Collectieve energie

Neoliberalen en libertariers hebben een grenzenloos vertrouwen in de werking van de vrije markt. Bemoei je niet met de markt, laat iedereen zijn eigen belang najagen en dan krijg je het beste resultaat. Dat resultaat is het algemeen belang en dat is de optelling van die individuele belangen. Hieraan moest ik denken toen ik in de Volkskrant las dat stroomproducent Engie enkele gascentrales sluit. “Omdat het productieproces in gascentrales kostbaarder is dan dat van kolengestookte centrales raken die centrales steeds meer marktaandeel kwijt aan de meer vervuilende kolencentrales.” Schonere gascentrales worden gesloten en vervuilende kolencentrales blijven open?

cassidy

“Als we de ware functie van het prijsmechanisme willen begrijpen, moeten we dit zien als een (…) mechanisme waarmee informatie wordt gecommuniceerd. … Het wonder bestaat erin dat in het geval van schaarste van een bepaalde grondstof, zonder dat er een bevel wordt gegeven, zonder dat meer dan misschien een handvol mensen de oorzaak weet, tienduizenden mensen wier identiteit ook door maandenlang onderzoek niet achterhaald kan worden, ertoe worden aangezet deze grondstof of de hieruit vervaardigde producten spaarzamer te gaan gebruiken; dat wil zeggen dat ze zich in de goede richting bewegen.” Zo omschreef Friedrich Hayek, een van de grondleggers van dit denken, de werking van de vrije markt. In zijn boek Wat als de markt faalt?, waaruit dit citaat afkomstig is, noemt John Cassidy dit ‘het telecommunicatiesysteem van Hayek’. Dient de stroommarkt het algemeen belang?

De overheid is al actief, zij stimuleert de opwekking van duurzame vormen van elektriciteit (wind- en zonne-energie). Hayek zou foei zeggen en dat lijkt energiedeskundige Sjak Lomme te beamen als hij zegt dat dit de markt verstoort. Een verstoring die wel bijdraagt aan het algemene belang, minder vervuiling. Nu is het overschot aan stroom niet alleen een gevolg van de verstoring door zonne- en windenergie. Stroomproductie was tot het eind van de vorige eeuw een publieke taak. Lokale en provinciale energiebedrijven zorgden voor voldoende stroom voor hun inwoners. Onder neoliberale druk is op Europees niveau besloten er een markt van te maken waarop bedrijven met elkaar concurreren. Bedrijven die zoeken naar maximaal rendement. Als de verwachtingen zijn dat de vraag naar stroom groeit met bijvoorbeeld tien procent, dan gaan al die bedrijven bijbouwen. Ieder bedrijf wil het grootste deel van die groei krijgen en dat heeft tot gevolg dat de capaciteit met meer dan tien procent toeneemt. Er worden dus teveel centrales gebouwd. En omdat kolenstroom het goedkoopste in productie is, bouwen traditionele stroombedrijven kolencentrales want die leveren het meeste winst op. De stroombedrijven handelen op dezelfde manier als de Amerikaanse ziekenhuizen die de econoom Robert J. Gordon in zijn boek The Rise and Fall of American Growth beschrijft.

Engie handelt in het eigen belang, net als de andere stroomproducenten. Kolenstroom is goedkoper, dus produceren we die en maken we meer winst, logisch toch. Toch leidt dit najagen van het eigen belang niet tot het gewenste maatschappelijk belang, namelijk minder luchtvervuiling. Cassidy noemt dit rationele irrationaliteit: “Een situatie waarin handelen uit rationeel eigen belang op de markt tot resultaten die maatschappelijk gezien irrationeel en inferieur zijn.” De stroomproducent die het maatschappelijk belang najaagt en zijn kolencentrales sluit, ziet zijn winst verdampen en waarschijnlijk zijn klanten weglopen. Weglopen omdat hij een hogere prijs voor stroom moet rekenen dan de andere producenten. De producenten zitten gevangen in een prisoners dilemma.

