Not everything that counts can be counted

“Subsidies in Venray zijn doelloos,”  de kop van een artikel in Dagblad de Limburger. Het artikel bespreekt de uitkomst van een onderzoek dat de Venrayse rekenkamer heeft uitgevoerd naar het gemeentelijke subsidiebeleid. De gemeente heeft geen helder beeld wat ze met de subsidies wil bereiken. Doelen zijn niet helder, effecten blijven onduidelijk en daarom is het moeilijk om goede prestatieafspraken te maken met de instellingen die subsidie ontvangen. Het is daarom een raadsel  voor de gemeenteraad of het geld goed wordt besteed. De raad kan zo haar controlerende taak niet goed vervullen.

doelmatigheid

Illustratie: www.focusopdalton.nl

Venray zal niet de eerste en zeker niet de laatste gemeente zijn waar de rekenkamer of een andere onderzoeker tot soortgelijke conclusies komt. En ook daar zal worden geconcludeerd dat een schouwburg of een kunstencentrum vele tonnen subsidie krijgen, zonder dat precies duidelijk is wat zij moeten bereiken voor dat geld.

Dit concluderen is één, maar wat eraan te doen? Simpel duidelijke doelen en meetbare effecten formuleren en goede prestatieafspraken maken. Dat is ook wat meestal wordt geadviseerd. Als het zo simpel is, waarom gebeurt het dan niet?

Het is inderdaad heel simpel om een doel te formuleren. Ook is het makkelijk om effecten te formuleren. Goede prestatieafspraken maken het lastiger maar zal ook nog wel lukken. Maar hoe bepaal je de relatie tussen het doel en het effect en hoe meet je het? En nog lastiger, hoe bepaal je wat en zo ja op welke wijze een actie, die je in je prestatieafspraken maakt, bijdraagt aan het effect?

Een sportpark, sporthal of zwembad, een schouwburg en een kunstencentrum waar inwoners laagdrempelig les kunnen krijgen in diverse vormen van kunst. Om een beetje leefbaar te zijn, moet een dorp of stad bepaalde voorzieningen hebben. Hoe groter de stad, hoe meer van dergelijke voorzieningen er moeten zijn. Net zoals voor de leefbaarheid de verenigingen die activiteiten organiseren en mogelijk maken onmisbaar zijn.

Van Einstein is de gevleugelde uitspraak: “Not everything that counts can be counted. And not everything that can be counted counts.”  Zou deze uitspraak voor dergelijke onmisbare voorzieningen kunnen gelden? En als dat zo is, zouden we dan niet beter kunnen stoppen met dergelijke voorzieningen te benaderen vanuit het doelmatigheidsdenken?

Weapons of Mass destruction

In de Volkskrant valt te lezen dat de Verenigde Naties (VN) zeer strenge sancties tegen Noord-Korea hebben uitgevaardigd. Het land wordt gestraft voor een kernproef van begin januari 2016. Nu zou geen enkel land naar het bezit van kernwapens en andere massa-vernietigingswapens moeten streven of ze moeten bezitten. Laat er nu veel meer landen zijn die dergelijke wapens hebben en ernaar streven. Zoals de Verenigde Staten, zij bezitten dergelijke wapens en hebben in het verleden dergelijke proeven gehouden. Net als trouwens Rusland, China, India, Pakistan en nog enkele andere landen. Dit zonder dat de VN sancties aan deze landen hebben opgelegd. Over deze ongelijke behandeling schreef ik al eerder.

belastingontwijkingIllustratie: antioligarch.wordpress.com

De Amerikaanse ambassadeur bij de VN, Samantha Powers, rechtvaardigt de strenge sancties omdat het land: “nagenoeg alle hulpbronnen van Noord-Korea worden aangewend voor zijn roekeloze en niet aflatende zucht naar massa-vernietigingswapens.” Dit roept vragen op. Mag het ene land oordelen over de manier waarop het andere land zijn hulpbronnen inzet? Of is dit aan de regering van het betreffende land? In hoeverre mag het ene land zich met de binnenlandse aangelegenheden in het andere land bemoeien?

