Moreel Esperanto

Multicultureel, multiculturalisme, multiculturelativisme, woorden die centraal staan in een artikel van Gert Jan Geling bij ThePostOnline. Geling is  op zoek naar een midden positie in het debat over de multiculturele samenleving.

Moreel Esperanto

Foto: www.bnr.nl

Hij doet een poging om tot een middenpositie te komen tussen zij die alle culturen even veel waard vinden en zij die uitgaan van de superioriteit van een cultuur. Een positie die gebruik maakt van de voordelen van diversiteit en toch universele waarden benoemt. Geling pleit voor het promoten van: “model van de open samenleving als vrije markt van culturen en waarden.” Voor Geling is: “Het vellen van een oordeel over culturen .. bij uitstek het meest waardevolle aspect van diversiteit in een open samenleving waarbinnen diverse culturen naast elkaar bestaan.” 

Maar waarin verschilt de positie van Geling met de positie van degene die rangorde aanbrengen en dus ‘superieure’ culturen benoemt? Want is het vellen van een oordeel over culturen niet hetzelfde als een rangorde aanbrengen? Doe je dat niet door als waarden botsen: “ … te streven naar universele waarden die breed gedeeld worden in de samenleving.” zoals Geling betoogt? Door te zoeken naar: “een dergelijke set van waarden … die als het ware als een moreel Esperanto functioneert op het gebied van waarden”?

Hoe bepaal je daar waar waarden botsen, welke keuze de juiste is voor dat ‘moreel Esperanto’? Als de waarde ‘individuele ontplooiing’ botst met ‘broederschap’, wat weegt dan het zwaarst? Bepaalt niet juist de keuze hiertussen, de culturele ‘rangorde’? En bijna net zo belangrijk, wie gaat dat bepalen?

Is de open samenleving te zien als ‘een vrije markt van culturen en waarden’? Is het niet veeleer een samenleving van individuen? Dat individu kan onderdeel uitmaken van een cultuur. En gaat het niet juist mis als we ‘moreel Esperanto’ afstemmen op culturen en hun botsingen? Mis, omdat dan het individu in de knel komt? In de knel tussen zijn ‘cultuur’ en ‘Gelings moreel Esperanto’? Zou het ‘moreel Esperanto’ niet de geldende wetgeving zijn?

Het leven onder de Haagse stolp

“Een derde van de ondervraagde kiezers overwoog om op de PVV te stemmen. De PVV kan dus, zoals het er nu uitziet, maximaal 50 zetels halen. Van die 50 heeft Wilders er in de wekelijkse peilingen van De Hond al 38 binnengehaald. Dat is heel veel. En omdat veel PVV sympathisanten in het stemhokje op het laatste moment toch nog voor VVD of CDA zullen kiezen lijkt de electorale grens van de PVV met 38 zetels wel bereikt.” Dit schrijft Mijndert Fennema. Het potentieel voor de PVV is daarmee groot. Belangrijker dan het aantal stemmen en zetels tijdens de verkiezingen, is het aantal zetels erna en wat er vervolgens met die zetels wordt gedaan en bereikt.

MeeusStabiliteit is bij de PVV immers ver te zoeken. De partij zelf is ontstaan toen kamerlid Wilders in 2004 uit de VVD stapte, als de groep Wilders verder ging en die groeide uit tot de eenmanspartij PVV. Sinds 2006 zit de partij in de kamer en hebben zich diverse afscheidingen voor gedaan. Het begon in 2012 met Hero Brinkman, niet lang daarna gevolgd door de Wim Kortenhoeven en Marcial Hernandez. Hiermee verloor de fractie 3 van de 24 zetels. Iets dat zich na de verkiezingen van 2012 voortzette. In 2014 verliet Roland van Vliet de fractie en ging voor zichzelf verder. Niet veel later stapten Louis Bontes en Joram van Klaveren uit de fractie en gingen samen verder. Hiermee gingen 3 van de 15 zetels verloren. En ook op lokaal en provinciaal niveau kent de partij een baaierd aan afscheidingen.

In zijn boek Haagse invloeden. Hoe de Nederlandse politiek echt werkt, besteed Tom-Jan Meeus het eerste hoofdstuk aan de paranoia in de PVV.  Meeus neemt de lezer in een prettig leesbaar boek met een ironische ondertoon mee door de Haagse werkelijkheid. Dit levert een onthutsend beeld op van politiek met een hele, hele, hele kleine p. Meeus noemt het mini-politiek: “Net als in de reclame draait politiek tegenwoordig primair om message control. Dit valt niet alleen de politiek te verwijten, de oude en nieuwe media werken hier stevig aan mee, net als de burger. Door de grote hoeveelheid makkelijke en digitale media ontstaat: “het fenomeen dat mensen bijna alleen nog nieuws afnemen van bronnen die hun opvattingen delen.” Veel mensen komen hierdoor niet meer in aanraking met andere opvattingen en met misstappen van hun politieke helden.