In zijn boek geeft Cassidy een voorbeeld van zo’n dilemma. Een voorbeeld dat, heel toepasselijk, gaat over stroom en kolen. In dit voorbeeld strijden twee bedrijven A en B met een kolencentrale om de plaatselijke energiemarkt. Ze maken allebei jaarlijks 20 miljoen winst. In het stadje is echter verzet tegen de uitstoot van rook door de twee centrales. Dit leidt tot veel juridische procedures waardoor de winst daalt van 20 naar 10 miljoen. Nu maakt de techniek het mogelijk om de uitstoot van de rook te voorkomen. Het installeren van deze techniek verlaagt de winst van 20 naar 15 miljoen, maar de elektriciteitsprijs moet dan wat worden verhoogd.

Wat moeten de bedrijven doen, wat is de rationele keuze? Is dat de techniek te installeren, dat zorgt immers voor meer winst. Maar het ene bedrijf weet niet wat het andere doet. Als A het wel doet en B niet dan kan B tegen een lagere prijs leveren en zal daarmee een groter markt aandeel krijgen en dus meer winst maken. In het voorbeeld daalt dan de winst van A tot 5 miljoen en B maakt meer winst, 20 miljoen. Rationeel handelend vanuit hun eigen belang zouden beide bedrijven kiezen voor niet installeren. Je weet dat je winst 10 is en hebt kans op 20, terwijl je bij installeren weet dat je winst 5 bedraagt en je hebt kans op 15. Lijkt de werkelijkheid van de stroombedrijven niet sprekend op dit voorbeeld? Hoe uit dit dilemma te komen?

Een mogelijkheid. De betreffende bedrijven gaan met elkaar aan tafel zitten en spreken af om alleen kolencentrales te sluiten en ook welke. Hierdoor neemt de winstgevendheid van alle stroombedrijven af, maar verandert hun concurrentiepositie ten opzichte van elkaar niet. ‘Kartelvorming! Dan maken ze meteen afspraken om de stroomprijs te verhogen om de winst op peil te houden,’ hoor ik u roepen. Inderdaad, dat is een risico. Zou die tafel trouwens niet geleid kunnen worden door de overheid?

Willen we dat risico niet lopen dan moet de overheid optreden. Als kolenstroom goedkoper is dan gasstroom, zou dan het duurder maken van kolenstroom door extra belasting, niet ook kunnen helpen? Dan betaalt de vervuiler en is de kans groot dat kolencentrales sluiten omdat er minder kolenstroom wordt gekocht. Sluiting van kolencentrales kan ook worden afgedwongen door ‘kolenstroom’ te verbieden.

Of zou voortzetten van het stimuleren van zonne- en windenergie een oplossing kunnen zijn? Een overheid die individuen, groepen burgers en zelfs gemeenten stimuleert om selfsupporting te worden door ook flink te investeren in de ontwikkeling van elektriciteitsopslag. Individuen en collectieven die onafhankelijk worden van de markt. Maar wacht eens, lijkt dat niet op vroeger?

Schuimende samenleving

Er komt een Kleurijke Top 100, zo valt te lezen bij Joop. Een lijst van honderd mensen die, zoals de initiatiefnemers Raja Felgata en Khalid Ouaziz het uitdrukken, goed is voor diversiteit: “wij laten Nederlanders zien die al dan niet met een culturele achtergrond, het verschil maken. Die geloven in de kracht van diversiteit en verbinding. Rolmodellen. Helden.” Dit is nodig: “Onze samenleving staat in brand en bestaat uit parallelle samenlevingen. Ooit begonnen met kleine haardvuurtjes door politici als Hans Janmaat en Pim Fortuyn, om aangewakkerd te worden door Geert Wilders en opiniemakers die vrijheid van meningsuiting misbruiken om rechtse en racistische geluiden mainstream te maken.” En daarover maken de initiatiefnemers zich zorgen.

schuimFoto: vanmeeuwen.com

Dat er tegengas wordt gegeven tegen racistische geluiden is een goede zaak en als deze lijst daarbij kan helpen, stel ze dan op. Of het lukt om de parallelle samenlevingen de nek om te draaien en te komen tot één samenleving? De filosoof Peter Sloterdijk beschrijft in zijn boek Sferen. Band II – Schuim  het geloof in die eenheidsamenleving als volgt: “Ze presenteren zichzelf als betoverde ruimten die profiteren van imaginaire immuniteit en magisch gekleurde wezens- en keuzegemeenschap” een geloof in sprookje dus.