Als een dergelijke bemoeienis is toegestaan, zou op basis van een dergelijke redenering niet ook Rusland kunnen worden veroordeeld? Dit land zet hulpbronnen in voor ‘een roekeloze en niet aflatende zucht naar macht en invloed’ en schuwt geweld hierbij niet. Zouden trouwens ook de VS niet met een soortgelijk redenering worden veroordeeld vanwege hun zucht naar grondstoffen van andere landen? Een zucht waarbij geweld en oorlog niet wordt geschuwd. Iets wat nog schadelijker is dan het inzetten van eigen hulpbronnen.En zouden zo niet aan vele landen sancties opgelegd kunnen worden?

Wie bepaalt dan waarvoor hulpbronnen wel mogen worden gebruikt? Mogen ze wel worden gebruikt voor een roekeloze en niet aflatende zucht’ naar winst? Zeker als die winst in de zakken van slechts enkelen verdwijnt? Zeker als die winst vervolgens met behulp van schimmige belastingconstructies via van de Kaaiman-eilanden en een dubbele sandwich tussen Ierland en de Amsterdamse Zuidas, aan de belastingbetaling worden onttrokken? Is dit geen ‘weapon of mass destruction’ dat wellicht nog schadelijker is dan een atoombom in een schuur in Noord-Korea?

Rooffonds Dijsselbloem

Afgelopen maand kwam er definitief een einde aan V&D. Failliet en een doorstart zat er niet in. Hierdoor verloren duizenden mensen hun baan. Hieraan moest ik denken toen het volgende in de Volkskrant las: “Met instemming van de enige aandeelhouder, het ministerie van Financiën, stoot de NS winstgevende stationswinkels en busbedrijf Qbuzz af. Het spoorbedrijf wil zich toeleggen op zijn kerntaak, het rijden van treinen op het hoofdrailnet.” Zo valt te lezen. De NS doet dit op aandringen van de enige aandeelhouder, de Nederlandse staat. Die drong, bij monde van minister Dijsselbloem, aan op een strategische heroriëntatie en gaf de gewenste richting meteen aan: het op tijd laten rijden van de treinen op het hoofdrailnet.

SAMSUNG DIGITAL CAMERA
Foto: www.ovinnederland.nl

Positief dat de minister er bij de NS op aandringt dat de treinen op het hoofdnet op tijd moeten rijden. Positief maar ook vreemd. Vreemd omdat dit is wat de treinreiziger, de klant, verwacht. En de klant is toch koning?

Maar ook vreemd op een andere manier. De onderdelen die de NS gaat afstoten droegen voor een aanzienlijk deel bij aan de winst van het bedrijf. Winstgevende delen worden verkocht. Als aandeelhouder zou ik hier niet blij mee zijn. Hogere winst is toch beter voor mijn dividend? Natuurlijk, de verkoop van winstgevende onderdelen zal eenmalig een flink bedrag opleveren en dat zal de winst in de jaren van die verkoop flink doen toenemen. Maar hoe zit het met de jaren daarna? Wat blijft er dan nog over?  Maakt het bedrijf dan nog winst?

Waarom moest ik hierbij denken aan V&D? Natuurlijk was de gebrekkige aansluiting tussen de winkelformule en de wensen van de klant een probleem. Maar speelde er niet meer? Was het ooit trotste V&D niet in handen van een Private Equity fonds? Of eigenlijk verschillende na elkaar. Hebben die het bedrijf niet ontmanteld door diverse winstgevende onderdelen (winkelformules en panden) voor veel winst te verkopen? Hebben die achtereenvolgende fondsen de prooi niet zorgvuldig gestript en uitgeknepen totdat er iets overbleef wat niet meer gestript kon worden, de V&D winkelformule? Komt dat nu niet ten laste van de samenleving?

Zou het met de NS, op aandringen van Dijsselbloem, niet op een zelfde manier kunnen gaan? Wellicht laat de staat de NS niet failliet gaan. Wel worden winstgevende onderdelen via verkoop geprivatiseerd. Komt dit er niet op neer dat de winst wordt geprivatiseerd en het verlies genationaliseerd? Gedraagt Dijsselbloem zich zo niet als een rooffonds?