Meeus neemt de lezer in het eerste hoofdstuk mee in de krochten van de PVV en daaruit stijgt een beeld op van paranoïde personen die vooral bezig zijn met de eigen macht en positie. Een partij die intern uiterst verdeeld is over  de te volgen lijn en een partijleider die alleen uit is op effect en aandacht in de media. Het bereiken van iets voor zijn kiezers, laat staan de Nederlanders, is daarna ver ondergeschikt, zelfs bijna afwezig. PVV-stemmers lees het boek! Al vraag ik me af of dit stukje, laat staan het boek passen bij hun opvattingen.

Andere partijen zijn ook niet gevrijwaard van kortzichtig korte termijn effect najagen, de mini-politiek. Een vorm van politiek gericht op effect bij de eigen achterban en het voorkomen van gezichtsverlies, vandaar het streven naar message control. Het compromis (gepolder) is hierdoor in een slecht daglicht komen te staan, terwijl dit, aldus Meeus, toch echt nodig is om het land te regeren. Maar ja, wie durft er compromissen te sluiten die in Nederland nodig zijn om te regeren, als je de dag erna door Maurice de Hond wordt geconfronteerd met een potentiële en bij de volgende verkiezingen een werkelijke electorale afstraffing? Zo wordt het belang van het land ondergeschikt aan zetelwinst in de peilingen en bij de volgende verkiezingen.

Dan de Haagse draaideur. Van lobbyist word je kamerlid en later minister en vice versa en welk belang je waar vertegenwoordigd, wordt steeds onduidelijker. Of van journalist naar voorlichter, kamerlid en ‘mediapersoonlijkheid’. Neem het voorbeeld van  het inmiddels oud VVD-kamerlid Bart de Liefde die is gaan lobbyen voor Uber. Wellicht nog ernstiger is een nieuwe lobby-generatie, die stukken schrijven voor kamerleden en verkiezingsprogramma’s.

De zucht naar ‘message control’  heeft ook zijn uitwerking op de adviesorganen en de ambtenarij. Topambtenaren die van de hoed en de rand weten en aan het publieke debat deelnemen, bestaan niet meer. Afwijkende meningen maken het immers lastig om de boodschap te controleren. De ambtenaar. Ook de invloed op en van adviesorganen komt vaak slecht uit en daarom worden er ander topmensen benoemt. Kritische geesten die deelnemen aan het publieke debat, worden vervangen. Een laatste voorbeeld hiervan is de vervanging van de Kinderombudsman. het moest allemaal wat minder activistisch, dus wat minder kritisch. De ambtenaar en adviseur is: “Minder public, meer servant.” 

Verder komt in het boek aan de orde hoe de politiek de greep op de media vergroot, hoe beleid struikelt over de gevolgen van de uitvoering voor de burger. De burger die bescherming en enige zekerheid vraagt en vol in een onzeker wind wordt gezet. Dit met alle onvrede tot gevolg. En hoe mensen met geld invloed en nu vooral nog raadszetels kopen.

Al met al schetst Meeus een treurig beeld van onze democratie. Een beeld dat hij lardeert met voorbeelden. Klagen is mooi, maar hoe anders? Meeus komt niet veel verder dan het fuseren van partijen, het anders kiezen van de senaat. Hij stelt voor terug naar het oude: een senator gekozen voor zes jaar en iedere drie jaar de helft van de senatoren vervangen. Aanpassingen aan de structuur die niets doen aan de mini-politiek, de ‘message control en de ijzeren greep waarin politiek en media elkaar houden: de scoringsdrang waardoor de korte termijn het wint van de lange en het onbelangrijke van het belangrijke. Want is de cultuur niet veeleer het probleem? En dan bedoel ik het gebrek aan sterke persoonlijkheden? Aan leiders met visie die de discussie sturen in plaats van volgen? Die zich niets gelegen laten liggen aan peilingen?

Oorzaak, gevolg en Fred Teeven

Voormalig staatssecretaris van Justitie Fred Teeven, is ervan overtuigd dat criminelen zijn val als staatssecretaris hebben veroorzaakt. “Nieuwsuur kreeg het aangereikt vanuit de misdaad. Het is getrapt gegaan: eerst naar een halve journalist, daarna naar een echte. Die laatste heeft zijn werk gedaan.” Dit zegt hij over de affaire die hem de bestuurlijke kop kostte.

pinokkioIllustratie: www.mysterie-wetenschapsforum.nl

Even de feiten over de deal met crimineel Cees H. Teeven meldde de Tweede Kamer dat die deal de staat twee miljoen gulden kostte. Dit bleek onjuist en na veel dralen, omdat bonnetjes waren verdwenen, werd duidelijk dat H. 4,7 miljoen gulden had ontvangen. Vanwege dit verkeerde informeren moest Teeven opstappen en in zijn kielzog ook de minister Ivo Opstelten. Deze laatste omdat het niet de eerste keer was dat hij de kamer verkeerd, te laat en warrig informeerde.