Volgens Sloterdijk moet, wie serieus over een samenleving wil spreken: “zich buiten het terrein van de wij-beneveling begeven. Pas als men daarin geslaagd is, zal men inzien dat ‘samenlevingen’ of volken zelf veel vlottender, tweeslachtiger, poreuzer en promiscuer zijn dan hun homogene namen suggereren,” Bestaat niet iedere samenleving uit ‘parallelle samenlevingen’? Is niet ieder gezin, bedrijf, vereniging, vriendenclub een samenleving op zichzelf? Samenlevingen met eigen kenmerken, woorden en gebruiken die parallel naast en met elkaar functioneren, of ‘microsferen’ zoals Sloterdijk ze noemt. Een sameneleving is: “een aggregaat van microsferen … van verschillend formaat, die net als afzonderlijke bellen in een schuimberg aan elkaar grenzen en in lagen op of onder elkaar liggen, zonder dat ze echt voor elkaar bereikbaar of effectief van elkaar gescheiden zijn.”

De samenleving als schuim, een mooie metafoor omdat schuim niet kan branden. Sterker, het wordt door de brandweer gebruikt om branden te blussen. Zou het bestaan van juist die parallelle samenlevingen, microsferen of schuimbellen en -belletjes er niet voor zorgen dat een samenleving leefbaar blijft? Zou een mens niet juist verdwalen of verwezen zonder die ‘microsferen’? Verdwalen in samenlevingen die zich zien als een grote eenheid of eenheidsworst?

Beste Raja Felgata en Khalid Ouaziz, zouden we niet juist die ‘parallelle samenlevingen moeten koesteren? Is het echte probleem niet juist het denken in eenheid, het geloof in die “magisch gekleurde wezens- en keuzegemeenschap” ? Ligt dat niet juist aan de basis van het ‘racistisch’ denken? Moeten we de schuimbellen niet koesteren om een brand te voorkomen?

Recht op zelfbeschikking

Niet zo lang geleden nam de Tweede Kamer een initiatiefwetsvoorstel van D66 kamerlid Pia Dijkstra aan, dat van iedereen een orgaandonor maakt, behalve als je expliciet hebt aangegeven geen donor te willen zijn. Als de Eerste Kamer hier ook mee instemt dan wordt deze wet ingevoerd en komt er een einde aan het huidige systeem waarbij je aangeeft donor te willen zijn. Waar je eerst JA moest zeggen, moet je nu NEE zeggen. De initiatiefnemers van de wet hopen zo het tekort aan orgaandonoren op te lossen en wat te doen aan de jaarlijks hondervijftig mensen die overlijden omdat er niet tijdig een passend orgaan is.

orgaandonatieFoto: www.wijchensnieuws.nl

In Trouw breekt Joost Snellen, de directeur van het wetenschappelijk bureau van D66 een lans voor de nieuwe wet. Hij doet dit in reactie op een eerdere bijdrage van zijn collega Patrick van Schie van het wetenschappelijk bureau van de VVD in de Volkskrant. Een discussie tussen liberalen over het al dan niet liberaal zijn van de nieuwe wet. Daar gaat het mij niet om.

Waarom wel? Snellen verwijt Van Schie dat hij: “het recht op zelfbeschikking van meer dan duizend mensen op wachtlijsten, die door hun ziekte niet (goed) kunnen functioneren, buiten beschouwing,” laat. Het zelfbeschikkingsrecht met betrekking tot het individu betekent dat iemand zelf mag bepalen hoe hij zijn leven inricht. Hij hoeft zich hierbij niet te laten leiden door wat andere willen, denken, vragen of verlangen. Hij is hierin helemaal vrij. Hoe wordt het zelfbeschikkingsrecht van de mensen op de wachtlijst aangetast door het huidige systeem? Zijn zij niet even vrij als ieder ander om te doen wat zij willen binnen hun kunnen? Of is er iemand anders die over hun rechten beschikt?

