De Ballonnendoorprikker schrijft korte prikkelende columns, waarin kromme redeneringen, verhullend taalgebruik en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak worden gesteld
In haar boek The Human Condition schrijft Hannah Arendt (eigen vertaling): ‘als producten niet primair worden gewaardeerd om hun bruikbaarheid, maar min of meer als incidentele resultaten van het productieproces waaruit ze voortkomen, waardoor het product niet wordt gewaardeerd om het vooraf bepaalde gebruik,maar voor de productie van iets anders, dan kan daar tegenin worden gebracht dat de waarde van het product alleen secundair is. En een wereld die geen primaire waarden kent, kent ook geen secundaire.” En dat ‘anders’ waarover Arendt spreekt, is geld en tegenwoordig economische groei.
Hieraan moest ik denken na het zien van een aflevering van de documentairereeks Planet e die de Duitse TV (ZDF) uitzendt. De laatste droeg de titel Garantie vorbei-Gerät kaputt. De aflevering handelde over elektrische apparatuur die steeds sneller kapot gaat. Een onderwerp waarop Tegenlicht ook al het licht liet schijnen in een uitzending met de architect, Thomas Rau. Dergelijke producten zijn volgens Rau: “nog net niet stuk.” En de Duitsers ontdekten dat die spullen tegenwoordig steeds sneller kapot gaan.
Daar komt bij dat de apparaten tegenwoordig bijna niet meer te repareren zijn. Dit kent verschillende oorzaken. Vaak zijn reserve-onderdelen net zolang beschikbaar als het model in de verkoop is. Ook worden snel slijtende onderdelen zo geïntegreerd in een duur geheel, waardoor het vervangen (te) duur uitvalt. Veel voorkomend is ook het op een of andere manier dichtsmelten van onderdelen, zodat ze alleen als geheel zijn te vervangen.
Rau voegt er nog een categorie aan toe. Producten waarvan de ‘emotionele’ levensduur korter is dan de technische. Bijvoorbeeld een mobieltje. Er komen zo snel ‘nieuwe’ ‘betere’ en vooral ‘hippere’ (al is de emotionele levensduur van het woord hip ook al weer voorbij) op de markt en dat verleidt tot het kopen van een nieuwe, terwijl de oude nog niet versleten is.
Dit is goed voor de economie, want er wordt goed verkocht. Maar het levert heel veel afval op en het verslindt kostbare, schaarse grondstoffen.
Rau geeft bij Tegenlicht het voorbeeld van het tuingereedschap van zijn opa, dat is nog steeds goed te gebruiken. Dat is gemaakt om een probleem op te lossen. Zijn onze moderne producten nog steeds bedoeld om een probleem op te lossen of houden ze het probleem in stand? Is er niet nóg een categorie bijzondere producten? Kennen we tegenwoordig niet heel veel producten die ‘in de markt gezet’ moeten worden? Waarvoor een probleem of verlangen moet worden gecreëerd?
Moeten we niet op zoek naar dat wat primaire waarde heeft?
Gisteren schreef ik over de veronderstellingen waarop de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning zijn gebaseerd. En als we het hebben over veronderstellingen als de moeder van alle mislukkingen, dan moet ik denken aan het boek De Kanonnen van Augustus van de historica Barbara Tuchman. Mijn favoriete boek over de Eerste Wereldoorlog, of The Great War zoals de Engelsen en Fransen hem noemen. Tuchman schrijft op een zeer beeldende manier over de gebeurtenissen die tot de oorlog leidden en de eerste maand van de gevechten. Naar die Eerste Wereldoorlog werd al lang uitgezien.
Frankrijk startte al met de voorbereidingen na de nederlaag bij Sedan in de Frans-Duitse oorlog in 1870. Een plan dat bestond uit verdedigende forten, maar vooral uit een aanval met élan waarbij de verloren gebieden, Elzas en Lotharingen, zouden worden heroverd en vervolgens zou rap worden opgetrokken naar Berlijn. Want een Franse aanval met élan was immers niet te stoppen. Om sterker te staan had Frankrijk ook een alliantie met Tsaristisch Rusland afgesloten.
