te parafraseren.

Op de poster wordt ieder tijdvak gesymboliseerd door een plaatje met daaronder een korte uitleg en vervolgens links naar minder bekende zaken uit andere delen van de wereld. Jammer alleen dat verschillende links doodlopen. Zoals de Wikipedia -link naar Teotihuacan. Gelukkig is er ook een link naar School tv over hetzelfde onderwerp. Maar wacht eens. Als er een link naar School tv is, is er dan sprake van ‘Verzwegen geschiedenis op school’, van ‘verzwegen perspectieven’ waarmee de poster wordt aangekondigd?

Dat brengt mij bij een punt van kritiek op de makers. De makers suggereren dat er iets wordt verzwegen, dat er iets ‘geheim’ wordt gehouden. Iets wat we niet mogen weten. Dat is nogal een beschuldiging. Dat iets niet in het curriculum zit, wil dat meteen zeggen dat het geheim wordt gehouden? Bij het opstellen van een curriculum moeten keuzes worden gemaakt. Het onderwijskundige probleem van ‘tien keer meer geschiedenis’ is dat het ‘in de hoofden krijgen’ ook tien keer meer tijd kost.

Tegen het probleem van ‘keuzes maken’ lopen de makers ook. De poster heeft 11 tijdvakken. Ze begint met ‘De tijd van de eerste mensen’. Een tijdvak dat loopt van 300.000 tot 10.000 BCE en dat duidelijk moet maken hoe de homo sapiens zich over de aarde heeft verspreid. Goed dat deze periode aandacht krijgt. Alleen één maar: zoals ik al eerder schreef, liepen er al veel eerder mensen over de aardbol, bijvoorbeeld de Neanderthaler, de homo denisovans en de homo floresiensis. De overige tien tijdvakken op de poster lopen qua periodisering één op één met de 10 tijdvakken die in het huidige geschiedenisonderwijs worden gehanteerd.

Nu is er nog iets bijzonders met de poster en dat brengt mij bij de Brief van de Dag in de Volkskrant van vrijdag 19 juni. In die Brief van de Dag reageert Henna Goudzand Nahar ook op het artikel van Wilschut. Een bijzondere brief omdat Nahar Wilschut zaken lijkt te verwijten die hij niet heeft betoogd. Volgens Nahar verdedigt Wilschut slavernij terwijl daarvan geen sprake is. Nahar: “Het is triest dat zelfs historici met dit argument komen aandragen om de slavernij te verdedigen. Zo schrijft ook historicus Arie Wilschut in zijn stuk ‘Hoog tijd dat historici zich mengen in debat over ‘foute’ helden’: ‘De handel op slavenkoloniën als Suriname was helemaal verwaarloosbaar, omdat die nog geen 2 procent heeft bijgedragen.’ Mocht dat al kloppen, dit doet niets af aan wat er is gebeurd. Het getuigt dan eerder van domheid om daarvoor zoveel mensen te vermoorden, te ontvoeren en er eeuwen mee door te gaan.” Wilschut voert dit niet aan als ‘verdediging’ van de slavernij, maar als perspectief bij het beeld dat is ontstaan dat de Nederlandse rijkdom afkomstig is van slavernij.  

Voor mijn betoog is het tweede verwijt dat Nahar Wilschut maakt belangrijker. Nahar: “Daarnaast noemt Wilschut als argument dat in de wereld voor 1800 slavernij een doodgewoon verschijnsel was. Dat was waar, maar de transatlantische slavernij ging gepaard met kolonialisme en is van een zodanige orde geweest dat dit tot vandaag enorme gevolgen heeft voor de relatie tussen wit en zwart. Het verdrijven of uitmoorden van de inheemse bevolking om vreemd land in bezit te nemen, gevolgd door de ontwikkeling van een wereldbeeld waarin de witte de zwarte de weg zal wijzen naar ‘verlichting’, maken de dimensies hiervan totaal anders.”  Het zal Nahar wellicht verbazen, maar ook kolonialisme en ermee gepaard gaande slavernij is geen ‘westerse’ uitvinding. En dat brengt mij bij de poster en tijdvak 6 (1600-1700 CE), de Tijd van Kolonialisme & handelskapitalisme met als ondertitel “Roof, handel en uitbuiting op wereldschaal.”  De eerste poster waar over slavernij, koloniën en imperialisme wordt gesproken en waarbij de Europese landen koloniseerden.

