De Ballonnendoorprikker schrijft korte prikkelende columns, waarin kromme redeneringen, verhullend taalgebruik en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak worden gesteld
In de Volkskrant een interview met filmmaker Mari Sanders. Sanders zit al sinds zijn geboorte in een rolstoel en heeft een Wajonguitkering. Met die uitkering hoeft Sanders zich geen zorgen te maken over zijn inkomen. Zijn vrienden vinden dat hij: “dat geld van de overheid (gebruikt) om z’n hobby te subsidiëren.” Ze vinden dat hij moet kiezen, of zelfstandig filmmaker of een Wajonguitkering.
De Wajonguitkering bedraagt 75% van het minimumloon, geen vetpot, en is bedoeld om van te leven. Horen bij dat leven niet ook hobby’s of mogen uitkeringsgerechtigden geen hobby’s hebben? Zou hij ook moeten kiezen tussen postzegels verzamelen en een Wajonguitkering? Want ook postzegels verzamelen kan naast een hobby ook een beroep zijn, alleen heet je dan handelaar. Natuurlijk, als die films flink geld opleveren, dan is het niet meer dan terecht dat een deel ervan wordt gekort op zijn uitkering.
Ook uitkeringsinstantie UWV heeft Sanders ontdekt en uitgenodigd voor een gesprek over zijn mogelijkheden om aan het werk te gaan. Dit geheel conform de Participatiewet. Maar ja, het UWV kan hem niet helpen aan een baan als filmmaker, wel bijvoorbeeld aan het: “mooi inpakken van bonbons,” aldus Sanders. Vreemd dat Sanders wordt gevraagd om te participeren, te werken als tegenprestatie voor zijn Wajonguitkering. Vreemd want participeert hij dan niet al door het maken van films? Ja, het is ook wat hij graag doet, is dat een probleem? Mag je hobby niet je werk zijn? Hij vult zijn uitkering aan met filmverdiensten. Hij zit niet lui achter geraniums omdat zijn financiële kostje toch al is gekocht. Dit terwijl de ‘morele druk’ van zijn vrienden en de regelgeving hem daar wel toe dwingen.
Wat als we het geval Mari Sanders eens van een andere kant bekijken en de uitkering van Sanders een basisinkomen noemen. Een basisinkomen waarvan tegenstanders zeggen dat het mensen lui maakt. Dan zien we een gemotiveerde man die zijn passie najaagt met enig succes, hij vult zijn basisinkomen aan. We zien iemand die plezier heeft in zijn leven en zijn werk/hobby.
Zou het het op deze positieve manier, naar Sanders en met hem naar alle mensen kijken, niet veel meer resultaat opleveren? Een manier waarbij vertrouwen in de mens het uitganspunt is? Toch maar beginnen met een basisinkomen?
Als ik aan spionnen denk, dan denk ik aan James Bond. Een onkwestbare ladykiller die met moderne snufjes techniek en onderkoelde humor de strijd aangaat met het kwaad. Nu is Bond een grove overdrijving van de werkelijkheid, die is veel minder spectaculair en de gemiddelde spion verzamelt informatie en dat is soms lastig. Zeker als die informatie wordt versleuteld zoals nu bij WhatsApp en andere digitale communicatiemiddelen.
De baas van de Nederlandse spionnenorganisatie AIVD wil dan ook dat zijn dienst de mogelijkheid krijgt die versleuteling ongedaan te maken. Dan kan de dienst de appjes van potentiële terroristen lezen. Alleen: “van diegenen die een bedreiging vormen.” aldus opperspion Rob Bertholee in de Volkskrant“bij al die andere mensen willen we niet meekijken,”. Nu ben ik niet wantrouwend van aard en geloof Bertholee op zijn blauwe ogen dat hij rechtsorde wil beschermen en: “Dat betekent dat we gecontroleerd bevoegdheden inzetten. Bij mensen die geen gevaar zijn, mag dat niet.” Dit natuurlijk tot het tegendeel is bewezen. Alleen is het dan te laat, dan hebben de spionnen die bevoegdheid al.