Natuurlijk moet je het wel doen met lijf, leden en intellectuele vermogens die je ter beschikkig hebt. Die vormen je beperkingen en beperken je vermogens en functioneren. Zo kan ik wel de opvolger van Einstein willen zijn, als mijn hersens dat niet toelaten, dan zit dat er niet in. Ik kan wel sneller willen lopen dan Usain Bolt, als mijn gestel dat niet toelaat, heb ik pech. Dat een donororgaan de vermogens van de ontvanger vergroot, staat buiten kijf. Het zelfbeschikkingsrecht verandert er echter niet mee. Verwart Snellen niet ‘vermogens’ met ‘zelfbeschikking’?

Dat er mensen op de wachtlijst voor een orgaan overlijden is triest voor hen en hun nabestaanden. Daarom is de Ballonnendoorprikker ook donor geworden, van bloed, bij leven, en organen na zijn overlijden en hoopt hij dat iedereen dat gaat doen.

Prijskaartje van het leven

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft onderzocht wat alcoholgebruik de Nederlandse samenleving kost: jaarlijks zo’n 2,3 tot 2,9 miljard euro, zo is bij Trouw te lezen. Belangrijkste kostenposten zijn de vroegtijdige sterfte (2,1 miljard), productiviteitsverlies (1,9 miljard), verlies in kwaliteit van leven (1,1 miljard), de inzet van politie en justitie (1,5 miljard) en nog wat posten. Om die kosten wat te verlagen, zijn drie beleidsmaatregelen doorberekend, het verdubbelen van de accijns, een kwart minder verkooppunten en een totaal verbod op alcoholreclame. Het verbieden van alcohol is niet onderzocht. Indrukkenwekkende cijfers van een gerenomeerd instituut, maar toch.

alcoholFotot: www.veelzijdigmaleisie.nl

Neem de vroegtijdige sterfte. Wanneer is sterfte vroegtijdig? En hoe bereken je de kosten van één jaar korter leven? Als sterven geld kost, maakt het dan wat uit wanneer iemand sterft? Is de sterfte van een achttienjarige duurder dan iemand van veertig of tachtig?

Het productiviteitsverlies komt vooral door: “de tien uren per jaar waarin Nederlanders er als gevolg van alcohol op hun werk de aandacht niet bij hebben, of helemaal niet kunnen werken, zorgen hiervoor.” Inderdaad maakt een ‘houten kop’ het lastiger om je te concentreren op je werk. Hoeveel leveren de contacten die je hebt opgedaan tijdens dat met alcohol besprenkelde bedrijfsfeest, die verenigingsavond, het concert van Beyoncé of een avondje uit in de kroeg op? Uit ervaring weet ik dat er onder het genot van alcohol hele mooie initiatieven en ideeën kunnen ontstaan. Hoe tel je de opbrengsten van deze lastig in geld uit te drukken zaken mee

Wellicht spreek je de man of vrouw van je dromen aan, iets wat je zonder die vijf glazen bier niet zou hebben gedaan en geeft de erop volgende verliefdheid je een hele tijd vleugels? En ook de drankavonden met vrienden die je in je verdere leven blijven helpen en steunen. Is hiermee bij het bepalen van de gevolgen voor de ‘kwaliteit van leven’ ook rekening gehouden?

En ja, de inzet van politie en justitie kost geld. Die inzet levert de direct en indirect betrokken mensen wel inkomen op. Inkomen dat ongeveer even groot is als deze kosten.

Nee, ik hou hier geen pleidooi om flink te gaan borrelen, verre van dat zelfs. Waar het mij om gaat is het omrekenen van alles in geld en economische gevolgen. Wordt de wereld er beter van als aan alles een prijskaartje hangt? Zeker als aan veel belangrijke zaken, geen prijskaartje kan worden gehangen. Bestaat het leven niet uit meer dan alleen de economische kosten en baten van iets?

 

Slimme Hongaren

De Hongaren konden gisteren naar de stembus. De regering van premier Orban vond het nodig dat het Hongaarse volk zich uitsprak over de vraag: “Wilt u dat de EU Hongarije kan verplichten om een bindend aantal allochtone burgers op te vangen, zelfs zonder toestemming van het parlement?” De kiezers konden JA of NEE antwoorden. Om tot een geldige uitslag te komen moest de opkomst vijftig procent plus één kiezer bedragen. Dit aantal werd niet gehaald. Slechts vijfenveertig procent van de Hongaren nam de moeite om naar de stembus te gaan. De kiezers die wel kwamen opdagen, beantwoordden de vraag in overgrote meerderheid met NEE, 3,2 miljoen tegen slechts 168.000 JA-stemmers.