Omdat Nieuwsuur de juiste informatie had, ontstond de verwarring en werd duidelijk dat Teeven de verkeerde informatie had gegeven. Teeven legt hierbij de schuld bij de crimineel die deze informatie aan Nieuwsuur gaf. Verwisselt hij hier niet oorzaak en gevolg?

Was de oorzaak van zijn val niet dat de Kamer de verkeerde informatie kreeg? Wie gaf de Kamer de verkeerde informatie? Was dat een crimineel of de staatssecretaris? Uiteindelijk kwam de juiste informatie boven tafel. Is dat niet een gevolg van de eerder verstrekte verkeerde informatie? Doet het ertoe hoe die informatie nu boven tafel kwam? Of dit kwam door goed speurwerk van een journalist, of door een rancuneuze ambtenaar of door een crimineel aan Nieuwsuur werd verstrekt, doet dat terzake? Ja, in die zin dat hierdoor de ‘leugen’ van Teeven boven tafel kwam. Maar dat gebeurde toch na de leugen?

Is dat verkeerde informeren, of liegen, door Teeven niet de oorzaak van zijn aftreden? Is dat niet zijn eigen schuld? Gedraagt Teeven zich niet als een klein kind? Een klein kind dat zijn eigen fouten in de schoenen van anderen wil schuiven?

Zwijgen is goud

De Europese politiek en media zijn nu al ruim twee weken in de ban van Erdogan. De oproep van Hans Theeuwen om Erdogan tot op het bot te beledigen, wordt door velen nagevolgd. De arrestatie van Ebru Umar door de Turkse politie gooide verder olie op het vuur en schijnt tot een diaree aan verwensingen te hebben geleid. Aan de ene kant critici van Umar die hun blijdschap lieten blijken en aan de andere kant mensen die verder scholden op de Turkse president en degenen die blij waren met die arrestatie. Politici die vervolgens een duit in het zakje doen en dit in de kamer nog eens dunnetjes over doen.

zwijgenIllustratie: plazilla.com

Allemaal zich beroepend op de democratie en vooral de vrijheid van meningsuiting. Een vrijheid die onze voorvaderen hebben bevochten en waarvoor levens zijn geofferd. Een vrijheid die mensen niet op elkaar hebben ‘veroverd’, maar op de overheid. Die vrijheid is in onze Grondwet opgenomen en regelt dat de overheid ons niet mag belemmeren in het uiten van onze opvattingen.

De overheid mag iemand niet belemmeren om iemand te beledigen. Dat wil niet zeggen dat er lukraak beledigd mag worden zoals nu het geval lijkt. In het verkeer tussen personen wordt dit beperkt door artikel 137 van het Wetboek van strafrecht. De beledigde kan aangifte doen en dan kan vervolging worden ingesteld en bepaalt de rechter of er sprake was van opzettelijke belediging zoals bedoeld in het genoemde artikel.

Wat wordt er bereikt met het elkaar de huid vol schelden en het beledigen van elkaar en je daarbij beroepen op de vrijheid van meningsuiting? Wat is dan die vrijheid van meningsuiting waard? Dat recht waar onze voorvaderen voor hebben gestreden? Welke dienst wordt onze hoogstaande democratische idealen, zoals die vrijheid van meningsuiting, bewezen als ze worden misbruikt voor iets laags als elkaar beledigen? Wat zijn die idealen dan nog waard?

‘Ik zeg wat ik denk’ is tegenwoordig mode. Het recht hebben om je mening te uiten, wil niet zeggen dat iedere mening ook geuit moet worden. Zeker niet als die mening bestaat uit schelden en beledigen. Zou het zwijgrecht niet wat meer gebruikt moeten worden? Want: spreken is zilver, zwijgen is goud!

Thuishulpstudent

De Christen Unie wil dat studenten ‘sociaal dienstrecht’ krijgen. Door na hun studie op vrijwillige basis ouderen te helpen of taalles te geven aan vluchtelingen zouden zij een deel van hun studieschuld kunnen aflossen. Volgens fractievoorzitter Gert-Jan Segers zou dit studeren voor studenten met ‘smalle beursouders’ aantrekkelijker maken. Een mes dat aan twee kanten snijdt: “het hoger onderwijs wordt toegankelijker en de samenleving wordt geholpen, doordat studenten nuttig maatschappelijk werk doen. Daar komt nog bij dat studenten op die manier werkervaring krijgen.” Sympathiek idee of …?

studieschuld

Illustratie: www.viisi.nl

Een eerste kleine bedenking. Segers denkt aan ouderen helpen en taalles geven. Hoe zit het dan met training geven aan voetbalpupillen, penningmeester zijn van de scouting of flyeren voor politieke partijen? Welk vrijwilligerswerk telt mee en welk niet?