Zijn in de tijd

Als jullie dit lezen, is hij weer voorbij en duurt het weer vier jaar tot de volgende. De schrikkeldag. En zoals tegenwoordig bij alles, moeten ook de kosten van een schrikkeldag worden berekend. €60 extra uitgaven en €47 extra inkomsten voor een gezin en dus kost die dag €13, aldus het NIBUD. We vinden tijd belangrijk en willen er het liefst meer van hebben. Zeker omdat we tegenwoordig het maximale moeten halen uit de schaarse tijd die ons is gegeven. Tijd is immers geld en je mag geen kostbare tijd verloren laten gaan.

SchrikkeldagIllustratie: nl.dreamstime.com

In Trouw besteedt Ger Groot er een column aan en concludeert dat met tijd niet valt te manipuleren. Wel constateert hij dat we collectief de grootste tijdswinst hebben geboekt met de spectaculaire stijging van de levensverwachting. Maar hoe spectaculair die stijging ook is, als je tijd is gekomen ontsnapt je niet. Geniet van de tijd die je is gegeven en bekommer je niet teveel om de prijs ervan, zo concludeert Groot. Een wijze raad?

Tijd vervult een belangrijke rol in onze samenleving en ons leven. Zou dat altijd zo zijn geweest? Of zouden onze voorvaderen een heel ander begrip van tijd hebben gehad? Of wellicht wel helemaal geen?

Volgens Hannah Arendt (The Human Condition) vormde, vóór de komst van het christendom, de samenleving (stam, familie) de kern van het denken. De stam of familie en het overleven ervan, stond centraal en daarop was alle actie gericht. Ook acties die een einde maakten aan het leven van een individu. Die stierf in het belang van het voortbestaan van de familie of stam. Min of meer vergelijkbaar met het huidige ‘vallen voor het vaderland’. En stammen en families hebben generaties de tijd. Het christendom daarentegen plaatste het (leven van het) individu centraal. Dit betekende een flinke beperking van de tijdshorizon en maakte tijd schaars. Die is immers beperkt tot één mensenleven. Daarin moet hét gebeuren.

Genieten we dan het meeste van betaald werk, de scholing ervoor of de zoektocht ernaar? Want besteden we daar niet het grootste deel van onze tijd aan? Door toegenomen levensverwachting wordt immers ook de pensioenleeftijd steeds hoger. “In de ene helft van ons leven offeren we ons leven op om geld te verdienen, in de andere offeren we geld om weer gezond te worden. En al die tijd gaan gezondheid en leven er zachtjesaan van door”,  zo omschreef de achttiende-eeuwse Franse filosoof en schrijver Voltaire het. Hollen we zo niet onze eigen staart achterna?

Destructie van creativiteit

Creatieve destructie, de continue innovatie waarbij nieuwe technieken oude vernietigen. Nieuwe efficiëntere technieken waardoor er steeds minder arbeid nodig is om een product te produceren. Het kapitalisme draait erop. De auto vervangt paard en wagen. De wasmachine die de wastijd met uren bekort.

PolluxIllustratie: http://www.sounds-venlo.nl

Tegenwoordig worden veel internet-bedrijven en diensten gezien als voorbeelden van creatieve destructie. Denk aan Uber en de taxi, Amazon en winkelen, en diensten als Spotify bij het luisteren naar muziek. Deze internetbedrijven kunnen over het algemeen rekenen op een positieve pers. Ze zorgen ervoor dat markten worden opengegooid en producten in prijs dalen. Ze worden gezien als vernieuwend en creatief.

Toch kent deze creativiteit en vernieuwingsdrang ook een keerzijde. “Van een miljoen streams houd ik 20 dollar over, ik vind dat misdadig.” Een uitspraak van de Amerikaans singer-songwriter Dayna Kurtz in een interview met de Volkskrant. In dit interview beschrijft Kurtz de situatie van vele goede en talentvolle muzikanten. CD’s verkopen niet meer door de streaming diensten als Spotify waar de artiest dus niets aan verdiend en ook zalen betalen steeds minder voor een optreden. Voor de meeste muzikanten is het sappelen voor weinig geld. Kurtz: “Ik verdien niet meer dan iemand in de McDonalds.” In de VS is muzikant worden alleen nog weggelegd voor rijkeluiskinderen met ouders die alles betalen, aldus Kurtz.

Dit kun je afdoen als gezeur van verliezers. Net als de paardenverkoper en de wagenmaker verloren met de uitvinding van de auto. Zo zijn er ook nu mensen die hun baan verliezen of waarvoor hun baan veranderd. Veel administratief werk vervalt door automatisering. De taxichauffeur moet maar wennen aan de nieuwe mores. Of niet?