Het Duitse Keizerrijk liep zo het risico op een oorlog op twee fronten. Om dat te voorkomen werd het Schlieffenplan ontwikkeld. In dit plan zou Frankrijk in vier weken worden verslagen en dan kon het grootste deel van het leger naar het oosten om de Russen te bevechten. Rusland zou eerder toch geen bedreiging vormen, omdat de mobilisatie daar tenminste vier weken zou duren. Het Schlieffenplan was uitgewerkt in draaiboeken, waarin nauwkeurig werd bepaald welke eenheid op welk tijdstip, welke plaats ingenomen zou moeten hebben. Het plan ging uit van een opmars door het neutrale België. Maar die Belgen zouden vrije doorgang geven, zo veronderstelden de Duitsers.
De Britten stonden garant voor de Belgische neutraliteit. Schending daarvan zou automatisch oorlog met Engeland betekenen. De Britten beschikten over een grote marine, het leger was maar klein. Dit wisten zowel de Fransen als de Duitsers. De Fransen hadden contact gezocht met de Engelsen en plannen uitgewerkt voor als de Duitsers de Belgische neutraliteit zouden schenden. Dan zouden de Britten het meest westelijke deel van het front voor hun rekening nemen. Maar dan moest er wel eerst een schending zijn van de Belgische neutraliteit.
De Russen hadden ook mooie plannen uitgewerkt om snel ten strijde te kunnen trekken. Alleen ontbrak het aan het materieel, infrastructuur (spoorwegen) en organisatietalent om het uit te voeren en domineerden incompetentie en corruptie.
De belangrijkste spelers hadden zo allemaal hun plannen gebaseerd op aannames en veronderstellingen zoals: de kracht van het élan, de Belgische vrijgeleide, de Russische traagheid, de kracht van de Russische beer of stoomwals. Na een maand konden alle plannen de prullenmand in en lagen de partijen vast in de loopgraven. Loopgraven die het graf werden van miljoenen jonge mannen. Mislukt vanwege de starre aannames en de even starre uitvoering. Mislukt al kwamen de Duitsers nog het verst met de realisatie ervan. Daarom lagen de loopgraven in België, Frankrijk en Rusland.
Een leerzaam boek over de Eerste Wereldoorlog, omdat het laat zien waartoe halsstarrigheid kan leiden. Maar vooral waartoe beleid en politiek gebaseerd op aannames en veronderstellingen kunnen leiden. En als we nu kijken naar de belangrijke problemen van onze tijd, in hoeverre spelen veronderstellingen daarin een belangrijke rol?
Neem de crisis in Syrië. Is het werkelijk zo dat IS in Syrië en Irak een grote bedreiging vormt voor onze vrijheid en manier van leven? Wie denkt er werkelijk dat vier F16’s, die nu naast Irak ook nog Syrië moeten bombarderen, het verschil maken? Wie denkt er werkelijk dat bommen op Syrië het perspectief van jeugdigen in de Schilderswijk, Molenbeek of la Courneuve verbeteren en hen dus afhoudt van dwaasheid? Wordt zo niet in ‘moderne’ loopgraven de verkeerde ‘oorlog’ met de verkeerde middelen gevoerd?
Velen zijn boos op de Grieken, omdat zij die vluchtelingen doorlieten en ze niet eens geregistreerd kregen. Wie was er werkelijk van overtuigd dat Griekenland bijna een miljoen vluchtelingen zou kunnen opvangen? Zeker net nadat het land uitgekleed was en onder curatele was gesteld. Waarom zouden de Grieken die aantallen wel kunnen registreren als het Nederland nog niet eens lukt om vijftigduizend mensen tijdig in procedure te nemen? Wie gelooft er werkelijk dat ‘herstel’ van de grenscontroles door Nederland werkelijk iets oplost? Zou dat er niet toe kunnen leiden dat ieder land de eigen grenzen streng bewaakt en zo de eigen kuil graaft waar het vervolgens zelf invalt, omdat iedereen dan vastzit in zijn eigen land?
En over de Grieken gesproken. Wie gelooft er werkelijk dat de Eurocrisis een strijd is tussen landen en geen strijd tussen de ‘haves’ en de ‘havenots’? Nu we toch bij de economie zijn aangeland, wie gelooft er werkelijk dat flexibilisering van het arbeidsrecht goed is voor de werkende? En een stapje verder. Wie denkt er werkelijk dat economische groei aan iedereen ten goede komt? Dat het rijker worden van de rijken goed is voor de armen, omdat die rijken hun geld uitgeven en het geld zo naar beneden druppelt, naar de armen? En wat belangrijker is, wie geloofd er werkelijk dat betaald werk het toppunt van participatie is? Dat we leven om te werken? Wordt werk en daarmee leven zo niet een moderne loopgraaf? Een plek waar we eigenlijk niet willen zijn, maar niet meer uitkomen?
