Zonder vrede geen veiligheid

‘Dan maken de kleinkinderen van Khalidi het einde van die oorlog niet mee’, dacht ik bij het lezen van een artikel van de directeur van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël (CIDI) Naomi Mestrum in Trouw. Rashid Khalidi draagt zijn boek De honderdjarige oorlog tegen Palestina. Een geschiedenis van kolonialisme en verzet uit 2020 op aan zijn: “kleinkinderen Tariq, Idris en Nur, die allemaal in de eenentwintigste eeuw geboren zijn en hopelijk het einde van deze honderdjarige oorlog zullen meemaken.”  Volgens Mestrum is, en daarmee sluit ze haar betoog af: “Een vredesproces in het Midden-Oosten (…) momenteel onhaalbaar, maar een veiligheidsproces is een must. De ambities van Iran en zijn bondgenoten stoppen namelijk niet bij de Middellandse Zee. De veiligheidssituatie in het Midden-Oosten gaat ons allemaal aan. Het is tijd dat dat besef leidend wordt in het westerse buitenlandbeleid.”  Mestrum legt het probleem bij anderen en dat is wat de Israëlische regering en haar voorlopers al meer dan 100 jaar doen. Anderen staan een oplossing in de weg want die vormen een acute bedreiging voor de staat Israël. Klopt dat?

Eigen foto

De jure ontstond die staat in 1948 toen Israël haar onafhankelijkheid verklaarde enkele uren voordat mandaathouder Groot Brittannië zich zou terugtrekken. Die onafhankelijkheid werd al snel door veel landen, de Verenigde Staten en de Sovjet Unie voorop, erkend. De facto ontstond die staat al eerder. In 1920 gaf de Volkenbond Palestina in mandaat aan de Britten. Het Britse mandaatverdrag voor Palestina bevatte in de preambule de volgende passage: “Overwegende dat de belangrijkste geallieerde mogendheden eveneens zijn overeengekomen dat het Mandaat verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van de verklaring die oorspronkelijk op 2 november 1917 door de regering van Zijne Britse Majesteit is afgelegd en door voornoemde mogendheden is aangenomen ten gunste van de vestiging in Palestina van een nationaal tehuis voor het joodse volk, met dien verstande dat niets mag worden ondernomen dat afbreuk zou kunnen doen aan de burgerlijke en godsdienstige rechten van bestaande niet-joodse gemeenschappen in Palestina of aan de rechten en de politieke status die de Joden in enig ander land genieten.”  Hoe dat moest, regelde artikel 3: “Voor zover de omstandigheden zulks toelaten, moedigt het Mandaat de plaatselijke autonomie aan.”  Het vierde artikel regelde dit verder: “Een geschikt joods bureau wordt erkend als openbaar lichaam met het doel het bestuur van Palestina te adviseren en met dit bestuur samen te werken in economische, sociale en andere aangelegenheden die van invloed kunnen zijn op de vestiging van het joodse nationale tehuis en de belangen van de joodse bevolking in Palestina, en, steeds onder toezicht van het bestuur, bijstand te verlenen en deel te nemen aan de ontwikkeling van het land. De Zionistische Organisatie wordt, zolang haar organisatie en statuten naar de mening van het Mandaathouder passend zijn, als zodanig erkend. Zij zal in overleg met de regering van Zijne Britse Majesteit stappen ondernemen om de medewerking te verkrijgen van alle Joden die bereid zijn te helpen bij de vestiging van het Joodse nationale tehuis.”  Er moest een joods nationaal tehuis komen. Een joodse staat waar joden zichzelf bestuurden en ook de andere inwoners zouden moeten besturen. Hiermee kregen de Joodse kolonisten in Palestina zelfbestuur.

Khalidi ziet dit op de Balfour verklaring geënt verdrag als een oorlogsverklaring aan de Palestijnen: “Veelzeggend was dat de overgrote Arabische meerderheid van de bevolking (rond de 94% in die tijd) door Balfour niet werd genoemd, behalve op een indirecte manier als de ‘bestaande niet joodse gemeenschappen in Palestina’. Ze werden omschreven als wat ze niet waren, en zeker niet als een natie of een volk – de woorden ‘Palestijn’ of ‘Arabier’ komen in de zevenenzestig woorden tellende verklaring niet voor. De overgrote meerderheid van de bevolking werd alleen ‘burgerlijke en religieuze rechten’ beloofd, geen politieke of nationale rechten. Bij wijze van contrast kende Balfour nationale rechten toe aan ‘het joodse volk, zoals hij het noemde, dat in 1917 een kleine minderheid – 6 procent van de inwoners van het land vormde.[1]  Het verdrag bevatte geen soortgelijk artikel dat de overgrote meerderheid van de bevolking, de Palestijnen, eigen bestuur in het vooruitzicht stelde. Die 94% moesten het doen met de ‘garantie’ van artikel 6 dat stelde: “Het bestuur van Palestina zal, zonder afbreuk te doen aan de rechten en de positie van andere bevolkingsgroepen, de immigratie van joden onder passende voorwaarden vergemakkelijken en, in samenwerking met het in artikel 4 bedoelde joodse agentschap, nauwe vestiging van joden op het land aanmoedigen, met inbegrip van staatsgronden en braakliggende gronden die niet nodig zijn voor openbare doeleinden.”

Dit mandaatverdrag plaatste het joodse deel van de bevolking in het voordeel. Vanaf het moment dat de Britten Palestina in 1918 veroverden op het Ottomaanse Rijk, konden de joodse kolonisten rekenen op de militaire macht van het machtige Britse rijk en vormden zij de bovenliggende partij. De joodse kolonisten kregen een eigen bestuur met politie en naarmate de tijd vorderde ook een eigen in de jaren dertig door de Britten bewapend en getrainde paramilitairen, de Haganah. Voor de Palestijnen was dat niet weggelegd. Zij werden bestuurd door de Britten. Britten die, in geval van een conflict tussen joodse kolonisten en autochtone Palestijnen de kant van de kolonisten kozen en die daarbij de hulp van de kolonisten inschakelden.  In 1936 organiseerde een arabische groep een algemene staking in Jaffa en Nabloes met drie eisen: stopzetting van de joodse migratie, een verbod op de verkoop van gronden aan joden en de instelling van een representatieve regering. Die staking liep uit in gewelddadigheden en een opstand  toen de Britse politie het vuur opende op de protesterende Arabieren.  Dit groeide uit tot een Palestijnse opstand die drie jaar duurde. Bij het neerslaan van die opstand maakten de Britten gebruik van de door hen getrainde Haganah. De manier waarop Israël nu in Gaza en eigenlijk al jaren tegen de Palestijnen optreedt, is een voorzetting van de manier waarop de Britten met verzet en dan vooral van Arabische kant, in Palestina omgingen, namelijk het collectief straffen. Collectief straffen door het opleggen van boetes, het in bezit nemen van vee, het vernielen van huizen en soms hele dorpen en het detineren van groepen in concentratiekampen, die vervolgens de kans liepen om gemarteld en gedood te worden. Zo werden na de Arabische opstand onder andere 5.000 huizen vernietigend, 150 Arabische leiders ter dood veroordeeld en andere leiders verbannen. Resultaat van de opstand was dat de Arabieren zonder leiders zaten en door de Britten werden ontwapend. Dit terwijl de Britten  veiligheidsafspraken maakten met het joodse leiderschap, dit van wapens voorzag en een deel van de kosten ervan voor haar rekening nam. En net zoals  nu was een veelvoud van de doden en gewonden Arabier. Nog geen 600 doden aan Britse en joodse kant tegen ongeveer 5.000 aan arabische kant.

Ook in de strijd die uitbrak na de uitroeping van de onafhankelijkheid in 1948, waren de Israëliërs vanaf het begin de bovenliggende partij. De Palestijnen waren na de hierboven genoemde opstand ontwapend en onthoofd terwijl de kolonisten versterkt uit de oorlog kwamen. Daar komt bij dat: “Ondanks het breed levend beeld van het Israëlische leger dat in het niet viel bij de zeven binnenvallende legers, weten we dat Israël in 1948 in werkelijkheid meer manschappen en meer wapens had dan zijn tegenstanders. Er waren in 1948 maar vijf reguliere Arabische militaire machten op de been, aangezien Saudi-Arabië en Jemen geen noemenswaardig leger hadden. Vier van die legers trokken het Mandaat Palestina binnen (het minuscule Libanese leger is nooit de grens over gegaan) en twee daarvan, het Arabische Legioen van Jordanië en de Irakese strijdkrachten, hadden van hun Britse bondgenoten het verbod gekregen om de grenzen van de gebieden die door de opdeling aan de joodse staat waren toegewezen, te overschrijden en voerden dan ook geen invasie in Israël uit.[2]En wat in 1948 opging, ging op in 1956, 1967, 1972, 1982 en gaat nu nog steeds op. Israël is dé macht in het Midden-Oosten. De macht, met nucleaire slagkracht die naar goeddunken en sinds 1967 steeds met goedkeuring van de Verenigde Staten oorlogen heeft uitgevochten met, en bombardementen heeft uitgevoerd op Egypte, Libanon, Syrië, Irak en Iran. Het bestaan van Israël is nooit bedreigd. Zeker niet op 7 oktober 2023. Israël was en is de bovenliggende partij die zich bovendien door dik en dun gesteund weet door de sterkste militaire en economische macht van de wereld, de Verenigde Staten.

De titel Honderdjarige oorlog tegen Palestina is een accurate omschrijving van wat er de afgelopen eeuw in Palestina is gebeurd. Khalidi beschrijft die 100 jaar aan de hand van zes oorlogsverklaringen. Hij is daarbij hard voor Israël en vooral voor eerst de Britten en later de Amerikanen die zich als machtigste mogendheden in hun tijd voor het eerst zionistische en later Israëlische karretje lieten en laten spannen en blind waren voor de Palestijnen. Met als meest pregnante voorbeeld het presidentschap van Donald Trump die na het erkennen van  Jeruzalem als hoofdstad van Israël tegen de Israëlische premier Netanyahu zei: “We hebben Jeruzalem nu van tafel gehaald , dus daar hoeven we niet meer over te praten. Je hebt nu je punt gewonnen en je zult wat punten moeten toegeven later in de onderhandelingen, als die er ooit komen. Ik weet niet of die er ooit komen.” Hiermee, zo betoogt Khalidi: “werd het centrum van de geschiedenis, identiteit, cultuur en religievan de Palestijnen kortweg afgedaan, zonder zelfs de pretentie dat er naar hun wensen werd gevraagd.[3]

Hij is echter net zo hard voor het leiderschap van de Palestijnen door de jaren heen. Dat had en heeft zich onvoldoende verdiept in het Westen in het algemeen en in de Verenigde Staten in het bijzonder. Khalidi”: “Toch lijkt de huidige, gespleten Palestijnse leiding geen beter inzicht te hebben in de finesses van de Amerikaanse samenleving en politiek te hebben dan de vroegere leiders.. De leden ervan hebben geen idee hoe ze de Amerikaanse publieke opinie moeten bespelen en hebben daar ook geen serieuze poging toe gedaan. Door dit gebrek aan kennis over het complexe Amerikaanse politieke stelsel konden ze geen bestendig programma opstellen om potentieel gunstig gestemde elementen van de burgermaatschappij aan te spreken.” Dit in tegenstelling tot: “Israël en zijn aanhangers (die) in de Verenigde Staten grote hoeveelheden geld uitgeven om hun zaak in de publieke arena te bepleiten, ook al hebben ze daar al een overheersende positie.[4] Dit leidde tot foute inschattingen die de Palestijnse zaak geen goed deden. In het boek geeft Khalidi hier veel voorbeelden van. Tot die fouten behoort, zo betoogt hij met goede argumenten, ook het sluiten van het akkoord van Oslo in 1993.