Want ‘diegenen die een bedreiging vormen’ is een rekbaar begrip en dat kan veranderen. In de jaren vijftig werden communisten als een bedreiging gezien. In de jaren zeventig zou je als Molukker een grote kans hebben gelopen om als ‘bedreiging’ gezien te worden. Nu zal menigeen meteen denken aan moslimterroristen en loop je als moslim een grotere kans om als bedreiging gezien te worden. Mochten de Fortuynaanhangers eens aan de macht komen dan zullen veganisten en dierenrechtenactivisten een bedreiging zijn en dan kom je al snel bij donateurs van bijvoorbeeld Wakker Dier. Mocht een verwarde columnist volgende week een politicus vermoorden, zou dan de Ballonnendoorprikker ook een ‘bedreiging’ vormen?
’t Kan verkeeren, aldus Bredero, wie weet tegen wie die bevoegdheid gebruikt kan worden? Bevoegdheden hebben de neiging om opgerekt te worden en ook gebruikt te worden voor zaken waarvoor ze niet bedoeld zijn. Diverse klokkenluiderszaken laten dit zien. Alleen is het lastig om je te verweren tegen een spionnendienst.
Op de opiniesite Joop reageert Tweede Kamerlid Selçuk Öztürk op een artikel van Joopcolumnist Han van der Horst. Onderwerp van hun meningsverschil is een wetsvoorstel van PvdA-kamerlid Yücel. Als dat wetsvoorstel wordt aangenomen dan moeten ondernemingen verantwoording afleggen aan de ondernemingsraad over het beleid dat ze hebben gevoerd om gelijke beloning tussen mannen en vrouwen te bevorderen. Öztürk heeft een amendement ingediend om die verantwoording te verbreden naar de afkomst van mensen. Volgens Van der Horst is dit: “extreem gevaarlijk.”
Het gaat mij niet om het al dan niet gevaarlijk zijn van ‘etnische registratie’ door bedrijven. Het gaat mij om de logica achter het argument van Öztürk. Of eigenlijk het gebrek aan logica. “Als men het geheel intersectioneel benadert zou een vrouw met een migrantenachtergrond dubbel benadeeld kunnen worden in haar loon: vanwege haar geslacht en vanwege haar afkomst,” stelt Öztürk. Klopt die redenering wel? Iedere werknemer in een bedrijf is man of vrouw, meer smaken zijn er niet (of is ‘onzijdig’ er ook? Dan is er een derde smaak). Als het doel van de wet is om ervoor te zorgen dat mensen die hetzelfde werk doen een gelijke beloning te laten krijgen, dan is het vergelijken van mannen en vrouwen meer dan voldoende. Alle werknemers vallen immers in die onderverdeling. Als er beloningsverschillen bij gelijk werk zijn, dan komen die zo naar boven.
Met dat naar boven komen verandert er echter niets en daar zit de zwakte van de wet. Een ondernemingsraad moet instemmen met belonings- en functiewaarderingssystemen. Vervolgens gaat de leiding van het bedrijf aan de slag en is de rol van de Ondernemingsraad uitgespeeld. Welke ‘macht’ heeft de ondernemingsraad om op te treden en de bedrijfsleiding te dwingen zich aan het vastgestelde beleid te houden? Een Ondernemingsraad is geen parlement. Wie garandeert trouwens dat een ondernemingsraad de door de wetgever gewenste richting ondersteunt?
De directie moet afwijkingen in een jaarverslag motiveren. Is dat niet heel makkelijk? Je hoeft slechts te verwijzen naar de ‘kwaliteiten’ of een gebrek eraan van medewerkers. Beoordeling is altijd subjectief en gebeurt door … de bedrijfsleiding.