Hungary Referendum

Foto: www.volkskrant.nl

De vicepresident Gergely Gulas interpreteert de uitslag als een ‘verpletterende overwinning’ voor het NEE-kamp. En als je naar het aantal JA, en NEE stemmers kijkt, dan lijkt hij een punt te hebben.

Je zou echter ook kunnen spreken van een verpletterende nederlaag. Iemand van het JA-kamp kon op twee manieren zijn keuze duidelijk maken. De eerste manier was om, zoals 168.000 Hongaren hebben gedaan, JA te gaan stemmen. De tweede manier was door niet te gaan stemmen en te hopen dat de opkomstdrempel niet werd gehaald. Welke mogelijkheid zou de JA-stemmer de grootste kans op winst geven?

Bij welke verkiezingen dan ook, komt een deel van de kiezers niet opdagen. Stel dat dit vijftien procent is. Waarom zou je als slimme JA-man of vrouw komen opdagen? En als met jou minstens vijfendertig procent van de andere potentiele JA-stemmers ook niet komt, haal ik met vijfendertig procent mijn doel. Dan maakt het niets uit of alle NEE-stemmers komen opdagen, de opkomstdrempel wordt immers niet gehaald. Wat zeggen die aantallen? Kun je dan spreken van een ‘verpletterende overwinning?

Kunnen we concluderen dat het Hongaarse JA-kamp het spel slimmer heeft gespeeld dan het Nederlandse JA-kamp bij het Oekraïnereferendum? Als alle Nederlanders die JA hebben gestemd tijdens dat referendum niet waren komen opdagen, was de drempel van dertig procent niet gehaald.

 

Ruttes liberalisme

Het verleden is een mooie winkel om snoepjes uit te plukken die in de eigen kraam te pas komen. Het afschuiven van alle ellende op ‘links’ is tegenwoordig een favoriete bezigheid. Links heeft de ‘gastarbeiders’ naar Nederland gehaald, was de uitvinder van het multiculturalisme, de verzorgingsstaat, de afbraak ervan en nog veel meer. Dit terwijl links nooit een meerderheid heeft gehad. Die politiek werd in die tijd gesteund door de overgrote meerderheid van de bevolking en de politieke partijen. Zo ook historicus Geerten Walink in de Volkskrant: “Links’ staat sindsdien juist voor gelijkheid en democratie – tot aan de guillotine en het strafkamp aan toe – en ‘rechts’ staat voor monarchie en aristocratie en de handhaving van de bestaande orde. Zelfs het nationalisme is een van oorsprong linkse hobby: het was het antwoord van 19de-eeuwse radicalen en liberalen op de traditionele standen- en klassenmaatschappij.”

01 Mr.P.W.A. Cort. van der Linden  Min. Pres. en Min. v. Binnenl. Zaken 1913

Foto: www.geheugenvannederland.nl

Zo omschreven bestaat er geen ‘rechts’ meer. Ja, we hebben een monarchie en nog iets wat op aristocratie lijkt, maar dat is slap aftreksel, een karikatuur van wat het ooit was? Er is geen partij in Nederland die pleit voor het invoeren van de absolute monarchie en het weer invoeren van de feodale, aristocratische standenmaatschappij. Die de individuele vrijheid wil afschaffen, behalve dan een enkele partij voor moslims.

Laten we het eens omdraaien en met de ogen van iemand uit het verleden naar het heden kijken. Het huidige kabinet van VVD en PvdA, zich liberaal en sociaal-democratisch noemend, heeft de afgelopen jaren flink hervormd. De arbeidsmarkt is ‘geflexibiliseerd, de zorg(kosten) zijn ‘beheersbaar’ gemaakt’, via ‘rulings’ hoeven multinationals bijna geen belasting te betalen, banken zijn ‘gered’ ten koste van de belastingbetaler en vervolgens nogmaals ten koste van de Griek, uitkeringsgerechtigden moeten een ‘tegenprestatie’ leveren. Hoe zou iemand uit het verleden naar deze ‘prestaties kijken?

