Democratie

In mijn vorige Prikker vroeg ik me af of burgerberaden, zoals Jelmer Mommers en Eva Rovers in de Volkskrant voorstellen, een verrijking zijn voor onze democratie. Met betrekking tot het klimaatbeleid constateren zij dat: “de transitie (…) nog geen gedeeld project van alle Nederlanders (is). Lang niet iedereen voelt zich vertegenwoordigd door de ruim honderd partijen en organisaties die in juni 2019 het Klimaatakkoord sloten. Dus ontbreekt het vaak aan draagvlak, met name waar maatregelen mensen direct in hun straat en in hun woning treffen. Veel mensen voelen zich niet gehoord. Nu is er heel veel aan te merken op de manier waarop het klimaatakkoord tot stand is gekomen.

Verkiezingen: Nieuwe clowns in hetzelfde circus!" | Flickr
Bron: Flickr

Zoals ik in die vorige Prikker al betoogde, hebben we al ‘volksberaden’ die precies dat kunnen wat het door de beide auteurs beoogde burgerberaad kan én zelfs meer: ze kunnen ook nog besluiten. Die beraden zijn de door ons gekozen volksvertegenwoordigingen. Laten we eens wat dieper naar die gekozen volksberaden kijken. Die volksvertegenwoordigingen zijn namelijk niet uit de lucht komen vallen, die zijn langzaam gegroeid naar wat ze nu zijn. Staten Generaal, dat is nu de naam van de Eerste- en Tweede kamer samen. In de zestiende eeuw was het een gezamenlijk vergadering van de vertegenwoordigers van de zeventien provinciën. Die vertegenwoordigers waren geen ‘gewone mensen’. Het waren edelen uit de verschillende provinciën. Zij zagen zich als vertegenwoordigers en belangenbehartigers van het volk. De belangen van dat volk moesten immers behartigd worden bij de vorst. De belangen van dat volk leken erg veel op de belangen van de adel. Adel waarin rijke kooplui zich inkochten via huwelijken. De overgrote meerderheid van het volk had niets te zeggen en in te brengen.

In 1814 werden de Staten Generaal de volksvertegenwoordiging in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden en vanaf 1815 bestond die volksvertegenwoordiging uit twee kamers. Nu moeten we ook hier het begrip ‘volk’ niet al te breed zien. Tot 1848 werden de leden van de Eerste Kamer door de koning benoemd en de leden van de Tweede Kamer gekozen door de Provinciale Staten waarvan de leden weer uit de ‘edelen en notabelen’ bestonden. In het geheel niet ‘volks’ dus. Vanaf 1848 worden de leden van de Eerste Kamer door Provinciale Staten gekozen en de leden van de Tweede Kamer rechtstreeks door het volk. Nou ja het volk, alleen als je voldoende belasting betaalde, behoorde je tot het volk en mocht je stemmen. Pas sinds 1917 kennen we algemeen kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar en vanaf 1919 ook voor vrouwen. In deze strijd voor meer democratie wijkt Nederland niet zo veel af van andere Europese landen. De eerste keer dat het gehele volk mocht stemmen was in 1923. Pas vanaf dat moment zouden we kunnen spreken van een ‘burgerberaad’. En ook daar zijn kanttekeningen bij te plaatsen.

In de inleiding van zijn boek La contre-démocratie schets de Fransman Pierre Rosanvallon het dubbele van democratie: “Historisch heeft de democratie zich namelijk altijd doen kennen als zowel een belofte als een probleem. De belofte van een stelsel dat afgestemd is op de behoeften van de samenleving die gebaseerd is op de verwerkelijking van de dubbele imperatief van gelijkheid en autonomie. En het probleem van een realiteit die deze nobele idealen verre van ingelost heeft.” Dit heeft er volgens Rosanvallon toe geleid dat: “Het democratisch project (…) zelfs daar waar het was geproclameerd steeds onvoltooid (is) gebleven, of het nu ruw geperverteerd, subtiel versmald of als vanzelf tegengewerkt is. In zekere zin hebben we, in de sterkste betekenis van het woord, nooit volledig ‘democratische’ regimes gekend.” Het stukje parlementaire geschiedenis in de vorige alinea geeft een mooie opsomming van die versmallingen en tegenwerkingen. In zijn pamflet Tegen verkiezingen geeft David Van Reybrouck een bijzondere tegenwerking. Volgens Van Reybrouck is het instrument ‘verkiezingen’ in de basis bedoeld als een ‘tegenwerking’. Volgens Van Reybrouck, en nu vat ik het heel kort samen, zijn verkiezingen bedoeld als een poging van de aristocraten om de macht te behouden. En als je kijkt naar het gros van de parlementariërs in verleden en heden, dan zie je dat de bovenkant van de samenleving er structureel is oververtegenwoordigd. Nu is dat geen bewijs van Van Reybroucks gelijk, wel laat het zien dat mensen met meer macht het makkelijker hebben in een democratie.

In 2012 gaf de al genoemde Rosanvallon de Spinozalezing. In die lezing constateert hij ‘democratische onbepaaldheid’ een begrip dat hij als volgt definieert: “het subject van de democratie, haar doel en procedures (gaan samen) met spanningen ambiguïteiten, paradoxen, aporieën, asymmetrie en overlappingen die de definitie en het begrip ervan  problematisch maken en derhalve ook een bron zijn van de vele vormen van ontgoocheling.”  Rosanvallon onderscheidt er vijf die ik hieronder behandel.

Als eerste zijn er structurele spanningen. Die openbaren zich bij de keuze van de volksvertegenwoordigers. In een volksvertegenwoordiger zoeken we twee kwaliteiten. Als eerste ‘nabijheid’ kan ik me herkennen in de volksvertegenwoordiger of zoals Rosanvallon het beschrijft: “de vertegenwoordiger als valoriserende stand-in, getrouwe uitdrukking en stem van de vertegenwoordigde.” De partij GeenPeil zette tijdens de verkiezingen van 2017 extreem in op ‘nabijheid’. De partij beloofde alle stemmingen via digitale peiling aan het volk voor te leggen en in de Kamer vervolgens te stemmen naar de uitkomst van de peiling. De tweede kwaliteit die we zoeken in een volksvertegenwoordiger is ‘geschiktheid’: “de vertegenwoordiger als vertrouwensman, geïnformeerde afgevaardigde,” aldus Rosanvallon. Twee kwaliteiten die: “elkaar vaak uitsluiten en moeilijk in één vertegenwoordiger te verenigen zijn.”  En, zo vervolgt hij: “Bovendien verwijzen ze vaak naar de waardering van twee verschillende politieke momenten: dat van de verkiezingscampagne en dat van de regeringsdaad.” Als nabijheid het belangrijkste is, dan is loting de beste manier om een volksvertegenwoordiging te kiezen. Zo willen de beide auteurs ook het door hen voorgestelde burgerberaad vormgeven. Zoeken we ‘geschiktheid’ dan zijn verkiezingen beter. Probleem is echter dat we allebei zoeken. Daar komt een ander probleem bij en dat is dat een vertegenwoordiging nooit een afspiegeling van het gehele volk kan zijn. Het ‘burgerberaad’ van de auteurs zal ook tegen de problematiek van ‘nabijheid’ en ‘geschiktheid’ aanlopen. Want vindt iedereen dat de mensen in het beraad hen ‘nabij’ zijn? En zelfs als die nabijheid er is, dan is de kans reëel dat de ideeën waarmee het burgerberaad komt door een flink deel niet ‘geschikt’ wordt gevonden. Een gedragen oplossing is niet per definitie de meest geschikte oplossing.