Sterker nog, zelfs het onderscheid ‘man’ versus ‘vrouw’ is overbodig. Het is voldoende om te kijken of de vervullers van eenzelfde functie gelijk worden beloond. Alle ongelijkheid in beoordeling wordt zo duidelijk. Maar ook zo verandert er niets, want nog steeds is er niemand die iets kan afdwingen.
Minister van Financiën Dijsselbloem roept in de Volkskrant bedrijven en hun commissarissen op om iets aan de almaar stijgende salarissen en bonussen van de topbestuurders te doen. Dijsselbloem: “Koppel de stijging van topsalarissen aan de stijging van de lonen in de cao. Volg voor de variabele beloning voor topbestuurders het maximum van 20 procent dat inmiddels geldt in de financiële sector en bij staatsdeelnemingen.” Volgens Dijsselbloem moet er iets gebeuren: “Het maatschappelijk debat hierover zal niet snel verstommen. Integendeel, het raakt aan de onvrede over de kloof tussen ‘de elite’ en de gewone burgers. Als we één samenleving willen blijven vormen, zullen de bestuurders en commissarissen zich rekenschap moeten geven van die onvrede.”
Het zou inderdaad goed zijn als bestuurders en commissarissen van bedrijven zich wat gelegen zouden laten liggen aan de onvrede die ontstaat over de beloning en bonussen van hun bestuurders. Maar… .
Is het niet de taak van de overheid om te zorgen voor rust en orde in de samenleving? En dus ook om in te grijpen als die rust en orde worden bedreigd? Om hiertegen preventieve maatregelen te nemen? In de strijd tegen het terrorisme neemt de overheid die rol zeer serieus en vragen ministers en overheidsdiensten steeds meer bevoegdheden die de privacy van mensen schenden.
Ligt de taak om die maatschappelijke onrust door te hoge bonussen en beloningen te voorkomen niet ook bij de overheid en dus op het bordje van minister Dijsselbloem en vooral van zijn staatssecretaris Wiebes? Door de inzet van het belastinginstrument heeft de overheid uitstekende papieren om die onrust te voorkomen. Een extra belasting schijf van bijvoorbeeld tachtig of negentig procent voor inkomens (inclusief bonussen) boven bijvoorbeeld de bekende ‘Balkenendenorm’ zou wonderen verrichten. De kloof in inkomen zou hierdoor flink worden verkleind en daarmee ook het risico op onvrede. Bovendien zou het een welkome aanvulling betekenen op de belastinginkomsten.
Absurd? Dergelijke tarieven waren tot in de jaren zeventig heel gebruikelijk. Nederland kende een toptarief van tweeënzeventig procent, de Verenigde Staten een van eenennegentig procent het Verenigd Koninkrijk spande de kroon met vijfennegentig procent.
Beste minister Dijsselbloem, als u zich werkelijk zorgen maakt, handel en hef belasting: geen woorden maar daden!
Minister Schippers van Volksgezondheid hield dit jaar de H.J. Schoo-lezing georganiseerd door Elsevier. De minister sprak niet over haar beleidsterrein, maar hield een pleidooi voor het beschermen van onze kernwaarden. Dit omdat ze zich zorgen maakt om haar dochter: “Die zorgen gaan over de vrijheid die mijn dochter zal hebben om haar eigen keuzes te kunnen maken. Over de vrijheid die mijn dochter zal hebben om zelf te kunnen beslissen hoe zij wil leven en wie zij liefheeft. Om zelf te beslissen waarin zij wil geloven. Om haar eigen identiteit te kunnen bepalen. Wat zij wil worden, wat zij wil doen, hoe zij zich wil kleden.” Schippers wil terecht dat haar dochter zelf mag kiezen wat ze met haar leven wil.
Die toekomst wordt, volgens Schippers bedreigd door de politieke islam en de: “vaak hoogopgeleide mensen die bereid zijn tot dat compromis op onze kernwaarden.” Van die compromissen zijn anderen, homo’s, transgenders, vrouwen, mensen die kiezen anders te zijn, moslimvrouwen die meer vrijheid willen, kwetsbaren in onze samenleving de dupe.