Dat laatste klopt. In die tijd waren het de Europese landen die anderen koloniseerden. Maar was dit zo bijzonder? Waren die ‘Grote rijken in Azië, Afrika en Amerika in periode 4 (1000-1500 CE) niet ook ontstaan doordat de ene groep de andere ging overheersen, domineren en koloniseren? Kwam in die grote rijken geen slavernij voor? Zou het Mongoolse rijk, terecht door de makers van de poster omschreven als een van de grootste rijken ooit, vreedzaam zijn ontstaan? Kijkers van de film Mongol weten wel beter. Dat ging gepaard met flink veel geweld waarbij de verslagene kans had om in slavernij te geraken. Nee, die rijken kwamen op precies dezelfde manier tot stand als de Europese landen hun imperia opbouwden. Dit met als enige verschil dat de Europeanen het als eerste echt op wereldschaal deden.

Zo kwamen trouwens ook het Romeinse rijk en het Chinese rijk onder de Han dynastie in periode 2 (3000 BCE en 500 CE) tot stand. Twee rijken die via wat wij nu de zijderoutes noemen, handel met elkaar dreven. Zijderoutes die volgens de posters pas in periode 3 (500-1000 CE) ten tonele verschijnen. Die routes ontstonden echter al zo’n 1500 jaar eerder. Via die routes werd van alles verhandeld waaronder ook slaven. Wie hierover meer wil weten, lees het boek De Zijderoutes van Peter Frankonpan. Slaven waarvan het Romeinse rijk er, volgens Frankonpan op haar hoogtepunt zo’n 250.000 tot 400.000 per jaar nodig had. Slaven die van heinde en verre kwamen. Uit Afrika, Azië en Europa. Dit terwijl slavernij pas op de poster pas een rol krijgt in periode 6 (1600-1700 CE). En dan ook nog alleen maar in de vorm van twee rode pijlen, één naar de Amerika’s en één naar Nederlands Indië, zoals het wordt genoemd. Een pijl naar het noorden, naar de Arabisch, Perzische en de Ottomaanse wereld ontbreekt. Bijzonder is de naam Nederlands Indië op een kaartje dat handelt over deze periode. Die benaming werd pas vanaf het begin van de negentiende eeuw (1816) voor dat gebied gebruikt.

Zo kunnen bij iedere tijdsperiode zowel van de poster als bij de standaard beschrijvingen van de tijdvakken kanttekeningen worden geplaatst. Ja, de poster 10x meer geschiedenis geeft een breder totaaloverzicht van wat er in de wereld allemaal is gebeurd. Dat was ook de bedoeling van de makers. Ze wilden: “de focus op geschiedenis buiten de bekende Europese kaders.” De makers van de 10 tijdvakken, hebben een ander doel. De tijdvakken zijn bedoeld om jonge inwoners van Nederland te laten zien hoe ons deel van de wereld zich heeft ontwikkeld. Die beperking is te begrijpen omdat het gros van die jonge inwoners hier zal blijven wonen en leven. Dan is het wel handig dat je een beetje weet waar zaken in de samenleving hier vandaan komen. Hierbij is de invloed van de Grieken, Romeinen, Kelten en Germanen op onze samenleving ‘need to know’. De beschaving van de Bantoe-volken of de Nazca’s is ’nice to know’. Zonder, zoals gezegd, meer tijd voor het vak geschiedenis, betekent een breder palet minder diepgang. Immers met het noemen van de Zapoteken en de Ban Chiang moet je er ook meer informatie over geven. Dan moet je hun cultuur beschrijven en dat gaat ten kosten van iets anders. Een keuze die ook weer leidt tot zaken die niet worden behandeld en wellicht tot een nieuwe groep die aandacht vraagt voor die ‘verzwegen geschiedenis’.

Volgens Heleen Ronner, die hem  aanbeveelt, maakt de poster: “de geschiedenis niet zwart-wit, maar juist veelkleurig.” De poster is niet zozeer kleurrijker als wel anders en dat andere heeft vooral te maken met het doel achter de poster. De makers van de poster lijken vooral ‘westers  exceptionalisme’, het uitzonderlijke van de westerse dominantie van de afgelopen paar honderd jaar aan te willen tonen. Zo exceptioneel was en is de manier waarop het westen opereerde en opereert echter niet. Het westerse optreden wijkt niet af van het optreden van eerdere dominante rijken. Een dominant rijk dat zich superieur voelt, de oude Romeinen en Chinezen weten er alles van. Gebieden veroveren overheersen en koloniseren, de Olmeken, Maya’s en Inca’s wisten ook wel hoe dat moest. Slavernij en slavenhandel? Wijd verbreid zowel geografisch als in tijd, zelfs tegenwoordig nog. Nee de geschiedenis kent meer constanten dan dat er wordt afgewisseld. Om een oud versje voor de poëziealbum te verhaspelen: ‘culturen verwelken, rijken vergaan, machtswellust blijft altijd bestaan.’