Gebeurt er met de muzikant niet iets wat Uber bij de taxichauffeurs doet? Het werk van de chauffeur is niet verandert met de komst van Uber, net als het werk van Kurtz niet is veranderd door de komst van Spotify. Spotify maakt zelf geen muziek, het biedt muziek van anderen aan. Het vervangt de rol van de plantenmaatschappij als distributeur van muziek. Alleen die andere rol van de platenbaas, het financieren van muzikanten zodat ze een nieuwe cd kunnen maken, neemt het niet over. Spotify verdient veel geld via abonnementen en de artiest krijgt een habbekrats De internetbedrijven zijn miljoenen en vaak zelfs miljarden waard, de artiest is vogelvrij.

De Venlose muzikant Frans Pollux maakte zijn cd Neet vergaete de bloome water te gaeve via crowdfunding. Een creatief voorbeeld om te voorkomen dat de creatieve destructie leidt tot destructie van creativiteit? In ieder geval tot een mooie CD.

Zombie-jacht

De favoriete dystopie van de tegenwoordige filmmakers lijkt de zombie, de levende dode. Een dystopie is het tegengestelde van een utopie. Daar waar een utopie een toekomstige ideale samenleving beschrijft, beschrijft een dystopie een negatief toekomstbeeld. En tegenwoordig lijkt een zombie tot de favorieten te behoren van de filmmakers. Denk bijvoorbeeld aan de film World War Z en de tv-serie The Walking Dead.  Zombies die ontstaan omdat de mens bijvoorbeeld genetisch heeft zitten stoeien en er iets gruwelijk fout is gegaan, waardoor het grootste deel van de mensen zombies worden. De overgebleven mensen strijden vervolgens tegen de zombies en vaak ook tegen elkaar zoals in The Walking Dead. In die serie is een zombie levenloos, strompelt voort en voedt zich met het vlees en bloed van de levenden. Levenden die door een beet van een zombie zelf ook tot zombie verworden.

Tim Jackson

Illustratie: www.chrispacke.com

Nu waarschuwt de Duitse minister van financiën, Wolfgang Schäuble ons: “Door de toegenomen schulden ontstaan zeepbellen en wordt de economie als een zombie.” De economie als een levende dode die voortstrompelt en zich voedt door de levenden ‘uit te zuigen’, door ze in de schulden te steken. Volgens Schäuble hebben regeringen die met  stimulerende maatregelen de economie probeerden aan te jagen, hiermee de basis gelegd voor de volgende crisis. Ze hebben de zombie gevoed met schulden, die tot nieuwe zeepbellen leiden.

Een interessante en misschien wel passende vergelijking. Maar is die vergelijking niet nét iets anders dan Schäuble voorstelt? Want is het kapitalisme niet de zombie? Volgens Schäuble maken schulden de zombie. Zijn schulden niet een volgende manier van de zombie om zich te voeden en is groei niet het werkelijke voedsel van de zombie? Is krediet sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw niet de populaire manier om te groeien?

Zijn crises niet hét kenmerk van het kapitalisme? De Aziatische crisis, de Argentijnse crisis, de Roebelcrisis en dat zijn er nog maar drie in de vijftien jaar voor de bankencrisis die werd gevolgd door de eurocrisis. Zijn zeepbellen niet inherent aan het kapitalisme? Wie herinnert zich de Hollandse tulpenmanie, de zeepbel uit de Gouden zeventiende eeuw, nog?

Hoe nu deze ‘zombie’ te bestrijden? Schäuble stelt voor om te bezuinigen en de economie te hervormen. Hij zegt het niet, maar dat hervormen betekent deregulering en flexibilisering, omdat de markten de ruimte moeten krijgen. Daar moet de groei immers vandaan komen. Krijgt de zombie zo niet waar hij van leeft? Namelijk groei?

De Engelse econoom Tim Jackson geeft een goede analyse van onze huidige, op groei draaiende, economie. In Prosperity without Growth. Economics for a Finite Planet analyseert hij de werking van ‘de zombie’ al spreekt hij niet over zombies.