Terug naar Mestrum en het ‘veiligheidsproces’ dat nodig zou zijn. Als er in de nu al honderdjarige oorlog tegen Palestina iets nodig is, dan is het een vredesproces. Het door Mestrum gewenste ‘veiligheidsproces’ staat al honderd jaar centraal en maakt dat een einde aan de oorlog niet in beeld komt. Door te hameren op dat ‘veiligheidsproces’ zorgt Israël,  eerst gesteund door de Britten en nu door de Verenigde Staten en trouwens ook Nederland, er al honderd jaar voor dat het niet gaat over waar het eigenlijk over moet gaan. Dat veiligheidsproces levert steeds een nieuwe ‘vijand’ op die een existentiële bedreiging vormt voor Israël. Tussen 1948 en eind jaren tachtig waren dat de Arabische landen Egypte, Jordanië, Syrië en Irak. Waarbij er steeds eentje afviel. Sinds die tijd is het Iran en de door dat land gesteunde ‘terroristische organisaties’. Aan dat ‘veiligheidsproces’ zal nooit een einde komen zolang Israël het eigenlijke probleem negeert, en dat is dat er in wat voor 1948 het mandaatgebied Palestina was, ongeveer 14,3 miljoen mensen wonen. De helft van die inwoners identificeert zich als joods en behorend tot het joodse volk, de andere helft als Palestijns en behorend tot het Palestijnse volk. Het probleem is, en dat is het al honderd jaar, dat het Israëlische deel doet alsof het Palestijnse deel, het Palestijnse volk, niet bestaat. Vanaf het begin hebben de zionistische kolonisten hun eigen, parallelle samenleving opgericht. Een parallelle samenleving die steeds meer ruimte innam, zowel geografisch als psychologisch, en die zich niets gelegen liet liggen aan de Palestijnen.  En niet bestaan, betekent dat ze ook geen rechten hebben. Zelfs geen ‘burgerlijke en godsdienstige rechten’ die de Balfour verklaring en het Mandaatverdrag hen nog wel toekende. Zolang hier geen verandering in komt, zullen Palestijnen blijven opstaan en zich verzetten tegen het onrecht wat hen wordt aangedaan. Verzet dat door Israël weer ‘terroristisch’ zal worden genoemd en wordt de spiraal van geweld voortgezet. Want dat is wat er de afgelopen honderd jaar steeds is gebeurd.

Khalidi hoopt dat verandering van: “De mondiale ordening van macht,” ervoor gaat zorgen dat: “de Palestijnen, en ook de Israëliërs en anderen over de hele wereld die vrede en stabiliteit met gerechtigheid in Palestina willen,” voor een andere route gaan zorgen. Om af te sluiten met de woorden: “Alleen zo’n pad, op basis van gelijkheid en gerechtigheid, kan de honderdjarige oorlog tegen Palestina beëindigen met een blijvende vrede, een vrede waarmee de bevrijding komt die het Palestijnse volk verdient.[5]  In tegenstelling tot Mestrums laatste woorden is een veiligheidsproces in  het Midden-Oosten momenteel onhaalbaar, maar een vredesproces een must. De ambities van Israël staan dat in de weg. Het is tijd dat dat besef leidend wordt in het westers buitenlandbeleid.


[1] Rashid Khalidi, De honderdjarige oorlog tegen Palestina. Een geschiedenis van kolonialisme en verzet, pagina 39-40

[2] Idem, pagina 105

[3] Idem, 297

[4] Idem, pagina 315

[5] Idem, pagina 319

Agent met hoofddoekje?

“Het is heel treurig dat het onderwerp zo gepolitiseerd is. De link die tegenstanders van de hoofddoek leggen met partijdigheid is onzin. Neutraliteit gaat over gedrag, niet over hoe je eruitziet. Want hoe neutraal waren die agenten eigenlijk, die op de vingers werden getikt vanwege racisme?” Woorden van islamofobie-onderzoeker Ineke van der Valk in een artikel van Ewout Klei bij De Kanttekening. Dat naar aanleiding van het besluit van de gemeente Amsterdam dat een Bevoegd Opsporingsambtenaar (BOA) een hoofddoek of keppeltje mag dragen als die persoon het wil. Een bijzondere uitspraak en een bijzondere discussie.

Van der Valk is een van de drie personen die in Klei’s artikel aan het woord komen. De anderen zijn socioloog Hans de Vries, die tegen het dragen van hoofddoeken en keppeltjes is. De Vries: “Geloof is een individuele keuze. Ik ben een atheïst en een pacifist. Maar ik leg mijn opvattingen niet aan anderen op. Dat doe je wel als je statements maakt, zoals het dragen van een kruisje of een tulband, het verwerken van het vredesymbool in je handtekening of het dragen van een hoofddoek. Dit mag je doen trouwens, maar niet namens de overheid.”  En jurist en arabist Maurits Berger die, net als Van der Valk, het een goede zaak vindt dat hoofdoeken en keppeltjes gedragen mogen worden door BOA’s en die zouden willen dat ook politieagenten ze mogen dragen. Berger: “Neutraliteit als leuze is betekenisloos. Het moet gaan om ons vertrouwen in geüniformeerde dienst. Kun je professioneel zijn als je gelovig bent?”  

Wat opvalt is dat De Vries en Berger het allebei over neutraliteit hebben maar niet over hetzelfde onderwerp. De Vries heeft het over de neutraliteit van de overheid en de politie als onderdeel van die overheid. Berger heeft het over de neutraliteit van de individuele agent.

De platte politiepet, die tegenwoordig nog maar zelden wordt gedragen, straalt niets anders uit dan het ‘lidmaatschap’ van de politie en dus de overheid. Die pet zegt niets over de agent als persoon. Wat jij als persoon denkt en vindt is voor je werk als agent en voor de burgers met wie je in aanraking komt, niet van belang. Voor die burgers is alleen van belang dat de agent de overheid vertegenwoordigd.

Met een hoofdoek, keppeltje, tulband en het vergiet van pastafari ligt dat anders. Die zeggen iets over de persoon die het draagt. Dat is informatie die voor het uitvoeren van de functie en voor de burger waarmee de agent te maken heeft, niet van belang is. Om het in moderne termen te zeggen: de identiteit van de persoon in het uniform doet er niet toe. Of het een man of vrouw is, welke huidskleur die persoon heeft, welk geloof die persoon aanhangt, op welke partij die persoon heeft gestemd, wat de gezinssamenstelling is van het gezin van de agent is voor het uitoefenen van de functie agent en voor de burgers waarmee de agent te maken krijgt, niet van belang. Dat is ook precies de reden waarom er voor de uitoefening van die functie, voor een uniform is gekozen. Door het dragen van hoofddoeken, keppeltjes, tulbanden maar ook het zichtbaar dragen van andere uitingen van geloof of overtuiging, wordt de identiteit van de persoon in het uniform benadrukt en die doet er nu juist niet toe.

Het antwoord op de vraag van Berger of je iemand in uniform kunt vertrouwen die gelovig is, is ja. Bij het politiewerk gaat het er niet om wat de agent denkt, maar wat de agent doet. Racistische uitingen van agenten in appgroepjes zijn verwerpelijk en vragen om een reactie maar hoeven niet te betekenen dat de agenten die zich eraan schuldig hebben gemaakt, niet neutraal kunnen optreden. Volgens Berger mag de politie wel grenzen stellen aan haarkleur, piercings en tatoeage: “Dat heeft met decorum te maken. Ik kan dat begrijpen, al vind ik dat soort uiterlijkheden  persoonlijk geen probleem. Ook agenten met piercings of tatoeages kunnen professioneel hun werk doen.” Bij de tatoeage moest ik denken aan Once were Warriors een Nieuw-Zeelandse film uit de jaren negentig. Een film over het leven van de Maori familie Heke en hun problemen rondom armoede, alcoholisme en huiselijk geweld, met name veroorzaakt door de vader, Jake gespeeld door Temuera Morrison. Na de begrafenis van dochter Grace, die zelfmoord heeft gepleegd na te zijn verkracht door Jakes vriend ‘Uncle Bully’, treffen de zoons Nig en Boogie elkaar na lange tijd weer. Nig is lid geworden van een groep Maori jongeren en moest daarvoor tā moko op zijn gezicht laten tatoeëren. Boogie is uithuisgeplaatst en maakt in het internaat kennis met de oude Maori gebruiken en leert die steeds meer te waarderen. Als Nig aan Boogie vraagt of het geen tijd is voor een tā moko antwoord Boogie met de woorden: “I wear my scars within.”  Ik moest hieraan denken omdat die tā moko voor een Maori als Nig veel meer is dan ‘een tatoeage’ en dus decorum, “de gepaste vorm”, aldus de Van Dale. Het is onderdeel van de Maori cultuur en traditie. Nu zullen er weinig Maori’s in Nederland rondlopen, maar toch. Als je via een keppeltje en hoofddoek een deel van je identiteit mag uiten als agent, dan moet een tā moko ook kunnen. En als een tā moko moet kunnen, dan moet iedere tatoeage, piercing en zelfs een blauwe haarkleur kunnen. Dat is immers ook een uiting van iemands identiteit. Dan zou zelfs in het meest extreme geval een hakenkruis moeten kunnen. Zo’n uiting betekent immers niet dat iemand niet neutraal zijn werk kan doen.

Het gaat daarmee niet om hoofdoek of keppeltje maar om alles of niets. Dan toch liever de neutraliteit waar Hans de Vries voor pleit.

Inclusieve verdeeldheid

“Withuis’ definitie van feminisme is die van een witte en gesettelde vrouw.”  Zo lees ik een artikel van Saida Derrazi en Mona Hegazy bij de site Sociale Vraagstukken. Een bijzonder artikel met als titel Repliek op wit feministisch denken van Jolande Withuis. Met zo’n kop trek je mijn aandacht. Zeker als met daaronder de volgende opening: “Socioloog Jolande Withuis slaat de plank mis met haar kritiek op het moderne feminisme en intersectionaliteit. Saida Derrazi en Mona Hegazy van het moslimvrouwencollectief S.P.E.A.K bieden weerwoord op Withuis’ eenzijdige, witte perspectief.”  Een bijzonder betoog van de beide auteurs als reactie op een eerder interview met Withuis op dezelfde site.

Volgens Derrazi en Hegazy is: “Een van de kernprincipes van het moderne feminisme (…) gelijkwaardigheid. Met andere woorden: de garantie dat vrouwen dezelfde rechten, vrijheden en kansen hebben als mannen.”  Withuis gaat daaraan voorbij: “als ze weliswaar pleit voor een feminisme dat de biologische verschillen tussen man en vrouw erkent, maar onderscheid op basis ervan afwijst.” Want: “De gelijkheid waar Withuis het over heeft, is iets anders dan gelijkwaardigheid. … In tegenstelling tot het feminisme, zoals door Withuis gedefinieerd, benadrukt het moderne feminisme niet de gelijkheid van groepen, maar hun gelijkwaardigheid.” Nu geeft Withuis in het interview een heel duidelijke definitie van feminisme: “Feminisme is de overtuiging dat het biologische verschil tussen man en vrouw niet tot andere verschillen mag leiden.” Volgens mij betoogt Withuis dat mannen en vrouwen biologisch verschillen en dus ongelijk zijn maar dat ze, ondanks die biologische ongelijkheid gelijkwaardig zijn. Gelijkwaardig omdat man en vrouw allebei mens zijn en dus tot dezelfde soort behoren. Of zoals in het interview is te lezen: “Volgens Withuis moeten we af van het idee dat de seksen collectief wezenlijk verschillende soorten mensen zijn, met andere behoeften, kwaliteiten en karakters.”  Volgens mij is dat precies wat het modern feminisme volgens Derrazi en Hegazy nastreeft.  

Dan de rol van intersectionaliteit. Withuis is fel tegen intersectionalisme, zo lees ik in het interview omdat het: “doet alsof alle onderdrukten één gezamenlijke vijand hebben, het ‘systeem’ , en dus lotgenoten zijn. Dat is niet zo. Tussen al die groepen bestaan grote tegenstellingen. Feminisme betekent niet dat we moeten opkomen voor alle leed in de wereld. Onderdrukte mannen onderdrukken nogal vaak hun vrouwen.” Derrazi en Hegazy zien dat heel anders. Binnen het streven naar gelijkwaardigheid is intersectionaliteit volgens de beide auteur cruciaal omdat: “het ons (helpt) om de complexe interacties tussen verschillende vormen van onderdrukking van de diverse groepen te begrijpen. Vanwege haar inclusieve benadering bevordert ze de solidariteit tussen groepen. Ze houdt namelijk rekening met de verschillende ervaringen van vrouwen in verschillende sociale contexten.” Intersectionaliteit: “helpt om de verschillende vormen van onderdrukking te begrijpen en aan te pakken. Dat betekent dus niet, zoals Withuis abusievelijk concludeert, dat het een uniforme vijandigheid tegen het ‘systeem’ impliceert.”  Ze concluderen vervolgens dat intersectionaliteit: “een waardevol kader om de diversiteit binnen de feministische beweging te garanderen, zodat verschillende ervaringen en identiteiten volmondig worden erkend en gewaardeerd.”