Een tweede wat grotere bedenking. Duurt zo de studie voor de arme student niet langer? Die maanden ’sociale corvee’ tellen immers ook mee. De rijke ingenieur kan meteen beginnen, de arme moet eerst een half jaar poetsen. Hoe zwaar telt de ‘poetsdienst’ bij ouderen’ mee voor een elektrotechnisch ingenieur op het CV?

Wordt op deze manier bijvoorbeeld de thuishulp niet verdrongen door een ‘poetsende elektrotechnicus’? Welk werk blijft er dan voor de thuishulp over? Extra wrang wordt het als we kijken naar de beloning voor de student. Voor een paar maanden een verlaging van de schuld met €5.000 tot €10.000. Voor een paar maanden werk, is dat een aardige netto beloning. Is er dan nog wel sprake van vrijwilligerswerk? Hoe verhoudt dit zich tot het salaris van de huidige thuishulp?

Goed dat Segers studeren ook voor mensen met een smalle portemonnaie betaalbaar wil houden. Alleen is het erg wrang om een dergelijke beloning te geven als dank voor het ‘vrijwillig’ poetsen of de taalles. Waarom dan geen goed betaalde baan voor die thuishulp en voor de docent die de asielzoeker Nederlands leert? Er zijn vast andere manieren om de ‘arme’ student te helpen. Een basisbeurs afhankelijk van het inkomen van de ouders bijvoorbeeld. Of een basisinkomen?

Resistance is futile

Patriottisme, vaderlandsliefde, daarvoor pleit het CDA. In Trouw reageert Hans Janssens, hoofdcommunicatie van het CDA, in een warrig betoog op een column van Hans Goslinga in dezelfde krant. Als het erbij blijf de: “rechtsstaat, democratie, vrijheid en menselijke waardigheid te koesteren en uit te dragen,” dan zal Janssens op veel bijval kunnen rekenen.

BorgIllustratie: quotesgram.com

Blijft het daarbij? Goslinga bekritiseerde CDA leider Buma, die pleitte voor gezonde vaderlandsliefde met de dominantie van de joods-christelijke cultuur als fundament van onze samenleving. Volgens Goslinga moet de overheid zich verre houden van het uitdragen van een publieke moraal. Het publiek is immers pluriform. Volgens Janssens bieden: “Waarden en tradities (…) houvast in een wereld die razendsnel verandert en globaliseert.” En kan: “Alleen een samenleving die trots is op de eigen waarden en tradities, (…) van nieuwkomers verwachten dat zij deze ook willen delen.” Als die dominante joods-christelijke cultuur iets is wat bij het patriotisme hoort, gaan Janssens en Buma dan niet veel te ver? Hoe gezond is dergelijke vaderlandsliefde?

Is het niet veeleer ondanks, dan dankzij de christelijke cultuur dat  we trots kunnen zijn op de democratie, de rechtstaat, de vrijheid en de menselijke waardigheid? Zijn onze democratie, de rechtstaat, de vrijheid en menselijke waardigheid niet juist het resultaat van de strijd tegen de religie en tegen god? Een strijd om mensen zelf na te laten denken over hun leven en hun toekomst.

Verwachten zij dan ook dat ik die ‘waarden en tradities’ uitdraag? Dat ik daar trots op moet zijn? Welke christelijke en joodse waarden zijn dat dan? Hebben die twee stromingen niet een jarenlange niet zo fraaie geschiedenis? Zie bijvoorbeeld het denken van Luther over joden dat vorige week weer in het nieuws was. Maar ook welke tradities? Zijn dat die van de katholieke kerk, de joods orthodoxe, de remonstranten, de pinkstergemeente of nog andere?

Verwachten zij van nieuwkomers dan dat zij assimileren? Dat zij hun eigen waarden en tradities verloochenen? Of om de Borg, een van de vijanden van de Federation in de latere Start Trek reeksen, aan te halen: “We are the Borg. You will be assimilated. Resistance is futile.” Met als enig verschil dat de Borg: “biological and technological distinctiveness”  toevoegen aan hun eigen, het CDA lijkt die te willen uitbannen. Gelukkig weten captain Picard en zijn vrouwelijke collega Janeway, de Borg te verslaan. Waaruit blijkt dat ‘resistance’ niet ‘futile’ is. Als dit het streven van het CDA is, hoort u dan ook bij de resistance?