Volgens Jackson is de mens bang voor zijn eigen leegheid of onbeduidendheid. Die leegheid maskeert hij met producten. Zo zijn producten meer dan alleen producten, het zijn manieren om je als mens te onderscheiden van de groep, of er juist bij te horen. Tegenwoordig roepen producten sterke gevoelens op mensen en daardoor zijn ze dominant bij het bepalen van het succes of falen van een persoon, groep of samenleving.

Tegelijkertijd ziet hij de groeigerichtheid van de economie. Die gerichtheid is, volgens Jackson, eigen aan het streven naar efficiency:  “Efficiency stimuleert letterlijk groei. Het beperken van arbeid (en grondstoffen), zorgt voor het dalen van de kosten van producten. Hierdoor wordt de vraag gestimuleerd en daarmee ook de groei” (eigen vertaling).

De sociale logica om erbij te horen (om niet achter te blijven) en de economische fixatie op efficiency houden elkaar in de ‘ijzeren kooi van het consumentisme’, zoals Jackson het noemt. Volgens Jackson kunnen de problemen in onze samenleving (Schäubles zombie) alleen worden bestreden, door zowel aan de sociale logica als aan de economische fixatie op efficiency wat te doen.

De economische kant van de zombie, door onze economie in overeenstemming te brengen met ecologie. Hij denkt dan aan plafonds voor grondstoffengebruik en uitstoot van schadelijke stoffen. Plafonds met een verminderingsdoelstelling. Dit ondersteunt met fiscale maatregelen. Hierbij zouden de ontwikkelingslanden moeten worden geholpen. Ook zou de rol en de plek van arbeid in de samenleving moeten worden herzien. Het streven naar efficiency aan de ene kant en volledige werkgelegenheid aan de andere kant, jagen elkaar en daarmee de productie op.

En met arbeid komen we op het terrein van de sociale logica. Arbeid anders beoordelen, vraagt om een andere sociale logica. Anders dan werk beschouwen als toppunt van participatie. Anders denken over arbeid betekent ook werken aan andere, liefst sterkere sociale verbanden. Het belangrijkste waaraan, volgens Jackson, moet worden gewerkt is het verkleinen van ongelijkheid. Ongelijkheid versterkt, volgens Jackson, de statuscompetitie die de ‘zombie’ voedt.

Met wie gaan we op zombie-jacht met Schäuble of met Jackson?

Mensen maken de stad

“Het merk Limburg moet worden neergezet als een dynamisch, aantrekkelijk gebied om te wonen en te werken. We moeten toeristen, investeerders en talenten aantrekken en aan ons binden,” een uitspraak van Conny Moonen, directeur van Connect, een organisatie die provinciale subsidie krijgt om Limburg internationaal op de kaart te zetten. Zo valt te lezen in een artikel in Dagblad De Limburger van donderdag 25 februari 2016.

vlaaiFoto: www.1lmburg.nl

In hetzelfde artikel ziet Theo Bovens, de Limburgse commissaris van de koning, een mooie gelegenheid voor ‘Limburgpromotie’. In 2017 bestaat het Verdrag van Maastricht namelijk 25 jaar en dat kun je natuurlijk vieren. Bovens: “Ik ben hartstikke blij met al die discussies over de euro, een Grexit, een Brexit en de Unie. Dat brengt iedere keer de naam Maastricht in het nieuws. Dat is smullen voor de branding van Maastricht! Hoe meer ruzie over Europa, hoe beter voor de naam Maastricht.” Negatief of positief, het maakt niet uit, als je naam maar wordt genoemd, zo redeneert Bovens. Daar zullen ze in het ‘altijd stralende’ Fukushima wellicht anders over denken. Is reclame voor Maastricht wel promotie voor Limburg? Is Limburg niet veel meer dan Maastricht? Terechte vragen waar ik het niet over wil hebben.

Waarover wel? Iedere zichzelf respecterende stad of streek wil zich tegenwoordig profileren. De stad moet ‘in de markt’ worden gezet, vermarkt worden, zo luidt het devies.  En als je alle promotie voor steden mag geloven, dan is het overal prettig wonen, leuk werken, aangenaam en goed recreëren en fijn winkelen. En dat Moonen dat roept, is gezien zijn opdracht, niet zo vreemd. Hij smeert er immers iedere dag een boterham van. Maar als alle ‘promotie’ waar is, dan maakt het toch niets uit waar je gaat wonen, werken, recreëren  of winkelen? Het is immers overal goed?