‘350 jaar illegale bezetting’

“De Nederlandse staat geeft geen gehoor aan de Indonesische slachtoffers van de 350 jaar durende illegale bezetting door Nederland.” Woorden van Jeffry Pondaag, voorzitter van de Stichting Comité Nederlandse Ereschulden. Pondaag spreekt deze woorden uit in een artikel van Fitria Jelvyta bij dekkanttekening.nl. Een artikel gewijd aan het geleden leed dat Nederland, volgens het artikel, onder ogen moet zien. Pondaag heeft ook een idee hoe dat kan: “Het is zaak dat Nederland een podium biedt aan de Indonesische slachtoffers in de vertelling van de geschiedenis.”  Dat er evenwichtige aandacht moet zijn voor alle aspecten van het verleden en dat dit nu nog niet altijd het geval is, staat buiten kijf. 

Batavia zo rond 1870. Bron: Wikipedia

Toch wringt er iets aan het betoog van Pondaag en dat begint met de zin waarmee ik deze Prikker opende. Een dergelijke zin wringt behoorlijk met ‘evenwicht’. 350 jaar is een lange tijd. We komen dan uit in het jaar 1670. Als we de staatkundige kaart van die tijd bekijken dan zien we dat die er heel anders uitzag dan tegenwoordig. We zullen Nederland er niet op vinden. Duitsland en Italië trouwens ook niet. We treffen er een landje aan dat de Zeven Verenigde Provinciën heet. Dat landje omvat een flink deel van het huidige Nederland. Een groot deel ook niet. Als ik de gemeente Venlo, waar ik woon bekijk, dan lag het huidige grondgebied in drie verschillende landen. Venlo lag in een gebied waar geregeld legers voorbij trokken om elkaar te bestrijden. Dat landje kende geen ‘centraal bestuur’. Elk van die zeven provinciën dopten hun eigen boontjes en soms deden ze wat samen. Kijken we naar de staatkundige kaart van het huidige Indonesië dan zien we een baaierd aan rijkjes en rijken. Een land Indonesië is er niet op te vinden. Dat er nu wel een land van die naam is te vinden is, en dat klinkt cru, juist het resultaat van het kolonialisme. Dat maakte van de Eilanden van Smaragd een staatkundige eenheid. 

Dan het woord illegaal, “in strijd met de wet”  zoals de Vandale het omschrijft. Welke wet? Internationale wetgeving is iets van de laatste eeuw. Ja, ook al in de zeventiende eeuw werd er over internationaal recht gedacht en geschreven bijvoorbeeld door Hugo de Groot. Relaties tussen Rijken en staten werden geregeld via verdragen. Verdragen die konden worden opgezegd en geschonden en die oorlogen en bezettingen niet konden verhinderen. Pas met de komst van de Volkerenbond in 1919 ontstond er iets wat op internationale wetgeving leek. Al was die poging geen lang leven beschoren. Met de oprichting van de Verenigde Naties werd een nieuwe, betere poging gewaagd. 

Pondaag: “Waar haalt Nederland het recht vandaan om een land dat 18.000 kilometer hiervandaan ligt te beschouwen als zijn eigendom? Als ze zeggen dat kolonialisme toen vanzelfsprekend was, hoe zit het dan met de mensen die in Indonesië woonden? Hebben zij dan geen stem? Zijn zij dan geen mensen?” Natuurlijk leefden er ook toen mensen op de eilanden in de Oost. En, nee, die mensen hadden daarin geen stem. Net zoals de inwoners van de Zeven Verenigde Provinciën niets is gevraagd. Die hadden daarin ook geen stem. Zij kregen pas in de twintigste eeuw een stem. De mannen mochten voor het eerst allemaal stemmen in 1917 en de vrouwen in 1919. Het bezetten gebeurde toen omdat het kon en gebruikelijk was. Dzjengis Khan vroeg zich vier eeuwen eerder ook niet af of hij wel het ‘recht’ had om 8.000 kilometer verderop gebieden te bezetten en mensen te vermoorden. En nu is het nog steeds mogelijk. Immers wie geeft de Verenigde Staten het ‘recht’ om Irak binnen te vallen? 

