Maatschappelijk belang

Carlijne Vos schrijft in het commentaar in de Volkskrant over het D’66 wetsvoorstel om de donorwet aan te passen. Nu moet iemand expliciet aangeven donor te zijn, als het wetsvoorstel wordt aangenomen, moet je expliciet aangeven géén donor te willen zijn.

orgaandonor

Illustratie: afvallen-gezondleven.nl

D’66 heeft dit wetsvoorstel opgesteld, omdat er te weinig donoren zijn om aan de vraag te voldoen. Hierdoor sterven mensen, omdat er geen passende donor is. Ongeveer 25% van de Nederlanders is donor terwijl uit onderzoek blijkt dat meer dan de helft wel zou willen doneren. Meer donoren vergroten de kans dat er bijvoorbeeld een passend hart is voor een donor patiënt. Daarom zou het goed zijn als meer mensen zouden aangeven donor te willen zijn. Het wetsvoorstel kan eraan bijdragen, maar daar wil ik het nu niet over hebben.

Ik wil het hebben over het argument van Carlijne Vos in de afsluitende zin van het commentaar: “Het bezwaar dat mensen nu mogelijk ongewild donor worden omdat ze hun post niet open maken of wilsonbekwaam zijn, legt het af tegen het grotere maatschappelijk belang.”

Een van de taken van de overheid is om de zwakkeren te beschermen. Zijn de wachters op een donororgaan de zwakkeren die extra beschermd moeten worden? En wordt die bescherming met dit wetsvoorstel geboden? Zou de overheid niet juist de wilsonbekwamen moeten beschermen?

Deze passage roept meer vragen op. Creëert Vos niet een oneigenlijke tegenstelling om haar opvattingen kracht bij te zetten? De belangen van de wachters op een donororgaan noemt zij een maatschappelijk  belang. Geldt datzelfde niet ook voor de belangen van de wilsonbekwamen of de ongewilde donoren? Is dat niet ook een maatschappelijk belang? Wat maakt dat het ene een maatschappelijk belang is en het ander niet? Waarin zit dat verschil? Of zijn het allemaal individuen met belangen? Heeft de overheid niet ook de taak om voorzichtig om te springen met de belangen van mensen die zo ongewild donor worden?

Werken aan geluk

“Werken maakt niet gelukkig. Studeren ook niet. Het zijn vervelende activiteiten. We doen ze omdat het moet. Als het kon, dan stopten we er direct mee.” De eerste alinea uit een artikel van Mathijs Bouman in het Financieel Dagblad. Vrijen en dansen maken wel gelukkig. Hij haalt een artikel van twee economen in het Economic Journal aan. Zij hebben een app ontwikkeld, de ‘Mappiness’ en mensen een paar keer per dag vraagt  wat ze op die momenten aan het doen zijn en hoeveel geluk zij ervaren. Zij willen zo geluk meten. Vrijen en dansen komen daar als geluksbrengers uit naar voren.

mappinessIllustratie: steamregister.com

Nu kunnen we eindelijk beleid maken gericht op geluk. Maar dan moet je geluk wel definiëren en dat doen zij. Geluk is: “een stroom van plezierige gevoelens die de mens van moment tot moment ervaart.” En niet de mate waarin iemand tevreden is met zijn leven of het gevoel van doel, betekenis en eigenwaarde. En beleid maken?

Dat wordt toch wel lastig. Mensen worden ongelukkiger van ziek zijn en daar is niet veel aan te doen. En om te kunnen vrijen, moet je toch echt minimaal met z’n tweeën zijn. Bouman: “Dit onderzoek laat precies zien waarom geluk geen beleidsdoelstelling kan zijn. Met een verbod op werken en gratis condooms voor iedereen, komt het land niet veel verder.”