De tweede ambiguïteit vloeit, volgens Rosanvallon: “voort uit het niet overlappen van twee constitutieve definities van hetzelfde object.” Dat object is ‘het volk’. “Het volk is zowel het korps van burgers, dat naar een idee van eenheid, een vorm van totaliteit verwijst, als een sociale vorm, die diversiteit, pluraliteit en zelfs verdeeldheid impliceert.” Tegenwoordig spelen politici als Wilders en Baudet met die ambiguïteit. Spelen door te spreken over ‘het volk’ als die eenheid terwijl ze slechts een klein deel van de diversiteit van de ‘sociale vorm’ bedoelen. Het volk in de sociale vorm spreekt nooit met één stem en bij onze besluitvorming moet een meerderheid worden gevonden door zoveel onderdelen van de ‘sociale vorm’ achter een voorstel te verzamelen dat er een meerderheid ontstaat. Deze ambiguïteit zal ook in het klimaat ‘burgerberaad’ van de auteurs sluipen. Zoals de auteurs terecht constateren: “bijna iedereen hecht belang aan een gezonde, fijne leefomgeving.” Wat ‘gezond en fijn’ is daar beginnen mensen te verschillen en vooral als het maatregelen betreft om daar te komen, dan verschillen mensen net zo van mening als: “over wat de beste voetbalclub is, wie The Voice moet winnen, en wie de verkiezingen.”

Als derde constateert Roasanvallon ‘functionele asymmetrieën: “Als we in aanmerking nemen dat de democratie het dubbele doel heeft de bestuurders te legitimeren en de bestuurden te beschermen, dan moeten we wel vaststellen dat die twee functies elkaar niet kunnen dekken. De legitimering berust op het vormen van een vertrouwensband tussen bestuurders en bestuurden, terwijl de bescherming van de bestuurden juist uitnodigt tot het organiseren van het wantrouwen” De coronapandemie brengt deze asymmetrie duidelijk naar voren. Maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, roepen veel verzet en wantrouwen op en de legitimiteit van de maatregelen wordt ter discussie gesteld.

Als vierde moeten we democratie zien in haar tijd en ruimte. Volgens Rosanvallon: “is er een duidelijk verschil tussen een democratie op het moment van haar constitutie en een permanente democratie.” Wat democratisch is en welke instituties er nodig zijn verschilt in de tijd. Rosanvallon geeft een voorbeeld: “Op het moment van de Franse Revolutie leek het ondenkbaar om vertegenwoordigers te kiezen voor de duur van meer dan een jaar; bovendien werd er elke week een nieuwe voorzitter van het parlement gekozen!” Naast ‘tijd’ kan ook ‘ruimte’ variëren. Met ‘ruimte’ bedoelt hij dat wat de kern is van de democratie. Rosanvallon: “lange tijd heeft men gedacht dat het gezin de werkelijke school van de democratie was, omdat men in het gezin er het duidelijkst vorm aan geeft. Anderen zeiden dat het lokale niveau de school van de democratie is, omdat de vanzelfsprekendheid van de gemeenschap zich niet hoeft uit te drukken door middel van de oprichting van een institutie. De groep bestaat er direct als gemeenschap.” De recente decentralisatie van verantwoordelijkheden naar gemeenten werd onderbouwd met argumenten in deze lijn. Sinds het midden van de negentiende eeuw is de natie echter dé, om Rosanvallons woord te gebruiken, school van de democratie. Tegenwoordig ondervindt die school concurrentie van een nieuwe supranationale, namelijk de Europese Unie maar ook van het lokale. Bij het aanpakken van de klimaatproblematiek speelt ‘ruimte’ een belangrijke rol. Klimaat trekt zich immers niets aan van door de mens verzonnen ‘fictionele feitelijkheden’ als landsgrenzen.

Als laatste kent democratie, zoals Rosanvallon het noemt: “pluraliteit van vormen en domeinen.” Wat moeten we hieronder verstaan? “De democratie is natuurlijk een politiek stelsel. Maar ze omschrijft ook vormen van burgeractiviteit, die verder reiken dan alleen deelname aan verkiezingen: debat, het woord nemen, informatie, participatie, betrokkenheid. Ze is ten slotte een samenlevingsvorm die gebaseerd is op het project een wereld van gelijken op te bouwen.” Een wereld van gelijken waarbij iedereen betrokken is, iedereen het woord kan nemen, zich kan informeren. Daarvoor is geen apart ‘burgerberaad’ nodig.

Een andere aanpak, zoals het door de auteurs voorgestelde burgerberaad leidt wellicht tot andere resultaten, maar of het er ook voor zorgt dat iedereen zich gehoord voelt? Of het resultaat op draagvlak bij iedereen kan rekenen? Of er niet aan de legitimiteit van de oplossingen zal worden getwijfeld? Of er niet aan de ‘ruimtelijkheid’ zal worden getwijfeld? Het lijkt mij sterk dat een burgerberaad de vijf door Rosanvallon benoemde punten oplost.

Tomorrow is only a day away

Tijdens een wandeling met mijn dochter zag ik een spreuk op een bedrijf. “Let’s shape tomorrow today” stond er. Een bijzondere spreuk. Als het verhaal van de film The Day After Tommorow maar geen werkelijkheid wordt. Dan boetseer je vandaag een fantastisch morgen dat overmorgen vergaat. Dan liever de Bond film Tomorrow never dies. Immers Tomorrow you’re always a day away zoals het personage Annie in de gelijknamige film zingt. En omdat ‘tomorrow’ altijd ‘a day away’ is, klopt het inderdaad dat ‘tomorrow never dies’. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat die ramp van ‘the day after tomorrow’ niet ook om de hoek kan liggen. Ik neem aan dat het bedrijf met tomorrow niet de dag van morgen bedoelt, maar het gebruikt als aanduiding voor de toekomst. Wat wil het bedrijf hiermee zeggen?

Eigen foto

Dat tomorrow today wordt gevormd is een enorme open deur. Nu zijn dergelijke marketing spreuken meestal open deuren. Wie kan zich “Let’s make things better’ nog herinneren? Vandaag werken aan de toekomst dat doet toch iedereen. Ik heb nog nooit iemand aan het verleden zien werken. Nu klinkt dat wellicht vreemd uit de mond van een historicus. Toch is het niet zo vreemd. Historici bestuderen het verleden en dat doen ze niet om een nieuw verleden te bouwen of vorm te geven maar om de kennis van het verleden in de toekomst te vergroten. Ze bestuderen het verleden om erachter te komen hoe het ‘is geweest’ om Leopold von Ranke aan te halen. Om het denken en handelen van onze voorvaderen te her-denken zoals de geschiedfilosoof R.G. Collingwood het noemde. Her-denken is daarbij iets anders dan herdenken. Herdenken is gedenken, her-denken is je proberen te verplaatsen in die voorvaderen en proberen te denken wat zij dachten. Daarom is alle geschiedenis volgens Collingwood, geschiedenis van het denken. Beschrijven ‘hoe het geweest is’ en her-denken veranderen het verleden niet, ze veranderen alleen onze kijk op het verleden.