Hoe de situatie in Syrië op te lossen? Een goede vraag waarop geen snel en kort antwoord mogelijk is. Er zijn zoveel partijen en landen bij betrokken met allemaal een eigen inzet en eigen belangen. En sinds kort is Nederland er ook bij betrokken. Nederland is erbij betrokken om te strijden tegen de terroristen van IS, want die waren verantwoordelijk voor de verschrikkelijke aanslagen onder andere in Parijs. Nederland strijdt tegen terrorisme, maar is het wel aan te raden om ‘oorlog’ te voeren tegen terroristen?
In de Volkskrant stond een column van de Amerikaan JosephNye waarin hij vijf feiten over het terrorisme beschrijft. Volgens Nye is terrorisme:
theater, en zijn terroristen meer geïnteresseerd in aandacht die ze genereren.
voor mensen in de geïndustrialiseerde landen niet de grootste bedreiging: “De kans is groter dat je door de bliksem wordt getroffen dan gedood door een terrorist.”
niets nieuws en duurt maar een generatie voor het uitdooft
van IS een politiek fenomeen in religieuze tooi gehuld. Een geducht fenomeen maar, volgens Nye, met beperkte reikwijdte
net jiujitsu. Het is een kleine actor die de kracht van de grotere vijand gebruikt om hem te verslaan.
Als dit de feiten over terrorisme zijn, waarom gaan we dan bombarderen in Syrië? Genereren de terroristen zo niet meer aandacht en moeten we dat juist niet voorkomen? Laten we ons als grotere partij niet verleiden tot een partijtje jiujitsu? Een partijtje met kans op schade en zelfs aanzienlijk verlies? Zouden we niet veel verder komen als we als vrije en open samenleving beheerstheid, bedachtzaamheid en terughoudendheid betrachten? Als we het terrorisme niet als een militair probleem zien, maar als een probleem van politie en justitie?
Als laatste sluit Nye af met de zinnen: “we moeten niet in de val van de terroristen lopen. Laat de acties van dit tuig zich in lege theaters uitspelen. Als we ze het hoofdpodium van ons publieke discours laten overnemen, laten we ze de kwaliteit van ons leven ondermijnen en onze prioriteiten verstoren. Onze kracht zal tegen ons gebruikt zijn.” Loopt Nederland niet in de val van de jiujitsu-ende IS-terrorist?
Ernst-Jan Pfauth, correspondent zelfverbetering, had zich voorgenomen om een marathon te lopen. En in de training voor de marathon trainde hij, zoals wordt geadviseerd, in een iets lager tempo dan natuurlijk voor hem voelde. Dit ging goed, totdat hij werd ingehaald. Dan wilde hij de snelste zijn met als resultaat blessures en hij heeft nog steeds geen marathon gelopen.
Deze persoonlijke onthulling deed hij in een artikel bij de Correspondent met als titel: “Stop toch met jezelf eindeloos met anderen te vergelijken.” Want juist dat vergelijken met anderen en het streven om minstens even goed en liever beter dan anderen te zijn, leidt zelden tot nooit tot het gewenste resultaat, aldus Pfauth die zich baseert op een zelfhulpboek De moed van imperfectie van de Amerikaanse Brené Brown.
Volgens Brown en Pfauth leidt dit niet tot resultaat, omdat je je succes afmeet aan dat van anderen en er zijn altijd anderen die het beter voor elkaar lijken te hebben. Bovendien ga je je dan gedragen zoals je denkt dat anderen willen dat je je gedraagt en zo negeer je wat je echt wil. Het gras is bij de buren immers altijd groener. Nee, je kunt betere maling hebben aan hoe je je verhoudt tot anderen en je richten op wat je intrinsiek voldoening heeft.