Om die bedreiging het hoofd te bieden wil Schippers juist de kracht van de vrijheid inzetten, want, zo schrijft Schippers: “onze propositie is beter! Onze vrijheid is nú, onze kansen kun je nú pakken, onze welvaart kun je nú hebben, jouw kinderen kunnen het beter krijgen dan jij nu. Je mag nu van het leven genieten, muziek luisteren, een feestje vieren, jezelf ontplooien, verliefd worden.” Uitgaan van de kracht van vrijheid, daar kan Schippers op mijn steun rekenen. Ik hield immers al eerder een pleidooi voor leiderschap dat uitgaat van de kracht van onze vrije, open democratische samenleving.
Alleen slaat een dergelijk pleidooi dood als het niet vergezeld gaat van empathie en compassie met degenen in onze samenleving die het minder hebben getroffen. Degenen waarvoor er geen of slechts kleine kansen zijn omdat ze voor een dubbeltje geboren zijn. Degenen met een andere dan een blanke huidskleur. Diegenen die door jaren van neoliberaal beleid, geen deel hebben aan ‘onze welvaart’ en waarvan de kinderen het waarschijnlijk niet beter krijgen. Diegenen die de vrijheid hebben, maar die het aan de mogelijkheid, of de vermogens zoals Martha Nussbaum en Amartya Sen het noemen, ontbreekt om van die vrijheid gebruik te maken. Schippers maakt zich hierbij terecht druk om de islamitische vrouw die vrijheid wil, maar er zijn veel meer mensen die het aan het vermogen ontbreekt om van die vrijheid gebruik te maken. Empathie en sympathie gevolgd door acties om hen die vermogens te geven.
Alleen slaat een dergelijk pleidooi dood als het niet wordt vergezeld van empathie en compassie met degenen buiten onze samenleving die het minder hebben getroffen. Daarvoor is, beste minister Schippers, een veel beter verhaal nodig dan de ‘opvang in de regio’ die ook u lijkt te bepleiten. Want die regio bestaat bijvoorbeeld uit landen als Turkije, Saoedie-Arabië en Iran. Landen die, en daar verzet u zich tegen, geld in: “koranscholen en moskeeën (pompen) om deze vijandige gedachten te verspreiden.” Landen die zich weinig tot niets aan de vrijheden waarvoor u terecht pleit, gelegen laten liggen.
Is die politieke islam wel de grootste bedreiging voor onze vrijheden? Is de onmacht van onze politieke leiders om empathie en sympathie met de achterblijvers in en buiten onze samenleving vorm te geven en iets aan hun situatie te verbeteren, niet een grotere vijand? En zou die onmacht gekoppeld aan de overreactie van vele politici, opiniemakers en ook gewone burgers op die politieke islam niet een veel grotere bedreiging zijn voor die vrijheden dan de politieke islam? Neem bijvoorbeeld de PVV die moskeeën en islamitische scholen wil sluiten en de koran wil verbieden. Ideeën die strijdig zijn met onze grondwet en onze vrijheden. Een partij die virtueel meer dan dertig kamerzetels heeft, meer dan eenvijfde van de kiezers. Dat is een veelvoud van het aantal politiekislamieten en door dat grote aantal ‘potentiële aanhangers’ nemen andere partijen ideeën over.
“And sympathy. Is what we need my friend. And sympathy. Is what we need. And sympathy. Is what we need my friend, ‘cause there’s not enough love to go round. Gevolgd door: “Now half the world. Hits the other half. And half the world. Has all the food. And half the world, lies down and quietly starves, ‘cause there’s not enough love to go round.” Aldus Rare Bird eind jaren zestig van de vorige eeuw. Een vooruitziende blik of is er sindsdien niet veel veranderd?