Toch lijken er tegenwoordig mensen en groepen die vandaag het verleden opnieuw willen vormgeven voor morgen. Zo zijn er mensen, zoals de leider van het Forum voor democratie Baudet, die ‘voorwaarts naar het verleden’ willen. Voor Baudet ligt de toekomst ergens tussen de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw. Terug naar de: “bourgeois society, bourgeois traditions, the bourgeois way of life of ordinary people.” Ze zingen de Beatles na: “Yesterday, all my troubles seemed so far away. Now it looks as though they’re here to stay. Oh, I believe in yesterday.” Dat de ‘ordinary people’ in die tijd geen bourgeois manier van leven’ hadden, lijkt Baudet te vergeten. Voor het gros van de ‘ordinary people’ was het leven in die tijd kort, hard en bruut en hun levensomstandigheden waren verre van ideaal.

Aan de andere kant van het spectrum vind je groepen die iets anders met het verleden willen. Die willen de geschiedenis niet her-denken maar her-schrijven en liever nog her-beleven. Niet her-beleven niet in de vorm van re-enactment, het strikt naspelen of uitbeelden ervan op een manier die de goedkering van Ranke zou dragen en die zou kunnen bijdragen aan Collingwoods her-denken. Nee, her-beleven door het verleden en vooral de actoren uit vroeger tijden hun tijd te laten her-denken met de opvattingen van nu. Dit om die voorvaderen ervan te doordringen dat ze toch echt fout bezig waren en niet zomaar fout, nee goed fout. Zij zeggen: ‘Let’s shape tomorrow today by remaking yesterday’. Zij weigeren het historisch perspectief te zien.               

Bij het vormgeven van ‘tomorrow’ moeten we het ‘today’ doen met twee dingen. Aan de ene kant onze kijk op ‘tomorrow’, de toekomst en bij die kijk op de toekomst moeten we het verleden niet als voorbeeld nemen, zo betoogt Popper met goede argumenten in zijn De open samenleving en haar vijanden. Aan de andere kant onze ervaringen van ‘yesterday’, ons verleden. Maar daar hebben we alleen wat aan als we bij het her-denken uitgaan van hoe het werkelijk is geweest. Hiervan zijn op onverwachte plekken voorbeelden te vinden. Neem bijvoorbeeld de muziek. Daarbij moeten we ons niet laten leiden door de waan van ‘today’. De band The Pogues geeft in enkele van hun liedjes goede voorbeelden. Neem hun songs Navigator en The band Played Walzing Mathilda.

Waarheid en feiten

Правда of ‘Waarheid’ zo heette de partijkrant van de communistische partij van de Sovjet Unie. Ten tijde van de Sovjet Unie was het de belangrijkste krant van het land. En, zoals de naam suggereert, was dat wat erin stond de ‘waarheid’. Tenminste, voor de inwoners van het grote Sovjetrijk. Trouwens ook partijkrant van de CPN, de Communistische Partij Nederland droeg die naam en publiceerde de ‘waarheid’, tenminste voor de aanhangers van die partij. Andere kranten publiceerden andere ‘waarheden’ en daarin verschilde Nederland van de Sovjet Unie. Dat land kende ook andere kranten zoals Известия, Izvestia wat ‘berichten’ of ‘mededelingen’ betekent, maar die kranten publiceerden in de Sovjettijd dezelfde waarheid als de Правда.

Bron: WikimediaCommons

Ik begin hierover omdat ik bij ThePostOnline een column las van het filosofisch ingestelde SP-kamerlid Ronald van Raak. “Je leert het op elke filosofiecursus, je leest het in elk filosofenblad: dé waarheid bestaat niet. Dat is gemakkelijk gezegd, maar wat betekent dat eigenlijk? Is dan niets, of juist alles waar? Of moet je gewoon zélf bepalen wat waar is en wat niet?” Zo begint Van Raak en legt vervolgens de link met de coronacrisis: “Denk aan de ‘bekende Nederlanders’ die de informatie over Corona niet willen accepteren en liever vasthouden aan hun eigen ‘viruswaarheid’. Niet zozeer gebaseerd op de gegevens van artsen of de argumenten van onderzoekers, maar vooral ingegeven door hun eigen wil en hun eigen gevoelens”. Denken dat, zo betoogt Van Raak, in navolging van de Duitse filosoof Nietsche, berust: “in de absurditeit van het leven,” en ons maakt tot: “Goden van het eigen gelijk.”  Een god van het eigen gelijk omdat Nietsche de filosoof was die God dood verklaarde waardoor de mens zijn eigen god werd. Dat lijkt Van Raak een erg kwetsbare positie: “ Want wat als jij toch geen gelijk blijkt te hebben, als dat wat jij vindt en voelt tóch niet waar blijkt te zijn? Wat blijft er dan nog over? Niet veel anders dan een vallen en een dolen door een oneindig niets.”

Zoals ik al eerder schreef heeft de mens verhalen nodig. Verhalen die mensen in groepen verbinden en dan ook meteen van andere mensen onderscheiden. God is zo’n verhaal voor mensen die niet voldoende hebben aan het antwoord dat paleontoloog John de Vos recentelijk gaf: “Er is een raar molecuul, het dna, dat afhankelijk van de omstandigheden een bepaalde vorm krijgt. De voortzetting daarvan is de zin. De rest is amusement.” Zo was of is ook het communisme zo’n verhaal. Wel een verhaal dat op een belangrijk punt verschilt van de ‘goddelijke komedie’. Zo wordt de communistische hemel op Aarde gesitueerd maar dan wel in de toekomst en dus net buiten bereik van de levende mens. 

Wat de ‘communistische’, de ‘goddelijke’ en de ‘viruswaanzinige’ waarheid gemeen hebben, is dat feiten er een ondergeschikte geringe rol in spelen. Een filosofiecursus leert je wellicht dat dé waarheid niet bestaat. Als het goed is leert diezelfde cursus je wel het verschil tussen theorieën en opvattingen of meningen aan de ene kant en feiten aan de andere kant. Want, om een bekend spreekwoord te verhaspelen: al is je waarheid nog zo snel, de feiten achterhalen haar wel.

Open vizier

Het tweejaarlijkse fotofestival BredaPhoto is dit jaar het middelpunt van een rel. Een van de bijdragen, het kunstwerk Destroy my Face van Erik Kessels, is na een actie van online activisten die zichzelf We Are Not a Playground  noemen, verwijderd. “De opstellers van de Engelstalige brief wilden anoniem blijven, omdat ze, zo verklaarden ze later, hun professionele leven niet in gevaar wilden brengen,” zo is te lezen in een artikel van Anna van Leeuwen in de Volkskrant. Een bijzondere wens.

File:Hide and seek game.jpg
Foto: Fatma Hasham (WikimediaCommons)

Wat is er aan de hand? Kessels werk bestond uit: “grote foto’s (…) van door algoritmen samengestelde gezichten van vrouwen (en een enkele man) die veel plastische chirurgie hadden ondergaan. Doordat erover geskatet zou worden, zouden de portretten beschadigd raken.” Dit was tegen het zere been van de actievoerders. De oproep van de actiegroep werd ondertekend door 2.444 personen. Een van de ondertekenaars, Alina Lupu hierover: “Het is een slap excuus om te zeggen dat die foto’s zijn samengesteld door algoritmen. Algoritmen discrimineren. En juist vrouwen ervaren de druk om er op een bepaalde manier uit te zien, en die druk komt vooral van mannen.” De actie van de groep heeft tot verontwaardiging in de ‘kunstwereld’ geleid. Kunstenares Tinkebell (Katinka Simonse) over de actie: “Ze denken dat ze de waarheid in pacht hebben, echt choquerend. Een kunstwerk weg willen halen is zwak. Dan zeg je: dit mag geen deel uitmaken van de kunstcommunity.” In die reactie kan de Ballonnendoorprikker zich vinden, maar daar gaat het nu niet om.