Een goed te volgen betoog dat een vervolgvraag oproept. Als het voor een persoon beter is om zich niet te vergelijken met anderen, zou dat voor samenlevingen, landen maar ook streken en steden, niet ook gelden? Waarom wil een stad de meest toeristische zijn? Of de beste binnenstad hebben? De groenste gemeente zijn? De logistieke hotspot zijn? Waarom doen ze mee aan dergelijke wedstrijden? Waarom hechten ze zoveel waarde aan hun score in de Atlas der gemeenten? En geldt hetzelfde niet ook voor landen?
Maar vooral voor economieën? Waarom moet ‘Nederland’ de concurrentie met ‘China’ aangaan? Als de economie alsmaar moet groeien om anderen voor te blijven en onze (wie is trouwens die onze?) ‘concurrentiepositie’ te handhaven en te verbeteren, groeien we dan niet alleen maar om anderen voor te blijven? Lopen we dan niet een grote kans om, net zoals Ernst-Jan die andere lopers voor wilde blijven, geblesseerd te raken? Vertoont onze maatschappij al kenmerken die op blessures duiden?
Zullen we ook hier stoppen met vergelijken en onze trots ontlenen aan ‘ons eigen gras’ en niet dat van de buren?
De Britten mogen zich binnenkort uitspreken over hun deelname aan de Europese Unie. In Elsevier speculeert Jelte Wiersma over de mogelijke gevolgen hiervan. De Britten zorgen, volgens Wiersma, voor tegenwicht tegen het ‘corporatistische’ Duitsland en het ‘protectionistische’ Frankrijk door te hameren op vrijhandel en hun lidmaatschap is voor Nederland van het grootste belang. Zeker omdat na de Britten ook de niet-eurolanden, Zweden en Denemarken, uit de Unie zouden kunnen stappen. “Dat is voor Nederland een horrorscenario. De succesvolle protestantse pro-handelslanden in het noordwesten van Europa laten Nederland dan achter met een katholiek anti-vrijhandelsblok,” aldus Wiersma.
Ooit legde Max Weber in zijn boek Die Protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus de relatie tussen het protestantisme en het kapitalisme. De hardwerkende protestanten investeerden hun verdiende geld in plaats van het te verjubelen, zoals katholieken deden. Zo vormden zij de motor van de bedrijvigheid, de handel en dus het kapitalisme. Deze theorie van Weber is altijd omstreden geweest. Was de rijkdom van de Italiaanse stadstaten immers niet ook gebaseerd op handel en bedrijvigheid? En waren deze niet gewoon katholiek? Wiersma lijkt Weber te volgen.
Stel dat het scenario dat Wiersma schetst werkelijkheid wordt. Moet Nederland, als protestants land dan ook de Unie verlaten? Maar wacht even. Wat moeten dan de van oudsher katholieke oostelijke en zuidelijke delen van ons land doen? Zich afscheiden omdat ze niet bij een protestantse pro-handelsnatie passen?
Het lijkt wel alsof Wiersma grote cultuurverschillen ziet tussen katholieken en protestanten. De geschiedenis bestuderend kon hij wel eens gelijk hebben. Katholieken en protestanten hebben zich eeuwenlang de tent uit gevochten. Noord-Ierland is hiervan het laatste nog smeulende voorbeeld. Maar had dit te maken met nijverheid en handel?
Wat moeten we dan met de Europese Grondwet? Die spreekt immers over een joods-christelijke cultuur. Waarbij de protestanten en katholieken op de christelijke hoop zijn geveegd. Wordt er, ook in de Elsevier van Wiersma, niet fel geprotesteerd tegen de komst van vluchtelingen omdat hun islamitische cultuur niet bij onze christelijke past?
Of blaast Wiersma zijn betoog op met grote, zware woorden en vooroordelen? Zoekt hij spijkers op laag water?
De hele ‘internationale gemeenschap’ staat op haar achterste benen. Nee, niet over de al jaren voortslepende ellende in Irak en Syrië. Daar staat de hele ‘internationale gemeenschap’ tegenover elkaar op het slagveld. De hele internationale gemeenschap? Nee een relatief klein landje tussen China en Zuid-Korea bemoeit zich er niet mee. En laat nu net de rest van de ‘internationale gemeenschap’ op haar achterste benen staan omdat dat land, Noord-Korea, een lange afstandsraket heeft gelanceerd. Een raket waarmee het landje naar eigen zeggen een satelliet in een baan om de aarde heeft gebracht.