Een waardevol kader, volgens de beide auteurs, omdat het verschillende ervaringen en identiteiten erkent en waardeert. En waarderen doen de beide auteurs de bijdrage van Withuis: “Withuis’ definitie van feminisme is die van een witte en gesettelde vrouw.” Withuis wordt van een label voorzien en aan de kant gezet. Aan de kant gezet niet op grond van argumenten want die zijn, zoals ik hierboven al liet zien, niet aanwezig dan wel flinter dun. Ze wordt aan de kant gezet op basis van het zijn van ‘wit en gesetteld’. Met die waardering van Withuis tonen de beide auteur ongewild het gelijk van Withuis aan dat intersectionaliteit doet alsof: “alle onderdrukten één gezamenlijke vijand hebben, het ‘systeem’”. Want die gezamenlijke vijand staan aan het einde van dat ‘wit en gesetteld zijn. Dat is de, ‘heteroseksuele, cis-gender man met een universitaire opleiding die zoon is van twee eveneens hoger (liefst universitair) opgeleide ouders die ‘witte, gesetteld’ is, de ‘zevenvinker ’van Joris Luyendijk.

Het betoog van Derrazi en Hegazy toont aan wat ik al eerder over intersectionaliteit schreef namelijk dat het energie verspilt aan: “het indelen van mensen in categorieën die ze niet kunnen veranderen en daar vervolgens een belangrijk punt van maken. Kleine stukjes die alle energie op hun eigen eigenheid en problemen richten en zich daarbij afzetten tegen andere kleine stukjes.” Withuis wordt ingedeeld op basis van huidskleur en ’gesetteld’ zijn en dat is alles bepalend. Niet wat ze betoogt. In plaats van: “de solidariteit tussen groepen,” te bevorderen en: “rekening (te houden) met de verschillende ervaringen van vrouwen in verschillende sociale contexten,” zet het groepen tegen elkaar op. In hun betoog maken Derrazi en Hegazy ruzie met iemand die hetzelfde doel nastreeft. Hoe bevordert dat de solidariteit tussen groepen?

Als laatste het antiwesterse van het intersectionele denken. Dit stoort Withuis: “ Als je kijkt naar landen als Afghanistan en Iran – er zijn nog wel een aantal andere landen te noemen wereldwijd – dan kun je toch niet anders concluderen dat vrouwen hier tegenwoordig vrij goed af zijn. Feministen zouden ook in het belang van vrouwen elders de westerse waarden niet moeten afwijzen, maar juist moeten verdedigen.” Derrazi en Hegazy zien: “Gelijkwaardigheid tussen geslachten daarentegen (als) een universeel ideaal dat in verschillende samenlevingen en culturen – ook in islamitische landen – al eeuwen wordt nagestreefd. Gelijkwaardigheid tussen man en vrouw is zelfs in de islamitische leer verankerd.” Waarbij ze vervolgens constateren dat: “De mate waarin dit in de praktijk wordt gebracht, varieert, afhankelijk van culturele, sociale en politieke factoren.” De culturele, sociale en politieke factoren in de westerse samenleving zijn: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Als we naar de rest van de wereld kijken dan blijken juist die westerse waarden de meest vruchtbare voedingsbodem te bieden voor de gelijkwaardigheid tussen de geslachten. In ieder geval veel vruchtbaarder dan het ‘verankerd zijn in de islamitische leer’ van de gelijkheid tussen man en vrouw. Tot dat de praktijk iets anders laat zien lijkt mij die constatering voldoende reden om deze westerse waarden, zoals Withuis betoogt, te verdedigen. Waarmee niet is gezegd dat het westen die idealen al heeft bereikt.

ZUCHT……………..

De titel met hoofdletters en veel punten erachter. En nee, die zucht is niet het gevolg van een kater als gevolg van het vieren van Vastelaovend. Die titel met hoofdletters en veel punten is een gevolg van iets dat ik las op de site De Dagelijkse Standaard. “Massa-immigratie gaat niet over het helpen van mensen, maar over het vernietigen van de nationale identiteit. Ze willen dat iedereen volledig geïsoleerd is en niet verbonden door taal, cultuur, familiebanden of een thuisland waar ze zich thuis voelen.” Aldus Kardinaal Gerhard Müller. Als ik het artikel mag geloven.

De auteur is geen persoon, het is Cultuur onder Vuur . Een, zo is te lezen op hun site“campagne van de Stichting Civitas Christiana.”  Dus dan maar even naar de site van die stichting: “Civitas Christiana vecht voor de overwinning van de christelijke tradities, het gezin en de vrijheid van Nederland. Tegen het oprukkende multiculturalisme, de gender ideologie en de cultuur van de dood.”  Doel van de stichting is: “een halt toe te roepen aan de verdere afbrokkeling van de Nederlandse cultuur en tradities. Wij begrijpen de Nederlandse cultuur in de context van de christelijke beschaving, zoals die in de loop der eeuwen in Europa vorm heeft gekregen. Als fundamentele principes van de Europese cultuur zien wij traditie, familie en privé-eigendom.” Een stichting die zich inzet voor de Nederlandse cultuur en tradities met een Duitse hertog, Paul von Oldenburg als voorzitter en een Braziliaanse penningmeester in de persoon van Caio Xavier Da Silveira. Bijzonder. Tot zover de auteur. Terug naar de uitspraak van die kardinaal.

Ik vraag me dan meteen af wie die ‘ze’ zijn. Die ‘ze’ die tegenover ‘we’ staat al vraag ik me ook meteen af wie dan die ‘we’ is die tegenover die ‘ze’ staat. Het artikel geeft een hint: “De Duitse kardinaal stelt dat veel globalisten geloven dat er “te veel” mensen op aarde zijn, wat “klimaatschade” veroorzaakt.” Die ‘ze’ zijn dus ‘globalisten’ en om: “deze vermeende ‘overbevolking’ tegen te gaan, gebruiken deze machtsgroepen abortus en euthanasie als onderdeel van een ‘uitroeiingsprogramma’. De prominente kardinaal voegt daaraan toe: “En tegelijkertijd wordt iedereen die dit bekritiseert een nazi genoemd door degenen die zelf de moorddadige nazi-ideologie van ‘macht maakt macht’ voorstaan.” Volgens de kardinaal vloeit: “het lage respect voor het menselijk leven (…) voort uit de filosofische positie van het materialisme van globalisten. Je moet kijken naar de Frans-Roemeense filosoof Emil Cioran, die in zijn boek Le Mauvais demiurge de meest meedogenloze haat tegen de schepping en de goedheid van God propageert en het slangengif van het nihilisme van alle jakobijnse, communistische, fascistische en woke ‘elites’ van de afgelopen twee eeuwen uitspuwt.”  Het artikel sluit af met: “Müller stelt ook dat klimaatverandering en de ‘groene” beweging worden gebruikt als een ‘vervangende religie’ die velen aanhangen ‘in plaats van het oorspronkelijke christendom te verspreiden’. De Duitse kardinaal voegt eraan toe: ‘Respect voor het schepsel komt voort uit geloof in de goede Schepper en heeft geen catastrofaal wereldbeeld nodig.”

Zo, dat is nogal wat. Er is dus een ‘’ze’, een club globalisten van jakobijnse, communistische, fascistische en woke ‘elites’ die vindt dat de wereld overbevolkt is, die zich van ‘uitroeiingsprogramma’s bedient om hier wat aan te doen en hierbij gebruik maken van klimaatverandering en de ‘groene beweging’ als plaatsvervangende religie. Mij is nog steeds niet duidelijk wie die ‘ze’ nu precies zijn. Jakobijnen, communisten, fascisten, woke elites, allemaal grote woorden maar wat zeggen ze en vooral op wie hebben ze betrekking? En hoe vervolgens zich dit verhoudt tot die massa-immigratie bedoeld om de nationale identiteit te vernietigen en iedereen te isoleren? En wat is daarin dan de rol van die nieuwe plaatsvervangende ‘groene-beweging-religie? Het lijkt mij nogal onwaarschijnlijk dat jakobijnen, communisten, fascisten  en woke elites het ergens met elkaar over eens kunnen worden. Zelfs niet over een agree to disagree’. Laat staan over een gezamenlijk programma met betrekking tot migratie en een plaatsvervangende ‘groene-beweging-religie. Het beeld van die ‘ze’ wordt er niet duidelijker op.

Dan van de ‘ze’ naar het onderwerp migratie. Migratie is een van de wezenskenmerken van de Homo sapiens. De grootste kracht van de mens is zijn voorstellingsvermogen. Dat vermogen maakt dat we verhalen verzinnen, zoals landsgrenzen, bedrijven en religies, die voor de verzinner en voor zijn soortgenoten net zo reëel zijn als een boom of een rivier. Het vermogen om je een beeld te vormen van wat er aan de andere kant van het water is zonder dat je het kunt zien. Dat is iets wat ons mensen drijft en inspireert. Je een mens op de maan kunnen voorstellen was voldoende om er binnen tien jaar op te staan. En als het bij  de maan lukte, waarom zou het dan niet ook bij Mars lukken? Je de reis ernaar toe kunnen voorstellen, maakt dat mensen zoals Elon Musk eraan gaan werken. Je een beter leven elders kunnen voorstellen, is van de belangrijkste drijfveren van de mens. Die drijfveer maakt dat mensen de reis naar elders aanvaarden. Vaak blijkt werkelijkheid na aankomst anders dan de voorstelling die de reiziger ervan had. Ik hoop dat Musk en degenen die met hem de reis naar Mars willen aanvaarden zich dat ook bedenken. Migratie heeft geen ‘ze’ nodig om mensen te verleiden met een ‘groene-beweging-religie’ om te migreren. Migratie gaat inderdaad niet over het helpen van mensen. Het gaat over mensen die zichzelf willen helpen door te migreren. Migratie gaat niet over het bewust vernietigen van ‘de nationale identiteit’.

Kijkmagazine geeft vijf tekenen waaraan je een complottheorie kunt herkennen die ik voor het gemak hier herhaal. Als eerste worden “verbanden gelegd tussen zaken waartussen niet per se een oorzakelijk verband bestaat. Je zou net zo eenvoudig allerlei andere oorzaken kunnen verzinnen.” Als tweede zit het complot: “extreem ingewikkeld in elkaar. Enorme aantallen mensen houden iets geheim. Er moeten welhaast bovennatuurlijke krachten in het spel zijn om dat voor elkaar te krijgen.” Als derde: “Valt het woord ‘werelddominantie’? Of omvat het verhaal een ambitieus plan om controle te krijgen over een complete staat, economie of politiek systeem? Neem het dan maar met een paar korrels zout.” Als vierde worden: “Feiten en wilde speculaties worden in het betoog door elkaar heen gebruikt, zonder enige poging om ze van elkaar te onderscheiden.” Als vijfde en laatste wantrouwt de verteller: “overheden en organisaties enorm. Complotdenkers weigeren automatisch de officiële lezing te geloven, en vaak ook iedere andere verklaring die niet aansluit bij hun theorie.”  Het door De Dagelijkse Standaard overgenomen betoog van kardinaal Gerhard Müller vertoont alle kenmerken van een complottheorie. Een kardinaal complot of beter nog kardinale onzin!

Snelwaarheid

 Na de Tweede Kamerverkiezingen van november 2023 staan de kranten vol met artikelen ter verklaring van de winst van de PVV en de NSC maar vooral ook van het verlies van links. ’Links’ zou zijn afgedwaald van haar oorspronkelijke wortels: het opkomen voor de arbeiders. Of het zou ‘links’ ontbreken aan een groot verhaal, zoals Rob Wijnberg betoogt, immers: “Tussen de melodietjes van eerlijker delen en biologischer boeren klinkt namelijk voortdurend het refrein van: minder, minder, minder. Niet het soort ‘minder’ waarmee Geert Wilders al jaren tegen de grenzen van de rechtsstaat aanschuurt, maar van het soort waarmee je de rijke westerse postmoderne consument regelrecht het kamp van de tegenpartij injaagt: die van minder vlees op de barbecue, minder vakanties in verre oorden, minder vrijheid om te doen en laten wat je wil.” Zou het of zou er iets anders aan de hand kunnen zijn?