Het gaat mij erom dat de ‘opstellers anoniem willen blijven omdat ze hun professionele leven niet in gevaar willen brengen’. Een bijzondere redenering. De opstellers willen anoniem blijven om hun eigen carrière niet te schaden, maar hebben er geen moeite mee om de carrière van een ander, in dit geval Kessels, te schaden. Ik ben niet van de bijbel maar hierbij moet ik toch denken aan het gebod ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet’. Ook hebben ze er geen moeite mee om zich achter de 2.444 ondertekenaars te verschuilen. Ik vraag me trouwens af wie er een openbrief ondertekent terwijl de auteur of auteurs ervan er hun naam niet aan durven te verbinden. Of zouden de opstellers zich tussen de ondertekenaars verschuilen?

Beste actievoerders van We Are Not a Playground, als jullie een punt willen maken, je wilt verzetten tegen iets of iemand, ga je gang. Maar …, maak jullie namen bekend zodat Kessels en anderen weten met wie ze in gesprek kunnen gaan. Aan wie ze om een toelichting kunnen vragen. Of beter nog, ga eerst het gesprek aan met degene waarmee je van mening verschilt voordat je aan actie begint. Stop met, om het bij het spelen te houden, ‘verstoppertje spelen’ en strijd met open vizier. Als je werkelijk meent dat je voor de goede zaak strijdt, dan hoef je je toch geen zorgen te maken over je latere ‘professionele leven’?

Sympathy is what we need my friend

Recentelijk kwam, na ruim tweehonderdvijftig jaar, eindelijk de Nederlandse vertaling van The Theory of Moral Sentiment van Adam Smith uit. In het Nederlands vertaald als De theorie over morele gevoelens. Dat het iets na het midden van de achttiende eeuw uitkwam, wil niet zeggen dat het niet actueel kan zijn. En inderdaad, al redelijk in het begin (afdeling 1 hoofdstuk 4) kwam de actualiteit binnen en moest ik denken aan, om die moderne termen er maar eens in te gooien, echokamers en filterbubbels.

Eigen foto

Op de site Filosofie geeft Natascha Rietdijk een goede definitie van het begrip echokamer: “een situatie waarin jij je eigen mening steeds herhaald en bevestigd hoort. Dat echo-effect zorgt ervoor dat je nog overtuigder raakt van je eigen standpunt, waardoor ideeën snel kunnen radicaliseren” In de echokamer wordt het eigen gelijk en de eigen overtuigingen een dogma en straalt men, zoals Rietdijk schrijft: “een extreem scepticisme over de argumenten van buitenstaanders,” uit. Die echokamer wordt nog versterkt door het fenomeen filterbubbel, algoritmes van de zoekmachine die zich aanpassen aan jouw voorkeuren. Als jij en ik eenzelfde zoekwoord intypen dan krijgen we andere resultaten voorgeschoteld. Resultaten die zijn gebaseerd op onze eerdere zoekopdrachten en surfgedrag.  

Terug naar Smith. De eerste afdeling van zijn boek handelt over, om de titel aan te halen: “Het gevoel voor het moreel aangepaste”. Het centrale begrip is sympathie. Om de voetnoot van de vertaler aan te halen: “Smith gebruikt het woord ‘sympathie’ veelal in de betekenis die de etymologie van het woord suggereert: het is afgeleid van het Griekse werkwoord συμ-πάθεια dat letterlijk ‘mede-lijden’, ‘mede-ondergaan’ betekent.”  Volgens Smith is sympathie een kwestie van afstemming tussen de lijder en de mede-lijder. Afstemming die moet leiden tot harmonie. Smith: “Om deze harmonie te creëren leert de natuur de toeschouwers de omstandigheden van de directbetrokkenen tot de hunnen te maken, zoals ze de laatste leert zich in zeker mate in te leven in de toeschouwers. Zoals zij zich voortdurend verplaatsen in zijn situatie en aldus emoties vormen die lijken op wat hij voelt, zo verplaatst hij zich voortdurend in hun situatie en krijgt zodoende een idee van de mate van koelheid waarmee, zoals hij beseft, ze zijn lot bezien.” En dan komt het bijzondere in het betoog van Smith. Volgens Smith is het voor de gemoedsrust van de lijder beter om dit ‘afstemmen’ te doen met onbekenden. Sympathie die we bij vreemden constateren leidt, zo betoogt Smith, tot de grootste mate van gemoedsrust want: “wanneer we überhaupt meester over onszelf zijn, zal de aanwezigheid van een kennis ons werkelijk kalmeren, meer dan de aanwezigheid van een vriend, en de aanwezigheid van een gezelschap van vreemden weer meer dan die van een kennis.”  Sympathie van onbekenden zorgt, volgens Smith, voor meer gemoedsrust: “ten overstaan van hen dwingen we ons tot nog meer kalmte, en proberen steeds ons gevoel te verlagen tot het niveau waarvan we mogen verwachten dat het gezelschap waarin we verkeren zich ernaar kan voegen.”

Ik moest denken aan ‘echokamers’. Daar kom je gelijkgestemden tegen. Gelijkgestemden waarmee je je gevoel veel minder hoeft te verlagen en je dus veel makkelijker hoog in je emotie blijft zitten. Daarvan zien we vele voorbeelden. We zien ‘kamers’ die ons land als door en door racistisch zien en ook ‘kamers’ waar men in iedereen die van elders komt een vijand ziet. Echokamers die worden versterkt door filterbubbels. Zo is er ook een ‘kamer’ die het coronavirus ontkent. In die bubbel gebruikt de overheid het ‘spookvirus’ om onze vrijheden af te nemen. Die ‘kamer’ deed deze week van zich spreken via #ikdoenietmeer mee. Een hoog emotionele actie.

De nasleep van die actie liet een mooie bevestiging zien van het denken van Smith: de uitzending van Jinek met ‘influencer’ Famke Louise. Eerst gaat Jinek met veel emotie het gesprek met Famke Louise aan.  Ze wast haar min of meer de oren, maar tot een echt gesprek komt het niet. Een schoolvoorbeeld van twee personen die hoog in hun eigen waarheid zitten en zich niet in elkaars positie probeerden in te leven. Ze probeerden niet mee-te-lijden.

Gelukkig zat ook ic-specialist Diederik Gommers aan tafel. Gommers ‘verlaagde zijn gevoel’ en ging op een kalme manier opzoek naar contact met Famke Louise. Gommers verplaatste zich in haar situatie en dat maakte dat Famke Louise hetzelfde deed. Ze kwamen, om Smith aan te halen, op: “het niveau waarvan we mogen verwachten dat het specifieke gezelschap waarin we verkeren zich ernaar kan voegen.” Een niveau waarnaar het gros van de Nederlandse samenleving zich kan voegen. Een niveau waarbij we met elkaar mee-lijden. Een prachtig voorbeeld van Smiths theorie dat sympathie voor onbekenden voor meer gemoedsrust zorgt. Helaas zijn  dergelijke voorbeelden tegenwoordig zeer schaars.   