Bouman stelt: “De resultaten laten weinig ruimte voor twijfel.” Is dat wel zo?  Zo worden we van een museumbezoek ruim 8% gelukkiger volgens de onderzoekers. Als een museumbezoek werkelijk zo’n gelukstoename zou betekenen, waarom is het dan niet veel drukker in musea? Maar ja, mensen die musea haten, zullen geen museum bezoeken. Hun ‘ongeluk’ wordt zo niet gemeten. Worden op deze manier niet vooral positieve gebeurtenissen gemeten?

Bouman heeft een punt dat geluk geen beleidsdoelstelling kan zijn. Zeker niet als de meting voornamelijk positieve gebeurtenissen meet. Zeggen dergelijke uitkomsten niet alleen iets over activiteiten die iedereen moet doen en laat dat net de ‘geluksverhinderaars’ zijn, zoals werken of ziekte? Ziek zijn moet niet, maar je hebt geen keus?

Inderdaad komen we zonder werk niet verder. Zou het ‘ongelukscijfer’ voor werk niet aanleiding kunnen zijn om arbeid anders in te richten? Zouden we arbeid niet veel minder centraal moeten stellen? En zou de ‘vernietiging’ van vele banen en de schaarste aan werk, niet een tweede goede aanleiding zijn voor zo’n heroverweging?

Leadership from behind

In Dagblad de Limburger roept Sjoerd Mossou de voetbalsupporter op om in actie te komen. Volgens hem laten tienduizenden zich in de stadions gijzelen door een klein groepje idioten. Hij adviseert deze tienduizenden: “Loop massaal het stadion uit. Zing een ander – veel beter – lied. Ga in discussie met je buurman. Breng de humor terug in plaats van dat verstikkende oliedomme gebrek aan relativering. Verzin een ludieke actie.” Nu denk ik dat juist dat kleine deel dat ‘poppen ophangt’ etcetera, denkt dat dit ludiek is, een vorm van humor. Volgens Mossou is het verleidelijk en ook deels terecht om naar de KNVB, de club of de overheid te wijzen.

leiderschapIllustratie: www.michellesmirror.com

In de Volkskrant heeft Max Pam een ander, wellicht aanvullend idee: “Zo kan iedereen die getuige is van een voetbalwedstrijd waarbij zich ongeregeldheden voordoen en die daar op de een of andere manier niet tegen is opgestaan, worden beschouwd als een lid van een criminele organisatie.” En om dit kracht bij te zetten, stelt hij voor om de stadionbezoekers borg te laten betalen. Die krijgen ze terug als alles goed gaat, anders niet.

Opvallend is dat beide heren de eigen verantwoordelijkheid van de stadionbezoeker aanspreken. Dat is deels ook terecht. En als niets anders werkt, dan is dat een laatste redmiddel. Laatste, omdat er ook andere zijn. Laten we eens naar de beroepsgroep van Mossou en Pam kijken. Zou het niet meer verslaan van wedstrijden door alle media, een één na laatste redmiddel kunnen zijn? Dit betekent geen TV-gelden voor de clubs en sterk verminderde aantrekkelijkheid voor sponsors.

En met die sponsors komen we bij het op twee na laatste redmiddel. Wat als sponsors zich om die reden terugtrekken? En dan de scheidsrechters? Die kunnen een wedstrijd staken of niet laten beginnen. En daar weer voor de spelers en trainers. Wat zou er gebeuren als die niet verder spelen? En daarvoor de clubs. Zouden die gasten die zich misdragen niet de deur uit kunnen zetten? Het is immers hun huis. Indien nodig kunnen ze hiervoor politieondersteuning vragen. En daar weer voor de voetbalbond. Zou die geen gedragsregels kunnen uitvaardigen hoe te handelen in een dergelijke situatie?

Toont echt leiderschap zich niet juist in moeilijke tijden? Zien we niet een schrijnend gebrek aan leiderschap en verantwoordelijkheidsbesef? Maar ja, waarom zou het voetbal een uitzondering zijn op het algehele gebrek aan leiderschap en verantwoordelijkheidsgevoel bij bestuurders, in de politiek en de samenleving? Zien we daar niet ook vormen van hooliganisme en wegduiken? Van het ontwijken en ontduiken van verantwoordelijkheid? Is dit het nieuwe ‘leadership from behind’?