Neem het ‘opkomen voor de arbeider’. Als je naar de cijfers kijkt, dan is ‘opkomen voor de arbeider’ een verliezende strategie. Het percentage mensen dat in Nederland in de goederenproductie werkt is tussen 1969 en 2021 gedaald van 39% naar16% en een steeds groter deel hiervan is arbeidsmigrant zonder stemrecht. Met de ‘arbeider’ win je geen verkiezingen. Een ‘groot links verhaal’ heeft in Nederland nooit 60 zetels behaald. De PvdA en de voorlopers van GroenLinks haalden maximaal 59 en dat was in 1977. Zelfs de premiersbonus hielp het ‘linkse verhaal’ in 1977 niet aan een meerderheid en nadat Wim Kok de ideologische veren afschudde, was het gedaan met de ‘grote verhalen’. Zitten mensen werkelijk te wachten op een groot links verhaal? Of zou er iets anders aan de hand kunnen zijn? Bij het denken daarover kwam ik uit bij twee boeken van Alessandro Baricco waarin hij de westerse samenleving op een bijzondere wijze analyseert en beschrijft.

Bron: Wikipedia

In de Barbaren  beschrijft hij het steeds oppervlakkiger worden van onze samenleving. Hij doet dat aan de hand van boeken, wijn en voetbal. In een eerdere Prikker besteedde ik al eens aandacht aan Baricco. Er wordt meer wijn gedronken, maar kwaliteitswijn leidt een kwijnend bestaan. Net zoals de literatuur terwijl er veel meer boeken worden verkocht. Als voetballiefhebber betreurt hij het lot van Roberto Baggio de sierlijke specialist die steeds vaker op de bank zat omdat hij geen totaalvoetballer was. Die ‘barbaren’ leken zich niets aan te trekken van oude conventies. Ze leefden in een andere wereld. Het leven als een aaneenschakeling van korte momenten van sensatie zonder verdieping. De nieuwe mens, de barbaar, als een surfer. Scherend over het water ziet de surfer veel van het oppervlak van de zee, maar mist de diepgang van de duiker die veel minder oppervlakte bestrijkt maar wel een betere indruk krijgt van wat een zee is. Met hun gedrag gaven de barbaren een inkijkje in de nieuwe wereld: “een lay-out van de wereld die is aangepast aan de ogen die we hebben, een mentaal ontwerp dat geschikt is voor onze hersenen, en een hoopvol plot dat is opgewassen tegen ons hart, bij wijze van spreken.[1]

Tien jaar later beschrijft hij in The Game als een soort archeoloog de ontstaansgeschiedenis van die nieuwe wereld. Hij probeert er als het ware een landkaart van te maken of, zoals het op de kaft kort wordt omschreven: “In The Game onderzoekt hij de digitale revolutie en de gevolgen daarvan voor de mens.” Zo ziet hij het Nederlandse totaalvoetbal uit de jaren zeventig als een van de voorgangers van het Web: “het Nederlands elftal heeft maar zelden een toernooi gewonnen …. .Niettemin was de roep ervan onweerstaanbaar, en dat had te maken met een zeker ontsluiten van horizonten, de verpulvering van de vele regels, de vernietiging van onbenullige mentale blokkades en het opeisen van een nieuwe gelijkheid.[2]” Als je het zo leest dan zijn er wel wat parallellen met het Web. Baricco vergelijkt de digitale revolutie met een game, een computerspel, vandaar de titel. In een game gaat het om problemen en snelle oplossingen, om actie en reactie, en om een score. Die eigenschappen vormen, zo betoogt Baricco, de kern van de gehele digitale revolutie.

Baricco gaat terug naar de beginperiode van de die revolutie. De revolutionairen: “ waren mensen op de vlucht … die probeerden te ontsnappen aan een eeuw die een van de gruwelijkste in de geschiedenis van de mensheid was geweest, en die niemand had gespaard.” Een eeuw die: “een indrukwekkende reeks rampen achter zich (liet). En bij bestudering van die rampen zie je: “De obsessie met grenzen, de verafgoding van alle mogelijke scheidslijnen, de drang om de wereld in te delen in beschermde zones die niet met elkaar in contact stonden.[3] Zij wilden beweging. De revolutionairen wilden: “Grenzen boycotten, alle muren neerhalen, één open ruimte inrichten waarin alles moest gaan circuleren. Immobiliteit demoniseren. Beweging aanduiden als eerste, noodzakelijke, totemistische, onbetwistbare waarde.[4]Daarbij stonden twee vijanden in de weg. Als eerste: “een bepaald verontrustend stelsel van normen en waarde” en als tweede: “de keiharde elite die dat stelsel bewaakte. Deze waren allebei diep geworteld in de instituten, al eeuwenlang stevig verankerd, en sterk geworden door een beproefde vorm van intelligentie.[5]

Maar hoe die revolutie vorm te geven? Volgens Baricco kon dat op twee manieren. Als eerste: “kon je kiezen voor een frontale botsing, en dan ging het erom ideeën, normen en waarden te produceren.  … Een ideologische strijd op het open veld der ideeën.” Voor die manier kozen de revolutionairen niet omdat ze:  “al zo vaak (hadden) gezien dat ‘ideeën’ tot  rampen konden leiden, dat ze daar een zekere instinctieve argwaan tegen koesterden. Bovendien waren ze voor het merendeel afkomstig uit een mannelijke, technische, rationele, pragmatische elite, en als ze ergens talent voor hadden dan lag dat in de richting van problem solving, niet in het uitwerken van conceptuele systemen.” Ze richtten zich niet op de theorie maar op de praktijk. Op het oplossen van zaken die zij zagen als probleem. Dat deden ze door: “systematisch die oplossing te kiezen die de grond wegsloeg onder de voeten van de samenleving waaruit zij wilden ontsnappen. Niet de beste oplossing of de meest doeltreffende, nee, de oplossing die de hoekstenen aantastte van de samenleving waarvan ze zich wilden ontdoen. [6] Die ‘aparte mensheid’ liet de ideologie varen en concentreerde zich op de techniek, de tools. ‘In ieder huis een computer,’ voorspelde de al genoemde Brand in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Deze ‘aparte mensheid’ wilde dus weg van ideeën en hun bemiddelaars, de ideologen. Zij wilden de macht bij het volk.

Een van de belangrijkste eigenschappen van de tools was daarom dat iedereen ze makkelijk kan gebruiken. Je hebt geen ‘expert’ of ‘tussenpersoon’ nodig om een app te versturen. Je huis of auto verhuren kun je zelf, via Airbnb of Uber. Om je bankstel te verkopen hoef je het niet meer naar een handelaar in tweedehandsjes te brengen. Je kunt het rechtstreeks aan een geïnteresseerde verkopen. Als de digitale revolutie iets is, dan is het de uitschakeling van de ‘tussenpersoon’. Baricco: “ze verkozen de beweging en ontmantelden elke bemiddeling. Het was een slinkse methode, maar onontkoombaar en moeilijk tegen te gaan. Toegepast op elk aspect van de ervaring – van de aanschaf van een boek en de manier van vakantiekiekjes maken tot het opzoeken van de definitie van ‘kwantummechanica’- genereerde deze een soort erosie die zich niets aantrok van de grote machtsinstellingen (scholen, parlementen, kerken) en die de wereld van onderaf binnendrong, en haar op bijna onzichtbare wijze bevrijdde.[7]

“Veel mensen proberen de aard van de mens te veranderen, maar dat is echt tijdverspilling. Je kunt de aard van de mens niet veranderen, wat je wel kunt doen is de tools die ze gebruiken veranderen, de techniek veranderen. Dan verander je de samenleving.[8]Aldus Steward Brand een van de personen die aan de basis stond van die revolutie. En daar heeft hij een punt. De mens vindt al eeuwen zaken uit en die uitvindingen veranderen de manier waarop mensen samenleven. De ‘uitvinding’ van de landbouw zo’n 10.000 jaar geleden, leidde tot een heel andere manier van samenleven. Hetzelfde geldt voor de industriële revolutie. Maar niet alleen dergelijke grote ontwikkelingen veranderen ons gedrag, ook kleinere. Zo heeft de auto onze wereld vergroot en als je twintig jaar had beweerd dat we te pas en te onpas op een klein beeldscherm zouden kijken dan was je weggelachen.

De nieuwe tools, de PC, het mobieltje, maar ook Twitter, Facebook, Instagram en sinds kort Artificiële Intelligentie hebben de twee diep in instituten gewortelde vijanden een kopje kleiner gemaakt. De media, de overheid, politieke partijen, vakbonden, de wetenschap, in Baricco’s woorden de in instituten verankerde elite die het ‘stelsel van normen en waarden’ bewaakten, ze zijn geen schim meer van wat ze vroeger waren. Ze zijn geen schim meer van wat ze waren omdat ze de belangrijkste truc van The Game niet beheersen. Die truc noemt Baricco ‘snelwaarheid’.

Een snelwaarheid: “is een waarheid die om naar de oppervlakte van de wereld te komen – dat wil zeggen, om begrijpelijk te worden voor de meeste mensen, en ieders aandacht te krijgen – zichzelf een aerodynamisch design heeft aangemeten, waarbij ze onderweg aan nauwkeurigheid en precisie inboette, maar wel aan beknoptheid en snelheid won.[9] Cruciaal voor een snelwaarheid is het verhaal erachter: storytelling. Storytelling: “is niet iets wat de realiteit verpakt , of vermomt, of verfraait: het is iets wat deel uitmaakt van de realiteit, het is een deel van alle dingen die echt zijn,” zo betoogt Baricco en vervolgt: “Wil je een formuletje om dat concept gemakkelijker te metaboliseren: Komt-ie: ONTDOE DE REALITEIT VAN DE FEITEN, EN WAT ER DAN OVERBLIJFT IS STORYTELLING.[10]

Nu is storytelling niets nieuws onder de zon. Sprookjes, sagen mythen, het zijn allemaal vormen van storytelling waarvoor opgaat dat het is wat na verwijdering van de feiten overblijft. Wat wel nieuw is, is de compactheid ervan. Baricco geeft een snelwaarheid. Een bericht uit 2016: “De verkopen van vinyl overstegen in 2016 die van digitale muziek”. Een bericht dat boven kwam drijven en door iedereen werd opgemerkt want het lijkt zo onwaarschijnlijk. Dat kan toch niet waar zijn want iedereen heeft toch verschillende playlists op de mobiel. Wat er werkelijk aan de hand was, had geen enkel medium gehaald. Dat was namelijk dat gedurende één week in 2016 in één land, het Verenigd Koninkrijk, er meer vinyl was verkocht dan dat er muziek was gedownload. Om de aandacht van ons te halen moet de echte werkelijkheid wat van haar nauwkeurigheid verliezen. In dit geval dat het slechts één week betrof in slechts één land[11]. Laat dat weg, en de rest is allemaal ‘verhaal’.

Een recent voorbeeld van zo’n snelwaarheid is de veronderstelde mildheid van Wilders. Een prachtig verhaal over een bullebak waarvan wordt verondersteld dat hij minder is gaan ‘bullen’ of is het ‘bullenbakken’? Een snelwaarheid die niet is gebaseerd op Wilders’ uitspraken of daden. Die zijn niet veranderd want ook al voor deze verkiezingen aaide hij poesjes. Het verhaal is gebaseerd op vragen van journalisten aan gewone mensen of zij Wilders milder vonden. Het kreeg echt momentum toen de boodschap werd samengeperst tot het meest ‘aerodynamische design’ dat je je maar kunt bedenken: ‘Milders’.