Prestatiebeloning

“Wat als je de slechtst presterende 10 procent medewerkers in een organisatie zou vervangen door de beste 10 procent? In het bedrijfsleven levert het 4 tot 5 procent meer productie op.” Hiermee opent een interview van Wouter Boonstra met hoogleraar internationale economie Harry Garretsen in Binnenlandsbestuur. Hoe kun je tien procent van je slechtste medewerkers vervangen door tien procent van je beste medewerkers, die beste medewerkers heb je toch al in huis? Nu zal Garretsen het zo niet bedoelen. Het gaat mij om een andere passage in het interview. Ik lees er: “dat de helft van de werknemers in de publieke sector met liefde een deel van de salarisstijging opgeeft voor een prestatie-afhankelijke bonus. Onder de jongeren tot 45 jaar was het percentage voorstanders van een bonus zelfs 60 procent.” Zou die helft en de zestig procent van de jongeren tot 45 zich realiseren wat ze willen? Bij een prestatiebeloning word je beloond naar wat je presteert.

gras, fabriek, veld-, prairie, bloem, eten, gewas, biologie, landbouw, groenten, prei, allium, bebouwbaar, bloeiende plant, triticale, prei kas, allium ampeloprasum, gras familie, landplant, phragmites, prei veld, prei groeien, allium porrum, breedband prei, winter prei, Welsch ui, wicked prei, spaans ui, Asch prei, ui vlees, Ackerl auchs
Bron: pxhere.com

Mijn eerste schreden op de arbeidsmarkt zette ik als elfjarige in de ‘grote vakantie’ op een akker waar prei moest worden gepoot. Het salaris was een typisch voorbeeld van ‘prestatiebeloning’. Het werd bepaald door de hoeveelheid rijen die je pootte. En voor mij leek er geen einde aan zo’n rij te komen dus dat salaris viel wat tegen in vergelijking met wat oudere kinderen met meer ervaring in het poten van prei. In die tijd werd het salaris van veel van dergelijk seizoenswerk bepaald aan de hand van je prestatie: zoveel cent per kilo aardbeien of asperges. Na enkele jaren was ik erg bedreven in dergelijke werk. Alleen waren de tuinders toen overgestapt op een salaris per uur.

Prestatiebeloning is bedoeld als een prikkel waardoor de werknemer harder gaat werken. Bij het preipoten was het heel eenvoudig: poot je de meeste rijen dan verdien je het meeste. De tuinder weet vooraf precies hoeveel geld hij kwijt is aan het poten van de prei. Namelijk het aantal rijen maal de prijs per rij. De poters weten vooraf niet wat ze verdienen. Hun verdienste hangt namelijk af van de prestatie van hun collega’s. Om het cru te zeggen profiteren de snelsten van de langzaamste. De snelsten kunnen immers meer doen omdat de langzaamste minder doen. Als de tuinder zijn prei sneller in de grond zou willen hebben, dan zou hij bijvoorbeeld de langzaamste helft van de poters kunnen vervangen door poters die even snel zijn als zijn snelste helft. Zijn kosten zouden gelijk blijven, de prei zou eerder in de grond staan en … de poters zouden per persoon minder verdienen. De snelheid van de gemiddelde poter neemt immers toe waardoor er per ‘poter’ minder rijen gedaan kunnen worden.

De publieke sector is geen tuinderij waar prei moet worden gepoot. Voor die vijftig en zestig procent van de voorstanders van prestatiebeloning is het goed om toch eens wat beter naar die akker met prei te kijken. Als we bijvoorbeeld kijken naar de gemeentelijke begroting dan zien we dat daar een bedrag in is opgenomen voor het salaris van de ambtenaren. Zoveel geld is er per jaar beschikbaar voor salaris. Dat bedrag is gefixeerd. Het is de te vergelijken met de akker van de preiteler, die heeft een vast oppervlak. Hoe dat bedrag voor salarissen in de gemeentelijke begroting wordt verdeeld, staat nu vooraf vast. Ambtenaren zijn op een bepaald salarisniveau ingeschaald. Ze weten van tevoren wat ze krijgen. Stel we gaan de kant van de prestatiebeloning op en een deel van het ambtenarensalaris wordt ‘prestatieafhankelijk’. Dan wordt hetzelfde bedrag op een andere manier verdeeld over de ambtenaren. Zouden die vijftig en zestig procent hier allemaal van profiteren?

Laat ik eens een voorbeeld uitwerken. Een bedrijf of gemeente heeft 200 medewerkers die nu allemaal 100 verdienen. Dit betekent dat er 20.000 aan salaris beschikbaar is. Stel we gaan nu een vijfde verdelen op basis van prestatie. Dan is er 16.000 als basissalaris beschikbaar, dus 80 per persoon en zit er 4.000 in de ‘prestatie-pot’. Presteren doe je als je meer dan gemiddeld produceert. Dit betekent dat je alleen als je tot de beste 50% behoort, in aanmerking komt voor een prestatiebonus. Verdeel je die ‘prestatie-pot’ recht evenredig over de 100 meer dan gemiddeld presterende medewerker, dan ontvangen die ieder 40 extra en hebben ze een inkomen van 120. Dan ga je ervan uit dat de best presterende vijftig allemaal evenveel presteren. Maar hoe ‘prestatie belonend’ is het als je iemand die net iets meer dan gemiddeld presteert evenveel bonus toekent als de allerbest presterende? Om ook daar de prestatie leidend te laten zijn, maken we een staffeling. We verdelen die bovengemiddeld presterende 50% in vier even grote groepen van 25 personen. Het best presterende kwart van die 50% krijgt 40% van de ‘prestatie-pot, dus 1.600, het tweede kwart 30% en dus 1.200, het derde kwart 20% of te wel 800 en het laatste kwart 10% en dus 400. Alhoewel ook weer niet helemaal ‘prestatie-belonend’, verdelen we de delen van de pot recht evenredig over de groepen. Wat zien we dan? Dan zien we dat de slechts presterende 100 medewerkers per persoon 80 verdienen. De 25 (12,5%) net boven gemiddelde scorende medewerkers verdienen 80 plus een bonus van 16 (400 gedeeld door 25). De volgende 25 verdienen 80 plus een bonus van 32 (800 gedeeld door 25). De op een na best presteerden 25 verdienen 80 plus een bonus van 48. De best presterende 25 medewerkers verdienen 80 plus een bonus van 64.

Anders dan de tuinder die zijn akker sneller gepoot wilde hebben, vervangt dit bedrijf of gemeente, niet die minst presterende medewerkers. Tenminste niet bewust, maar dat wil niet zeggen dat onbewust niet hetzelfde gebeurt. Van de ene kant zullen de minst presterende medewerkers wellicht ander werk zoeken omdat hun beloning vermindert. Ze krijgen nu immers nog maar 80 terwijl het eerst 100 was. Aangelokt door de bonus, zal hun plek worden ingevuld door ambitieuze lieden die verwachten tot de best presterende medewerkers te horen. Als dat zo is, dan stijgt de gemiddelde productie en dus de norm waaraan je moet voldoen om voor een bonus in aanmerking te komen.