Zou die iemand dan het volgende kunnen concluderen: “Men is getuige geweest van beursmanoeuvres waardoor in korte jaren speculanten miljoenen samenraapten. … Men heeft gezien hoe industrieëlen en planters door lage lonen, door armoede en ellende van duizenden arbeiders tot machtige kapitalisten zijn geworden. Op zulke wijze wordt in onzen tijd (…) het gevoel onrecht geprikkeld en levend gehouden.” Vast een uitspraak van een socialist, Karl Marx bijvoorbeeld. Nee, dit schreef Cort van der Linden, de laatste liberale premier voor Rutte. De man waarmee premier Rutte verwantschap voelt. Zou Cort van der Linden die verwantschap ook voelen of zou hij, zoals Rutger Bregman en Jesse Frederik in hun boekje Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers schrijven: “zich omdraaien in zijn graf bij het zien van Ruttes liberalisme”?  

Universitaire diversiteit

De Universiteit van Amsterdam is in de ban van diversiteit. Een diversiteitscommissie onder leiding van Gloria Wekker is aan het werk. Dit leidt tot veel discussie. In de Volkskrant pleit universitair docent conflictstudies aan de UvA Martijn Dekker voor een universiteit die ongelijkheid bestrijdt. Bestrijdt door ‘affirmative action’ zoals hij het noemt: het ondersteunen en soms bevoordelen van mensen die vanwege oorzaken buiten henzelf om, een achterstand hebben.

diversiteit

Foto: www.rectec.nl

Achterstanden veroorzaakt door vooroordelen, stereotypen en angsten. Achterstanden door je huidskleur of de sociale status van je ouders. Vanwege deze achterstanden leidt gelijke behandeling van mensen tot ongelijke resultaten: “als je het gelijkheidsbeginsel in die situatie gaat toepassen, dan komt dat voornamelijk ten goede van hen die al een voorsprong hebben.” Hiermee zet hij zich af tegen de filosoof Sebastien Valkenberg die in dezelfde krant pleit voor gelijke behandeling van iedereen: “Wat is het gelijkheidsbeginsel nog waard als het terzijde wordt geschoven zodra het even niet uitkomt?” Voor Valkenberg moet kwaliteit centraal staan.

Als aanhanger van de rechtvaardigheidstheorie van John Rawls en de erop voortbordurende  vermogensbenadering van Martha Nussbaum en Amartya Sen, kan ik mij vinden in het betoog van Dekker. Toch wringt er iets in Dekkers betoog en vooral in zijn gebruik van cijfers. Dekker: “Slechts 15 procent van de studenten (van de Universiteit van Amsterdam) heeft een zwarte, migranten- of vluchtelingenachtergrond, tegenover 51 procent van de jongeren in Amsterdam. Dit moet toch zelfs de grootste liberaal aan het denken zetten?” Dekker zou een punt hebben als die Universiteit alleen toegankelijk zou zijn voor inwoners van Amsterdam en als de inwoners van Amsterdam naar geen andere universiteit zouden kunnen. Dat is allebei niet het geval. De UvA staat open voor iedereen en Amsterdammers kunnen ook naar Groningen.

Is een vegelijking met de jeugdige bevolking van Amsterdam dan wel de juiste? Laten we de populatie van de UvA eens vergelijken met de Nederlandse bevolking. Nederland kent iets meer dan twee miljoen jeugdigen van vijftien tot vijfentwintig jaar (de studentenleeftijd) ongeveer 520.000 hiervan is allochtoon. Hiervan zijn er 340.000 niet westers (zwarte, migranten of vluchtelingen achtergrond), dat is zeventien procent. De situatie is daarmee lang niet zo dramatisch als Dekker schetst. Sterker nog, zou je niet kunnen concluderen dat de UvA er nog niet is maar wel goed op weg is?