‘Snelwaarheden’ als oplossing voor problemen maar wel op een bijzondere manier. Baricco: “ Toen ik eens een kort, nutteloos uitstapje naar de politiek maakte, was ik getuige van de volgende situatie: er moest een probleem worden opgelost, en er lagen verschillende oplossingen op tafel. Er moest er een worden gekozen. De politicus van dienst bekijkt ze en zegt: welke zouden we het beste kunnen verkopen?” Let wel hij vraagt niet welke het beste zou kunnen wérken.[12] Ik denk dat ik met ‘Spreidingswet’ verder niets meer hoef uit te leggen. Maar voor degenen die nog twijfelen nog wat voorbeelden: opvang in de regio, de toeslagenaffaire, de decentralisatie van de jeugdhulp naar de gemeenten op basis van snelwaarheden als ‘de gemeente is de meest nabije overheid. Niet de beste oplossing maar de oplossing die het beste verkocht kan worden, een ‘snelwaarheidoplossing’ van het soort ‘de grenzen dicht’. Oplossingen die goed verkopen, weinig tot niets oplossen en vooral problemen verergeren.

Het zal jullie nu wel duidelijk zijn dat deze prikker geen voorbeeld van een snelwaarheid is. Deze prikker is geen voorbeeld van voor eenentwintigste-eeuwse storytelling. Een betoog gestoeld op de interpretatie en analyse van feiten en waarnemingen. De prikker scheert niet als een ‘barbaarse surfer’ over het water’ maar gaat als een duiker de diepte in om te onderzoeken wat er allemaal onder het oppervlak gebeurt. En dat zijn precies de verhalen die het moeilijk hebben in het ‘Gametijdperk. Dat is ook de reden waarom het pleidooi van Wijnberg voor ‘grote verhalen’ niet tot betere verkiezingsresultaten voor links zal leiden. Zo’n ‘groot verhaal’ doet het goed bij mensen zoals de  Ballonnendoorprikker. Maar zo’n groot verhaal kan niet concurreren met ‘minder, minder, minder’ wat de tegenstanders ervan maken. Pas als het grote verhaal kan worden samengeperst tot een refrein van ‘meer, meer, meer’ zal het voldoende ‘aerodynamisch’ zijn om ‘minder, minder, minder’ te verdringen. ‘Meer’ en dan zeker drie keer, doet het beter dan ‘minder’.

“Ik schreef  De barbaren, maar intussen wist ik dat de ontmaskering van de diepte zou kunnen leiden tot de heerschappij van de onbeduidendheid.” Dit schrijft Baricco in het laatste hoofdstuk van De Barbaren. Een hoofdstuk waarin hij zogenaamd vanuit 2026 waarin hij terugblikt op de tijd dat hij het boek schreef. De ‘heerschappij van de onbeduidendheid’ is alom tegenwoordig in de talkshows die televisie bevolken en die ervoor zorgen dat voormalige voetballers Johan Derksen en René van de Gijp zijn ‘uitgegroeid’ tot de belangrijkste politieke duiders aangevuld met gasten zoals de Gerard Jolings en Jack van Gelders van deze wereld. “En ik wist dat de heruitvinding van de oppervlakte vaak leidde tot het ongewenste effect, namelijk dat vanwege een misverstand de pure domheid werd uitgeklaard, of de lachwekkende simulatie van een diepe gedacht,” zo vervolgt Baricco. Een betere beschrijving van de talkshows van vandaag kan ik niet geven. “Van die barbaren ontvangen we een lay-out van de wereld die is aangepast aan de ogen die we hebben, een mentaal ontwerp dat geschikt is voor onze hersenen en een hoopvol plot dat is opgewassen tegen ons hart, bij wijze van spreken.[13] Dat hoopvolle plot kan ik tot op heden nog niet ontdekken, maar we hebben nog twee jaar tot 2026.

Wat ik wel zie is, en daarmee vervolg Baricco, dat de ‘barbaren’ zich: “bewegen (…) in hordes, door een revolutionair instinct gedreven tot collectieve en bovenpersoonlijke scheppingen.[14] Dit omdat een mens naast individu nog steeds ook een sociaal groepsdier is maar met wie? Dat is de vraag in een ‘grenzeloze samenleving, zonder muren, die ene open ruimte waarin alles circuleert, zonder bindende centra’.  Dus maar in ‘hordes’ achter de op dat moment bovenkomende  snelwaarheid aan. In maart 2023 was dit Van der Plas en de BBB de bovenkomende snelwaarheid in november 2023 Wilders. Zo ‘surft’ de horde over het wateroppervlak aangedreven of beter gezegd aangetrokken door de meest recente snelwaarheid. Eerst het ‘gewone’ van van der Plas en later ‘Milders’.

Analyse en diepgang, nodig om een ‘groot verhaal’ te schrijven en te begrijpen, zijn zaken voor mensen zoals de Ballonnendoorprikker en Rob Wijnberg, ze zijn van vroeger. Mensen die, zoals ik in mijn vorige prikker deed, wijzen op het gemak waarmee grondrechten verworden tot snelwaarheden. Het recht om je mening te uiten en te demonstreren wordt een ‘verdienmodel’ of een ‘criminele organisatie’. Nu is de kracht van ‘links’ altijd het grote verhaal geweest. En ‘Links’ had dan wel gelijk, het kreeg niet het krediet van dat gelijk. Zo leert Lenny Vulpenhorst bij in een artikel bij Stuk Rood Vlees de lessen van Hans Daudt[15]. De eerste drie lessen van Daudt zijn: “Eén: er is sinds de Tweede Wereldoorlog constant een rechtse meerderheid in de Tweede Kamer. Twee: sociaaldemocraten (…) mogen eigenlijk alleen meeregeren als het niet anders kan. En drie: ondanks dat Nederland een conservatief land is, worden veel onderwerpen die door links worden geagendeerd vroeg of laat door rechts uitgevoerd.”  Zelfs in de tijd van de grote verhalen, hielpen die verhalen ‘links’ dus niet aan macht maar het was wel de stroming die inhoudelijk het meest voor elkaar kreeg.

Wat ‘links’ in deze nieuwe ‘barbarentijd’ moet leren, is niet het verkopen van hun groot verhaal om zo aan de macht te komen om het uit te voeren. Een ‘groot verhaal’ legt het altijd af tegen een snelwaarheid. Voor het uitvoeren van je ideeën is regeren niet nodig. Daudt: regeren wordt overschat: “Coalitievorming leidt ertoe dat standpunten van partijen die niet deelnemen aan een kabinet toch vaak een plek krijgen in het regeringsbeleid.” Wat ‘links’ moet leren is dat grote verhaal op te delen in ‘snelwaarheden’ en op het juiste moment de juiste ‘snelwaarheid’ aan het oppervlak te laten komen. Dan zijn ‘centrum’ en ’rechts’ wel machtshongerig genoeg om op die horde te springen. Het verschil tussen ‘links’ en ‘niet-links’ is dat ‘links’ actie wil als het regeert en er ook op wordt afgerekend terwijl: “Niet-links kan goed regeren door niets te doen of keuzen uit te stellen.” En als er één tijdperk is dat het gelijk van deze uitspraak aantoont, dan zijn het de laatste twintig jaar.


[1] Alessandro Baricco, De Barbaren, pagina 211-212

[2] Alessandro Baricco, The Game, pagina 91

[3] Idem, pagina 98

[4] Idem, pagina 100.

[5] Idem, pagina 104-105

[6] Idem pagina 105

[7] Idem pagina 106

[8] Idem, pagina 113

[9] Idem, pagina 293-294

[10] Idem, pagina 302

[11] Idem, pagima 294-295

[12] Alessandro Baricco, The Game, pagina 306

[13] Alessandro Baricco, De Barbaren, pagina 211

[14] Idem, pagina 211

[15] Daudt was van 1963 tot 1990 hoogleraar in de wetenschap der politiek aan Universiteit van Amsterdam.

Ouderdomsgebreken?

 “Wilders verdedigde het model van de democratische rechtsstaat tegenover de op de sharia gebaseerde theocratie. Hij heeft zich dus niet tégen de rechtsstaat gekeerd, maar deze juist verdedigd. Verdedigd tegenover het constitutionele sjiitische model van de Iraanse Republiek. Of het soennitische model van het koninkrijk van Saoedi-Arabië.” Aldus Paul Cliteur in een artikel van bij De Dagelijkse Standaard. Bij het lezen van het artikel moest ik denken aan twee volkswijsheden. Als eerste ‘wijsheid komt met de jaren’ en als tweede ‘ouderdom met gebreken’. Cliteur lijkt de eerste volkswijsheid te ontkennen en de laatste te bevestigen.

Volgens Cliteur is het: “een hypocriete schijnvertoning die gesprekken over Wilders’s ijskast en wat erin moet of eruit mag.”  Want: “Laten we de zaak eens in historisch perspectief plaatsen. Dit jaar is het 20 jaar geleden dat Theo van Gogh werd vermoord door een jihadist. Inmiddels (20 jaar later) is duidelijk geworden dat de moord op Van Gogh niet een “incident” was, maar een “precedent” voor vele andere moorden die vanuit hetzelfde motief werden gepleegd.” Dus zou je: “verwachten dat de ministers van justitie en veiligheid (Hirsch-Ballin, Donner, Grapperhaus, vaak dus van CDA-huize) visies zouden hebben ontwikkeld op hoe deze nieuwe ideologisch-religieus gemotiveerde aanslagen het hoofd kan worden geboden. Dat gebeurde niet.”  Wat er volgens Cliteur wel gebeurde: “te beginnen met de toenmalige burgemeester van Amsterdam, Job Cohen, is dat een enorme stilte over Nederland neerdaalde. Het bespreken van dit onderwerp werd een taboe. Nu de discussie in Frankrijk na de vele aanslagen in volle hevigheid is losgebarsten (en niet alleen bij “extreemrechts”, maar ook bij de regering-Macron) wordt het contrast duidelijk: in Nederland is het nog steeds stilstaand water op dit onderwerp.”  Alleen Wilders is de uitzondering aldus de passage waarmee ik begon. Een probleem: “Vaak waren de oplossingen van Wilders onhaalbaar of onwenselijk of schofferend of alle drie.” Dit tegenstaande doet dat, aldus Cliteur: “niets af aan de enorme verdiensten die Wilders had, en nog steeds heeft, in het pogen het onderwerp van het jihadistisch terrorisme op de agenda te krijgen.

Op één punt heeft Cliteur een punt en dat is dat de gesprekken over ‘de ijskast’ een hypocriete schijnvertoning zijn, Iedere: “zichzelf respecterende democratische politieke partij zegt NEE tegen partijen die aan de grondrechten willen tornen. Een zichzelf respecterende democratische politieke partij zegt NEE tegen zo’n onderzoek omdat het een hellend vlak is,” schreef ik naar aanleiding van het advies van de verkenner Plassterk om zo’n gesprek te gaan voeren. Dit omdat zo’n gesprek: “schadelijk ( is) voor onze grondrechten. Schadelijk omdat dit uitstraalt dat grondrechten ter discussie kunnen worden gesteld en inwisselbaar zijn.”  

Waar hij geen punt heeft en de zaken verkeerd voorstelt, is dat onze democratische rechtstaat niet werd of wordt aangevallen door een op de ‘sharia gebaseerde theocratie’. De moord op Van Gogh, hoe treurig ook, was geen ‘aanval op onze democratische rechtstaat’. Het was geen poging om een ‘sharia theocratie’ in te voeren. Het was een schendig van de rechtsorde zoals iedere moord een schending van de rechtsorde is. Een schending van de rechtsorde door een eenling, een persoon die zijn eigen morele opvattingen boven de wet stelde. Onze democratische rechtstaat, en dan vooral het deel rechtstaat, reageerde daar adequaat op door de dader op te pakken en voor een onafhankelijke rechter te brengen. Een rechter die de dader vervolgens heeft veroordeeld.