Wat is het nut van ‘citymarketing’? Een spreuk als I Amsterdam is mooi verzonnen en lekker internationaal. Waarom steken overheden zoveel geld in ‘zelfpromotie’? Wat denken ze ermee te bereiken? En een veel interessantere vraag, wat wórdt ermee bereikt? Behalve dan dat de portemonnaies van reclamebureaus en organisaties als die van Moonen worden gevuld.

Een slagje dieper. Moet je een stad of streek wel met een ‘merk’ of een ‘product’ vergelijken?  Want vergelijk je dan niet mensen met producten? En zijn het nu juist niet de mensen die de stad maken en zijn zij daarmee niet de beste promotie? Mensen die vol trots vertellen over hun stad of dorp, de prachtige natuur, het rijke verenigingsleven, de historie enzovoorts. Als dat zo is, waarom wordt dat ‘reclamegeld’ dan niet in de gemeenschap geïnvesteerd?

 

Primaire waarde

In haar boek The Human Condition schrijft Hannah Arendt (eigen vertaling): ‘als producten niet primair worden gewaardeerd om hun bruikbaarheid, maar min of meer als incidentele resultaten van het productieproces waaruit ze voortkomen, waardoor het product niet wordt gewaardeerd om het vooraf bepaalde gebruik, maar voor de productie van iets anders, dan kan daar tegenin worden gebracht dat de waarde van het product alleen secundair is. En een wereld die geen primaire waarden kent, kent ook geen secundaire.” En dat ‘anders’ waarover Arendt spreekt, is geld en tegenwoordig economische groei.

afval

Foto: www.goudstandaard.com

Hieraan moest ik denken na het zien van een aflevering van de documentairereeks Planet e  die de Duitse TV (ZDF) uitzendt. De laatste droeg de titel Garantie vorbei-Gerät kaputt. De aflevering handelde over elektrische apparatuur die steeds sneller kapot gaat. Een onderwerp waarop Tegenlicht ook al het licht liet schijnen in een uitzending met de architect, Thomas Rau. Dergelijke producten zijn volgens Rau: “nog net niet stuk.” En de Duitsers ontdekten dat die spullen tegenwoordig steeds sneller kapot gaan.

Daar komt bij dat de apparaten tegenwoordig bijna niet meer te repareren zijn. Dit kent verschillende oorzaken. Vaak zijn reserve-onderdelen net zolang beschikbaar als het model in de verkoop is. Ook worden snel slijtende onderdelen zo geïntegreerd in een duur geheel, waardoor het vervangen (te) duur uitvalt. Veel voorkomend is ook het op een of andere manier dichtsmelten van onderdelen, zodat ze alleen als geheel zijn te vervangen.

Rau voegt er nog een categorie aan toe. Producten waarvan de ‘emotionele’ levensduur korter is dan de technische. Bijvoorbeeld een mobieltje. Er komen zo snel ‘nieuwe’ ‘betere’ en vooral ‘hippere’ (al is de emotionele levensduur van het woord hip ook al weer voorbij) op de markt en dat verleidt tot het kopen van een nieuwe, terwijl de oude nog niet versleten is.

Dit is goed voor de economie, want er wordt goed verkocht. Maar het levert heel veel afval op en het verslindt kostbare, schaarse grondstoffen.

Rau geeft bij Tegenlicht het voorbeeld van het tuingereedschap van zijn opa, dat is nog steeds goed te gebruiken. Dat is gemaakt om een probleem op te lossen. Zijn onze moderne producten nog steeds bedoeld om een probleem op te lossen of houden ze het probleem in stand? Is er niet nóg een categorie bijzondere producten? Kennen we tegenwoordig niet heel veel producten die ‘in de markt gezet’ moeten worden? Waarvoor een probleem of verlangen moet worden gecreëerd?

Moeten we niet op zoek naar dat wat primaire waarde heeft?