Cognitieve dissonantie

Volgens Sietske Bergsma, zo schrijft ze bij ThePostOnline, heeft een groot deel van Nederland last van cognitieve dissonantie. Wat? “Het ongemakkelijke gevoel dat we hebben als iets wat we geloven of hopen wordt tegengesproken door de feiten, of als ons gedrag niet overeenkomt met het positieve beeld dat we van onszelf hebben.” Omdat onze hersenen niet kunnen leven met dergelijke tegenstrijdigheden, wordt de waarneming of tegenspraak aangepast of ‘in overeenstemming gebracht’ met het geloof of eigen beeld. De roker die de gezondheidsschade van roken bagataliseert door te  verwijzen naar zijn opa die met twee pakjes sigaren honderdenvijf is geworden.

cognitieve-dissonantieIllustratie: www.kennislink.nl

Terecht wijst Bergsma erop dat cognitieve dissonantie gevaarlijk kan zijn omdat: “Door een vertrouwd wereldbeeld (en niet de mens zelf) in bescherming te nemen, hoeven de nieuwe feiten niet echt bij mensen binnen te komen, en zo hoeft niemand ergens actie op te nemen.”

Volgens Bergsma leidt een groot deel van Nederland hieraan. Welk deel? De wandelaars van de ieder1-mars bijvoorbeeld. De aanhangers van: “het nieuwe, activistische geloof in het behoud van een vrij, blij, vredig en divers Nederland.” Een geloof dat steeds meer: “in een wanverhouding (komt) te staan ten opzichte van de feiten: onrustige wijken, terreurdreiging, groeiend anti-semitisme, overbevolking, een stuurloze EU, Trump, steeds meer islam in de publieke ruimte en -hoewel dat allerminst een feit is, noem het een stevig gerucht- het algehele gevoel dat Nederland zijn identiteit verliest.” De ‘gelovigen’ passen deze werkelijkheid aan: “Dan krijg je na een aanslag ‘feiten’ over bijvoorbeeld de kans dat zo’n noodlot jou treft, dat die klein is en dat er in de middeleeuwen ook vreemdelingen naar ons land kwamen.”

Ook bij ThePostOnline krijgt zij bijval van Sid Lukkassen. Hij ziet Nederland uiteen vallen in vier zuilen: de Kosmopolitisch/Postmodern/Progressief; de Islam; de Biblebelt/SGP/ChristenUnie, en de Soevereine patriotten/humanistisch realisme/post-progressieven. Ronkende beschrijvingen. Alleen de laatste groep, waartoe: “geaarde mensen die bespiegelingen als die van Bergsma serieus nemen en met interesse lezen” behoren, leidt niet aan cognitieve dissonantie. De groep waartoe Lukkassen zelf behoort. Vandaar natuurlijk ook de woorden realist en soeverein in de omschrijving, dan zijn de andere groepen immers irreëel.

Nu lees ook ik de bespiegelingen van Bergsma en de verhalen van Lukkassen en ik ken het begrip cognitieve dissonantie daarom stel ik ook overal vragen bij. Dus ook bij de analyse van Bergsma. Zou het werkelijk zo zijn dat alleen deze mensen, die het niet met Bergsma en Lukkassen eens zijn, aan cognitieve dissonantie leiden? Zouden Bergsma en Lukkassen er zelf niet ook last van kunnen hebben?

Afzijdigheid

In het commentaar in de Volkskrant constateert Arnout Brouwers dat ook het niet militair ingrijpen door de Verenigde Staten in het Syrische conflict een prijs heeft. Hij constateert: “Obama mag goede redenen hebben gehad zich afzijdig te houden, de gaten die daarbij vallen worden gretig gevuld door andere landen met ambities, zoals Iran en Rusland. De onvermoeibare John Kerry ondervindt nu in Syrië hoe moeilijk diplomatie is die niet wordt geschraagd door militaire macht.”

syrie

Illustratie: www.nrc.nl

Natuurlijk behoorde een inval als in Irak tot de mogelijkheden. Een inval om president Assad af te zetten en democratie te brengen, net als in Irak en Afghanistan is geprobeerd. Of bombardementen op de troepen van Assad waardoor de troepen van het ‘vrije Syrische leger’ de regering wellicht hadden kunnen verdrijven zoals in Libië is gebeurd. Alleen zijn de resultaten in die landen niet om over naar huis te schrijven.