De manier waarop Wilders de democratische rechtstaat, in de woorden van Cliteur, ‘verdedigt’ is juist wel een aanval op onze democratische rechtstaat. Neem het wetsvoorstel op het verbod van bepaalde islamitische uitingen dat Wilders recentelijk heeft ingetrokken: “De islam is geen godsdienst of levensbeschouwing, maar een gewelddadige, totalitaire ideologie,” aldus het eerste lid van het artikel en onderbouwd in de memorie van toelichting met: “De islam is bovendien een allesomvattende ideologie, die ieder aspect van het menselijk bestaan bepaalt. Het is een politiek, juridisch, militair, cultureel en sociaal systeem. Er is in de islam geen scheiding van machten, geen gelijkwaardigheid tussen man en vrouw en tussen moslims en niet-moslims.” Kenmerk van iedere godsdienst is dat het een allesomvattende ideologie is die alle aspecten van het menselijk bestaan bepaalt: politiek, militair, cultureel en sociaal. Geen enkele godsdienst kent een ‘scheiding van machten’. De gelijkheid tussen man en vrouw is bij iedere godsdienst een probleem en discrimineert niet-gelovigen. Dit voorstel tornt aan de vrijheid van godsdienst omdat de staat, als dit voorstel wordt aangenomen, net als in theocratieën, gaat bepalen wat een godsdienst. Dat is een terrein waarop de democratische rechtstaat zich niet moet begeven want daarmee legt ze de bijl aan haar wortels. Mochten we een Grondwettelijk hof zoals Omtzigt voorstelt, hebben dan zou dit deze wet naar de prullenbak verwijzen. Iets waarvoor zo’n hof niet nodig is omdat de Raad van Staten, het hoogste adviesorgaan van de overheid die conclusie ook al trok en in haar advies met betrekking tot dit voorstel schreef: “Het van overheidswege «weg» definiëren van een religie is echter onverenigbaar met de neutraliteit en terughoudendheid die overheidsorganen in acht dienen te nemen.”

Ook met het Wetsvoorstel verandering in de Grondwet, strekkende tot uitbreiding van de uitsluitingsgronden van het kiesrecht en een verbod op meervoudige nationaliteit bij bepaalde ambtsdragers. Als dit voorstel wordt aangenomen dan verworden Nederlanders met een tweede nationaliteit tweederangs burgers. Het wordt hen dan onmogelijk gemaakt om bepaalde bestuurlijke functies te vervullen. Bijzonder aan het voorstel is dat het met geen woord rept over de aanpassing van artikel 3 van de Grondwet. Dat bepaalt dat: “Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.”  Het voorstel schenkt alleen maar aandacht aan de wijziging van artikel 43 van de Grondwet . Het creëren van tweederangs burgers is een democratische rechtstaat onwaardig. Met betrekking tot dit voorstel concludeerde de Raad van Staten, dat het onverenigbaar is: “met de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat, zoals uitgewerkt in de Nederlandse Grondwet en verschillende verdragen. Het uitsluiten van personen van het kiesrecht op grond van het enkele feit dat zij een dubbele nationaliteit bezitten is in strijd met de in de Grondwet en verdragen vervatte discriminatieverboden. Dat is nog meer evident als van die andere nationaliteit geen afstand kan worden gedaan, zoals in het geval van de Marokkaanse nationaliteit. Het uitsluiten van bevolkingsgroepen met de Nederlandse nationaliteit van het politieke besluitvormingsproces, zonder op de individuele persoon toegespitste gronden, houdt in dat deze groepen als tweederangsburgers worden behandeld en creëert het risico dat zij zich gaan afkeren van de Nederlandse samenleving. Het tegengaan van mogelijke loyaliteitsconflicten kan deze uitsluiting niet rechtvaardigen, nu op geen enkele wijze is aangetoond dat het feit op zich dat iemand een dubbele nationaliteit heeft in negatieve zin verband houdt met zijn loyaliteit aan Nederland.”

Deze twee voorbeelden tonen aan dat Wilders’ verdediging van de democratische rechtstaat zoals Cliteur het noemt, niet alleen: “onhaalbaar of onwenselijk of schofferend of alle drie” maar een aanval juist op die democratische rechtstaat. Het ‘jihadistisch terrorisme’ hoeft niet geagendeerd te worden. Er is geen visie nodig hoe ‘nieuwe ideologisch-religieus gemotiveerde aanslagen’ het hoofd te bieden. Daarvoor is onze democratische rechtstaat uitstekend toegerust met de veiligheidsdiensten, politie, justitie en de onafhankelijke rechtspraak.

Onze democratische rechtstaat wordt niet aangevallen door het een ‘sharia theocratie’ noch door het ‘jihadistisch terrorisme. Ze wordt aangevallen door voorstellen zoals Wilders ze doet. En onze democratische rechtstaat wordt verzwakt door deze aanvallen, zoals Cliteur in zijn artikel doet, te betitelen als ‘het verdedigen van onze democratische rechtstaat’. Als rechtsgeleerde en filosoof zou Cliteur beter moeten weten.

Het systeem

In de Volkskrant een interview met de Duitse journaliste Ulrike Herrmann.  Het is een eerste  in een reeks. In de aanhef bij die reeks de volgende tekst: “Het kapitalisme heeft veel rijkdom gebracht, maar is het nog houdbaar in de 21ste eeuw? Volgens critici verwoest het kapitalisme de planeet en roept het populistische krachten op die de democratie in gevaar brengen. Op mondiale schaal veroorzaakt het onhoudbare verschillen tussen arm en rijk. Is er een alternatief voor het kapitalisme? Of kan het zich aanpassen aan de behoeften van een nieuwe tijd?” ‘Gelukkig het kapitalistische systeem is de schuldige, dan ligt het dus niet aan mij’. Dat zou zomaar het eerste kunnen zijn wat je bij het lezen te binnen schiet. ‘Als het niet aan mij ligt dan hoef ik dus niets te doen. Dan moet er gewoon een ander ‘systeem’ komen’.

Volgens Herrmann moet de economie gehalveerd worden om toekomstbestendig te zijn en weer binnen de grenzen van de planeet te passen. Dat klinkt dramatisch maar: “ In 1978 groeiden de universiteiten, er was een verzorgingsstaat, we hadden een oudedagsvoorziening, niemand leed honger. We hadden het goed. Als we onze consumptie halveren, hoeven we niet terug naar het stenen tijdperk. Bovendien gaan we natuurlijk niet letterlijk terug naar 1978. Technologische vooruitgang, zoals de sterk verbeterde kankerbehandeling, blijft behouden. Internet blijft ook bestaan, al geldt dat misschien niet voor sommige toepassingen die veel energie vergen, zoals het streamen van films op je telefoon…. Maar de productiviteit van de economie is hoger dan in 1978. Bij dezelfde welvaart zullen we minder hard hoeven te werken.” Om dit te bereiken stelt Herrmann de Britse oorlogseconomie van 1939-1945 ten voorbeeld. “Ik denk dat het onze toekomst is, de combinatie van rantsoenering en overheidsplanning in een economie waarin bedrijven in privébezit blijven. Het zal sowieso gebeuren. Dat is iets wat veel mensen niet begrijpen. Ze zeggen: ik wil verder blijven vliegen, vlees eten en grote eengezinswoningen bouwen. Maar dan zal de klimaatcrisis zich zo verscherpen dat de economie in elkaar stort. En dan heb je alsnog rantsoenering en overheidsplanning nodig om de klimaatchaos onder controle te krijgen. Daarom kun je beter het systeem van tevoren op een slimme manier bijsturen.”

Kapitalisme, een: “maatschappelijk stelsel waarbij de productiemiddelen eigendom zijn van particulieren of vennootschappen (en dus niet van de staat), die betaalde werknemers in dienst hebben.” aldus de Van Dale. Systeem is volgens dezelfde Van Dale: “doelmatig geordend samenhangend geheel van bij elkaar horende dingen en hun onderdelen; = stelsel,” Doelmatig wil volgens weer de Van Dale zeggen: “steeds met het doel voor ogen, zodat geen tijd en middelen worden verspild aan bijzaken.” Een samenleving als een systeem, een soort ‘motor’ die je even op een andere manier moet afstellen. Of volgens weer anderen moet die ‘motor’ worden vervangen door een andere. Deze manier van spreken over onze samenleving doet het voorkomen alsof onze voorouders ooit eens een soort vergadering hebben gehouden met als doel een ‘motor’ uitkiezen om in de samenleving te stoppen. Als historicus zou ik maar wat graag de notulen van die vergadering willen hebben. Welke ontwerpeisen stelden ze aan de ‘motor’? Maar vooral welk doel hadden ze voor ogen? Helaas zullen die notulen nooit boven tafel komen omdat ze er niet zijn. Onze samenleving is een gevolg van ‘toeval en geluk’. Toeval, “een niet te voorspellen geval” en geluk: “een gunstige loop van omstandigheden” aldus weer de Van Dale.

Toeval door keuzes die onze verre voorouders maakten om het hoofd te bieden aan zaken op de korte termijn met onvoorziene gevolgen op de lange termijn. Mijn laatste prikker van 2023 handelde over zo’n keuze met onvoorziene gevolgen. Tenminste, als we Joseph Henrichs betoog in zijn boek The Weirdest People in the World. How the West Became Psychologicaly Peculiar and Particularly Prosperous, mogen geloven. Die keuze was het successievelijk veranderen van regels rond het huwelijk en de familie in de eerste helft van het eerste millennium door wat later de christelijke kerk werd. Volgens Henrich ligt die keuze aan de basis van de huidige westerse samenleving. Een samenleving die individualistisch is en gericht op zelfverbetering en zelfwaardering. Privé- bezit is alles bepalend. Wat onze ouders doen is niet bepalend voor wat wij gaan doen. We kunnen onze ambities najagen en doen dat ook. Dat wat we willen zijn en najagen wordt vervolgens de kern van onze identiteit en omdat je er positief op wilt staan wordt er hard gewerkt. Dat wakkert innovatie aan. We zoeken mensen op waarvan we denken dat ze ons verder brengen. We vinden rechtvaardigheid belangrijk en daarbij is de vraag naar de intentie van iemands handelen van belang. We denken analytisch en niet holistisch. Regels en wetten bepalen ons handelen en die worden zo objectief mogelijk toegepast en gehandhaafd. Om slechts enkele eigenschappen te geven van wat Henrich de WEIRD samenleving noemt[1]. WEIRD is het acroniem van Western, Educated, Industrialized, Rich and Democratic. Met ‘wat later de christelijke kerk werd’ hebben we een eerste voorbeeld van ‘geluk’ want het was in die tijd nog lang niet zeker dat deze christelijke stroming die uiteindelijk ‘almachtige’ zou worden. Maar ook geluk dat juist op het moment dat de Mongoolse horden op het punt stonden om het westelijk deel van Europa binnen te dringen, Dzjengis Khan overleed en tijdens een tweede poging Ögedei Khan. Of geluk dat de Ottomanen zo overmoedig waren bij het Beleg van Wenen in 1683, dat ze hun verdediging verwaarloosden.

Wie echter de ‘notulen’ en de ‘ontwerpeisen zoekt’ die aan het besluit van de verschillende pausen ten grondslag lag, komt bedrogen uit. Er lag geen plan voor het ontwerpen van een ‘maatschappelijk stelsel waarbij de productiemiddelen eigendom zouden worden van particulieren met als doel en zo privé bezit aan te wakkeren. Het zou namelijk bijzonder vreemd zijn als de christelijke kerk bewust voor een systeem zou hebben gekozen dat haar macht en invloed zou beperken want dat is wel wat er, zo betoogt Henrich, is gebeurd. De belangrijkste ‘nevenschade’ van deze keuze is dat mensen steeds meer zelf gingen nadenken. Hiermee zetten de kerk uiteindelijk de bijl aan de wortel van haar eigen bestaan want mensen gingen ook nadenken over hun geloof, hun relatie met god en de rol van de kerk.

‘Kapitalistisch systeem’ is een voorbeeld van een van de WEIRD kenmerken, het analytisch denken. ‘Kapitalistisch systeem’ is de naam die is geplakt op een analyse van een deel van de samenleving, namelijk dat deel van de samenleving waarbij mensen goederen en diensten uitwisselen via de markt. Het is een beschrijving van de, op het moment van beschrijven, reële situatie. Het is geen ontwerpplan dat aan de situatie voorafging. Een analyse van een deel van de samenleving. Niet van de samenleving als geheel. Een analyse met voor- en nadelen. Belangrijkste voordeel is dat we het ‘markt’-deel van de samenleving er beter door begrijpen. Belangrijkste nadeel is dat de gehele samenleving door de mal van die analyse wordt bekeken en voor alle problemen een oplossing wordt gezocht die past binnen de mal van die analyse. Samenleving en markt worden synoniem terwijl markt, om het wiskundig te formuleren, een deelverzameling is van de verzameling samenleving. Een verzameling samenleving die meer deelverzamelingen bevat dan markt alleen.