Laten er nu de laatste jaren steeds meer landen zijn die lange afstandsraketten lanceren en daarmee satellieten in banen om de aarde brengen. India, China, Japan, Rusland, de Verenigde Staten de Europese Unie allemaal schoten ze al raketten het firmament in om satellieten in een baan om de aarde te brengen.
Sterker nog, er zijn tegenwoordig ook al rijke Amerikaanse ondernemers die zoiets ook doen. Die willen naar Mars of nog verder. Die laatsten halen steevast de media met hun kapriolen en worden door velen aanbeden als echte ondernemers en avonturiers.
Dit alles leidde nog niet tot een ‘internationale gemeenschap’ die op de achterste benen staat en uitroept dat zoiets ‘absoluut onaanvaardbaar’ is en een ‘onvergeeflijke provocatie’. Waarom wordt er dan wel zo gereageerd als Noord-Korea een satelliet met een raket in een baan om de aarde brengt?
Omdat Noord-Korea een vreemd, isolationistisch regime heeft, waarin de leider wordt verheerlijkt. Bovendien beschikt het land over kernwapens en die kunnen met die raket de halve wereld over vliegen. Dat is gevaarlijk en daarom moet hard worden opgetreden. Zo is de teneur in de media.
Heeft Rusland niet ook een vreemd regime, waarin de leider wordt verheerlijkt en dat over kernwapens beschikt? Moeten we in de VS niet ook maar afwachten wie president is? Maken we na Bush junior nu niet weer kans op een clown als president van het enige land dat al kernwapens heeft gebruikt? En is China een toonbeeld van zuiverheid en rechtvaardigheid?
Verwijten de potten hier de ketel dat hij zwart ziet?
Op LinkedIn kwam ik een berichtje tegen. Een plaatje van een man, liggend in het gras met een tablet en de volgende tekst erbij: “Post van de gemeente digitaal ontvangen? Gebruik de Berichtenbox van MijnOverheid.” De overheid digitaliseert steeds meer dienstverlening en ook de correspondentie met de overheid gaat steeds meer digitaal. De overheid gaat met de tijd mee en dat is positief. Maar toch. Zoals alle digitalisering, die eigenlijk niet meer is dan automatisering, gaan hierbij arbeidsplaatsen verloren. Dat is vervelend maar daar wil ik het niet over hebben.
Als de overheid vroeger contact met mij wilde zoeken, dan werd er een brief gestuurd die netjes door de PTT in mijn fysieke brievenbus werd gestopt. Als het erg belangrijk was, dan kon de brief worden aangetekend en moest ik tekenen voor ontvangst. Ik kon dus altijd zien of bijvoorbeeld de Belastingdienst iets van mij wilde, dan lag er immers een blauwe enveloppe op mijn deurmat.
Nu maakt de overheid een Berichtenbox aan en dan moet ik daar maar gaan kijken of er post voor mij is. En de overheid is niet de enige die het zo doet. Veel bedrijven doen hetzelfde. De ‘MijnEssents’ of ‘MijnKNPs’ zijn talrijk. Daar waar je vroeger je post van de deurmat haalde, moet je nu langs diverse sites surfen. Sites waar je steevast een gebruikersnaam en wachtwoord voor moet invullen en zo moet je zelf postbode spelen om je post te verzamelen. En als je wat vergeet, dan is het je eigen schuld.
Op al die ‘MijnBrievenbussen’ sites staan persoonsgegevens. En aangezien er geregeld digitale gegevens worden gestolen, lopen we het risico dat een van die ‘MijnBrievenbussen’ wordt gekraakt. Dat er gegevens worden verwijderd of toegevoegd. Ben ik ouderwets als me dat een unheimisch gevoel geeft?
Maar als dit de moderne manier van communiceren is, waarom dan niet op eenzelfde manier terug communiceren? Door een eigen digitale ‘MijnBrievenbus’ te beginnen en daarin alle post voor bijvoorbeeld de gemeente, het energiebedrijf, de Belastingdienst en anderen te zetten? Een brievenbus waarin zij dan inloggen met een gebruikersnaam en wachtwoord en kijken welke post ik voor hen heb?
Als toch ieder bedrijf of organisatie zelf bepaalt hoe er met haar moet worden gecommuniceerd, dan mag ik dat als persoon toch ook zelf bepalen? Leuker kunnen we het niet maken!