In dit voorbeeld gaat meer dan 60% van de medewerkers achteruit in salaris. Dat betekent dat ook een deel van de voorstanders van prestatiebeloning het met minder zal moeten doen dan ze nu krijgen. De productiviteit van het bedrijf of de gemeente stijgt en dat is positief. Snellere ‘poters’ zorgden ervoor dat de prei van de tuinder sneller was gepoot en de poters eerder naar huis konden tegen dezelfde arbeidskosten voor de tuinder. Anders dan de akker van de tuinder, is het werk bij een gemeente oneindig. Via de prestatiebeloning gebeurt immers meer voor hetzelfde geld, de ‘gemeentelijke poters’ gaan niet eerder naar huis, ze doen meer in dezelfde tijd. Dat is positief voor het bedrijf of gemeente, maar is het ook goed voor de werknemers? Ze moeten steeds harder werken voor hetzelfde of minder geld. Harder en meestal ook langer. Een tweede, vooral voor de minder productieve medewerkers interessante, manier om je ‘prestatiebonus’ te halen, is door meer tijd aan het werk besteden. Door langer te gaan werken. Zouden de vijftig en zestig procent voorstanders van prestatiebeloning zich dit allemaal realiseren? Ik waag het te betwijfelen.

Probleem van de vluchteling

Het kan niemand zijn ontgaan dat het vluchtelingenkamp Moria op Lesbos door branden grotendeels is verwoest. Toch heeft die brand relatief weinig commotie en verontwaardiging veroorzaakt. In het programma De Vooravond geeft jurist en auteur Roxane van Iperen een goede verklaring voor dit gebrek. Volgens haar is het een gevolg van een proces van ontmenselijking van de vluchtelingen. Een interessante verklaring waarbij ik moest denken aan het boek  Het kwaad. De psychologie van onze duistere kant van Julia Shaw. Eerst het proces van ontmenselijking van Van Iperen.

Eigen foto

Een proces dat begon met het afschuiven van het probleem naar ‘de regio’, waar de vluchteling moet worden opgevangen. Een regio waartoe Nederland nooit hoort. Zelfs niet als het wel het geval is, zoals in het geval van de Venezolaanse vluchtelingen die naar de Antillen vluchten. Dan moeten de grenzen dicht. Vervolgens worden vluchtelingen ‘gelukzoekers’, niet op zoek naar veiligheid maar uit op ‘onze welvaart’. Die Gelukzoekers die samen een ‘tsunami’ vormen die ons ‘overspoeld’. Vervolgens worden het terroristen, verkrachters enzovoort. Zo wordt een maatschappelijk ‘probleem’ vakkundig buiten ons geplaatst. En toen moest ik aan Shaw denken. In haar zoektocht naar, en verklaring van het kwaad kan zij niet om nazi-Duitsland heen. Shaw haakt aan bij de levensgeschiedenis van Martin Niemöller. Niemöller begon als aanhanger van Hitler, maar toen hij zag hoe funest de nazipolitiek uitpakte verzette hij zich en belandde uiteindelijk in concentratiekampen. Niemöller is de dichter van een van de bekendste protestgedichten:

Eerst kwamen ze voor de socialisten en ik zei niets. 
Omdat ik geen socialist was.
Toen kwamen ze voor de vakbondsleden en ik zei niets.
Omdat ik geen lid was.
Toen kwamen ze voor de Joden en ik zei niets.
Omdat ik geen Jood was.
Toen kwamen ze voor mij, en er was niemand over
om voor mij iets te zeggen.

Nazipolitiek die ook begon met het ontmenselijken van anderen en hen te benoemen als Untermenschen.  Tegenstanders die vervolgens één voor één werden uitgeschakeld op een manier die Niemöller in zijn gedicht beschrijft. Shaw over deze uitspraak: “Voor mij maakt hij duidelijk hoe gevaarlijk het is de problemen van de maatschappij als de problemen van iemand anders te zien. Het gaat over de medeplichtigheid die het gevolg is van niets doen. En we vragen ons af waarom we zo vaak niets doen als anderen om ons heen lijden.”

Het Nederlandse beleid rond vluchtelingen maakt een maatschappelijk probleem, een probleem van de wereldgemeenschap, tot een probleem van anderen: die moet zijn eigen ellende oplossen en ‘ons’ er niet mee lastig vallen. Of die ander nu een Syriër is die een veilig heenkomen zoekt voor de burgeroorlog in zijn land of een land als Griekenland dat ‘toevallig’ in de regio ligt en dus de ellende maar moet oplossen. Dus daarom doen ‘we’ (de Nederlandse regering) zo vaak niets. Ook nu weer. Ja, er wordt naarstig overlegd door de regeringspartijen om tot een ‘oplossing’ te komen. Een ‘oplossing’ die niets oplost behalve dat ze de ‘vrede’ in de coalitie handhaaft.

Een debat dat draait om het ‘vluchtelingenprobleem’, de eventuele problemen die vluchtelingen hier kunnen veroorzaken. En om die problemen te voorkomen, wordt de deur dicht gehouden. Een oplossing die tot situaties leidt zoals op Lesbos, enkele andere Griekse eilanden maar ook in Italië. Een oplossing die ervoor zorgt dat de kosten van een tocht naar Europa zeer hoog worden. Een paar duizend euro voor een ‘boottocht’ naar Lesbos terwijl je voor nog geen € 150 van Turkije naar Amsterdam kunt vliegen. Een oplossing die ervoor zorgt dat mensen in gammele bootjes proberen in Europa te komen. Een oplossing die geen oplossing is.

Waarom vlucht iemand? Een hek om Syrië zetten, maakt het binnen dat hek niet veiliger. Een ‘gesloten deur’ voor economische vluchtelingen, maakt niet dat de economische situatie in het land van vertrek verbetert. Die oplossing is alleen te vinden als we in plaats van het ‘vluchtelingenprobleem’ het ‘probleem van de vluchtelingen’ centraal stellen. Als de veiligheid ‘binnen het hek’ wordt verbeterd, als de economische situatie in het land van vertrek verbetert, pas dan wordt er gewerkt aan het probleem van de vluchteling. Als we dat doen zal het huidige ‘vluchtelingenprobleem’ voor het grootste deel verdwijnen.

Shaw vraagt zich af hoe ‘Hitler’ mogelijk werd. Daarbij onderscheidt zij verschillende soorten medeplichtigen. Als eerste de ‘omstanders: “degenen die niet in de ideologie geloofden en niet betrokken waren bij de nazipartij, maar die getuigen waren of wisten van de wreedheden en niet optraden.” Als tweede de groep die: “in de retoriek geloofden, die geloofden dat ze de wereld door middel van een etnische ‘schoonmaak’ hielpen verbeteren en wier overtuigingen en optreden bij elkaar pasten.” Als laatsten: “degenen die niet in de nazi-ideologie geloofden, maar die het gevoel hadden zat ze geen andere keus hadden dan zich bij de nazipartij aan te sluiten of die geloofden dat een lidmaatschap hun persoonlijke voordelen opleveren.” De Ballonnendoorprikker wil niet behoren tot de medeplichtigen. Daarom laat hij zijn stem horen. Of beter, laat hij zijn toetsenbord spreken.

Dictatuur van de minderheid

Bij de Kanttekening stuurt Kiza Magendane een ‘liefdesbrief’ aan de voorstanders van zwarte piet. Hij houdt ze, vanuit zijn ervaring als vluchteling, voor dat er leven is na het verlies van iets dierbaars. En mochten de voorstanders van zwarte piet het nodig hebben: “Als de coronacrisis is afgelopen, kunnen jullie bij mij een gratis knuffel ophalen,” aldus Magendane. Nu gaat het mij niet om die knuffel en ook niet om  zwarte piet. Het gaat mij om de zin: “Als de minderheid regelmatig hiertegen bezwaar aantekent, dan is het aan de meerderheid om zich aan te passen. Het gaat om een kwestie van beschaving.” Inderdaad is rekening houden met elkaar een kwestie of teken van beschaving. Maar is het daarbij altijd aan ‘de meerderheid’ om zich aan te passen?