Pondaags zin waarmee ik begon gaat verder. Na illegale komt het woord bezetting. Als de ‘VOC-methode’ door iets niet werd gekenmerkt, dan is dat wel bezetting van het gebied dat nu Indonesië heet. De VOC stichtte op strategische plekken langs de zeeroute naar en in de Oost forten. Forten waar de schepen veilig konden aanleggen om vers water en voedsel in te slaan. Forten waarmee de handel in belangrijke producten gemonopoliseerd kon worden. Er werden geen gebieden bezet waarvan het bestuur werd overgenomen. Wel kon het gebeuren dat een vorst die de belangen van de Compagnie schaadde werd aangepakt. Voor een bezetting ontbrak het de Compagnie aan mankracht en middelen en Nederland in de negentiende eeuw trouwens ook. Of zoals Kossmann het in  het standaardwerk De Lage Landen 1780/1980 deel I omschrijft: “Al was het Nederlandse bestuur er in de loop van de negentiende eeuw toe overgegaan zijn rechten op de meeste eilanden, zoals Borneo, Sumatra, Celebes en Bali ook door middel van militaire expedities te bevestigen, van een werkelijke occupatie van deze gebieden was geen sprake.” Dat bevestigen gebeurde niet om de ‘inlanders’ eronder te krijgen. Dat gebeurde om de Engelsen en Fransen buiten de deur te houden. De lokale heersers konden gewoon hun gang gaan zolang ze maar niet dwars lagen. Lagen ze dwars, zoals Atjeh, dan werd hen de oorlog verklaard.

Al dit doet er niets aan af dat er verschrikkelijke dingen zijn gebeurd. In de jaren ’45-’49 maar ook in het al genoemde Atjeh en op andere momenten zoals het optreden van Jan Pieterszoon Coen. Zaken die verteld moeten worden en waarbij zeker ook het verhaal van de slachtoffers een prominente plek moet krijgen. Dat mag echter geen aanleiding zijn om het verleden geweld aan te doen door het in een 21ste eeuws frame te plaatsen.

Sophie, volg je hart!

Je brief in de Volkskrant deed mij terugdenken aan mijn jeugd. Dat was ver voordat jij werd geboren, de eerste helft van de jaren tachtig. Midden jaren tachtig zat Nederland in economisch slechte tijden. Het was de tijd van Koos Werkeloos van Harry Jekkers en zijn Klein Orkest. Dus flinke werkloosheid en slechte vooruitzichten. Ik stond al een stapje verder. Ik moest kiezen wat ik ging studeren: economie met betere arbeidsvooruitzichten of toch mijn favoriete vak geschiedenis.

Ik weet nog dat we voor ons schoolonderzoek Nederlands een opstel moesten schrijven. Ik heb mijn opstel toen aan de studiekeuze gewijd. Twee klasgenoten waarvan er eentje voor geschiedenis koos en de ander voor economie. Tijdens een reünie een jaar of twintig later kwamen ze elkaar weer tegen en raakten in gesprek over die twintig jaar. Ze hadden het allebei moeilijk gehad maar uiteindelijk toch iets gevonden. 

Zelf koos ik ervoor om mijn hart te volgen en geschiedenis te gaan studeren. Ik heb er tot op de dag van vandaag nooit spijt van gehad. En net als de twee uit mijn opstel, was het ook voor mij moeilijk om iets te vinden wat bij mij past. Ik werk nu al meer dan twintig jaar als beleidsadviseur voor de overheid. Ik kan me voorstellen dat je nu denkt: maar dat heeft niets met geschiedenis te maken. Inderdaad heeft het inhoudelijk niet met geschiedenis te maken.

Alhoewel niet. Als je kunt aangeven dat bijvoorbeeld het instrument ‘Work First’ is te vergelijken met de spin- en rasphuizen van enkele eeuwen eerder, dan bied je perspectief. Bij beiden staat werken voor je geld (of eten) centraal. Goede kennis van de geschiedenis helpt je om de huidige waan van de dag te relativeren en in perspectief te plaatsen. Van de brede algemene kennis die je via een studie geschiedenis opdoet, heb je een leven lang profijt ook al is het niet je dagelijkse werk. 