Moderne loopgraven

Gisteren schreef ik over de veronderstellingen waarop de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning zijn gebaseerd.  En als we het hebben over veronderstellingen als de moeder van alle mislukkingen, dan moet ik denken aan het boek De Kanonnen van Augustus van de historica Barbara Tuchman. Mijn favoriete boek over de Eerste Wereldoorlog, of The Great War zoals de Engelsen en Fransen hem noemen. Tuchman schrijft op een zeer beeldende manier over de gebeurtenissen die tot de oorlog leidden en de eerste maand van de gevechten. Naar die Eerste Wereldoorlog werd al lang uitgezien.

loopgraaf

Foto:berichtenuithetverleden.wordpress.com

Frankrijk startte al met de voorbereidingen na de nederlaag bij Sedan in de Frans-Duitse oorlog in 1870. Een plan dat bestond uit verdedigende forten, maar vooral uit een aanval met élan waarbij de verloren gebieden, Elzas en Lotharingen, zouden worden heroverd en vervolgens zou rap worden opgetrokken naar Berlijn. Want een Franse aanval met élan was immers niet te stoppen. Om sterker te staan had Frankrijk ook een alliantie  met Tsaristisch Rusland afgesloten.

Het Duitse Keizerrijk liep zo het risico op een oorlog op twee fronten. Om dat te voorkomen werd het Schlieffenplan ontwikkeld. In dit plan zou Frankrijk in vier weken worden verslagen en dan kon het grootste deel van het leger naar het oosten om de Russen te bevechten. Rusland zou eerder toch geen bedreiging vormen, omdat de mobilisatie daar tenminste vier weken zou duren. Het Schlieffenplan was uitgewerkt in draaiboeken, waarin nauwkeurig werd bepaald welke eenheid op welk tijdstip, welke plaats ingenomen zou moeten hebben. Het plan ging uit van een opmars door het neutrale België. Maar die Belgen zouden vrije doorgang geven, zo veronderstelden de Duitsers.

De Britten stonden garant voor de Belgische neutraliteit. Schending daarvan zou automatisch oorlog met Engeland betekenen. De Britten beschikten over een grote marine, het leger was maar klein. Dit wisten zowel de Fransen als de Duitsers. De Fransen hadden contact gezocht met de Engelsen en plannen uitgewerkt voor als de Duitsers de Belgische neutraliteit zouden schenden. Dan zouden de Britten het meest westelijke deel van het front voor hun rekening nemen. Maar dan moest er wel eerst een schending zijn van de Belgische neutraliteit.

De Russen hadden ook mooie plannen uitgewerkt om snel ten strijde te kunnen trekken. Alleen ontbrak het aan het materieel, infrastructuur (spoorwegen) en organisatietalent om het uit te voeren en domineerden incompetentie en corruptie.

De belangrijkste spelers hadden  zo allemaal hun plannen gebaseerd op aannames en veronderstellingen zoals: de kracht van het élan, de Belgische vrijgeleide, de Russische traagheid, de kracht van de Russische beer of stoomwals. Na een maand konden alle plannen de prullenmand in en lagen de partijen vast in de loopgraven. Loopgraven die het graf werden van miljoenen jonge mannen. Mislukt vanwege de starre aannames en de even starre uitvoering. Mislukt al kwamen de Duitsers nog het verst met de realisatie ervan. Daarom lagen de loopgraven in België, Frankrijk en Rusland.

Een leerzaam boek over de Eerste Wereldoorlog, omdat het laat zien waartoe halsstarrigheid kan leiden. Maar vooral waartoe beleid en politiek gebaseerd op aannames en veronderstellingen kunnen leiden. En als we nu kijken naar de belangrijke problemen van onze tijd, in hoeverre spelen veronderstellingen daarin een belangrijke rol?

Neem de crisis in Syrië. Is het werkelijk zo dat IS in Syrië en Irak een grote bedreiging vormt voor onze vrijheid en manier van leven? Wie denkt er werkelijk dat vier F16’s, die nu naast Irak ook nog Syrië moeten bombarderen, het verschil maken? Wie denkt er werkelijk dat bommen op Syrië het perspectief van jeugdigen in de Schilderswijk, Molenbeek of la Courneuve verbeteren en hen dus afhoudt van dwaasheid? Wordt zo niet in ‘moderne’ loopgraven de verkeerde ‘oorlog’ met de verkeerde middelen gevoerd?