Maar toch, ben je afzijdig als je in woorden partij kiest voor een groep deelnemers aan het confilct en wilt dat een ander van het toneel verdwijnt? Ben je afzijdig als je verschillende gevechtsgroepen bewapend? Ben je afzijdig als je gevechtsgroepen traint? Ben je afzijdig als je gevechtgroepen ondersteunt tot en met meevechten toe? Ben je afzijdig als je gevechtsvliegtuigen hebt rondvliegen? Ben je afzijdig als je die gevechtsvliegtuigen gebruikt om gewapende groepen te bombarderen? Is er dan sprake van ‘afzijdig houden’? Niet volgens de definitie in de Van Dale: “zich afzijdig houden (a) niet meedoen; (b) zijn mening niet uiten.” Dat is geen afzijdig zijn, dat is meedoen. Niet op volle kracht maar wel meedoen.

Wellicht waren de verhoudingen anders geweest als er was gehandeld zoals in Afghanistan, Irak en Libië? Alleen zijn dat ook geen toonbeeld van veiligheid, vrede en/of stabiliteit. Ook daar sterven al jaren dagelijks mensen door oorlogsgeweld een aanslagen.

Wellicht is afzijdigheid een optie om eens uit te proberen? Geen partij kiezen, geen wapensleveren, geen ondersteuning, geen goederen en diensten van welk soort dan ook leveren. Geen humanitaire hulp in het betreffende land bieden. Niets van dat alles, dus gewoon niets doen. Helemaal niets, behalve het goed en menswaardig opvangen van mensen die de ellende ontvluchten. Het proberen waard?

Basisinkomen

In de Volkskrant een interview met filmmaker Mari Sanders. Sanders zit al sinds zijn geboorte in een rolstoel en heeft een Wajonguitkering. Met die uitkering hoeft Sanders zich geen zorgen te maken over zijn inkomen. Zijn vrienden vinden dat hij: “dat geld van de overheid  (gebruikt) om z’n hobby te subsidiëren.” Ze vinden dat hij moet kiezen, of zelfstandig filmmaker of een Wajonguitkering.

mari-sanders

Foto: www.startfoundation.nl

De Wajonguitkering bedraagt 75% van het minimumloon, geen vetpot, en is bedoeld om van te leven. Horen bij dat leven niet ook hobby’s of mogen uitkeringsgerechtigden geen hobby’s hebben?  Zou hij ook moeten kiezen tussen postzegels verzamelen en een Wajonguitkering? Want ook postzegels verzamelen kan naast een hobby ook een beroep zijn, alleen heet je dan handelaar. Natuurlijk, als die films flink geld opleveren, dan is het niet meer dan terecht dat een deel ervan wordt gekort op zijn uitkering.

Ook uitkeringsinstantie UWV heeft Sanders ontdekt en uitgenodigd voor een gesprek over zijn mogelijkheden om aan het werk te gaan. Dit geheel conform de Participatiewet. Maar ja, het UWV kan hem niet helpen aan een baan als filmmaker, wel bijvoorbeeld aan het: “mooi inpakken van bonbons,” aldus Sanders. Vreemd dat Sanders wordt gevraagd om te participeren, te werken als tegenprestatie voor zijn Wajonguitkering. Vreemd want participeert hij dan niet al door het maken van films? Ja, het is ook wat hij graag doet, is dat een probleem? Mag je hobby niet je werk zijn? Hij vult zijn uitkering aan met filmverdiensten. Hij zit niet lui achter geraniums omdat zijn financiële kostje toch al is gekocht. Dit terwijl de ‘morele druk’ van zijn vrienden en de regelgeving hem daar wel toe dwingen.

Wat als we het geval Mari Sanders eens van een andere kant bekijken en de uitkering van Sanders een basisinkomen noemen. Een basisinkomen waarvan tegenstanders zeggen dat het mensen lui maakt. Dan zien we een gemotiveerde man die zijn passie najaagt met enig succes, hij vult zijn basisinkomen aan. We zien iemand die plezier heeft in zijn leven en zijn werk/hobby.

Zou het het op deze positieve manier, naar Sanders en met hem naar alle mensen kijken, niet veel meer resultaat opleveren? Een manier waarbij vertrouwen in de mens het uitganspunt is? Toch maar beginnen met een basisinkomen?