Eenvoudige oplossingen

Voor de excellente, hoogbegaafde, top-presterende VWO-leerlingen komt er de mogelijkheid om het VWO in vijf in plaats van zes jaar te doen, zo valt te lezen in de Volkskrant. Een klein experiment op 2 scholen verliep succesvol en nu wordt het uitgebreid tot 25 scholen. Die scholen krijgen zelf veel vrijheid om die ‘versnelling’ in te vullen. Er was altijd al de mogelijkheid om extra vakken of modules te volgen. Daar komt nu de versnelling bij, omdat sommige leerlingen liever snel een diploma op zak willen hebben. Goed dat aan deze leerlingen extra mogelijkheden worden geboden. Maar… .

EcoFoto: www.quofataferunt.com

Kent het probleem van de excellente leerlingen niet een andere oorzaak? Is het niveau van het onderwijs de afgelopen decennia flink gedaald of wordt de mens steeds slimmer? Deze vraag stelde ik al eerder. Als de mens steeds slimmer wordt, moeten dan niet de eisen voor diploma’s worden verhoogd? Als we dat niet doen, dan is op termijn iedereen universitair geschoold. Maar wat zegt dat dan nog? Of is het niveau van het onderwijs gedaald? Dit wellicht om de beleidsdoelstellingen met betrekking tot onderwijs te halen.

Er zijn veel signalen die op dit laatste wijzen. Universiteiten geven studenten bijles wiskunde, omdat het niveau te laag is. Middelbare scholieren moeten om dezelfde reden taal en rekentoetsen maken. Nederland daalt op de Pisa-ranglijsten. Zou het aantal VWO’ers dat niet voldoende wordt uitgedaagd niet ook een signaal kunnen zijn van het dalende niveau? En kunnen de University Colleges niet ook als zo’n signaal worden gezien?  Een signaal van een dalend algemeen niveau van onderwijs?

Zouden we onze energie niet moeten richten op het verhogen van de eisen voor alle diploma’s? Niet alleen voor de excellente leerlingen, maar voor alle leerlingen? Dus minder, maar wel beter opgeleide VWO’ers. Beter opgeleide Havisten en meer en beter opgeleide VMBO’ers? Zou dit ons land niet veel meer opleveren? Zouden hiervan niet alle leerlingen profiteren door kwalitatief beter onderwijs? Door reëlere verwachtingen bij zowel de leerling als de samenleving met betrekking tot het kunnen van de leerling? Een oplossing die weliswaar leidt tot een daling van het aantal hoger opgeleiden, maar is dat erg? Zeker als die hogere opleiding voor het beschikbare werk niet nodig is.

Het versnellen van het VWO en ook het oprichten van ‘excellente universiteiten’ zijn manieren om tegemoet te komen aan de behoefte van de intelligente leerlingen en studenten. Een eenvoudige oplossing. Umberto Eco schreef in De Slinger van Foucault het volgende: “Voor ieder ingewikkeld probleem bestaat een eenvoudige oplossing en die is fout.” Zou dat hier ook het geval kunnen zijn?

Meten met twee maten

In de Volkskrant een artikel over de jonge Haagse villawijk Vroondaal. Een wijk waar al een enkele villa staat, maar die vooral bestaat uit lege percelen. De wijk kwam ‘in de verkeerde periode op de markt’: net toen de economie in crisis schoot. Om wat aan die lege weilanden te doen en natuurlijk ook omdat het verkopen van die grond geld oplevert, komt de gemeente Den Haag nu met een nieuw idee: “Vermogende Chinezen en andere Aziaten die in Den Haag een energieneutrale villa kopen van 1,3 tot 1,6 miljoen euro, krijgen een waardevol welkomstgeschenk: een voorlopige verblijfsvergunning.”