Velen zijn boos op de Grieken, omdat zij die vluchtelingen doorlieten en ze niet eens geregistreerd kregen. Wie was er werkelijk van overtuigd dat Griekenland bijna een miljoen vluchtelingen zou kunnen opvangen? Zeker net nadat het land uitgekleed was en onder curatele was gesteld. Waarom zouden de Grieken die aantallen wel kunnen registreren als het Nederland nog niet eens lukt om vijftigduizend mensen tijdig in procedure te nemen? Wie gelooft er werkelijk dat ‘herstel’ van de grenscontroles door Nederland werkelijk iets oplost? Zou dat er niet toe kunnen leiden dat ieder land de eigen grenzen streng bewaakt en zo de eigen kuil graaft waar het vervolgens zelf invalt, omdat iedereen dan vastzit in zijn eigen land?

En over de Grieken gesproken. Wie gelooft er werkelijk dat de Eurocrisis een strijd is tussen landen en geen strijd tussen de ‘haves’ en de ‘havenots’? Nu we toch bij de economie zijn aangeland, wie gelooft er werkelijk dat flexibilisering van het arbeidsrecht goed is voor de werkende? En een stapje verder. Wie denkt er werkelijk dat economische groei aan iedereen ten goede komt? Dat het rijker worden van de rijken goed is voor de armen, omdat die rijken hun geld uitgeven en het geld zo naar beneden druppelt, naar de armen? En wat belangrijker is, wie geloofd er werkelijk dat betaald werk het toppunt van participatie is? Dat we leven om te werken? Wordt werk en daarmee leven zo niet een moderne loopgraaf? Een plek waar we eigenlijk niet willen zijn, maar niet meer uitkomen?

Een pleidooi voor bureaucratie

Een van de zaken waar Groot Britannië binnen de Europese Unie wat aan wil doen, is het verminderen van de bureaucratie en dus de regels. Die werken immers verstikkend, hinderen ondernemers en zorgen er zo voor dat de verdiencapaciteit voor bedrijven  flink slinkt. De Britten staan daarin niet alleen, ook in Nederland wordt steen en been geklaagd over de Brusselse regelzucht. Goed dus dat daarvoor aandacht is en dat bureaucratische belemmeringen worden weggesneden. Dit leidt tot meer ruimte, meer ondernemen en dus meer economische groei.

chang

Illustratie: www.flipkart.com

Tot zover de populistische opvatting over regelgeving en bureaucratie. Een opvatting die veel aanhang heeft. Laten we er eens op een andere manier naar kijken. Met de ogen van de Zuid-Koreaanse econoom Ha-Joon Chang. Die haalt in zijn boek 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme een voorbeeld aan van een zakenblad dat zich erover verbaasde dat “… hoewel er tot wel 299 vergunningen nodig waren van wel 199 instanties om in het land een fabriek neer te zetten, Zuid-Korea in de drie voorafgaande decennia met 6 procent was gegroeid.” Flinke groei met zeer forse regelgeving. Aan de andere kant: “Daarentegen hadden veel ontwikkelingslanden in Latijns Amerika en Afrika bezuiden de Sahara in deze drie decennia hun economieën gedereguleerd… . Maar op raadselachtige wijze groeiden zij in de voorafgaande twee decennia, toen werd aangenomen dat ze belemmerd werden door excessieve regulering.” Meer regels met als resultaat meer groei en minder regels met als resultaat minder groei? Vanwaar dit vreemde, niet in het ‘bureaucratie snijden’ discours passende resultaat? Hoe kunnen we dit verklaren?

Chang geeft de volgende antwoorden. Als eerste stappen ondernemers over die regels heen als er aan het einde maar voldoende te verdienen is.  Daar komt, volgens Chang, bij dat veel van die regels goed zijn voor de bedrijven. Veel van die regels beperken de winst op korte termijn, maar behouden winstkansen op lange termijn. Ze zorgen er bijvoorbeeld voor dat hulpbronnen niet worden verwoest. Denk bijvoorbeeld aan vangstquota in de visserij. Ook kan regelgeving bedrijven dwingen dingen te doen die niet in hun individueel belang zijn, maar die op den duur wel de productiviteit van de hele bedrijfstak vergroten. Bijvoorbeeld investering in de training van medewerkers.

Regels helpen aldus Chang: “Alleen als we dat onderkennen, kunnen we zien dat het niet om de absolute hoeveelheid regels gaat, maar om wat ermee beoogd wordt en wat ze behelzen.” Toch maar voorzichtig zijn met het schrappen van regels?