Alexis de Toqueville. Bron: WikimediaCommons

Nu kan ik Magendane in het geval ‘zwarte piet’ volgen. Bezwaar tegen het uiterlijk van ‘piet’ en het gevoel dat dit mensen geeft, is aanleiding voor een goed gesprek. Een gesprek dat ertoe leidt dat ‘piet’ wordt aangepast. Dat wordt lastig als ‘piet’, zoals dat door sommigen gebeurt, tot het fundament van de Nederlandse samenleving wordt gemaakt. Dat fundament draagt dan immers het geheel. Zo zijn er meer kwesties waar een minderheid tegemoet kan worden gekomen door een aanpassing. Dit omdat ze niet tot de fundamentele waarden van onze samenleving behoren.

Er zijn echter ook zaken waar de meerderheid voet bij stuk moet houden en het de minderheid is die zich aan moet passen. Bij zaken die wel raken aan de fundamentele waarden van onze samenleving lijkt het mij niet verstandig dat de meerderheid zich aanpast aan bezwaren van een minderheid. Zo lijkt het mij niet dat we onze wetgeving moeten aanpassen aan wensen van religieuze fanaten die de wet van hun god boven de Nederlandse wet willen plaatsen. Het lijkt mij niet dat we toe moeten geven aan minderheden die vrouwen ondergeschikt vinden aan de man. Die mensen die houden van iemand van hetzelfde geslacht als minder zien of nog erger.

In een democratische samenleving worden besluiten genomen op basis van een meerderheid van stemmen. Dit zou, daar waarschuwde Alexis de Toqueville in de negentiende eeuw al voor, kunnen leiden tot een dictatuur van de meerderheid. Daarom wordt de eerste zin van deze alinea vaak aangevuld met ‘en houdt daarbij rekening met de belangen van de minderheid’. ‘Rekening houden met’ is echter niet synoniem aan ‘zich aanpassen’. Niet ieder bezwaar, ook niet als het geregeld door een minderheid wordt geuit, hoeft te leiden tot een meerderheid die zich aanpast. Als een meerderheid zich steeds zou moeten aanpassen aan bezwaren van een minderheid, is er dan niet sprake van een ‘dictatuur van de minderheid’?

’n Man, ’n vrouw

“Een harde boodschap voor mensen zonder kinderen.” De conclusie van interviewer Fokke Obbema in een gesprek in de Volkskrant met paleontoloog John de Vos. Die conclusie volgt op: “klopt,” het antwoord dat De Vos geeft op de vraag: “Leiden mensen die zich niet voortplanten dan geen zinvol leven.” Volgens De Vos is de enige zin van het leven de voorplanting: “Er is een raar molecuul, het dna, dat afhankelijk van de omstandigheden een bepaalde vorm krijgt. De voortzetting daarvan is de zin. De rest is amusement.” Een heel ander antwoord dan de schoolcatechismus gaf.

Nu was de vraag die in die schoolcatechismus werd gesteld iets specifieker. Die vroeg niet naar de zin van het leven in het algemeen, maar naar de zin van het menselijk leven. Op de eerste vraag ‘waartoe zijn wij op aarde’ volgde het antwoord ‘Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn.’ En omdat de tijd hier kort is en in het hiernamaals lang, was het geluk hier ondergeschikt aan het geluk in het hiernamaals. Zeker omdat het niet goed dienen van god je een plek in de hel of het vagevuur kon bezorgen en dat scheen geen pretje te zijn. Voor wie daar meer over wil weten, de Goddelijk komedie van de dertiende-eeuwse Florentijnse dichter Dante Alighieri beschrijft de reis die je na je dood maakt. De islam kent een soortgelijk geloof in een hiernamaals en je plek daar wordt bepaald door wat je tijdens je leven op Aarde doet.

Ook de oude Romeinen geloofden in een hiernamaals, het Elysium, de plek waar de gelukzaligen vertoefden. Maar daar waar de christenen daarvoor naar boven, naar de hemel, keken, bevond het Elysium zich in de onderwereld. En net als de christelijke hemel, werd je toegang tot het Elysium bepaald door je daden in het aardse leven. Generaal Maximus gespeeld door Russel Crowe refereert daar in de film Gladiator aan in zijn toespraak tot zijn ruiters voor de ‘laatste slag’ met de Germanen: “Three weeks from now, I’ll be harvesting my crops. Imagine where you will be, it will be so. Hold the line! Stay with me. If you find yourself alone riding in green fields with the sun on your face, do not be troubled for you are in Elysium. And you’re already dead.”

Dan zijn er nog mensen die geloven dat de ziel van ieder leven, wat dat ook moge zijn, steeds weer een nieuwe ‘vleselijke gedaante’ aanneemt. Vandaar de naam hiervoor reïncarnatie. Wat die ziel in dat vleselijke omhulsel doet, bepaalt de vleselijke vorm in een volgende cyclus. Die vorm kan hoger of lager zijn dan de vorige. Als de ziel het almaar goed blijft doen, wordt hij of zij bevrijd van het aardse leven en wordt dit ingeruild voor een eeuwig leven met god. Als we dit vergelijken met de christelijke hemel en hel, dan kun je zeggen dat leven op Aarde een hel is waaraan je als ziel kunt ontsnappen door goed te leven.

Nadenken over de zin van leven in het algemeen en het eigen in het bijzonder, is een typisch menselijke activiteit. Het is iets wat we gratis meegeleverd hebben gekregen met de evolutionaire ontwikkeling van onze hersenen. Zoals ik in een recente Prikker schreef, kunnen wij ons zaken voorstellen die er niet zijn. Wij kunnen ons een reis naar Mars verbeelden. Wij zijn meesters in het verzinnen van ficties die voor ons zo feitelijk en reëel zijn als een boom of een steen. Dat voorstellingsvermogen is een uniek menselijke kwaliteit. Dit voordeel komt echter wel met een nadeel. Dat nadeel is dat wij ons ook de vraag kunnen stellen wat er na onze dood komt? Een vraag die bij velen onzekerheid oproept. Die onzekerheid kan dan weer worden weggenomen door dat ‘unieke voordeel’. Dat verbeeld zich dan een hemel, Elysium of reïncarnatie. Een fictie die voor de aanhangers ervan weer net zo feitelijk is als een boom.

En dat brengt mij bij Rowwen Hèze. Een van hun eerste liedjes ging precies over de zin van het leven. In het lied ’n man, ’n vrouw komen ze tot dezelfde conclusie als De Vos: het draait om de voortplanting en de rest is amusement. Ze verpakken het wel wat beter:

’n Man ‘n vrouw en unne groete pot beer,
’n akordeon en ’n bitje pleseer,
‘n Man ‘n vrouw en une groete pot beer,
dat is al wat er is, leg ow dor maar beej neer,
oohh leg ow dor maar beej neer.