Spel met/zonder grenzen

“Een permanent en principieel open-grenzenbeleid kan in heel Europa de contrarevolutie ontketenen waarvan we nu overal in Europa helaas de contouren al zien.” De laatste zin uit een interessant artikel van Henri Beunders in Trouw. Beunders constateert terecht dat het broedt en gist in de wereld ten zuiden van Europa en dat hierdoor mensen op drift raken. “En als de boel ontploft in Egypte, Libië of Nigeria, reken dan maar met een half tot heel miljard Afrikanen, of nog meer: hun aantal zal in 2050 verdubbeld zijn tot 2,5 miljard, China en India samen dus,” aldus Beunders om de situatie nog wat bedreigender te maken. Op drift naar de stad, naar andere Afrikaanse landen maar ook naar Europa, want dat heeft ‘een goede pers’ in Afrika. Bovendien liggen Amerika of Australië voor een tocht per rubberboot te ver weg. In dit artikel verwijt hij mensen die Europa’s buitengrenzen open willen houden voor migranten en vluchtelingen, naïviteit. Naïviteit kan ‘contrarevolutionaire’ gevolgen hebben voor onze democratie en de verzorgingsstaat, volgens Beunders, kernelementen van onze politieke cultuur. Hij pleit daarom voor het sluiten van de grenzen.

Spel zonder grenzen

Illustratie: www.huisvanalijn.be

Nu wordt die ‘verzorgingsstaat’ al door de achtereenvolgende regeringen afgebroken en omgebouwd naar een ‘participatiesamenleving’ en ligt de huidige democratie ook onder vuur. Over deze afbraak van die kernelementen van onze politieke cultuur door onze politieke cultuur wil ik het niet hebben. Net zoals Beunders ‘open grenzen’ kritisch bevraagd, is het ook mogelijk om ‘gesloten grenzen’ kritisch te bevragen. Welke gevolgen heeft het sluiten van de Europese buitengrenzen?

Als eerste de vraag waar die buitengrens precies ligt? Waar moet het hek, die nieuwe ‘Berlijnse muur’ maar dan om mensen buiten te houden, worden geplaatst? Niet alle EU-landen zijn Schengenlanden, een zestal landen van de EU waaronder het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld niet. En andersom niet alle Schengenlanden zijn EU landen, Noorwegen, Liechtenstein, IJsland en Zwitserland bijvoorbeeld niet. Nu is daar wel uit te komen. Alleen komen de vluchtelingen en migranten nu met rubberbootjes. Hoe stop je die? Wat als vluchtelingen niet meer in gammele rubberbootjes komen, maar met een grote vrachtvaarder de Noordzee opvaren op weg naar Rotterdam? Terugslepen naar internationale wateren?

Maar wat als dat schip dan ineens zinkt? Laten we die mensen dan in de Noordzee verdrinken? Worden er met alle landen afspraken gemaakt zoals nu met Turkije zijn gemaakt? Wat dan te doen met luchthavens als bijvoorbeeld Schiphol? Wat als ik als vluchteling vanuit Afghanistan een vlucht boek naar Brazilië met een overstap op Schiphol en ik vraag op Schiphol asiel aan? Of een vliegtuig met migranten wordt ‘gekaapt’ en vliegt het Europese luchtruim binnen? Zijn gesloten grenzen zo niet alleen te bereiken als er wordt geaccepteerd dat er aan die grenzen vele doden zullen vallen? En niet alleen omdat hun bootje midden op zee omslaat, nee ook omdat Europa zelf zal moeten doden om die grenzen dicht te houden? Zou dit in het ergste geval kunnen betekenen dat die half miljard Afrikanen, of een deel ervan, gewapend en al, de Europese grens zullen bestormen, een oorlog dus?

Beunders heeft gelijk dat ‘open grenzen’ en iedereen van harte welkom heten, niet zal werken. Als zijn half miljard Afrikanen naar de EU komen, dan betekent dit een verdubbeling van de bevolking. Zou de oplossing dan niet moeten worden gezocht in ademende grenzen? Grenzen die open staan voor zowel vluchtelingen als arbeidsmigranten? Voor arbeidsmigranten door bijvoorbeeld te werken met arbeidsvergunningen voor bepaalde tijd. Arbeidsvergunningen die aan te vragen zijn in de landen van herkomst? Niet alleen voor de ‘hoogopgeleide ICT nerd’ maar ook en vooral voor lager- of niet opgeleiden? Maar vooral ademende grenzen door eerlijke handel? Waarbij eerlijk wat anders is dan vrije handel. Waarbij Afrikaanse landen beperkingen op mogen leggen aan westerse producten om zo hun eigen bedrijvigheid te beschermen en op te bouwen. Want is eerlijk delen van welvaart en welzijn op alle niveaus niet een onmisbaar onderdeel van een structurele oplossing?

Eye wish, Pearl of ‘Gans Anders’?