OngelijkheidIllustratie: marketupdate.nl

Het mes snijdt aan twee kanten. De wijk en de gemeentekas worden gevuld en de rijke Aziaten gaan natuurlijk een deel van hun rijkdom uitgeven in De Haag. Dat is natuurlijk goed voor de middenstand en de economie. Een creatief plan, maar …

Hoe verhoudt zich dit tot de komst van vele vluchtelingen, die de gemoederen flink verhit? Voor de ene helft van het land zijn het er ‘teveel van een verkeerde religie en cultuur’ en de andere helft ‘heet ze van harte welkom’. Discussie vooral over de kosten en de zorgen met betrekking tot de (on)mogelijkheid tot integratie. Die vluchtelingen moeten toch een asielaanvraag indienen en dan afwachten of ze een verblijfsstatus krijgen? Moeten ze als statushouder vervolgens niet als de wiedeweerga zorgen dat ze de taal spreken, inburgeren en integreren?

Moeten deze ‘Chinezen en andere Aziaten’ ook de taal leren en inburgeren en integreren? Rijke Aziatische landgenoten kopen een verblijfsstatus en worden met open armen ontvangen. Liggen Syrië, Irak en Afghanistan niet ook in Azië? Hun arme landgenoten treft een heel ander lot. Worden aan die vermogenden ook taal -, inburgerings- en integratie-eisen gesteld of gaan we meten met twee maten?

Zou mijn moeder toch gelijk hebben, als ze de volgende uitspraak deed: ‘d’n duvel schiet altied op de groeëtsten haup’?*

 

 

 

* de duivel schijt altijd op de grootste hoop. Wat wil zeggen dat het geluk degenen die het al goed hebben, goed gezind is.

Zaaien en oogsten

Eigenbelang of hebzucht vervult een centrale rol in het economische denken. De ‘godfather’ van de economische wetenschap, Adam Smith verwoordde het zo: “Het is niet vanwege de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker dat wij onze maaltijd verwachten, maar vanwege hun eigen belang. Wij doen geen beroep op hun menslievendheid, maar op hun eigenliefde en spreken nooit over onze noden, maar hun belangen. Alleen een bedelaar kiest ervoor om voornamelijk van welwillendheid van medeburgers afhankelijk te zijn.”

Die bakker verkoopt ons goed brood omdat we anders niet meer bij hem kopen, niet omdat hij zo graag goed brood maakt. Voor de bakkers onder de lezers, zo redeneerde Smith en tegenwoordig veel economen en politici. Ik zie ook een intrinsieke motivatie van Bakkerij Rutten om een een lekkere ‘Jocusmik’ te maken

RuttenFoto: https://www.facebook.com/BakkerijRutten

Op dit denken is een groot deel van onze samenleving gebouwd. Daarom is veel sociale wetgeving, zie bijvoorbeeld de Participatiewet, gebouwd op wantrouwen. Als het geld binnen is, zal de uitkeringsgerechtigde niet hard zoeken naar werk. Dus dat moet worden ‘afgedwongen’. Als je met een dergelijke bril naar de wereld kijkt, dan valt inderdaad op dat er mensen zijn die misbruik maken. De ‘brillendrager’ zal dat zien als een bevestiging van zijn gelijk. Wat hij niet ziet, is dat een veel groter aantal mensen geen misbruik maakt. Ziet hij dat wel, dan zal hij daarin ook een bevestiging zien van zijn gelijk. Dat goed gedrag wordt immers door de regels ‘afgedwongen’.

‘Zoals men zaait zo zal men oogsten’ luidt een Nederlands spreekwoord. Zouden we als we eigenbelang en hebzucht zaaien, door in onze regels uit te gaan van wantrouwen, niet ook eigenbelang en hebzucht en dus wantrouwen oogsten? De Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang ziet dit als een van de 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme. Hij zou het economisch stelsel op dit punt graag wat anders zien: “We moeten een economisch stelsel ontwerpen dat er weliswaar rekening mee houdt dat mensen vaak zelfzuchtig zijn, maar dat optimaal gebruik maakt van andere menselijke motieven en het beste uit mensen haalt.” 