‘We moeten onze cultuur beschermen’, en ‘onze beschaving staat onder druk’, deze en soortgelijke uitspraken vallen tegenwoordig veel en vaak te lezen en te horen. Veel in verband met de instroom van vluchtelingen maar ook in in andere verbanden zoals de al bijna ‘traditionele’ Zwarte-Pietendiscussie.
In zijn boek De opstand van de massamens geschreven in de jaren dertig van de vorige eeuw, behandelt de Spaanse denker José Ortega y Gasset dit thema ook. “Eén aspect, concreter gezegd, nauw verweven met de vaart der volkeren, en dat is de rijke ervaring waaruit men kan putten. Ik doel op het lange verleden dat de beschaving achter zich heeft, haar geschiedenis. Het ontwikkelen van historisch besef is een van de beste manieren om een geavanceerde beschaving in stand te houden. Niet zo zeer om ons positieve oplossingen te bieden voor de nieuwe problemen die het nieuwe leven opwerpt – het leven is immers altijd weer anders dan het was – maar om dezelfde naïeve dwalingen van vroeger te vermijden.” Zo schrijft hij.
Normaal, aldus Ortega y Gasset, gaan beschavingen ten onder omdat beginselen waarop ze zijn gebaseerd niet meer toereikend bleken. In de jaren dertig van de vorige eeuw zag hij een andere mogelijke reden voor de ondergang van een beschaving: “Het leven wordt moeilijker naarmate je ouder wordt, maar dat wordt gecompenseerd door ervaring. Als je dan ook nog je geheugen bent kwijtgeraakt waardoor je er niet meer uit kunt putten, blijven alleen de nadelen over. Welnu, ik geloof dat Europa zich juist in die situatie bevindt. Zelfs de meest ‘gecultiveerde’ mensen van onze tijd lijden aan een ontstellend gebrek aan historisch besef.”
Onze beschaving wordt in vage termen beschreven; joods-christelijke cultuur. Waarbij men zich niet realiseert dat die christelijke cultuur de joodse eeuwenlang te vuur en te zwaard heeft bestreden. Daarnaast blonk die christelijke cultuur nu niet uit in eenheid.
Iets specifieker wordt het als er wordt gesproken over de gelijkheid van man en vrouw en gelijke behandeling van homo’s. Daarbij wordt voor het gemak vergeten dat hele volksstammen Europeanen die gelijkheid toch net wat anders zien.
Wat zijn de belangrijke waarden waarop de westerse samenleving is gebaseerd en hoe hebben die zich ontwikkeld? Waar komen ze vandaan? Hoe verhouden die waarden zich tot elkaar? Welke ‘naïeve dwalingen’ zijn begaan en moeten worden vermeden? Tiert historische dementie niet welig?
Gisteren schreef ik over de onderwijsplannen van Maurice de Hond. De Hond sprak over een andere wereld waarin onze kinderen opgroeien dan de wereld waarin mensen van boven de veertig zijn opgegroeid. Door deze zin moest ik denken aan het derde Venlo Collegedat ik afgelopen week bezocht. Een van de sprekers, crisiscommunicatie-specialist Hans Siepel, sprak over de bijzondere tijd waarin we leven. We staan op een kruispunt tussen ‘eerlijke’ communicatie en ‘mannetjesmakerij’, zoals ik het interpreteer. En er is nu zo’n druk vanuit de samenleving, dat de eerlijke communicatie gaat winnen van het machtsdenken van de ‘mannetjesmakerij’. Barbara Tuchman heeft een boek geschreven over dat machtsdenken door de eeuwen heen. Conclusie: de mens blijkt hardleers.
Nu horen we dat vaker: we leven in bijzondere tijden en de ‘Brave New World’ ligt binnen handbereik. Uitspraken waarbij de nadruk wordt gelegd op het bijzondere van het huidige tijdsgewricht. Aan het eind van het vorige millennium gingen we bijvoorbeeld het tijdperk van de ‘nieuwe economie’ in. Een tijdperk van eeuwigdurende economische groei mogelijk gemaakt door de dot.com revolutie en dat eindigde met een knappende ballon.