Alhoewel niet. Op een andere manier heeft mijn werk juist alles te maken met de studie geschiedenis. Als historicus leer je op basis van een vraag- of probleemstelling onderzoek te doen, informatie te verzamelen. Informatie die je vervolgens ordent en op een logische wijze op schrift presenteert. Dat zijn precies die vaardigheden die je ook als  beleidsadviseur nodig hebt. Trouwens, niet alleen als beleidsadviseur. Als je wilt, loop eens een paar dagen of een weekje met mij mee.

Er zijn nog meer redenen om je hart te volgen en niet met je hoofd, en met het oog op de toekomstige portemonnee, voor bijvoorbeeld bedrijfskunde te kiezen. In mijn werk kom ik mensen tegen met qua studie zeer veel verschillende achtergronden. Voor de meeste werkgevers is de precieze studie die je hebt gevolg niet van belang. Voor werkgevers is het opleidingsniveau van belang. Dan kun je maar beter iets studeren waar je echt plezier in hebt. Belangrijker, hoe saai zou een wereld zijn met alleen maar economen, bedrijfskundigen, juristen en andere ‘goed betalende’ beroepen?  

Mijn advies: volg je hart en zoek daarna werk en een werkomgeving waar je je prettig voelt en wordt gewaardeerd. Dat zoeken naar die werkomgeving kan jaren duren. Voordat ik mijn plek vond, heb ik in de tuinbouw gewerkt, voor een boekhandel en een veiling in groenten en fruit. Door al die ervaringen heb ik geleerd waar ik blij van word en waarvan zeker niet. En als je toch een link met economie wilt, ook de studie geschiedenis biedt mogelijkheden om iets met economie te doen.

Verleden, heden en toekomst

In 1940 ontdekten enkele Franse jongelui per toeval een grot. Op de muren van die grot zagen zij schilderingen van dieren. Die schilderingen bleken tussen de 10.000 en 15.000 jaar oud te zijn. Sindsdien is Lascaux een bekende naam. De schilderingen vertellen ons iets over het leven van onze voorouders. Iets, maar niet veel. Hoe die voorouders precies leefden, waarom ze deze schilderingen maakten? We kunnen er alleen maar naar gissen. Het ontbreekt ons aan gegevens, aan data. Wat we ervan weten zijn interpretaties. Interpretaties gebaseerd op dergelijke  schilderingen, op botten, op resten van ander gebruiksvoorwerpen en op het bestuderen ‘primitieve’ volkeren. 

Dit staat in schril contrast met onze huidige werkelijkheid. Onze (digitale) datastroom groeit fors. Al die data worden opgeslagen in enorme data centra. Data centra die enorm veel stroom verbruiken. In die ‘digitale omgeving’ worden enorm veel teksten, geluid en beelden opgeslagen. Voor een historicus in het jaar 2800 zou het daarmee erg makkelijk moeten zijn om een beeld te schetsen van het leven in de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw. Duik in ‘de cloud’ en je ziet het huidige leven voorbij trekken.  Alhoewel. Op Facebook en soortgelijke sites leukt eenieder zijn leven op. Bekijk je de journaals dan zie je de uitzonderingen, de afwijkingen. Nieuws is immers dat wat afwijkt van het gebruikelijke. 

Mijn verre nazaat-historicus kon echter nog wel eens ander probleem hebben. Daar waar over onze verre voorvaderen heel weinig informatie hebben, zou het kunnen dat wij onze nazaten wel eens teveel informatie nalaten. Te weinig informatie is een probleem. Echter wel een probleem dat we kunnen aanpakken met verbeeldingskracht.  Maar hoe pak je het probleem van ‘teveel’ informatie aan? Welke informatie is relevant en welke niet? Hoe bepaalt de toekomstige historicus welke versie van de huidige werkelijkheid, werkelijk is?

Maar wellicht heeft die toekomstige historicus wel een heel ander probleem. Een probleem dat goed wordt beschreven in de thriller De Tweede Slaap van Robert Harris. Een boek dat ik op aanraden van een goede vriend las. Het boek speelt zich af in het jaar 1468. Dat lijkt het verleden maar al lezend blijkt het de toekomst te zijn en wel zo ongeveer het jaar 2800. Een toekomst die verdacht veel lijkt op het verleden. De toekomstige historicus in het boek is Nicholas Shadwell.