Dat brengt mij bij de Braziliaanse ondernemer Ricardo Semler waarover ik al eerder schreef. Semler gelooft in de kracht van geluk en daar bouwde hij zijn bedrijf op. Voor hem staat vertrouwen centraal en hierdoor boort hij de kracht van mensen aan. Dat doet hij met succes. Laten hij en zijn medewerkers zo niet zien dat uitgaan van het goede in mensen goede resultaten oplevert? Zou uitgaan van het goede en dus vertrouwen in de sociale zekerheid betere resultaten opleveren? En wellicht tegen lagere kosten?

 

 

Taleb-wet

Een politicus moet vrij zijn en vrij betekent: “niet gedwongen kunnen worden om te doen wat hij anders nooit gedaan zou hebben,” zoals Nassim Nicholas Taleb het omschrijf in zijn boek Antifragiel. Daar moest ik aan denken toen het VVD-Kamerlid Bart de Liefde bekend maakte het Kamerlidmaatschap in te ruilen voor een bestaan als lobbyist bij Uber. De Liefde is de laatste maar zeker niet de eerste en enige politicus die de Kamer verlaat voor een lobby en/of bestuursfunctie. Kamerleden weten hoe de politieke en ambtelijke hazen lopen, hebben de juiste connecties en dat maakt hen gewild voor deze functies. Zijn bestuurders niet ook lobbyisten? Dat even terzijde.

Taleb

Illustratie: verraes.net

In de Binnenhofse kringen wordt met onbegrip gereageerd op de overstap van De Liefde. Maar is jobhoppen tegenwoordig niet de norm? En wordt het Kamerlidmaatschap niet gezien als werk, als een baan? Is het dan niet logisch dat een Kamerlid hiervan gebruik maakt? Juist om de overeenkomst met andere banen te benadrukken is de wachtgeldregeling aangepast en meer in lijn gebracht met de reguliere ww. Moeten we dan niet blij zijn dat De Liefde nu overstapt omdat het zo wachtgeld bespaart?

Het kamerlidmaatschap of een ministerschap, is niet altijd een baan of werk geweest. Bij de oude Atheners was politiek iets voor vrije mensen. Want alleen een vrij man kon zijn eigen standpunten bepalen en was van niemand afhankelijk voor zijn levensonderhoud. Een afgeleide hiervan was het kiesrecht op basis van de hoogte van het inkomen, zoals het tot het einde van de negentiende eeuw dominant was. Politiek was iets voor de rijken en de armen moesten maar afwachten

De twintigste eeuw kende de politicus met een ‘roeping’. Na een korte carrière in het bedrijfsleven of de (semi)overheid, het bestuur in en nooit meer onder ‘de stolp’ uit. En nu kennen we de politiek als carrièrestap. Met als nadeel dat niet bekend is hoe ‘vrij’ de politicus is. Want wat is zijn vorige of volgende job en hoe beïnvloedt dit zijn handelen? Past hij, om Taleb te parafraseren ‘zijn overtuigingen aan zijn daden aan, in plaats van zijn daden aan zijn overtuigingen’?

Maar ja, hoe voorkom je dat het Kamerlidmaatschap als opstapje wordt gebruikt en de overtuigingen worden aangepast? Taleb doet de volgende suggestie: “Iedereen die een openbaar ambt bekleedt, zou verboden moeten worden daarna in een commerciële functie meer te verdienen dan de meestverdienende ambtenaar.” 

Zou dit helpen en moeten we een ‘Taleb-wet’ invoeren?

Historische dementie

‘We moeten onze cultuur beschermen’, en ‘onze beschaving staat onder druk’, deze en soortgelijke uitspraken vallen tegenwoordig veel en vaak te lezen en te horen. Veel in verband met de instroom van vluchtelingen maar ook in in andere verbanden zoals de al bijna ‘traditionele’ Zwarte-Pietendiscussie.