Die verzameling samenleving bestaat uit alle mensen die er deel van uitmaken en wat zij op welke manier dan ook met elkaar doen. Dat is veel meer dan alleen de markt alleen blijft het meerdere buiten beeld als er over ‘systemen’ wordt gepraat, net zoals de individuele mens uit beeld verdwijnt. Beiden zouden wel eens cruciaal kunnen zijn bij het aanpakken van het ‘klimaatprobleem’. Het is namelijk niet ‘het systeem’ dat bijgestuurd moet worden maar de mens en daarbij zou het deel ‘niet markt’ van de samenleving wel eens belangrijke rol kunnen spelen.


[1] Joseph Henrich, The Weirdest People in the World. How the West Became Psychologicaly Peculiar and Particularly Prosperous, pagina 56: op deze pagina geeft Henrich een opsomming van de kerneigenschappen van de psychologie van WEIRD.

Heilig of traditie?

Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Wie de jeugd heeft, weet ook dat de jeugd vaak wat aan te merken heeft op het heden. Dat voldoet zelden aan de verwachtingen van jeugdigen en daar moet wat aan gebeuren. Daarom moet er actie worden gevoerd. Zo kreeg ik via een bekende een kleine poster toegestuurd. Die poster was gemaakt door studenten Arts & Culture van de Radbouduniversiteit Nijmegen bij een cursus European Culture in a Global World. Mijn bekende is een van die studenten. De poster: “biedt een meeslepend verhaal dat kijkers uitnodigt om kritisch te kijken naar hoe we hoe we het beeld van Europa waarnemen en denken.[1] Zo vertellen de makers ervan in het bijbehorende artikel. Nu ben ik er altijd voor te porren om kritisch te kijken naar beelden die ik heb van iets en, om aan mijn vorige prikker te refereren: mijn eigen ‘gekheid’ te bevragen.

Poster van de studenten

“De poster getiteld “Dit is Europa” presenteert een tot nadenken stemmende verkenning van de West-Europese cultuur door een unieke en vertrouwde lens. … In essentie probeert onze poster interne processen om te zetten in tastbare ervaringen, een kritisch onderzoek uit te lokken naar het zelfbeeld van West-Europa en toeschouwers uit te dagen om hun begrip van deze dominante cultuur te heroverwegen.”  Aldus de studenten. Dat proberen de studenten te bereiken door drie tweetallen van kunstwerken en/of gebeurtenissen tegenover elkaar te plaatsen.

Zo wordt de kus die  Jenni Hermoso, de aanvoersters van het Spaanse vrouwenvoetbalelftal van bondsvoorzitter Luis Rubiales kreeg geplaatst naast het schilderij De Zelfmoord van Lucretia. De studenten willen hiermee: “de aandacht op hedendaagse gebeurtenissen waar machtige mannen, ondanks hun ongepast of niet-consensueel gedrag, vaak geconfronteerd worden met weinig tot geen consequenties ondervinden voor hun daden. Dergelijke gevallen weerspiegelen een breder patroon van maatschappelijke tolerantie tegenover mannen die vrouwen kwaad doen.” Een onderwerp dat alle aandacht verdient. Terecht dat de studenten hier aandacht voor vragen.

Ook vragen ze terecht aandacht voor de kunstcanon. “De traditionele kunstgeschiedenis heeft zich voornamelijk gericht op de werken van de canon, samengesteld door blanke mannelijke West-Europese kunstenaars.” Vincent van Gogh maakt daar terecht deel van uit. Frida Kahlo, die middels een zelfportret op de poster een paar vormt met Van Gogh, maakt er geen deel van uit? Waarom niet vragen de studenten zich af. Nu ben ik geen kunstenaar, kunstkenner en zeker geen kunstcriticus dus verwacht van mij geen antwoord.

Als laatste plaatsen ze een  beeld van activisten van Just Stop Oildie de glazen bescherming van de Rokeby Venus van Diego Velázquez uit 1647 in de Londense National Gallery hebben beschadigd tegenover een afbeelding van de door Orthodoxe Griekse kerk in Gaza na een bombardement door Israël. Het eerste leidde tot veel opheft in de media het tweede niet. “Deze onthutsende ongelijkheid in de manier waarop de media bewust kiest om hun aandacht te richten roept diepgaande vragen op over de waarden en verhalen die de samenleving prioriteit geeft.” Het zet ons aan om kritisch te onderzoeken waarom de vernietiging van de glazen bescherming van een schilderij de vernietiging van een oud symbool van geloof kan overschaduwen met het verlies van mensenlevens. Door de aandacht te vestigen op deze ongerijmdheid, wil onze poster onze relatie met de media en hoe die onze perceptie kunnen beïnvloeden van wat onze aandacht verdient.” Wederom een terechte vraag.

Dan terug naar de centrale vraag van de studenten om: “kritisch te kijken naar hoe we het beeld van Europa waarnemen en denken.” Als ik, zoals de studenten vragen, Europa en dan vooral het westelijke deel ervan plaats: “in een mondiale context, met erkenning van de onderlinge verbondenheid,” dan zie een Europa dat je terecht kunt bekritiseren. Inderdaad is er voor wat betreft de positie van vrouwen nog een wereld te winnen. Juridisch mag er dan geen onderscheid zijn en worden gemaakt tussen mannen en vrouwen feitelijk is dat onderscheid er nog wel. Het ‘patriarchaat’ geen Europese uitvinding. Sterker nog, het is geen uitvinding maar, zoals ik in mijn vorige prikker aangaf, het resultaat van een door dna gedreven overlevingsstrategie van de mensheid. Een strategie die enkele miljoenen jaren efficiënt was en zorgde voor de overleving van de mens en die heeft geleid tot een patriarchale stammensamenleving. Maar als ik dan toch naar de huidige wereld kijk, dan zie ik weinig gebieden waar het patriarchaat al zoveel veren heeft moeten laten als juist in het westelijk deel van Europa. Dan zie ik weinig gebieden waar het beter is gesteld met de positie van de vrouw. Dan zie ik dat voorzitter Rubiales niet meer wegkwam met zijn gedrag. Na aanhoudende protesten van niet alleen de Spaanse voetbalvrouwen. “We willen het onaanvaardbare gedrag aan de kaak stellen van de heer Rubiales, die niet heeft voldaan aan de instelling die hij vertegenwoordigt”, zei Alvaro Morata namens de Spaanse mannenvoetballers. Dit omdat: “Het Spaanse voetbal moet een bron van respect, inspiratie, inclusiviteit en diversiteit zijn en een voorbeeld, zowel op als naast het veld.”  Het protest tegen het gedrag van Rubiales en het aandringen om zijn ontslag ging nog veel breder dan het voetbal alleen. Rubiales kwam er niet meer mee weg. Was hij een Argentijn, Rus of Arabier geweest dan zat hij nog op zijn post.

Dan zie je dat die media-aandacht soms ook meetrekt aan de goede kant van het touw. Dan zie je dat er in het westelijk deel van Europa een divers medialandschap is waaraan alles aanbod komt. Zo maakte NOS in haar live blog van 20 oktober 2023 melding van het bombardement op de Orthodoxe kerk in Gaza en verscheen er op dezelfde dag al een commentaarloos filmpje over de aanval. De glasplaat kreeg bij de NOS ongeveer evenveel aandacht. Een kort artikeltje met erin een videofragment. Beide haalden de dag nadat ze gebeurden de Volkskrant niet. Dat wil niet zeggen dat er de 21ste oktober geen aandacht was voor het nu al meer dan honderd jaar durende conflict tussen de joden en Arabieren in het Midden-Oosten. Dat kreeg op die dag voldoende aandacht. Maar als ergens je hart van vol is, dan is alle aandacht die iets minder krijgt dan alle aandacht, te weinig. Daarover kan en mag je de media bekritiseren.

Ja, de media geven aandacht zaken die in de samenleving spelen dat is hun werk. Over het belang van al die zaken kan en mag je van mening verschillen. Zo zal het gros van de media van mei tot juli van dit jaar weer uitgebreid schrijven over de belangrijkste bijzaak, het Europees kampioenschap voetbal (zonder Rubiales). In het westelijk deel van Europa kan en mag je daar kritiek op hebben en de media erop aanspreken. Als hun antwoord je niet bevalt, dan mag je een eigen medium beginnen. Dat staat je vrij. Kritiek hebben op de media en er zelf een beginnen is ook een van de verworvenheden waarin het westelijk deel van Europa voorloopt op andere delen van de wereld. Net zoals je inhoud van de kunstcanon ter discussie kan en mag stellen. Canonnen zijn niet heilig. Hier zou ik nog een stapje verder gaan dan de studenten en pleiten voor het afschaffen van de kunstcanon. Wellicht past ook hier een thematische aanpak beter. Een aanpak waar ik bij het geven van geschiedenisonderwijs ook voor pleit. Trouwens ook met canon staat het je vrij om Frida Kahlo’s leven en werk te bestuderen.

De studenten leggen vingers op zere plekken. Ik hoop dat ze zich realiseren dat het leggen van vingers op zere plekken ook een verworvenheid is van de West-Europese en dat West-Europa in de wereld daarin eerder uitzondering dan regel is. Eigenlijk is er in het westelijk deel van Europa niets heilig behalve het geschop van de jeugd tegen echte of vermeende heilige huisjes. Maar is het een ‘heilig’ iets of is het een traditie?


[1] Het artikel is in het Engels en door de Ballonnendoorprikker vertaald naar het Nederlands

Wil de echte fascist nu opstaan?

Nee ik ben Paul Cliteur niet aan het stalken. Het is toeval dat ik nu weer een prikker aan hem wijd. In een schrijven van Cliteur bij De Dagelijkse Standaard lees ik: “Ik plaats het woord “antifascisme” tussen aanhalingstekens om tot uitdrukking te brengen dat ik zelf dit “antifascisme” niet zie als een oprechte afwijzing van fascisme. Het tegenovergestelde zelfs. Volkert van der G. was, of is, een fascist in de zin dat hij gebruik wilde maken van grof geweld om Fortuyn “te stoppen”. En de Oekraïense paraplu-terrorist uit Gent en de Groningse jongeling die, door hun ideologie verblind, geweld aanwenden tegenover Baudet hebben veel meer met echt fascisme gemeen dan de slachtoffers van hun gewelddadige acties.” Geheel in de stijl van Herman Emmink in het programmama Wie van de Drie dacht ik: ‘Wil de echte fascist nu opstaan?’

Bron: Flickr

Cliteur ziet sinds de verkiezingen van 22 november veiligheidsrisico’s vanuit twee kanten. Aan de ene kant het islamitisch jihadisme: “Nu Wilders de beoogde premier is van Nederland zal de dreiging vanuit Pakistan alleen maar groter worden. Hij heeft geen 6 bewakers om zich heen nodig, maar 12.”  De tweede bedreiging: “die van het “antifascisme”, is groot. Het “antifascisme” manifesteerde zich in 2002 met Volkert van der G. Onlangs stak het opnieuw de kop op in Gent toen een Oekraïner Baudet op zijn hoofd sloeg met een verzwaarde paraplu daarbij “fascismo” roepend. Enkele weken daarna herhaalde zich deze gang van zaken, zij het nu met een bierflesje waarmee Baudet werd geslagen tijdens een cafébezoek in een café in Groningen.” Maar die ‘antifascisten’ zijn eigenlijk fascisten als ik Cliteur mag geloven, want ze gebruiken geweld.

Nu is een van de kenmerken van het fascisme de verering van machtsvertoon en geweld. Dat fascisten geweld gebruiken en vereren wil niet meteen zeggen dat iedereen die dat doet meteen een fascist is. Fascisten vinden het gebruik van geweld te verdedigen als het gericht is tegen het omverwerpen van de bestaande maatschappelijke orde. Als het hoofd van Baudet staat voor de bestaande maatschappelijke orde, dan zou de daad op fascisme kunnen wijzen. Als er echter iets kenmerkend is voor Baudet dan is het dat hij zich verzet tegen de bestaande maatschappelijke orde. Zijn hoofd staat juist voor het verwerpen van de maatschappelijke orde en lijkt mij daarmee geen goed symbool om je verzet tegen de maatschappelijke orde te uiten. Dat lijkt mij van dezelfde orde als je verzetten tegen roken door een rookmarathon te houden.