Eenoog of vijftien pakken koekjes

“Je hoeft voorlopig geen koekjes meer mee te nemen. Er liggen nog vijftien pakken in de kast.” Dit krijg ik soms te horen. Nee, niet altijd over koekjes, het onderwerp kan variëren. Ik krijg dat te horen omdat ik in ons huishouden meestal de wekelijkse boodschappen doe. Hiervoor maak ik nooit lijstjes, ik neem iedere week ongeveer hetzelfde mee. Alleen bijzondere zaken staan op een lijstje. Nou ja lijstje, een foto van ons memobord waarop we die zaken, zoals afwasmiddel of koffie, schrijven. Ik moest hieraan denken toen ik de kop van een advertentie las die in de Volkskrant voorbij kwam: ‘Kinderen zullen niet eens weten dat Internet of Things bestaat’. Met een op het internet aangesloten voorraadkast, zou dat nooit gebeuren.

Eigen foto

‘Internet of Things’ met hoofdletters geschreven om het nog belangrijker te maken. Wikipedia geeft de volgende omschrijving: “Het internet der dingen (Engels: Internet of Things (IoT)) refereert aan de situatie dat door mensen bediende computers (desktops, laptops, tablets, smartphones) in de minderheid zullen zijn op het internet. De meerderheid van de internetgebruikers zal in deze visie bestaan uit semi-intelligente apparaten, zogenaamde embedded systems. Alledaagse voorwerpen worden hierdoor een entiteit op het internet, die kunnen communiceren met personen en met andere objecten, en die op grond hiervan autonome beslissingen kunnen nemen.”  De promotors van het Internet of Things laten het woord semi voor intelligent weg en verengelsen het tot ‘smart’. Een ‘smart’ voorraad- en koelkast die samen het boodschappenlijstje maken en het naar mij zenden, dat zou handig zijn. Of nog een stap verder. Die het lijstje naar de supermarkt, slager en bakker stuurt die de boodschappen dan thuis komen bezorgen. Of niet?

Dat ‘thuisbezorgen’ zou me tijd schelen. Tijd waarin ik een Prikker kan schrijven. Nu is tijd vinden om een Prikker te schrijven niet zo’n probleem. Als het idee er is, volgt de tijd vanzelf. Bij dat thuisbezorgen zou ik het contact en de gesprekken met winkelmedewerkers missen. De leuke gesprekken met de medewerkers bij Scharrelslagerij Hamans of met de medewerkers van Bakkerij Rutten. En ook de gesprekjes met de andere klanten. Gesprekjes die ervoor zorgen dat ik ‘weet wat er binnen de ‘stam’ leeft’ om een citaat van Yuval Noah Harari dat ik in een recente Prikker gebruikte, te parafraseren. Gesprekjes die trouwens ook soms stof leveren om over te schrijven. Als ik de plus van de tijdwinst afzet tegen deze sociale winst, dan kies ik voor de sociale winst. Wat dat betreft ben ik het met ‘oma Muriel’ uit de serie Years and Years eens, waarover ik in de vorige Prikker schreef, dat ‘wij verantwoordelijk zijn voor de wereld die we bouwen.’

Dan het lijstje maar naar mezelf sturen zodat alles er is en er geen ‘vijftien pakken koekjes’ meer in de kast liggen? Dat zou enige meerwaarde kunnen hebben. Al vraag ik me wel af of die ‘vijftien pakken koekjes’ opwegen tegen een apparaat dat gegevens over ons huishouden verzamelt en waarvan ik niet weet met wie die gegevens allemaal gedeeld worden. Ik weet niet of ik erop zit te wachten dat de fabrikant van de koelkast en de maker van de erin verwerkte hard- en software te weten komt welke zaken ik eet en drink en deze vervolgens doorverkopen aan anderen. Nee, dan liever eens per maand een boodschap dat er nog ‘vijftien ….’ liggen en dat ik die voorlopig niet meer mee hoef te nemen.

Zo zit ik ook niet te wachten op andere ‘smart’ apparaten die mij ‘adviseren’ en ondertussen mijn leven volgen en delen met bedrijven en overheden. Een ‘smart’ wc-pot die je grote en kleine boodschap analyseert en je in een vroegtijdig stadium meldt dat je iets mankeert, klinkt geweldig en kan levens redden. Toch zie ik ervan af omdat ik niet weet wie die gegevens nog meer krijgt. En al wist ik het, dan weet ik nog niet of ik alles wil weten. Ik weet niet of ik nog rustig op het toilet zou zitten als er een kans is dat je kleine of grote boodschap wordt gevolgd door een minder prettige boodschap. Nee, een ‘smart home’, ja ook de woorden achter ‘smart’ worden bij voorkeur verengelst, waarin allerlei apparaten verbonden zijn met internet en ik van afstand kan inloggen op het beveiligingssysteem, de temperatuur kan regelen en alvast de wasmachine kan aanzetten, is niets voor mij. Of sterker nog, een huis dat dit allemaal al zelf doet, is aan mij niet besteed. Liever een slim mens in een dom huis dan een dom mens in een slim huis.

Nu zijn het niet alleen dingen en huizen die ‘smart’ moeten worden. Ook hele steden willen ‘smart cities’ worden. Weer verengelst al kan ik me voorstellen dat het Nederlands hier, zeker als het wordt afgekort, verkeerde beelden oproept. ‘Smart cities’ die technologie gebruiken om het verkeer goed te laten doorstromen, aan ‘crowd control’ doen, de afvalinzameling verbeteren om zomaar een paar voorbeelden te noemen. Om, het in beleidstermen te formuleren ‘de stad en de dienstverlening duurzamer en efficiënter’ in te richten. De technologie die hiervoor wordt gebruikt is dezelfde die in China wordt gebruikt: camera’s, data, locatiegegevens van mobiele telefoons. De Chinese versie wordt vaak aangeduid met de Orwell term Big Brother. Nu laat de corona-pandemie zien dat efficiënt in crisistijd niet even efficiënt is. Als burger van Nederland en inwoner van Venlo zit ik niet te wachten op ‘smart Venlo’, veel liever zie ik dat ‘smarte’ Venlonaren hun ding doen.

Nu word je op school bij het vak economie geleerd dat vraag van de consument aanbod creëert. Als we dit op het Internet of Things toepassen: welke consument heeft om dit aanbod gevraagd? Wie heeft er om het ‘Internet of Things’ gevraagd? Als die er niet zijn, waarom wordt het ‘aanbod’ dan toch uitgerold? Misschien ben ik de enige die niet om dat ‘Internet of Things’ vraagt. Al lijkt me dat sterk. Om terug te grijpen op de kop van de advertentie, het is geen pré dat ‘onze kinderen niet zullen weten dat het bestaat’. En het zijn niet alleen ‘onze kinderen’ die het niet zullen weten, het gros van ‘ons’ weet ook niet dat het bestaat en wat het inhoudt en betekent.

‘In het land der blinden is eenoog koning’ aldus een bekend spreekwoord. Al die ‘smart’ zaken, dat hele ‘Internet of Things’ maakt enkelen (de bedrijven en op andere plekken de overheid) eenoog. Eenoog omdat ze ook niet weten hoe het werkelijk uit gaat pakken. Wij, de eenvoudige inwoner/consument zijn de ‘blinden’ omdat we helemaal niet weten hoe het werkt en wie er wat mee kan. Dat is precies wat de advertentietekst zegt. Kiezend tussen ‘eenoog’ en ‘vijftien pakken koekjes’, kies ik voor het laatste. Het laatste en een flinke investering in kennis om te voorkomen dat het ‘huis’ slimmer wordt dan haar ‘bewoners’.