‘Nederland is een verzorgingsstaat en daarin zijn we veel te ver doorgedraaid. Zo ver dat mensen geen initiatief en verantwoordelijkheid meer nemen. Niet voor het schoon en sneeuwvrij houden van hun eigen stoepje. Niet meer voor het poetsen van het huis van je oude moeder, als die het zelf niet meer kan. Heb je geen werk dan houd je je hand op want je hebt immers recht op die uitkering. In dit land word je van wieg tot graf verzorgd. Heb je ergens een probleem, maak je geen zorgen de overheid neemt het van je over en lost het op. Hoog tijd dat daar iets aan wordt gedaan. Dat mensen weer zelf verantwoordelijkheid nemen, dat de werkloze van die bank komt en wat gaat doen, al is het in eerste instantie vrijwillig. Dat die oudere zelfredzaam blijft en zich inzet voor een ander. Dat kinderen en buren verantwoordelijkheid nemen voor ouders en buurtgenoten. Of eigenlijk dat we verantwoordelijkheid nemen voor elkaar. Maar niet alleen voor elkaar, ook voor onze leefomgeving. Die moeten de bewoners zelf schoon, veilig en heel houden. Dat er niet zoveel naar de overheid wordt gekeken. Dat we een participatiesamenleving worden waarin ieder zijn steentje bijdraagt, het liefst via betaald werk want dan participeer je pas echt.’  

cave

Illustratie: johnveldhuis.com

In iets meer dan tweehonderd woorden staat hier het nu populaire discours beschreven. Een discours dat is, en wordt vertaald in steeds meer wetten. Zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Participatiewet en de Jeugdwet. Maar wat als dit, zowel de ‘verzorgingsstaat’ als de ‘participatiesamenleving’ frames zijn. Brillen waarmee we naar de wereld kijken? Neem bijvoorbeeld de brief van de voorzitters van DWARS, ROOD, de Jonge Socialisten en FNV Jong in de Volkskrant. Een brief die ze afsluiten met de woorden “Het zijn jongeren die vol willen meedraaien in de maatschappij. Werkgevers, maak geen misbruik van hun positie door ze tegen stageloon, of zelfs tegen helemaal geen loon, in te zetten om productief werk te doen. Neem ze aan, gun ze een goede start van hun carrière!” Woorden uit een betoog dat ademt dat je alleen met betaald werk participeert in de samenleving en zij zijn niet de enigen.

Een andere bril

‘De sociale wetgeving zoals die vanaf de Noodwet ouderdomsvoorziening, later uitgebouwd tot de Algemene ouderdomswet (AOW), van Drees is opgebouwd, was en is bedoeld om mensen in hun kracht te zetten. Om mensen in lastige situaties, zoals werkloosheid, hun onafhankelijkheid en zelfstandigheid te laten behouden zodat ze ook in die lastige situaties als vrij persoon kunnen blijven deelnemen en handelen. Dat ze niet afhankelijk worden en blijven van de goedertierenheid van hun kinderen, buren of kerkgenootschap. Dat ze, zoals dat tegenwoordig heet, volwaardig kunnen blijven participeren in de samenleving.’ 

Zouden deze bijna negentig woorden, de bril kunnen zijn waarmee vanaf de jaren vijftig is gebouwd aan een wetgevingsstelsel dat nu ‘verzorgingsstaat’ wordt genoemd? Is de kern hiervan niet de zelfstandigheid van het individu om zelf zijn leven in te richten? Ter verdediging van die ‘Noodwet van Drees’ zoals hij werd genoemd, sprak premier Drees de hoop uit dat deze moest uitgroeien: “… tot een regeling, die vaste rechten geeft, vaste rechten, die een redelijk zelfstandig bestaan kunnen waarborgen.” Met soortgelijke woorden kondigde de koning bij de Troonrede in 2013 de ‘participatiesamenleving aan: “In deze tijd willen mensen hun eigen keuzes maken, hun eigen leven inrichten en voor elkaar kunnen zorgen.”

Meer overeenkomst

Ook in de manier waarop georganiseerd wordt, zijn verrassende overeenkomsten te zien. Neem het organiseren van de gezondheidszorg, de zorg voor de jeugd en de ondersteuning van individuen en gezinnen. Er wordt gewerkt met wijkteams die kort op de problemen moeten zitten, zonder ze over te nemen. Die moeten werken aan het weerbaar maken van het individu en het gezin en die hierbij de buren en familie betrekken. Die alert moeten zijn op problemen en die zo vroeg moeten signaleren, dat er snel wat aan gedaan kan worden. Die in de haarvaten van de samenleving moeten zitten. Die voor de bewoners van de wijk het logische aanspreekpunt moeten zijn als ze ergens mee zitten. Zo wordt inhoud gegeven aan de participatiesamenleving. Maar dit lijkt ook verdacht veel op de wijkzorg die vanaf de jaren vijftig tot in de jaren tachtig actief was. Die was opgebouwd als een onderdeel van de nu vervloekte ‘verzorgingsstaat’. Hoe verhoudt dit zo vroeg mogelijk, liefst al voor de geboorte, signaleren van problemen, en het in de haarvaten van de samenleving zitten, zich eigenlijk tot die eigen verantwoordelijkheid en de terugtredende overheid?