Shadwell staat voor heel andere problemen dan ik hierboven heb geschetst. Het jaar 1468 in het boek is een combinatie van de achttiende eeuw en de Middeleeuwen. Shadwell heeft te maken met de kerk die het vergaren van kennis als ketters bestempeld. De persoon Shadwell laat zien dat niet iedereen zich hieraan houdt. Maar vooral heeft hij te kampen met een gebrek aan informatie over onze tijd. Wat er is gebeurd in het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw is niet duidelijk. In een brief uit 2022 die Shadwell heeft gevonden, bij zijn (letterlijke) graafwerk, worden zes mogelijke scenario’s genoemd. Wat er uiteindelijk is gebeurd wordt niet duidelijk. Wel is duidelijk dat zeer veel verloren is gegaan.

De brief maakt duidelijk hoe een van die gebeurtenissen tot het terugvallen naar de Middeleeuwen heeft kunnen leiden. “We zijn van mening dat onze samenleving een dermate geavanceerde technologie heeft ontwikkeld dat ze kwetsbaarder is voor totale instorting dan ooit te voren. … Zo zou een langdurige algehele verstoring van het functioneren van computernetwerken – vooral in steden – al binnen 24 uur tot voedsel- en brandstoftekorten leiden. Deze tekorten zouden gepaard gaan van een dramatische inkrimping van de beschikbare geldhoeveelheid (als gevolg van het uitvallen van alle geldautomaten en alle creditcardtransacties en online bankieren), het instorten van diverse communicatiemiddelen en IT-netwerken, het bezwijken van alle transportsystemen, hamstergedrag, een massale uittocht uit de steden en grootschalige onlusten. … Wij vrezen dat een aanvankelijk instorting zich exponentieel zou kunnen verbreiden, en wel met zo’n snelheid dat geen enkele officiële respons ertegen opgewassen zou kunnen zijn.”

Of Harris een realistische scenario schetst? Dat kennis verloren kan gaan, staat buiten kijf en laat de geschiedenis ons zien. Neem de schilderingen in de grotten van Lascaux waarmee ik begon en waarvan we niet weten waarom ze werden gemaakt. Maar ook de piramides in Egypte waarvan we nog steeds niet precies weten hoe ze werden gebouwd. Dat we in onze huidige samenleving in hoge mate afhankelijk zijn van technologie en van elkaar, staat buiten kijf. Nederland mag dan bijna ‘wereldkampioen’ voedselexport zijn, hoeveel mensen weten hoe ze aardappels moeten telen? Wie kan er nog navigeren op de sterren? Waar vind je de kennis behalve op het internet? In boeken. Alleen wie heeft er de juiste boeken en waar vind je die? Boeken branden trouwen ook goed en vuur is best lekker als je het koud hebt. De regering Den Haag? Die zit, nadat de benzine tank leeg is, ineens weer een dag of vijf gaans van Venlo. Bovendien hebben al die ambtenaren het veel te druk om zelf te overleven. De politie en het leger? Hoe communiceer je ermee na die eerste tank benzine? En dan vergeten we maar even de mogelijkheid dat de regeringsleden zich ook elders dan in Den Haag kunnen bevinden.

Nee, dan geef ik de ‘primitieve volkeren’ een veel betere kans om te overleven. Die mogen dan, zoals de Van Dale primitief definieert: “behoren tot het vroegste stadium van een ontwikkeling,” en: “technisch weinig ontwikkeld zijn.” Ze zijn zeker niet: “gebrekkig, onbeholpen,” de tweede betekenis van primitief. Sterker, ze hebben waarschijnlijk precies die kennis die nodig is om in een dergelijke situatie te overleven.  

Even terzijde. Ik denk dat ik mijn Prikkers toch ook maar eens uitprint op lang houdbaar papier en ze luchtdicht in plastic verpakt in een glazen kist ergens begraaf. Dan heeft die historicus in 2800 toch nog iets. 

Historische bijziendheid

Het einde van een jaar is voor veel ‘meningenmensen’ een moment om terug of vooruit te blikken. Nu eindigt er een decennium en is die verleiding nog groter. Eigenlijk loopt er geen decennium af, dat gebeurt pas aan het einde van 2020. We begonnen immers te tellen bij het jaar één en dan eindigt een decennium met een jaar met een nul aan het einde. Dit even terzijde. Bij Elsevier maakt columnist Afshin Ellian ook van de gelegenheid gebruik. Hij blikt terug op de eerste twee decennia van deze eeuw. Een terugblik met een bijzondere kijk op de geschiedenis. 