Otgea y Gasset

Illustratie: www.lemniscaat.nl

In zijn boek De opstand van de massamens geschreven in de jaren dertig van de vorige eeuw, behandelt de Spaanse denker José Ortega y Gasset dit thema ook. “Eén aspect, concreter gezegd, nauw verweven met de vaart der volkeren, en dat is de rijke ervaring waaruit men kan putten. Ik doel op het lange verleden dat de beschaving achter zich heeft, haar geschiedenis. Het ontwikkelen van historisch besef is een van de beste manieren om een geavanceerde beschaving in stand te houden. Niet zo zeer om ons positieve oplossingen te bieden voor de nieuwe problemen die het nieuwe leven opwerpt – het leven is immers altijd weer anders dan het was – maar om dezelfde naïeve dwalingen van vroeger te vermijden.”  Zo schrijft hij.

Normaal, aldus Ortega y Gasset, gaan beschavingen ten onder omdat beginselen waarop ze zijn gebaseerd niet meer toereikend bleken. In de jaren dertig van de vorige eeuw zag hij een andere mogelijke reden voor de ondergang van een beschaving: “Het leven wordt moeilijker naarmate je ouder wordt, maar dat wordt gecompenseerd door ervaring. Als je dan ook nog je geheugen bent kwijtgeraakt waardoor je er niet meer uit kunt putten, blijven alleen de nadelen over. Welnu, ik geloof dat Europa zich juist in die situatie bevindt. Zelfs de meest ‘gecultiveerde’ mensen van onze tijd lijden aan een ontstellend gebrek aan historisch besef.”

Onze beschaving wordt in vage termen beschreven; joods-christelijke cultuur. Waarbij men zich niet realiseert dat die christelijke cultuur de joodse eeuwenlang te vuur en te zwaard heeft bestreden. Daarnaast blonk die christelijke cultuur nu niet uit in eenheid.

Iets specifieker wordt het als er wordt gesproken over de gelijkheid van man en vrouw en gelijke behandeling van homo’s. Daarbij wordt voor het gemak vergeten dat hele volksstammen Europeanen die gelijkheid toch net wat anders zien.

Wat zijn de belangrijke waarden waarop de westerse samenleving is gebaseerd en hoe hebben die zich ontwikkeld? Waar komen ze vandaan? Hoe verhouden die waarden zich tot elkaar? Welke ‘naïeve dwalingen’ zijn begaan en  moeten worden vermeden? Tiert historische dementie niet welig?

Staande ovatie

Gisteren haalde ik de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang aan. Chang is een bijzondere econoom. Want welke econoom zegt van zijn vak dat het voor 95 procent gezond verstand is dat ingewikkeld wordt gemaakt. En dat zelfs voor de resterende 5 procent geldt dat de essentie van de redenering in eenvoudige termen kan worden uitgelegd. Zijn boek 23 Dingen over het kapitalisme die ze je niet vertellen is het bewijs hiervan. Chang heeft een bijzondere en verfrissende kijk op zaken en onderbouwt die met argumenten en feiten.

OvatieFoto: www.operamagazine.nl

Zo heeft Chang een bijzondere en afwijkende kijk op de rol en functie van het onderwijs. Het Nederlandse beleid is gericht op het zo hoog mogelijk opleiden van de jeugdigen. Om een sterke, groeiende economie te behouden, moeten we het immers van de kennis hebben, de kenniseconomie heeft de toekomst.

Chang kijkt er wat anders naar: “Onderwijs is waardevol, maar de belangrijkste waarde is niet dat de productie verhoogt. Die ligt in het feit dat onderwijs ons helpt ons potentieel te ontwikkelen en ons in staat stelt een meer bevredigend en zelfstandig leven te leiden.” Als dat de belangrijkste functie van het onderwijs is, zou het onderwijs dan niet daarop gericht moeten zijn en niet op een plek op de arbeidsmarkt?

Chang gaat verder: “Als we ons onderwijs hebben laten groeien in het geloof dat het onze economie rijker zal maken, zullen we zwaar teleurgesteld worden want het verband tussen onderwijs en nationaal productiviteit is nogal vaag en ingewikkeld.” Om dit standpunt te ondersteunen verwijst hij naar Zwitserland. Een van de rijkste en meest geïndustrialiseerde landen van de wereld. Maar ook het land met verreweg het laagste percentage inschrijvingen voor het hoger onderwijs, aldus Chang.