Nu denken mensen als De Hond dat er compleet andere tijden aanbreken. Tijden waarin de virtuele wereld de reële langzaam naar de achtergrond zal verdrijven. Het eerste Venlo College was eraan gewijd: “De technologische en digitale ontwikkeling gaat steeds sneller. Dit heeft grote gevolgen voor hoe we in de toekomst ons werk doen en hoe we in contact staan en communiceren met onze inwoners”, zo viel te lezen op de uitnodiging.
Is er sprake van een plotselinge verandering? Een algehele ommekeer? Of is het meer van hetzelfde? Werk vervangen door techniek is al zo oud als de vuistbijl. Informatie vastleggen om die voor het nageslacht beschikbaar te houden heeft ook al een lange baard. Wie kent er nog de oral history? De rotstekeningen? De kleitabletten? De papyrusrollen? De schilderijen? De gedrukte boeken? Is het niet een gestage ontwikkeling die alleen wat sneller gaat omdat we met wat meer mensen zijn?
Nu is het heel menselijk om de huidige tijd en de gebeurtenissen erin als revolutionair te zien. De Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang constateert dat in zijn boek 23 Dingen die je ze niet vertellen over het kapitalisme ook en brengt perspectief aan: “… in termen van economische en sociale veranderingen die erdoor teweeg zijn gebracht is de revolutie van het internet (althans tot nu toe) minder belangrijk geweest dan die van de wasmachine en andere huishoudelijke apparaten, … .”
Zou Chang een revolutionair waskracht-punt hebben?
Maurice de Hond pleit in de Volkskrant voor het op een heel andere manier vormgeven van het onderwijs. De wereld verandert volgens De Hond: “Door Google en Wikipedia, smartphones en sociale media heb je waar ook ter wereld altijd de beschikking over alle informatie in de wereld. Dit leidt tot een compleet andere wereld dan de wereld waarin de mensen boven de veertig jaar zijn opgegroeid.”
Daarom moet er in het huidige curriculum worden geschrapt (hij denkt aan bijvoorbeeld Latijn, Grieks of wiskunde) om plek te maken voor bijvoorbeeld programmeren en ondernemen. “We leren je het nu, wie weet heb je het ooit nodig. Veel van wat je leerde, was in de rest van je leven nooit meer relevant.” Omdat informatie nu in overvloed beschikbaar is, is dat niet nodig. Als je het nodig hebt, zoek je het immers gewoon even op. De Hond lijkt ervoor te pleiten om het onderwijs af te stemmen op dat wat de markt vraagt.
Volgens De Hond is andere kennis en zijn andere vaardigheden nodig: “We moeten veel ruimte geven aan creativiteit, kritisch denken, leren leren, burgerschap.” Was en is dat niet altijd de opdracht van het onderwijs geweest? Is het daarom niet juist van belang om te weten wat de generaties voor jou dachten? Moet je dan ook niet de kennis van hun taal voor de samenleving behouden zodat die teksten uit de eerste hand gelezen kunnen worden? Is wiskunde niet ook van belang omdat het logisch nadenken en redeneren ontwikkelt en bevordert? Zou de wereld niet juist gebaat zijn bij meer logisch nadenken? En bovenal, is dat niet juist een vaardigheid die je goed van pas komt bij het schrijven van algoritmes en het programmeren?
De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum hield een paar jaar geleden in haar boek Not for Profit juist een pleidooi voor het opwaarderen van wat zij humanities, de geesteswetenschappen noemt. Zij waarschuwt voor de dominantie van het ‘marktdenken’: “Hongerig naar winst, verwaarlozen landen en hun onderwijssystemen vaardigheden die nodig zijn om de democratie levend te houden. Als die trend doorzet, produceren landen van over de hele wereld generaties van bruikbare machines in plaats van complete burgers die zelf kunnen denken, tradities bekritiseren en die het belang inzien van andermans lijden en prestaties. De toekomst van de democratie staat op het spel (eigen vertaling).”
Heeft zij hier een punt? Stimuleer je creativiteit niet juist door kinderen kennis te laten maken met andere culturen, of dat nu huidige of vergane culturen zijn? Zou dat niet ook de nieuwsgierigheid en het empathisch vermogen vergroten? Kan dit geen positieve invloed hebben op de samenleving en dus bijdragen aan ‘burgerschap’? Spant De Hond het paard niet achter de wagen?