Bron: Wikipedia

“Het eerste decennium van deze eeuw verliep gewelddadig. Het terroristische geweld werd naar het westen gebracht.” Inderdaad was het eerste decennium niet vrij van geweld. Als we de geschiedenis van de mensheid bekijken, dan was er waarschijnlijk nog geen enkel decennium dat geweldloos verliep. Of het eerste decennium van de 21ste eeuw gewelddadiger was dan andere, daar valt het nodige over te zeggen. Daar kom ik later op terug. Nu eerst de tweede zin, het terroristische geweld dat naar het Westen werd gebracht. Bijzonder omdat terrorisme, zoals ik een Prikker van bijna een jaar geleden al schreef, de naam ontleent aan een periode uit Franse revolutie. Een periode met de naam la Terreur. In die Prikker beschreef ik de bijzondere omkering van het begrip terreur en terrorisme.  Van de staat als dader naar de staat als slachtoffer.

Sindsdien heeft terreur en terrorisme Europa en het Westen nooit verlaten. Zo vreest men dat het terroristische geweld  in Noord-Ierland na de Brexit weer hervat kan worden. Dat de tijden van The Troubles weer terugkeren.  In Spanje ligt het terrorisme van de ETA nog vers in het geheugen. Net als de RAF in Duitsland de Rode Brigades in Italië. Vanuit het Westen vond het terrorisme zijn weg naar de rest van de wereld. Al zal er ook in de rest van de wereld, net als in het Westen, wel terrorisme avant la Lettre zijn geweest. In eerste instantie vooral als verzet tegen de koloniale overheersing door het Westen. De strijders voor onafhankelijkheid kregen het stempel ‘terrorist’ opgeplakt. De neiging om iedereen die tegen het leiderschap van een land is ‘terrorist’ te noemen, bestaat nog steeds. Onder andere Erdogan, Poetin en Xi Jinping maken er nog graag gebruik van. 

Nee ‘terroristisch geweld’ werd niet naar het Westen gebracht. Wat er wel gebeurde is dat door fundamentalistische islamitische stromingen geïnspireerde ‘fanatici’ als een soort moderne ‘Zeloten’ geweld gingen gebruiken in hun strijd tegen ‘ongelovigen’ en om een islamitisch Kalifaat te stichtingen. Voor degenen die nog nooit van Zeloten hebben gehoord. Zeloot betekent ‘ijveraar’ en zo noemde zich een groep joden die geen ander gezag dan het goddelijke erkenden. De Zeloten verzetten zich met alle middelen tegen de Romeinse overheersing. Wat dat betreft staan de islamitische fanatici in een lange traditie.

Ellian vervolgt: “De aanslagen van 9/11 en wat daarop volgde, leidde tot twee grote oorlogen: Afghanistan en Irak. In beide landen is het niet gelukt om vrede en veiligheid te brengen.” Deze woorden suggereren dat de invallen in de beide landen tot doel hadden om vrede en veiligheid te brengen. Als dit de bedoeling was, dan zou je kunnen concluderen dat het gebruikte middel, de oorlog, de situatie zelfs flink heeft verslechterd. Nee, die oorlogen hadden geheel andere doelen. Doelen die heel weinig te maken hadden met vrede en veiligheid voor de Afghanen en Irakezen. In Afghanistan draaide het om Bin Laden. Die moest en zou koste wat het kost worden gepakt. De aanslagen van 11 september moesten worden vergolden en de Taliban liepen daarbij ‘in de weg’. Over wat er daarna zou moeten gebeuren, werd helemaal niet nagedacht. Dat gebeurde ook niet in het geval Irak. Daar moest Saddam weg. De jonge Bush wilde afmaken wat zijn vader had laten liggen. Omdat er geen aanleiding voor was, werd die gecreëerd. Hiervoor werd een verhaal ondersteund met vage beelden gefabuleerd dat wereld en vooral de Amerikaans bevolking moet overtuigen. Nee, nadenken over ‘na de oorlog’ gebeurde niet. De Amerikaanse troepen zouden immers makkelijk zegevieren en daarna zou als vanzelf een ‘liberale democratie’ uitbreken. Tenminste volgens het absurde neoconservatieve geloof van de regering Bush.