In Trouw komt filosoof Ger Groot tot de conclusie dat verkiezingsprogramma’s de kiezer ook niet echt helpen. Hij pleit er dan ook voor om naar de persoon van de politicus te kijken: “In het onderhandelingsproces komt het op zíjn inslag en karakter aan, veel meer dan op de voornemens van zijn partij. Wat doet híj in de moeilijke en onvoorziene omstandigheden van de praktische politiek? Bewijst hij, zelfs wanneer hij de helft van zijn verkiezingsprogramma overboord kiepert, desondanks voor zijn kiezers een betrouwbare persoon te zijn?” Dan heb je niets aan programma’s ook al passen ze op één a-viertje.
Maar hoe beoordeel je de woorden en daden van de politicus? Hoe vergelijk je politici onderling? En hoe verklein je het risico dat je wordt verleid door mooie woorden ter verdediging van verschrikkelijke daden? Hoe voorkom je dat de menselijkheid in bijvoorbeeld de zorg, wordt opgeofferd aan het streven naar economische groei. Groei die ook nog eens scheef wordt verdeeld.
In zijn belangrijke werk Een Theorie van Rechtvaardigheid pleit de filosoof John Rawls voor rechtvaardigheid als billijkheid. Hij formuleert twee beginselen. Een: “Elke persoon dient gelijke rechten te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele rechten, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen.” Twee: “Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze (a) het meest ten goede komen aan de minst bevoordeelden, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder gelijke voorwaarden van billijke gelijkheid van kansen.”
Hoe zou het boerkinidebat verlopen met deze beginselen als leidraad? Hoe zou dan de pleitbrief om belastingverlaging van de Amerikaanse techbedrijven worden beoordeeld? Met welke redenering en argumenten zou een politicus komen om een maatregel die tot meer ongelijkheid leidt, te bepleiten? Hoe zou een politicus een keuze die tot een schevere verdeling van de welvaart leidt, verdedigen?
Wellicht is het een idee om deze beginselen in een verkiezingsdebat eens centraal te stellen en de deelnemers dan een viertal casusses voor te leggen? Bijvoorbeeld twee handelend over de afgelopen vier jaar en twee vraagstukken die de komende jaren spelen. Het proberen waard?
Verdere commercialisering van de de zorg, dat wordt een van de punten in de campagne voor de verkiezingen van 15 maart 2017. Commercialisering die bestaat uit het aantrekken van particulier geld (van grote investeerders en beleggers), die hiervoor rendement ontvangen. Ik schreef er al eerder over. Raoul du Pré pleit in het commentaar in de Volkskrant voor ruimte om: “te onderzoeken of er nieuwe geldstromen kunnen worden aangeboord. Mits het onder strenge voorwaarden gebeurt en de toegang tot zorg voor iedereen gegarandeerd blijft, is er immers geen reden te denken dat er meteen grote ongelukken zullen gebeuren.”
Volgens Du Pré heeft het huidige stelsel met meer marktwerking veel goeds gebracht: “De wachtlijsten zijn nagenoeg verdwenen. Er wordt veel beter op de kosten gelet. Het inkomensverschil tussen artsen en hun gemiddelde patiënt is gehalveerd (…). Het premiestelsel is nivellerender dan in de tijd van het oude ziekenfonds. En de kwaliteit van de zorg scoort onverminderd hoog op de internationale ranglijsten.” Verdere marktwerking zou in ieder geval onderzocht moeten worden.
Een helder betoog. Maar toch, zijn die resultaten het gevolg van marktwerking of zouden ze ook te bereiken zijn in een zorgsysteem waar de markt geen rol speelt? Waarom zou een ziekenfonds niet zonder wachtlijsten kunnen werken? Waarom zou een ziekenfonds niet op de kosten kunnen letten? Of tot vermindering van inkomensverschillen of een nivellerender premiestelsel kunnen leiden?