Hetzelfde doel, dezelfde middelen maar toch een heel ander frame, een heel andere kijk op de wereld. ‘Als eenzelfde aanpak geschikt is, wat maakt dat frame, die bril of kijk dan uit’, zou je kunnen vragen. Zou het voor een werkloze medemens wat uitmaken of hij wordt gewantrouwd als een ‘luie uitvreter’, iemand die de kantjes ervan afloopt en die profiteert van het ‘zuurverdiende’ geld van anderen, als een potentieel fraudeur? Of…, omdat hij buiten zijn schuld om, zijn baan heeft verloren, een lot dat ons allemaal kan treffen; dat hij nu even financiële hulp nodig heeft om zichzelf, en eventueel zijn gezin, deze moeilijke tijd te laten overleven; dat we weten dat hij er alles aan zal doen om zo snel mogelijk weer in zijn eigen levensonderhoud te voorzien? Zou het voor een hulpbehoevende oudere uitmaken of hij als een kostenpost wordt gezien, waarvan de kosten zo laag mogelijk moeten blijven; als een last voor zijn familie, buurt en samenleving; en ook als een mogelijke fraudeur of profiteur? Of dat hij wordt gezien als een mens die door ongemakken is getroffen en daarom onze hulp nodig heeft; als een persoon en mens die iets bijdraagt gewoon door er te zijn? Zou dat verschil maken? Als dat verschil maakt, welke boodschap zendt de overheid dan nu uit?

‘Gans’ Anders

Even terug in de tijd. Bij de bouw van wat nu de ‘verzorgingsstaat’ wordt genoemd, werkten liberalen, sociaal-democraten en christen-democraten (al waren die toen verdeeld over meerdere partijen), gebroederlijk samen. De liberalen vanuit vrijheid, de sociaal-democraten vanuit gelijkheid en de christen-democraten vanuit broederschap. Wat zien we terug van vrijheid, gelijkheid en broederschap? Hoe liberaal is het om iemands vrijheid te beknotten door hem afhankelijk te maken van de goedertierenheid van zijn familie en buren? Familie die steeds vaker ver weg woont. Hoe liberaal is het om iemands vrijheid te beperken, zoals nu gebeurt met werklozen en bijstandsgerechtigden? Hoe gelijk ben je nog als je afhankelijk bent van de goedertierenheid van familie en buren? Als je als werkloze bijstandsgerechtigde vanuit de hoogte wordt bekeken en met woorden en daden in de grond wordt getrapt? Hoe sociaaldemocratisch en broederlijk is dat? Hoe broederlijk is het als je door de zorg voor je naaste en alle andere ‘verplichtingen (werk, vrijwilliger etcetera) er zelf aan onderdoor gaat?

Nu werken die stromingen gebroederlijk samen aan de ‘participatiesamenleving’. Wat zou er gebeuren als ze de brillen afzetten? Als die drie stromingen zouden kijken vanuit vrijheid, gelijkheid en broederschap? Zou dat leiden tot beter beleid en wetten? Zou een onvoorwaardelijk basisinkomen dan tot de mogelijkheden behoren? Een basisinkomen dat net voldoende is om op een karige manier rond te komen. Tot de mogelijkheden behoren omdat het de vrijheid van mensen om zelf keuzes te maken, vergroot? Keuzes gebaseerd  op eigen wensen en plannen en veel minder vanuit nood gedreven? Tot de mogelijkheden behoren omdat het ieders startpunt voor het maken van keuzes gelijker maakt, ook de keuze om te studeren? Gelijker omdat niemand zich zorgen hoeft te maken om het rondkomen? Tot de mogelijkheden behoren omdat het de broederschap bevordert? Bevordert omdat het mensen de gelegenheid geeft om zich zonder schuldgevoel en inkomensvrees voor een ander in te zetten? Om dit echt vanuit het hart te doen en zich dan ook niet schuldig te voelen als dat betekent dat de persoon geen betaald werk verricht.

Of dat tot de mogelijkheden behoort is de vraag. Komt op die vraag niet alleen een antwoord als de Eye wish en Pearl brillen worden afgezet en ‘Gans Anders*’ wordt gekeken.

*Gans is Venloos voor helemaal

‘Loonslaven’ fabriek

In de Volkskrant werd de vraag gesteld hoe houdbaar het advies Ons Onderwijs 2032 is. Deze vraag wordt door verschillende mensen beantwoord; ook de door voorzitter van het Platform Onderwijs 2032 de opstellers van het advies, Paul Schnabel. Bij  De Correspondent wordt de vraag gesteld hoe inhoud te geven aan het vak burgerschapsvorming, een onderdeel van het kerncurriculum dat het advies voorstelt.

loonslavenFoto: www.brekend.nl

Burgerschapsvorming als kernvak? Is met dit vak het doel van het onderwijs verworden tot een middel? Want was het doel van het onderwijs niet om jeugdigen de bagage mee te geven om hun weg te vinden in hun leven. Een leven samen met anderen in onze democratische samenleving? Dus om volwaardig burger van die samenleving te kunnen zijn? Om ze de daarvoor benodigde kennis en vaardigheden bij te brengen? En zou het totale curriculum niet het middel zijn om dat doel te bereiken? Dit roept de vraag op, wat dan het nieuwe doel van het onderwijs is?