Bron: WikimediaCommons

Ellian gaat verder: “Wat niemand in het eerste decennium van deze eeuw voor mogelijk hield, dreigt nu werkelijkheid te worden: de rechtstreekse onderhandelingen tussen de politieke islam (Taliban) en het Westen. Wellicht komt er binnenkort nog een sharia-regime bij, wanneer Afghanistan met de instemming van het Westen aan terreurbeweging Taliban wordt overgedragen.” Nu waren de Taliban al eens aan de macht. Namelijk voordat de Amerikanen binnenvielen. Al vanaf 1996 regeerden ze in Afghanistan op een klein gebied in het Noorden van het land na. De Taliban maakten een einde aan de oorlogen die woedde tussen verschillende stammen die sinds het vertrek van Sovjets in 1989. Het streng islamitische karakter van de Taliban was ook toen al wijd en zijd bekend. Nee, de machtsovername door de Taliban in 1996 was hooguit goed voor een klein berichtje op pagina zes van die krant. Het Westen, de Verenigde Staten voorop, stemde niet expliciet in maar deed er ook niets aan om te voorkomen dat de Taliban aan de macht kwamen. Zelfs niet toen ze in maart 2001 de twee grote in steen uitgehouwen Boeddhabeelden van Bamyan vernietigden. De Verenigde Staten hadden na het vertrek van de Sovjets haar belangstelling voor het land verloren. Nee, het Westen had het  land allang ‘overgelaten aan terreurbeweging Taliban’. Wellicht was het in 2001 verstandiger geweest om te onderhandelen over de uitlevering van Bin Laden. Toen, in dat onderhandelingsproces, had het ‘Westen’ misschien nog iets voor de Afghanen kunnen betekenen. Nu staan de Taliban sterk in de onderhandelingen omdat het Westen niet de tijd, het geld en de wil heeft om er iets van te maken. Er wordt onderhandeld om van ‘het probleem’ af te komen.

Iets verderop in zijn betoog schrijft Ellian: “Het tweede decennium werd een bloedbad: de opkomst en bloei van Islamitische Staat (IS), de reorganisatie van Al-Qa’ida en aanverwante groepen liet ook een spoor van dood en verderf achter op straten van Europa: Parijs, Nice, Berlijn, Londen enzovoort. Wat een bloedbad, wat een slachting!” En daarmee kom ik terug op de ‘gewelddadigheid’ van decennia. Inderdaad dood en verderf in Europese steden. Als we het tweede decennium van vorige, de twintigste, eeuw nemen, dan zien we pas echt een bloedbad. Dat was het decennium van de zinloze slachtingen van de Eerste Wereldoorlog. Een oorlog waarvan al met Kerst in 1914 duidelijk was dat geen van de partijen hem op het slagveld zou kunnen winnen. Dat weerhield de betrokken landen echter niet om er nog drie jaar en miljoenen doden aan vast te plakken waardoor het aantal doden op zo’n 17 miljoen uitkwam. Qua bloedbad waren er echter nog ergere decennia in diezelfde eeuw. Neem het vierde decennium, de jaren dertig van de vorige eeuw. Het decennium van de tweede Japans-Chinese oorlog met tussen de 20 en 30 miljoen doden. Die vallen weer in het niet bij de 75 miljoen doden die een decennium later, tijdens de Tweede Wereldoorlog, vielen. Daarna werd het wat vreedzamer, maar toch nog steeds minstens zo bloedig als het nu aflopende decennium. Bij de oorlogen in de twintigste eeuw vallen oorlogen in Afghanistan en Irak in het niet.

De slag bij Borodino. Bron: Wikipedia

De twintigste eeuw stond daarin trouwens niet alleen. In de negentiende eeuw was het niet veel minder wreed en bloedig. Neem bijvoorbeeld het tweede decennium van die eeuw. Napoleon trok toen moest zijn Grande Armée door Europa en probeer Rusland te verslaan. In die eeuw vielen in China ook zo’n 12 miljoen slachtoffers in de Dungan Opstand en nog eens 20 miljoen in de Taiping Rebellie. In de jaren zestig van die eeuw werd de Amerikaanse burgeroorlog uitgevochten en in die gehele eeuw werden de Noord-Amerikaanse indianenvolken bijna uitgeroeid. Hierbij moeten we ons realiseren dat er in die tijd veel minder mensen op de aarde rondliepen.

Zo kunnen we doorgaan en verder de geschiedenis van de mensheid induiken. Dan kunnen we constateren dat die geschiedenis gewelddadig en bloederig was en dat de laatste twee decennia waarschijnlijk tot de minst bloederige en gewelddadige behoren. Maar ja, aangezien wij nu leven, lijkt alles wat er nu gebeurt altijd net iets groter, en belangrijker dan wat er vroeger is gebeurd. Wat dat betreft lijkt Ellian en met hem de gemiddelde mens op de Amerikaanse president Trump. Die plakt ook voor alle woorden als ‘greatest’ en ‘best’. De mens lijdt aan ‘historische bijziendheid’.