En inderdaad, als Bill Gates het geld levert om een ziekenhuis te bouwen, dan hoeft dat niet uit de staatskas. Een voordeel voor de samenleving, dus doen. Maar is er wel sprake van een voordeel voor de samenleving? Gates zal rendement willen op zijn investering. Rendement dat de door hem gemaakte kosten vergoed plus wat extra’s waar hij van kan leven. Wie moet die kosten plus dat extra’s van Bill betalen? Dat zal de patiënt zijn en dus de betaler van verzekeringspremies. Zou die hierdoor goedkoper uitzijn? Hij of zij moet dezelfde kosten als voorheen betalen plus het extra’s van Bill, dus iets meer.
Zo gaat de bijdrage van de overheid in de gezondheidszorg omlaag en dat is mooi voor de minister van Financiën. De kosten voor de samenleving, gaan omhoog en de vraag is of dat willen?
“Tot 31 augustus mogen personen die ‘niet correct gekleed, met respect voor moreel gedrag en secularisme, hygiëne en veiligheid’ de stranden niet op.” Een uitspraak van een Franse burgemeester zo lijkt uit een artikel bij Elsevier. Als we het woord ‘secularisme’ weglaten, zou het zo een uitspraak kunnen zijn van een burgemeester uit de jaren vijftig of zestig van de vorige eeuw of nog eerder.
Een tijd dat mensen steeds schaarser gekleed genoten van zon, zee en strand. De tijd toen de bikini haar intrede deed en nog wat later het topless of zelfs naakt zonaanbidden. Bloot was immers aanstootgevend, niet hygienisch en zou de veiligheid van de persoon in kwestie of van anderen op het strand kunnen schaden. Een aantasting van de morele waarden.
Het is echter een uitspraak van een Franse burgemeester in 2016. Hij gebruikt dezelfde argumenten om bedekt zonaanbidden en zwemmen in een boerkini te verbieden. Als bedekt nu niet hygienisch, veilig en moreel correct is, betekent dan dat bloot het wel is?
Of zit de crux juist in dat ene extra woord secularisme? Maar als het seculiere karakter van openbare stranden in het geding is, worden dan ook kettinkjes met kruizen verboden? Zwemmen met een keppeltje? In het openbaar op het strand bidden voor een maaltijd? Het luiden van de aanpalende kerkklok? Wordt dan ook de zonderling die het woord van de Heer verkondigt, de toegang tot het strand ontzegt? Mogen de oude (of jonge) nonnetjes in hun habijt dan ook niet meer over het strand lopen? Erg lastig wordt het dan met getatoeeerde religieuze symbolen, zouden die dan juist wel bedekt moeten worden? Dit zijn immers ook allemaal daden die ‘het seculiere karakter, van de openbare ruimte aantasten. Als secularisme de crux is en het beperkt zich tot de boerkini, is er dan niet sprake van ongelijke behandeling?
Nu zou ik niemand willen adviseren om in een boerkini te gaan zwemmen, sterker nog, ik zou niemand willen adviseren hoe hij zich moet kleden. Behalve als die persoon het me direct vraagt. En zou een overheid dat al helemaal niet moeten doen? Zijn we vergeten dat het verzet van de burgemeesters uit de vorige eeuw tegen de bikini vergeefs was? Dat het juist sterker verzet opriep? Net zoals het verzet tegen lange haren, juist meer langharigen opleverde?
Zou het met moslims niet hetzelfde zijn? Dat hun geloof zo hun identeit wordt in plaats van een onderdeel van hun identiteit?
Voor het eerst mag een commercieel bedrijf naar de Maan vliegen. “De Amerikaanse luchtvaartautoriteiten maakten de goedkeuring woensdag bekend, na overleg met onder andere het Witte Huis en ruimtevaartorganisatie NASA. Aan boord van de maanlander zijn apparaten voor wetenschappelijke onderzoeken, maar ook de as van enkele gecremeerde mensen.” Zo valt in de Volkskrant te lezen. Het bedrijf Moon Express is de gelukkige: “We mogen nu als ontdekkingsreizigers naar het achtste werelddeel zeilen, op zoek naar nieuwe kennis en grondstoffen voor het welzijn van alle mensen.”