Een curriculum dat: “belangrijk (is) voor leerlingen die naar de universiteit willen, maar evengoed voor toekomstige loodgieters en cateraars,” aldus Schnabel en dat verder bestaat uit Nederlands, Engels, Wiskunde en Digitale Vaardigheden. Voor wat het laatste vak betreft de vraag wie er dan wie, wat moet leren? Want leren de ervaringen niet dat leerlingen dit zich makkelijk zelf eigen maken en hierin veel vaardiger zijn dan leraren? Is het doel dan de groei van de economie? En draagt het onderwijs bij door het leveren van voldoende arbeidskrachten? Is het met andere woorden een ’loonslaven’ fabriek?

Waarom zijn er nieuwe vaardigheden nodig? Waren, en zijn juist voor onze democratie, maar ook voor de economie, kritische, creatieve en zelfdenkende mensen nodig die zich in een ander kunnen inleven? Stimuleer je creativiteit niet juist door kinderen kennis te laten maken met andere culturen, of dat nu huidige of vergane culturen zijn? Zou dat ook de nieuwsgierigheid, verbeeldingskracht en het empathisch vermogen vergroten? Zijn dat, om Schnabel aan te halen, nu juist de vaardigheden die belangrijk zijn “voor leerlingen die naar de universiteit willen, maar evengoed voor toekomstige loodgieters en cateraars?” Die vooral van belang zijn voor toekomstige kritische, creatieve, zelf denkende burgers in een democratische samenleving?

Debat, partijen en parlement

In de Volkskrant stelt Willem van Ewijk een bijzondere vraag naar aanleiding van het Oekraïnereferendum. Een referendum waardoor er eindelijk een debat over de inhoud en niet over ‘poppetjes’ werd gevoerd. Eindelijk een debat tussen mensen die het niet met elkaar eens zijn. Eindelijk een debat over concreet beleid, zo constateert Van Ewijk, alleen jammer dat het was over een verdrag dat al getekend was.

debat

Foto: dspace.library.uu.nl

Zo’n debat smaakt naar meer, want dat is: “waar een gezonde democratie op draait: het voortdurende debat”, zoals Van Ewijk terecht constateert.  Alleen: “Het is een ideaal natuurlijk, maar iets waar de Tweede Kamer al lang niet meer in uitblinkt”  Het debat wordt, aldus Van Ewijk, nu beheerst door het kleine groepje Nederlanders dat lid is van een politieke partij. En dan stelt hij de vraag: “Als burgers niet meer debatteren via politieke partijen, waarom houden we dan zo krampachtig vast aan die parlementaire democratie?” Op de vraag wat er dan voor in de plaats moet komen, geeft hij geen antwoord, maar daar gaat het nu niet om.

Een bijzondere vraag, omdat er een relatie wordt gelegd tussen het publieke debat, politieke partijen en het parlement. Eerst de relatie tussen het publieke debat en politieke partijen. Van Ewijk lijkt het publieke debat te beperken tot de het debat in de Tweede Kamer. Is dat niet heel erg beperkt? Die partijen zouden het debat moeten voeren en dat doen ze niet. Is het publieke debat niet het gesprek tussen burgers op straat, in kranten, via Facebook en Twitter, via sites als www.ballonnendoorprikker.nl? Zijn politieke partijen hierbij onmisbaar?

Dan de relatie tussen politieke partijen en de parlementaire democratie. Van Ewijk lijkt te suggereren dat partijen cruciaal zijn in een parlementaire democratie. De Grondwet kent geen politieke partijen. Die kent parlementsleden die: “stemmen zonder last (artikel 67 lid 3). Zij zijn vrij om naar eigen oordeel en goeddunken te stemmen. Zou een parlementaire democratie kunnen functioneren zonder politieke partijen? Gewoon 150 landgenoten die we kiezen en die ons representeren, of ze representatief kunnen uitloten naar de ideeën van David van Reybrouck?

En daarmee zijn we aanbeland bij de relatie tussen parlement en publiek debat.  Parlementsleden moeten het publieke debat volgen, vragen stellen en op basis van de argumenten voor en tegen en hun eigen opvattingen, een keuze maken. Een keuze die niet overeen hoeft te komen met de ideeën en wensen van de meerderheid. Want het publieke debat kan eeuwig doorgaan, op enig moment moet er echter worden besloten en daarvoor worden die 150 mensen gekozen. Zou onze parlementaire democratie zo kunnen werken?