Fascisme heeft echter nog meer kenmerken. Zo is het extreem nationalistisch. Nu ken ik de denkbeelden van de hanteerders van de paraplu en het bierflesje niet. Die van Baudet en zijn Forum voor Democratie wel. De partij wil dat Nederland zich terugtrekt uit zo ongeveer alle internationale samenwerking. Of zoals ze het zelf noemen: “Een intelligente uittreding uit de Europese Unie. In hetzelfde licht moet de betrokkenheid van Nederland bij andere internationale organisaties (EVRM, WEF, WHO, NAVO) worden herzien.” En: “Internationale verdragen opzeggen die onze beleidsvrijheid inperken, zoals het VN vluchtelingenverdrag dat ons dwingt tot het opnemen van migranten.[1]Helaas wordt niet duidelijk hoe zo’n intelligente uittreding eruit ziet en lijkt de partij zich niet te realiseren dat ieder verdrag dat je tekent, je bindt en dus beperkt. Hieruit concludeer ik dat de partij extreem nationalistisch is.

Als je het iets anders bekijkt, dan lijken Baudet en zijn partij een permanente strijd te voeren om de eigen natie te laten overleven te midden van andere staten en laat dat ook een van de kenmerken van het fascisme zijn. Of dat voor de hanteerders van de paraplu en het bierflesje ook op gaat, weet ik niet. Een permanente strijd tegen: de weg-met-ons mentaliteit die onze politieke, culturele en journalistieke elites doordrenkt. De oikofobie. Want die verklaart de slappe knieën van kartelpolitici, de schaamte voor onze geschiedenis, het weggeven van onze gulden, de sfeerloze, liefdeloze architectuur.”  Zoals hij het bij TPO omschreef.

Een ander kenmerk van fascisme is dat het een autoritaire structuur kent met aan het hoofd een leider waaraan charismatische eigenschappen worden toegekend. Nu ken ik de structuur waar binnen de hanteerders van de paraplu en het bierflesje opereren, niet. Die van het FvD, de partij van Baudet en Cliteur lijkt wel iets van een autoritaire structuur te kennen. Toen er na de verkiezingen van 2021 wat discussie binnen de partij ontstond, werden de criticasters de partij uitgebonjourd en vervolgens met ‘pek en veren’ overladen. Of ze stapten er zelf uit waarna ze de FvD en haar leider met ‘pek en veren’ overlaadden.

Het fascisme streeft naar een totalitaire staat die de volledige controle heeft over de sociale, culturele organisaties binnen de samenleving. Nu ken ik de ‘controlebehoefte’ van de hanteerders van de paraplu en het bierflesje opereren, niet. Van de FvD is bekend dat ze werken aan een eigen zuil , ‘Forumland’. Voor de jongeren onder ons. Zuil slaat terug op de periode van het midden van de negentiende- tot de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Daar waar ‘nostalgisten’ als Wilders en ook Baudet hoog opgeven over ‘de Nederlandse identiteit en normen en waarden gebaseerd op joods, christelijk, humanistische grondslag, kende Nederland in die tijd veel verschillende identiteiten. Zo kende het land de katholieke, de Nederlands hervormde, de gereformeerde, de lutheraans, de joodse, de liberale, de sociaaldemocratische en ik vergeet er vast nog wel een, identiteit. Mensen leefde in die ‘identiteit’ en het contact met de andere identiteiten was er nauwelijks tot niet. Immers: ‘twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen’. Als katholiek deed je je boodschappen bij een katholieke bakker, je ging naar de katholieke kroeg, je stemde op de KVP, je voetbalde katholiek en zelf je duiven vlogen katholiek. Sociaaldemocraten deden dat sociaaldemocratisch en hervormden hervormd. Met ’Forumland’ wil Baudet en zijn club ook zoiets waarbij hij in de top stevige controle heeft over alles binnen ‘Forumland’.  Daarmee raken we nog een ander kenmerk van fascisme namelijk het streven naar sociale eenheid en de opheffing van klassen- en belangentegenstellingen en controle over de economie.

Fascisme streeft naar de instelling van een politieke dictatuur. Nu weet ik niet of de hanteerders van de paraplu en het bierflesje streven naar een politieke dictatuur. De manier waarop binnen de FvD met tegenspraak wordt omgegaan en het streven naar ‘Forumland’ komt nogal totalitair: “waarin alles ondergeschikt wordt gemaakt aan de alles controlerende staat, “ aldus de Vandale En die omschrijving gaat verder met de woorden: “die meestal als dictatuur is ingericht.”

Volgens de definitie van de Britse historicus Roger Griffen maken fascisten gebruik van de mythe van een ‘nationale wedergeboorte’. Voor de toekomstige glorie moeten we terug naar het verleden. Mussolini wilde terug naar de moderne versie van het Romeinse Rijk. Hitler wilde met zijn Derde Rijk voortborduren  op twee eerdere ‘Duitse rijken’ Als eerste de grootsheid van het Eerste Rijk,  het Heilige Roomse Rijk der Duitse naties van de periode van de negende eeuw totdat Napoleon er en einde aan maakte. Nu viel het met de grootsheid en vooral de eenheid van dat Rijk behoorlijk tegen. Als tweede het Tweede Rijk, het Duitse Keizerrijk dat in 1871 ontstond en bestond tot 1918 toen de keizer Wilhelm II voor zijn leven vreesde, zijn biezen pakte en naar Nederland vluchtte. Baudet. Of de hanteerders van de paraplu en het bierflesje ook zo’n fascinatie hebben voor een periode in het verleden, weet ik niet. Baudet wel. Hij wil terug naar de tijd van de:  “delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood’,” zoals hij in 2019 in een interview bij een Zwitserse krant zei. En wanneer was dat? “This reached its apex, I believe, in the eighteenth century,” de tijd van de: “bourgeois society, bourgeois traditions, the bourgeois way of life of ordinary people.” 

Het fascisme is, volgens de definitie van de Amerikaanse Historicus Stanley G. Payne, antiliberaal, anticommunistisch en anticonservatief.  Nu weet ik niet hoe de hanteerders van de paraplu en het bierflesje naar de wereld kijken. Van Baudet weten uit het interview met de Zwitserse krant, dat hij zich afzet tegen alle partijen, want die waren allemaal: “representatives of the “liberal” or “liberalist” philosophy where emancipation of the individual is the ultimate aim. Maximum equality, maximum individual liberty.” Hij staat er anders in: “It’s the philosophy that starts from the understanding that we are paradoxical beings. We want to be free and, at the same time, we want to be embedded. We want to be individuals, but we also want to be members of a group. In a proper society, there’s an equilibrium there, a delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood.’”  En naar die tijd wil hij ‘vooruit’. Vooruit naar een Eenentwintigste-eeuwse variant van zijn droombeeld van de Achttiende-eeuwse bourgeoissamenleving.

Of de hanteerders van de paraplu en het bierflesje fascisten zijn, weet ik niet. Het denken van Baudet tikt wel veel kenmerken van fascisme aan.


[1] Het programma van hoop, optimisme en herstel, pagina 10

De jij-bak van Cliteur

”Pieter, wil je nu eens eindelijk met mij gaan praten?” Zo begint een artikel van rechtsfilosoof en voormalig lid van de Eerste Kamer namens het Forum voor Democratie Paul Cliteur bij De Dagelijkse Standaard. Het artikel is geschreven in de vorm van een dialoog tussen PVV -enigst-lid Geert Wilders en NSC-leider Pieter Omtzigt. “Nee, Geert, wat jij zegt is in strijd met de Grondwet, in strijd met de rechtsstaat,” zo laat Cliteur Omtzigt antwoorden. Een artikel waarin Cliteur zich bedient van jij-bak, maar wel eentje die als een tang op een varken slaat. Voor degenen die het niet weten. Een jij-bak is een redenering waarbij het standpunt van de tegenstrever niet wordt verworpen, maar waar hem wordt verweten boter op het hoofd te hebben.

In Cliteurs artikel laat Omtzigt Wilders raden naar uitspraken van Wilders die strijdig zijn met de Grondwet. Na wat gekibbel laat Cliteur Wilders zeggen: “Weet je wat? Ik ben klaar met jou. Ik zal jou eens wat puntjes laten formuleren waarop jouw programma in strijd is met de grondwet.”  Waarop Cliteur Omtzigt verbaast laat reageren met: “Bij ons? Strijd met de Grondwet? Hoe kom je daar nu bij?”  Waarop Cliteurs Wilders antwoordt: “Jij bent een groot voorstander van een Constitutioneel Hof. Dat wil zeggen een rechterlijke instantie die mag toetsen of de wetten die wij, volksvertegenwoordigers, maken wel in overeenstemming zijn met de Grondwet. Dat Hof komt straks helemaal vol te zitten met D66-rechters die alles gaan afhameren wat wij, vertegenwoordigers van het volk, tot wet hebben verheven. Dat plannetje van jou, dat Constitutioneel Hof, is in strijd met de Grondwet. De Grondwet verbiedt namelijk “constitutionele toetsing” in art. 120. Daar staat: “De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen”. Dat wil jij dus mogelijk maken: dat die rechters die beoordeling gaan plegen. In strijd met de Grondwet, Pieter, en dat artikel heeft men niet voor niets in Grondwet opgenomen.” Inderdaad stelt artikel 120 van de Nederlandse Grondwet: “De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.” En precies beoordelen van de grondwettelijkheid is wat Omtzigt met zijn Grondwettelijk hof beoogt. Dus Cliteur heeft een punt?

Niet te snel concluderen! In zijn verkiezingsprogramma stelt ‘Pieter’ voor om: “het verbod op toetsing aan de Grondwet op (te) heffen en een constitutioneel hof in (te) stellen dat aangenomen wetten toetst aan de Grondwet.[1] Om dat mogelijk te maken, moet de Grondwet volgens worden gewijzigd. Een voorstel tot wijziging van de Grondwet is niet ongrondwettelijk. Zo’n voorstel moet twee keer door de Tweede – en Eerste Kamer worden behandeld. De eerste keer moet het voorstel worden aangenomen met een gewone meerderheid. De tweede keer met een twee derde meerderheid. Tussen die twee keren moeten verkiezingen voor de Tweede Kamer zitten. Op die manier heeft ook de kiezer de mogelijkheid om zich erover uit te spreken. Dat weet ‘Pieter’, dat zal ‘Geert’ ook weten en dat weet Cliteur ook.

Wat ‘Geert’ wil, is van een heel andere orde. ‘Geert’ wil: “geen islamitische scholen, korans en moskeeën.[2] Hij wil: “Behoud van artikel 23 van de Grondwet, de vrijheid van bijzonder onderwijs,  en: “Verbod op islamitisch onderwijs, omdat dat onze vrijheid en onze waarden bedreigt.[3] Die laatste twee staan direct onder elkaar in de opsomming. Ook dat kan en mag je willen en ook daarvoor is een wijziging van de Grondwet noodzakelijk. Alleen is die wijziging iets ingrijpender. Die vraagt om een grondige verbouwing van de Grondwet. Daarvoor is het nodig om in ieder geval artikel 1: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook, is niet toegestaan,” artikel 6 eerste lid:
Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet,”
 en artikel 8: “Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.” Artikel 9 eerste lid: “Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet,” en bizar genoeg ook artikel 23, dat de vrijheid van onderwijs regelt en dat ‘Geert’ wil behouden, moet worden aangepast. En ja, ook dat kan op de hierboven genoemde manier.

Dus toch een jij-bak: beiden willen de Grondwet wijzigen dus waarom zeurt ‘Pieter’ zo ? Waarom gaat hij niet ‘eens eindelijk met Geert praten’? Waar is dan die tang die op dat varken slaat? Wat ‘Pieter’ wil betreft de structuur van onze rechtsstaat, de instituties. Daar wil hij er eentje aan toevoegen. Over nut en noodzaak daarvan kun je van mening verschillen en daar kun je kanttekeningen bij plaatsen, zoals ik eerder deed. ‘Geert’ tornt niet aan de structuur van onze rechtsstaat, maar aan de cultuur. Hij wil verschil in behandeling. Hij wil eerste- en tweederangs burgers. Dat is van een heel andere orde en dat zou Cliteur, als rechtsfilosoof moeten weten.


[1] Tijd voor herstel, pagina 8

[2] Nederlanders weer op 1, pagina 8

[3] Idem, pagina 34