Dat klinkt allemaal mooi en uitdagend en sluit aan bij het positieve beeld dat ‘ontdekkingsreizigers’ in het geheugen van veel mensen hebben. Het zijn avonturiers die zoeken naar nieuwe zaken. Door het woord ‘zeilen’ te gebruiken, lijkt het bedrijf aan te haken bij die traditie. Maar toch.
Van wie is de Maan eigenlijk? Het bedrijf zegt te werken voor ‘het welzijn van alle mensen’. Ook dat klinkt mooi of is dat welzijn toch beperkt tot de aandeelhouders van het bedrijf? Die gedachte suggereert dat ook de aarde er voor het welzijn van de mens is. Hoe zit het met het welzijn van de andere bewoners van deze planeet? Hoe zit het met de rechten van het ‘mannetje op de maan’? Dat is er niet, maar wat als er op een volgende reisdoel wel leven is? Welk rechten heeft dat leven dan? Kan dat leven dan ook een claim op de aarde leggen? De ervaringen met de Aarde leren dat de mens andere levensvormen vooral als ‘hulpmiddel’ ziet en niet als wezens op zich.
Dit is allemaal nog ver van ons bed. Wat dichter bij dat bed. Zijn de Amerikaanse luchtvaartautoriteiten, het Witte Huis en de NASA bevoegd om hier goedkeuring aan te verlenen? Ja, ze zijn bevoegd voor wat betreft het Amerikaanse luchtruim, maar ook voor dat van de Maan? En als ze die bevoegdheid hebben, van wie hebben ze die dan gekregen en waar is die op gebaseerd? Stel het commerciële bedrijf vindt waardevolle grondstoffen, van wie zijn die dan?
Zou Kuifje zich die vragen ook hebben gesteld toen hij naar de Maan vloog?
De afgelopen weken werd Europa getroffen door enkele verschrikkelijke gebeurtenissen. De vrachtwagen die in Nice dood en verderf zaaide. De man met de bijl en het mes in Wurzburg. De bomaanslag in Ansbach en de schietpartij in München, de vreselijke moord op een Franse priester. Dit houdt de gemoederen flink bezig, zorgt voor flink oplaaiende emoties en verleidt politici tot het doen van forse uitspraken. Zoals van de voormalige Franse president Nicolas Sarkozy na de moord op de priester: “Onze vijand heeft geen enkel taboe, geen limieten, geen moraal. We moeten meedogenloos zijn”
Begrijpelijk dat mensen, overmand door emoties, roepen om harde actie, terugslaan en ‘geen genade’ voor mensen die zo’n vreselijke misdaden begaan. Begrijpelijk maar is het ook verstandig? Is het verstandig om de ‘vijand’ met gelijke munt terug te betalen? Is het verstandig om, zoals Sarkozy zegt, meedogenloos te zijn? Waarin verschil je dan van die ‘vijand’?
Wat zijn de vrijheden die verdedigd moeten worden waard? Wat zijn mensenrechten waard als we er mensen van uitsluiten ook al hebben ze iets gruwelijks gedaan? Wat is een rechtstaat waard als ze niet meer geldt voor hen die de regels ervan overtreden? Als alles geoorloofd is om hen te stoppen, want dat betekent meedogenloos?
Wat is ‘onze manier van leven’ waard als die manier opzij wordt gezet om die manier te beschermen. Of om de Amerikaanse commandant in de Vietnamoorlog aan te halen: ‘We moesten het dorp vernietigen om het te bevrijden.’
Gelukkig kan het ook anders. Gelukkig zijn er ook politieke leiders die juist die menselijkheid centraal stellen. Die juist ‘onze manier van leven’ inzetten als bescherming. Leiders zoals de Duitse bondskanselier Merkel. Leiders die niet meegaan in de vergeldingsretoriek. Leiders die invulling geven aan hetgeen Michelle Obama haar kinderen voorhoudt, als we haar toespraak op de democratische conventie tenminste mogen geloven: “When they go low, we go high.”