Volgens Chang verspillen landen veel geld en middelen aan het streven om ‘iedereen’ hoger opgeleid te krijgen. De hogere opleiding is voor het beschikbare werk niet nodig, maar wel om met andere werkzoekenden te kunnen concurreren. Ook voor werk waarvoor een hogere opleiding eigenlijk niet nodig is. Zou dat de oorzaak ervan kunnen zijn dat veel mensen onder hun opleidingsniveau werken?

Chang maakt het beeldend: “Het stelsel van hoger onderwijs is in deze landen te vergelijken met een theater waar enkele mensen besloten te gaan staan om beter zicht te krijgen, waardoor ze anderen achter hen dwongen ook te gaan staan. Als eenmaal genoeg mensen staan, moet iedereen gaan staan, wat betekent dat niemand meer een beter zicht heeft terwijl iedereen het ongemak van staan ondervindt.” 

Modern Times

Maurice de Hond pleit in de Volkskrant voor het op een heel andere manier vormgeven van het onderwijs. De wereld verandert volgens De Hond: “Door Google en Wikipedia, smartphones en sociale media heb je waar ook ter wereld altijd de beschikking over alle informatie in de wereld. Dit leidt tot een compleet andere wereld dan de wereld waarin de mensen boven de veertig jaar zijn opgegroeid.”

ChaplinIllustratie: decentfilms.com

Daarom moet er in het huidige curriculum worden geschrapt (hij denkt aan bijvoorbeeld Latijn, Grieks of wiskunde) om plek te maken voor bijvoorbeeld programmeren en ondernemen. “We leren je het nu, wie weet heb je het ooit nodig. Veel van wat je leerde, was in de rest van je leven nooit meer relevant.” Omdat informatie nu in overvloed beschikbaar is, is dat niet nodig. Als je het nodig hebt, zoek je het immers gewoon even op. De Hond lijkt ervoor te pleiten om het onderwijs af te stemmen op dat wat de markt vraagt.

Volgens De Hond is andere kennis en zijn andere vaardigheden nodig: “We moeten veel ruimte geven aan creativiteit, kritisch denken, leren leren, burgerschap.” Was en is dat niet altijd de opdracht van het onderwijs geweest? Is het daarom niet juist van belang om te weten wat de generaties voor jou dachten? Moet je dan ook niet de kennis van hun taal voor de samenleving behouden zodat die teksten uit de eerste hand gelezen kunnen worden? Is wiskunde niet ook van belang omdat het logisch nadenken en redeneren ontwikkelt en bevordert? Zou de wereld niet juist gebaat zijn bij meer logisch nadenken? En bovenal, is dat niet juist een vaardigheid die je goed van pas komt bij het schrijven van algoritmes en het programmeren?

De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum hield een paar jaar geleden in haar boek Not for Profit juist een pleidooi voor het opwaarderen van wat zij humanities, de geesteswetenschappen noemt. Zij waarschuwt voor de dominantie van het ‘marktdenken’: “Hongerig naar winst, verwaarlozen landen en hun onderwijssystemen vaardigheden die nodig zijn om de democratie levend te houden. Als die trend doorzet, produceren landen van over de hele wereld generaties van bruikbare machines in plaats van complete burgers die zelf kunnen denken, tradities bekritiseren en die het belang inzien van andermans lijden en prestaties. De toekomst van de democratie staat op het spel (eigen vertaling).” 

Heeft zij hier een punt? Stimuleer je creativiteit niet juist door kinderen kennis te laten maken met andere culturen, of dat nu huidige of vergane culturen zijn? Zou dat niet ook de nieuwsgierigheid en het empathisch vermogen vergroten? Kan dit geen positieve invloed hebben op de samenleving en dus bijdragen aan ‘burgerschap’? Spant De Hond het paard niet achter de wagen?